Inventory 10319
Malabar · 718 pages · 128 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
had stipulated with it or enjoyed from it, as well as what had been in use with it, without such having been expressed in the contracts. In the second place I spoke about the complaints of the Christians at Sandroer, Elimanoer Aroer and Craweni, regarding the new burdens which the King's servants wished to impose on them, especially concerning the order to plant pepper and ginger in their gardens and to deliver it to the King at low prices, regarding which, after much arguing back and forth, it was promised by the Prime Minister that they would not be molested any further. The toll collectors on the river between here and Koilang had for some time detained several tonies with Company goods and demanded toll for them, as last year a vessel with gunnies from Kalikoilang and now recently another with coir rope; this constituted the third subject of the negotiation, and was settled at once by the assurance that positive orders would be given to all toll collectors to allow the Company's goods to pass unhindered. In the fourth place came up the disputes that constantly arise at Koilang between the Resident Rosier and the King's Torrekare or village judge in the upper village or Koilang de Sima, which belongs to Travancore, concerning the Company's right within the actual or lower village, which belongs to the Company, though the inhabitants thereof pay certain dues to the King. The Resident complains that the King's Torrekare frequently violates our territory by sending his people within our limits and arresting the inhabitants, and the Court, on the other hand, alleges that the Resident abuses our right in all manner of ways and especially grants shelter and protection to the King's subjects who, on account of crimes or arrears, flee into our limits, which, whenever it comes to an investigation, is usually denied by both sides. On this occasion also the commissioners asserted that the King did not wish to dispute our lawful right at Koilang, and referred to the last letter written to me, whereby our right there was fully conceded and it was merely requested to give orders to the Resident that the King's absconding subjects should not be detained but surrendered. The commissioners furthermore declared that they had been expressly ordered by their master to complain about the Resident Rosier, but upon my request to specify their complaints further, their answer was that they had only been ordered to complain in general, but would at a further opportunity state more circumstantially in what these complaints consisted. Finally I began to bring up the pepper supply, and to complain about the great decay of the same, with the aim of putting on the table my proposal regarding the increase of the prices of the pepper that should henceforth be delivered above 1500 candys, which was made by me in a separate secret letter to the Supreme Government of the Indies on the 20th of April 1784 and approved by Their High Excellencies in the reply of the 1st of October 1784 under a certain condition. Very detailed debates arose over this, of which, to avoid prolixity, I will only briefly record the most essential points. They sought to excuse the defective supply by alleging that their Prince had since not been able to conquer the lands which he had hoped to conquer under the favor of the Company at the conclusion of the treaty, and although they did not come to any clear explanation regarding which lands they meant, which I also did not desire, they nevertheless made it sufficiently understood that the Company was the cause that their master had at that time not been able to make any further conquests toward the north. The proof of this argument of theirs they believed to find in the fourth and sixth articles of the contract, where mention is made of the pepper falling in the lands which His Highness might have conquered and might yet come to conquer through the neutral conduct of the Company; and when I refuted this by pointing out the lands which their Prince had at that time actually conquered through our permission and still possessed, they came forward with another argument which was not so easy to refute, namely, that when their King was hostilely attacked in the year 1765 by the Nabob Mahmet Alichan, he had immediately applied to the Company and requested its assistance by virtue of the treaty, candidly making known that he would otherwise be compelled to take refuge with the English Company, but that we had then excused ourselves from the fulfillment of the contract and left their Prince helpless, and were thus ourselves the cause that he had been obliged to bind himself more closely with the English Company, and specifically also to a larger pepper supply, it being known to the world that he was at that time delivered from the hands of Mahmed Alichan by the English alone; that their master, however, understood very well that the Company at that time had not had sufficient forces at hand to support him against the Nabob Mahmed Alichan
Dutch transcription
met haar bedongen of van haar genooten heeft, mitsgaders bij dezelve ingebruik geweest is, zonder dat zulx bij de kontrakten is uit„ „gedrukt geworden. In de tweede plaats sprak ik over de klagten der Christenen te Sandroer, Elimanoer Aroer en Craweni, wegens de nieuwe lasten, die sko„ „nings Bedienden hunl: wilden opleggen inzon„ „derheid over de order om peper en gember in hunne tuinen te planten en voor laage prijzen aan den koning te leeveren, waar omtrend, na veel over en weder redeneerens door den Eersten Minister beloofd wierd, datze niet verder zouden gemolesteerd worden. De Tolheffers op de rivier tusschen hier en koi„ „lang hadden zeder eenigen tijd verscheidene, To„ „nies met skompanies goederen aangehouden en daar voor tol begeerd, als voorl: Iaar een Vaar„ „tung met Goenies van Kalikoilang en nu onlangs een ander met kaier lout, dit maakte het derde onderwerp der onderhandeling uit, en werd ten eersten afgedaan door de verzeeke„ „ring, dat stellige orders aan alle solheffers zouden gegeeven worden, om skomp„s goederen onverhinderd te laaten passeeren. In de vierde plaats quamen de geschillen ter baan, die geduurig te koilang ontstaan tus „schen het opperhoofd Rosier en skonings Torrekare of Dorprichter in het boven dorp of koilang de Sima hetwelk aan Trevankoor toebehoord, over skomp„s recht, binnen het eigent„ „lijke of beneeden dorp, het welk aan de komp toebehoord, doch waarvan de Inwoonders zeekere gerechtigheeden aan den koning betaalen. Het Opperhoofd klaagd dat 's konings Torrekare ons grondgebied dikwils violeerd, door zijn volk in onze limiten te zenden, en de Inwooners op te vatten en het Hof geeft daar en teegen voor„ dat het opperhoofd ons recht op allerlijwijze misbruikt en inzonderheid schuilplaats en pro„ „tetie verleend aan 's konings onderdaanen, die, we„ „gens misdaaden of agterstallen, in onze limiten vluchten, het welk, zoo wanneer het tot onder„ „zoek komt, doorgaans van weerskanten ontkent word. Ook thans beweerden de gekommitteerden, dat de koning ons wettig recht te koilang niet begeerde te betwisten, en beriepen zich op den laasten brief aan mij geschreeven, waar bij ons recht aldaar volmondig toegestand en alleen ver„ „zocht was, order aan 't Opperhoofd te geeven, dat 's konings latiteerende onderdaanen niet aangehouden maar uitgeleeverd wierden. De Gekommitteerden betuigden verder, door hunnen Meester expres gelast te zijn, over het opperhoofd Rosier te klaagen, doch op mijn verzoek, om hunne klachten nader te speci„ „ficeeren, was hun antwoord, dat ze alleen gelast waaren, in 't algemeen te klaagen doch bij st bij een nadere geleegenheid omstandiger zouden opgeeven, waarin deeze klachten bestonden Eindelijk begon ik van de peper-leverantsie op te haalen, en over het groot verval van dezelve te klaagen, met het oogmerk, om mijnen voorstel nopens de verhooging der prijzen van de peper die voortaan boven 1500. kandijlen zoude gelee„ „verd worden, op het tapijt te brengen, die door mij bij aparte sekreete Missive aan de Hooge indische Regeering van den 20. ' April 1784. gedaan en van Hunne Hoogedelheeden bij het antwoord van den 1.' okt 1784. onder zeekere bepaaling goedgekeurd is. —. Hier over ontston„ „den zeer omstandige debatten, waar van ik tot vermijding van wijdloopigheid, alleen het aller zaaklijkste kort zal aanteekenen. De gebrekkige Leverantsie zochten ze te ver„ „schoonen met het voorgeeven, dat hun Vorst de landen, die hij bij 't sluiten van het Trak„ „taat gehoopt had onder de begunstiging van de komp te konquesteeren, zeder niet had kunnen bemachtigen, en hoewel zij hier om„ „trend tot geen duidelijke verklaaring quamen welke landen zij bedoelden, die ik ook niet begeerde, zoo gaven ze doch genoeg te verstaan„ dat de komp 'er oorzaak van was, dat hun Meester dier tijds om de Noord geen verdere konquesten, had kunnen maaken. Het bewijs van dit hun argument meenden zij te vinden in in het vierde en sesde Artikel van het kontrakt, waar gesprooken, word van de peper, vallende in de landen die zijn Hoogheid door 't neutraal gedrag van de komp mogte hebben vermeesterd en noch mogte komen te vermeesteren; en toen ik dit wederlegde, met aanwijzing van de landen, die hun Vorst dier„ „tijds, door onze toelaating, werklijk vermeesterd had, en noch bezat quamen zij met een ander ar„ „gument voor den dag, het welk zoo gemaklijk niet te weder leggen, was, teweesen, dat hun koning, toen hij in 't Iaar 1765 door den Na„ „bal Mahmet Alichan vijandig aangevallen was, zich ten eersten aan de komp vervoegd en haaren bijstand uit hoofde van het traktaat, verzocht had, onder openhartige bekend maa„ „king, dat hij anders genoodzaakt zijn zoude, tot de Engelsche komp toevlucht te neemen, doch dat wij ons toen van de vervulling van het kontrakt verschoond en hunnen Vorst hulploos gelaaten hadden en dus zelve oorzaak waaren, dat hij zich met d' Engelsche komp nader en speciaal ook tot een ruimere peper leverant „sie had moeten verbinden, zijnde het wereld kundig, dat hij toen ter tijd door de Engelschen alleen uit de handen van Mahmed Ali„ „chan was bevrijdt geworden, Dat hun Meester echter zeer wel begreep, dat de komp te dier tijd geene macht genoeg had aan handen gehad om hem teegen den Nabab Mahmned Alichan te e
English
