Inventory 10986
Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Defects No. 32 ƒ 8 2 Claim and conclusion by the Landdrost of Zwellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruijd, made against Conradi and his wife, together with documents submitted by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Princenrade et al., as well as the documents from the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewyk Bletterman, against Anthonij of Bengaleu, slave of the former Heemraad Christiaan Joel Ackerman, with the documents from Zuellendam, the Honorable Constant van Nult Onkruijd against the Hottentot Daniel DeMop, memorial together with the documents submitted by the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewijn Bletterman, against the burgher Van Paak et al. Register of documents and muniments that were delivered to the Honorable Council of Justice of this government in the year 1787. 2: Claim Claim and List of Claims, Conclusion with the documents submitted by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the soldier Litzel, together with the documents by the Landdrost of Zwellendam, the Honorable Constant van Nuld Onkruijd, against the widow Du Plooij, with the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Ester, against the burgher Coenraad Eb, by the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewijn Bletterman, against the burgher Naudé, with the documents by the Landdrost of the colony Graaf Rainet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, against the Hottentots Vlees and Dragonder. Conclusion with the documents by the Landdrost of Zwillendam against the slave November, bondsman of the burgher Jacobus Steijn. The Honorable Company's absconded servants in the past year, together with the edictal citations. Claim et al. Claim and Conclusion, as well as the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Loius Hernandé, and with the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Pharon and his wife, as well as the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the soldier Klipson, together with the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the soldiers Dringe, Mulder, and De Baar, as well as the documents by the Landdrost of Graaf Rainet, Maurits Herman Otto Woeke, against the burgher Johannes Steijn, against Magdalena Pietersen, wife of the burgher Benneke, and with the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the foreman of the same. Claim and Conclusion with the documents by the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Johannes Smit of Dilburg. Claim and Conclusion with the documents by the Landdrost of Graaf Ramet, the Honorable Maurits Herman Otto Woeke, against the Hottentots Willem and Spogter. By the Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, the Honorable Hendrik Lodewijn Bletterman, against Baatjoe of the farmer Mouton. By the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Firman of Batavia, slave of the repatriated steward of the Honorable Governor, Sr. Jan Hoetz, against Job of Madagascar et al. Cape of Good Hope, the last of December 1788. Paarden Eiland, Coenraad Snel, Van Herssen, J. Sewek. Honorable, Worshipful Lord and Gentlemen, Respectfully shows the undersigned petitioner, being hereto lawfully instructed and authorized by her husband, marital guardian, and trustee, as appears from Appendix No. 1, how in the month of December 1782 last, the bondsmen of her aforementioned husband Frederik Hendrik Conradi, consisting of two male slaves named Abraham of Bengal and Batjo of Bougies, together with a female slave named Janetje of the Cape and her child named [illegible] of the Cape, absented themselves from the petitioner's farm, were apprehended by the burgher Frederik van Eeden, and delivered to the Honorable Landdrost of Swellendam, Pieter Constant van Nulo Onkruijdt, to whom, in order to give their running away a semblance of justification, they pretended that they were mistreated by their master; which deceitful speech being believed by the Landdrost, he immediately employed the said slaves in his service, namely the boys for his farm work and the woman to look after his illegitimate child, in which service they remained until it pleased the said Landdrost to summon the aforementioned Conradi to his house, according to Appendix No. 2, calling him to account over the supposed mistreatment of his slaves and, without a hearing, threatening to have them sold by the court in such manner that none of them would ever return to his hands; proposing to him, Conradi, however, that if he were willing to sell the aforementioned female slave Jannetje with her child to him for the sum of 100 rixdollars at 48 stuivers, he could then have the two aforementioned male slaves back, and the matters would then be settled; whereupon he, Conradi, imagining what had happened to his fellow burgher Fredrik Chaldeijer and becoming more and more alarmed by the threats of the Landdrost, as well as by those made to him by the messenger of Swellendam, Wotski, saying that if he did not agree to surrender the said female slave with her child to the Landdrost, he would then lose all his slaves, the aforementioned resolved— To the Honorable, Worshipful Lord Pieter Hacker, President, and the members of the Honorable Council of Justice of this government.
Dutch transcription
Manken No. 32 ƒ 8 2 Eisch en conclusie door den Landdrost van Zwellendam De Heer constant van Nult onkruijd, gedaan op ende jeegens conradi en zijne Huijsvrouw. mitsgaders stukken ingediend 9„ door den prointerim fiscaal d' E gabriel Exten op ende Jeegens Princenrade C: S: „ beneevens de stukken van den landdroot van Stellenbosch de Heer Hendrik Lodewyk Bletterman, op ende Jeegens Anthonij van Bengaleu„ slaaf van den oudheemraad Christiaan Joel Ackerman met de stukken van Zuellen „dam de Heer constant van Nult onkruijd Contran den Htotten tot Daniel DeMop vertoog mitsgaders de stukken ingediend door den Landdrost van Stellenbosch de Heer Hendrik Lodewijn Bletterman op ende jeegens den burger van Paak C: S: Register der Stukken en Mu„ „nimenten, dewelke in den jaare 1787: in den E achtb: Raad„ van Justitie dezes gouverne„ „ments zijn overgeleeverd ge „worden 2: Eysch „ Eisch en Leijst van Eyschen Conclusie met de stukken ingediend door den prointerim Fiscaal d' E gabriel Exter op ende jeegens den soldaat Litzel „ mitsgaders de stukken door den Landdrost van Zwellendam, de Heer constant van Nuld onkruijd op ende jeegens de weede. du Plooij met de stukken door den prointerim Fiscaal d' E Gabriel Ester op ende Jeegens den burger coenraad Eb „door den landdrost van Stellenbosch de Heer Hendrik Lodewijn Bletterman, O„o den burger Naudé met de stukken door den Landdrost der Colonie Graaf Rainet d' Heer Maurits Herman Otto uroeke oopende Jeegens de Holtentotten Vlees en Dragonder Conclusie met de stukken door den Landdtrost van Zwillen„ „dam contra den slaaf No„ „vember Lijfeijgen van den burger Jacobus Steijn 'S E Comp„s geaufugeerde Dienaaren in A„o p„l neevens de Edictaale Cetatien Eijsch C: S: „„ Eijsch en Conclusie beneevens de stukken door den prointerim fiscaal d' E gabriel Exter op ende Jeegens Loius Hernandé en met de stukken door den pro interim fiscaal d' E ga„ „briel Exter op ende Jeegens Pharon en zijne Huijsvrouw „beneevens de stukken door derd prointerim fiscaal D'E gabriel Exter op ende zee gens den soldaat Klipson „ mitsgaders de stukken door den prointerim fiscaal d' E gabriel Exter op ende Jeegens de soldaaten d ringe mulder en de Baar beneevens de stukken door den Landdrost van graaf Rainet Maurit Herman Otto woeke op en de jeegens den burger Jo„ „hannes Steijn contra Magdalena Pietersen huijsvrouw van den burger Benneke e„ met de stukken door den Prointerim fiscaal EE gabriel Exter op ende Jeegens den baas van d„o„ het vens gediend caal stant de i gens G an drik en aaf ende les 3 „ Eisch en Conclusie met de stukken door den proint, Fiscaal D' E Gabriel Exter op ende jeegens Johan „nes Smit van Dilburg Eijsch en Conclusie met de stukken door den Landdroot van Graaf Ramet d' Heer Maurits Herman Otto woeke op ende Jeegens de Hottentotten willem en Spogter door den landdrost van stellen bosch en drakensteijn d' Heer Hendrik Lodewijn Bletterman contra Baatjoe van den landbouwer Mouton e _o door den prointerim fiscaal d' E gabriel Exter opende Jeegeus Firman van Ba„ „tavia slaaf van den gerepa„ „trieerden Hofmeester van den Edelen Heer Gouverneur S„r Jan Hoetz „o op ende Jeegens Job van madagascar C: S: Cabo de goede hoop ul„to December 1788. — het Paarden Eilands Coenraad Snel Van Herssen J Sewek E. E Achtb Heer en Heeren Vertoond in Eerbied de ondergeteekende Suppl=te als hier toe door haaren Man, Huijs en kerkvoogd blijkens bijlaage N:o 1en deesen wettig gelast en gemagtigd, hoe dat in den maand Xber 1782 Jongsleeden de leijfeijgenenen van Even gem: haaren man Frederik Hendrik Conradi, bestaande in twe mans slaven genaamd Abraham van bengalen en Batjo van bougies beneffens slavinne genaamd Janetje van de Caab en haar kind genaamt. . . . . . vande Caab, sig van des supp=te plaats hebben geabsenteert door den burger frederik van Eeden opgevat, en overgeleeverd zijn aan den E Landrost- van Swellendam P=r Constant van Nulo Onkruijdt aan welke zij om hun weg„ „loopen, een schijn van billikheid te geeven, hebben, die to gemaakt, dat zij van hunnen lijfheed en lijfheer mishandelt wierden welke leugentaal door den Landroft geloovd werdende gemelde slaven terstond in zijn dienst heeft gebruijkt als de Jongens tot zijn Landwerk in de meijd tot het oppassen van zijn onecht kind in welke dienst zij zijn gebleeven tot dat het gemelde, landrost heeft behaag voorm: Conradi tot zijnent te ontbieden, volgens bijlage N=o 2 hem over de gewaande mishandeling zijner slave te reeden stellende en onverhoord dreijgenden dezelve door de Justitie te laaten verkoopen zodanig dat nooijt een derzelver weeder in zijne handen zouden komen hem Conradi egter voorstaande dat zoo hij geneegen was de voornoemde slavinne Jannetje met haar kind aan hem voor de somma van 100 rxds a 48 stuijvers te ver„ „koopen hij als dan de twee genoemde mansslaven konde te rug bekomen, en de zaaken alsdan uijt de weereld: zoude zijn, waarop hij Conradi zig voorstellende hoe het met zijne meedeburger Fredrik Chaldeijer was vergaan en langst hoe meerder door de bedrije „gingen van den landdrost beangst werdende als ook door die van den boode van swellendam Wotski aan hem gedaan zeggende dat soo hij niet in willigde om aanden landrost gedagte slavinne met haar kind af te geeven hij als dan al zijn slaven soude verliesen Besloot voornoemde Aan den Ed: Agtbaaren Heer Pieter Hacker president en de leeden van den E: achtb: raad van Justitie deeses gou„ „vernements.- mijne raad brie door totten n e ton al pa¬ r an :
English
my husband F:k Hend:k Conradi in his simplicity preferred to sacrifice two rather than four to greed, since for lack of slaves he could otherwise not carry on his farming, and indicated under the aforementioned threats that he would choose the lesser of two evils and would relinquish the said female slave Janetje with her child on the aforementioned condition for the sum of One hundred rxd:s to the said landdrost C: Nult onkruijd, who, after he had the transfer thereof made in the name of the aforementioned messenger Wolski, released his two male slaves to him, Conradi, however on condition that he was not to beat them, regarding which my aforementioned husband brought to the landdrost's attention that if the said slaves were not punished they might go back to their old ways, as was also proven by experience, since these said slaves, six days after they arrived home at their master's, ran away again and were delivered to the landdrost, who thereupon permitted my aforementioned husband to put irons on them and furthermore to live with them as the power of a master permitted. And whereas the petitioner considers that through this conduct of the said Landdrost S:t Constant van Nuld Onkruijd she has not only been very much disadvantaged and curtailed in lawful authority to a ruinous example for others, but that the said Landdrost in this matter has also not acted as becomes and befits a pious and upright officer and Landdrost: Thus the petitioner finds herself in the highest degree compelled hereby to take recourse to Your Right Honourable Worships with the urgent request that it may please Your judicial discretion, in consideration not only of the present price for which similar slaves are daily sold, but also in consideration of the oppression of ignorant people, to therefore annul the aforementioned extortionate, oppressive purchase and sale, ordering that the said female slave Jannetje with her child be returned immediately, or that otherwise for the same by the aforementioned Landdrost according to value, over and above proper and fitting indemnification for loss, neglect, and further expenses incurred or yet to be incurred, there shall be fulfilled and paid to the petitioner the sum of Twelve hundred rxs at 40 stver, or upon refusal thereof to allow the petitioner the freedom to sue the often-mentioned Landdrost in law in such manner as they shall deem necessary according to the requirement and circumstances of the case, which doing, etcetera, was signed: Elisabeth Rossouw, wife of Fredrik Hendrik Conradi, in the margin: Cabo 5 June 1783, beside the heading stood: Exhibited in Court at Cape of Good Hope the 15 June 1783, the apostille was: the Council, for this time admitting the petitioner on the private written authorization given to her because of the illness of her husband, places a copy of this Request into the hands of the landdrost of Zwellendam, P:r Constant van Nuld Onkruijd, to the end that he serve this Council at the earliest opportunity with a report on the complaints brought in against him by the petitioner, below: By order of the Honourable Lord President and the Honourable Council of Justice, was signed: C: L: Neethling, Secretary. I, the undersigned, acknowledge that I have given full power of attorney to my wife Elisabeth Rossouw to conduct my affairs as if I were doing it myself, since I have been sickly for a whole year already, and it is still increasing daily, was signed: Frederik hendrik Conradi, below: as witnesses, signed: Josua Joubert, Gideon's son, and Jan Jacobes Nelson. Monsieur Conradie, As some matters have arisen concerning which I must speak with you, you are hereby ordered to come to me at Swellendam as soon as is practicable, below: remain, was signed: C: van Nuld Onkruid, landdrost, in the margin: Swellendam the 14 Dec: 1782, the address was: Monsieur Monsieur F: H Conradie at his farm on the Coo, Behind the Cogmans Kloof, in the margin: from house to house, comes from me, Landdrost. Right Honourable, Stern Sir, Having been affected with the uttermost astonishment when I had the honour to receive the copy of the request presented in Your Right Honourable tribunal
Dutch transcription
mijne Man I=k Hend=k Conradi in zijne eenvoudigheid eerder twee dan vier aan de hebzugt opte offeren dewijl hij bij gebrek aan slaven doch zijn landbouw hiet konde voortzetten en gaf opgem: dreij„ „gementen te kennen dat hij het beste uijterste zoude Verkiezen en gemelde Meijd Janetje met haar kind op evengem: voorwaard voor de somma van Een hondert rxd=s aan gezegde land„ „drost C: Nult onkruijd soude afstaan die na dat hij het Transport daar van op naam van voorm: Boode Wols„ „ki had laaten maaken aan hem Conradi zijne twee mansslaaven hadde los gelaaten Egter onder Conditie dat hij dezelve niet moeste slaan waar of gem mijne man den land„ drost onder 't oog bragt dat indien gem: slaaven niet gestrafd wierden zij weederom kunnen ouden gang; konde gaan, zoo als het ook door de ondervinding bewaarheid is als zijnde deeze gem: slaaven weederom ses daagen na dat zij bij hunnen Leijfheer zijn te huijs gekoomen op nieuw weggeloopen en den randrost over„ „gegeeven, die als toen aan gem mijne maa heeft toegestaan, dezelve bouten aan te slaaten slaan en verders zoodanig en verders zodanig met hun te leeven als de magt een lijfheers toe liet. —. Een nadien de suppliante vermeend door deeze handelwijze van gem: Landrost S=t Constant van Nuld Onkruijd, niet alleen zeer benaadeeld en in wet„ „tig, authoriteijd verkort te sijn tot een kuineus voor„ „beeld voor andere, maar dat gem: Landdrost in dezelve ook niet heeft gehandelt zoo als een vroom en opregt officier en Lundrost toestaat en betaamd:- Soo Vind de suppliante sigten hoogste genoodsaakt door deesen den toevlugt te neemen tot U E: E: Agtbaare„ „heedens met instandig versoek dat het van derselver, Regterlijk welbehaagen moogen weesen omme uijt aan„ „merking niet alleen van den teegenswoordige prijs waar voor tans eeven gelijke slaaven daagelijk werden verkogt maar ook uijt aanmerking der verdrukking van onkun„ „dige menschen, dat over sulx de voornoemde, Concus„ „sionaire, sulx een oprebtive koop en verkoop vernietigen met ordre dat gem slavinne Jannetje met haar kind, daadelijk werde te rug gegeeven, ofte dat andersints voor dezelve door voorm: Land-drost volgens de waarde aan den suppte. boven en behalven wel en betaamlijk kost en schadeloos stelling voor gemis versuim, en verdere gedaane ofte nog te doene onkosten zal werden voldaan ende betaald de somma van Twaalf hondert rxss â 40 stver ofte bij wijge„ „ringe van dien de suppliante vrijte laaten omme meergem: Landdrost desweegens in regten te mogen betrekken op zo„ „danige wijze als zij naar vereysch en omstandigheeden van „zaaken zullen nodig agten /:onderstond:/ 'Twelk doende & /: wa geteekend:/ Elisabeth Rossouw huijsvrouw van Fredrik Hendrik Conradi /:in margine:/ Cabo 5 junij 1783 /:besijden 't hoofd stond:/ Exhibitum in Judizio aan Cabo de gade Hoop den 15 Junij 1783 /:de appostille was:/ den Raad de suppliante vermits de sieklijkheid van haaren man aan haar gegeevene onderhandsche schriftelijke last voor dit maal admitteerende steld Copia van dit Re„ „quest in handen van den landrost van Zwellendam P=r Constant van Nuld Onkruijd, ten eijnde deezen Raade op de ingebragte klagten, de suppliante met den Eerste te dienen van berigt /:laager:/ Ter ordonnantie van den E achtb: Heer praesident en den E achtb: raad van Justitie /:was geteekend:/ C: L: Neethling, Secretaris Ik ondergeteekende bekenne dat ik mijn huijsvrouw Elisabeth Rossouw ten vollen procuratie heeft gegeven om mijn saaken te verrigten als of ik 't zelve doe wijl ik al een heele Jaar ziekekelijk ben, en 't nog daagelijks toeneemt: was geteekend:/ Frederik hendrik Conradi /:lager:/ als getuijgen : geteekend:/ Josua Ioubert, giede ons zoon en Jan Jacobes Nelson Monsieur Conradie Alzoo zig eenige zaaken bij mijn zijn opdoende waar over ik u spreeken moet, soo werd u gelast zoo spoedig bij mij te koomen op swellendam als maar doenlijk is /: lager:/ blijven /: was geteekend :/ C: van Nuld Onkruid landrost /: in margine:/: Swellendam den 14 dec: 1782. — /:de addresse was:/ Mon: „fieur Monsieur F: H Conradie op desselve plaats aan de Coo, Agter de Cogmans Kloof /:in margine:/ van huij„ tot huijs komt van mij Landrost. Wel Edelen Gestrengen Heer Met de aller uijterste verwondering aangedaan zijnde toen ik het Copia van het request de Eere had te ontfangen, in uwel Ed gostrn: gedagte vier „schaar aan vier doch m: dreij¬ Verkiezen voorwaard land„ hij d Wols twee dat hij den land wierden ook door slaaven zijn te t over„ toegestaan zoodanig magt een eeze van in wet„ voor„ stin vroom taamd: - saakt gtbaaren selver t aan„ waar verkogt onkun„ oncus„ nietigen Kind, svoor de aan kosten gedaane betaald ƒ
English
tribunal submitted by and on behalf of the wife of the burgher of the Colony Swellendam, F: H: Conradi, I will make no excuse here, other than only with the greatest submission to request of Your Right Honorable to grant me a few weeks' delay, on account of the great distance, until I have obtained some further declarations, in order to then be in a position to cause the whole matter to appear at a given moment before the table of Your Right Honorable tribunal, when the matter in question will first have received its light, and be illuminated by the pure truth. Thus it will remain clear that neither extortion nor greed find any place in me, but in truth my adversaries will have to acknowledge, with downcast eyes and a convinced heart, to have brought their benefactor to this case through an innate love of humanity, by which my soul has allowed itself to be governed, in order to avoid the harsh paths that otherwise would have had to be used. Allow me the honor of having paid my most humble compliment to Your Right Honorable person and highly respected family, to grant myself the honor of having commended myself most humbly to the continued protection of Your Right Honorable, signing with all submission. Beneath stood: Right Honorable Strict Sir. Lower: Your Right Honorable Strictness's dutiful servant. Signed: C: van Nuld Onkruydt. In the margin: Swellendam, the 23 June 1780. Report drawn up and delivered to the Right Honorable Worshipful Lord Hacker, President, together with the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, by the Landdrost Constant van Nuld Onkruydt, upon and against such petition as was delivered by Elizabeth Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, and on behalf of the said Conradi, on the date 5 June 1780 to the aforementioned Council. Right Honorable Worshipful Lord and Lords, It has pleased Your Right Honorable Worships, by your most honored resolution dated 5 June of this year, to place into the hands of the undersigned a copy of such complaint and petition, with its annexes, as was delivered to Your Right Honorable Worships by Elizabeth Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, under the same date, in order to promptly serve with a report on the complaints brought forward in that petition. In compliance with that honored resolution, the undersigned will take the liberty to remark that the said complaint and petition consists of three main points: And indeed in the first place: that the slaves belonging to the aforementioned Conradi, Abraham of Bengal and Baatjoe of Bugis, as well as Jannetje of the Cape with her child, having absented themselves from their master's place, the aforementioned Conradi, and having been apprehended by members and delivered to the undersigned at Swellendam, had made the undersigned believe, in order to give their desertion a semblance of fairness, that they had been mistreated by their master and mistress, of which the undersigned knew how to make such good use by employing them in his service, namely the boys for farm work and both for taking care of the undersigned's illegitimate child. In the second place: that through oppression and the extortion of ignorant people, consisting in this: that the said Conradi was forced, or according to the literal meaning of that petition, that he, Conradi, in his simplicity decided to sacrifice two rather than four slaves to the greed of the undersigned, namely to sell his female slave Jannetje of the Cape with her child to the undersigned for one hundred Rixdollars, in order by that remedy to be allowed to have back both his slaves, Abraham of Bengal and Baatjoe of Bugis. And finally in the third place: in the request that, whereas through the aforementioned oppression an extortionate, sub- and obreptitious purchase was entered into, the said purchase might be annulled, and that with and in addition to indemnification of delay and expenses incurred, twelve hundred Rixdollars shall be paid and satisfied for the said female slave Jannetje, and in case of refusal, the wife of Conradi be left free to proceed against the undersigned as she shall deem necessary according to the requirement and circumstances of the case. Before the undersigned shall occupy the attention of Your Right Honorable Worships with the refutation of the aforementioned points, may he be permitted to make this reflection: Whether a man who, in the month of May or April of this year, under the pretext that he has been sickly for an entire year, authorizes his wife to attend to his affairs for him, was able in December of the past year, and thus about six months ago, in perfect health, to ride from his dwelling place lying in the Kogmanskloof to Swellendam and back, whereas the undersigned is at the same time assured that he could now still just as easily as his wife have made the journey hither; and that, over and above all this, it has appeared to the undersigned, subject to correction, that the
Dutch transcription
