Inventory 9702
Coromandel · 138 pages · 16 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Letters & Papers from Coromandel Served from Coromandel for the Chamber of Zeeland Satria, To His Serene Highness, the High-Born Prince and Lord Willem, by the Grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain, and Admiral General of the United Netherlands, etc. etc. etc., Supreme Governor-General, and Supreme Director of the Noble East India Company, and the Most Noble and Right Honourable Lords Directors, commissioned to the Assembly of the Seventeen in the Presidial Chamber of Amsterdam, together with those in the Hague Resolution 1784. Serene High-Born Prince and Lord, Most Noble and Right Honourable Lords, Our last respectful letter which we had the honour of writing to Your Most Noble and Right Honourable Lordships was dated the 27th of January last. We respectfully append the duplicate thereof to this present letter. In our secret dispatch of the 27th of January, written to the Supreme Government in the Indies, we spoke at length of the operations of the Nawab Hyder Ali Khan against the English, since the battle that took place between him and Colonel Baillie. We have presented a copy of that letter to Your Most Noble and Right Honourable Lordships, to which we accordingly humbly refer. We did indeed foresee the danger of the war from afar at that time, but we had little thought that it would approach us as swiftly as has since happened. However, as we speak of this in detail in our secret letters written to Their High Excellencies on the 26th of February and the 20th of April last, we also take the liberty, in order to avoid prolixity, of presenting copies thereof to Your Most Noble and Right Honourable Lordships, trusting that the conduct maintained by us during the enemy invasion in the months of February and March will be approved by Your Most Noble and Right Honourable Lordships, along with everything else performed and set into motion by us for the defence of this city. Since, or after the arrival of our commissioners in the army, we have perceived no further enemy troops. The Nawab did indeed demand a heavy tribute from us, threatening otherwise to destroy all the Company's villages situated around this city, together with the trading posts of Sadras and Pulicat; but fortunately it remained at threats, without us having had to pay anything, although, on account of the danger that threatened our commissioners along with the Company's possessions on this coast, we had already been obliged to have an offer of 150,000 rupees made to him. The reason why we remained so fortunately exempted from paying any tribute to Hyder Ali, we can attribute to nothing other than the war declared by the Crown of England against the State. The Ceylon Ministers gave us communication of this momentous event by letter of the 6th of June, which we received on the 13th thereafter. That very evening, we considered the dangerous situation into which we had been brought by that war, and how much the state of affairs on this coast had changed in appearance as a result; and we thus resolved to give notice of the aforementioned declaration of war, made by the Crown of England against our State, to the Nawab Hyder Ali Khan. We have since not only done this, but on the 4th of September last we also concluded an alliance with him against the English. We respectfully present the copy thereof to Your Most Noble and Right Honourable Lordships alongside this letter, in the trust that it will be approved. We would not have proceeded to enter into such an alliance without special authorization from Their High Excellencies, had necessity not compelled us thereto, and therefore we trust that what has been performed by us in this matter will also merit the approval of Your Most Noble and Right Honourable Lordships. Meanwhile, we have given detailed notice of the aforementioned declaration of war, and of the alliance concluded between the Nawab and us against the English, to Their High Excellencies in Batavia, by letters of the 21st of June and the 4th of September last, the copies of which we append hereto. In the last-mentioned letter, we gave notice to Their High Excellencies with very great regret that the trading posts of Sadras and Pulicat were captured by the English on the 29th of June and the 2nd of July. We have since received notice of this in a covert manner from the chiefs, who along with all the military personnel and other servants of the Company have been brought to Madras as prisoners of war; their brief report substantially containing that, without being able to stipulate any capitulation, they had to surrender themselves with all the assets of the Company to the enemy, who behaved very decently at Pulicat, but at Sadras behaved in an indecent manner and demolished the fort along with the buildings standing within it. From our remaining trading posts on the Northern Coromandel we have not the slightest report. Yet we fear with good reason that they will have already had to suffer the very same fate as Sadras and Pulicat; for they, no more than those factories, had the least power at hand to withstand a European enemy.
Dutch transcription
Brieven & Papieren van Choemandel 1 van Cormandel gedient Voor de name Zeeland Satria, Aan zijn Doorlugtigste Hoogheijd, en Den Hoog geboren Vorst en Heere Willem, Bij der gratie Gods Prince van Orange en Nassauw, Erfstadhouder, Capitain, en Ad„ miraal Generaal der verEenigde Nederlanden etc:a etc:a etc:a, opper Gouverneur Generaal, en opper„ bewindhebber van de Edele Oost Indische Maat„ schappij De Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren Bewindhebberen, Ter vergadering van Seventhiene gecommitteerd ter Praesidiale kamer Doorlugtige Hoog Gebooren Vorst en Heere, Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, Onzen laasten eerbiedigen, die wij Amsterdam, Benevens in't Haagsch Besr 1784 de - No. 2. de eere hadden aan uwe Hoog Edele Hoog Agtbare te schrijven is geweest van den 27. ' Ianuarij Iongstleeden. Wij voegen het duplicaat daar van deesen eerbiedig bij Bij onsen secreeten missive van den 27. ' Ianuarij, aan de Hooge Indiasche Regeering geschreeven, hebben wij omstan„ dig gesprooken van de operatien van den Nabab Haijder Alichan tegen de Engelschen, sederd den slag tusschen hem en den Collonel Belli voorgevallen. Wij hebben een Copie van dien brief uwe Hoog Edele Hoog Agtbare aangebooden, waar aan wij ons dien„ volgende onderdanigelijk gedraagen. wij zagen toen het gevaar van den oorlog wel van verre, dog hadden nog wijnig gedagten dat het ons zoo schielyk naderen zou, als sedert ge„ „beurt 3 beurt is. Dan wijl wij hier van breedvoerig spreeken, bij onse secreete brieven op den 26. 'n februarij en 20. ' April Iongstlee„ den aan Hunne Hoog Edelheedens ge„ schreeven, neemen wij om langwijlighee„ den te vermijden almeede de vrijheijd uwe Hoog Edele Hoog Agtbare daar van Copien aantebieden, in vertrou„ wen dat het door ons gehouden gedrag bij den vijandelyken inval in de maan„ den februarij en Maart, door uwe Hoog Edele Hoog Agtbare zal worden geapprobeerd, met al het geen door ons verder verrigt, en in het werk gesteld is tot verdediging van deese stad. Sedert, of na de aankomst van onse 2. onse gecommitteerdens in het Leeger, hebben wij geen vijandelijke troupes meer ver„ Den Nabab heeft wel een nomen. zwaare brandschatting van ons gevor„ derd, onder bedrijging van anders alle de dorpen van de Compagnie rondsom deese stad geleegen, nevens de Comptoiren Sadras en Palleacatta te zullen verwoesten; dog het is gelukkiglijk bij drijgen gebleeven, zonder dat wij iets hoewel wij hebben behoeven te betaalen reeds, om het gevaar dat onse gecom„ mitteerdens, nevens Compagnies bezittin„ gen ter deeser kuste dreijgden, verpligt geweest waaren hem een aanbieding te laaten doen van 150'000. Ropijen. De oorsaak waarom wij zoo geluckiglijk bevrijd gebleeven zijn van het betaalen 2. 35 betaalen van eenige brandschatting aan Haijder Ali, kunnen wij nergens anders aan attribueeren, als aan den Oorlog door de kroon van Engeland tegen den staat gedeclareerd Van dit gewigtig evenement, gaven de Ceijlonsche Ministers aan ons Commu„ nicatie bij brief van den 6. ' Iunij, die wij den 13. ' daar aan ontvingen Wij overwogen nog dien eijgen avond, den gevaarlijken toestand, waar in wij door dien oorlog gebragt waaren, en hoe seer daar door de zaaken ter dee„ ser kuste waaren veranderd van gedaan„ te: en besloten dus om van de voor„ schreeve oorlogs declaratie, door de kroon van Engeland tegen onsen staat gedaan, kennis te geeven aan den Nabab Haijder Alichan. tit i N. o 4. Dit hebben wij sedert niet alleen ge„ daan, maar wij hebben ook op den 4 September Iongstleeden met hem Een alliantie geslooten tegen de Engelschen. De Copia daar van bieden wij uwe Hoog Edele Hoog Agtbare nevens dee„ sen eerbiedig aan, in hoofde dat die zal worden geapprobeerd. Wij zouden tot het aangaan van Sodanig een alliantie niet getreeden zijn buijten speciaale qualificatie van Hun„ ne Hoog Edelheedens, had ons den nood- daar toe niet gedwongen, en derhalven vertrouwen wij dat het geen in deese door ons verrigt is, almeede de approbatie van uwe Hoog Edele Hoog Agtbare verdienen sal. ol Wij hebben ondertusschen van de voorschreeve voorschreeve oorlogs declaratie, en van de alliantie tusschen den Nabab en ons ge„ slooten tegen de Engelschen, omstandig„ kennis gegeeven aan Hunne Hoog Edel„ heedens op Batavia, bij brieven van den 21. ' Iunij en 4. e September Iongst„ leeden, waar van wij de Copiëen hier nevens voegen Bij den laast gemelde brief hebben= wij, aan Hunne Hoog Edelheedens met zeer veel leetweesen kennis gegeeven, dat de Comptoiren Sadras en Palleacatta op den 29. ' Iunij en 2. Iulij, door de En„ gelsche veroverd Sijn Sedert hebben wij daar van op een bedekte wijze kennis gekreegen van de opperhoofden, die nevens alle de mili„ tairen en verdere dienaaren van de Compagnie. —. No. 5. „als Compagnie „ krijgsgevangen na Madras ge„ behelsende hun kort advies bragt zijn, hoofd zaakelijk, dat zij zonder eenige Capitulatie te kunnen bedingen, hun met alle de Effecten van de Comp=e hebben moe„ ten overgeeven aan de vijanden; Die op Palleacatta zeer discreet, dog op Sa„ dras op een indiscreete wijse hebben huijs„ gehouden, en het fort met de daar in staande gebouwen gedemolieerd. Van onse overige Comptoiren op Noorder Cormandel hebben wij geen het minste narigt. Dan wij vreezen met reeden, dat zij bereeds het eijge nood„ tot van Sadras en Palleacatta zullen hebben moeten ondergaan; want zij, zoo min als die factorijen, de minste magt aan handen gehad hebben, om een Europeeschen vijand het hoofd te 3.
English
to be able to offer. As for us, the English Vice-Admiral Sir Edward Hughes has been blockading this city from the seaward side since 8 July with seven warships, namely five ships of the line and two frigates. On the first day of his arrival, during the evening and night, he had his sloops take away the Company sloop 't Loo and 10 other private vessels which lay here at the roads, without our being able to prevent it by firing from our cannon, owing both to the darkness of the night and the distance of the vessels. In addition to the sloop 't Loo, the English also took away at Sadras the sloop De Walvisch and the pantjalling De Goede Verwagting. Whether the bark De Eendragt, which departed from there for Jaggernaijkpoeram with the merchant Blaaukamer a few days before the surrender of Sadraspatnam, has also fallen into their hands, along with the two thonies belonging to Northern Coromandel, is as yet unknown to us. But if this should unfortunately be true, they have taken all our vessels, with the exception of the bark De Liefde, which lies at Jaffanapatnam, and the thony De Johanna Maria, which we brought inside the river here. Yet however disadvantageous this loss, as well as that of the aforementioned trading posts, may be for the Company, we trust that it will never be attributed to neglect of duty on our part. Of this, at least, we know ourselves to be innocent. Meanwhile, the aforementioned loss falls heavily upon us, especially now that we must also report having received news from the army of the Nabob that the English are said to have taken Souratta and Bengale. We do not know this latter point for certain, but we judge that news to be of such weight that we dare not fail to give notice thereof to Your Right Honorable Excellencies. Yet we do this in the hope that this will be the last unpleasant news that we shall have to report during the present war. Ceylon at least is in no danger, and we hope with God's help to preserve Nagapatnam. If we were writing by another opportunity than by a Danish ship, we would inform Your Right Honorable Excellencies in detail of our strength. But we dare not commit this to the pen now. We therefore only add that, with the help that Hyder Ali has already sent us and further promised, we have for the present no reason to fear our enemies much, although we have firm news that they intend to besiege this city, if their troops, which stand close to Combagonam, situated in the Tanjore territory, can break through. The fleet is only waiting for this to undertake a landing. But we hope that the precautions taken by us against both of these, and the approaching bad monsoon, will render their plan unfeasible for the time being. But should it nevertheless succeed contrary to our expectation, we hope, with the help of Hyder Ali, whose interest absolutely requires him to come to our aid with all his might in case of need, to be able to withstand our enemies. All of us are at least resolved to defend this city to the utmost. The ships Groenendaal and Canaan, both projected from Batavia for this coast, the first for a return voyage and the second as a contra-ship, have happily put into Trinconomale on 1 and 29 July without being seen by the English warships. Also, Europa has safely arrived at Ponnecail. That may truly be regarded as an event in which the providence of the Almighty clearly shines forth, because at the dispatch of those vessels from Batavia, Their Right Honorable Excellencies had not the slightest news of the war between us and England. We have written to the two first-mentioned ships ordering them to remain at Trinconomale until our further orders. What arrangements we shall be able to make regarding them in the future will depend on the fate of the war and the French and Dutch war fleet that is expected. We hope that the news given thereof to the Nabob Hyder Ali Khan by the governor of the Mauritius will be confirmed, for there would then be a chance to make our proud enemy pay double for the damage he has already caused us. Since trade here has been completely at a standstill since the month of January, and we have not received from Bengal the money brought there for the service of this government with the ship De Bovenkerkerpolder, we are beginning to be somewhat in need of cash. Yet we hope that the bad monsoon which is at hand will rescue us from our embarrassment by compelling the English fleet to depart from here, because sufficient money for us was brought with the two aforementioned ships from Batavia to Trinconomale, and from there overland to Jaffanapatnam; if only we could summon it from there, but since this is impossible as long as we are kept blockaded by the English warships, we shall seek to manage, whether through money negotiation or otherwise. Important has been the loss which the Company suffered in the plundering of Portonovo by the troops of the Nabob Hyder Ali Khan; according to six specific accounts thereof received on 30 May last, the same amounted to a sum of Pagodas 14691. 12. 56 or ƒ66111. 17. 8, which, together with the old debt of the merchants,
Dutch transcription
3. te kunnen bieden Wat ons betreft, den Engelschen vice Admiraal Sir Edward Hughes, houd deese stad, sedert den 8. Iulij, met zeven oorlog scheepen, namentlijk vijf scheepen van Lini en twee fregats van de Zeekant geblokkeerd. Op den Eersten dag van zijn Ar„ rivement, heeft hij des avonds en 's nagts Comp=s sloep 't Loo, en nog 10. particu„ lieve vaartuijgen, welke hier ter rheede lagen, door zijne sloepen laaten wegnee„ zonder dat wij, zoo door de duijs„ men, terheijd van de nagt, als de verheijd der vaarthuijgen in staat geweest zijn, het te kunnen beletten door het vuuren uijt ons Canon. Behalven de sloep 't Loo, heb„ ben de Engelschen op sadras nog weg„ genomen de sloep De Walvisch, en de Pant ge„ —. f o. 6. Pantjalling de goede verwagting. Of de bark de Eendragt, die korte dagen voor het overgaan van Sadraspatnam, met den koopman Blaaukamer van daar na Iaggernaijk poeram vertrokken is, hun ook in handen is gevallen, met de twee Thonies op Noorder Cormandel t' huijshoorende, is ons nog onbekend. Dog zoo dit onverhoopt waar is, hebben zij alle onse vaartuijgen genomen, uijtgezon„ derd de bark de Liefde, die op Iaffena„ patnam legt, en de Thonij de Iohan„ na Maria, die wij hier binnen de rivier gehaald hebben. Dan hoe nadeelig dit verlies, en dat van de opgemelde Comptoiren ook voor de Maatschappij weesen mag, ver„ trouwen wij, dat het nimmer zal worden toegeschreeven aan pligt verzuijm van onse zijde. Hier van kennen wij ons ten minsten 11 minsten vrij. Zwaar ondertusschen valt ons, het voorschreeve verlies; voor al nu wij er nog bij melden moeten, dat wij tijding uijt het Leger van den Nabab hebben, dat de Engelschen Souratta en Bengale 7 souden hebben weggenoomen. Wij weeten dit laaste wel niet zeeker„ maar wij oordeelen die tijding van zoo veel gewigt, dat wij niet nalaaten durven daar van aan uwe Hoog Edele Hoog Agtbare kennis te geeven Dog wij doen dit, in hoope dat dit het laaste onaangenaam nieuws weesen zal, dat wij geduurende den presenten oorlog, zullen behoeven te melden. Ceijlon heeft voor het minst geen nood; En wij hoopen met Gods hulp Nagapatnam te behouden. — Schreeven n No. 7. schreeven wij met een andere gelegend„ heijd als met een deens schip, wij zouden aan uwe Hoog Edele Hoog Agtbare om„ standig kennis geeven van onze magt. Dog wij durven dit nu niet aan de pen vertrouwen. Wij voegen 'er derhalven al„ leen maar bij, dat wij met de hulp die ons Haijder Ali bereeds toegezonden en verder belooft heeft, voor als nog geen reeden hebben om onze vijanden veel te vreezen, schoon wij vaste tijding heb„ ben dat zij voorneemens zijn deese stad te belegeren: Soo hunne troupes die digt bij Combagonam, dat in het Tansjoursche gebied legt, staan, kun„ nen doordringen. Hier na wagt alleen de vloot om een landing te onder„ Dog wij hoopen dat de voor„ neemen. zorg tegen dit een en ander door ons gesteld ƒ 4. 4. 13 gesteld, en de aannaderende kwaade mous„ son, hun plan voor eerst zal onuijt voer„ lijk maaken. Dog zoo dat egter tegen onze verwagting aan, gelucken mogt, hoopen wij met de hulp van Haijder alij, wiens belang het volstrekt vorderd, om des noods, ons met al zijn magt 8 te hulp te komen, onse vijanden het hoofd te zullen kunnen bieden. Wij alle zijn ten minste geresolveerd, deeze stad tot het uijterste te verdeedigen. De scheepen Groenendaal en Canaan, beijde van Batavia voor deese kust geprojecteerd, het eerste voor een retour, en het tweede voor een Con„ tra schip, zijn geluckiglijk op den 1:e en 29. ' Iulij te Trinconomale binnen geloopen, zonder van de Engel„ sche Oorlog scheepen gezien te worden. Ook Fo. 8. Ook is Europa behouden op Ponnecail Dat waarlijk wel voor gearriveerd een gebeurtenis mag worden gehouden, waar in de voorzienigheijd des Al„ ler hoogsten blijkbaar door straald want Haar Hoog Edelens bij de de„ peche van die bodems van BBatavia geen de minste tijding gehad hebben van den Oorlog tusschen ons en Engeland. De twee eerstgemelde scheepen hebben wij aangeschreeven om op Trincono„ male te blijven leggen tot onze nadere ordre Wat schikking wij daar omtrent in het vervolg zullen kunnen maaken zal van het noodlot van den Oorlog en de verwagt wordende Fransche en Hollandsche oorlogs vloot afhangen Wij hoopen dat de tijding die daar van aan —. 15 aan den Nabab Haider alichan gegeeven is door den gouverneur van de Mau„ ritius zal bewaarheijd worden, want er dan kans was, om onzen trotsen vijand, dubbelt betaald te setten, de schaade die hij ons bereeds heeft toegebragt. Dewijl den vertier sederd de maand Ianuarij alhier ten eenemaal stil gestaan heeft, en wij van Benga„ len niet ontvangen hebben het geld aldaar ten dienste van dit gouvernement aangebragt, met het schip De Boven„ kerker polder, beginnen wij wat ver„ te worden om contanten. leegen Dan wij hoopen dat de kwaade mousson welke op handen is, ons red„ den zal uijt onse verlegendheijd, door de Engelsche vloot te noodzaaken van hier te vertrekken, want er geld genoeg met de twee voormelde scheepen voor ons van 12 Fo. 9. 5. van Batavia op Trinconomale, en van daar over land op Iaffanapat„ nam is aangebragt; konden wij het maar van daar ontbieden, dog wijl dit, soo lang wij door de Engelsche oorlog schee„ pen geblokkeerd gehouden worden, on„ doenbaar is, zullen wij ons, het zij door geld negotiatie, als anderzins zien te redden. Important is het verlies geweest het geen de Maatschappij geleeden heeft bij de uijtplundering van Portonovo door de troupes van den Nabab Haij„ der Alichan; volgens Zes specificque reekeningen daar van op den 30. ' Maij Iongstleeden ingekomen, heeft het zelve bedraagen eene Somma van Pago„ den 14691. 12. 56. of ƒ66111. 17. 8. het geen met den ouden debet der kooplieden.
