VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 10410

Surat · 324 pages · 53 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_10410_0244 view scan ↗

English

To achieve which, for Your Honours' greater convenience and in order to give all those into whose hands this shall ever come a clear idea of the entire course of this matter, we shall, In the first place, provide here a detailed and faithful account of this entire affair, as well as of all the letters which have been exchanged concerning it between the Surat Council and ourselves; After which, in the second place, we shall demonstrate the right belonging to us in this matter, and that Your Honours are bound, unless you wish to do a public injustice, to maintain us therein, and consequently to cause us to enjoy the permission once granted, with compensation for all damages and losses which the Noble Dutch East India Company has already suffered through such conduct, or will suffer yet further in the event of an unexpected refusal; While, in the third place, we shall refute the pretended reasons of the Surat Chief and Council and the unheard-of referral to the Nabab; In order, finally, in the fourth place, to show to every impartial person how unfairly and unlawfully we have been treated, and how they still continue to do so. Meanwhile, we cannot omit to note here how reluctantly and against our will, indeed as if compelled by the utmost necessity, we have proceeded to this extreme; And that we intend nothing else thereby than, if possible, to bring Your Honours to better thoughts, and to procure for the Noble Dutch Company, so far as our ability here presently permits, the right belonging to it; While, for the rest, we shall apply ourselves to foster more and more the good harmony otherwise subsisting here between both nations; And proceeding herewith now to the treatment proposed by us, and indeed in the first place to the account of the entire case in question and of everything that occurred regarding it: It is a truth that can never be contradicted, neither by Your Honours' Chief and Council here, nor by Your Honours yourselves, let alone that the contrary thereof could ever be demonstrated with any semblance of truth, That the first undersigned Director, In consideration of the bad and most miserable dwellings in which the servants of the Dutch Company here have had to manage for a considerable time; Such that some, even of the members of our assembly, have been able to obtain for their residence nothing other than a single room of spars and bamboos, and in which they were by no means protected against the inclemencies of the weather, nor against vermin; While our old Lodge is in such a condition that no one can reside therein any longer except in continuous danger of his life; And our servants have found themselves obliged to declare that they would rather pass the night under the open sky than in that rickety building; So that one expects from moment to moment that which befell Your Honours' own Lodge here, namely the collapse, if not of the whole, then at least of a part thereof; Addressed himself duly and according to Your Honours' own desire in writing, on the 6th of April of the past year 1769, to Mr. William Andrew Price, Your Honours' then Chief at this factory, And requested of His Honour, in his capacity as Governor of His Mogol's Castle, permission to be allowed to build on the wharf (in Jengibander, otherwise also called the garden) 3 to 4 dwellings for Council members, and 6 to 7 writers' rooms with a common kitchen and dining room for the same; Each of the first-mentioned dwellings of the length of 18 English yards, and 22 to 23 of the same yards in width; Constructed with wooden supports, with a wall capable of withstanding the inclemencies of the weather; And further of a respectable height of up to about 4½ yards; All under a tiled roof, with a wooden ceiling and without plastering; And the writers' rooms of the length of 6 to 7 yards, and a width of 4 to 5 yards; Which permission was then also granted in form on the 14th of the said month of April by the aforementioned Chief and Council, as appears from their own confession in their letter of the 3rd of October 1769; Not, however, until Your Honours' repeatedly mentioned Chief and Council had, before proceeding to this, caused the place where we desired to build these dwellings and rooms to be inspected by two commissioners, namely the Major and Commandant of the Castle, Mr. Wouth, and a member of their assembly, Mr. Boucher; And thus after they were beforehand fully informed both of the place and of our requested buildings, as well as of the necessity of the same for us; Whereupon we then, relying fully on this solemnly granted consent, which had been followed in abundance by the permission of the town Governor, immediately went to work; Such that we had already purchased considerable quantities of carpentry and masonry materials, Had caused to be demolished a timber dwelling which served to house our Fiscal and third member of our assembly, as well as two of our bookkeepers, and as a trading office, And we had already advanced so far with this work that one of the dwellings for the Council members was almost completed, while nothing more was lacking thereto than the roof, the doors and windows, and the plastering.

Dutch transcription

20. Om waar toe te geraaken, 21. Wij tot meerder gemak voor Uw: Ed=s en om allen den genen, welken deesen ooit in handen komen sal, een klaar idé, van den geheelen toedragt deezer zaake te geven, 22. In de Eerste plaatse, een omstandig en getrouw verhaal van deese geheele affaire„ 23. Mitsgaders van alle de Brieven welke daar over tusschen den Souratschen Raad en ons gewisseld zijn, alhier doen zullen, 24. / Waar na we in de tweede Plaats, zullen aantoonen, het ons in deesen Competeerend regt. 25. En dat Uw: Eet:s gehouden sijn, willense anders geen publicq onregt doen, ons daar in te maintineeren, en ons bij gevolg van een eens gegeven permissie, te doen Jouisseeren, 26./ Met vergoeding van alle schaaden en nadeelen, welke de Edele Nederlandsche Oost- Indische Compagnie, door zodanig een gedrag bereeds geleeden heeft; 27. / of nog al verders, bij onverhoopte weige„ „ring lijden zal. Terwijl we ten derden, de voorgewende 28. reedenen, van den Souratsen Chef en Raat. E 929 29. Raad, en het ongehoord renvoij aan den Nabab, sullen weder leggen, Om eindelijk, ten vierden, aan jeder onpartij„ „dige te doen sien, hoe onbillijk en onregt„ „matig, men ons gehandelt heeft, en daar mede als nog blijft voortvaaren, 30. Ondertusschen kunnen wij niet voor bij al„ hier aan te merken, 31. hoe noode en tegen onsen sin, Ja als — door de hoogste, nood gedwongen wij tot dit uijterste overgegaan sijn, 32 / En dat we daar mede niets anders beoogen als Uw: Ed:s was het mogelijk in beetere gedagten te brengen; 33. / En de Ed: Nederlandsche Compagnie, zoo veel ons vermogen alhier thans toelaat„ het haar Competeerende regt te verschaf¬ „sen. 34. / Terwijl we voor het overige ons zullen bevlijtigen, om de tusschen de beide natien, buijten des, alhier subsisteerende goede harmonie, meer en meer aan te kweeken; 35. / Ende hier mede nu overgaande, tot de ons voorgestelde behandeling; 36. / En wel in de Eerste plaats, tot het verhaal van het geheele geval in questie En. 23 37. / en van alles wat zig daar omtrent toegedraa„ gen heeft; 38. / zoo is het eene waarheid die nog door uw Ed: Chef en raad alhier, nog door uw: Ed=s zelven, immermeer zal kunnen worden tegen gesprooken 39. / laats staan dan, dat het tegen gestelde van dien ooit met eenigen schijn van Waarheid, zal kunnen worden aangetoond, Dat den Eerst ondergeteekenden Direc¬ 40. „teur 41. / Úijt aanmerking van de slegte en aller, misserabelste woningen, waar in de Dienaa„ „ren der Nederlandse Compagnie zig alhier zoodaanig sedert eenen gerúijmen tijd, heb¬ „ben moeten behelpen; 42. dat sommige, zelfs der Leden onser ver„ „gadering, niet anders tot hun verblijf hebben kunnen erlangen, dan een enkeld, vertrek van Sparren en Bamboesen, en in het welke zij geensints voor de 43. Jnjúrien des Lugts, nog voor het ongediert¬ „ te bevrijd waaren; 44. / terwijl onse oude Logie sodaanig gesteld is, dat daar in niemand meer, anders dan met een Continueel gevaar voor Sijn Leven habiteeren kan; En. 169 241 45. / En onse bedienden zig genoodsaakt hebben gevonden om te declareeren, dat sij nog liever, onder den blooten hemel, dan in dat wrakke gebouw vernagten wilden, 46. / zoodanig dat men daar aan Oogenblik„ „kelijk te gemoet ziet, het geen aan Uw Ed=s eigene Loge, alhier overgekomen, is, Namentlijk de instortinge, zoo niet 47. geheel ten minsten van een gedeelte van dien, 48:/ zig op den 6. april des afgeweeken Jaars 1769. bethoorlijk en volgens Uw: Ed=s eigene begeerte in Schripts, g'addresseerd, aan den Heer William Anderuw Price, Uw: Ed=s toenmaligen Cheff ten deesen Comptoire. En van zijn Wel Ed: in qualiteit als Gouverneur van S. Mogols Casteel ver¬ „sogt heeft, 30. / Permissie tot het mogen maken op de werf /: in Jengibander, anders ook wel de thuijn genaamd:/ van 3 à 4. woningen voor Raads„ 51. „leden 52. en 6. â 7. Penniste kamers met een algemeene keuken, en Etens vertrek voor deselve; 49: Jeder. 53. Jeder der Eerst gem: woningen ter Lengte Van 18. Engelsche Ajarden, en 22. â 23. gelijke Ijarden breed; gemaakt van houte Stutten, met een muur 50 die bestaanbaar is tegens de Jnjurien van de Lugt; 55. en voorts van een ordentelijke hoogte tot Circa. 4½ Ijard. 56. alles onder een Pimpel panne dak, met een houte solder en zonder gessen, En de Penniste kamers ter Lengte van 57. 6. â 7. Ijarden, en breete van 4. â 5. — C.Ajarden; 58. /. Welke Permissie dan ook op den 14. van de gedagte maand april door vooren, gem: Chef en Raad in forma is verleend blijkens haare eigene Confessie bij haaren Brief van den 3„ oct=r 1769. 59. Egter niet of Uw Ed: meergenoemde Cheff. en Raad, hadden eer, en bevoorens hier „toe over te gaan, de plaats alwaar we deese woningen en Camers begeerden te Timmeren, door twee gecommitteer„ „dens, te weten den Majoor, en Commandant van het Casteel den heer. . . . . . . . . Woúth, en een der Leden haaren vergadering den Heer Boucher, doen bezigtigen en. 170 2 29 60:/ En dus na dat bevorens, zoo wel van de plaats, als van onse versogte Timmeragien, gelijk mede van de noodzaakelijkheid, der„ selve voor ons, ten vollen onderregt waa¬ „ren; 61. / Waar op wij dan, ons ten vollen op dit Plegtig verleend Consent, dat ten overvloe¬ „de door de toestemming van den stads Gouverneur gevolgd was, gerus„ „tende, met den eersten aan het werk gegaan sijn; 62. / zulx wij bereeds aanzienelijke quan„ „titeiten Timmer- en - Metsel mate„ „rialen ingekogt. 63. / Eene Planke woning, die tot huijs¬ „versting van onsen Fiscaal en derde Lit in onse vergadering, mits„ „gaders van twee onser Boekhouders en tot een Comptoir van Negotie— dienden, doen wegbreeken hadden 64. / en wij waaren met dit werk bereeds zoo verre gevorderd; 65. Dat een der wooningen voor de Raads Leeden, bij na voltooijd was, — terwijl daar aan niets meerder als — het dak de deuren en vensters, en het Plaisteren ontbrak, gte te met en

NL-HaNA_1.04.02_10410_0250 view scan ↗

English

66. And the foundations of the second dwelling were laid, and its wooden supports or uprights were erected; 67. when, to our greatest surprise, we were hindered therein on the 5th of July. 68. Since it was thought fit on that day merely to forbid, through a common Sepoy, all masons and carpenters from laying a hand to any work for us; 69. without giving us any the least notice or overture thereof, so that we found ourselves compelled 70. on the 7th of the aforementioned month, through two of our Council Members, to inquire of the then Chief, Mr. Price, 71. what reasons might have moved His Honour to this stoppage; 72. and whether this might perhaps be based on an assumption that we had exceeded the established stipulations. 73. And the said Chief having declared upon this to our deputies that the prohibition issued derived from Your Honours; 74. 75. and that the established stipulations concerning these buildings had not been exceeded; 76. we sent on the 8th thereafter a further deputation to the said commander; 77. requesting that we might then be permitted to proceed properly with this timber-work pursuant to the granted permission; 78. and representing at the same time the injustice done to us, and the damage inflicted by this proceeding upon the Honourable Netherlands Company; 79. and His Honour having replied thereto that, in his opinion, it would merely be a matter of a few days' delay, 80. we therefore suspended action until the 27th of the aforementioned month, when we dispatched our first letter of that day to Your Honours' Chief and Council here, as the same is appended hereto under Letter A. 81. And therein, citing all the foregoing, we repeated the request mentioned in Article 77; 82. but obtaining no answer thereto, 83. except solely by letter of the 9th of August, stating that Their Honours could grant no permission to proceed with these timber-works before and until they had received further orders from Your Honours. 84. And already beginning to fear that which we later to our regret found to be only too true; 85. namely, that it was intended not to stand by the word and consent once given, but to break the same at will; 86. we therefore resolved to dispatch once more, on the 21st of September, the letter annexed hereto under Letter B. 87. And therein, in case they remained negligent in performing the permission given, to protest not only against all damages and losses which the Honourable Netherlands Company ever has to suffer through this stoppage, 88. but also against all consequences that might in time arise therefrom; 89. leaving all the same to Their Honours' account and responsibility. 90. Thus, having reasonably expected a good effect from this writing of ours, 91. the letter from the Surat Ministry of the 3rd of October following, which we received on the 6th ditto under Letter C, fully convinced us of the contrary; 92. as they informed us therein that the prohibition received had not yet been changed by Your Honours up to that day; 93. nor that they had received Your Honours' decisive answer thereto, not only, 94. but they also saw fit to accuse us of having exceeded the stipulations made when granting permission; 95. an accusation so contrary to the truth that we have not only fully refuted it in our letter written in reply thereto on the often-mentioned 31st of October, 96. but which we shall also further extinguish and nullify in the continuation of this document. 97. Thus then, continuing the thread of our narrative here to avoid tedious repetitions, 98. we finally received on the 23rd of October, and thus fully sixteen weeks after this stoppage had been undertaken, a letter from the Chief and Council here, dated the day before, annexed hereto under Letter D. 99. Wherein, to our inexpressible astonishment, they saw fit to inform us 100. that Your Honours judged these buildings to have as much relation to the town as to the Castle; 101. that they had deemed it expedient to refer the decision thereof to the Nabob, as Governor of the Town; 102. who, they did not doubt, would give us a clear answer; 103. We shall also defer the demonstration of this improper and wholly unlawful manner of proceeding to the continuation of this document, and proceed here to report: 104. That, penetrating very easily that Your Honours intended to pass off the Town Governor as the foundation and moving cause of the stoppage inflicted, 105. and thus to shift the same, if possible, from your own shoulders; 106. notwithstanding that His Excellency had not caused us the least obstruction up to that day, and tarried with that for fully two months thereafter; 107. we thought fit to write back to the Surat Chief and Council by our letter of the 31st of October following, annexed hereto under Letter E, 108. essentially stating: 109. That, for the reasons alleged therein, having solely to deal with Their Honours as the ones who had so solemnly granted us the permission; 110. we could not with any appearance of justice be judged to be dependent upon Your Honours' pleasure in this matter; 111. such that we could be deemed obligated to conform to that referral to the Nabob.