to protect, and for that reason had also preserved the old friendship and affection for it, and moreover was still inclined to renew and confirm the old alliances, which could not be anything but advantageous for both, since we were now good friends with the English again and therefore had only to fear the further incursion into the Malabar from the northern side, his Highness having heard with great pleasure and himself read in the Madras gazette that we were expecting a mighty war fleet and several thousand men of land troops from Europe. I understood at once where this was leading, and thus cut off the further discussion of this matter with the simple answer that I was very pleased with the assurance of his Highness's affection and friendship for the Company and would not fail to inform my superiors in the Netherlands and Batavia thereof at the first opportunity, subsequently turning the conversation to our expected warships, adding that one half had gone directly to Batavia and the other was expected in Ceylon, but that the news in the Madras gazette that our Company had taken over six thousand men from the Lord Rheingrave of Salm and intended to send them to the Indies was not yet known here on the Company's part, and thus first required further confirmation; and in this manner we imperceptibly arrived at indifferent conversations, after which Kesava Pilla requested a separate audience, at which the Company's merchant Anta Chetty served as interpreter, and made it known that his Master wished to buy some gardens and lands of the Company situated in his kingdom, to which I declared I would agree, insofar as his Highness meant such gardens and lands as the Company could spare without prejudice to itself. He then named several, such as David de Castella near Arookkutty, Kalliakatta or the Moorenbril, the gardens near St. Andrews, and so forth, regarding which I declared myself inclined if we could agree about the price: But then he also came forward with the islands of Mutukunu, the Mosquito Island close by Cranganore, and the gardens near Manikorda and Perumanam, to which I answered that Mutukunu served to maintain communication between the post of Nikotte and Cranganore and thus could not be ceded; that the Mosquito Island lay very close beneath this fort, and thus could not be spared either; and that the gardens near Manikorda and Perumanam were likewise fixed posts for communication with Ayiroor and Kurikkad, which the Company needed. Subsequently he asked about the prices, to which I answered that those of leased gardens were regulated according to the amount of the lease money, but that uncultivated pieces of land which had been granted for cultivation or improvement and did not yet yield any rent had to be appraised. Upon his further question regarding the manner of calculating the purchase prices based on the lease money, I answered that the Company usually calculated at three percent, according to which a piece that yielded thirty rupees in lease money had to cost one thousand rupees. He observed hereupon that this ran twice as high as the calculation in use in this country, for in inheritances, partition, and division, the annual net revenue was calculated fifteen or sixteen times for the price of a piece of land, and that it very rarely happened that a buyer who had a great desire for a piece went up to twenty, but that our manner of calculation amounted to thirty-three years and four months of lease, which was far too expensive. I pointed out to him that our Company in Holland never had to pay more than three percent interest and the aforesaid calculation rested upon that, but he maintained that we paid much higher interest here in this country, and had only recently, as he had been told, taken up money at high interest; I answered to this that these were extraordinary cases, and that those sums were quickly repaid, and that the last negotiation of money had taken place primarily because we had not wished to leave the King his Master in embarrassment, who had requested an advance of 50000, for the money which Ananda Mallen had recently received had been destined for Tuticorin, and we had thus been forced to take up money in its place. He promised to report all this to his Master and joined me again with the other Commissioners, who, having subsequently been sprinkled with rose water and presented by me with some pieces of armozine, departed. On 27 August, at three o'clock in the afternoon, the King paid a visit to me in my garden with the second Prince, under such marks of honor as are recorded in the daily register. His Highness was received by me at his palanquin and led inside by the hand, but the Prince his brother, who according to the custom of the Malabar Princes dared not sit in the presence of the reigning King, and just as little in
Dutch transcription
te beschermen, en daarom ook de oude Vriendschap en geneegenheid voor haar had gekonserveerd mitsgaders ook noch geneegen was, de oude ver„ „bintenissen te vernieuwen en te bevestigen, het geen niet anders als voordeelig voor beide zijn kost, wijl wij nu met d' Engelschen weder goede vrienden waaren en dus maar alleen voor den verderen indrang in de Malabaar van de Noord„ „kant te vreezen hadden, hebbende zijn Hoogheid met zeer veel genoegen gehoord en zelve in de koerant van Madras geleezen, dat wij een machtig „ge oorlogs-vloot en eenige duizend Man land troepen uit Europa te wachten hadden. Ik begreep ten eersten, waar dit op uit zoude komen, en sneed dus de verdere verhandeling van deeze materie af door het eenvoudig ant„ „woord dat ik zeer verblijdt was, over de ver„ „zeekering van zijn Hoogheids geneegenheid en vriendschap voor de komp: en niet in ge„ „breeke zoude blijven, daarvan met de eerste geleegenheid aan mijne superieuren in Ne„ „derland en Batavia kennis te geeven, wen„ „dende vervolgens het gesprek op onze ver„ „wacht wordende oorlogs scheepen onder bijvoe„ „ging; dat de eene helft direkt naar Batavia gegaan was en d'andere te Ceilon verwacht wierd, doch dat de tijding in de koevant van Madras, dat onze komp ses duizend Man van den Heer Rhijngrave van Solms over¬ „ genoomen „genoomen had en naar Indien zenden wilde, hier skomp„s wegen noch niet bekend was, en dus eerst nadere konfirmaatsie vereischte; en op deeze wijze raakten wij ongevoelig op onver„ „schillige diskoursen, waarna Keja. Pulle een afzonderlijk gehoor verzocht, waar bij 'skomp„s koopman Anta sittij als Tolk diende en gaf te kennen, dat zijn Meester gaarne eenige tuinen en landen van de komp in zijn rijk geleegen, koopen wilde, waar in ik verklaarde te zullen bewilligen, voor zoo verre zijn Hoogheid zulke tinnen en landerijen bedoelde welke de komp zonder haar nadeel konde missen. Hij noemde toen verscheidenen op, als David de Castella bij Aroe, Kalliakatta of de Moo„ „renbril, de tuinen bij st„t Andries en zoo voorts waaromtrend ik verklaarde geneegen te zijn, als wij 't omtrend den prijs kosten eens worden: Doch toen quam hij ook voor den dag met de Eilanden Moetoe koenoe, het Miskieten Eiland digt bij kranganoor, en de tuinen bij Manikoorde en Peremagalaan, waar op ik ten antwoord gaf, dat Moetoekoenoe diende tot het onderhoo „den van kommunikaatsie tusschen de post Nikotte en kranganoor en dus niet kost afge„ „staan worden dat het Miskieten eiland heel digt onder dit fort lag, en dus ook niet kost gemist worden, en dat de tuinen bij Manikoor„ „de en seremagalan teffens vaste posten waaren tot tot kommunikaatsie met Aiwike en Kork die de komp noodig had. Vervolgens vroeg hij naar de prijzen, waar op ik antwoorde, dat die van verpachte tunnen geregel wierden, naar het bedraagen der pacht pennin „gen, doch dat woeste stukken grond die ter be„ „quaam maaking / tot beneficeering afgegeeven waaren en noch geen huure op tragten, getaxeerd moesten worden. Op zijne nadere vraage nopens de wijze van het bereekenen der verkoopsprijzen naar de pacht penningen, antwoorde ik, dat de komp gewoonlijk op drie ten honderd reekende, wienvolgende een stuk, het welk dertig ropijen aan pacht opbragt, duizend ropijen gelden moest Hij merkte hierop aan, dat dit wel eens zoo hoog liep als de reek die hier te lande plaats had, want dat, bij erfnissen, schifting en deeling de Iaarlijke zuivere inkomsten vijftien of ses„ „tien maal voor den prijs van een stuk land ge„ „reekend wierden, en dat het heel zelden gebeur„ „de, dat een kooper, die groote lust tot een stuk had, tot op twintig quam, doch dat onze wijze van reekenen op drie en dertig Iaar en vier maanden pacht aanliep, hetwelk veel te duur was. Ik beduide hem, dat onze komp in Hol„ „land noit meer dan drie percent intrest be „hoefde te betaalen en de voorsch bereekening daar op steunde, doch hij vervastede, dat wij hier te lande veel hooger renten betaalden, en nu nu onlangs noch, zoo als hem gezegt was, geld„ teegen hooge renten opgenoomen hadden; Ikant„ „woordde hier op, dat dit extra ordinaire gevallen waaren, en die penningen schielijk weer afge „legd wierden, en dat de laaste geld negootsiaatsie voornaamlijk geschied was, om dat wij den ko„ „ning zijnen Meester, die om 50000 vooruit ver„ strekking verzocht had, niet hadden willen verleegen laaten, want dat het geld, 't welk Ananda Male Iongst ontvangen had, gedesti„ „neerd was geweest voor Tutukorijn, en dat wij dus genoodzaakt geweest waaren in dies plaats geld opteneemen. Hij beloofde van dit alles aan zijnen Meester te zullen verslag doen en ver„ „voegde zich wederom met mij bij de ovrige Gekommitteerden, die vervolgens met rooze„ „water besprengt en door mij met eenige stuk„ „ken Armo zijnen beschonken zijnde, vertrok„ ken. Den 27„de Aug„s Namiddag om drie uur legde de koning met den tweeden Prins bij mij, in mijn tuin een bezoek af, onder zoodanige eerbewijzingen als bij 't dagregister aangeteekend zijn. zijne Hoogheid werd door mij aan deszelfs balenkijn ontvangen en bij de hand binnen geleidt, doch de Prins zijn Broeder, die vol„ „gens de gewoonte der Mallabaarsche Vorsten, in de tegenwoordigheid van den regeerenden koning niet duifde zitten, en even zoo min„ in 1
English
in mine, while I could suitably stand next to the king, was brought by two Council members into another room prepared for him. After the initial compliments, His Highness requested to go aside with me, accompanied only by Anta Sittij and his English tutor Pedro de Vega. He then also spoke about the gardens, especially about Moetoekoenge and the Miskieten Island, but acquiesced to my declaration that I dared not proceed to the cession of those plots for the reasons mentioned before, and he promised that upon his arrival at Tripontare he would send his trusted minister Keja Bulle to me again in order to negotiate about the other gardens. His Highness was subsequently, at his request, introduced to my wife, and I took this opportunity to converse for a few moments with the Prince, who presented me with a small diamond ring and was presented by me with another. Having returned to His Highness, he offered in a charming manner a gold chain and diamond ring to my wife, and I also had to accept a ring with a brilliant as a keepsake, in return for which His Highness accepted two rings from us with great grace, and was particularly pleased that I presented his son, who stood behind him and carried his gold sabre, with a gold rattan cane knob set with small diamonds and rubies. For the rest, the king was very cheerful and conversed about all kinds of things with much charm in the English language, which he speaks rather well, and which he especially uses to read newspapers from London, Madras, and Calcutta, through which he has acquired much knowledge that one would seek in vain among other Malabar rulers. At half past five His Highness departed, very satisfied, for the Palace of Koetsiem, and