VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10317

Malabar · 816 pages · 157 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10317_0153 view scan ↗

English

Continuation Continuation. Continuation to validate one hundred ropijen, and also to withdraw these one hundred ropijen as soon as circumstances shall permit, to reduce the garrison there to the old footing, and to cease the purchase of firewood and hay. Section 38. To discharge at Aikotta one large mansjouw of ten ropijen a month for the service of the officers, and one of the two small mansjouws of four ropijen a month for the transport of letters, and to retain the other small mansjouw for now. Section 39. And also to discharge a tonie with a sailor and seven coolies that was running at Aikotta. And Section 40. To sell at public auction the medicines and the bandage material, along with the sleeping bunks, which had been purchased for a siege, as well as the medicines which had been purchased for the Nabab Tipoe sultan when he was encamped with his army near Panami and was in great need of medicines, but which, on account of his sudden departure for the coast of Kormandel, were not dispatched, and to send the blankets to Kolombo or Batavia. Further still: Section 41. To have sold seven pieces of single yokes for pack oxen, fourteen yoke bolts, and four feeding troughs, which served in the expedition to Settua in the year 1778, but to retain the eight pounds of quicksilver, which remain on balance with the artillery, for daily use. Continuation Continuation. Continuation. Continuation Continuation. Definite use of the powder mill. for daily use. Section 42. To hand over the five calabashes and 318 pounds of wax candles, which likewise remained on balance in the artillery, to the Dispenser for accountability. Section 43. To have the fixed cartridges carefully inspected, as well as the empty linen cartridges, and to order the Head of the Artillery to preserve the same. Section 44. To have the seven officers' tents, thirty-three common tents, and eleven firearm covers, under the supervision of the Master of Equipment, henceforth pitched monthly in good weather by the soldiers under the inspection of an officer in order to air them. Section 45. To sell for the going rate eighteen mansjouws which had been purchased to be used during a siege in the moat for transporting personnel into the covered way; as well as the firewood which had been purchased for a siege, along with the 8 3/4 stacks of firewood that lay in stock at Kranganoor. Section 46. All these sales appear in further detail in the collective resolutions of 8 September and 3 December 1784; and a report thereof is made in the general description now being transmitted, Sections 126, 128, 129, and 143. Section 47. On this occasion, the question was also brought to the table whether one should continue with the manufacturing of gunpowder, which, upon the outbreak of the war, one had of necessity been obliged to de ci sipahis. decide upon, and in this regard it was particularly noted that the stock thereof, which was fixed for this command by Batavian resolution of 9 August 1755 at 120,000 lb, currently already amounted to 133,000 pounds, and that the powder which is manufactured here came to cost f 27. 19. - per 100 lb, whereas the powder from Ceilon was charged at only f 20. -, and from Batavia at only f 16. 10. -. Section 48. But because 120,000 lb is somewhat little, and the gunpowder at Batavia and Kolombo is calculated solely according to the ingredients, or the saltpetre, sulphur, and charcoal consumed for it, without the addition of the labor wages, whereas the powder made here is burdened with the labor wages, we have provisionally decided to continue with the manufacturing of the same up to 140,000 lb, for we have no barrels for a larger quantity, and subsequently to have no more manufactured than is required for daily use, regarding which I request the esteemed approval of Your Right Excellencies for the future. Section 49. Lastly, under this matter, I have the honor to report further that the last four companies of foreign sipahis have also been discharged, in accordance with the explicit and repeated orders of Your Right Excellencies, as we believe that we currently stand in fact on as good a footing with the Nabab as we could ever achieve without an express treaty. But Continuation Retention of the Sgegot. Report and Account. Section 50. But we have considered it necessary for the time being to keep the three companies of sjegos in service for garrisoning Seranganoor and Aikotte, so as not to strip these places all at once, which might create too much of a stir among our neighbors and might at times inspire strange desires in them. Domestic affairs. Section 51. In my previous dispatches of 10 and 27 September 1784, I duly rendered an account of the proceedings of our commissioners to the Nabab Tipoe Sultan and of their return from Seringapatnam. And from the joint communications of myself and the Council of 18 January last, Your Right Excellencies will have seen that the second commissioner, the junior merchant Ternede, had to pay with his life for the indescribable hardships endured on that journey. Section 52. I now have the honor, in continuation thereof, to report that the first commissioner, Koenraad George Seyffer, has indeed to this day not fully recovered from the illness which he brought with him from there, and in all probability will never again attain the full enjoyment of his former health; yet nevertheless, as soon as he had achieved some measure of recovery, he submitted a written report of their commission with the account of expenses, both of which are entered into our secret resolution of 8 January last now being transmitted, where

Dutch transcription

vervolg vervolg. vervolg honderd ropijen te valideeren, en om deeze een honderd ropijen almeede intetrekken, zoo dra de omstandigheeden gedoogen zullen, het garnizoen al„ „daar op den ouden voet te reduceeren en den inkoop van brandhout en hooi te doen ophouden §38. om te Aikotta een groote mansjouw van tien ropijen 's maands ten dienste van de officiers en een van de twee kleene manszouws van vier ropijen 's maands tot het overzetten van brieven afteschap„ „fen en de eene kleene mansjouw noch aantehouden. § 39: En om een tonie met een Mattroos en zeven koelies die te Aikotta voortliep meede af te schaffen. en § 40. Om de Medikamenten en het verband goed, nevens de slaap kooien, die voor een beleegering ingekocht waaren, per vendietsie te verkoopen, zoo meede de Medikamenten, die voor den Nabab Tipoe sultan toen hij met zijn leeger bij Panami stond, en aan Medicijnen groot gebrek had, ingekocht waaren, doch mits zijn schielijk vertrek naar de kust korman„ „del, niet verzonden zijn, en de kombaars en naar Kolombo of Batavia te zenden. voorts noch. §41. om zeeven p„s Enkelde jokken voor draag ossen. veertien „ Jokbouten en vier - „ vreetbakken, die in de expedietsie naar settua in het jaar 1778. gediend hebben, te laaten verkoopen, doch de agt pond quikzilver die bij de Artillerije per restant loopen voor dagelijx gebruik vervolg vervolg. vervolg. vervolg vervolg. bepaalt gebruik van de kruit molen. gebruik aante houden. §42. om de vijf kalbassen en 318. pond waxkaarsen die almeede in de Artillerij per restant waaren, aan den Dispencier ter verantwoording overtegeeven. §43. om de vaste pattroonen nauwkeurig te laaten visiteeren, zoo meede de leedige linne kardoesen en het Hoofd der Arthillerije het preserveeren van dezelven aan te beveelen. § 44. om de zeeven officiers-tenten, drie en dertig gemeene tenten en elf geweer mantels onder toezicht van den Equipaliemeester voortaan maandelijk bij goed weer onder opzicht van een officier door de Militairen te laaten opslaan om te luchten. § 45. om agttien mansjouws die ingekocht waaren, om bij beleegering in de gragt gebruikt te worden, tot het overzetten van volk in den bedekten weg, voor het geldende te verkoopen; gelijk ook het brandhout, het welk voor een beleegering ingekocht was zo meede de 8. ¾. stapels brandhout die te kranganoor in voor„ „raadlagen. §46. Alle deeze verkopingen blijken nader bij gemeene resoluitsien van den 8. september en 3„e December 1784: en word daar van verslag gedaan bij de thans overgaande generaale beschrijving § 126. 128. 129 en 143. § 47. Bij deeze geleegenheid quam ook de vraage op het tapijt, of men met het aanmaaken van buskruit zoude kontinueeren, waar toe men, bij het uitbaar„ „sten van den oorlog, uit noodzaaklijsheid had moeten be„ ver sipalis. besluiten en hier omtrend werd inzonderheid aange„ „merkt, dat de voorraad daar van, die voor dit kom„ „mandement bij Bataviasche resoluutsie van den 9:e Aug„s 1755. op 120000 lb: bepaald was thans reets 133'000. pond bedroeg, en dat het kruit het welk hier aangemaakt word, op ƒ27. 19. — d' 100. lb: te staan quam, waar tegen het kruit van ceilon maar met ƒ 20. —. en van Batavia, maar met ƒ16. 10: — was aangereekend. § 48: Doch wijl 120000 lb: wat weinig is, en het buskruit te Batavia en kolombo alleen bereekend word, naar de ingredienten, of de salpeter, zwavel en koolen, die daar toe verbruikt worden, zonder bijvoeging van het arbeids loon, waar tegen het kruit, het welk hiergemaakt word, bezwaard is met de arbeids loonen, zoo hebben wij bij provisie beslooten, met het aanmaaken van het zelve te kontinueeren tot 140000 lb: toe, want voor een grootere quantiteit hebben wij geene vaten, en vervolgens niet meer te laaten aanmaaken, als tot het dagelijx gebruik vereischt word, waar omtrend ik het geeerd goedvinden van uwe Hoogedelheeden voor den aanstaande verzoeke § 49. Laastlijk hebbe ik de eere onder deeze materie nadere afdanking van noch bericht te geeven dat ook de laaste vier kompa„ „niën uitheemsche sipahis volgens de uitdruklijke en herhaalde beveelen van uwe Hoogedelheeden afge„ „dankt zijn, wijl wij vermeenen, dat wij thans werk„ „lijk met den Nabab op zulk een goeden voet staan, als wij zonder een expres traslaat oit geraaken kunnen doch vervolg aanhouding van de sgegot. Rapport en Reekening §. 50. Doch de drie kompanien sjegos hebben wij vermeen voor eerst noch in dienst te moeten houden tot het bezetten van Seranganoor en Aikotte om deeze plaats en eens klaaps niet al te zeer te ontblooten het welk bij onze Buuren al te veel op ziens maaken en hen zomwijlen vreemde lusten inboezemen mogte Inlandsche zaaken. §51. Bij mijne voorgaanden van den 10.„e en 27. Sept 1784, hebbe ik behoorlijk verslag gedaan van de verrichtingen onzer gekommitteerden bij den Nabab Tipoe sullan en van hunne te rug komst van seringapatnam En uit de gemeene advisen van mij en den Raad van den 18 Janu Jongstl: zullen uwe Hoogedelheeden ge„ „zien hebben, dat de tweede gekommitteerden, de onder„ „koopman ternede, de op die reijze uitgestaane. onbeschrijflijke ongemakken, met de dood heeft moeten bekoopen.. §52. Thans hebbe ik de eere tot een vervolg van dien te berichten, dat de Eerste gekommitteerde koenraad George Seijffer, wel tot heeden toe van de ziekte die hij van daar meede gebragt heeft, niet ten vollen her„ „steld is, en ook naar alle waarschijnlijkheid noit weede„ „rom tot het volkomen genot van zijne voorige gezondheid zal geraaken, doch niet te min, zoo dra hij tot eenig ver„ „haal gekomen was, een schriftlijk rapport van hunne kommissie met de reekening van onkosten heeft in„ „gediend, die bijde bij onze thans overgaande sekreete resoluuitsie van den 8 Janu Jongstl: zijn ingeschreeven waar

NL-HaNA_1.04.02_10317_0157 view scan ↗

English

continuation. regarding the expenses to which I respectfully refer here. §53. Upon examining the report regarding their activities, your High Right Excellencies will see that the said commissioners, both at kalikut with the governor there and at seringapatnam with the Nabab, conducted themselves properly according to the instructions given to them, and left nothing untried that could in any way serve to achieve the intended purpose; that, in comparison with other envoys, they were also treated kindly by the Nabab, yet were unable to obtain a decisive answer from him regarding their proposals, but were obliged to acquiesce in his promise: that he would come to kalikut within two months and there declare himself upon our representations concerning sebtua and baponetti, as well as the commercial contract, to the satisfaction of the Company. §54. Your High Right Excellencies will furthermore see in detail from this that the said commissioners spent from the 27th of Mai to the 18th of September, and thus three months and twenty-one days, on that commission, and during all that time had to pay for and maintain a multitude of coolies and beasts of burden for the transport of themselves and their retinue, as well as the gifts and baggage, whereby the expenses were significantly increased and almost doubled, because the journey from kalikut to seringapatnam had to be undertaken in the very heart of the rainy season, which latter circumstance is solely to be blamed on the Governor at kalikut, who detained them for so long with all kinds of pretexts and promises. §55. Furthermore, your High Right Excellencies will see from it how they were obliged everywhere to spend money on the officials of the Nabab; on the journey to and fro, on the Governors, commanders, and lesser servants, in order to obtain their help and assistance for the continuation of the journey, and at the Court itself to obtain a favorable audience and a speedy departure, besides the gifts that had to be given on various occasions to a multitude of all kinds of household servants of the Nabab, whereby the total expenses have risen to the sum of thirteen thousand four hundred and forty-three ropijen, as appears from the detailed account forwarded herewith. §56. This sum, I do not wish to conceal it, went very much beyond all our estimates, but upon a careful examination of the account and of each and every particular item, we became convinced that the commissioners incurred no unnecessary costs, nor made any other expenditures than those to which they were obliged by the circumstances of the times, for which reason that account was also approved by us at the session of the aforementioned 8th of Januari, and it was subsequently decided to request your High Right Excellencies' qualification for the write-off, which request I accordingly hereby respectfully submit. §57. Since the costs of this mission had already run up so high beyond all expectation, I dared not make a proposal in our aforementioned meeting to intercede with your High Right Excellencies on behalf of the said commissioners for a bonus for this extraordinary commission. §58. However, I find myself obliged respectfully to bring to the attention of your High Right Excellencies how the said commissioners on this journey not only endured indescribable discomforts, misery, and dangers, but also suffered great damage to their clothing and other goods through the continuous rains, and how in particular the surviving widow and two small children of the aforementioned Junior Merchant vernede have thereby lost all worldly help and support along with their husband and father, and thus in this case appear to deserve the very special consideration, favor, and help of the Company and of your High Right Excellencies, wherein I therefore hereby recommend them in the strongest terms. Furthermore letter and gifts from the Nabab. the negotiation did not proceed. Correspondence regarding this with ceilon. continuation §59. Furthermore, the translation of the letter from the Nabab to me is inserted in the said secret resolution, along with the list of gifts, which consist of trifles, but which it would not be advisable to sell here, and are therefore sent over herewith for the esteemed disposal of your High Right Excellencies. §60. Since the Nabab, because of the war with the Marattas and Nisam Ali that was brought upon him by the English, has for the present had to abandon his intention to come down to the Lowlands, the further negotiation with His Highness has likewise made no progress up to now. §61. In my previous letter of the 27th of September last, I communicated in § 29 that I had requested the Governor of Ceilon, Mr. Falck, to support me with his advice as to how we should best conduct ourselves here if the Nabab, as was then suspected, should make war upon the King of Trevankoor, as well as whether, upon the arrival of the Nabab at kalikut, in accordance with his desire, further commissioners should be sent to His Highness. §62. The reply thereto of the 11th of oktober, which also accompanies this in copy, amounts to the following: 1st: His Honour found no difficulty in agreeing with me concerning our conduct to be observed in the assumed case. And

Dutch transcription

vervolg. nopens de kosten waar aan ik mij hier in eerbied gedraagen. §53. Bij het nagaan van het rapport zullen uwe Hoogedel„ nopons hunne verrichting„ heeden zien, dat gem gekommitteerden zich, zoo wel te kalikut bij den goeverneur aldaar, als ook te seringa„ „patnam bij den Nabab, behoorlijk naar de hen mede gegeevene instruksie gedraagen, en niets onbezocht ge„ „laaten hebben, wat eenigsints kost dienen, het be „doelde oogwit te bereiken; Dat zij ook, in vergelijking van andere gezandten, door den Nabab vriendelijk behandeld zijn, doch echter van denzelven geen beslis„ „send antwoord op hunne voorstellen hebben kunnen verwerven, maar genoodzaakt geweest zijn, te berusten in zijne belofte: dat hij, binnen twee maanden te kalikut koomen en zich daar, op onze voorstellingen, nopens sebtua en baponetti, mitsgaders het kontrakt van. koophandel, tot genoegen van de kompanie ver„ „klaaren zoude. §54. uwe Hoogedelheeden zullen daar bij wijders omstan„ „dig zien, dat gem Gekommitteerden van den 27 st Mai tot den 18:' September en dus drie maanden en een en twintig dagen, met die kommissie toegebragt hebben, en geduurende al dien tijd eene meenigte koe„ gt „lies en draagbeesten hebben moeten betaalen en onderhouden, tot transport van henlieden en hun gevolg, mitsgaders van de geschenken en bagasie, waar van de ongelden merklijk verzwaard en schier verdubbeld zijn, door dien de reize van kalikut naar serin„ . . vervolg. vervolg. Seringapatnam in het hartje van den regentijd heeft moeten ondernoomen worden, het welk laaste alleen aan den Goeverneur te kalikut te wijten is, die henl: dus lange met allerbij uitvluchten en belofte heeft opgehouden. §55. wijders zullen uwe Hoogedelheeden daar uit zien hoe zij genoodzaakt geweest zijn, over al aan de Somptenaaren van den Nabab geld te spendeeren, op de heen= en terug-reize aan de Goeverneurs, kom „mandanten en mindere Bedienden, ter verkrijging van derzelver hulpe en bijstand tot het voortzetten van de reize, en aan het Hof zelve ter erlanging van een gunstig gehoor en spoedig afscheid, behalven noch de geschenken, die aan eene meenigte van allerlij Huis bedienden van den Nabab, bij verschei„ „dene geleegenheeden, hebben moeten gedaan worden, waar door de gezamentlijke ongelden tot de somme van dertien duizend vier honderd en drie en veertig ropijen zijn opgeklommen, blijkens de daar van overgaande specifique reekening. §56. Deeze somme is, ik begeere het niet te ontveinzen heel veel boven onzer aller gissing gegaan, doch bij eene nauwkeurige examinaatsie van de reekening en van alle en iegelijke bezondere posten, zijn wij over„ „tuigd geworden, dat gekommitteerden geene onnoodige kosten gemaakt, noch andere uitgaven gedaan hebben, dan waar toe zij, naar de tijds-omstandigheeden ver „plicht geweest zijn, weshalven die reekening dan ook vervolg. verzoek ook, ter sessie van den 8„e Januari voormeldt, door ons geapprobeerd en vervolgens beslooten is uwer HoogEdelheeden qualigfikaatsie tot de afschrijving tes verzoeken, welk verzoek ik dienvolgende bij deezen eerbiedig voordraage § 57. wijl de kosten van deeze bezending nu reets zoo hoog boven alle verwachting opgeloopen waaren: zoo, hebbe ik in onze voormelde bij eenkomst geën. voorstel durven doen, om bij uwe Hoogedelheeden, ten behoeve van meermelde gekommitteerden, om een douceur voor deeze buiten gewoone kommissie te intercedeeren.. § 58. Jk vinde mij echter verpligt uw Hoogedelheeden. bij deezen in eerbied onder het oog te brengen, hoe. meermelde gekommitteerden, op deezen tocht. niet alleen onbeschrijflijke ongemakken ellende en gevaaren uitgeslaan, maar ook aan hunne klee„ „deren en verdere goederen door de kontinueele regens groote schade geleeden hebben, en hoe inzonderheid de nablijvende wedewe en twee kleene kinderen. van den meermelden Onderkoopman vernede daar bij te gelijk met haaren Man en vader alle wereld„ „sche hulpe en ondersteuning verlooren hebben, en dus in dit geval de gansch bezondere konside „raatsie gunst en hulpe van de komp en van uwe Hoogedelheeden schijnen te verdienen, waar in ik dezelven derhalven bij deezen op het nadruklijkste rekommandeere. Voorts brief en geschenken van den Nabab. de onderhandeling heeft geen voortgang gehad. Briefwisseling hier over met ceilon. vervolg §59. voort:s is bij gem: sekreete resoluutsie de vertaaling van den brief van den Nabab aan mij geinsereerd nevens de lijst der geschenken, die in kleenigheeden bestaan, doch die het niet raadzaam zijn zoude hier te verkoopen, en daar om nevens deezen ter geeerde disposietsie van uwe Hoogedelheeden overge „zonden worden. § 60. wijl de Nabab zeeder door den oorlog met de Ma„ „ratten en Nisam Ali, die hem door de Engelschen berokkend is, van zijn voorneemen om naar de Bene „denlanden aftekoomen, voor eerst heeft moeten afzie zoo heeft ook de verdere onderhandeling met zijne Hoogheid tot nu toe geen voortgang gehad. § 61. Bij mijn voorige van den 27. sto September jongst hebbe ik § 29. bedeeld, dat ik den Heer Ceilons Goe„ „verneur Falck verzocht hadde, mij met zijnen raad te ondersteunen, hoe wij ons hier best dien sen te gedraagen, indien de Nabab, zoo als toen vermoedt werd, den koning van Trevankoor quaame te beoor„ „logen, als meede of men bij aankomst van den Nabab te kaliscut, ingevolge zijne begeerte, nadere gekommitteerden aan zijn Hoogheid te zenden diende §62. Het antwoord daar op van den 11„e oktober het welk deezen meede in kopij verzeld, komt op het volgende uit. 1:/ zijn Edele vond geene zwaarigheid, om met mij eenstemmig te weezen omtrend ons te houden ge„ „drag in het veronderstelde geval En

NL-HaNA_1.04.02_10317_0161 view scan ↗

English

continuation. 2. And was of the opinion that sending commissioners to Calicut could not be refused, if the prince insisted upon it. 3. He even thought to take advantage of that opportunity to congratulate the Nabob upon his accession to the government. 4. For Chetwai and Pappinivattom he preferred an annual recognition over the payment of a lump sum once and for all, until one could see further ahead. 5. Travancore, through its conduct toward us in the war with England, had determined our response to its request for assistance itself, and therefore could not take our refusal amiss. 6. On account of our own political interest, we ought to spare no means to preserve the Raja, if possible through our intercession, at the expense of his purse. 7. By taking possession of some Travancore lands, which His Honour had advised in the year 1783, one would now anger Tipu. 8. With Tipu one must also seek to decline, as best as possible, the demand for aid against Travancore. Paragraph 63. Your High Honours see from this that this skilled statesman, who alas is now no more, fully agreed with me in the main matters. continuation. Remarks on the same. continuation. Request for an instruction. Paragraph 64. While Your High Honours will find in the continuation of that letter some further political measures, or rather designs, the execution of which seems subject to rather many difficulties and a doubtful outcome. Paragraph 65. Because Tipu Sultan has for the present been prevented by the invasion of the Marathas and of the Nabob of Golconda into his northern provinces from carrying out his intention against Travancore, and will find work enough to hold his own against these two enemies, who have been sent against him by the English, especially if the latter should also take part in it openly: thus the aforementioned objections seem to fall away of their own accord. Paragraph 66. However, if he should succeed in his design to pacify the Marathas and Nizam Ali with money and bring them over to his side, or in the continuation of the war overcome the same through the power of his arms, then one need not doubt for a moment that he will endeavor to carry out his currently halted intention against Travancore with redoubled fury. Paragraph 67. And because this, although it is not probable, may nevertheless happen in the end: I am obliged to request Your High Honours in the most emphatic manner to furnish me, or rather my successor, with positive orders on this weighty matter, upon which the welfare of this establishment will entirely depend if the case arises. Receipt of a letter from Ceylon with presents for the Nabob. Letter from here to the Governor at Calicut. Not answered hitherto. Receipt of another letter from Ceylon for the mentioned Nabob. Paragraph 68. Furthermore, I still have the honour to report that Governor Falck previously sent hither a letter and a quantity of presents for the aforementioned Nabob, and requested us to have the same delivered by our commissioners and to add some gift goods thereto. Paragraph 69. We have not been able to fulfill that request since then; but as Isaac Surjon informed the first undersigned that the Governor of Calicut, who had made a journey to the court of the Sultan since the return of our envoys, had returned with increased authority and power, we judged it expedient at the session of 22 February last to write to him and inquire whether he was qualified by his master to treat with our commissioners on these matters. Paragraph 70. The Dutch draft of that letter is inserted in our accompanying secret resolution of the said date, but no answer to it has arrived to this day. Paragraph 71. In the meantime, Governor van de Graaff has sent us another letter to the Nabob, to be delivered at an appropriate opportunity instead of that of Mr. Falck (of blessed memory), which after his decease could not decently be handed over. War between the Nabob and his enemies. continuation. Paragraph 72. Of the military operations between the Nabob and his enemies the Marathas and Nizam Ali little is heard with certainty up to now; from which I believe I may conclude with good reason that nothing of great importance can have occurred up to now. Report of Isaac Surjon. Paragraph 73. According to the account of the Jew Isaac Surjon, who arrived here from Calicut these days, the Nizam had been pacified by money, but against the Marathas the Nabob's army was still in the field at the river Krishna, the outermost border in the north. Paragraph 74. Because this Surjon was prevented by indisposition from coming into the town, and one could nevertheless obtain from him the best and most certain reports regarding the Nabob and his intentions: I sent the provisional secretary to him to inquire into it, who has submitted such a report thereof as I now have the honour to send along among the appendices hereto. Paragraph 75. The principal points consist of this: 1. That the Nabob was reconciled with his brother Karim Sahib, and had conferred upon him the supreme government over the southern provinces, or so-called Malabar. continuation.