Dutch transcription

66. / En de fundamenten van de tweede woning gelegt, en haare houte stutten of standers opgeregt waaren; 67. / wanneer wij tot onse grooste surprice daar in op den 5. Julij belet wierden. 68. alzoo men kon goedvinden, dien dag slegts, door een gemeenen Chipaij, alle Metselaaren en Timmerlieden te verbieden, geen hand aan eenig werk voor ons te slaan; 69. / zonder ons daar van eenige de allerminste kennisse ofte ouvertuure te geven sodanig dat wij ons genoodzaakt vonden 70. om den 7. der even gem: maand, door twee onser Raads- Leden, aan den toenmaligen Cheff: de Heer Price, te doen afvraagen. 71. / welke reedenen zijn Ed: tot deese sta„ „teering permoveeren mogten; En oft zulx ook wel eene sustenue 72. 4 als of we de gemaakte bepaling te buijten gegaan waren, ten grondslag hebben mogte. Ende gemelde Chef, hier op aan onse 73. Gecommitteerdens hebbende gedeclareerd, Dat het gedaane verbod van Uw: Ed:s afoloeijde/ 74. 2 42 2 A. / 75. / en dat de gemaakte bepaling, omtrend deeze gebouwen, niet te buijten gegaan 8 J was; 76. Ponden wij op den 8. daar aan eene nadere Commissie, aan gedagten gebieder; 77. Met versoek dat men ons dan met deese Timmeragie, agter volgens de verleende permissie zouden laaten voort„ gaan na behooren; 78. / en representatie teffens van het ongelijk dat ons aangedaan, en de schaade welke door dese proceduure aan de Ed: Nederlandse Compagnie toegebragt wierden; Ende zijn wel Ed: hier op ten ant„ „woord gegeven hebbende, dat het na zijne gedagten eeniglijk eene affaire pardement, van weinige dagen of zoude zijn 80. zoo supersedeerden wij tot den 27. der meergenoemde maand, wanneer wij onse eerste missive van dien dag aan uw:Ed: Chef. en Raad alhier lieten afgaan, zoo als deselve hier bijgevoegd. is onder L: A. En daar bij onder aanhaling van al 81. het voorengemelde, het art: 77. genoemde. 79./ ver: ing s Versoek herhaalden; 172 82. / Dog daar op geenig antwoord erlangende 83. / als eeniglijk bij missive van den 9' aug:s dat haar Eds. geene toestemming tot het voort¬ „vaaren: met dese Timmeragien konden verleenen, voor en al eer nadere beveelen van Uw Ed=s ontfangen hadden En bereets beginnende te vreesen, het geen we naderhand tot ons Leedwesen, maar al te waar bevonden hebben; 85:/ namentlijk, dat men voornemens was, zijn eens gegeven woord en Consent geen gestand te doen, maar het selve na goedvinden te verbreeken; 86. /zoo wierden wij te raade, om nogmaals op den 21. September, daar aan te laten AraP afgaan de Brief onder L:m 23: deesen annex. 87. / en daar bij ingevalle men nalatig bleef in het presteeren, van de gegevene permis¬ sie te protesteeren, tegens alle Schaaden en nadeelen, welke de Ed: Nederlandse Compagnie, door dese Stateeringe immer¬ „meer te Lijden heeft niet alleen 5 88. maar ook tegens alle gevolgen welke daar uijt in der tijd zouden voortkomen kunnen. 84. J. 6 2 1 kunnen; 89. alle deselve voor haar Ed:s Rekening en verantwoordinge overlatende. 90. hadden wij dus billijk een goed effect van dit ons schrijven te gemoed gesien 91. / de missive van het Sourats Menis„ „terie van den 3 oct: daar aan, welke wij den 6. dito ontfingen sub L=ra C: overtuijg„ „den, ons ten vollen van het tegen„ „ deel 92. / alzo men ons daar bij melde dat het ontfangene verbod, tot dien dag, door Uw Ed=s nog niet verandert was; 93. / nog dat zij Uw: Ed=s beslissend antwoord daar op ontfangen hadden, niet alleen 94. / maar men vond teffens goed, om ons te beschuldigen, als waren wij de gemaak„ „te bepaaling, bij het verleenen van Permissie, te buijten gegaan; 95. / Eene beschuldiging dermaten, met de waarheid strijdende, dat wij deselve niet alleen, bij onse, daar op in ant„ „woord geschrevene missive van den 31. oct: meer gemeld, ten vollen gere„ „cuteerd Hebben 96. maar die wij ook, nog in 't vervolg. deeses. deeses nader dooden, en te niete doen sullen, 97. Dus dan alhier ter vermijding van lastige rediten den draad onses verhaals vervol„ „gende, 98. / zoo ontfingen wij eindelijk op den 23 oct: en dus wel sestien weeken, na dat men deese staateringe ondernomen had, eene missive van den heere Cheff en Raad alhier, gedatteerd des daags bevorens. hier bij sub: L=ra D. Waar bij men tot onse muijtspreekelijke „ 99. verwonderinge goedvond, ons te melden, 100. / Dat uw Ed=s oordeelden deese gebouwen in 't gene zoo veel betrekking te hebben „ tot de stad, als tot het Casteel. v01. / sij dienstig geagt hadden, om de Uijtspraak daar van op te draagen aan de Nabab) als Gouverneur van de Stad; 102. dewelke sij niet en twijffelden of soude ons een klaar antwoord ge„ „ven; 103. Wij zullen de demonstratie van dese oneigene, en ten eene maal onwettige manier van handelen, ook al tot het vervolg deses verschuijven, en alhier, Voort: D. 249 Voortvaaren te melden; 104. Dat wij zeer Ligt penetrerende, dat Uw: Ed=s voornemens waaren, om den Stads Gouver„ „neur als de basis en beweeg - oorsaak van de toegebragte Statering te doen door gaan. - „ 105. / En deselve dus, zo mogelijk van Uwen halse, afte schuijven; 106. / niet tegenstaande zijn Excellentie, ons tot dien dag geene de minste verhindering toegebragt had, en daar mede nog wel 2. maanden na dies heeft vertoeft; 107. / goedvonden den Souratschen Heere Cheff, en Raad bij onse brief van den 31. oct: daar aan hier agter gevoegd Sub: E. 108/ Te rescribeeren, hoofdsaakelijk; 109. / Dat wij om de aldaar g'allegeerde reede„ „nen eeniglijk met haar Ed=s als dewel„ „ke ons de Permissie zoo plegtig hadden verleend te doen hebbende; 110. met geen Schijn van regt konden wor¬ „den g'oordeeld van uw Ed=s goedvinden in deesen afhankelijk te Sijn; 1V1. zodanig dat wij verpligt souden kunnen worden g'oordeeld, ons na dat renvoij, aan de nabab te schikken daar.

NL-HaNA_1.04.02_10410_0256 view scan ↗

English

112. Whereas Your Honours were bound to allow us to enjoy the granted consent, or otherwise to compensate all damages, etc.; while we could in no way comprehend how the 113. Nawab himself could pass judgment in a matter in which His Excellency had never caused us any hindrance, 114. and in which we believed we could rely upon his goodwill; 115. and although we repeated our previous requests and protests herein once again, this nevertheless had no other effect 116. than that on 7 December of the aforementioned year, 117. precisely, and very remarkably so, two hours after the City Governor had summoned the brokers of our Company to the Durbar and had—a full 6 weeks after we had already been referred there, and a full 5 months after the first obstacles had been caused to us by Your Honours—spoken to them about these dwellings for the, note well, first time, 118. and had told them that they were to deliver a message to our Director that one was not to build with stone, but with wood, planks, and bamboo, 119. because the inhabitants and, note well, the English were strongly opposed to it; 120. we received in reply, by a letter sent by the Surat Chief and Council on the 5th prior, under F: 121. that our application to the Nawab for permission would in itself demonstrate that we considered the buildings in question to pertain as much to the city as to the castle; 122. with a further declaration that His Excellency, as well as Your Honours, was dissatisfied with the construction of these dwellings, etc.; 123. notwithstanding that in the said letter they were obliged fully to admit having granted us permission for the construction of the mentioned dwellings. 124. Meanwhile, as we were thus, to our great distress, on the most trifling of 125. pretexts, so unlawfully hindered in the completion of the carpentry and construction work that had been commenced, we resolved, in order to demonstrate our pure intentions, and that we did not intend to undertake any work that could be judged by anyone to be of any prejudice to the interests of the Noble English Company in this place, 126. by our letter of 3 March of this year, under G: 1st, 127. after having first, as we believe, thoroughly refuted the assertions of Your Honours' Council here, 128. to request of the said Chief and Council to have examined by their Captain Engineer currently at hand: First, the construction works of the new 129. buildings, and whether they can with any semblance of reason be said to be detrimental either to the Mughal Castle or to the city; and secondly, our old and dilapidated 130. dwellings; 131. in order to investigate whether the inhabitants thereof run any risk of being buried under their ruins; 132. while we additionally transmitted to Your Honours an inspection carried out by three members of our assembly, assisted by knowledgeable master craftsmen, of two dwelling houses occupied by five of our servants, under letter C: 2nd, 133. as clear proof that it was utterly impossible for us to reside here in such a manner; and we were so persuaded of the good 134. outcome of this condescension of ours 135. that we in no way doubted that we should finally be restored once more to the right we had obtained; 136. all the more so when all the aforementioned dwellings, both old and newly constructed, had been properly examined by Captain Engineer Nilson, 137. and the same had submitted a report of his findings, which we could never suppose to be in any way contrary to all that had been put forward by us. 138. Nevertheless, and in order to show in every respect 139. that we solely desired dwellings of stone that would protect us from the inclemencies of the weather 140. and could to some degree make life in these regions more pleasant for us, without intending anything else thereby, 141. we declared in our letter of 6 April thereafter, annexed hereto under letter R, 142. that we would gladly be content to have the walls etc. of the dwellings in question made of such thickness as should be judged admissible by Your Honours' engineer; 143. and if we, my Lords, have ever been wrongly suspected by Your Honours of intending, with these stone dwellings, to make anything whatsoever that could ever be detrimental to Your Honours, 144. then such a declaration ought certainly to have convinced Your Honours of the sincerity of our intentions, 145. since we thereby placed the manner of construction entirely into your hands, 146. and it depended upon Your Honours yourselves to free yourselves of all panic fear. Yet, and in evidence that it is intended, cost what it may, 148. yea, without considering what an impartial world will judge of such a procedure, 149. and without paying any heed to the consequences, 150. to oppose these construction works by force, contrary to good faith and a solemn consent once given, 151. and thereby to take pleasure in [illegible] us, as has occurred many times before, 152. and most recently in the year 1766 with the unloading of goods at our wharf, 153. of which ancient right we were not permitted to enjoy the exercise until after much trouble, etc.

Dutch transcription

112. Daar haar Ed:s gehouden waaren, ons van het gegeven Consent te doen jouisseren, of anders alle Schaaden te vergoeden enz: Terwijl wij geensints beseffen konden, hoe de 113. Nabab selfs uijtspraak zoude kunnen doen in een saak waar in sijn Excellentie ons nooit eenige hindernis toegebragt had¬ 114. en waar in wij ons, van sijne welmeenentheid vermeenden versekert te mogen houden; 115. / En of schoon we hier bij al wederom onse voorige versoeken, en Protestatien herhaalden Zoo is dit tog van geene andere uijtwerkin¬ „ge geweest; 116. / als dat wij op den 7. december des even¬ „gemelden Iaars; 117. Juijst en dat zeer remarquabel is, na dat den Stads Gouverneur, twee Uuren bevoorens, de makelaars van onse Compagnie e in den Derbaar ontbooden en haar, wel 6. weeken dat men al derwaarts was gerenvoijeerd, en wel 5. maanden na dat ons de eerste beletselen van Uw: Ed: toe„ „gebragt waaren, voor de NB: eerste maal over deeze wooningen, ge „ sprooken, 174 92 258 P. J 178. / En haar gesegd had, dat sij tegens onzen Directeur moesten Boodschappen, dat men niet met steen, maar met hout planken, en Bamboesen, timmeren moester. 119. / alsoo de Inwoonders, en N: B: de Engelschen er zeer tegen waaren 1:80: bij een door den heer Souratsen Cheff en Raad afgesondenen brief van den 5. daar bevorens sub F: in antwoord, ont„ fingen; 121. / dat onse vervoeging bij de Nabab, om Permissie zelfs zouden aantoonen, dat wij gedagt hebben, dat de gebouwen, in quastie zoo veel betrekking hebben, tot de stad als tot het Casteel; 122. met een verdere verklaaringe dat sijn Excellentie, zoo wel als Uw: Ed: met het Timmeren deeser woningen onvoldaan was enz: - 123. / niet tegenstaande zij lieden bij opgedagte missive volmondig moesten toestemmen, ons tot de extructie der gementioneerde woningen, permissie te hebben verleend 124. / Jnmiddens dat we dus tot ons grood — verdriet, op niet noemenswaardiger voor: e de i ƒ 125. 1 mo Voorwendselen, in het voltooijen der aangevan„ „gene timmeragien zoo onwettelijk verhindert wierden. Resolveerden we, om ter aantoening van onse suivere gevoelens, en dat we niet voornemens waren, eenig werk te ondernemen, dat door jemand van eenig nadeel voor de Belangen der Edele Engelsche Compagnie ter deses Plaatse, konde worden ge¬ oordeelt. 126. / Om bij onse missive van den 3 maart deses Jaars sub G: v:mo 127. / Na alvorens het geavanceerde van Uw: Ed:=s Raad alhier, zoo wij vermeenen grondig te hebben wederlegt. 128. / van wel gemelden Cheff, en Raad te ver„ „soeken om door haaren aan handen hebbenden Capitain Ingenieur te Laaten Examineeren; Eerstelijk de Timmeragien der Nieuwe 129. gebouwen, en of deselve met eenigen Schijn van reden kunnen worden gesegt of voor 'S mogols Casteel of voor de stad, — nadeelig te sijn En ten tweeden onze oude en bouwal¬ 130. „lige wooningen; sen. ƒ 175 92 2 2 do 131. ten einde te ondersoeken, of de bewoonders daar van geen gevaar loopen, van onder de ruines der selve te worden begraven; 132. / terwijl we daar benevens aan haar Ed=s overzonden, eene door drie Leeden onser vergaderinge, geassisteerd met des verstand hebbende werk baasen, gedaane visi„ van „tatie voor twee woonhuijsen door vijf onser Dienaaren bewoond sub L=ra C=rdo. Tot een klaar bewijs, dat het ons vol¬ 133. „strekt onmogelijk was, om op dus„ „danigen wijse alhier te habiteeren; En wij hielden ons van den goeden 134. uijtslag van deeze onse Condescendance der maten gepersuadeert; 135. / Dat we geensints twijffelden of we souden eindelijk eens weder in het verkreegen regt, hersteld geworden sijn 136. / Te meer wanneer alle de voorengemel„ „de, zoo oude woningen als nieuwe timmeragien, door den Cap:n Jngenieur Nilson, behoorlijk geexamineerd waa¬ „ren, 137. En deselve van rapport van desselfs bevinding, dat we nooit kunnen on: e onderstellen, met dl het door ons g'avanceerde in eeniger maten strijdig te sijn, gediend had; 138. Egter en om in allen deelen te toonen 139. / Dat we eeniglijk wooningen begeerden van steen, die ons voor de Jnjurien van de Lugt bevrijden. 140. / en ons het Leven in deeze gewesten ee„ „niger maaten veraangenamen kunnen sonder daar mede iets anders te beoogen. Verklaarden wij bij onsen brief van den 147. 6. april daar aan, hier bij g'annexeert Cra onder L:t R. 142. dat wij ons gaarn zouden vergenoegen met de muuren &a der questieuse woo¬ „ningen van sodaanige dikte te Laaten maaken, als deselve door Uwel: Ed=es Jn„ „genieur zouden worden geoordeelt, be„ „staanbaar te zijn; 143. / En zoo we ooijt mijne Heeren, door UE:Ed: coneert geworden ten onregte gesoupaneert sijn, als beoogden men, met dese steene woningen, het maken van iets hoe genaamd dat Uwel Ed:s immermeer nadeelig zijn konde zoo. A. 176 255 144. / zoo had een diergelijke verklaaring Uwel Edt: Van de opregtheid onser gevoelens, tog al„ „toos behooren te overtuijgen; 145. alzo we daar door de manier van timmeren geheel in uwe handen stel„ „lende; 146. / het van Uwel Edelen zelfs afking zig. van allen terreur panique te bevrijden, Even wel en ten blijke, dat men het 147: koste wat het wilde. 148. / Ja; zonder te denken, wat eene onpartijdi„ „ge wereld, van zulk een Proceduure oordeelen zal. 149. / En zonder op de gevolgen eenigen agt te slaan. Voornemens is Via forca deese Timme¬ 150/ „ragen, tegens de goede trouw, en een eens gegeven Plegtig Consent, tegen 0 tegaan. en daar door het vermaak te hebben 151. ons, als wel meermaalen bevoorens; En nog laastelijk in a:o 1766. / met den 152. Ontlos der goederen aan onsen Reerff: 153. Van welk oud regt men ons niet, als na veele moeijten etc=a heeft willen doen Jouisseeren „

