Inventory 10986
Cape · 984 pages · 314 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
even the petitioner Conradi complained that the Landdrost had extorted his female slave from him for One hundred Ryxd, who along with her child was well worth eight hundred Ryxds; that subsequently the farmer Daniel Lombard had come riding up to the appearer on his farm, and during dinner in the presence of witnesses, had related to his Honour in a compassionate manner how the Landdrost came to torment him, in that he had already kept all his people at Swellendam for two months; that his female slave had to work in the Landdrost's kitchen and his two boys in a newly planted vineyard, that man at the same time having exclaimed, is it not an outrage before God, the way the Landdrost lives with me, adding, it is in the middle of the ploughing season, and I have not yet sown a handful of corn, who will provide me with food, I have only my son with a little Hottentot on the farm, and during all that time they have had to look after my cattle; regarding all of which the appearer having asked that man what his people could then have done, and whether he himself had perhaps done anything, to which he replied that he knew of nothing, but that the Landdrost wanted to force him to say that the one child of the maid was his, and that with these words: just say it, that is nothing at all, then you can get your slaves back again; that the appearer thereupon having asked that man, what then did you answer to that? he said he had answered, my lord, if it were my child I would lock it away in the attic! but the road passes by my door, I cannot keep watch over anyone here. That the appearer hearing all these things, a compassionate and civic heart caused the appearer to say! that it was improper of an officer who is appointed by the authorities to uphold right and justice, that he comes to make himself guilty, and I therefore made all the above known to the petitioner Conradi. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, offering to confirm the same at all times with a solemn oath. Below stood: That this was thus passed in the Castle of Good Hope at the Secretariat of Justice in the presence of the clerks Anthony Alexander Faure and Coenraad Nelson as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. Lower: Which I witness, signed: C: L: Neethling, Secretary. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, the Commandant over the Swellendam burghers, Monsieur Jacob van Reenen, who, this preceding declaration of his having been read out clearly and distinctly word for word, declared to abide and persist thereby, wishing that nothing more shall be added or removed, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 20 December 1784, signed: P: van Reenen. Lower: In my presence, signed: H: L: Bletterman. And in the margin: as commissioners, signed: L: C: Warneck and J: Karnspek. Please turn over. Today the 18 February 1784 Appeared before me, Christiaan Ludolph Neethling, Secretary of the Honourable Council of Justice of this government; present the after-named witnesses, the burgher Ensign Monsieur Pieter van Breda, of competent age, who pursuant to the appointment of the aforementioned Council, dated the 12th of this month, and at the requisition of the farmer Fredrik Hendrik Conradi, declared how it is true: That as the appearer believes, now fully seven months ago, without being able to determine the date, when the appearer on a Sunday alongside the former burgher Lieutenant Monsieur Hendrik Oostwald Eksteen, and as the appearer believes the Landdrost of Swellendam Constant van Nult Onkruydt, came out of the church, or at least the aforementioned Sr Onkruydt had joined them in the street, and thus walking together having arrived at the house of the widow of the late junior merchant Sr Jan Adriaan van Schoor, they having discoursed among themselves there about various matters, the aforementioned Sr Onkruydt then, when the case of the petitioner concerning the mistreatment committed by him against his slaves was brought up, the aforementioned Sr Onkruydt then had related the case, and they talking further about it, the subject also turned to the child of the oft-mentioned Sr Onkruydt, whereupon both the appearer and the aforementioned Eksteen had asked the aforementioned Sr Onkruydt whether that of which Conradi made so much was true, to which the oft-mentioned Onkruydt had replied that the child was born on the 4th of Jan: and thus being a child of seven months, he could not find that it had arrived so prematurely. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, offering always to confirm the same with an oath. Please turn over.
Dutch transcription
zelvs den reqt Conradi geklaagd, dat den Land drost hem zijne slavin voor Een honderde Ryyd had af geperst die wel agt honderd Ryxds met haar Kind waard was dat vervolgens den land b' Daniel Lombard, bij den Comps op zyne plaats was komen aanrijden en onder het eeten in presentie van getuigen, op eene mede „lijdende wijze aan henE: verhaald had, hoe den land droor hem quam te plagen, als hebbende al zijn volk op Swellendam alrede twee maanden gehad; dat zijne werd bij den drost in de Combuijs moest werken en zijne twee Jongens in eenen nieuwen aangeleedee wijngaard. hebbende dien man teffens uit geroepen is het niet God geklaagd, zo als den Land drost met my leeft, met byvoeging, 't is midden in de ploeg tijd, en ik heb nog geen hand volkoorn gezaoyd, wee zal mi de kost geven, mijn zoon heb ik alleen met eene kleine hottentot op de plaats, en die hebben aldien tyd op mijn Vee moeten passen, op welk een en ander den Comps dien man gevraagd hebbende, wat zijn volk dan zoude gedaan hebben, en of hij zomtyjds iets gedaan had, waarop denzelven antwoordde, dat hij van niets wist, maar dat den Land drost hem wilde dwingen te zeggen, dat het eene Kind vande meid het zijne wos„ en dat met die termen ockzegd het maar, dat is niet met al, dan kant gij uwe slaven wederom bekomen dat den Comp dien man daarop gevraagd hebbende wat hebt gij dank daarop geantwoord; denzelven zeide geantwoord te hebben, mijn heer als het mijn kind was zoude ik het op zolder wegsluiten! maar de weg gaat aan myn deur voorby mik kanop geene hier passen. dat den Comp:s alle die dingen hoorende heeft een mo„ delydend en burgerhart, den Comps doen spreeken! dat het onbetaamnlyk was van een officier dewelke door de de overheid aangesteld is, om recht en gerechtigheid te handhaven, dat die hemzelvs schuldig komt te maken en heb dierhalven al 't bovenstaande aanden reqt Conradi doen weeten. Niets meer Verklarende geeft den Comp voor redenen van wetenschap als inden text, presenterende 't zelve ten allenlyde met solemneele Eede te sterken. /:Onderstond:/ Dat aldus passeerde In't Casteel de goede koop ter Secretarise van Justitie ten overstaan der Clercquen Anthony Aexander Faure en Coenraad Nelson als getuygen, die de minute dezes benevens den Compt ende mij Secretaris mede behoorlyk hebben onderteekend /:lager:/ T welk Ik getuijge /:geteekend:/ C: L: Neethling Seret Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E: Achtb: Raade van Iustitie dezes gouvernements den Commandant over de Sweltendanse Burgerij Mons Iacob van Reenen, dewelke deze zijne vooren staande verklaring, klaar en duidelijk woordelyx voorgeleezen wezende verklaarde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte, dat er niets meer bij gevoeg of afgedaan werden zal, En sprak dierhalven ter be„ „vestiging der waarheid van dien de Solemneele woorden zo waarlijk help mij god almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goude Hoop den 20 december 1784 /:getekend:/ P: van Reeren /:lager/ mij present /:getekend:/ H: L: Bletterman /en margine. /: als gecommitt: /geteekend:/ L: C: Wameck en J: Kampek verte Huiden den 18 February 1784 Compareerde voor mij Christiaan Ludolph Neethling Secretaris van den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes gouvernements; Praesent de naten: getuygen den burger Vaandrig Mons Pieter van Breda van Competenten ouderdom, dewelk ingevolge 't appoinctement van wel gem:e Raade, de dato 12:' dezer, en ter requisitie vanden Landb: Fredrik Hendrik Conradi, verklaarde hoe waaris. dat zo den Compt vermeind nu wel zeven maanden ver leeden, zonder den datim te kunnen bepalen, wanneer den Comp„n op een zondag niet ende benevens den oud barger luitenant Mons Hendrik Oostwald Eksteen, en zo den Comp: vermeind den Landdrost van Swellendam Constant van Nult onkruidt, uit de kerk, immers gem: Sr Onkruidt op straat bij hun gekomen was, en zo tezamen wandelende gekoomen zynde ten huize vande wed:me wyjlen den onderkoopman S:t Jan adriaan van Schoor, zijl: aldaar onderling over deze en geene zake gedis coureerd hebbende voorsz: Sr Onkruidt als doen, wan„ neer op 't lapijt gekomen was, het geval vanden req nopens de mishandeling door denzelven aan zijnd slaven gepleegd, gem:e Sr Onkruidt toen 't geval verhaald had, dat zij t: daarover sprekende voorts mede was gestroken over't kind van meerm:s S' Onkruedt, wanneer zo wel den Compt als gem: Eksteen aan voorm: S' Onkruidt hadden gevraagd, of het waar was, 't geen daar Conradi zoveel van opgaf, op 't welke meerm: Ontruidt had hewat, dat het kond was gebooren, den 4 Jan: en dus een kind van zeven maanden zijnde, hij niet vinden kon „do, hij niet vinden konde dat het zo vroeg tydig toos gekomen. Niets meer Verklarende geeft den Comps voor redenen van wetenschap als in den text praesenteerende t zelve altoos met Eede te staven vert.