Dutch transcription

vervolg- 2:/ En was van gedachten, dat het zenden van gekom„ „mitteerden naar kalckut niet ontlegd kost worden, indien de vorst daar op bestond. 3. / zelfs meende hij die geleegenheid waar te neemen om den Nabab met de komste aan de Regeering te vergelukken. a/ voor settua en Paponettij prefereerde hij eene jaarlijke rekognietsie boven de uitbetaaling van een vaste somme voor eens, tot dat men beter voor uit kost zien. 5. / Trevankoor had door zijne gedrag tegen ons in den oorlog met Engeland ons antwoord op zijn verzoek om bijstand zelve bepaald en kon dus onze weigering niet qualijk neemen. 6/ uit hoofde van ons eigen staatkundig belang dien„ „den wij geene middelen te spaaren om den Ralia. des mogelijk door onze voorspraak te behouden ten koste van zijn beurs. „:/ Door het in bezitting neemen van eenige Fre„ „vankoorsche landen, waar voor zijn Edele in 't jaar 1783. geadviseerd had, zoude men Tipoe thans ver„ „toornen. o/ Bij Tipoe molt men den Eisch van hulpe tegen Trevankoor meede zoo goed doenlijk zoeken te ontleggen. § 63. uwe Hoogedelheeden zien hier uit, dat deeze kun„ „dige staatsman, die thans helaas niet meer is, het in de hoofd zaaken volkoomen met mij is eens geweest vervolg. Aanmerkingen op dezelve vervolg. verzoek om een instrukisie geweest, § 64. Terwijl uwe Hoogedelheeden bij het vervolg van dien brief noch eenige nadere staatsundige maat„ „regelen, of liever ontwerpen zullen aantreffen, wel „ker uitvoering aan wat veele swaarigheeden en twijfelachtige uitkomst schijnd onderhevig te weezen §65. wijl Tipoe sultan door den inval van de Maratte en van den Nabab van golkonda in zijne noord„ „lijke provintsien voor eerst verhinderd geworden is, zijn voorneemen tegen Trevankoor ter uitvoer te brengen, en werks genoeg zal vinden, om zich teegen deeze twee vijanden, die hem door de Engelschen op het lijf gezonden zijn, staande te houden, voor al„ wanneer de laastgenoemden meede daar aan in 't openbaar mogten deel neemen: zoo schijnen de voorschreevene bedenkingen daar door van zelve te vervallen. §66. Edoch bij aldien hij in zijn toeleg om de Maratten een Nisam Ali met geld te bevreedigen en op zijne zijde te brengen, mogt slaagen, of bij voortgang van den oorlog dezelven door de macht zijner wapenen overwinnen, zoo behoefd men geen oogenblik te twijfelen, of hij zal zijn thans gestaakt voor„ „neemen teegen Trevankoor met verdubbelde woede trachten ter uitvoer te brengen. § 67. En wijl dit, of schoon het niet waarschijnlijk is, echter aan 't eind gebeuren kan: zoo ben ik ver on „plicht, uwe Hoogedelheeden op het nadruselijkst bri te ontvangst van een brief van ceilon met geschen„ ken voor den Nabab. brief van hier aan den Goeverneur te kalikul.! antwoordt. ontvangst van een anderen Nabab. te verzoeken, om mij, of liever mijnen opvolger„ op dit gewigtig stuk, waar van het wel zijn van dit Rtablissement, als het geval exsteerd ten eenemaal afhangen zal, met positive orders te munieeren. :§ 68. wijders hebbe ik noch de eer te melden dat de Heer Goeverneur Falck zeder eenen brief en een partij geschenken voor meerin Nabab herwaards gezonden en ons verzocht heeft denzelven door onze Gekommitteerden te laaten bestellen en er eenige geschenk goederen bij te voegen. § 69. wij hebben aan dat verzoek, zeder niet kunnen vol„ doen, doch wijl Izaak surjon aan den Eerstgetee„ „kenden te kennen gaf, dat de goeverneur van kalikut die zeeder de terug komst onzer Pezandten eene tocht naar 't Hof van den sultan gedaan had, met ver„ „meerderde autoriteit en gezag was te rug gekoomen zoo oordeelden wij ter sessie van den 22. e februari. Jongstl: diensteg, aan denzelven te schrijven en te verneemen, of hij van zijnen Meester gequalificeerd was, om over deeze zaaken met onze gekommit„ „teerden te handelen §70: Het nederduitsch gestel van dien brief is bij onze 's tot noch toe niet be„ overgaande sekreete resoluutsie van gem datum geinsereerd, doch daar op is tot heeden toe geen ant„ „woord gekoomen § 71. Inmiddels heeft de Heer Goeverneur van de brief van ceilon voor gem Rraaff ons een anderen brief aan den Heer Nabab toe„ oorlog tusschen den vervolg. toegezonden, om bij geleegenheid besteld te worden in stede van dien van den Heer Falck /g: g: / die na deszelfs overleiden, met geen graatsie kost overge „geeven worden. §72.: van de Oorlogs verrichtingen tusschen den. Nabab en zijne vijanden Nabab en zijne vijanden de Maratten en Nisam Ali hoord men tot nu toe weinig met zeekerheid; waar uit ik meene, met veel grond te mogen be„ „sluiten, dat er tot nu toe niets van groot belang moet voorgevallen zijn. §73. Volgens het verhaal van den Jood Izaak surjon relaal van Izaak Swyjen die deezer dagen van kalikut hier gekoomen is, zoude de Nisam door geld bevreedigd zijn, doch tegen de Maratten stond 'S Nababs Leger noch te velde aan de rivier kristna, de uiterste giensschei„ ding in 't Noorden. § 74. wijl deeze surjon door onpaslijkheid belet wierd in de stad te komen en men echter van hem noch al de beste en zeekerste berechten nopens den Nabab en deszelfs voorneemens kost erlangen: zoo hebbe ik den pl sekretaris bij hem gezonden om daar na te verneemen, die daar van zoodanig relaas heeft overgegeeven, als ik thans de eer hebbe onder de bijlaagen deezes overtezenden. § 75. het voornaamste bestaat hier in 1:/ dat de Nabab met zijnen broeder karim saib verzoend was, en denzelven het opperbestier over de a zuidlijke provintsien, of zoo genaamde Malabaa, op„ vervolg.

NL-HaNA_1.04.02_10317_0165 view scan ↗

English

note upon the same [illegible] concerning abaas, Terang anon had assigned. 2. That eight thousand sepoys and five hundred horsemen had been sent from Seringapatnam to Kalikut, to be distributed along this coast, as a precaution against an invasion by the English. 3. That with the arrival of Karim Saib an advantageous contract would be concluded with us. 4. That the Nabab, however, was displeased about the affair of Nagapatnam (which is described at large in the account) and therefore claimed two lakh pagodas from the Company, regarding which some of his ministers were of the opinion that this claim pertained only to the Government of Coromandel and not to this coast, and that therefore the Cochin Government was not liable for it, while others maintained that Coromandel and Malabar both belonged to one company, and thus were not to be distinguished. § 76. To what extent all this is well-founded, I do not know; but the second point has been confirmed by the arrival of a multitude of troops at Sawe Kattij and its environs, and although I cannot think that they have been sent with any design against us, I have nevertheless immediately sent some reinforcements and a quantity of palisades and entrenching tools and Aikotta. Correspondence with the French Government at Pondicherry. Government at Bombay. tools to Kranganoo, to secure that place in all unexpected events against surprise. § 77. We presently have no troops to defend Aikotte; the commander there has therefore received secret verbal orders from me to throw himself, in the event of unexpected attacks, with his small detachment into the tower or the stone redoubt at Paliporto, from where he can easily retreat, if necessary, into the Travancore borders. § 78. Under the heading of Foreign Nations, I find the following to report: § 79. From Pondicherry, Mr. Coutenceau, formerly colonel in the King's service, has informed me by an official letter that, on the death of the Marquis de Bussy, he has assumed authority, which has been duly answered by me, as appears from the copy-letters transmitted among the annexures. § 80. The Government at Bombay, by an official letter to me and the Council dated 11 January, has also given notice: and with the English That the Court of Directors of their Company, under the latest act of the British Parliament, have appointed Mr. Boddam as Governor and Commander-in-Chief of the Militia for the time being, together with Messrs. Sparkes and Church as Members of the Council, and that they had assumed the government on the 6th of that month. We Incident between the ship Blijenburg and an English vessel, the Racehorse. Continuation. Continuation. Continuation. Continuation. Continuation. § 81. We have replied to this courtesy by a letter of 7 February following, as appears from the copies thereof transmitted among the annexures. § 82. Lastly, I must still give Your Right Noblenesses an account of an incident between our ship Blijenburg, on its voyage from Colombo to this place, with an English ship named the Racehorse, commanded by William Burns, consisting in the following: § 83. When the aforesaid English ship came in sight of ours, it made such strange maneuvers that the master of the Blijenburg, Willem Jakob Andriessen, suspected that it might perhaps be one of the Maratha pirates who were then in these waters. § 84. And because it abandoned its course and came under our guns, he fired a shot and at the same time called out to keep off. § 85. The strange ship gave as an answer: the sea was as open to him as to us, he was an Englishman destined for Bombay, and he at the same time asked what ship this was. § 86. Upon our answer, a Dutch ship of war, he shouted to us: God damn you and your Dutch ship of war. § 87. Master Andriesz no longer doubted evil intentions and therefore ordered to fire with ball, whereupon the Englishman called out to fire no more, that he 1. Official complaint from Tellicherry. § 89. Defense of Master Andriesz. Official reply to Tellicherry. § 91. This affair seems likely to have no further consequence. The papers thereof are transmitted. he would keep off, which also happened. § 88. This ship, arriving at Tellicherry, handed in a written complaint there about this incident, which was sent to me by the Chief, Mr. Beaumont, with an official letter wherein he demands satisfaction for that affront. I have hereupon demanded an explanation from Master Andriesz and subsequently answered that letter officially, showing therein that Captain Burns had brought all this upon himself by his improper conduct. § 90. But because this matter was not within the department with an added request of a subordinate Chief, but of the Government at Bombay, I added to my letter to the said Chief the request: to enclose a copy of my letter alongside his report to the Governor and Council at Bombay, in order to prevent further needless disputes. The aforementioned ship The Racehorse has since returned from Bombay and is now lying in our roadstead, and since no further complaints or letters have been received either from Bombay or Tellicherry, I begin to suspect that they do not desire to push the matter any further. § 92. Nevertheless, I send herewith the copies of the exchanged letters and of the defense of Master Andriesz. I The conclusion. § 93. I commend Your Right Noblenesses and the weighty interests of the Company to God's protection, and remain with all respect and fidelity, (below stood) Right Noble, Highly Honorable, Widely-Ruling Lord and Well-Born, Stern Gentlemen, Your Right Noblenesses' humble and faithful servant, (was signed) J. P. van Angelbeek, (in the margin) Cochin, 30 April 1785. Agrees. Adriaan Bootlirk Secretary

Dutch transcription

aanmerking op het zelve aanstalden nopens abaas, Terang anon opgedraagen had. 2:/ dat agt duizend sipais en vijf honderd, Rui„ „ters van seringapatnam naar kalikut ge„ „zonden waaren, om langs deeze kust verdeeld te worden, uit voorzorge tegen een inval van de En„ „gelschen 3. / dat met de komste van karim saib een voor„ „deelig kontrakt met ons zoude geslooten worden. 4/ Dat de Nabab echter misnoegd was over het geval van Nagapatnam /: het welk bij het relaas breedvoerig beschreeven word:/ en dient„ „weegen twee lak pagooden van de komp pre„ „tendeerde waar omtrend eenigen van zijne Mi„ „nisters van gevoelen waaren, dat die pretensie maar betrekking had tot het Goevernement van Kormandel, en niet tot deeze kust, en dat dus het koetsiemsche Goevernement daar voor niet aanspreeklijk was, terwijl anderen beweer„ „den, dat kormandel en Malabaar beide aan eene kompanie toebehoorden, en dus niet te onderscheiden waaren. § 76. In hoe verre dit alles gefundeerd is, weet ik niet; doch het tweede stuk is, door de aankomst van een meenigte krijgtvolk te sawe kattij en daar omstreef bewaarheidt, en hoe wel ik niet kan denken, dat dezelven met eenig oogmerk tegen ons gezonden zijn: zoo hebbe ik echter ten eersten eenige versterking en een partij pallissaden en schans gereedschap de en Aikotta. briefwisseling met de fransche Regeering te Pondiclerij Goevernement te Bombai gereedschap naar kranganoo gezonden, om die plaats in alle onverhoopte gevallen tegen overrompeling te verzeekeren § 77. om Aikotte te defendeeren hebben wij thans geen volk de kommandant aldaar heeft derhalven van mij bij monde sekreete last, om zich, bij onverwachte aanvallen met zijn kleen detachement in den tooren of de steene redoude, bij Paliporto, te werpen, van waar hij des noods zich ligt in de Trevankoorsche Limite te rug kan trekken § 78. onder het Hoofd deel van Vreemde Naatsien vinde ik het volgende te bedeelen. § 39. van Pondicherij heeft de Heer Coutenceau, voor heen kolonel in 'skonings dienst, bij een officiellen brief aan mij bedeeld, dat hij mits het overleiden van den Markies de Bussij, het gezag had geaanvaardt, het welk door mij behoorlijk is beantwoordt, blijkens de sopij=brieven onder de bijlaagen overgaande §80. ook heeft het Goevernement te Bombai, bij een en met het Engelsche Ministeriellen brief aan mij en den Raad, van den 11„e Ianuari kennis gegeeven. Dat de Heeren Bewindhebberen van hunne komp, onder de jongste akte van het Britsche Parlement, den Heer Boddam tot Goeverneur en het Hoofd- der Milietsie in der tijd, mitsgaders de Heeren sparkes en Church tot Leden in den Raad hebben aangesteld en dat zij de Regeeringa op den 6: dier maand hadden aangetreeden. Wij voorval tusschen het schip Blijenburg. Racehorse vervolg vervolg vervolg vervolg vervolg §: 81. Wij hebben deeze vriendelijkheid beantwoordt, bij een brief van den 7:„e febr daar aanvolgende blijkens de afschriften daar van onder de bijlaagen overgaande. § 82. . Laastlijk moet ik uw Hoogedelheeden noch berecht geeven van een voorval tusschen ons schip Blijenburg op de reize van Kolombo naar herwaards in ' Engilsche schipshe met een Engelsch schip, the Racehorse genaamd, gevoerd bij William Burns, hier in bestaande §83. Het Engelsche schip voorn„t maakte toen het in 't gezicht van het onze quam, zulke vreemde bewee„ „gingen, dat de schipper van Blijenburg, Willem Iakob Andriessen; argwaande, dat het zomtijds een van de Maratfische zeerovers mogt zijn, die zich toen in het vaarwater bevonden. § 84. En wijl het zijnen koers verliet, en tot onder ons geschut quam, deed hij een schoot en riep teffens, om af te houden. §85. Het vreemde schip gees tot antwoord: de zee was voor hem zoo wel open, als voor ons, hij was een Engelsman naar Bombai gedestineerd en hij vroeg teffens naar oet schip § 86 op ons antwoord: een Hollandsch oorlogh. schip, vier hij ons toe. God verdoem jouw en jouw Hollandsch oorlogs schip. 587 schipper Andriesz twijfelde nu niet langer aan quaade voorneemens, en liet dus met scherp vuuren„ waar op de Engelschman riep niet meer te vuuren, hij 1. Ministerielle klachte van Tellicherij §89. verantwoording van schipper Andriese Ministeriel antwoord naar Telliseerie §. 91. dit geval schijnt van geen verder gevolg te zullen zijn. de papieren daar van gaan over. hij zoude afhouden, gelijk ook geschiede. § 88: Dit schip te Tellitseeri, koomende heeft daar een klacht schrift over dit geval afgegeeven het geen mij door het opperhoofd, Mft„r Beaumont toege„ „sonden is met een officiellen brief, waar bij hij satisfasisie over dat affront begeerd; Ik hebbe hier op van schipper Andriesz ver„ „antwoording gevraagd en vervolgens dien brief amptshalve beantwoordt, en daar bij aangetoond, dat kapitain, Burns zich dit alles door zijn onge „schikt gedrag had op den hals gehaald. § 90: Doch wijl deeze zaak niet van het departement met bij gevoegd verzoek was van een subalterne opperhoofd, maar van de Regeering te Bombai zoo voegde ik bij mijnen brief aan gem: opperhoofd het verzoek: om nevens zijn bericht aan den Goeverneur en Raad te Bombai een afschrift van mijnen brief te voegen tot voorkooming van verdere noodelooze disputen. Het eevengem schip The Racehorse is zeder van Bombai te rug gekoomen en legd thans op onze= rheede, en wijl daar meede van Bombai of Tel„ „lietseeri geen verdere klacheen of brieven ontvangen zijn zoo beginne ik te vermoeden dat men die zaak niet verder begeerd te pousseeren. §92. Niet te min zende ik de afschriften van de gewisselde brieven en van de verantwoordinge van schipper Andriese hier nevens Ik 't slot. § 93. Ik beveele uw Hoogedelheeden en de wigtige belangen der Maatschappij in Pots bescherming en blijve met alle eerbied en trouwe /onderstond/ Hoogedele Groot achtbaare wijdgebiedende Heer en weledele Gestrenge Weeren, uwer Hoogedelheeden onderdaanige en getrouwe, dienaar /was getekend I: P: van Angelbeek /in margine/ Koetsiem den 30. „e April 1785. Akkordeerd. Adriaan Bootlirk Sekret„s

NL-HaNA_1.04.02_10317_0173 view scan ↗

English

No. 2. Batavia To his High Nobility, The High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alting on behalf of the state of the free united Netherlands and its General Chartered East India Company Governor General and The Right Noble, Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord, Right Noble, Stern Lords! § 1. I have the honor, by this unexpected opportunity, to present to your High Nobilities the duplicates of my respectful letters of the 10th and 27th September last, with the appendices belonging thereto, and as a continuation of what was treated therein, only to impart here respectfully that the Nabab Tipu Sultan has not arrived in Calicut up to now, and to all thoughts will also not come for the present, because the Marathas and the Subah of Golconda Nizam Ali are waging war against him, whereby he is forced for the present to abandon his intentions which he might have had against Travancore. § 2. The general rumor goes that the English have caused him this war, and according to the latest letters from Colombo, people on the Coromandel Coast were of the opinion that they would soon also take part in the same as allies of Nizam Ali. § 3. Whatever the case may be, time will have to tell, and I shall not fail to inform your High Nobilities thereof on every occasion. While, after having commended your High Nobilities and the important interests of the Company to God's protection, I remain with all respect and loyalty. /below stood/ High Noble, Highly Esteemed, Widely Ruling Lord and Right Noble, Stern Lords! your High Nobilities' humble and faithful servant /was signed:/ J. G. van Angelbeek /in the margin:/ Cochin the 18th January 1785. Agrees Adriaan Poolvliet Secretary No. 3. Secret Malabar To the Noble Lord Johan Gerard van Angelbeek Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director over the Company's trade and establishments there Together with the Council Cochin Noble, Honorable, Valiant, Wise, Provident, Very Discreet The duplicate of your Honor's honored missive of the 12th December last, we did not receive until the arrival of the ship De Ceres on the 22nd of this month, the original sent with the Jonge Fredrik having not yet been delivered. We immediately took into consideration the proposal made to us by your Honor therein, and we are completely of the same opinion with your Honor that one should not let the opportunity pass to take possession again of our places, Paponetty and Chetwai. We also judge that one must try to retain the same as long as this can in any way take place amicably, but to retain these places against the will and wish of Tipu Sultan and to defend them with actual force against him, if he should emphatically insist on their return, we find by no means advisable. Paponetty and Chetwai do not seem to us to be of so much importance as to break friendship and good harmony with Tipu Sultan over them and thereby perhaps become involved in disturbances that could easily have the most disadvantageous consequences. In addition, the Company has the greatest obligation to Tipu Sultan and to his father Hyder Ali, since they have constantly conducted themselves as friends and protectors throughout the entire war with England. But above all, we must seek as much as possible to avoid all disputes with Tipu Sultan, because, if it is truly his intention to wrest Paponetty and Chetwai from us again, the entire power of Ceylon, combined with that of Malabar, would not suffice to offer him resistance. We find ourselves obliged to impart our sentiments to your Honor and would therefore judge it more advisable to retain Paponetty and Chetwai through amicable proposals; but if Tipu Sultan absolutely insists on their return, and shows that upon refusal he will retake the same by force, then we would rather return Paponetty and Chetwai to him again. Because it can nevertheless have a very good effect if the garrison of Cochin is reinforced in the present circumstances, and Ceylon can well spare some men, since the reports of the peace concluded in Europe become daily more probable, we have decided to let the Regiment of Luxembourg depart for Cochin. Half of it, which is stationed at Galle, will depart shortly with the ship De Ceres, which to that end is being unloaded with all possible speed, and the remaining part, which holds garrison at Colombo, we shall let follow as soon as we obtain a shipping opportunity for the transport, which we expect daily. For the rest, after friendly greetings, we remain /below stood/ Noble, Honorable, Valiant, Wise, Provident, Very Discreet, your Honor's good friends and servants /was signed/ I. W. Falck, Daniel de Bock, J. T. Coquart and C. de Cock /in the margin/ Colombo the 26th January 1784. Agrees Adriaan Poolvliet Secretary

Dutch transcription

N„o 2. Batavia Aan zijn Hoogedelheid, Den Hoogedelen Grootachtbaaren, wijdgebiedenden Heer M:r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene geoktroieerde oostindische kompanie Goeverneur Generaal ende De Weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndiën Hoogedele, Grootachtbaare, wijdgebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren! § 1: Jk hebbe de eere met deeze onverwachte geleegen- „heid uw Hoogedelheeden de duplikaaten van mijne eerbiedigen van den 10:e en 27:e september Jongstl: met de daartoe gehoorende bijlagen aan te bieden en tot een vervolg van het daarbij verhandelde hier alleen in eerbied te bedeelen, dat de Nabab Tipoe sultan. tot nu toe niet te kalikut gekoo= „men is, en naar alle gedachten voor eerst ook Apart en sekreet niet en niet koomen zal, doordien de Maratten en de souba van Golkonda Nisam. Ali, hem den oorlog aandoen, waar door hij genoodzaakt is zijne voorneemens, die hij tegen Trevankoor mogte gehad hebben, voor eerst te laaten vaaren. § 2. Het algemeene gerucht loopt, dat de Engelschen hem deezen oorlog berokkend hebben, en volgens de Jongste brieven van Kolombo, was men op de Kust kormandel van het gevoelen, dat zij eerlang mede deel in denzelven neemen zouden als geallieerden van Nisam Ali § 3. wat hiervan zij, zal de tijd moeten leeren, en ik zal niet nalaaten daarvan bij alle geleegen= „heid aan uw Hoogedelheeden kennis te geeven. Terwijl ik na uwe Hoogedelheeden en de wig= tige belangen van de Maatschappij in Gods be= „scherming verbeden te hebben, met alle eerbied en trouwe blijven. /onderstond/ Hoog edele Groot= „achtbaare wijdgebiedende Heer en weledele gestrenge Heeren ! uwer Hoogedelheeden onderdaanige en getrouwe Dienaarn /was getee= „kend:/ J: G: van Angelbeek /:in margine:/ Koetsiem den 18:e Januari 1785. Akkordeerd Adriaan Poolvliek Seknts N„o 3. sekreet Malabaar Aan den Edelen Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad Extra ordinair van Nederlands India, Gouverneur en Direkteur over 's kompenies handel en ommeslag aldaar Nevens den Raad Koetsiem Edele Erntfeste, Manhafte, wijze, voorzienige, zeer Diskreete Het duplikaat van Uweled=s g'eerde missive van den 12:e xber: J=o l=n, hebben wij niet eerder als met de komst van het schip De Ceres op den 22=e deser ontvangen, zijnde het met de Jonge Fredrik afgezondene origineel tot noch toe niet besteld. — Wij hebben ten eersten het door Uweledele aan ons daar bij gedaane voorstel in over „weeging Te „weeging genoomen en mij zijn met uwel Ed: volkoomen van het zelfde gevoelen, dat men de geleegendheid niet moeste laaten voorbij gaan om onze plaatzen, Paponettij en Tettua weder in bezit te neemen. wij oordeelen ook, dat men dezelve zoo lange moet tragten aantehouden, als zulks eenig „zints in der minne zal kunnen geschieden, maar om deeze plaatsen tegen wil en dank van Tipoe saltan aante houden en ze met fijlelijk geweld tegen denzelven te verdeedigen „zelver indien hij op de eruggaave met nadruk mogte aandringen, vinden wij volstrekt niet raad„ „zaam, Paponettyj en Settua scheinen ons niet toe win„ zoo veel belang te zyn, om daar over de vriend„ „schap en goede harmonie met Tipoe sultan te breeken en zich misschien daar door in onlusten te wikkelen, die ligtelijk van de nadeeligste gevolgen kunnen weezen. Daar bij komt nog dat de kompanie aan Tipo sultan en aan zynen Vader Haider Mi de grootste verplichting heeft, vermits zich dezelve geduurende den geheelen oorlog oorlog met England steets als vrienden en beschermers hebben gedraagen. Doch voornaamentlijk moeten wij zoo veel moogelijk is zoeken alle verschillen met Tipoe sultan te vermeiden, wijl, indien het werklyk zijn voorneemen is, ons Paponettij en sittua weder te ontweldigen, de geheele macht van Ceilon, vereenigt met die van de Malabaar, niet tereeken zouden, hem tegenstand te bieden. wij vin den ons verplicht aan uwel Ed:s onse ge„ „voelens meede te deelen en zouden dies raad„ „zaamer oordeelen, Paponette en Settua door minnelijke voorstellen te behouden; maar indien Tipoe sultan op derzelver terug gaave volstrekt aandringt, en blyken laat, dezelve bij weigering met geweld te zullen terug neemen, als dan zouden wij liever Paponettij en settua aan hem weeder terug geeven. wijl het echter des niet te min van een heel goede uitwerking kan weezen, indien het guarnisoen van koetsiem in de teegen„ „woordige omstandigheeden versterkt word, en en Calon wel eenig volk kan missen, vermits de narigten van de in Europa geslootene vreede daage„ „lijf waarschijnlyker worden, zoo hebben wij beslooten het Regimant van Laxembourg naar koetsiem te laaten vertrekken. De helfte daar van die te Tale legt zal binnen korten met het schip de Ceres vertrekken, dat ten dien einde met allen maar mogelyken spoed gelost word, en het overige gedeelte, het welk te kolombo garnisoen houd, zullen wij laaten volgen, zoo draa wij tot de overzending een scheeps geleegenheid krijgen, die wij dage„ „lyks verwagten wij blyven voor het overige na vriendelijke groete /onderstond/ Edele Erntfeste, Manhafte wyze, voorzienige, zeer diskreete, uwer Edele Dervriend en Dienaaren /was gete / Sm: W. Falck, Da„ „niel de Bock I. T. Coquart en C. De Cock /in margine/ kolombo den 26: Jan: 17884:-. Akkordeerd Adriaan Gootlirk Scknt.

