VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10018

Ceylon · 302 pages · 131 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10018_0265 view scan ↗

English

Examined manner some gratitude is shown for. I shall make further inquiries into this in order to comply as well as possible with the desire of the Right Honourable Masters and Your Right Excellencies' esteemed orders. Furthermore, if one cannot accurately determine what is customary among private individuals in this matter, I do not see that it would contain any unfairness if the Company were to fix the freight at five per cent. Since in the Kandyan letter this time the matter of the beaches has been dealt with somewhat more diffusely than in the letters of the two or three earlier years, I have further indicated in the reply that no change can be made to the treaty. And seeing that this matter was further not brought up at all during the latest embassy to Kandia, and permission has been granted for cinnamon peeling, I think that the objective to talk the Court out of this matter has for the greatest part been achieved. I commend Your Excellencies and the interests of the Company to God's gracious protection and declare with deep respect and true loyalty to be, below stood: Right Honourable, Valiant, Most Worshipful, Wide-commanding Lord, and Right Honourable Valiant Lords, Your Excellencies' most obedient and humble servant, signed: W. J. van de Graaff; in the margin: Kolombo, the 24th of April 1789. Agrees I, H. Dr. Sterk No. 108. W. van de Graaff Examined H. Pr. Sterk No. 108. Apart Examined To His Excellency The Right Honourable, Valiant, Most Worshipful, Wide-commanding Lord, Mr Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the state of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Right Honourable Valiant Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Valiant, Most Worshipful, Wide-commanding Lord, Right Honourable Valiant Lords, A detailed report of what occurred at Trinkonemale concerning the French Company ship the Comte d'Artois is made in the secret letter from me and the Council, which departs together with this one. Perhaps the servants had not done badly if, instead of firing the warning from the cannon upon the entrance of the aforesaid ship in the manner in which it occurred, they had still for that time only notified Mr de Captain Riveul that this ship, having entered without permission, had immediately to be made to sail to the Northern Bay, with the addition that if this happens again, one would in the future be obliged to prevent it by force. This certainly would have caused less of a stir. Meanwhile, strictly speaking, I cannot see that any wrongdoing occurred in this respect, since the servants in any case could not know what kind of ship it was, because this ship did not display the appointed signals and only flew from the stern a white flag, which another ship could also have flown. For this reason, and especially since it is not only a done deed, but having now taken this step we shall also have to stand by it, I thought it best not to present the aforesaid observation to the servants, so as not to give occasion for acting differently in similar circumstances in the future, and thereby furnish the French in due time with a reason to complain that they were treated with more rigour than others. With no plausible reason can one suspect that the French Government at Pondicherij would wish or be able to give any other consequence to this incident than solely to leave the judgement and decision thereof to the mutual High Sovereigns. Nor is it at all in the presumption that this could be possible in any respect that I deemed it necessary to send to Trinkonemale the reinforcement of which a report is made in the aforesaid secret letter. I have done so solely for the sake of prudence, and in case the continuation of peace in Europe might at times be disturbed. I suspect that in the large bay before Oostenburg a suitable anchorage can be found for foreign ships to lie there during the northern monsoon. If this turns out to be so, one could once and for all make a decision Examined H. P. Sterk No. 108.

Dutch transcription

Nagezien wijze eenige erkentelijkheid voor word gedaan Jk zal mij daar na nader erkondigen ten einde aan de begeerte van de welEdele Hoog Agtb: Heeren Meesteren en uwe Hoogedelheden ge eerde ordre zoo goed mogelijk te voldoen, dan zoo men ook niet naaukeurig kan bestemmen wat in dezen doorgaans onder de Partikulie ken de gewoonte is, zie ik niet dat het eenige onbillijkhijd zoude insluijten, indien de komp: daar op stelde de vagt van vijf Wijl bij den kandiasen brief ditmaal het stuk van de stranden wat meer breed- spraakig is behandeld, dan bij de brieven van de twee of drie vroegere Jaaren, heb ik bij het antwoord naader aangeweezen, dat in het traktael geen verandering koo- men kan, en gemerkt dit stuk bij de Jongste Ambassade na Kandia voorts ge= heel niet is ter spraake gebragt, en in het kaneel schillen is bewilligt, denk ik heeft dat het oogwerk om het Hof dit stuk uit het Hoofd te praaten voor het groote. die gedeelte is berijkt. ten hondert. Jk beveele uwe Hoog Edelheden en de belangens van de komp: in Gods genaadige bescherming en be- tuige met diese eerbied en waare trouwe te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Gestr: Grootachtb: wijdgebie= dende Heer, en welEdele Gestrenge Heeren. uw Hoog Edelheedens zeer gehoorzaame en ootmoedige dienaer /:wat getek:/ W: J: van de Graaff /:in margine:/ ko- lombo den 24. April 1789. Akkerdeert Jk H: Dr Sterk N=o 108. Mvandr Grakk Nagezien H: Pr Sterk N=o 108. Apart Nagezien Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestr: Groot agtbaeren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting, weegens den staet der vereenigde Nederlanden, en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost Jndische kompenie Gouverneur Generaal. ende De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndien Hoog Edele Gestrenge Groot achtb: wijdgebiedende Heer Wel Edele Gestrenge Heeren Van het voorgevallene te Jrink onrmale betrek„ kelijk tot het fransch komp:s schip de Graaf van Artois, word omstandig verslag gedaan bij den sekreeten brief van mij en den Raad, die met deze tegelijk afgaet. Moogelijk hadden de bediendens niet kwalijk ge= daan, zoo ze in steede van bij het inkoomen van het voorsz: schip te doen de waarschouwing uit„ H: Dr: Sterk N=o 108. 2. Batavia het kanon, op die wijze als dat is geschied nog voor datmael den Heer de C:t Riveul alleen hadden doen aankundigen, dat wij dit schip zon= der verlof binnen gekoomen, ten eersten moest doen verzijlen na de Noorder baaij, met bij voeging dat zoo dit meer gebeurd men in den aanstaande zoude genoodzaekt zijn zulks fijle- lijk te beletten. Dit zoude zeekerlijk minder opzien gegeeven hebben, intusschen kan ik, strikl, gesprooken, niet zien, dat hier in in eenig opzigt zoude zijn misdaan, wijl de bedienden in allen ge- val kunnen ignoreeren wat het voor een schip wat, door dien dit schip niet hadde de beraam„ de teekenen, en alleen van agteren liet waaij- en een witte vlag, die ook een ander schip konde hebben doen waaijen. Hier om en inzonderhijd wijl het niet alleen een gedaane zaak is, maat dat we ook nu dee= ze stap is gedaen, daar bij zullen moeten blij„ ven, heb ik best gedagt voorsz: aanmerking de bediendens niet voor te houden om daar door geen aanlijding te geeven, van inzoortge lijke geleegentheeden in den aanstaende anders te handelen, en daar door de fransen te fourace ken in der tijd een motiev om zig te beklaegen, dat 'er teegens hen met meer rigeur dan tee- gens anderen gehandeld is. Met geen draagelijke reeden kan men eenig vermoe- den hebben dat het fransch Gouvernement te Pondicherij aan dit voorval eenig ander gevolg zoude willen of vermoogen te geeven, dan alleen om de beoordeeling en beslissing. daar van over- telaaten aan de weeder zijdsche Hooge Gouverai- nen. Ook is het in het geheel niet in de ver- onderstelling dat dit in eenig opzigt zoude kunnen moogelijk zijn dat ik het noodig geagt heb om na Jrinkonomale te zenden de versterking waar van bij de voorsz: se= kreete brief is verslag gedaan. Ik heb het alleen gedaan voorzigtighijds halven, en of de voorlduuring der rust in Europa zomtijds konde worden gestoort. Jk vermoede dat men in de groote baaij voor oostenburg een bequaam anker plaats zal kunnen vinden voor vreemde scheepen om daer te leggen geduurende de noorder mousson. zoo dit zoo uitkomt zoude men eens voor al een besluit Nagezien H: P: Sterk N=o 108.

NL-HaNA_1.04.02_10018_0269 view scan ↗

English

Revised can take a decision no longer to admit foreign vessels into the inner bay except solely on the grounds of distress at sea or other weighty considerations, and provided that they submit to being brought to anchor by our pilots under the cannon of Oostenburg, in order that they are in any case under our control. The decision of Trinkonomale, when a ship does not heed our warning and nevertheless sails through to the inner bay, then to prevent all communication between the shore and the crew of such a ship, I thought could provisionally be approved. We presently have news from Trinkonomale in six or seven days; I therefore thought it best, as long as no alarming news arrives from Europe, to let the matter rest there for the present. At the slightest suspicion of a rupture, it goes without saying that other measures must be taken. We are beyond all dispute entitled in the fullest manner to proceed to the uttermost with all the force that Fort Oostenburg is capable of against those who wish to sail into the inner bay without permission. Subject to correction, I am also very humbly of the opinion that we ought to do so; nevertheless, it will serve as a great reassurance to me to see myself strengthened in this matter by the definite orders of Your High Excellencies. Trinkonomale, strongly garrisoned as it presently is, may with reason be viewed from a different perspective than formerly. I therefore think that no one can find it strange or consider themselves in any way offended that, in accordance with the importance of the place, we take such measures as are necessary for its greater security, even though they might not in all respects correspond with former customs. I commend Your High Excellencies to God's gracious protection and declare with all respect and true loyalty to be, below stood, High Noble, Severe, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Noble Severe Lords, Your High Excellencies' very obedient and humble servant, was signed, W: J: van de Graaff, in the margin, Kolombo, 10 May 1789, lower, P: S: Here enclosed goes a copy of a declaration granted by the Ensign Deibert concerning what occurred with a lieutenant of the Regiment de Meuron named Mathij. At the very least his discharge from the regiment will have to be given to him. If Your High Excellencies should nevertheless perhaps judge that this matter must be considered to be malversation, of which mention is made in the capitulation, the same shall remain unsettled until I shall have received Your High Excellencies' pleasure on this. The aforementioned officer, having been interrogated on this and several other declarations agreeing therewith, has denied what appears therein to his charge, but that the matter really is as stated in the declaration cannot be called into doubt. Agrees H: Dr: Sterk No 108. Separate Revised To His High Excellency The High Noble, Severe, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, The Noble Severe Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Severe, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord Noble Severe Lords! I have had the honor to receive the separate letter with which I was favored by Your High Excellencies on 17 April last. With the Court of Kandia, matters, as we see them, continue to go well. I hope thereby to be able to fulfill the 4 to 500 bales of cinnamon requested by Your High Excellencies, and I shall take care that this occurs in the upcoming spring as early as it can possibly take place. Regarding the movements of the French at Pondicherij, of which a report is made in the secret letter departing simultaneously with this from me and the Council, it is difficult to guess what designs are hidden beneath them. They are still closely allied with Tipu Sultan, who, as I hear, gives much cause through his preparations to believe that he is about to resume in the upcoming favorable monsoon his hostile designs against the Company, of which he has now given the clearest evidence through the demanding of Cranganore. This cannot well happen without his having to deal with the Travancore and consequently also with the English, and according to the highest presumption he will not come to such steps without knowing what he can count on with regard to the French. If Tipu Sultan is thus really going to make movements to resume his initiated hostilities against us, it will, as I think the matters must be viewed, be one more reason to mistrust the designs of the French. If they should really have hostile intentions, it does not seem impossible to me that they will begin them with an attack on Ceylon in order, upon the entry into the war, if possible to make themselves masters of Trinkonomale, which would give them very great advantages in India. If the French should really have the intention to come to a rupture, it is not beyond suspicion that they will first seek to carry out their designs with the beginning of the bad monsoon on Coromandel, since navigation from Madras to Pondicherij is then very difficult, and it would be almost impossible for the English to bring up everything necessary for a siege overland. Trinkonomale currently has a garrison of more or less 1700 men, among whom are fully 700 Europeans. The ravelin and the covered way for Trinkonomale can, according to the latest reports I have from there, be completed in more or less a month. The Pagoda Hill has, as much as it could