English
underneath was written: that this was thus passed in the Castle of Good Hope at the Secretariat of Justice in the presence of the clerks Barend Hendrik Harders and Coenraad Nelson, as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. lower: To which I testify. signed: C: L: Neethling Secretary. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Ensign Monsieur Pieter van Breda, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out to him word for word, declared that he abides and persists by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. underneath was written: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope the 20 December 1784 signed: P: v: Breda lower: In my presence signed: P: L: Bletterman sworn Clerk in the margin: as commissioners signed: L: C: Warnecke and J: Karnspek. I, the undersigned, being interrogated as to the manner in which the Landdrost Constant van Nuld Onkruidt rode to the bath while his wife was still alive, answered that when he came to me with Mr. Blankstein on the 3 May 1782, and the following day took along the bastard Hottentot of said Blankstein, and he sent his slave boy with us, to the vendue on the said man at the widow A: Rink, whereupon I asked the said Onkruidt: where are you riding to? He answered: to the posts to conduct an inspection there; whereupon the next day the son of Krynauw came to me, who said: Re-examination. Sir, I certainly saw you riding yesterday; whereupon the oft-mentioned Onkruidt said: You are mistaken, my dear boy; whereupon he persistently said: no, Sir, it is more than all too true that I saw you, for he also said: Jnsche the widow Blankenberg, Miss van Schoor and miss Mins is at the bath; to which he answered: Yes; it was on the 8 May as above, of which on the 9 ditto an orderly cavalryman came to me and said: Sir, at home your wife has been very ill; whereupon said Onkruidt asked: is she somewhat better again now? The said orderly cavalryman answered: Yes, my Sir! Whereupon I replied: Surely you will stay first to take the midday meal; to which he answered: Yes, for that is her ailment, she gets it frequently; while walking in the Company’s garden she once also had an attack, whereupon I brought her directly into the house of old Mr. Kuuhl; the day before we had also discussed with each other that he, the said Onkruidt, also said that if he were to lose his wife, he would then take a poor girl, such as Caatje Roe and others of the like, as a housekeeper for himself; all of which I declare I can, before God and before the Judge, raise my fingers with a peaceful conscience whenever it is required. signed: C: A: Storm in the margin: adventure the 14 July 1785. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Burgher Cornet of the Swellendam Cavalry, Monsieur C: A: Storm, who, having had this his preceding declaration clearly and distinctly read out to him word for word, declared that he abides and persists by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So help me God Almighty. underneath was written: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope the 20 October 1784 signed: C: A: Storm lower: In my presence signed: P: L: Bletterman, sworn Clerk in the margin: as commissioners signed: L: C: Warnecke, J: Karnspek. Thursday the 29 July 1784 In the morning, present the merchant Mr. Adriaan van Schoor and all the members, except the Honorable President Pieter Hacker due to indisposition, as well as Colonel Robbert Jacob Gordon, the merchant Mr. Oloff Marthini Bergh and Military Captain the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke, with the addition of the three burgher councillors. The sworn Clerk of this Council, Hendrik Lodewijk Bletterman, acting for the Officer of Justice, plaintiff, says the written answer of the defendant does not provide sufficient grounds to refute the claim of the Officer of Justice, plaintiff, renouncing further productions for his part and requesting justice. The Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruidt, Officer of Justice, Plaintiff, against Memeling, for the defendant, submits the following memorial in the form of a plea to the Roll. Memorial in the form of a plea. Honorable Sirs, I likewise renounce, in my capacity, further productions, provided however that this causes and brings about not the least prejudice to the good right and the defense of the innocence of my principal, since in that respect I refer, in my capacity, to the means, positions, and evidence produced in the amended written answer first submitted but rejected and returned by Your Honors; reserving to myself the right of proof and counter-actions for defamation, and protesting, in my capacity, as can, may, and ought best to be protested according to law, against all that is prejudicial in the proceedings; requesting at the same time a word-for-word insertion and authentic copy hereof, with the disposition, decree or apostil of Your Honors to be rendered thereon, and for the remainder. was signed: H: Memeling in his capacity in the margin: Exhibited in Court the 29 July 1784. Upon the reading of which the same was questioned by the Council in the same manner as noted for the preceding party, and was also answered in that manner by the said Memeling. The Council holds this case for advisement until the burgher Fredrik Hendrik Conradi, as husband and guardian of his wife Elizabeth Rossouw, and the said Elizabeth Rossouw, assisted by her aforementioned husband Conradi, defendants, are heard to renounce further productions on their submitted written answer.
Dutch transcription
/:onderstond:/ dat aldus passeerde In't Casteel de goede hoop ter Secretarije van Iustitie ten overstaan der Clercquen Barend Hendrik Harders en Coenraad Nelron, als getuigen die de minute dezer benevens den Comp„ en mij Secretaris mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager:/ 'T welk ik ge„ tuijge /:getekend:/ C: L: Neethling Secret. Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E: Achtb: Raade van Justitie dezes gouvernement voorm: vaandrig Monsr Pieter van Dreda, deze zijne vooren staande verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgeleezen zynde, verklaarde daar by te blyven Dertt „teeren, met begeerte dat er niets meer bygevoegd of van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging den waarheid vandien, de solemneele woorden Zo Waar lyk help mi God Almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop den 20 december 1784 /:getekend:/ P: W.: Breda /:lager:/ mij praesent /:getekend:/ P: L: Bletterman gezw: Clercq /:in margine / als gecommitt: /:getekend:/ L: C: Wameck en I: Karnspek. Ik, ondergetekende bij afvraage gevraagd op hoe een wijze dat den Land droot Constant van Nult Onkruidt is naar het bad gereeden te en zijn vrouw nog leefde, waarop geantwoord, toen hij met de heer Blankstein op den 3 may 1782. is bij mij gekomen en daags daarna de bosterd hotten tot van gem: blanksteen heeft mede genomen, en hij zyne slave Jonge met ons mede gegeven, na de vendatie op den man meergem: bij de wed A: Rink, waarop ik gem. Onkruidt vroeg, waar ryd Uwe na toe! geandwoord na de posten om daar opneeming te doen, waarop daags daarna de zoon van Krynauw by my Kwam, die zeeden Recollement. mijn W den de aren - . myn heer ik heb Uwe wel gisteren zien ryden, waarop meergem:e Onkruidt zeide Jy heb het mis Jongje lief waar Op hij aanhouwende zeide, neen myn heer het is meer als al te waar, dat ik u gezien heb, want hij zeide nog Jnso de Wede Blankenberg; Iuffer van Schoor en nonje mins is aan het bod, waarop hij antwoordde van Ia: het is geweest op den 8 Mey als boven, waarvan den 9 dito een Ordonnantie ruijter bij mij kwam en zeide tuis heer uw Vrouw e zeer slegt geweest, waarop gem:e Onkruidt vroeg is zij nu weder wat beter ! antwoorde gem:e Ordonnantie ruyter van Ja. mijn heer! waarop ik antwoorde Uwe zal dog eerst blyven om het middagmaal te houden, waarop antwoorde van Ia. want dat is haar kwael zij krigt het meer zij heeft in't Kuijeren inde Compagnies tuin, ook reis een overval gehad, waarop ik haar direct bij de oude heer kuuhl in huijs bragte, daags te vooren hebben wij nog met elk anderen gediscoureerd, dat hij gem: Onkruidt nog zeede, dat als zijn vrouw mogt komen te verliezen, hij als dan Een arm meisje, zo als Caatje Roe, en meer andere zijn tot huyshoudster voor hem zoude neemen, het geene ik Verklaard kan bij God en bij den Rechter mijn vingers met een gerust Conscientie opsteeken wanneer het opgeeischt werd /:getekend:/ C: A Storm /:in margene: / avantuur den 14 July 1785. G Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb Rade van Justitie dezes gouvernements voorm: burger Cornet der Swellerdanse Cavallery: mors C: A: Storn, dewelke deze zyne voorenstaande Verklaring, klaar en duidelyk woor delyx voorgeleezen zynde, verklaarde daarbij te blijven per Tisteeren, met begeerte dat er niets meer bij af van gedaan worden zal, En sprak dierhalven ter bevestiging derwaar„ heid van dien de Solemneele woorden zo waarlyk help mij God almagtig /:Onderstond:/ Aldus gericolleerd en beeedigd aan Cabo de goed Dorp den 2ol4 Cor: 1784 /getekend:/ C: A: Storm /: lager:/ not praesent /:getekend:/ D: L: Bletterman, gezz: Clercq /:in margind:/ al gecommitt: /: getekend:) L: C: Warneck I: Kampek Donderdag onderdag den 29 Iulij 1784 's voordemiddags praesent den koopman de heer Adriaan van Schoor en alle de Leden, demptes den E: Achtb Heer Praesident Pieter Hacker bij indispositie mitsg:s de heer Collonel Robbert Iacob Gordon, den Koopman de heer Oloff Marthini Bergh en Capitain militair d' E: lode Wijk Christoph Warneck, assumpter de drie burger raden de geww: Clercq dezes Raads e Hendrik Den Landdrost van Swellerdams F lodewijk Bletterman, sungeerende Constant van Nuld onkrendt rat: aff voor den rat: Off: Eess: zegt het schrif tuur van antwoord vanden ged' geen fundament genoeg opleeverende, om des rat: off: Cisse Eisch daarmede te kunnen wederleggen zijn pr van verdere Pro„ ducties renuntieerende en om recht verzogt Ees Memeling voor den ged' leeverd over de volgende memorie bij forma van dictamen ter Rolle. Memorie bij forme van dictamen. E:E: Achtbaare Heer EE: Heeren Ik renuntieere mede qq van verdere productien onder deze mits egter, dat zulx geen de minste verkorting veroorzaakt, en te wegebrengd, aan het goed recht en de Verdediging der onschuld myner principaale alzo ik mij in dat Clas gedrage qq aan de middelen posities en bewijzen geproduceerd bij de eerst ingeleverde dog door UE: Achtb: vande hand gewezene enterug gegevene geresomeerde Schrif„ „tuur van antwoord, houdende aan mij gereserveerd, het recht van bewijs en Contra actien de Columma en protesteeren qq zo als naar rechten best kan, magen moet worden geprotesteerd, tegens al het prajudiciabel in der procedures verzoekande teffens hier van woordelyx insertie en Copia ousthenticq, met daarop te vallene disver sitie decreet off appostille van UE: Achtb: en Integain /:was getekend:/ H: Memeling qq /:in margine:/ Exhibitian in Iadicio den 29 Iuly 1784. van welkers Lectuure denzelven in zelver voegen door den Raad is afgevraagd als bij de voorige parthij staat aangetekend, en door gem:e Memeling ook indier voegen is geantwoord geworden. Den Raad houd deze zaak en advijs tot dat den burger Fredrik Hendrik Conradi als man en voogd van zijne huisvrouw Elizabeth Rossouw en dezelve Elizabeth Rossouw geadsisteerd door haren man voorm: Conrade, ged„e omme op derzelver in geleverd: schriftuur van antwoord te horen renuntieeren van verdere Produc des d 3 „tien. ƒ sa