NL-HaNA_1.04.02_10317_0181 view scan ↗

English

No 4. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Koetsiem. Wednesday the 31st of March 1784, forenoon. Present The honorable, highly esteemed Lord Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beits, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, and The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Johan Andries Daimichen. Absent The Honorable Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch, and The Honorable Junior Merchant and Purveyor Abraham Jean Scipion Vernede, the former due to indisposition and the latter due to duties in the Company's service. After the conclusion of the public business mentioned in today's common resolution, the Governor proposed to the assembly that there was no longer any need to doubt the peace between the Republic and England, since the signed preliminaries were already to be found in the newspapers, and that one ought therefore now to proceed to the reduction of the expenses that had been incurred up to now on that account. Among these, the discharging of the native troops that had been raised on account of this war certainly deserved the first place, but one ought to proceed with caution in this regard, since it was not yet known how the Nabab Tipoe Sultan was disposed towards the Company, and from his persistent silence regarding the letters written to him, no favorable omens could be inferred. It had indeed been resolved at the session of the 6th of February last to hand over Settua and Paponetti to him for the sake of peace, should he insist upon it, but it was not even known yet whether his demands would be limited to that alone, and whether he might not besides come forward with unjust pretentions and wish to enforce them by violence, whereby one might easily, against one's will and inclination, be brought into the necessity of resisting him with force and defending oneself to the best of one's ability. Prudence therefore seemed to advise retaining the first battalion of Sepoys in service for the time being, because if it were discharged here, it would immediately take service with the Nabab; and on the contrary, for the present, to discharge only the battalion of Koetsiem Sepoys, who, belonging here in the vicinity and in the country of the King of Koetsiem, would not seek service abroad, and could always be taken into service again immediately. Whereupon, having deliberated, it was approved and agreed by unanimity of votes to discharge the second battalion of Sepoys, consisting of Koetsiem Lascars, and to retain the first battalion, consisting of foreign Sepoys, in service for the time being, until one shall be better informed of the Nabab's intentions. Upon the proposal made to that end, it was further approved and agreed not to permit the spy money to be paid any longer, which had been assigned to the Chief at Kranganoor on account of the war, in the amount of fifty rupees per month; and to charge the Chief Administrator, as Trade Bookkeeper, with drawing up a list of all extraordinary expenditures and provisions that have taken place on account of this war, in order to resolve upon the necessary abolishment and reduction thereof at the next meeting. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Koetsiem, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: J. G. van Angelbeek, R. van Harn, N. W. Beijts, J. L. van Spall, C. G. Seijffer, W. van Haeften, and J. A. Daimichen. Agrees, Adriaan Coolvlet, Secretary. No 4. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Koetsiem. Tuesday the 13th of July 1784. Present The honorable, highly esteemed Lord Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beijts, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant Willem van Haeften, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Abraham Jean Scipion Vernede, The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Johan Andries Daimichen. Absent the first two on an embassy and the latter due to indisposition. After the conclusion of the ordinary business mentioned in the common resolution, careful deliberation was now held on the abolishment of the extraordinary expense items that have been incurred here for some years now, on account of the troubles with the Nabab Haider Ali Khan, and since then also on account of the war.

Dutch transcription

N„o 4. Sekreete Resoluutsie genoo= „sche troepen aftedanken. „men in Raade van Malabaar ter steede koetsiem Woensdag den 31:e Maart 1784. voormiddag Prezent De weledele groot achtb: Heer Raad extra ordinair van Nederlands Jndien Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek, De E: Heer opperkoopman en Hoofdadministratr: Reinier van Harn¬ De E: Koopman, Fiskaal en kassier M:r Nikolaas wendelin Beits, De E: onderkoopman en Pakhuijsmeester Jan Lambertus van spall, De E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, De E: onderkoopman Willem van Haeften, en De E: onderkoopm: en sekret:s van polietsie Johan Andries Daimichen Absent De E: Heer Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch en De E: onderkoopman en Dispensier Abraham Jean Scipion vernede de eerste door indisposietsie en de laatste door bezigheeden in 's komp:s dienst Na het afloopen van de publieke zaaken bij de gemeene resoluutsie van heeden vermeldt, proposietsie om de Jnlands stelde de Heer Goeverneur aan de vergaade= „ring voor, dat men aan den vreede tusschen de op aanmerking daar omtrend de Republiek en Engeland niet verder behoefde te twijfelen, door dien de geteekende prelimina= „rien, reets in de nieuws papieren gevonden wier= „den, en dat men derhalven als nu behoorde overtegaan, tot het verminderen van den omslag, die om dies wille tot nu toe had plaats gehad, waar onder het afdanken van de Jnlandsche troepen, die om den wille van deezen oorlog op= gericht waaren wel d' eerste plaats verdiende, doch dat men daar omtrend met voorzichtigheid, diende te werk te gaan, door dien men tot nu toe niet wist, hoedaanig de Nabab Tipoe sultan tegen de kompanie gezind was, en men uit zijn hartnekkig stilswijgen op de aan hem geschreevene brieven, geen gunstige voorteekens kost afleiden; Dat men wel ter sessie van den 6:e februari Jongstl: beslooten had, settua en Paponetti, uit liefde tot den vreemende aan hem overtegeeven, indien hij daar op dringen mogt, doch dat men zelfs noch niet wist, of zijne eischen zich daar toe al= „leen wel zouden bepaalen, en of hij niet bui= „ten des noch met onbillijke pretentsien zou„ „de opkoomen, en dezelven met geweld willen doorzetten, waar door men ligt, tegens wille en dank, zoude kunnen in de noodzaaklijk „heid besluit de koetsiemsche sipahis aftedanken. en de buitenlandsche aantehouden. mitsgaders het spioens geld„ voor het kranganoors opper= „hoofd afteschaffen. „heid gebragt worden, zich tegen hem met geweld te verzetten, en naar vermoogen te verweeren; Dat de voorzichtigheid derhalven scheen aan te raaden, om het eerste Battaljon sipais voor eerst noch indienst te houden, want dat het zel„ „ve hier afgedankt wordende, ten eersten bij den Nabab dienst neemen zoude, en daar en teegen voor eerst maar alleen het Battaljon koet= „ siemsche sipais afdanken, die hier omstreeks en in het land van den koning van koetsiem te huis hoorende, geen dienst buiten slands zoe= ken zouden, en altijd ten eersten wederom kon „den indienst genoomen worden. waarop gedelibereerd zijnde: zoo is met een= „paarigheid van stemmen goedgevonden en ver= „staan, het tweede Battaljon sipais, bestaande uit koetsiemsche Laskorijns aftedanken, en het eerste Battaljon, bestaande uit buiten= „landsche sipahis, voor eerst noch indienst te houden, tot dat men van 's Nababs intentsie beter geinformeerd zal zijn. op de daartoe gedaane propositie, is wijders goed= gevonden en verstaan, het spions geld, het welk aan het opperhoofd te kranganoor, om den wille van den oorlog is toegelegd geweest, ten bedraagen van ropijen vijftig 's maands, niet verder e verder te laaten opbrengen, en aan den E: Hoofd- „ administrateur als Negootsie boekhouder opte draa= „gen om van alle extra ordinaire uitgaven en ver= strekkingen, die om den wille van deezen oorlog hebben plaats gehad, een lijst te formeeren, om daar op in de naaste bij eenkomst het noodige tot derzelver afschaffing en vermindering te besluiten Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Mallabaar ter steede koet= „sien, ten daage, maand en Jaare voormeld /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek, R: van Haan, N: W: Beijts, J: L: van Spall, E: G: Seijffer, w: van Haeften en J: A: Daimichen Akkordeerd Adriaan Coolvlet Sekret„s de n N„o 4. Sekreete Resoluutsie ware eenige lastposten De weledele Groot achtbaare Heer Raad Extra ordinair van Nederlands Jn„ „diën, Goeverneur en Derekteur Johan Gerard van Angelbeek, De E Heer opperkoopman sekunde en Hoofd administrateur Reinier van Harn, De E Heer Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch, De E: koopman Fiskaal en kassier M:r Nikolaas Wendelin Beijts, De E: onderkoopman en pakhuismeester Ian Lambertus van Spall, De E: Onderkoopman Willem van Kaesten De E: onderkoopman en soldyj Boekhouder Coenraad George Seijffer, De E: onderkoopman en Dispencier Abraham Iean Seipion Vernede, De E: onderkoopman en sekretaris van Poliethie Iohan Andries Daimichen, de twee eerste in ambassade en de laatste door in dispo„ Sietsie Na het afloopen van de ordinaire zaaken bij de gemeene't deliberaatsie tot de afschaffing resoluutsie vermeldt, werd als nu aandachtig gedelibereerd over de afschaffing van de buiten gewoone lastposten, die hier nu eenige Jaaren, om den wille van de onlusten met den Nabab Haider Alichan, en zeeder ook, weegens den abzont Dingsdag den 13„e Iuli 1734. Prezent genoomen in Raade van Mallabaar ter steede Koethiem. oorlog op

NL-HaNA_1.04.02_10317_0186 view scan ↗

English

war with England, of which in compliance with the secret resolution of this assembly of the 31st of March last a distinct statement was made at the trade office, and it was thereupon unanimously approved and resolved. Here in Cochin Resolution: No bonus to be granted to the commanders of the battalions. To discontinue the bonus of the commanders of the battalions of Sipahis, which was determined by secret resolution of the 11th of April 1782 and fixed at fifty rupees per month, as of the end of this month. To discharge the house carpenters who were engaged in the month of May 1782 for the production of all kinds of carpentry work for an imminent siege, as of the end of this month. Likewise to discharge as of the end of this month the extraordinary craftsmen in the blacksmith's shop, who had to be engaged for that purpose as well, consisting of three coppersmiths, four locksmiths, two scabbard- and cartridge-pouch-makers, and four sledgehammerers. To determine the night light in the Sipahi camp outside this town for the three companies that are still stationed there at present. To abolish the watchers against the desertion of the military: four ayahs, twenty-three lascars, four manchuas, with four mukaddams and sixteen coolies hired in the month of February 1783 against the desertion of the military, to be discharged as of the end of this month. To discharge the native seamen on the Flying Fish as of the end of this month: the sarang, the tindals, and the Moorish sailors who are appointed to the Flying Fish. To abolish the charges for vessels and coolies for transporting goods: no longer to tolerate in the accounts the charges for vessels and coolies for transporting goods to the outer offices, but to have those transports carried out with the Company's vessels from now on. At Cranganore To abolish one large manchua of ten rupees per month for the service of the officers, and one of the two small manchuas of four rupees per month for the transport of letters, fixed at the session of the 15th of June 1780, and still to retain the one small manchua. For coconut oil for night lights and other daily necessities, for which two hundred and sixty-five rupees per year have been charged since the war, to allow in the new financial year no more than one hundred and thirty-five rupees per year according to the regulations of the end of August 1772. Instead of two hundred rupees fixed for the maintenance of eleven watch-posts and barracks, to allow from now on only one hundred rupees, as the number of those buildings has been reduced by more than half, and also to withdraw these one hundred rupees as soon as circumstances allow the garrison there to be reduced to its former footing, and furthermore to cease the purchase of firewood and hay from now on. At Ayacotta To abolish one large manchua of ten rupees per month for the service of the officers and one of the two small manchuas of four rupees per month for the transport of letters, fixed at the session of the 15th of June 1780, and still to retain the one small manchua. Furthermore, with regard to the remnants that were procured on account of the war, it was approved and resolved: To sell of the large remnant of coconut oil eight thousand kannen or twenty leggers, and the whole stock of domestic vinegar, also consisting of twenty leggers, and to authorize the Honorable Chief Administrator to take advantage of the sailing season for that purpose, so that all this may be disposed of without loss to arriving foreign ships and bombaras. To sell by public auction the medicines and the bandage materials, along with the sleeping berths, which were purchased for a siege according to the secret resolution of the 11th of April 1782, as well as the medicines that were purchased for the Nawab Tipu Sultan when he held the English besieged near Ponnani, but which were not sent due to his sudden departure to the Coromandel Coast; but to send the blankets to Colombo or to Batavia. Also to sell: seven pieces of single yokes for pack-oxen, fourteen yoke-bolts, and four feed-troughs, which served in the expedition to Chetwai in the year 1778. To retain the quicksilver for daily use: eight pounds of quicksilver that are on the artillery inventory for daily use. Also to transfer five pieces of calabashes and 318 pounds of wax candles remaining in the artillery to the Steward for accounting. To have the fixed cartridges carefully inspected. To have the empty linen cartridge-cases inspected, and to enjoin upon the Head of Artillery the observance of the resolution of the 10th of December 1779 and the arrangements made thereby for preserving them. To take care of the field tents and gun covers: to have the seven officers' tents, thirty-three common tents, and eleven gun covers pitched monthly under the supervision of the Master Attendant in good weather to air out, for which the Commander of the Militia is requested to command an officer each month with the necessary non-commissioned officers and common Europeans. Eighteen manchuas, which according to the secret resolution of

Dutch transcription

„danten van de Battaljons geen douceur te verstrekken afsedanken ook de extra ordinaire am„ bagtslieden in de smetswin„ bill- nachlicht te bepaalen de deserteurs oorlog met England, hebben moeten gedraagen worden, ^ deezer vergaadering waar van in naarkooming van het sekreete besluit van de den 31:e Maart Jongstl: ten negootsie kantoore eene distinkte aanwijzing gemaakt is, en werd als nu met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en ver„ staan. Hier te Koetsiem Het douceur van de kommandanten over de Bat„ Resoluutsie besluit aan de komman„ „taljons Sipahis, 'twelk bij sekreete desluitsie van den 11. ' April 1782. gearresteerd en op vijftig ropijen smaands bepaald is, met ultimo deezer te laaten Cesseeren. De Huistimmerlieden, die in de maand Mai 1732 in de aangenoomene timmerleden dienst genoomen zijn, tot het aanmaaken van allerlij tim„ „mer arbeid voor een aanstaande beleegering, met ultimo deezer aftedanken. De extra ordinaire ambagtslieden in de Smitswinkel, die meede tot dat einde hebben moeten aangenoomen worden, insgelijx met ultimo deezer aftedanken, bestaande in drie koperslagers wier slootemaakers, twee scheede= en patroontas= „maakers en vier voorslaagers. Het nachtligt in het kamp Sipahis buiten deeze stad te bepaalen voor de drie kompanien die daar thans noch leggen. De inde maand februarij 1723 in huurgenoomene vier afteschaffen de wagters teegen Avaatjes, drie en twintig laskorijns; vier Mansjouws, met vier Mokkadons en sestien koelies teegen de desertsie van de Jnlandsche zeevaarende „de vliegende visch afte anker ongelden van vaartuigen een goederen afteschaffen van de Militairen met ultimo deezer aftedanken. Den Sarang, de Tandels en Moorsche Mattroozen, die op de vliegende visch bescheiden zijn mede ultimo deezer afte¬ „danken. De ongelden aan vaartuigen en koelies tot het overbrengen koelies tot transporteeren van goederen naar de buiten kantooren niet verder in reeke„ „ning te dulden maar die transporten voortaan met 'skomp„s vaartuigen te laaten geschieden. Te Kranganoor Een groote Mansjouw van tien rop„s smaands, ten dienste van de officiers, en een van de twee kleene Mansjouws van vier ropijen 'smaands tot het overzetten van brieven g'arresteerd ter sessie van den 15„e Juni 1730: afteschaffen en de eene kleene Mansjouw noch aantehouden. voor kokus-olij tot nachtlicht en andere dagelijxe be„ „noodigdheeden waarvoor zeeder den oorlog twee honderd vijf en sestig ropijen 's Jaars opgebragt zijn, in het nieuwe boekjaar niet meer te laaten valideeren dan een honderd vijf en dertig ropijen s Jaars volgens reglement van ultimo augustus 1772. In steede van twee honderd ropijen, die voor het onderhouden van elf wrachten en kasernen bepaald zijn voortaan maar een honderd ropijen te valideeren, alzoo het getal van die gebouwen op de kleenste helfte ver„ minderd is, en deeze een honderd ropijen almeede intetrek„ „ken zoo dra de omstandigheeden gedoogen zullen, het garrisoen aldaar op den ouden voet te reduceeren, en voorts voorts den inkoop van brandhout en hooi van nu afaan te doen ophouden Te Hikotte Een groote Mansjouws van tien ropijen 's maands ten dienste van de officiers en een van de twee kleene Mansjouw van vier ropijen 'smaands tot het overzetten van brieven, het gearresteerd ter sessie van den 15„e Iuni: 1730: afteschaffen briek en de eene kleene Mansjouw noch aan te houden voorts is met opzicht tot de restanten die om den wille van den oorlog aangeschaft zijn, goedgevonden en verstaan. van het groot restand kokus oli agtduizend kannen of twintig leggers, en den heelen voorraad van inlandsche „tzijn, bestaande meede in twintig leggers te laaten verkoopen, en den E: Hoofd administrateur te qualificeeren, om daar toe de geleegenheid in den vaarbaaren tijd waar„ „teneemen, op dat het een en ander aan de invallende vreemde scheepen en Bombaras zonder verlies afge¬ „zet worde. De Medikamenten en het verband goed, neevens de slaapkooien, die volgens sekreete resoluuitsie van den 11„e April 1732. voor eene beleegering ingekocht zijn, per vendicutsie te laaten verkoopen gelijk ook de Medika„ „menten die voor den Nabab Tipoe Sultan, toen hij de Engelschen bij Panani ingeslooten hield, in gekocht doch mits zijn schielijk vertrek naar de kust kor„ mandel niet verzonden zijn; doch de kombaarsen ne naar briek aantehouden sen ook de kalbassen en waxkaarsen De vaste patroonen en lin„ ne kardoezen te laten visiteeren zorge te dragen voor de veld„ tenten en geweer mantels naar Kolombo of naar Batavia te zenden. zeeven pees enkelde Jakken voor draagossen veertien „ Jokbouten en vier „ vreetbakken Die in de expedietsie naar Settua in het Jaar 1778, ge„ „diend hebben, almeede te laaten verkoopen, het quiteselver tot ge„Agt pond quiksilver, die bij de Arthillerij per restand loopen voor dagelijx gebruik aantehouden. vijf pees kalbassen en 318. lb. waxkaarsen almeede in de Artillerij per restant, aan den Dispencier ter verantwoor„ „ding te laaten overgeeven. De vaste patroonen nauwkeurig te laaten visiteeren De leedige linne kardoezen te laaten visiteeren, en aan het Hoofd der Artillerij de observantsie van de reso„ „licutsie van den 10„e December 1779, en de daar bij ge„ „maakte schikking tot het preserveeren van dezelven aantebeveelen. De zeeven officiers tenten, drie en dertig gemee¬ „ne tenten en elf geweer mantels, onder toezicht van den Equipasiemeester, voortaan maandelijx bij goed weer te laaten opslaan om te luchten, waartoe aan den kommandant van de Milietsie word gede„ „mandeerd, alle maanden eenen Officier met de nodige onder officiers en gemeene Europeeschen te komman„ deeren Agttien Mansjouws, die volgens sekreete resoluutsie van

NL-HaNA_1.04.02_10317_0190 view scan ↗

English

to sell the manchuas purchased here, as well as the firewood purchased on 11 April 1732 to be used in the moat during a siege, for the going rate, as well as the firewood that was purchased for a siege, to which end the 8¾ stacks of firewood that are in stock at Cranganore shall be sent hither. Lastly, with respect to the supply of gunpowder, which by the Batavian resolution of 9 August 1755 was set at one hundred and twenty thousand lb, but through local production has grown to one hundred and thirty-three thousand pounds, it was taken into consideration whether one should continue further with the production thereof, and noted in this regard that the gunpowder produced here costs ƒ27:19:— per hundred pounds, and that, on the other hand, the powder from Ceylon is charged at only twenty and from Batavia at ƒ16:10:—, according to which calculation the manufacturing of powder here seems to be disadvantageous; but that the gunpowder in Ceylon and Batavia is probably calculated only by the ingredients without adding the labor wages thereto, because the master powdermakers and other servants of the powder mills there are permanent Company servants whose salary and emoluments are charged to pay and rations, whereas here locally all the work is performed by coolies, whose daily wages are also charged to the powder. And it being further noted that the fixed quantity of 120,000 lb for this fortress is rather too small in case of a siege, and that the supply here is reduced yearly by consumption, it was approved and understood, upon the proposal of the Lord Governor, to continue with the production of powder until the supply shall amount to one hundred and forty thousand pounds, because one has no barrels on hand for a larger quantity, and subsequently to have no more produced than is required for consumption and distributions. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. (was signed) J. G. van Angelbeek, R. van Harn, F. von den Busch, N. W. Beijts, J. L. van Spall, and W. van Haeften. Adriaan Poolvliet, Secretary. Agrees. No. 4. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin, Friday the 3rd of December 1784, forenoon. Present: The Right Honorable Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beijts, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Willem van Haeften, and The Honorable Provisional Secretary of Policy Adriaan Poolvliet. Absent: The Honorable Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch, due to indisposition. In the secret resolution of 13 July last, among the expense items that had to be introduced on account of the war and now ought to be abolished again, a thoni with one sailor and seven coolies running at Ayacotta was overlooked; thus it is now, upon the proposal of the Lord Governor, approved and understood to abolish the same hereby as well. Furthermore, in order to pursue economy further to the best of our ability, it was approved and understood to grant from now on no more than four rupees salary and one parra of rice per month for an interpreter at Ayacotta, who until now has enjoyed six rixdollars per month. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. (was signed) J. G. van Angelbeek, R. van Harn, N. W. Beijts, J. L. van Spall, C. G. Seijffer, W. van Haeften, and Adriaan Poolvliet. Adriaan Poolvliet, Secretary. Agrees. No. 5. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin, Saturday the 8th of January 1785, after church time. Present: The Right Honorable Councillor Extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Major and Head of the Militia Fredrik von den Busch, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beijts, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Jan Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Willem van Haeften, and The Honorable Provisional Secretary of Policy Adriaan Poolvliet. Circulated among the Honorable Members and now brought to the table being the report of the Junior Merchant Coenraad George Seijffer, who, pursuant to the secret resolutions of this Board of 8 January and 25 May 1784, was sent with the Junior Merchant Abraham Jean Scipion Vernede as Commissioners to the Nawab of Mysore, Tipu Sultan Bahadur, and who both on 18 September last from