immediately thereafter by water to Anjekaimale, in order to continue the journey from there to the northern places. The ceremonies and honours that were observed on this solemn occasion are properly recorded in the Koetsiem daily register, to which I refer here. The 13th of September. I received a letter from the king merely to announce that he was sending the aforementioned Sambradi Keja Pulle, along with the first secretary Walia Melezetta Nilakanden Pulle and Kristna Bulle, to me to speak about certain matters. The 15th of the same month. There appeared Sambradi Keja Pulle, the king's first secretary Ballia Mela Zetta Nilakanden Bulle, along with the second rice purveyor Kristna Pulle and the usual agent Ananda Male, and spoke first about the disputes at St. Andries, concerning which they promised that matters would soon be handled to our satisfaction. Regarding the disputes at Koilang and the complaints about the Chief Rozier, they indicated that these were mainly to be attributed to the domineering and rebellious actions of the Portuguese Fathers, and especially of the Bishop of Koetsiem residing at Koilang de Sima, with whom the Chief Rozier was so taken that he openly took their side. They referred in this regard to what had occurred under the previous administration and to the events of last year, and promised that when the king returned to his residence and had properly investigated everything, he would send me a detailed report thereof. Subsequently, Sambradi Keja Pulle went with me into another room and then brought up the gardens and lands, requesting from me a list of those that the Company would be willing to cede. I had made use of that intervening time and had caused a list to be drawn up of all gardens and lands situated in the country of Travancore, excluding Moetoekoenoe, the Miskieten Island, and the Company's posts at Manikoorde and Sjeremagelaan, stating each one's lease rent and adding the selling prices calculated at three percent. I pass over the manifold arguments and reasonings that were brought forward against the excessively high prices, partly repeated and partly newly introduced, and which were answered by me solely with the assurance that I could not deviate from them; while with respect to the waste land near Bitjoer Koetiaboddegent, the greater part of which lies under water but can be made serviceable by dyking, and of which only a strip of high land is leased for 24 rupees a year, I declared that the price thereof could not be calculated from that small lease sum, but had to be determined by appraisal. Keja Pulle then asked for the prices of the following gardens, which were given to him as follows: The lease at 3 percent: David de Castella at Aroe: rs 1250 – – 41666 2/3 Kaliakatta or Moerenbril: rs 1400 – – 46666 2/3 Bettemene: rs 50 – – 1666 2/3 Kalitseeri Bitsjoer: rs 210 – – 7000 – A garden near St. Andries: rs 310 – – 10333 1/3 A ditto north of St. Andries: rs 80 – – 2666 2/3 A ditto at St. Andries and Karkaipali: rs 100 – – 3333 1/3 Total: rs 3400 – – 113333 1/3 He
Dutch transcription
in de mijne terwijl ik naast den koning zal met gevoeglijkheid kost staan, wierd door twee Raadsleden in een ander voor hem toebereid ver „trek gebragt. Na de eerste plichtpleegingen verzocht zijn Hoogheid met mij apart te gaan alleen met Anta Sittij en zijnen Engelsche Leermeester bedro de vega, sprak toen ook over de tuinen, speciaal over Moetoekoenge en het Miskieten- eiland doch berustede in mijne betuiging, dat ik tot den afstand van die stukken niet durfde treeden, om reeden voorm„t en beloofde dat hij bij zijne aankoms te Tripontare zijnen vertrouwden Minister„ keja bulle, wederom bij mijn zenden zoude om over de andere tuinen te handelen. - zijn Hoogheid werd vervolgens op zijn verzoek bij mijne huisvrouw ingeleidt en deeze geleegen heid nam ik waar, den Prins voor eenige ooge „blikken te onderhouden, die mij met een dia „manten ringetje beschonk en door mij met een andere beschonken werd. Bij zijne Hoog „heid terug gekoomen zijnde bood hij op een bevallige wijze aan mijne vrouw een goude keeten en diamanten ring aan, en ik moest ook een ring met een briljant tot een gedachten aanneemen, waar tegen zijn Hoogheid van ons twee ringen met veel graatsie akcepteerde, en inzonderheid in zijn schik was, dat ik zijnen zoon die achter hem stond en zijnen gouden sabel Den 13„e Sept de de 1 sabel droeg, met een gouden rottangs knop met kleene diamantjes en robijntjes beschonk voor 't ovrige was de koning zeer opgeruimd en redeneerde over allerlij dingen met veel be„ „valligheid, in de Engelsche taal, die hij tame„ „lijk goed spreekt, en inzonderheid ook aanwendt tot het leezen van nieuws papieren van London Madral en kalkatte waar door hij zich veele kennissen verworven heeft, die men bij andere Malabaarsche Vorsten te vergeefsch zoeken zoude. Om half ses vertrok zijn Hoogheid zeer vol„ „daan, naar het Pallais van koetsiem en on„ „middelijk daaraan over water naar Anjekai „male, om van daar de reize naar de noordlijker plaatsen voort te zetten De Ceremonien en eerbewijzingen die men bij deeze plechtige geleegenheid heeft in acht genoomen, staan bij het koetsiemsche dagre„ „gister behoorlijk opgeteekend, waaraan ik mij hier gedraage. Ontving ik een brief van den koning alleen ter bekendmaaking dat hij voorm sambradi keja Pulle nevens den eersten sekretaris Walia Melezetta Nila kanden Pulle en kristna bulle bij mij zond om over zeekere zaaken te spreeken. „ 15. „' d„o verscheenen sembradi Keja Pulle, s konings eerste sekretaris Ballia Mela zetta Nila kanden 6 kanden bulle nevens den tweeden Rperle„ „verantsier Kristna Pulle en de gewoone Agent Ananda Male en sprakken eerst, over de dis„ „puten te S„t Andries waar omtrend zij beloof„ „den, dat in den aanstaande naar ons genoegen zoude gehandeld worden. Nopens de disputen te koilang en de klachten over het Opperhoofd Rozier gaven ze te kennen dat dezelven voornaamlijk toe te schrijven waaren, aan de heerschruchtige en oproerige gedoentens van de Portugeesche Paters en in„ „zonderheid van den Bisschop van koetsiem te koilang de Sima resideerende, met welken het Opperhoofd Rosier zoo zeer was ingenoo„ „men, dat hij opentlijk hunne partij trok, zij beriepen zich deezen aangaande op het geen on„ „der het voorig bestier was voorgevallen en op het gebeurde in voorleeden Iaar en beloofden dat de koning wanneer hij in zijne Residenttie zoude terug gekoomen zijn en alles behoorlijk onderzocht hebben, mij daarvan een omstandig bericht toezenden zoude. Vervolgens ging sambradi keja Pulle„ met mij in een ander vertrek, en haalde toen op van de tuinen en landerijen, verzoekende van mij een opgave van de geenen, die de komp zoude willen afstaan. Ik had mij dien tusschen tijd te nitte gemaakt en een lijst van alle tinnen en landerijen, in het land van jre Trevankoor leggende, laaten formeeren, buiten Moetoekoenoe 't Mieskieten Eiland en skomp„ posten te Manikoorde en sjeremagelaan, met bekend stelling van een ieders pacht schat en met bijvoeging van de verkoops prijzen, naar de bereekening van drie ten honderd Ik slaa de meenigvuldige argumenten en reedeneeringen over, die tegen de al te hooge prijzen deels herhaald, deels nieuw te berde gebragt en door mij alleen beantwoordt wierden, met de verzeekering, dat ik daar van niet kost afgaan; terwijl ik ten opzichte van het woeste„ „land bij Bitjoer Koetiaboddegen„t, het welk voor't grootst gedeelte onder water legt, doch door bedijking bequaam gemaakt kan worden, en waar van slegts een straok hoog land voor 24 ro„ „pijen sjaars verpacht is, verklaarend, dat de prijs daarvan niet naar die geringe pachtpen„ „ningen bereekend, maar bij lafaatsie vast ge„ „steld moest worden. -. keja Pulle vroeg toen naar de prijzen van de volgende tunnen, die hem opgegeeven wierden als volgt de pacht tegen 3. percto „ David de Castella op Aroe. . . . rs„ 1250. – –. 41666. 2/3. Kaliakatta of Moerenbril - - „ 1400. – -. 46666. 2/3. - - - - - - „ 50. - -. 1666: 2/3. Bettemene — - - - „ 210. – – 7000. — kalitseeri Bitsjoer - een tuin bij S„t Andries - - - „ 310. –. –. 10333. 1/3 „ 80. –. –. 2666: 2/3 een d=os benoorden s„t Andries een do d„o op S„t Andries en Karkaipali „ 100. — –. 3333: 1/3. rs„ 3400. – - 113333: 1/3. Hij
English
He then asked for the price of the high and low land of koetiatoddo, which was set by me at 10000. ropijen, against which he had much to say, and about which I shall speak further below. Meanwhile, I also make it known here that I explicitly warned the aforementioned keja Pulle, 1st, that the leaseholders had to be indemnified for the improvements they had made to the land during the lease years, and 2nd, that the transfer could not take place before the end of December when the lease year was up, until which time the leaseholders had to remain in their tenancy; against the latter he had nothing to say, but concerning the former he asked who had to pay for the improvements. I replied the buyer, since he was to enjoy the ameliorations. He did not want to hear of this, arguing that the Company, if it sold these lands in such an advantageous manner, ought to satisfy the leaseholders; nevertheless, he asked how high that indemnification might run? My answer was that it had to be estimated. By whom? By the Company's tree-counter and two native officers, and three commissioners from the King. He promised to make a full report to his master, who was at Mawile karre, and departed with the other court dignitaries. On 16 September, Anta Sittij and Rama Swami came in the name of the aforementioned keja Pulle to offer the principal sum of the interest of 3½ percent for all the aforementioned gardens, provided that the waste land of Bietsijder koetiatodde was also included therein at the lease of 24 rixdollars; this would amount to 97143 ropijen instead of 113333 ropijen, and if koetiatodde were also calculated on that basis, the Company would receive only 685 5/7 ropijen for it. I rejected this bid and let him know, 1st, that the waste land of Bitjer koetiatodde had to be negotiated separately, and 2nd, that the leaseholders had to be indemnified for the improvements, and that once these two points were settled, I would explain my position further regarding his bid. Now I must insert my remarks regarding this matter here, in order to facilitate the evaluation of my conduct and to give reasons for it. The bid of 3½ percent is certainly very reasonable in a land where the very lowest interest runs at 6 percent. The price paid by the baljetter last year is calculated at 3 4/5 percent, and according to that calculation, the gardens spoken of here would cost only 88311 7/10 ropijen, which amounts to 8831 3/10 ropijen less, and thus this bid was in itself very acceptable, but I was all too well informed that the King was very keen on this purchase and would likely improve his bid. Regarding the waste land of koetiatodde, I had precise reports that it could be made fertile by good embanking, and might then be worth 20,000 ropijen, but that the costs of this for the King—who gives his subjects only half a mediet