English
Article 1 The submitted depositions shall be re-examined and sworn, provided that they, along with the documents, shall have been read by the other members, granting the respondents the requested copy together with the minutes kept in this matter. underneath stood: At Cabo de Goede Hoop, day and year as above. lower: currently present. signed: C. L. Neethling, Secretary. lower: Agrees. signed: C. L. Neethling, Secretary. Appeared before the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Landdrost of Swellendam, Constant van Nult Onkruidt, Plaintiff ex officio, of the one part, on and against Elizabeth Rossouw, wife of the farmer Fred hend Conradi, and the said Fred Hendk Conradi as husband and guardian of his aforesaid wife, defendants. And the Plaintiff ex officio stated that it having pleased Your Honorable Worships to place into the hands of the Plaintiff ex officio a certain petition presented to Your Honorable Worships by the defendant in this matter, as well as by virtue of the authorization granted by her husband mentioned in the heading hereof, in order to provide a report on that petition; that the Plaintiff ex officio, in compliance with Your Honorable Worships' highly esteemed resolution, did indeed submit on July 31 of this year that same report, supported by the authentic copies of the documents annexed hereto; upon which all Your Honorable Worships were pleased to qualify the Plaintiff ex officio to act ex officio against the defendant in this matter as well as against her husband, the burgher Fredrik Hendrik Conradi; the Plaintiff ex officio, therefore, also by virtue of that same esteemed 4 Article 8 esteemed order granted upon his report, subject to respectful correction, considered it necessary to formulate this claim against the defendant in this matter. And since the crimes committed by the defendant in this matter are two-fold, and that is, firstly, in the maltreatment committed against the slave woman Jannetje of the Cape, 11 and then secondly, in the calumnious insult made in writing to the Plaintiff ex officio by the defendant in her petition presented to Your Honorable Worships, 12 the Plaintiff ex officio will therefore take the liberty to handle the same likewise in two parts. To support the first-mentioned point or the first crime of the defendant, it would be superfluous to argue at great length 14 the nature of the crime, since this undesirable treatment was the reward for the faithful service of the slave woman Jannetje, as clearly shines forth from the statement of that slave woman, and whereby the marks of maltreatment that she showed to Your Honors, the commissioners from this Honorable Worshipful Council, 18 are speaking proofs thereof, since even all impartial members, having observed that same maltreatment on the slave woman on her way to lodge a complaint, judged the said treatment to be contrary to the laws, and for that reason also assisted her on her way to complain, as Your Honorable Worships can perceive all this in further detail from the aforesaid annexed documents marked from A to E inclusive; 22 that it is thus very clearly established therefrom 23 that the defendant in this matter has committed an act contrary to the laws, Article 221 f. 10 23 15 16 19 20 21 Article 24 and contrary to the duties of a Christian; the defendant having thereby incurred the penalty of being extraordinarily corrected on that account, and that the means ought to be taken from her whereby her wicked and heated temper could be incited to vent its anger; and departing from this, the Plaintiff ex officio will now proceed to the very atrocious and calumnious accusation made in writing by the defendant in her petition, and which consists in this, that she, the defendant, explicitly declared 30 that the slave woman Jannetje was used to look after the Plaintiff ex officio's illegitimate child. The Plaintiff ex officio has already had the honor, regarding this point, in his report submitted to Your Honorable Worships on this date, subject to respectful correction, to demonstrate that he, the Plaintiff ex officio, knows no differently than that from a man and woman who, after prior examination and according to the laws of the land, are confirmed in the state of matrimony, no other children can be brought forth than legitimate offspring, or descendants lawful by such birth; or that it could be proven against the Plaintiff ex officio 37 that, besides the two children by his wife Elizabeth van der Heyde, who died on May 10, 1782, 38 and the child begotten with his present wife and born in this year, he had fathered any others. And since this has not only not been demonstrated or proven by the defendant, nor can it be proven, the Plaintiff ex officio trusts that this has arisen solely from her malicious disposition, and since it demonstrates the deliberate malice of the defendant, 43 in order, where possible, thereby to bring the character of the Plaintiff ex officio into disrepute with the public, 32 31 6 Article 44 25 26 28 29 f. 33 34 35 40 41 42
Dutch transcription
Art: 1 de overgeleverde Verklaringen, zullen gerecolleerd en bele„ digd, mitsg' benevens de stukken bij de rest Leden zullen geleezen zijn, accorderende aan de gereq=ten de verzogte Copia nevens de in dezen gehoudene Notulen /:onderstond:/ Aan Cabo de Goede Hoop die et anno at supra /:lager:/: nug present /: getekend:/ C: L. Neethling Secretaris /:lager:/ Accordeert /:getekend:/ C: L: Neethling Secret: Compareerde voor den wel Edelen Achtbaren Raade van Iustitie de„ Zes gouvernements den Land drost van Swellendam Constant van Nult Onkruidt Rat: Off: Eiss ter eenre op ende Jeegens Elizabeth Rossouw huysvrouw van den Landb: Fred hend Conradi en denzelven Fred Hendk Conradi als man en voogd van zijne huijsvrouw voorm: gedaagden. Ende dede den Rat: op Eiss zeggen dat het Uwel Edele Achtb: hebbende gelieven te behagen Omme in handen vanden Rat: op: Eiss te stellen zeker request door de ged=te in dezen zo wel als uit kragte vande door haren in den hoofde dezes gemelde man verleende qua lificatie aan Uw wel Edele Achtb: gepraesenteerd. ten einde op dat request te dienen van berigt dat de Rat: off: Ciss:s in voldoening van uwelEd: Achtb: zeer geEerd besluyt, dan ook op den 31 Iulij dezes Iaars hebbende ingeleverd gehad, hetzelve berigt genuinieert met de dezen in Copia authenticq geannexeerde dom„ „menten Op het welk een en ander UweEEd achtb: den Rat: Off: Eiqf hebben gelieven te qualificeeren, omme Jegens de ged=te in dezen zo wel als Jeegens harer man den burger Fredrik Hendrik Conradi Rat: Off: te ageeren de Rad: off: Eess=t mits dien ook uit kragte van hetzelven geEerde 4 Artb: 8 geEerde appoinctement op zijn berigt Verleend /: onder Een „biedige Correctie:/ heeft vermeend dezen Eisch tegens de gede in dezen te moeten formeeren En daar de misdaden door de ged=te in dezen begaan twee ledeng zijn. En wel Eerstelyk In't mishandelen aande slavinne Iannetje van de Caab gepleegd. 11 „ en dan tweedens inde Calumnieuse en bij de ged=te in haar aan Uwel E: Achtb gepresenteerd request, schriftelyk aan den Rat: Otj: Eisc gedaan Injurie 12. zo zal de rait: Off: Cissr de vrijheid neemen ook dezelve das danig tweeledig aftehandelen. tot adstructie van 't Eerstgemelde Poinct ofte de eerste misdaad vande ged:te zou het overbadig zijn breedvoering te betoogen 14 de qualiteyt vande misdaad alzo de ontwenschte behandeling het Loon van de trouwe handeling der slavinne Sanretje geweest is. gelyk zulx zonne klaar uit het Relaas dier slavinne doorstaaalt en waarbij de tekenen der mishandeling dewelke zij aan I: E: gecommitt: uit dezen E: Achtb: Raade heeft vertoond 18 dezelve spreekende bewyzen zijn alzoo zelvs alle onpartydige leden dezelve mishandeling aande slavinne op haren weg om te gaan klagen beschouwd hebbende gemeend te hebben dezelve behandeling schijdig te zijn tegens de wetten, en ook om die reden, haar bevordelijk geweest op haren klagenden weg. zo als Uwel E: Achtb: dit een en onder (breder gedetaclleerd uit de voorm: dezen geannexeerde documenten gequoteerd van Z: A: tot E: inclusive kunnen ontwaaren. 22. dat dus daaruyt zeer klaar Consteerd 23 dat de gedte in dezen heeft begaan een daad shydig met de Wetten Art: 221. ƒ 10. 23 15 16 . 19 Zo 21 Artb: 24 en strijdig met de pligten van een Christen de ged:te mits dien daardoor heeft geincurreerd om dies we„ „gens extra ordinair gecorrogeert te werden en aan haar dat middel behoord te worden ontnomen waardoor haar boovaardig en verhit gemoed, zou kunnen werden aangezet om zich te verkoeken en waarvan de reek: Op: afstappende als nu zal overgaan tot de schriftelyke door de ged=ne bij haar request zeer attroce en Calamnieuse gedaane bescheldiging en het welk daarin bestaat dat zij ged:te volmondig heeft gedeclareerd 30 dat de slavian Iannetje wierd gebruikt tot het oppassen van des zat: ops: Ciss„s onecht kind. de rat: Op: Ciss heeft reeds ten opzigte van dit poinct bij zijn aan Uwel Edele Achtb: in dato overgeleoerd berigt de Eere gehad. — sonder Eerbiedige verbeetering /aantetoonen; dat hij zal: Op: liss niet beter weet of dat uet man en vrouw, dewelke na voorgaande Examinatie, en volgens, de wetten van den lande, in den huwelyken staat bevestigt zijn andere kinderen kunnen werden voortgebragd, als egte en door een diergelyk geboorte wettige afstammeling, afte af„ Htammelingen of dat men den zat: op: Eas zoukunnen bewijzen 37 dat hij buijten de twee Kinderen by zijn op den 10 May 1782 overledene huysvrouw Elizabeth van der Heyde 38 — en het bij zijn tegenwoordigs huijsvrouw verwekt en in dezen Iaare geboor kind nog andere had geprocreeert. en daarnw zulx door de gedte niet alleen niet is aange„ toond of beweezen, nog ook kan beweezen worden. Zo Vertrouwd de Rat: Off: Ciss dat zulx alleen uit haar boosaartige gemoeds gesteldheed is Voortgesprooten En daar het de opzettelyke quaadachtigheid van de ged=te aanwijst 43. Omme waar 't mogelijk daardoor het Charaster van den rat: off: liss in disrespect bij 't algemeen te brengen 32. 31 6 Artl. 44. 25 26 28 29 ƒ 33 34 35 40 41 42.