Dutch transcription

de mansjouws hier ingekogt te verkoopen, ook het brandhout van den 11 April 1732, ingekocht zijn om bij belegering in de gracht gebruikt te worden, voor het geldende te verkoo„ „pen, gelijk ook het brandhout, het welk voor een beleegering ingekocht is, zullende, de 8¾ stapels brandhout, die te kranganoor in voorraad zijn tot dat einde herwaarts be gezonden worden. 1400 Laastlijk voerd, met opzicht tot den voorraad van buspoeder, die bij Bataviasche resoluuittie van den 9„e Aug„s 1755: op eenmaal honderd en twintig duizand lb: bepaald, doch door het aanmaaken alhier tot een„ maal honderd en drie en dertig duizend ponden aan „gegroeid is, in overweeging genoomen, of men met het aanmaaken van het zelve verder zoude kontinueeren en hieromtrend aangemerkt, dat het buspoeder het welk hier aangemaakt word op ƒ27:19:— de honderd pond te staan komt, en dat daar en teegen het kruit van Ceilon maar met twintig en van Batavia met ƒ 16: 10:— is aan gereekend, naar welke bereekening het maaken van kruit alhier schijnt nadeelig te weezen, doch dat het buskruit te Ceilon en Batavia waarschijnlijk alleen bereekend is, naar de ingredienten zonder het arbeids loon daar bij te voegen, door dien de Baazen kruitmaakers en verdere bedienden van de kruit„ „moolens aldaar, vaste 's komp„s Dienaaren zijn, wel„ „ker gasie en emolumenten op soldijen en randtoenen belast worden daar hier ter plaatze al het werk door koelies verricht word, welker dagloonen meede op dan besluit het voorraad van tot 140000. lb te vergrooten en dan maar aantemaaken wat tot konsump sie nodig in op het kruid bereekend worden. En wijders noch aangemerkt zijnde, dat de bepaalde quantiteit van 120'000: lb voor deeze vesting, in val van beleegering, wat al te kleen is, en dat de voorraad alhier door de konsumptsie Jaarlijx verminderd word: zoo werd op de proposietsie van den Heer Goeverneur goedgevonden en verstaan met het aanmaaken van kruit te kontinueeren, tot dat de voorraad een maal honderd en veertig duizend ponden groot zal zijn, door dien men voor een grootere quantiteit geen vaten aan handen heeft, en vervolgens niet meer te laaten aanmaaken, als tot de konsumptsie en verstrekkingen vereischt worden. Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearres„ „teerd in Raade van Mallabaar ter steede koethiem ten daage maand en Jaare voormeld - /:was geteekend:/. I„ G van Angelbeek, R: van Harn, F: von den Busch, N: W: Beijtt, I: L: van Spall:, en W van 'T laasten Adriaan Coolvlick Sekret:s Akkordeerd N„o 4. sekreete Resoluutsie genoo= „men in Raade van Malabaar ter steede koetsiem Vrijdag den 3=e December 1784. Prezent voormiddag De Weledele Grootachtbaare Heer Raad extra ordinair van Nederlands Jndien; Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek, De E: Heer Opperkoopman sekunde en Hoofdadminist:r Reinier van Harn, De E: Koopman, Fiskaal en Kassier M:r Nikolaas Wendelin Beijts, De E: onderkoopman en Pakhuismeester Ian Lambertus van spall, De E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, De E: onderkoopman en Dispensier Willem van Haeften en De E: p:r sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet absent De E: Heer Majoor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch door indisposietsie Bij sekreete resoluutsie van den 13: Juli Jongstl: onder de lastposten, die om den wille van den oorlog hebben moeten geintroduceerd en thans wederom dienen afgeschaft te worden, over het hoofd gezien zijnde een thonie met een Mattroos en zeeven koelies, die te Aikotte voortloopt; zoo is als nu op op O op de proposietsie van den Heer Goeverneur goedg vonden en verstaan, dezelve ook bij deezen afte „ schaeffen. wijders is om de menage verders naar vermoogen te behartigen, goedgevonden en verstaan, voor een Tolk te Aikotte, die tot nu toe 's maands ses rijxd genooten heeft, voortaan niet meer dan vier ropije gasie en een parra rijst 's maands toetestaan. Aldus Gedaan; Geresolveerd en Gearres= „teerd in Raade van Malabaar ter steede koet= siem ten dage, maand en Jaare voormeld. /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek R: van Harn, N: W: Beijts, J: L: van Spall C: G: Seijffer, W: van Haeften en Adriaan Poolvliet. Adri aan Boolvlist Akkordeerd Sekret:s an iit N„o 5. Gekreete Resoluuitsie op Saturdag den 8=e Januari 1785. na kerktijd present. genoomen in Raade van Mallabaar ter steede koetsiem De weledele Grootachtbaare Heer Raad extraordinair van Nederlands Jndien Goeverneur en Direkteur Iohan Gerard van Angelbeek De E Heer Opperkoopman Sekunde en Hoofdadministrateur Reinier van Harn „ Majaor en Hoofd der Milietsie Fredrik von den Busch De E koopman, Fiskaal en kassier M:r Nikolaas wendelin Beits De E Onderkoopman en Pakhuismeester Jan Lambertus van Spall en soldij Boekhouder Coenraad George Seeffer „ - - - . „ en Dispensier Willem van Haesten en p:l sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet „ - - - „ Onder de E Leden rond geleezen en thans ter tafel gebragt zijnde het bericht van den onderkoopman koenraad George seiffer, die volgens sekreete resoluutsien deezer Favel van den 8:e Januarij en den 25. e Mei 1784, met den onderkoopman Abraham Jean Scipion vernede als Gekom„ „mitteerden aan den Nabab van Maisoer Tipoe sultan Bahadoer is gezonden geweest, en die beide op den 18:e September pass=o van „

NL-HaNA_1.04.02_10317_0198 view scan ↗

English

have returned from there in a very sickly condition, of whom the last-mentioned has already passed away: thus deliberation was now held concerning its contents and the accompanying account of expenses, and in particular it was taken into consideration that the aforementioned Commissioners handled the matters entrusted to them, both at Kalikut with the Governor of the Nabab and also at Seringapatnam with the Nabab himself, with all circumspection, prudence, and firmness, and in every respect adhered strictly to the instruction given to them and the further orders sent thereafter, as well as left nothing unattempted that could serve to achieve the intended purpose, and consequently it was unanimously resolved and agreed to approve their actions in this matter and to insert the report here. Report made and respectfully submitted to the Right Honorable Lord Johan Gerard van Angelbeek, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, and Governor and Director of the Malabar Coast with its dependencies, by Coenraad George Seijsser, Junior Merchant and Pay Bookkeeper, concerning his proceedings with the Nabab Tipoe Sultan, to whom he was commissioned on an embassy with the Junior Merchant and Dispenser Abraham Jean Scipio Vernede, who passed away here after his return. Right Honorable High-Commanding Lord, After we received Your Right Honorable's Instruction dated the 25th of May last and the papers mentioned therein, along with the letter and presents for the Sultan Tipoe, we departed from here across the river on the morning of the 27th of May and arrived at Settua on the 29th, but could not depart from there again due to a lack of coolies, because the coolies whom the King of Koetsiem had promised to provide at Settua did not arrive. And as we could place little reliance on that, we requested the Chief of Kranganoor and the Commandant of Settua to procure for us as many coolies as could be obtained. The following day, the letter-carriers who had taken Your Right Honorable's letter for the Governor of Kalikut thither returned with the answer and with a letter from Izaak Swyon, along with two more letters for the Kiledaar of Sawekatti and for Aidroos Koetti; and as we could surmise that the two latter would contain orders regarding our journey up to Kalekut, we decided to open both letters addressed to Your Right Honorable, and saw with pleasure that the letters to the Kiledaar of Sawekatti and to Aidroos Koetti contained orders to receive us well and to show every assistance, on which account we also retained these two and dispatched the letters for Your Right Honorable without delay. The Chief of Kranganoor provided us with one hundred coolies and the Commandant of Settua 200; and we finally also obtained 280 coolies from the King of Koetsiem, by which we were then enabled to undertake the journey to Kalikut, as we departed from Settua on the 2nd of June. Before our departure, we sent the letter for the Kiledaar of Sawekatti to him by our interpreter and added a letter of our own, requesting his assistance for the continuation of our journey, and had the pleasure of receiving from him a most polite answer, with an ola for all Chiefs of the places under his jurisdiction, whereby they were ordered to provide us with all possible assistance; he also sent us two sipahis to serve as guides, and at the same time requested that we pay him a visit in passing, which we politely declined, because it was out of our way and we would have been obliged to cross a large river, which would have been very inconvenient with our baggage. The letter to Ardroos Koelti we likewise had delivered to him upon arriving at Panani. On the 6th of June we arrived at Kalikut and announced our arrival to the Governor, requesting permission to rest a little from the arduous journey before we could have the pleasure of meeting him, which he granted us with great politeness. On the 3rd day thereafter, or on the 9th of June, we paid a visit to the Governor and were received very kindly. After the initial compliments, he asked us the reason for our coming, which we told him was to congratulate His Highness Sultan Tipoe Saib on his accession to the throne on behalf of the Dutch Company, and requested his assistance for the further journey to Seringapatnam, which he promised us; this then gave us hope that we would be able to expedite our journey swiftly, but shortly thereafter he gave it to be understood that he trusted the Dutch Company would also fulfill the condition upon which he had promised to do this

Dutch transcription

van daar in een zeer zieklijken staat terug gekoome„ zijn, waarvan de laastgenoemde Ieder overleeden is: zoo werd als nu over desselfs inhoud en over „daar de nevens gevoegde reekening van onkosten gede „libereerd en inzonderheid in aanmerking ge„ „noomen, dat voormelde Gekommitteerden de henl: opgedraagene zaaken, zoo wel te kalikut bij den Goeverneur van den Nabab, als ook te seringapatnam bij den Nabab zelve, met alle omzichtigheid, beleid en kordaadheid behandeld, en zich alzints naar de henl= met gegeevene instruksie en zeder toegezondene na „dere orders stipt gedraagen, mitsgaders niets onbezocht gelaaten hebben, wat dienen kost, het bedoelde oogmerk te bereiken, en werd dienvolgende met eenpaarigheid van stemmen goed gevonden en verstaan hunne verrichtingen in deezen te appro„ „beeren en het bericht hier te insereeren. Rapport gedaan en in alle eerbied overgegeeven aan den weledelen Grootachtbaaren Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad extra ordinair van Neder„ „lands „landsch Jndien, mitsgaders Goever„ „neur en Direkteur der kuste Mala„ „baar met dies onderhoorigheeden door Coenraad George Seijsser onder¬ „koopman en soldij boekhouder, van zyne verrichtingen bij den Nabab Tipoe Sultan, aan wien hij in ambassade gekommitteerd geweest is met den onderkoopman en Dispencier Abraham Jean scipio vernede, die na zyne terug komste alhier is overleeden. Weledele Grootachtbaare Hooggebiedende Heer Na dat wij de Instruksie van uw weledele Groot achtbaare van den 25=e Mai laast„ „leeden ende daarbij vermelde papieren nevens den brief en geschenken voor den sultan Tipoe, ontvangen hadden, zyn wij den 27=e Mai 's morgens van hier over de rivier vertrokken en den 29=e te Settua aangekoomen, doch konden door door gebrek aan koelies niet weder van daar ver„ „trekken, door dien de koelies die de koning van koetsiem beloofd had te settuce te zullen be„ „zorgen, niet quamen. En wijl wij daarop ook weinig staat konden maaken, zoo ver„ „zochten wij aan het Opperhoofd van kran„ „ganoor en aan den kommandant van settuae, om ons zoo veel koelies te bezorgen, als te krijgen zouden zijn. — Des anderendaags quaamen de brieve-draagers die den brief van uw Weled: Grootachtb: voor den goeverneur van kalikut naar derwaarts gebragt hadden, met het antwoord te rug en met een brief van Izaak Swyon, beneevens noch twee brieven voor den Kiledaar van Sawekatti en voor Aidroos Koetti, en wijl wij konden vermoeden, dat de twee laasten Orders behelzen zouden aan„ „gaande onze opreize naar kalekut: zoo beslooten wij de bijde brieven aan uw weled Grootachtb gericht, te openen, en zaagen met vermaak, dat de brieven aan den kiledaar van Sawe„ „katti en aan Aidroos koetti orders be„ „helsden, om ons wel te ontvangen en alle hulpe te bewijzen weshalven wij ook ook deeze beiden aanhielden en de brieven voor uw weled: Grootachtb: ten eersten afzonden. - Het Opperhoofd van kranganoor bezorgde aan ons een honderd koelies en de kommandant van settua 200: en wij kreegen ook eindelijk 280: koelies van den koning van Koetsiem, waardoor wij dan ook in staat gesteld wierden, de reize naar kalikut aanteneemen, gelijk wij a den 2:e Juni van Settua vertrokken voor ons vertrek hadden wij den brief voor den kiledaar van Sawekatti, door onzen Toek aan hem gezonden en daarbij een brief van ons gevoegd, met verzoek, om zijne assistentsie tot voortzetting van onze raize, en hadden het genoegen van hem een allerbeleefst antwoord te ontvangen, met een ola voor alle Hoofden van de plaatsen die onder zyn gebied stonden, waarbij zij gelast wierden, aan ons alle mogelijke hulpe toetebrengen; ook zond hij ons twee sipahis om tot weg„ „wijzers te dienen, en liet ons teffens ver„ „zoeken, en passant een bezoek bij hem afteleggen, het welk wij beleefdelijk afsloe„ „gen, om reeden dit ons uit den weg was en wij genootzaakt zouden geweest zijn een groote rivier overtevaaren, het welk met 3 met onze bagasie zeer ongemakkelijk zoude ge„ „vallen zijn. Den brief aan Ardroos koelti lieten wij, te Panani aangekoomen zynde, mede aan hem bestellen. — Den 6:e Juni quamen wij te kalikut aan en lieten aan den Goeverneur onze komste bekend maaken en verzoeken om van de moeielijke reize wat te mogen uitrusten, voor dat wij het genoegen konden hebben, om hem te ontmoeten, hetwelk hij ons met veel beleefdheid toestond. Den 3=e dag daaraan of op den 9=e Iuni gaven wij een bezoek aan den Goeverneur en wier „den zeer vriendelyk ontvangen. Na de eerste plichtplegingen vroeg hij ons na de reeden onzer komste, hetwelk wij hem zeiden te weezen, om aan zijn Hoogheid den sultan Tipoe Saib, van wegen de Hollandsche komp: met de komste tot den troon te vergeluk„ „ken en Verzochten zyne hulpe tot de verdere reeze naar Seringapatnam, het welk hij ons beloofde; Dit gaf ons toen hoope dat wij onze reeze spoedig zouden hebben kunnen vervorderen maar kort daarna gafhij te kennen, dat hij vertwou„ „de dat de Hollandsche komp:, de kondeetsie op welke hij beloofd hadde dit te zullen doen ook

NL-HaNA_1.04.02_10317_0203 view scan ↗

English

would also accomplish, namely to hand over settua and Paponettij to him again. We answered to this that the Dutch company had no intention of keeping these places against the will of the sultan, and that we were charged to offer his Highness such conditions as we thought would be pleasing; that if we were mistaken in this hope, we could then assure that the Honourable Company would not break the friendship with his Highness over these small places; and we furthermore requested that we might be free to go and meet his Highness. The Governor not only refused us this entirely, but also forbade us to inform the Nabab of our arrival, saying that he had strict orders not to accept or allow any letters or envoys whatsoever to pass before and until settua and Paponettij were returned, and gave us only three days time to deliberate on this. The strongest arguments that we brought against this to show the unreasonableness and harshness of this treatment were in vain; the Governor swore by his beard that he could not nor would not deviate from his word, and that if we had no order to promise the return of both those places, he advised us, as an old friend of the Europeans, to return to koetsiem. And because we saw no chance of obtaining any delay and hoped that perhaps other orders would arrive following the letter from your Right Honourable, which was sent to the Nabab before our departure from koetsiem, we requested from the Governor to be permitted first to write about this to your Right Honourable and await a reply. After much opposition he finally permitted this and dismissed us to go to our lodgings. After having gathered information, we found that the order of the Nabab had actually been given to retake settua and Paponetty, and in kalikut and its environs there were then 15000 Men, who could be gathered together in the space of half a day, with a necessary amount of ammunition. And we also learned that 3000 Men had actually advanced to Pananie to attack settua, but had been recalled upon the news of our arrival. We gave notice of all this to your Right Honourable in our humble letter of 9 June, which we sent with the interpreter Salvadoor, with further report that the Governor had indeed at first accepted the presents that we had offered him, but when we took our leave had desired that we take them back and keep them, declaring that in case the answer from koetsiem was not satisfactory, he could not accept them; but that he had finally retained them with much difficulty and upon the intercession of the Jew Izaak Surion, with the statement that he had not accepted them for the present and would not be able to do so until an answer had arrived from koetsiem. In the meantime, the commander of Settua, van Mullerts, had informed us that five Malays had deserted from his garrison, wherefore we let the Governor know of this and requested him to have those Malays returned to the Dutch Company. He promised to send an order for that purpose to the Kiledaar of sawckatti, and we gave notice of this to the said van Mullerts in a letter. The aforementioned commander van Mullerts also reported to us that the Moor Majan koette had not only sought to commit outrages, but had also actually murdered a sergeant of the Sjegos and wounded another, with further instructions in the name of your Right Honourable to demand satisfaction for this. We also gave notice of this to the Governor of Kalikut and requested that satisfaction might be provided to our company in this regard. He immediately sent out an order to Aidroos Koetti to arrest the said Moor Majan koetti, together with another Cuir Markar, who was also known as a robber, and send them to kalikut to be punished exemplarily there; and so that this order might not be denied, and the two Moors might not meanwhile have the opportunity to escape, he gave us a duplicate of the same, to be sent as quickly as possible to the commander of Settua, van Mullerts, for delivery to Aidroos Koetti; declaring to us that by punishing these people he wished to show that he would never tolerate robbers or murderers in his territory. Since then we received, one after the other, your Right Honourable's much esteemed letters of 12, 13, and 15 June, in which we were informed that orders had been issued for the surrender of Settua and Paponetty, with instructions for us to continue our journey to seringapatnam, and we also received with them the new instructions on how we were to conduct ourselves further in the mission to the sultan. We immediately requested an audience with the Governor of kalikut, which was postponed until the following day, when we also presented ourselves to him; on this occasion we did our best to delay the restitution of settua and Paponettij

Dutch transcription

ook zoude volbrengen, namelyk om settua en Papo„ „nettij aan hem weder overtegeeven. wij antwoorden „hier op „den „ dat de Hollandsche kompanie niet voornee„ „mens was, deeze plaatsen tegen den sin van den sultan te behouden, en dat wij belast waaren om aan zyn Hoogheid zulke voorwaardens aan te bieden, die wij dachten aangenaam te zullen weezen; dat indien wij ons in deeze hoope bedroogen, als dan konden verzeekeren, dat d' E. Comp om deeze kleene plaatsen, de vriend „schap met zyne Hoogheid niet zoude breeken; en verzochten wijders, dat het ons mogt vrij staan, om zyn Hoogheid te gaan ontmoeten. De Goeverneur weigerde ons dit niet alleen vol„ „strekt, maar verbood ons ook van onze komste aan den Nabab kennis te geeven, zeggende strekte orders te hebben, van hoegenaamd geene brieven of gezanten aanteneemen, of te laaten passeeren voor en al eer settua en Paponettij terug gegeeven waaren, en gaf ons maar drie dagen tyd om ons hier over te beraaden. - De sterkste reedenen die wij hier teegen inbragten, om de onreedelykheid en hardigheid van deeze behandeling aantetoonen, waaren vruchteloos, de Goeverneur Zwoer bij zin baard, dat hij van van zyn gezegde niet konde noch wilde afgaan, en dat als wij geen order hadden, om de terug gave van die beide plaatsen te be„ „looven, hij ons als een oude vriend der Eu„ „ropeeschen aanraade om naar koethem terug te gaan. — En wijl wij geen kanszagen om eenig uitstel te verkrijgen en hoopten dat op den brief van uw weled: Grootachtb, die aan den Nabab voor ons vertrek van koet siem afgezonden was, misschien andere orders zouden koomen, verzochten wij van den Goeverneur, om hier over aan uw Weled: Groot achtb: eerst te mogen schrij„ „ven en antwoord afwachten. Dit stond hij na veel teegenkantingen eindelijk toe en gaf ons afscheid om naar ons losiment te gaan. Na genoomene informaatsie bevonden wij, dat de ordre van den Nabab wee„ „zentlijk gegeeven was om settua en Paponetty te herneemen en te kali„ „kut en daar omstreef bevonden zich toen 15000 Man, die in den tyd van een halven dag bij een vergaderd konden worden, met een noodig aantal ammunietsie. En wij vernamen vernaamen ook, dat er werklijk 3000. Man tot Pananie geavanceerd geweest waaren om settua aantetasten, doch die terug geroepen waaren op de tijding van onze komste. —. wij gaven van dit alles aan uw weled: Grootachtb: kennis bij onzen onderdaanigen van den 9=e Juni, die wij met den Tolk Salvadoor afzonden, met verder berecht, dat de Goeverneur de Presenten die wij hem hadden aangebooden, wel eerst had aangenoomen, maar teen wij afscheid naa„ „men begeerd had, dat wij ze terug naamen en bewaarden, met verklaaring, dat inge„ „valle het antwoord van koelfiem niet vol„ „doende was, hij dezelve niet konde aannee„ „men; doch dat hij dezelve eindelijk met veel moeite en op de tusschen spraak van den Jood Izaak Surion, dezelven behouden had, met betuiging, dat hij die voor als noch niet geakcepteerd hadde en het niet eerder zoude kunnen doen, als na dat er van koetsiem antwoord gekoomen was. Jntusschen had de kommandant van Settuca van Mullerts, aan ons kennis gegeeven, dat van zijn garnisoen vijf Malaiers gede„ „serkerd waaren, weshalven wij zulx den den Goeverneur lieten weeten en verzoeken, die Malaiers aan de Hollandsche komp: te laaten terug geeven. Hij beloofde daartoe ordre te zullen zenden aan den Kiledaar van sawckatti en wij gaven hier van aan ge„ „melden van Mullerts kennis bij een brief Ook berechte ons voorm: kommandant van Mullerts, dat de Moor Majan koette niet alleen gezocht had balzaadigheeden te pleegen, maar ook werklijk een serjant van de Sjegos vermoord en een ander ge„ „quetst had, met verder aanschrijven uit naam van Uw weled: Grootachtb om daar over satisfaksie te vraagen. wij gaaren daarvan ook kennis aan den Gouverneur van Kalikut en verzoch„ „ten, dat dierwegen aan onze kompanie satisfaksie mogte bezorgd worden. Hy liet daadelijk een order afgaan aan Aidroos Koetti, om gem: Moor Majan koetti, nevens noch eenen Cuir Mar„ „kar, die ook voor een Roover bekend was, op te vatten en naar kalikut te zenden, omdaar Exemplaar ge„ „straft te worden, en op dat deeze order niet ontkent mogte worden, en de beide beide Mooren intusschen geleegenheid krijgen„ om zich weg te maaken: zoo gaf hij aan ons een duplikaat van dezelve, om ten spoedig„ „sten aan den kommandant van Settua van Mullerts te worden gezonden, ter bestelling aan Ardroos Koetti; verklaa„ „rende aan ons, dat hij door het straffen van deeze Menschen toonen wilde, dat hij noit Roovers of Moordenaars in zyn ge„ „bied dulden zoude. zeeder ontvingen wij na den anderen uwer Weled: Grootachtb: veel G'eerde Missiven van den 12e 13 e en 15=de Juni, waarbij ons aangeschreeven wierd, dat tot de overgave van Settua en Paponetty ordre gesteld wees, met last aan ons, om onze reize naar seringapatnam voorttezetten en wij ontvingen daarbij ook de nieuwe In„ „struksie, hoedaanig wij ons verder in de kommissie bij den sultan moesten gedraagen; Wij lieten ten eersten bij den Goeverneur van kalikut dudientsie verzoeken, die tot den anderen dag uitgesteld wierd, wanneer wij ons ook bij hem vervoegden, wij deeden by deeze geleegenheid als ons best, om de reste„ „tiutsie van settua en Paponettij uitte„ „stellen gt

