VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 8807

Coromandel · 210 pages · 26 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_8807_0157 view scan ↗

English

102 Concerning this default, the second in command at Jaggernaikpoeram, de Ravallet, justified himself by letter of 20 April 1780 by attributing that lesser delivery to the many rejections that were made of the cloths at a time when the old chiefs were on the point of departure, whereby the merchants had no time to deliver others; and concerning the lesser profits, these were attributed by the said second in command in his just cited letter, 1st, to the fickle nature of trade itself, and 2nd, to the large remainders of merchandise with which the merchants may have been supplied in the year 1779; both reasons resting solely on conjectures, but with which we nevertheless have been satisfied, as they are sold most closely together. § 226 It has not edified us in the least that the servants of Jaggernaikpoeram gave no reason for the shortage of delivered bales of linens, but even less so that they produced any excuse for the small profit on the trade at their office in this year, which was ƒ 97,853: 7:— less than in the previous one. If such was merely a negligence of those chiefs, it is nevertheless of such a nature that it deserves a most serious reproach, but we would much rather assume that they must have had reasons to withhold, were it possible, the judgment over those causes from Your Excellencies as well as from us, and for that reason had passed over the same in silence, in the hope that the same would escape attention. This, however, has not succeeded for them, the Ministers having with full right ordered them to give those reasons as yet. § 227 That deficiency has in the meantime had a very noteworthy influence on the diminished profit of the Company's trade here, to the amount of ƒ 108,096: 13:—. 103 § 228 The main office having likewise achieved less profit than the previous year, we see with astonishment that the cause thereof is attributed to the diminished sale of the Japanese bar copper, and that after the price of this article, first in the North and subsequently along the entire coast, was set from 100 to 97 new Nagapatnam pagodas. We acknowledge with regret that, despite the introduced price reduction of the Japanese bar copper, the sale of that article in the year 1779 was of no desired success, as we might otherwise reasonably have expected; yet we are and remain respectfully of the opinion, as has already been very reverently noted by us in our marginal reply to the extract of the missive from the Fatherland of 6 November 1780 § 272, that a price reduction in that mineral is the only means to cause the sale thereof along this coast to increase again, because the old price of 100 new Nagapatnam pagodas differs too much with that of the Swedish bar copper; especially since the latter is almost as much in demand among the native as the Japanese. Indeed, the Ministers, when they made the proposal thereto, were confident that this price reduction would increase the sale, and it is also certainly on that ground that Your Excellencies granted their qualification thereto; the Company, however, now suffers a double loss in this article, both through the diminished sale and through the lower price, while it would probably cost very much effort to bring this mineral to the former price, and very many favorable circumstances would have to coincide for that. § 229 The troubled times being given by the Bimilipatnam servants as the reason of 147 the bad trade, we must submit to it, while it will presently not be the time to decide on the project formed by them for the improvement of the trade, which has been submitted to Your Excellencies by the Ministers. § 230 We are just as little in a position to declare ourselves on the proposal of the Ministers, since they consider the annual dispatch of a direct ship to this coast to be exposed to many difficulties, to have that dispatch take place every two years. For this, however, calmer times, and above all the restoration of peace between the European Powers residing on this coast, will have to be awaited. § 231 That war meanwhile, in which the Republic is involved, compels us, however much the letters exchanged between Your Excellencies and the Ministers would give rise to various reflections, to leave most of them untouched. § 232 Yet when we compare what was written in Your Excellencies' secret letters of 27 April with the turn that the political affairs of our Republic have since taken, we imagine that it would in several respects be needless, and in others in every way unadvisable, to treat this matter according to custom. 113 § 233 To the latter kind we assign the occurrences with the foreign nations and native princes, which we would gladly pass over in silence, were it not that from the comparison of the letter of 25 September 1778 with the Governor's secret letter of 20 May 1779 it seemed quite probable to us that Your Excellencies in your latest letters of 11 January had granted a qualification to the Governor to open certain letters, in order to discover therefrom whether the correspondence contained therein could also be detrimental to the Company. Of this granted qualification to the Governor we bear not the least knowledge, and therefore respectfully request to be allowed to consider this entry answered herewith. We say that this has seemed probable to us because, besides various other letters, that missive has also not come under our eye, and we thus cannot fully judge this matter. We regard that qualification, however, as perilous in every way, because whenever there are