or 1 lb of rice and a few boeseroekes for coolie wages per day—would indeed amount to six thousand ropijen, whereas this work could not be undertaken by the Company at all, partly because the costs for it would run more than twice as high, and partly because it could not obtain enough coolies, besides which the King's servants could thwart us in every way. I therefore understood that, regarding this piece of land, I could not stand firm on the demand of 10000 ropijen, since it actually brought us no more than 24 ropijen a year and could not be improved by us; but I also knew from very good authority that the King was very keen on this land, and therefore regarded it as a means to sell the other gardens all the more dearly. On 17 September, the aforementioned keja Pulle arrived with Ananda Male and Anta Sittij. He objected strongly to our excluding koetiatodde from the calculation and wanting to sell it separately, and especially took exception to the price of the Moorenbril, claiming that it was far too high, because that land had previously been leased for much less, namely recently still for 990 ropijen, and that Panchiko, alias Francisco Dias Netto, who had been removed by me from Koilang on account of various misdeeds, had out of foolishness and merely to regain his freedom offered 1500 ropijen for it last year, requesting that the price might be calculated according to the previous lease sum. I refuted this by saying that this land could still be remarkably improved and that it included a piece of waste land which had been leased out in the year 1732 for 20 years for cultivation; that other leases were currently also yielding less than in earlier years, specifically the land of David de Castella on Aroe, which in the year 1769 had still been leased for 1500 ropijen and since 1780 brought in only 1250, according to which latter reduced lease price this piece was now nevertheless calculated. He then asked whether the demand of 10000 ropijen for koetiatodde was seriously meant, and upon my answer of yes, he declared he would abandon it, and regarding the prices of the remaining seven gardens
Dutch transcription
Hij vroeg toen naar de Prijs van 't hooge en laage land van koetiatoddo, die door mij op 10000. ro„ „pijen gesteld wierd, waar teegen hij veel te zeggen had, en waar over ik in 't vervolg nader zal spreeken. terwijl ik hier noch bekend stelle, dat ik gemelde keja Pulle uitdruklijk waar „schuwde, 1„e dat de Pachters moesten schade „loos gehouden worden, wegens de verbeeterin„ „gen die zij geduurende de pacht Iaaren, aan 't land gedaan hadden en 2„e dat de overgave niet kost geschieden voor ult„o december wanneer het huurjaar om was, tot welken tijd toe de Pachters in hun volgenst moesten blijven; tegen het laaste had hij niets te zeggen, doch nopens, het eerste vroeg hij, wie de verbeetering betaa„ „len moest, ik antwoordde de kooper, wijl die de melioraatsien stond te genieten. – Hier wilde hij niet van hooren, beweerende, dat de komp, als ze die landen op zulk een voordeelige, wijze verkocht, de bachters behoorde te bevreedi„ „gen; niet te min vroeg hij, hoe hoog die schaade„ „loos stelling wel loopen zoude? mijn ant„ „woord was, dat die gedateerd moest worden. door wien. door 'skomp„s Boomteller en twee inland „sche Officieren, en drie gekommitteerden van de Koning. Hij beloofde aan zijnen Meester, die zich te Mawile karre bevond, van alles rapport te zullen doen, en vertrok met de verdere Hofs„ „grooten. Den Den 16„e Sept quamen Anta Sittij en Rama Swami uit naam van meerm: keja Pulle voor alle de voorm tunnen de Hoofdsom van de rente van 3½. pr Ct„to bieden, mits het woeste land van Bietsijder koetiatodde mede daar onder begree„ „pen wierd, tegen de pacht van 24. rijxd„s dit zoude in steede van 113333. ropijen 97143: ropijen be„ „draagen en indien koetiatod de ook op dien voet bereekend wierd, zoo zoude de komp: daar voor maar 685. 5/7. rop„s krijgen, 2k wees dit bod van de hand en liet hem weeten, 1„e (dat over het woeste land van Bitjer koetia todde afzonderlijk moest gehandeld worden, en 2„e dat de Pachters voor de verbeetering moesten schadeloos gehouden worden, en dat ik, als deeze twee poinkten uitgemaakt waaren, mij op zijn bod nader verklaaren zoude. Thans moet ik mijne aanmerkingen hier omtrend tusschen beiden bekend stellen, om de beoordeeling over mijne gehouden gedrag te faciliteeren en daar van reeden te geeven. —: Het bod van 3½. perc„to is zeeker zeer raisou„ „nabel, in een land, daar de aller laagste intrest op 6. perC„to loopt. De prijs die door den bal„ „jetter voorl: Iaar betaald, is reekend 3 4/5 perc=to F en naar die reekening zouden de tuinen, waar van hier gesprooken is, maar 88311: 7/10. ropijen kosten, het geen 8831: 3/10. ropijen minder be „draagt, en dus was dit bod of zich zelve zeer aan„ aanneemlijk, doch ik was al te wel onderricht, dat de koning op deeze koop, zeer gesteld was, en zijn bod wel verbeeteren zoude. - Aangaande het woeste land van koetiatodde had ik name keu„ „rige berichten, dat hetzelve door een goede bedij„ „king zoude vruchtbaar kunnen gemaakt worden, en dan mogelijk wel 20'000 rojh„s waardig weezen, doch, dat de kosten daar van voor den koning, die aan zijne onderdaanen 's daags slechts een halve mediet of 1. lb: rijst en eenige weinige Boeseroekes voor Koeli-loon verstrekt, doch wel op ses duizend ropijen zouden te staan koomen, terwijl dit werk door de komp in't niet geheel konde ondernoomen worden, eensdeels, om dat de kosten voor haar meer als eens zoo hoog zouden loopen, en anderen deels, om dat zij geen koelies genoeg zoude kunnen krijgen, behalven dat de konings bedienden ons daar in op allerlijwijze dwarsboomen kosten. Jk begreep derhalven, dat ik, omtrend dit stuk„ niet kost blijven staan op den eisch van 10000 ropijen, wijl het ons werklijk niet meer als 24: ropijen sjaars inbragt, en door ons niet kost verbeeterd worden, doch ik wist ook van heel goeder hand, dat de koning op dit land heel zeer gesteld was, en merkte hetzelve dus aan als een middel, om de andere tuinen te duurder te verkoopen. Den 17„e Sept quam meerm: keja Pulle met Ananda Male Male en Anta Sittij hij had er veel tegen„ dat wij koetiatodde buiten de reekening sluiten en apart verkoopen wilden, en excipieerde inzon„ „derheid ook tegen den prijs van de Moorenbril dat die veel te hoog was, want dat dat land bevoorens voor veel minder verpacht geweest, was, teweeten Iongst noch voor 990: kopijen, en dat Panchiko / Francisco Dias Netto die weegens verscheidene wanbedrijv en door mij van Koilang weggenoomen was voorl: Iaar uit onverstand en om maar wederom vrij te raaken, 1500. ropijen daar voor gebooden had verzoekende, dat de prijs naar de voorige pacht„ „penningen mogt bereekend worden. — Ik weder „legde dit met te zeggen, dat dit land noch merklijk kost verbeeterd worden en daar onder een stuk woeste grond begreepen was, het welk in 't Jaar 1732: voor 20. Iaar tot bequaammaa„ „king was afgegeeven, dat andere pachten thans ook minder deeden, dan in vroeger Jaaren, speci¬ „aal het land David de Castella op Aroe, twelk in 't Jaar 1769. noch voor 1500. ropijen was verpacht geweest, en zeder 1180: maar 1250. –. opbragt, naar welke laaste verminderde pacht prijs echter dit stuk thans wierd bereekend. Hij vroeg toen, of de Eisch van 10000 ropijen voor koetialodde in ernst gemeend was, en op mijn antwoord van Ia, betuigde hij daar van aftezien, en over de prijzen van de ovrige zeeven tuinen
English
to negotiate for the gardens only, and I said that this was well, and that I would then consider means to cultivate that land. The negotiation then revolved solely around the aforementioned gardens, but made little progress. Finally, he offered one lakh of rupees for them and for koetiatodde together. I remarked that he had waived this piece, and sought to exclude it, but then he declared again that the king had requested the same as well as the aforementioned gardens from me, that this had also been promised by me and that he had been ordered to negotiate about it as well, requesting that I would now demand a round sum for all seven gardens and koetiatodde together. I absolutely refused to include koetiatoddoe in the account, for then he would immediately have profited from the low rent of only 24. –. rupees, which makes a capital of only 800. rupees; however, in order not to break off the negotiation, I set the price thereof at 8000. rupees, and regarding the price of the remaining 7. gardens, for which I had demanded 113333. 1/3. rupees and for which he had offered 100000 rupees, I was willing to divide the dispute, and thus my demand for the seven gardens was 106666½ rupee and for koetiatoddoe 8000. rupees. He declared that this demand went far beyond the conjecture of the king, who had imagined that I would demand no more from him than from the baljetter, or at the very most content myself with one lakh of rupees, whereupon I requested him to note that the land sold to the Baljetter was a trifle, regarding which one could sooner make some concessions, that we had continually had so many complaints and vexations about the same, that I had been glad to be rid of it in such a manner. After many more arguments back and forth, he requested a postponement of a few days to consult with his fellow envoys and to ask for further orders from their Master, which I granted. Meanwhile, I had made an inquiry with the Tree Counter regarding the improvements that would need to be compensated to the tenants and beneficiaries, and I found that they were of no great significance; also, Panchico, who had incurred the most expenses for the improvement of his lease and had addressed himself to me in this regard, had estimated them at only 600. rupees; I also understood that, if the king took the indemnification upon himself, his Ministers would harass those poor people in all kinds of ways and we would have much grief and trouble on that account, and that it would thus be best to take a fixed sum of money for it to keep the tenants indemnified, even if the Company had to add something to it from the purchase money, which, even if one had no hope that the king would give anything more than had been offered thus far by his Ministers, was already very advantageous. On 20 September, all three Court dignitaries appeared with Ananda Male and Anta Sittij, and after much back-and-forth talking in the Malabar manner, of which I make no detailed record since it mostly amounted to the old arguments, they finally offered one lakh and 5000. rupees for the seven gardens, including koetiatodde, which I rejected; finally, they declared that they had been ordered by their Master to present to me as an ultimatum that I had to drop ten thousand rupees from the demand of 113333 1/3. rupee, and cede koetiatodde for 5000. rupees; that this demand of His Highness was all the more reasonable because these gardens also included those of St. Andries, to which His Highness already had a claim by virtue of the right of alluvion, for which reason also that part which was called Tombolikattoe had already been seized by his people; that the waste land, koetiatodde, could be cultivated by no one other than His Highness himself, as it was enclosed on all sides by His Highness's lands, through which the water channels would have to be constructed. I now saw no opportunity to negotiate more and therefore brought up the indemnification, regarding which they declared that the king would satisfy those tenants; I replied that it would be better to agree upon a fixed sum for it, and finally brought it so far that the purchase was concluded on the following conditions: from the demand of 113333 1/3. rupee the Company drops 10000 rupees, thus His Highness pays for this - - - - - rupee 103333.½. For the indemnification of the tenants His Highness pays - - - rupee 1666. 1/3. and for koetiatodde - - - - rupee 5000. —. Total rupees 110000. —. Regarding the payment of the purchase money, it had already been agreed at the beginning that the same would be settled with the pepper deliveries in this and the following year, but the Court dignitaries raised difficulties about providing bonds in the king's name for this, and proposed that the Company's merchants David Rhabbi and Anta Sittij should provide a bond in solidum for this, for half by the end of December next and the other half by the end of August next.