Dutch transcription

Nagezien besluit kunnen neemen, om geene vreemde scheepen meer in de binnen baaij te admittee„ ren dan alleen uit hoofde van zee nood of an- dere gewigtige konsideratien, en mids dat ze zig onderwerpen om zig door ons lootsen te laaten ten anker brengen onder het kanoor van oostenburg; ten eijnde ze in allen geval zijn onder ons bedwang Het besluit van Trinkonomale om wanneer een schif zig aan onze waarschouwing niet stoort en mids dien des niet te min na de binnen baaij doorzijll, als dan alle gemeenschap te beletten tusschen de wal en de landaard van zulk een schip, heb ik gemeend dat voor eerst konde worden goedgekeurd. In ses of zeven daagen hebben we tans tijding van Trinkonvinale, ik heb daarom best gedagt om zoo lang 'er geen ontrustende tijdingen uit Europa inkoo men, het daar bij voor eerst te laaten besusten. Bij het minst vermoeden tot een repluur spreekt het van zelve, dat er andere maat- tegelen moeten worden gemaekt. We zijn buijten alle teegenspraak op de volkoo= menste wijze geregtigt om teegens die geene die zonder verlof in de binnen baaij willen inzij len tot het uiterste toe te procedeeren met al het geweld waar toe het fort oostenburg in staat is. Ook ben ik onder verbeetering zeer needrig van gevoelen, dat we dat behooren te doen, niet te min zal het mij tot groote gerust hijd strekken, mij op dit stuk met uwer Hoog Edeheeden stellige beveelen te zien gesterkt. Trinkonomale sterk bozet gelijk het tans is; mag men met reeden uit een ander gezigt punt beschouwen dan eertijds. Jk denke daarom dat niemand het kan vreemd vinden of zig in eenig opzigt kan gebelgt agten, dat we overeenkom- stig met het gewigt der plaats, zulke maet„ regelen neemen als tot meerdere zeekerhijd daar van noodig is, schoon ze ook niet in allen opzigten mogten overeenstemmen met de woe- gere gebruiken. Jk beveele uw Hoogedelheden in Gods genaedige bescherming en betuige met alle eerbied en waere trouwe te zijn. /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot agtb: wijdgebiedende Heer en wel Edele Gestr: Heeren! uw Hoog Edelhedens zeer gehoorzaame en oobeure dige dienaar /:was getekend:/ W: J: van de Graaff, /: in zonder margue H: D=r Sterk N=o 108. Nagezien margine:/ kolombo den 10. Meij 1789. /: lae- ger:/ P: S: Hier ingeslooten gaat een kopij ver- klaaring verleend door de vaandrig Deibert, betreffende het voorgevallene met een luitenant van het regiment van Meuroor genaemt Ma- thij. voor het minst zal hem zijn demissie uit het regiment moeten worden gegeeven. Of uw Hoog Edelheden nogtans zomtijds mogten oordeelen dat deeze zaak moet gereekent wor- den te zijn malversatie, waar van bij de kapitulatie gesprooken word zal dezelve on= afgedaen blijven tot dat ik hier op uwer Hoog Edelheden goedvinden zal hebben ontfangen. De voorsz: officier op deeze en meer andere verklaaringen daar meede overeenstemmende verhoord zijnde heeft het geen daar in tot zijne laste voorkomt ontkend, dog dat de zaak wer kelijk zoo is als bij de verklaaring staat kan men niet in twijffel trekken. Akkordeert H: Dr: Sterk N=o 108. Bo van de Gehalt apart Nagezien Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestr: Groot achtbaaren wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting, weegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost Jndische kompenie Gouverneur Generaal De welEdele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndien Hoog Edele Gestr: Groot achtbaere wijdgebiedende Heer wel Edele Gestrenge Heeren! Jk heb de eere gehad te ontfangen de apparte brief waar meede ik door uwe Hoog Edelheden op den 17. April J:r L: ben begunstigt. Met het Hof van kandia gaan de dingen naar wij„ inzien bij voortduuring wel. Jk hoope daar door in staet te zijn om de 4. â 500. baalen kanneel Batavia door H=t. Pr. Sterk N=o 108. ende Nagezien door uwe Hoog Edelheden gevraagt te voldoen, en ik zal zorgen dat dit in het aanstaende vroeg Jaar zoo tijdig geschied als dat geschieden kan. Noopens de beweegingen der fransen te Pondicherij waar van woord verslag gedaan bij den sekreeten brief van mij en den Raad met deezen tegelijk afgaende, is het moeijelijk te gissen wat oogmer- ken daar onder verborgen zijn. ze zijn, nog altijd nauw verbonden met sipoe sullan, die naar ik hoor door zijne toerustingen veel oor= zaek geeft om te gelooven, dat wij zijne vijln- delijke oogmerken, tegens de komp: waar van Wij door het ofeisschen van krangenoor nu de duwelijkste blijken gegeeven heeft, in de aanstaen„ de goede mousson staet te hervatten Dit kan niet wel geschieden zonder dat Hij met de Crevankoor en bij gevolg ook met de Engel sen te doen krijgt, en naar het Hoogste ver= moeden zal hij tot zulke stappen niet koo= men zonder te weeten waar op wij ten aanzien van de fransen Cijfferen kan. zoo dus Jipol sullan werkelijk beweegingen gaat maaken om zijne begonnene vijandelijkheeden teegens ons te horvatten, zal het naar ik de zaken denk te moeten inzien, een reeden te meer zijn om der franses oogmerken te mistrouwen. zoo ze werkelijk hostile voorneemens mogten hebben komt het mij niet onmogelijk voor, dat ze die zullen beginnen met een aanval op ceilon ten einde zig bij het ingaan van den ovrlog des mo= gelijk meester te maaken van Trinkonomale, het geen hun in Jndien zeer groote avantages gee= zoo de fransen werkelijk het voorneemen mogten hebben om tot een ruptuur te koomen, is het niet buiten vermoeden, dat ze hunne oogmerken eerst zullen zoeken ter uitvoer te brengen met het begin van de kwaade mousson op kormandel, wijl dan de vaart van Madras na Pondicherij zeer difficiel is, en het voor de Engelsen bijna niet doenelijk zijn zoude om alles wat tot een beleg noodig is over land aantebrengen. Trinkonrmale heeft tans een guarnizoen van min of meer 1700. Man, waar onder ruim 700. Euro- peesen. Het ravelijn en de bedekte weg voor Trinko nomale kunnen na de Jongste berichten die ik van daar heb, in min of meer een maand voltooijd zijn. De pagoods berg is zoo veel het heeft ven zoude. denk H=t. P=r Sterk ƒ N=o 10. 8. kunnen

NL-HaNA_1.04.02_10018_0273 view scan ↗

English

Checked could take place made inaccessible. I think therefore that Trinkonomale, as well as Oostenburg, where many improvements have also already been made, will be able to offer a reasonable resistance, but it makes me somewhat anxious that the English have no warships in the Indies. For a long time now there has been news that the brother of Lord Cornwalles, Governor-General of Bengal, would come out as commander with a ship of 74 guns and several frigates, but although a ship from England recently arrived at Madras, which had a very short voyage, one nevertheless hears nothing more about it. Meanwhile, the French in the Indies have a fairly large naval force. If, therefore, there should be warships of the State at Batavia, I take the liberty humbly to submit to Your High Excellencies' consideration whether the same ought not to sail for Ceilon at once, in the uncertainty of what the intentions of the French may be. If they cannot arrive on this side of Ceilon in time, they would have to touch at the Coromandel Coast somewhere to be windward of Trinkonomale, and also to be able to hear news there of the state of affairs. Our Eastern companies are in urgent need of some recruitment, and I hope therefore that Your High Excellencies will be able to make it possible to provide Ceilon as soon as possible with a good detachment of Eastern recruits. In particular, I urgently reiterate through this the request made to Your High Excellencies in the aforementioned secret letter, to provide me and the Council of Ceilon with as much rice as possible. I also hope that the requested Japanese copper can be sent, as it is absolutely necessary for the minting of money, in order to maintain daily expenditures. I commend Your High Excellencies and the interests of the Company to God's gracious protection and testify further with deep respect and true loyalty to be, below stood, High Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Honorable, Rigorous Sirs, Your High Excellencies' Coromandel H=k P=r Sterk N=o 108. Checked H=t Pr. Sterk most obedient and humble servant, was signed, W: J: van de Graaff, in the margin, Kolombo, 18 July 1789. Agrees Wrinde Haal N=o 108. Checked To His High Excellency, The High Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, on behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, Governor-General, and The Honorable, Rigorous Lords, Councillors of the Netherlands Indies. High Honorable, Rigorous, Highly Esteemed, Widely Ruling Lords, Honorable, Rigorous Sirs. With the ship Het Slot ter Hooge, I have had the honor to receive the secret and separate letters with which I was favored by Your High Excellencies on 5 May and 2 June. To the order given to me by Your High Excellencies regarding the dispatch of the troops mentioned therein, I shall dutifully seek Batavia separate secret H=t P=s Sterk N=o 108. Checked seek to comply as closely as possible: I will make the contingent as large as it can possibly be, and will use the ship Het Slot ter Hooge for transporting it, but I am not yet able to determine the exact number of them. This will depend very much on the conduct of the French. The Secretary of Galle, Albedijhl, whom I sent to the coast to be informed with greater certainty of what is taking place there, writes to me from Nagapatnam in a letter of the 9th of this month that on the 15th of the past month of July, the French dispatched a detachment of 450 men of the Regiment of Isle de France with a frigate from Pondicherij, as they pretend, to the French Islands, but that the English Chief at Nagapatnam, Mr. Fallofield, had told him that it appeared probable to many that the French have sent these troops to Malabar to join the army of Tipu Sultan, which is stationed at Coimbatore and Palakkad. The dispatch of the 450 men from Pondicherij assures us sufficiently that the French have no design against Trinkonomale, but the conjectures of the English Chief that these troops are destined to reinforce Tipu Sultan are not entirely incredible. For some time now, it has begun to be rumored that the French have permitted all subjects of this realm to enter into the oath and service of Tipu Sultan, and that they even intend to transfer a portion of the troops composing the garrison of Pondicherij into the service of Tipu Sultan. The rumors that Tipu Sultan is once again preparing for an expedition to Southern Malabar are confirmed from all sides, and if he indeed proceeds to carry out his hostile designs against the Company, this Government, if it be at all possible, will also have to provide some assistance of troops to Cochin. In a short time these things must become clear; in the meantime, all these uncertainties cause me not to dare take any decision as yet. H=t. Pr. Sterk N=o 108.