Dutch transcription

102 over dit verzuim heeft den Jagger„ verantwoord bij brief van den 20 April 1780 met die mindere Leverancie toe„ schrijven aan de veele uitschotten die 'er de groote restanten koopmanschappen waar mede mogelijk de kooplieden in A:o 1779 voorzien geweest waren; Beide redenen alleen op gissingen steunende, dog waar mede wij egter genoegen genomen hebben ten naausten aan elkander zijn verkogt § 226 Het heeft ons in gee„ nen deelen gestigt, dat de Bediendens van Jag„ „gernaikpoer am geen ree„ den hebben gegeeven van de te min geleeverde pak„ „ken Lijwaten, maar nog min„ „der dat zij voor de geringe winst op den handel ten hunnen Comptoire in dit Jaar welke ƒ 97853: 7:— minder was geweest, dan in 't voorige eenige ver„ schooning hadden bij gebragt Indien zulks alleen een versuim van die opperhoofden is geweest, is 't zelve nog¬ „tans van dien aart, dat 't eene aller ernstige ra„ En betreffende de mindere winsten deeze werden door den gem: secunde bij zijnen zo even aangehaalden brief toegeschreven, 1. o, aan het wisselvallig geval van den handel zelfs, en 2. aan Kled„ gemaakt waren, op een tijd dat de oude opperhoofden op hun vertrek stonden waar door de kooplieden geen tijd hadden om andere te leveren naikpoerams secunde de Ravallet zig „prache hap t ns ƒ proche verdiend, maar wij zouden veel eer ver onderstel„ „len, dat zij reedenen moe„ „ten gehad hebben, om 't oordeel over die oorzaaken waare 't mogelijk, aan UE zo wel als aan ons te ontrekken, en daar om de zelve met stilswijger hadden voor bij gegaan in hoope dat 't zelve de at„ tentie zouden ontslippen. dit is echter hun niet gelukt hebbende de Min„ hun met volle recht gelast als nog die ree„ denen op te geeven. §227 Die minderheid is middelerwijl van een ze n naamwaardigen in vloed op den verminderden wins van 103 staaf koper; vooral, daar 't laaste ge„ noegzaam zo zeer bij den inlander ge„ wild is 't als Japansch — van Comp:s handel alhier ten bedragen van ƒ108096:13:- § 228 Het hoofd Comptoir mede minder winst dan 't voorige Jaar behaald hebbende, zien wij met ver„ wondering, dat de oorsaak daar van aan 't verminder de debet van 't Japansch staafkoper word toe geschreven en zulks na dat de prijs van dit Articul eerst om de Noord en nader„ hand op de Gansche kust van 100 op 97 nieuwe Na„ gapatnamse pagoden was gesteld. Immers waren de Mi„ nisters toen zij daar toe den voorslag deeden, in vertrouwen, dat die prijs Wij erkennen met lietweezen dat on geagt de geintroduceerde prijs vermin„ dering van 't Japanschestaaf koper, den vertier van dat art: in anno 1779 van geen gewenscht gevolg geweest is, zo als wij anders billijk hadden mogen ver„ wagten; dan wij zijn en blijven egter met eerbied van gevoelen, zo als door ons bereeds zeer reverentelijk is ge„ noteerd, bij ons marginaal antwoord. op 't patriasch extract missive van den 6. November 1780§ 272, dat een prijs vermindering in dat mine„ raal, 't eenigste middel is om den vertier daar van ter deezer kuste wader te doen toeneemen, uit hoofde de oude prijs van 100 N. N. pag: te veel differeerd, met die van 't Sweeds vermindering in „ Zes vermindering den de bit zouden doen vermeerderen, en 't is ook seeker op dien grond, dat uE derzelver qualificatie daar toe heb„ ben verleend, de Maat schappij tijd echter nu een dubbeld verlies in dit aati„ cul, zo wel door den ver minderden debit, als door de lagere prijs, terwijl 't waarschijnelijk zeer veel moeite zoude kosten om dit Mineraal op den voor„ maligen paijs te brengen, en daar toe zeer veel gun„ stige omstandigheeden zou den moeten tesaamen lopen. § 229 De onrustige tijden door de Bimilipatnamsche bediendens als de reeden van 147 van den slegten handel wordende opgegeeven moeten wij ons dezelve getroosten, ter„ wijl 't. thans de tijd niet zal zijn om te disponeeren op 't Project door hun tot ver beetering van den handel geformeerd; 't geen door de Mins aan UE is voorge¬ dragen §: 230 Even weinig zijn wij in staat om ons te verkla„ „ten op den propositie der Mins om daar zij de Jaarlijk„ sche uitzending van een di„ rect schip na deese kust als aan veele Swarigheeden bloot gesteld beschouwen, die uitzending om de twee Jaar te laaten doen. Hier toe dog zullen nustiger rustiger tijden en voor alde herstelling der vreede tusschen de Europeesche Mogendhee¬ „den op deeze kust gezee„ ten, moeten worden afge wagt. §: 231 Die oorlog intusschen, waar in de republicq ge„ wikkeld is noodsaakt ons om hoe zeer de gewisselde brieffen tusschen uE en de Mins verscheide reflectien zouden oplee„ veren, de meeste der„ zelve onaangeroerd te laten. — §232 Wanneer wij dog 't geschreevene bij uE. se„ crete letteren van 27: April vergelijken bij den Ho die de politicque zaken „ onze 443 113 onse republicq zeedert heb„ „ben gekreegen, danr verbeel„ den wij ons, dat 't in ver„ scheide op=zig ten nodeloos en in andere allezints on„ geraden zoude weesen, dee„ ze materie na gewoonte te behandelen. Tot de laatste soort So: 233 brengen wij de voorvallen met de vreemde Naties en Inlandsche vorsten wal„ „ke wij gaarne met stil„ swijgen zouden voor bijgaan, was 't niet, dat ons uit vergelijking van de brief van 25 Sept: 1778 met 's Gou„ vern:rs secreete van 20 maij vrij 1779 van waarschijnelijk voor gekomen was, dat uE. bij salaeste letteren van 11 Janu: van deeze verleende qualificatie aan den Heer Gouverneur draagen wij geen de minste kennisse, en verzoeke dus met eerbied deeze post daar mede te mogen houden voor beantwoord 11 Janu: aan den Gouver„ neur eene qualificatie hadden verleend tot 't openen van zeekere brieven, om daar uit te ontdekken of de daar in vervatte Corres„ pondentie ook voor de maat„ schappij nadeelig konde Wij zeggen, dat zulks ons waarschijnelijk is voor„ gekomen, om dat behalven verscheide andere brieven ook die missive onder ons oog niet is gekomen, en wij dus over die zaak niet ten vollen kunnen oordeelen. — Wij zien echter die qualificatie aan, als alle zin gevaarlijk, om dat wanneer daar zijn

NL-HaNA_1.04.02_8807_0165 view scan ↗

English

use was made thereof, and should the same be discovered, such would furnish a reasonable cause for unpleasant incidents from which the Company would suffer the principal harm, and we consequently recommend that you employ the utmost caution in matters of that nature. Paragraph 234 We entirely approve the conduct of the Ministers regarding the occurrence with respect to the taking possession of the coastal village by the English, of which they have sent us an account pursuant to your orders, whilst it is entirely through no fault of the Ministers that their conduct was not attended by a more fortunate outcome. Paragraph 235 We can no more than you withhold that approval from the order given by them to the chiefs of Sadraspatnam on the matter of neutrality, since your remarks made in that regard are well-founded in every respect. Paragraph 236 The authorization given by the Ministers to the chiefs of Bemilipatnam for leasing that place, with its subordinate villages, as well as the village of Polle Pelli and another village, This leasing likewise did not proceed, and as times became more dangerous since then, we have, in accordance with the secret resolution of 29 September 1780, prohibited the Bemilipatnam chiefs from entering into any further negotiations concerning this with the princes. Yet had this lease materialized, we trust it would have been more advantageous to the Company than one of the previous leases, as the princes not only offered Bemilipatnam with the 12 villages belonging to it for lease, but in addition also the village of Polle Pelli along with another village at the choice of the chiefs, for the period of 5 years for a sum of 20000 R/a per year, or 100000 R/a altogether, which sum would then be provided all at once, whilst the annual lease sum of 20000 R/a would be paid with interest by the merchants who had subleased the same from the Company, has surprised us, the more so because your authorization in the secret letter of 27 April to lease those villages again rested upon the assumption that the lease would be granted under more advantageous terms, At least the Company would never have suffered any loss from it, as the merchants had offered to take the aforementioned villages on lease from the Company. whilst the Ministers have nowhere demonstrated the advantage of this lease over the preceding one, and were probably even less capable of doing so now than in the previous year, in which regard we refer to what was written in our General Letter of last year, paragraph 300; and merely add here that at least the advance of funds, to which the Company would be obliged in this case, cannot be considered among the advantages. However, the true reason why we resolved upon this lease was that the Bemilipatnam servants reported to us in a secret letter of 24 October 1779, among other things, that if we did not resolve to do so, it was to be feared that the princes would employ violent measures against the Company's merchants, and perhaps even against the Company itself, in order to provide themselves with money, for which they were in extreme distress; for otherwise we would not have resolved upon it: as this can be seen more fully in our secret resolution of 12 November 1779, to which we respectfully refer. Yet when we assume that the Ministers must have regarded this leasing as the only means not to make the merchants entirely dependent on the Vizianagaram princes, when we regard the same as a matter to which they proceeded not voluntarily but under compulsion, we must then submit to it, in the confidence that the merchants who had offered to hold themselves responsible for all the disadvantageous consequences that might arise from that engagement will fulfill this obligation, without distinction as to the cause of any loss the Company might suffer through this lease. Paragraph 237 Regarding the occurrences at Paleacatta with the Nabob's Havildar, both concerning the toll on rice and that on textiles, we shall make no other reflection than that we very strongly doubt whether the ordinance of 13 October 1701, cited in the Governor's secret letter of 15 October 1779, would give the chief of Paleacatta any right to let his private goods pass without toll, We take the liberty, for further clarification of the Governor's opinion in this matter, respectfully to note that among the natives of this coast it is a general custom to call the chiefs of the outer stations pre-eminently Captain; and that therefore in the ordinance of 13 October 1701 speaking of the Captain of Paleacatta, no one else can be meant but the chief. as appears to be the opinion of Governor van Vlissingen, whereas we would rather understand that ordinance as speaking of such goods as the Captain of Paleacatte would send in his official capacity, with which interpretation the custom that has since prevailed also entirely agrees. We hope meanwhile that the present chief Jachama will adhere to your recommendation