English
merchants to ƒ50946. 6. —. amounts to a considerable sum of ƒ117058. 3. 8. —, which truly may well be written off as hopeless, because the said merchants, who were already very much impoverished by that invasion, have become totally ruined. However, we shall write more fully about this as occasion offers to Their High Noble Excellencies at Batavia, and await from there further disposition on that matter. According to the license obtained from Your High Noble High Mightinesses to draw annually three to four hundred thousand guilders on Your High Noble Selves, we have accepted into the Treasury from the junior merchant, Adigaar and mint master here, Johannes Accama, a sum of eight thousand four hundred and five old Nagapatnam Pagodas, twenty-two fanams, and seventy cash, amounting after deduction of eight per cent discount to thirty-four thousand eight hundred guilders, nineteen stuivers, and eight penningen; for which we have granted him a draft (the original of which is enclosed herewith) upon Your High Noble High Mightinesses, to be paid after the conclusion of the autumn sale of the Year 1782, to the former Captain of the Search Service, W: Wopkens at Leeuwarden; which draft we humbly request may be honored by payment. The bill of exchange amounting to 3500 three-swami Pagodas sent hither by the High Noble and High Mightinesses Directors of the Amsterdam Chamber, together with Their High Noble honored dispatch of 4 December 1779, was indeed accepted by Charles Oakley Esq:r at Madras, but has not yet been paid, according to information thereof received from the former Sadraspatnam resident De Neijs by a short letter written to us from Madras on 3 August last; and it is very doubtful whether that bill of exchange will now indeed be paid. At least the junior merchant De Neijs, to whom we had entrusted its collection, does not dare for the present to press for its payment, out of fear that that money will be seized by the Government of Madras. For the present we know nothing further to add to this. If this year we obtain further opportunity to be able to write to Europe, we shall impart to Your High Noble High Mightinesses everything that shall come to pass here since; for we anticipate weighty events between Haidar Ali Khan and the English after the end of the bad monsoon. In the latest campaign Haidar Ali Khan has obtained diverse advantages over them; and if, in the last battle which took place on 27 August between him and General Coote, Haidar Ali's cavalry had been able to act, the English would have been totally defeated. They have nevertheless on that occasion suffered a considerable loss. Especially of Europeans, of whom it is said that as many as 300 have fallen, together with several staff officers, and among them General Munro. On 27 September another action occurred, but we do not yet know the outcome of that battle. We know this much, however: that the English have been repelled in the relief undertaken by them of Vellore, which has been besieged by Haidar for a long time and will have to surrender any day now for lack of provisions. After this had been prepared this far, the first signatory received a letter from Vice-Admiral Sir Edward Hughes dated the 10th of this month, in which he among other things mentions that the ship De Held Woltemade, destined from the Cape to Ceylon, was taken off that cape by one of the ships of his fleet named The Active. Among the prisoners of war, he writes further, are Mr. Bodenschatz, resident of Putelang, and the young lady Anna Boers, which latter chose to go to Madras, where she was recommended to his family by Mr. Hughes aforesaid. As can be seen in more detail from the enclosed extract, which we take the liberty to present to Your High Noble High Mightinesses to that end, expressing our heartfelt grief over the loss of the said vessel. Wherewith, having commended Your High Noble High Mightinesses' Illustrious Persons and the weighty interest of the Company to God's precious protection, we have the honor to remain with all veneration, Illustrious High Born Prince and Lord, High Noble High Mightinesses, Your Illustrious High Born's and Your High Noble High Mightinesses' Most humble and faithful-bound servants, Hossel ... Telman J: A: V: Halm M: Stoffenburg Fk B... bloem Accama Nagapatnam In the Castle of Vlissingen 13 October Anno 1781. Your Illustrious Highness's and Your High Noble High Mightinesses' Postscript. 15 October 1781. Just now we received a short letter from the former Jagannathpuram residents Blaaukamer and De Ravallet, from which we have learned with the utmost emotion that they had to surrender the fort there, and all possessions and effects of the Company, to the English on 14 July last. The damage that the Company has suffered by the loss of that factory amounts to an important sum of ƒ863765. 6. —, as can be seen from the said letter itself, which we enclose herewith in copy for that purpose, respectfully referring thereto regarding the terms upon which that place was surrendered and what further occurred there.
Dutch transcription
12 kooplieden tot ƒ50946. 6. —. uijtmaakt een aanzienlijke somme van ƒ117058. 3. 8. —, die waarlijk wel als hoopeloos mogen worden afge„ schreeven, wijl de gemelde Marchan„ deurs, die reeds zeer verarmd waaren door dien inval, totaal geruineerd Dan wij zullen hier geworden zijn. over bij gelegendheijd breeder schrijven aan Hunne Hoog Edelheedens op Batavia, en van daar de nadere dispositie over die zaak afwagten. Volgens erlangde licentie van uwe Hoog Edele Hoog Agtbare, om Iaarlijks drie â vier Tonnen gouds op Hoog dezelven te mogen trekken, hebben wij van den onderkoopman, Adi„ gaar en muntmeester alhier Iohan„ nes Accama in Casse geaccepteerd Eene. 12 No. 10. Eene somma van Agt duijsend vier Honderd en vijf oude Nagapat„ namse Pagooden, twee en twintig fa„ nums, en Seventig kasjes, uijtmaakende na aftrekking van Agt per Cent rabat, vier en dertig Duijsend agt hondert guldens, Negentien stuijvers, en Agt penningen; waar van wij aan hem verleend hebben, Een assignatie /:waar van het Origineel hier nevens overgaat :/ op uwe Hoog Edele Hoog Agtb:, om na het afloopen der na„ Iaarsche verkoping van Anno 1782, voldaan te worden, aan den oud Capitain ter Rechergie W: Wopkens te Leeuwaarden; welke assignatie wij nedrig verzoeken dat door be„ taaling mag worden gehonoreerd. — De wissel brief groot 3500. drie beeldige drie beeldige Pagooden door de Hoog Edele groot Agtbare Heeren Bewind heb„ beren ter kamer Amsterdam, nevens Hoog derselver g'eerden missive van den 4. ' december 1779 herwaarts gezon„ den, is wel door de heer Charles Oakelij Esq:r te Madras, g'accep„ teerd, dog tot nog toe niet betaald geworden, volgens daar van ontvange narigt van het geweezen Sadras„ patnams opperhoofd De Peijs W bij een klijn brief op den 3: Aug:s :leeden aan ons uijt Madras geschreeven; En het is zeer twijfelagtig, of die wissel nu wel zal worden vol„ Ten minsten den onder„ ; daan De Neijs, aan wien koopman wij den ontfangst daar van hadden opgedraagen, durft voor het tegen„ „woordigen t 12 Fo. 11. „woordigen op dies betaaling niet aan„ dringen, uijt vrees dat dat geld door de Regeering van Madras zal wor„ den aangeslaagen. Voor het tegenwoordige weeten wij hier niets meerder bij te voegen. Soo wij van dit Iaar nader occagie krijgen, om na Europa te kunnen schrijven, zullen wij aan uwe Hoog Edele Hoog Agtbare bedeelen, al het geen hier sedert zal komen voor„ te vallen; want wij gewigtige gebeur„ tenissen tusschen Haijder Alichan en de Engelschen te gemoet zien na het eijndigen van de kwaade mousson. In den Iongsten veld togt heeft Haij„ der Alichan diverse voordeelen op hun behaald; En had, bij den laaste veldslag, die 6. 6. 24 1 die op den 27. ' augustus tusschen hem, en de generaal Coet is voorgevallen, de Cavallerij van Haijder Ali kunnen ageeren, de Engelschen waaren to„ taal geslaagen geworden. Sij hebben egter bij die gelegendheijd een aanzien„ lijk verlies geleden. Voor al aan Europeeschen, waar van men Jegt dat 'er wel 300. Gouden gesneuvelt zijn, nevens verscheijde staff officieren en onder dezelve den generaal Mon„ 10. — Op den 27. September is 'er weder een actie voorgevallen, dog wij wee„ ten nog den uijtslag van dat gevegt Soo veel egter weeten wij niet. dat de Engelschen gerepouseerd Sijn, in het door hun ondernoomen ontzet vor„ 12 g Fo. 12. ontzet van Veloer, dat sedert langen tijd door Haijder belegerd word, en eerst daags uijt gebrek aan levensmidde„ len zig zal moeten overgeeven. Na dat deese tot hier toe in ge„ reedheijd gebragt was, ontvangt den Eersten tekenaar Een brief van den vice Admiraal S:r Edward Hughes gedateerd 10. ' deezer, waar in hij onder anderen meld, dat het schip De Held Woltemade, van de Caap na Ceijlon gedestineerd op de hoogte van dien uijthoek, genomen is door een van de scheepen van zijn vloot genaamd D' Active. Onder de krijgsgevangene schrijft hij vervolgens, bevinden Sig de heer Bodenschats opperhoofd van Putelang, en de Jonge 23 Ionge Juff:r Anna Boers. welke laaste verkozen heeft na Madras te gaan, waar zij door de heer Hughes voornoemd aan zijn familie gerecom„ mandeerd is. Soo als dit nader te zien is uijt het nevens gaande Extract, dat wij ten dien eijnde de vrijheijd nee„ men uwe Hoog Edele Hoog Agtbare van ons aantebieden, onder betuijging gevoelig leedweesen, over het verlies van den gemelde bodem Waar meede, na Uwer Hoog Edele Hoog Agtbare Ilustre Persoonen, en het gewigtig belang der Maatschappij, in de dierbaare Pro„ tectie Godes te hebben aan bevoolen wij G de Comp:e geleeden heeft bij het verliesen van dat Comptoir bedraagd een Importante Somme van ƒ 863765. 6. - gelijk te zien is uijt het gemelde briefje zelve, Dat wij ten dien eijnde in Copie hier nevens voegen, ons om„ trent de conditie, waar op die plaats is overgegeeven, en het geen daar verder gebeurd is, daar aan met Eerbied gedraagende. — wij ons de eere geeven met alle veneratie te blijven. Doorlugtige Hoog Gebooren Vorst en Heere Hoog Edele Hoog Agtbare Heeren, Uw Doorlugtig Hoog Geboorene en uw Hoog Edele Hoog E Agtbarens onderdanigste en Trouw„ Dienaaren, schuldigste Hossel trd„ Da Telmanr J: AVHalm M: Stoffenburg Fk B„n bloeme: Accama Den 15:' october 1781. — zoo eeven ontvangen wij een klijn briefje van de geweese Iaggernaijk p=le opperhoofden Blaaukamer en de Ra„ vallet, waar uijt wij met de uijtterste aandoening vernoomen hebben, dat zij het fort aldaar, en alle de bezittingen en Effec„ ten van de compagnie aan de Engelschen hebben moeten overgeeven op den 14. ' Iulij Iongstl:. De schaade die„ Ps. Nagapatnam In het Casteel van uw Doorlugtig Hoog„ heijd, en uw Hoog Edele Hoog Agtbarens Den 13:en October A=o 178/: Veessingen ƒ ƒ . ƒ -- s . „ an „ 17 „ 2 O E gewee¬ val hebb ten overge de Con bedra gelijk ten d trent en het Eerbie
English
2536 Agreement entered into between His Highness, the Lord Hasareth Nabab Haijder Alichan Bahador Sahib, and The Right Honorable and Stern Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the Honorable Dutch Company, together with the Council at Nagapatnam. 1. Since disagreements have arisen in Europe between the Dutch and the English, and war has been declared, the Lord Nabab during that war, and whenever the English might attack Nagapatnam and other places, shall come to the aid of the Dutch Company with his troops, in order to oppose and drive off the enemies, whereby the places of the Honorable Company shall remain unmolested. 2. The cannons, flintlocks, lead, etc., which the Lord Nabab shall require, the Dutch on their part shall deliver to His Highness for the true cost. 3. Since this Agreement has been entered into regarding mutual friendship, the Dutch, for the assistance of His Highness in the present war which the English are waging on land, shall send from here Sepoys, Europeans, Malays, cannons, ammunition goods, etc., all under the command of European officers; the expenses to be paid by the Company. After the said men have joined with the troops of the Lord Nabab, His Highness must provide a good place of lodging for them, and they shall be under the command of their senior officers. The affairs of the Lord Nabab are to be handled by means of the said officers. 4. In case the Dutch again enter into friendship with the English, and word is written from Europe in that regard, they shall immediately inform the Lord Nabab of this, and conduct themselves according to His Highness's desires. 5. Whenever the English might in one way or another arrive in the Dutch places, they shall immediately have them arrested. 6. One vakil and five pairs of harkaras of the Lord Nabab shall be placed in the city of Nagapatnam, and in exchange a competent European vakil of the Company shall be placed with His Highness; meanwhile, every honor is to be shown to those persons on both sides. 7. Whenever the combined French and Dutch ships, or the Dutch ships separately, might arrive, the Dutch, to the satisfaction of the Lord Nabab, shall drive away the ships of the enemies. 8. If the enemies of Tansjouw and Tritchinapalij might act against the troops of His Highness which are at Combagonam, the Honorable Company promises on its part to send thither from here 2000 men, both Europeans as well as Sepoys and Malays, along with 5 to 6 cannons, and European officers, in order to join with the said men of the Lord Nabab, and to subdue the enemies. 9. If the English should besiege Nagapatnam, the Lord Nabab shall dispatch his troops to drive them away; meanwhile, the Company promises that upon the arrival of the said men of His Highness it shall provide good lodging. 10. Since His Highness the Lord Nabab has favorably ceded to the Dutch Company the places belonging under Tansjouw, namely: The Province of Kiwaloer, Wedarnium, Topotorre, and Naoer, together with their subordinate villages, Their Honors shall place their men in all those places to prevent any paddy or other provisions from being given to the enemies. Concerning the expenses of the detachments that the Honorable Company shall send to the assistance of the Nabab, they shall be redressed. After the Dutch ships and a large number of troops, both Europeans as well as Malays etc., have arrived here from Europe and Batavia, the Dutch shall conclude a further Agreement regarding the expenses. 11. The Dutch, ever taking pleasure with a pure heart in the well-being of His Highness, shall conduct themselves according to His Highness's desires. Thus agreed and settled in Nagapatnam, in the Castle, on 4 September anno 1781. Agrees. M: Stoffenberg, Secretary. 18 Batavia Copy Secret. Fo. 13. To His High Honor, The Right Honorable, Highly Respected, Widely Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General, together with The Right Honorable Lords, Councilors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Respected, Widely Commanding Lord, and Right Honorable Lords! May our Secret Letters of the
Dutch transcription
2536 Accoord tusschen zijn Hoogheijd, den Heere Hasareth Nabab Haijder Alichan Bahador Sahib, en Den Wel-„ „Edele Gestrengen Heer Reijnier van Vlissingen Gouverneur en Directeur van weegens de Edele Hollandsche Com„ pagnie neevens den Raadt te Naga„ patnam aangegaan Dewijl in Europa tusschen de Hollanders en de Engelschen onEenigheeden ontstaan zijn, en de Oorlog gedeclareerd is, zoo zal den heer Nabab. . . . . , geduu„ „rende die oorlog, en wanneer de Engelschen Nagapatnam en en andere plaatsen mogten a „ „tacqueeren, de Hollandsche Compagnie te hulp koomen met desselfs troupes, ten eijnde de vijanden tegen te gaan en te verjaagen, waar door de plaat„ sen van d' E: Compagnie onge„ molesteerd blijven zullen. De Canons, Snaphaanen, na Loot &„a, die den heer Na„ „bab. . . . . , noodig hebben zal, zullen de Hollanders van haar zijde aan Hoogst den„ selven voor het waare kosten„ „de leeveren. Dewijl men dit Accoord aange„ gaan heeft omtrend de mutueele 3. 2. vriendschap 22 Fo. 37. vriendschap; zoo zullen de Hol„ „landers, tot assistentie van Hoogst denselven in den teegen„ „woordigen Oorlog, die de Engel„ schen, te Lande doen, van hier senden, Sipaaijs, Europeeschen, Maleijers, Canons, Ammonitie goederen &„a, alles onder Com„ mando van Europeesche offi„ „cieren; zullende de ongelden door de Compagnie betaald wor„ „den. Na dat gemelde volk zig met de troupes van den heer Nabab. . . . . geconjungeerd zal hebben, zal zijn Hoog„ „heijd voor haar een goed plaats tot Logement moeten besorgen, en deselve zullen onder Commando van hun Opper Officien staan. De zaaken van den heer Nabab. . . . . dienen door Wee„ gen van gemelde Officien gedaan te Hen„ te worden. Bij aldien de Hollanders met de Engelschen weeder in vriendschap raaken, en dierwee„ „gens Uijt Europa geschreeven word, zullen zij zulx den heer Nabab. . . .. ten eersten verwittigen, en deselve na zijn Hoogheijds begeerte ge„ „draagen. Wanneer de Engelschen op de eene of andere wijse in de holland„ sche plaatsen mogten aankoo„ „men, zullen zij haar ten eersten laaten arresteeren. Een wakiel en vijf paaren harkars van den heer Nabab .. . zullen in de Stad Nagapatnam, en daar en teegen zal 4. 5. „ 6. 269 Fo. 38. zal een bequaam Europeesche wa„ kiel van de Compagnie bij zijn Hoogheijd geplaatst worden; Intusschen dient men die men schen van weder zijde alle Een te bewijsen Wanneer de gecombineerde fran„ „sche en Hollandsche Scheepen dan wel de Hollandsche Schee„ „pen afsonderlijk mogten aan„ „koomen, zullen de Hollanders ten genoegen van den heer Nabab de Scheepen van de vijanden weg dragen. Jan Sjour Indien de vijanden van Tritchinapalij tegen de Trou„ en „pes van zijn Hoogheijd, welke zig op Combagonam bevinden mogten ageeren, beloofd d' E: Comp: van haare zijde van hier na derwaarts te zullen zenden 2000. man, 1. 8. en en 4. te worden. Hij aldien de Hollanders met de Engelschen weeder in vriendschap raaken, en dierwee„ „gens Uijt Europa geschreeven wo„ zullen zij zulx den heer Nabab.„ ten eersten verwittigen, en deselve na zijn Hoogheijds begeerte ge„ „draagen. Wanneer de Engelschen op de eene of andere wijse in de holland sche plaatsen mogten aankod „ „men, zullen zij haar ten eersten laaten arresteeren. Een wakiel en vijf paaren harkars van den heer Nabab .. . . zullen in de Stad Nagapatnam, en daan en teeg„ zal 3. 6. 289 Fo. 38. zal een bequaam Europeesche wa„ kiel van de Compagnie bij zijn Hoogheijd geplaatst worden; Intusschen dient men die men schen van weder zijde alle Een te bewijsen Wanneer de gecombineerde fran„ „sche en Hollandsche Scheepen dan wel de Hollandsche Schee„ „pen afsonderlijk mogten aan„ „koomen, zullen de Hollanders ten genoegen van den heer Nabab de Scheepen van de vijanden weg dagen. Indien de vijanden van Tansjouw en Tritchinapalij tegen de Trou„ „pes van zijn Hoogheijd, welke zig op Combagonam bevinden, mogten ageeren, beloofd d' E: Comp: van haare zijde van hier na derwaarts te zullen zenden 2000. man 1: 7. 8. 2000. man, zoo wel Europeeschen als Sipaaijs en maleijers, nee„ „vens 5. â 6. Canons, en Euro„ „peesche Officieren, ten eijnde zig met gemelde volk van den heer Nabab. . . . . te Conjungeeren, en de vijanden te onder te brengen. Als de Engelschen Naga„ patnam beleegeren mogten, zal den heer Nabab:. . . . desselfs troupes afzenden, om haar Intusschen wegtejaagen,; beloofd, de Comp: dat bij arri„ rement van gemelde volk Hoogheijd goede van zijn Logies te zullen besorgen. Dewijl zijn Hoogheijd den heer Nabab. . . . . de plaatsen die onder Tansjour Sorteeren, namentlijk: De Provintie van Kiwaloen, wedarnium¬ Topotorre en Naoer, neevens dies 34 fo. 39. dies onderhoorige dorpen, aan de Hollandsche Compagnie gun„ stiglijk heeft afgessaan, zul„ „len Haar Edelens op alle die plaatsen derselver volk stellen om te beletten dat geen nelij of andere provisien Aan de vij„ „anden gegeeven worden. 7„ Aangaande de ongelden van de detachementen, die d'E: Comp: tot assistentie van den Nabab .. . . . zal zenden, zullen ge„ remedieerd worden. 10. Na dat uijt Europa en Ba„ tavia de hollandsche Scheepen, en een groot getal manschappen zoo wel Europeesen als Maleijers &:r alhier, zullen gekoomen, zijn zullen de hollanders omtrent de ongelden nader een Accoord sluijten. In het wel zijn van zijn 11. Hoogheijd Hoogheijd, de Hollanders met een zuijvere hart steeds genoegen scheppende, zullen deselve zig na Hoogst desselfs begeertse gedraagen. Aldus Geaccordeert en over Eengekoomen Nagapatnam In het Casteel September anno 1781. den 4 Accordeert. M: Stoffenberg ec 18 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edele Groot Agtbare Wijd Gebiedende Heere„ M=r Willem Arnold Alting, Gouverneur Generaal. & Beneevens. Heeren De Wel-Edele Raaden van Nederlands India. Hoog Edele Groot Agtbare Wijd Gebiedende Heere, en. Wel- Edele Heeren! Zij onze Secreete Letteren van Copia Secreet. Fo. 13. den
English