Dutch transcription

Nagezien kunnen geschieden ontoegankelijk gemaakt. Jk denke dus dat Trinkonomale zoo wel als oosten- burg waar aan ook reeds veele verbeeteringen gedaan zijn, een tamelijke tegenstand zal kun nen doen, dog het maekt mij wat bekommend dat de Engelsen geen oorlog scheepen in Jndien. hebben. Reeds voor lange is 'er tijding dat de broeder van Lord Cornwalles Gouverneur Gene= raal van Bengale zoude uitkoomen als kom= mandeur met een schip van 74. stukken en verschijde fregatten, dog schoon er onlangs een schip uit Engeland te Madras is aangekoo= „men, dat een zeer korte rijze gehad heeft, hoort men nogtans daar niets meer van Jntusschen hebben de fransen in Jndien een taa- melijke groote zee magt. zoo er dus oorlogscheepen van den staat mogten op Batavia zijn, neem ik de vrijmoedighijd uw Hoog Edelheden nedrig in bedenking te gee= ven, of dezelve niet ten eersten na Ceilon zou„ den behooren te verzijlen in de onzeekerheid wat oogmerken de fransen hebben. zoo ze niet tijdig genoeg kunnen aan deze kant van Ceilon zijn, zouden ze de kust van kormandel ergens moeten aandoen om bovens winds van Trinkonomale te weezen, en om daar tevens tijding te kunnen hooren van den toestand der zaaken. Onze oostersche kompenien hebben noodzaekelijk eenige rekruteering noodig, en ik hoope dus dat uw Hoog Edelheden het zullen kunnen mo= gelijk maaken, om ceilon hoe eer zoo beeter met een goede partij oostersche rekruten te voorzien. Jnz onderhijd herhaale ik door dezen met emprassement het verzoek aan uw Hoog Edelheden gedaen bij de voorsz: sekree= te brief, van mij en den Raad, van Ceilon, zoo veel mogelijk van rijst te voorzien. Het ver- zogte Japans kooper hoop ik ook dat zal kun= hen worden gezonden wijl dat volstrekt noodig is tot het slaan van geld, ten einde de dage= „lijkse uitgaven te kunnen gaende houden. Jk beveele wij uw Hoog Edelheden in de belangens van de komp: in Gods genaedige bescherming en be tuige voor het overige met diepe eerbied en waare trouwe tezijn /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot agtbaare wijdgebiedende Heer en wel Edele Gestrenge. Heeren. Uw Hoog Edelh:s kormandel H=k P=r Sterk N=o 108. e zier Nagezien H=t Pr. Sterk zeer gehoorzaame en ootmoedige dienaar /: was= geteekend:/ W: J: van de Graaff, /:in margine Kolombo den 18. Julij 1789. Akkordeert Wrinde Haal N=o 10.8. Nagezien Aan zijn Hoog Edelhijd Den Hoog Edelen Gestr: Grootachtbaaren wijdgebieden den Heer M:r Willem Arnold Alting, wegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost Jndische kompenie Gouverneur Generael ende De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndi„ Hoog Edele Gestr: Groot achtbaare wijdgebiedende Heeren Wel Edele Gestrenge Heeren. Met het schip het slot ter Hooge heb ik de eere gehad te ontfangen de sekreete en aparti brieven, waar meede ik door uw Hoog edelheden op den 5. Maij en 2. Junij ben begunstigd. Aan den last mij door uwe Hoog Edelheden gegeeven tot het zenden van de daar bij gemelde trou„ pen, zal ik zoo na mogelijk schuldpligtig Batavia apart sekreet zoeken H=t P=s Sterk N=o 10.8. Nagezien zoeken te voldoen: Jk zal het zetzel zoo groot neemen als het eenig- zint vallen kan, en zal het schip het slot ter Hroge gebruiken tot het overbrengen daar van, dog ik ben nog niet in staet om het nette ge= tal daar van te kunnen bepaalen. Dit zal veel afhangen van het gedrag der fransen. De Gaalse sekretaris van Albedijhl die ik na de kust gezonden heb om niet te meer zeeker= heid te weezen geinformeert van het geen daar omgaat, schrijft mij van Nagapatnam bij een brief van den 9. deezer, dat de fransen den 15. van de gepasseerde maand Julij een oeta. - chement van 450. Man van het Regiment van Lisle de France met een fregat van Pondi- cherij gezonden hebben, zoo ze voorgeeven na de fransche Eilanden, dog dat de Engelsche chef te Nagapatnam de Heer Fallofield hem hadde gezegd, dat het veelen waarschijnlijk voorkwaamen dat de franschen deeze troupen na de Mallabaer gezonden hebben om zig bij de Armoe van Jipoe Cultan, die koimbetoer en te Palikatcherie staat, te voogen Het verzenden der 450. Man van Pondicherij steld ons genoegzaam zeeker dat de fransen geen oogincuk teegens Trinte oninale hebben, dog de gis= singen van de Engelsen chof dat deeze trooifes gedestineerd zijn, ter versterking van Jipoe sul- tan is niet zoo geheel ongeloofbaar. Reeds eenigen tijd heeft men beginnen te versprijden dat de fransen hebben toegestaan aan alle onder daanen van dit Rijk om in eed en dienst van sipoe sultan te moogen treeden, en dat ze zelfs het voorneemen zoude hebben om een gedeel- te der troupes die het guarnizoen van Pondi- cherij uitmaaken, in den dienst van Jipoe sultan te doen overgaan De geruchten dat Jipoe-sultan zig op nieuw ge- heed maakt tot een togt na Zuider Malla- baar worden van alle kanten bevestigd, en zoo Hij zijne vijandelijke oogmerken teegens de komp: met der daad gaat ter uitvoer brengen, zal dit Gouvernement zoo het eenigzints mooge lijk zij, ook aan koetsien eenige assistentie van troupen doen moeten. Jn korten tijd zullen zig die dingen moeten opklaa- ren, intusschen maaken alle deeze onzeekerhee den dat ik tot nog toe geen besluit durf steld neemen H=t. Pr. Sterk N=o 10.8.

NL-HaNA_1.04.02_10018_0277 view scan ↗

English

Examined. to allow the departure of the ship de Gouverneur Generaal de Klerk, or if it might at times be needed for this or that purpose which cannot be foreseen, which I hope Your High Noble Lordships will favorably indulge in view of the circumstances of the times. The Court of Kandy continues to conduct itself friendly towards the Company, and I think one can fully rely on its goodwill and well-disposed inclination. I commend Your High Noble Lordships to God’s gracious protection and profess with all respect and fidelity to be, Right Honorable, Highly Esteemed, Most Worshipful, Sovereign Lord and Honorable, Highly Esteemed Gentlemen! Your High Noble Lordships’ most obedient and humble servant, was signed, W. J. van de Graaff. In margin: Colombo, the 28th of August 1789. Agrees: W. van der Braak. In my separate secret letter of the 28th of August, of which I take the liberty to enclose herewith the duplicate alongside another duplicate of my humble separate letter of the 18th of July, I already had the honor to communicate to Your High Noble Lordships the reasons why I think one may be certain that the French, at least for the present, Right Honorable, Highly Esteemed, Most Worshipful, Sovereign Lord, Honorable, Highly Esteemed Gentlemen. To His High Nobility, The Right Honorable, Highly Esteemed, Most Worshipful, Sovereign Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Honorable, Highly Esteemed Gentlemen, Councillors of the Dutch Indies, Batavia. Separate Secret. Examined. No. 10. 8. have no hostile intentions against Ceylon. In their intention to evacuate Pondicherry, however, some change seems to have occurred, as Your High Noble Lordships will see from the extract enclosed herewith from a letter of the secretary of Albedijk, written from Pondicherry on the 21st of August. When we were still uncertain what the French intentions might be, I sent a sealed order to Trincomalee to be opened in case the place were attacked in a hostile manner, whereby I ordered that in such a case the authority must pass to the Head of the Militia, Lieutenant Colonel von Drieberg. These are then solely military operations, the success of which often depends on the speed with which they are executed, for which reason, and for the reasons pointed out by me in my humble separate letter of the 10th of February 1785 why I think that Trincomalee, at least in time of war, ought to be a military post, I hope that Your High Noble Lordships will favorably approve this arrangement. In all probability, the case will not arise before I have received Your High Noble Lordships’ reply and further approval on this matter. According to the latest couriers from Madras, the movements of Tipu Sultan continuously seem to aim at hostile designs against Southern Malabar. Since the ship Trincomalee is here in the meantime, I thought it best to now let the ship de Gouverneur Generaal de Klerk depart from Trincomalee as soon as the ship Het Slot ter Hooge shall have arrived there. Some time ago, Mr. van Angelbeek, Governor of Cochin, wrote to me that the King of Travancore had made a request to purchase Cranganore and Ayacotta from the Company. At both of these places, Tipu Sultan can attack the Company without having anything to do with Travancore, and from there he can march to Cochin across the island of Vypeen without setting foot on the soil of Travancore. For this reason, I have most urgently advised Mr. van Angelbeek, in the official letter of which a copy is enclosed herewith, to make use, the sooner the better, of the aforementioned favorable opportunity to rid the Company of these places.

Dutch transcription

Nagezien neemen tot het laaten vertrekken van het schip de Gouverneur Generaal de klerk, of zomtijds het zelve tot deeze of geene eindens die men niet voorzien kan, mogte noodig zijn, het geen ik hoop dat uw Hoog Edelheden uit hoofde van de omstandigheeden der tijden gunstig zullen inschikken. Het Hof van kandie gedraagd zig bij voortdun- ring wiendelijk teegens de remp:, en denk ik op de welmenentheid en welgezintheid van het zelve volkoomen staat kunnen maaken Jk bovrele uwe Hoog Edelhedens in Gods genaadige bescherming en betuige met alle eerbied en trou= we te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot agtb. wijdgebiedende Heer en wel Edele Gestrenge Heeren! uwer Hoog Edelheedens zeer gehoorzaame en ootmoedige dienaar /:was getekend.) W: J: van de Graaff /:in margine:/ Kolombo den 28. Aug:s 1789 Akkordeert W. vandel Braalk Bij mijn apparte sekreete van den 28:e Aug:s waar van ik het duplikaat nevens nog een duplikael van mijn apparte nedrige van den 18. Julij de vrijheid gebruik hier in te sluiten, heb ik reeds de eere gehad uwe Hoog Edelheden te bedeelen de reede nen waarom ik denk dat men zeeker mag zijn dat de fransen ten winsten voor het tegenswoordige Hoog Edele Gestrenge Groot agtbaare wijd gebiedende Heer wel Edele Gestrenge Heeren Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gesta Groot agtbaaren wijd gebiedenden. Heer M:r Willem Arnold Alting wegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost indische kompenie Gouverneur Generaal ende De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndien Batavia appart sekreet geene H=t. Pr. Sterk N=o 10. 8. nt Nagezien N=o 10.8. geene hostile oogmerken teegens ceilon hebben Jn hun oogmerk om Pondicherij te evacueeren schijnt nogtans eenige verandering te zijn gekoomen zoo als uw Hoog Edelheden dat zien zullen bij het hier ingeslooten extrakt uijt een brief van de se- kretaris van Albedijkl geschreeven van Pondi- Cherij den 21. aug:s Toen we nog onzeeker waaren wat der franse oog merken zijn mogte heb ik na Trinkonomale een geslooten order gezonden om te worden gevo- pend ingeval de plaats vijandelijk wierde aen„ getast, waar bij ik het bevoolen dat in zulk een geval het gezag op het Hoofd van de Mili„ tie de luitenant kolonel vonr Drieberg moet overgaan. Het zijn dan alleen Militaire ver- rigtingen, waar van het wel gelukken dik- wils afhangt van de spoed waarmeede Ie worden uitgevoerd, waarom en om de reedenen door mij aangeweezen bij mijn nedrige appar te van den 10. febr: 1785 waarom ik denke dat Trinkondinale ten minsten in tijd van oorlog een Militaire post behoord te zijn, ik hoofe dat uwe Hoog Edelheden deeze schikking gunstig zullen goedkeuren. Het geval zal nu na de hoogste waarschijnlijkheid niet exteeren voor dat ik hier op uwe Hoogedelheden antwoord en naader goetvinden kan hebben ontfangen Volgens de Jongste koeriers van Madras, schijnen de beweegingen van Tipoe sultan bij voortduuring hos- tile inzigten teegens zuider Mallabaer ten oogmerk„ te hebben. Wijl intusschen het schip Trinkonomale hier is, heb ik best gedagt om het schip de Gouver= neur Generaal de klerk nu te laaten vertrekken van Trinkenomale zoo dra het schip het slot, ter Hooge aldaar zal zijn aangekoomen. voor eenigen tijd schreef mij de Heer van Angelbeek Gouverneur van koetsiem dat de kooning van Trevan koor hadde aanzoek gedaen omn kranganoer en Aij= kotte van de komp: te koopen. Op beide deeze plaet zen, kan Jipoe sultan zonder met Trevankoet te doen te hebben de komp: aantaften; en van daar kan Hij na koetsiem marcheeren over het Eiland Baijbin zonder den boodem van Trevankoer te betreeven. Jk heb hier om den Heer van Angel- beek met veel ampressement aangeraaden bij de officieele brief die in kopij hier nevens gaat om van de voorsz: gunstige geleegentheid om de komp: van deeze plaetzen te ontdoen hoe een zoo beeter Na gebruik H=t Pr. Sterk 5