Dutch transcription

113 daar gebruikt gemaakt, en 't zelve ontdekt wierd, zulks eene billijke reeden zoude uit Leeveren. tot onaangenaame voor vallen van welke da Comp:e t: voorname gevoel zoude heb„ „ben, en wij recommandeeren uE. dien=volgende in zaken van dien aart de aller uitter ste voorzigtigheid in 't werk te stellen. § 234 Wij keuren allezins goed 't gedrag der Min:s omtrent 't voorgevallene met opzicht tot 't in bezit neemen door de Engelsche van 't Zeedorp Nader waar van zij aan ons in gevolge uwe order een verhaal hebben overge„ zonden: terwijl 't allezints is buiten schuld der Mins van dat Deeze in pacht neeming heeft al„ „mede geen voortgang gehad en wijl de tijden sedert gevaarlijker wier„ den hebben wij de Bemilipatnamse opperhoofden volgens secreet besluit van den 29 September 1780 geinter„ dat hun gehouden gedrag van geen gelukkiger ge„ volg is geweest. §. 235 Die goedkeuring kunnen wij zo min als UE verkleenen aan de order door hun aan de opperhoof„ „den van Sadraspatnam gegeven op 't stuk der Neu¬ traliteit terwijl uwe ge„ maakte remarques daar om trend allezins gegrond zijn. §236: De qualificatie door de Ministers aan den opperhoofden van Bemili„ patnam gegeeven, tot 't in pacht neemen van die plaats, met des„ zelfs onderhoorige dorper die als meede 't dorp Pill o13 Pillij en nog een ander dorp diceerd voor 1 V dileerd daar over in eenige verdere onder handeling te komen met de vorsten. Dan zo deeze pagt tot stand geko„ men was, vertrouwen wij dat ze voor„ deeliger voor de Maatschappij ge„ geweest zou zijn, als een der voorige verpagting, alzo de vorsten niet allen voor den tyd van 5 Jaaren voor een som van 20000 R/a s Jaars of r o/a 100000 te samen dan welke som in eens zouden worden ver„ strekt, terwijl de Jaar„ lijkse pacht schat van 20000 R:o /a door de kooplie„ den die dezelve weder van de Compagnie hadden ge„ pacht met de intrressen zouden werden voldaan, heeft ons bevreemd, te meer daar uwe qualificatie bij Secreete Missive van 27 April, om die dorpen weder inpacht te nee„ „men, auste op die on„ derstelling, dat die pacht op voordeeliger Conditien zouden worden afgestaan aanboden terwijl edrag d ll aanboden Bimilipatnam met de andere dorp ter keuse van de opper hoofden Ten minsten de Maatschappij zou daar bij nooit eenig nadeel geleden hebben, alzo de kooplieden aan geboden der om in pagt van de Compagnie over daar bij behoorende 12 dorpen in pagt aftestaan, maar daar en boven nog het dorp Polle Pelli nevens nog een terwijl de Ministers 't voor„ „deel deezer pacht boven de voorgaande nergens hebben aangetoond en daar toe ook waarschijnelijk nu nog zijn geweest dan in 't voorige Jaar waar omtrent wij ons re fereeren tot 't geschreevene bij onze Generaale Missive van den voorleeden Jaare §: 300; en hier alleen maar bij voegen, dat altans 't voor uitschot van pennin„ „gen, waar toe de Comp:e bij deeze verpligt zouden worden, onder de voordee„ len niet kan gebragt worden. hadden om de voorschreeve dorpen wa minder in staat zullen Doch te neemen. 448 13 123 Dan de ware reden, waaren wij deze in pagt neeming besloten, was, om dat de Bimilipatnaamsche bediendens ons bij secreete brief van den 24 october 1779 onder anderen melden, dat zo wij daar toe niet re„ solveerden het te vreesen was dat de vorsten geweldaadige middelen omtrent Comp:s kooplieden en moge. lijk wel omtrent de Comp:e zelvs in het week zouden stellen om zig van geld te voorzien waarom zij ten uittersten verlegen waaren: want wij er anders niet toe zouden gere„ solveerd hebben: Gelijk dit een en an„ „der breeder te zien is bij onze sec:t resolutie van den 12 November 1779 waar aan wij ons met eerbied gedraagen. Doch wanneer wij veronder„ stellen, dat de Min: deeze in pacht neeming hebben moe„ „ten aanzien als de eenige weg„ om de kooplieden niet gans en al van de Visianaga¬ aamse Princen afhangelijk te maken Wanneer wij dezelve be„ schouwen als een zaak waar toe zij niet vrij willig maar door dwang zijn overgegaan, dan moeten wij ons zulks getroosten, in vertrouwen dat de kooplieden welke aangeboden hadden zich verantwoordelijk te stel„ „len voor al de nadeelige gevolgen, die er uit die verbintenis zoude ontstaan aan dit engagement zul„ len ve „len voldoen, zonder on„ derscheid uit wat oorzaak d' Compe. schaade door dee¬ ze pacht zoude mogen lijden §: 237. omtrent de voor vallen op Paleacatta met 'sna„ babs Haweldaar, zo om¬ trent den Tolder rijst, als die der lijwaaten zullen Wij geen andere reflezie ma¬ „ken, als dat wij zeer sterkt twijffelen of de ordonnan„ tie van den 13 october 1701 bij 's Gouverneurs secreete brief van 15 october 1779 geallegueerd aan 't opperhoof van Palecatta eenig recht zouden geeven, om zijne particuliere goederen zonder ge 121 „den van de buiten Comptoiren bij uitnee„ menheid Capitain te noemen; en dat dus bij ordonn: van den 13. 8ber: 1701 spreekende van van den Capitein van Palliacata niemand anders kan gemeend weeten als 't opperhoofd. - kuste een algemeen gebruik is „ opperhoof„ zonder Tol te laten pas„ seeren, gelijk zulks 't ge¬ den Gouverneur van voelen van „ Vlissingen scheint te zijn ter wijl wij teel eer die ordonnan„ „tie zouden verstaan, als spreekende van zodanige „goederen die de Capitain van Palecatte in zijn qualiteit zoude versen„ den, met welke interpre tatie dan ook de zedert plaats gehad hebbende gewoonte allezints over„ eenkomt Wij hoopen intusschen dat 't tegenswoordige opperhoofd Jachama zich uwe recommandatie Wij neemende vrijheid, tot nadere op heldering van 's Gouverneurs ge„ voelen in deezen, met eerbied te notee„ „aan, dat het bij den inlander ter dezer om