On the 27th of January last, we dutifully informed Your Right Honourables of the further progress that the Nabob Haider Alichan had made with his army in Carnatica. On that occasion, we also described what had been undertaken and accomplished by us for the defence of this capital against an enemy attack. However, we had little thought then that the danger was beginning to threaten us from so close by as we have experienced for some days since. The beginnings of this we saw on Sunday the 18th instant, when a corps of Haider's troops—consisting, as we subsequently learned from a spy sent out by us, of 4,000 horsemen, 2,000 sipais armed with old muskets with matches, and 6,000 caleers or robbers, or together 12,000 men—made an incursion into the coastal village of Naoer, situated close to this city; where, in the afternoon and at night, they set fire to several houses, as we saw from our walls. Yet at noon on the following day, being the 19th instant, a detachment numbering between 2 to 3,000 men from the aforesaid corps, which was commanded by a certain Calla Gabelaram, who calls himself head of 20,000 horsemen, advanced into the Company's villages situated around this city, where they heavily robbed and plundered, especially on the 20th and 21st. They also set fires here and there, and severely wounded more than 80 of our villagers. This we had to witness with regret, without being able to prevent it, because, in order to spare our small garrison for our own defence, we dared not detach any commandos outside to oppose them in their robbing. Yet although our strength did not permit us to oppose the approaching enemy in the open field, we nevertheless put ourselves in a state of defence within our walls: in which posture we remain to this day; although the enemy, who advanced into the Tanjore territory on the 23rd, is said to have recrossed the river of Naoer yesterday, for he is not to be trusted at all, as we experienced on the 21st instant. On the evening of the 19th, he had written to us the letter, the copy of which is transmitted under Letter A: to which we replied to him in such friendly terms, offering a gift to the value of over sixty pagodas by way of ransom, as can be seen in the accompanying copy B. With this we sent our interpreter, Brahmin, etc., to the aforesaid chief, who, returning the following day, made such a report of their mission as is transmitted herewith under Letter C. And although it appeared from this that the said chief had assured them that he would dispatch orders to the bands of horsemen roaming around here not to rob or disturb the Company's villages any more, he nevertheless marched with between two to 3,000 cavalry past this city at about eleven o'clock in the forenoon, just out of range of our cannon, and encamped that night and part of the following day in the villages situated south of this city, where they also plundered. This caused a great deal of consternation among the inhabitants here, especially in the evening, when a rumour spread that some horsemen had shown themselves by the river side. And since our river is very shallow, indeed in most places even fordable, we thought fit on the 22nd instant, in order to prevent the enemy from crossing from that side, to palisade the inner and outer city along the river side, as has already been done for the most part. We have also, instead of the 100 coolies taken into service who could not be kept on the bastions, enlisted 150 topasses in the capacity of gunners for the service of the artillery. Which we hope will be approved by Your Right Honourables, as well as the reply that we gave to the propositions of the said chief of the horsemen in our letter of the 21st instant, of which the copy accompanies this under Letter D. Our interpreter and Brahmin having departed that very evening for the encampment of the aforesaid chief with this reply, he, after making various threats, namely that he would have all the vessels lying here in the roadstead burned, answered us in such a manner as can be seen in the enclosed enclosure Letter E, to which we in turn replied as shown in copy Letter F. For although he pressed very strongly for the sending of commissioners to his master, we nevertheless politely rejected this demand of his, because we were apprehensive that he might detain them, in order to compel us in that way to pay a heavy tribute. Which may indeed have been his intention, since he only answered the interpreter to that letter that we had dealt with him like a child to whom one offered some sugar. Hereupon he subsequently, on the 23rd, in
Dutch transcription
den 27. Ianuarij Jongstleeden gaven wij aan Uwe Hoog Edel¬ „heedens Schuldpligtig kennis, van de verdere progressen, die den Nabab Haider Alichan met zijn Armé in Carnatica gemaakt hadt. Ook beschree„ ven wij bij die geleegendheijd wat door ons in het werk gesteld en verrigt geworden was, tot verdeediging van deese hoofd„ plaats; teegens een vijandelijken Aanval. Dan wij hadden toen nog wijnig gedagten dat het ge¬ vaar ons van zoo na bij begon te drijgen, als wij Seedert eenige dagen ondervonden hebben. De beginzelen hier van zagen wij op Sondag den 18. deesen, wanneer 'er een Corpst Haidersche troupes, bestaande zoo als wij naderhand, uijt een Spion door ons 4000. m Fo. 14. ons, afgezonden, vernomen hebben, in. Ruijters. 2000. Sipaijs, gewapend met Oude Mus„ 6000. „ketten, met Conten, en Caleers of Roovers, of tezamen in 12000. koppen, een inval deeden in het het digt bij deese Stad geleegen Zee dorp Naoer; alwaar zij des namiddags en snagts ver„ scheijde huijsen in den Brand staaken, zoo als wij van onse muuren zaagen. Dog op den middag van den volgenden dag, zijnde den 19. deezer, rukte een detachement groot tusschen de 2. â 3000. man uijt het voorschreeve Corps het geen gecommandeerdt wierdt door eene Calla Gabela„ „ram, die zig noemd hoofd van 20'000. Ruijters in Compag „nies dorpen rondsom deese stad geleegen, alwaar zij vooral op den 20: en 21. sterk geroofd en ge„ „plunderd hebben. Ook hebben zij hier en daar brand gestigt, en ruijm 80 33 80. van onse dorpelingen deerlijk ge „kwest. Dat wij met leetweesen hebben moeten aanzien, zonder het te kunnen beletten, uijt hoofde wij om ons gering guarnisoen, tot eijge defensie te Spaaren, geen Comman„ „dos na buijten dorsten, delacheeren, om hun in hun roven tegen te gaan. Dan Schoon onse magt, niet toe en lict, om den Aannaderenden vijand, in het vlakke veldt tegen te gaan, stelden wij ons egter bin„ nen onse muuren in staat van defensie: in welk postuur wij tot nog toe blijven; Schoon den vijand, die op den 23. in het Tansjours ge„ „bied rukte, op gisteren, zoo gezegt wordt weederom de revier van Na¬ oer zou, weezen gerepasseerd, want hij niet met al te vertrouwen 7 is, gelijk wij op den 21. deeser ondervonden hebben. Des avond van den 19. hadt hij aan ons geschreeven de brief, waar van de Copie, onder Lettra A. overgaat: waar op wij hem onder aanbieding van een geschenk ter waarde van Ruijm Sestig Pagooden uijtkoops in zodanige vriendelijke termen antwoorden pra als bij de neevens gaande Copie & BB Fo. 15. B, te zien is. Hiermeede zouden wij onsen Tholk, Bramine en sz:, aan het voorschreeve hoofd af, die den volgende dag te rug komende, van hunne bezending zodanig een Rapport gedaan hebben, als hier neevens onder L„a C: overgaat. En Schoon daar bij bleek, dat het gemelde hoofd aan hun verseekert hadt, dat hij Aan de hier rondswervende Ruijterbenden ordres zou afvaardigen, om Compagnies Dorpen niet meer te berooven, of te ontrusten marcheerde hij egter des voordemiddags omtrend elf uuren met tusschen de twee â 3000. –. man, Cavallerij, langs deese stad, even buijten het bereijk van ons kanon voor bij, en Campeerden dien nagt en een gedeelte van den volgenden dag in de Dorpen bezuijden deese Stad geleegen alwaar zij ook geroofd hebben. Dat hier vrij wat Consternatie onder de ingeseetenen veroorzaakten voor al des Avonds, wanneer er een gerugt verspreijd wierdt dat zig Aan de Rivier eenige Ruijters kant lieten zien. En dewijl onse Rivier zeer ondiep, Ia op de meeste plaatschen zelfs C zelfs Waadbaar is hebben wij om den vijand van die zijde het over„ „koomen te beletten, op den 22. hujus goed gevonden de binnen en buijten stad langs de Rivier kant; af te palesadeeren, Zoo als bereeds voor het grootste gedeelte geschied is. Ook hebben wij, in plaatsche van de in dienst genomen 100. Koelies, die niet op de Bolwerken te houden, waaren, 150. Toepassen in de hoe„ „danigheijd van Bosschieters ten dienste van de Arthillerij Het geen wij hoo¬ Aangenomen. pen dat zoo wel door Uwe Hoog „Edelheedens zal worden goed„ gekeurd, als het antwoord dat wij gegeeven hebben op de Propositien van het gemelde hoofd den Ruijters, bij onsen brief van den 21. deeser waar van de Copie deesen onder Lr„a D. verseld. Met dit Antwoord onsen - - Bramine, nog dien eijgen Tholk en Avond. 9 - 399 3 avond, na het Campement van het voorschreeve hoofd vertrokken zijnde, heeft hij na het doen van verscheijde drijgementen, dat hij namentlijk alle de vaarthuijgen welke hier ter rheede laagen, zou doen verbranden, aan„ ons zodanig geantwoord, als bij het inleggend Product L„ra E: te zien is, waar op wij weederom zodanig hebben gerescribeerd, als bij de Copie F. wordt aangetoont. want L„ao Schoon hij zeer Sterk gedrongen heeft op het zenden van Gecommitteerdens voor zijn Meester hebben wij deesen zijnen Eijsch egter beleefdelijk van de hand geslaagen, uijt hoofde wij bedugt waaren dat hij haar mogt aanhouden, om ons door dien weg tot het opbrengen van een zwaare Schatting te noodszaaken. Dat mogelijk ook wel zijne intentie geweest is, wijl hij op dien brief eenlijk aan den Tolk ge¬ „antwoord heeft, dat wij met hem gehandelt hadden als met een kind die men wat zuijker aanbood Hier op is hij vervolgens op den 23=ten in -
English
marched into the Tanjore territory, where he also robbed and plundered until yesterday, when he, just outside our villages, began the return march to the North. Thus we, after having been blockaded for five days, have again been relieved of this predatory rabble. The damages they caused in our villages we cannot yet determine, but we fear nevertheless that they will be very considerable. We have requested compensation for damages from Hyder Ali, however little likelihood there is of it, since he shares in the plunder. We have also requested him in the future to give his troops the strictest orders against the further robbing and plundering of our villages. From the answer he will give to this, we hope to discover what his intention regarding our Company is. The behavior of his troops truly bodes nothing good. And this has caused us to resolve to ask for further assistance of men and artillerymen from Ceylon, from where we accordingly expect some troops any day now. At least we firmly expect some artillerymen and the company of Sappers, which Your Right Nobles had the goodness to send thither for the service of this Government. We had the honor to receive the letter sent therewith. But we cannot answer it on this occasion, which we hope, because of the circumstances in which we find ourselves, will be construed for the best. Besides the men, we have also demanded from Jaffnapatnam 10000 lbs of Gunpowder, and 8000 pieces of cannonballs, of diverse calibers, together with some other ammunition goods, so that, if we might be formally besieged, we will have no shortage thereof, for we are resolved, in such a case, to defend ourselves manfully. In the latter part of the month of January, a French fleet of nine warships and a two-masted vessel showed itself on this coast, but after staying for a few days it put out to sea again, without our knowing to this day where it has gone. The English General Coote stands with his army near Cuddalore, and Hyder Ali stands with his barely two hours away from there. Between the two parties some skirmishes have indeed occurred, though as yet no main battle. On this may possibly depend the fate of all the European nations on this coast, for that Hyder Ali Khan means well by us, we doubt with reason, seeing that he has as yet answered none of our letters, nor sent the requested letters of safe-conduct. All this being as yet only conjectures, we shall, amid a prudent distrust, continue to hope for the best. God only grant that within a few days we may be able to report to Your Right Nobles what we are to consider Hyder Ali Khan as. For it is better to have to do with a declared enemy than a feigned friend. We wish Your Right Nobles from our hearts God's most precious blessing, while we remain with the utmost veneration. It was undersigned: Right Noble, Highly Honorable, Widely Commanding Sirs and Honorable Sirs, Your Right Nobles' very humble and obedient servants. Was signed: R: van Vlissingen, J: E: Mossel, P: E: Simons, J: D: Haselman, F: W: Bloeme, van Halm, M: Stoffenberg, Accama. In the margin: Nagapatnam, In the Castle, 26 February 1781. To Batavia. Via Ceylon. To Batavia As before By our humble secret letter of 26 February of this year, we dutifully gave notice to Your Right Nobles of the raiding and plundering of our villages by a corps of cavalry of the notorious Hyder Ali Khan. We hope that that letter will already have been received by Your Right Nobles before the arrival of this one. After this corps, on the 25th of that month, had begun the return march to the North, everything remained in peace here until 17 March last. Then a second corps of Hyder's troops, according to incoming reports 8000 men strong, both cavalry and infantry, having with them 9 pieces of cannon, and about 200 men of French troops commanded by Colonel Lallee, marched into the coastal village of Nagore situated close to this city, which they took possession of, as it had been abandoned by the English the day before. Having occupied themselves here until the 20th with burning and plundering, they marched from there to our borders, and blockaded this city completely from the land side. But they did not, however, come so close that we could reach them with our cannon. The reason for this incursion we must principally ascribe to our refusal to surrender the Armenian merchants of Madras, and some natives of Tanjore and Trichinopoly, to whom we had granted the protection of the flag some months ago. At least on this the commander of that corps, named Mir Sa Lotf Ali Beg Bakhshi, has insisted very strongly in diverse letters written to the first signatory hereof. Yet we have each time politely excused ourselves from complying with such an unreasonable and unheard-of demand, however much he also ended his letters with threats. Until he finally, having seen that he could gain nothing with threats, on 25 March to the army
Dutch transcription
Fo. 16. in het Tansjoursche gerukt, waar„ hij ook geroofd en geplundert, heeft, tot gisteren, wanneer hij even buijten onse dorpen, de te rug marsch na Noord heeft aangenoomen. Dus wij, na vijf dagen berend geweest te zijn, weederom van dit roof gespuijs zijn ontslagen. De schaaden die zij in onse dor„ „pen veroorsaakt hebben kunnen wij nog niet bepaalen, maar wij vreesen egter dat zij zeer aanmer„ kelijk zal zijn. Wij hebben scha- vergoeding ver„ Togt van Huider Ali, hoe vwijnig apparentie er toe is, wijl hij in den roof participeerd. ook hebben wij hem versogt, om voor het vervolg aan zijne Troupes, de Strikste„ bevelen te geeven, teegen het verder berooven en pluncteren van onse dor„ pen. Uijt het antwoord dat hij hier op geeven zal, hoopen wij te ont„ dekken hoedanig zijne intentie om„ trend onse Compagnie is. Het gedrag van zijne Troupes, voorspeld waarlijk niet veel goeds En dit heeft ons doen resolveeren, om nader onderstand van volk en Arthil„ „leristen van Ceijlon te vraagen. van waar wij dienvolgende eerst daags eenige troupes te gemoet zien. Ten minsten wij ver„ wagten vast eenige Arthilleristen en de Compagnie Sapangers, die uwe Hoog„ Edelheedens de goedheijd gehadt hebben ten dienste, van dit Gouvernement der„ „waarts te zenden. De brief daar„ meede afgezonden hebben wij de Eere Dog kunnen gehadt te recipieeren. hem bij deese geleegendheijd niet beant„ woorden. het geen wij hoopen, dat om, om de omstandigheeden, waar in wij zijn, ten beste zal geduijdt worden. Behalven het volk hebben wij nog van Iaffanapatnam g'eijscht 10000/ lbb: Buskruijt, en. 8000. p:s koegels, van diverse Calibers, mits„ gaders eenige andere andere Ammuni„ „tie goederen, om zoo wijeens formeel mog„ „ten belegerd worden, daar aan geen ge„ „brek te hebben. want wij zijn gere„ solveerd, om oms in zodanig een geval, manmoedig te defendeeren. In het laast van de maand Ia„ „nuarij, heeft zig een fransche vloot goeds Sterk fo. 17. sterk negen oorlog scheepen en een twee mast vaarthuijg op deese kust laaten zien, dog is na eenige dagen vertoevens weederom in zee gestoo „ken zonder dat wij tot nog toe weeten, waar na toe zij vertrok„ ken is. De Engelse Generaal Coet staat, met zijn Arme bij Coedeloer en Haider Ali Staat 'er met de zijnen, pas twee Uuren van daan Tusschen de beijde teegens zijn wel eenige Schermutelingen, dog tot nog toe geen hoofd-batalje voorgevallen Hier van zal mogelijk het nood„ lot van alle de Europeesche Natien ter deeser kuste afhangen. want dat Naider Alichan het wel met ons meent, hier aan twijfe„ „len wij met reeden, uijt hoofde hij tot nog toe geen van onse brie„ ven beantwoord, of de versogte brie„ ven van vrijgelijden gezonden heeft Aan dit alles nog maar gistingen zijnde, zullen wij, onder een voorzigtig mistrouwen, het besten blijven hoopen Codt ƒ 1 Dodt geeve maar dat wij binnen wijnig dagen aan Ue Hoog Edel„ heedens melden kunnen, waar voor wij Haider Alichan, hebben aan„ Want het beeter is met een gedeclareerden vijand als O te zien. een gewijnsden vriend te doen te hebben. wenschen Uwe Hoog„ „Edelheeden van harten toe Gods„ G Dierbaarste zeegen, terwijl wij met de uijterste veneratie blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare wijd Gebiedende Heere en wel Edele Heeren. Uwe Hoog„ „ Edelheedens zeer onderdanige en Gehoorsame dienaaren /: was getee„ „kend:/ R: van vlissingen J: E:„ S Mossel, P: E: J: D: Simons Haselman ƒ F: W: Bloeme, van Halm M: Stoffenberg Accama /:in margine:/ Nagapatnam In't Casteel den 26. februarij 1781. Batavia H — Fo. 18. er Ceijlon. E Batavia Aan als vooren Zij onsen needrigen Se„ creeten brief van den 26 februarij deeses Iaars, gaven wij schuldplig„ tig aan uwe Hoog Edelheedens kennis van het behooren en uijt„ plunderen onser Dorpen door een Corps Cavallerij van den berugten Aaiden Alichan. Wij hoopen dat dien brief bereeds, bij Uwe Hoog Edel„ heedens, zal ontvangen weesen voor pa„ resse deeses. Na dat dit Corps, op den 25. van die maand de te rug marsch na de Noord hadt aangenomen, bleef hier alles in, rust tot op den 17: Maart Iongstlee„ „den. Doen rukte een tweede Corps Hij„ „dersche troupes, volgens ingekome rap„ „porten Sterk 8006. man, zoo Cavallerij als Infanterij, bij zig hebbende 9. Stuk„ ken kanon, en omtrent 200. man frau„ sche; Troupes gecommandeerd door den Colonel Lalke, in het digt bij deese stad geleegen zee dorp Naoer, het geen zij in bezit naamen, wijl het daags van te vooren door de Engelsen verlaaten was. hier 43 No. 19. Hier zig tot den 20. toe opgehouden hebbende met branden en plunderen, marscheerden zij van daan, op onse Limieten, en berenden deese Stad van de Land zijde ten eenemaal. Dog kwa„ men, egter niet zoo na bij dat wijze met ons Canon berijken konden. De reeden van deesen inval moeten wij principaal toeschrijven aan onse wijgering om uijtteleeveren, de Armenische Kooplieden van Ma„ dras, en eenige, Inlanders van Tans„ jour en Tritchenapali, aan wien wij voor eenige maanden de Protec„ tie van de vlag verleend hadden Ten minsten hier op heeft den Commandant van dat Corps Mie„ roesa Loetree Alibeek Bak„ sie genaamd, zeer sterk aangedron„ „gen, bij diverse brieven aan den Eersten teekenaar deeses geschreeven. Dan wij hebben ons telken vrien„ delijk g'excuseerd van het voldoen aan zoodanig een onbillijken en ongehoorden Eysch, hoe zeer hij ook zijne brieven met bedrijgingen eijndigden. Tot hij eijndelijk, gezien hebbende dat hij met drijgen niets winnen kon, op den 25. Maart na de Armé is
English