schaar overgegeven door en van wegens de vrouw van den burger der Colonie Smellendam. F: H: Conradi, ik zal hier geene Excuse maken, als alleen met de grootste submissie verzoeken aan UwelEd: gestr: omme mij eenige weeken uitstel te verleenen, om de verre afgelegin „heid, tot dat ik nog eenige verklaringe ingewonne heb omme als dan in staat te zijn, van de geheeld zaak op een lykstip ter tafel van UwelEd: gestr: vierschaar te doen verschijnen, wanneer de zaak /in quasti:/ eerst zijn ligt zal ontvangen hebben, en door de zuivere waarheid bescher „nen. zo zal duidelijk blijven als dat geen Knevelarge nog hetzugtigheid plaats in mij vind, maar waarlijk mijne partijje met nedergeslage Oogen en een overtuigt gemoet erken moeten, haar weldoender en dit geval gebragt te hebben, door een ingeschape menschliefden door mijn ziel zig van heeft doen Regeeren, om de straffe wegen te vermijden, die anders gebruik zouden hebben. moeten zijn. — vergin my de Eere van na aan UwelEd gestr. Per zoon en hoog geEerde Famillie op het alder onderdanigs mijn Compliment te hebben afgelegt my de Eere geeven op 't nederigste gerecommandert te hebben in de aanhoudende Protectie van UwelEd: gestr: te tekene met alle onderdanigheid /:onderstond:/ wel Edellen gestrenge heer /:lager:/ UwelEdele gestrengenes pligtschuldige dienaar /:geteekend:/ C: van Nuld onkruidt //in margine:/ Swellendam den 23 Iuny 1780. Berigt gedaan maken ende aan den wel Edelle Achtbaare Heer Hacker President, beneevens den Edelen Achtbaren Raad van Justitie dezes Gouvernemert overgegeeven door de land dtroat Constant van Nield onkruidt op ende jeegens Zodanig Request als door Elizabeth Rossouw huijsvrouw van Wel Edele Agtbaare Heer en Heeren Het heeft uwel Edelen Agtbaren bij derzelver zeer geEerd besluit in do 5 Iunij dezes Jaar behaagt en handen vanden ondergetekende te doen stellen Copia van zodanig beklag en verzoek schrift met dies bylagens als door Elizabeth Rossoua huijsvrouwe van den burger Fredrik Hendrik Conradisubeodem die aan uwelEd: Achtb: is overgeleverd geworden ten einde op de bij dat verzoekschrift ingebragte klagten ten eersten te dienen van berigt Involdoening van hetzelve geEerde besluit zal de onderget: de vrijheid neemen te remarqueeren: dat het zelve beklag en verzoekschrift bestaat en drie hoof Poincten En wel inde Eerste plaats: dat de aan voorsz: Couradi behoorende slaven abraham van Bengalen en en batjae van boegies, mitsgs Jannetje vande Caab met haar kind van hun lyfheersplaats voorsz. Conradi geabsenteerd, door van leden opgevat, en tot te wellendam aan den onderget: overgeleverd zijnde, dezelve om hunne desertie een schijn van billykheid te geeven den ondergetekenden dut gemaakt hadden, dat zi van hunnen lyfheer en lyfvrouwe mishandeld waren geworden, en waarvan den onderget: een dergelijk goed gebruik heeft weeten te aken van dezelve in zijne dienat te Emploijeeren, als de Jongens tot het landwerk ende beid tot het oppassen 6van den ondergetekendes onregt Kind. Inde tweede plaats: dat door eppressie en„ vanden burger Fredrik Hendrik Conradi en van wegens denzelven Conradi in dato 5 Iunij 1783 aan wel opgemelde Rade is overgele verd geworden die zal te en gen hel kop te doen ligt bescher lage aarlijk vertuigt al liefden Stratfe ben. Per ang Eere in Eene Nuld Juny aan er aad men dat dt en rouw n „de verdrukkinge van onkundige menschen, bestaande daarin: dat dezelve Conradi was genoodzaakt geworden off volgens den letterlykenzin van dat Request, dat hij Conradi in zijne eenvoudigheid besloot eerder twee dan vier slaven aan de hebzugt van den onderges op te offeren, namentlyk zijn Slavinne Jannetje vande Caab met haar kind aan den ondergetekende voor een honderde zyxd te verkoopen, omme door dat remedium zyne by de slaven Abraham van Een galen en baatjae van boegies wederom terug te mogen hebben En Eyndelyk inde derde plaat in het verzoek dat terwyl door de voorsz oppressie eene con „cussionaire Subenobreptieee koop was aangegaan dezelve Koop mogte vernietigt worden, ende dat met ende benevens Schadeloosstelling van verzeajm en geda „ne kosten voor dezelve Slavinne Iannetje Twaalf honderd Rixd zal worden betaald, en voldaan, En in Cas van weigering aan haare vrouwe Conradi vrygelaaten omme tegens den onderget: te mogen ageeren, zo als zy naar vereisch en omstandigheden van zaken zal nodig agten alvoorens den ondergetekende met de wederlegging der voorsz: poincten de attentie van UwelEd: Achtb: occupeeren zal, zij het hem permitteerd deze Reflexie te mogen maken. of een man die in de maand Maij of april dezes Iaars onder het pretext dat hij een geheel Iaar ziekelijk geweest is, zijn vrouw qualificeert voor hem zijne zaken waar teneemen, in december des gepas„ seerden Iaars en dus omtrend voor zes maanden in een volmaakte welstand van zijn inde Kogmans klooff leggende woonplaats waar Zwellendam en te rug heeft kunnen ryden, daar den onderget: teffens verzekerd is, dat hy als nu nog ruijm zo gevoegelijk als zijn vrouw de reize herwaards had kunnen doen, en dat boven en behalven dit alles aan den onderget: S: M:) is toegescheenen, dat die
English
that deed is entirely defective and absolutely invalid, and that therefore, since the aforesaid Conradi and his wife have thereby misled Your Honorable Worships in a very villainous manner, the entire complaint and petition of itself crumbles and lapses. Yet in order to satisfy the intention of Your Honorable Worships as much as possible, the undersigned, proceeding to the refutation of the aforesaid complaint and petition, will take the liberty of saying regarding the grievances raised in the first place: that the annexed declaration of the wife of Iosep van Eeden very clearly dictates that her son, having returned home from the place of the burgher Donald Andriesse, reported to her that a maid and two boys of the aforesaid Conradi were going to Swellendam to complain, and that she had sent him to fetch those slaves, and that those same slaves having then also been brought to her place by her son, she had wanted to send those slaves home, but that the maid having shown or pointed out her body, she, the wife of Van Eeden, had seen that the maid was grievously and miserably beaten, and that the maid had said the reasons why she was thus mistreated were: because her master, the aforesaid Fredrik Hendk Conradi, wanted her to have said that the child, denoting her child, was of Cornelis van Eeden, whereupon her husband had sent those slaves as far as the former Heemraad Mons Jacobus Bota. That from the same declaration it is thus undeniably evident that those slaves were not seized by Van Eeden and brought to Swellendam, and as simple as it may sound, it indeed also flows from the same declaration that the slaves, in order to give their desertion an appearance of fairness, did not make up to the undersigned that they were mistreated. No, Honorable Worshipful Gentlemen, it dictates, as all the other declarations dictate, very clearly that the maid was simply grievously and miserably beaten. That this very mistreatment of the slave Jannetje, as well as the very well-arranged order of the story of that slave regarding the reasons why she was thus mistreated, are the very speaking proofs why all those people who inspected her, with compassion, granted proper assistance on her way to Swellendam, and for which reasons the undersigned then also released her and had proper care taken for her recovery, and had the aforesaid slave boys—who, moved by pity for their fellow slave, had encouraged her to that desertion and accompanied her to Swellendam—nonetheless placed in secure custody, and did not employ them on his land, sowing, or work, because at that time it was impossible to employ them for that purpose, as this was very abusively brought up in that point of grievance; just as little could the maid have been used for the illegitimate child of the undersigned mentioned in that petition, because according to the content of the declaration of the burgher surgeon Monteban, the wife of the undersigned was pregnant, and for that reason he advised the wife of the undersigned against inspecting that maid; and according to the judgment of the undersigned, which he gladly submits to wiser minds, he does not know that from a husband and wife who have been examined according to the laws of the land, and after the examination granted the marital proclamation, and subsequently confirmed in the wedded state, other children can be brought forth than legitimate descendants lawful by birth; or one would have to prove to the undersigned that, besides the two children of his wife Elizabeth van der Reeden, who died on 10 May of the past year 1782, and the child begotten with his present wife and born in this year, he had procreated yet another. The undersigned finds himself thereby too severely injured in his honor to be able to pass over such a slander in silence; he also maintains firmly and certainly, and that not without reason, that at the instigation of other maliciously minded persons, or of a party of malcontents, or else some foolish idle stroller or self-imagined clever wit, the presenter of that petition was moved to insert such a more than vicious slander into the same petition, or else that the drafter of that petition imagines he will attain immortal fame by continually placing before the eyes of simple people, as they were named in that petition, wrong ideas so plausibly that they accept them as true, and notwithstanding they are thereby misled, they nonetheless praise him and remain attached to him. As to the grievance in the aforesaid petition, the undersigned believes in the second place that he will be able to suffice by most respectfully recalling the attention of Your Honorable Worships to the content of the report given by the slave Jannetje before the committee from this Honorable Worshipful Council, and from which, by the remains of mistreatment shown to them, it will very easily be inferred how great the mistreatment must have been which that slave already had to undergo six months ago; and it was not this crime that caused Conradi to decide to surrender two rather than four slaves to the greed of the undersigned
Dutch transcription
die acte geheel en al is defectueert en absolutelyk invalide, en dat mitsdien dewijl voorsz: Conradi en zijne huysvrouw UwelEdele Achtb: daardoor op eene zeer Vilopen dieuse wijze misleid te hebben, het gantsche beklag en verzoek schrift van zelve corrueert en vervalt. dan omme aan de intentie van UwelEd achtb: zo veel doenlijk te kunnen voldoen, zal den onderget: tot de Wederlegging van het voorsz: beklag en verzoek schrift tredende; op de inde eerste plaats aangebragte klagten de vry had neemen te zeggen dat de nevens dezen geannexeerde verklaring van de huisvrouw van Iosep van Eeden zeer omdelijk dicteerd, dat haar zoon van de plaats van den burger Deonald Andriesse te huijs gekomen zijnde, aan haar beregt heeft gehad, dat er een meed en twee Jongens van voorsz: Conradi naar wellendam gingenom te klagen, en dat zij hem gezonden had om die slaven te halen en dat diezelve slaven dan ook door haar zoon bij haar op de plaats gebragt zijnde, zij die slaven na willen te huijs zenden, dog dat dereid haar ligchaam vertoond of geweesen hebbende zij vrouwe van Uan leden gezeen had, dat die meed deerlijk en ellendig was geslagen, en dat die metd de redenen waare in zij zo was mishandeld gezegd had, te zijn: omdat haar baas voorsz Fredrik Hendk Conrodi hebben wilde dat zij zou hebben gezegd, dat het kind. / Deroteerende haar kind, van Cornelis van leden was, waarop haren man die slaven tot by den oud heemraad Mons Jacobus Bota gezonden had. dat uit dezelve verklaring dus onwedersprekelyk consteerd dat die slaven niet door van Eeden opgevat en naar Swellendam zijn gebragt, en zo eervoudig dezelve ook Klinkt, vloect immers uit dezelvde verklaring al mede voort, dat de slaven om hunne desertie eenen schijn van billijkheid te geven niet den ondergetekende dits gemaakt hebben dat zy mishandeld waren. — Neen staande geworden dat eerder onderges Jannetje tekende dat ben te mogen zoek con ngegaan met en geda taalf nin Cas gelaaten zals zy zal legging Achtb: flepie dezes Jaar voor hem gepas„ den in mans dam nderget zo aard dit dat Neer Edele Achtb: Heeren dezelve dicteerd zo als de overige verklaringen alle dicteeren zeer duydelijk dat die meed alleen deerlyk en ellendig geslagen was. dat eeven diezelve mishandeling aan die sla vinne Iannetje zo wel als de zeer wel geschikte ordre van het verhaal van die slavinne, omme wel„ ke redenen zij zo mishandeld is, dezelvs sprekende bewijzen zijn waarom alle die menschen die haar bezegtigd hebben met mededogenheid de behoorlijke adsistentie op haren weg naar Swellendans hebben verleend, en om welke redenen den onderge tekende haar dan ook losgelaaten ende behoorlyke zorge ter harer herstelling heeft doen dragen en die by de voorsz: Slave Ionges die niet tegenstaan „de haar slavinne uit medelijden bewogen, tot die desertie aangezet en naar zwillendam begeleid hebben, egter in goede verzekering doen stellen, en niet tot zijn land, zouw of werk geEmploijeerd, want te dier tyd, dezelve onmogelyk daartoe te Om ploijeeren waren, zo als dit zeer abutief bij dat poinws van bezwaar is ingebragt evenzo min als de meid tot des ondergetekendes bij dat request benoemde onegt kind heeft kunnen werden gebruikt want volgens de verklarings inhoud van den burger Chirurgijn Monteban, was de ondergetekende huijsvrouw Zwanger en om die reden heeft denzel ven des ondergetekendens huijsvrouw afgeraden die meid niet te bezigtigen, en volgens het oordeel van den ondergetekende het welk hij gaarne aan wijzere nu submitteeren, weet hij niet dat uit man en vrouw die volgens de wetten van den lande geExamineert en na de Examinatie de huue„ lyksche proclamatie geaccordeert, en vervolgens inde negten staat bevestigd zijnde, andere kinde „ren kunnen worden uit voortgebragt als egte afte door de geboorte wettige afstammelingen of men zouden ondergetekenden moeten bewyzen dat hy buiten de twee kinderen op den 10 May des voorledene Jaars 1782 overledenen huysvrouw Elizabeth van der Reeden en het bij zijn tegenswoordige huijsvrouw verwekte, en in dezen Iaare gebooren kend nog een had geprocreeert den ondergetekenden vind zig daardoor te sterk in zyne Eere te zijn gelaedeerd als dat hij een dergelijke lasten stildwigend zou kunnen surpasseeren, hij steld ook vast en zeker endat niet zonder grond, dat op instigatie van andere malitieus gezenden, of van een Partig malcontenten dan wel de een of ander wannwijse ledigloper off zig zelve verbeeldende schrandere geest de praesentante van dat Request es gepermoveerd, dat een dergelyken meer dan quaadaardigen Laster in hetzelve request moge worden gelascht, dan wel dat den stelder van dat Request zig verbeeld een onsterffelyken roem te zullen behaalen door eenvoodigd menschen zo als dezelve by dat Request zijn benoemd geworden, bij continuatie verkeerde idien zo waarschynelijk voor oogen te stellen, dat zij dezelve als waare aanneemen, en niet tegenstaande zy daardoor misleid worden, hem egter Laudeeren en blijven aanhangen. Tot de klagte bij het voorsz Request meend den ondergetekende inde tweede klaak, te zullen kunnen volstaan met de attentie van uw Ed: Achtb: eerbiedigst te rug te roepen tot het contenue van het relaas door de slavinne Iannetje ten overstaan van Heeren gecommitt: uit dezen Edelen Achtb: raade gegeeven, en waar bij uit de aan hun EE: ver„ toonde Relequien eener mishandeling zeerligt zal kunnen worden afgeleid, hoe groot de mis- handeling moet geweest zyn, dewelke rads voor zes maanden die slavinne heeft moeten ondergaan; en niet deze misdaat was het hetwelk hem Conradi heeft doen besluyten eender twee dan vier slaven aande hebzugt van den ondergetekende e
English
as the drafter of the Petition saw fit to say, to sacrifice, Honorable Noble Sirs, a more heinous crime was the cause of that ill-treatment, namely: that he, Conradi, had continuously engaged in carnal intercourse with the slave woman Jannetje, and that the consequences of that intercourse caused two of his own children to be born to him, one of whom has died, which he then also confessed in the presence of that same slave woman. This was what caused him to resolve, with folded hands and wet, tearful eyes, not to sacrifice two slaves to the greed of the undersigned, but to beg and entreat the undersigned—who, according to his recorded account of conduct, which he can always solemnly confirm, had thought it necessary to leave that matter to the decision of Your Noble Worships—just as he thereby also persuaded the undersigned, pardon the expression, for God's sake to preserve him, Conradi, and his family from disgrace or dishonor, and to be willing to sell that maid for the peace of his household and for the peace and restoration of the discord and dispute that had already for some time resided between him and his wife. And on the assumption that others or the buyer of that slave woman, discovering on her the visible marks of an impermissible ill-treatment, through which she was then not yet entirely out of danger of dying, would file a complaint about it, he, Conradi, begged the undersigned to take over that slave woman himself. And from which transaction and confession the undersigned cannot deduce that simplicity on the part of him, Conradi, can have existed, since the undersigned, with respect to that point, can again attribute the alleged simplicity to nothing else than either to the frank confession made by him, Conradi, to the citizens Hans Jurrid Botha and Carel Pieter Rog, whereby what was stated before is most strongly confirmed, or to the sinister drafter of the Petition himself, who apparently, according to his own system, must always have had to deal with simple people, and through the abuse of that simplicity now finds himself obliged to fill his idle time with drafting all kinds of drunken writings at the expense of such simple people. And having sufficiently demonstrated by all this that no oppression or extortion has taken place, the undersigned, departing from this, will proceed to the most important point, consisting of the request and the threat made therein, which they have seen fit, in the third place, to make to Your Noble Worships. That from the refutation of that same second point it follows as clear as day that no oppression has taken place, so naturally no extortionate, subreptitious, and obreptitious purchase can have been entered into, so that the undersigned must again attribute it solely to the instigation of some malcontent or a drafter of the Petition who deals in underhanded tricks, the claim: that the undersigned is alleged to have entered into an extortionate, subreptitious, and obreptitious purchase, since from that term of subreptitious and obreptitious purchase, the writer of the aforesaid petition exposes himself too much and shows that he has derived the words subreptitious and obreptitious from the practice of his assumed qualities, or from his life, conduct, and behavior; however, the same words are in this case placed very inappropriately into the mouth of the one in whose name and by whose order the petition was presented, all the more so since the aforementioned Conradi himself in person, and not as the Petition was prepared in commission, said to the already named Botha and Rogh on his return journey from Swellendam: "That beast"—speaking of the aforesaid slave woman Jannetje—"I will have in my house no longer, for she is a thief. I gave her to the Landdrost to sell, and if the Landdrost cannot sell her, he will keep her for himself." Here one sees the man's own confession, and according to which indeed no subreptitious and obreptitious purchase can have been concluded, just as it is likewise manifested from that very same confession that, however simple they have wished to depict him, Conradi, he was nevertheless not foolish enough to disguise his dishonor—the reason why he had surrendered that slave woman Jannetje with her child for sale—by accusing her of theft. That from what has been argued it will have appeared most evidently to Your Noble Worships that no oppression or extortion of simple people has occurred, and much less that through those means an extortionate, subreptitious, and obreptitious purchase and sale was concluded between the undersigned and Conradi, which he, Conradi, will never be able to demonstrate legally; but rather that when the repeatedly mentioned Conradi, in order to cover up his crime and the ill-treatment of the slaves arising from it, very persistently and with weeping eyes requested and most strongly insisted that in order not to make him completely wretched, to just sell those slaves, and upon the objection of not being able to enter into that, the undersigned, at his persistent begging, told him that he must also speak with the Messenger to see whether he would buy the said slaves; the undersigned being able to testify in good conscience to Your Noble Worships that out of mere philanthropy and compassion for the said Conradi, and in order not to cause any further between him and his already ill-tempered wife
Dutch transcription
ze als de maken van het Request goed gevonden heeft te zeggen op te offeren, Heer Edele Achtbaare Heeren, een grunzamer misdaad was de oorzaak dier mishan „deling, te weeten: dat hij Conradi met de Slavinne Jannetje zig onophoudelijk vleeschlijk had vermeng en dat de gevolgen van die vermenging hem twee eige kinderen heeft doen gebooren worden, waarvan de een gestorven is, het welk hy dan ook ter praesentie van die zelvde slavinne heeft beleeden, dit was het geen hem heeft doen besluiten met te zamen gevouwe handen en nat betraande oogen, niet aan de hebzugt vanden ondergetekende twee slaven op te offeren maar den ondergetekende die reeds volgens zijn gehouden gedrag verhaal, het welk hij altoos Solemneel bevestigen kan had gemeend, die zaak aande Oecisie van UwelEd Achtb: te moeten overlaten te smeeken en verbidden zo als hij den ondergetekende ook daar door heeft verleeden om tog /sit verbis Venia / om gadswille hem Conradi en zyne Famille voor Fletrisseere ofte Schande te bewaren en die meid tot rust van zijn huisgezin, en vreede en herstelling der oneenigheid endwest, zo reeds eenigen tijd herwaards tusschen hem en zijne Vrouw had geresideerd, te willen verkoopen, en op de veronder stelling, dat andere ofte de Koper van die slavinne der zigtbaare tekenen eener ongepermitteerde mishande ling aan haar ontdekkende, en waar door zy als toen niet geheel nog buiten gevaar van te sterven was, daar over zouden klagtig vallen, bad hij Conradi den onder „getekende die slavinne toch zelvs over te neemen, En uit welke afhandeling en Conffessie den ondergeteken den niet afleiden kan, dat de eenvoudigheid van hem Conradi zal hebben bestaan, alzo den ondergetekende ten opzigte van dat poinct wederom de voorgewende Eenvoudigheid aan niets anders kan attribueeren, als of aande openhartige bekentenis door hem Conradi aan de burge Hans Jurrid Botha en Carel Pieter Rog gedaan, en waardoor het vooren geduceerde ten sterksten word bevestigd, of aan den Dinistren Op skelder opstelder van het Request zelve, dewelke apparent vol„ „gens zijne eijgen Sitema altoos met eenvoudige menschen moet hebben te doen gehad en door het misbruik van die eenvoudigheid zijn ledige tyd thans genoodzaakt ziet met allerhandd zatte geschriften ten kosten van zulke eenvoudige menschen te for meeren. En door dit een en ander genoegzaam hebbende aan„ getoond, dat er geene expressie of verdrukkinge heeft plaats gehoe, zal den ondergetekende hier van afstap „pende overgaan tot het gewigtigste poenct, bestaande in het verzoek en daarbi gedaan dreigement, het welk men goed gevonden heeft, inde derde plaats aan UEd: achtb: te moeten doen. dat uit de wederlegging van het zelve Twee de poinct van zelve dan middag klaar voortspruit, dat er geene oppressie heeft plaats gehad, kan er immers natuur„ „lijker wijze geene concussionaire sub en obreptive kor zijn aangegaan, zo dat den ondergetekende het weder alleenlyk aande instigatie van den een of ander malcon „tente of een metslinksche streeken omgaanden op stellen van het Request moet toetekenen, het zeggen: dat den ondergetekende een convussionaire sub en vbrep tive koop zou hebben aangegaan, alzo uit die benaa„ ming van sub en obrective koop: de schrifstelder van het voorsz: request zig zelve te veel bloot geeft en doet zien dat hij de woorden van subreptie en ab„ „reptive uit de paaktycq van zijne aangenoomene eigen schappen, of uit zijn leven wandel en gedrag heeft afgeleid egter derzelve woorden ten dezen zeer mal apropos zijn geplaatst inden mond vandien geenen uit wiens naam en door wiens last het request is gepraesenteerd, te meer daar gem:e daargem: Conradi zelve in Perzoon, en niet zo als het Request gemaakt is in commissie aan den reeds genoemden Dotha en Rogh op zijne terugreize van Swellendam heeft gezegt die Beest /:spreekende van voorsz: Slavinne Jannetje ƒt der de aar n tken hem Eeht de de . Iannetje :/ mlek in mijn huis niet meer hebben, want het is een dief, ik heb haar aanden Landdrost gogd ven om te verkopen, en als den landdrost haar niet verkopen kan, zal hij haar voor hem zelve houden Heer ziet men des mans eige confessie en volgens welke immers geen sub en obreptive koop kan ge slooten zijn, gelijk al mede uit even diezelv die beken „tenis maniffesteerd dat, hoe eenvoudig merhem Conradi heeft willen afschilderen, hij egter niet dwaas genoeg geweest is om zine schande waarom hij die slavinne Iannetje met haar kind ten verkoop had overgegeven, te bewimpelen, met haar van divery te beschuldigen. dat uit het gededuceerde aan UEd: Achtb: op het evidentste gebleken zal zijn, dat er geene appressa„ of verdrukkinge aan eenvoudige menschen is geschied, en veel minder dat door dat middel een concussionaire sub enobreptive koop en verkoop tusschen den onderget: en Conradi gesloten is het welk hy Conradi nimmer na rechten zal kunnen aantoonen, maar wel dat wanneer meerm: Con. „radi ter bedekking van zijn misbedrijf en daaruijt voort gevloeide mishandeling der slaven zeer instandig en met weenende oogen verzogt, en op het sterkste insteerde, om hem tog noot ongelukkig te maken die slaven maar te verkopen, en op de voorogenstelling, vandaar in niet te kennen treden, heeft den ondergetekende op het aanhou dend smeeken van dezelve aan hem gezegt dat hij met den Bode vok ky moest spreken omtezien of denzelven gem slaven wilde kopen, kunnende den ondergetekende UwelEd: Achtb: in gemoede betuigen dat hij uit enkelde merschlevendheid en mede dogen voor gem: Conradi en om tusschen denzelve en zijne buyten des reeds graadaartige Vrouwe geene ver„ dere
English