NL-HaNA_1.04.02_10317_0208 view scan ↗

English

to delay, until we should have arrived before the Sultan, but everything was in vain. The Governor continued to insist strongly upon this, and we then found ourselves compelled to make known to him that Your Right Honorable Worship had already given orders to surrender the aforementioned places as soon as he sent troops to take possession of them. Regarding the demarcation of the border, we agreed that it should be located north of the copper pagoda of Cranganore and thus out of range of the fort's artillery, and mutual promises were also made that the surrender of those places should take place with the greatest propriety. The Governor promised at the same time on his part that our men would not be molested in any way, but on the contrary that every assistance would be given to them on their return march. Thereupon the Governor dispatched orders to the killedar Naarsing Rauw and the amildar Ardroos koetti to take over the aforementioned places from our men, and we also dispatched two letters to the commanders of Chetwai and Pappinivattom to notify them of this. Having advanced this far, the Governor declared to us that in this matter he had had to comply strictly with the orders of his master, and that he would have been very sorry if the matter had turned out otherwise, since he felt a great esteem for the Dutch Company and also understood very well that it was one of the most advantageous allies for the Sultan. He promised us to use all his influence so that our requests would be granted by the Sultan and a firm alliance concluded, as being of the greatest utility to both parties, for which reason he would also provide a letter concerning this for His Highness. We thanked him for the good opinion he held of our Company and for the esteem he expressed toward it, and asked him whether we might give notice of our arrival to the Sultan and inquire whether we would be received as Ambassadors. He answered thereupon that we could depart as soon as we thought fit, as he had orders, once Chetwai and Pappinivattom were returned, to grant the Ambassadors of the Dutch Company free passage to Seringapatam and to be helpful in everything. In fulfillment of this promise, he also provided us with everything within his power to make our journey prosperous and easy, and dispatched orders to all the chiefs stationed in the mountains to assist us in our passage. After we had arrived home, the Governor also sent to our house the necessary people to make tents, which we could not do without, given that the bad monsoon had broken out. The commander of Chetwai, Von Mullerts, having further reported to us that the killedar of Chavakkad and Aidroos koetti had not respected the orders of the Governor of Calicut regarding the return of the five deserted Malay soldiers, we notified the Governor thereof. He immediately sent two further letters to us, with assurances that his orders would now be better observed and the deserters returned. We then prepared ourselves for the journey and had requested the Jew Isaac Surion to accompany us, because he could be of great service to us, as he speaks the Moorish language and has many friends among the grandees of the Sultan whom he could bring over to our side, just as he was of great use to us in Calicut and conducted himself faithfully regarding the interests of our Company. Since we feared that, on account of the heavy expenses we had already incurred and still had to incur, as well as the long journey that still lay ahead, we would run short of money, we took up at Calicut for the account of the Company three thousand four hundred rupees, namely two thousand four hundred rupees from the aforementioned Isaac Surion and 1000 rupees from a Portuguese named Manuel Bernardo de Almeida, the latter on a bond to be paid in the month of August with interest at nine percent per month. We gave an account of all this to Your Right Honorable Worship in our humble letter of 21 June and requested that twelve hundred rupees be paid for the account of Isaac Surion to the Company merchant at Cochin, Anta Sittie, and that, since it could easily happen that we might not return before the month of August, the bond of 1000 rupees in favor of the Portuguese Manuel Bernardo de Almeida might also be paid. All the aforementioned good promises of the Governor to assist us on the journey upcountry, and the actual issuance of orders to that end, made us firmly believe that we would soon have been able to undertake our journey, but we found thereafter, to our

Dutch transcription

stellen, tot wet wij bij den Sultan zouden gekoomen zijn, maar alles was vruchteloos de Goevorneur bleef daarop verder sterk aandringen, en wij vonden ons toen ge„ noodzaakt, aan hem bekend te maaken, dat uw Weled: Groot achtb: reets ordre gegeeven had, voormelde plaatsen overtegeeven, zoo dra hij volk zond om dezelven overteneemen. — Nopens de limiet scheiding quamen weezen wij overeen, dat dezelve zoude zyn, be„ „noorden de kopere pagood van kran„ „ganoor en dus buiten het bereik van het geschut van het fort, en erwëerd ook over en weder belofdte gedaan, dat de overgave van die plaatsen, met de grootste bescheidenheid zoude geschieden en de Goeverneur beloofde teffens van zijn kant, dat ons volk in geenen deele, zoude gemolesteerd, maar daar en teegen alle hulpe aan het zelve in de terug marsch beweezen worden. — Daar op zond de Goeverneur orders af aan den kiledaar Naarsing Rauw en Ameldaar Ardroos koetti, om voorm voorm: plaatzen van de onzen overteneemen en wij zonden ook twee brieven af aan de kommandan¬ „ten van Settua en Paponettij; om hun hiervan kennisse te geeven. Tot dus verre gevorderd zynde, verklaarde de „ in Goeverneur aan ons, dat hij dit geval zich aan de beveelen van zijnen Meester, stipt hadde moeten gedraagen, en het hem zeer leed zoude gedaan hebben, als de zaak anders was uitgevallen, nadien hij een groote ach„ „ting gevoelde voor de Hollandsche kompenie, en ook zeer wel begreep, dat dezelve voor den sultan een der voordeeligste bondge„ „nooten was, met belofte aan ons, van zijne vermogens aan te zullen wenden, dat onze verzoeken door den Sultan toegestaan en een vaste alliantsie geslooten wierd als zijnde voor beide partijen van de grootste nuttigheid, waarom hij een brief dienaangaande voor zijn Hoog„ „heid zoude meede geeven wij bedankten hem voor het goed gevoelen, het welk hij van onze komp: hadde, en voor de achting die hij betuigde voor dezelve te hebben, en vroegen hem, of wij van onze aan„ „komst 4 komst aan den sultan kennis mogten geeven en verneemen, of wij als Ambassadeurs zouden ontvangen worden; Hij antwaarde daarop dat wij konden vertrekken, zoo dra als het ons goeddacht, terwijl hij orders hadde, als settuae en Paponettij terug gegeeven wier „den, aan de Ambassadeurs van de Holland„ „sche komp:, vrije doortocht naar serin„ „gapatnam te verleenen en in alles be„ „hulpzaam te zijn. Jn nakooming van deeze belofte, bezorgde hij aan ons ook alles, wat in zijn vermogen was, om onze reize voorspoedig en gemakkelijk te maa„ „ken en zond aan alle Hoofden die in het gebergte leggen orders af, om ons in onzen doortocht te helpen. - Na dat wij te huis gekoomen waaren, zond de Goeverneur ook aan ons huis, de noodig lieden tot het maaken van Tentens, die wij aangezien de quaade mousson doorgebrooken was, niet ontbeeren kon „den. — De kommandant van settua von Mullerts nader aan ons bedeeld hebbende, dat de kelidaar van Sawekatte en Aidroos koeste de orders van den Goeverneur van Kalikut, tot „tot de terug gave van de vijf gedeserteerde Mala„ „ters, niet gerespekteerd hadden, lieten wij den Goeverneur daar van kennis geeven, die ten eersten twee nadere brieven aan ons toezond, met verzeekering, dat zijne orders nu beter zouden g'observeerd ende deser„ „teurs terug gegeeven worden. wij maakten ons vervolgens tot de reize gereed en hadden den Jood Izaak Surion verzocht met ons meede te gaan, omdat hij ons van veel niet konde zijn, als spree„ „kende de Moorsche-taale en hebbende veele vrienden onder de grooten van den sul„ „tan, die hij aan onze zijde zoude kunnen overhaalen, zoo als hij te kalikut ons van veel nut geweest is en zich getrouw omtrend de belangens van onze komp: gedraagen heeft. Nadien wij vreesden, dat wij weegens de zwaare onkosten, die wij reets gedaan hadden en noch doen moesten, mits „gaders de lange reize die noch voor handen was, gebrek aangeld zouden krijgen: zoo hebben wij te kalikut voor reeke„ „ning van de kompenie opgenoomen, drie duizend vierhonderd ropijen, naa„ „melijk „melyk tweeduizend vier honderd ropijen van voorm: Izaak Sarjon en 1000 rox: van een Portugees, Manuel Bernardo de Almeda ge„ „naamd, de laaste op een obligaatsie, om inde maand Augustus betaald te worden met den intrest van negen p=r C=to smaands Wij gaven van dit alles aan uw weled: groot„ „achtbaare berecht, bij onzen onderdaanigen van den 21:e Juni en verzochten, voor reeke„ „ning van Izaak Surion, aan 's komp:s koopman te Koetjiem Anta sittie te be„ „taalen, Een duizend twee honderd ropijen en dat wijl het ligt gebeuren konds dat wij voor de maand Aug:s niet konden wederom weezen, de obligaatiie van 1000: ropijen ten voordeele van den Portugees Manuel Bernardo de Almeido, ook mogte betaald worde. — Alle de voormelde goede beloften van den Goeverneur, van ons tot de opreize behulpzaam te zullen zyn, en de werk„ „lijke uitvaarding van orders ten dien einde, deeden ons vast gelooven, dat wij spoedig onze reize zouden hebben kunnen aanneemen doch wij bevonden daarna tot ons

NL-HaNA_1.04.02_10317_0213 view scan ↗

English

to our regret, not the slightest reliance could be placed on all his great promises and assurances of serving us, as well as on all the willingness shown thereto by the other natives. For after he, the Governor, had detained us for several days with the promise that the necessary coolies and pack animals would arrive at any moment, he sent a request to us on the 24th of June to come to him, as he had to confer with us on matters of importance. Having arrived there, he told us that he had received orders from the sultan to learn from us what proposals we had to make and then to settle our affairs, so that we would thus be relieved of an expensive and difficult journey. Upon this, we requested communication of this order and of his full power to be allowed to negotiate concerning this on behalf of the sultan, assuring him that, although this was contrary to the orders we had, since we were instructed to go and meet His Highness himself, we would then not refuse to disclose our commission to him. He was unwilling to do this, but earnestly assured us that what he said was the truth, that he could settle everything, that we would indispose the sultan if we refused to give ear to this, and that in such a case he could also not allow us to depart before and until he had first notified the sultan thereof and received His Highness's reply. We were thereby forced to take the resolution to enter into negotiations with him, and showed ourselves prepared to do so under this condition: that if he could not settle the matters, he must allow us to depart immediately and render us all assistance in that regard, which he promised to do. We then made it known that the first point of our commission consisted in demanding back Settua and Paponette, which the Company had rightfully possessed for many years, and which had been unjustly wrested from us by Sardar Khan in full peace; which places were of little or no importance to the sultan, while much prejudice would be caused to His Highness if the same should fall into the hands of a nation more warlike and ambitious for conquests than the Dutch Company was. The Governor answered to this that he understood all these reasons very well and also did not doubt that His Highness would indeed return these places and make a firm alliance with the Company, but that he could take no resolution on this before he had first written anew to His Highness and received an answer thereto, and therefore advised us to enter into correspondence with His Highness about this and to remain awaiting His Highness's decisions at Kalikut. We rejected this immediately and claimed his promise to provide us with the necessary assistance. He said upon this that it was well, and that since we did not wish to wait, he had orders to let us pass and would also give orders to provide us with what was necessary for the continuation of our journey. With these promises we were delayed from day to day, wherefore on the 2nd of July we took the resolution to go to the Governor and give him notice that if he would not provide us with coolies, we would then undertake the journey with the few we had with us (the same consisting of only 100, since we had sent the rest back) and leave the goods which we could not take with us at Kalikuet. This we also actually put into execution, and at the same time requested a decisive answer from the governor. Whereupon he finally declared to us that he would not force any coolies by violence to make this journey, and none were to be obtained voluntarily, whatever money he had offered, since the coolies were afraid of the wet weather and the severe illnesses which they had to expect in the mountains at this time. We replied that if he could not provide coolies, we had resolved to undertake the journey the next day with a few coolies and some pack animals that we had hired, and requested from him only two guides, which he promised to give. The reasons that forced us to this resolution were, on the one hand, because we perceived that the sultan had been given a false impression regarding the conduct of our Company, and that the Governor feared that upon our arrival at Seringapatnam we would enlighten His Highness about this; and on the other hand, because we had learned that the king of Cochin had caused an offer to be made to lease the lands of Tectua and Paponettij, and we thus feared that if we did not quickly reach the sultan, he would succeed in this. It is true that with so few people we had to undertake a difficult journey that was bound to take a very long time, and that we were moreover obliged to leave goods behind, but we had to resign ourselves to this because we had done everything in our power to change this, and we had besides the hope of obtaining coolies in the mountains, as we were assured, and having the goods forwarded. There was at that time a rumor circulating at Kalekut that the Marathas, because Sultan Tipu had refused to pay tribute to them, had entered with 200,000 men into the country of

Dutch transcription

ons leedweezen, dat op alle zyne groote beloften en betuigingen van ons dienst te zullen doen, zoo wel als op alle betoonde bereidwilligheid daar toe van de andere Jnlanders, geen de minste staat te maaken was, want nadat hij Goeverneur ons eenige dagen opgehouden had met de belofde, dat alle ogenblikken de noodige koelies en draagbeesten koomen zouden, liet hij ons den 24=e Juni verzoeken om bij hem te koomen, alzoo hij ons over zaaken van gewigt moest onderhouden, en zeide ons daar gekoomen sijnde, dat hij van den saltan ordre had ontfangen, om van ons te verneemen, welke voorslaagen wij te doen hadden en dan onze zaaken aftemaaken, en wij dus van eene kostbaare en zwaare reize zouden ontslagen weezen wij verzochten hier op kommuni„ zijn „kaatsie van deeze ordre en zijn volmacht omdaar over van wegen den sultan te mogen handelen, hem verzeekerende, dat of schoon dit tegen de orders was die wij hadden alzoo wij gelast waaren zijn Hoogheid zelfs te gaan ontmoeten, wij als dan niet weigeren zouden, onze kommissie voor hem open te leggen. Hij wilde dit niet doen, maar verzeekerde ons ernstiglijk dat zijn gezegde de waarheid was, dat hij hij alles konde afdoen, dat wij den sultan zouden indisponeeren, indien wij hier aan geen gehoor wilden geeven, en dat hij in zulk een geval ons ook niet konde laaten vertrekken, voor en al eer hij eerst daar van aan den sultan kennisgegeeven en zijn Hoogheids antwoord ont„ „vangen had. wij wierden hier door genoodzaakt het besluit te neemen, om met hem in on„ „derhandeling te treeden, en toonden ons daartoe bereid, onder deeze voorwaarde, dat indien hij de zaaken niet konde af„ „doen, hij ons direkt moeste laaten ver„ „trekken, en ons alle hulpe daar omtrent bewijzen, het welk hij beloofde te doen, en wij gaven toen te kennen dat het eerste princt van onze kommissie bestond in den terug eisch van settua en Paponette, die de komp: met recht lange jaaren hadde bezeeten, en ons door sarder Chan op een onrechtvaardige wijze in volle vreede was ontweldigd, welke plaatsen voor den sultan van weinig of geen belang waaren en zijn Hoogheid veel nadeel zoude toegebragt worden, als dezelven in handen mogten koomen van een Naatsie, die oorlog-zieker en ambietkeuse tot Conquesten, als de Neederlandsche Maat„ „schappije schappije was. — De Goeverneur antwoorde hierop, dat hij alle deeze reedenen zeer wel begreep en ook niet twijfelde of zijn Hoogheid zoude deeze plaatzen wel te rug geeven en een vaste alliantsie met de komp: maaken, maar dat hij hier toe geen besluit konde neemen, voor dat hij alvoorens op het nieuw aan zyn Hoogheid hadde geschreeven en daarop antwoord bekoomen, en raade ons daarom aan, om met zyn hoogheid daar„ „over in briefwisseling te treeden en zijn Hoogheids besluiten te kalikut te blijven afwachten wij sloegen dit ten eersten van de hand en reklameerden zijnne belofte, van ons de noo„ „dige hulpe te bezorgen. Hij zeide daarop dat het wel was, en dat terwijl wij niet wach„ „ten wilden, hij order had, om ons te laaten passeeren en ook beveelen zoude geeven, om ons het noodige tot voortzetting van onze reize te bezorgen. - Met deeze beloften wierden wij van dag tot dag opgehouden, weshalven wij op den 2. e Juli het besluit naamen, om bij den Goeverneur te gaan en hem kennisse te geeven, dat indien hij ons geen koelies wilde bezorgen, wij als dan met de weinigen die wij bij ons 10 hadden hadden /: bestaande dezelven maar in 100:, al„ „zoo wij de ovrigen hadden terug gezonden) de reize zouden onderneemen, en het goed 't welk wij niet konden meede neemen te kali„ „kuet zouden laaten. Dit bragten wij ook werklijk ter uitvoer en verzochten van den goeverneur teffens een dicisief antwoord waarop hij eindelijk aan ons verklaarde, dat hij geene koelies met geweld wilde dwingen, om deeze reize te doen, en goedwillig geene te bekoomen waaren, wat geld hij ook aen„ „gebooden had, nadien de koelies bevreest waaren voor het natte weer ende zwaare ziektens die zij in deezen tyd op de bergen te wachten hadden. wij repliceerden, dat wij als hij geen koelies bezorgen konde, de„ „slooten hadden, om met weinige koelies en eenige draagbeesten, die wij gehuurd hadden, den anderen dag, de reize aan„ „teneemen en verzochten van hem alleen om twee wegwijzers, die hij beloofde te zullen geeven. De reedenen die ons tot dit besluit nood„ „zaakte, waaren eens deels, om dat wij bespeurden, dat de sultan in een ver„ „keerd denkbeeld gebragt was, nopens het het gedrag van onze komp:, en dat de Goeverneur vreesde, dat wij de Seringapatnam komende zijn Hoogheid daarvan zouden illucideeren, en anderendeels, om dat wij vernoomen hadd„ „den, dat de koning van Koetsrem aanbod had laaten doen, om de landen van Tectua en Paponettij in pacht te neemen, en dus vreesden, dat als wij niet spoedig bij den sultan quamen, hij daarin reusseeren zoude. 'T is waar, dat wij met zoo weinig volk een zwaare reize onderneemen moesten, die zeer lang moeste vallen, en dat wij, boven dien verplicht waaren, goederen natelaa„ „ten, doch wij moesten ons dit getroosten om dat wij alles gedaan hadden, wat in ons vermogen was, om dit te veranderen, en wij hadden daarbij hoope, op de gebergtens, zoo als ons verzeekerd wierd, koelies te krijgen, en het goed te laaten nakoomen. Daar liepte dier tijd een gerucht te kalekut„ dat de Maratten, om dat de sultan Tipoe geweigerd hadde, tribut aan hen te be„ „taalen, met 200'000: Man, in het land van

NL-HaNA_1.04.02_10317_0218 view scan ↗

English

had fallen away from the sultan and held him enclosed in Seregapatnam, and this was confirmed to the Jew Izaak Sarjon by the brother-in-law of the Governor of Kalkut, with the addition that the governor had orders to march out with all the people who were at Kalikiet. However, as we saw not the slightest preparations being made for this, we regarded this as a final attempt to deter us from our journey, and we prepared ourselves for the same. And as we still lacked money, we took a further six hundred rop: from Izaak Sarion; thus, together with the two thousand four hundred previously borrowed from him, amounting to three thousand rop:, for which we granted him a receipt. In order also to provide the presents that we had to give to various chiefs in the least expensive manner, we took from a Moor who manages the affairs of the Company's merchant Anta Setti at Kalikut, ten lb nutmeg and ten lb cloves, to be paid in kind to the aforementioned Anta Setti at Koetsiem. After everything was thus ready for the journey to Seringapatnam, we departed from Kalikut on the 4th of July, took the Jewish merchant Izaak Surion with us, and left the interpreter Salvadoor at Kalikut with the goods that had to remain behind. After a long and very uncomfortable journey, on account of the breaking through of the bad monsoon, as several pack animals died on the road, and several of the coolies, worn out by the hardships, deserted, we finally arrived at Seringapatnam on the 4th of August. We immediately gave notice of our arrival to the sultan, and at once received a servant of His Highness to show us a lodging place; however, as the place that was assigned to us was very bad, we chose to pitch our tents and remain in them. And on that same day, with great ceremony and a retinue of fully 40 servants, there were sent to us by His Highness fifteen sheep, some rice, butter, native fruits, and other trifles, all of which we had to pay for dearly, because according to the custom of the country, each servant separately had to have a counter-gift of money. Also, the brother of the Sultan, Prince Karim Saib, sent some distinguished persons of his court, with a multitude of subahdars and other lesser servants to us, to welcome us in his name; wherefore we were also obliged to distribute three hundred rupees among them. Five days thereafter, another place was further assigned to us for our residence, which was indeed somewhat better than the previous one, though also very defective, in which we then took up our quarters, this place being situated about an hour from the city. The fifth day after our arrival, we were summoned to an audience. Having arrived at the Durbar, we were led by an Armenian interpreter into the apartment where the sultan was. His Highness was sitting on a carpet and leaning against a large cushion. When we entered, the sultan made a friendly salam and pointed us to a carpet that lay opposite him to sit down. We then handed over the letter and sat down, and betel was immediately offered to us. But shortly thereafter, His Highness sent word to us that there were too many people with him, and he would expect us again the following day, whereupon we took our leave and went to our lodging. The following day, at nine o'clock in the forenoon, we went to the Durbar, but were obliged to wait there until three o'clock in the afternoon, when we were ushered in after the previous manner. Being seated, the sultan inquired after the reason for our coming. We then conveyed the congratulations on behalf of the Noble Company and of Your Right Honourable, on account of His Highness's succession to the government, victories obtained over his enemies, and the glorious peace that followed thereupon, and at the same time presented the gifts as far as we had been able to bring them along, with the request to be pleased to give orders that those left behind at Kalikut might also be brought over. His Highness accepted the same politely, thanked us for the congratulations, and immediately issued an order to the Governor of Kalikut to send the gifts left behind to Seringapatnam forthwith. The compliments having been exchanged on both sides, His Highness further asked whether we had anything to propose to him on behalf of the Dutch Company. We answered yes, and then gave His Highness to understand that the Company had taken possession of Settua and Paponetti in November last, because it was entirely abandoned by His Highness's people, and thus had by no means acted against the friendship that subsisted between His Highness and the Company, but on the contrary with the intention to anticipate His Highness's enemies and to prevent them from making themselves masters thereof, as would certainly have happened without this intervention; and that the Company, now that the fortunes of war had taken such a favourable turn for His Highness that he from the Zamorin's realm

Dutch transcription

van den sultan waaren gevallen en hem in sere¬ „gapatnam ingeslooten hielden, en dit wierd aan den Jood Izaak Sarjon, door den Zwager van den Goeverneur van halkut gekonformeerd met bijvoeging, dat de goeverneur ordre had om met al het volk dat te kalikiet was op te marcheeren; Doch wijl wij daar toe geene de minste toebereidzelen zagen mark„ zoo merkten wij dit aan, als eene laaste poging, om ons van onze reize te doen afschrikken, en maakten ons gereed tot dezelve: En wijl ons noch geld mankeerde, zoo namen wij van Izaak Sarion nader ses honderd rop: dus met de bevoorens van hem geleende twee „duizend vierhonderd, te zaamen drie duizen rop:, waarvoor wij aan hem een bewijs verleend hebben. Om ook de geschenken die wij aan deeze en geene Hoofden geeven moesten, op de minst kostbaarste wijze te doen, namen wij van een Moor die te kalikut de zaaken van 's komp:s koopman Anta setti waarneemt, tien lb nooten en tien lb nagelen, om te koetsiem in natura aan gem: Anta setti te te worden voldaan. Na dat dus alles tot de reize naar Seringapatnam gereed was, vertrokken wij den 4:e Juli van ka„ „likut, naamen den Joods koopman Izaak surion mede, en lieten den Tolk Salvadoor ^ te kalikut bij het goed dat achter moest blijven ^ Na eene langduurige en zeer ongemakkelyke reize mits het doorbreeken van de quaade mousson, alzoo verscheide draagbeesten op den weg kreveerden, en verscheidenen der koelies, van de ongemakken afgemaet, deserteerden, quamen mij eindelijk den 4:' Aug:s te seringapatnam aan. wij lieten ten eersten aan den sultan ken„ „nis geeven van onze komste, en kreegen daadelijk een bediende van zijn Hoogheid bij ons, om ons een verblijf plaats aante„ „wijzen, doch wijl de plaats die ons aange„ „weezen wierd, zeer slecht was, verkoozen wij onze tenten op te slaan en daarin te blijven en werd dien zelfden dag door zijn Hoogheid met groote staatsie en een gevolg van wel 40 bedienden, aan ons ge„ „zonden vijftien schaapen, eenige rijst, boter, inlandsche vruchten en andere kleenigheeden, welk alles wij duur hebben hebben moeten betaalen, door dien volgens 's lands =wijze, ider Bediende apart een kontra geschenk van geld moest hebben. - Ook zond de Broeder van den Saltan Prins karim Saib, eenige voornaame Persoonen van zijn Hof, met een meenigte soubedaar en andere mindere Bedienden bij ons, om ons uit zijnen naame te verwelkomen; des wij ook genoodzaakt geweest zijn, onder deeze drie honderd ropijen te verdeelen. vijf dagen daarna wierd ons nader een andere plaats tot ons verblijf aangeweezen, die wel iets beeter als de voorige - „doch ook zeer gebrekkelijk was, waarin wij dan ons intrek naamen, zijnde deeze plaats omtrend een uur van de stad geleegen. De vijfde dag na onze komste, wierden wij ter audientsie ontboden; Aan den Derbaar gekoomen zynde, wierden wij door een Armeenischen Toek, in het vertrek geleid, daar de sultan was, zijn Hoogheid zat op een Tapijt en leunde tegen een groot kussen; toen wij binnen traden maakte de sultan een vriendelijk salam en wees ons naar een een tapijt dat tegen hem overlag om te gaan zitten. wij gaven toen den brief over en gingen zitten, en ons wierd ten eersten betels aange „boodem, Doch kort daarop liet zyn Hoogheid ons zeggen, dat er te veel voek bij hem was, en hy ons den anderen dag weder verwachten zoude, waarop wij afscheid namen en naar ons logement gingen. - Des anderendags voormiddags ten negen uur gingen wij na den Derbaar, doch waaren genoodzaakt daar tot 's achtermiddags te drie uur te wachten, wanneer wij op de voorige wijze binnen geleid wierden; ge„ „zeeten zijnde, vroeg de sultan na de reeden van onze komste, wij deeden toen de gelukwenschingen van wegen de Edele komp: en van uw weledele Grootachtbaare, wegens zyn Hoogheids opvolging tot de Regeering, behaalde overwinningen op zijne vijanden, en daar op gevolgde glovi„ „cuse vreeden, en boden te gelijk aan de geschenken voor zoo verre wij die hadden kunnen mede brengen, met verzoek ordre te willen stellen dat de achter„ „gebleevenen „gebleevenen op kalikut, mede mogten gebragt worden, zyn Hoogheid nam dezelven beleefdelijk aan, bedank „te ons wegens de gelukwenschingen en verleende ten eersten een ordre aan den Goeverneur van Kalcke om de achtergebleevene geschenken ten eersten naar seringapatnam te zenden. De komplimenten aan weerzijden afgelegd zijnde vroeg zijn Hoogheid verder, of wij van wegen de zol„ „landsche komp: aan hem iets hadden voortedragen. wij antwoorden van ja ' en gaeren toen aan zyn Hoogheid te kennen, dat de komp: settua en Paponetti in November laastleeden in bezit ge„ „noomen had, om dat het van zijn Hoogheids volk ten eenemaal verlaaten was, en dus geenzints daar door teegen de vriendschap had gehandeld, die tusschen zyn Hoogheid en de komp: subsisteerde, maar in tegendeel met het oogmerk, om de vijanden van zijn Hoogheid voorte koomen en te beletten, dat zij zich daar van Meester maakten, zoo als zonder deze tusschen komste, zeekerlyk zoude geschied zijn, En dat de komp:, nu de kans des oorlogs zulk een gunstigen keer voor zyn Hoogheid had ge„ „noomen, dat hij van het Samorijnsche Rijk