NL-HaNA_1.04.02_8807_0172 view scan ↗

English

to turn to the good the antipathy that existed between him and the Nabob's Havildar, and thereby prevent the damage that would otherwise redound upon the Company. § 237 It would not be at all consistent with the rules of prudence were we to enlarge upon your aforementioned secret letter of 27 April, and we therefore pass over it in silence, only lamenting with you that during this century so many incalculable treasures have been expended on a work from which the Company has derived no benefit whatsoever, while we hope that in future you will be enabled to observe a fitting economy in matters of this nature; and we say fitting economy because a false parsimony in such matters ultimately proves costly in every respect. § 238 It has astonished us to the utmost that, after certain considerations regarding the Nagapatnam fortification works had been delivered to you by Captain Engineer Paravicini, you sent the same to the Coromandel Ministers in order to serve as an advice thereon and to draw up an accurate calculation of the costs thereof. We can indeed understand that the Ministers, with the assistance of a capable surveyor, were capable of the latter, but besides the fact that, as appears from our missive of 7 October 1779, Folio 241, we have no great opinion of the skill of the surveyor Henk, and you described the calculations and estimates made in the year 1777 as utterly confused, so that we would not dare rely on his prepared calculation, we can at least not approve that the plans and considerations delivered to you by an engineer officer specially chosen by you for that purpose should have to be reviewed by Ministers who lack the necessary knowledge of that profession, and necessarily must lack it, and who then also, as it seems, for that reason took the advice of a surveyor who, however capable he might have been, nevertheless always had to be regarded as far below an engineer officer to whom you had thought fit to entrust the drafting of those plans. And we hope that the grounds on which these remarks of ours rest will be taken into consideration by you before the plan designed by that surveyor is disposed of. § 239 The vindication of some servants who, on the occasion of the departure of several Nagapatnam inhabitants, were more or less accused of having abused the authority entrusted to them, not having been sent to us, we cannot therefore pronounce upon this matter. From what you report in your secret letter of 5 November, one may safely conclude that, whatever may have been the case regarding those accusations, minds did not seem prepared to accept the imposition of a tax that would not be borne proportionately by all, but from which some would have remained exempt, and that if the necessary circumspection had been observed in the introduction of that tax and all reasonable causes for complaint avoided, the introduction of this tax would have met with little opposition. § 240 Those vindications, meanwhile, do not seem to have reassured you as to whether some emoluments have been and are being drawn by the Adigar of the villages Schuneman, as well as by the Master Attendant, to which they are wholly or partly unentitled. And whether the Governor of Vlissingen himself is entirely free from this, we must almost call into question on account of his profound silence regarding the charge brought against him by the chintz supplier Nainiappa of having received from the painters 2 to 3 pagodas respectively for each corge of Ponwacherry and northern linens, of which he would in future, at the request of the painters, draw 1/2 pagoda less. We hope, nevertheless, that your assumption that he will not have lost sight of our express order of 25 October 1769 so quickly may be found to be well-founded. § 241 The more favorable showing of expenses and profits in comparison with the previous year to the sum of ƒ 96098: 8: — was pleasing to us, the more so because the reduced expenses contributed thereto up to ƒ 74980: 2: 8; it were desirable that circumstances allow this office to be compared with the memorandum on economy, and that we shall then also find no reason on that account to complain. § 242 We further express our satisfaction with the reason given by the Ministers why the costs of the vessels that collect the linens from the subordinate factories are not charged to the account of the resorting. § 243 We also accept the answer of the Ministers to the question appearing in our missive of the year 1778, why there was no larger quantity of spices in stock at Sadraspatnam. § 244 Your assurance that no other than the requested species are ever sent to the western offices, unless there was a shortage of those species at Batavia, gives us confidence that the same treatment will also take place in the future; if, however, this shortage compels you to send unrequested species, we hope that preference will be given to those which are not only the least harmful, but which even yield a good profit upon recoinage, as has been the case with the tikals that you sent in the year 177[illegible] to