to cause further estrangement, to not prosecute the crimes of the aforementioned Conradi through the otherwise proper course of law, but to propose such an intervention in order to preserve peace, quiet, and the redress of the grievances of him and his wife and his family from shame after these very numerous well-known examples, and regarding which the undersigned trusts that Your Honorable Worships will graciously be pleased to intervene. That now, in order to prevent all further cavillations, the undersigned takes the liberty most respectfully to submit to Your Honorable Worships whether it might meet with your favorable approval to provisionally place those slaves with their child in safer hands in order to prevent further abuse, and to qualify the undersigned to take legal action against the said Conradi on account of his crime, and against him, Conradi, and his wife on account of the abuse regarding that female slave Iannetje, or such as Your Honorable Worships shall be pleased to order with respect to the crime of the aforementioned Conradi. While the undersigned, submitting this as a report to fulfill the intention of Your Honorable Worships according to his humble ability, takes the liberty to call himself with the deepest respect, was written underneath: Right Honorable Sir and Sirs, lower: Your Honorable Worships' humble servant, signed: C: V: Nuld Onkruydt. Report given before the undersigned commissioners, at the requisition of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruidt, by and on behalf of Iannetje of the Cape, of competent age, former female slave of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, reading as follows: That the deponent, without being able to determine the day or year, having been ordered by her first master, the burgher Conradi mentioned in the heading of this document, on the occasion that her master and the wife of the same Conradi had ridden to the Hep River to fetch grain, to fetch chaff from the chaff-loft, the deponent had also gone thither, but that the deponent, having arrived there, was followed by her aforesaid master Conradi, who, having also come onto that loft, had thrown her, the deponent, onto the ground, and the deponent directly understanding the intention of her aforementioned then master, she had substantially asked him, Master, what does the Master want to do, adding, I will tell the mistress, whereupon he had answered, hold your trap, wench, and thus had committed his foul deeds. That the same, a few days after the return of her aforesaid then mistress, having recounted the occurrence, the latter had fallen to the ground in a faint from distress, whereupon the aforesaid Conradi, or the deponent's master, had helped his wife up again, and having come to herself, she had asked her aforesaid husband Conradi whether it was true that he was keeping with the deponent, which he had denied under the most solemn oaths, and had directly seized a certain Hottentot Jantje, who currently resides with the burgher Jacob Hugo at the Breede River, and ordered him to cut a bunch of quince-pear rods and pass them through the fire, which having been done, both the aforesaid Conradi and that Hottentot picked up the deponent and fastened her to the stump of an oak standing before the kitchen door, after her hands and feet were tied fast and she was completely stripped of her clothes, whereafter the same Conradi with the same quince-pear rods had beaten her, the deponent, with intervals for so long until, having continuously affirmed during the beating that which she had told his wife, having fallen into a faint, she was finally forced substantially to say, No, the master has not slept with me, whereupon the deponent, having been untied and brought into the house, had fainted anew, and when she, the deponent, had come to herself again through some vinegar, they had washed her whole body with brine water. That the aforesaid Conradi subsequently, with the substantial assurance, Wench, if you ever say it again, I shall start beating you from the beginning, continuously had carnal intercourse with the deponent, until he, Conradi, having noticed that she, the deponent, was pregnant by him, had said to her in the aforesaid manner, if you have a child, you must tell old mistress that it is by Adam Bastard, currently residing with the honorable Willem Grobbelaar, which the then mistress of the deponent had frequently asked of that Hottentot, but not having been answered satisfactorily by that Hottentot, the same, when the deponent had been delivered of a white or fair child, had asked the same aforesaid Bastard Hottentot in the presence of the deponent whether the child was his, to which, both before and then, the Hottentot had answered, No! Whereupon the same then mistress, notwithstanding that the deponent was still in childbed, had continuously beaten and abused the deponent daily to such an extent that the deponent had become unable to properly care for her child, the aforesaid mistress of the deponent having thereafter refused to permit the deponent to help and quiet the same child, though it was crying, so that the mistress of the deponent had said to her more than once, if he [illegible]
Dutch transcription
„dere verwijdering te veroorsaken zig heeft laten penmo„ „veren, omme de misdrijven van meerm:s Conradi, door den anderzints behoorlyken weg van regten niet te vervolgen, maar omme tot rust Vrede en herstelling der misnoegen van hem en zine huijsvrouwe en zijn Famille nadezeer veelvuldige bekende voorbeelden voor schande te bewaren, eenen diergelyken tusschen komst te proponeeren, en waaromtrend den onder„ ged: vertrouwd dat Uw EEdd: Achtb: gratieuselijk zullen gelieven te Jngeeren. dat omme nu alle verdere Cavollatien te bre„ „venieeren, den ondergez: de vryheid neemd, Uwe Ed: achtb: eerbiedigst voortedragen, of het niet van derzelver gunstige approbatie zy, om die slaven met haar kind provisioneel ter voorkominge van verdere mishandelingen te stellen in zekerder hand, en den ondergetekende te qualiffeceeren omme tegens denzelven Conradi wegens zijn misdrijf en tegens hem Conradi en zine huijsvrouw wegens mishandeling omtrend die Slavinne Iannetje in rechten te mogen ageeren, dan wel zodanig als Uw Ed: Achtb: ten opzigte van het misdrijf des meerm. Conradi zullen gelieven te ordonneeren Terwijl den onderget: dezen omme aande intentie van uwEd: Achtb: na zijn gering vermogente vol„ „doen latende dienen voor een berigt, de vrijheed neemd met de diepste eerbied zig te noemen/ /:onderstond:/ Wel Edele Agtbaare Heer en Heeren, /:lager:/ UwelEdeles Achtbares ootmoedige dienaar /:getekend/ C: V: Nuld Onkruydt. Relaas gegeven ten overstaan vande ondergetekende gecommitt ter requisitie van den Land„ drost van Swellendam Con stant van Nult onkruidt door en om Dat de regt zonder dag of Iaar te kunnen bepalen door haren eersten lijfheer de inden hoofde dezes gem: burger Conradi bij gelegenheid dat haar lyv heer de Vrouw van dezelve Conradi nade hep rivier gered en was, om koorn te halen, bevolen zijnde om vande kafzolder kaf afte halen, de rel„t haar ook derwaarts begeeven, dog dat de relt aldaar gekomen zynde, door haaren voorsz: lijfheer Connadie was agtervolgt, denwelken op die zolder mede ge„ komen zynde, haar relte op de aarde had geworken, ende rels direct de meninge van gem: haren toenma„ „ligen lyfheer begrippende, zij hem substantielyk gevraagd htad Baas, wat wel de Baas doen, met bijvoeging ik zal aan konje zeggen, als wanneer denzelven geantwoord had houd Jouw snioel meid, en dusdanig zijne vuijle heeten had gepleegt. datde zele eenige dagen na de terugkomst van haren voorsz: toenmaligen lijfvrouwt geval hebbende verhaald, dezelve door ontteltenisse inflaauwte ter aarde was gevallen, als wanneer voorsz: Conrado ofte der relte lijfheer zijne vrouw wederom opgeholpen, en bij haar zelve gekoomen zijnde had zij aan haren man voorsz: Conrade gevraagd, of't waarwas, dat hij met de rel„te het hield, het welk dezelve onder de duurste Eeden had genegeert en directelijk zekeren Pottenkob Fankje, die thans bij den burger Jacob Huge aan de brede rivier woonagtig is, gerrepen en geordon „neert een bos quee peerlassjes aftesniden en door 't vair te halen, 'twelk geschiet zijnde door ende de vanwegens Iannetje vande Caab van Competenten ouderdom geweze Slavinne van denburger Fredrik Hendrik conrade luidende als volgt Lo 0 zo wel voorsz Conradi als die hotten tob de relte op geno„ men; en aan de voor de Combuys deur staande stomp van een Eyk nadat haare handen en voeten vast gebonden woeren, en zy geheel en al ontkleed was, vastgemaakt, waarna dezelve conradi met dezelve queepeerlatjes zo lange haar relts met tusschen poozing had geslagen tot dat zy onder het slaan altoos bevestigd hebbende het geen zy aandes zelvs huijsvrouw had gezegt, in flaauwte gevallen eindelik genoodzaakt was geworden, substantieelijk te zeggen, Neentdebaas heeft niet bij mij geslopen waarop de rel=te losgebonden en in huys gebragt geworden zynde, op nieuws slaauw was geworden en wanneer zy rel=te weder tot haarzelve was gekomen door wat azijn men haar geheele lijf met pekelwater had gewossen dat voorsz: Conradi vervolgens met substanti eele verzekering, Meijt zo gij bnn al wederomzegt zal ik Jon van voren of beginnent slaan, altoos, vleeschelyk met de relt had verkeerd, tot dat hij Con„ radi hebbende bespeurd, dat zy rel=te van hem zwanger was, aan haar invoegen voorsz gezegt had, zo gij een kind krygt moet gy tegens soud nonje zeggen, dat het van adam Dasterd thans bij den landE: Willem Grobbe laar woonagtig is, 't geen de relt toenmalige lyfvrouw dikwerf aan die hotten tot had gevraagd, dog door dien Dottentot niet is voldoende beantwoord zynde, had dezelve wanneer de rec=te van een blank of wet kind verlost was, aan dienzelvden voorsz basterd Gotten tot ter presentie vande relte gevraagd, of t kind van hem wa 't geen zo voor heen als toen door de hottentot was beont„ woord van Neen! waarop derzelve toenmaligd lijfvrouw de relten niet tegenstaande nog Iong kraams was, bij continuatie dagelyks zo geslagen en mithandeld had dat de relt binten staat was geraakt haar kind behoorlyk te kunnen & passen, hebbende der rec=te voorsz: lijfvrouw daarna de relte niet willen per mitteeren, om 't zelve kind alschride 6 nog zo te mogen helpen en tot stilstand te brengen, zo dat der rel„te lyfvrouw, meerdan eens aan haar had gezegd, als hy Zwarte ƒ - o rde
English
gets black children, I will have them taken care of, but no white ones. that the respondent's child finally having reached about nine months of age, had the misfortune of crawling into the fire, thereby burning one leg, which had as a consequence that it died a few days thereafter, and upon inspection the respondent had found some welts and stripes on the buttocks of the child, which had been inflicted upon it by the respondent's aforesaid mistress both with a lath and a sheath, the other slaves, while the respondent was weeping over the loss of the child, having said to the respondent, you may be glad that the child is dead, for you did not have an hour of rest in a day. that the same having been about fourteen days out of childbed from the child, her aforesaid then master named Conradi, under the repeatedly made and above-mentioned threats, had again had carnal conversation with her until she, the respondent, having become pregnant with the child she presently has with her, aforesaid Conradi had ordered her, the respondent, to say that the child was from a certain fellow slave boy of the respondent named Damon of Madagascar, with whom aforesaid Conradi and his wife had ordered the respondent to keep company, but in whose place she had chosen another fellow black slave boy named Abraham of Bengal. that the respondent having been delivered of the aforesaid child presently with her, her master named Conradi had ordered her, in case his wife, her mistress, should ask her whose child it was, to say then that it was from a certain mason Gerrit van der Blijk who had lived with aforesaid Conradi and had already died at that time, which the respondent's mistress had not wanted to believe. that the respondent, being about two weeks out of childbed, had gotten a so-called lump in the breast, which the respondent's aforesaid mistress being busy rubbing with fat, asked her substantially, do tell me girl, whose child it is, I will give you a hundred rixdollars, which the respondent was afraid to answer truthfully, and thus maintained the statement of her master aforesaid Conradi that the child belonged to the aforementioned Gerrit van der Blijk, which the respondent's mistress not having wanted to believe, took her with her to the garden, and having arrived there the respondent was ordered to cut a quantity of quince laths which the respondent's mistress had mostly pointed out to her, which the respondent's aforesaid mistress having arrived home had herself drawn through the fire, and thereupon together with her daughter having stripped her stark naked, had bound hands and feet, and sent her children out of the house. that the respondent thus bound lying on her side, her mistress called her, the respondent's, master who was lying in bed, to beat the respondent, which he had at first refused and said that his sore hand was too painful, but that that could not excuse him since he had become forced to come, and to beat the respondent first with a bundle of quince laths drawn through the fire and thereafter with a sjambok, which he then also did for so long until, no longer being able nor willing to beat, his wife or the respondent's mistress aforesaid substantially said to his, the respondent's mistress, how will it go if that girl perishes! to which question the respondent's mistress had stopped beating and having gone outside the screen door, the respondent's master had said do say that the child is from Cornelis van Eeden, then you will get no more beatings, which the respondent having entered the house said to her mistress, whereupon she, the respondent, being untied and seated in a room on a sheepskin expressly brought into the house by the Hottentot woman Sara, was again locked in irons, which statement however the respondent's mistress still had not wanted to believe, since she had threatened the respondent that she would write a letter to aforesaid van Eeden in this regard, and in case that should also be untrue, she would have the respondent tied to a ladder, whereupon the respondent having become sick, her mistress had repeatedly beaten her out of bed with the sjambok under the threat that she would send for the aforesaid van Eeden. that the same fellow slaves, having pitied the respondent daily, two of them named Abraham of Bengal and Batjoe of Bugis, moved by compassion, had said to the respondent that they could no longer watch the daily torment, had urged the respondent to go and complain, and thus on a Saturday night left the farm together with the respondent; that she, together with both aforesaid slaves, having first arrived at the farm of the burgher Dewald Andriesse, had bought a loaf of bread there from his son for 24, as they had consumed nothing in two days; the same son having asked them, however, where they were going, and being answered by them, to the Landdrost to complain, he had said just go on; that in the meantime a son of the burgher Fredrik van Eeden, who was present there on horseback, having ridden past them on his way home, had come back, and said both to her, the respondent, and to the other two fellow slaves, you must come to my father and mother; the respondent and both fellow slaves having also proceeded thither to that place, the wife of van Eeden had inspected her whole body and thereafter said to the respondent and her two fellow slaves, eat first, and then you can go on, but that they had to wait by the river because the father of aforesaid van Eeden would come to them, as he also did, and having brought them to the farm of the former heemraad Monsieur Botha, the respondent was there and
Dutch transcription
zwarte Kinderen Krigt, zal ik dezelve laten oppassen maar geen witte. dat der relt kind eyndelyk omtrend negen maanden oud geworden zynde, 't ongeluk hebbende gehad van in't vaer te kruipen, daardoor t eene been te verbranden 't welk tot zijn gevolg heeft gehad, dat hetzelve weenige dagen daarna overleeden is, en bij bezigtiging had de reb=t bevonden, eenige striemen en streepjes op de billen van 't kind, dewelke door der relte voorsz: lyfvrouw zo door met een latje als wesschede aan dezelve waren toegebragt, hebbende de andere slaven terwijl de res„t had gezegt over 't verlies van't kand weende tot de res„te gezegd, gij moogt blijde zijn dat 6 kind dood is, want jy hebt geen uur op een dag rust gehad. — dat dezel omtrend veertien dagen van 6 kind oud kraams geweest zynde, haar voorsz: toenmalige lyfheer gem=t Conra di onder de meermaal gedaane en hier bovengem: bedreij gingen op nieuw met haar vleeschelyk had geconverseerd tot dat zy relk van haar thans by hebbende kind Zwanger geworden zijnde voorsz: Conrade haar rec=te„ gelast had van te zeggen, dat het kind van zekerd harer rel=te mede slaven Iongo gen d'amon van Mada gascar was met welke voorsz: Conradi en zyne vrouw de ret=t aangezegt hadden, om verkeering te houden dog in welkers steede de zelr een andere medd swarte slaven Iongen genaamd Abraham van bengalen gekoozen had. dat de relt van't voorsz: thans bij haar hebben de kind verlost zijnde, had haar lyfheer gem: Con„ verto „radi haar gelast ingevalle zijne vrouw derzel lyfvrouw haar vragen mogte van wient kind was als dan te zeggen dat het van zekerd by voorsz: Conradi gewoond hebbende te diertyd reeds overlede Ene metzelaar Gerrit vander Blijk was, 't welk der rett lyfvrouw niet had willen gelooven. dat de rel=te omtrent twee weeken opd kraams zynde, een zagenaamde Klont inde borst had gekre¬ „gen „gen, 't welk der zel=r voorsz: lyfvrouw met vet bezig zynde te Smeeren, aan haar Substantieelijk hia gevraegt zegt my dog meid, van wie het kender, ik zal jouw hou„ „derd rijxdt geeven, 't welk de rel„tk bevreese was naar waar heid te beantwoorden, en dus het gezegde van haar lijf heer voorsz: Conradi staande hield dat het kind aan voorm: gerrit van den Blijk was 't geen der rel:s lijfvrouw niet hebbende willen gelooven, de zelke met haarna de tuin genoomen had, en aldaar gekoomen zynde was de vel=k gelast een partij qucepeerlatten die der zel:t lyfvrouw haar voor't grootste gedeelte aangeweesen had, afte snijden, dewelke der relt voorsz lyfvrouw te huijs geko „men zijnde zelvs door 't vuerr gehaald had, en daarop nevens haardogter dezel nakend uitgekleed hebbende handen en voeten geboeyd hadden, en haare Kinderen het huijs uijtgezonden. dat de ret„te dusdanog geboeijd op zijde leggende haare lijfvrouw haare rel=te lijfheer die te beddelag geroepen, om de zelt te slaan, 't geen denzelven eerst geweigerd en gezegd had, dat zijn tonde afhand te zeer was, dan dat zulx hem niet konde vrij spreken alzo denzelven genoodzaakt was, geworden om te komen, ende rel eerst met een bas door t vaur gehaalde Queepeer latjes en daarna met een Sjambok te slaan, 't welk denzelven dan ook zo lange had gedaan, tot dat hij niet meer kunnende nog willende slaan, deszelvs huijsvrouw ofte devrelte lyfvrouw voorsz: Conrade Substantieelyk tot deszelvs der rec=te lyfvroud had gezegd hoe zalt gaan als die merd verrekt! op welke vraag der rests lijfvrouw opgehouden had met slaan en burj„ „ten de smipdeur gegaan zynde, derrelk hyfheer gezegd had zegt dog dat het kind van Cornelis van Eeden is, dan zal jo geen slagen meer krijgen, 't welk de rel=ts aan haar lijfvrouw in huijs gekomen gezegd had, waarop zy rel=e los gebonden, en in een kamer op een door de hottentottinne Sara expresselijk in huijs gebragte schappenvel neder gezet zijnde op nieuw in boeijen was geslooten welk gezegde egter der en ng de Ne Braand Conra edrey seerd re der reltn lyfvrouw als nog niet had willen gelooven alzo zij de relte had bedragt aan voorsz: van Eeden een brief dieswegens te schrijven, en ingeval zulx ook onwaar mogte zijn, zy de relt op een ladder zou doen binden, waarop de rel ziek geworden zijnde haar lyfvrouw haar zelt telkens uit het bed met die Sjambok had geslagen onder het bedrygen dat zy voorsz van Eeden zoude laten roepen. dat der zelve mede slaven, dagelijks derel=t hebbende be klaagd, twee derzelver in naame Abraham van Bengalen en Batjoe van Bougus door dredelyden bewogen tot de rel gezegd hadden, 't dagelijks tegateren niet langer te kunnen aanzien, derelte aangesproken hadden omdog te gaan klagen, dusdanig met de relte dan ook op een Zaturdag nagt vande plaats heen begeeven dat dezel met de beide voorsz: slaven 't eerst op deplaad van den burger dew ald Andriesse gekomen zinde, aldaar vande zoon van dezelve, voor 24 een brood gekogt hadden, terwijl in twee dagen niet genuttigd hadden denzelven zoon egter hun gevraagd hebbende, waarof zijl: heen gingen endoor hun geantwoord zinde, naden Landdrost om te klagen had denzelven gezegd gaat maar heen, dat inmiddens een zoon van den burger Fredrik van Eeden die aldaar te paard was praesent na huys hunE: voorby gereeden zynde, weder terug ge komen was, en zo aan haar recte. als aan de andere beide mede slaven gezegd, sullnn moet bij mijn vader en moeder komen, de rel=te ende beide mede slaven ook aldaar ter plaatze hun hebbende begeeven, had de vrouw van van leden haar geheel ligchaam bezegtigd en daarna tot de relte en haar beide mede slaven gezegd het maar eerst, en dan kan Tulliij heer gaan, dog dat zijl: bij derwvier moesten wogten alzo de vader van voorz: van Eeden bij hun zoukomen, gelik hij ook gedaan en hunE: tot de plaats vanden oud heemraad Monsr Botha gebragt hebbende, was dezeltk aldaar en
English
brought into a room, and her, the relator's, body was inspected both by the said Botha and the burgher Carel Rog present there, both of whom then said to her, the relator, come, you must not be ashamed when you arrive at Swellendam and you must just tell everything nicely, because you are terribly mistreated; the said Botha having sent a boy along with her as far as the farm of the burgher Gens Jurge Botha, whose wife, having inspected her, the relator, advised the wife of the burgher Carel Rog present there, who also had wanted to inspect her, the relator, against doing so, as she herself was pregnant; the relator with both of her aforementioned slaves proceeding from there to the farm of the burgher Daniel Stein, whose wife, having also inspected her, the relator, sent a small Hottentot along to the farm of Christoffel Rog, where she, the relator, slept with the two other slaves, and having been brought from there the following day with a small Hottentot to Swellendam to the requisitionist, she recounted the whole case to him, which the relator believes to have been about fourteen or fifteen days before New Year or the first day of this year. That the relator was inspected the following day by the surgeon Montaban, who, after that inspection, affirmed to her that she had been, so to speak, beaten to pieces. That a few days thereafter having come to Swellendam to the requisitionist, the relator's master at that time, the aforesaid Conradi, the relator having been brought into the presence of the same, she showed her whole body once again, which was full of such open wounds, that the visible marks which she, the relator, showed to the undersigned commissioners to this day, as well as from the irons in which she was mostly shackled, can still serve as proof; just as she also showed to her same master at that time, the aforesaid Conradi, in the presence of the requisitionist, the child currently with her named Rosina, and asked him if it was not his child; the aforesaid Conradi said to the requisitionist, yes, that it was his child, and with folded hands, weeping, affirmed to the requisitionist that he did not know how he had come to that misfortune, and at the same time begged the requisitionist that the requisitionist, for the sake of the peace and quiet of him, Conradi, with his wife, might please sell the maid; the requisitionist said to him, Conradi, that he could not very well do so, while the people would see the signs of mistreatment too clearly, and would complain about it; whereupon she, at the request of the aforesaid Conradi, was ordered to step down. The relator testifying lastly that she never had carnal knowledge of any other person than the aforesaid Conradi, or her former master, and that the whitish hair and light blue eyes of the child currently with her, as well as of the one already deceased, showed the same, and her former master, coming into her presence either before or after, will never nor can deny such. Declaring nothing more, the relator gives for reasons of knowledge as in the requisition, offering always to substantiate the same further. Underneath was written: Thus related at the Cape of Good Hope on the 12 July 1783 before the Honorable Tobias Christiaan Ronnenkamp and Johannes Smuts, members of the Honorable Court of Justice aforementioned, who duly signed the minute of this together with the relator and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: Hendrik Lodewijk Bletterman. Re-examination Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government the slave Jannetje of the Cape, who, this her preceding report having been read out to her clearly and distinctly word for word, declared to persist by it, not desiring that anything more be added or taken away, and further testified in the presence of the burgher Hendrik Memeling as authorized agent of the fellow burgher Fredrik Hendrik Conradi that the preceding is the pure truth. Underneath was written: Thus re-examined at the Cape of Good Hope on the 10 May 1785. Lower: A cross and written around it: this cross the slave Jannetje of the Cape made with her own hand, as being unable to write. Lower: In my presence. Signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: as commissioners. Signed: G: E: Cruywagen and Joh Smuts. I the undersigned acknowledge the truth to be, that in the month of December, the exact day unknown, my son came home from my neighbor Dewald Andriesse and said that two boys and a maid of the burgher Fredrik Hendrik Conradi were going to Swellendam to complain; I sent my son to fetch the slaves and they came to me in the yard; I wanted to send the slave woman home, but the maid showed me her body, and I saw that she was terribly and wretchedly beaten, and the maid told me that her master Conradi wanted her to say that the child was by my brother-in-law Cornelis van Eeden; then my husband Fredrik van Eeden brought the slaves to the former heemraad Monsieur Jacobus Botha; if the above is required, I will always confirm it with an oath. Underneath was written: Bosseman's Pad, the 29 June 1783. Signed: Cornelia van Deventer, wife of Fredrik Jacobus van Eeden.