NL-HaNA_1.04.02_10317_0223 view scan ↗

English

Empire had remained master, had returned the aforementioned places, because his Highness seemed so very keen on them: but that the Company nevertheless hoped that his Highness, in consideration that the same had belonged to their Honours from ancient times and that the Zamorin, in whose place his Highness had come, had never had any legitimate claim to them, but only to some small gardens situated in the district, which had been taken in pledge by the Company for a certain debt, currently still amounting to six thousand two hundred and two rupees, would return the said places to them, whereby his Highness would oblige the Company to special gratitude and acknowledgment, which they, among other courtesies, would also demonstrate through a prompt delivery of whatever his Highness might require in terms of artillery, ammunition, and military goods from Europe. Furthermore, we also said that we were instructed to request free trade in his Highness's lands, and at the same time to make the proposal to conclude a commercial treaty, namely, that his Highness would thereby bind himself to deliver annually to the Company all the cardamom, pepper, and sandalwood growing in his Highness's lands, and that the Company, in return, would deliver to his Highness all such artillery, ammunition, and military goods as his Highness would demand each time. The Sultan, having heard everything, answered with very great friendliness that he was very inclined to make a firm alliance with the Dutch Company, but that, having now heard our arguments, he must also hear those of his Governor of Calicut, since this matter had occurred before his Highness's accession to the Government, and furthermore, that his Highness intended to go to Calicut in two months and that the Company could send Ambassadors to his Highness there, promising further, at that time, not only to settle the matter concerning Settua and Paponetty to the satisfaction of the Company, but also to conclude a firm contract with their Honours regarding the sale of sandalwood, pepper, and cardamom. Thereafter, sandalwood oil and betel and areca were presented to us and leave was given, whereupon we arose and went to our lodging, where we immediately sent off the order we had received to bring the remaining gifts from Calicut to the interpreter Salvador, whom we had left there, and subsequently respectfully gave notice to your Right Honourable Sirs of what had occurred, in our humble letter of the 12th of August. And since we, on account of the lengthy journey from Calicut to Seringapatam and the unavoidable expenses caused thereby, together with the disbursements we were forced to make to the court servants of the Sultan, clearly saw that we would soon be short of money again: we therefore requested your Right Honourable Sirs, in the said letter, to send orders through the King of Cochin to his Agent at Seringapatam to advance the necessary money to us, while otherwise we saw no chance of further providing the necessary maintenance for ourselves and our people, and of departing from Seringapatam, as permission to do so could not be obtained without giving money. We subsequently sought daily opportunity to speak to the Sultan and to work to dissuade his Highness from the deferring resolution to treat about the return of Settua and Paponetty and about the commercial treaty only upon first arriving in Calicut, and to bring the matters to a conclusion, but in this we could not succeed, and since it was clearly made known to us by various persons that this would remain long delayed if we did not seek to win over the Prime Ministers and other grandees of the Durbar with money: we therefore made a decision to employ five hundred pagodas for that purpose, all the more because we were assured by most of the grandees that the Sultan was very inclined toward the Dutch Company, and without doubt would return the requested places to their Honours. In order to be able to do this, we took up five hundred pagodas from the Canarese Anda Sitte, on this condition, that for that amount there would be delivered to him in Cochin Japanese bar copper, the picul of 125 lb at seventy-five rupees, for which we granted him a receipt. The gifts left behind in Calicut also finally arrived, which we sent to the Nawab, and delivered those which were intended for the Prime Minister and Commander-in-Chief to the same. That the expenditures made were of effect appeared from this, for three days thereafter, or on the 18th of August, we were summoned to the Sultan in the evening at seven o'clock; the Under-Merchant Vernede was so very ill that he could not go along, wherefore the undersigned proceeded alone to the Durbar. I was immediately conducted to the Sultan, and after the customary compliments, I was assigned a seat as at the first audience. The Sultan then had me informed that he had heard that we and our retinue were falling ill, and must think that this was caused by being unaccustomed to the climate, that his Highness had therefore resolved to send us to Cochin

Dutch transcription

Ryk was Meester gebleeven, de voormelde plaatzen wederom had overgegeeven, wijl zijn Hoogheid daarop zoo zeer gesteld scheen: doch dat de komp: niet te min verhoopte, dat zyn Hoogheid, uit aan„ „merking, dat dezelven van oudsher aan haar Ed: hebben toebehoord en dat de samorijn in wiens plaats zyn Hoogheid gekoomen was, daarop nooit eenige rechtmaatige pretensie gehad had, maar slechts op eenige geringe tuinen in het distrikt geleegen, die door de komp: in pand genoomen waaren voor zeekere schuld, thans noch ses duizend twee honderd en twee ropijen bedraagende, gem: plaatsen aan haar zoude terug geeven, waardoor zyn Hoogheid de komp: tot bezondere dankbaarheid en erken„ „tenis zoude verplichten, die zij, onder meer andere believelingen, ook door een promp te bezorging, van 't geen zyn Hoogheid van Ar„ „tillerij, ammonietsie en wapengoederen uit Europa mogt noodig hebben, zoude aan den dag leggen. „ook Voorts zeeden wij ook dat wij „ gelast waaren een vrije negootsie in zyne Hoogheidslan„ „den te verzoeken, en teffens de proposietsie te doen, tot het sluiten van een kommersie traktaat traktaat, namelijk, dat zyn Hoogheid daarby verbond om aan de komp: Jaarlijx te leeveren, al de kardamom peper en het sandelhout, in zyn Hoogheids landen vallende, en dat de kompenie daar en teegen aan zyn Hoogheid zoude leeveren, alle zoodanige artil „rie, ammonietsie en wapen-goederen, als zijn Hoogheid telkens zoude Eisschen.- De sultan alles aangehoord hebbende, antwoorde met zeer veel vriendelijkheid, zeer geneegen te weezen om eene vrste alliantsie met de Holland„ „sche komp: te maaken, maar dat hij onze reedenen nu aangehoord hebbende, die van zijnen Goeverneur van Kalikut ook moeste hooren, alzoo deeze zaak voor zyn Hoogheeds komste tot de Regeering was voorgevallen, en wijders, dat zijn Hoogheid voorneemens was, over twee maanden naar kalikat te gaan en dat de komp: daar Ambassadeurs aan zyn Hoogheid konde zenden, beloovende ver„ „ders, als dan niet alleen de zaak nopens settua en Paponettij ten genoegen van de komp: te zullen afdoen, maar ook wegens den verkoop van sandelhout, peper en kardam om een vast kontrakt met haar Ed: te sluiten. Hierna Hierna wierd ons sandel. olie en beetel en arreek ge„ „presenteerd en afscheid gegeeven, waarop wij opstonden en naar ons losiment gingen, waar wij ten eersten de ontvangene order, om de achtergebleevene geschenken van Kalikut te brengen, aan den aldaar door ons gelaaten Toek salvadoor afzonden en vervolgens aan uw weledele Grootachtb: van het voorgevallene eerbiedig kennis gaven, bij onzen onder„ „daanigen van den 12:e Augustus En dewijl wij door de langduurige reizea van kalikat naar Seringapatnam en de daar door veroorzaakte onvermeidelijke uitgaven, mitsgaders de spendaatsien die wij aan de Hofbedienden van den sullan genoodzaakt waaren te doen, wel zagen, dat wij haast weder gebrek aangeld zouden krijgen: zoo verzochten wij aan uw weled: groot achtb: bij gemelden brief, om door middel van den koning van koetsiem, aan zijnen Agent te seringa„ „patnam, ordre te zenden, om aan ons het noodige geld te verschieten, terwijl wij anders geen kans zagen, om ons en ons ons volk, verder het noodig onderhoud te bezorgen en van Seringapatnam te vertrekken, alzoo de permissie daartoe zonder geld te geeven, niet konde verkreegen worden. . wij zochten vervolgens dagelyks geleegenheid om den Sultan te spreeken en te bewerken om zijn Hoogheid, van het uitstellend besluit, om eerst te kalikut koomende, over de terug gave van Settua en Paponettij en over het kommer„ „cie traktaat te handelen, aftebrengen en aan de zaaken een einde te doen erlangen, doch he „konden wij niet slaagen, en wijl ons van deezen en geenen niet onduidelijk wierd te verstaan ge„ „geeven, dat dit lange uitgesteld zoude blyven., indien wij de Eerste Ministers en andere grooten van den Derbaar niet door geld zochten aan onze zijde te krijgen: zoo namen wij een besluit om daartoe vijfhonderd pagooden te emploi „eeren te meer wij van de meesten der grooten ver„ „zeekerd wierden, dat de sultan zeer geneegen tot de Hollandsche komp: was, en zonder twijfel de gevraagde plaatsen aan haar Ed: zoude terug geeven. Om dit te kunnen doen, hebben wij van den kanaryn kanaryjn Anda sitte vijf honderd pagooden opgenoo„ „men, met deeze kondietsie, dat voor dat bedraa„ „gen aan hem te koetsien zoude geleeverd worden, Japans staafkooper de pikol van 125 lb tegens vijf en zeeventig ropijen, en waarvan wij aan hem een bewijs verleenden. De achtergebleevene geschenken te kalikat quamen ook eindelijk aan, die wij aan den Nabab hebben gezonden en die, welken geschikt waaren voor den eersten Minister en veldoverste, aan dezelven afge „geeven. Dat de gedaane spenddathien van effckt geweest zijn, bleek hier uit, want drie dagen daarna, of op den 18. e Aug: wierden wij 's avonds om zeven uur bij den sultan ontboden; De Onderkoopman Ver„ „nede was zoo slecht ziek, dat hij niet meede konde gaan, des de ondergeteekende zich alleen naar den Derbaar vervoegde. Ik wierd ten eersten bij den sultan geleid, en mij wierd na de gewoone komplimenten, zet plaats aan„ „geweezen, als bij de eerste audientsie. De sultan liet mij toen zeggen, dat hij gehoord had dat wij en ons gevolg ziek wierden en denken moeste, dat zulx veroorzaakt wierd door de ongewoonte van het klimaat, dat zyn Hoogheid derhal„ „ven voorgenoomen had ons naar koethem Z

NL-HaNA_1.04.02_10317_0228 view scan ↗

English

to let us return. I thanked His Highness for the attention shown towards us and repeated our previously made request regarding the restitution to the Honourable Company of Settua and Paponetti and regarding the commercial treaty, but received as an answer that His Highness stood by what he had previously told us, and therefore both matters had to remain postponed until his arrival at Calicut, which was to take place in two months, that I could nevertheless be assured that the matters would be settled to the satisfaction of Your Right Honourable Noble Worships and the fort Settua and the lands of Paponetti would be placed back into the hands of the Dutch Company, with such sealed documents that His Highness's successor, or anyone else, would not be able to lay any claim in the future. Subsequently, a letter for Your Right Honourable Noble Worships was handed to me, along with some presents, which latter were brought to our lodgings by several of the Sultan's servants. The Sultan further asked some questions regarding the Powers in Europe, which I answered as briefly as possible and to the best of my knowledge; afterwards, the Sultan had me, the Ensign van Albedijl, and the Jewish merchant Izaak Sarion, who had accompanied us, each draped with a shawl and dismissed us. Whatever trouble we went to, both through the Jewish merchant Izaak Sarion and through the Sepoy Captain Chegilica Bengale, everything was nonetheless in vain to discover how the Sultan is truly disposed toward us. The only thing we were able to learn from the side of the court grandees is that everyone presumed that the Sultan must certainly be inclined toward the Dutch Company, since we, as Their Honours' Ambassadors, were treated so favorably and dispatched so promptly in comparison with those of other nations. The Sultan's goodwill was also evident from this, that upon the news that we fell ill, he sent his personal physician, an Armenian, to us to attend to us. He also testified, possibly also upon receiving orders to that effect, that His Highness was very inclined to enter into a firm alliance with the Dutch Company, as His Highness placed no trust whatsoever in any other European nation anymore. That he also believed that the Sultan would grant everything our Embassy sought, and that His Highness would even like to have a corps of Dutch troops with him; that although the Company might not want to engage in a public war, united with His Highness, against any prince or nation, His Highness would nonetheless want to have secret assistance. We took this opportunity to find out from him against whom the Sultan actually wanted to wage war, but he declared not to know this, but on the other hand, he recounted to us the Sultan's displeasure with Colonel de Lallée and the other French officers, as well as with the entire French corps in his service, and warning us to associate as little as possible with those gentlemen, and especially to have no intercourse with Monsieur de Lallée. These gentlemen had already told us that the Sultan was very dissatisfied with them, withheld their pay, took away their horses, and now and then withdrew soldiers from their corps and placed them among his troops, declaring that if they did not receive assistance of money and recruits, the entire corps would perish, and that they therefore wished only to find some opportunity to get away from there. We had to stay in Seringapatnam for six more days to have the necessities prepared for the return journey, including hammocks for the sick among our retinue, numbering fifteen persons, and finally departed Seringapatnam on August 24th and arrived at Calicut on September 8th. Along the way, we met the Governor of Calicut, who was busy having the roads cleared for the arrival of the Sultan. He received us in the most friendly manner and expressed great joy at seeing us back so soon, assuring us that this was a proof of the Sultan's good disposition toward the Dutch Company and that he believed he was firmly convinced that the Sultan would conclude a sincere and firm alliance with the Company, further indicating that the Sultan, having now brought all his lands east of the mountains to peace and subjugation, now only had some business on the Malabar Coast. We sought to probe this further, but everything was in vain; however, the Qadi or Moorish priest, who is a great confidant of the Governor, assured us that it was aimed at Travancore, which is also the most likely assumption, for in the vicinity of Seringapatnam an army of more than sixty thousand men was encamped, and it was whispered that it was destined to follow the Sultan to the Malabar Coast, during our

Dutch transcription

te laaten terug gaan. Ik bedankte zyn Hoogheid voor de at„ „tentsie omtrend ons en herhaalde ons voorig gedaan verzoek„ nopens de teruggave aan d' E Comp: van Settua en Pa„ „ponetti en nopens het kommercie traktaat, doch kreeg tot antwoord, dat zyn Hoogheid bleef bij het geen hij bevoorens aan ons had gezegd, en dus het een en ander moest uitgesteld blyven tot zyne komste op kalikut, het Welk over twee maanden stond te geschieden, dat ik echter verzeekerd konde zijn, dat de zaaken tot genoegen van uw weled: grootachtb: zouden afge„ „daan en het fort settua en de landen van Papo„ „netti, weder in handen van de Hollandsche komp: gesteld zouden worden, met zoodanige bezeegelde papieren, dat zyn Hoogheids opvolger, of iemand anders, in 't vervolg geene pretensie zoude kunnen maaken. vervolgens werd aan mij overhandigd een brief voor uw weled: grootachtb: met eenige geschenken, welke laasten door verscheidenen van Sultans Bedienden aan ons losiment gebragt wierden. De sultan deed wijders eenige vraagen nopens de Mogendheeden in Europa, die ik zoo kort doenlijk en na mijne beste kennisse beant„ „woord hebbe, daarna liet de sultan mij, den vaandrig van Albedijl en den joodskoopman „Izaak sirion, die meede gegaan waaren, ieder met een een sjela omhangen en gaf ons afscheid. wat moeite wij ook aangewendt hebben, zoo wel door middel van den Joodskoopman Izaak Sarion, als van den sepahischen kapitain Chegilica Bengale, is echter alles vruchteloos geweest om te ontdekken, hoe de sultan wezendlijk tot ons gezind is. Het eenigste dat wij van de zijde der Hofsgrooten hebben kunnen te weeten krijgen, is, dat een ieder veronderstelde, dat de sultan zeekerlijk tot de Hollandsche kompenie geneegen moet weezen, door dien wij als haar Ed: Ambassadeurs, in vergelijk van die van andere Naatsien, zoo voordee„ „lig behandeld en zoo spoedig afgedepe„ „cheerd wierden. De goedwilligheid van den Saltan bleek ook hier uit, nadien hij op het bericht dat wij ziek wierden, zijnen Lyfmedikus, een Armenier, bij ons Lond, om naar ons te zien. Deeze betuigde meede /mogelyk ook wel opdaar toe bekoomen bevel / dat zyn Hoogheed zeer geneegen was, om in een vaste alliant„ „ke met de Hollandsche kompenie te treeden alzoo zijn Hoogheid, hoe genaamd geen vertrouwen op eenige andere Europeesche vscatsie meerstelde. Dat hij ook geloofde, dat dat de sultan alles zoude toestaan, wat onze Ambassa„ „de beoogde, en dat zyn Hoogheid zelfs wel zoude willen een korps Hollandsche troepen bij zich hebben, dat of schoon de komp: mogelyk zich, in geen publieken oorlog, met zyn Hoogheid vereenigd, tegen eenige vorst of Naatsie zoud willen inlaaten, zyn Hoogheid echter ge„ „heime bijstand zoude willen hebben. - „toen wij namen deeze geleegenheid maar, om van hem te weeten te krijgen, tegen wiende sulken eigentlijk oorlog wilde voeren, maar hij ver „klaarde zulx niet te weeten, maar daar en teegen verhaalde hij ons, des sultans mis „noegen op den kolonel de Lallé en de ovrige fransche Officieren, mitsgaders op het geheele fransche korps in zyn dienst, on waarschuwende, om zoo weinig als mogel was met die Heeren omtegaan en inzonde „heid geen verkeering met den Heer de Lalle te houden. Deeze Heeren hadden ons reets verhaald dat de sultan zeer te onvreede op hen lied was, hunne gasie terug hield, hunne paarden af „nam en nu en dan soldaaten uit hun korps trok en die onder zijne troepen plaatste met verklaaring, dat indien zij geen onderstand van van geld en Rekruten kreegen het geheele korpszou„ „de vergaan, dat zij daarom wenschten, maar eenige geleegenheid te vinden, om van daar te geraaken. wij moesten noch ses dagen te seringapatnam blijven, om het noodige tot de terug reize ge„ „reed te laaten maaken, daar onder ook hang, „matten voor de zieken onder ons gevolg, ten getalle van vijftien koppen, en vertrok¬ „ken eindelijk den 24:' Aug:s van seringa „patnam en quamen den 8 e September te kalikut aan, onder weg ontmoeteden wij den Goeverneur van kalekut, die beezig wasche wegen te laaten schoonmaken tegen de komste van den saltan Hij ontving ons op het allervriendelijk „ste en betuigde eene groote blydschap over dat hij ons zoo spoedig terug zag, ons verzeekerende, dat zulx een blijk was, van sultans goede geneegenheid voor de Hollandsche komp: en dat hij vast overtuigde meende te zyn, dat de sultan een oprechte en vaste alliantsie met de kompenie zoude na zoude sluiten, verder te kennen geevende dat de sultan thans alle zyne landen beoosten het gebergte, in rust en te onder gebragt hebbende, nu maar noch eenige beezigheeden op de kaste Malabaar had; wij zochten dit nader te doorgronden, maar alles was vruchtelos, doch de Kalif of Moorsche pater, die een groote vertrouweling van den Goever„ „neur is, heeft ons verzeekerd dat het op den Trevankoor ge„ „munt was, Het welk ook voor het naast te denken is. want omstreex seringapatnam kam„ „peerde een leger van ruim sestig duizend Man, en men mompel„ „de, dat hetzelve bestemd was, om den sultan naar de kuste Ma„ „labaar te volgen, geduurende ons

NL-HaNA_1.04.02_10317_0233 view scan ↗

English

our presence, a corps of 15000 men was dispatched to koombetoer, and the rumor circulated that some Rassals had orders to be ready to march. Having arrived at kalikut, we immediately gave notice of our arrival to Arie Porpoe soubedaar, who held the authority there, and requested some coolies for the further journey, since two of our men had died and several others had fallen ill. He provided us with the necessary coolies and we departed from kalikut on the 13th of Septb: and arrived on the 17th at Sawekatte, where we were very politely received by Haidroos Koetti, who told the undersigned that he had heard that Sustua and Paponettij would be returned to the Honorable Company. He subsequently complained in secret about the Kilidaar Naarsinga Rauw, who currently governs those lands, that he had slandered him to the sultan, and that others, especially the Company merchant Anta Sette, had put him in a bad light with your Right Honorable Worships; that he, Haidroos koetti, would see to it that the Company regained those lands, and for this service desired nothing else than, since he was the lessee of those lands, to be permitted to continue in that capacity, which we promised to propose to your Right Honorable Worships. He also informed us that he had orders to prepare forage, etc., for the Sultan's army, as his Highness was on the verge of marching down to attack the Trevankoor. Haidroos koetti provided us with fresh coolies, so we departed from there that same day and arrived on the 18th at kranganoor, as well as at koetsie that very same evening. Herewith the undersigned hopes to have fulfilled the honored intention of your Right Honorable Worships, and he has the honor to subscribe this with the greatest respect and esteem. It was undersigned: Right Honorable, highly esteemed, sovereign Lord, your Right Honorable Worships' humble and obedient servant. Was signed: C. I. Seyffer. In the margin: koetsiem, the 30th of November 1784. After this, having also examined the account submitted by the Honorable Seyffer of the charges and expenses incurred on the journey to and fro and during their stay at kalikut and Seringapatnam, amounting to 13443 reps and 147 1/15, it was taken into consideration that the Commissioners spent from the 27th of Mai to the 18th of Septb:, and thus three months and 21 days, on this commission, and during all that time had to pay for and maintain a multitude of coolies and draft animals for the transport of themselves and their retinue, as well as of the gifts and baggage, of which the charges were considerably increased and almost doubled, because the journey from kalikut to Seringapatnam had to be undertaken in the very heart of the rainy season, which must be attributed solely to the Moorish Governor at kalikut, and that they were furthermore compelled to spend money everywhere on the officials of the Nabab, both on the journey there and back to the Governors, commanders, and lesser officials in order to obtain their help and assistance for the continuation of the journey, as well as at the Court itself, in order to obtain a favorable audience and a speedy dismissal, besides also the gifts that had to be given on every occasion to a multitude of all kinds of servants of the Nabab, all of which is indicated in great detail in the said account; and for that reason it was approved and resolved to sanction the said account and insert it here, and to have the excess advanced paid to the Honorable Seijffer from the Company's treasury, as well as to petition the High Indian Government, while presenting the aforementioned report and the account, for authorization to write off those expenses and the gifts presented in the books. Specification of what was expended and presented as gifts on the journey to Seringapatnam to meet the Nabab Tipoe Saib by the Commissioners Coenraad George Seiffer and Abraham Jean Scipion vernede, as follows: for board money to 240 coolies who were engaged on the 30th of Mai at 3 stivers each . . . . . Rops 24: — ditto to 107 coolies who were engaged on the 31st of Mai, together with the abovementioned 240, in total 347 at 3 stivers . . . . . . . . 34 1/10 to 307 coolies who were engaged on the 1st of Juni, together with the 347, in total 654 at 3 stivers to 580 coolies from the 2nd to the 6th, being 5 days at 3 stivers a day, 74 coolies having been dismissed on that day . . . 290: — Wages to the said 580 coolies from settua to kalikut at 2 stivers each a day comes to for 5 days . . . 193 1/3 5 days board money to the aforementioned 580 coolies from the 7th to the 11th, when 480 were dismissed, at 3 stivers each a day . . . 290: — board money to 100 coolies who were retained, calculated from the 12th of Juni to the 4th of Juli, being 22 days at 3 stivers each a day . . . 220: — Carried forward . . . Rops 1117: 1/10