English
Article 44. In addition to the fact that she has most severely insulted the person of the official plaintiff. 45. Thus the official plaintiff trusts, subject to the wiser judgment of Your Honorable Worships, that if he is to continue to exercise his office with the required prerogatives granted to him by the government of this capital, as the sole and original representatives of the sovereign, a striking satisfaction ought to be granted to him, the official plaintiff. 47. For which and other reasons and arguments to be alleged in due time and place, if necessary, the official plaintiff, demanding justice, concluded that the slave mentioned herein, by name Iannetje with her child, both of the Caab, by order of Your Honorable Worships shall be legally sold in public to the highest bidder for the benefit of the defendant and her husband, nevertheless under this condition, that the said slave and her child shall never again be permitted to come under the power of the defendant or any of her near relatives; that furthermore the defendant, on account of the written injury committed against the official plaintiff, shall be condemned, after the prior tolling of the bell, in this full court of Your Honorable Worships in public with open doors, to beg forgiveness on her knees from God and Justice, and to pay to the diaconate poor of the Reformed church here, the sum of one hundred and fifty Rixdollars, and further, a fine of one hundred Rixdollars for the benefit of the official plaintiff, with further condemnation to all the costs incurred in this trial, or to such other punishments and penalties as Your Honorable Worships, in good and upright justice, shall find to be proper. Signed, C. van Auld Onkruidt. In the margin: Exhibited in court, 1784. Report given before the undersigned commissioners at the requisition of the Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruidt, by and on behalf of Iannetje of the Caab, of competent age, former slave of the burgher Fredrik Hendrik Conradi, reading as follows. That the deponent, without being able to determine the day or year, was ordered by her first master, the burgher Conradi named in the heading of this document, on the occasion that her mistress, the wife of the said Conradi, had ridden to the Hex River to fetch corn, to fetch chaff from the chaff loft; that the deponent also went thither, but that the deponent, having arrived there, was followed by her aforesaid master Conradi, who, having also come onto that loft, threw her, the deponent, to the ground, and the deponent, immediately understanding the intention of her said former master, asked him in substance, Master, what does the Master want to do? adding, I will tell the Mistress; to which he replied, Hold your mouth, maid, and thus committed his vile lusts. That the deponent, having recounted the incident a few days after the return of her aforesaid former mistress, the latter fell into a faint from shock; whereupon the aforesaid Conradi, or the deponent's master, helped his wife up again, and having recovered her senses, she asked her husband, the aforesaid Conradi, whether it was true that he was carrying on with the deponent; which he denied under the most solemn oaths, and immediately called a certain Hottentot, Iantje, who now resides with the burgher Iacob Hugo at the Breede River, and ordered him to cut a bunch of quince sticks and pass them through the fire; which being done, both the aforesaid Conradi and that Hottentot seized the deponent, and fastened her to the stump of an oak standing before the kitchen door, after her hands and feet were bound fast, and she was completely undressed; after which the said Conradi struck the deponent with the same quince sticks, with intervals, until, having constantly affirmed under the beating what she had said to his wife, and falling into a faint, she was finally forced to say in substance, No, the master did not sleep with me; whereupon the deponent was untied and brought into the house, having fainted again, and when the deponent subsequently came to herself again by means of some vinegar, he washed her whole body with brine water; that the aforesaid Conradi subsequently, with the substantial assurance, Maid, if you say it again now, I will
Dutch transcription
art: 44 boven en behalven dat zy den perzoon van den Rat: Oy: Es Jt op het Sterkste heeft beleedigd. 45 zo Vertrouwt den Rat: opf: Eiss onder 't wijzer oordeel van Uwel Ed Achtb: dat zal hij zijn post met de Vereischte praerogativen die hem door de regeering dezer hoofdplaatze, als de eenige en origineele repraesentanten vanden souveraen zyn mede geveeld blijven waarnemen. aan hem Rat: off: Eiss dan ook eene eclatante Satisfactel behoord te worden verleend. 47 Mits welke en andere redenen en midde„ len in tijd en wijle /: is 't nood / naderte N. allegueeren, den ratione opf: Eess Edsch doende, Concludeerde, dat de slaaen in dezen Vermeld in naame Iannetje met haar Kind, beide van de Caab op ordre van Uwel E: Achtb: Publicq aande meestbiedende ten voordeele van de ged:te en haren man gerechtelyk zullen werden verkogt, onder deze Conditie nog tans, dat dezelve slavin en haar kind nimmer weder onder de magt vande gedte of een harer naast be staande zullen vermogen te gecaa„ „ken, die dat wyders de gedt wegens de aan den Rat: Aff: Erf gedaene schrifte lyke Injurie zal worden gevonden „neerd, omme na voorafgaande klokken geklep, in deze volle „ Vierschaar uwer Wel Edele Achtb in't Publicq met opene deuren op hare knien god en Iustitie om vergitje „nisse te smeeken en te betaalen Aan 46 2 aan de diacory Armen der opfefor„ meerde kerke alhier, de somma van Een honderd en vijftig Rexd en voort, in eene amende van Een honderd zynd ten behoeve van den Rat: Op: Eess met verdere Condemnatie en alle de in„ dezen processe gevallene kosten of te tot alzulke andere poenen en thaffen als Uwel E: Achtb: in goede en op„ rechte Iustitie, zullen bevinden te behooren /:getekend:/ C: van Anld onkruidt /:in margine:/ Exhibiteer en Indicio den 1784. Relaas gegeven ten Overstaan vande onderget: gecommitt: ter requi sitie van den Land drost van Swellen „dam, Constant van Nuld onkridt door ende van wegens Iannetje van de Caab van Competenten ouderdom geweezen slavinne vanden burger Fredrik Hendrik Conrade luidende 't zelve als volgt. al de rel zonder dag of Iaar te kunnen bepalen door haar eersten lijfheer, den en den hoofde dezes gen: burger Conradi bij gelegenheid, dat haar lijfvrouw, de Vrouwe van denzelven Conradi na de heprivier gereeden was, omkoorn te haalen bevoolen zynde om van die kafzolder kaf afte haalen, de relt haarook der= waart begeeven, dog dat de relt aldaar gekoomen Zynde door haren voorsz: lyfheer Conradi was agter „volgd, denwelken op die zolder mede gekoomen zijnde, haar haar relt op de aarde had geworpen, ende Relt direct de meening van gem: haren toenmaligen lyfheer begre„ „pende, zij hem substantielyk gevraagd had Baas wat wil de Baas doen. met byvoeging ik zal 't aan Nonje zeggen. als antwoord had, houd Jousmoelmeid en dusdanig zijne vuijle listen had gepleegd. dat de relte eenige dagen na de terug komst van haren Voorsz: toenmaligen lijfvrouw 't geval hebbende verhaald dezelve door ontsteltenisse in slaamste was gevallen. als wanneer voorsz: Conradi, ofte der relt lyfheer zyne Vrouw wederom op geholpen, en by haarzelve gekomen zijnde, had zij aan haren man voorsz: Conradi gevraagd of 6 waar was dat hij t met de relt hield. 't welk denzelven onder de duurste Eeden had genegeerd, en di reetelyk zekeren Botten tot Iantje die thans bij den burger Iacob Hugo aande braede rivier woon agtig is, geroepen en geordonneerd een bos quepeerlotjes aftesniden en door 't duur te halen, 't welk geschied zijnde zo wel voorsz: Conradi als dien hotten tot de rec=te opgenomen, en aan den voorde Combuis deur staande stomp van een Eyk, naa dat haare handen en voeten vost gebouden waren, en zij geheel en al ont kleed, was, vast gemaakt, waarna denzelven Conradi met dezelve qneepeerlatjes zo lange haar ret=s met tusschen poozing had geslagen, tot dat zij onder 't' slaar„ altoos bevestigd hebbende, 't geen zij aan deszelvs huys vrouw had gezegd, in slaanw te vervallen, eindelyk ge„ noodzaakt was geworden, substantienlyk te zeggen Neende baas heeft niet bij my geslapen, waarop zy relk los gebonden, en in huijs gebragd geworden zinde, opnieuw slaamd was geworden, en wanneer zij rel:te vervolgens door wat azijn wederom tot haarzelve was gekomen, haar geheele lijf met pekelwater had gewassen dat voorsz: Conradi vervolgens met de substanti 8 „eile verzekering, Meid, zo gijt nu wederom zegt zal ik