Dutch transcription
in eene Kamer gebragt, en zo door dezelve Dottea als den aldaar Praesent zynde burger Carel Hog, haar relte. ligchaam bezigtigd dewelke beide dan tot haar rele ook gezegd hadden, komt je moet niet beschaamd weezen als je op Swellendam Komt en sij moet t alles maar mooij zeggen, want je bent deerlyk mishandeld, hebbende denzelven Botka een Iongen mede gegeeven, tot op de plaats van den burge Gens Iurge Botha wiers Vrouwe haar relt hebbende bezigtogd aande aldaar praesente Vrouw van den burger Carel Rog die haar relt ook had willen bezigtigen afgeraden had, zulx te doen, dewijl zij zelve zwanger was de rel=e met de beide haare voorm: slaven, vandaar vervolgens naa de plaats van den burger Daniel Stein, weens vrouw haar relte mede bezigtigd hebbende, een kleine kottentot had mede gegeeven tot de Plaats van Christoffel Rog alwaar zij rel=n met de beide andere slaven geslapen en des aenderendaags van daar met een kleine hottentob tot Swellendam bij den reqt gebragt zijnde, aan denzelven 't geheele geval ver„ haald had, 't geen de reb=te vermeend omtrene veertien dagen of Vijftien voor't nieuwe Iaar of de eersten dag dezes Iaars geweest te zijn. dat de rel„tn daags daaraan door den Chirurgijn mon „taban bezigtigd zijnde, na die bezigtiging aan haar betuijgd had, dat zij om ze te zeggen in stukken geslagen was. Dat eenige weinige dagendaamna tot Swellend am bij den reqt gekomen zijnde, der relt toenmaalige lijf heer voorsz: Conradi, de relten ter praesentie van den zelven gebragt zijnde, haar geheel ligchaam nog „maals had vertoond, dewelke vol van zodanige opene worden was, dat tot hedende zigtbaare tekenen die zij rett aande ondergetekende gecommitt: zoo wel als vande boeijen, waarin zij meesterdeels gekluij„ „sterd is geweest quam te vertoonen, als nog tot een bewys kunnen dienen, gelijk dexel al mede aanden zelven haaren toenmaligen lijfheer voorsz: Conrodi ter g ter presentie van den reqt haar thans bij haar hebbende kind genaamd Rosina vertoond, en aandenzelven gevraagd had, of het niet zijn kind was, voorsz: Conradi aanden req gezegd had Ia 't zijn kind te zijn, en met te zamen gevon wen handen al weenende aan den req„t betuigd niet te weten hoe hy tot dat ongeluk was gekomen teffens den req gebeeden had, dat de reqt tot rust en vreede van hem Conradi met zijn vrouw dog de meid wilde verkoopen, den reqt tot hem Conrado gezegd had, van zulx niet wel te kunnende en, terwijl de menschen de tekenen dermis„ „handeling te klaar zouden zien, en daaroverklagtig vallen waarop de zels op het verzoek van voorsz: Conradi was bevoolen af te treeden. Detuigende de relte laatstelijk nooijt met eenig ander perzoon als met voorsz: Conradi, ofte haaren voorma„ „ligen lijfheer vleeschelijk te hebben geconverseerd en dat de witagtige hairen en ligtblaauwe oogen van 't thans bij haar hebbende kind, zo wel als van't reeds overledene 't zelvs aantoonde, en haar voormalige lyfhar zo voor als na nog ter harer praesentie komende nimmer zulx zal nog kan ontkennen. Niet meer Verklaarende geeft de rele voor redenen van wetenschap als in den reqt. praesenteerende hetzelve altoos nader te staven. /:Onderstond:/ Aldus gelelateerd aan Cabo de goede hoop den 12 July 1783 voor d EE Tobias Christiaan Ronnenkamp en Johanna Smits leden uit den E: Achtb: Raad van Justitie voorm:t die de minute dezer benevens de relk en mij gezee: Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager:/ Twelk Ik getuige /:was getekend:) Hendrik Lodewijk Dletterman. Recollement Compareerde voorde onderget: gecommitt: wit den E: Achtb Achtb: raad van Iustitie dezes gouvernements de Sla„ vinne Iannetje van de Caab, dewelke dit haar voorenstaan „de Relaas van woorde tot woorde klaar en duijdelijk voorgeleezen wozende, verklaarde daar bij te Persisteeren, niet begeerende dat er iets meer by gevoegd ofte van gedaan worden zal, En betuigde voorts ter praesentie van den burger Hendrik Memeling als gemagtigte vanden mede burger Fredrik Hendrik Conradi het voorenstaande de zuijvere waarheid te zijn /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goed Hoop den 10 May 1785 /:lager:/ Een kruijs en daaromschreven dit kruijps heeft de slavinne Iannetje van de Caab als niet kunnend Schryven eygenhandig gesteld /:lager:/ mij praesent /:getekend:/: A: L: Bletterman gesa: Clhi /:in margine:/ als gecommitt:s /: getekend:/ G: S: Cruy „wagen en Joh Smits Ik ondergetekende bekenne de waarheid te zijn, dat inde maant desember derigte dag onbewest, mijn zoontuys is gekomen van mijn buurman dewalt Andriesse in gezigt dat er twee Ionges en een meid van den burger Fredrik Hendrik Conradi na Swellendam ging om te klagen ik mijn zoon gezonden om de slaven te halen en zij zijn bi mij op de werf gekomen, ik heb de slavin na huijs willen zenden maardemind heeft mij haar lyf geweezen, in ik heb gezien dat zy deerlyk en eldeg geslagen was, en de meed heeft mijn gezegd, dat haar Baas Conradi hebben wilte dat zy segge moest dat het Kind van mijn Swager Cornelis van Eeden was doen heeft mijn man Fredrik van Eeden, de slaven gebragt tot by den ont hemeraat monsieur Iacobus Boota tel bovenstaande Vercescht wordende zal altijd met leden bevestigen ƒ /onderstond:/ Bassemans pat den 29 Junij 1783 /:getekend:/ Cornelia van deventer, huistrocw van Fredrik Jacobus 0 zulx zulx ene e kend drik 6
English
Re-examination Jacobus van Eeden the elder Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the aforementioned Cornelia van Deventer, wife of Jacobus van Eeden, who, after this her preceding statement had been read out to her clearly and distinctly, declared that she persisted with it, not desiring anything more to be added to or removed from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Fredrik Hendrik Memering as the representative of the burgher Fredrik Hendrik Conradie, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on 20 December 1784. Signed: Cornelia van Deventer. Lower down: In my presence, signed: G: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: J: C: Warneek and J: Karnspek. I, the undersigned Adrianus Montauban, admitted burgher surgeon, hereby attest that, having to be at the drostdy on some private affairs, my lord the Landdrost C: N: van Onkruidt requested me to inspect and examine a slave woman named Jannetje of the Cape, belonging to the burgher Fredrik Hendrik Conradie living behind Kogmanskloof, and that I found the same woman to have been terribly beaten, so that her shoulders, back, down to the legs inclusive were not free of open gashes, all of this in the presence of the above-mentioned Lord Landdrost and his wife, whom I, the undersigned, therefore advised, on account of the state of pregnancy in which that person was, to board the woman out of the house, in order not to have trouble later on of any harm being brought to her or the child she was carrying. Below stood: All the above I, the undersigned, if required, can confirm by oath. Swellendam, 14 December 1782. Signed: Ad: Montauban as above. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the aforementioned Adrianus Montauban, who, after this his preceding statement had been read out to him clearly and distinctly, declared that he persisted with it, desiring that nothing more should be added to or removed from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Hendrik Memeling as the representative of the burgher Fredrik Hendrik Conradie, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on 20 December 1784. Signed: Ad: Montauban. Lower down: In my presence, signed: J: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: P: C: Warneke and J: Karnspek. We, the undersigned, declare it to be the truth that the burgher Fredrik Hendrik Conradie, who on his journey back from Swellendam with his two slave boys in the month of December was at my farm, I asked him, Conradie: Where is the slave woman who went to Swellendam to complain? He, Conradie, answered me: That beast I do not want in my house again, for she is a thief; I have given her to the landdrost to sell, and if the landdrost cannot sell her, he will keep her for himself. These words we shall, if desired, confirm with oaths. Below stood: Bruintjes Rivier, 30 June 1783. Signed: Hans Jurrie Botha and Carel Pieter Rog. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, the aforementioned Hans Jurrie Botha and Carel Pieter Rog, who, after this their preceding deposition had been read out to them clearly and distinctly, declared that they persisted with it, desiring that nothing more should be added to or removed from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Hendrik Memeling as the representative of the burgher Fredrik Hendrik Conradie, each in particular, the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on 20 December 1784. Signed: J: Botha, Carel Petersse Rog. Lower down: In my presence, signed: G: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: P: C: Warnek and J: Karnspek. I, the undersigned, acknowledge it to be true that in the month of December, being on the farm of the former Heemraad Mr. Botha, I saw that a slave woman named Jannetje along with two boys belonging to Fredrik Hendrik Conradie arrived there, and when they were asked by Monsieur Jacobus Botha where they were going, it was answered by them: to Swellendam to complain, we cannot hold out any longer with our master; Monsieur Botha inspected the woman in my presence, as I also did, finding the woman's entire upper body raw and wretchedly beaten as I have never seen a person beaten before, wherefore Monsieur Botha said: if you Swellendam
Dutch transcription
Recollement Jacobus van Leden de oude Compareerde voor ons ondergets gecommitt:s uit den E: Achtb: rade van Iustitie dezes Gouvernements voorm Cornelia van deventer, huijsvrouw van Jacobus van Eeden, dewelke deze hare voorenstaande verklaring klaar en dridelijk voorgeleezen wezende, verklaarde daarbij te persisteeren, niet begeerende dat er iets meer bij ofte afgedaan werden zal, Ersprak derhalven ter bevestiging der waarheid vandien ter praesentie van den burger Fredrik Hendrik Memering als gem: vanden bur ger Fredrik Hendrik Conradie, de solemneele woorden zo waarlijk hebp mij god almagtig /.onderstond:/ Aldus gerecolleert en beeedigd aan Cabo de goede koop den 20 december 1784 /:getekend:/ Cornelia van de verte /:lager & mij praesent /:getekend G: L: Bletterman gezed Clercq /:in margine:/ als gecommitt: /:getekend: J:C Warneek en I: Karnspek Ik ondergetekende Adrianas Montautan geadmitteerd burger Chirurgijn, attesteere met deze, dat om eenige Particuliere affaires ter drostdye moest wezen, mijn heer den landdrost C: N: van Onkruidt mij heeft verzogt ter visitatie en beschouwinge van een Slaave meid genaamd Iannetje vande Caab toebehoorende aanden burger Fre„ drik Hendrik Conrade woonende agter Kogmans slaaf dezelve merd bevonden heb te zijn deerlyk geslagen, zo dat haar schouders, rugge, tot de beenen inclusive met vrij van opene naden waren, dit alles ter praesentie van bo„ vengem: heer Landdrost en deszelvs huijsvrouw, die ik onderget: daarom hebbe geraden negens de staat van Swangerschap waarin die Info zig bevond, biverde weid buiten huis te doen: om naderhand geen nood te hebben van zy of haar kind het geene zys droeg eenig Ongemak V 3 ongemak toe te brengen /:onderstond/ al het bovenstaande ik onderget: des gerequireerd wor„ dende met Eede kanstaven, swelkendam 14 december 1782 /:getekend:/ Ad: montauban at Supra D Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E: Achtb: rade van Iustitie deres gouvernements, voorm: adrianu Montauban, dewelke dezo zijne voorenstaande verklaring klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verklaarde daarbij te blijven persisteeren, met begeer dat er niet meer bij gevoegt ofte afgedaan worden zal En sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid vandien ter presentie van den burger Hendrik Memeling als gemagtigde van den burger Fredrik Hendrik Con radi, de Solemneele woord en zo waarlijk help mij God almagtig Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop de 20 december 1784 /:getekend:/ Ad: Montaaban /:lager mij praesent /:getekend:/ I: L: Bletterman gesu C: /:in margine :/ als gecommitt: /:getekend:) P: C: Warneke en I: Karnspek. wy ondergetekende Verklaare, de waarheid te zijn, dat den burger Fredrik Hendrik Conrado, die in zyn lerugrees van Sweltendam met zijn twee Slave Ionges in de maand december, bij mijn op de plaats aangeweest is, ik hem Conrade gevraagd hebt, waar is voumeid die na Swellendan is gegaan, om te klage hy Conrado mij geantwoord heeft, die beest wil ik in mijn hui niet weer hebben, want het is een dief, ik heb haar aande landdrost gegeven om te verkopen, en als de Landrost haar niet verkopen kan zal hy haar voor hem zelvs houwe, deeze woorden zullen wy als het begeert work met /:onderstond:/ leden d op heer te „ Eeden betuijgen /:onderstond:/ Druintjes Rivier den 30 Iunij 1783 /:getekend:/ han Iurrie Botha en Carel Pieter Rog Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E Achtb: raad van JIustitie deze gouvernements voorsz Hans Jurra Botha, Carel Pieter Rog, dewelke deze hunne voorenstaande dispositie klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verklaarde daarbij te persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan worden En spraken dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien ter praesentie van den burger Hendrik Memeling als gem: vanden burger Fredriks Hendrik Conradi ieder in 't bizonder, de Solemneele woorden, zo waarlijk help mij God Almagtig Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Koop den 20 december 1784 /:getekend:/ : J: Botha, Carel Pe tersse Roggd /:lager:/ mij praesent /:getekend:/ G: L: Botter man gezee: Clercq: /:in margine:/ als gecommitt: /:getekend:/ P: V: Warnek en I: Karnspek. Ik onderget: bekenne hoe waar is, dat ik onde maand december, op de plaats van den oud beemraad Mr Bata zijnde gezien heb, dat aldaar een slave meid met naame Jannetje beneevens 2 Ionges toebehoorendd Fredrik Hendrik Conradi gekomen zijn doen geleijt mons Jacobus Boma gevraagd is, waarzij natoe ginge door haar lieden geantwoord na Swellendane om te klagen wij kunnen het niet langer uithouwen by onze baas, monsr Boota de werden in der mijn presentie bekeeken heeft, gelyk ik ook gedaan heb bevende de weed haar geheele bodenlyf rouw en zo ik nooyt een mens gezien heb elendig geslagen door merom Mons Dootha gezegd, als zullen swellen /:onderstond:/ „dam
English
dam comes she must not be ashamed but show everything properly, because she looks terrible, and if this above is desired, will always confirm it with oaths. Was below: Druintjes revier the 27: Iuni 1783. Signed: Carel Pieter roch. Re-examination. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned Carel Pieter Roch, who, this preceding statement of his having been read out clearly and distinctly, declared to persist thereby, not desiring that anything more be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Hendrik Memeling, as proxy of the burgher Fredrik Conradi, the solemn words: So truly help me God almighty. Was below: Thus re-examined and sworn at Cabo de goede hoop the 20 december 1784. Signed: Carel Pieter Rog. Lower down: In my presence. Signed: I: L: Bletterman. In the margin: As commissioners. Signed: L: C: Warneck and J: Karnspek. By virtue of the decree of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government at Cabo de goede Hoop granted under date of 31. Iuli of this year and annexed hereto in authentic copy extract, the court messenger Christoph Fredrik Wotzky shall, in the name and on behalf of me, the undersigned Constant van Nult Onkruydt, Landdrost of the Colony of Swellendam, betake himself to the person or the dwelling of the burgher Fredrik Hendrik Conradi and duly and properly summon the same to appear in person before the well-mentioned Honorable Worshipful Council on Thursday the 9 October next at nine o'clock in the morning, or if that is not a court day, on the first court day following thereafter, in order to hear such claim and conclusion, request or requests as the undersigned ex officio shall then deem necessary to make and take against the same Conradi, to answer thereto, and further to proceed according to law. Serve properly, provide a copy if desired, and report your experiences in writing. Was below: Swellendam the 13 August 1783. Signed: C: van Nult Onkruydt. Court messenger Christoph Fredrik Wotskyj. Summon, in the name and on behalf of me, the undersigned Constant van Nult Onkruydt, Landdrost of the Colony of Swellendam, before the Honorable Worshipful Council of Justice of the Government of Cabo de goede Hoop, for Thursday, which will be the 6 November of this year, and if that is not a court day, on the first court day following thereafter, at precisely nine o'clock in the morning, Elizabeth Rossouw, wife of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, in order to hear, in the case of abuse committed against the female slave Jannetje of the Cape, such written claim and conclusion as shall be made and taken ex officio by me, the undersigned, to answer thereto, and further to proceed according to law. Serve properly, provide a copy if desired, and report your experiences in writing. Was below: Swellendam the 13 aug:s 1783. Signed: C: van Nult Onkruydt. The undersigned court messenger, I have duly delivered these accompanying citations, which were handed to me by the Landdrost Constant van Nult Onkruydt, by copy via the burgher Fredrik Iacobus Vogel to the burgher Fredrik Hendrik Conradi, together with his wife Elizabeth Rossouw, at their house on the 18 august, whereupon no reply has followed to my letter attached thereto. Was below: Swellendam the 18 aug 1783. Signed: C: F: Wotzky court messenger. Underneath: NB: I was indisposed so as not to be able to perform the service myself. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Landdrost of the district of Swellendam, Constant van Nult Onkruidt, ex officio plaintiff in a criminal case, of the one part, Against the burgher and farmer Fredrik Hendrik Conradi, defendant in the aforesaid case, of the other part. Article 1. And the same says that pursuant to the interlocutory judgment annexed hereto under letter A, the ex officio plaintiff having caused the defendant in this case to be heard on such interrogatories as were formulated for that purpose; that from the responses to the same interrogatories given by the defendant, it appeared to the ex officio plaintiff that he could not continue to proceed extra-ordinarily on the crimes charged against him, because with respect to the atrocious insults inflicted upon the ex officio plaintiff in the petition presented by his, the defendant's, wife, he excused himself with the claim that the same petition was not presented through his doing or with his knowledge, but at the instigation of the Commander of the Swellendam invalids, Iacob van Reenen, as well as the insults inserted therein, to which he, van Reenen, apparently thinks he is authorized; also for that reason, as well as to give the defendant proper opportunity to be better able to present his defenses, he requested of Your Honorable Worships that the defendant might be admitted to an ordinary trial, and thereby might be assisted by an advocate or spokesman; which Your Honorable Worships have also been favorably pleased to approve. Article 2.