NL-HaNA_1.04.02_10018_0279 view scan ↗

English

Examined to make use of, in order thereby to prevent the Company from becoming involved in a separate war with Tipu Sultan, in which the English would not be able to assist us, and consequently also with the King of Travancore, whose assistance alone, moreover, would be of little avail against a large and well-trained army of the aforementioned Nawab. When Cranganore and Ayacotta are in the hands of Travancore, the Nawab Tipu Sultan cannot attack the Company without first beginning with Travancore, and consequently also getting involved with the English, unless he did so by sea; but this may in all probability be considered a matter entirely beyond and above his capabilities. After having previously taken the advice of the Head of the Militia on the matter, without stripping Ceylon too much, I have not dared to set the European military detachment higher than 165 men, the officers and non-commissioned officers included therein, and hope that it will not be displeasing to Your High Excellencies that, in order to make up for the lack of Europeans as much as possible, I have added a company of sepoys. Now that gold and silver money has risen to such an excessive price on Ceylon relative to copper coins, I have repeatedly turned my thoughts to how one might best act if hereafter gold and silver specie should be sent out for the Administration in a sufficient quantity to be able to make this a point of consideration. If these are issued at the usual value, then most probably only a few private individuals will profit from it, who will immediately exchange them, unless one could bring so much gold and silver specie among the public all at once that the aforesaid difference would suddenly cease. The Company could, as it seems to me, profit from this situation without anyone's real detriment, by having the gold and silver specie, when it arrives, sold in moderate lots at public auctions, to be paid in letters of credit or copper coin. March H. Pr. Sterk No. 108. the Examined coin. One could remain with this practice until the difference has fallen again to 4 to 5 percent, as it usually was in former times. The silver and gold specie are only needed here to pay for those things that are brought in from outside, insofar as the products of the country are not sufficient for that purpose. For paying for what the country itself provides, the copper money is sufficient, and by keeping that in use among the public, the letters of credit will also remain in standing. The Company can thereby continuously remain master of a very large capital, without needing to pay any interest for it. I commend Your High Excellencies to God's gracious protection and testify with all respect and loyalty to be, was signed below, Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Honorable and Gallant Lords, Your High Excellencies' very obedient and humble servant, was signed, W. J. van de Graaff, in the margin, Colombo the 16th of September 1789. W. van de Graaff Agrees H. Pr. Sterk No. 108. Examined H. Pr. Sterk No. 6. Batavia To His High Excellency The Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting Governor-General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Honorable and Gallant Lords Councillors of the Dutch Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Honorable and Gallant Lords! In the early part of this year, there came here from Kataragama, a famous temple on the south side of the island in the King's territory, a man who was said to be a Brahmin who had taken a vow not to speak for a certain specified time. He was called Sri Sankasari. He had a whole party of people who followed him. Separate No. 108.

Dutch transcription

Nagezien gebruik te maaken, ten einde daar door te voor= koomen dat de komp: niet in een afzonderlijke oorlog met Jipoe sullan worde ingewikkeld waer in de Engelsen ons niet zoude vermoogen bij testaan, en bijgevolg ook met de koning van Jrevankoek, wiens bijstand alleen, booven dien wijnig baaten zoude teegens een groote en wel. gereffende arme van meermelde Nabab. Als Kranganoer en Aijkotte in handen van Tre- van koer zijn, kan de Nabab sipoe sultan de komp: niet aantasten zonder eerst met Jac= van koet te beginnen, en bijgevolg ook met de Engelsen te doen te krijgen, ten zij wij het deede ter zee, dan dit mag men na de hoogste waer= schijnlijkheid houden voor een zaak ten eenemael buiten en booven zijn vermoogen. Jk heb het Europees Militair detachement na alvoorens daar over te hebben ingenoomen het advies van het Hoofd van de Militie, zonder ceilon al te veel te ontblooten niet hooger dur. ven neemen dan 165. Man de officiers en onder officiers, daar onder begreepen, en hoope dat het uwe Hoog Edelheden niet ongevallig zijn zal, dat ik om zoo veel mogelijk te vervullen het ontbreekende aan Europeesen, er bij gevoegd heb een komp: sipaijen. Nu dat het goud en zilver geld tot zoo een ai- matige prijs op Ceilon gesteegen is relatiev tot de koopere munten, heb ik te meermaalen mijne gedagten laaten gaan hoe men best zou= de handelen wanneer 'er na dezen goud en zilveren spetien voor de Huishouding mogten worden uijtgezonden in een genoegzaame hoeveelheid, om in deezen een point van bedenking te kun nen uitmaaken. Geeft men die uit teegens de gewoone waarde dan zullen daar van naest denkelijk alleen eenige partikulieren profi= teeren, die te daedelijk zullen opwisselen, ten zij men op een maal zoo veel goud en zil= vere spetie onder de gemeente brengen kon dat het voorsz: verschil daar door eens kelaps De komp: zoude naar het mij dinkt van dit geval kunnen proviteeren zonder iemands wer- kelijk nadeel met de goude en silvere spetien wanneer te koomen, bij maatige partijen bij publieke vendutien te laaten verkoopen, om te worden betaeld met crediet brieven of kooper ophoud. maart H=t P=rs Sterk N=o 108. het Nagezien munt. Men zoude bij deze gewoonte kun- nen blijven tot dat het verschil wederom ge daalt is op 4. â 5. p„rC:t zro als het eertijds doorgans was. De zilver en goude spctien zijn hier alleen noodig om aftebetaalen die dingen die van buiten worden aangebragt, voor zoo verre slands produkten daar toe niet toerijkende zijn. Tot het afbetaalen van het geen het land, zelfs geeft, is het kooper geld voldoen= de en niet dat in gebruik te houden onder de gemeente zullen ook de krediet brieven in stand blijven. De komp: kan daar door bij voortduuring Meester blijven van een wij groot kapitaal, zonder dat ze daar voor eenige renten behoeft te betaalen. Jk beveele uwe Hoog Edelheden in Gods genaedige bescherming en betuige met alle eerbied en „trouwe te zijn. /:onderstond:/ Hoog Edele Gestr: Groot Agtb: wijdgebiedende Heer = Wel Edele Gestr: Heeren uw Hoog Edelheden zeer ge= hoorzaame en ootm: dienaar /:was getekend/ W: J: van de Graaff, /: in margine:/ Kolembo den 16. september 1789. W vande Graa Akkordeert H=t. Pr. Sterk N=o 108. Nagezien H=t. Pr. Sterk N. o. 6. Batavia Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestr: Groot agtb: wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alling weegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost indische kompenie Gouverneur Generaal ende De wel Edele Gestrenge Heeren Raeden van Nederlandsch Jndien Hoog Edele Gestr: Grootachtbaare wijdgebiedende Heer wel Edele Gestrenge Heeren! Jn dit vroegJaar kwam hier van katergam een stijdense tempel aan de zuidkant van het Ei- land in skonings land, een Man die gezegt wierd te zijn een braminees die een gelofte gedaen had van geduurende een zekere bepaelde tijd niet te zullen spreeken. Hij wierd ge noemd srie Sankasarie Hij had een heele partij volk dat hem volgde Apart N=o 108.

NL-HaNA_1.04.02_10018_0282 view scan ↗

English

Revised and seemed to show him great respect. I informed him that he had to depart soon, and he did so too, but arriving in the district of Silauw he betook himself to a heathen temple called Moenaserie Dewale where he seemed to intend to remain for a long time. He drew a considerable crowd there, and upon the communication that the Resident of Silauw made of this, I charged the latter that he had to order him to depart. I also wrote to the Resident that if he did not depart willingly and promptly, he had to make him leave the country immediately if necessary. He continually acted as if he could not speak, and since, despite the notification given, he nevertheless remained, the Resident was obliged to send some men to make him move. While he was still there, on a certain occasion he sustained a wound in the side, which was however of little consequence and healed quickly. He then subsequently departed across Manaar to the opposite coast. When I heard that he had departed from Manaar, I did not think of him since, but some time ago a brahmin arrived from Tutukorijn, who stayed here for a while without appearing to have anything to do. My Maha Modliaar, who has standing orders to pay some attention to strangers who arrive, came to report this to me. I charged him thereupon to keep an eye on him, and a few days later he came to tell me that this man seemed indeed to be the same brahmin spoken of above, who had pretended to be unable to speak. In confirmation of his opinion, he added that it had been noticed that he had a scar in the same place where the brahmin had been wounded in the temple of Moenaserien Dewale. I thereupon summoned from Silauw some people who had interacted with him there, and among these the Resident sent me someone who had been present at the wounding of the brahmin in the aforesaid temple and had seen the wound several times. This person immediately recognized him as the same man, and then I had him come to me. I sent him a palanquin because he seemed to be a man of distinction, and also to inspire some confidence in him by this means. When I began to question him, he admitted to me to be the same man of whom I have spoken above. He thanked me for having had him fetched in a respectable manner, and then recounted to me: That he had come the first time to view the country, and had now come to speak with me about a matter of great importance. That he was of the solar race, and born in the land formerly called Jajepoereje and now Ekoba, situated between the lands of the King of Dellie and of the Maratters. That his ancestors had possessed that territory from ancient times, from which his house still draws the revenues by virtue of a grant given by the princes of Dellie and of the Maratters under their seals, and that these princes are always very well-disposed toward his house and lineage. That he and another younger brother of his were currently the only ones of his house, and that the latter was currently residing with the King of Dellie. That two Naikers, people from the coast of quite some distinction, some of whom usually reside in Kandia, had come to him three years ago and had told him several matters, and that he had therefore come hither under the name of Jankasarie. That the former kings of Kandia had been of the solar race, from which he, Sankasarie, was also descended, and that since this race had now died out on Ceilon, he was the nearest heir to the crown. That of the two Naikers, one had returned to Ceilon six or seven months ago, and that the other was still in Madure. Regarding the true purpose of his coming, he always spoke somewhat evasively; nevertheless it seems to me that it may be inferred from this that the aforesaid Naikers who induced him to make this journey made him hope for great things. Who these Naikers are, I have not been able to learn from him.