NL-HaNA_1.04.02_10410_0262 view scan ↗

English

to do. 155. we had to observe from the latest letter of the English ministry here of the 8th May last, Letter I: 156. That all our aforementioned demarches and concessions had been of not the slightest fruit. 157. since they informed us therein that Your Honors 158. in reply to the Letter with which the report of the Engineer was sent to them, had written back: 159. that Your Honors could see no reason why they should alter their decision cited in the missive of 21 October. 160. with these fair-seeming reasons, and possibly somewhat satisfactory to all who are not fully informed of the truth of the case: 161. that they therefore cannot think of interfering with the Nabob in this regard, 162. just as if this was his express desire; and as if it was he who prevented our progress with the started timberworks, causing us all the vexations and troubles; 163. of which we shall fully demonstrate the contrary hereafter in its proper place; 164. And having herewith then concluded the First Point proposed by us in article 22, 165. Namely the account of everything that occurred in and concerning this affair, 166. and which corresponds to such a degree with the pure truth, 167. that we summon the entire Council of Surat, indeed the whole world, to be able to point out anything that does not agree with it; 168. we shall now proceed to the Second Main Point proposed to us. 169. Namely A. that we are fully and without any contradiction entitled to the construction of the houses in question; 170. and B. that Your Honors are bound to maintain us therein. 171. as we have already advanced herebefore in Articles 24, 25, 26, and 27; 172. And this right is so evident that it needs almost no substantiation or elucidation, at least none except for someone who is completely ignorant of Surat affairs; 173. For it is indeed to the utmost extent squared with all the rules of natural law; 174. That as soon as the Honorable Dutch East India Company saw fit to settle down in this place to carry on trade; 175. and it had obtained the requisite permission thereto from the legitimate sovereigns of these lands, the Mughal Kings, 176. under the simultaneous granting of such Privileges as are expressed in our Firmans, and belong to us according to old customs; 177. it obtained at the same time the right of residency, equal in this, 178. although in other cases far greater and more noble, 179. to that of native-born citizens, 180. that is to say, that in this case, just like a native-born citizen, it obtained the right to buy grounds here and to appropriate them, and to build houses and warehouses on them according to its discretion; 181. provided—which we readily admit—that the buildings could not tend to the disturbance of the established government, 182. this proposition is so true that it requires no further proof: 183. while the use we have always made of it fully confirms it; 184. for we have, at the very place where we wished to build the houses in question, 185. namely in Sengie Bander, otherwise also called the Garden, situated between the inner and outer city wall, close under the cannon of the Castle, 186. previously, and before and long before the English Company made themselves masters of the Surat Castle, 187. with the consent of the Castle Governors of the time; 188. as it is incumbent upon them to grant Permission for the construction of all houses and buildings situated on the same side of the city as our wharf, 189. indeed built various stone houses; 190. as the houses of the first two undersigned can serve as proof thereof; 191. as well as a third, which has recently collapsed again due to old age; 192. While we have enclosed this wharf of ours with a stone revetment along the river side, solely so as not to be swallowed up by the current of the River over time, besides such other stone buildings as were granted to us to build by the respective English Chiefs, Messrs. Spencer and Price, such as the outbuildings to the house of the Director, and the house of the Fiscal, etc. 193. Now, besides and in addition to this natural right of ours, we also have a privileged right. 194. For in the year 1709, 195. when we made a request to the Mughal King Sja Alem to be qualified to build in the village of Rogon, situated behind Omra, 196. His Majesty thereupon expressly ordered, 197. that for the service of the Honorable Dutch Company, to that end, a place and houses for the chief and others shall be granted to us in the city, or in the garden, the present Wharf, Letter [illegible], 198. And this order was thereafter, or in the year 1729, confirmed by the Mughal King Mhamet Siha to such an extent; 199. That His Majesty, by express firman of the 10th year of his reign, or according to the Mughal calendar 1140, state

Dutch transcription

te doen. 155. / moesten wij uijt den laasten brief van het Engelsch ministerie alhier van den @ra 8. meij. Jongsleeden L:a I. Ontwaaren. 156:/ Dat alle onse voorengem: demarches, en toegeeflijkheeden, van geenigen den minsten Vrugt geweest waaren. 157. / alsoo men ons daar bij melden dat Uwel: Ed:e 158. / in antwoord op den Brief, waar bij desel¬ „ve het berigt van den Jngenieur toege¬ sonden was hadden gerescribeert. 159. / dat Uwel Ed: geen reden konden sien waarom zij haar besluijt bij de missive van den 21 oct: aangehaald veranderen zouden. 160. / met deese schoon schijnende, en voor alle welke, niet van de Waarheid des gevals, ten vollen onderregt zijn, moge¬ „lijk eenigsints voldoende redenen 161) dat zij dierhalven niet daar op den¬ „ken kunnen van zig deesen aangaande met den Nabab te bemoeijen 162. / even eens als of het deeze zijne uijt„ „drukkelijke begeerte was; en of die 154. / alle Verdrietelijkheeden en moeiten aan Ons. „ 177 w 23 ons de voortgang, met de aangevangene timmeragien, belette; 163. waar van we het Contrarie hier agter ter zijner Plaatse, ten vollen aan„ toonen sullen; 164. Ende hier mede dan het ons art 22. voorgestelde Eerste Point. 165. Namentlijk het verhaal, van alles Wat zig in en omtrend deeze affaire toegedragen heeft, afgehandeld hebbende 166. en het welke der maaten, met de zuijvere waarheid overeenkomstig is. 167. / dat we den geheelen Souratschen Raad, Jaa de geheele Waareld sum„ „meeren, om iets te kunnen aan„ „toonen, wat daar mede niet over„ „eenstemming is; 168. / zoo zullen we thans overgaan tot het ons voorgestelde Tweede hoofd. Point. e 169. Namentlijk A. dat we tot de extructie der wooninger in Questie ten vollen en sonder eenige tegen „spraak gewettigd zijn; 170. / en B. dat uw: Ed: gehouden sijn ons daar in te maintineeren. 176. 171. / zoo als we hier voorens Aarts=s 24. 25. 26. en 27. bereeds hebben geavanceerd; 172. En dit regt is zoo evident, dat het bij na geene adstructie ofte opheldering, ten minsten niet anders als voor den geenen welke de Souratse zaaken geheel onkundig is, noodig heeft; 173 Want het is tog met alle de regulen van het natuurlijke regt ten uijter¬ „sten quadreestendam; 174. / Dat zoo ras de Edele Nederlandse Oost - Indische Compagnie goedvond zig ter deeser Plaatse, tot het drijven van negotie needer te zetten; 175. / en Sij daar toe van de wettige op„ „perheeren deeser Landen, de Mogolse Koningen, de vereijschte permissie— verkreegen hadde onder het teffens accordeeren van & sodaanige Privilegien, als bij onse Firmans uijtgedrukt staan, en aan ons volgens de oude Usantien Competee„ „rende zijn; 177. / zij teffens het regt van inwooning egaal in deesen. 178. / Schoon in andre gevallen Vrij grooter en. 178 en heerlijker, 179. met dat van de geboorne burgers Verkreeg dat is namentlijk, dat sij in dezen gevalle even als een gebooren burger, het regt erlangde, van alhier gronden te koopen en die te approprieeren, en met woningen en Pakhuijsen te betimmeren, na goed„ „dunken; 181. :mits /: het geen we gaarne willen toestem„ „men :/ dat de gebouwen niet konden strekken, tot stooring van de vast „gestelde regering, 182. deese stelling is zoo waaragtig dat de„ „selve geen verder bewijs vereijscht: 183. / terwijl het gebruijk, dat we daar van altoos gemaakt hebben, deselve ten vollen bekragtigd; 184. want wij hebben ter selver plaatse, al„ „waar we de Quaestieuse woningen timmeren wilden. 185. te weten in Sengie Bander, anders ook wel de Thuijn genaamt, leggende tus„ „schen de binnen en Buijten stads muur, digt onder het geschut van het Casteel. 186. / bevoorens, en voor en al eer de Engelsche„ 188. / Comp: len se gol Ompagnie, zig meesters van het Sourats Casteel gemaakt had met toestemming van de Casteels Gouver„ 187. „neurs in der tijd; als dewelke het verleenen van Permissie tot de Extructie van alle woningen en gebouwen, aan deselve zijde der Stad met onse werf geleegen incumbeerd. 189. wel diverse steene wooningen ge„ „timmerd; 190. ) zoo als de huijsen van de twee eerst onder„ geteekende, daar van ten blijke kunnen verstrekken 1ij1: / als mede een derde, dat nu onlangs door ouderdom wederom ingestord is; 192. / Terwijl we deeze onse werf, met een steene beschoeijing aan de revier kant eeniglijk om niet door den Stroom der Revier door den tijd te worden —. ingeslokt ommetzeld hebben buijten zodanige andere steene v92 gebouwen als ons door de respectieve Heeren Engelsche Chieffs M: Spencer en Price te timmeren g'accordeert zijn, zoo als de bij gebouwen aan het huijs van den 188. Direc: 479 198. Directeur, en de Wooning van den Fiscaal enz: 193. / boven en behalven nu dit ons natuur„ „lijk, hebben we teffens een gepriviligeerd. regt. alzo in den Jaare 1709. 194. 195. wanneer wij bij den Mogolsen Koning Tja Alem versoek deeden, om te wor„ „den gequalificeerd van in het dorp Rogon /: agter Omra gelegen:/ te mogen timmeren. 196. / zijne majesteidt daar op Expresselijk ordonneerde, 197 dat voor den dienst der Edele Neder „landse Comp:e ten dien eijnde, ons een plaats en tot woningen voor het opperhoofdt en andere in de Stad, dan wel in de thuijn (:de tegenswoordige raop Werff:/ zal worden verleend L:ra En deze ordre is dien na, of in den Jaare 1729. door den Mogolsen Koning Mhamet Siha, dermaten bekragtigd; 199. / Dat zijn majesteijd, bij Expresse ferman Van het v0de Jaar zijner regeeringe „na Mogolse tijd rekening 1140. dan wel ^ de sta: ats 6 :

NL-HaNA_1.04.02_10410_0268 view scan ↗

English

200. enacted, and granted forever to the Honourable Dutch Company; 201. to buy land for their own money in Souratta in Jengie bander within the outer city walls on the river bank, 202. and to make a place there for storage, 203. without anyone being permitted to hinder or trouble them therein; 204. with this further express command, that this order should be strictly followed 205. and no changes may be made therein, 206. nor also may any new written order be demanded concerning this annually; 207. so that they, the Hollanders, thus are the words, may continue their trade in full tranquility. 208. Thus it seems to us to have been demonstrated as clear as the sun at noon 209. that we possess the right to buy lands and to build upon them not only according to the jus naturale, 210. but have also obtained the same by express firmans from the sovereign of these lands; 211. and the same, gentlemen, is even stronger with respect to the dwellings and rooms in question; 212. because, above all this, we have obtained for that purpose a full permission from the Souratta Chief in the capacity of Governor of the Mogul's Castle, and the Council in due form, 213. as has been shown here before from article 18 to 60 inclusive; 214. thus we are, for the construction of buildings, 215. on account of the privileges granted to the Honourable Dutch Company by the lords of these lands, 216. fully justified; 217. moreover, for the construction of the dwellings and rooms in question, 218. also on account of the permission so solemnly granted by Your Honour the Chief and Council, in their known aforesaid capacity, 219. we have obtained an indisputable right; 220. it is equally true that the Souratta Council, and Your Honours yourselves, are bound to maintain us therein, 221. and consequently to let us enjoy the permission once given; 222. unless they wish otherwise to make themselves guilty of a great injustice and the violation of public faith: 223. and this was the second part of the second point that was ours to prove here according to articles 25 and 170; 224. for apart from and besides the fact that the Chief and Council of the Honourable English Company in Souratta are indisputably bound thereto, 225. by virtue of their capacity as Governor of the Mogul's Castle, 226. according to which their indispensable duty entails that they must protect and defend all the inhabitants, 227. and also those who reside in Souratta enjoying some glorious privileges, 228. against all harassment, by whomever it might be inflicted upon them, 229. not only, 230. but also to cause all the European nations residing there, 231. and among them also the Honourable Dutch Company, 232. to enjoy peacefully and undisturbed the excellent rights and privileges granted to them by the Mogul Kings as sovereign lords of these lands; 233. and even to maintain them therein against other co-rulers of the city, in case they should attempt to make any breach thereof; 234. without being permitted to allow that any hindrance in trade or residence, or otherwise, be inflicted upon us by anyone, whoever he may be; 235. so are they also expressly bound thereto according to the solemn promises made to us by them and Your Honours themselves at more than one time. 236. Thus Mr. Spencer and Council wrote to us, 237. at the time that Your Honours began the war here against the native government, 238. and wanted to make themselves master of the Castle, 239. on behalf of Your Honours in a letter of 18 February 1759, letter M, in these words: 240. We assure Your Honours that the execution of these measures will in no way interfere with or tend to the diminution of the privileges in trade or otherwise to which the Honourable Dutch East India Company or Your Honours yourselves in Souratta are entitled; 241. and after Your Honours had made yourselves the masters of the Souratta Castle, 242. the greatest assurances were always given to us in that regard from time to time, 243. not only by the Souratta Chief and Council, 244. by letter of 12 March 1759, letter N, 245. wherein their Honours say: 246. that they assure us that they, according to their promise, will strictly respect the lawful privileges of ours; 247. likewise by missive of 9 November of the aforementioned year, sub C, 248. whereby their Honours, permitting us the construction in stone of the necessary kitchens, provision houses, and slave quarters, further express themselves thus: 249. when we shall give our consent to all that Your Honours can reasonably desire; 250. and finally by their letter of 10 December 1759, sub letter S, wherein their Honours declare: 251. it to be their earnest desire 252. to live in close harmony and friendship with our nation in general, and particularly in this city; 253. with this express addition: 254. and although Providence has favoured us with many advantages, be assured that we shall never make use of them to your detriment, but that we shall be ready to

Dutch transcription

200. /: statueerde, en aan de Edele Nederlandse Comp:e voor altoos accordeerde; 201. om in Souratta in Jengie bander binnen de Buijten stads muuren aan de Revier kant, voor hun eigen geld grond te koopen. 202. En aldaar tot berging een plaats te maken. 203. / zonder dat jemand hem daar inne ver„ hinderen of vermoeijelijken mag; 204./ met dit verder Expres bevel, dat dese ordre striet zoude opgevolgd 20.5. en daar inne geene veranderinge mogen gemaakt, 2:06. / nog ook hier van Iaarlijx geen nieuw bevel Schrift, gevordert worden; 207. Op dat sij /: de Pollanders:/ dus zijn de woorden met volle gerustheid, haren handel kunnen blijven voortzetten Pub Lra L. 208. / Dus dunkt ons zoo klaar als de Zon op den middag te hebben daar gedaan 209 dat we 't regt van gronden te koopen en die te betimmeren niet alleen, volgens het Jus natuurale be„ „: zitten. maar. 2. —. 1883 210. Maar het zelve ook bij expresse firmans van de souverain deeser Landen, verkre„ „gen hebben; 217 En het zelve mijne heeren, is nog krag¬ „tiger, ten aansien van de woningen en kamers in questie; Om dat we daar toe boven dit alles 212. eene volkomene Permissie van den sou„ „ratsen Cheff in de qualiteid van Gou„ „verneur van 's Mogols Casteel, en den Raad in forma geobtineerd hebben 213. / zoo als zulx hier vooren van art: l18. tot 60. inclusive betoogd is; 214. zijn we dus tot het timmeren van gebouwen; uijt hoofde van de aan de Ed: neder„ 215 „landse Compagnie, door de heeren deser Landen verleende voorregten 216. / Ten vollen gewettigd; 217. hebben wij daar en boven tot de Extructie der woningen en kamers in questie; 218. / mede uijt hoofde, van de door UwelEd: Cheff en Raad, in haare bekende meergedagte qualiteid, zoo plegtig ver„ „leende toestemming 7 ver„ 219:/ een indisputabel regt erlangd; even waaragtig is het dat den souratsen 228. raad, en uwel Ed: selven gehouden zijn ons daar bij te maintineeren; 221. En ons dien volgens van de lens gegeven Permissie te laaten jouisseeren; Willen se zig anderzints aan geene 222. groote onregtvaardigheid, en het schenden publique trouw schuldig maken: van de 223. / en dit was het tweede gedeelte van het tweede Poinct dat ons alhier volgens art: 25. en 170. te bewijsen stord; Want buijten en behalven, dat den Cheff 224. en raad van de Edele Engelssche Compag„ „nie te souratta daar toe integenspreeke¬ „lijk gehouden zijn; 225. / Rust hoofde van haar qualiteit van Gouverneur van T. mogols Casteel; 226 als volgens dewelke haren indispensa„ „belen pligt mede brengt, dat sij alle de Jnwoonders; 227:/ En ook die gene welke onder genieting van eenige heerlijke privilegien te Souratta gezeeten sijn; 228. / teegen allen overlast, door wie sij— haar ook mogt werden aangedaan moet. 181 t ƒ 263 229. / Niet alleen, 236. / maar ook om alle de aldaar gesetene Europeese. Natien; 231. en daar onder mede de Edele Nederland„ „se Compagnie; 232:/ de aan deselve, door de Mogolse Konin„ „gen, als Souveraine heeren dezer landen toegestaan, uijtmuntende voorregten, en Privilegien vreedig en ongestoord te doen genieten; en haar ook daar bij zelfs tegens 233. andere mede regenten der Stad, inge¬ „valle die mogten onderstaan daar op eenigen inbreuk te doen te main¬ „tineeren; 234.: / zonder te mogen gedoogen dat ons door jemand, wie hij ook zijn moge eenigen hinder in den handel of inwooning, als andersints toegebragt worde; 235. zoo zijn deselve daar toe mede wel Ex„ „spresselijk verbonden, volgens de plegtige beloften, ons door haar en Uwel Ed: selve, op meer dan eenen tijd gedaan, 236. / Dus schreef ons den Heer Spencer en Raad; moet beschermen, en protegeeren; ten. even en M. N. 7 237. /ten tijde dat Uwel Ed:s den oorlog alhier tegens de Inlandse regeering begonnen; 238. en zig van het Casteel meester maken wilden, uijt naam van UwelEd: bij een Brief 239. van den 18 februarij 1759. L=ra M. in deeze bewoordingen. 240. Wij versekeren Uwel Ed: dat de uijtvoering deeser maatregulen, in geenerleij wijse zal bemoeijenisse hebben met of tot ver„ mindering strekken, van de voorregten in den handel of andersints, waar toe de Ed: Nederlandse Oost- Indische Compagnie, of uwelEEd: zelven in Souratta geregtigt zijn; 241 En na dat uwelEd: zig de meesters van het sourats Casteel gemaakt hadden; 242. / zijn ons van tijd tot tijd, daaromtrent altoos de grooste verzekeringen gege„ „ven; 243. / niet alleen door den Heer Souratsen Cheff en Raad; 244. bij brief van den 12 Maart 1759; L=ra N. 245. / alwaar haar Et: zeggen; dat 57 482 246 / dat zij ons verseekeren, dat sij volgens haar 248. 250. 251. 253. belofte de regtmatige voorregten van ons nauwkeurig zullen respecteeren 247. / insgelijks bij missive van den 9 novemb: des evengemelde Jaars; sub C. Waar bij haar Edelen ons het timmeren van steen, van de nodige keukens, pro„ „visie huijsen, en slaven vertrekken. toestaande, zig verders aldus uijt druk„ „ken; 249. / „ wanneer wij onse Toestemming sullen „geven, tot al wat Uw: Ed: redelijker wijse „kunnen begeeren; en eijndelijk bij haaren brief van den 10 december 1759. sub Lma. S. alwaar haar Edelens betuijgen; haar ernstige begeerte te zijn, Om met onse natie in 't algemeen, en bijzonder in deeze Stad, in een nauwe harmonie en vriendschap te leven; met deeze expresse bijvoeging; en alhoewel de voorsienigheid, ons met veele voordeelen begunstigt heeft, Weest versekert dat wij daar van nooit gebruijk zullen maken tot uw nadeel, maar dat wij gereed zullen weesen uw. ta O 252ƒ 25¼