English
I will start beating you from the front, having always had carnal relations with the narratrix until he, Conradie, having noticed that she, the narratrix, was pregnant by him, had said to her in the aforesaid manner, if you have a child, you must tell your mistress that it is by the bastard Hottentot Adam, presently living with the farmer Willem Grobbelaar, which her then mistress frequently asked of that Hottentot, but not being sufficiently answered by that Hottentot, she, when the narratrix had been delivered of a white child, asked that aforesaid bastard Hottentot in the presence of the narratrix whether the child was his, which both before and then was answered by the Hottentot with No!, whereupon her then mistress, notwithstanding the narratrix was newly out of childbed, continuously beat and mistreated her daily in such a way that she became unable to look after her child properly, the aforesaid mistress of the narratrix thereafter refusing to permit the narratrix to help and quiet the child even if it cried ever so much, so that the mistress of the narratrix had said to her more than once, if she has black children, I will let them be looked after, but no white ones. That the narratrix's child, having reached the age of about nine months, having had the misfortune of crawling into the fire, thereby burning one leg, which had as a consequence that it died a few days later, and upon inspection she had found some welts and marks on the buttocks of the child, which had been inflicted upon it by the aforesaid mistress of the narratrix both with a cat-o'-nine-tails and with a knife sheath, the other slaves, while the narratrix wept over the loss of the child, having said to the narratrix, you may be glad that the child is dead, for you have not had a single day of rest. That the narratrix, having been about fourteen days out of childbed from the aforesaid child, her then master the aforementioned Conradie, under the repeatedly made and above-mentioned threats, had again carnally conversed with her until she, the narratrix, having become pregnant with the child she now has with her, the aforesaid Conradi had ordered her, the narratrix, to say that the child was by a certain of her fellow slave boys named Damon of Madagascar, with whom the aforesaid Conradi and his wife had encouraged her to have relations, but in whose place the narratrix had chosen another fellow slave boy named Abraham of Bengal. That she, having been delivered of the aforesaid child presently with her, her master the aforementioned Conrade had ordered her, in case his wife, the mistress of the narratrix, should ask her whose child it was, to say then that it was by a certain mason Gerrit van der Blijk, who had lived with the aforesaid Conradi and was already deceased at that time, which the mistress of the narratrix had refused to believe. That the narratrix, being about two weeks out of childbed, had gotten a so-called lump in the breast, which the mistress of the narratrix, while busy rubbing it, had essentially asked her, do tell me maid whose child it is, I will give you a hundred rixdollars, which the narratrix was afraid to answer truthfully and thus maintained the statement of her master the aforesaid Conradi, that the child was by the aforementioned Gerrit van der Blijk, which the mistress of the narratrix having refused to believe, had taken her with her to the garden, and having arrived there, she was ordered to cut a quantity of quince branches, which the mistress of the narratrix had for the most part pointed out to her, the narratrix, which the aforesaid housewife, having arrived home, had herself passed through the fire, and thereupon, having stripped her naked along with her, had bound her hands and feet, and sent her children out of the house. That she, thus bound and lying on her side, her mistress
Dutch transcription
ik Jou van vooren af beginnen te slaan, altoos Vleeschelyk met de relt had verkeert tot dat hij Conradie hebbende bespeurd zy relt van hem zwanger was, aan haar invoegen voorsz: gezegt had, zo gy een kined krijgt, moet sij tegens Jow honje zeggen, dat 6 van adambasterd, thans bij den landb Willem Grobbelaar woonagtig is, 't geen derzelvs toen maligo lyfvrouw dikwerf aan dien hoven tot hed gevraagd dog door dien Kotten tot niet voldoende beantwoord zynde had dezelve, wanneer de rec=te van een blank af wet kind verlost was, aan dien Geloden voorsz: basterd hotten tot ter Praesentie vande relte gevraagd of 't kind van hem was„ tgean zo voor heen als, toen door den kotten tot was beant„ „woord van Neen! waarop dezelve der zelr toenmalige lyf „vrouw, de relt niet tegenstaande na Iong kraam Par bij continuatie dagelyks zo geslagen en mishandeld had, dat de zel buyten staat was geraakt, haar kind behoor lyk te kunnen oppassen, hebbende der relt voorsz: lyfvrouuw daarna de relt niet willen permitteeren, om 't zelve kind alschreede 't nog zo, te mogen helpen en tot stilstand brengen, zo dat der rels lyfvrouw meer dan eers aan haar had gezegt, als sij zwarte kinderen krijgt, zal ik dezelve laaten oppassen, maar geen witte. dat der relt kind omtrend negen maanden oud geworden zinde, 't ongeluk hebbende gehad van in't vuur te kruys „pen, daardoor 't eene been te verbranden, 't welk tot zyn gevolg heeft gehad, dat 't zelve weinige dagen daarna over ledenis, en bij bezigtiging had dezelt bevonden, eenige strie men en streepjes op de billen van het kind, dewelke door der relt Voorsz: lifvrouw zo door met een Catje als met een mes scheede aan 't zelve waren toegebragd, hebbende de andere slacen, terwijl de relts over 6' Verlies van 't kind weende, tot de rel=te gezegt gij moogt blijde zyn dat 't kind dood is, want zy hebt geewaar op een dag rust gehad, dat de kelt omtrend Veertiendagen vant voorsz: kind ond kraams geweest zynde haar toenmaattigen lyfheer gem: gem=e Conrade onder de meermalen gedaane en hierboven gementioneerde bedreigingen, op nieuw met haar vleeschlyk had geconverseert, tot dat zij relt aan haar thans by hebben kind zwanger geworden zynde, voorsz: Conradi haar relk gelast had van tezeggen, dat 't kind van zeker harer zelt mede slaven Jongen gen:t damon van Madagascar met denwelken voorsz: Conradi en zyn vrouw dezel aangezet had om verkeering te houden, dog in welkers stede de velk een andere medelslas Iongd gen:t Abraham van bengalen gekoozen had. dat dezel van 't voorsz: thans by haar hebbende kind verlost zynde, had haar lyfheer gem: Conrade haar gelast ingevalle zijn vrouw der rel:t lyfvrouw haar vragen mogte van wient kind was, als dan te zeggen dat 't van zeker bij voorsz: Conradi gewoond hebbende te dier tijd reeds overledene metzelaar Gerrit van der Dlijk was, 't welk devrelt lyfvrouw niet had willen gelooven. dat de rel omtrend twee weeken oud kraams zijnde, een Zogenaamde klont in de borst had gekregen, 'twelk der „trel lyfvrouw met het bezog zynde te Smeeren, aan haar Substantieelyk had gevraagd zeg znij dog meid van wien 't kind is, ik zal jouw honderd ryxd geeven, 't welk de relt bevreest was naar waarheid te beantwoorden en dus 't gezegde van haren lyfheer voorsg: Conradi staande hield, dat 't kind van voorm: gerrit van der blyk was, 't geen der rel=t lyfvrouw niet hebbende willen ge „looven, de zel met haar naar den tuin genoomen had, en aldaar gekomen zijnde, was de zelt gelast, een parthi quaepeerlasten, die der reltse lyfvrouw, haar relt voor't grootste gedeelte aangeweezen had, aftesnijden, dewelke derzel voorsz: huisvrouw te huijs gekomen zijnde zelfs door 't Vuur gehaald had, en daarop nevens haar haar dezel maakend uitgekleed hebbende, de handen en voeten geboeyd hadden, en haar Kinderen 't huis totgezonden. dat dezel dusdanig geboeid op zijde leggende haar lijfvrouw ƒ
English