Dutch transcription

Nagezien en hem groot eerbied scheen toe te draagen. Jk liet hem weeten dat Hij spoedig moeste ver- trekken en dit deed wij ook, dog in het si- lauwse koomende begaf Bij zig na een Heij. dense tempel gen:t Moenaserie Dewale daer Wij scheen het voorneemen te hebben om een tijd lang te blijven. Hij kreeg daar merkelijke toeloop, en op de kommunikatie die de Resi- dent van silauw daar van deed, belaste ik deeze, dat Bij hem moeste doen aanzeggen; om te vertrekken Jk schreef daar bij den Resi„ dent aan, dat zoo Wij niet goedwillig en spoe dig vertrok, wij hem des noods dadelijk moest doen uijt het land gaan. Wij hield zig bij voortduuring als of Hij niet spreeken konda, en wijl Hij niet tegenstaende de gedaane aen kondiging nogtans bleef, was de Resident verpligt eenig volk tezenden om hem te doen verhuijsen. Terwijl Hij nog daar was kreeg Hij bij een zeke- re gelegentheid een kwetsuur in de zijde die egter van wijnig belang was en spoedig genas. Hij is daer op vervolgens over de Manaar na de overwal vertrokken. Toen ik hoorde dat Hij van Manaar vertrokken was, dagte ik zeedert niet meer aan hem, dog nu wat geleeden kwam een brammees van Ju- tukorijn over, die zig hier een tijd lang op- hield zonder dat het scheen dat Hij iets te verrigten hadde. Mijn Maha Modliaar die eens voor al ordre heeft om op de vreemdelin- gen die aankoomen, wat te letten, kwam mij dat aandienen. Jk belafte hem daar op wat het oog op hem te houden, en wijnige daagen daar aan kwam wij mij zeggen, dat deeze Man wel laekende te zijn dezelfde braminees waer van hier boven gesprooken is, die zig hadde ge= houden niet te kunnen spreeken. Ter bevesti- ging van zijn gedagte voegde Hij er bij dat men hadde opgemerkt dat Hij een lidteeken hadde op dezelfde plaets daer de Braminees in de tempel van Moenaserien Dewale was gekwetst Jk ontbood daar op van silauw eenige luijden die daar met hem hadden omgegaan, en onder deeze zond mij de Resident iemand die bij het kwet- sen van den braminees in voorsz: temfel, was geweest, en de wonde te meermaalen gezien hadde. geworden. Goen Deze H=t P=s Sterk N=o 10. 8. Nagezien Deeze erkende hem aanstonds voor den zelfden Man, en toen liet ik hem bij mij koomen. Jk zond hem een palekijn wijl Hij leeken een Man van aanzien te zijn, en ook om hem hier door wat vertrouwen in te boesemen. Joen ik hem begon te ondervraagen, bekende wij mij de zelfde Man te zijn waar van ik hier boven gesprooken heb. Hij bedankte mij dat ik hem op een ordentelijke wijze hadde laaten afhaalen, en verhaalde mij toen. Dat hij de eerste maal was gekoomen om het land tebezien, en nu gekoomen was om met mij te spreeken over een zaak van veel aen„ geleegentheid Dat hij was van het zonne geslagt, en gebooren in het land eertijds genaamt Jajepoereje en nu Ekoba geleegen tussen de landen van den koning van Dellie en der Maratters Dat zijne voorzaaten dat landschap bezeten hadden van oude tijden af waar van zijn Huijs nu nog de inkomsten trekt uijt hoofde van een gifte van de vorsten van Del- lie en der Maratters onder hunne zegels gegeeven, en dat deeze vorsten zijn Huijs en geslagt steeds zeer geneegen zijn. Dat Hij en nog een Jonger broeder van hem tans de eenigste waaren van zijn Huijs, en dat deeze zig thans bevond bij den koning van Dellie. Dat twee Naikers /: volk van de kust van nog al eenig aanzien, waar van zig doorgaans eenige in kandia ophouden :/ nu drie Jaeren geleeden bij hem waaren gekoomen, en hem verschijde zaaken hadden gezegt, en dat hij daarom onder de naam van Jankasarie na herwaerds was gekoomen. Dat de voorige koningen van kandia zijn geweest van het sonnegeslagt, waar uit Hij sankasarie ook gesprooten was, en dat wijl nu dit geslagt op Ceilon is uitgestorven, wij de naaste Erfge- naam van de kroon was. Dat van de twee Naikers de eene nu 6. of 7. maen„ den geleeden op Ceilon was teruggekoomen en dat de andere zig nog te Madure bevond Over het waare oogmerk van zijn komst sprak Hij steeds wat bewimpelt, niet te min schijnt het mij toe daar uit temoogen ofmaeken dat de voorsz: Naikers die hem tot dese togt bewoo- gen hebben, hem op groote dingen hebben doen hoofen, Wie deeze Naikers zijn heb ik van hem niet geslagt kunnen H=t. P=r. Sterk N=o 108.

NL-HaNA_1.04.02_10018_0284 view scan ↗

English

Checked. could learn. We said we knew them only by sight. Shortly before this man returned from Tutukorin, in the place where the Hapittigam Corle, situated in the Colombo Dessavony, borders the King's land, two olas were found in short succession, signed in the manner customary for the rulers in this country, addressed to me, with a severe threat that no one was permitted to open them. They mainly contained the information that a person of great importance was staying in those parts, who intended to come to me in Colombo. I asked Sankasarie whether he knew anything about this; he told me no, but added that it was possibly the work of the Naiker who had returned to Ceylon. Thinking that it might be of some importance for the Court of Kandy to have knowledge thereof, I sent the aforementioned two olas to Kandy, as is customary, through the Dessave of Colombo to the Dessave of Saffragam and the Three Korles; but concerning the arrival of this Sankasarie, I had my Maha Mudaliyar secretly give notice to the aforementioned Kandyan Dessave. No reply was received to the communication of the aforementioned olas, but to the letter from the Maha Mudaliyar an answer came immediately, which clearly demonstrated that they took great interest in this report. The first ola from the Maha Mudaliyar had contained only a brief report, but I then instructed him to write in somewhat more detail, and to this further report an answer came again immediately, written by the First Adigar and the Dessave of Saffragam and the Three Korles, to thank me with great eagerness for this communication, and to request me to ensure that no Kandyans associate with this Sankasarie, and also to be pleased to inquire after the aforementioned Naikers, as Your High Excellencies will see in more detail from the enclosed translations of the exchanged olas. They are all without date, as is indeed the custom in such correspondence among the natives. The last-mentioned ola was brought in only these past few days. That this Sankasarie could gain any following here, I do not believe, but it is known that among the Naikers there are some who are very discontented because this King places much trust in several of his Court dignitaries, whereby these people enjoy less respect and influence than formerly, which is a very good thing, as those knaves generally occupy themselves with bad practices. My chief aim in this matter has been to give the King a token of trust on the Company's part, and it appears that this has had the good effect at the Court that I expected from it. As I hear, they are not without anxiety at the Court concerning this man, and as I have been requested to take care that he does not get away, I shall keep him here a while longer until Your High Excellencies' further orders. I think that this may even serve as a small means of constraint. Should anything further regarding this man happen to be discovered, I shall have the honor of giving dutiful notice thereof to Your High Excellencies. In the meantime, I shall ensure that he maintains no communication with any Kandyans or other natives. I commend Your High Excellencies to God's merciful protection and declare, with all respect and fidelity, to be, High Noble, Valiant, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Noble, Stern Lords, Your High Excellencies' very obedient and humble servant. Signed: W. J. van de Graaff. In the margin: Colombo, 10 November 1789. Agrees. W. vande Graaff. Checked. By the ship Sterk. No. 10. 8. Checked. By the ship Sterk. No. 10. 8. Checked. By the ship Sterk. To His High Excellency, The High Noble, Valiant, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor-General on behalf of the State of the United Netherlands and the General Dutch Chartered East India Company, and The Noble, Stern Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Valiant, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Noble, Stern Lords, I have had the honor of receiving the separate letter with which I was favored by Your High Excellencies on 10 September, and I shall dutifully let the orders given therein serve as my guidance. The lieutenant of the Regiment de Meuron, Matthij...

Dutch transcription

Nagezien kunnen verneemen. Wij zeide ze niet anders dan van aanzien te kennen. Kort voor dat deze Man van Tutukorijn terug was gekoomen zijn 'er, daar de Hapittigam Corl gelee= gen in de kolombose Dessavonia grenst aan sko- nings land, kort na den anderen twee olassen ge- vonden met een handteekening zoo als de vorsten dat hier te lande gewoon zijn te doen, aan mij beschreeven met een zwaare bedrijging dat nie mand die openen mogt. ze beheesden hoofdzaeke lijk dat iemand van groot belang zig daer om- streeks ophield, die het voorneemen hadde om bij mij te konnen op keolombo. Jk heb Jankasarie gewaagd of Hij ook hier van wijt Hij zeide mij van neen, dog voegde 'er bij dat het moge lijk het werk was van de Naiket die naar Ceilon was terug gegaan. of het Hof van Kandia aan de kennis daar van iets mogte geleegen zijn, heb ik de voorsz: twee olassen na kandia gezonden na gewoonte door den Dessave van kolombo aan de Dessave van Jaffregam en de Drie korles, dog over de komst van deeze sankasarie heb ik door mijn Maha Modeliaat in stilte doen kennis geeven aan gem: kandiase Desselve Op de kommunikatie van voorsz: olassen is geen ant- woord gekoomen, dog op het schrijven van den Maia Modliaat kwam aanstonds antwoord dat duidelijk aantoonde dat men in dit berigt veel belang stelde. De eerste ola van den Maha Modeliaat hadde alleen ingehouden een kort berigt, dog nu belastede ik„ hem om wat meer omstandig te schrijven, en op dit naader bericht kwam er weeder aanstonds antwoord, geschreeven door de eerste Rijksadigaar en de Dessave van Juffregam en de drie korles, om mij met veel empressement te bedanken voor deeze kommunikatie; en mij te verzoeken van te zorgen dat 'er geene kandiaanen met deeze sankasarie verkeeren, en tevens te willen verneemen na de hier boven gem: Naikers, zoo als uw Hoog Edelheden dat alles naaden zullen zien bij de hier in overgaende translaeten van de gewisselde olassen. ze zijn alle zonder dagteekening zoo als dat in diergelijke korresfondentien onder de Jnlanders wel de ge woonte is. De laast gem: ola is eerst deezer dagen aangebragt. Dat deeze Jankasatie hier eenig aanhang zoude gem: kunnen H: D=r Sterke N=o 108. 1 Nagezien kunnen maaken geloove ik niet, dog het is bekend dat 'er onder de Naikers zommige zijn zeer misnoegd om dat deeze koning veel vertrouwen steld in verschijde van zijn Hofsgrooten, waar door dit volk in min- der aanzien en bewind is dan eertijds, het geen heel goed is, wijl die knaafsen zig door- „gaans met slegte strecken ophouden. Mijn voornaamste oogmerk in deezen is geweest om aen den koning een blijk van vertrou wen te geeven van 'skomp:s zijde, en het schijnt dat dit bij het Hof de goede uitwerking gedaen heeft, die ik daer van verwagt heb„ zoo ik hoor is men aan het Hof weegens deeze Man niet zonder zorg, en wijl ik verzogt ben zorge te draagen, dat wij niet weg komt, zal ik hem tot uw Hoog Edelh: nader ordre nog wat hier houden. Jk den- ke dat dit zelfs een klijn middel van kontrainte kan zijn, zoo zig somtijds iets naaders noofens dezen Man mogte ontdekken, zal ik de eere hebben uw Hoog Edelheeden en pligtschuldig kennis van te geeven. Jntusschen zal ik zorgen dat Wij W vande Grereel Akkordeert met geen kandiaaren of andere inlanders ee- nige gemeenschap onderhoud Jk beveele uwe Hoog Edelheeden in Gods genaedige bescherming en betuige met alle eerbied en trouwe te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Gestr: Groot agtb: wijd gebiedende Heer en wel Edele Gestaenge Heeren! uw Hoog Edelheeden zeer gehoorzaame en ootmoedige dienaar /: was getee= kend:/ W: J: van de Graaff /:in malgine:/ kolombo den 10: November 1789. met H: Dr. Sterk N=o 10. 8. Nagezien H=t P=r Sterk N=o 10. 8. Nagezien H=t. Pr. Sterk Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestr: Groot Agtb:= wijdgebieden den Heer M:r Willem Arnold Alting weegens den staat der vereenigde Nederlanden en de Generaale Nederlandsche geoktroijeerde oost Jndische kompenie Gouverneur Generaal De wel Edele Gestaenge Heeren Raeden van Nederlands Jndien Hoog Edele Gestr: Groot achtbaare wyd gebiedende Heer en Wel Edele Gestrenge Heeren Jk heb de eere gehad te ontfangen de apparte brief waarmeede ik door uw Hoog Edelheden op den 10. septemb: ben begunstigt, en zal ik mij de daar bij gegeevene ordres schul- dig tot narigt laeten strekken. De luijtenant van het regiment van Meuren appart Matthij N=o 10. 8. Batavia ende