Dutch transcription
tuinen alleen te willen handelen en ik, dat het wel was, en dat ik dan op middelen zoude denken, om dat land oorbaar te maaken. De onderhande„ „ling roulleerde toen over de meermelde tuinen alleen, doch vorderde weinig. Eindelijk bood hij een lak ropijen voor dezelven en voor koetiatodde te zaamen. Ik merk te aan, dat hij van dit stuk had afgezien, en zocht het buiten te sluiten, doch toen verklaarde hij weder, dat de koning hetzelve zoo wel als de tuinen voorm„t van mij verzocht had, dat dit ook door mij beloofd en hij daar op gelast was, daar over mede te handelen, verzoekende dat ik nu voor alle zeeven tuinen en koetiatodde te zaamen een ronde som wilde eischen. - om koe¬ „tiatoddoe mede onder de reekening te begrijpen weigerde ik volstrekt, want dan zoude hij ten eersten geprofiteerd hebben van de laage huur van maar 24. –. ropijen, die slegts 800. ropijen kapi„ „taal maaken, om echter de onderhandeling niet aftebreeken stelde ik den prijs daar van op 8000. ropijen en omtrend den prijs van de ovrige 7. tuinen, waar voor ik 113333. 1/3. rd„s „pijen geischt en waar voor hij 100000 ropijen gebooden had, wilde ik het geschil deelen, en dus was mijn eisch voor de zeeven tuinen 106666½ ropij en voor koetiatoddoe 8000. ropijen. Hij betuigde, dat deeze Eisch verreging boven de gissing van den koning, die zich voorgesteld had, had, dat ik van hem niet meer, als van den baljetter eischen, of op zijn allerhoogst mij met een lakropijen vergenoegen zoude, waar op ik hem verzocht te willen aanmerken, dat het aan den Baljetter verkochte land eene kleenigheid was, waar omtrend men noch al eer wat toe kost geeven, dat wij over het zelve geduurig zoo veele klachten en verdried gehad hadden, dat ik blijde geweest was, daar van op zulk eene wijze ontslagen te worden. — Na. noch een meenigte raisonnementen over en weer verzocht hij een paar dagen uitstel, om met zijne Medegezandten raad te pleegen en de nadere orders van hunnen Meester te vraagen, het welk ik toestond. Middelerwijle had ik bij den Boomteller onderzoek gedaan, naar de verbeeteringen, die aan de Bachters en gebeneficeerden zouden dienen vergoedt te worden, en ik bevond, dat die van geen groot belang waaren, ook had Panchico, die wel de meeste kosten tot het verbeeteren van zijne pacht aangewendt, en zich deswegens aan mij geaddresseerd had, dezelven slechts op 600. ropijen begroot; Ik begreep teffens, dat, zoo wanneer de koning de schaevergoeding op zich nam, zijne Mi„ „nisters die arme Menschen op allerhande wijze chicaneeren en wij daar over veel verdriet en moeilijkheeden hebben zouden, en dat het dus dus best zijn zoude, daar voor een bepaald stuk geld te neemen, om de Pachters schaadeloos te houden, al moest de kompt daar ook iets bij legen uit de koop penningen, die, als men ook geen hoop had, dat de koning iets meer geeven wilde dan tot nu toe door zijne Ministers geboden was, reets zeer voordeelig waaren. Den 20. sept verscheenen alle drie Hofsgrooten met Ananda Male en Anta Sittij en na veel over en weder praaten op de Mallabaarsche wijze waar van ik geen omstandige, aanteekening doe, wijl het meest op de oude redeneeringen uitliep, boden zij eindelijk voor de zeeven tuinen koetiatodde mede ingeslooten een lak en 5000. ropijen het welk ik van de hand wees, eindelijk verklaarden zij dat zij van hunnen Meester gelast waaren mij als het ultima„ „tum voor te stellen, dat ik van den Eisch van 113333 1/3. ropij tien duizend ropijen moest laaten vallen, en koetiatodde voor 5000. rd„ „pijen afstaan, dat deeze Eisch van zijne Hoog„ „heid te billijker was, wijl onder deeze tuinen die van s„t Andries mede begreepen waaren, waar aan zijne Hoogheid, uit hoofde van het recht van aanspoeling, reets pretensie had, weswegen ook reets dat gedeelte, 't welk Tom„ „bolikattoe genaamd wierd, door zijn volk in be„ „slag genoomen was. — Dat het woeste land, koetiatodde, door niemand, als door zijn Hoog„ Hoogheid zelve, kost oorbaar gemaakt worden, alzoo het van alle kanten door zijn Hoogheids landen ingeslooten was, waar door de waterlei„ „dingen zouden moeten aangelegd worden. Ik zag nu geen kans, meer te bedingen en bragt dus de schalvergoeding te berde, waar omtrend zij verklaarden, dat de koning die Pachters zoude te vreeden stellen, ik antwoordde, dat het beter waare daarvoor een bepaalde som te akkordeeren. en bragt het eindelijk zoo ver, dat de koop toege„ „slaagen wierd op de volgende kond ietsien van den Eisch van 113333 1/3. ropij laat de komp 10000 ropijen vallen dus betaald zijn Hoogheid daar voor - - - - - ropij 103333.½. voor de schadeloos stelling der pachters bet„d zijn Hoogheid - - - „ 1666. 1/3. en voor koetiatodde - - - - „ 5000. —. Somma ropijen 110000. —. Nopens de betaaling van de kooppenningen was men al in den beginne overeengekoomen, dat dezelve met de peper leverant sien in dit en het naastvolgende Iaar zouden verevend worden, doch de Hofsgrooten maakten zwaa„ „righeid daar voor verbandschriften op 'skonings naam te verleenen, en proponeerden, dat 'skomps kooplieden David Rhabbi en Anta Sittij daar voor een obligaatsie in solidum verleenen zouden om de helfte onder ult„o December aanstaande en d'andere helft onder ult„o Augh„ naast„ st
English
to satisfy the next, and since the said merchants were inclined to this, I have acquiesced in it. Subsequently, it was agreed that the deeds of purchase of the seven gardens and lands shall immediately be issued in the customary manner in both languages, for each garden separately, whereby the price of each garden shall be calculated in proportion to the yearly rent that each garden presently yields, against the entire capital of 103333 1/3 ropijen according to the ordinary rule of three, for example: the yearly rent of all seven yields 3400 ropijen and the entire purchase sum amounts to 103333 1/3 ropijen, thus the purchase sum of the garden David de Castella, near Aroe, which yields 1250 ropijen in rent, amounts to ropias 37990 1/5, and so with all following, and that for the waste land koetiatod a separate deed of purchase of 5000 ropijen shall likewise be drawn up. That the actual handover of these gardens and lands shall only take place on the first of Ianuari 1787 by the Company's commissioners to the people of the king, and that the present tenants shall remain in possession and enjoyment until the last of December of this year, when the lease year ends, and that as compensation to the tenants for improvements made, 1666 2/3 ropijen shall immediately be paid in cash by His Highness, from which the Company shall satisfy those people. Thus done on the year and day aforesaid. Was signed: L: P: van Angelbeek Agreed. Arnold Lunel First Sworn Clerk. Duplicate pr No 3 Separate Batavia To His High Honour! The High Honourable, Right Venerable, Far-Commanding Lord Master Willem Arnold Alting Governor General on behalf of the state of the free United Netherlands and its General Chartered East India Company and The Right Honourable and Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies High Honourable, Right Venerable, Far-Commanding Lord Right Honourable, Stern Lords! § 1. Herewith I have the honour to present to Your High Honours the duplicate of my respectful separate letter of the 20th of March last with the appendix belonging thereto, the original of which was dispatched on that date with the bark de Liefde to Kolombo, to be forwarded from there with the ship Middelwijk, since whose dispatch nothing of importance has occurred in the government entrusted to me. § 2. But all the more important and remarkable is the news from abroad, that the Nawab Tipu Sultan has made peace with the Marathas and Nizam Ali, whereby the political system on this peninsula, which had been shaken by this war, is for the present re-established upon its former foundations. § 3. For hereby he whose downfall was intended by this war, and expected as unavoidable, is confirmed anew in his realm, and with him is preserved the counterweight against the British on this peninsula, who fear him alone and can only by him be hindered and prevented from making themselves masters of the whole country. § 4. The actual conditions of this peace are not yet known, but all reports and rumours agree in this, that the Nawab has returned the conquered places and in addition has promised a considerable sum of money for the arrears of the tribute money, from which one must conclude that, notwithstanding his victories gained in the last campaign, he must have had great reasons to hasten the peace on these conditions. § 5. It does not seem improbable to me that the French Government has been consulted on this, and the great understanding that has existed for some time between His Highness and the Lords Governors of Pondicherry and the Islands seems to support this conjecture. § 6. For, besides that the Nawab has repeatedly given report of the principal military operations to the Lord Governor of Pondicherry, Monsieur Pierre Monneron was with the Nawab in the army on a secret commission of the Government from the month of May 1786 until September, whence he subsequently returned to the Islands via Pondicherry and Ceylon; on the 20th of March last he arrived here again from the Islands and on the 22nd thereafter departed for Mangalore, with a ship L'Aurore specially fitted out for that purpose to convey an embassy, which Tipu Sultan wishes to send to His Most Christian Majesty, directly to France. § 7. But since the Nawab had in the meantime already caused his ambassadors to depart overland for Pondicherry, he immediately departed again from Mangalore and on the evening of the 10th of this month arrived in the roadstead here, and the following morning set out on his voyage again for Pondicherry, in order to take the envoys on board there.