mistress called her relator's master who was lying in bed, in order to beat her, which he had at first refused, saying that his hand was too sore, so that this could not excuse him, whereupon he was forced to come and beat the relator first with a bundle of quince slats passed through the fire and afterwards with a sjambok, which he then also did for so long until he, being no longer able nor willing to beat, his wife, or the relator's mistress, began to beat, at which point the relator's master aforementioned Conradi substantially said to his wife, how will it go if the girl croaks, to which question his wife ceased beating, and having gone outside the house, her master said, do say that the child is by Cornelis van Eeden, then you will get no more beatings, which she said to her mistress upon coming into the house, whereupon she the relator was unbound, and being seated in a room upon a sheepskin expressly brought into the house by the Hottentot woman Sara, was again locked in irons, which statement however her mistress still did not want to believe, as she threatened the relator that she would write a letter to the aforementioned van Eeden, and in case this might also be untrue she would then have the relator bound to a ladder, after which the relator having fallen ill, her mistress repeatedly beat her the relator with the sjambok, under the threat that she would have the aforementioned van Eeden called. That her fellow slaves daily having pitied the relator, finally two of them named Abraham van Bengalen and Batjad van Bougies, moved by compassion, said to her that they could no longer watch the daily torment, addressed her to go make a complaint by day, so that they accordingly left the farm naked on a Saturday. That she having arrived first with both aforementioned slaves at the farm of the burgher Dewald Andreessen, they bought a bread there from his son for 2 s, as they had consumed nothing for 2 days, the same son however having asked them where they were going, and it being answered by them, to the Landdrost to complain, he said to them, go right ahead, that meanwhile a son of the burgher Fredrik van Eeden who was present there, having ridden past them on horseback towards home, came back again, and said both to her the relator and to the other two fellow slaves, you must come to my father and mother, the relator and the same two aforementioned slaves also having gone there to the place, the wife of van Eeden inspected her entire body, and afterwards said to her and her aforementioned two fellow slaves, eat first, and then you can go, but that they had to wait at the river as the father of the aforementioned van Eeden would come to them, as he also did, and having brought them to the farm of the former heemraad Monsr Botha, she was brought into a room there, and her the relator's body was inspected both by the said Botha and the burgher Carel Rog present there, who both then also said to her the relator, come you must not be ashamed when you arrive at Swellendam and you must just tell everything nicely, because you are terribly mistreated, the same Botha having sent a boy along as far as the farm of the burgher Hans Jurgen Botha, whose wife having inspected her the relator, advised the wife of the aforementioned Carel Rog present there, who had also wanted to inspect her, against doing so, because she herself was pregnant, she with both her aforementioned fellow slaves from there subsequently went to the farm of the burgher Daniel Steijn, whose wife having also inspected her, sent a little Hottentot along to the farm of Christiaan Rogh, where she the relator with the other two slaves slept, and the following day from there with a little Hottentot being brought to Swellendam to the magistrate, related the whole case to him, which the relator believes to have been about fourteen to fifteen days before New Year or the first day of this year. That the relator being inspected the day after by the surgeon Montauban, after that inspection he testified to her that she was, so to speak, beaten to pieces. That
Dutch transcription
bijfvrouw haar rel=tse lyfheer die te bedde lag geroepen, om dezel te slaan, t geen denzelven eerst geweigerd en gezegd had, dat zyne landen aftand te zeer was, dan dat zulx hem niet konde vrij spreeken, alze denzelven genoodzaakt wes geworden, om te komen en de rele eerst met een bos door 't vueir gehaalde queepeerlatten en daarna met een sjambok te slaan, 't welk denzelven dan ook zo lange had gedaan tot dat hij niet meer kunnende nog willende slaan, des zelvs huysvrouw, ofte der relt. lyfvrouw had beginnen te slaan als wanneer der relt lyfheer voorsz: Conradi substanti eelyk tot deszelvs der zels huysvrouw had gezegt, hoe zal 't gaan als de meid verrekt op welke vraag derzels lyfvrouw op gehouden had met slaan, en buyten de huys daar gegaan zynde, der zele lyfheer gezegt had, zeg doch dat het kind van Cornelis van Eeden is, dan zal je geen s lagen meer krijgen, 't welk de zelt aan haare lyfvrouw in huys gekomen gezegt had, waarop zij relte losgebonden, en in een kamer op een door de hottontokenne Sara expresselyk in huijs gebragt schapen vel nedergezet zynde op nieuws in boeyen was geslooten, welk gezegde egter der zelts lyfvrouw als nog niet had willen geloo „ven, alzo zij de rele had bedreigt, van voorsz: van Eeden een brief te zullen schryven, en ingevalle zulx ook onwaar mogte zijn zij de rel als dan op een hadder zou doen binden waarna derel ziek geworden zynde, haar lyfvrouw haar recte tel kens met de sjambok had geslagen, onder 't bedreegen dat zi voorsz: van Eeden zoulaaten roepen. i dat der zelts mede slaven dagelyx de relt hebbende be klaagd, eindelyk twee derzelven in naam Abraham van Bengalen en Batjad van Bougies door medelyden bewogen tot de zel gezegt hadden, het dagelyx teysteren niet langer te kunnen aanzien, de zel aangesprooken hadden om dag te gaan klagen, dat danig dan ook op een zaturdag naakt vande plaats heen begeeven dat de zel met de beide voorsz: slaven 't eerst op de Plaats vanden burger dewald Andreessen gekoomen zijnde aldaar van den zoon van denzelven voor 2 9 een brood gekogt hadden, terwyl en 2 dagen niets genuttigd hadden dezelve zoon egter hien gevraagd hebbende, waarof zijl: heer gingen en en door hun geantwoord zynde, na de Landdrost om te Klagen hadden denzelven gezegt, gaat maar heer dat inmiddels, een Zoon van den burger Fredrik van Eeden die aldaar Praesent was te paard na huys hunl: voorbg gereeden zynde, wederom te rug gekoomen was, en zo aan haar relde als de andere beide mede slaven gezegt Iulliy moet bij mijn vader en moeder koomen, de rel=te en dezelve beide eeven gem: slaven ook aldaar ter plaatse hun hebbende begeeven, had de vrouwe van van Eeden, haar geheel ligchaam bezigtigd, en daarna tot de zele en haare voorsz: beide mede slaven, gezegt, het maar eerst, en dankund julling kan gaan, dog dat zy l: bij de rivier moesten wagten alzo de vader van voorsz: van heden, bij hun zoukomen gelijk hij ook gedaan en hunl: tot de plaats vanden oud heemrand Monsr Botha gebragt hebbende, was de zel aldaar in een kamer gebragt, en zo door denzelven Botta, als den aldaar Praesent zijnde burger Carel Rog, haar rel„t ligenaam be„ zigtigd, dewelke beide dan tot haar del=t ook gezegd hadden komt jij moet niet beschaamd wezen, als je opswellendam kort en zij moet alles maar mooij zeggen, want gij bent deerlik mishandeld hebbende denzelven Botha een Jongen mede gegeeven tot op de plaats van den burger Hans Jurgen Botha wiers vrouwe haarrelt hebbende bezigtigd aandie aldaar presente vrouw van voorsz: Carel Rog die hoor zelt ook had willen bezigtigen afgeraden had zulx te doen, dewijl zij zelde zwanger was, dezels met de beide haare voorsz: mede slaven vandaar vervolgens na de plants 4 van den burger Daniel Steijn, wiens Vrouwe haar zel mede bezigtigd hebbende, een kleine kotten tot had mede gegeven tot de plaats van Christiaan Rogh, alwaar zij rels met de beide ander slaven geslapen, en dies anderen daags vandaar met een kleine kottentot tot Swellen om bij den reg:s gebragt zinde, aan denzelven 't geheele geval verhaald had, 't geen de rel„te vermeend omtrend Veertien a vyftien dagen voor bnieuw Iaar of den Eersten dag deeze Iaars geraast dat de rel:te daags daaraan door den Chirurgijn Montaw te zijn. „ben bezigtigd zynde, na die bezigtiging aan haar betuygd had dat zy zoo te zeggen, en stukken geslagen was. Dat ƒ .