NL-HaNA_1.04.02_10410_0274 view scan ↗

English

To help you in all circumstances, etc.; 255. but also at the same time by Your Honours yourselves; 256. in your very esteemed letter of 25 Janu: 1756. L=ra R: wherein Your Honours have plainly declared to us; 257. that the assurances and promises made by Mr. Spencer were given by Your Honours' express command and order; 258. with the affirmation that Your Honours' constant endeavour would be to preserve inviolate the privileges of the European nations residing in Souratta. 259. 260. And thus the said Chief and Council are bound; 261. to maintain us, in the present case of the commenced construction of the dwellings in question; 262. even against any and everyone who would wish to hinder us in this; 263. and all the more so, to let us duly enjoy the permission once granted; 264. without causing us any hindrance therein, even as has now occurred; 265. and bringing this part of the second point, art: 25. mentioned, though needing almost no further corroboration, somewhat closer to discussion; 266. it is indeed evident; 267. that as soon as permission has been requested according to the order; 268. and has been granted in due form; 269. and that with such mature consideration and deliberation; 270. that not the least deceit or deception could have taken place; 271. the same must also be left free and unhindered to him who obtained it; 272. for apart from and besides the fact that keeping one's word once given ought to be the most solemn and sacred thing that is ever observed among mortals; 272. while by good faith, as Cicero says, every citizenship not only exists by itself, but also at the same time all mankind; 272. such that when one removes it, all human fellowship is removed; 273. so the arbitrary breach of promises once made exposes all mankind to all kinds of dangers and disasters; 274. and makes rational creatures far inferior to wild beasts, at whose violence they nevertheless all tremble, according to the saying of Justinian to Chosroes in Procopius per d: 11. 275. And who indeed will ever be certain of himself, when all promises and obligations may be broken with impunity and at will; 276. yes, who will ever dare to rely on solemn assurances; 277. when it is permissible to openly destroy a word once given, which is the foundation of all peace and tranquility; 277. Justice, so closely tied to good faith, shall go astray. 278. And a country where such maxims were introduced would rush even more swiftly to its ruin than the sun to its setting; 279. that now the permission for the construction of the buildings in question was requested properly and according to order; 280. is evident, because we requested it from Your Honours' Chief here, in his capacity as Governor of the Mogul's Castle; 281. and that in writing, see art: 48 to 58 inclusive; 282. pursuant to Your Honours' own contention and desire contained in your missive of 25 January 1765; 283. wherein Your Honours say "to have an indisputable right to expect from us that, upon the erection of any new building, request thereto be made to Your Honours' Chief here as Governor of the Castle"; 284. judging at the same time "that such request is much more properly made in writing"; 285. that the same consent was granted in due form, we have clearly demonstrated hereinbefore at art: 58 from a missive of the Surat Chief and Council of 3 Oct: 1769; 286. and that this was done with prior deliberation and mature reflection, and without the least surprise having taken place in that regard; 287. is fully shown by the inspection mentioned hereinbefore at art: 59 and 60, carried out by the commissioners Wouth and Boucher; 287. while we, in refutation of all those malicious and slanderous rumours, as if we had bought this consent with money or offered money for it, 287. declare here, individual by individual, most solemnly and in the presence of an all-seeing God, never to have promised nor paid anything for it to anyone whosoever he may be; 288. we having now shown that we have a right to the construction of the dwellings in question, from art: 169 to 213; 289. we have likewise proven that the Surat Council and Your Honours yourselves are bound to maintain us therein, from art: 220 to 262 inclusive; 290. and having irrefutably demonstrated that one is all the more bound to let us enjoy the permission once granted peacefully and undisturbed, art: 263 to 287; 291. so no one will be able to contradict us with any semblance of right, that Their Honours, in the contrary case; 292. are bound and obliged 293. to amend and compensate all damages and losses which we come to suffer through such unlawful conduct; 294. 295. because they are the sole and only cause of all these damages and losses; 296. which arise from not immediately performing that to which good faith and the law bind them; 297. and which they previously, of their own free will, in accordance with equity, and with mature consideration, have granted; 298. and thus the gentlemen of the Surat Council are obliged, at least and in any case, upon further hindrance, to compensate us

Dutch transcription

Uw in alle geleegentheeden te helpen ensz: 255. maar ook teffens door Uel Ed: selven; 256. bij derselver seer geeerde Letteren van den 25 Janu: 1756. L=ra R: alwaar uwel Ed=s ons met ronde woorden hebben verklaard; dat de door den heer Spencer gedaane 258. versekeringen en beloften, gegeeven zijn op Uwel Ed=s Uijtdrukkelijke Last en ordre; met betuijging, dat uwel Ed=s bestendige 259. pooging zijn zoude, om de voorregten der Europeese Natien te souratta geseeten onschendbaar te bewaaren u En dus zijn wel gemelde Chef en Raad gechouden; 261. om ons in het onderhavige geval, van de aangevangene timmering der woo¬ „ningen in questie; Selfs te Maintineeren, tegens elk 262. en een jegelijk wie ons zulx zoude Willen beletten: en zoo veel te meer, om ons van de eens verleende permissie te Laaten jouis seeren na behooren. 263. 260. 257. Zonder. 69 9 183 272. 264. / zonder ons daar in zelfs zoo als thans is geschied, eenige verhinderinge toe te brengen, 265:/ ende dit gedeelte van het tweede poinct art: 25. gemeld schoon bij na geene adstruc„ „tie noodig, nog een weinig nader, ter discussie brengende; 266. / zoo is het immers evident; 2617. / dat zoo ras de Permissie na de order gevraagd; 268. / en in forma verleend is./ 269. / en wel sodanig met een rijp beraad en overleg. / 270. dat er geene de minste verkloeking of misleiding heeft kunnen plaats hebben; 271. dezelve ook aan den genen die se ge„ „obtineerd heeft, vrij en onverhinderd ge„ „laten worden moed; Want buijten en behalven dat het ge¬ „stand doen van een eens gegeven woord, het plegtigste en heiligste behoord te zijn, wat immermeer onder Stervelingen in agt genomen word; 20e 272. terwijl door de goede trouwe, gelijk Cicero segd, jeder borgerschap op zig zelven niet niet alleen, maar ook teffens het geheele mensdom bestaad; 272.: zulx dat wanneer men die wegneemd, alle menschelijke gemeenschap weg genomen word; 273. zoo steld de wille keurige verbreeking, van de eens gedaane beloften, het geheele mensch „dom voor allerleij gevaaren en rampen bloot 274. En maakt de redelijke schepsele verre beneden de wilde dieren, voor welker ge„ „weld zij nogtans alle schrikken, vol„ „gens het zeggen van Sustiniaan tot Chosroes bij Prokopius per d: 11. En wie tog zal zig zelven immermeer seeker zijn, wanneer alle beloften en verbintenissen ongestraft, en na goed„ vinden mogen verbrooken worden, 276. / Ja, wie sal zig ooit op plegtige ver „ Zekeringen berusten durven; 277. / wanneer het vrij staad, om een eens gegeven woord, dat het fundament van alle rust en vreede is, openbaarlijk den bodem in te slaan; 277 De geregtigheid zoo nauw aan de trouwe verknagt zal gaan dwaalen. 275. En 1054 278. En een land alwaar diergelijke maximes wier„ „den ingevoerd, zoude nog schielijker, na haar bederf heblen, als de Son na haaren onder „ gang; dat nu de Permissie tot de Extructie, van de gebouwen in questie, behoorlijk en na de ordre versogt is; bleijkt, om dat we se gevraagd hebben bij uwel Ed:s Chef alhier, in qualiteid van Gouverneur van 'S mogols Casteel 281. / ende sula in schriptes C: vrd: Ard: 48 tot 58. in Clusive:/ Agtervolgens Uwel Ed=s eigene sustenue en begeerte vervat bij derselver missive van den 25 Januarij 1765./ 283. alwaar uwel Ed=s zeggen „ Een onbetwistbaar „regt te hebben, om van ons te verwagten „dat bij het opregten van eenig nieuw „gebouw, daar toe versoek gedaan werde, „aan uwel Ed:s Opperhoofd alhier als — „ Gouverneur van het Casteel. 284. / Oordeelende teffens „ dat zulk versoek „veel betaamelijker bij geschrift geschied 285. / Dat deselve toestemminge in forma verleend is; hebben we hier voren arv: 58. uijt eene missive van den Souratsen 282. 200. 279. Chef. e Chef en Raad van den 3 Oct: 1769 klaarlijk gedemonstreerd; 286 En dat zulx met een voorgaand beraad; en rijp overleg, en sonder dat daar omtrend de minste verrassing heeft plaats gehad ge„ „schied is; te Toond de hier voren art: 59 en 60. geavan„ 287. „ceerde visitatie door de gecomm: Wouth en d Boucher ten vollen aan. 2do 287. . ) terwijl wij tot refuteering van alle die kwaadhardige, en lasterlijke uijtstrooij¬ „seler, als hadden wij dese toestemming met geld gekogt, of daar voor gebooden 237. e alhier hoofd, voor hoofd, op 't aller plegtigste en in het bijweesen van een alziend God verklaaren daar voor nooit iets belooft nog betaald te hebben, aan niemand wie hij ook zijn moge hebben wij nu getoond dat we regt 288. hebben tot de Extructie der woningen in questie van art: 169. tot 213. / hebben we teffens daar gedaan, dat 289. den Souratsen raad, en uwel Ed: selven gehouden sijn, ons daar in te main„ v „tineeren van art: 220. tot 262. ingeslooten; En. 185 72 273 En onwederspreekelijk betoogd, dat men soo 290. 296. veel te meer gehouden is, ons van de eens verleende permissie vreedig en ongestoord te Laten Jouisseeren, art: 263. tot 287. / 291. / zoo zal ons niemand met eenigen schijp van regt kunnen tegenspreeken, dat haar Ed=s bij het Contraré van dien; gehouden en verpligt zijn 292. 293. / om alle schaden en nadeelen, welke wij, door sodanig een onregtmatig gedrag komen te lijden; 294 te beteren en te vergoeden. / 295:/ om dat sij de eenige en alleene de oorsaak zijn, van alle dese Schaaden en nadeelen. die voorkomen door het niet dadelijk presteren, van dat geen waar toe haar de goede trouwe, en het regt ver„ „ bind; En dat zij bevoorens, uijt eigen Vrijen Wil overeenkomstig de billijkheid, en met een rijs beraad hebben toege „staan; En dus sijn de heeren van den souratsen 298. Raad verpligt, om immers en in allen gevalle, bij verdere verhinderinge ons te 297. erste:

NL-HaNA_1.04.02_10410_0280 view scan ↗

English

299. all those funds which the Noble Dutch Company has expended for the building of the commenced dwellings already mentioned in art. 65 and 66; 300. all those funds which were already advanced before this unlawful stoppage for the purchase of all kinds of materials; 301. the amount of all the spoiled building materials, which have been virtually entirely destroyed by continually lying in the rain and open air; 302. and finally the amount and the value of a house, formerly inhabited by our Fiscal etc. mentioned in art. 63, 303. and which we, on the basis of the aforementioned permission to build brick dwellings on the very site where this house stood, have torn down. 304. Unless Your Honours would come to other thoughts and oblige the said Council to honour their word once given to us at the very earliest. 305. And otherwise no reasons can be devised or pretexted that could exonerate Their Honours from it; 306. even if one wished to pretext, in seeking all possible evasions, 307. (of which we nevertheless must at the same time testify never to have perceived anything) 308. that the gentlemen of the Surat Council were in any way restricted by Your Honours in granting permission, 309. while such matters nothing to us, 310. since Their Honours certainly knew, or at least ought to have known, how far their authority in this matter extended; it is not to be presumed that they would have granted something so solemnly when they knew themselves not to be authorized thereto; 311. and everyone is obligated to account for his own acts and omissions. 312. It is enough for us that we requested the permission at the proper place, pursuant to Your Honours' own stance and desire, see nos. 280 and 284; 313. and also obtained it directly, in the most solemn form. 314. And having now arrived herewith at the third main point presented to us in art. 28; 315. namely; 316. the refutation of the pretexted reasons of the Surat Lord Chief and Council, in the first place; 317. and secondly, the demonstration of the unprecedented illegality of their referral of us to the Lord City Governor. 318. Thus we shall again make a beginning with the first; 319. and demonstrate that the pretexted reasons with which Their Honours seek to justify the stoppage inflicted upon us; 320. as found in their missives of 3 October cited hereinbefore from art. 91 to 96, 321. and of 5 December, both in the preceding year; 322. are entirely untrue, and completely inapplicable; 323. devised solely to justify their improper manner of proceeding with some plausible pretext, the best, or certainly that which Their Honours could find; 324. being well aware of the proverb that he who wants to beat a dog can always find a stick; 325. and thus advance with regard to the letter of 3 October, 326. that against what is stated therein: 327. namely that we only obtained permission to make some dwellings of wooden posts that were to be filled with thin walls, 328. we have in no way whatsoever transgressed or exceeded the same. 329. For no one will be able to maintain that these commenced new dwellings are not built in such a manner; 330. as we, as appears from art. 50 to 60, requested and was granted to us; 331. to wit, of wooden posts, filled with a wall that is sustainable against the inclemencies of the weather; 332. under a simple tiled roof, and without vaults. 333. On the contrary, we are in a position to prove that our Director, in order to remove all mistaken impressions, had the walls made fully two inches and more thinner 334. than the master mason of Your Honours' Castle judged sustainable against the air and rain, and which he had already commenced. 335. Just as the same are indeed made half and more thinner than our previously built brick dwellings of the Director and Second. 336. Over and above that our declaration mentioned in art. 142; 337. of our being content to have the same walls made of such thickness as Your Honours' own Captain Engineer judged sustainable against the weather, 338. fully demonstrates; 339. that we never strived for heavier or lighter walls, 340. and that we desired no others than those solely capable of warding off the inclemencies of the weather; 341. but supposing for a moment we had gone a little beyond the stipulated provision; 342. which we nevertheless deny in the strongest possible terms; 343. even then we would have done nothing other in this matter; 344. than to conduct ourselves pursuant to the word given by the Lord Chief and by two commissioners from the Surat Council in a solemn commission; 345. without our being liable to any the least accountability in that regard; 346. or that the said ministry could judge themselves, for that reason, released from their given consent; 347. since our Director, and the fellow member of our assembly Holmberg, offer to swear under solemn oath; 348. which also cannot be denied by the commissioners named in art. 59; 349. that the said commissioners declared to the Lord Director during the inspection undertaken.