Dutch transcription
naastvolgende te voldoen, en wijl gem: kooplieden hier toe geneegen waaren, zoo heb ik mij dit laaten welgevallen vervolgens werd afgesprooken dat de koopbrieven van de zeeven tuinen en landen ten eersten op de ge „woone wijze in beide taalen zullen uitgevaardigd worden, van ider tuin apart, waarbij de prijs van ieder tuin zal bereekend worden, naar evenree„ „digheid van de Iaarlijxe huur, die ieder tuin thans doed, tegen het heele kapitaal van 103333. 1/3. ro„ „pijen naar den gemeenen regel van driën, bij voorbeeld, de Iaarlijxe huur van alle zeeven doed 3400. ropijen en de heele koopschat bedraagd 103333. 1/3. ropijen, dus bedraagd de koopschat van de tuin David de Castella, bij Aroe, die 1250. 80p pacht doed, ropias 37990 1/5: en zoo met alle vol„ „genden en dat van het woeste land koetiatod doe mede een aparte koopbrief van 5000. ropijen zal opgemaakt worden. Dat de dadelijke overgave van deeze tuinen en landen eerst zal geschieden met primo Ianuari 1787. door 's komp„s Gekommitteerden aan 't volk van den koning, en dat de teegenwoordige pachters in 't bezit en 't genot zullen blijven tot ult„o Decem„ „ber deezes Iaars, wanneer het pacht Iaar eindigd en dat tot schadeloos stelling van de Pachters we„ „gens gedaane melioraatsien, door zijne Hoogheid 1666: 2/3. ropijen ten eersten in kontant zal be„ „taald worden, waar uit de komp die menschen zal voldoen. Aldus Gedaan ten Iaar en dagen voorsch / was getekend /: L: P: van Angelbeek ƒ Akkordeerd. Arnold„ Lunel E. G. Klerk. o Duplicaat po N„o 3 Apart Batavia Aan zijn Hoogedelheid! Den Hoogedelen Grootachtbaaren wijdgebiedenden Heer M=r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene geoktroieerde oostindische kompanie Goeverneur Generaal ende De weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndiën Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer Weledele Gestrenge Heeren! 51. Hiernevens heb ik de eer, uwen Hoogedelheeden het duplikaat mijner eerbiedige aparten van den 20:e Maart Jongstl: met de daartoe gehoorende bijlage aan te bieden, waarvan het origineel op dien datum met de Bark de Liefde naar kolom„ „bo afgevaardigd is, om van daar met het schip Middelwijk voortgezonden te worden, zeeder welker en welker depeche in het wij toevertrouwde Goeverne„ „ment niets van belang is voorgevallen. § 2. Doch des te wigtiger en merkwaardiger is de tij= „ding van buiten, dat de Nabab Tipoe sultan, met de Maratten en Nisam Ali vreede gemaakt heeft, waar door het politieke sijsteem op dit schier eiland het welk door deezen oorlog aan het wankelen gebragt was, voor eerst wederom op de voorige gronden gevestigd is. §3. want hierdoor word hij, wiens ondergang met deezen oorlog bedoeld, en als onvermijdelijk ver= „wacht was, op 't nieuw in zijn Rijk bevestigd, en met hem word het tegenwigt behouden tegen de Britten op dit schiereiland, die hem alleen vreezen en door hem alleen kunnen belet en tegen gehou= „den worden, zich van het heele land Meester te maaken. § 4. De eigentlijke voorwaarden van deezen vreede zijn noch niet bekend, doch alle tijdingen en geruchten stemmen hierin over een, dat de Na „bab de veroverde plaatsen terug gegeeven en daar en boven noch een merklijke somme gelds voor het achterstallige quart geld belooft heeft, waar uit men zoude moeten besluiten, dat hij, niet tegenstaande zijne in den laasten veldtogt behaal„ „de overwinningen, groote reedenen moet gehad hebben hebben, de vreede op deeze voorwaarden te verhaasten. § 5. Mij komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat het Fransche Goevernement hier over geraadpleegd is, en de groote verstandhouding, die zeder eenige tijd tusschen zijne Hoogheid en de Heeren Goeverneurs van Pondi= „cherij en de Eilanden standgrijpt schijnen dit vermoeden te begunstigen. § 6. want, behalven dat de Nabab van de voornaamste krijgs bedrijven telkens aan den Heer Goeverneur van Pondicherij bericht gegeeven heeft: zoo heeft zich de Heer Pierre Monneron zeder de Maand Mai 1786. tot sept: toe met een sekreete kommissie van het Goevernement bij den Nabab in 't Leger bevonden, van waar hij vervolgens over Pondicherij en Ceilon naar de Eilanden terug gekeerd is; Den 20:e Maart Jongstl: is hij wederom van de Eilanden hier aan= „gekoomen en den 22. daar aan naar Mangaloor vertrokken, met een expres daar toe aangelegd schip L'Aurore om een Ambassade, die Tipoe sultan aan zijne Allerchristlijkste Majesteit zenden wil, direkt naar Frankrijk over te brengen. § 7. Dan dewijl de Nabab zijne Ambassadeurs midde„ „lerwijle reets overland naar Pondicherij had doen vertrekken; zoo is hij ten eersten wederom van Mangaloor terug vertrokken en den 10:e deezer savonds hier ter rheede gearriveerd mitsgaders den volgenden morgen weder op reize gegaan naar Pondicherij, om de Gezanten daar aan boord te
English
to take and bring over. Paragraph 8. It would, in my humble opinion, be a desirable thing if we, through the mediation of His Most Christian Majesty, could on this occasion obtain some further assurance of the Nabab's friendship, on which account I have taken the liberty to inform the Lords Directors of this remarkable event and my humble sentiments by the very same ship with which the Embassy shall depart, via a small letter under cover of my Attorneys in Amsterdam, a copy of which is enclosed herewith for the esteemed consideration of Your High Noblenesses. Paragraph 9. The Lord Governor of Ceilon, van de Graaff, has consented to my proposal concerning the Artillery Lieutenant Ferdinand Kasper Heupner under a favorable testimonial, wherefore I now respectfully request Your High Noblenesses to be pleased to appoint him Head of the Artillery here, and to favor him for that purpose with the quality of Captain-Lieutenant. I have the honor to remain, with the most perfect sentiments of respect and high esteem. Below stood: High Noble, Greatly Esteemed, Wide-Commanding Lord and Noble, Rigorous Lords! Your High Noblenesses' humble and faithful servant. Was signed: J: G: van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 12th of April 1787. Arnold Lunel, First Sworn Clerk. Agreed. Duplicate No 4. Jal Batavia To His High Nobleness! The High Noble, Greatly Esteemed, Wide-Commanding Lord, Mr. Willem Arnold Alting, Governor General on behalf of the state of the free United Netherlands and its General Chartered East India Company, and The Noble, Rigorous Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Noble, Greatly Esteemed, Wide-Commanding Lord, Noble, Rigorous Lords! Paragraph 1. I send this to Ceilon, in hope of a speedy opportunity to the Capital, in order to inform Your High Noblenesses beforehand in reverence that the Nabab Tipoe Sultan, who has pacified the Marathas and has returned to Seringapatnam, threatens to invade these Low Countries, without it being known until now whom it actually concerns, or rather whom he will attack first. Separate and secret. Paragraph 2. Since he, however, does not dare to wage war directly against Trevankoor, as he would thereby break the peace with the English, in which this king is explicitly included, he will probably attack us, or the King of Koetsiem, first; and since he cannot penetrate into the inland territories of the last-mentioned prince other than through the Lines of Trevankoor, or via Kranganoor and Aikotte, it is more than probable that he will choose the latter passage, partly because he will seek to spare Trevankoor, and partly because the road via Kranganoor and Aikotte would bring him directly into the heart of the little realm of Koetsiem. Paragraph 3. That he actually has this latter plan in mind is further indicated by the preparations and further circumstances, because the roads from Kalikut to Savakatti, and from there through the country of Settua and Paponettij up to our limits, are being cleared, and all kinds of provisions, forage, and further army supplies are being stored from post to post. Paragraph 4. Wherefore also the country folk in those parts are already beginning to flee, and the Brahmins and further attendants of the so-called copper pagoda, barely half an hour from Fort Kranganoor, have already transferred their temple ornaments and the goods of the pagoda to Senotte. Paragraph 5. Beyond all this, I have been warned from so many sides that the Nabab primarily has his eye on the aforementioned Fort Kranganoor, which is the principal key of Southern Malabaar, that I would make myself guilty of punishable recklessness if I had wished to sit still any longer and first wait for further proofs. Paragraph 6. We thus today give notice of this our situation to the Government of Ceilon, and also to the Lord Captain Commandant of the national war squadron, whom we think is on Ceilon or will arrive shortly, with a request for speedy and emphatic help; and I attach the copies of the letters serving for that purpose herewith. Paragraph 7. The King of Trevankoor has already caused a multitude of troops to march to his northern Line, and has placed a strong detachment at Paroe close to Kranganoor, with orders to the commanding officer, as soon as Kranganoor is attacked, to render us all assistance, and to conduct himself in that regard according to the wishes of Commandant von Mullerts. Paragraph 8. We cannot yet determine the military force of the Nabab which he intends to use for this expedition, but guess that it will not amount to more than ten thousand men, and will consist mostly of the troops from the Samorin's realm and adjacent places, because he is still waging war against the King of Holkonda, Nisam Ali, and besides this does not dare to strip his northern lands of troops. Paragraph 9. And we hope with God's help to be able to turn back the first assault; at least we shall do our utmost for that as honor-loving servants, and the further success will mainly depend on a speedy and considerable relief from
Dutch transcription