Dutch transcription

om de Antipatie die er tus„ schen hem en 's Nababs Ha weldaar plaats had ten goe„ „de te doen veranderen, ten nutte zal maken en daar door voorkomen het nadeel 't geen andersints op de Maatschappij zoude ra„ dundeeren. 5. 237:s Het zoude met de regelen van voorzigtigheid gants niet over een te brengen zijn wanneer wij ons in 't breede uitlieten over uwe meergem: secreete Letteren van 27: April en passeeren dezelve daar om met stilswijgen alleenlijk ons met uE beklagende dat er geduurende deeze eeuw zo veele onnoemelijke schatten zijn te kosten gelegd aan 123 aan een werk waar van de Maatschappij geen nut hoe genaamt heeft getrokken ter wijl wij hopen dat uE in 't vervolg in staat zul„ „len worden gesteld, in zaa„ ken van dien aart eene gepaste menage te observee„ „ren en wij zegge gepaste me„ nage om dat eene verkeerde zuijnigheid in dergelijke zaken op den duur allezints kost„ baar valt § 238 Het heeft ons ten uit„ tersten verwondert, dat na dat door den Capitain Ingenieur Paraviline aan uE waaren overgegeeven eenige Consideratien raken„ „de de Nagapatnamsche fortificatie=werken uE dezelve dezelve naar de Cormandel„ sche Mins hebben gezonden, om daar op te dienen van ad„ vis en een accurate Calcula„ tie van dies kostende te formeeren Wij kunnen doch wel be„ grijpen, dat de Min:s met assistentie van een bekwaam Landmeeter tot dit laatste instaat waren, maar b„hal„ „ven, dat wij van de kunde van den Landmeeter Henk blijkens onze Missive van 7. october 1779, F:o 241: geen groote gedagten hebben, en uEd' in den Jaare 1777 gedaane bereekeningen en opgraven, als allezints verward hebben beschreeven: en wij ons dus op zijne ge„ maakt 125 maakte Calculatie niet zouden durven betrouwen, kunnen wij althans niet approbeeren, dat de plans en consideratien aan uE over„ gegeeven door een officier van de Genie, daar toe bij UE expres terkozen, zou„ „den moeten werden overge„ „zien door Mins aan wie de noodige kennis van dat metier ontbreekt en nood„ sakelijk ontbreeken moet, en die dan ook zo 't scheint om die reeden 't advis hebben genomen van een landmeeter welke hoe kundig hij ook wa„ ren geweest echter altoos moest geacht worden te te weezen ter beneeden een officier van de Genie, aan wien uE 't formee„ „ben van die plans hadden gemeend te mogen toever„ trouwen. En wij hopen dat de gronden, waar op deeze onse aanmerkingen rusten, bij uE zullen weesen in Consideratie genomen, alvoo¬ rens bij dezelve zal wee„ zen gedisponeert op 't plan door dien landmeeter ont„ §: 239. De verantwoording van eenige dienaaren, welke bij gelegendheid van de uit „wijking van verscheide Nagapatnamsche in„ wooners, worpen. 7 127 wooners, maer of min be„ „schuldig waren, als hadden zij 't aan hun toevertrouwd gezag misbruikt, aan ons niet zijnde toegezonden kunnen wij ons dan ook dies weegens niet ver„ klaren Uit 't geen UE bij derzelver secreete Letteren van 5 November melden, mag men veijlig besluiten, dat wat er ook van die be„ schuldigingen mogen zijn geweest, de Gemoederen niet toe bereid scheenen, om zig te laten wel„ gevallen 't opleggen eener belasting welke niet bij alle even=veedig zoude worden gedragen maar waar waaren van eenige zouden zijn ^ bevrijd gebleeven, en dat wanneer bij de introductie van die belasting de nodige omzigtigheid was in acht genomen en alle billijke reedenen van klagten ver„ mijd, de invoering van deze belasting weinig te„ genstand zoude hebben ge¬ § 240 Die verantwoordin„ „gen in tusschen scheinen UE niet te hebben gerust gesteld, of niet bij de adi„ „gaar der Dorpen Schu„ neman, zo wel als bij den Equipagemeester eenig Emolumenten zijn en wor¬ den getrokken waar toe dezelve 't zij geheel of ter deele vonden. 123 deele onbevoegd zijn, En of de Gouverneur van vlissingen zelfs daar van wel geheel vrij is, zouden wij bij na in twijffel moeten trekken uithoofd van des„ selfs diep sal diep stilswij „gen op 't hem door den Chitzen le verancier Nainiappa ten laste gelegde van ijder Corgie Ponwache¬ „rijse en noordsche lijwaden 2. â 3: pag: respectivelijk van de Schilders te hebben genoten dog waar van hij in 't vervolg op verzoek der schilders ½ pag: minder zoude trekken Wij hoopen nog= thans dat uwe onderstelling dat hij onze na drukkelijke onder order van 25: october 1769 niet zo spoedig zal hebben uit 't oog verlooren, gegrond moge worden bevonden. § 241 De voordeeliger vertoo„ ning der lasten en winsten in vergelijking van 't voorige Jaar ter somma van ƒ 96098: 8: — was ons aan„ genaam te meer daar de mindere lasten daar inne tot ƒ74980:2. 8 hadden gepar„ ticipeerd, wenschelijk ware 't dat de omstandigheeden gedoogen dat dit Comptoir met de memorie van Mena„ „gie zal kunne worden vergeleeken, en wij als dan ook uit dien hoofde geene redenen zul„ „len vinden ons te beklagen 5242 131 § 242 Wij neemen voorts genoegen met de door de Ministers gegeeven reden waar om de kosten der vaar„ tuigen die de Lijwaaten van de subalterne Facto„ rijen afhalen niet op de ree„ kening der her sorteering worden gebragt. § 243 ook laaten wij ons wel„ gevallen het antwoord der Min:s op de vraag bij onze missive van den Jaare 1778. voorkomende, waarom op Sa„ draspatnam geen meerder quantiteid specerijen in voorraad was §. 244 uwe betuiging dat naar naar de westensche Comptoi„ „ren nimmer andere dan de gevraagde specien worden ge¬ „zonden ten waare aan die specien gebrek was op Bata„ „ria doed ons versekert zijn dat gelijke behandeling ook in 't ver¬ volg plaats zal hebben indien echter dit gebrekt uE nood„ zaakt om ongevraagde spe„ cien te verzenden, hoopen wij, dat de voorkeur zal wor„ „den gegeeven aan de zulke, welke niet alleen minst sch delijk zijn, maar die zelfs eene goede winst bij vermuun„ ting afwerpen, zo als zulks 't geval is geweest van de Ti kals die uE in den Jaare 171 na