has retreated, after having started fires here and there. But that he has done no further harm we have to thank not him, but Colonel Lally. Had he not been present, who knows whether all our villages would not now be lying in ashes. At least it is said that the Nawab had truly given orders to that effect, but that Monsieur Lally managed to prevent their execution. But however that may be, from various letters written by Monsieur Lally to the first signatory of this letter, several proofs of goodwill toward the Republic and our Company have come to our attention; and this causes us, with some semblance of reason, to think that if Haider Ali should truly be intending, as he has threatened, to besiege us, the French troops, who may be estimated at well over 400 men, will not serve him against us. Be that as it may, we assure Your Right Excellencies that in such an event we shall defend ourselves to the utmost, without allowing ourselves to be dismayed by cowardly fear. To this end, besides the company of Javanese soldiers that Your Right Excellencies have sent us, we have, since the dispatch of our aforesaid humble letter of 26 February, further received from Jaffanapatnam a company of Europeans and 15 artillerymen, alongside 10,000 lb of gunpowder. Could Ceylon moreover still assist us with the requested two companies of Europeans and 50 artillerymen, or else with a company of Europeans and 150 Malays, we presume, without being arrogant, that we could maintain ourselves against Haider Ali, especially since we may hope for help from the English side. This, at least, General Coote has made known not unclearly to the first signatory of this letter in his letters of 25 March and the 5th of this month, which accompany this in copy. However, should the condition of Ceylon not permit the granting of any further assistance to us, we shall defend ourselves with the force we have at hand, presently consisting in the first instance of 1,846 heads. Meanwhile, however, in accordance with Your Right Excellencies' highly esteemed orders occurring in the secret missive of 22 November 1780 (which we recently received), we have had all the Company's linen bales and the trade goods present here stored in the Company's vessels lying in the roads here and some vessels chartered from private individuals, in order that, if during a siege we should happen to be forced by excessive superior numbers to capitulate, we might make the Company's loss as small as possible for us. The safe-conduct letters that we had requested from Haider Ali Khan for our delegates, we have received since the dispatch of our aforesaid letter of 26 February. And as His Highness has likewise, in several letters, demanded of us with great emphasis that we dispatch our delegates to him in order to regulate some matters concerning the governance of this country, we, following the example of the government of Tranquebar, resolved further on 17 March to send our delegates thither on the 19th of that month. Since the junior merchant Accama, who had also been nominated by us for this purpose, was unable to depart due to indisposition, we chose in his stead the junior merchant and assayer Pieter Willem Geeke, who departed from here on the aforesaid 19 March with the merchant Simons and their retinue for the army of Haider Ali, which was then encamped close to Chidambaram, where, having arrived on the 22nd of that month, they had their first audience on the following 25th. Because Troelappa, who presumably intended to commit treason and is therefore held here under criminal arrest, has accomplished nothing on behalf of the unfortunate Topander and the clerks imprisoned with him, we resolved to provide our delegates with a substantial gift for the Nawab Haider Ali Khan, in order, if possible, to bring about the freedom of those unfortunates and the goodwill of the Nawab toward our Company. But although the gift, together with the sight-gift, has amounted to 2,196. 19. 26 pagodas, they have hitherto been able to accomplish nothing with it. At the first audience they had, the Nawab gave hope for various matters, but we have been greatly disappointed in our expectations regarding this. A subsequent conference with his ministers demonstrated this immediately, for on that occasion they demanded of us 2.5 lakh pagodas, without giving the slightest reason why that demand was made. Astonished by a demand of that nature, of which our delegates notified us by letter of 30 March, which accompanies this in copy, we addressed the Nawab about it. On that occasion, we pretended to doubt that such a demand had been made on His Highness's express orders, and to give this even more appearance, we likewise requested that our delegates be given an opening regarding the propositions His Highness might have to make, without making the very least mention of money, in order to make him see, if possible, the unreasonableness of his demand. Yet instead of this having helped at all, the said prince, with whom no reason appears to have place, has in his letter of the 6th of this month, a copy of which is enclosed herewith, demanded of us 5 lakh pagodas. It is true, he does not wish that the Company shall pay this
Dutch transcription
wat brand gestigt te hebben. is te rug getrokken, na hier en daar Dan, dat hij geen meerder, kwaad gedaan heeft hebben wij niet hem, maar den Colonel Lalé te danken. was deesen er niet bij ge„ „weest, wie weet of alle onse Dorpen tans niet in kolen, laagen. Ten min„ sten men zegt, dogt Per den Nabarb waarlijk oordre toe zou gegeeven hebben, dog. waar van d' tHeer Ldile de uijtvoering, heeft weeten voor te komen. Dan hoe het hiermeede ook zij, uijt diverse brieven door de heer Lalé aan den Eersten teekenaan deeses geschreeven, zijn ons verscheijde blijken van welmeenendheijd voor de Republicq en onse Compagnie te voo„ ren gekomen: en dit doet ons nog al met eenige schijn van reede den„ ken, dat zoo Haider Ali waar„ lijk van voorneemen mogt wee¬ sen, gelijk hij heeft gedruijgt, om ons te belegeren, dat de Fransche troupes die men op ruijm 400. man stellen mag, hem niet teegen ons zullen dienen. Dan dit zij hiermeede Zoo. : 17 F o 20. zoo het wil, wij verzeekeren Uwe Hoog Edelheedens, dat wij ons in„ zodanig een geval, tot het uijterste toe zullen defendeeren, zouden ons door een laffe vrees te laaten verbaasen. Hier toe hebben wij, behalven de Compagnie Sapangers die Uwe Hoog Edelheedens ons hebben toege„ „schikt, na het afgaan van onsen voorgewaagden Eerbiedigen van den 26. Februarij nog van Iaffa„ napatnam ontvangen een Compag„ „nie Europeeschen en 15. Arthilleristen, neevens 10'000. lb: Buskruijt. Kon Ceijlon daaren boven ons nog assis„ teeren met de verzogte twee Com„ „pagnien Europeeschen, en 50. Arthil„ leristen, of wel met een Compagnie Europeeschen en 150. Maleijers, Wij veronderstellen, zonder verwaand te zijn, dat wij ons teegen Hai„ „der Ali zouden kunnen main„ „tineeren, vooral daar wij op hulp van de zijde der Engelschen mogen hoopen. Dit heeft voor het minst den heer Generaal Coet bij zijne brieven van den 25. Maart en 5. deeser, die deesen in Copie versellen niel niet onduijdelijk te kennen gegeven, aan den Eersten teekenaar deeses. Dan zoo den Zoestant van Ceijlon niet toelaaten mogt, om aan ons eenige meerdere assistentie te bewijsen, zullen wij ons verdee„ „digen met de magt die wij aan handen hebben: bestaande tanspri„ mo plan in 1846. koppen. Wij hebben ondertusschen egter, Conform uw Hoog Edelheedens, zeen g' Eerde ordres, bij Secreete missive van den 22. November 1780, (welke wij onlangs ontvangen hebben) voor„ komende, alle de Lywaat pakken van de Compagnie en de hier aan handen zijnde negotie goederen, laaten bergen, in de alhier ter rheede leggende Compagnies en eenige van particuliere ingehuurde vaartuijgen om zoo wij, bij een beleg, eens Hoor„ al te groote overmagt genoodsaakt mogten worden van te moeten Ca„ „pittuleeren, de Schaade van de Compagnie zoo gering te maaken als ons mogelijk i. 49 Fo. 21. De brieven van vrijgeleijde die wij van Haider Alichan, versogt had„ „den, voor onse Gecommitteerdens, heb„ „ben wij Seedert het afgaan van onsen voorgewaagden van den 26. februarij ontvangen En dewijl zijn Hoogheijd teffens bij verscheijde brieven met zeer veel na„ „druk van ons gerequireerd heeft, om onse Gecommitteerdens aan hem af te vaardigen, ten eijnde eenige zaaken de Regeering van dit Land betreffende, te regulee„ ren, hebben wij in na volging van de Regeering van Tranquebar, op den 17. Maart nader besloten onse gecommit„ „teerdens op den 19. van die maand der„ „waarts te zenden. Aan wijl den onderkoop„ „man Accama, welke daar toe, door ons meede genomineerd was; door indis„ „positie niet heeft kunnen vertrekken hebben wij in zijn plaatsche verkoosen den onderkoopman en Essaijeur Pieter Willem Geeke, die met den koopman Simons, en hun gevolg, op den voorschree„ ven 19. Maart van hier na de Armé van Haider Ali, die toen digt bij Chelembron gecampeerd lag, vertrok„ ken is, alwaar zij op den 22. van die maand gearriveerd, zijnde, den 25. daar aan volgende hunne eerste audientie gehadt hebben. Dewijl 1 Dewijl Troelappa, die presumptief, verraad heeft willen pleegen, en daarom alhier Crimineel g'arresteerd zit, niets ten faveure van den ongelukkigen Topander en de„ met hem gevangen Pennisten heeft uijtgerigt, hebben wij beslooten om onse Gecommitteerdens een Aanzienlijk ge„ „schenk, meede te geeven voor den Nabab Haider Alichan, om daar door was het mogelijk de vrijheijd van die ongelukkigen en de toegenee„ „gendheijd van den Nabab voor onse Com„ „pagnie te bewerken. Dan Schoon het zelven, met de zigt gift bedraagen heeft, pago den 2196. 19. 26. hebben zij er tot nog toe niets meede kunnen uijtwerken. Bij de Eerste Audientie die zij hadden, gaf den Nabab tot het een en ander, hoop, Maar wij zijn in onze verwagting hier op zeer bedroogen ge„ „worden. Een volgende Conferentie met zijne Ministers toonde dit al aanstonds, want zij bij die geleegend„ heijd van ons vorderden ƒ251. Lak Lagooden zonder de minste reeden te geeven waarom die vordering geschiede geschiede. Verwonderd over een Eijsch van die natuur, waar van onse Gecommit„ „teerden aan ons kennis, gaven bij brief van den 30„se Maart, die deesen in Copie verseld, hebben wij 'er den Na„ bab over onderhouden Wij wenden bij die geleegendheijd voor, te twijffelen dat zoodanig Eenen Eijsch op uijtdrukkelijken last van zijn Hoogheijd was, gedaan, en om dit nog meerder schijn te geeven versogten wij teffens om aan onse Gecommitteerdens opening te willen geven van de pro„ „positien die zijn Hoogheijd zou hebben te doen, zonder het allen„ „minste gewag van geld te maaken, om hem daar door was het mogelijk te doen zien, de onreedelijkheyd van zijnen Eijsch. Dan in plaatsche dat dit wat gebaat zou hebben, heeft den gemelden vorst, waar bij geen reeden schijnt plaats te hebben bij zijnen brief van den 6. deeser maand, waar van Copie hier neevens gaat, van om gevorderd 5. Lak Pagooden Het is, waar hij begeerdt Luijst niet dat dit de Compagnie zal opbrengen Fo 22. 58
English
to bring up, but demands that we should collect this from the Armenians and other foreigners who are here in the city. In addition to this, he further requires of us the entering into and signing of a contract, which is entirely unacceptable, as Your High Nobilities will be pleased to see from the contract itself, which also accompanies this in copy. Time, we hope, will indeed reveal who is the cause that such unreasonable matters are demanded of us. More than once we have assured the Nabab that no such prominent people were to be found here as he pretends there are. But all of this seems to be of no avail. Nevertheless, we have repeated this further in our letter of the 12th of this month; and in order to cut off at once all demands of that nature, we have added that no foreigners are staying in this city any longer. In part they have already departed from here, and all the rest to whom we had granted protection, we have, while demonstrating the danger that seemed to threaten us on their account, most kindly requested to depart from here, with which they have already complied insofar as they have retired to the vessels lying here in the roads. Subsequently, we rejected the unreasonable demand of the Nabab, and further excused ourselves from concluding and signing the aforesaid contract, citing such reasons as we deemed appropriate for that purpose. They are described in detail in our letter of the 12th hujus, of which a copy accompanies this. However, since the Nabab, through this double refusal, will certainly take some displeasure against us, we have instructed our commissioners to request a further conference with His Highness, in which we hope that more equitable proposals will be made. Right to demand anything from us he does not have, and consequently we have written to our commissioners to endeavor, by means of a certain Saukar named Ristna Dewe, who has very great influence with Haijder, and others who are well-disposed toward the Company, to divert the Nabab from such a demand. However, since for this purpose some considerable gifts will certainly have to be made to the court officials, and principally to the treasurer of the Nabab named Kistna Rauw, who is said to be an avaricious person, we have authorized them to be allowed to employ, in case of extreme necessity, 6000 pagodas for this purpose, provided that the settlement of that matter also includes the freedom of Topander along with the clerks Wullick and Herft, who are imprisoned with him. Subsequently, we also wrote to them about various other pertinent matters in a letter of the 12th of this month, of which we attach a copy to this, with a transcript of their letter of the 7th preceding, to serve for further elucidation. However, since we have reason to fear that with a gift of 6000 pagodas they will be able to accomplish little, especially as the Danish gentlemen have come to an agreement with the Nabab for 25000 pagodas, we have, in order to be able to defend ourselves all the better should we be besieged, as the Nabab emphatically threatened in his aforementioned letter, resolved on the 11th of this month to palisade this city on the landward side, and to lay a good glacis in front of it, in order thereby to cover the walls of our bastions all the better against enemy artillery. And with this we are currently engaged. But a lack of a sufficient quantity of palm trunks causes the work to proceed somewhat slowly. Meanwhile, we await with distress a further letter from our commissioners, whom he obliges to follow his army. General Coet is still near Coedeloer, but Haider Ali has left his encampment at Chelembron, and has marched westward along the Colderom with a part of his army, which is estimated at 60000 horsemen and 20000 sepoys alongside 400 Europeans, and has now encamped near a village named Attoen, not far from Combagonom, lying one and a half days' journey from this city in the Tanjore territory, it remaining as yet uncertain whether he will besiege that city or not. His son, who commands a second corps of his army, stands against General Coet to observe him. A third corps, it is said, has marched to the north to intercept the Bengal auxiliary troops that are advancing. God grant that these expeditions do not succeed, for this could cause a most terrible revolution of affairs. The case of Beli has made the vainglorious Haider all too arrogant. It is therefore more than time that his arrogance be curbed. To this end, we hope the Marathas will also contribute their share. The English at least report that, on their behalf, they have invaded the land of Haider Ali with an army of 30000 men; were this true, we trust that Haider would shortly have to leave Carnatica. However, since we, for the present,
Dutch transcription
opbrengen, maar Eijscht dat wij dit van de Armeners, en andere vreemdelingen, die hier in de Stad zijn, invorderen zou„ „den. Boven des vergt hij van ons nog het aangaan en teekenen van een Contract het geen ten eenemaal onaannemelijk is. Gelijk Uwe Hoog „Edelheedens uijt het Contract zel„ ve, dat deese ook in Copie verseld, gelieven te zien. De tijd, hoopen wij zal het wel ontdekken, wie oorzaak is, dat er zulke onreedelijke zaa„ „ken van ons gevergel worden. Meer dan eens hebben wij den Nabab verseekerd dat hier zulke aanzienlijke Luijden niet te vinden waren, als hij voorwend, dat er Dog dit alles Schijnt niets zijn. , tee kunnen baaten. Even wel hebben wij dit naderherhaald, bij onsen Brief van den 12. deeser: en om in eens alle aanzaeken van die natuur aftesnijden, hebben wij u bij gevoegd dat zig geen vreemde¬ lingen, meer in deese Stad op„ houden. Gedeeltelijk zijn zij ook bereeds van hier vertrokken, en wij hebben alle de overige aan wien wij Protectie Fo 23 Protectie verleend hadden, onder ver„ tooning van het gevaar, dat ons om„ haarentwille scheen te drijgen, op het aller vriendelijkste versogt, om van hier te vertrekken, waar aan zij bereeds voor zoo ver hebben voldaan, dat zij zig hebben geretireerd op de alhier ter rheede leggende vaarthuij„ „gen. vervolgens hebben wij den onreede„ lijken Eijsch van den Nabab van de hand„ geweesen, en ons voorts g'excuseerd, van het sluijten en teekenen van het voorschree„ ve Contract, onder aanhaling van zoo„ „danige reedenen als wij daar toe gepast oordeelden. zij staan breeden, beschree„ ven bij onsen brief van den 12. hujus, waar van de Copie deesen verseld Dan wijl den Nabab door deese dubbelde weijgering, zeekerlijk eenig mis„ „noegen tegen ons zal opvatten, hebben wij onse gecommitteerdens gelast, een na„ „dere Conferentie, van zijn Hoogheijd te, versoeken. waar in wij hoopen dat billijker voorslaagen zullen wor„ „den gedaan. Regt om iets, van ons te vorderen heeft hij niet, en dien volgende hebben wij onse Gecommitteerdens aangeschree„ „ven, om door middel van zeekere Sau„ „kar 53 No. 24. Kar in name Ristna Dewe, die zeer veel bij Haijder intebrengen heeft en andere die de Compagnie geneegen zijn te trag ten, den Nabab van zodanig een Eijsch te diverteeren. Dan wijl hier toe zeeker„ lijk eenige aansienlijke Schenkasien zul„ „len moeten worden gedaan aan de Hof Bediendens en wel principaal den schat„ bewaarder van den Nabab in name Kistna Rauw, die gesegd word Een baar mensch te weesen, hebben wij hun gequalificeerd om daar toe bij de Uijtterste noodsaa„ „kelijkheijd te mogen emploieeren 6000. Lagooden, mits dan ook onder de af„ doening van die zaak begreepen is, de vrijheijd van Iopander neevens de met hem gevangene Pennisten wul„ lick en Herft. Vervolgens hebben wij hun nog het een, en ander ter zaake passsende aan„ „geschreeven, bij brief van den 12. deesen waar van wij een Copie deesen bijvoegen, met het afschrift van haaren brief van den 7. bevoorens, om tot meerder elucietatie te kunnen dienen. Dan wijl wij met reeden zijn, dat zij met een Spen„ bedugt van 6000. pagooden, wij„ „dattie „nig 33 nig zullen kunnen Uijtvoeren, voor al daar de Heeren Deenen met den Na„ bab g'accordeerd hebben, voor 25000. pagooden, hebben wij, om ons des te bee„ „ter te kunnen defendeeren, zoo wij, gelijk den Nabab bij zijnen opgemelden brief met nadruk gedrygdt heeft, belegerd worden, op den 11 deeser maand beslooten deese Stad van de Land„ Lijdte te Pallisadeeren, en daar voor een goede glassie te leggen, om daar door, de muuren van onse Basti„ ons des te beeten voor het vijan „delijk geschut te dekken. En hiermeede zijn wij tans bee„ zig. Dan gebrek aan een genoegsaame kwantiteijt Palmeeren, doet het werk wat tragelijk voortgaan. Wij wagten ondertusschen met Smerten, op een naderen brief van onse Gecommitteerdens, die hij noodzaakt zijn Leger te moeten vol„ „gen. De Generaal Coet staat nog bij Coedeloer, dog Haider Ali heeft zijn leeger plaats te Chelembron verlaaten, en is met een gedeelte van zijn Arme die op 60000. Ruijters en 20000. Si„ paaijs neevens 400. Europeesen begroot word langs de Colderom west„ „waarts opgetrokken, en heeft zig thans bij een Dorp genaamt Attoen niet niet verre van Combagonom Een en half dag rijsens van deese Stad leg„ „gende in het Tansjouwse Gebied geleegerd blij„ „vengte het nog onzeeker of hij die stad beleegeren zal of niet. Zijn zoon die een Zweede Corps van zijn arme Com„ „mandeerd, staat tegen Generaal Coet om hem te observeeren. Een derde Corps zegt men is om de noord gemarcheerd om de Bengaalsche hulp troupen die in Aanmarsch zijn, te onder God geeve, dat deese ex„ Scheppen. - „peditien niet gelukke: want dit een allereijselijkste omwenteling van zaaken zou kunnen veroorzaa„ „ken. Beli heeft ƒ Het geval van den Gloriezugtigen Haider, maar al te hoogmoedig gemaakt. Het is derhalven meer dan zijd, dat zijne Hoogmoet gefnuijkt worde Hier toe hoopen wij zullen de Marrat tijs ook het haare toebrengen. De En„ gelschen debiteeren ten minsten, dat zij ten haaren behoeve, met een arme van 30000 man in het Land van Huider Ali zou„ „den gevallen zijn, was dit waar, wij vertrouwen dat Haider in het kort Carnatica zou moeten verlaaten. Dan Wijl wij hier van, voor als fo. 25
English