Dutch transcription

299. alle die gelden welke de Edele Nederlandse Comp:s bekostigd heeft, tot het timmeren der bereets art: 65. en 66. gemelde aange„ „vangene woningen; alle die gelden welke men bereeds voor deese 300. onwettige Statering, heeft uijtgeschooten, tot den Jnkoop van allerlij materiaalen; 301. het bedragen van alle de bedorvene bouw „stoffen, die door het Continueel verblijven in de reegen en open lugt genoegsaam ge„ „heel vernietigd zijn; En eijndelijk het montandt, en de waarde 302. van een huijs, zoo bevorens door onsen Fiskaal &=a art: 63. gemeld bewoond geweest E En dat wij uijt hoofde, van de meerge„ 303. „dagte permissie, om steene wooningen ter selver plaatse, alwaar dit huijs gestaan heeft te maken, afgebrooken hebben. 304. / ten waare dan nog, dat uwel Ed: tot andere gedagten wilden komen, en gemelden raad verpligten, om ons haar eens gegeven woord ten aller eersten gestand te doen. erstaden; En. is. 60 „ 7 273 9 . 186 2d=o 305. / En anders kunnen er geen reedenen worden uijtgedagt of voorgewend, welken haar Ed:n daar van vrij spreeker kunnen; 306. / al wilde men zelfs, om alle mogelijke eschapa „des te zoeken ook voorgeven; 307. / /:waar van we egter teffens moeten getuij„ „gen nooit iets te hebben ontwaard:/ 308. / dat de heeren van den souratsen Raad in het verleenen van permissie, door uwel Ed: in eeniger maaten waaren geborneerdt, 309. / terwijl zulx voor ons niets ter zaake doet, 310. alzoo haar Edelen, zeekerlijk wel geweeten hebben, immers: behoorden te weten, in hoe verre haare authoriteid in deezen zig uijtstrekte; het niet te Presumeeren is, dat zij iets zoo plegtig souden hebben toegestaan haar selven, daar toe niet wanneer gewettigd kenden; 311. /. En een jeder de verantwoording van Sijn doen en laaten, voor zig selfs verschuldigd 312. / genoeg is het voor ons dat wij de Permissie ter behoorlijker Plaatse, agter volgens Uwel Ed=s eigene Sustenue, en begeerte siet= 310 ast: aar is; uw:o 280. en 284. gevraagd; en ook dadelijk, in de plegtigste forma 313. verkregen hebben; Ende hier mede nu genadert zijnde, tot het 314. ons art: 28. voorgestelde, derde hoofd - Point; Namentlijk; 315. de wederlegging van de voorgewende redenen 316. van den Souratsen heere Chef, en Raad, in de Eerste Plaats; En ten tweeden, de aantooning van de 317. ongehoord - onwettigheid, van der selver renvoij van ons aan den heere stads Gouverneur. 318/zoo zullen we al wedefrom, met het eerste een aanvang maken; en aantoonen dat de voorgeevende 319. reedenen, waar mede haar Ed=s de aan ons toegebragte Stateeringe zoeken te billijken; 320. / zoo als die bij haare missives van den 3 oct: hier voren van arz: 91. tot 96. aangehaald. en van den 5 decemb: beijde ao p=o ge„ 321. „vonden worden; geheel enwaaragtig, en ten eenen 322. maal in applicabel zijn; een. 4 1 2— 27 187 323. / eeniglijk uijtgedagt, om haare oneigene manier van Procedeeren, nog met eenige schijn reeden de beste, nog sekerlijk die haar Ed=s vinden konden te billijken; 324. / als wel bewust van het spreekwoord, dat die een hond wil slaan, slegts een kluppel vinden kan; 325:/ en dus ten aansien van de brief van den de 3 oct: avanceeren, dat we tegens het gemelde aldaar: 326: Namentlijk dat we eendgelijk permissie 327. „ bekomen hebben, om eenige wooningen te maken, van houte stutten die gevuld— stenden te worden, met dunne muuren 328. / in niets het allerminste aangegaan zijn, of het selve overschreden hebben. want niemant zal kunnen staande 329. / houden, dat deeze aangevangene nieuwe wooningen, niet zodanig getimmerd zijn; ve 330. / als wij blijkens art: 50. tot 60. versogt hebben, en ons toegestaan is; 331. / te weten van houte stutten, met een muur gevuld, die bestaanbaar is tegens de Jnjurien van de Lugt; 332:/ onder een simpel panne sak, en zonder gessen. in. eerste an den 96. No. 90„ een. 188 333. / in tegendeel zijn wij in staat te bewijsen, dat onsen Directeur, om alle verkeerde denkbeelden weg te nemen, de muuren nog wel twee duijmen - en meer dunder heeft doen maken als den metselaars baas van uw Ed=s Casteel 334. tegen de Lugt en Reegen, bestaanbaar oordeelde, en hij deselve reeds aangevan„ „gen had. 335. zoo als deselve ook in der daad, de helfte en meer dunner zijn gemaakt, als onse bevoorens gebouwde steene woningen van den Directeur en Secúnde buijten en behalven, dat onse verklaringe 336. e art: 142. gemeld; 337. / Van ons te zullen vergenoegen, met deselve muuren, van zodanige dikte te laaten— maaken, als uwel Ed:s eigene Capitain, Jn„ „genieur, bestaanbaar oordeelde tegen de lugt, ten vollen aantoond; 338. dat we nooit voor Swaardere of Ligtere 339. muuren geijverd hebben, En dat we geen andere begeerden, als die 340. eeniglijk in staad waaren, om de Insu¬ „vien des Lugts af te weeren; Dog voor een oogenblik gesteld, wij waaren 347. „ de. 279 de gemaakte bepaling, eens een weinig te buij„ „ten gegaan; het geen we nogtans wel ten allerkkagtigsten 342. ontkennen; 343. / zoo zoude we daar in ook zelfs, niets anders gedaan hebben; 344 „ als ons agtervolgens het gegevene woord, van den heere Chef, en van twee gecommitteerdens uijt den Souratsen Raad, in eene plegtige Commis„ „sie, te gedraagen; 345. zonder dat we dien aangaande, eenige de minste verantwoordinge zouden scchuldig zijn; 346. / of dat het zelve ministerie om die reden zouden kunnen oordeelen, van haar gegeven Consent, te zijn ontslaagen; 347. alzoo onsen Directeur, en het meede Lid, onser vergadering Holmberg zig aan„ „bieden, om met solemnelen Eede te besweeren; 348. / het geen ook door de art: 59. genoemde ge„ „committeerdens, niet sal kunnen worden ontkend; 349. / dat gemelde gecommitteerdens aan den heer Directeur bij de genomene Visitatie hebben verklaard. dat. re

NL-HaNA_1.04.02_10410_0286 view scan ↗

English

350. that it would not come down to precisely a matter of a few feet, in length, width, or height. 351. and not unjustly so. 352. For as soon as the entire timber structure can be of no harm to anyone, as will be demonstrated hereinafter; 353. then it is evident that a little larger or smaller is beside the point; 354. it thus appears that this accusation is entirely untrue and fabricated; 355. no less absurd and ridiculous is the conclusion that they wish to draw from it, 356. Namely: that otherwise the City would not have been alarmed over our buildings; 357. thereby wishing to imply indirectly, as if these timber works could be detrimental to the government, or indeed to the Castle and the city 358. Yet we shall clearly demonstrate the contrary thereof in the following. 359. were one to inquire who who were alarmed over these buildings, 360. It was not the native regents; 361. for they have never caused us any hindrance, which they otherwise certainly would have done. 362. It could not be the English council; 363. because they would then never have agreed to our commencement of this carpentry work. 364. Thus they were nothing but sheer fabricated pretexts. 365. which we can answer no better 366. than with the statement of a certain very skilled officer, 367. namely, that they are people devoid of the requisite knowledge, whoever would maintain 368. that these dwellings could be to the detriment of the City or the Castle. 369. And with this set down from article 326 to the preceding article, 370. then also holding as refuted the assertion of the Surat ministry in their letter of 5 December, 371. with respect to the damages, that these would have been caused by us; 372. since it contains nothing other than the aforementioned rejected accusation, and thus requires no further refutation here; 373. 374. we shall therefore proceed to the second part of the third Main Point presented to us, 375. To demonstrate the unprecedented and unlawful nature of the referral of us to the Lord Governor of the City. 376. And since this unlawful referral appears to us in the letters from the Surat Chief and Council, 377. of 22 October, cited above, articles 98 to 102, 378. of 5 December, mentioned above under articles 120 to 121 and 122, 379. and of 8 May last, ad article 155, et seq. 380. we shall answer the same point by point in their context; 381. and with regard to the first-mentioned of 22 October, state 382. that what is set down there, namely that you would judge our bad conduct in deviating from the permission; 383. Our buildings on the wharf having as much relation in general to the City as to the Castle; 384. cannot be understood by us otherwise 385. than that Your Honours wish to indicate thereby; 386. that these buildings on the wharf, being situated in the City of Surat and under the guns of the Castle, 387. belong there under the protection and special safeguard, according to our eminent privileges obtained from the Mughal King; 388. And thus under that of both the city and the Castle as servants of the Mughal. 389. If Your Honours understand this expression, which we cannot hide is very obscure and ambiguous, in this manner, 390. We are willing to consent to that, 391. because both the Governor of the city and the Governor of the Castle are bound to preserve us inviolably in our pre-eminences and privileges obtained from the Mughal Sovereign Lords. 392. But if Your Honours should mean anything else by that, 393. such as that our dwellings on the wharf could be to the detriment of both or either of them, etc., 394. we deny this most emphatically and challenge anyone to attempt to prove that with even the slightest plausibility. 395. while we must declare that the meaning of what is further stated there, that Your Honours have deemed it expedient: 396. to submit the decision thereof to the Nawab as Governor of the city; 397. is just as incomprehensible as the foregoing; 398. for to suppose that Your Honours wish to indicate thereby that you wished to relieve yourselves of the burden of government, and entrust such solely to the Nawab; 399. would be foolishness on our part, since we experience the contrary daily, and frequently to our detriment; 400. And such would contradict Your Honours' own stance in your letter of 25 January 1755, 401. that namely you have an indisputable right to expect from us that, upon erecting any new building, request thereto be made to Your Honours' chief here, as Governor of the Castle; 402. Without Your Honours making any mention there of the Governor of the City; 403. consequently, we could not at all comprehend how Your Honours now proceed to such a condescension; 404. to assign a decision to the Nawab on a matter which Your Honours previously, as proven, have maintained belongs to your chief; 405. were it not that we perceive the adder that sought to hide in the grass; 406. And did we not notice, as clear as the sun at midday, that, for reasons unknown to us, it was intended, 407. far from allowing us to enjoy the permission so solemnly granted,

Dutch transcription

350. dat het juijst zoo net op een weijnig of eenige voeten, in lengte, breete, of hoogte niet aankoomen zoude. 351. en niet te onregt. 352. / Want zoo ras het geheele getimmerd, aan niemand van eenig nadeel zijn kan, zoo als hier agter sal werden aangetoond; 353. / zoo is het evident, dat een weinig groote of kleijnder niets ter zaake doed; 354. geblijkt het dus dat dese beschuldiging geheel onwaar en verzonnen is; 355: niet minder meigen en belaggelijk is de Consequentie, welke men daar uijt trekken wil, 356. / Namentlijk: dat andersints de Stad over onse gebouwen, niet geallarmeerd zoude zijn geweest; 357. / daar mede van ter zijden willende te kennen geven, als of deese Timmeragien aan de regeringen, of wel het Cas„ en de stad van nadeel „teel konden zijn 358. / Dan het tegendeel van dien in het vervolg deses klaarlijk zullende demonstreeren. 359:/ wilde men wel eens onderregt zijn Wie. 189 281 Wie over deze geboúwen geallarmeerd waaren, 360. / De Inlandse regenten waren het niet 361/ want die hebben ons nooit eenige verhin„ „dering toegebragt, het geen zij andersints zekerlijk zouden hebben gedaan 362. / Den Engelschen raad konde het niet zijn; 363. / om datse ons dan nooit, het aanvangen van deeze timmeragie zouden hebben g'ac„ „cordeerd. dus waren het niet, als Loutere verdigte 364 Voorwerdselen. 365: die we niet beter kunnen beantwoorden 366. als met het zeggen, van zeker zeer kundig offecier. 367. / dat het namentlijk lieden sijn van de vereijste kennisse ontbloot, welke ooit wilden staande houden 368. dat deeze woningen tot nadeel van de Stad of het Casteel zijn konden. 369. / Ende met dit ter neder gestelde van te art: 326. tot articul preces: 370. / dan ook voor wederlegd houdende, het ge¬ „poseerde, van het Sourats ministerie bij haaren Brief van den 5. december. 371. ten opzigte vann de schaaden, dat die door ons „ ien Vie 190 „sie zouden zijn veroorsaakt; 372. / alzoo het zelve niet anders, als de hier voren gerecúteerde beschuldiging, behelsende. ook alhier geene verdere wederlegginge nodig 373 heeft; 374. / zoo zullen we overgaan tot het tweede gedeelte van het derde ons voorgestelde — Hoofd Loint Om aan tetoonen, de ongehoord- en - onwettig„ 375. „heid van het renvoij van ons, aan den Heere Stads Gouverneur. 376. / Ende vermits dit wederregtelijk renvoij, ons Voorkomt bij de brieven van den heere Souratsen Chef en Raad. Van den 22. oct: hier vooren aangehaald 377. de art: 98 â 102., van den 5. december hier vooren gemen„ 378. tioneerd onder art: 120. â 121. en 122. / 379. / en van den 8 maij Jongsleden ad. art 155. et segg= 300. / zullen we deselve alhier stukswijze in haaren Samenhang beantwoorden; Eerstgemelde 361. / en ten aansien van de van den 22. october, seggen. 382. / dat het aldaar ter neder gestelde dat ons kwaad beleid, in de afwijking van de Permis„ na: 283 namentlijk Uwel het: oordeelen zouden; 383. / Onse gebouwen op de werf, zoo veel betrekking te hebben in 't generaal tot de Stad, als tot het Casteel; 384. / bij ons niet anders kan worden begreepen 385:/ als dat uwel Ed=s daar mede willen te kennen geven; 386. / dat deese gebouwen op de werf, in de Stad Souratta en onder het geschut van het Casteel geleegen zijnde 387. aldaar onder de Protectie en bijzondere bescherming, agtervolgens onse verkregene eminente vooregten van den Mogolschen Koning; 388. /. En dus onder die, van de stad en Casteel beide als dienaaren van den Mogol behooren. 389. / zoo uwel Ed=s deeze uijtdrukking, die we niet kunnen verbergen, dat zeer duijster en dubbelzinnig is, aldus begijpen. 390:/ Willen we daar in gaarn toestemmen 391:/ alzoo, en den stads - en den Casteels Geu„ „verneur beide gehouden sijn, ons bij onse van de Mogolse Opperheeren verkregene preëminentien, en vooregten, onsechendbaar te bewaaren. m „ n„ na: 191 mogten bedoelen; als dat onse woningen op de werf, voor beide 393. of een van die, tot nadeel zoude kunnen zijn enz: ontkennen wij zulx ten kragtigsten en 394. sumeeren jeder een, om dat selfs met de allerminste blijkbaarheid, te probeeren. 395. / terwijl wij moeten betuijgen, dat den Sin van het verder aldaar gemelde, dat uwel Ed: dienstig geagt hebben: 396:/ om de uijtspraak, daar van op te draagen aan den Nabab als Gouverneur van de stad; 397. / alzoo min als het voorgaande te bevat„ „ten; 398. / want om te onderstellen, dat Uwel Ed=en daar mede willen te kennen geven, dat sij zig van den Last der regeringe wilden ontslaan, en zulx alleen aan den Nabab opdraagen; soude dwaasheid van ons zijn, alzoo we 399. het tegen gestelde, dagelijx, en dikwerf tot ons nadeel ondervinden; 400. / En zulx zoude strijden, tegen uwel Ed:n eigen sustenue bij derselver brief van den 25: Janu: 1745. 392. dog soo uwel d:n daar door iets anders dat. Gevince 222 401. dat namentlijk een onbetwistbaar regt hebben, om van ons te verwagten, dat bij het opregten van eenig nieuw gebouw, daar toe versoek gedaan worde, dan uwel Ed=s opperhoofd. alhier, als Gouverneur van het= Casteel; 402. Sonder dat uwelEd: aldaar eenig gewag van den Stads Gouverneur komen te maken 403. / bijgevolge zouden we geensints kunnen bevatten, hoe uwel Ed: tot dusdanigen Condescendance thans overgaan; 404. om de Nabab eene dicisie. op te dragen over een zaak, die uwel Ed=s bevorens, zoo als beweesen, hebben staande ge¬ hoúden, aan haar opperhoofd te Competeeren; bij aldien we niet ontwaaren, den 405. 6 adder, welke zig in de bloemen Schuijl zogt te houden; 406. / En we niet zoo klaar als de Zon op den middag merkten, dat men het, om ons onbekende oorsaaken, toe„ gelegd had, 40r:/ om wel verre van ons van de zo pleg„ „tig verleende Permissie te doen souisseeren en. el„ gen ande we erf en Janu: 1755. dat -