Dutch transcription
dam komt moet zy niet beschant wezen maar wyst alles mooy want sulle ziet er deerlyk uit, dit bovenstaande begeert wordende, altoos met Eeden zal bevestigen /:onderstond:/ Druintjes revier den 27: Iuni 1783 /:getekend:/ Carel Pieter roch Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E: achtb Raade van Justitie dezes gouvernements, voorm: Carel Pieter Roch, dewelke deze zyne voorenstaande verklaring klaar en. duydelyk voorgeleezen wezende, verklaarde daarby te persisteeren, niet begeerende dat er iets meer by ofte van gedaan worden zal, En spak dierhalven ten bevestiging derwaarheid vandien ter praesentie van den burger Lon„ drik Memeling, als gem: vanden burger Fredrik Conrade de solemneele woorden zo waarlyk help mij god almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 20 december 1784 /:getekend:/ Carel Pater Rog /:lager:/ mij present /:getekend:/ I: L: Bletterman /:in margine:/ als gecommitt: /:getekend:/ L: C: Warneck en J: Karmspek. — Uyt kragte van het decreet van den Edelen Achtbaren Raade van Iustitie der Gouvernements aan Cabo de goede Doop sub dato 31. Iuli dezes Iaars verleend en dezen in Copia authenticq Extract geannexeerd, zal de gerechtsbode Christoph Fredrik Wots hy zig uit naam ende van wegens my ondergetekende Constant van Nult Onkruydt, land drost der Colonie Swellendam vervoegen aan den per„ zoon of de woonstede van den burger Fredrik Hendrik Conradi en denzelven wel en wertig dagvaaren, omme op donderdag den 9 October eerstkomende 's morgens de klokke negen uuren afte als dan geen rechtdag zynde, den arsten rechtdag daar aan volgende in perzoon te compareeren voor wel gem: E. Achtb: rode ten zynde te aanhoren zodanigen eisch en Conclusie verzoek of verzoeken als den ondergetekende Rat: off: als dan zal nodig oordeelen tegens denzelven Conrade te doen en te noemen, daarop te antwoorden, en voorts de procedeeren als en he en als naar rechten Exploicteerd behoorlyk geeft Coma das begeerd wordonde en relateer uw wedervaren in geschrifte /:onderstond:/ Sweltendam den 13 Augusts 1783 /:getekend:/ C: van huld Onkruydt. Gerechts bode Christoph Fredrik Wotskyj Oagvaard uit naam ende van wegens mij onderget: Constant van Vuld Onkruijdt Landdrost der Colone Swellendan voor den E: Achtb: Rade van Iustitie des Gouvernements van Cabo de goede Hoop, tegens donderdag zullende zijn den E November dezes Iaars ende als dan geen rechtdag zijnde den eersten rechts ag daar aan volgende 'S morgens de klokke preecies negen oure Elizabeth Rossona huysvrouw van den burger Fredrik Hendrik Conradi, omme in Cas van gepleegde mishandeling aan de Slavenne Iannetje vande Caab, te aanhoren zodanigen schriftelyk en eisch ende conclusie als door mij ondergetekende Amptshalve zal worden gedaan ende genomen, daarop te antwoorden ende voorss te procedeeren als naar rechten Exploicteert. behoorlyk geeft Copia des begerd ver dende en relateerd uw wedervaren en geschrifte /:onderstond:/ wellendam den 13 aug:s 1783 /:getekend:/ C: van Nold Onkruydt. Ondergetekende gerecht bode hebbe deze nevens gaande Citaties, die my door den heer Landdrost Constant van vult Onkruydt is ter hand gesteld, behoorlijk door Copij met den burger Fredrik Iacobus Vogel, aan den burger Fredrik Hendrik Conradi, benevens zijn huysvrouw Elizabeth Rossour den 18 august ten huyze bezorgt waarop op mijn daarbij gevoegte brief geen antwoord is gevolgt /:onderstond:/ Swellendam den 18 aug 1783 /:getekend:/ C: I: Wakske g: C: /:daaronder :/ B: ik was onpasselijk omme het exploict zelvs te kunnen doen Compareerde . Ant 1 Ende de dezeggen dat in gevolge interlocutoir Vonnis dezen sub L:a A gean„ „nexeerd. de rat: Off: Eesscher hebbende doenhoren den ged: indezen op zodanige vraagpoincten als tot dat einde waren geformeerd. dat uit de responsiven op dezelve vraagpoincten door den gede gegeeven aan den Rat: Off: Eiss toe gescheenen zijnde niet te kunnen blyven Extra ordinair voort procedeeren Op de hem ten lasten gelegde misdaden alzo hij ten opzegte der aan den nat: off: liss:s bij het door zyn ged: huysvrouw gepraesenteerd request toegebragte atroce injurien zeg heeft Verontschuldigd. met dat tzelve request niet door zijn toedoen of met zijn weeten was gepraesenteerd, maarop instigatie van den Commandant der Swellendamse in volides Iacob van Reenen, zo wel als de daarby geinsereerde Injurien, waartoe hij van Reenen na 't schynd meend bevoegd te zijn ook ze om die reden als om den ged:e behoorlijk gelegen„ heid te geeven zijne defensien des te beter te kunnen bybrengen van Uwel Edele Achtb: verzogt dat den ged:e mogt werden geadmitteerd in een ordinair Proces, mits„ dien door voorspraak of Taalman mogte werden bediend. zo als Uwel Edele Achtb: als ook gunstig hebben gelieven te approbeeren Op ende Jeegen denburger en Landbouwer Fredrik Hendrik Conrade ged in't voorsz: cas ter andere zide Compareerde voor den E: Achtbaare Raade van Iustitie dezes gouvernements den Landdrost des distrieks Swellendan, Constant van Nult onkruidt R: O: Eiss incascrimineel ter eenre Art: 11. 2. LK
English
Article 11 that the matter having been brought to this state, the acting officer plaintiff now also, under respectful correction, believes he must deal with the crimes committed by the defendant as the true and substantial circumstances entail. And whether the pertinent confession to date of the crimes charged against the defendant can acquit him of the generally established punishments. 13 That the defendant herein had carnally mingled with the female slave Jannetje of the Cape, 14 and that this mingling had as its consequence that she brought forth white or fair-skinned children, 15 and that, in turn, the bringing forth of those white or fair-skinned children gave occasion or was the cause that she, the female slave, was mistreated both by the defendant and his wife, 16 and that this mistreatment was so inhumane and barbarous, and so contrary to what is expected of a Christian, that two heathens, namely two other of her fellow slaves, moved by pity, assisted the female slave and helped her bring their lawful complaints to the knowledge of the acting officer plaintiff. 17. That, says the said acting officer plaintiff, can be shown as true and sufficiently adequate from the probable circumstances arising in the account given by the female slave Jannetje in the presence of the commissioner gentlemen from this Honorable Council. 18 For if one considers with careful reflection the context of that narrative, 19 then surely no one will be able to prove 20 that, in proportion to the state and condition in which the female slave was born and raised, 21 such a matter with such circumstances as appear in that account could have been feigned, false, and fabricated. 22 Article 23 The latter has been convincingly proven, 24 namely that the female slave was mistreated in an inhumane and very barbarous manner, 25 as the female slave showed the marks thereof to the commissioner gentlemen from this Honorable Council, 26 and the cause of this mistreatment is, apart from those concurrent probable circumstances which the female slave relates in her account, sufficiently confirmed by the wife of van Eede. 27 Through the shown marks of the mistreatment inflicted upon her, that female slave had aroused enough pity in the heart of that woman to assist her with what she needed, without that woman having made any further inquiry into the reasons for it, 28 saying of her own accord, because my master, the defendant herein, wanted me to say that the child of which I was delivered was by Cornelis van Eeden. 29 That over and above all this, the acting officer plaintiff trusts that your Honors will wish to place beyond all further doubt 30 the confession made by the defendant's own mouth to the acting officer plaintiff with wet, tearful eyes, 31 that both children procreated by the female slave Jannetje were his, 32: and he, the defendant, did not know how he had come to that, 33 continually mingling carnally with that female slave, 34 and which had aroused a continuous quarrel and discord between him and his, otherwise ill-natured, wife. 35 The acting officer plaintiff, having deduced and verified the crimes charged against the defendant from sufficient probable circumstances, 36 now also believes in the second place, under wiser judgment, to deduce the probability of the proofs from the laws applicable in this respect, 37 before he can proceed to the punishments established for the crimes committed by the defendant. 38 And then here ought to come into no small consideration Article 40, what Mr. van Hogendorp says in his quoted Carpzovius, 2nd volume, 106th chapter, § 25: if it concerns a slight crime and a minor injury, whether this and that presumption concur with a single witness, in which case the crime, according to some legal scholars, is proved by a single witness and the accused is convicted. And subsequently at the 107th chapter, § 6: prominent legal scholars are of the opinion that from mere presumptions it becomes evident, and even a hidden crime is delivered over to condemnation. 41 Just as in the commission of acts of fornication or adultery no one is called upon as a witness, 42 but it is always accomplished in a secret and hidden manner, 43 and which opinion of the gentleman Carpzovius is again illuminated even more strongly by the 16th definition or explanation of the gentleman van Zutphen, page 19, where it is said: for the multitude of many probable and not necessary signs makes someone certain of the matter and moves the judge so that he cannot believe otherwise than that the crime was committed by the accused, etc. 44 The acting officer plaintiff, having under respectful reverence sufficiently proven from the laws adduced hereinbefore the first crime committed by the defendant, 45 and from which naturally the second crime committed by the defendant appears most clearly, as well as from the visible marks which the female slave showed to the commissioner gentlemen upon giving her account, 46 the acting officer plaintiff, in order not to occupy the attention of your Honors any further to no purpose, will briefly point out the punishments which are established for the same crimes and which the defendant has incurred, 48 and regarding which punishments the aforementioned Mr. Carpzovius, 2nd volume, 47th chapter, § 27 and 28; Moorman, book 2, chapter 13, § 6; Simon van Leeuwen, Roman-Dutch
Dutch transcription
Art: 11 dat de zaake in dien staat zynde gebragt de rat: off: Eissr ook nu onder eerbiedige Correctie vermeend, de misdaden door den gede begaan dusdanig te moeten afhandelen als de waare en wezendlyke omstandigheden mede brengen. En of de tot als pertenente bekentenisse der aanden gede ten lasten gelegde misdaden hem van de algemeene gestatueerde straffen vryspreeken kan dat den ged in dezen zig Vleeschelyk met de slavinne Jannetje vande Caab heeft vermingd gehad en dat die vermarging tot zijn gevolg heeft gehad dat zy witte of blanke kinderen heefft voortgebragt En dat wederom het voorbrengen dier witte of blanke kinderen gelegenheer heeft gegeeven of oorzaak zyj dat zy slavinne zo door den ged:e als zijn huysvrouw is nus handeld geworden en dat die mishandeling zo ontmenscht en barbaars ch en zo strijdig aan de verwagtig van een Christen is ge weest, dat twee heidenen en wel twee andere harer mede slaven, door medelyden bewoogen, die slavinne aande hand hebben gegeeven en hare behulpzaam zijn ge„ „weest hunne regtmaatige klagten aan den zak: off: Eiss ter Kennisse te brengen. dat zegt die R:O: Eessr kan uit de waarschijnelijke omstandigheden in het relaas ten overstaan van Heeren gecommitt:s uit dezen E: achtb: Rade, door de slavinne Iannetje gegeeven voortkomende als het waare en genoegzaam voldoende werden aangetoond. want gaat men met naauwkeurige reflexie na den context vandat Verhaal dan zal immers niemand instaat zijn te kunnen be„ wyzen dat na mate den staat en den toestand waarin de slavenne geboren en opgevoed is. Eene dergelyke zaak met zodanige omstandigheden als in dat -relaas voorkomen gefingeerd volsch en verdigd zal kunnen zijn.— Ant. 23 13 14 15 16 17. 18 19 2o 21 22 Art: 23 het laatste is overtuygende beweezen dat die slavinne namentlijk ontmenscht en zeer barbaarsch is mishandeld geworden alzo die slavinne de teekenen daarvan aan heeren gecommitt: uit dezen E: Achtb: Rade heeft vertoond ende oorzaak van deze mishandeling werd buyten die zamen lopende waarschynelyke omstandigheden, die de slavinne bij haar verhaal doet, genoegzaam door de vrouw van van Eede bevestigd. die slavinne had door de vertoonde tekenen der aan haar gepleegde mishandeling medelyden genoeg in het hart van die vrouw verwekt om haar behulpzaam te zijn als dat zy nodig had zonder dat die vrouw eenig navraag naderedenen daarvan had gedaan. uit eigen beweging te zeggen, om dat mijn baas /:den ged in dezen :/ hebbe welde dat ik zeggen zoude het kind waar van ik verlost ben van Cornelis vanleden te zijn „ dat boven en behalven dit alles den Rak: Off: Eiss„s vertrouwd dat UwelEd: Achtb: buiten alle verderen twyfel zullen willen stellen de eygenmondige door den ged:e aanden rat: off: Eijsscher met nat betraande oogen gedaane Confessie dat de beide kinderen door de slaoin Pannetje voortge „teeld de zijne waren en hij gede niet wiest hoe daartoe was overgegaan. by aanhoudenheid met die slavenne zig vleeschelijk te vermengen. en het welk een continueele twest en tweedragt tusschen hem en zijne buyten des kwaadaartige huijsvrouw had ver wekt. de rat: off: Eessr de aan den ged' ten lasten gelegde mis„ daden uit de genoegzaame waarschynelyke omstandig heden gededuceerd ende geverifieerd hebbende mand nu ook in de tweede plaats /:onder wyzer oordeel uit de ten dezen opzigte in applicatie komende wetten afte leiden, de probabiliteijt der bewyzen alvoorens hij kan overgaan tot de op de door den ged gepleegde misdaden, bepaalde straffen En dan behoord alhier in geen geringe consideratie te - 24 25 26 27 28 29 30 31 32: 33 34 35 36 7 38 Art: 40, te komen het geen de heer van Dogendorp in zyn verhaalden Carpzovius 11D:1o b hoofdst: 8 25 zegt „ indien over een ligte misdaad, en een gering nadeel gekan „deld worde, of ze deze en geene onderstelling met een „eenige getuigen te zamenlopen. in welk gevalde „misdaad naar het zeggen van zommige rechts ge„ „leerden door eenen eenigen getuigen beweezen ende be „klaagde overtuigd word. en vervolgens by het 10t hoofdstuk D 6 „voornaame rechts geleerden zyn van gedagten, dat „uit bloote vermoeders blyken, zelvs en verborgene „misdal en ter verwijzinge word overgegeven. 41 gelyk by het pleegen van hoererijen of overspel niemand als getuijgen werd bijgeroepen 42 maar altoos op eene heimelyke en verborgene wyze word volbragt en welk gevoelen van den heer Carpzoons wederom nog 229 sterker ligt word bygezet door de XVV definitie ofte den klaring vande heer van Landen Pag: 1g alwaar gezegd word„ „ want de menigte van veele waarschynelyke en geene „ noodzakelyke kentekenen, doet iemand verzekeren van de zaak ende beweegd den rechter dat hij anders niet „kan geloven, als dat de misdaad vanden beklaagden zij begaan &c do rat: off: Eisst uit de hier vooren bijgebragte wetten /:onder eerbiedige reverentie :/ voldoende genoeg hebben. de beweezen, de eerste misdaad door den ged: begaan en waaruit vanzelve de tweede door den gede begaandrus 45 daad ten klaarsten consteerd, zo wel als uit de zegtbaare tekenen dewelke de slavinne bij het passeeren van haar Relaas aan heeren gecommitt: heeft vertoond 46 zal de rat: Off: Ciss:s omme de attentie van uw elEd: Acht: niet verder witteloos te occupeeren kortelyk remarqueren de straffen, dewelke op dezelve misdaden zijn gestatu eerd enden ged heeft geincurreerd. 48 en omtrend welke straffen de eevengemelde heer Carpzovius 11D. 47 hoofdst: 327 en 28. Moorman 2 boek 13 hoofdst: §6 Simon van Leeuwen Roomsch 17 44 Hollandsch . „
English
Article 49 Dutch Law, Book 4, Part 37, section 38. The Ordinance on Criminal Justice, Article 60 in the notes, and a multitude of other doctors of law, besides the statutory laws of the Indies, Title: fornication and adultery, all state that a married person having committed adultery with an unmarried person shall be declared infamous, forfeit office and station, and become incapacitated, together with, according to the statutory laws of the Indies, a fine of one hundred Rixdollars. Paragraph 1. Whereas, regarding the mistreatment committed by the defendant against the said slave Jannetje as the second crime of the defendant, 52 no other law ought to be applied than that which up to the present day has been practiced in this place, and which seems principally to consist therein: 53 that, besides a fine, the perpetrator is deprived of the means by which he might seek to satisfy his vengeful disposition, 55 which, the one as well as the other, is nevertheless always left to the discretion of the judge; 56 and departing therefrom, the prosecuting officer will now endeavor to demonstrate in a single word 57 that the categorical and total denial by the defendant in his responses cannot in any way absolve him from punishment. In this respect, the prosecuting officer submits, with due deference, solely to the enlightened judgment of Your Honors the two following responses of the defendant, namely: the reply to Article 21, wherein the defendant says that the child of the slave Jannetje was indeed burned, but tacitly passes over the cause thereof, which was because the mother was not permitted to look after the child; and the reply to Article 26, where the defendant says no, he was not called by his wife to beat the said Jannetje with a number of quince tree laths drawn through the fire, but rather because the said Jannetje was insolent toward his wife, he had, at the request of his wife, given a few blows with a quince tree lath, but the same having broken, he, the defendant, had given her another lash or so with an end of a sjambok. And then the prosecuting officer trusts that when one considers the natural strength of a quince tree lath, and that of an end of a sjambok, and when one then again considers that with the first a few blows and with the latter a lash or so were given, it will appear to the simplest among reasonable creatures incomprehensible, nay rather unbelievable, that one could have inflicted upon a human body from the shoulders down to the legs such open welts and wounds, and that every impartial eye who examined the slave on her way to lodge a complaint considered the deed to be abominable. Over and above that, in the negative and contradictory statements, the truth is, as it were, unfolded and laid bare; and upon weighing the aforesaid two responses together with the points of interrogation with some close reflection, one will quickly discover that through a wrongly applied induction and reconciliation in the defendant's denial, the coherent account of the slave Jannetje merits the strongest credit; that the prosecuting officer, with due deference, maintains to have laid open and proven before Your Honors the crimes which were committed by the defendant, and the punishments which he has incurred by the commission of those same crimes; and finally that, however much the categorical and total denial made cannot absolve him, the defendant, from the statutory punishments, one has nevertheless always referred the one as well as the other to the discretion of the judge. For which and other reasons and means to be deduced more fully in due time and place if necessary, the prosecuting officer, making his demand, concluded that the slave Jannetje of the Cape mentioned herein, together with her child, by order of Your Honors, in conformity with the conclusion taken by the prosecuting officer against the defendant's wife, shall be sold publicly to the highest bidder by judicial sale for the benefit of him, the defendant, under this express condition: that the said slave and her child shall never be permitted to come under the power of the defendant or any of his next of kin; furthermore, that the defendant shall be declared stripped of all civil prerogatives and disqualified from ever holding any office or post, with condemnation both to a fine of one hundred Rixdollars for the benefit of the prosecuting officer, and to all costs incurred in this lawsuit; or to such other penalties and punishments as Your Honors shall find and judge to be proper. Signed: C. V. Nuld, undersigned. In the margin: Exhibited in court on 18 January 1784. Account given in the presence of the undersigned commissioners at the requisition of the Landdrost of
Dutch transcription
Art. 49 Hollandsch Recht 4 Boek 37 deel 38. De Ordonn: op de crimineele Justitie Art: 60 in notis en eene menigte andere D: D. behalven de statuacre wetten van India Tit: hoererye en overspel alle zeggen dat een gehuuwde Perzoon overspel hebbende gepleegd met een ongehuurde verklaard zal worden Eerloos verbeurte van Ampt staat en inhabiel mitsgaders na de statuaire wetten van india in eene boete van een honderd Ryxd: § 1 Terwijl wegens de door den ged gepleegde mishandeling aan rd Slavinne Tannokje als de tweede misdaad van den Ged 52 geene andere wet in applicatie behoord te komen als die tot den huydigen dag ter dezer plaatze is geisiteerd en welke voornamentlijk daarin schynt te bestaan 53 dat men buiten eene amende den dader het middel heeft benoomen waardoor hij zijn wraakzugtig gemoed zou tragten te bevredigen. 55 welke een zo wel als ander egter altoos aan het arbitrium vanden rechter is overgelaten; 56 En waarvan de rat: Coss: Eiss afstappende als nu nog met een enkel woord zal tragten aantetoonen 57 Dat de Pertineute en to taale ontkentenisse vanden ged bij zijne responsiven hem in geene deel vande straffe vrij spreeken kan. ten dezen opzigte steld de rat: off: Eiss: /: onder eerbiedigd verbetering /alleenlyk aan't verligter oordeel van Uwe EEd: Achtb: over de twee volgende responsiven van den ged:e te weeten rent„ op art: 21 alwaar den ged zegt het kind, vande Slavin Iannetje wel te zijn verbrand geweest maar gaat stelswygende voorby de oorzaak daarvan het welk was, om dat de moeder het kind niet mogt oppassen 1 en resp oart 26 zegt den gede Neen niet door zijn huysvrouw geroepen te zyn 54 58 Om 50. 59 60 Arb: 62. om gem: Jannetje met een partij door het vuur gehaalde quee peerlatjes te slaan, maar wel om dat gem:e Jannetje tegens zijn huysvrouw brutaal was, had hij op verzoek van zijn huisvrouw, met een queepeerlatje een paar slagen gegeeven, dog dezelve gebrooken zynde, had hij ged haar nog een streek of wat met een end van een sjamboks gegeeven. En dan vertrouwd de rat: off: Eyssr dat wanneer mende notaurlyk sterkte van een twee peerlatje, en die van een End Sjambok nagaat. En wanneer men dan wederom nagaat dat men met het eerste Een paar slagen en met het laatste een streek of wat heeft gegeeven het aande eenvoodigste onder de redelyke schepzelen onbegrypelyk Ja beter gezegd ongeloofbaar zal voor dat men eene menschen Ligehaam van de Schouderen af tot op de beenen diergelyke opene stroemen en wonden heeft kunnen toebrengen dat ieder onpartijdig oog die de Slavinne op haren weg om te gaan klagen bezigtigd de daad als afschee welijk hebben geconsidereerd. boven en behalven dat in de negativen en contradictoire het waare als ontvouwd en opengelegd word dat men met eenige naauwkeurige reflexien overwee„ gende de voorsz: beide responsiven met de vraagpoincten ras ontdekken zal dat hij de ontkentenis van den gede door eene verkeerde geapliceerde inductie en conciliatie 7o het in eenze goed verbandstaande relaas van de sla„ vinne Seennetje den sterksten byval meriteerd dat de zat:s off: Eiss:r /: onder Eerbiedige verbeteringe sustineerd voor UwelEd: Achtb: te hebben openge legd en beweezen. de misdaden dewelke door den gede zijn gepleegd ende straffen welke hij door het plegen van diezelve misdaden heeft geincurreerd. en eyndelyk dat hoe zeer ook de pertinente en tot als komen. 74 2 72 71 69 64 gedaane 3 68 Crt75 gedaane ontkentenis hem geds van de gestatueerde straffen niet vrij spreeken kan men egter altoos het een za wel als het ander, aan 't Arbitairm van den Rechter heeft gedefereerd gelaten Mits welke en andere redenen en middelen in tijden wylen /is 't nood nader te deduceeren den Rat: off Eiss Eisch doende Concludeerde dat de in dezen vermelde Slaven Iannetje vande Caab met haar kind op ordre van uwelEd: Achtb„e conform de door den rat: Off: Eiss Jeegens den ged ' hoep vrouw genoomene Conclusie publier aan den meestbiedende gerechtelijk ten voordeel van hem ged zullen worden verkogt, onder deze expresse conditie dat dezelve slaven en haar kind nooyt onder de magt vanden ged of een zijner naast bestaande zal vermogen te geraaken voorts dat den gede zal worden verklaard verstoken te zijn van allen burgerlijke praerogativen en onbe„ kwaar om ooyt eenige officier of Charges te kunnen bekleden, met con„ demnatie zo in een boete van een hon„ derd Rx: ten profijte van den Rat: Off: Ciss als in alle de ten dezen processe gevallene kosten; of tot zodanige andere poenen en straffen als UEd: Achtb: zullen vinden en oordeelen te behooren /:getekend:/ C: V: Nuld onderetidt /:in margine:/ Exhibi tum en Indicio den 18 Januarij 1784. Relaas gegeeven ten overstaal vande Onderget: gecommitt: ter requisitie vanden Landdrost van
English
That the narratrix, without being able to specify the day or year, was ordered by her first master, the burgher Conradi mentioned in the heading hereof, on an occasion when her mistress, the wife of the said Conradi, had ridden to the Hex River to fetch corn, to fetch chaff from the chaff-loft; the narratrix also went thither, but having arrived there, she was followed by her aforesaid master Conradi, who, having also come onto the loft, threw her, the narratrix, onto the ground; and the narratrix, immediately understanding the intention of her said then master, asked him in substance: Master, what does the Master want to do? adding: I will tell the mistress; whereupon he answered: Hold your mouth, girl, and thus accomplished his carnal desire. That the narratrix, some days after the return of her aforesaid then mistress, having recounted the incident, the latter fell to the ground in a swoon from shock; whereupon the aforesaid Conradi, or her master, helped his wife up again, and having come to herself, she asked her husband, the aforesaid Conradi, whether it was true that he was keeping company with the narratrix, which he denied under the most solemn oaths, and directly called a certain Hottentot, Pantje, who currently resides with the burgher Jacob Hugo at the Breede River, and ordered him to cut a bunch of quince sticks and pass them through the fire; which having been done, both the aforesaid Conradi and that Hottentot took hold of the narratrix, and tied her to the stump of an oak standing before the kitchen door, after her hands and feet were bound fast, of Swellendam Constant van Nult Onkruyd by and on behalf of Jannetje van de Caab of competent age, former slave of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, reading as follows: and she was entirely stripped of her clothes, fastened, after which the said Conradi, with the same quince sticks, beat her, the narratrix, with intervals for so long until, having during the beating constantly affirmed that which she had told his wife, having fallen into a swoon, she was finally forced to say in substance: No, the master did not sleep with me; whereupon she, having been untied and brought into the house, was beaten anew, and when she, the narratrix, came to herself again, her whole body was washed with brine water by some slaves. That the aforesaid Conradi subsequently, with the substantive assurance: Girl, if you say it again now, I will start beating you from the beginning again, constantly had carnal knowledge of the narratrix, until he, Conradi, having perceived that she, the narratrix, was pregnant by him, told her as aforesaid: If you have a child, you must tell your mistress that it is by Adam Basterd, currently residing with the farmer Willem Grobbelaar; which the narratrix's then mistress frequently asked that Hottentot, but not having received a satisfactory answer from that Hottentot, when the narratrix was delivered of a white child, she asked that same aforesaid Bastard Hottentot in the presence of the narratrix whether the child was his, which was answered both previously and then by the Hottentot with: No! Whereupon her then mistress, notwithstanding that the narratrix was still newly lying-in, continually beat and mistreated her daily to such an extent that the narratrix became unable to care properly for her child; her aforesaid mistress subsequently refused to permit the narratrix to help the said child, no matter how much it cried, and to quiet it, so that the narratrix's mistress told her more than once: If you have black children, I will let them be cared for, but not white ones. That the narratrix's child, having finally reached the age of about nine months, had the misfortune of crawling into the fire and thereby burning one leg, which had as a consequence that it died a few days thereafter; and upon inspection, she found several welts and marks on the buttocks of the child, which had been inflicted upon it by the narratrix's aforesaid mistress both with a stick and with a knife sheath; the other slaves, while the narratrix wept over the loss of the child, having said to her: You may be glad that the child is dead, for it did not have an hour of peace in a day. That the narratrix, having been about fourteen days out of childbed, her aforesaid then master, the said Conradi, under the repeatedly made and hereinbefore mentioned threats, again had carnal intercourse with her, until she, the narratrix, having become pregnant with the child she presently has with her, the aforesaid Conradi ordered her, the narratrix, to say that the child was by a certain fellow slave of the narratrix, named Damon van Madagascar, with whom the aforesaid Conradi and his wife had told the narratrix to keep company, though in whose place the narratrix had chosen another fellow black boy named Abraham van Bengalen. That the narratrix, having been delivered of the aforesaid child presently with her, her master, the said Conradi, ordered her, in case his wife, the narratrix's mistress, should ask her whose child it was, to say then that it was by a certain mason, Gerrit van der Blyk, who had lived with the aforesaid Conradi and was already deceased at that time; which the narratrix's mistress refused to believe. That the narratrix, having been about two weeks out of childbed, having gotten a so-called lump in the breast, which the narratrix's aforesaid mistress was busy rubbing with grease, she asked her in substance: Do tell me, girl, whose child it is, I will give you a hundred rixdollars; which the narratrix was afraid to answer truthfully, and thus maintained the statement of her master, the aforesaid Conradi, that the child was by the aforementioned Gerrit van der Blyk; which the narratrix's mistress
Dutch transcription