as yet, we can report nothing with complete certainty, we must postpone this until a further opportunity. It will be agreeable to us if we are then able to impart less disagreeable news. With which, wishing Heaven's precious blessing upon Your High Nobilities' illustrious persons, and the Company's important possessions in the Indies, we have the honour, with all respect and high esteem, to remain. Was undersigned: High Noble, Right Honourable, Widely-Commanding Lord and Right Honourable Lords, Your High Nobilities' humble and very obedient servants. Was signed: R: van Vlissingen, I: E: G: Hasselmann, I: Mossel, E: van Halm, M: Stoffenberg, F: W: Bloeme, JJ: Riccama. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 20. April 1781. Lower: P: S: After this was made ready, we received an answer from our deputies to our letter of the 12. of this month. It contains nothing advantageous. The Nabob has sent our letter back to them unopened, and strictly demands the surrender of the foreigners or satisfaction of his demand; under threat of otherwise attacking us as enemies and keeping them prisoner. But we are already accustomed to his threats, and have therefore only instructed our deputies to effect their return with other proposals, through the dispensing of gifts. As soon as this succeeds, as we hope it will, we shall represent to the Nabob in a resolute manner in what an unjust way he treats us, even though we observe the strictest neutrality between him and his enemies. Batavia. To the same as before. We received news from Ceylon on the 13. of this month that the Crown of England declared war against our state on the 20. December of last year. And although we trust that Your High Nobilities will have knowledge of this weighty news long before the receipt of this, we nevertheless deem it to be our duty to give communication thereof to Your High Nobilities as well, since we now have the opportunity to do so with the small Portuguese vessel Santo Nicolao, which will depart from here tomorrow for China; and call at Malacca to deliver this. The aforementioned weighty news, of which the Ceylon Ministers gave us notice by letter of the 6. current, was communicated by the gentleman Lestevenon van Berkenrode, Ambassador of Their High Mightinesses at the Court of France, to the Honourable Governor van Plettenberg, by a letter of the 29 December 1780. Of which we have the honour to enclose a copy of the transcript received thereof, for further confirmation of that weighty event. We say weighty, and trust that we are especially justified in doing so with respect to Coromandel, because the English have a fleet of 15 warships on this coast, and an army of upwards of 12000 men stationed in and around Cuddalore, against which, if we were to be attacked simultaneously by sea and by land, we would not be able to hold out; especially since the Ceylon Ministers have already declared that they can no longer assist us with any troops. This having been considered by us upon the receipt of that weighty news, and at the same time taking into consideration that by this event affairs on this coast had changed so much in nature that our friends had become our enemies, and these again our friends, we gave notice of the aforementioned declaration of war against our state to the Nabob, Hyder Ali Khan (who is still stationed with his entire army between Tanjore and Trichinopoly), through our deputies, and subsequently communicated it to him ourselves by letter of the 17. of this month. Which we very respectfully hope will earn Your High Nobilities' approbation, as well as the proposal made by us to him to enter into an alliance with us against the English, if war between England and the State has truly been declared, for Hyder Ali, and the French fleet which we expect daily, can alone protect us against their superior power. And although we have as yet received no answer to this proposal, we nevertheless trust that Hyder Ali will accept it very readily, because in order to undertake matters of importance against the English, he is not sufficiently provided with artillery and war ammunition, with which we can assist him. Moreover, we trust this all the more, since our deputies in the army have already informed us by letter of the 16. of this month that the Nabob received that news not only with astonishment and joy, but had also offered to ally himself with us against the English; provided we promised him not possible, but actual assistance to fall upon the common enemy, in which case he offered on his part to protect us with his entire might, and moreover to give as much land as we desired. And since the actual assistance desired by the Nabob is a very reasonable condition if he is to take the protection of Nagapatnam upon himself, we shall, as soon as we receive his answer, endeavor to enter into
Dutch transcription
37 als nog, niets met volkome zeekerheijd kun„ nen melden, moeten wij dit tot een nadere geleegendheijd uijtstellen. Aangenaam zal hett ons zijn, zoo wij dan, min onaan„ „genaame Lijdtingen bedeelen kunnen Waarmeede onder toewensching van S Hemels Dierbaaren Zeegen over Uw Hoog Edelheedens illustre Persoo„ „nen, en Compagnies importante besit„ „tingen in Indie, wij de Eere hebben, met alle Eerbied en hoog Agting te blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare wijd Gebiedende Heere en Wel Edele Heeren Uwe Hoog Edelheedens onder„ danige en zeer Gehoorsaame Dienaaren /: was geteekend:/ R: van I: E: vlissingen, -- - - G: Hasselmann, I: Mossel, E: van Halm, M: Stoffenberg, F: W: Bloeme, JJ: Riccama, /:in margine:/ Nagapatnam In't Casteel den 20. april 1781. /:lager:/ P: S: Na dat deesen in gereedheijd was ge„ „bragt, ontvangen wij antwoord van onse Gecommitteerden op ons Schrijven van „ - -: — Fo. 26. van den 12. deeser Het behelst niets voordeeligs. Den Nabab heeft onsen brief, aan haar ongeopend te rug gesonden, en Eijscht volstrekt overleevering der vreemdelingen of voldoening van zijnen Eijsch; Onder bedrijging van ons anders vijandelijk te attacqueeren en hun ge„ vangen te zullen houden. Dan Wij zijn zijn Drijgen al gewoon, en hebben derhalven onse Gecom„ mitteerdens maar alleen aangeschree„ ven, om hunne te rug zending met andere voorslaagen te bewerken, door het Spen„ „deeren van geschenken. Zoo dra dit, gelijk wij hoo„ pen gelukt, zullen wij den Nabab op een Cordaaten voet voor oogen stellen, op welke een opbillijke wijse hij ons behandeld, Schoon wij tusschen hem en, zijne vij„ „anden de Stipste neutraliteijt in agt neemen. Batavia Aan als vooren. Wij hebben op den 13. deeser maand van Ceijlon lein Ceijlon zijding gekreegen, dat de Kroon van Engeland op den 20. December des voorigen Iaars den Oorlog tegen onsen staat heeft gedeclareerd. En schoon wij vertrouwen dat Uwe Hoog Edelheedens lang voor den ontvangst deeses, kennis zullen heb„ „ben van dit gewigtig nieuws, oor„ „deelen wij egter het van onsen pligt te zijn; ook daar van Aan Uwe Hoog Edelheedens Communicatie te geeven, wijl wij daar toe tans occasie hebben met het Portugeesche Panto Nicolao dat Scheepje morgen van hier na China zal vertrekken; en ter afgave deeses Malacca aandoen. Het voorschreeve gewigtig nieuws, waar van ons de Ceijlonse Ministers kennis gegeeven hebben bij brief van den 6: Courant, is door de heer Lestevenon van Ber„ „kenrode Ambassadeur van hunne Hoog Mogende, aan het Hof van Frankrijk gecommuniceerd, aan d' E: heer Gouverneur van Klettenberg Fo. 27. Settenberg, bij een brief van den 29 December 1780. Waar van wij d' Een hebben een Copie, van het daar van ontvange afschrift, deesen bij te voegen, tot nadere bevestiging van die gewigtige gebeurten is. We zeggen gewigtig, en ver„ trouwen dat wij hier toe voor al 4 met opzigt tot Chormandel regt hebben, uijt hoofde de Engelschen een vloot van 15. Oorlogscheepen op deese kust, en een Leeger van Ruijm 12000. man, om en bij Goedeloer staan hebben, waar teegen wij, zoo we te gelijk ter zee en te Land, wier„ „den geattacqueerd, niet bestand zouden zijn; voor al daar de Ceijlonsche Ministers bereeds ven„ „klaard hebben ons met geen troupes meer te kunnen assisteeren. Dit door ons op den ont„ rangst dier gewigtige tijding over„ woogen, en teffens geconsidereerd zijnde, dat door d'et evenement de zaaken 61 zaaken ter deeser kuste zodanig van gedaan„ „te veranderd waaren, dat onse vrienden onse vijanden, en die weeder onse vrienden geworden waren, hebben wij van de voorsz: oorlogs declaratie tegen onsen staat, aan den Nabab, Haijder Alichan (:die met zijn gansch Leeger nog tusschen Tansjouw en Tritjenapali Staat:) kennis doen geeven, door onse Gecommitteerdens, en het hem vervolgens zelfs gecommu„ „niceerd bij brief van den 17. deeser maand. het geen we zeer Eerbiedig hoopen H dat zoo wel de approbatie van Uwe Hoog Edelheedens verdienen zal als den voorslag door ons Aan hem gedaan, om zoo den Oorlog tusschen Engeland en den Staat waarlijk gedeclareerd is, een Aliantie met ons aan te gaan, teegen de Engelschen, want Haijder Ali, en de franschen vloot die wij dagelijks te gemoet zien, kunnen ons alleen teegen hunne over„ „magt beschermen. En Schoon Wij op deesen voor¬ slag tot nog toe geen antwoord hebben, vertrouwen wij egter dat Haijden Ali die Zeen gereedelijk Accepteeren zal, uijt hoofde hij om zaaken van gewigt zeegen de Engelschen te onderneemen e No. 28. onderneemen, van geen geschut en Oor„ „logs Ammunitie genoeg voorzien is, waarmeede wij hem kunnen bijstaan Boven dien vertrouwen wij dit nog te meer, wijl onse Gecommit„ „teerdens in het leeger, bij brief van den 16: deser maand bereeds aan ons hebben bedeeld dat den Nabab die Lijding niet alleen met verwondering en vreugde vernomen, maar ook Aan„ „gebroden hadt, om zig met ons tee„ „gen de Engelschen te allieeren; mits wij hem geene mogelijke maar eene dadelijke assistentie beloofden om op den gemeenen vijand los te gaan, in welk geval, hij van zijnen kant aan„ „bood ons met zijn gansche magt te beschermen, en boven dien zoo veel Landerijen te geeven als Wij begeerden. En nadien, de door den Nabab begeerde dadelijke assistentie een zeer billijke voorwaarde is, zoo hij de beschen„ ming van Nagapatnam wil op zig neamen, zullen wij, zoo dra wij zijn antwoord ontvangen, tragten over het aangaan E
English
conclude a defensive alliance against the English and enter into negotiations with him, but we shall not conclude it before we have positive news from Our Lords Principals or from Your High Excellencies concerning the war between England and our State, unless the English should begin to act hostilely against us before that time, in which case we would indeed be obliged to do so. Yet should it nevertheless happen that we cannot stretch or delay the concluding of such an alliance for so long, we will nonetheless try to stipulate that we need not grant him any immediate assistance before we receive further news from Europe concerning the war, or are hostilely attacked by the English, because we did not wish to be the first aggressors, especially since the English absolutely deny having the least news of the war. However, considering that the assistance that can be granted by us to the Nabob will solely have to consist of cannon, gunpowder, and cannonballs, we fear that our present supply of the two last-mentioned articles will not be sufficient for long. Ceylon will certainly send us as much as it can possibly spare, but as that government cannot leave itself too exposed either, we respectfully leave it to the wise considerations of Your High Excellencies whether it would not be good that a ship or vessel with ammunition goods were sent hither from Batavia, either directly or via Ceylon or Malacca, for if we are to give the English their hands full of work here by means of Hyder Ali, we must be amply provided therewith. In our respectful letter of 20 April last, we informed Your High Excellencies that the Marathas, having made peace with the English, had invaded the country of Hyder Ali with an army of 30,000 men. However, further news received since then contradicts this news, as well as the arrival of Bengal auxiliary troops spread about by them. Admiral Hughes has also not brought much relief from Bombay, and what has arrived are native troops. Thus, if Hyder Ali covers us from the landward side, we do not have very much to fear from him here, their naval force being, as we trust, too insignificant to do much harm, since we have three good batteries on the seaward side and are currently busy raising an earthen water-level battery for fourteen pieces of cannon to prevent entry into the river and landing. Yet with all this, we must place the greatest confidence in the help of Hyder Ali. Without him, we would see no chance of escaping the danger that seems to threaten us, and consequently we declare repeatedly our hope that the conclusion of such an alliance, to which we were also advised by the Ministers of Ceylon in their aforementioned letter of the 6th of this month, will be approved by Your High Excellencies, principally because, in our humble opinion, the same can greatly serve to check the enemy's progress in India, for as long as the war lasts on this coast, they will hardly dare to undertake any other military operations. As for our deputies in the army, they have hitherto not been able to mediate the dispute between us and the Nabob. But we hope that this will now easily succeed. And to this end we expect them here within fourteen days, when we shall not fail to report the outcome of their commission in detail at the first opportunity. Wherewith, wishing God's precious blessing upon Your High Excellencies' illustrious persons and the precious interests of the Company, we have the honour to be with the utmost respect and high esteem, High Noble, Right Honourable, Widely Governing Lords and Right Honourable Gentlemen, Your High Excellencies' humble and very obedient servants, R. van Vlissingen, G. E. Haselman, P. Mossel, P. E. van Halm, M. Stoffenberg, F. W. Accama, Bloeme. In the Castle Nagapatnam, 21 June 1781. Batavia. To the same as before. In our humble letter of 21 June of this year, we, in accordance with our indispensable duty, gave notice to Your High Excellencies of the war that had arisen between the Crown of England and the Republic. We also reported on that occasion that we had made proposals to the Nabob Hyder Ali Khan to enter into an alliance with him against the English. Having since then successfully succeeded herein, we have the honour to communicate this hereby to Your High Excellencies, submitting the contract, which we hope will be fully approved by Your High Excellencies. In order to remove all reasons for mistrust from the Nabob, we have assisted him at his first request with 10,000 lb of gunpowder and 40,000 musket balls. We have also added to his army of observation, which is stationed in Tanjore, a detachment of troops 600 men strong, equipped with six field guns. However, since the largest part of that detachment consists of sepoys, with whom His Highness the Nabob is sufficiently provided, we would wish that Your High Excellencies could grant us so much assistance of Europeans and Malays that we could assist the Nabob with greater strength against our common enemy, who has already taken Sadras and Pulicat on 29 June and 2 July; whether he has since also captured our northern factories is hitherto unknown to us. The Lord Nabob also urges us strongly to request help in men and ships from Batavia, Ceylon, and Cochin; and
Dutch transcription
63 Fo. 29 aangaan, van een defensive Alliantie teegen de Engelsche, met hem in onder„ „handeling treeden, dog wij zullen z' niet, sluijten voor wij positive tijding, van Onse Heeren Majores of van Uwe Hoog Edelheedens hebben van den Oorlog tusschen Engeland en onsen Staat, ten zij de Engelschen, voor die tijd teegen ons vijandelijk begonnen te ageeren: in welk geval wij daar toe wel verpligt zouden zijn. dog zoo het egter mogt komen te gebeuren, dat wij het sluijten van zoodanig een aliantie, zoo lang niet konden rekken of tegen houden zullen wij even wel tragten te bedingen dat wij Aan hem geen dadelijke assistentie behoeven te verleenen voor wij weegens den Oorlog uijt Europa nadere Lijding krijgen, of vijandelijk g'attacqueerd worden door de Engelschen, want wij niet gaarne de Eerste Ag„ „gresseurs wilden weesen, voor al daar de Engelschen volstrekt ontkennen de minste Lijding van den Oorlog te hebben. Dan Gemerkt de Assistentie die door ons Aan den Nabab zal kunnen 3 kunnen worden verleend, eenlijk zal moeten bestaan in kanon, kruijt; en kogels, vreesen wij dat onsen presenten voor„ raad van de twee laast gemelde an„ ticul niet lang zal kunnen toerijken. Ceijlon zal ons zeekerlijk wel koo„ veel toesenden als het maar missen kan, dog dewijl dat Gouvernement zig ook niet te veel kan ontbloo„ ten laaten wij het Eerbiedig over aan de wijse Consideratien van Uwe Hoog Edelheedens, of het niet goed wat, dat 'er een schip of vaarthuijg met Ammunitie goederen van Batavia herwaards gesonden wierd, het zij direct dan wel over Ceijlon„ of Malacca, want zullen wij de Engelschen door middel van Haij„ „den Ali, hier de handen vol werk geeven, moeten wij daar van ruijm voorsien zijn. Bij onsen Eerbiedige van den. 20. april p:o hebben wij aan Uwe Hoog Edelheedens bedeeld dat de Marrattijs vreede met de Engelse gemaakt hebbende, met Een Leegen van 30'000. man in het Landt van Maijder Ali gevallen waaren, Dan nodera Lijdingen Seedert ontvangen, Weederspreeken 63 5 weederspreeken dit nieuws zoo wel, als de door hun gespargeerde komst den Bengaalsche hulp troupen De Admiraal Hughes heeft ook niet veel ontset van Bom„ „baij meede gebragt, en het geen 'er nog gekomen is zijn Inlandsche trou„ „pes. Dus wij hier zoo Haijden Ali, ons van de Land zijde dekt, Juijst niet zeer voor hem te vreesen ƒ hebben. Sijnde hunne zee magt zoo wij vertrouwen te gering om om veel kwaat te doen, wijl wij Aan de zeekant drie goede Batterijen hebben en thans beesig zijn met op„ „haalen van een aarde waater pas voor veertien stukken kanon om het inkoomen der Revier en het Landen te beletten. Dan met dit alles moeten wij het grootste vertrouwen stel„ „len op de hulp van Haijder Ali„ Buijten hem zouden wij geen kans zien Fo 30. zien het gevaar, dat ons Schijnt te drijgen te ontduijken, en dienvolgende verklaaren wij bij herhaaling te hoo„ „pen dat het sluijten van Zoda„ „nig een Aliantie, waar toe wij ook, door de Ministers van Ceijlon bij haaren voorm: Brief van den 6. deeser maand zijn Aangeraaden, door Uwe Hoog Edelheedens zal wor„ „den goedgekeurd, principaal daar het zelve na onse geringe gedagten grootelijks strekken kan tot Zee„ „gengang der vijandelijke progressen in Indie want zij, zoo lang den oorlog ten deeser kuste duurt be„ „zwaarlijk eenige andere krijgs opperatien zullen durven in het werk stellen Wat onse Gecommitteerdens in het leeger betreft zij hebben, tot nog toe het different tusschen ons en den Na„ „bab, niet kunnen bemiddelen. Maar wij hoopen dat dit nu gemakkelijk lukken zal. En hier toe verwagten wij hun binnen veerthien dagen hier wanneer wij niet nalaaten zullen den Uijtslag hunner Commissie bij de Eerste geleegendheid breedvoerig te bedeelen. Waarmeede, onder toewensching van Gods Gods dierbaaren zeegen over Uwe Hoog Illustre Perzoonen „Edelheedens en de Dierbaare belangen van de Compag„ „nie, wij de Eere hebben van met de uijtterste Eerbied en hoog Agting te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare wijd Gebiedende, Heere, en wel Edele Heeren, Uwe Hoog „ Edelheedens onderdanige en Veen Gehoorsame dienaaren /: was getee„ „kend:/ R: van Vlissingen G : 6: E Haselman, P. Mossel, P: E: van Halm, M: Stoffenberg, F: W: Accama Bloeme, Nagapatnam /:in margine:/ In't Casteel den 21=e Junij 1781. — Batavia Aan als vooren. Bij onsen needrigen van den 21=e Junij 6 „ 5. Fo. 31. Iunij deeses Iaars hebben wij vol„ „gens om en indispensablen pligt aan uwe Hoog Edelheedens kennis„ gegeeven van den Oorlog die tus¬ schen de kroon van Engeland en Republicq was ontstaan. de Ook melden wij bij die gelee„ gendheijd, dat wij aan den Nabab Haijder Alichan voorslaagen hadden gedaan om Een alliantie met hem Aan te gaan tegen de Engelschen. Hier in Seedert door ons geluk„ „kiglijk geslaagt zijnde, hebben wij de Eer daar van aan Uwe Hoog„ „Edelheedens bij deesen Communicatie te geeven, onder aanbieding van het Contract, het geen wij hoo„ pen, dat door uwe Hoog Edel„ „heedens volkomen zal worden geapprobeerd. Om alle reeden van mistrou wen bij den Nabab weg te neemen, hebben wij hem op zijn Eerste ver„ soek geassisteerd met 10'000. lb: Buskruijt 69 Buskruijt en 40000. Snaphaan Kogels. ook hebben wij bij zijn observations, arme, die in het Tansjoursche staat, gevoegd, een detachement troupes Sterk Ses hondert man voorzien van zes veld stuk„ „jes Canon. Dan wijl het grootste gedeelte van dat detachement uijt Sipaijs bestaat, waar van zijn Hoogheijd den Nabab genoeg voorzien, is, wenschten wij wel dat Uwe Hoog Edelheedens ons zoo, veel assistentie van Eu„ „ropeeschen, en maleijers verleenen kon„ den dat wij den Nabab met meer„ „den kragt konden bijstaan, teegens onsen algemeenen vijand: die Reeds Sadras en Palleacatta, op den 29. Iunij en 2:e Julij heeft weggenoo„ „men of hij Seedert ook onse Noor„ delijke, factorijen, ingenomen heeft, is om tot nog toe onbekend. Den heer Nabab dringt ook bij ons Sterk aan, om van Ba„ tavia, Ceijlon, en Cochim, hulp van volk en scheepen te versoeken: en.