NL-HaNA_1.04.02_8807_0183 view scan ↗

English

to this Coast have sent. Section 245. On the Ministers' proposal to accept Madras star pagodas on bills of exchange on the same footing as was done by the Ceylon Ministers, which star pagodas could easily be disbursed in the cloth trade, we wish to bring to their attention the remarks made in our general missive of the previous year under the subject of Ceylon Section 340. Section 246. Awaiting your disposition regarding the request of Governor van Vlissingen for his discharge from the Company's service, we would make no reflection on the matter of the servants, were it not that among the papers from this office was forwarded a petition from Galenus Jacobus de Vicq, the contents of which are such that they fully justify your remarks that the aforesaid person was visited by the hand of the Lord and deserved all pity. We profess ourselves entirely innocent of the slightest unworthy treatment that might have been inflicted by us upon Bookkeeper Galenus Jacobus Vinck; and had it not appeared that the said Vinck was visited by the hand of the Lord, we would have reason to complain about him, as we do not know that any of us has ever given him the least cause for complaint. On the contrary, we all regarded him with compassion and still lament his unfortunate condition. The true reason for his complaint consists mainly in the fact that Governor van Vlissingen, at the request of his eldest brother David Vinck and brother-in-law Marten Mellin, ordered his second brother Hendrik Francois Vinck not to release any more money to Galenus Jacobus Vinck (from whom, as we believe, he held some thousands of Pagodas) without his special order; and this because he found himself now in Cuddalore, then again in Tranquebar or Karikal, where he needlessly squandered a great deal of money. Since the submission of the said request, the Governor has not wished to meddle further in that matter. And since the brothers also did not agree to submit a petition to place him under guardianship, he has (as we are informed indirectly) since squandered virtually all his money, so that he now finds himself in a destitute condition. However, examining the enclosures of the aforesaid petition, we found not a little reason to suspect that the aforesaid de Vicq, through the treatment he experienced from the Coromandel Ministers and which he maintained he had not deserved, was more or less brought into those unfortunate circumstances in which he presently finds himself. Whether and to what extent he has reasons to complain about that treatment, we cannot decide, since the Coromandel Ministers in transmitting his petition made no statement on the matter. We wish, however, that when the aforementioned de Vicq arrives in Batavia pursuant to your orders, your Honors will take the necessary measures, if it were possible, to restore this unfortunate man to his former state; but above all, that your Honors will investigate carefully whether all proper duties towards this person were observed on Coromandel, and further give orders that his property at this office be properly administered, so as to ensure him a decent livelihood from it for the duration of his life. Section 247. Lastly, we cannot fail to express our astonishment to your Honors that an avoidance of needless paperwork could not result in a reduction of servants in the writing offices. But even if the reduction previously made renders this impracticable for the future, we nevertheless hope that with the available clerks there will be the opportunity to send us the copies of all the letters written to your Honors; and that in the future we shall not be deprived of several missives, the lack of which causes us much trouble that we might otherwise avoid. We shall, insofar as this will depend on us, upon the restoration of affairs here on the Coast, take care to perform the writing work both for Europe and Batavia with the recently determined number of clerks for the respective writing offices, so as to give full satisfaction in this matter also to your Right Honourable High Mightinesses. However, it is not the Coromandel Ministers alone who have neglected to send us several missives, both general and secret, such as those of 8 February, 2 and 28 May, 4 July, and 23 October; your Honors' secret letter of 11 January has also not reached our hands. We hope that your Honors will finally be able to ensure that, both in Batavia and in the other offices, the papers whose reading is necessary for us are sent hither, and that the numbers appearing in those letters are properly filled in, and not left blank as now happens repeatedly, which hinders our deliberations on some points not a little, indeed even sometimes makes it impossible for us to determine our thoughts upon them.

Dutch transcription

133 na deeze Cust hebben ver„ zonden. §245 Op der Ministers voorslag om Madrase star pagoden op wissel te accepteeren op den voet als zulks door de Ceilon„ sche Ministers had plaats gehad welke shar pagooden in den Lijwaat-handel gemakkelijk konde worden uitgegeven, willen wij hun hebben onder 't oog gebragt, 't geremarqueerde bij onze generaale missive van den voorleden Jaare onder de materie van Ceilon 5: 340: §: 246. Uwe dispositie te gemoed ziende op 't ver„ „zoek van den Gouverneur van van Vlissingen om des selvs ontslag uit den dienst der Maatschappij zouden wij op 't artikel der dienaaren geene reflectie maken, was Wij kennen ons allen volkomen onschul¬ 't niet, dat onder de papie„ dig aan de minste onwaardige behandeling die door ons den „ Boekhouder Galenus Ja„ ren van dit Comptoir was cobus virck zou weezen aangedaan; en bleek 't niet — dat gem: vinck toegezonden Een request door 's Heeren handwaas bezogt wij zou„ den reden hebben ons over hem te beklaa„ gen: alzo wij niet weeten dat iemand van van Galenus Jacobus ons, hem ooit de minste reden gegeeven heeft van klagten. ticq wiens inhoud zoda„ Integendeel; wij alle hebben hem aan„ „gezien met medelijden, en beklagen als nog zijnen ongelukkigen toestand. nig is dat 't ten vollen Dan de waare rede van zijne klagte bestaat hier in hoofdzaakelijk om dat den billijkt uwe remarquen Gouverneur van Vlissingen; op verzoek„ van zijn oudsten Broeder David vinck dat voors:e perzoon door en zwager Marten Mellin, aan zijnen tweeden Broeder Hendrik Francois 's Heeren hand was bezorgt. dirck gelast hadt, om buiten zijne speciale ordre, geen geldmeer aan en alle medelijden verdiende: Galenus Jacobus vinck /:van wien hij; zo wij meenen eenige maar nagaande de bijlaa„ duijzend Pagoden onder zig had:/ af te geven; en zulk om reden, hij zig gen van voors: request hebben aan eens op Coedeloer, dan weder op Tranquebaar of Carical bevond waar hij nodeloos veel geld verkwis„ wij niet weinig reeden ten Din zedert 't heeft zig de hier gevonden om te vermoeden Gouv.:r # in komen van 't gem:. request dat 133 willen bemonien En nadien 't de Broeders ook niet eens geweest zijn, om verzoek te doen van ren onder Curatele te stellen, heeft hij /:zo wij van ter zijde zijn geinformeerd:/ zedert genoegzaam al zijn geld verkwist dus hij zig tans in een behoeftigen toe„ dat voorsz: de Vicq. door Gouverneur, niet verder met die zaak de behandelingen die hij van de Cormandelsche Min. s heeft onder vonden en die hij sustineerde niet te hebben verdient, min of meer is gebragt, in die onge„ lukkige omstandigheden waar in hij zich tans be„ vondt of en hoe ver hij rede„ nen heeft zich over die be„ handelingen te beklagen, kun nen wij vermits de Chorman„ delsche ministers zich bij 't overzenden van zijn re„ quest nergens op uit laten niet beslissen, wij wenschen echter dan wanneer voorm: stant bevind. ricq Vicq ingevolge uw aan„ schrijvens op Batavia zal aankomen door uE 't nodige zal worden in agt genomen, om waare het mogi¬ lijk deeze ongelukkigen tot zijnen voorigen staat te rug te brengen, maar voor al dat UE naaukeurig zullen onder soeken of men op Coorman. „del omtrend deese mensch alle betamelijke pligten wel hebben in acht ge„ „nomen en als nog order stel„ „len, dat desselvs goederen ter deesen Comptoire behoorlij„ „ke werden geadministreerd, ten einde hem daar uit zijn leeven lang geduurende, een ordentlijke bestaan te doen vinden §. 247 7 137 te zorg draagen, om met 't Jongst bepaald getal pennisten voor de respec„ „tive schrijf Comptoiren 't schrijfwerk zo voor Europa als Batavia te verrig„ „zen, om dus ook in deezen, aan uw Hoog Edele hoog Agtb: volkome genoe„ §. 247 Laastelijk kunnen wij niet nalaten uE onze verwondering te betuigen dat eene vermijding van nodeloos schrijfwerk niet tot gevolg zoude kunnen hebben, een vermindering van bediendens op de Schrijf-Comptoiren, dan zo al de voor heen gemaakte reductie zulks voor 't ver„ volg ondoenlijk maakt, hoo„ pen wij echter dat men met de aanhanden zijnde pennten gelegendheid hebbe zal, ons te doen toe komen de Copijen van alle de aan UE geschreevene brieven; en dat wij in 't vervolg. niet zullen worden ver„ „stoken van verscheide „gen te geven. Wij zullen voor zo ver dit van ons zal dependeeren, bij weder herstelling der zaaken hier ter kus„ missives missives, welker gemisch ons veele moeitens veroorzaakt, welke wij andersins zouden kunnen verwijden. Dan 't zijn de Chorman„ delsche Min:s alleen niet, die versuimd hebben ons over„ tezenden, verscheiden zo wel gemeene als secreete mis„ sives, als daar zijn die van den 8: februarij, 2den 28: Meij 4: Julij en 23 october maar ook uE secreete brief van 11: Januarij is ons niet ter hand gekomen. Wij hoopen dat uE eindelijk eens in staat zullen raken om te zor„ gen dat zo te Batavia als 33 als op de overige Comptoiren de papieren welker Lectuur voor ons nodig is herwaards werden gezonden en dat de getallen in die brieven voorkomen de behoorlijk werden in gevuld en niet gelijk thans te meer = malen gebeurd in blanco werden ge„ laten 't geen ons in onse deliberatien over sommige poincten niet weinig belemmerd; Ja zelvs zomwijlen buiten staat steld, om daar op onze gedagten te be„ paalen. J:V 7