Dat de rett zonder dag of Iaar te kunnen bepaalen door haren eersten lyfheer de in den hoofde deezes gem: burger Conradi, bij gelegenheid dat haar lyf vrouw de Vrouw van dezelve Conracd na de heprivier gereeden was, om koorn te halen, bevolen zijnde om vande kafzolder kaf aftehalen, de zelt haar ook derwaarts begeeven, dog dat de rele aldaar gekomen zynde, door haaren voorsz: lyfhei Conradi was agter volgt, denwelken op de zoldermede gekomen zynde haar relte: op de aarde had geworpen, ende rel=te direct den meningd van gemelden haren toenmaligen lijfheer begrypende, zij hem substantieelik gevraagd had, Daar, wat wil de Daas doen, met byvoeging, ik zal aannonje zeggen, als wanneer denzelven geantwoord had, houd jer smoel meid, en dusdanig zijne vrijle lasten had gepleegd. dat de relte eenige dagen na de terugkomst van hare voorsz: toenmaligd lyfvrouw 't geval hebbende verhaald, dezelve door ontsteltenisse in staauwte ter aarde was gevallen, als wanneer voorsz: Conradi oft derzelt lyfheer, zijne vrouw wederom opgeholpen en bij haar zelven gekomen zijnde, had zij aan hare man voorsz: Conrade gevraagd, of 't waar was, dat hij met de zel„ts het hield, het welk denzelven onder de duurste leden had genegeert, en directelyk zekeren hoven tot Pantje, die thans by den burger Iacob Hugo aande breede rivier woonagtig is, geroepen en geordonneert een bos qweepeerlatjes af te snijden, en door 't vuur te haalen, 't welk geschied zynde, zo wel voorsz: Conradi als die kotten tot de relte op genoomen, en aande voorde Combuijs deur staande stomp van een eijk na dat hare handen en voeten vast gebonden waren van Swellendam Constant van Nult onkruyd door ende van wegens Jannetje vande Caab van Competenten ouderdom geweze Slaveurd van den burger Fredrik Hendrik Conradi luidende als volgt en en zy geheel en al ontkleid was, vastgemaakt, waarna, de zelve Conradi met dezelve queepeerlatjes, zo lange haar rel by tusschen poezing had geslagen, tot dat zij onder het slaan altoos bevestigd hebbende, het geen zi aan des„ zelvs huysvrouw had gezegd, in flacawste gevallen, ein„ delyk genoodzaakt was geworden, substantieelyk te Zeggen, Neeudebaa heeft niet bij my geslapen, waar op dezels losgebonden en in huis gebragt geworden zynde op nieuws slaan was geworden, en wanneer zij rel weder tot haar zelve was gekomen, door wat Aozijn: men haar geheele lyf met pekelwater had gewassen. dat voorsz: Conradi vervolgens met substantieele verzekering, Meid zo gij 't nu alwederom zegd, zal ik Jou van vooren of beginnen te slaan, altoos vleischelyk met de zelt htad verkeerd, tot dat hij Conradi hebbende bespeard, dat zij relt van hem zwenger was, aan haar invoegen voorsz: gezegt had, zo gij een kind krijgt: moet gij tegens Jou nonje zeggen, dat het van Adam Basterd, thans bij den land b: Willem Grobbelaar woonag „tig is, 't geen der relt toenmalige lyfvrouw, dikwerf aan dien hotten tot had gevraagd, dog door dien hollen tot niet is voldoende beantwoord zijnde had dezelve wanneer de rel=te van een belank af wet kind verlost was, aan dien zelvden voorsz: basserd hottentot ter praesentie vande relt gevraagd, af t kind van hem was, 't geen zo voor heen als toen door de hottentot was beantwoord van Neew! waarop derzelve toenmalige lyfvrouw de rett niet tegenstaande nog Iong kraams was, bij continuatie dagelyks zo geslagen en mishandeld had dat de rel buitenstaat was geraakt haar kied behoor lyk te kunnen oppassen hebbende der zels voorsz: lijf „vrouw daarna de rets niet willen permitteeren, om 't zelve kind alscheida 't nog zo, te mogen helpen, en tot stilstand te brengen, zo dat der rel=te lijfvrouw meer dan eens aan haar had gezegd, als jij zwarte Kinderen krygt zal ik dezelve laten opassen, maar geen witte Darderrel Mind, eindelijk omtrend negen maanden oud oud geworden zijnde, 't ongeluk hebbende gehad, van in't vuur te kruipsen, en daar door 't eene been te verbranden, 't welk tat zyn gevolg heeft gehad, dat hetzelve weinige dagen daarna overleden is en bij bezigtiging had dezels bevonden, eenige strie men en streepjes op de billen van 't kind, dewelke door derrelte voorsz: lyfvrouw, zo door met een latje als messchede aan dezelve waren toegebragt hebbende de andere slaven terwyl dezelt over 't verlees van't kend weende / tot de zeltr gezegd, gij moogt blijde zijn dat 't kond dood is, mant zij hebet geen uur op een dag rust gehad. dat de relte omtrend veertien dagen van 't kind oud kraam geweest zijnde haar voorsz: toenmalige lyfheer gem: Con rade onder de meermaale gedaane en hier bovengem: bedrei gingen op nieuw met haar bleischelyk had geconverseert tot dat zy rekte van haar thans by hebbende kind Zwanger geworden zynde voorsz: Conradi haarrel gelast had, van te zeggen dat het kind van zekeren harer rel=ts mede slaven Iongen, gent damon van Madagascar was met welk voorsz: Conradi en zijne vrouw de relte aangezegt hadden, om verkeering te houden, dog in welkers stede de relt een andere mede zwarte Ionge genaamd Abraham van Bengalen gekozen had. dat de rels van 't voorsz: thans bij haar hebbende kind verlost zynde, had haar lyfheer gem: Conradihaar gelast ingevalle zyn vrouw der rel=ts lyfvrouw haar vragen mogte van wien 't kind was, als dan te zeggen dat het van zekere by voorsz: Conrade gewoond hebbende te dier tyd reeds overledene metzelaar Gerrit van der Blyk was 't welk derrel=ts lyfvrouw niet had willen gelooven. dat de rec=te omtrend twee weken oud kraams zynde cenzo genaamde klont inde borst had gekregen, 't welk der relt voorsz: lijfvrouw met vet bezig zijnde te smet „ren, aan haar Substantieelyk had gevraagd, zig mij dog meld van wee het kind is, ik zal jouw honderd Ex geeven, 't welk de rest bevreesd was naar waarheid te beantwoorden, en dus het gezegde van haarlyf heer voorsz: Conradd staande hield, dat het kind van voorne. Gerrit van der Blyk was 't geen der ret Eyfvrouw
English
mistress not having been willing to believe her, had come with her to the garden; and having arrived there, the relator had been ordered to cut a quantity of quince-tree branches, the greatest part of which her mistress had pointed out to her, which the said mistress, having returned home, had herself drawn through the fire, and thereupon, together with her daughter, having stripped the relator stark naked, had bound her hand and foot; and sent her children out of the house. That the relator lying thus bound upon her side, her mistress called her relator's master, who was lying in bed, to beat her, which he at first refused, and said that his tooth or teeth ached too severely, but that this could not excuse him, so that he was forced to come and beat the relator first with a bunch of quince-tree branches drawn through the fire, and afterwards with a sjambok, which he then continued to do for so long, until he being no longer able or willing to beat, his wife, or rather the relator's said mistress Conradi, substantially said to her relator's mistress, how will it go if that maid croaks, upon which question the relator's mistress ceased beating, and having gone outside the house door, the master said, do say that it is the child of Cornelis van Eeden, then you will get no more beatings. Which the relator, having come into the house, told her mistress, whereupon the relator was unbound, and having been seated in a room upon a sheepskin brought expressly into the house by the Hottentot woman Sara, was placed in irons again. Which statement, however, the relator's mistress still did not want to believe, as she had threatened the relator to write a letter to the aforesaid van Eeden regarding this, and in case this should also be untrue, she would tie the relator to a ladder; whereupon the relator, having fallen ill, her mistress had repeatedly beaten her out of the bed with the sjambok, under the threat that she would have the aforesaid van Eeden called. That the relator's fellow slaves, having daily pitied the relator, finally two of them, by name Abraham of Bengal and Batjoe of Bugis, moved by compassion, had said to her that they could no longer watch the daily torture, and had urged the relator to go and complain, and accordingly they departed from the place on a Saturday night. That the relator, with both aforesaid slaves, first arrived at the place of the burgher Dewald Andriessen, and had there bought bread from his son for 2 Reales, as they had consumed nothing for two days; the said son having however asked them where they were going, and being answered by them, to the Landdrost to complain, he had said, just go on. That in the meantime, a son of the burgher Fredrik van Eeden, who was present there, having ridden past them on his way home, had returned again, and said both to her, the relator, and to the other fellow slaves, you must come to my father and mother. The relator and both the aforementioned slaves, having also gone to that place, the wife of van Eeden inspected her whole body, and thereupon said to the relator and her two fellow slaves, first eat something and then you can go on, but that they must wait near there, as the father of the aforesaid van Eeden would come to them, as he indeed did, and having brought them to the place of the former Heemraad Monsieur Botha, the relator was brought into a room there, and her relator's body was inspected both by the said Botha and the burgher Carel Rog who was present there, both of whom then said to her, the relator, come, you must not be ashamed when you arrive at Swellendam, and you must just tell everything plainly, for you have been miserably abused; the said Botha having sent a boy along with them to the place of the burgher Hans Jurgen Botha, whose wife having inspected the relator, advised the wife of the aforesaid Carel Rog, who was present there and had also wanted to inspect her, against doing so, since she herself was pregnant; the relator with her both aforesaid fellow slaves then proceeding from there to the place of the burgher Daniel Strijn, whose wife having also inspected the relator, had sent a little Hottentot boy along to the place of Christoffel Rog, where the relator slept with the two other slaves, and the next day being brought from there with a little Hottentot boy to Swellendam to the prosecutor, she had related the entire affair to him, which the relator believes to have been about fourteen to fifteen days before the New Year, or the first day of this year. That the relator, having been inspected the next day by the Surgeon Montanban, he had attested to her after that inspection that she was, so to speak, beaten to pieces and bruised. That a few days thereafter, the relator's then master, the aforesaid Conradi, having come to Swellendam to the prosecutor, the relator being brought into his presence, had once again displayed her whole body, which was so full of such open wounds, that until today the visible marks which the relator showed to the undersigned commissioners, as well as those from the irons in which she was mostly shackled, can still serve as proof; just as the relator also showed to him, her then master, the aforesaid Conradi, in the presence of the prosecutor, the child presently with her, named Rosina; and asked him whether it was not his child, the aforesaid Conradi having said to the prosecutor that it was indeed his child, and with folded hands, weeping continuously
Dutch transcription
lyfvrouw niet hebbende willen gelooven, de zel=ten met haar na den tuin gekomen had; en aldaar gekomen zynde was de zelte gelast een partij quaepeerlasten die der rec=te lyfvrouw haar voor 't grootst gedeelte aangewezen had, af te snyden, dewelke derzel voorsz: Eijfvrouw te theijs gekomen zijnde, zelvs door 't vuur gehaald had en daarop nevens haar dogter, de zel=t nakend uitgekleed hebbende, handen en voeten geboeyd hadden; en haar kinderen het huijs uitgezonden dat de rect dusdanig geboeijd op zyde leggende haare lyfvrouw haar relte lyf heer die te bedde lag geroepen, om dezel te saan, 't geen denzelven eerst geweigerd, en gezegd had, dat zijn tanden aftand te zeer was, dan dat zulx hem niet konde vrij spreeken, alzo derzelven genoodzaakt was geworden om te komen ende rel eerst met een bos door 't vuur gehaalde quee peer„ latjes, en daarna met een sjambok te slaan, 't welk denzelven dan ook zo lange had gedaan, tot dat hij niet meer kunnende of willende slaan deszelvs huijsvrouw of te derzelk lyfvrouw voorsz: Conrade substantieelijk tot deszelvs der zel lijfvrouw had gezegd, hoe zal 't gaan als hegt die meid verrekt, op welke vraag der rel=te lijfvrouw opgehouden had met slaan en buijten de huysdeur gegaan zijnde, derzelve lyfheer gezegd had, zegt dog dat het kind van Cornelis VanLedenrs, dan zalje geen slagen meer krijgen. 't welk de zelt in huijs geko„ men aan haar lyfvrouw gezegd had, waarop zij relte losgebonden, en in een kamer op een door de Pottentot„ „time Sara expresselyk in huijs gebragte schapenvel neder gezet zijnde, op nieuw en boeijen was geslooten welke gezeijde egter der zele lyfvrouw als nog niet had willen gelooven, alzo zij de relte had bedreigt aan voorsz: van Eeden een brief, dieswegen te schryven en ingeval zulx ook onwaar mogte zijn, zij de zel op een ladder zoude en binden, waarop de rel=tziek geworden zynde haar lyfvrouw haarzel telkens uit het bed met de sjambok had geslagen, onder het bedreigen dat zi„ voorsz: van leden zoude laaten roepen. dat 1 dat der relt mede slaven dagelyks den rel:t hebbend beklaagd, eindelik twee derzelver in naame abraham van bengalen en batjoe van bougies, door medelyden bewogen, tot dezelve gezegd hadden, 't dagelijx tijsteren niet langer te kunnen aanzien, de relte aangesprooken hadden, ondag te gaan klagen, dusdanig met de zelf dan ook op een zaterdag nagt vande plaats heen begeeven dat de relten met de beide voorsz: slaven t' eerst op de plaats vanden burger dewald Andriessen gekomen zyn de, aldaar vande zoon van denzelven voor 2 Reer brood gekogt hadden, terwijl in twee dagen niets gevuttigd hadden, denzelven zoon egter hun gevraagd hebbende waar of zijl: heer gingen, en door hun geantwoord zynde na de Landdrost om te klagen, had denzelven gezag gaat maar heen. dat inmiddels een zoon van den burger Fredrik van leden, die aldaar present was te waard na huijs homnlieden voorbij gereeden zynde, wee„ „derom terug gekomen was, en zo aan haar rel„ke als de andere mede slaven gezegd Julluij moet bij mijn vader en moeder komen. de rett ende beede eevengem: slaven, ook aldaar ter plaatze hun hebbende begeeven had de vrouw van van Eeden haar geheel ligehaam bezigtigd, en daarna tot de rel=te en haare beide mede Sleven gezegd eet maar eerst en dan kunt Jallug heen gaan, dog dat zijl: bij derwier moesten wagten alzo de vader van voorsz: van Eezen, bij hun zoukomen gelijk hij ook gedaan, en hun E: tot de plaat van den oud Heemraad Monsr Botha gebragt hebbende, was de rel:t aldaar in een karier gebragt en zo, door dezelve Botha, als den aldaar praesent zynde burger Carel Rog, haar rel:t ligenaam bezigtigd dewelke beide dan tot haar relt gezegd hadden, komt je moet niet beschaamd wezen, als je op swellen dam komt, en sij moet 't alles maar mooi zeggen wante Jij bent daerlijk mishandels hebbende den Zelven Dotho een Ionge mede gegeeven tot de Be ƒ de plaats van den burge Ians Iurgen Botha wiers vrouwe haar rel hebbende bezigtigd, aande aldaar presente vrouw van voorsz: Carel Rog, die haar zel be ook hadden willen bezigtigen, af geraden had zulx te doen, dewijl zy zelve zwanger was, de rekl met haar berde voorsz: mede slaven vandaar vervolgens nade Plaats vanden burger daniel Stijn, weens vrouwe haar relte mede bezigtigd hebbende, een kleine kotten tot had mede gegeeven, tot de plaats van Christoffel Rog alwaar zij rel:t met de beide andere slaven geslapen en des anderen daags vandaar met een kleine hotten tot tot shellendom by den reqt gebragt zynde, aanden, zelvent geheele geval verhaold had, 't geen de recte„ vermeend omtrend veertien a vijftien dagen voor't nieuwe Iaar af den eersten dag deze Iaars geweest te zijn. dat de rel=te daags daaraan door den Chirurgijn montanban bezigtigd zynde, na die bezigtiging aan haar betuijgd had, dat zij ze te zeggen en stukken geslagen & stad. dat eenige weinige dagen daaraan tot swellendan bij den reqt gekomen zynde, der rel=te toenmalige lyfheer voorsz: Conradi, de rectr ter presentie van denzelven gebragt zijnde, haar geheel ligenaam nogmaals had vertoond, dewelke vol van zodanige opene worden was, dat tot heden de zigtbaare tekenen die zy relt aande onderget: gecommitt:, zo wel als van de boeijen, waarin zy meesterdeels gekluysterd is geweest kwam te vertoonen, als nog tot een be„ nijs kunnen dienen, gelyk de rel:te almede aan deselven gevraagd had haren toenmaligen lyfheer voorsz: Conradi, ter praesentie van den reqt haar thans bij haar hebbende kind gent Rosina vertoond; en aan denzelven gevraagd had, of t niet zijn kind was voorsz: Conradi aan den reqt gezegd had Iak b zijn kind te zijn, en niet te zamen gevouwen handen alweenende
English
weeping, declared to the requisitionist that he did not know how he had come to that misfortune; at the same time had begged the requisitionist that the requisitionist, for the peace and quiet of him, Conradi, with his wife, would please sell the maid; the requisitionist had said to him, Conradi, that he could not very well do such a thing, as the people would see the marks of the mistreatment too clearly and complain about it, whereupon the relater, at the request of the aforesaid Conradi, was ordered to step down. The relater finally declaring never to have had carnal conversation with any other person than with the aforesaid Conradi, her then master, and that the whitish hair and light blue eyes of the child she now has with her, as well as of the one already deceased, showed the same, and her former master, coming both before and now into her presence, will never nor can deny this. Declaring nothing more, the relater gives as reasons of knowledge as in the text, offering always to further substantiate the same. Below stood: Thus related at Cabo de Goede Hoop, the 17 July 1783 before the Honorable Tobias Christiaan Ronnenkamp, and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the relater and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: C: L: Neethling, Secretary. Still lower: Agrees. Signed: I. L. Bletterman, sworn Clerk. I, the undersigned Adrianus Montauban, admitted burgher Surgeon, hereby attest that having to be at the drostdy for some private affairs, my lord the Landdrost C: N: van Onkruydt requested me to visit and examine a slave maid named named Jannetje van de Caab, belonging to the burgher Fredrik Hendrik Conradi living behind Kogmans Kloof; I found the said maid to be grievously beaten, so that her shoulders, back, down to and including her legs were not free of open wounds, all this in the presence of the abovementioned Landdrost and his wife, whom I, the undersigned, therefore advised, on account of the state of pregnancy in which the mistress found herself, rather to put the maid out of the house, so as not to cause any distress afterwards to her or to the child she was carrying, or bring about any inconvenience. All the above I, the undersigned, being required to do so, can confirm with Oaths. Below stood: Swellendam, 14 December 1782. Was signed: Ad: Montauban ut supra. Still lower: Agrees. Signed: I. L. Bletterman, sworn Clerk. I, the undersigned, acknowledge to be true that in the month of December, being at the farm of the former Heemraad Mr. Botha, I saw that a slave maid named Jannetje, together with 2 boys, belonging to Fredrik Hendrik Conradi, arrived there, when said Monsieur Jacobus Botha asked where they were going, answered by them, to Swellendam to complain, we can no longer bear it with our master; Monsieur Botha examined the wounds in my presence, as I also did, finding the maid's entire upper body, as I have never seen a person, miserably beaten, said by the frequently mentioned Mr. Botha, when you arrive at Swellendam you must not be ashamed, but show everything clearly, for you look wretched. This above, being required, will always be confirmed with oaths. Below stood: Bruyntjes Rivier, the 27 June 1783. Was signed: Carel Rog. Lower: Agrees. Signed: I. L. Bletterman, sworn Clerk. I I, the undersigned, acknowledge to be the truth, that in the month of December, the exact day unknown, my son came home from my neighbor Dewalt Andriesse and said that two boys and a maid of the burgher Fredrik Hendrik Conradi were going to Swellendam to complain; I sent my son to fetch the slaves and they came to me in the yard; I wanted to send the slaves home, but the maid showed me her body, and I saw that she was grievously and miserably beaten, and the maid told me that her master Conradi wanted her to say that the child was by my brother-in-law Cornelis van Eeden, then my husband Fredrik van Eeden brought the slaves to the former Heemraad Monsieur Jacobus Botha; the above, being required, will always be confirmed with Oaths. Below stood: Bosjesmanspad, the 29 June 1783. Was signed: Cornelia van Deventer, wife of Fredrik Jacobus van Eeden the Elder. Lower: Agrees. Signed: I. L. Bletterman, sworn Clerk. We, the undersigned, declare to be the truth that the burgher Fredrik Hendrik Conradi, on his return journey from Swellendam with his two slave boys, called at my farm in the month of December; I asked him, Conradi, where is your maid, who went to Swellendam to complain; he, Conradi, answered me, that beast I do not want to have in my house again, for she is a thief, I have given her to the Landdrost to sell, and if the Landdrost cannot sell her, he will keep her for himself. Below stood: These words we shall, if desired, testify with oaths. Lower: Bruyntjes Rivier, the 30 June 1783. Was signed: Hans Jurrie Botha, Carel Pieter Rog. Lower: Agrees. Signed: I. L. Bletterman. Interrogatories
Dutch transcription
alweenende aan den regt betuijgd, niet te weeten had hij tot dat ongeluk was gekomen; teffens den reqt had gebee„ „den had, dat den reqt tot ruest en vrede van hem Conradi met zijn vrouw de meed dog wilde verkopen den reqt tot hem Conradi gezegd had, van zulx niet wel te kunnen doen, terwyl de wenschen de tekenen der mishandeling te klaar zouden zien en daarvoer klagtig vallen, waarop de rec„te op 't verzoek van voorsz: Conradi was bevoolen afte treeden. Betuijgende de relte. laatstelik nooyt met eenig ander Perzoon als met voorsz: Conradi afte haaren toenmaligen lyfheer vleeschelyk te hebben geconverseerd, en dat de wit agtige haeren ende ligt blaauwe oogen van't thans bij haar hebbende kone zo wel als vant relds overledene 't zelfs aantoonden en haar voormalige lijfheer zo voor als nog ter harer praesentie komende, himmer zulx zal nog kan ontkon „nen Niets meer Verklaarende geeft de rele. voor redenen van wetenschap als inden texjt, presenteerende 't zelve altoos nader te staven /:onderstond:/ Aldus Gerelateerd aan Cako de goed Hoos, den 17 July 1783 voor de EE=s Tobias Christiaan Ronnen Kamp, en Iohannes Smutsleden uit den E: Achtb: Raade van Iustitie voorm:, die de minute dezes beno„ „vens de relte ende mij Secretaris mede behoorlijk heb„ ben ondertekend /:lager:/ 'T welk Ik getuyge /: was getekend:/ C: L: Neekhling Secretaris /:nog lager:/ Accordeert /:getekend:/ I. L. Bletterman gesw Clercq Ik ondergetekende Adrianus Montaaban geadmitteert burger Chirurgijn, attesteer met deze, dat om eenige par ticuliere affaires ter drosldije moest wezen mijn heer den landdrost C: N: van onkruijdt mij heeft verzogt ter visitatie en beschouwinge, van een slave meid genaamd genaamd Iannetje vande Caab, toebehoorende aan den burger Fredrik Hendrik Conradi woonende agter Kogmans kloop dezelve meed bevonden heb te zijn deerlyk geslagen, zo dat haar schouders, rugge, tot de been en inclusive niet vry van opene raden waren, dit alles ter praesentie van boven, gem: Landdrost en deszelvs huijsvrouw, die ik onder get: daarom hebbe geraden wegens de staat van zwangerschap waarin de Luffr zig bevond; liever de meed buiten huijs te doen, om naderhand geen nood te hebben van zij of haar kind 't geen zij droeg, eenig onge„ „mak toe te brengen. al't bovenstaande ik onderget: de gerequireerd wor „dende, met Eeden kan staven, /:onderstond:/ Sa ellendam 14 december 1782. /:was getekend:/ Ed: Montaaban ut Supra /:nog lager:/ Accordeert /:getekend:/ L: Bletter „man gezwd: Clercq. Ik ondergetekende bekenne hoe waar is, dat ik inde maand december op de plaats van den oud Leemraad mr Botha zijnde gezien heb dat aldaar een slave meid met naame Iannetje benevens 2 Iongas, toelie horende Fredrik Hendrik Conradé gekomen zijn, doen gezeyde Monsr Jacobus Botha gevraagt is, waarna toe zij gingen, door haarl: geantwoord na swellend om om beklagen wij kunnen het niet langer uithouden bij onze baas: monsr Botha, de werd en in de mijn praesentie bekeeken heeft, gelyk ik ook gedaan hebt bevende de meed haar geheele bodenlyf en zo ik nooyt een mens gezien heb elendig geslagen, door meerm: Mr Botha gezeid, als Julliij op Swellendam komt moet zy niet beschaamd weezen, maar ryst alles mooij, want Julluij ziet erdeerlijk uit. dit bovenstaande begeerd wordende, altoos met leden zal bevestigen /onderstond:/ Bruyntjes revier den 27 Iunij 1783 /:was getekend:/ Carel Rog /:lager:/ accordeerd /:getekendJ G S: Bletterman gezwd Cbrcqs Ik Ik ondergetekende bekenne de waarheid te zyn, dat in de maand, december de rechte dag onbewrest, mijn zoon thuijs is gekomen, van mijn buurman Dewalt Andriesse en gezegd dat er twee Ionges en een meid van den burger Fredrik Hendrik Conradi na Swellendam ging om te klagen, ik myn zoon gezonden om de slaven te haaler en zij zijn bij mij op de werf gekomen ik hebd slaoen naa huijs willen zenden, maarde meid heeft mij haar lijf ge „weezen, en ik heb gezien dat zij deerlijk en eldig geslagen was, ende meed heeft mij gezegd, dat haar baas Courade hebben willte dat zij zeggen moeste dat het kind van min Zwager Cornelis van heden was, doen heeft mijn man Fredrik van Eeden de slaven gebragt tot bij den oud heemraad Mons Jacobus Botha, tit bovenstaande vereischt wordende zal altijd met Eeden bevestigen /:onderstond:/ Bosjesmanspat den 29 Iunij 1783 /:was getekend:/ Cornelia van deventer huysvrouw van Fredrik Iacobus van Eeden de Oude /:lager of accordeerd: / getekend/ P: L: Bletteman geza: Clercqs, Wy ondergetekende Verklaard de waarheid te zijn dat den burger Fredrik Hendrik Conrade, in zijn terugreeps van Swellendam met zijne twee slaven Jongens, inde maa december bij mijn op de plaats aangeweest is, ik hem Conrodi gevraagd heb, waar is Jou meid, die na Swellendam gegaane, om te klagen hij Courade mij geantwoord heeft, die beest wil ik in myn huys niet weer hebben want 6 is een dief, Ik heb haar aande Landdrost gege „ven om te verkopen, en als de Landdrost haar niet verkopen kan, zal hij haer voor hem zelvs houwen /onderstond deze woorden zullen wij als 't begeerd werd met reden getuijgen /:lager:/ Bruijntjer rivier den 30 Junij 1782 /:was getekend/ Hans Jurrie botta Carel Pieter Rog /:lager:/ Accordeert /:getekend:/ : L Bletterman. Interrogatorien
English
Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the burgher Fred:k Hend:k Conradi, who has given such answers to the opposite questions as are noted down beside them. Article 1. Who is the defendant in person, name, birthplace, age, and status. Says Fredrik Hendrik Conradi, aged 43 years, burgher under the district Swellendam. Interrogatories drawn up and submitted to the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice on behalf of the Landdrost of Swellendam Constant van Nuld Onkruydt, upon which is to be heard in a criminal matter the burgher Fredrik Hendrik Conradi, defendant in person, whose answers to be given shall be properly recorded in the margin hereof. Article 2. Whether the defendant knows the female slave Jannetje of the Cape. Says to know nothing of it. Article 3. Whether the defendant on a certain day, when his wife Elizabeth Rossouw had ridden to the river to fetch corn, ordered the aforesaid female slave Jannetje of the Cape to fetch chaff from the chaff loft. Says not to know such. Article 4. Whether the defendant followed the same Jannetje to the chaff loft, and thus also went thither. Says to know nothing of it. Article 5. Whether the defendant, coming onto the chaff loft, threw the aforesaid female slave Jannetje to the floor, and she, Jannetje, asked him, the defendant, Master, what does the Master want to do, adding, I shall tell it to the mistress. The female slave Jannetje having entered, says the defendant to his face that he, the defendant, had thrown her to the floor on the chaff loft, and she threatened him to tell such to her mistress. Defendant says No. Article 6. Whether the defendant said or answered to the said Jannetje, hold your mouth, and proceeded to satisfy his lustful passions upon that female slave by mingling with her carnally. The female slave Jannetje says to the defendant to his face that he has had to do with her. Says No. Article 7. Whether the aforesaid Jannetje, upon the return of his, the defendant's, wife, recounted the incident to her, and his wife, out of consternation thereover, fell into a faint. Says to know nothing of it. Article 8. Whether the defendant's wife asked him, the defendant, whether it was true that he, the defendant, was involved with the aforesaid Jannetje, or rather had maintained carnal conversation with her. Says No, as his, the defendant's, wife has never asked him about it. Article 9. Whether he, the defendant, assured his wife with the most solemn oaths that it was untrue that he, the defendant, was involved with the aforesaid Jannetje. Says such to be untrue. Article 10. Whether he, the defendant, thereupon ordered the Hottentot Jantje, currently residing with the burgher Jacob Hege, to cut a bundle of quince switches and pass them through the fire. Says No, though he has indeed beaten her with a quince switch, and indeed more than once. Article 11. Whether he, the defendant, thereafter with the help of that Hottentot Jantje entirely undressed the aforesaid Jannetje and tied her to a stump of an oak tree. Says such to be untrue. Article 12. Whether he, the defendant, thus tied up the same Jannetje, beat her with quince switches at intervals for so long until she fell into a faint, and having come to herself again, had to say, No, the Master has not slept with me. Says No. The female slave Jannetje says Yes. Article 13. Whether he, the defendant, when the same aforesaid Jannetje had again fallen into a faint, helped her or had her helped by means of vinegar, and thereupon had her whole body washed with brine water. Says such to be things that are hidden from him, the defendant. Article 14. Whether he, the defendant, had said to the said Jannetje, girl, if you now say again that I keep company with you, I shall start beating you from the beginning again. Says to have never done such. Article 15. Whether the defendant subsequently continued to hold carnal conversation with the aforesaid Jannetje. Says to know nothing of it. Article 16. Whether the consequence of the carnal conversation held by him, the defendant, with the same said Jannetje, caused him, the defendant, to perceive that she was pregnant. Says not to have known that she was pregnant. Article 17. Whether he, the defendant, told the said Jannetje that if she had a child, she must then say that it was by Adam Baster. Says not to know such. Article 18. Whether the defendant's wife asked the said Adam Baster on different occasions whether the child to which the aforesaid Jannetje subsequently gave birth happened to be from him, Adam, since it was a white child. Says never to have heard such. Article 19. Whether the defendant's wife, when the said Jannetje was still in early childbed, continuously mistreated her, so that the same Jannetje was thereby rendered unable to properly care for the child. Says not to know that she was mistreated. Article 20. Whether the said Adam Baster has always maintained that the same child is not his. Says that his, the defendant's, wife must know such.