English
No. 32. and provides sufficient reasons for this, as Your High Excellencies, as we trust, will see later from the accompanying letter of the Nabob, which we send today alongside this to Ceylon, with the accompanying gift for His High Excellency, so that from there it may be offered to Your High Excellencies by express vessel. In the said dispatch, mention is made, among other things, of a Dutch war fleet. What truth there is in this, we cannot report with any certainty. But Colonel D' Puijmerin, being a French officer of repute with Haijder Ali, has on the contrary declared to our commissioners that he has received news from Europe and from the Mauritius that in the month of March of this year 12 Dutch warships were to sail to the Indies in order to join the French fleet that lies ready to sail at the Mauritius and to seek out the English fleet on this coast. And since the Nabob speaks of the arrival of our fleet as of a certainty, we firmly trust that this news is true. And thus we look forward with longing to our approaching warships and those of the French. May God grant that they appear on this coast before the outbreak of the bad monsoon; we trust that we would subjugate the English. At least at Madras provisions are beginning to become very scarce, and the fleet is said to be very poorly supplied as well. Fo. 33. We, on the other hand, have a good supply for ourselves and our fleet, which we long for all the more because Admiral Hughes, since 8 July, has kept us blockaded from the sea with seven warships, namely five ships of the line and two frigates. On the first day of his arrival at this roadstead, during the evening and night, he had the Company's sloop 't Loo and all the private vessels lying here at the roadstead taken away, without our being in a position, both because of the darkness of the night and the distance of the vessels, to prevent their capture by firing from our cannon. Yet apart from this sample of English bravery, in which according to our opinion little glory lies, Hughes has until now dared undertake nothing against Nagapatnam. What he will do in the future is unknown to us, but we are ready to receive him well. We have at least reinforced it from the sea side in such a manner that we have little to fear from him from that direction. And as for the land side, it is not likely that the English troops, who stand in the Manaarcoils territory and are daily kept in check by the troops of the Nabob Haijder Alichan, will be able to penetrate as far as here at this time of year. And so we hope, indeed trust, that with the help of the Almighty we shall preserve Nagapatnam, especially as in such a case we can rely firmly on prompt assistance from Haijder Ali. Yet it would be quite another matter if, instead of purely defensive action, we could also act offensively against the English alongside Haider Ali. And therefore we could wish that Your High Excellencies might assist us with some Company Europeans, some artillerymen, and 1500 to 2000 Malays. Could we reinforce the army of Haijder Ali with such a force, we trust that his operations would be of importance. And even assuming that we were to achieve no great victories over the enemies, we would, by keeping them occupied here, prevent them from daring to undertake any other actions against the Company's possessions. That, according to our humble opinion, would already be sufficient progress. The national fleet and that of the French could then accomplish the rest, and possibly through their military exploits make good the damage which the Company certainly has suffered with the surrender of its factories at Souratte and Bengalen. Of this unpleasant news, which we communicate to Your High Excellencies with the utmost regret, the Nabob has notified us, without however mentioning when it occurred. Apart from this, and the loss suffered on this coast, we do not know that the English have achieved any victory over us. At least the ships Groenendaal and Canaan, both intended for this coast, have safely entered Trinconomale without being seen by the English ships, although the fleet has been here for so long and two frigates have constantly cruised around Trinconomale. Also, Europa has arrived safely at Ponnecail. Upon which fortunate occurrences, wherein the providence of the Almighty shines forth not indistinctly, we cordially congratulate Your High Excellencies. General Coet, according to the latest news that we have received from the army, stands in the very place where Colonel Beli was defeated last year; and Haijder Ali alongside his son Tipoe Saeb are advancing against him to risk a pitched battle, news of which we expect in the coming days. Several times this year they have engaged with him, though with varying results. However, taken on the whole, they have inflicted the most damage upon Coet, especially on his retreat march to Madras, where he arrived in the month of July last with barely 7000 of the 15000 men he had assembled at Coedeloer. It is true, his army has since been somewhat reinforced by the auxiliary troops that have come from Bengalen, amounting to 10,000.
Dutch transcription
No. 32. en geeft daar van voldoende reede„ nen, zoo als uwe Hoog Edelhee„ „dens, gelijk wij vertrouwen naden zullen zien, uijt den neevensgaande brief van den Nabab, die wij met het daar bij gevoegde geschenk voor zijn Hoog Edelheijd ophee„ „den neevens deesen na Ceijlon ken„ „den, om van daar met, een El„ pres vaartuijg Uwe Hoog Edel„ „heedens te kunnen worden aan„ „gebooden. Bij den gemelden missive wordt, onder anderen van een hol„ „landsche oorlogs vloot gesproo„ „ken. wat daar van waar is, wee„ ten wij niet met Eenige Zeeken„ „heijd te melden. Maar de heer Colonel D' Puijmerin, zijnde een fransch officier van naam, bij Haijder Ali, heeft aan onse Gecommitteerdens in het teegen verklaard, tijding uijt Europa en van de Mauritius, ontvangen te 71 te hebben, dat 'er in de maand maart deeses Iaars 12. hollandsche Oor„ „log Scheepen na de Indien zoude zijlen, om met de fransche vloot die op de Mauritius Zeil-ree legt geconjungeerd zijnde de En„ gelsche vlotot op deese Cust te „ koomen opzoeken. En nadien, den Nabab van de komst onser vloot als van een waare zaak spreekt, ver„ trouwen wij zeekerlijk dat die tijding waar is. En zien dus onse naderende Oorlog scheepen en die der franschen met verlangen te gemoet. Jare Godt, dat zij nog voor - de doorbraake van de kwaade mous„ „son ter deeser kuste kwamen op dagen, wij vertrouwen, dat wij de Engel„ „schen zouden te onderbrengen. Ten minsten op Madras be„ „ginnen de feevens middelen zeer chaars te worden en de vloot zegt men is ir ook zeer slegt van voorzien. Wi 7 Fo. 33. Wij daar en teegen hebben een goeden voorraad, voor ons en onse vloot waar na wij te meer verlangen wijl den Admiraal Aughes, om Seedert den 8. Iulij, met zeeven oorlog schee„ „pen, namentlijk vijf Scheepen van Linie en twee fregatten van de Zeekant gebloktkeert houd op den Eersten dag van zijn Arrivement ter deeser Rheede, heeft hij des avonds en snagts Comp:s Sloep 't Loo, en al de particuliere vaar„ „thuijgen die hier ter rheede laagen, laaten wegneemen, zonder dat Wij zoo door de duijsterheijd van de nagt, als door de verheid van de vaartuijgen, in staat geweest zijn, om door het vuuren uijt ons Canon het neemen van deselve te beletten. Dan behalven dit Staaltje van Engelsche dapperheijd, waar in na onse gedagten wijnig roems geleegen is, heeft, de heer Hughes tot nog toe niets tegen Nagapatnam durven onderneemen: Wat hij in het vervolg doen, zal, is ons onbekend, dog wij zijn gereed hem wel te ontvangen. Wij hebben ten min„ „sten van de Zeekand zodanig ver„ „sterkt, dat wij hem van die zijde wijnig behoeven te vreesen. En wat de - 23 13 de Landkant betreft, het is niet appa„ „rent, dat de Engelsche troupes, die in het Manaarcoils gebied staan en dagelijks door de Troupes van den Nabab Haijder Alichan in beweezing gehouden worden in deese tijd van het Iaar tot hier toe zullen kunnen door„ dringen. En dus hoopen Ia vertrouwen, wij dat wij met de hulpe des Allen„ „hoogsten Nagapatnam behouden zulken voor al daar wij in zooda„ „nig Een geval op Een onverwijlde hulp van Haijden Ali, vast Staat kunnen maaken. Dan het zou wat anders zijn, zoo wij in plaats van defensief, ook neevens Haider Ali, Offensief konden Ageeren teegens de Engelschen. En derhalven wenschten wij wel dat, uwe Hoog Edelheedens ons kon„ „den bij springen met Eenige Comp: Euro„ „peesen wat Arthilleristen en 1500. â 2000. Maleijers konden wij met zodanig een magt het Leegen van Haijden Ali ven„ „sterken. Wij vertrouwen, dat zijne operatien van gewigt zouden zijn. En genoomen dat wij al geen groote overwinningen op de vijanden behaalden! wij zouden haar, door hun hier werk te - - ƒo. 34. te verschaffen, beletten om Eenige andere onderneemingen teegens de bezittingen van de Comp: te durven in het werk stellen. Dat na onse geringe ge„ dagten reeds ver genoeg gevorderd was. 'S Lands vloot en die den franschen zouden dan het overige verrigten kunnen; en mogelijk door hunne krijgsbedrijven vergoeden de Schaade die de Maatschappij Zee„ „kerlijk geleeden heeft, bij het overgaan van haare Comptoiren op Souratte en Bengalen. van dit onaangenaam nieuws, het geen wij aan Uwe Hoog Edelhee¬ „den met het uijterste leetweesen Communiceeren, heeft ons den Nabab kennis doen geeven, zouden egter te melden wanneer het gebeurt is. Buijten dit, en het ver„ lies ter deeser kuste geleeden, wee„ ten wij niet dat de Engelschen Ee„ „nige overwinning op ons behaald hebben Ten minsten de Scheepen Groe nendaal en Canaan, beijde voor deese kust geprojecteerd zijn gelukkiglijk Trinconomale binnen geloopen, zon „der van de Engelsche Scheepen gesien te worden, Schoon 'er zoo ang de vloot 75 Fo. 35. vloot hier geleeden heeft, en altoos Twee fregats, om en bij Trinconomale ge„ „kruijst hebben. Ook is Europa op Ponnecail behouden gearriveerd. Met welke gelukkige gebeurtenis„ sen, waar in de woonzienigheijd der Allerhoogsten niet onduijdelijk doon straatd, wij Uwe Hoog Edel„ heedens van harten vergelukken. Generaal, Coet, staat vol„ Iongste Lijding die wij uijt „gens de de Armeé ontvangen hebben, op de eijge plaats waar Coillonel Beli, in Anno pass:o geslaagen is; en Haijden Ali neevens zijn zoon Tipoe Sacb rukken teegen hem dan om een hoofd„ treffen te waagen: waar van wij eerst daags zijding verwagten ver„ scheijde keeren zijn zij van dit Iaar met hem aan de gang geweest, dog met ongelijken uijtslag Even wel over het geheel genoomen hebben zij Coet, de meeste schaade toege„ bragt, vooral op zijne terug marsch na Madras, waar hij pas met 7000. van de 15000. man, die hij op Coedeloer bij elkander gehadt, heeft in de maand Iulij Io Leeden is aangekoomen. Het is, waar, zijn armee is, tseedert eenig„ versterkt door de hulptroupes die Bengalen gekoomen zijn, en op sin van 10'000.
English
be estimated at 10,000 men. Yet in the long run he will have difficulty holding out against Haider Ali, because the latter's force is considerably stronger, and is to be augmented shortly with 20,000 Maratha horsemen, of which two thousand have already arrived in his army. Wherewith, wishing Heaven's precious blessing upon Your High Noblenesses' most illustrious persons and the Company's important possessions in the Indies, we have the honor to remain with all respect and high esteem. Below stood: Right Honorable, highly esteemed, widely ruling Lord, and Honorable Sirs, Your High Noblenesses' humble and very obedient servants. Was signed: R. van Vlissingen, I. E. G. Haselman, S. Mossel, P. E. van Halm, M. Mottenberg, F. W. Bloeme, J. Accama. In the margin: Nagapatnam, in the Castle, the 4th of September 1781. Agreed. M. Hoffenberg, Secretary. f. Netherlands. To the Illustrious, High-Born Prince and Lord Willem, by the grace of God Prince of Orange and Nassau, Hereditary Stadtholder, Captain- and Admiral-General of the United Netherlands, etc., etc., etc., as Supreme Governor-General and Supreme Director of the Noble East India Company, Together with The Noble, Highly Esteemed Gentlemen Directors assembled in the Meeting of the Seventeen, commissioned to the Presidial Chamber of Amsterdam. Illustrious High-Born Prince and Lord, And Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen. Departure of the letter. Our last respectful missive sent to Your High Noblenesses with the ship the Triton was dated 4 September 1780. Duplicate letter. And since we have received news from Jaggarnaikpoeram that this vessel continued its voyage from there to the beloved Fatherland at the beginning of the month of October with an important cargo amounting to f 827521:15:8, we hope that prior to the presentation of this letter it will have safely entered one of the ports of the Netherlands. Presentation of a duplicate. Yet notwithstanding this, we take the liberty, in accordance with the standing order, most humbly to present to Your High Noblenesses the duplicate thereof, accompanied by a copy of the missive written by us on 15 October to the High Indian Government at Batavia. Since the dispatch of our aforementioned letter, we have not had the fortune to receive any further letters from Your High Noblenesses. Communication of the receipt of an Amsterdam Chamber letter, which must be answered. We have only received, in the month of October, a missive from the Right Honorable, Highly Esteemed Gentlemen Directors of the Amsterdam Chamber, which we have the honor to answer on this occasion. Yet although we have received no letters from Your High Noblenesses, Relief of gold sent via Bengal. Communication of what has been brought from Batavia to Ceylon. Thanksgiving for the gold sent. we have nevertheless received from Ceylon a duplicate invoice and bill of lading for the gold bullion to the amount of f 268933:12 sent by Your High Noblenesses via Bengal for the service of this Government, for which we therefore give thanks with all respect. In addition, gold in bars to the amount of f 219192:14 was brought for us from Batavia to Ceylon by the ship Botland, of which we have ceded f 150000:- for the collection at Tutucorin, but we expect the remainder here shortly, together with what we hope the Bovenkerkerpolder will have already brought to Bengal. Formal requisition for 1781 is set at 12 ton. Reasons why the requisition was increased. Transition to the usual brief report of affairs, as far as possible. And with this we shall manage for the time being, or until we obtain further relief from Batavia, from where we now, in our formal requisition for the year 1781, which will be dispatched shortly, request twelve ton, on the grounds that we fear poor sales, whereby we shall need more money than usual for the collection, if it is to succeed in any way at all. Having noted this beforehand with respect, we proceed according to annual custom to provide a short report on the completed collection, the sales of merchandise, and the arrears of the merchants for the year 1779/80, as far as this is possible for us. For to make a formal description of this with regard to all our offices is as yet impossible for us, since we still lack the papers from Portonovo, Sadraspatnam, and Palleacatta, for which we cannot wait a moment longer, because we would thereby lose the opportunity to dispatch this via Ceylon, for which it is truly more than time; yet to bring this into readiness earlier than now was not possible for us, because we only received the papers from our Northern factories 4 to 5 days ago. 83 Reasons why it cannot be done completely. Now as for the reason why we have not yet received from our Southern offices the papers relating to the completed collection and trade: it is to be attributed to nothing other than the invasion of the Nawab Haidar Ali Khan into these Carnatic lowlands, of which we have already most respectfully given communication to Your High Noblenesses in our aforementioned letter of 4 September. For since then, all correspondence by land with the chiefs of our factories has been virtually cut off, which has hitherto also prevented the chiefs of Sadras and Palleacatta from being able to send their papers hither. While
Dutch transcription
10'000. man geschadt worden. Dog hij zal het egter op den duur beswaarlijk teegen, Haijder Ali kunnen uijt„ „houden, wijl deese zijn magt Consi„ „derabel sterken is, en binnen korten, nog vermeerdert staat te worden met 20'000. Marrattijse Ruijters waar van er reeds Twee Duijsend in zijn Armeé Aangekoomen zijn. Waarmeede ondertoewensching van Hemels Dierbaaren zeegen over Uwren Hoog Edelheedens zeer Illustre Perzoonen, en 'S Comp:s impontante be„ zittingen in, Indien, wij de Eere hebben met alle Eerbied en hoog Agting te blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtbare wijdgebiedende heere, en welEdele heeren, Uwe Hoog Edelheedens onderdanige en zeer gehoorsaame dienaaren /:was geteekend/ R: van vlissingen, I: E: G: Haselman, S: Mossel, P: E: van Halm, M: Mottenberg, F: W: Bloeme, J Accama /:in margine:/ Nagapatnam In't Casteel den 4:e 7ber: 1781. Accordeerd. M: Hoffenberg Sec „ ƒ Nederland. Aan den Doorlugtigen Hoog gebooren Vorst en Heere Willem Bij der gratie Gods Prince van Orange en Nassduw, Erfstadhouder, Capitain en Admiraal generaal der ver„ „ eenigde Nederlanden &=a &=a &=a als opper. Gouverneur Generaal, en opper=Bewindhebber van de Edele Oost= Indische Maatschappije Benevens De Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindhebberen ter vergadering van Seventhienen Gecommitteerd ter Prasidiaale kamer Amsterdam. Doorlugtige Hoog Gebooren Vorst en Heere, En Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren. Onzen laasten eerbiedigen met het schip schlijding van de brief. de Triton aan uwe Hoog Edele Hoog Agtb: afgezonden, is geweest van den 4: September:- P. er der laading van de Triton. „plicant Missive. September 1780. En nadien wij sedert van Jaggernaik„ „poeram tijding erlangd hebben, dat dien bodem van daar in het begin van de maand october zijne reijze na het liere Vaderland heeft voortgezet met notite van het bedragen een importante laading van ƒ 827521:15:8: hoopen wij dat hij reeds voor paresse deeses in een der havenen van Neder„ „land gelukkiglijk zal weesen binnen geloopen. Dan dit niet tegenstaande, neemen wij aanbieding van een du, egter volgens de Constante ordre de wij „heijd, het Duplicaat daarvan uwe Hoog Edele Hoog Agtb: bij deesen aller onderdaa„ „nigst 9 communicatie van den ontvangst van een Amster„ „damsche kamer briefje. „nigst aante bieden, verzeld van een Copia missive door ons op den 15: october aan de Hooge Jndiasche Regeering te Bata„ „ria geschreeven. zeedert het afgaan van onzen voorge„ „waagden brief, hebben wij het geluk niet gehadt, eenige nadere brieven van uwe Hoog Edele Hoog Agtb: te ontvangen Eenlijk hebben wij in de maand october ontvangen een missive van de Hoog Edele Hoog Agtb: Heeren Bewindhebberen ter die beantroor moet.- kamer Amsterdam, die wij bij deese gele„ „gendheijd de eere hebben te beantwoorden. Dan Schoon wij geen brieven van uwe Hoog Edele: daa ontzet van goud over Ben„ „gale afgezonden. communicatie van het geen van Batavia op Ceij„ „lon is aangebragt: dankreging voor het Hoog Edele Hoog Agtb: ontvangen hebben, hebben wij egter van Ceijlon bekomen een duplicaat Factuur Cognossement van het Staaf goud tot ƒ268933: 12: door uwe Hoog Edele Hoog agtb: ten dienste van dit Gouvernement, over Bengale afge¬ „zonden, waarvoor wij derhalven met alle Eerbied bedanken. Boven dien is met het schip Bot„ „land voor ons van Batavia op Ceijlon aangebragt voor ƒ219192: 14: aan goud in Staaven, waarvan wij ƒ150000:- voor den inzaam op Tutucorijn afgestaan hebben, dog het overige hier eerstdaags verwagten, met het geene de Bovenkerkerpolder, zoo wij hoopen reeds op Bengale zal hebben aangebragt En „ ovor „meelen Eijtk voor Nok be„ opaald is op 12: son. overgang tot het gewoon„ kort verslag van zaaken, voor zoo ver mogelijk. En hiermeede zullen wij het vooreerst, of tot wij een nader ontzet van Batavia er„ „langen, zien te stellen: van waar wij tans, Redenen waarom den Too„ bij onzen Formeelen Eijsch voor anno 1781, die eerstdaags zal afgaan, Twaalf Ion verzoeken, uijt hoofde wij voor een slegten vertier bedugt zijn; waardoor wij voor den inzaam, zoo die maar eenigzins slagen wil, meerder geld als anders zullen noodig hebben. Dit vooraf met eerbied genoteerd heb„ „bende, gaan wij na jaarlijkse gewoonte over tot het doen van een kort verslag van den afgeloopen inzaam, den vertier van Koopmanschappen, en de agterstallen der kooplieden voor den jaare 17 27/80, voor zoo agt. ragt. zoo ver ons zulks mogelijk is. Want om hier van met opzigt tot alle onze Comptoiren een formeele beschrijving te doen, is ons voor als nog onmogelijk, nadien ons daartoe nog manqueeren de papieren van Portonoro, Sadraspatnam en Pallea„ „catta, waarna wij geen ogenblik langer wagten kunnen, uijt hoofde wij daardoor de gelegendheijd verliezen zouden, om deezen over Ceijlon aftezenden, waartoe het waarlijk meer dan tijd is; dog om deesen eerder als tans in gereedheijd te bren „gen, was ons niet mogelijk; uijt hoofde wij de papieren van onze Noorder Facte„ „rijen eerst voor 4. â 5: dagen ontvangen hebben. wat 83 Redenen waarom het niet volleedig geschieden kan. Wat nu de reeden betreft, waarom wij de papieren tot den afgeloopen inzaam en B: betrekking hebbende, nog niet van onze Zuijdelijke Comptoiren ontvangen hebben?. ze is nergens anders aan toe teschrijven, als aan den inval van den Nabab Naider Alichan in deese Carnaticase benedenlan„ „den: waarvan wij bereeds aan uwe Hoog Edele Hoog Agtb: gansch eerbiedig Communicatie gegeven hebben bij onzen voormelden brief van den 4: September want sedert zijn alle Correspondentien over land met de opperhoofden van onze Factorijen genoegzaam afgesneeden; het geen dan ook de opperhoofden van Sadras en Palleacatta tot nog toe belet hunne papieren herwaarts te kunnen zenden. Terwijl: gen