NL-HaNA_1.04.02_10410_0292 view scan ↗

English

And to guarantee the same to us in accordance with good faith; to completely prevent our progress, now that we were in the middle of the work and had already incurred heavy expenses; and that, being unable to find even any lawful reasons for this; not even such reasons as were in any way capable of justifying the undertaken suspension; it was intended to shift this matter from their own shoulders onto those of the nabob; in order to make His Excellency pass for the causa movens of this suspension, even though he had never shown any displeasure against this timber construction; which in present times is all too possible; on account of the known influence of the British Ministry over the native government in this region. And although we may justly conclude from this that we have unmasked the pretext; while Your Honours, searching your own conscience, will best know how accurately we have hit the nail on the head; yet we shall by no means leave the matter at that; but further prove; that the aforementioned referral is unlawful in the extreme degree; and for which purpose it serves only to be noted: that as soon as it is satisfactorily proven, as indeed it is, that the granting of permission for the construction of any buildings depends on the Chief of Surat, according to Your Honours' own stance so often cited; that we formally requested it there; and it was solemnly granted to us by Your Honours; it also naturally follows that the one who granted us the permission must maintain us in it; even against anyone who wishes to cause any disturbance to it. Without any referral to another ruler being admissible here; or that such could in any way discharge the English Council of Surat from their obligation; just as little as any referral can be applicable here now, just as little do Your Honours have the power or authority to refer us thither; nor are we bound to comply with that referral, such that the same could result in any detriment to our lawfully acquired right; for which reason Your Honours will please not take it amiss that we observe; that the imperious manner of writing customary toward one's own subordinates, "we have deemed it expedient," is very ill-suited here. For it is certain in law that to whichever body, court, etc., the principal matter belongs, all its consequences are also related. So it also follows from this that Your Honours, in this case, can never pronounce any decision to our detriment; certainly not as long as we did not see fit to apply to Your Honours ourselves and complain about the administration of Surat. As we now find ourselves compelled to do. While there are no precedents that we ever addressed Your Honours in similar occurrences; nor that Your Honours have directly interfered therein; except for a single time in the year 1764, when people thought fit to refuse us the repair of an old place for storing a small supply of gunpowder; and to prevent great accidents, we were compelled to address Your Honours in that regard; and from this it is evident by deduction once again; that we can be judged even less to have to comply with that referral. While, as we are not subordinates of Your Honours, we always retain the right; to compel the Council of Surat to fulfill their solemnly given word; or otherwise to compensate for all damages suffered; and how could we ever be secure here in any public transactions to the contrary; if we were continually obliged to be satisfied; whenever Your Honours might think fit to countermand what was solemnly contracted with us by the administration of Surat; and that we should even be bound to submit to it; then, leaving the consequences thereof to the consideration of any impartial person, while it is certain that in such a case we would be esteemed less than the humblest merchant; thus we must further remark that we cannot understand how Your Honours can think fit to refer us to the Nabab as Governor of this city, since it was all too well known to Your Honours that His Excellency had not caused us the least hindrance up to that day; and that he delayed doing so for nearly two months after this referral; when, in our opinion, His Excellency could perhaps no longer refuse the continuous admonitions and persuasions made to him to that end; and he was thus compelled, willy-nilly, likewise to oppose this timber construction as City Governor; and since it would indeed be the greatest absurdity in the world for us to go and ask the Nabab what reasons might move the Council of Surat, or rather Your Honours, to publicly break a solemnly given word, and consequently good faith, and thus unlawfully prevent us from the commenced construction of the new dwellings; would His Excellency, if he had not been previously aware of Your Honours' desire and pleasure,

Dutch transcription

408. / En ons deselve agtervolgens, de goede trouw te guarandeeren; ons, nu we midden in den arbeijd waren 409. en we bereeds swaare ongelden gedaan hadden; dies voortgang geheelijk te beletten; 4v0. 4V1. / En dat men daar toe, selfs geene wettige reedenen kunnende vinden; 412. / selfs niet de zodanige, welke eenigsints in staad waaren, om de ondernomene Sateering te billijken; u13. / Voornemens was deeze zaak van zijnen halse, en op die des nababs te Schuijven; 474:/ Om zijn Excellentie, dus Schoon, nooit eenig ongenoegen tegens deese dorhan Timmeragie, getoond hadde, voor de Causa Movens van deeze Stateering te doen doorgaan; 415. / het geen in de tegenswoordige tijden maar al te mogelijk is; 416. /Úijt hoofde van het bekend vermogen van het Brits Ministerie, op de Jnlandse regering aan deezen oord. 417. / En of Schoon we hier mede billijk mogen vast stellen het masquest te hebben opgelegt Terwijl 192 287 418. / Terwij uwel het: eens in haar gemoed tasten„ 419. / best zullen weten hoe zeer we de spijker op het hoofdt geslaagen hebben; 420. / zoo zullen wij het daar bij geensints laaten berusten; 421. / maar al verders probeeren; 422. dat het voren genoemde renvoij in den uijtersten graad onwettig zij; 423. en waar toe maar alleen diend aan „ gemerkt. 424: / dat zo ras ten genoegen beweesen is; als Jaa. Dat het verleenen van Permissie, tot 425./ de Extructie van eenige gebouwen, van den Souratsen Chef, agtervolgens uw: Ed: eigene Sustenue te meermaalen aan„ „gehaald dependeerd; dat wij het aldaar in forma gevraagd 426: hebben; 427. / en het aan ons door haar Wel Ed: plegtig geaccordeerd is. 428. / het ook van zelfs volgd, dat den genen die ons de Permissie verleend heeft, ons daar in Maintineeren moedt; 429. / selfs tegens, elk wie daar in eenige. Stoo: „de ng gen or vijl. Htooringe Wil toebrengen. zonder dat hier eenig renvoij, aan eenen 438. anderen regent te passe komen kan; of dat zulx den Souratsen Engelschen raad 431. in eeniger maten, van hunne verpligtinge zoude kunnen otslaan; 432. /alzoo min, als hier nu eenig renvoij van applicatie zijn kan. alzoo min hebben UwelEd: de magt of 433. authoriteijd ons derwaarts te renvooij„ „eeren; 434. nog sijn wij gehouden, ons na dat renvoij te Schikken, 435.: / zodaanig dat ons het zelve, tot eenig nadeel, in ons wettig verkreegen regt zoude gedijen kunnen; 436: / alwaar om uwel Ed: het ons niet kwalijk gelieven te neemen, wij aanmerken ; 437:/ dat de heerschende en aan sijn ligen onderhoorigen gebruijkelijke manier van schrijven. wij hebben dienstig gekagt. alhier zeer kwaalijk voegd. Want is het in regten zeeker 438. 439. / dat tot ieder Collegie, regtbank enz: alwaar de hoofdt zaak behoord. 440. / ook alle de sequeelen van dien betrekkelijk zijn. zoo. 193 209 194 441. zoo volgd ook daar uijt, dat uwel Ed: in dit geval, nimmer eenige decisie tot ons nadeel vellen kunnen; Immers niet tot soo lange wij niet goed¬ vonden ons zelfs bij uwel Ed: te vervoegen en over het Sourats ministerie te klagen. 443. zoo als we ons thans daar toe genoodzaakt Unden. terwijl er geene voorbeelden zijn, 444./ dat wij ons ooit in diergelijke voorvallen 445 aan uwel Ed: geaddresseerd; 446. Nog dat uwel Ed: zig daar mede direct bemoeijt hebben; Uijtgezondert een eenige reijse in ao 1764. 447. 44 /8. wanneer men konde goedvinden, om ons het repareeren, van een oude Plaats tot berging van een kleijne voorraad kruijt te weigeren; En wij tot voorkominge van groote 449. ongelukken, genoodzaakt waren, ons deswegens bij UwelEd: te addresseeren, 450:/ Ende hier uijt bij gevolg-trekking dan al wederrom geblijkende; 451. / Dat wij nog minder kunnen worden geoor„ „deeld, om ons na dat renvoij te moeten schikken. 442. Terwijl: 452. / Terwijl wij als geene onderhoorigen van UwelEd: Zijnde. 4 53: / altoos het regt behouden; 454:/ Om den souratsen Raad, tot het Presteeren van haar plegtig gegeeven woord; 455. / ofte anders, tot derstading van alle geledene nadeelen, te verpligten; 450/ en hoe zouden we tog, bij het tegengestelde immermeer alhier, in alle publique han„ „delingen zeeker zijn; 4: 57. / als we ons telkens te vreeden zouden moeten houden; 458. / Wanneer uwel Edelens mogten goedvin„ „den van het door het Sourats mi„ „nistene, met ons plegtig gecontracteerde te Contramandeeren; 459. / en dat wij selfs zouden gehouden zijn ons daar aan te gedraagen; 460. / Dan de gevolgen daar van aan jeder onpartijdige ter overweging overlatende, 461. / terwijl het zeker is, dat we in dusda„ „nigen gevalle minder als den geringsten Koopman zouden te agten zijn; 462. / zoo moeten we nog aanmerken 463. dat we niet begrijpen kunnen, hoe uwel¬ 6l Ed: kunnen goedvinden, ons te renvoijeeren aan. - 291 467. 195 aan den Nabab als Gouverneur dezer Stad, 464. / Daar het Uwel Ed:=n immers al te wel bekend was, dat zijn Excellentie, ons tot dien dag, nog geen het minste beletzel, had toegebragt; 465. / En denzelven daar mede, nog bij na twee maanden na dit renvoij vertoeft heeft; 466. / Wanneer na onse gedagten zijne Excellentie de daar toe aan hem Continueele gedaane aanmaningen, en persuatien, mogelijk niet Wel langer van de hand heeft kunnen wijsen; Ende hij dus genoodsaakt werd, deeze timme¬ ragie, Nolenis Volens, mede als Stads Gou„ verneur tegen te gaan; 468. / En daar het immers de grootste ongerijmdheid des werelds zoude zijn, dat we den Nabab gingen Vragen; Welke reedenen den Souratsen Raad, of 469: wel Uwel hdt: mogte permoveeren; Em een eens gegeven plegtig woord, en bij ge¬ „volg de goede trouwe, publicq te verbreeken 471. / en ons de aangevangene Timmeragie der nieuwe woningen, dus onregtmaatig te beletten; 472. / zoude zijn Excellentie, bij aldier bevoorens niet wel van Uwel Ed=s begeerte en goedvinden 470. Was. elEd: eren ha „ -

NL-HaNA_1.04.02_10410_0298 view scan ↗

English

had been informed, 473. could we not very properly have asked 474. whether we regarded him as the echo of Your Honours, 475. and supposed that His Excellency could always make known the reasons Your Honours had for thwarting us; 476. at least we cannot calculate what the said Nawab would otherwise have answered; 477. for to tell us that His Excellency was himself against this carpentry work 478. is entirely improbable; 479. since in such a case His Excellency would surely have brought about the obstruction to us himself, 480. without employing Your Honours' Chief and Council here, or indeed Your Honours yourselves, for that purpose; 481. in short, gentlemen, this course of action is just as absurd and unlawful 482. as if one were to impose a punishment upon an innocent person, and at the same time refer him to a third party to go and ask that person why one has treated him so unfairly. And 483. and finally, to speak good Dutch, that is, to speak plainly, invented 484. to cover Your Honours and the Surat Council, who can impossibly give any reasons for this conduct of theirs, before the public, 485. but this will never be accepted by the impartial world as current coin; 486. since we have previously, from art: 220 to 287 inclusive, demonstrated most clearly 487. that Your Honours and the Surat Council are obliged to maintain us in the granted permission; 488. and to protect and defend us against all molestation inflicted upon us even by other rulers; 489. yea, even if it were regarding this commenced carpentry work; 490. we then proceed safely to answering the 2nd letter of 5 December, cited in art: 120, 121, 102, and 378, 491. wherein the Surat Council informs us 492. that our applying to the Nabab for the continuation of the buildings, 493. after we had obtained permission from the Governor of the Castle, 494. would fully demonstrate 495. that we ourselves thought that the buildings in question related as much to the town as to the Castle, 496. and that the permission of both Governors was simultaneously necessary. 497. And having first refuted this part of that letter before we proceed to what is further advanced therein, 498. we will, under inhalation of what has been set down by us hereinbefore from art: 381 to 409 inclusive, 499. as all being likewise of the same application here, 500. while we must once more testify in superabundance 501. that the assertion that the buildings in question relate as much to the town as to the Castle, 502. still appears to us just as incomprehensible as art: 382 and 394, 503. briefly say, 504. without in any way entering into the necessity of the permission of the Lord Town Governor, 505. as we would by no means be free from mockery 506. if we wished to decide a matter of which all Surat is aware; 507. and which we rather pass over in silence, 508. while, however it may be, it is certain that the inhabitants who wish to build on the river side on the same side of the town as our wharf, only need the permission of the Castle Governor for that purpose, and can always suffice with that at present, 509. that, immediately after we had obtained solemn consent in due form for the carpentry of the dwellings in question from the Surat Lord Chief and Council, 510. we gave notice thereof to the Lord Town Governor; 511. at the same time asking Your Honours' consent in so far as it was, or might be, necessary; 512. and which was also given to us by His Excellency in due form; 513. even with the addition of these very remarkable words: if the English have nothing against it, I am heartily content with it. 514. Without it being of any relevance here, or capable of effecting the least change therein, 515. whether we did so out of propriety, politeness, or obligation; 516. for if we did the same out of superfluous politeness, 517. and because we possibly judged that propriety required it; 518. we thereby intended to show His Excellency a special honour, which can never redound to our disadvantage; 519. and if we followed our obligation in this regard; 520. then we acted properly and according to order; 521. and this, one way or the other, can never plead otherwise than in our favour; 522. yea, even if one supposes that we absolutely needed the permission of both Governors, posito sed non concesso; 523. for then, by asking for it, we have 524. fulfilled all the requisites in the highest degree. 525. And now passing over herewith to the following period of the aforementioned missive of 5 December, 526. wherein the Surat Council informs us 527. that they would have good reasons to believe 528. that the Nabab would have received a multitude of complaints regarding our buildings, 529. and that he was just as dissatisfied therewith as Your Honours; 530. with this singular further addition: 531. that Their Honours dare say that in case we applied to the Nabab, 532. His Excellency would give us sufficient reasons why he interfered therewith; 533. here the snake can no longer remain hidden under the grass, but thrusts forth its venomous head, 534. so that it is seen by all who do not wilfully wish to be blind; 535. for here it is said to be believed that the Nabab has received a multitude of complaints; 536. whereas His Excellency, at the time of the writing of that letter, that is 5 Dec: 1769, had never yet interfered with our carpentry work, and