English
that a few days thereafter, having come to Swellendam to the petitioner, the narratrix's then master, the aforesaid Conradi, the narratrix having been brought into his presence, she had once again shown her entire body, which was full of such open wounds that even unto today visible marks, which she just now showed to the undersigned Commissioners as well as from the irons in which she was mostly shackled, can still serve as proof; just as she also had shown her then master, the aforesaid Conradi, in the presence of the petitioner, her child currently with her named Rosena, and had asked him whether it was not his child, the aforesaid Conradi had said to the petitioner, Yes, that it was his child, and with folded hands, weeping, declared to the petitioner that he did not know how he had come to that misfortune, at the same time having begged the petitioner that the petitioner would please sell the girl, for the peace and quiet of him Conradi with his wife, the petitioner had said to him Conradi that he could not well do such a thing, because the people would see the signs of mistreatment too clearly, and would make complaints about it, whereupon the narratrix was ordered to withdraw at the request of the aforesaid Conradi. The narratrix declared lastly never to have carnally conversed with any person other than the aforesaid Conradie or her former master, and that the flaxen hair and light blue eyes of the child currently with her, as well as of the one already deceased, showed the same, and her former master, coming into her presence either before or hereafter, will nor can ever deny such. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, offering to always further substantiate the same. Below: Thus related at Cabo de Goede Hoop on the 17 July 1783 before the Honorable Tobia Christiaan Rönnenkamp and Johs Smits, members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the same and me, secretary. Lower: which I testify: was signed: C: L: Neethling Secretary. Lower: collated, signed: J. L: Bletterman sworn Clerk. I, the undersigned Adrianus Montaban, admitted citizen Surgeon, hereby attest that being required to be at the drostdy for some private affairs, my lord the Landdrost C: N: van Onkruydt requested me to inspect and examine a slave girl named Jannetje of the Cape, belonging to the citizen Fredrik Hendrik Conradi living behind Rogmans Kloof, and found the same girl to be grievously beaten, so that her shoulders, back down to and including the legs were not free from open cuts, all this in the presence of the abovementioned lord Landdrost and his wife, whom I the undersigned therefore advised, on account of the state of pregnancy in which she found herself, rather to place the girl outside the house, so as not to have any distress later of inflicting any harm upon her or her Child that she carried. All the above I the undersigned, being requested, can substantiate by Oath. Below: Swellendam 14 December 1782. Signed: Ad Montan ut supra. Lower: Agrees. Signed: P: L: Bletterman sworn Clerk. I, the undersigned, acknowledge it to be the truth that in the month of December, the exact day unknown, my son came home from my neighbor Dewald Andriessen and said that two boys and a girl of the citizen Fredrik Hendrik Conradi were going to Swellendam to complain; I sent my son to fetch the slaves and they came to me in the yard; I wanted to send the slaves home, but the girl showed me her body, and I saw that she was grievously and miserably beaten, and the girl told me that her master Conradi wanted her to say that the child was by my brother-in-law Corneles van Eeden; then my husband Fredrik van Eeden brought the slaves to the former heemraad Monsr Jacobus Botha; the above, being required, I shall always confirm with Oaths. Below: Bosjesmans drift the 29 June 1783. Was signed: Cornelia van de Venter. Lower: wife of Fredrik Jacobus van Eeden the Elder. Lower: Agrees. Signed: JL: Bletterman sworn Clerk. I the undersigned acknowledge how true it is that in the month of December, being at the place of the former heemraad Mr Botha, I saw that a slave girl named Jannetje along with two boys belonging to Fredrik Hendrik Conradi arrived there; when the said Monsr Jacobus Botha asked where they were going, they answered: to Swellendam to complain, we can no longer bear it with our master; then Botha examined the girl in my presence, as I also did, finding the girl's entire upper body raw, and beaten so miserably as I have never seen a human being; the frequently mentioned Monsr Botha said: when you come to Swellendam, you must not be ashamed, but show everything well, for you look pitiful. The above, being desired, I will always confirm with Oaths. Below: Bruintjes Rivier the 27 June 1783. Was signed: Carel Pieter Roch. Lower: Agrees. Signed: I: L: Bletterman sworn Clerk. We the undersigned declare the truth to be that the citizen Fredrik Hendrik Conradi, on his return journey from Swellendam with his two slave boys, in the month of December, stopped at my place; I asked him Conradi, where is your girl who went to Swellendam to complain? He Conradi answered me: that beast I will not have in my house, for it is a thief; I gave her to the landdrost to sell her, and if the Landdrost cannot sell her, he shall keep her for himself; these words we shall, if it is desired, testify with Oaths. Below: Bruyntjes Rivier the 30 June 1783. Was signed: Jans Jurgen Botha and Carel Pieter Rog. Lower: Agrees. Signed: A L: Bletterman sworn Clerk. Answer
Dutch transcription
dat eenige weinigs dagen daaraan tot Swellend om bij den req:t gekomen zijnde, der rel=te toenmaligen lijfheer voorz Conradi de rele ter praesentie van denzelven gebragt zinde haar geheel ligchaam nogmaals had Vertoond, dewelke voo van zodanige Opene worden was, dat tot herende zigtbaare tekenen, die zi rekt aande onderget: Gecommitt. zo wel als vanden boeien waarin zij meestendeels is gekluysterd geweest quam te vertoonen, als nog tot een bewys kunnen dienen; gelyk de zel al mede aan denzelven haren toenmaligen lyfheek voorsz: Conradi ter presentie van den reqt haar thans bij haar hebbende kind gent Rosena vertoond en aandenzelven gevraagd had, of 't niet zijn kend was, voorsz: Conradio aanden reqt gezegd ha Ia 't zijn kind te zijn, en niet te zamen gevouwene handen, alweenende aanden reqt betuigd niet te weeten hi hij tot dat ongeluk gekomen was, teffens den reqt gebeeden had, d'alden reqt tot rust en vrede van hem Conradia met zijn vrouw de meer dog wilde verkoopen, den reqt tot hem Conrado gezegd had van zulx niet wel te kunnen doen, terwijl de menschen de tekenen der mishandeling te klaar zouden zien, en daarover klagtig vallen, waarop de rec=te op het verzoek van voorsz Conradi was bevoolen af te treeden. Betuijgende de rel„te laatstelijk nooyt met eenig ander perzoon als met voorsz: Conradie ofte haren voormaligen lyfhier vleischlyk te hebben geconverseerd, en dat de vortag „tige haeren erde ligt blaauwe oogen van't thans, bij haar hebbende kind zo wel als van't reeds overledene 't zelvs aan„ „toonde, en haar voormalige lyfheer zo voor als na nog ter harer praesentie komende nimmer zulx zal nog kan ont Kennen. Niet meer Verklarende geeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den text, praesenteerende 't zelve al toos nader te staven /:Onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo de goede Koop den 17 Iuly 1783 voor d' EE Tobia Christiaan Könnenkamp en Iohs Smits ledenuijt den E: Achtb: Raade van Iust: tie voorm: die de minute dezes benevens dezel en mij secret mede behoorlyk hebben ondertekend /:lager/ t welk ik getuyge:/ was getekend:/ C: L: Neuthling Secret. /:lager / arbideerd / getekend./ J. L: Bletterman gezue Clercq Ik ondergetekende Adrianus Montaban geadmitteerd burger Chirurgijn attesteere mits dezen, dat om eenige particuliere affaires ter drostdie moest wezen, myn heer de Land drott C: N: van Onkruijdt mij heeft verzogt ter Visitatie en beschouwinge van een slave meid genaamd Jannetje vande Caab toebehoorende aan den burger Fre„ „drik Hendrik Conradi woonende agter Rogmans Kloof dezelve mad bevonden heb te zijn deerlyk geslagen, zo dat haar schon ders rugge tot de beenen inclusive niet vrij van opene naden waren, dit alles ter presentie van boven gem: heer Landdrost en deszelvs huisvrouw die ik onderget: daarom hebbe geraden wegens de staat van Zwangerschap waarin de Zup zig bevond lieuer de meid buiten huys te doen, om naderhand geen nood te hebben van zy of haar Kind het geen zij droeg eenig ongemak toetebrengen. al 't bovenstaande ik onderget: des gerequireerd werdende met Eede kanstaven /:onderstond:/ O wellendam 14 december 1782 /:getekend:/ Ed Montau van utsupra /:lager:/ Accordeert /:getekend:/ P: L: Bletter man gezee Clercq. Mk ondergetekende bekenne de waarheid te zijn, dat inde maand december, de regte dag onbewust, myn Zoon thuis is gekoomen van mijn buurman dewald Andriessen in gezogt dat er twee Ionges en een meid van den burger Fredrik hen drik Conradi na Swellendam ging om te klagen, ik mijn zoon gezonden, om de sladen te halen en zij zijn bij myn op de werf gekoomen, ik heb de slavus, naar huys willen zenden, maarde men heeft mij haar lyf geweezen, en ik heb gezien dat zy deerlyk en eldeg geslagen was, en de meid heeft my gezegd dat haar baas Conradi hebben wilde, dat zij zeggen moest dat het kind van mijn zwager Corneles van Eeden was, doe heeft min Man Fredrik van Eeden, de slaven gebragt tot bij don oud heenroot Mons Iacobus Dota, tes bovenstaande vereischt wordende, zal altyd met Eeden bevestigen (:Ouderston:/ Bosjesmans dat den 29 Iuny 1743 /:was getekend/ Cornelia van de Verter /lager:) huisvrouw van Fredrik Jacobus - Iacobus van Eeden de Oude /:lager:/ Accordeerd :/ getekend:/ JL: Bletterman gesw: Clercq. Ik onderget: bekerne hoe waar is dat ik in de Maand decem „ber op de plaats vanden oud hoemrand Mr Botha zynde gezien hebt, dat aldaar een slave meid met naame Iannetje benevens twee Jonge toebehoorende Fredrik Hendrik Conradi gekomen zijn, doen gezeil mons Jacobus Botha gevraagd es, waarzij naar toe gingen, door haarE: geantwoord na Swellendam om te klagen, wij kunnen 't niet langer uit houwen bij onze baas, thans Botha de mied ende en mijn praesentie bekeeken heeft, gelyk ik ook gedaan heeft bevin do de meid haar geheel boven lyf rouw, en zo ik nooijt een mens gezien hebbelendig geslagen, door meergem: Mons Botha gezeid als Jalle op Sweltendam komt, moet sij niet „beschaamd wezen, maar wyst alles mooij, want sulle ziet er deerlyk uit. dit bovenstaande begeerd werdende, altoos met Eeden zal bevestigen. /.onderstond:/ Druintjes rivier den 27 Iuni 1783 /:was getekend:/ Carel Pieter Roch /:lager:/ Accordeerd:/ getekend: I: L: Bletterman g C: Wij onderget: verklaart de waarheid te zyn, dat den burger Fredrik Hendrik Conrade in zijn teruy rois van swellendam met zijn twee slaven Ionges, in de maand december, bij mijn op de Plaats aangeweest is, ik hem Conradi gevraagd hebt, waar is Joumeet, die na Swellendam gegaan is, om te klagen hij Conrade mij geantwoord heeft, de beest wil ik in mijn huip niet hebben, want het is een dief, ik heb haar aan de land drost gegeeven, om haar te verkopen, en als de Land drost haar niet verkopen kan, zal hij haar voor hem zolvshouwen deze woorden zullen wij als het begeerd word met Eeden betuijgen /:Onserstond:/ Bruyntjes Rivier den 30 Juny 1783. /:was getekend) Jans Iurgen Botha en Carel Pieter Rog /:lager:/ Accordeerd: / getekend:/ A L: Blekterman gezeb: Clercq. Antwoord