English
Submission of the papers related thereto. While the threatening and plundering of Portonovo by a troop of his horsemen, the carrying off of our servants as prisoners, and the flight of the Company's merchants are the true cause that we have thus far been unable to provide a formal report of that trading post, from which we have since departed. And therefore we merely submit completely to Your Right Honourable Excellencies on this occasion the papers relating to the sale of merchandise; and those of the collection and the arrears as complete as they could be drawn up. Being observed therewith, with regard to the collection and the debts. Communicating what was there, in order not to err with regard to the collection at the trading posts of Portonovo, Sadraspatnam, and Palleacatta, only making known those packages which have been sent from here with the ships Triton and Hoorn, against the respective demands for the Motherland and the Indies, or which have remained behind in the warehouses here; while for the arrears of Portonovo we have taken the exact sum of the past year; considering that those merchants, having suffered considerable losses through the aforementioned surprise attack on that place, will, as we reasonably fear, increase their debts by a great deal rather than reduce them. Yet because we cannot speak of this with any certainty before we have settled accounts with them according to the latest collection; we proceed without any further elaboration to the report itself. And making a beginning with the collection of linens, we testify in truth that we have seen from the documents received thereof with very great regret that the collection on this Coast in the recently ended financial year 1779/80 was very defectively fulfilled; for in that financial year, against the respective demands for the Motherland and the Indies, which together amounted to 3412 packages, namely 1959 for the Motherland and 1453 for the Indies, no more than 2415 bales were collected, of which 1358 were for Europe and 1057 for these Asian regions. Thus, a considerable quantity of no less than 997 packages is still lacking for the complete fulfillment of both demands; namely 601 packages for the Dutch household and 396 packages for the Indies household. A considerable quantity indeed! Yet the cause of which is easily traced. However, before we proceed to this, we shall, according to annual custom, provide below a compendious demonstration of what was collected more or less in the recently expired financial year in comparison with the previous one; namely: The delivery of 1779/80. The delivery of 1778/79. More. Less. At Nagapatnam: 628 packages, 605 packages, 23 more. Portonovo: 3 packages, 46 packages, 43 less. Sadraspatnam: 168 packages, 344 packages, 176 less. Palleacatta: 29 packages, 129 packages, 100 less. Jaggernaikpoereem: 787 packages, 456 packages, 331 more. Palicol: 463 packages, 650 packages, 187 less. Bimilipatnam: 337 packages, 307 packages, 30 more. or together packages 2415, 2537, 384 more, 506 less. From which it appears that, when the lesser is subtracted from the greater, 2415 packages, in the recently expired financial year 1779/80, in comparison with the previous one, 122 less were collected, agrees 122. Concerning the cause of the shortage attributed to the war, that can be viewed in the formally answered demand. Now concerning the cause of such a considerable shortage of 997 bales! It is to be sought nowhere else than in the present war between Haider Alichan and the English. Your Right Honourable Excellencies will see this at a glance from the formally answered demand of returns for the year 1780 now being transmitted, for it clearly shows that the three northern factories Jaggernaikpoeram, Palicol, and Bimilipatnam (where everything is still in peace and quiet, while all the land from Palleacatta up to Portonovo and further southwards is in continuous alarm out of fear for the roaming troops of Haider Alichan) have completely fulfilled their demands; with the exception, however, of 3 packages of checkered rumals of 1 ell for the Indies, which remained unfulfilled at Jaggernaikpoeram. While all the shortages occurred at Nagapatnam, Portonovo, Sadraspatnam, and Palleacatta. All places situated in the midst of the war; and where, therefore, since the end of the month of June, when Haider Alichan made his invasion into the Carnatic, nothing could be collected; as is further demonstrated in the formally answered demand. Yet is to be seen in greater detail in a certain secret letter, where it is broadly described. Reasons for the shortfall at Nagapatnam. Yet it is to be seen in greater detail in our secret letter departing today for the High Government of the Indies, of which we take the liberty to present a copy to Your Right Honourable Excellencies; for it is described at length therein what consternation that invasion has caused from Palliacatta to this place. It is true, Haider Alichan has not yet penetrated this far; yet his invasion has nonetheless prevented our merchants from making collections in the Udayarpalayam district since the month of June; to which they have consequently also attributed their shortfall. Which
Dutch transcription
aanbieding van de papieren daartoe rebatie. Terwijl het bevooren en uijtplunderen van Portonovo door een bende van zijne ruij„ „ters, het gevangkelijk wegvoeren van onze Bediendens, en het vlugten van Compagnies kooplieden de waare oor„ „zaak is, dat wij tot nog toe buijten staat zijn, om ook van dat Comptoir, waarvan wij sedert opgebroken zijn, een formeel verslag ter doen. En derhalven bieden wij uwe Hoog Edele Hoog Agtb: bij deese gelegendheijd alleen maar compleet aan „ de papieren tot den vertier van koopmanschappen relatie hebbende; en die van den inzaam en de Agter„ „stallen voor zoo ver compleet, als die hebben kunnen worden opgemaakt. zijnde 85 bij geobserveerd is, met op„ „zigt tot den inzaam en de Schulden. onder communicatie wat er zijnde daarbij, om ons niet te vergissen met opzigt tot den inzaam op de Comp„ „toiren Portonoro, Sadraspatnam en Palleacatta, alleen maar bekend gesteld, die Pakken welke van hier met de schee„ „pen de Triton en Hoorn, op de respec„ „tive Eijsschen pro Patria et Jndia verzonden zijn, of in de pakhuijzen alhier zijn overgebleeven: terwijl wij voor de Agterstallen van Portonovo genomen hebben de eijge som van anno passato; gemerkt die kooplieden, door de voorschreeve overrompeling van die plaats aanmerkelijke schaaden geleeden hebbende, hunne Schulden gelijk wij met reeden vreesen, in steede van te verminderen, al vrij wat ver„ meerderen: „meerderen zullen. Dan wijl wij hier van niet eerder met eenigen grond kunnen spreeken, voor wij met hun; volgens den jongsten inzaam zullen hebben afgereekend; gaan wij zonder eenige verdere uijtwijding over tot het verslag selven. En met den Jnsaam van Lijwaa„ „ten een begin maakende, betuijgen wij in waarheijd, dat wij uijt de daar„ „van ingekome Documenten met zeer veel leedweezen hebben gezien, dat den inzaam ter deezer Custe in het jongst afgeloopen Boekjaar 17 23/80: zeer gebrek „kig voldaan is; want 'er in dat Boek„ „jaar. „jaar op de respective Patriasche en Jndiasche Eijsschen, welke tezaamen groot geweest zijn 3412: pakken, namentlijk 1959: pro Patria, en 1453:— voor Jndia, niet meer ingezameld geworden zijn als 2415: baalen, waarvan 1358: voor Europa, en 1057: voor deese Asiatische gewesten. Dus er aan de Compleete voldoening der beijde Eijsschen nog manqueerd een aanzien„ „lijke quantiteijt van wel 997: pakken; namentlijk 601: pakken voor de Nederland„ „sche en 396: pakken voor de Jndiasche huijs„ „houding. Een aanzienlijke quantiteijt waarelijk! dog waarvan de oorzaak ligtelijk is na te gaan. Dan eer wij hiertoe overgaan, zullen wij na jaarlijksche gewoonte hier onder laaten volgen een compendieuse aantooning van het geen. ƒ geen er in het jongst geexpireerde Boekjaar, bij vergelijking tegen het voorige meerder of minder oorz ingezameld is; namentlijk: De leverancie De leveran„ van 17 7/80 ie van 17/ Meerder Minder 628: 605: 23. — Te Nagapatnam. . . - - pakken 3: 46: —: 43: Portonovo - - - - - - - „ Sadraspatnam - - - - - - - „ 168: 344: —: 176: „ Palleacatta. . . . . . . „ 29: 129: —: 100: Jaggernaikpoereem. . „ 787: 456: 331:— Palicol. . . . . . . . . „ 463: 650: —: 187: Bimilipatnam. . - - - - „ 337: 307: 30: — of tezamen pakken 2415: 2537: 384: 506: waaruijt blijkt, dat wanneer het mindere van het meerdere word afgetrokken, pakken 2415: er in het jongst geexpireerde Boek„ „jaar 17 7/80, bij vergelijking tegen het voorige minder ingezameld zijn. . . . . . . „ 122: accordeerd 122 38 Belangende 89 oorzaak der te kort koming aan den oolog toegeschreeven„ „woorden Eijsch kan werden bescholend. Belangende nu de Oorzaak van zulk een aanmerkelijke te kort koming van 997: - fardeelen! Ze is nergens anders in te zoeken als in den presenten Oorlog tusschen Haider Alichan en de Engelschen. — Dit zullen uwe Hoog Edele Hoog„ dat bij den Fommel beant„ Agtb: met een opslag van een oog beschou„ „wen uijt den tans overgaande Formeel beantwoorden Eijsch van Retouren voor den jaars 1780, want daarbij duijdelijk aangetoondt wordt, dat de drie Noorde„ „lijke Factorijen Jaggernaik poeram, Palicol, en Bimilipatnam /:daar alles nog in Rust en Vreede is, terwijl al het land van Palleacatta af tot Portonovo toe. - 181. toe, en verder Zuijdwaarts, in een geduurige bevoerte is, uijt vreese voor de rondzwerven„ „de troupes van Haider Alichan:) hun„ „ne Eijsschen compleet voldaan hebben; met uijtzondering egter van 3: pakken Roemaals geruijten van 1: El voor Jn„ „die, die op Jaggernaikpoeram on„ Terwijl „voldaan gebleven zijn. alle de te kort komingen voorgevallen zijn op Nagapatnam, Portonovo, Sa„ „ draspatnam en Palleacatta. Alle plaatsen midden in den Oorlog gelegen; en waar derhalven sedert het laast van de maand Junij, wanneer Haider Alichan zijnen inval in Carnatica gedaan heeft, niets heeft kunnen worden ingezameld; gelijk bij den. - dog omstandiger te zien is bij zeekere secreete brief. „de beschreeven is. — ming te Nagapatnam. den Formeel beantwoorden Eijsch nader Dog omstandiger aangetoondt wordt; te zien is, bij onzen Secreeten brief op heeden aan de Hooge Regeering van In„ „die afgaande, waarvan wé de vrijheijd. neemen Uwe Hoog Edele Hoog agtbare wat daarbij al in het brie„ de Copie aantebieden; want daarbij in het breede beschreeven is, wat een Consternatie dien inval al verwekt heeft van Palliacatta af tot hier toe. Het is wel waar, Haider Alichan is nog niet tot hier toe doorge„ Redenen van de vorolden „ drongen; Dog zijnen inval heeft egter onze kooplieden belet, om in het Oedeaarpaliums district inzaam te kun„ „nen doen, sedert de maand Iunij; waar„ „aan zij dien volgende ook hunne tekort„ Het „koming hebben toegeschreeven. geen.
English
will be satisfied therewith, will console themselves. Report regarding the contracting for this year, which has not yet taken place at Sadras or Palleacatta, for reasons which we hope Your Right Honorable Worships will be pleased to accept as sufficient, and will furthermore be pleased to console yourselves over this disadvantageous result of the collection, as having been caused by impediments against which we were powerless. Time must tell how the collection for this year will proceed. Regarding Sadras and Palleacatta the prospects are not favorable as long as the theater of war remains so close to them. And consequently it would not yet be advisable to make any contracts there at present upon the demands of this year. But because the danger is not yet so close at hand, we have contracted with our merchants on 11 December; however, furnishing them at first with only five, but later, upon their urgent solicitations and in consideration that it is now the best time of the collection, another 15000, or in total 20000 Pagodas on delivery; which we hope will be approved by Your Right Honorable Worships. At Jaggernaikpoeram, Palicol, and Bimilipatnam the contracts will also, we trust, be concluded in the near future; for there, hitherto, or as long as Haider Ali remains with his troops on this side of the river Kistna, it can take place without danger. And consequently we hope and trust that those will again be completely fulfilled. As for ours, we shall take as much care for its fulfillment in virtuous cloth as can be expected from faithful and honor-loving servants. However poorly the collection has turned out, and however much reason we consequently also had to fear that sales would look even more disadvantageous, because they have been completely at a standstill at Palleacatta and Sadras from the invasion of Haider Ali, or from the end of the month of June until the present day, we nevertheless, contrary to all expectations, have the pleasure to share that the same has succeeded much better than in the previous year. By the accompanying general summary of the merchandise sold on this coast in the recently expired book-year 1779/80, we therefore hope that Your Right Honorable Worships will see with some satisfaction that the profits obtained on the consumed merchandise on this coast have amounted to a noteworthy sum of ƒ372040:—:, which in comparison with the year 1778/9, when the profits yielded ƒ322342:2:8, shows an increased gain of ƒ49697:16:8, as can be seen in more detail in the following demonstration; namely: Anno 1779/80. - Anno 1778/9: More. Less. At Nagapatnam . . ƒ21104. 1.8. ƒ61808. 19. — ƒ —: — ƒ 40704: 10: „ Sadraspatnam. . . „75396:11:8: „ 96043:6:—: —:—:— „ 20646:11: „ Palleacatta. . . . „ 7485: 6:8: „ 19395:18:8: —:—: —: „ 11910:12: „ Jaggernaikpoeram „138053:1:8: „ 57729: 3:8: 80323:18: —: —:—: „ Bimilipatnam. . . „ 130000: —:— „ 117364:1:8: 12635:3: 8: —:—:— Total. . . - ƒ372040: —:— ƒ322342: 2:8. ƒ92959:1:8 ƒ73261:5:— The lesser having been deducted from the greater . . . . . . . . . „ 73261: 5:—: It appears that there was more gained in the latest book-year - - - - . ƒ 49697:16:8: agrees ƒ 49697:16: 8: Which may truly be called a considerable increase in profit, when one considers the present times. Yet our profits would apparently have been considerably greater if we had been able to supply Sadraspatnam, Jaggernaikpoeram, and Bimilipatnam with somewhat more nutmegs and mace, because that would have caused the sales of both cloves and Japanese bar copper to rise noticeably. Although, moreover, the demand for the latter, especially around Jaggernaikpoeram, is severely obstructed by the importation of Swedish plate copper, which, although not as good as Japanese bar copper, is nevertheless used by the natives for the minting of dubs, which causes much harm to our trade in the same at Jaggernaikpoeram and Bimilipatnam. And to this it would also have helped not a little if we had been able to dispose of the sugar and camphor brought from Batavia by the ships Triton and Hoorn for a suitable price. But as there is for the present no advantageous prospect for this, we trust that Your Right Honorable Worships with the
Dutch transcription
„joores zig daarmeede voldaan zullen honden, zulen getoosten. verslag omntent de aanbe„ „steeding voor dit jaar, — die nog niet op sadras of Palleacatta is geschied, om Rheeden. nan hoft dat de oren Man geen wij hoopen, dat uwe Hoog Edele Hoog agtb: voor voldoende zullen gelieven. aan te neemen, en zig voorts deezen nadee„ en zig den slegter uijtslag „ ligen uijtslag van den inzaam wel zullen gelieven te troosten, als veroor„ „zaakt zijnde door impedimenten, waartegen wij niets vermogten. — Hoe het nu met den inzaam voor dit op jaar gaan zal, moet de tijd leeven. Omtrent Sadras en Palleacatta zijn de vooruijtzigten niet favorabel, zoo lang het Toneel van den Oorlog er En derhalven zoo digte bij blijft. zou het nog niet raadzaam weezen, om daar tans eenige aanbesteeding te doen op de Eijsschen van dit jaar. Dog k geslooten zijn, en wat daarop aan de kooplieden is verstrekt, op Apmbati den darmn Mates. vertrouwen der Regeering, dat de aanbesteedingen om de Noord Dog wij hebben, om dat het gevaar nog wanneer hier de Contracten niet zoo na bij is, op den 11: December ge„ „contracteerd met onze kooplieden; Egter aan haar eerst maar vijf, dog naderhand, op haar dringende Sollicitatien, en uijt aanmerking het tans den besten tijd van den inzaam is, nog 15000: - of in het geheel 20000: - Pagooden op leverancie verstrekt; Het geen wij hoopen dat door uwe Hoog Edele Hoog Agtb: zal worden geapprobeerd. Jaggernaik poeram, Palicol antdag geschieden zulen. en Bimilipatnam zullen de Contracten, dit vertrouwen wij, ook eerstdaags gesloo„ „ten worden; want het daar tot nog toe, of zoo lang Haider Ali met zijne troupel- en dat de Eijsschen compleet zullen worden voldaan. verslag van den vertier in 177/00. troupes aan deeze zijde van de Rivier de kistna blijft, zonder gevaar geschieden kan. En dienvolgende hoopen en vertrouwen gae wij, dat die weder compleet zullen worden voldaan. — Wat de onze aangaat, we zullen voor dies voldoening in deugdzaam ge„ word „weef zoo veel zorg draagen, als van „ trouwe en eerlievende Dienaaren kan worden verwagt. Hoe slegt den inzaam ook is afgeloo„ „pen, en hoe veel reeden wij dienvolgen„ „de ook hadden, om te vreesen, dat het er met den vertier nog nadeeliger zou uijtzien, want die volstrekt van den inval van Haider Ali„ of : 3 geslaagd is, zoo als nader aangetoond word bij het Generaal som„ „mantitn, en hier nevens. of van het laast van de maand Junij af, tot heeden toe op Palleacatta en Sadras doodstil staat, hebben wij egter tegen alle verwag„ die beter als in anno 178/9 „ ting aan, het genoegen te bedeelen, dat de„ „zelve wij beter geslaagt is, als in het voo„ „rige jaar. Bij het nevens gaande Generaal: Sommari„ „um der verkogte koopmanschappen ter deeser kuste in het jongst geexpireerde Boekjaar 17 3/80: hoopen wij derhalven, dat uwe Hoog Edele Hoog Agtb: nog al met eenige welgevallen zullen zien, dat de winsten op de verteerde koopmanschappen ter deeser kuste behaald, bedraagen hebben eene naamwaardige Somme van ƒ372040:—:, het geen bij vergelijking tegen anno 1778/9. , wanneer de winsten gerendeerd yd hebben: hebben ƒ322342: 2: 8:, een meerder voordeel aantoond van ƒ49697:16:8: , zoo als nader te zien is bij de ondervolgende Demon„ dit jaar „stratie; Namentlijk: A„o 17 7/80. - A=o 177 8/9: Meerder. Minder. dog Te Nagapatnam . . ƒ2104. 1.8. ƒ61808. 19. — ƒ —: — ƒ 40704: 10: Heuke 118 „men „ Sadraspatnam. . . „75396:11:8:„ 96043:6:—:—:—:—„ 20646:11: „ „ Palleacatta. . . . „ 7485: 6:8: „ 19395:18:8:—:—: —: „ 11910:12: „ Jaggernaik poeram „138053:1:8:„5729: 3:8: 80323:18: —: —:—: —:—:— „ Bimilipatnam. . . „ 30'00: —:—„ 7364:1:8: 12635:3: 8:— Teld. . . - ƒ 72040: — - ƒ 2312: 3:8. ƒ2959:1:8 ƒ13261:5:— Het mindere van het meerdere ge„ „detraheerd zijn„ „ de. . . . . . . . . . „ 322342: 3: 8: . . . . . . . . . „ 73261: 5:—: Blijkt, dat er in het jongste boekjaar meer„ „der gewonnen is. - - - - . ƒ 49697:1:8: acordeerd ƒ 49697:16: 8: Dat aantienlijk genoemd. — dog hadt egter nog beter 1: d„ kunnen slaagen, om reede„ aen ter zijden gemeld. de vornendends mit noet Dat men waarlijk wel een aanzienlijke Winst vermeerdering noemen mag, wanneer men agt geeft op den presenten tijd. Dan vrij aanzienlijker zouden appa„ „rentelijk onze winsten geweest zijn, zoo wij Sadraspatnam, Jaggernaikpoeram en Bimilipatnam van wat meerder Nooten en Foeli hadden kunnen voor„ „zien, want dat, den vertier, zoowel van de nagelen als het Japans staaf„ „kooper merkelijk zou hebben doen rijzen. Hoewel boven dien den af„ „trek in het laaste, vooral omtrent Jaggernaik poeram, zeer gestremt wordt, door den aanvoer van Zweeds plaatkoper, dat schoon het niet zoo goed 1: 4 6: 14 61 :„ en zou hiertoe ok veel gehol¬ „pen hebben den vertier der zuiker en kamfer met de Triton en Hoorn aangebragt. men vertrouwd dat de Heeren eester met de avancen genoe„ „gen zullen neemen. — goed als het Japansch Staafkoper is, door den inlander egter tot het slaan van dabboesen gebruijkt wordt, het geen veel nadeel toebrengt aan onzen handel in het zelven op Jaggernaikpoeram alles en Bimilipatnam: En hiertoe zou ook niet wijnig geholpen hebben, zoo wij de zuijker en de kam„ „fer met de scheepen de Triton en Hoorn van Batavia aangebragt, voor een Convenable prijs hadden kun„ „nen van de hand zetten. Dan hiertoe voor als nog geen voordee¬ „lig uijtzigt zijnde, vertrouwen wij, dat uwe Hoog Edele Hoog agtb: met de