NL-HaNA_1.04.02_8807_0190 view scan ↗

English

We have herewith also, as far as was possible for us, answered the aforementioned extracts, and hope that we may thereby satisfy Your High Honours' much esteemed desire. Herewith we could now conveniently conclude this; but whereas we, in our justification of 22 November 1783, with respect to the article speaking of the salvage of the Company's effects, forgot to speak of a matter of weight, we still take the liberty to do so by this present; trusting that we shall find in that regard with Your High Honours no less a hearing than we have expected from Your High Honours' universally renowned generosity, upon the sending of our aforementioned justification. When we received tidings of the war on 13 June 1783, the English warship the Royal Admiral lay at anchor in this roadstead. The same had been sent hither by Admiral Hughes on 27 May to take in here 600 leaguers of arrack, purchased from private individuals for the account of the English fleet, but whose shipment we, for fear concerning our commissioners who were with the army of the Nabob Haidar Ali, dared not allow for the present, and which consequently has since, on account of the war that broke out, been left undone entirely. This ship, we repeat with respect, lay here at anchor when we received tidings of the war, and even remained lying for some days thereafter, whereby it was, at least until that time, impossible for us to send any packs of linens from here to Jafna. And whether it would have been possible for us after the departure of that ship, we believe we have reason to doubt. At least it stands clearly in our recollection that shortly after we received tidings of the war, a rumour circulated here that one or two English frigates were cruising between Trinconomale and Punto Pedro. And our former boatswain Pieter Matthijs, who departed from here for Jaffanapatnam with the bank [illegible] De Liefde in the beginning of the month of July 1781, has further confirmed this, for he has more than once recounted that on his voyage to Jafna he had been chased by an English frigate, and could ascribe his escape to nothing other than having continuously kept close inshore or among the shoals, where the frigate could not follow him. And thus, Right Honourable Sirs, even if a proposal had been made by the Governor and a resolution subsequently taken to send the Company's linens to Jaffanapatnam with the vessels available here, it appears very probable to us that all those goods would have fallen into the hands of the enemy, especially when one considers that such shipment would have had to take place with native vessels in the middle of the southwest monsoon, when the passage from here to Jafna is practically utterly impracticable for unseaworthy vessels. These few points, Right Honourable Sirs, we have judged necessary to cite in our justification in this matter, trusting that this will likewise be found of weight by Your High Honours. Furthermore we take the liberty of naming ourselves with profound respect, [below stood:] Right Honourable, highly Esteemed, sovereign Ruler and Honourable, Venerable Sirs, [lower:] Your High Honours' humble and most obedient servants, [was signed:] J. D.k Simons, M.s Hoffenberg, F.k W.m Bloeme, J.s Accamo, [in the margin:] Nagapatnam, 22 April 1784. Agrees, D. D. van Kaarten Examined by D. Haseboom Batavia Per the private barque De Phenix via Madras To His High Honour The Right Honourable, highly Esteemed, sovereign Ruler Mr. Willem Arnold Alting Governor-General Together with The Honourable, Venerable Sirs Councillors of the Dutch Indies etc., etc., etc. Right Honourable, highly Esteemed, sovereign Ruler, and Honourable, Venerable Sirs. We have the high honour very respectfully to communicate to Your High Honours that on the 14th of the past month of September the vessel Hoolwerf, dispatched by Your High Honours to this coast, arrived here in very good condition. With which there also arrived here the Minister Johannes Theodorus van de Werth and the Junior Merchant Philip Hendrik Heshusius. With this ship we received Your High Honours' venerated missive of 26 July 1784, accompanied by an invoice of the cargo in the aforementioned vessel, and a letter packet addressed to the Honourable, highly Esteemed Councillor Extraordinary van de Graaff, which we, according to the orders received from Your High Honours, shall retain here until His Honour's arrival or further writing from Ceylon. Yet although the cargo of this ship, according to Your High Honours' just-mentioned missive, was planned by Your High Honours for this coast, we have nevertheless not dared to undertake the unloading thereof, on the grounds that all the possessions of our Noble Company on this coast are still in the enemy's hands. The more so as we respectfully believe we can reasonably infer from the contents of Your High Honours' aforementioned missive that Your High Honours, on the basis of the preliminaries