NL-HaNA_1.04.02_10018_0288 view scan ↗

English

Revised Matthij has been released from his arrest, under which I had kept him, and handed over to the regiment, and I have informed the head of the regiment by letter of Your High Excellencies' intention, provided that the aforementioned Lieutenant Matthij takes his discharge. In continuation of my separate humble letter of 10 November, which for lack of opportunity is dispatched together with this one, I have the honor further to report that on the occasion of the Kandyan embassy being here, the first envoy, the dessave of the Three Korales and Saffragam, requested me to give my opinion regarding the person of Sanka Sarie, mentioned in my aforementioned humble letter, namely whether it would be advisable to keep him here, or rather to send him away from this island, to which I simply had him answered that the Company takes no interest in this man except in so far as the Court itself believes to have an interest in him; that by causing him to remain on Ceylon a while longer, he remains in our power, and that, on the other hand, by letting him depart one cannot know what his designs might sometimes be, the more so because it had appeared to the Court from the old archives, as the Ambassador had informed me, that in the place from which this man claims to originate, there have been descendants of the Sun Dynasty. Since then, the aforementioned Kandyan dessave, after his return to the Court, caused it to be suggested to me whether it would not be good to send Sanka Sarie to Batavia, just as formerly a similar man, who also said he was of the Sun Dynasty, was sent thither, and I informed him in reply that he is not only disinclined to go to Batavia and that for reasons of propriety one cannot send him against his will; but also that it may even perhaps be useful to keep him at Colombo a while longer, to see whether perhaps in the meantime something further concerning him might be discovered. I have also informed him that the King in the meantime may rest assured that proper supervision is maintained over him here. I commend Your High Excellencies to God's gracious protection and profess with all respect and fidelity to be, undersigned, High Noble, Severe, Highly Esteemed, Far-Commanding Lord and Right Noble, Severe Sirs, Your High Excellencies' most obedient and humble servant, signed W. J. van de Graaff, in the margin Colombo, 26 December 1789. Agreed W van de Graaf Translation of an ola written by the Maha Mudaliyar of the Lord Governor's Gate to the dessave of the Three Korales and Saffragam. Some time ago I sent you, by order of the Right Noble, Highly Esteemed Lord Governor, two olas, and concerning the matter mentioned therein, His Honour has had all possible inquiries made. It has been discovered that a person who, under the name of Sanka Sarie, arrived on Jaffna from the Coast some 10 or 11 months ago and went from there by land via Trincomalee, Katargam, Matara, Galle and Colombo to Mannar, having departed from there subsequently for the opposite coast, is currently here again under another name and in other attire. If you send a trusted person, I shall be able to reveal to him verbally in secret several things concerning this matter. On the occasion of his previous visit here, the Brahmins who were with him published in a writing composed in a learned language his learning, birth, and qualities, and I send you herewith a copy thereof. Translation of an ola written by the Dessave of Saffragam and the Three Korales to the Maha Mudaliyar of the Lord Governor's Gate. We have received your ola and have seen from it that the person who previously was on Ceylon under the name of Sanka Sarie is now again in Colombo under other attire. We request you to thank the Right Noble, Highly Esteemed Lord Governor very kindly for the goodness which His Honour has been pleased to show in giving us notice of this. Where was this Sanka Sarie born? Why did he come here? In what country did he previously reside? We very earnestly request to be circumstantially informed of this entire matter from the beginning to the end. Translation of an ola written by the Maha Mudaliyar of the Lord Governor's Gate written to the Dessave of Saffragam and the Three Korales. I conveyed the contents of the ola written by you to me to the Right Noble, Highly Esteemed Lord Governor, who ordered me to write the whole course of the matter to you. I received notice that a certain person, well-proportioned and of handsome stature, had arrived here, dressed as a Brahmin with a thread over his shoulder, and accompanied by two servants, and that he was lodging with a prominent Chetti of the Vaisya caste. I had him called, and when I saw him it seemed to me that he was the same man whom I had seen here once before under the name of Sri Sanka Sarie, accompanied by a company of Brahmins, with only this difference, that he now had a pair of moustaches. I had the Vaisya Chetti with whom Sanka Sarie had lodged come to me, and told him to go and see the said Brahmin. He did so, and came to tell me that he thought this man was Sanka Sarie. I then also sent for the washerman and barber who had

Dutch transcription

Nagezien Matthij is uijt zijn attrest waar in ik hem hadde laaten kontinueeren, aan het regiment overgegeeven, en heb ik de chef van het ne- giment bij missive geinformeert van uw Hoog Edelheden intentie, mids dat de voorsz: luijtenant Matthij zijn demissie neemt. Ten vervolge van mijn apparte nedrige van den 10. November die bij gebrek van gelee- gentheid met deze tegelijk afgaat, heb ik de eere nog te melden, dat der gelegent- heid dat de kandiase ambassade is hier geweest, de eerste gezant, den desseve van de drie korl en suffregam mij heeft ver- zogt, om hem krfens de perzoon van sanka sarie, bij voorsz: mijn eerbiedige vermeld mijn opinie tegeeven, of het namentlijk waare aanteraaden om hem nier te houden, dan wel om Item van diteiland teverzenden, waar op ik htem eenvoudig heb doen ant- woorden, dat de komp: in dezen Man geen intrest stelt dan voor zoo verre het Hof zelve in htem zin belang meend te hebben; dat men hem op Ceilon nog wat doende verblijven, wij daar door blijft in ons ver- moogen, en dat men daar en teegen hem lak- tende vertrekken men niet kan weeten wat zijne uitzigten somtijds zoude kunnen zijn, te meer bij het Hof uijt de oude archiven waart gebleeken, zoo als de Ambassadeur mij hadde laaten weeten, dat er ter plaetse waar van deze Man zig opgeeft, afstamme- lingen van het sonne geslagt zijn geweest. zeedert heeft de voornoemde kandiase dessave na zijn terugkomst aan het Htof mij doen waagen of het niet goed waare sankasarie na Batavia tezenden gelijk eertijds een dier- gelijke Man, die ook zijde uijt het sonne geslagt te zijn, naar derwaards gezonden is, en ik hem hier op laaten weeten, dat Hij niet alleen ongeruijgt is om naar Batavia tegaan en dat men betaemelijks halven hem tegen, zijn wil niet zenden kan; maer dat het ook zelfs misschien zijn nuttigheid heb„ ben kan, hem nog wat te kolombo te hou- den, of 'er misschien middelerwijl iets naders hem aangaende konde worden ontdekt. Jk heb hem daar bij laaten weeten dat de koning verblijven 9: intussen H=t. Pr. Sterk N=o 108. ƒ Nagezien intussen gerust kan zijn, dat hier behoor= „lijke toezigt op hem gehouden word. Jk beveele uuwe Hoog Edelheden in Gods genae= dige bescherming en betuige met alle eer bied en trouwe te zijn /:onderstond:/ Hoog Edele Gestr: Groot agtb: wijdgebiedende Heer en wel Edele Gestrenge Heeren uw Hoog Edelheden zeer gehoorzaeme en ootmoedige dienaar /:was= getekend:/ W: J: van de Graaff, /:in margi= ne:/kolombo den 26: December 1789. Akkordeert W van de Graaf Voor eenige tijd heb ik aan uwEd: op ordre van den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur twee oladsen gezonden, en omtrent de zaak daar bij vermeld, heeft zijn Edele alle mogelijke onderzoeken laaten doen. Men heeft ontdekt, dat een perzoon die onder den naam van sanka Sarie nu 10. of 11. maenden gelie- den van de kust op Jaffena is gekoomen en van daar over land over Trinkonomale, katergam, Ma= ture, Gale en kolombo na Manaar gegaan zijnde van daar vervolgens na de overwal is vertrokken, zig thans hier weder onder een ander naam en met ander gewaet bevind. Als uwEd: een vertrouwd perzoon zend, zal ik aan hem mondeling in se- kretesse verschijde dingen omtrent deeze zaek kun nen openbaaren. Bij gelegentheid dat hij de voorige kier hier was, hebben de bramineesen die bij hen„ waaren, bij een geschrift in een geleerde taal ge- schreeven gepubliceerd zijne geleertheid, geboorte Translaat ola door den Mara Mo- deliaar van den Heer Gouverneurs Porta geschreeven aan den dessave van de drie korles en saffragam H=t Pl. Sterk N=o 10. 8. Nagezien en hoedaenigheeden, en ik zend uw Ed: daer van hier nevens een kopij Translaet ola door den Dessave van Jaffregam en de drie korles geschree ven aen den Maha Modeliaat van den Heer Gouverneurs Porta. uw ola hebben wij ontfangen, en hebben daar uit gezien, dat de perzoon die bevoorens op Ceilon geweest is onder de naam van sankasarie, zig tans weeder op kolombo bevind onder een ander gewaed. wij verzoeken den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur zeer wiendelyk te bedanken voor de goetheid, die Hoogst dezelve heeft gelie- ven te hebben om ons hier van te doen kennis geeven. Waar is deeze Jankasatie gebooren. waarom is wij hier gekoomen! in wat land heeft hij bevoorens gewoond we verzoeken heel ceer om van deeze geheele zaak van het begin of tot het einde omstandig te worden onderrigt. Translaet ola door den Mara Mode- liaat van den Heer Gouverneurs Porta Jk liet bij mij koomen de wijdensche Chittij bij wien fjankasarie gewoond heeft, en zeide hem om gem: bramimnees te gaan zien Hij deed dit, en kwam mij zeggen, dat hij dagte dat deeze Man Tjankasakie was. Jk zoud vervolgens ook de wassen en barbier Den inhoud van de ola door uw aan mij geschreeven heb ik aan den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouver- neur te verstaen gegeeven, die mij gelast heeft de gantsche toedragt van de zaak aan uw te schrijven jk kreeg kennis dat een zeeker perzoon welgemaekt en schoon van postuur hier gekoomen was, gekleed als een braminees met een draad over zijn schouder, en verzelt van twee dienaars, en dat Hij woonde bij een aanzienlijke wijdensche Chittij. Jk liet hem roepen, en toen ik hem zag kwam het mij voor„ dat wij dezelfde Man was, die ik hier bevoorens eens gezien haid onder de naam van Grie Tjanka= sarie, verzelt van een partij bramineesen, alleen met dit onderscheid, dat Hij nu een paar knevels geschreeven aan den Dessave van Jaffaegam en de Drie Korles. geschreven H=k Pr. Sterk N=o 108. had die