English
and promise to apply all efforts toward the continuation of the present trade. The state of the arrears described. completed. will be pleased to take satisfaction with the advances achieved. While we, for our part, assure Your Right Honourable Worships that we shall apply everything possible to make the trade succeed well in this year as well. Regarding the Arrears of the Merchants on this coast, there being at present nothing else to communicate except that the Palicol merchants have reduced their debit by f 1412:14:8, we take the liberty, according to annual custom, to offer hereby to Your Right Honourable Worships a General Summary of their arrears as of the last day of August 1780. Showing how much they still amounted to as of the last day of August 1780. and for how much the indebted offices participate therein. concluded as of the last day of August 1780, whereby it is clearly demonstrated that, since the Palicol merchants have reduced their debit by f 1412:14:8, the general arrears of the merchants on this coast, which as of the last day of August 1779 amounted to f 71340:7:—:— under the last day of August 1780 only amounted to f 69928:2:8:— In which they participate: Porto Novo with f 50946:6:—:— Palicol with f 5985:10:—:— and Jaggernaikpoeram with f 12996:6:8:— Which for the whole, as said, amounts again to f 69928:2:8:— Hope for the settlement of the Palicol and Jaggernaikpoeram debts. but not for those of Porto Novo. Which, as far as Palicol and Jaggernaikpoeram are concerned, will indeed be liquidated within a few years, considering that for the settlement of the Jaggernaikpoeram Arrears there is only lacking the crediting, expected from Batavia, of the freight charges of the linens sent by the merchants on recognizance; which we expect shortly. But regarding Porto Novo, we fear that those debts will have to be written off as hopeless; because those merchants, Showing the cash on hand on this coast. merchants, the greatest part of whom were people of small means, have been totally ruined by the recent plundering of that place. And passing on from this article, whose slight reduction we hope will nevertheless have been somewhat pleasing to Your Right Honourable Worships, we have, in relation to the cash, according to annual custom, the honour to report that thereof, according to the latest received Reports, both here and at our subordinate factories, Conclusion of the ordinary report. we have been provided as follows: At Nagapatnam under the last day of December in Pagodas, gold and silver specie: ps 150600:14:— Sadraspatnam under the last day of July: 1540:1:60 Palliacatta under the last day of July: 1672:18:— Palicol under the last day of August: 4440:18:20 Jaggernaikpoeram under the last day of July: 22642:—:— Bimilipatnam under June and July: 11479:14:— Amounting together to Pagodas 192375:18:— And herewith concluding our ordinary report, we hope that Your Right Honourable Worships will generally be pleased to take satisfaction in our proceedings. Although we are annually accustomed to offer to Your Reasons why the pay-office books cannot go over. what will be done in that regard to be able to send them over in October. Right Honourable Worships on this occasion the Pay-office books of this Office, we must nevertheless request not to take it amiss that this is not done at present; for the reason that our Pay-bookkeeper, due to the misplacement during transit hither of some Pay papers of Bimilipatnam and Jaggernaikpoeram, has thus far not been in a position to proceed with the closing of the aforementioned Books. Yet, since we shall write about this shortly to the said Factories, we trust that Offering of three drafts for funds accepted into the treasury. they can be dispatched without fail in the coming month of October. Pursuant to the authorization obtained from Your Right Honourable Worships by Extract of the letter from Batavia of 25 September 1778, to draw annually three to four tons of gold on Your Honours; we have accepted some money into the Treasury here, and granted therefor three drafts of which the originals are transmitted herewith on the General Dutch East India Company, to be paid after the completion of the spring sale of the year 1782: which we request may be honoured by payment, Showing to whom they have been granted. namely: One draft to Mistress Carolina Susanna Simons, widow of Cantervisscher, upper-merchant, amounting to f 10510:12:8, to be paid to Messrs. David and Abraham Valentijn, merchants in Amsterdam. One draft to Mistress Anna Chatarina Discolij, widow of Duijnevelt, amounting to f 2782:1:8, to be paid to the Reverend Mattheus Gargon Muratel, Minister of the Lordship of Burg and associates. And a draft to the same as above, amounting to f 8300:6:8, to be paid to Messrs. David and Abraham Valentijn, merchants in Amsterdam. Subsequently:
Dutch transcription
en belofde tot voorzetting van den presenten handel alle an tewenden. den staat der agterstallen beschreeven. afgelegd. de behaalde avancen genoegen zullen gelie„ „ven te neemen. Terwijl wij van onze zijds uwe Hoog Edele Hoog agtb: verzeekeren: dat wij alles zullen aanwenden wat maar mogelijk is, om den handel ook in dit jaar wel te doen slaagen. Omtrent de Agterstallen der Koop„ „lieden ter deeser kuste, tans niets anders te bedeelen vallende, als dat de Palicolsche omsdaarpte Palicolis Handelaaren hunnen debet met ƒ1412:14:8: verminderd hebben, neemen wij de vrijheijd, na jaarlijksche gewoonte uwe Hoog Edele Hoog agtbaare neevens deesen aantebieden een Generaale Samentrekking van derzelver agterstallen onder ult=o aug=s 1780. aantoonig hie veel die nog bedraagen hebben onder Ultim aug„s 178. en voor hoe wel vr de agterstallige Comptoiren dispartitipeeren. 1780: afgeslooten, waarbij duijdelijk gedemon„ Pali „streerd wordt, dat wijl de Palicolsche kooplieden hunnen debet met ƒ 1412: 4:8: verminderd hebben, de gene„ „raale agterstallen van de kooplieden ter deeser kuste, welke onder Ult=o aug=s 179 groot geweest zijn - - - - - - - - - - - - . „ 71340: 7: —: — onder Ult=o aug=s 1730 nog maar be„ Waarin komen te participeeren. Het geen voor het geheel, gelijk ge„ „zegd, weederom uijtmaakt. . . . ƒ 69928: 2: 8:— „draagen hebben - - - - - - - - - „ 69928: 2: 8: — Jaggernaikp„n „. . . . . . . . . . . . . . „ 12996: 6: 8: Portonovo met . - - - - - - - - - - - ƒ50946: 6:—:— Palicol „. . . . . . . . . . „ 5985: 10: —: en — Die 84 hoope tot het vervenen der Palicolsche en Jaggernaikpoeram„ nsie schulden. maar niet tot die van Vatonen. Die voor zoo ver het Palicol en Jaggernaik poeram aangaat, wel bin„ „nen wijnig jaaren zullen worden geliquideerd, gemerkt 'er tot het verevenen der Jaggernaikpoeram„ „sche Agterstallen alleen maar man„ „queerd, de van Batavia ver„ „wagt wordende ten goede brenging van de Vragtpenningen der door de kooplieden op Recognitie ver„ „ zonden lijwaaten; die wij eerstdaags te gemoet zien. Dog Portonovo betreffende, wij vreesen dat die schulden als hoope„ „loos zullen moeten worden af„ „geschreeven; uijt hoofde die Marchan„ „deurs. „ vedeen waaren aantooning van de ter deeser kuste aan handen zijnde Con„ „tanten. „deurs, waarvan het grootstenn gedeel„ ƒ „te luijden van gering vermogen waren, door de jongste plundering van die plaats totaal geruineerd geworden zijn.— En hiermeede van dit Articul afstap„ „pende, welkers geringe Vermindering wij hoopen dat aan uwe Hoog Edele Hoog agtb: nog aleenigzins aange„ „naam zal weesen te vooren geko„ „men, hebben wij, met Relatie tot de Contanten, na jaarlijksche de eer te bedeelen 4 gewoonte. dat wij daarvan, volgens de laast ontvangen Rapporten, zoo hier als op onze onderhoorige Factorijen zijn 103 bepaaling van het genoon verlag. zijn voorzien geweest, als volgd: Te Nagapatnam onder ultimo December aan Pagvoden, got¬ „de en zilvere Specien. . . . . p s 150'600: 14:— 1540: 1:60: „ Sadraspatnam onder Ult= alij=„ 1672. 18. — Palliacatta. . . . „. . . „ Julij„ 4440:18:20: Palicol. - - - . . . . . „. . . - „ aug=s„ Jaggernaik poeram „. . . . „ Julij „ 22642: —: —: Bimilipatnam - - - „ „ - - - „ Junijen Julij„ 11479: 14:—: Bedragende tezamen P a/o 192375: 18:—: En hiermeede ons gewoon verslag be„ „paalende, hoopen wij, dat uwe Hoog„ „ Edele Hoog agtb: over het algemeen genoegen zullen gelieven te neemen in onze verrigtingen. — Schoon wij jaarlijks gewoon zijn, uwe Hoog Edele che „dij boeken niet kunnen overgaan. wat daar omtrent zal worden gedaan, om ze in october te kunnen overzenden. — Redouw wa rom den zol: Hoog Edele Hoog agtb: bij deese gelegend„ „heijd aan tebieden de Zoldij-boe„ „ken van dit Comptoir, moeten wij egter 1 het ons niet kwalijk te :verzoeken neeuwen, dat het tans niet geschied; om reeden onzen Zoldij-boekhouder, door het bij den overbreng na herwaards absent raken van eenige Soldij=pa„ „pieren van Bimilipatnam en Jag„ „ gernaikpoeram, tot nog toe niet in staat is met het sluijten der voor„ aan „na gelden „schreeven Boeken voort te vaa„ „ren. Dan wijl wij hier over eerst daags schrijven zullen na de gemelde Factorijen, vertrouwen wij, dat —die: 105 „natien van in Cas geaccepteerde gelden. die in de maand october aanstaande, zon„ „der fout zullen kunnen worden afge„ „zonden. — Ingevolge de erlangde qualificatie van uwe Hoog Edele Hoog agtb: bij Extract Pa„ „trasche missive van den 25: September 1778, om jaarlijks drie â Vier Tonnen gonds op Hoogdezelven te mogen trekken; hebben wij eenig geld alhier in Casse ge„ aanbieding van drie assign „ accepteerd, en daarvoor drie assignatien /: waarvan de Origineele hiernevens over„ „gaan:/ op de Generaale Nederlandsche Oost= „indische Compagnie verleend, om na het af„ „loopen der voorjaarsche verkooping van anno 1782 voldaan te worden: welke wij verzoeken, dat door betaaling mogen worden: onder aantooning aan wie ze zijn verleend. nader vier assig worden gehonoreerd, namentlijk: Een assignatie aan Mejufrouw Carolina Susan„ „na Simons, weduwe Cantervisscher O: S:, groot ƒ10510:12:8:, om voldaan te worden aan de Heeren David en Abraham Valentijn, koop„ „lieden te Amsterdam. commun al ver Een Assignatie aan Mejuffrouw Anna Chata„ „rina Discolij, weduwe Duijnevelt, groot ƒ2782: 1: 8:, om betaald te worden aan den Eerw: Heer Mattheus Gargon Muratel, Predicant der Heerlijkheijd Burg C: s. En een Assignatie aan als even groot ƒ 8300: 6: 8:, om betaald te worden aan de Heeren David en Abraham Valentijn koop„ „lieden te Amsterdam. goed hebb Vervolgens:/
English
Further offer of four more drafts, on account of bonus monies due. Communication to whom they have already been granted. Subsequently, we have furthermore, in accordance with the favorable concession of Your High Noble High Mightinesses, granted four drafts upon the same for bonus monies due, namely: One to the Chief Administrator here, Philipus Jacobus Dormieur, in the amount of ƒ5874:15:, to be paid to the Right Noble Gentlemen Pieter and Meijnard Mossel, former Aldermen of Enkhuizen, et al. One to the merchant Blaaukamer, in the amount of ƒ 1153: 8: 8:, to be paid to the Right Noble Worshipful Gentleman Jean Salomon Laile, Burgomaster at Haarlem, et al. One. [illegible] Request for payment One to the merchant Tadama, in the amount of ƒ 410: 10:8:, to be paid to the Gentleman Godlieb Silo, merchant on the Heeregragt at Amsterdam, et al. And one to the junior merchant Mr. Jacob Pieter de Neijs, in the amount of ƒ3284:2: 8:, to be paid to the Right Noble Rigorous Gentleman Mr. Arnoldus Adrianus van Tets, Alderman and Council in the Town Council at Dordrecht, et al. Which we likewise request you kindly to pay. While, wishing Heaven's precious blessing upon Your High Noble High Mightinesses' illustrious persons and the Company's important interests, we take the liberty to call ourselves with all respect and high esteem, Illustrious High Born Prince and Lord, and High Noble High Worshipful Gentlemen, Your Illustrious High Born and Your High Noble High Worshipfuls' most humble and most bounden-duty servants, Nagapatnam, In the Castle, the 27th of January 1781. A: Vlissingen Hossel J: E: a Selmaar P: V: Halm M. Stoffenberg D: bloeme Johr: Accama Extract from a letter written on board the flagship The Superbe, lying at anchor between the roads of Nagapatnam and Baoer, by Sir Edward Hughes, Vice Admiral of the Blue Squadron, to the Governor of Nagapatnam, dated 10 October 1781. I have at present sixty-six prisoners of war of your Honor's nation in my power. They were taken near Cape of Good Hope, on board the ship the Held Woltemade destined for Ceylon, by the ship the Active belonging to my fleet. Among the prisoners of war are the chief of Putelang, the gentleman Bodenschats, and the young lady Lady Anna Boers, sister of my friend the gentleman Boers, Fiscal at the Cape. To this lady I have left it to her choice whether to land at Tranquebar, and so further on to your Honor's government, or to go to Madras until a safe opportunity arises to send her to Ceylon. She has chosen to go to Madras, and I have recommended her, not only to all the ladies, my friends, but also to live in the family of one of my friends, being the gentleman Davidson. The other prisoners of war, except the supercargo the gentleman Hoogenwaard, are all seamen and soldiers. I would willingly, if an opportunity presented itself, exchange them man for man. Agrees, M: Stoffenbergh, Secretary Nagapatnam. To the Right Noble Rigorous Gentleman Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast, alongside the Council there. Because it is very uncertain whether our letter of 18 July did or did not arrive safely, we insert its contents verbatim herein, by way of duplicate; it read thus: To the Right Noble Rigorous Gentleman Reinier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast, alongside the Council. Right Noble Rigorous Gentleman and Gentlemen. We cannot express ourselves in any detailed circumstances because it is almost impossible for any letter to get through. We therefore note with the utmost sorrow that on the 14th of this month we were forced to surrender the fort and all possessions and effects to the English, as we were in no state, without leaving everything to pillage and plundering Right Noble Rigorous Gentleman and Gentlemen Copy, Secret August Captain Lysaght departed for Mazulipatnam, and since then a lieutenant or ensign named Wheeler has commanded here, having a company of Sepoys under him. There is not a single English civil officer here. The cannon here are still as they were, and in general, a few pieces excepted, are declared unfit by the English. On the 25th the Chief received two packets, being original and duplicate from Bengal, addressed to him under the 15th of May by the gentleman Ross, under the idea that he was still at Madras. The originals were opened, but the duplicate was not. In each envelope was a Company letter to Your Honor Rigorous and the Council, and a private one for the Right Noble Rigorous Worshipful Gentleman Falck. We can at present no more forward the same than a quantity of sealed packets of this office, which we must still retain. It is likely that these packets were sent back from Madras. A letter in these times being exposed to too many dangers, we must conduct ourselves modestly regarding the circumstances of everything, until a complete account which we shall offer to Your Honor Rigorous in more favorable times. We have the honor to be with deep respect, Below stood: Right Noble Rigorous Gentleman and Gentlemen, Your Right Noble Rigorous' humble and obedient servants, Was signed: W:m Blaaukamer and G: F: J: de Ravallet. In the margin: Jaggernaikpoeram, the 2nd of September 1781. Agrees, M. Stoffenberg, Secretary
Dutch transcription
107 nadere aanbieding van nog vier assignatien, wegens te goed hebbende douceur gelden. communicatie aan wie ze al verleend zijn. Vervolgens hebben wij nog, Conform de gunstige Concessie van uwe Hoog Edele Hoog agtb:, vier Assignatien op Hoog dezelven verleend voor te goed hebbende Douceur pen„ „ningen, als Een aan den Hoofd-administrateur al„ Philipus Jacobus Dormi„ „hier „eur, groot ƒ5874:15:, om te wor„ „den voldaan aan de Wel Edele Heeren Pieter en Meijnard Mossel, oud Scheepenen van Enk„ „ huijzen C: S: Een aan den koopman Blaaukamer, groot ƒ 1153: 8: 8:, om te worden voldaan aan den WelEdelen Agtbaaren Heer Jean Salomon Laile, Burgemeester te Harlem C: S: Een. Lsan„ Chata„ 82: /:/ versoek ondie voldoening Een aan den koopman Tadama, groot ƒ 410: 10:8:, om te worden betaald aan de Heer Godlieb Silo, Koopman op de Heere gragt te Amsterdam C:S: En een aan den onderkoopman Mr. Jacob Pieter de Neijs, groot ƒ3284:2: 8:, om te worden voldaan aan den Wel Edelen Gestr: Heer Mr. Arnoldus Adrianus van Iets, Scheepen en Raad in de Vroedschap te Dordregt C: S: die wij almeede verzoeken goedgunstig„ „lijk te voldoen. Terwijl wij onder toewensching van 'S Hemels Dierbaaren Zeegen over uwe Hoog Edele Hoogagtb: Jllustre perzoonen en 's Comp=s importante belangens, de vrijheijd neemen, ons met alle 27=' 199 alle eerbied en hoogagting te noemen Doorlugtige Hoog Gebooren Vorst en Heere, En Hoog Edele Hoog Agtbaare Heeren Uw Doorlugtig Hooggebooren en Nagapatnam uw Hoog Edele Hoog Agtbaare onder„ In 't Casteel den „danigste en Trouwschuldigste Dienaaren 27=e Januarij 1781. A: Vlissingen Hossel J„: E : a Selmaar P: V: Halm s M. Stoffenberg. _ m Ak D„ bloeme. Ar Johr: Accama. p g„ van met F 444 Extract uijt een brief geschree„ ven aan boord van het admi„ D' Superbe raals schip g'ankerd leggende tusschen de rheede van Nagapatnam en van Baoer, door S=r Edward Hughes vice ad„ miraal van de blauwe vlag, aan de gouverneur van Na„ gapatnam, gedateerd den 10. ' October 1781. Ik heb tegenswoordig ses en sestig krijgs„ 18 gevangene van uwel Edele natie in mijn magt; Te zijn genomen bij Cabo de goede Hoop, aan boord van het schip de Aeld woltemade gedestineerd na Ceijlon, door het schip de Ac„ tive gehoorende tot mijn vloot; onder de krijgs gevangene is het opperhoofd van Pute„ lang de heer Bodenschats, en de Ionge Juffrouw Juffrouw Anna Boers, suster van mijn vriend de heer Boers fiscaal aan de Caep. Aan dese dame heb ik 't in haar keuse gelaaten het zij op Tranquebaar te landen, en zoo verders na uwel Edele gouvernement, dan wel na Madras te gaan, tot dat zig een se„ cuure gelegendheijd op doet om haar na Ceij„ Sij heeft verkoosen na lon te zenden Madras te gaan, en ik heb haar gerecom„ mandeert, niet alleen aan alle de dames mijne vrindinnen, maar ook om in de fami„ lie van een mijner vrienden te leeven, zijnde De andere krijgs„ de heer davidzon . gevangene, excepto de supercarga de heer Hoogenwaard, zijn alle Zeeluijden, en Ik zoude gewillig) als 'er zig Soldaaten . presenteerde, deselve willen een gelegendheijd verruijlen man voor man Accordeert Mr. Stoffenbergh sec: is _ 143 Nagapatnam. Aan den WelEdelen Gestrengen Heer Reijnier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer Custe, Nevens den Raad, aldaar Dewijl het zeer onzeker is, of ons briefje van den 18:e Iulij al of niet is te regt geraakt. zo inse„ „reeren wij dies inhoud woordelijk hier in, bij wijze van duplicaat: het luijde dus. Aan den Wel Edelen Gestrengen, Heer Reinier van Vlissingen, Gouverneur en Directeur deezer custe, Nevens Den Raad. Wel Edele Gestrenge Heer en Heeren. wij kunnen ons in gene omstandigheeden uijt laaten om dat het bij na onmogelijk is, dat eenige brief kan passeeren. wij noteeren dus met het uijterste leetweesen, dat wij op den 14:e deezer genoodsaakt zijn geweest, om het fort en alle besittin„ „gen en effecten aan de Engelschen over te leeveren, alzoo wij in geen staat waren om het, zonder alles aan Roof en WelEdele Gestrenge Heer en Heeren Copia, Secreet plun aug:s is Capitain Lijsugt na Mazulipatnam ver„ „trocken, en zederd Commandeerd hier een Luijtenant of vaandrig genaamd Whuler, hebbende een Com„ pagnie Cipaijs onder hem. Hier is geen een engelse bediende van de Politie. Het Canon is hier nog al„ en word en 't generaal, eenige wijnige stukken uijtge„ „zonderd, door de Engelschen onbekwaam verklaard. Den 25: ontfing het opperhoofd 2: pakketten x zijnde Origineel en Duplicaat uijt Bengale door den Heer Ros aan hem onder den 15: maij gead„ dresseerd, in het denkbeeld, dat hij nog te Ma„ „dras was. De origineelen waren geopend, maar de Duplicaat niet. In elke envelope was een s Comp:s brief aan UwelEdele Gestrengen en den Raad, en een particuliere voor den WelEd: Gr: Agtb: Heer Falck. wij kunnen dezelve thans even min over„ zenden als een quantiteijt van afgeslote pacquetten van dit Comptoir, die wij nog moeten aanhouden Denkelijk zijn deeze packetten van Madras te Eng 18 7 rug gezonden. Een brief in deeze tijden, aan te veel gevaren. bloot staande moeten wij ons omtrend de om„ standigheeden van alles nedrig gedragen, aan een volkomen relaas, dat wij uwelEd: Gestr: bij gunstiger tijden zullen aanbieden. wij hebben de eere met diep ontzag te zijn. /:onderstond:/ Wel Edele Gestrenge Heer en Heeren uw wel Edele Gestr: onderdanige en Gehoorzaame Dienaaren /:was get:/ W:m Blaaukamer en G: f: J: de Ravallet /:in margine:/ Iaggernaik poe„ „ram den 2:' September 1781. Accofdeerdt. M. Stoffenberg _o Secrs ver„ nant uijt Raad, Heer en te