Dutch transcription

Wij hebben hier meede voor zo veel ons mo„ gelijk was, de voorschreeve extracten beantwoord, en hoope dat wij daar mede voldoen moge aan Hoog derzelver veel ge-eerde begeerte. Hier mede zouden wij deezen nu ge¬ voegelijk kunnen eindigen; Dan wijl wij bij onze verantwoording van den 22 Novem„ „ber 1783 met opzigt tot 't articul spree„ kende van 't mitbergen van Comp:e effecten„ vergeten hebben, van een zaak van gewigt te spreeken, neemen wij nog de vrijheid dit bij deezen te doen; invertrouwen dat wij daar omtrent bij uwe Hoog Edelheeden geen minder gehoor zullen vinden, dan wij van Hoog derzelver alom beroemde edelmoedig„ heid hebben verwagt, bij het overzenden van onze voorschreve verantwoording. — Toen wij op den 13 Junij 1783 tijding van den oorlog krege, lang het Engels oorlog schip de Roijal Admiraal, op ten anker Het zelve op deeze Rhede was door den Admiraal Hughes op den 27 Maij herwaarts gezonden, om alhier in te nemen 600: Leggers Arrack; voor reekening van de Engelsche vloot bij particuliere ingekogt, dog welkers af„ scheeping, wij uit vrees voor onze Gecommitteerdens, die bij den Nabab Haider Alien 't Leger waren, voor eerst niet hebben durven toestaan en dus sedert, door den opgekomen oorlog geheel agter wegen gebleeven is. — Dit schip herzeggen wij met eerbied, lag hier ten anker, toen wij tijding van den oorlog kregen, en bleef zelfs nog eenige daagen daar na leggen: waar door het ons ten minsten tot die tijd toe, onmogelijk was, om eenige pakken lijwaaten van hier na Jafna te ver„ zenden. En En of 't ons na 't vertrek van dat schip wel mogelijk zou geweest zijn wij meemen hier aan met rede te mogen twijfelen. Ten minsten 't staat ons zeer wel voor, dat hier kort, na dat wij tijding van den oorlog kregen, een gerugt geloopen heeft dat er tusschen Trinconomale en Punto Pedro een of twee Engelsche fregatten zoude kruissen - En onzen gewee„ zen Bootsman Pieter Matthijs die in 't begin van de maand Julij 1781, met de bank De Liefde van hier na Iaffanapatnam vertrok; heeft dit nader bevestigd, want hij meer als eens aan „ verhaald heeft, dat hij op zijne rijze na Jafna, door een Engelsch fregat gejaagt geworden was. en zijn behoud nergens anders aan kon toe schrijven, dan door dien hij 't geduurig kort onder de wal, of tusschen de banken gehouden had; waar hem 't fregaat niet kon volgen. — en 143 En dus Hoog Edele Heeren zo 'er aldoor den Heer Gouverneur propositie gedaan, en vervolgens besluit genomen was om Comp:s Lij„ waaten met de hier aan handen zijnde vaartui„ „gen na Jaffenapatnam te zenden; komt 't ons, zeer waarschijnlijk voor, dat alle die goe„ deren in handen van den vijand zouden geval„ len zijn, voor al wanneer men considereert dat die verzending zou hebben moeten geschie„ den met Inlandsche vaartuigen, in 't midden der Zuid west mousson wanneer de vaart van hier na Jafna, voor onbezeilde vaartuigen, genoegzaam volstrekt ondoen baar is. Dit wijnige Hoog Edele Heeren hebben wij nog nodig geoordeelt, ter on„ zer verantwoording in deezen te moeten aanhaalen: vertrouwende dat dit almede bij Hoog dezelven van gewigt zal be„ „vonden vonden worden. Wijders nemen wij de vrijheid, van ons met diep ontzag te noemen /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer en wel Edele Gestr: Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edelheedens onderdanige en zeer Ge„ hoorzame Dienaaren /was getekend:/ I: D:k Simons, M:s Htoffenberg, F:k W:m Bloeme, I:s Accamo„ /:in margine:/ Nagapatnam den 22: April 1784. — Accordeert DD Van Kaarten lykte Nagezien D: Haseboom door 145 Batavia P:r de particuliere Barcq D: Plenix over Madras Aan zijn Hog Edelheid Den Hoog Edele Groot Agtb: wijd gebiedende Heer M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Gestr: Heeren Raaden van Nederlandsch Indië &oC: &:o &„a Hoog Edele Groot: Agtb: wijd gebir„ „dende Heer, en Wel Ed: Gestr: Heeren. Wij hebben de hooge eer uwer Hoog Edel„ heeden gansch eerbiedig te Comminuceeren dat op den 14: der voorleeden maand Septemtember, in een zeer goede staat alhier g'arriveerd is, den door uwe Hoog Edelheeden nadeeze kust gedepacheerde bodem 5 6 bodem Hoolwerf. Waar meede hier ook zijn aan¬ gekomen den Predikant Johannes Theodorus van de werth, en den onder koopman Philip Hendrik Heshusius. Met dit schip recipieerden wij Hoog derzelver gevenereerde missive van den 26. Julij 1784, verzeld van een Factuur van 't geladene in op gemelden bodem, en van een brief pakket aan „en wel Edele groot Agtb: heer Raad Extra ordinair van de Graaff beschreeven, 't geen wij volgens de ontvangene ordres van uwe Hoog Edel„ heeden, tot zijn Edeles aankomste of nader schrijven van Ceilon, alhier zullen aanhouden.. — Dan Schoon de laading van dit Schip, blijkens Hoog Derzelver zo eeven gem: missiven, door uwe Hoog Edelheeden voor deeze kust geprojecteerd gewon„ den is, hebben wij egter de ontlossing daar van niet durven op ons neemen, uit hoofden alle de bezittin gen van anze Edele Comp:e ter deezer kuste, nog in 's vijands handen zijn. Te meer daar wij met eer vermeenen uit in den inhoud van Hoog derzelve meer gemelde missive met grond te kunnen opmaak dat uwe Hoog Edelheeden, op fundament der prelimes

NL-HaNA_1.04.02_8807_0199 view scan ↗

English

144 preliminary peace articles, concluded between their High Mightinesses and the Crown of England, firmly supposed when dispatching the said vessel that all the Company's places on this coast would have already been surrendered to us again; indeed, that even the Honourable Mr. van de Graaf would have already arrived on this coast. Yet this fortunate moment, for which we have looked out so long and so eagerly in vain, has not yet appeared on the horizon of Coromandel, which has been ruined by the war. And nobody knows how long we shall still hope in vain for this most desired event; for the English here have news that the definitive peace between the Republic and the Crown of England was not yet concluded on the 27th of April of this year. And this, Right Honourable Gentlemen, has primarily caused us to resolve, before unloading the said vessel, to request further orders in that regard from the Government of Ceylon and the Honourable Governor van de Graaff, just as we also on the following [illegible] seen by D. Hanseboom. 1

Dutch transcription

144 prilimenaire voardens Articulen, tusschen hunne Hoog Mogende, en de kroon van Engeland gesloo„ ten, bij het depecheeren van gemelden bodem vas„ telijk hebben verondersteld, dat alle de plaatsen van de Comp=e ter deezer kuste reeds weder aan ons zouden weezen overgetgeven; Ia dat zelfs de Edele heer van de Graaf bereeds ter deezer kuste zou wer„ „zen g'arriveerd: Dan dit geluckig tijdstip, waar na wij zo „lang te vergeefs rijkhalzende hebben uit gezien, is nog niet aan den horisont, van 't door den oorlog geruineerd Cormandel verscheenen. En me weet hoe¬ „lang wij nog te vergeefs hoopen zullen op deeze aller gewenscht gebeurtenis; want de Engelschen alhier, tij„ ding hebben dat de definitive vreede tusschen de Re publicq en de kroon van Engeland nog niet geslooten was op den 27:e April deezes Jaars En dit Hoog Edele Heeren! heeft ons ten principaalen doen resolveeren om alvoorens gemelden bodem te ontlossen, daar omtrent nadere ordre van de Ceijlonsche Rexgeering, en de Edel heer Gouverneur van de Graaff te versoeken, zo als wij ook den vol„ genden ƒ agezien door ƒ D: Hanseboom. @ 1

← previous