Dutch transcription

ons aanweezen wierd een kops van 15000 Man afgezonden naar koombetoer, en het gerucht liep, dat eenige Rassals ordre hadden, om marschvaardig teweezen. Te kalikut aangekoomen zynde, lieten wij ten eersten van onze komste kennis geeven, aan Arie Porpoe soubedaar, die aldaar het gezag had en verzoeken, om eenige Kcelies tot de verdere reize, alzoo twee van de onzen over„ „leeden en verscheidenen noch ziek geworden waaren. Hij bezorgde ons de noodige koelies en wij vertrokken den 13:e Septb: van kali„ „kut en quamen den 17:e te Sawekatte aan, daar wij door Haidroos Koetti zeer beleeft ontvangen wierden, zeggende aan den onderge„ „teekenden, dat hij gehoord had, dat Sustua en en Paponettij aan d' E komp: souden terug ge„ „geeren worden. Hij klaagde vervolgens in het geheim over den Kilidaar Naarsinga Rauw thans dielanden bestierende, dat die hem bij den sultan zwart gemaakt hadde en dat anderen, voornaamlyk 's komps koopman Anta Sette, hem bij un weled: Groot achtb: in in een quaad blaadje gebragt had; Dat Hij Haidroos koette maken zoude dat de komp die landen wederom kreeg, en voor die dienst niets anders verlangde, dan, vermits Wij van die landen Pachter was daar in te mogen blijven kontonueeren, het welk wij beloofd heb aan Un Welee: Groot achtb: voor te draagen Hij berichte ons ook, dat hij ordre hadde, on„ voor de Armée van den Sultan, fouragie etc in gereedheid te brengen, wijl zyn Hooghe stond aftekoomen, om den Trevankoo„ aan te tasten. Haidroos koetti bezorgde aan ons versche koelies, dus wij dien zelfden dag van daar vertrokken en den 18. e te kranganoor mitsgaders dien zelfden avond te koetsie aangekoomen zyn. - Hier meede verhoopt de ondergeteekende vo „daan te hebben aan de geeerde intentsie va uw Weled: Groot achtb:, en hij heeft de eer, met de meeste eerbied en hoogachting deezen te onderschrijven /onderstond/ weledele Groot achtbaare Hooggebiedende Heer uwer uwer weledele Groot achtb: onderdanige en Schoorzaame dienaar /was geteekend/ C. I. Seyffer /in margine / koetsiem den 30e November 1784. Hierna ook geexamineerd zynde de door den E Seyffer ingediende Reekening van de gedaane ongelden en uitgavan, op de heen en weder= „reize en geduurende hun verblyf te kalikut en Seringapatnam, bedraagende 13443 reps en 147 1/15, zoo werd in aanmerking genoomen, dat de Gekommitteerden van den 27:e Mai tot den 18:' Septb: en dus drie maanden en 21 dagen met die kommissie toegebragt hebben en geduu¬ „rende al tien tijd een meenigte koelies en draagbeesten hebben moeten betaalen en onderhouden, tot Transport van hen lieden en hun gevolg, mitsgaders van de geschenken en bagasie waarvan de ongelden, merklijk ver„ „zwaard en schier verdubbeld zijn, door dien de reize van kalikut naar Soringapatnam in het hartje van den reegen tyd heeft moeten onder„ „noomen worden, het welk alleen aan den Moorschen Goeverneur te kalikut moet toe„ „geschreeven & geschreeven worden, en dat zij wijders genood„ „zaakt geweest zijn, aan de Amptenaaren van aen Nabab over als geld te spendeeren zoo op de heem en terug-reize aan de Goeverneurs, kommandanten en mindere amptenaaren ter verkrijging van derzelver hulpe en bij„ „stand tot het voortzetten van de reize als ook aan het Hof zelve, ter erlanging van een gunstig gehoor en een spoedig afscheid, behal„ „ven noch de geschenken, die aan een meenigte van allerleij Bedienden van den Nabab bij alle geleegenheid hebben moeten gedaan worden, al het welke bij gemelde reekening zeer om„ „standig word aangeweezen, en is over zulx goed gevonden en verstaan gem: reek: te approbeer en hier te insereeden, en het meerder verschooten aan den E Seijffer uit 's komp:s kassa te laaten voldoen, mitsgaders de Hooge indische Regeering, onder aanbieding van het voorsch rapport en de Reekening om qualifi„ „kaatsie te verzoeken om die ongelden en de gedaane geschen„ „ken bij de boeken te mogen afschrijven Specifikaatsie 65 2/5 specifikaatsie van het geen op de reese na Seringa„ „patnam ter ontmoeting van den Nabab Tipoe Saib is veronkost en verschonken door de Gekommit„ „teerdens Coenraad George Seiffer en Abraham Jean Scipion vernede, als: voor kostgeld aan 240 koelies die den 30=e Mai aangenoomen zijn â 3 s=t. ider. . . . . . Rop:s 24: — d=o dan 107 koelies die den 31 Mai aangenoomen zyn, met de bovengem: 240. te zaamen 347. a 3 stver:. . . . . . . . „ 34 1/10 aan 307 koelies die den 1=e Juni zyn„ aangenoomen met de 347 te zaamen aan 580: koelies van den 2:e tot den 6=e zijnde 5 dagen a 3 stver 'sdaags, zijnde 74 koelies op dien dag uitgeschooten. . . „ 290: — Loon aan gem: 580: koelies van settua naar kalikut a 2 stv: i der 's daags komt voor 654. a 3 stver:- 5dag: - - - - 5 dag: kostgeld aan voorm: 580: koelies van den 7=e tot den 11:e wanneer 480: af„ „gedankt zyn, a 3 st: ider 's daags. . . . „ 290: — kostgeld aan 100 koelies die aangehouden zijn, gereekend van den 12 Juni tot den 4 e Juli zijnde 22 dag: a 3 stver: ider 's daags - - - - Transporteere - - Rops „ 193 1/3 13 1117:1/10: ao - „ - - - „ 220: — „ „ ie

NL-HaNA_1.04.02_10317_0238 view scan ↗

English

13 1117. 1/50 Brought forward Rupees For board money to 30 coolies who were hired at Kalikut, provided in advance for 6 days, but who the next day with 56 other coolies left the goods behind and deserted, at 4½ stivers each per day: 27. — 90 coolies who retrieved the aforementioned abandoned goods and brought them to Tameltjerij, for 2 days at 4½ stivers: 27. — Board money to 44 coolies from Kalikut to Seringapatnam for 31 days, from the 4th of July to the 4th of August at 3 stivers per day: 136. 1/5 Wages to the same at 2 stivers per day each for 31 days: 90. 1/15 For board money for 149 coolies who were hired at Tameltjeri on the 10th of July until the 24th when we arrived at Kalvake, being 15 days at 4½ stivers per day each: 335¼ Wages to the same at 2 stivers each per day is for 15 days: 149 Board money to 100 coolies who were hired at Kalvati on the 24th and brought us to Pondol on the 30th, thus for 7 days at 4½ stivers per day: 105. — Wages to the same at 2 stivers each per day is for 7 days: 46 1/3 Board money to 100 coolies who were hired at Pondol and brought us on the 4th of August to Seringapatnam; thus for 6 days at 4½ stivers each per day: 90. — Wages to the same at 2 stivers each per day is for 6 days: 40. — Carried forward Rupees: 2164. 17/10 Brought forward Rupees: 2164. 19/160 For board money to 44 Cochin coolies during our stay at Seringapatnam being 20 days at 3 stivers each: 66. — Ditto to the same from Seringapatnam back to Kalikut for 15 days from the 24th of August to the 8th of September at 3 stivers per day each: 44. — Wages to the same at 2 stivers per day is for 15 days: 22. — Board money to 70 coolies from Seringapatnam to Kalikut, being 15 days at 4½ stivers each per day: 157½ Wages to the same at 2 stivers each per day is for 15 days: 70. — Board money to 44 Cochin coolies from the 9th to the 13th, being 5 days that we remained at Kalikut, at 3 stivers each per day: 22. — Ditto to the same from Kalikut to Kranganoor for 5 days as above: 22. — Wages to the same for the journey from Kalikut to Kranganoor at 2 stivers each per day is for 5 days: 14 2/3 100 coolies board money for 5 days from Kalikut to Kranganoor at 4½ stivers each per day: 75. — Wages to the same at 2 stivers each per day is for 5 days: 33½ Sum Rupees: 2757 1/60 To 5 sets of palanquin bearers, each set consisting of: 1 Mukadam receiving 10 Rupees per month for 3 months: Rupees 30. — 12 bearers at 8 ditto ditto for 3 ditto: 288. — Total Rupees: 318. — Thus for 5 sets: 1590. Hire for 44 pack-oxen from Kalikut to Seringapatnam at 12 Rupees each: 528. — Carried forward Rupees: 13457 1/60 Brought forward Rupees: 5962. 17/10 For 15 days that we did not travel, at 4½ stivers per day for each pack-ox: 88. — Hire for 25 pack-oxen on the return journey to Kalikut at 12 Rupees each: 300. — For 5 days that we did not travel, at 4½ stivers per day for each pack-ox: 29. — At the ferry at five rivers from Settua to Kalikut at 5 Rupees each: Rupees 25. — For bamboos and coir to make various rafts in order to cross the rivers from Kalikut to Seringapatnam, and for labor wages: 120. — At the ferry at five rivers from Kalikut back to Settua and for the Settua river, being at that time the Nabob's, at 5 Rupees each: 30. — 17 For the making of a large tent for the commissioners: Rupees 168. — Ditto for the ensign of Albedul and the Jewish merchant Surion: 124. — For a small tent for the captain of the sepoys and the drillmaster: 36. — For the making of a large tent for the sepoy detachment and the lascars: Rupees 81. Ditto for a large tent for the coolies and palanquin bearers: 50. — For a small tent for the gifts and baggage: 20. — Ditto for the servants, slaves and galley: 16. — total: 495. — Carried forward Rupees: 347. 2: Brought forward Rupees: Rupees 5962. 1 14/2 Gratuity To a drillmaster per month: Rupees 5. —. — 2 sepoy sergeants at ditto 2½ Rupees: 5. —. — 2 ditto corporals at 2 ditto: 4. —. — 32 ditto privates at 1½ ditto: 48. —. — Total Rupees: 62. —. — Thus for 4 months: Rupees 248. — To 1 sergeant, 1 corporal and 12 lascars together per month Rupees 40. —. — for 4 months: 160. — 1 interpreter for 3 months at 15 Rupees per month: 45. For the table per month 300 Rupees, amounts for 4 months: 1200. Wax candles, dammar, lamp oil etc.: 150. — For the making of hammocks for the sick: 20. — To a native physician for medications and practice: 40. — Presents at Kalikut To the two mace-bearers of the Governor: Rupees 50. — The Second of Kalikut: 50. — House servants of the Governor: 80. — A sepoy officer who brought the rah-dari or passport for the journey to Seringapatnam: 100. — total: 280. — On the journey to Seringapatnam To the killadar of Tameltjeri: Rupees 100. — Of Lakre kotte: 100. — total: 200. — Carried forward Rupees: Rupees 8105. 1/16. —. 2:

Dutch transcription

13 1117. 1/50 P=r Transport Rop=s voor kostgeld aan 30 koelies die te kalikat aange„ „noomen zijn vooruit verstrekt voor 6 dag;, doch die den anderen dag met 56. andere koelies het goed hebben laaten leggen en gedeserveerd zyn, a 4½ stver 90: koelies die gem: achtergelaatene goederen afgehaald en naar Tameltjerij gebragt hebben, voor 2 dag: a 4½ stver:. . . . „ „ kostgeld aan 44 koelies van kalikut tot se„ „ringapatnam voor 31 dag;, van den 4=e Iuli tot den 4=e Aug=s a 3 st: 's daags. .„ „loon aan dezelven a 2 st: 's daags 1 voor 31 dag: - . aan kostgeld voor 149 koelies die te Tameltjeri den 10=e Juli zyn aangenoomen tot den 24:e dat wij te kalvake zijn aangekoomen, zijnde 15 dag: â 4½ st: 's daags ider - - - - - - „ 335¼ „ Loon aan dezelven a 2 st: ider 's daags is v:n 15 dag: 149 „ kostgeld aan 100 koelies die te kalvati den 24:e aan„ „genoomen zijn en ons tot Pondol gebragt hebben den 30:', dus voor 7dag: a 4½ std:r d:s.„ „ Loon aan dezelven a 2 stver: der 'sdaags is v:n 7dag: „ kostgeld aan 100 koelies die te Pondol aangenoomen en ons op den 4:e aug:s hebben te seringa pat„ „nam aangebragt; dus voor Edag: a 4½ stver ider 'sdaags - 90: — „ Loon aan dezelven a 2 st: ider 's daags is v:r Edag:-„ 40: — Transporteere Rop=s 's daags ider - - - . 27: — 27. — 136. 1/5 90. 1/15 105. — 46 1/3 2164: 17/10 „ - 2164: 19/160. 66: — 44: 22. — voor kostgeld aan 44. koetsiemsche koelies geduurende ons verblijf te seringapatnam zijnde 20 dag: a 3 stver ider „ d=o aan dezelven van Seringapatnam tot kali„ „kuet te rug voor 15 dag: van den 24:e Aug:s tot den 8:e Septemb:r a 3 stver 's daags ider.. „zoon aan dezelven a 2 stver:'s daags is voor 15 dag„ „ kostgeld aan 70 koelies van seringapatnam tot ka„ „likut, zijnde 15 dag. a 4½ stver: der 'sdaags - - „ 157½ „ Loon dan dezelven á 2 stver: ider 's d:s is voor 15 dag: - - - „ 70: — „ kostgeld aan 44 koetsiemsche koelies van den 9:e tot den 13:=e zijnde 5 dag: dat wij te kalikeut geblee„ „ven zijn â 3 stver: id:m 'sdaags - - - „ _=o aan dezelven van kalikut tot kranganoor voor 5 dag: als even - - - „ Loon aan dezelven voor de reize van kalikut tot kran„ „ganoor a 2 st: ider 'sdaags is voor 5dag: - - „ 14 2/3 „ 100 koelies kostgeld voor 5 dag: van kalikut tot kranganoor â 4½ st 1d:r 'sdaags - - - „ 75. — „ Loon aan dezelven a 2 stver: ider 'sd:t is voor 5 dag: - - „ 33½ tenmunum r„o4a 2757 1/60 Aan 5 stellen Palenkijn dragers bestaande ider stel uit 1. Moekadon genietende 10 Rjas 'smaands voor 3 maanden Rop. 30: — 12. dragers p=a 8. d–o _=o „ 3 d=o - - - „ 288. — Teld Ropias 318. — Dus voor 5 stellen. . . . . „ 1590. Huur voor 44 Draag-Ossen van Kalikut tot Serin„ Transporteere Rops - - - - - d„ 13457 1/60. „ 22. — P=r Transport Rop.:s - „ 88. — . „ „gapatnam a 12 rop:s ider - voor 15 dag dat wij niet gereesd hebben, a ider draag-os 4½ stver's daags sluur voor 25 draag-ossen op de terugreize tot kali„ „kut à 12 rop:s ider - - - - - - „ 300: — 1. 5 dagen dat wij niet gereijd hebben á ider draag. -os 4½ stver. 'sdaags - - - - - - 2 % 945 ¾ Aan de veer bij vijf rivieren van Settua naar kali„ „kut a 5 rop=s ider - - - - - Rops voor Bamboesen en kaier tot het maken van ver„ „scheidene vlotten om de rivieren van kalikut naar Seringapatnam te passeeren en voor werkloon. . . . . Aan de veer bij vijf rivieren van kalikut te rug tot settica en voor de Settursche revier als toen 's Na„ „babs zinde, a 5 rop=s ider - - - - - „ 30: — 17 Tot het maaken van een groote tent voor de Ge„ „kommitteerdens. . . . . . . Ro:s 168:— D=o — voor den vaandrig van Albedul en den Joods koopman Surion - . - „ 124:— van een kleene tent voor den kapit:n van de Siparis en de Drilmeester – - - -. „ 36:— Tot het maken van een groote tent voor het komandosi, „pahis en de Laskorins - - - - Rap:s 81. d=o van een groote tent voor de koelies en palenkyns „ voor een kleene tent voor de geschenken en bagasie - - . „ 20: — do — v:r de domestiquen, slaven en kombuis. . . „ 16:— „ 495:— Transporteere Rop=s dragers - - - - - - - - - - „ 50: — - - „ 120:— 25:— „ 29: P:r Transport Kop: - - - - R„a 347: 2: 5962: 17/10 - - - - - „ 528. — - - P:r Transport Rop:s - - - R/as 5962: 1 14/2 Douceur Aan een Drilmeester 'smaands - - Ras 5. –. – „ 2 sipaische serjants a d. o 2½ rop=s. . . . „ 5. —. — „ 2 d=o korporaals „ „ 2 1 - - 4. —. — „ 32. „ gemeenen - - „ „ 1½ „. - - - „ 48. –. – Teld Rop:s 62. –. – Dus voor 4 maanden „. . rop. s 248. —. Aan 1 serjant, 1 korporaal en 12 Laskorijns te zamen 's maands rop:s 40. –. – voor 4 maanden. . . . „ 160: — „ 1 tolk voor 3 maanden a 15 rop. s smaands - - - - „ 45. voor de tafel 's maands 300 rop:s komt voor 4 maanden. - .. . waxkaarsen, Dammers, lampoli etc:. . . . . . „ 150: — tot het maaken van hangmatten voor de zieken. aan een jnlandsche geneesmeester voor medika„ „menten en praktijk - - Presenten te kalikut. Aan de twee stokke-draagers van den Goeverneur Ro /a4s 50. — „ den tweede van kalikut- „ „ Huis bedienden van den Goeverneur. . . „ 80. — „ een sipdihische Officier, die de Raderi of Pas„ „poort voor de reeze naar Seringapatnam op de reize naar Seringapatnam Aan de keledaar van Tameltjeri - - - Rops 100:— Lakre kotte. . . - „ 100:— Transporteere Rop. s gebragt heeft - - - - - - - - - - - „ 100. — 50. — mun„ 280. – „ 40. — „ 1200: 453. — 14 200:- R/ 8105: 1/16:- .- - .. „ 20: — „ - „ „ /16. —. 2:

NL-HaNA_1.04.02_10317_0242 view scan ↗

English

Carried forward Rops To the keledaar of Kalvati - - - - - Rop 200. Roas 8105: 1/1 To the Sarbadikariakare of the king of kottatte - - -- - 880. — To the Governor of Maisour - 100:— At Seringapatnam To four mace-bearers who were assigned to us during our stay there rops 100 — To the Nabab's servants who at our arrival brought sheep, Rice, butter, fruits, vegetables etc: as a gift - - - 200. — To the first Interpreter - - - - - 300. — To the joint house servants of the Nabab - - - - - - - - - 500. — To the Servants of the Nabab's Brother karim saib - - 200. — To the joint mace-bearers of the nabab - - - - - -. - -. 200. — To a mace-bearer of the Nabab who brought the Raderi or Passport to us - - - 80. — 1830. — Extra Presents to the following To the First Minister of the Nabab - - - - Rops 800. — To the Governor of Seringapatnam - - - - 300. — To the Second Minister - - - - - - 400. — To the Governor of Gondol. . . . . . 100: — To the Tjoudari of Tjatterom - - - - 80. — To the keledaar of Edatoel - - - - 100.— To the Kitjeri or Secretary . . . . . 250. — To the great Treasurer - - - - 100. — To the nabab's Body-physician - 100. To the commanders of the places on the way from Seringapatnam to Kalikut, above mentioned, given as gifts on the return Rep 300. — To the Servants of the Governor of kalikut on the road- 28. — To a sepoy Officer who brought a Raderi or passport to us, for our journey as far as kranganoor - - - - - - 628. — Carry forward Rops 1500 — Rrs 10816: 1/1 2000. – 100. — 500. — 200: — 200 1500 R r/s 10815: 11/3: Carried forward Rops 0. — 15 Total Ropias. . . . 13443 1/15 Cochim the 30th November Anno 1784. — /was signed:/ C. G: Seijfser: — On this occasion the Lord Governor produced the translation of the letter from the highly mentioned Nabab written to him in reply, and of the list of the presents sent alongside it, and after deliberation it is approved and resolved to insert those translations here, and to send the presents with the first shipping opportunity to the Principal seat, as his highness might take it amiss if the same were sold here. Translation of the Tamil palm leaf letter written by the Nabab Tipoe Sultan Haidar Ali Khan Bahadur, Ababi, Martabadoe, sawoekada, maabi, Mantjawadoe, to the Honorable, Highly Esteemed Mr. Iohan Gerard van Angelbeek Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director on the coast of Malabar Rabagadoea Ababi martabadoe Sawoekada maabi Mantjawadoe, writes this letter to the Governor of the city of Koetsiem Angelba. We are in good health, and we wish that your honor's health and satisfaction may be perfect, and to have experienced the goodness of sharing the same with us. Now by the receipt of your honor's letter and the arrival of the Ambassadors, we are informed of everything; the presents sent by your honor to us have been delivered to us by them, and they have spoken with us about all matters, and we have negotiated everything with them and given them their dismissal, and they are now departing thither, who shall give full information of everything to your honor. We now send to your honor two packages of Magadawi, and one Package of Poerana poeri, which we hope will be accepted with affection. We expect that your honor will continually share with us the health and the good satisfaction of your honor. This letter was written in the Year Krodi the 4th of the month Awana, being the 14th August 1784. — Gifts sent to the Governor of Koetsiem. Two packages of Magadawi, whereof: 1 containing 1 sira 2 samebara padoe 1 Toepatta 1 kemkap 5 1 containing 1 sira 2 samebarapadoe 1 Goeseratti Toepatta 1 kimkap. One package of Pranapoeri, containing 1 pago 2 Samebarapadoe 1 Toepatta 1 kimkap in the said three packages fifteen pieces. Thus Done, Resolved and Decreed in the Council of Malabar at the city of Koetsiem on the day, month and Year aforesaid /was signed/ I. G. van Angelbeek, R. v. Harn, F: v: den Busch, N. W. Beijts, I. L. van Spall, C. G. Seisser, W. V. Haesten and Adriaan Poolvliet. Agreed Adriaan Poolvliet Secretary No 6. Separate and secret. To the Honorable, Valiant Mr. Johan Gerard van Angelbeek, Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director, etc: at Koetsiem Honorable Valiant Sir! After having read and reread attentively your Secret letter to the High Government, I find no difficulty in being of one mind with your Honorable Valiant regarding the conduct to be observed by us, should Tipoe sultan carry out the formidable intention against Trevankoor. We are all the more obliged to careful consideration, because he cannot begin this war against Trevankoor without breaking with the English, who have expressly included the king of Trevankoor under their treaty of peace with Tipoe. Agreeing with your Honorable that the goodwill of Tipoe is indispensable to us, I think consequently that the sending of commissioners to Kalikoet cannot be refused, if the prince insists upon it. I even think this opportunity should be seized