teneemen en over te brengen. §8. Het zoude naar mijn gering oordeel een gewenschte zaak zijn, als wij, door de bemiddeling van zijn Al= „lerchristlijkste Majesteit, bij deeze geleegenheid eenige meerdere zeekerheid van 's Nababs vriend= „schap kosten verwerven, weshalven ik de vrijheid gebruikt hebbe, de Heeren Majores van deeze merk= „waardige gebeurtenis, en mijn needrig gevoelen, met het eigenste schip waarmeede de Ambassade vertrokken zal, kennis te geeven, bij een kleen briefje onder koevert van mijne Gemachtigden te Amsterdam, waarvan het afschrift tot geeerde spekulaatsie van uwe Hoogedelheeden hier ne= „vensgaat. § 9: De Heer Ceilons Goeverneur van de Graaff heeft, in mijn voorstel nopens den Artillerij Luitenant Ferdinand Kasper Heupner, onder een voordeelig ge„ „tuignis bewilligd, weshalven ik uw Hoogedelhee= „den thans eerbiedig verzoeke, denzelven tot Hoofd van d' Artillerij alhier te willen aanstellen, en daartoe met de qualiteit van kapitain Luite= „nant te begunstigen. Jk hebbe de eer met de volmaaktste gevoelens van eerbied en hoogachting te blijven. /onderstond/ Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer en weledele Gestrenge Heeren! uwer Hoogedel¬ „heeden onderdaanige en getrouwe dienaar /:was ge„ „teekend:/ J: G: van Angelbeek /:in margine:/ koet= „siem den 12:e April 1787: Arnold Lunel E G. Klerk. Akkordeerd Duplicaat No 4. Jal Batavia Aan zijn Hoogedelheid! Den Hoogedelen Grootachtbaaren, wijdgebiedenden Heer M„r Willem Arnold Alting wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en haare algemeene Geoktroieerde oostindische Kompanie Goeverneur Generaal ende De weledele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Indiën Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer, Weledele Gestrenge Heeren! §1 Jk zende deezen naar Ceilon, in hoope van een spoedige geleegenheid naar de Hoofdplaats, om uw Hoogedelheeden vooraf in eerbied te berichten, dat de Nabab Tipoe sultan, die de Maratten bevreedigd heeft, en te serin= „gapatnam terug gekoomen is, in deeze Be= „needen landen dreigd in te vallen zonder Apart en sekreet dat en dat men tot nu toe weet, wien het eigentlijk gelden of liever wien hij het eerst aantasten zal. §2. wijl hij echter Trevankoor den oorlog niet rechtstreex durfd aandoen, alzoo hij daar door den vreede met de Engelsche zoude breeken, waarbij deeze koning uitdruklijk is inge= „slooten: zoo zal hij waarschijnlijk ons, of den koning van Koetsiem, eerst aantasten en vermits hij in de binnen landen van laastgemelden vorst niet anders kan in= „dringen, als door de Linie van Trevankoor, of over kranganoor en Aikotte, zoo is het meer dan waarschijnlijk, dat hij de laaste passasie kiezen zal, eensdeels, om dat hij Trevankoor zal trachten te menageeren, en anderen deels, om dat de weg over kranganoor en Aikotte hem ten eersten in het hart van 't koetsiemsche Rijkje zoude brengen. §3. Dat hij dit laaste ontwerp ook werklijk in 't hoofd hebbe, geeven de toebereidzelen en verdere omstandigheeden nader te kennen, door dien de wegen van kalikut naar sa= „vakatti en van daar door 't land van settua en Paponettij, tot op onze limiten opgeruimd en van post tot post allerlij leevensmiddelen fourage fourage en verdere leger behoeften opge- „legd worden. § 4. weshalven dan ook het Landvolk daar om„ „streex reets begint te vluchten, en de Bra„ „mineesen en verdere Bedienden van de zoo= „genaamde kopere pagood, pas een half uur van 't fort kranganoor, hunne tempelsier„ „sels en de goederen van de pagood reets naar senotte overgebragt hebben. § 5. Buiten dit alles ben ik van zoo veele kanten gewaarschuwd, dat de Nabab voornaamlijk het oog heeft op het meergemelde fort kran= „ganoor het welk de voornaamste sleutel van Zuider Malabaar is, dat ik mij aan strafwaardige roekeloosheid zoude schul„ „dig maaken, indien ik langer had willen stilzitten en eerst noch op nadere bewijzen wachten. 56. wij geeven dus heeden van deeze onze situ„ „aatsie kennis aan de Regeering van Ceilon en teffens ook aan den Heer Kapitain kom: mandant van 'slands oorlogs Eskader, die wij denken dat op Ceilon zijn of binnen korten komen zal, met verzoek om spoe„ „dige en nadruklijke hulpe, en ik voege de kopijen van de daartoe dienende brieven „ hier hierneevens. § 7. De Koning van Trevankoor heeft reets een meenigte krijgsvolk naar zijne noorder Li= „nie laaten marcheeren, en een sterk detache= „ment geplaatst te Paroe dicht bij kran= „ganoor met last aan den kommandeerenden officier, om, zoo dra kranganoor geatta= „gueerd word, ons alle hulpe te bewijzen; en zich daar omtrend naar de begeerte van den Kommandant von Mullerts te gedraagen. 58. Wij kúnnen de Krijgsmacht van den Na¬ „bab, die hij tot deeze expedietsie gebruiken wil, noch niet bestemmen, doch gissen, datze niet boven de tienduizend Man be= „draagen en meest uit de troepen uit het samorijnsche Rijk en naastliggende plaatsen bestaan zal, door dien hij tegen den koning van holkonda, Nisam Ali noch oorloogt en behalven des zijne noordlijke Landen niet durft ontblooten. §9. En wij hoopen met Godes hulpe in staat te zijn, den eersten aanval afte keeren ten minsten wij zullen daar toe als eerlievende Dienaaren ons uiterste best doen, en het verder sukces zal voornaamlijk afhangen van een spoedig en aanzienlijk ontzet van
English
from Ceilon, as well as the assistance that the war ships of the State will bring us. 510. What the Nabab will demand of us also remains an enigma, presumably the three Moetoekoemis, as having formerly belonged to the Samorijn, and the compensation for Nagapatnam, on which latter matter I have already had the honor previously to entertain Your High Nobilities. It is also possible that he is insolent enough to demand the fortress of Kranganoor, and I request Your High Nobilities to furnish me as soon as possible with positive orders as to how I shall have to conduct myself with respect to each of these three assumed cases. 511. While, concerning the compensation for Nagapatnam, I take the liberty to say, in my humble opinion, that I do not believe he will pay the least attention to the arguments that I, according to the desire of Your High Nobilities, shall bring forward: namely, that his troops, through misconduct, were to blame for the loss of that place. 512. I commend Your High Nobilities and the weighty interests of the Company to God's holy protection and have the honor to be, with the utmost esteem and respect. Below stood: High Noble, Right Honorable, Wide-ruling Lord and Well-born, Stern Sirs! Your High Nobilities' humble and faithful servant. Was signed: J: G: van Angelbeek. In margin: Koetsiem, the 18th of September 1787. Agreed Arnold Lunel First sworn clerk. Duplicate No. 3. page 5 Secret Ceilon To the Noble Lord Willem Jakob van de Graaff Extraordinary Councillor of the Dutch Indies as well as Governor and Director of that Island and its dependencies along with the Council at Kolombo Noble, Steadfast, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Lord and Friends! The Nabab Tipoe Sultan, who some time ago returned to Seringepatnam from the war against the Marattas, is making great preparations for a military expedition to the south, without it being possible to discover up to now who it is intended for. However, since he cannot wage war against Trevankoor without breaking the peace with the English Company, in which this prince is expressly included, it is likely aimed at the Company or at the King of Koetsiem. But whatever his intentions may be, prudence requires that we arm ourselves against it and place ourselves in a state of defense as far as the condition of the Company in the west of India will allow. For which reason we have today resolved in our Council to inform Your Honors of these circumstances and kindly to request, as we do hereby, to assist us as soon as possible with as many European and Eastern militia as the situation over there will permit, but not to employ any men of the Luxembourg Regiment for this, because the same would very likely desert to Tipoe Sultan, who, as is known to Your Honors, already has a French corps in service, and would thus employ all possible means to increase the same thereby, to which the French officers in his service would also vigorously contribute, without our being able to prevent desertion, because the troops will mainly have to be used in the open camp of Aikotte. In particular, we also request to send the Lieutenant of the Artillery Ferdinand Kasper Heupnier here with the very first opportunity, to provisionally and until further disposition of the High Indian Government here assume the command over the artillery. Furthermore, we have judged it necessary to inform the Lord Commander of the war ships of the State in India of our condition, and since the same is presumably already with Your Honors or will appear before long, a letter to his Honor is enclosed herewith with the friendly request to deliver the same to him. We have the honor to be. Below stood: Noble, Steadfast, Valiant, Wise, Prudent, very Discreet Lord and Friends, Your Honors' willing friend and servants. Was signed: J: G: van Angelbeek, R: van Harn, G: G: Gebhardt, J: L: van Spall, J: A: Cellarius, W: van Haeften, A: Poolvliet, J: A: Scheids, and P: van Spall Jr. In margin: Koetsiem, the 18th of September 1787. Agreed Arnold Lunel First sworn clerk Duplicate page 8 To the Well-born, Stern Lord Willem Silvester Captain Commander of the State's war squadron in India Well-born, Stern Sir! We find ourselves obliged hereby to inform Your Well-born Sternness that the Nabab Tipoe Sultan is making great preparations for a military expedition against southern Malabaar, and although one does not know up to now whether it is directly aimed at the Company or rather at the princes of Koetsiem or Trevankoor, we nevertheless find ourselves obliged to arm ourselves against it as much as the circumstances of the Company allow. In this perilous situation, the appearance of the State's squadron on this coast would be of a very fortunate effect for us, and presumably serve to inspire peaceful thoughts in the aforementioned Nabab towards the Company, while the same would also make a very favorable impression on the minds of the other princes here. We therefore very urgently request Your Well-born Sternness, provided weightier intentions do not prevent it, to hasten as quickly as possible to the assistance of the Company, and have the honor to be, with all high esteem. Below stood: Well-born, Stern Sir! Your Well-born Sternness' willing and very obedient servants. Was signed: J: G: van Angelbeek, R: van Harn, G: G: Gebhardt, J: L: van Spall, J: A: Cellarius, W: van Haeften, A: Poolvliet, J: A: Scheids, and P: van Spall Jr. In margin: Koetsiem, the 18th of September 1787. Arnold Lunel Agreed First sworn clerk. Duplicate No. 7.