Dutch transcription

Was, onderrigt geworden, 473. / niet zeer gevoegelijk hebben kunnen vragen 474. / of we hem. voor de Echo van uwel Ed: aan„ „ sagen, 475. / en onderstelden, dat zijn Excellentie Steeds konde bekend maken, de reeden die uwel¬ „ Ex: hadden, om ons te dwars boomen 476. / ten minsten wij kunnen geen facit maken op het geen gemelde Nawab anders soude geantwoord hebben; 477:/ Want om ons te zeggen, dat zijn Excellentie, tegens deese timmeragie: Selfs was; 478. /: is geheel onwaarscheijnelijk; 479. / alsoo in sulken gevalle zijn Excellentie ons de verhindering selfs wel zoude toege¬ bragt hebben 480. / zonder daar toe uwel Ed=s Cheff, en Raad alhier, dan wel uwel Ed: selfs te ge„ „bruijken; 481. / En fin mijne heeren deese handeling is even ongereijmd, en wederregtelijk; 482. /als of men eenen onschuldigen straffe opgelegd, en hem teffens tot een derde overwijst, om bij die te gaan Vragen warom men hem zo onbillijk gehandelt heeft. En. 29 93 483. En eijndelijk, om goed hollands, dat is regt uijt 196 te spreeken, uijtgedagt; 484./ Om uwel Ed: en den Souratsen Raad, die onmogelijk eenige reeden, van dit hun gedoente geeven kunnen bij het publicq te dekken, 485/ Dog dit bij de onpartijdige Weereld nooit Voor gang=baare munt aangenomen worden Sullende; &e 486. /alzoo we hier vorens van art: 220. tot 287. ingeslooten, ten klaarsten hebben aangetoond. 487. / dat uwel Ed: en den souratsen raad gehouden sijn, ons bij de verleende permissie te mainteneeren; 488. / en ons tegen allen overlast, die ons selfs door andere regenten; 4v9. / Ja als was het over deese aangevangene Timmeragie, wierd aangedaan, te beschermen en te Protegeeren; 490. / zoo gaan we dan veilig over ter beantwoor„ „ding van den 2. Brief van den 5. dec: avt: 120. 121. 102. en 378 aangehaald. 491. / alwaar den souratsen Raad ons melden 492. „ dat onse vervoeging bij de Nabab, tot „voortsetting der Gebouwen 493. / na dat we Permissie van den Gouverneur van het Casteel verkreegen hadden. ten. 494. Ten vollen zoude aantoonen; 495. / dat we selfs gedagt hebben, dat de gebouween in questie, zoo veel betrekking tot de stad als tot het Casteel hadden 496. / en dat de Permissie van beide Gouverneurs te gelijk noodzaakelijk was. 497. / en dit gedeelte van dien brief eerst zullen recuteeren, bevoorens we tot het verder aldaar g'avanceerde overgaan, 498. zoo zullen we onder in hasie van het door ons hier vooren van art:l 381. tot 4 09. incluis, ter nedergestelde; 499. als alles alhier mede van deselve applicatie zijnde; 500. Terwijl we nogmaals ten overvloede moeten betuijgen. 501. / dat ons het gesegde, dat de gebouwen in questie, zoo veel betrekking hebben, tot de stad als tot het Casteel; 502. / Nog even onverstaanbaar als art: 382. rd 394. voorkomt; 503. kortelijk zeggen; 504. / zonder ons in eeniger voegen, in te laten, ten opzigte van de noodzaakelijkheid der permissie, van den heere Stads Gou„ Verneur. alzoo. 3 19 - 2d0 505:/ alzoo we geensints van bespotting zouden Vrij zijn. 506:/ wanneer we wilden decideeren, een zaak die geheel souratta bewust is; 507. / En die wij liever met stilswijgen passeren 508. / terwijl. het, wat er ook van weesen mag zeeker is, dat de Jngesetenen, welke aan de„ selve zijde, der Stad, met onse werf, aan de revier kant bouwen Willen. daar toe eeniglijk de permissie van de Cas„ „teels gouverneur noodig hebben, en daar mede thans altoos volstaan kunnen, 509. / dat we, voort na dat we een plegtig — Consent tot het timmeren der woningen in questie van den Souratsen heere Cheff en Raad in forma hadden verkregen; 510. wij daar van kennis gegeven hebben, aan den heere Stads Gouverneur; 511. / teffens zijn uwel Edeles toestemming zoo verre noodig was, of zijn mogte gevraagd; 512. En die ons ook door Sijn Excellentie in behoorlijke forma gegeven is; 513. / met bijvoeginge selfs van deze zeer remarquable bewoordinge, wanneer de Engelsschen, er niets tegen hebben, mag ik I van Harten lijden. 508. 7 514. Sonder dat het hier iets ter zaake doet of daar in eenige de minste veranderinge te wege brengen kan -: 515. / of we zulx gedaan hebben uijt eene wel„ „voegelijkheid; beleeftheid, of verpligtinge; Want hebben we het selve gedaan uijt 516. eene overtollige politesse 517. / En om dat we mogelijk oordeelden, dat de welvoeglijkheid zulx mede bragt; 518. / zoo hebben we zijn Excellentie daar mede eene bijzondere Eere willen aandoen, die ons nooit tot nadeel strekken kan 519. / En hebben we hier omtrend onse verplig„ „tinge gevolgd; 520. / zoo hebben we wel en na de ordre ge„ „handeld; en ook dit een en ander; kan nooit 521. anders als in ons voordeel pleiten „ 522. / Ja. zelfs de ondersteld men, ook dat we absolut de Permissie van beide gouver¬ „neurs noodig hebben - Posito Sed non consesso; 523. Want dan hebben we, met die te Vragen 524. aan alle de requisiten, in den uijtersten graad voldaan 525. Ende hier mede nu overstappende tot de vol: 198. 4 97 20 2 Volgende periode, van de opgem: missive van den 5. december; §26: / alwaar den souratsen Raad ons meld; dat zij goede reedenen zouden hebben om te 527. gelooven „528. / dat den Nabab een meenigte van klagten, ten opsigte onser gebouwen zoude ontfangen hebben. §29. / en dat daar mede zoo wel onvoldaan was als uwelE:Ed:s 530. / met deese singuliere verdere bijvoeging :537. / dat haar Ed=s durven zeggen, dat in gevalle wij ons bij den Nabab vervoegden. 532. / zijn Excellentie ons voldoende reeden zouden geven warom zig daar mede bemoeijde; 533. / hier kan de slang, niet langer onder het gras verborgen blijven, maar steekt haaren vergiftigen kop te voorschijn; „5:34:/ zodaanig dat hij van alle, die niet willens blind zijn willen gesien word; Want hier zeijd men te gelooven, dat de 535. Nabab, een meenigte van klagten ont„ „fangen heeft; 536. / daar sijn Excellentie zig nog nooit bij 't Schrijven van dien Brief, dat is den 5. dec: 1769. met onse Timmeragie bemoeijd hadde en. ten vol F

NL-HaNA_1.04.02_10410_0304 view scan ↗

English

537. and without informing us what those complaints are supposed to consist of; 538. which they certainly would not have omitted to do, had they only been able to bring forward one valid complaint, 539. yes, had they only been able to put forward any semblance of reason; 540. but being unable to do so, 541. we are told that His Excellency is just as dissatisfied with it as Your Honours are, 542. in order, if possible, to intimidate us thereby and make us renounce our lawful right; 543. but we should like to be informed on this matter 544. how the Surat ministry came to know that the Lord Governor of the City was dissatisfied with this carpentry work; 545. did His Honour complain to them about this while in the meantime letting us proceed with the work, albeit in accordance with his own granted consent? 546. Thus it is evident that Your Honours yourselves, together with the Nabab, judge that His Excellency has nothing to do with these buildings; 547. because otherwise he could have prevented the work himself, and it would not have been necessary to apply to Your Honours in that regard; 548. and consequently it is incomprehensible that we are referred to someone who, as Your Honours yourselves tacitly indicate, has no right to oppose us. 549. But however that may be, this likewise makes no change in our acquired right; 550. although we cannot conceal that it rather appears to us that the Nabab was spurred on, and possibly persuaded, to make such complaints 551. supposing for a moment that His Excellency really did so by certain ill-disposed persons affected by a panic terror; 552. and what His Excellency is said to have stated, cited above in articles 117 and 118, also gives us ample ground for this view. 553. While what is set down in the aforementioned letter, cited above in articles 531 and 532, clearly demonstrates 554. that they must have been very well and most accurately informed as to what the answer and reasons of the said City Governor would be; 555. since they boldly dare to tell us that those reasons, note well, would be satisfactory; 556. as if reasons could ever be found that could, with any semblance of justice, justify the breaking of a given word, 557. and consequently the public violation of good faith. 558. Thus we have now arrived at the last letter from the aforementioned ministry of the 8th of May last, 559. also cited above in articles 379 and 155 et seqq. up to 163; 560. but since it contains not the slightest 561. proposition that we have not already refuted before, 562. and solely consists of a communication that Your Honours could see no reason why they should change their resolution, 563. communicated to us by letter of the 21st of October through the Surat ministry, 564. [illegible] 565. and consequently in an open declaration 566. that Your Honours, notwithstanding all the efforts we have made and the condescension shown, cited above from article 124 to article 146 inclusive, 567. were and remained resolved to oppose this carpentry work by force, contrary to the given word and good faith; 568. we shall therefore, as it requires no further debate, 569. pass it over with indignation at such unlawful conduct, 570. only remarking upon the plausible pretext made there, 571. that Your Honours cannot think of interfering with the Nabab in this matter; 572. thereby wishing once again to insinuate indirectly that it was he who would have caused us these hindrances. 573. That whereas the previous letters from the Surat ministry were rather obscure and ambiguous, we do not understand this one at all, 574. nor can we draw any conclusion from it. 575. After all, Your Honours were never requested by us to interfere with His Excellency in this regard, 576. and that would have been foolishness on our part; 577. for we know very well, and the whole case shows to everyone, that it is Your Honours who, for reasons which we prefer to keep silent, are preventing us from this carpentry work; 578. nor did His Excellency ever cause us any hindrance, as has been said repeatedly, 579. until almost 6 months after we had already been hindered by Your Honours, and several letters had already been exchanged about it; 580. and just as little can we now suppose that the said Lord City Governor would have applied to Your Honours by way of complaints in this regard, 581. because His Excellency would thereby demonstrate that he himself has no right to make any stay of proceedings. 582. For while His Honour lodged a complaint with Your Honours, he let us proceed unhindered, 583. so that we cannot see that any interference with the Nabab can have any place here, 584. except insofar as Your Honours intend to come onto the stage behind his screen and play the intended role, 585. in order to cover yourselves before the public if possible, as we have experienced more than once. And thus having refuted everything that could in any way serve, with the least semblance of truth, to justify the unlawful conduct of the Surat Council; 586. as well as having demonstrated their obligation 587. to maintain us in the consent they granted, and thereby to stand by their given word; 588. we shall now, since this has already grown larger than we would have wished, 589. proceed to the fourth main point proposed by us in article 29; 590. namely, now to draw the conclusion.

Dutch transcription

537. / en zonder dat, men ons meld, waar in die slag„ „ten bestaan zouden het geen men secker niet nagelaten hebben 538. zoude, had men maar een valabele kunnen te voorschijn brengen klagte 539. / La had men maar eenige schijn reeden te berde brengen kunnen 540. / dog sulx niet kunnende doen; 541. / segt men ons dat zijn Excellentie daar mede zoo wel onvoldaan, is. als uweEd: Om was het mogelijk, ons daar door te 542 intimideeren, en van ons wettig regt te doen afsien; 543. / dog wij wenschten hier omtrent, wel eens te wezen onderrigt; 544:/ hoe het sourats menistene kennisse gedragen heeft, dat den heere Stads Gouverneur, met deese Timmeragie involdaan was, 545./ heeft zijn Ed: zulx aan haar gekklaagd en ons inmiddels, met het werk Laaten voortvaaren, egter volgens zijn mede gege¬ „vene toestemming. 546. / zoo is het evident, dat uwel Ed: selfs benevens de Nabab oordeelen, dat zijn Excellentie met deeze gebouwen, niets te. 199 547. om dat derselve andersints, het werk zelfs belet konde hebben, en het niet noodig zoude zijn geweest, zig des wegens bij uwel Ed: te vervoegen, En bij gevolg onbegrijpelijk, dat we geren„ „voijeerd worden aan jemand, die uwel Ed: selfs tacite te kennen geven, dat geen regt heeft, ons tegen te gaan. 549. / dog wat hier ook van zijn moge, zulks maakt al mede geen verandering in ons verkregen regt; 550. / Schoon wij niet kunnen ontveinsen dat het ons eerder toescheijnd, dat den Nabab.) tot sulke klagten 551. / voor een oogenblik ondersteld, dat zijn Excellentie het waarlijk gedaan heeft, door eenige, met een terreur panique aangedaane, en ons quaad gunnende menschen, aangespoord, en mogelijk ge„ „ persuadeerd is; 552. en het hier voren art: 117. & 118. aan¬ „gehaalde, zeggen dat zijn Excellentie geeft ons tot dit gevoelen meede veel grond. §63. / Terwijl het gem: bij meergedagte Brief. 552. 548. te doen heeft; daar eens ge 2.00 hier voren art: 531. & 532, ter neder gestelde kilaar aantoond; 554. / dat men seer wel, en ten nauwkeurigsten moet onderregt geweest zijn, wat het ant¬ „woord, en reeden van wel gem: Stads— Gouverneur weezen zoude; 555. alzoo men ons volmondig dierst zeggen dat die reeden N: B: voldoende zijn zouden; 556. / als of er ooit reeden konden gevonden worden welke het verbreeken van een gegeeven woord; 557:/ En bij gevolg het publik schenden van de goede trouw, met eenigen Schijn, billijken konnen. 558. /. dus sijn we dan nu tot den Laasten brief van meergedagt ministerie van den 8: meij Jongsleeden 559. / hier voren art: 379. en 155. et segg: Lot 163. ook al aangehaald; genaderd; 560. dan terwijl deselve geene de minste 561. positie behelst, welke we niet al bevorens wederlegd hebben. 562. / en alleenlijk bestaad, in een Communicatie dat uwel Ed: geen reden konden sien warom. - Waarom zij haar besluijt 563. / ons bij missive van den 21 oct: door het Sourats menisterie bedeeld: 564. veranderen zouden; 565. / en bij gevolge in eene openbaare verkla„ „ringe; 566:/ dat uw Ed=s niet tegenstaande, alle ons gedaane devoiren, en betoone Condescendan¬ „se, hier voren van art: 124. tot art:l 146. ingeslooten, aangehaald. 567. / voornemens waaren, en bleeven deeze Timmeragie Via Corce, tegens het ge¬ „geven woord, en de goede Trouwe tegen te gaan. 568. / zoo zullen we deselve als geene verdere derbatteering vereijsschende, 569. ( met verontwaardiging over zulk een onregtmatig gedrag passeeren, 570. / alleenlijk op het aldaar Schoon Schijnend voorwendsel; 571. dat uwel Edt: niet daar op kunnen denken, om zig met den Nabab, deesen aangaande te bemoeijen; 572. daar mede van ter sijden, al weder Willende te kennen geven, dat die het was, welk ons deeze beletselen zoude. ns catie m. „ zoude hebben toegebragt remarqueeren. 573. / dat daar de vorige letteren, van het sourats ministerie, vrij duijster, en dubbel sinnig waaren, toe deese in het geheel niet begrijpen 574/ nog daar over eenig Cacit trekken kunnen 575. / Jmmers zijn uwel Ed:, door ons nooit verzogt, om zig deezen aangaande met zijn Excellentie te bemoeijen 576. / en zulx zoude dwaasheid van ons zijn geweest; 577. / want wij weeten zeer wel, en het geheele aen jeder, geval toond aan dat uwel Ed: het zijn die om reedenen welke wij liever zuijgen Willen, ons deeze Timmeragie beletten; 578. / zijn Excellentie heeft ons ook nooit zoo als te meermaalen gesegd, eenige hindernis toegebragt; 579. als wel bij na 6. maanden, na dat we al door Uwel Ed: belet geworden waren en daar over bereeds al verscheide Brieven hadden gewisseld; En alsoo min nu kunnen wij onder„ 580. „stellen; dat geseijden Heere Stads Gouverneur zig dies wegens bij uwel Ed: bij wijse van klagten vervoegd hebben zoude Om. 201 63 585. 581. / Om dat zijn Excellentie, daar mede zoude aan„ „toonen, selfs geen regt, tot eenige Stateering te hebben. 582. / Terwijl zijn wel Ed: bij uwel Ed: klagtig viel en ons onverhinderd voortvaaren liet 58:3: invoegen we niet kunnen zien, dat hier eenige bemoeijenis, met de Nabab plaats hebben kan„ 584. / als in soo verre uwel Ed: voornemens zijn agter zijn scherm op het tonneel te komen en de voorgenoome Rolle te speelen; 585. Ten einde zig zoo mogelijk voor het publicq te dekken, zoo als we zulx wel te meer„ „maalen ondervonden hebben. 20=o En dus alles wederlegd hebbende; wat maar eenig sints, tot bielijking, van het onwettig ge¬ „drag van den souratsen Raad, met de minste schijn zoude kunnen dienen; 586. / mitsgaders aangetoond haare verpligtinge 587. / Om ons bij haare verleende toe stemming te maintineeren, en daar door haar gegeven woord, gestand te doen zoo zullen we alzoo deeze albereeds grooter ge„ „worden is, als wij wel gewenscht hadden, 589. / thans over gaan tot het arr: 29. ons voor„ „genomene Vierde- Hoofd- Point; 590. / Om namentlijk nu bij gevolg trekking te doen. 588. Om.