Dutch transcription
zegt Sal Compareerde voor ons onderges: Gecommitt: eet den E: Achtb: raad van Iustitie dezer Gouvernement, den burger Fred:k Hend:k Conaraie, dewelke Op de nevenstaande vrangen zoda„ nige Antwoorden gegeven heeft als bezyden dezelve staan aange Zegt Fredrik Hendrik Couradi oud 43 Iaaren, burger onder 't dus tuck Swellendam. zegt daarvan niets te weeten. zegt zulks niet te weeten. zegt daarvan niet te weeten. de slavinne Iannekje binnen getreden zijnde, zegt den ged: in zijn Zegt Neen 6„ Slavrnn Jannetje zegt den ged:e in zijn facie, dat hij met haar te doen gehad heeft. of den gede op de kafzolder komende, de voorsz: Slavunie Jannetje op de 't aan nonje zeggen. of de ged aan gen Iannetje heeft ge„ zegd, ofte geantwoord, houd goosmoel meed, en voortgegaan is zyne veeele lasten aan die slavinne te verzadigen met haar zig vleeschlyk te vermengen facie, dat hij ged„e haar op de kafzol„ aarde heeft geworpen, en zij Iannetje „der opaard had geworpen, en zij hem hem ged heeft gevraagd Iaas watwil gedreigd, zulx aan haar roonje te zeggen de Baas doen, met byvoeging ik zal of den ged dezelve Iannetje naar de kafzolder is gevolgd, en zig dus ook derwaards heeft begeeven. of den ged„e op zekeren dag dat zyn huys vrouwd Elizabeth Rossouw na de her ricier gereden was om koorn te haalen voorsz: Slaven Jannetje van de Caab heeft bevoolen gehad, om kaf vande kafzolder aftehaalen. of den gede kond de Slavinne Lauretje vande Caob. ArtS. les gedt in perzoon, naam, geboorte Plaats, ouderdom en qualiteijt. Interrogatorien gedaan maken en aan heeren gecommitt: uit den E Achtb. rade van Justitie overgegeeven van wegens den Landdrost van Snel lendan Constant van Nuld onkredt onwae daarop zak: off gehoord te worden den barger Fredrik Hendrik Conrade gede in perzoon, zullende deszelvs te gewene responsive in margine dezer behoorlyk moeten worden bekend gesteld. Art J. tekend. „ e F G zegt zulx dingen te zijn, die bij zegt zulx onwaaragtig te zijn de slavenne Iannetje zegt Ia Zegt Neen de Slavinne Jannekje zegt Zegt Neen: terwijl zijn geds huijs vrouw hem nooyt daarom heeft zegt Neen wal wel met een queepeerlatje haar te hebben geslagen, en wel meer als eens zegt zulx onwaaragtig te zyn hem ged Werborgen zijn. zegt daarvan niets te weeten of hij gede wanneer dezelve voorsz: Danner jo wederom in Claauwte was gevallen door watazijn heeft geholpen, of doen hebben, en daerop haar geheel ligchaam met Pekelwater heeft doen was sche. Ohij ged:e dezelve Jannetje alzo vast, gebonden, met quaepeerlatjes zo langs met tusschen pogzing heeft geslagen tot dat zij in flaauw te gevallen en weder bij haar zelve gekomen zijnde heeft moeten zeggen Neen de Bars heeft niet bij mij geslopen. of hij ged:e daarna met behulp van dien hotten tot voorsz: Iantje geheel Ontkleed, en haar aan een stomp van een Eijkenboom heeft vastgemaakt Of hij gede daarop den hottentot Iantje thans bij den burge Iacob hege woonagtig geordonneert heeft een bos quaepeerlatjes afte sniden en door't vuur te haalen. Of hij ged:e zin huijsvrouw met de daarste leden heeft verzekerd gehad, het on„ waart zijn, dat hij ged' t met voorsz: Jannetje Hield. of des ged huijsvrouw aan hem ged. heeft gevraagd, of 't waar was, dat hij ged het met voorsz Iannetje hield. s dan wel vleeschelijke Convrisatie heeft ge„ houden. d7 voorsz Jannetje bij de terugkomst van zijn des get huysvrouw aandezelve 't geval heeft verhaald, en zyn huysvrouw door ontsteltenisse daarover in slaauw te is gevallen. Art: 14 La gevraagd. 0 8 Art: J 10. 19 zegt dat zijn ged' Vrouw zulx moet wezen. zegt zulx nooijt gehoord te hebben. zegt niet te weeten dat zij mishandeld is zegt zulx niet te weeten. zegt zulx nooijt te hebben gedaan zegt niet te hebben geweeten dat zy zwanger was. zegt daarvan niets te weten. of gem: Adam bastere altoos staan de heeft gehouden, het zelve Bind niet van hem te zijn. 19 20 O des ged huijsvrouw, wanneer geme: Iannetje nog Iong Kraaus was, bij continuatie heeft mishandeld zo dat dezelve Iannetje daardoor buijten staat is geraakt, het kind behoorlijk te kunnen oppassen. of des ged'lijfvrouw aan gem: adam baster, differente reisen heeft gevraagd, of 't kind waarvan voorsz: Jannetje vervolgens verlost was, van hor adam quam te zijn, terwijl het een blank kind was. Of hij ged aan gem Jannetje heeft gezegd, zo zy een kind kreeg als dan te moeten zeggen, dat 't van Adam Basterd was. oft gevolg vande vleeschelyke con versater door hem gede met dezelve gem: Jannetje gehouden, hem gede heeft doen bespeuren dat zij Zwanger was. Art: 14 of sig ged:e aan gem:e Iannetje heeft gezegd, gehad, meid zo gijk nu weder om zegd, dat ik bij souahoude, zal ik w van voren af beginnen te slaan. 1 11 Of den ged vervolgens heeft geconti nueert, Vleeschelyke conversatie met voorsz: Iannetje te houden. Art: 21. lve „ daarste on ors en van een heel ƒ 17.
English
states never to have had anything to do with that female slave. states not to know such a thing. to be, but to know nothing of the welts and never to have heard anything of it. states that the child was indeed burned, states to know nothing thereof. states not to have said such a thing. states not to know that. Whether he, the defendant, then told the mentioned Jannetje that she should say that the child with which she was pregnant belonged to her fellow slave Diemon of Madagascar. Whether he, the defendant, when the mentioned Jannetje was delivered of the same second child, and it was a mulatto or white child, said to the aforementioned Jannetje that if her mistress should ask whose child it is, she, Jannetje, should only say that the child belonged to the already deceased mason Gerrit vander Blyk. Whether the mentioned Jannetje became pregnant for the second time through the carnal conversation held with him, the defendant. Whether the defendant, about fourteen days after the death of the same child of the mentioned Jannetje, under the threats previously made, held carnal conversation with the aforementioned Jannetje. Whether the defendant's wife frequently beat the same firstborn child, so that when the same child, because the mentioned Jannetje was not permitted to look after it, burned itself by the fire and subsequently died, welts were found on the same child's buttocks and body. Article 21. Whether the defendant's wife frequently said to the mentioned Jannetje that if she brought forth black children, she would have them properly cared for as her own, but no white or fair ones! Article 26. heard of it. 22 23. 24 25 states to have never yet heard anything thereof. Article 26. states no, but indeed that while the mentioned Jannetje was insolent toward his wife, he, the defendant, at the request of his wife, gave her a few strokes with a quince-tree lath; but the same being broken, he, the defendant, gave her another stroke or two with an end of a sjambok. Whether the defendant on a certain day was called by his wife to beat the mentioned Jannetje with a number of quince-tree laths hardened in the fire. states that since it was so long ago, he does not know such a thing. states not to know thereof. heard of it. states not to know that his wife beat her. states never to have said that. Whether he, the defendant, having gone out the front door, said to the mentioned Jannetje Kieft that she should tell the defendant's wife that the child belonged to Cornelis van Eeden, and she would then receive no more beatings. 30 Whether his, the defendant's, wife then ceased beating the mentioned female slave. Whether the defendant's wife did not thereupon also beat the aforementioned Jannetje, until he, the defendant, substantially said to his aforementioned wife, "lest the maid drop dead." Whether the defendant was nevertheless afterward compelled to beat the aforementioned Jannetje first with the aforementioned quince-tree laths and afterward with a sjambok as long as he, the defendant, indeed could beat. Whether the defendant first excused himself by telling his wife that he was tired! 27. Article 32. 29. 28. states not to know that she had been tied up. states No. states not to know such a thing, but indeed that they absconded. states Yes, according to the testimony of the landdrost. states No! states No. the petitioner held before the eyes of the defendant whether he did not confess such verbatim. Whether the aforementioned Jannetje, having been untied, was afterward locked in irons. 33 Whether the mentioned Jannetje became ill through the mistreatment both by him, the defendant, and his wife, and notwithstanding her illness was nevertheless frequently beaten out of bed with the sjambok by his, the defendant's, wife. Whether the same Jannetje was afterward incited by two of her fellow slaves named Abraham and Batjoe to go complain to the officer. Whether the same Jannetje and both the aforementioned slaves Abraham and Batjoe thereupon immediately went to Swellendam and went to complain to the officer about the defendant and his wife. Whether he, the defendant, was subsequently summoned by the officer. Whether he, the defendant, upon his arrival there, directly confessed to the petitioner in the presence of the mentioned Jannetje that her child was his, the defendant's. Whether he, the defendant, did not confess to the petitioner that he did not know how he had come to such a misfortune. confessed. states Yes. states No! Article 32 Whether the mentioned Jannetje told such to his, the defendant's, wife, and she was thereupon also untied. Article 40 34 38 39
Dutch transcription
zegt nooijt met die sladinne te doen gehad te hebben. zogt zulx niet te weeten. te zijn, maar niets te weeten vande striemen en nooyt ook iets daarvan zegt het kend wel verbrand geweest zegt daarvan niets te weeten. zegt zulx niet gezegt te hebben. zegt dat niet te weeten Of hij ged:e als toen aan gem Jannetje heeft gezegd, dat zij zoude zeggen dat het kind waarvan zij Zwanger was van haar mede slaad diemon van Madagascar is Of hij ged:e wanneer gem:. Jannetje van 't zelve tweede kind verlost, en tzelve een bilaak of wit kind was, tot voorez Jannetje heeft gezegd, zo wanneer haar lyfvrouw vragen mogte van wien 't kind is zij Jannetje maar moest zeggen vanden reeds overleedenen metzelaar Gerrit vander blyk 't zelve Kind te zijn of gem: Jannetje door de met hem gede gehoudene vleeschelyke Conveisa tie voor de tweedemaal is zwanger geworden. of de gede omtrend Veertien dagen na de dood van't zelve kind van geme Ian „netje, onder de voormalige gedaane be dreigingen met voorsz: Jannetje vleeschelijke converdatie heeft gehou den. of des ged huysvrouw t zelve eerstgeboo rekind dikwerf heeft geslagen zo dat wanneert zelve kond, doordien gem Jannetje hetzelve niet heeft mogen oppassen bij 't vuur zig verbrand en vervolgens gestorven is, aan 't zelve de streemen op de billetjes en lyf is bevonden. Art 21. of des ged huysvrouw tot gem. Jannekje dikwerf heeft gezegd, zo zy zwarte kinderen voortbragte dezelve als van te zullen laatens behoorlyk verzorgen maar geen witte of blanke! Art:s 26. gehoord te hebben 22 23. 24 25 zegt daar nog nooyt iets van Art: 26. zigt neen. maar wel, terwijl gem:e of de ged' op zekeren dag door zyne Jannetje brutaal tegens zijne huisvrouw is geroepen, om gem Jannetje huysvrouw was, hij ged op verzoek met een Parthij door 't vuur gehaalde van zyne Vrouw, dezelve met een quee paerlatje een paar slagen had gegeven quapeerlatjes te slaan dog dezelve gebrooken zynde had hij ged' haar nog een streek of wat met een End van een Sjambok gegeeven. zegt terwyl 't zo lang geleedends zulx niet te weeten. zegt daarvan niet te meeten. gehoord te hebben. zogt niet te weeten dat zijn huysvrouw haar geslagen heeft zegt dat nooijt gezegt te hebben off hij gede buyten de huysdeur gegaan zijnde, aan gem: Iannetje Kieft gezegt, dat zij aan des ged' huisvrouw zeggen zoude, dat 't kind van Cornelis van Eeden is, en zij als dan geen slagen meer zoude hebben. 30 of zyn ged huysvrouw als toen heeft opgehouden de gem:. Slavinne te slaan Of des ged:' huijsvrouw daarop niet mede de voorsz: Jannetje heeft geslagen, zo lange tot dat hij ged aan zijn voorsz:e Vrouw Substanti eelyk heeft gezegd, als de meid na verrekt. Of de ged egter naderhand is genood„ zaakt geworden, voorsz: Pannetje cest met de voorsz: queepcerlatjes en daarna met een Sjambok te slaan zo lange hy ged' immers konde slaan. Of den gede zig eerst heeft ontschuldigd met zijn huysvrouw te zeggen, dat hij land sijn had! 27. Art: 32. en a t lve errit F: ƒ ƒ 29. 28. zegt niet te weeten dat zij vast zogt Neen. zegt zulx niet te weeten, maar wel dat dezelve gedrott zijn zogt Ia: volgens getuijgenis zegt steen! zogt Neen. den reqts hoad den ged voor gebonden geweest is. Of voorsz: Jannetje los gebonden zynde, daarna in de boeyen is geslo„ 93 of gem: Jannetje door 't mishan„ delen zo van hem ged, als zijn huys vrouw ziek geworden is, en niettegen staande haare ziekte egter dikwerf door zin ged huysvrouw met de sjam Ook uyt 't bedde is geslagen. Of dezelve Jannetje daama door twee harer mede slaven in naame Abraham en Batjoe is aangezet om bij den officier te gaan klagen. Of dezelve Jannetje ende beide voorm: slaven Abraham en Batje next daarop naar wellendan zig begeeven en over den gede en zijn huijsvrouw bij den officier zijn gaan klaagen Of hij gede vervolgens door den officier is ontboden. Of hij ged bij zijn komst herdrast dije aan den reqt. ter praesentie van gem: Jannetje heefft beleeden dat 't kind van haar van hem gd was. Of hij ged aan den reqt niet heelft beleeden, niet te weeten, hoe tot een dergelyk ongeluk gekomen was heeft beleeden. oogen of hij zulx niet woordelyx zogt Ja. van den drost. 1 Legt Neen! Art. 32 of gem: Jannetje zulx aan zijn ged huysvrouw heeft gezegd, en zy daarop ook losgebonden is Art: 40 2 ƒ ten. 34 H 38 99
English
Iannetje maintains the defendant to his face and shows him the child, saying the same to be the defendant's. Says: No. Whether the petition was presented to the Honorable Court of Justice with his knowledge, and he thereby sought to injure the petitioner with the charges made against the petitioner therein. Says that, being ill, he had asked his wife on account of laziness for a power of attorney, and that what was stated took place on the advice of Iacob van Reenen, and that Iacob van Reenen had said only this morning that he would prove what was stated therein to the charge of the petitioner. 2. Whether the defendant must not confess to have done great evil thereby and to be punishable on that account. Says: No, to have done no evil, nor to have known of the petition, other than only that his wife would address the Burgher Councillors to assist her. What the defendant has to bring forward in his excuse. Says to be able to answer nothing more. Thus questioned and answered, and having been read out again to the defendant, he declared to persist therein, at Cabo de Goede Hoop, the 4th of December 1783, before the Honorable Salomon van Echten and Andrees van Sittert, members of the aforementioned Honorable Court of Justice, who, together with the defendant and me, the sworn clerk, duly signed the original of this. Which I witness, was signed: P. L. Bletterman, sworn clerk. Thursday the 4th of December 1783, in the morning, present the Honorable Pieter Hacker, President, and all the assumed members, along with the three Burgher Councillors. Art. 40. If the defendant should deny everything, to then show him the female slave Iannetje and her child, and then to question him. Whether this is not the same Iannetje with whom the defendant has had carnal relations, and her child the same which was fathered by him. 41. The Landdrost of Swellendam, Sieur Constant van Nult Onkruydt, R. O., plaintiff in his official capacity, against the burgher Fredrik Hendrik Conradi, defendant in person, to purge his first default and further to hear such claim and conclusion, or request or requests, as the R. O. plaintiff shall make and take, to answer thereto and further to proceed as according to law. The defendant in person, in purge of his default, says to have been ill, and because his wife had moreover been in childbed, he was therefore unable to appear. The plaintiff in his official capacity has nothing against the purge, provided that the effect remains and the defendant refunds the costs. The Court thus accepts the purge, provided that the effect remaining, the defendant refund the costs. The plaintiff in his official capacity requests that before making any claim and conclusion, the defendant in person may be ordered to answer such questions as shall be put to him by the plaintiff in his official capacity. The defendant in person requests a copy and a term of six weeks to present his case in writing at that time and to show how he treats his slaves, as well as that his representative might appear for him, saying further to persist with his delivered petition, adding at the same time that, being a simple man, he could not answer immediately. The Court orders the defendant in person, Fredrik Hendrik Conradi, to answer such articles as shall be put to him by the plaintiff in his official capacity before the Honorable Commissioners, and the Court grants to the defendant, after he shall have answered those articles, a copy of the same. At Cabo de Goede Hoop, the day and year as above. In my presence, was signed: C. L. Neethling, Secretary. Agrees, signed: P. L. Bletterman, sworn clerk. Today, the 6th of August 1783, appeared before me, Menno Blankstein, Secretary of the colony of Swellendam, in the presence of the after-named witnesses, the burgher Fredrik Hendrik Conradi, who declared to revoke such general power of attorney as was executed in the month of May last upon his wife Elizabeth Rossouw, and to constitute and in the best manner in law empower now, as he does by these presents, the burgher at Cabo de Goede Hoop, Hendrik Memelingh, with power of substitution, assumption, and surrogation, generally, to attend to and execute in the appearer's name and on his behalf all occurring matters without distinction, in which the appearer's interests might be in any way involved, both in and out of court; consequently, both to receive and pay out money, to form and close accounts, to pass receipts and to make them valid in all cases, and all such amicably if it is possible, or in case of occurring obstacles to compel the unwilling by means and ways of law, to which end to act before whatever court it may be, according to style and practice, both passively and actively, to request judgments and interlocutory decrees, to hear them pronounced, to appeal from burdensome ones, to enter into reformation, or to request rescission; further to do and have done herein and in everything all that the appearer himself being present would be able to perform, the appearer promising to hold as good, valid, and of value all that shall be done by the constituted agent or his substitutes by virtue hereof, notwithstanding that any further or more ample mandate were required, which the appearer considers as inserted herein, under obligation of the appearer's person and property according to law. Thus executed at the Secretariat of Swellendam in the presence of the court messenger Christoph Fredrik Wotzky and the substitute Johan Wilhelm Zalich as witnesses, who, together with the appearer and me, the Secretary, have also duly signed the original of this. Which I witness, signed: M. Blankstein, Secretary.