Dutch transcription
van Ceilon, mitsgaders van de hulpe, die 's Lands oorlogsschepen ons zullen toebrengen. 510. wat de Nabab. van ons eischen zal, blijft ook een raadzel, vermoedelijk de drie Moe„ „ toekoemis, als voorheen den samorijn toe„ „behoord hebbende, en de vergoeding van Na„ „gapatnam, over welk laaste stuk ik de eer gehad hebbe, uw Hoogedelheeden bevoo= „rens al te onderhouden, Mogelijk is hij ook onbeschaamd genoeg, de vesting kranga= „noor te eischen, en ik verzoeke uwe Hoog „ edelheeden mij ten spoedigsten met positive orders te munieeren, hoedanig ik mij, met opzicht tot ieder van deeze drie veronderstel„ „de gevallen zal hebben te gedraagen. 511. Terwijl ik, nopens de schoevergoeding van Na „gapatnam de vrijheid gebruike, voor mijn gering gevoelen te zeggen, dat ik niet gelove, dat hij zich het minst zal stooren aan de argumenten, die ik tegen zijnen eisch, vol„ „gens uwer Hoogedelheeden begeerte, zal bij brengen, dat zijne troepen door wangedrag aan het verlies van die plaats schuld gehad hebben. — 512. Jk beveele uwe Hoogedelheeden en de wig= „tige Belangen der Maatschappij in Gods heilige heilige bescherming en hebbe de eer met de volkomenste hoog achting en eerbied te zijn. /:onderstond:/ Hoogedele Grootachtbaare wijdgebiedende Heer en weledele Gestrenge Heeren! uwer Hoogedelheeden onderdanige en getrouwe dienaar /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek /inmargine:/ Koetsiem den 18:e september 1787. Akpordeerd Arnold Lunel EG klerk. Duplicaat No 3. po 5 sekreet Ceilon Aan den Edelen Heer Willem Jakob van de Graaff Raad Extra ordinair van Nederlands Jndien mitsgaders Goeverneur en Direkteur van dat Eiland en deszelfs onderhoorigheeden Nevens den Raad te kolombo Edele, Erntfeste, Manhafte, wijze voorzienige zeer Diskreete Heer en vrienden! De Nabab Tipoe sultan, die zeder eenigen tijd uit den oorlog tegen de Maratten te seringepat„ „nam terug gekoomen is, maakt groote toebe„ „reidselen tot een oorlogs expedietsie om de zuid, zonder dat men tot nu toe kan ontdekken, wien het zal gelden. wijl hij echter Trevankoor niet kan beoorlogen zonder den vreede met de Engelsche komp: te breeken, waarbij deeze vorst uitdruklijk is ingeslooten, zoo is het waar= „schijnlijk op de komp: of op den koning van koetsiem gemunt, Doch wat ook zijn voornee„ men „men zijn moge: zoo eischt de voorzichtigheid, dat wij ons daar tegen zoo veel wapenen en in staat van tegenweer stellen als de toestand van de kom „penie om de west van Jndien wil toelaaten. weshalven wij heeden in onzen Raade beslooten hebben, uw weledelen van deeze omstandighee= „den te informeeren en vriendelijk te verzoeken, gelijk wij doen bij deezen, ons ten spoedigsten met zoo veel Europeesche en oostersche Milietsie te assisteeren, als de toestand ginter zal toelaaten, doch daar toe geen volk van het Luxemburgsche Regiment te emploieeren, wijl hetzelve zeer waarschijnlijk tot Tipoe sultan zoude overloo= „pen, die, gelijk uw weledelen bekend is, reets een Corps Franschen in dienst heeft, en dus alle moge= „lijke middelen zoude aanwenden, het zelve daar door te vermeerderen, waartoe de fransche offi= „ciers in zijn dienst ook krachtig zouden mede werken, zonder dat wij de desertsie zouden kun= „nen verhinderen, door dien de troepes voornaam „lijk in het opene kamp van Aikotte zullen moeten gebruikt worden. - Jnzonderheid ver= „zoeken wij ook den Luitenant van de Artil: „lerij Ferdinand Kasper Heupnier met de al= „ler eerste geleegenheid herwaards te zenden, om bij provisie en tot de nadere disposietsie van de de Hooge Jndische Regeering hier het kommando over de Artillerij te vooren. wij hebben voorts noch noodig geoordeeld van on„ „zen toestand aan den Heer Kommandant van 's Lands oorlogs schepen in Jndien kennis te geeven, en wijl dezelve zich vermoedelijk reets bij uwe weledelen bevinden of eerlange opdagen zal: zoo gaat een brief aan zijn Edele hiernevens met vriendelijk verzoek, denzelven aan hem te be= „handigen. wij hebben de eere te zijn. /onderstond:/ Edele Ernt= „feste, Manhafte, wijze, voorzienige zeer Dis= „kreete Heer en vrienden: uwer weledelen dienst= „willige vriend en Dienaaren /:was geteekend:/ g: g: van Angelbeek, k: van Aarn, g: g: Gebhardt J: L: van Spall, J: A: Cellarius, w: van Haeften, A: Poolvliet, J: A: scheids en P: van spall J:r /:in margine:/ Koetsiem den 18:e September 1787. Akkordeerd Arnold „ Lunel EG klerk Duplicaat po Aan den weledelen Gestrengen Heer Willem Silvester kapitain kommandant van 'slands oorlogs eskader in Jndia Weledele Gestrenge Heer! wij vinden ons verplicht uw weledele Gestr: bij deezen te informeeren dat de Nabab Tipoe sultan groote toebereidzelen maakt tot een oor= „logs expedietsie tegen zuider Malabaar en hoewel men tot nu toe niet weet, of het di= „rekt op de komp: dan wel op de vorsten van Koetsiem of Trevankoor gemunt zij: zo vinden wij ons doch verplicht, ons daar tegen zoo veel te wapenen als de omstandigheeden van de komp: het toelaaten. Jn deeze hachlijke situaatsie zoude de verschij= „ning van 's Lands Eskader op deeze kuste van eene zeer gelukkige uitwerking voor ons weezen, en vermoedelijk dienen, den voornoemden Na= „bab vreedzaame gedachten tegen de komp: te inspireeren, terwijl dezelve op de gemoederen der andere vorsten alhier meede eenen zeer gunstigen 8 gunstigen indruk maaken zoude. — wij verzoeken. uw weledele Gestr: derhalven zeer instandig, bij aldien wigtiger voorneemens het niet beletten zoo spoedig als mogelijk is tot as= „sistentsie van de komp: toe te schieten en hebben de eer met alle hoog achting te zijn. /onderstond/ Weledele Gestrenge Heer! uwer weledele Ge¬ „strenge Dienstwillige en zeer gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/ J: g: van Angelbeek, R: van Harn, G: G: Gebhardt, J: L: van Spall, J: A: Cellarius, w: van Haeften, A: Poolvliet, J: A: Scheids en P: van spall J:r /: in margine:/ Koetsiem den 18:e September 1787. Arnold Luner Akkordeerd EG Kerk. Duplicaat No 7. Til al 1