NL-HaNA_1.04.02_10410_0310 view scan ↗

English

202 to show how unfairly and unlawfully we are being treated. 591. Without mentioning here the so many kinds of public oppressions that we have had to endure for a considerable time, 592. and which are recorded in the Surat papers, notably of the years 1762 and 1765; 593. since we could cast those into a pool of oblivion, 594. in order henceforth, if it depended on us, to deal with one another as friends of the faith and allies; 595. if Your Honours could only see fit to grant us the justice due to us; 596. and to conduct yourselves constantly in accordance with fairness and loyalty; 597. and to this end it serves briefly. 598. That, having presented truthfully the case in question, as well as everything written and transacted therein, from article 38 to article 167; 599. we have subsequently proven, from article 168 to 287, to legal satisfaction, and as we believe in the closest manner possible, 600. that we are entitled to the building of the dwellings in question; 608. [601.] that Your Honours are bound to maintain us therein; 602. and that we must be allowed to enjoy the granted permission peacefully and undisturbed; 603. or that otherwise the Surat Council is obliged, according to law and fairness, 604. to make good and compensate all losses and damages which we come to suffer through their unlawful conduct, from article 291 and 313. 605. That, moreover, we have thoroughly refuted the alleged reasons of the Surat ministry, by which they sought to justify this obstruction, from article 319 to 373; 203 606. not only that, 607. but at the same time we have shown in the clearest manner the unprecedentedness and illegality of the referral by the Lord City Governor, from article 375 to 588; 608. [608.] so that from this, upon reading, the unfairness of the conduct of the gentlemen of the Surat Council is already fully evident to a knowledgeable and impartial reader. 609. And this will noticeably increase for everyone 610. when it will be observed that these dwellings in question 611. can cause not the least detriment, neither to the obstructors nor to the Lord City Governor, ad articles 367 and 368; 612. even that they cannot arouse any suspicion or jealousy in anyone who has any knowledge of affairs and is not plagued with a continuous panic terror; 613. on the contrary, that they are only being built 614. because we are in the highest need of them, 615. our lodge being entirely dilapidated through age and uninhabitable, articles 44 to 47; 616. to protect us through them from the inclemencies of the air and the numerous vermin, articles 40, 42, and 43; 617. and thereby to make life and our stay in these regions as pleasant as possible for us. 618. And this we shall now briefly demonstrate: 67 307 204 619. First, from their location and site; 620. Second, from the manner in which they are built, and as solemnly permitted to us; 621. regarding the first: 622. the site of these new dwellings 623. is projected on our wharf in Jengibander, lying between the inner and outer city walls, 624. not two musket shots away, and thus virtually under the guns of the Surat Castle; 625. and belonging to us in ownership and for building upon, according to the express firmans of the Mughal kings Sjka Alem of the year 1709 and Mhamet Sjha of the year 1729, 626. advanced herebefore from articles 194 to 207 inclusive; 627. with the front toward the river side, 628. and behind the house on the north-east corner of the said wharf, inhabited by the second; 629. so that from these new dwellings to be built for the Council Members, of which, as said before, one is already almost finished, 630. one cannot see the Surat Castle at all; 631. and even if one wished to place a piece of ordnance in these dwellings, one could not command the Castle with it; 632. over and besides that in such a case one would still be obliged to demolish the house of the second first; 633. so that this can not only not be denied by all the officers of the English Company and by all knowledgeable people, 634. but must even be publicly avowed, with an expression of the shame they would feel over their countrymen 635. who would maintain that these dwellings could in the least respect be detrimental, 636. as we are in a position to prove with the entire English nation at Surat; 637. and in regard to the second: the manner in which they are built, 638. that indeed proves as clear as the sun 309 at noon 205 639. that they can be used or ever appropriated for nothing other than habitation; 640. for they are 18 long, 22 to 23 wide, and only 4½ English yards high, or a little more or less; 641. they are made of wooden posts or uprights, 642. in between with a small wall that is durable against the inclemencies of the air, 643. of such thickness and in such a manner as Your Honours' own engineer would judge to be durable, ad article 142 and following; 644. and thus with no other difference in respect to those built here at the time of Mr. Hodges, 645. except that the posts or uprights of those were filled with earth and lime to such thickness as was thought fit; 646. these would be filled with a very thin wall, 647. and this so that they then better against the

Dutch transcription

202 doen sien hoe onbillijk, en onregtmatig men Ons tracteerd. 591. / zonder alhier gewag te maken, van zoo veeler„ „hande openbaare verdrukkingen, als wij sederd eenen geruijmen tijd hebben moeten ondergaan, 592. / En bij de souratse papieren, voornamentlijk van a:o 1762. & 1765. / bekend staan; 593. Alzoo wij die in een Poel van vergetentheid souden kunnen werpen. 594. Om voortaan waare het van ons afhankelijk als vrienden geloofs, en Bondgenooten; onder„ „ling te handelen; O Wanneer Uwel Ed=s dan maar konden goed„ 595: „vinden, ons het Competeerend regt te doen geworden; 596:/ en zig steeds agtervolgens de bellijkheid en trouwe te gedraagen; 597. En hier toe diend kortelijk. Dat wij het geval in questie, mitsgaders van 598. alles wat daar in geschreven, en gehandeld, is, van art: 38. tot art: 167. /na waarheid hebbende voorgesteld. 599. vervolgens van art: 168. â 287. ten genoegen regtens, en zoo wij vermeenen ter aller naaksten hebben beweezen. 600. Dat we tot de Timmering der wooningen in. 608. in questie geregtigd zijn; 601. / Dat uwel Ed=s gehouden zijn, ons daar bij te maintineeren; en dat men ons van de verleende per„ 602. „missie, vreedig en ongestoord moet laaten Jouisseeren. of dat andersints den Souratsen Raad na regten, ende billijkheid verpligt is; 604:/ om ons alle schaaden en nadeelen welke wij door haar onregtmatig gedrag komen te lijden, te beteren en te vergoeden, van ard: 291. en 313. 605. dat we daar en boven, de voorgewende reeden van het Sourats ministere waar mede men deeze stremming sogt te billijken, grondig wederlegd hebben, van art: 319. a 373. / 203 606. / niet alleen. 607. / maar teffens de ongehoord-en - onwet„ „tigheid van het renvoij van den heere Stads Gouverneur van arb: 375. tot 588. ten klaarsten aange „toond; dus daar uijt, bij Lectuure, aan een kundig, en onpartijdig leezer, bereets al ten vollen geblijkt, de onbillijkheid 603. van. „ Van het gedrag der heeren van den Souratsen Raad„ En dit zal bij ieder nog merkelijk toenemen, 609: Wanneer men sal ontwaaren, dat deese 610. woningen in questie; 611. / nog voor de beletters, nog voor den heere Stads Gouverneur van eenige het minste nadeel sijn kunnen ad art: 367. en 368. selfs datze bij niemand, die eenige kennis van zaken heeft en met geen geduurig terreur panicque geeveld is, eenige agter¬ „dogt, of Jaloesie verwekken kunnen; 613. / Jn teegendeel, datse alleen getimmerd worden 614. / Om dat we deselve ten hoogsten benoodigt zijn. 615. / als zijnde onze Logie, door ouderdom geheel vervallen, en onbewoonbaar art: 44. â 47. 616. om door deselve ons voor de Jnjurien des lugts, en het menigvundig onge„ „dierte te beschermen art: 4v. 42. en 43. 617. En om ons daar door het Leven, en ons verblijf in deeze gewesten, zoo veel te veraangenaamen als mogelijk is, 6 18. Ende zulx, zullen we nu nog kortelijk 612. aan: 67 307 204 aanthoonen 619m Uijt derselver gelegentheid, en stand plaats; 620. /o uijt de manier op op se gebouwd worden en soo als ons plegtig toegestaan is; 621. omtrend het eerste; 622. / zoo is de stand plaats van deeze nieuwe Woningen. op onsen werf in Jengibander 623. / geprojecteerd ^tusschen de leggende ^ binnen en buijten Stads muur 624. geen twee snaphaanschooten, en dus genoeg„ „saam onder het geschut van het sourats Casteel; 625. / En aan ons in eijgendom, en ter betimmering Competeerende, volgens de Expresse firmans Van de Mogolse koningen Sjka Alem van den Jaare 1709. en Mhamet Sjha van den Jaare 1729; de 626. ) hier voren van art: 194; tot 207. inclu„ sive g'avanceerd. 627. / met het frondt na de revier kant 628. / en agter het huijs, op den nood-oost- hoek van gem: werf, door den secunde bewoond, 629. zoodanig dat men uijt deeze nieuw te Bouwene woningen voor de Raads Leeden, waar van er, zoo als bevorens gezegd, bereeds een bij na Vaardig is. in. men; 30 630. / in 't geheel het sourats Casteel niet zien kan 631. / en al wilde men een stuk geschut in deze woningen plaatsen, zoo zoude, men daar mede het Casteel niet. bestrijken kunnen 632. / buijten en behalven, dat men in sulken gevalle nog soude verpligt zijn, om het huijs van den secunde eerst onder de voet te haalen; 633. / Jnvoegen dit bij alle de offecieren van de Engelse Compagnie, en bij alle des kundige Lieden niet alleen niet ontkend worden kan; 634. / maar zelfs publicq moet worden gavoueerd, met betuijging van de Schaamte die zij over haare Lands lieden; 635./ welke wilden Sustineeren, dat deeze woningen in den minste opzigte van nadeel zijn kunnen, gevoelen zouden 636. / zoo als wij in staad zijn, om met de gerheele Engelsche natie op Souratta te bewijsen; 637. / En ten aansien van het tweede de manier waar op zij getemmerd worden 638. die bewijst immers zoo klaar als de 1 zon. : . 309 Ten op den middag 205 639. / datze neggens anders als ter bewooning kunnen gebruijkt nog immermeer g'appro„ „prieerd worden; 640. / Want ze zijn lang 18. breed 22. â 23. en hoog maar 4½ Engelsche ijard, of een Weinig minder of meer. 641. / ze zijn gemaakt van houte stutten of Staanders; 642 ) tusschen beide met een muurtjen, dat bestaanbaar is tegen de Jnjuurien van de Lugt. 643. / van die dikte, en zodanig, als Uwel Ed=es eigenen Jngenieur zoude oordeelen be„ Saanbaar te zijn ad: art: 142. lt Segg. 644. / En dus met geenig ander onderscheid in opzigte van die welke ten tijde van den heere hodges alhier getimmerd zijn, 645. als daar de stutten of standers van geene gevuld wierden, met kaarde en kalk tot sodaanigen dikte als men goed vond: 646. / deeze zouden gevuld worden, met een zeer dun muurtjen. 647. / en zulx om datze als dan beeter teegen. de.

NL-HaNA_1.04.02_10410_0316 view scan ↗

English

secured against the accidents of Fire, and especially are better habitable for Europeans; as it is known that the walls of earth produce so many vermin that they are virtually uninhabitable and rather suited to exhaust people continually than to bring any rest. Moreover, they have a single tiled roof and no ceilings; each dwelling consisting of four rooms, namely two parlors and two bedrooms, a small courtyard between the two, and behind that a kitchen, pantry, and provision area, woodshed, and privy, with a sleeping place for the slaves above it, and thus no more lavish than someone of a certain rank requires for his lodging; while the name of the other granted dwellings for clerks, namely rooms, requires no further explanation; thus, considering the objectives presented to us in Articles 22 to 29 satisfied, we believe we have now fully shown to Your Honors and the entire impartial world, and lawfully proven to satisfaction, that in the questionable case concerning the building of the new dwellings, we have been treated by the Surat Chief and Council most unlawfully; yea, contrary to good faith and an once publicly and solemnly given consent; while it is known that they still continue to do so, refusing us that which is granted to the humblest inhabitant, and which cannot be refused to anyone with any semblance of fairness. And that consequently the protests made by us by letters to the aforementioned ministry of 21 September and 31 October, treated in detail here before in Articles 86, 87, 88, 89, 107, and 115, are entirely well-founded and legally indisputable; so we will hope, yea, by virtue of the equity and justice of our case, by no means doubt that Your Honors, now informed in every part of the truth of the case as well as fully persuaded of the purity of our intentions, will do us the justice of ordering the Surat Chief and Council at the very earliest, to prevent further loss and damage to the Honorable Dutch Company, to allow us properly to proceed with these commenced buildings of the new dwellings and rooms, in accordance with and in fulfillment of the solemnly granted permission; and to that end to revoke at the soonest the stoppage imposed thereon, as well as to maintain us against any and everyone who might cause us any hindrance on that account; whereas otherwise, and in the unexpected absence thereof, we shall be compelled formally, as we do provisionally by this document, in the name and on behalf of the Honorable Dutch East India Company, in the first place against the frequently mentioned Surat Council, and now in the prescribed case against Your Honors yourselves, to protest in the best and most valid form against all losses and damages which the said Honorable Dutch Company has ever suffered or will suffer through this inflicted stoppage, as well as against all consequences that may arise therefrom in time, leaving all the same to the accountability of the said Surat ministry and of Your Honors yourselves. And ending this herewith, we express our personal esteem for Your Honors and have the honor to be, with all proper respect: Beneath stood: Honorable, Highly Esteemed Sir and Sirs. Lower: Your Honors' and Your Worships' very humble servants. Was signed: M:s J=n Bosman, A:n J: s Sluijsken, J:b V=n D:r Sheijden, N:s Holmber, ditto, J:b Huijsinga, F=s B:t Zimmerman, C=s v=n Citters Aarnt Zoon, and Rs Cs de Vassij. In the margin: Souratta, 14 September 1770. Agrees: C„k N„s Wiardo G: G: Clocy:s

Dutch transcription

de ongelukken van Brand beveiligd. 648. en voornamentlijk beeter voor europeesen bewoonbaar zijn; 649. alzoo het bekend is, dat de muuren van harde, zoo veel ongedierte, voortbrengen dat ze genoegsaam onbewoonbaar zijn ende 650. / en eerder geschikt, om menschen gestaadig aftematten, als eenige rust toe te brengen. 651: Ze zijn daar en boven met een enkeld panne sak en zonder gessen; 652. bestaande jeder wooning. 653. / in vier vertrekken, als twee spreek, en 2. slaap kamers, een kleijn plaatsjen tus„ „schen beide 654. / en daar agter een Combuijs, dispens, en Provisie plaats, hout hok, en secreet met een slaap plaats voor de slaven daar boven 656. / en dus niet overvloediger als iemand, van een seekere qualiteid, tot zijn ver„ „blijf benoodigd is; 656. ) terwijl de naam van de overige toege „gestaane woningen, voor pennisten, te weten kamers; 657. / geene verdere verklaringe vereijscht; de 658. / dus dan aan de ons art:t 22. â 29. voorgestelde. oog: 2 3 659. / vermeenen wij thans, aan uw Ed=s, en geheele onpartydige wereld, ten vollen te hebben, ge¬ „toond, en ten genoegen regtens beweesen, 660. dat in het questieusse geval, omtrent de timmering der nieuwe woningen; 661. / Wij door den Souratsen Cheff en Raad ten uijtersten onregtmatig; 662. / Ja, tegens de goede trouwe, en een eens gegeven publicq en plegtig Consent behandelt zijn; 1 663. / terwijl het bekend is, dat men daar mede al nog voortvaaren blijft; Ons weigerende het geene men aan den 664. geringsten Jnwoonder toestaat; 665. / en aan niemant met eenigen schijn Van Billijkheid weigeren kan. Ende dat bijgevolg de door ons gedaane 666. protestatien, bij brieven aan voorgem:e ministerrie van den 21 september en 31 oct: 667. / hier voren att: 86. 87. 88. 89. 107. en 115. in het breede verhandelt; 668. / allezints gegrond, en onwederspreeke„ „lijk regtens zijn; 669. / zoo willen wij verhoopen. oogmerken voldaan agtende; van 16 670. / Ja: uijt hoofde van de billijkheid, en regt„ vaardigheid onzer zaaken geensints twijf¬ „selen 671. / of uwel Ed=s nu van de waarheid des gevals in allen deele onderregt; 672. / mitsgaders van de zuijverheid onser gevoelens ten vollen gepersuadeert; 673. zullen ons dat regt doen: 674. / van ten aller eersten, tot voorkominge van verdere Schhaden, en nadeelen, aan de Edele Nederlandse Compagnie; 675. / den heere Soúratsen Cheff en Raad te gelasten; 676. / om ons met deeze aangevangene tim „meragien der nieuwe woningen, en kamers, agtervolgens, van en in voldoe¬ „ninge aan de plegtig verleende per„ „missie, te laaten voortvaaren na behooren; En ten dien Eijnde de daar aan toege¬ „bragte stremming ten spoedigsten in te treckken; 678. / mitsgaders ons te maintineeren tegens elk en een jegelijk, welke ons deswegens eenige verhinderinge toebrengen mogte; 677. 207 679. / terwijl wij andersints, en bij onverhoopte onstentenisse van dien; 680. / zullen genoodzaakt worden; om formeel; 681. / zoo als wij provisioneel doen bij desen. 682. /Úijt naam ende van wegens de Edele Nederlandsche OostIndische T Compagnie. §83. / in de eerste plaats, tegens den sourat„ „sen Raad meergenoemd. 684. / en thans ingevalle voorschreven tegen Uwel Ed:s zelve; 685. / te protesteeren in de beste en bon¬ „digste forma; 686. / tegens alle schaden, en nadeelen welke wel gem: Edele Nederlandse Compagnie, 687. / door deze toegebragte Staatering immermeer te lijden heeft of Lijden zal. 688. / mitsgaders tegen alle gevolgen, welke daar uijt in der tijd voorkomen kun¬ „nen. 689. / alle dezelve ter verantwoordinge van gem: Sourats menisteerie; 690. / En van uwel Edelen zelve overlatende, 397. / Ende hier mede deezen eindigende 9 692. / betuijgen. wij onse personeele agting voor Uuwel Edelen. 693. / en hebben de Eer met alle betamelijke respect te zijn; — /:onderstond:/ Wel Edele Groot agtbaare Heer en Heeren, /:Lager:/ Uwel: Ed:ls agtbaares en uwel Ed=s zeer onderdaanige Dienaaren /:was geteekend:/ M:s J=n Bosman; A:n J: s Sluijsken; J:b V=n D:r Sheijden. N:s Holmber D:o: J:b Huijsinga; F=s B:t Zimmerman; C=s v=n Citters Aarnt Zoon. En Rs Cs de Vassij Septem„ /:in margine Souratta den 14 dato goos„ ber „ toos A=o 1770. — Accordeerd C„k N„s Wiardo G: G: Clocy:s 8

← previous