NL-HaNA_1.04.02_10018_0291 view scan ↗

English

Checked who had served Tjankasarie, to the aforementioned man to see him, and upon their return they related to me that it also appeared to them that he was the same Tjankasarie. I thereupon gave notice of this matter to the Honorable, Highly Esteemed Lord Governor, and requested His Honor to summon the servants of the temple of Moenaserie Dewale close to Chilauw, where Tjankasarie stayed for some time, in order to be better convinced of the truth that the aforementioned Brahmin is the same Tjankasarie. The Honorable Lord Governor then wrote to the Chief of Chilauw, and had three people from this temple come here. These also declared, after they had seen the man, that they knew no other difference between Tjankasarie and him than that this man had a mustache and was dressed differently. These three people related moreover that when Tjankasarie lived at the aforementioned temple, he once had a Jogie or Brahmin beaten because he would not speak and sat smoking ganja in the temple, and that this man two days thereafter or one night inflicted a wound upon Tjankasarie with a knife in his side, of which the wound healed again in three days without any remedies, but that the scar must still be visible. Now since Tjankasarie has the habit of washing twice a day, I told one of the aforementioned three people to go to him when this man was washing, and to see whether he could still discover the aforementioned scar. He came to assure me afterwards that he had seen the scar, and that this man was undoubtedly Tjankasarie himself. I immediately made a report of this to the Honorable Lord Governor, who thereupon at once had the mentioned Tjankasarie brought by a Mohandiram and four lascorins. Having appeared before His Honor, the following questions were put to him: 1. Whether he is not the very same man who had previously been here under the name of Grie Tjankasarie? He answered yes. 2. If that be so, why he has now come here again in a different attire? He said that he had come the first time to see the country, and now to be able to speak to the Honorable Lord Governor about a matter of great importance. 3. Of what caste he is, and where he was born? He said that he was of the Sun caste and born in the land formerly called Jajepoereje and now Ekoba, situated between the lands of Dellie Patja and of the Marattas, that his caste has possessed the mentioned region from ancient times, and draws the revenues thereof by virtue of a grant from the princes of Dellie and of the Marattas given under their seals, and that these princes are very favorable to his caste. 4. How many people of his caste might still be in that land? He said that he and his younger brother were currently the only ones, and that his brother was presently with Dellie Patja. 5. How he, who according to his own words has everything in abundance in his country, could have taken it into his head to go to a land situated so far from it as Ceylon? He remained silent upon this for a short time without answering, and said afterwards that two Nayakkars had come to him three years ago and had told him several matters, and that having therefore departed from his place under the name of Tjankasarie, he had traveled through several countries and finally arrived here; that the previous kings of Kandy, who had ruled from the beginning, were of the solar race, from which he, Tjankasarie, is also descended, and that since this race has now died out in Ceylon, he was the nearest heir to the crown. 6. Where those Nayakkars are at present? He said that one of them had come to Ceylon about 6 months ago, and that the other was still in Madurai. The Honorable Lord Governor thereupon ordered him to return to his dwelling until further orders, and not to leave from there without His Honor's permission. Thus he still lives there to this day. I requested him to show me the two seals of the princes of Dellie and of the Marattas. Answered H=t P. Sterk

Dutch transcription

Nagezien die Tjankasarie bediend hebben, bij voorsz: Man om hem tezien, en bij hun terugkomst verhael- den ze wij, dat het hun ook voorkwam dat Wij dezelfde Tjankasarie was. Jk gaf daar op van deeze zaak kennis aen den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur, en ver- zogt zijn Ed:, om de bediendens van den tempel van Moenaserie Dewale digt bij Chilauw daer Tjankasarie een tijdlang geweest is, te laaten op ontbieden, ten einde van de waarheid dat voorm: braminees dezelfde Tjankasarie is, beeter te wor= De Edele Heer Gouverneur schreef toen aan het Hoofd van silauw, en liet drie luijden van deezen tempel hier koomen. Deeze verklaerden almeede, na dat ze de Man hadden gezien dat ze tusschen Tjanka- sarie, en hem geen ander onderscheid kenden dan dat deeze knevels had en anders gekleed was. Deeze drie luiden verhaelden bovendien, dat toen Tjankasarie bij voorm: tempel woonde, Hij eens een Jogie of Eraminces heeft laeten kloffen, wijl hij niet spreeken wilde en in den tempel kanja heeft zitten rooken, en dat deeze Man twee dae- gen daar na of een nagt aan Tgankasarie met den overtuigd. een met een steek in zijn zijde heeft toegebragt, waar van de wonde in drie daegen weeder is geneesen zonder eenige middelen, dog dat het lid- teeken nog zal te zien zijn Wijl nu Tjankasarie de gewoonte heeft om twee maelen op een dag te wasschen, zeide ik aan een van de voorsz: drie luiden, om wanneer deze Man waschte bij hem te gaan, en te zien of wij het voorsz: lidteeken nog kon ontdekken. Hij kwam mij naderhand verzeekeren, dat wij het litteeken hadde gezien, en dat deeze Man ongetwijffelt Tjankasanie zelve was. Jk heb hier van ten eersten rapport gedaen aen den Edelen Heer Gouverneur, die daer op aanstonds gem: Tjankasarie met een Mohandiaam en vier lasser rijns heeft laeten haelen. Wij voor zijn Edele ver„ scheenen zijnde, zijn hem de volgende vraegen ge= daen 1. of Hij niet de eigenste Man is, die hier bevoo„ kens is geweest onder den naam van Grie Tjanka sactie !. Hij antwoorde van Ja. 2. zoo dat zoo is, waarom wij nu hier weeder is gekoomen met een ander gewaad5. Hij zeide dat wij de eerste maal was gekoomen om het land H=t P=r Sterk N=o 108. Nagezien N=o 108. land te zien, en nu om den Edelen Heer Gouver= neur te kunnen spreeken over een zaak van veel aangelegentheid 3. van wat kasta Hij is, en waar Bij is geboo„ ren. Wij zeide dat Hij was van de kaste der zon en gebooren in het land eertijds genaamt Jajepoereje en nu Ekoba, geleegen tusschen de landen van Dellie Patja en der Marat- ters, dat zijne kaste gem: landschap bezit van oude tijden af, en de inkomsten daer van trekt uit hoofde van een gifte van de vorsten van Dellie en van de Maratters onder hunne zegels gegeeven, en dat deeze vorsten zijne kaste zeet gunstig zijn. 4. Hoe veel lunden van zijne kaste nog in dat land zouden weezen? Wij zeide dat Wij en zijn Jonger broeder tans de eenigste waeren, en dat zijn broeder zig tegenswoordig bij Deelie Patja bevond. 5. Hoe dat Wij, die volgens zijn zeggen in zijn land alles in overvloed heeft, het heeft kun- nen in het Hoofd krijgen om na een land zoo verre geleegen van het als ceilon te gaan. Hij bleef hier op een porsje teid zonder te antwoorden, en zeide naderhand dat twee Nai= kers nu drie Jaaren geleeven bij hem waaren gekoomen en hem verschijde zaaken hadden ge- zegt, en dat Hij daarom onder den naam van Tjankasarie van zijn plaets vertrokken zijnde, verscheide landen had doorgerijst en eindelijk hier was aangekoomen, dat de voorige konin= gen van kandia, die van den beginne af gere= geerd hebben, zijn geweest van het sonne geslagt; waar uit Hij Jankasarie ook gesprooten is, en dat wijl nu dit geslagt op Ceilon is uit gestorven, wij de naaste erfgenaam van de kroon was. 6. waar die Naikers tans zijn 5. Hij zeide dat een daar van nu omtrent 6. maanden geleeden op ceilon was gekoomen, en dat de andere zig nog te Maruire bevond. De Edele Heer Gouverneur heeft hem daar op ge- last om weeder na zijne wooning te gaan tot naader ordre, en van daar niet te moogen ver- trekken zonder zijn Edeles verlof. Hij woond dus tot nog toe daer Jk heb hem verzogt om mij telaaten zien de twee Zegels van de vorsten van Dellie en van de Ma- Antwoords katters H=t P. Sterk

NL-HaNA_1.04.02_10018_0293 view scan ↗

English

Checked letters, which he said he had with him, and which he showed to me. One is as large as a piastre, and on it in the middle stands a sign that looks like a pillar, and around it is written a number of Arabic letters, and on the other, which is as large as a shilling, stands in the middle an image and around it a number of characters, which appear to me to be of the Telinga or Sanskrit language. This Tjankasarie understands four languages, namely, Sanskrit, Telinga, Hindustani, and Malabar, which several Brahmins, who know these languages and have spoken with him, have related to me. I have also heard, but not seen, that five people from the King's country arrived at his place about 4 or 25 days ago with three pingos of butter, katjang, onions, and garlic, that they received three or four pagodas from him, and that they departed again two or three days thereafter. It was told to me that one had to infer from their clothing that they were people of Oeva. When I had inquiries made about it, they were already gone. The ola written by you concerning the person of Sankasarie we have received and read, and from it the true affection of the Right Honorable Lord Governor for His Imperial Majesty and the Court has appeared to us in the most convincing manner. We thank His Honour for this most kindly, and request that good care be taken that the aforementioned Sankasarie does not escape, and that other people do not come to him either. If by chance Kandians should arrive at his place, we request that they be apprehended and sent hither under arrest. We also request to learn from him and communicate to us what the Nayaks of whom he spoke were named, and where they are at present. We repeat hereby that we are highly obliged to the Right Honorable Lord Governor for his affection and the trouble taken. Translation of the ola written by the first Adigar and the Dissave of Jaffalgam and the Three Korales to the Maha Mudaliyar of the Lord Governor's Gate. Translation H. P. Sterk No. 108. Checked J. P. Sterk affection and trouble taken. For the translation of the aforementioned olas, the contents of which were given to me by the Maha Mudaliyar by order of the Honorable Lord Governor. C. S. Wickerman No. 108. Checked H. P. Sterk No. 9 Malabar To the Honorable Lord Johan Gerard van Angelbeek Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director Cochin Noble, Respected, Valiant, Wise, Prudent, Very Discreet Lord and Friend, That the Nawab of Mysore, Tipu Sultan, who by demanding Cranganore has declared his hostile intentions against the Company, still remains with his army at Coimbatore, makes it more than probable that he intends to resume his hostile attempts. It is certainly the obvious interest of the King of Travancore to prevent Cranganore and Ayacotta from falling into the hands of the aforementioned Nawab, and to that end to assist us with all his power, but it is known how indecisive native princes generally are. Even if the King of Travancore should have sufficient goodwill of his own for this, it is still very uncertain how the English Government will view this matter. Madras presently has only a governor pro interim at the head, who probably will not remain; of him in particular it is somewhat doubtful whether he will take steps on our behalf that could involve the English Government in a war with Tipu Sultan, and yet the express consent of the English seems necessary so that Travancore can render us the assistance which, should the frequently mentioned Nawab attack Cranganore or Ayacotta, could not be dispensed with. Cranganore is no place to hold out for long against a force as large as he can bring against it, if we can rely solely on our own resources. Ayacotta can do so even less. The reasons why it was formerly thought necessary to retain Cranganore no longer exist today, or have at least lost most of their weight, and a remote hope for things that are only possible—namely, that this place might be of service for expanding on the Malabar Coast—cannot be considered important enough to weigh against the dangerous consequences that holding it and Ayacotta could entail. I therefore agree with Your Honour in the fullest manner that it is highly advisable for the Company to rid itself of Cranganore and Ayacotta by transferring these places to the King of Travancore. As I see the matter, this should even take place the sooner the better. Nor should one doubt that Their High Mightinesses, on account of the pressing circumstances that advise it, will readily resolve upon this; but the time that Tipu Sultan probably H. P. Sterk No. 108.