Dutch transcription

P=r Transport Rops Aan de keledaar van Kalvati - - - - - Rop „. „ Sarbadikariakare van den koning van „. . . „ Goeverneur „ Maisour - Te Seringapatnam Aan vier stokke-draagers die geduurende ons verblijf aldaar aan ons toegevoegd waaren rops 100 — „ 's Nababs bedienden die met onze komste schaa„ „pen, Rijst, boter, vruchten, groentens etc: tot geschenk gebragt hebben - - - „ 200. — „ den eersten Tolk - - „. „ gezaamentlijke huis bediendens van den „. . „ Bediendens van 's Nababs Broeder karim - - „ 300. — saib — - - „ —. „ gezamentlijke stokkedraagers van den nabab - - - - - -. - -. „ 200. — „ een stokkedraager van den Nabab die de Raderi of Paspoort aan ons gebragt heeft - - - „ 80. — 1830. — Extra Presenten aan de volgende Aan den Eersten Minister van den Nabab - - - - Rops 800. — „ „ Goeverneur van Seringapatnam - - - - „ 300. — „ „ Tweeden Minister - - Transporteere Rops. 1500 — Rrs 10816: 1/1 „. . „ Goeverneur „ Gondol. . . . . . „ 100: — „. . . „ Tjoudari. . . „ Tjatterom - - - - „ 80. — „. - „ keledaar van Edatoel - - - - „ 100.— „ de Kitjeri of Sekretaris . . . . . „ 250. — - - - - „ 400. — kottatte - - -- - Nabab - - - - - - - - - „ 500. — - - - - „ 200. — - - - „ 200. — „ 100. 200. Roas 8105: 1 880. — — - 100:— — . 300. — 2000. – Aan de „ groote Schatmeester - - - - „ snababs Lyf-medikus - Aan de kommandanten van de plaatzen op den weg van Seringapatnam tot Kalikut, hier vooren gem: bij de terueg komst geschonken Rep Aan de Bediendens van den Goeverneur van kalikut op den weg- Aan een sipaische Officier die een Raderi of paspoort aan ons gebragt heeft, tot onze reize tot naar kranganoor - - - - - - „ Cochim den 30. e November A„o 1784. — /was gete:/ C. G: Seijfser: — Bij deeze geleegenheid proouceerde de Heer Goever„ „neur de vertaaling van den brief van Hogge„ „melden Nabab aan hem in antwoord geschreeven, en van de lyst van de daar nevens gezondene geschenken, en word na deliberaatsie goedge„ „vonden en verstaan, die vertaalingen hier te insereeren, en de geschenken met eerste scheepsgeleegenheid naar de Hoofd„ Somma Ropias. . . . 13443 1/15 28. — 628. — 100. — 500. — 200: — 200 1500 R r/s 10815: 11/3: P:r Transport Rops „plaats 1/1 - . „ ƒ „ : - /14 0. — 15 plaats te zenden, alzoo zijn hoogheid het quelijk zou kunnen neemen, als dezelven hier verkocht wierden Translaat tamoelschen bra„ door den Nabab Tipoe Sultan Ha bhader, Ababi, Martabadoe, s „woekada, maabi, Mantjawaa„ gesch: aan den Weled: Groot achtb He Iohan Gerard van Angelbeek Raad extraordinair van Nederland Jndiën, Goeverneur en Direkteur ter kuste Malabaar Rabagadoea Ababi martabadoe Sawoekada maabi Mantjawadoe, schrijft deezen brief aan den Goeverneur van de stad Koetsiem Angelba wij zyn in goede gezondheid, en wij wenschen dat uweled:s gezondheid en genoegen mogen zyn volmaakt, en de goedheid geleeft te hebben, dezelven ons te bedeelen Thans door den ontvangst van uwelE: brief en komste van de Ambassadeurs, zijn zyn wij van alles onderricht; de presenten door uweledelen aan ons gezonden, zyn door hen aan ons besteld, en zij hebben met ons over alle zaaken gesprooken en wij hebben met hen alles verhandeld en hun afscheid gegeeven, en zij vertrekken thans naar derwaats, dewelken volkoomen infor„ „maatsie van alles aan uweledele geeven zullen. wij zenden thans aan uweledele twee pakjes Magadawi, en een Pakje Poerana poeri die wij hoopen met geneegentheid zullen worden g'apcepteerd. De gezondheid, en 't goed genoegen van uweledele verwachten wij dat uweledele ons bij kontinuaatsie zal bedeelen. Deeze brief is geschreeven in het Jaar. Krodi den 4e. van de maand Awa„ „na, zijnde den 14:e Aug:s 1784. — Geschenken die gezonden worden aan den Goeverneur van Koetsiem. Twee pakjes Magadawi, waarvan: 1 daarin 1 sira 2. samebara padoe 1 Toepatta 1 kemkap e 5 1 daarin 1 sira 2 samebarapadoe 1 Goeseratti Toepatta 1. kimkap. Een pakje Pranapoeri, daarin 1 pago 2 Samebarapadoe 1 Toepatta 1 kimkap in gem drie pakjes vijftien stux Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearresteer in Raade van Malabaar ter steede koetsiem ten dage, maand en Iaare voormeld /was get I. G. van Angelbeek, R. v. Harn, F: v: den Busch, N. W. Beijts, I. L. van Spall C. G. Seisser, W. V. Haesten en Adriaan Poolsliet. Akkordeerd Adriaan Roo vlet Sekrets : N„o 6. Apart en sekreet. Aan den weledelen, Gestrengen Heer Johan Gerard van Angelbeek, Extra ordinaris Raad van Nederlandsch Indië, Goeverneur en Direkteur, enz: te Koetsiem Weledele Gestrenge Heer! Na uwen Sekreeten aan de Hooge Regeering aan¬ dachtig geleezen en herleezen te hebben, vind ik geen zwaarigheid om eenstemmig, met uw Edele Gestr: te weezen omtrend het gedrag door ons te houden, indien Tipoe sultan het geducht voorneemen tegen Trevan„ „koor ten uitvoer brengt. wij zijn te meer tot een naauwzichtig overleg verplicht, wijl hij deezen oor= „log tegen Trevankoor niet beginnen kan zonder te breeken met de Engelschen, die den koning van Trevankoor onder hun vreedens verdrag met Tipoe uitdrukkelijk begreepen hebben. Met uw Eg: het eens zijnde, dat de goede gezindheid van Tipoe voor ons onontbeerlijk zij, denk ik ge= „volgelijk, dat het zenden van gekommitteerden naar kalikoet niet ontlegd kan worden, indien de vorst er op staat. zelfs meen ik deeze gelegenheid waar

NL-HaNA_1.04.02_10317_0250 view scan ↗

English

to observe, to congratulate His Highness on his accession to the government. The agents of Trankebar, when they were unable to deliver some damaged gifts from the Lord Governor-General to the sovereign's vakil, promised in our name that this deficiency would be made good from Ceilon by way of Koetsiem. If Tipoe were acting merely concerning Settua and Paponetty, the matter would be quickly settled, and I would think that taking an annual payment, as high as can take place without harm to ourselves, is preferable to the payment of a fixed sum once and for all. Sovereigns of Tipoe's way of thinking might, once having received the money, make new demands, to refuse which we would then have no more opportunity than now; and besides, I do not consider Tipoe established enough in the government to be able to anticipate anything lasting from his goodwill as yet. Those who wrested the Zamorin's territory from him might perhaps assert the same reasons for rejecting our claim concerning Settua as were brought forward in 1773 concerning Naoer, etc. In any case, it seems to me better to pay out annually for a time, until one perceives the consequences of this revolution, or can anticipate them better than at present. Now comes the most delicate question to answer, namely what we are to say when either Tipoe or Trevankoor asks for auxiliary troops! Your Honour rightly remarks that the King of Trevankoor, by his conduct towards the English, seems to have determined our answer beforehand; did he not then not only keep out of range, but even give great reason to consider him partial; then he must not take amiss our refusal, to which necessity compels us. If he does so, however, we shall have to put up with this and yet, on account of our political interest, be unable to spare any means to preserve the Raja, if possible, through our intercession, at the expense of his purse. Not only do we lose through his downfall the remnants of the pepper treaty, but I even believe that one would greatly anger Tipoe by taking possession of some Trevankoor lands. In 1783 I was of this opinion, because we could appease him through aid against our and his open enemy. Circumstances have changed since then, and we must not now even think of anything of the kind. Tipoe, through his continual intercourse with the European nations who needed his father or him, is too well instructed concerning what we call the law of nations to take our neutrality in this assumed case very ill. He has before him the recent example of the powerful French, who after the armistice did not further meddle in his military operations against the English. We need not be ashamed to come to an admission of something which he already knows: namely, that the power of the Netherlands cannot be compared with that of France, and that we, by entering into his measures, would become open enemies of the English, without being able to rely on the alliance with France, now at peace with England. This refusal of his demand would undoubtedly have to take place as well regarding troops as regarding cannon and further war stores. Our refusal can be sufficiently cloaked with our present situation, if Tipoe is open to reason; but Your Honour will reasonably ask, what to do if he unswervingly maintains his position, and we risk our existence on Mallabaar by continued refusal! I do not think that he, seeing our firmness sensibly urged, will proceed to extremes against us, and we would then certainly have to hope, genuinely or feigned, for the help of the English. When the squadron of the Lord Commander van Braam visits Ceilon in November, as we hope, we shall be the first to let the country's naval force cross over to the Mallabaar coast. I submit to Your Honour's consideration whether, in the event of a pressing demand for auxiliary troops or ammunition, one could give Tipoe a secret direction to apply to Mr. de Bussy in that regard. The French do not need to conduct themselves as circumspectly as we do. If Mr. de Bussy requests ordnance, etc., from us for the King's service, we would not investigate closely whether it was to serve for Mahe or for Kalikoet. If the same wishes to instruct Colonel van Luxenburg (a French regiment, lent to us for a time) in the name of his King to depart with his regiment for Mahe, we, being informed thereof, could consent to the matter, for our salvation, and after having let the necessary protests precede it. I think, however, that this extreme measure must be regarded as a sheet anchor, and that our interest requires the preservation of the King of Trevankoor, if it is feasible. I have the honour to be with all high esteem, Right Honourable Sir! Your Honour's obedient servant, Im: Will: Falck. Kolombo, the 11th of October 1784. Agreed. Adriaan Bool, Lieutenant, Secretary

Dutch transcription

waar te neemen om zijne Hoogheid met zijne kom „ste aan de regeering te vergelukken. De Agenten van Trankebar, wanneer zij eenige bedorvene geschenken van den Heer Goeverneur Generaal aan 's vorsten wakkiel niet konden overgeeven, hebben in onzen naam beloofd, dat van Ceilon dit gebrek zoude vervuld worden over den weg van Koetsiem wanneer Tipoe enkel omtrend settua en Paponett handelde was de zaak schielijk gevonden, en ik zou denken, dat eene Jaarlijksche uitkeering te nee„ men zoo hoog als buiten eigene schade plaats kan vinden, verkieslijk zij boven de uitbetaaling van eene vaste somme voor eens. vorsten van Tipoe 'swijze van denken kunnen, het geld eens ontvan „gen hebbende, nieuwe eisschen maaken, tot welke ontlegging wij, dan zoo min als nu, gelegenheid zouden hebben: en buiten dien acht ik Tipoe niet gevestigd genoeg in de regeering om van zijne wel „willendheid iets bestendigs, voor als nog, te kun= nen vooruitzien. Die het sammorijnsch gebied hem ontweldigden, mogten misschien dezelfde re denen ter afzegging van onzen eisch omtrend settua beweeren, als in 1773. omtrend Naoer, en Z: te berde gebragt wierden. 't is in allen gevalle, dunkt mij, beter Jaarlijks voor een tijd uit te keeren, tot dat men de gevolgen van deeze omwenteling bespeure bespeure, of beter dan tans vooruitzien kan. Nu komt de neteligste vraag te beantwoorden, wat naamelijk voor ons te zeggen valt, wanneer of Tipoe of Trevankoor hulptroepen vraagt! Te recht merkt uw Eg: aan, dat de koning van Trevankoor, door zijn gedrag omtrend de Engel= „schen ons antwoord voor af schijnt bepaald te hebben, heeft hij toen zich niet alleen buitenschoot gehouden, maar zelfs groote redenen gegeeven om hem voor een zijdig te houden; dan mag hij onze weigering, waartoe de nood ons dringt, niet ten kwaade duiden. Doet hij dit echter, wij zullen ons dit moeten getroosten en evenwel, uit hoofde van ons staatkundig belang, geene middelen kunnen spaaren om den Rasja, is het mogelijk, door onze voorspraak te behouden, ten koste van zijne beurs. Niet alleen verliezen wij door zijn ondergang de overblijfselen van 't peper verdrag, maar ik geloof zelfs dat men Tipoe grootelijks vertoornen zoude door het in bezitting neemen van eenige Trevankoorsche landen. Jn 1783. was ik van dit gevoelen, om dat wij hem door hulp tegen onzen en zijnen openbaaren vijand konden tot bedaaren brengen. De omstandigheeden zijn sedert veranderd, en aan iets diergelijks mogen wij nu zelfs niet denken. Topoe Tipoe is door zijn geduurigen omgang met de Europische volkeren die zijn vader of hem noodig hadden, te zeer onderricht omtrend het geene wij het recht der volkeren noemen, om onze onzijdigheid in dit onderstelde geval zeer euvel op teneemen. Hij heeft het jongst voorbeeld van de machtige Franschen voor zich, die zich na den wapenstilstand met zijne oorlogs ver richtingen tegen de Engelschen niet verder be „moeid hebben. wij behoeven ons niet te schaa= men om tot bekendtenis te komen van iets 't welk hij reeds weet; dat naamelijk de macht van Nederland met die van Frankrijk in geen vergelijking komt, en dat wij, in zijne maatre= „gelen treedende, openbaare vijanden van de En= „gelschen zouden worden, zonder ons op het bond genootschap met Frankrijk, tans met Engeland bevreedigd, te kunnen verlaaten. Deeze ontlegging van zijnen eisch zoude zoo wel omtrent de troe= „pen als omtrent kanon en verderen oorlogs voor= „raad ontwijffelbaar moeten plaats hebben. onze weigering kan met onzen tegenwoordigen toestand genoeg doende bekleed worden, indien Tipoe vatbaar is voor redenen; maar billijk zal uw Eg: vraagen, wat gedaan als hij zijn stuk onverzettelijk staan= „de houdt, en wij bij voortduurende weigering onze bestaanlijkheid bestaanlijkheid op Mallabaar waagen! Jk denk niet dat hij, onzen ernst verstandig aangedrongen ziende, tot uitersten tegen ons komen zal, en wij hadden dan zeker, oprecht of geveinsd, de hulp van de Engelschen te hoopen. wanneer het eskader van den Heer Kommandeur van Braam, gelijk wij hoopen, Ceilon in November komt bezoeken, zullen wij de eersten zijn om 's lands zeemacht naar de Mallabaarsche kust te laaten oversteeken. Jk geef uweredele, Gestr: in overweeging, of men, bij eene knellende opeissching van hulptroepen of ammunietsie, aan Tipoe eene geheime onder= „richting zoude kunnen geeven van zich dientwe= „gen bij den Heer de Bussij te vervoegen. De Fran= „schen behoeven zich niet zoo omzichtig te ge= „draagen gelijk wij. als de Heer de Bussij ons tot 's konings dienst, verzoekt om geschut, enz: wij zouden niet naauwkeurig uitvorschen, of het voor Mahé, of voor Kalikoet zoude dienen" Jndien dezelve den kolonel van Luxenburg (een Fransch regiment, voor een tijd aan ons ge= „leend/, uit naam van zijnen koning belasten wil om met zijn regiment naar Mahe te ver= „trekken; wij zouden daarvan onderricht, in de zaak kunnen bewilligen, tot onze redding, en na de noodige protesten te hebben laaten voor af afgaan. Jk denk echter, dat dit uiterste middel als een plechtanker moet worden aangemerkt, en dat ons belang vordert den koning van Trevankoor „te behouden, zoo het doenlijk is. Jk heb de eere met alle hoogachting te zijn. /.on „derstond:/ weledele Gestrenge Heer !. uwer Eg: dienst „willige dienaar /was geteekend:/ Im: Will: Falck, /:in margine:/ Kolombo den 11:e oktober 1784. Akkordeerd Adriaan Bool lt Sekrets :

NL-HaNA_1.04.02_10317_0257 view scan ↗

English

No 7. Secret Resolution taken in the Council of Malabar at the town of Cochin Tuesday the 22. February 1785. in the morning Present The Right Honorable Honorable Lord Councilor extraordinary of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honorable Lord Senior Merchant second and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Merchant Fiscal and Cashier Mr. Nikolaas Wendelin Beijts, The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Ian Lambertus van Spall, The Honorable Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad George Seijffer, The Honorable Junior Merchant and Purveyor Willem van Haeften and The Honorable provisional Secretary of Police Adriaan Poolvliet Absent The Honorable Major and Commander of the militia Fredrik von den Busch, being out of town with prior knowledge. After the conclusion of the ordinary matters mentioned in the general resolution of today, consideration was given, with regard to the extradition of Deserters noted therein, That, in all probability, the Nabob's officials would not have dared to proceed with this on their own authority and without being assured of his consent, and that from this one seems to be able to draw a safe conclusion regarding his good disposition towards the Company, and thus this favorable moment should be seized to settle with him the pending disputes over Settua and Paponetty and to enter into a treaty of friendship and commerce. That the Nabob indeed promised the Envoys of the Company that upon his arrival in the month of October at Calicut he would proceed with this, yet His Highness has not arrived up to now and is not expected to arrive anytime soon, and one must therefore endeavor to achieve this objective in another manner. That the Jewish merchant Izaak Surjon, who is an inhabitant and subject of the Company, yet maintains a factory at Calicut and is held in esteem by the Moorish Government, as well as having attended the latest Embassy and on that occasion having given proofs of goodwill, presently, in his letters to the Lord Governor, as well as to the Junior Merchant Seijffer, as having held the first place in that Embassy, strongly urges that a capable Person be sent from here to Calicut to initiate the negotiations on the aforementioned subjects with the Nabob's Governor, who recently returned from Seringapatam with great pomp and state and, according to the opinion of him, Surjon, is authorized to settle everything with the Company. And after mature deliberation it was approved and resolved to address the aforementioned Governor of Calicut hereupon by letter and particularly to inquire whether he is authorized by his Master, the Lord Nabob, to enter into negotiations on these matters with the Company's Commissioners; and it was furthermore approved and resolved to insert the Dutch draft of that letter here. Draft letter written by the Right Honorable Honorable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to the governor at Calicut, Assadehan Bekr, the 22nd of February 1785. — I have learned with great pleasure that Your Honor has returned from Patnam, on account of which I hereby congratulate Your Honor. When our Ambassadors recently had the honor of discussing with His Highness the Lord Nabob, Tipu Sultan, the restitution of Settua and Paponetti, His Highness replied that, having heard our reasons, he first needed to learn what Your Honor had to say against it; that he would shortly come to Calicut and, if the Company wished to send commissioners there, would then declare himself regarding those places and regarding a contract of commerce and would give satisfaction to the Company in that regard; His Highness has not come to Calicut since, yet I firmly believe that he will have conferred with Your Honor about it, and I therefore take the liberty of inquiring hereby with Your Honor whether Your Honor is authorized by the Lord Nabob to enter into further negotiations with us on that subject and whether we may send Commissioners to Your Honor to that end, in order to bring those matters to a happy conclusion. Your Honor is a Man of great ability and discernment, and therefore understands very well that a treaty of friendship and commerce can be very advantageous both for the Nabob and for the Company, and thus I do not doubt in the least that Your Honor will gladly join me in doing your best to bring such a treaty about as soon as possible; May God preserve Your Honor. And whereas some time ago a letter with gifts was sent hither from Ceylon by the Lord Governor Falck (of blessed memory) to be presented to His Highness on the occasion of commissioners going from here to Calicut, it was now taken into consideration whether it would indeed be appropriate still to deliver that letter in his name, now that the highly esteemed Lord Governor has passed away in the meantime; and it was approved and resolved to present this consideration to the Ceylon Ministers and give them the further choice whether that letter shall still be delivered, or whether one wishes to send hither another for that purpose, signed by the presently Ruling Governor. Thus Done, Resolved and Decreed in the Council of Malabar at the town of Cochin on the day, month and Year aforementioned. /:was signed/ J. G. van Angelbeek, R. van Harn, N. W. Beijts, J. L. van Spall, C. G. Seijffer, W. van Haeften and Adriaan Poolvliet. Agrees Adriaan Poolvliet Secretary

Dutch transcription

No 7. Sekreete Resoluutsie genoomen in Raade van Malabaar ter steede koetsiem Dingsdag den 22. Februari 1785. voormiddags Present op De Weledele Grootachtbaare Heer Raad extra ordinair van Nederlands Jndiën, Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek, De E: Heer Opperkoopm: sekunde en Hoofdadminist:r Reinier van Harn, De E: Koopman Fiskaal en Kassier M:r Nikolaas wendelin Beijts, De E: Onderkoopman en Pakhuismeester Ian Lambertus van spall, De E: onderkoopman en soldij Boekhouder Coenraad George Seijffer, De E: onderkoopman en dispensier Willem van Haeften en De E: p:l sekretaris van Polietsie Adriaan Poolvliet Absent De E: Majoor en Hoofd der milietsie Fredrik von den Busch als zijnde met voorkennis buiten de stad. Na het afloopen van de ordinaire zaaken bij de gemeene resoluutsie van heeden vermeldt, werd met opzicht tot de daarbij genoteerde uitleevering van Deserteurs in aanmerking genoomen. Dat, naar de meeste waarschijnlijkheid 's Nababs Amptenaaren . Amptenaaren daartoe, op eigen gezag en zonder van zijne toestemming verzeekerd te zijn, niet zouden hebben durven treeden, en men derhalven hieruit, op zijne goede geneegenheid voor de komp: een veilig besluit schijnt te mogen trekken, en dus dit gunstig tijdstip diend waarteneemen, om met hem de zweevende geschillen over settua en Paponettij aftedoen en een traktaat van vriendschap en koophandel aantegaan. Dat de Nabab aan de Gezanten van de komp: wel beloofd heeft, bij zijne komste in de maand oktober te kalikut daartoe te willen treeden, doch dat zijne Hoogheid tot nu toe niet gekoo= men is en voor eerst ook niet staat te koomen, en men derhalven trachten moet, dit oogmerk op een andere wijze te bereiken. Dat de Joodsch koopman Izaak surjon, die een Jnwooner en onderdaan van de komp: is, doch te kalikut een faktorij houdt en bij de Moor „sche Regeering in aanzien staat, mitsgaders de Jongste Ambassade mede bijgewoond en bij die geleegenheid blijven van welmenendheid gegee „ven heeft, thans bij zijne brieven aan den Heer Goeverneur, als ook aan den onderkoopman seijffer, als de eerste plaats in die Ambassade bekleedt hebbende, sterk aandringt, dat van hier hier een bequaam Persoon naar kalikut gezon= „den worde, om de onderhandelingen over de voor= „melde onderwerpen te enthameeren, met 's Na- „babs Goeverneur, die deezer dagen van seringapat„ „nam met groote eer staatsie terug gekoomen en volgens het gevoelen van hem surjon gemach= „tigd is, om alles met de komp: aftedoen. En werd na rijpe deliberaatsie goedgevonden en verstaan, den voorm: Goeverneur van Kalikut hierover bij een brief te onderhouden en inzon= „derheid te vraagen, of hij van zijnen Meester den Heer Nabab gequalificeerd is, om over deeze zaaken met 's komp:s Gekommitteerden in onderhande= „ling te treeden, en is wijders goedgevonden en ver- „staan, het nederduitsch opstel van dien brief hier te insereeren. Konsept brief door den weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek, geschreeven aan den goeverneur te kalikut Assadehan Bekr den 22:e februari 1785. — Jk hebbe met veel genoegen vernoomen, dat uw Ed: van Patnam terug gekoomen is, wes= „halven . . „halven ik uwEd: derweegen bij deezen feliciteere. Toen onze Ambassadeurs Jongst de eer hadden, zijn Hoogheid den Heer Nabab. Tipoe Sultan, over de terug gave van settua en Paponetti te onderhouden, gaf zijn Hoogheid tot antwoord, dat hij onze reedenen aangehoord hebbende, eerst diende te verneemen, wat uwEd: daar tegen te zeggen had, dat hij binnen korten te kali= „kut komen, en als de komp: daar gekom= „mitteerden zenden wilde, zich dan over die plaatsen en over een kontrakt van koophan= „del verklaaren en de komp: daaromtrend ge= „noegen geeven zoude; zijn Hoogheid is zeder niet te kalikut gekoomen, doch ik stelle vast dat hij uw Ed: daar over zal onderhouden hebben en neeme derhalven de vrijheid, mij door deeze bij uwEd: te erkondigen, of uw Ed: van den Heer Nabab gemachtigd is, om daar over met ons in nadere onderhandeling te tree= „den en of wij tot dat einde Gekommitteerden bij uw Ed: zenden kunnen, om die zaaken tot een gelukkig einde te brengen. uwEd: is een Man van groote bequaamheid en doorzicht, en begrijpt derhalven zeer wel„ dat een traktaat van vriendschap en kom „mercie, zoo wel voor den Nabab als voor de komp: komp: zeer voordeelig kan zijn, en dus twij= „fele ik geenzints, of uw Ed: zal met mij gaar= „ne willen zijn best doen, om zulk een trak= „taat hoe eer hoe liever tot stand te brengen; God bewaare uw Ed: En vermits van Ceilon voor eenigen tijd een brief met geschenken van den Heer Goeverneur Falck (g:g:/ herwaards gezonden is, om bij ge= „leegenheid dat van hier gekommitteerden naar kalikut gingen, aan zijn Hoogheid aan= gebooden te worden, zoo werd als nu in beden= „king genoomen, of het wel gevoeglijk zijn zoude, dien brief, nu dat de Hoog gedachte Heer Goever= „neur; middelerwijle overleeden was, als noch uit zijnen naame over te geeven, en goed gevon= „den en verstaan, aan de Ceilonsche Ministers deeze bedenking voor te leggen en in nadere ver= „kiesing te geeven, of die brief als noch zal be= „steld worden, dan wel, of men een anderen tot dat einde wil herwaards zenden, die door den thans Regeerenden goeverneur onderteekend is. Aldus Gedaan Geresolveerd en Gearres¬ „teerd in Raade van Mallabaar ter steede koetsiem ten dage, maand en Jaare voormeld /:was geteekend/ J: G: van Angelbeek, R: van Harn, N: w: Beijts, J. L van Spall: C: G: Seijffer W: 2 W: van Haeften en Adriaan Poolvliet Akkordeerd Adriaan Bootvliek Sekrets

← previousnext →