Dutch transcription
Iannetje houd den ged in zijn sacie staande en toond hem het kind zeggende hetzelve dies ged zyne te zin zegt N een zegt dat hij ziek zijnde zyn vrouw Of 't request met zijn ge weeten in door draagheid verzogt had, om den Achtb: Raad van Justitie is een procuratie, en dat op 't aan„ gepraesenteerd, en hij den reqt. daerby „raden van Iacob van Reenen, 't geen ten lasten van den reqt daarin heeft getragt te injurieeren. is gesteld was geschied, en dat hy Iacob van Reenen, nog dezen morgen gezegd had, 't ten lasten vanden reqt daarin gestelde te zullen bewijzen. 2. zegt Neen geen kwaad te hebben of hij gede niet bekennen moet groot gedaan, van't Request ook niet kwaad daarvoor te hebben gedaan te hebben geweeten, als alleenlyk daardoor strafwaardig te zijn. dat zyn vrouw by den burgerraden zou addresseeren, om haar te adsisteren zegt niets meer te kunnen ant„ woorden. Aldus gevraagd en beantwoord, mitsg:s den ged wederom voorgeleezen zijnde, heeft denzelven betuygd daarbij te blyven Persisteeren, aan Cabo de goede hoop den 4 december 1783 voor d' EE Salomon van Echten en Andrees van Sittert leeden uit den E: Achtb: raad van Iustitie voorm: die de minute dezer benevens den gevz: ende mij gezw: Clercq mede behoorlyk hebben onder „tekend /: 't welk Ik getuijge /:was getekend:/ P: L: Bletterman gezw: Clercq.— 83. Donderdag den 4 december17 S. voordemiddags present den E: Achtb: Heere Wat of hij ged: tot zijn verschoning heeft in te brengen. /:onderstond:/ 43 Art: 40 zo den gede alles mogte ontkennen hem als dan de Haveind Iannetje en haar kind te vertoonen en hem als dan of te vragen. of deze niet is dezelve Iannetje met dewelke hy ged vleeschelyk heeft verkeerd, en haar kind te zelvd 't welk door hem is verwekt Pieter n ven 41 „tis de drie burgerraden de gede in perzoon tot purge van den Landdrost van Swellend: am zijn default zegt ziek geweest te S' Constant van Nult Onkrends zijn, en dewyl zijne huijsvrouw boven Rats Off: Cis dien in de kraam gelegen had, dus Contra. 3 niet te hebben kunnen Compareeren. den burger Fredk Hendrik Conradi den 94 Rat: of: Ciss:r heeft niets gede in perzoon, omme zijn eerste defaalt tegens de purge, mits dat 't effect te pirgeeren, en voorts te aanhooren blijve, en den gede refunderende de Kosten zodanigen eisch en Conclusie dan den Raed accepteerd dus de Burge wel verzoek ofte verzoeken als den mits dat 'b effect blijvende, den ged Rat: Off: Eiss=r zal komen te doen en de kosten refundeeren. te neemen, daarop te antwoorden en den Rat: off: q4 Eircs verzoekt voorts te procedeeren als naar rechten dat alvoorens eenigen Eisch en conclusie te doen, den ged' in perzoon mogen werden gecondemneerd, omme te antwoorden op zodanige vraagstukken, als hem door den qq zullen werden voorgehouden. den ged' in perzoon verzoekt Copia en termijn van zes weeken, om zijn zaken als dan in geschrift voor te stellen, en te toonen hoe hij zijne slaven behandeld, mitsg:s dat zijn volmagt voor hem verschijnen mogt, zeggende voorts bij zijn overgeleverd request te blyven persisteeren, voegende teffens daar bij dat hij een onnozel man zijnde, dus niet opstonds antwoorden konde Den Raad condemneert den gede in Perzoon Fredrik Hendrik Conradi, omme te antwoorden op zodanige articulen als hem door den q4 rak: op: Eissr ten overstaan van EEs gecommitt. s zullen werden voorgehouden, en verleend den raad aan den gedaagden na dat op die articalen zal hebben geantwoord Copia van dezelve /:Onderstond:/ Aan Cabo de goede Hoop die et anno ut Suima /:lager mij present /:was getekend:/ C: L: Neethling Secretaris /:lager:/ Accordeert /:getekend:/: P: L:d: Bletterman gezid: Clercq. Huyden den 6 Augustus 178 Compareerde voor mij Menno Blanksten Heere Pieter Hacker President en alle de leeden assump taris „cretaris der Colonie Swillendam, praesent de nagen:e geluigen den burger Fredrik Hendrik Conradi, denwelke verklaar de te revoceeren, zodanige generale Procuratie als in de maand Maij Jongstt: op zyne huijsvrouw Elizabeth Rossouw heeft gepasseert, ende als nu te constitueeren en op de beste wyze in rechten magtig te maken, gelyk doet by dezen, den burger Aan Cabo de goede hoop Hendrik Memelingh met magt van substitutie, as sumptie en surrogatie, generaalyk, omme in des Comps naam ende van zynen t wegen waarteneemen en uit tevoeren alle voorvallende zaken zonder onderscheid, waarmede, des Comp=s interessen maar eenigzens mogten weezen vermengd, zo en als buiten rechten, gevolglyk, zo omme penn te Ontvangen als uitte geven, rek: te formeeren en te sluiten quittantien te passeeren en die te doen stand grypen in allen gevallen, en zulx alles in der minne is 't doenlyk, of bij voorvallende obstaarlen de onwillige te constringeeren, door middelen en wegen van rechten, ten dien einde voor wat rechtbank zulx ook zoude mogen wezen, naar styl en partycq, zo passive als active te ageeren, sententien en apprinctementen te verzoeken die te horen pronuntieeren van de bezwarende te appelleren in reformatie te komen, off recisie te verzoeken, voorts hier en in alles te doen en te doen doen, alle 't gunt den Compt zelvs Present zynde vermogens zoude wezen te verrigten belovende den Compts voor goed, bondig en van waarde te zullen houden al 't gant door den geconstitueerd en of deszelvs gesubstitu „eerdens uit kragt dezes zal werden gedaan, niet tegen staande hier toe eenige nadere ofte ampeler last wierde gerequireerd, die den Compt bij deze als geinsereerd was hou „dende onder verband van 's Comps Perzoon, en goederen als naar rechten /:onderstond:/ Aldus gepasseert ter Secretarye van Swellendam in't by weezen van den Gereckt bode Christoph Fredrik Wotsky en den Substitut Johan Wilhelm Zalich als getuyjgen, die de minute dezer benevens den Comp ende my Secretaris, mede behoorlyk hebben ondertekend, /lager:/ 't welk Ik getuyge /:getekend M: Blanksten Secretaris verto zyn daar - -
English
Answer prepared and respectfully submitted to the Honorable Pieter Hacker, President, as well as the further Honorable Members of the Honorable Council of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned Hendrik Memeling as representative of the burgher and resident Fredrik Hendrik Conradi, defendant in a criminal case, on the one part, Against the Junior Merchant and Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruydt, Officer and Plaintiff on the other part. Honorable Sir and Gentlemen! In order to ground which answer, the said defendant in the capacity as above expresses humble thanks to Your Honors for the granted extension of terms, and shall further briefly state: That it is an absolute untruth what the Officer Plaintiff alleges in his unfounded accusation, that the principal defendant would have treated inhumanely or tyrannized his female slave Jannetje van de Caab, as well as that the principal defendant would have had carnal intercourse with the aforementioned female slave, and thus fathered children with her. The principal defendant testifies never to have led such a manner of life, as is unbecoming of an honest man, to have always maintained good order in his household, and in case of disobedience of the said female slave or his other slaves to have sought to bring them to reason through moderate punishments, declarations No. 1 to 6. But that it is the pure truth, that the Officer Plaintiff, upon the unfounded complaints and impermissible accusations of the principal defendant's female slave Jannetje, summoned the principal defendant, and through many threats of ruining the principal defendant, extorted the same female slave with her child from the principal defendant for one hundred Rds, which the principal defendant had to receive from the messenger Wotsky, and had to pass a deed of transfer there in the name of the said Wotsky, and only then was permitted to take his two other slaves along, is indisputable. The Officer Plaintiff now requests in his conclusion to Your Honors to have the aforementioned female slave with her child sold to the highest bidder, on the condition that neither the principal defendant nor his family shall be permitted to buy the same female slave and her child. One leaves it to the wise judgment of Your Honors whether this is not an invention serving the Officer Plaintiff's aim, in order, under a plausible pretense of justifying himself, to succeed all the better in his intentions. Therefore, the said defendant, in the name of his principal, persists herewith in this answer, leaving it to the judgment of Your Honors to place this matter for investigation into the hands of the Officer here. Underneath was written: Imploring hereupon and on everything [illegible] most respectfully for justice. Signed: H:s Memeringh qq. In the margin: Exhibited in Court, 17 June 1784. I, the undersigned, acknowledge not to know that the burgher Fredrik Hendrik Conradi, nor his wife or children, mistreated any of his male slaves or female slave. I repeat, not mistreated that I know of, but always acted with decency, as is their due. And he is a man with whom I often visit at home, and he has also been my neighbor for many years. Signed: Alewin Petrus Burgers Barent zoon. In the margin: 21 June 1783. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Alewyn Petrus Burgers, who, having had this his preceding deposition clearly and distinctly read out to him, declared to persist thereby, with the desire that nothing more be added to or taken from it, testifying such to be the pure truth. Underneath was written: Thus verified at Cabo de Goede Hoop the [illegible] March 1786. Signed: Alewyn Petrus Burgers. Lower: In my presence, signed: R: J: v: d: Riet, Sworn Clerk. In the margin: As commissioners, signed: S: v: Echten and J: M: Bletterman. I, the undersigned, acknowledge by this to have had frequent acquaintance for years in the house of Fredrik Hendrik Conradi, and in that time never to have seen any mistreatment by him or his wife of any of his male slaves or female slave. Signed: Willem Stols. Signed: 26 February, the Year 1788. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Willem Stols, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out word for word, declared to persist thereby, with the desire that nothing more be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath was written: Thus verified and sworn at Cabo de Goede Hoop.
Dutch transcription
Antwoord gedaan maken en Eerbie dig overgegeven aan den E: achtbaren Heer Pieter Hacker praesident benevens de verder Heeren Leeden van den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes gouvernements, door ende van we gens den onderget: Hendrik Meme„ ling als gem: vanden burger en LandE: Fred Hendk. Conrade ged en Cas Crim weel ter eenre Contra den onderkoopman en Landdrost Constant van van Swellendam Neeld onkruidt A: O: Eiss ten andre Ed: Achtbaar Heer! en Heeren Omme welke antwoord te fundeeren den q4 ged en name als boven, UEd: Achtb:e nedrig dank betuigd voor ver„ „leende atterminatie van termijnen, en verder Kortelijk zal zeggen. dat het eene formeele onwaarheid is, het geene den R:O: Eess voorgeeft in zijne ongegronde accusatie, dat den p=len gedaagde zijne slavinne Iannetje vande Caab Onnen„ schelijk zoude behandeld of gelyxanniteerd hebben, als mede dat den p=lo gede met voorn: Slavinne vleeschelyk geconverseerd zoude hebben, en dus kinderen bij haar verwekt hebben. le Een pr ged'e betuygd nooijt dier gelyke manier van leven als geen Eerlijk man betaamende, gevoerd te hebben, haar altoos voor de goede ordre in zijne huyshouding gezorgd, en in geval van ongehoorsaamheid van gem slo vinne of te zijne andere lijfeigenen henlieden Oomer tigul straffen tot reden heeft zoeken te brengen verk: N:o 1 tot Maar EE: zijde. 6. Maar dat het eene zuivere waarheid is, dat den R:O: Eisc:r op de zo ongegronde aanplagten en ongepa mitteerde accusatien van des P=l gede Slavinne Iannetje den p=len gede heeft ontboden, en door veel bedreigingen van den Plr ged: ongelukkig te maken, dezelve slavinne met haar kind van den Pl ged: heeft afgeperst, voor een honderd zynd welke den Pl ged bij den bode Watsky heeft moeten ontvangen, en aldaar een Transport heeft moeten passeeren, op naam van gemelde wetsky en toen zyne twee andere slaven heeft mogen medenee men is onbetwitsbaar. den R: O: Eiscr verzoekt nu in zijne Conclusie aan UEd Achtb: de voorsz: slavinne met haar kind aande meestbiedende te laten verkoopen, met beding dat den p„ln ged=e nogte deszelvs Famille niet zoude vermogen dezelve slavenne en haar kind te kopen. Men laat het aan het wijs oordeel Uwer EE: Achtb: over of dit niet eene uitvinding is dienende aan des R O: Eissr oogmerk, om onder een schoonschynende glims van zig te rechtvaardigen, in zijne voornemens des te boter te slagen das den q4 ged: uit naam van zijn pr hier bij voor Antwoord blyft persisteeren, laat het aan het oordeel van UEd:se achtb: omme deze zaak ter onderzoek te stellen in handen van den Officier alhier /:Onderstond:/ Implorarende hier over en op alles 6 nabele of sad Eerbiedigst omrecht /:getekend:/ H:s Memeringh qq /:in morgene:/ Exhibitan en Iudicio 17 Iuni 1784. Ik ondergeteken bekennd niet te weeten dat den burger Fredrik Hendrik Conrado, nog zijn huysvrouw of kinderen eenige van zyn slaven of slavinne gemishandelt heeft ik herzegge niet mishandeld dat ik het weete maar altijd in ordentelykheid gehandeld, zo als haar ling toekomt in het is een man daar ik veel bij inhuys 2 den in 't is ook van lange Iaaren myn buurman /:getekend: Alewin Petrus Burgers Barent zoon /:in margine:/ den 21 Juny 1783 Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Aechtb Rade van Iustitie dezes gouvernements, voorm: aladijn Petrus burgers, dewelke deze zijne voorenstaande depositie klaar en duidelyk voorgelezen zijnde, verklaarde daarby te persisteeren, met begeerte dat er niets mar bij of van gedaan zal werden, betuygende zulx de zuyvere waar heid te zijn /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den Maart 1786. /:getekend:/ Alewyn ptas burgers /:lager mij praesent /:getekend:/ R: I: V: d: Riet gezw: Clercq. /:in margine:/ als gecommitt: / getekend: S: V: Echten, en J: M: Bletterman. Ik ondergetekende bekenne by dezes Iaren verkering gehad te hebben in 't huijs van Fredrik Hendrik Cornada en en die tijd nooijt eenige mishandeling van hem of zijn vrouw aan een van zijn slaven of slavinne gezien te hebben, /: getekend:/ Willem Stols /:getekend:/ den 26 Februarij Ao 1788. Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E Achtb. Rade van Justitie dezes gouvernement voorm:d Wil„ „lemstols, dewelke deze zijne voorenstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duydelijk voorgelezen wezende verklaarde daarby te persisteeren, met begeerte dat er niet meer by af van gedaan werden zal, En sprak dier halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden zo waarlyk hebbe my god almagtig. /:onderstond:/ ldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Recollement. Recollement. V goede
English
Good Hope, the 20th of December 1784. Signed: Willem I: Stole. Lower: in my presence, signed: H: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: J:s C: Warneck and I: Karnspek. I, the undersigned, acknowledge not to know that Monsieur Fredrik Hendrik Conradi, nor his wife or children, has ever mistreated any of his male or female slaves; I repeat, not mistreated to my knowledge, but rather given them in decency what is due to them; a man in whose house I often come, and who has also been my neighbor for many years. Signed: Johannes Bota, son of Hendrik. In the margin: the 1st of March 1782. Verification Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforesaid Johannes Bota Hendriksz, who, this his preceding declaration having been read out clearly and distinctly word for word, declared that he persisted therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath: Thus verified and sworn at Cape of Good Hope the 20th of December 1784. Signed: Johannes Bota. Lower: in my presence, signed: B: L: Bletterman, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: P: C: Waaneek and I: KaanBek. Today, the 23rd of February 1784. Appeared before me, Christiaan Ludolphe Neethling, Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, in the presence of the named witnesses, the Commandant of the Swellendam burgher militia Jacob van Reenen of competent age, who, pursuant to an order of the said Council dated the 12th of this month and at the requisition of the farmer Fredrik Hend: Conradi, declared it to be true: That when the deponent, toward the end of the month of January of the year 1783, without being able to determine the exact day or date, had ridden from his farm situated in the district of Swellendam to the Outeniqualand in order to attend to some affairs there, he, the deponent, had arrived at the farm of the Heemraad and Captain of the Swellendam Cavalry, Monsieur Jacobus Steijn, where the burgher Captain Monsieur Jesaias Meyer was present, who, after they had greeted each other, had asked the deponent whether the deponent knew any news, to which the deponent having answered no, I know nothing, the said Meyer thereupon resumed: I have heard that my Lord Onkruydt, Landdrost of Swellendam, his wife has a young son! Whereupon the deponent had said: That is very sudden; they have only been married three and a half months, and already a child! That when the deponent, a good fourteen days thereafter, had returned to his farm from Outeniqualand and did not find his wife at home, but was informed that she had ridden to the deponent's brother-in-law Christiaan Storm, the deponent resolved to ride to the same and fetch her from there; on which occasion the deponent had called at Swellendam to inquire after the health of the aforesaid Sr. Onkruidt and that of his wife, the same having been found by him, the deponent, in very good condition. That the deponent, having seen the wife of Sr. Onkruidt some time before at the Honorable Company's post De Rietvalleij, and having observed then that she was heavily pregnant, the deponent, together with his wife who was also present there, as well as the master of that post and his wife, had spoken about it among themselves and concluded that the said Madame Onkruidt, by all accounts, would not go longer than four to six weeks before she would have a child; the deponent, however, upon his return having found the said lady in an entirely different condition. That the deponent, having ridden from the aforesaid Sr. Onkruidt to the wife of the reader of Swellendam, Bavinga, after conversing back and forth, had asked her whether it was true that the Landdrost's wife had a child, to which that woman had answered and asked: Who says that? Whereupon the deponent had replied: Everywhere I go, among the people, I hear speak of it; whereupon that woman retorted that it was not true, but that she certainly thought that Madame Onkruidt would not have a child for another three months! To which words the deponent had added to that woman: I believe that you are making a fool of me! For I have just come from Swellendam, and I have seen her; she is as flat as a pancake, and when I saw her some time ago at the post, she was heavily pregnant; adding: If only there is no more evil underlying this, for which they will have to answer before God, such a poor soul; to which that woman had answered: No, child, do not have such thoughts; at the same time adding thereto: It is true, Madame Onkruidt has a child, and it was born on the 4th of January 1783; I saw the child three days after the birth, and was very angry with Madame Onkruidt, because she had engaged me as midwife and let me know nothing, but had the wife of Wotskij with her, and the child is in the attic, with the female slave whom the Landdrost bought from Conradi and who is suckling the child. That some time afterward, the deponent had heard several people complaining about the heavy and unprecedented fines that the Landdrost demanded from them, having himself...
Dutch transcription
goede Hoop den 20:' December 1784 /:getekend:/ Willem I: Stole /:lager:/ mij Praesent /:getekend:/ H: L: Bletter man gezee: Clercq /:in margine:/ als gecommitt:/ gete„ kend J:s C: Warneck en I: Karnspek Ik ondergetekende bekenne niet te weten, dat mon Sieur Fredrik Hendrik Conradi, nog zijn huijsvrouw of kinderen eenige van zijn slaven nog slavinnen ooit mishandeld heeft: ik herzegge het niet mishan „deld, dat ik het weet, maar als in een ordentelykheid gegeeven wat haarluij toekomt, een man daar ik veel„ tyds by in huijs komt, ent es ook van lange Jaaren mijn buuren (:getekend: Johannes bota Hendrik zoon /:in margine:/ den 1 maart 1782. Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb Raade van Justitie dezes gouvernement voorm Iohannes Dota Hendriksz: dewelke deze zijne voorenstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgeleezen wezende, verklaarde daarbij te persisteren met begeerte dat er niets meer by afte van gedaan werden zal, En sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid vandien, de solemneele woorden, zo waarlyk helft my God Almagtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo de goede hoop den 20 december 1784 /:getekend:) Iohannes Bota /:lager mij praesent /:getekend/ B: L: Bletterman gezw: Clercq /:in margine:/ als gecommitt: /:geteekend:/ P: C: Waaneek en I: KaanBek. Huyden den 23 February 1784 Compareerde voor my Christiaan Ludolphe Neeth „ling Secretaris van den E: Achtb: Raade van Iustitie dezes gouvernement, present de nates getuijgen, den e 0 den Commandant der swellendenuse burgery mans Iacob van Reenen van Competenten ouderdom, dewelke volgens appoinctement van welgem:e Raade de dato 12 dezer en ter requisitie van den Landb: Fredrik Hend Conradi verklaarde hoe waar is dat wanneer den Comps tegens het laatst van de maand Ianuari des Iaars 1783 zonder den nettendag of datum te kunnen bepalen, van zijn onder het district Swellen dan leggende plaats gereden was, na 't hout niquas land, om aldaar eenige affaires te verrigten hij Comp was gekomen ter Plaatze van den Heemraad en Capitaan der sweltendamse Cavallerij mons Jacobus Steijn alwaar zig den burger Capitain mons Jesacas Meyer zig bevond, dewelke na dat zyl: malkanderen gegroot hadden, aan den Comps had gevraagd of den Comps niets neeuw west, op 't welk den Comps geantwoord hebbende van neen ik weet niets, gem:e Meyer daarop hervat had, ik heb gd hoord dat mijn Heer Onkruid t Landdrost op Swellenda zijne vrouw een Ionge zoon heefft! waarop den Comps had gezegd, dat is heel schielyk zij zijn maar dred en een halve maand getrouwd, en nu al een kind dat wanneer den Comps wel Veertien dagen daarna, van uit het houte Niqua land, op zyne plaats was gereverteerd en zijne huysvrouw niet te huys vond, maar verstendigd wierd, dat zij nades Comps Zwager Christiaan Storm gereeden was, den Comp te rade geworden was, na denzelven te rijden, en haar daarvan daan af te halen; bij welke gele„ genheid den Comps op swellendam aangereden was, om na de gezondheid van voorsz S' onkruidt en die zijner huijsvrouw te verneemen, zijnde denzelven door hem Compt in een zeer goede welstand aangetroffen. dat den Comps de huijsvrouw van S' onkruidt eenigd tijd bevoorens op 's E: Comps Port de Riet valleij gezien hebbende, en als toen antwaord, dat zij grof zwanger was had den Compt met zijne aldaar mede presente huys vrouw Mitsg:s mitsgs de baas dier post en deszelvs huijsvrouw nog order ling daarvan gesproken en vastgesteld, dat gem Iufdr Onkruidt na alle gedagten niet langer zoude gaan als Vier à zes weeken, af zoude een kind hebben, hebbende den Comp die Iuffr egter na bij zijn retdur in een heel ander staat aangetroffen. dat den Comp van voorsz: S' onkruidt af bij de vrouw vande voorlezer van Swellendam Bavinga aange reden zynde, na over ende weder discorreerens, aan dezelve gevraagd had, of het waarwas, dat de Land daost vrouw een kind had, op 't welk die vrouw had geantwoord en gevraagd, wie zegt, dat? waarop den Comp:s had hervat overal waar ik kom, bij de luiden, hoor ik er van spreken wanneer die vrouw regereerde: dat 't niet waarwas, maar dat zy weldagt, dat Iuft onkruidt eerst over drie maanden een kind zoude krijgen! op welke bewoordingen den Comps die vrouw had toegevoegd ik geloof dat gij met mij de gek steekt! want ik komzo van Tniellendan, en heb haar gezien zij is zo plat als een pannekoek en wanneer ik haar voor eenige tyd op de Dort heb gezien, was zij grof zwanger: met byvoeging als daar maar niet meer kwaad ondersteekt. dat zij voor god zullen moeten verantwoorden, zo een armbloed op 't welk die vrouw had geantwoord. Neen kind, heb zulke gedagte niet. teffens daarbij voegende, het is waar Pass:mo Onkruidt heeft een kind, en dat is den 4 Iann: 1783 gebooren ik heb het kind gezien drie dagen naa de geboorte, en Een braaf quaad op Iut Onkruidt geweest want zij had my als Vroedvrouw besproken en mij niets laten weten, maar heeft er de trouw van wotskij daarbij gehad, en het kind zit op zolder, met de„ werd die de Landdrost van Conradi gekogt heeft en die 't kind zuygt. dat den Compts eenigen tyd naderhand verschedd luiden had horen klagen, over de zwaare en ongehoorde geldboetens, die de Land drost van hen E: eischte hebbende Zelve - en rouw