Dutch transcription

Nagezien ratters, die Hij zeide bij zig te hebben, en die Wij mij heeft vertoond. Het een is zoo groot als een piaster, en daar op staat in het mid- den een teeken dat na een pilaar lijkend, en rondom geschreeven een partij arabische letters, en op het ander dat zoo groot is als een schelling staat in het midden een beeld en roordom een par- tij karakters, die mij voorkoomen te weezen van de Jellingase of sangieskartoese taal Deeze Tjankasarie verstaet vier taelen, teweeten, de sangieskertoese, Jellingoese, Jndostaanse, en de Mallabaarse, het geen verscheide bramineesen, die deeze taalen weeten en met hem gesprooken hebben, mij hebben verhaelt. Jk heb ook gehoort dog niet gezien, dat vijf Menschen uit konings land nu 4. of 25. dagen geleeden met drie pingos booter, katjang, uijen en knoflook bij hem gekoomen zijn, dat ze drie of vier pagooden van hem hebben gekreegen, en dat ze twee of drie daagen daer na weeder vertrokken zijn. Men heeft mij gezegt, dat men uit hunne kleeding heeft moeten of mae= ken dat het luiden van oeme waaren. Toen ik 'er na liet verneemen, waaren ze al weg De ola door uw geschreeven over de perzoon van sankasarie hebben we ontfangen en geleesen, en is ons daer uit op de overtuigenste wijze geblee- ken de waare toegenegentheid van den wel Edelen Groot agtb: Heer Gouverneur voor zijne kijzerlijke Majesteid en het 1of. wij bedanken zijn Edele daar voor op het vriendelijkst, en verzoeken dat er goede zorge gedraegen word dat gem: sankasa- rie niet weg komt, en dat ook andere luiden niet bij hem koomen. zoo somtijds kandiaenen bij hem mogten aankoomen, verzoeken we dezelve te laeten opvatten en ze in arrest herwaerds tezen- den Ook verzoeken we van hem teverneemen en aan ons te bedeelen, hoe de Naikers, waar van Hij gesprooken heeft, hieten, en waar ze tant zijn. we herhaalen het door dezen dat we den welEdelen Groot agtb: Heer Gouverneur voor zijne genegent„ Translaet ola door den eersten Adigaat en den Dessave van Jaffal- gam en de drie korles geschreeven aen den Maha Modliaat van den Heer Gouverneurs Porta Translaet heid H=t P. Sterk N=o 10.8. Nagezien J=t Pl Sterk heid en genoomene moeijte ten hoogsten ver= pligt zijn voor de vertaaling van voorsz: olassen, waarvan mij den indoud door den Malia Mode„ lider op last van den welEdelen Har Gouverneur is opgegeven. C: S: Wickerman N=o 10. 8. Nagezien H=t P. Sterk N o 9 Mallabaar Aan den Edelen Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlands Jndien Gouverneur en Dirckleuz Koetsiem Edele Erntfeste, Manhafte wijze voorzinige zeer Diskreete Heer en Vriend Dat de Nabab van Maizoer Jipoe sultan die door het opeisschen van kranganoor zijne vijandelijke inzigten teegens de komp: verklaerd heeft, zig nog met zijn armce op koimbetoel blijft ophouden, maakt het meer dan waar schijnlijk dat wij zijne vijandelijke aanslae= „gen denkt te hervatten. Het is zeekerlijk het zigtbaar belang van den koning van Jrevankoor, om te voorkoomen Appart sekreet dat N=o 108. Nagezien dat kranganoor en Aijkotle niet vallen in de handen van voorsz: Nabab, en om ons ten dien einde met al zijn vermoogen bij te slaen, dog men weet hoe besluiteloos doorgaans de inlandse vorsten zijn. zoo ook de koning van Trevankoor uit zig zelve daar toe hartelijkheid genoeg hebben mogt, is het nog heel onzeeker, hoe het Engels Gouvernement dit stuk zal inzien. Madras heeft tans maar een prointerim Gou verneur aan het hoofd, die het waarschijn lijk niet blijven zal van deeze inzonder heid is het wij wat bedenkelijk of Hij ten onzen behoeve stappen sal doen, die het Engels Gouvernement zoude kunnen inwikkelen in een oorlog met Jipoe sultaan, en nogtans schijnt de expressen bewilliging der Engelsen noodig, op dat Jrevankoor ons doen kan den bijstand, die wanneer meerm: Nabab kranga- noet of Aijkotte mogte aantaften, niet te ontbeeren zoude zijn. Kranganoor is geen plaats om het lang te kunnen uithouden teegens een magt zoo groot als Hij daar teegens aanvoeren kan, wanneer we niet dan alleen op ons eijgen vermoogen reekenene kunnen. Aijkotte kan dat nog minder doen. De reedenen waarom men eertijds gemeend heeft kranganoor te moeten aanhouden, bestaan tans niet meer of hebben ten minsten haar mees= te gewigt verlooren, en een verre afgeleegene hoop op dingen die alleen moogelijk zijn, dat namentlijk deeze plaets van dienst zoude kunnen weezen om zig op de Mal= labaer uit te brijden, kan niet geagt worden ge- wigtig genoeg te zijn om ze te stellen teegens de gevaarlijke uitkomsten die het aanhouden daar van en van Aijkotte zouden kunnen hebben. Jk ben het daarom met uwel Edele op de volkoomen ste wijze eens dat het de komp: zeer aanteraeden zij om zig van keranganoor en van Aijkotte te ontdoen met deeze plaatzen overtelaeten aen den koning van Jrevankoor Naar ik de zaak inzie diend dit zelfs hoe eer zoo beeter te geschieden. Men mag ook niet twijffelen of Hunne Hoog Edelheden zullen uit hoofde der drin gende omstandigheeden die dat aanraaden daar toe gereedelijk besluiten, dog de tijd dat Jipooe sultan waarschijnlijk H=t Pl. Sterk N=o 108.

NL-HaNA_1.04.02_10018_0297 view scan ↗

English

Examined is likely to return is too imminent to await Their High Esteem's most honored approval. I think therefore that Your Honor will render the Company a very real service by taking advantage without delay of the favorable opportunity which currently presents itself through the request of the King of Trevankoor to purchase these places. To negotiate the highest possible price for them certainly suits the Company, but I do not think that in this case this can be a point of significant hesitation for which to delay the matter. When these places are in the hands of the King of Trevankoor, Jipoe Sultaan cannot commit hostilities against the Company without first attacking Trevankoor. He cannot do this without also having to deal with the English Government, and according to the highest probability he will not lightly venture that, unless he believes he can count on significant help from the French. By ceding these two places to the King of Jaevankoer, which even in peacetime are of almost no good to the Company and meanwhile serve as a considerable burden to Their Honors, a war with Jipoe Sultan can be prevented, which otherwise is very likely and could have very dangerous consequences. One may therefore, in my view, consider it a favorable circumstance that the King of Jrevankoor, in the alternative in which he finds himself to see these places occasionally fall into the hands of the Nabab or to have to accept them himself, is astute enough to choose the latter. I must all the more advise bringing this matter to a speedy conclusion; because Ceilon is not in a position to support [illegible] with a significant reinforcement of troops, even if the number of incoming recruits should turn out somewhat large, 150 or at most 200 men will, in all probability, be all that Ceilon can provide. Besides this being uncertain, against the power of the Nabab it would also help little. I have the honor to be with true high esteem. Underneath stood: Noble, Stern, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Sir and Friend: Your Honor's affectionate friend and servant. Was signed: W: J: van de Graaff In the margin: Kolombo, 26 June 1789: Number 108. Agrees D vande Gruak Examined H=t. P. Sterk Number 10 Number 108. Examined H=t Ps. Sterk Number 108. Examined H=t P. Sterk Number 108. BR and 41

Dutch transcription

Nagezien waarschijnlijk staat terug te keeren is te kort op handen, om daer op Hoogst derzelver zeer ge eerde goedvinden te kunnen afwagten. Jk denke mids dien dat uwelEd: de komp: een zeer werkelijken dienst doen zal om zonder uitstel gebruik te maaken van de gunstige geleegentheid die zig door het aanzoek van den koning van Trevankoor om deeze plaetzen te koopen, tans aanbied. De hoogste prijs daer voor mogelijk te bedingen, lijkend zeekerlijk de komp:, dog ik denke niet dat zulks in deeze een point van mer= kelijke bedenking zijn kan, om de zaak daer na optehouden. Als deeze plaatzen zijn in de handen van den ko„ ning van Trevankoor, kan Jipoe sultaan de komp: geene vijandelijkheeden aandoen zonder eerst Crevankoor aantelasten. Hij kan dit niet doen zonder dat wij ook met het En- gels Gouvernement te doen krijgt, en dat zal Wij na de hoogste waarschijnlijkheid niet ligt waagen, ten zij wij op merkelijk hulp der fransen meent te kunnen Cijfferen Met aan den kooning van Jaevankoer overte- laaten deeze twee plaatzen die zelfs in weedens tijd de komp: nu bij na tot niets goeds zijn en intusschen tot merkelijke lastposten aan Haer Edele strekken, kan worden voorkoomen een oor- log met Jipoe sultan die buijten dien zeer waarschijnlijk is, en van zeer gevaarlijke uitkomsten zoude kunnen zijn. Men mag het mids dien naar mijn inzien voor een guns- tig omstandigheid agter dat de koning van Jrevankoor, in de alternative waar in Hij zig bevind om deeze plaetzen somtijds te zien vallen in handen van den Nabab, of ze zelfs te moeten aanvaerden, vernuftig- genoeg denkt om dit laaste te verkiesen. Jk moet te meer raaden om deeze zaak spoedig tot konclusie te brengen; wijl Ceilon hiem niet in staet is om, kiarke met een mer- kelijke versterking in troepes bij te staen zoo ook het getal der uitkoomende diekau- ten wat groot mogte vallen zal 150. of ten hoogsten 200. Man na de hoogste waarschijn lijkheid alles zijn wat Ceilon zal kunnen bijzetten. Behalven dat dit onzeeker is zoude dat ook teegens de magt van den Nabab laeten weinig Ht. P. Sterk N=o 108. Nagezien H=t P. Sterk weinig helpen. Jk heb de eere met waare hoog agting te zijn. /:onderstond:/ Edele, Erntfeste, Manhafte wijze, voorzinge zeer Diskreete Heer en wiend: uwelEd: d:w: wiend en dienaar /:was getekend:/ W: J: van de Graaff /:in mer gine:/ kolombo den 26. Junij 1789: N=o 108. Akkordeert D vande Gruak Nagezien H=t. P. Sterk No. 10 N=o 108. Nagezien H=t Ps. Sterk N=o 108. Nagezien H=t P. Sterk N=o 108. BR en 41

← previous