English
Answer drawn up and most respectfully submitted to the Honorable Pieter Backer, President, together with the other Honorable gentlemen members of the Honorable Council of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned Hendrik Memelingh as representative of the burgher and farmer Fredrik Hendrik Conradi, as husband and guardian of his wife Elizabeth Rossouw, and the said Elizabeth Rossouw, assisted by her aforementioned husband, defendants of the one part; Against The Junior Merchant and Landdrost of Swellendam, Constant van Nuld Onkruydt, Officer ex officio, plaintiff of the other part. Honorable Sir and Honorable Gentlemen, In order to ground which answer, the said representative, in the name as above, expresses his dutiful thanks to the Honorable Council for granted extension of time, and will further briefly state: That it is a formal untruth which the Officer, plaintiff, caused to be said in his unfounded accusation, namely that the principal defendant and her husband tyrannized or unchristianly abused the slave Jannetje van de Caab, and also that her husband had carnal conversation with the same slave woman, as was brought forward in his claim. The defendant admits that, on account of the stubborn disobedience of the said slave woman, the defendant or her husband was sometimes forced to make use of domestic punishments, in order thereby to maintain good order in the household; but regarding the second point, the principal defendant, during her marriage, observed not the slightest sign or indication thereof. However, it is the pure truth that the child of whom the defendant made mention in her petition presented to Your Honors, and from which the Officer, plaintiff, claims to have been atrociously injured, was begotten in fornication or adultery; this is beyond all contradiction. And even if it could be proved that it was a child of seven months, it still appears that the Officer, plaintiff, shortly after the death of his first wife, already lived in dishonest conversation, which befits no Christian, much less an officer of justice, with the second deceased wife. See annexed statements No. 1 through 6, 7, 8, and 9. It is also the truth that the slave woman Jannetje in question, with her child, was extorted from the defendant's husband by the Officer, plaintiff, for one hundred rixdollars and was put quasi in the name of the messenger Wotskij, from whom the defendant's husband had to receive the aforementioned sum, since the aforementioned slave woman was not sold to Wotskij, but was ceded through threats to the Officer, plaintiff; just as she, Jannetje, had to nurse and suckle the newly born, illegitimate, or premature child of the Officer, plaintiff, as appears from statement No. 4. The said representative, in the name of his principals, persists hereby by way of answer, with the request that it may please Your Honors to order that the matter regarding the extortionate and surreptitious purchase, as well as the second point, be investigated and placed in the hands of the officer here; imploring regarding this and in all matters most respectfully for justice through the noble office of the judge. Was signed: H: Memelingh, qq. In the margin: Exhibited in court, 17 June 1784. I, the undersigned, declare that I lived with Monsieur Fredrik Conradi for seventeen months, that I have not seen that they abused the slaves or let them go naked; and the slave child who was burned I saw a day before his death, but did not see that he had been beaten or abused, but did see that she looked after him and applied all necessary remedies for his recovery. I was intimately in their house, and saw and heard that the man and woman lived together in honor and virtue; which I have signed as a token of the truth. Signed: Elizabeth Rodde, married Au Camp. In the margin: 28 January 1784. I, the undersigned, declare that I do not know that Monsieur Fredrik Hendrik Conradi nor his wife or children abused any of his slaves or slave women; I repeat, not abused to my knowledge, but gave them in decency what was due to them, as a man at whose house I often come, and he is also my nearest neighbor. Signed: Josua Joubert, Gideon's son. In the margin: 28 February, Year 1783. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Josua Joubert, Gideon's son, who, this preceding statement of his having been clearly and distinctly read out to him, declared to persist therein, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at the Cape of Good Hope, 20 December 1784. Signed: J. J. Gideonsz. Lower: In my presence, signed: P. L. Bletterman, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: S. C. Woeke and J. Harksbok. Verification. G
Dutch transcription
Antwoord gedaan maken en Eerbie„ digst overgegeven aan den E: Achtb: Hier Pieter backer President, benevens de verdere Heeren leeden van den E: Achtb Raad van Iustitie dezes gouvernemert door ende van wegens den ondergot: Ben„ „drik Memelingh als gem: van den burger en land b: Fredrik Hendrik Conradi, als man en voogd van deszelfs huysvrouw Elizabeth Rossouw en gem Elizabeth Rossouw geadsisteert met haren man voornoemd gedaagdesse ter eenre Contra Den onderkoopman en Land drost van Swellendam s' Constant van Nuld Ontruidt R: O: Eiss: ter andere d Achtbaar Heer en EE: Heeren Om welk antwoord te fundeeren den 29 ged. in naame als boven EEE: Achtb: pligtschuldige dank betuijgd voor ver leende atterminatie van termyn en verder Kortelyk zal dat het eene formeele onwaarheid is, 't geene den R:C liss in zyne ongegronde accuratie dede zeggen, dat de p:r gedte en haren Man, de slaven Iannetje vande Caal on te getijranniseerd ofte onchristelijk zoude hebben mis„ „handeld, en teffens dat haren Man met dezelve Slavinno zoude Vleeschelijk geconverveerd hebben, als bij deszelvs Eysch is voortgebragd. de gede stemd toe dat er om de haerdnekkige ougs hoorsaamheid van gem:e Slavinne de ged=te ofte haaren zeggen man zide Man zomtyds genoodzaakt zijn geweest zig van domesti questraffen te hebben moeten bedieren, ten einde daardoor de goede ordre in't huyshouden te maeinterreeren, maar aangaande het tweede poinct, heeft de Pr ged=te geduurende haar huwelyk geene de minste schijn of blijk bespererd Maar dat het eene zuivere waarheid is, dat het kind waarvan de ged„te in haar aan UEd: Achtb: gepraesenteerde Request mentie gemaakt heeft /: en waaruit den R. O: Eiff ageert atrocelyk geinjurieert te zijn:/ in ortrgt ofte overspel geprocreeert is, is buiten alle tegenspraak en zo het al konde beweezen worden, dat het een kind van„ Zeven Maanden wog zo blijkt nog, dat den R: O: Eiss als dan kort na het overlyden van zyn eerste Vrouw, met de tweede overledene Vrouw al in oreerlyke Conversatie die geen Christen, veel min een officier de Iustitie Past geleefd heeft. zie annexe Verklaringe N 1 tot 6, 7, 8 en9. Ook is het waarheid dat de Slavinn Iannetje / in quaestie / met haar kind van des ged=te man door den A:O: Eess afgeperst is geworden voor Een honderd kx en quari op den naam van de bode Wotskij is gezet, van wien des gedte Man de voorsz Somma heeft moeten ontvangen daar de voorm:de slavinne niet aan Watskij was verkogt maardoor bedreigingen aan den R: O: Ciss: was afgestaan gelyk zy Iannetje het Jonggeboore Onechte of Vroegtij dige kind van den R: E: Eess heeft moeten & passen en Zuijgen blijkens Verklaring N: 4. Blijvende de q4 ged in naame zijner pl hier bij per„ sisteeren voor antwoord, met Verzoek dat het UEd: achtb behagen mag de zaak ten opzigte vande Concussionnaire sab en obreptive koop, als van het tweede Poinct, onderzoo mag werden, en gesteld in handen van den officier alhier Imploreerende hierover en op alle het Nobile off: Ind: eerbiedigst om recht /:was getekend:/ H: Men lingh qq /:in margine:/ Exhibiteur e Iudicio 17 Junij 1784. Ik onderget: verklaare dat ik zeventien Maanden bij Mons Fredrik Conradi gewoont heeft dat ik niet gezien heef dat zij de slaven mishandeld heef en ook nakend heef laten gaan, en de slaven kind die Verbrand is heb ik gezien een dag voor zijn dood, maar heef niet gezien dat hyj geslagen was of mishandeld was, maar heef wel ge zien dat zij hem opgepast heef en alle nodige middelen aangewend tot zijn herstelling ik ben naarden bij haar in huys gewees maar heeft hiet gezien of gehoord dat de man en vrouw in eeren deugt te zamen geleefd het welk ik tot teken der waarheid, ondertekend: /: getekend:/ Elizabeth Rodde ge„ „troarod Au Camp. /:in margine:) den 38 Janu: 1784. Ik ondergetekende bekennende niet te weeten de dat monsieur Fredrik Hendrik Conradi nog zijn huisvrouw of Kinderen eenige van zyn slaven nog Slaurinne gemeshandeld te hebben, ik herzegge niet mishandeld dat ik het weet maar als in een ordentelijkheid gegeeven wat haarluij toekomt een mandaarik dikwyls by in huys komt in 't is ook meer naaste baeren /:getekend: Josa Loubert gedeon Zoon /:in margine:/ den 28 Februariis Anno 1783 Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: Raade van Iustitie dezes gouvernements voorm Joasua Loubert Gideonsz. dewelke deze zyne voorenstaande Verklaring klaar en dredelyk voorgeleezen weezende verklaarde daarbij te persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, En sprak dier halven ter bevestiging derwaarheid vandien de Salem neele woorden, zo waarlyk hebb mij god almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Doop den 20 december 1784 /:getekend:/ R J: Gedoonsz /:lager: Mij praesent /:getekend:/ P: L: Bletterman gele Clercq /:in margine:/ als gecommitt: / getekend:/ S: C: waeneck en I: Harksbek. Recollement. - G
English
I the undersigned acknowledge that I do not know that the burgher Fredrik Hendrik Conradi nor his wife or his children have ever mistreated any of his male or female slaves; I repeat, have not mistreated, I repeat, not mistreated as far as I know, but given everything in decency and acted as is due to them, and that I have lived in that district for six years and seven months but never heard anything, and worked for five weeks at those people's house and still not seen that the man nor woman mistreated them, and they received their food on time, signed Jan Jacobus Nelson, below, the 21st of June 1785. Confirmation Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the above-mentioned farmer Jan Jacobus Velson, who, this his declaration having been read aloud clearly and plainly, declared that he persisted in it, desiring that nothing more shall be added or taken away, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words, So help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope on the 26th of April 1786, signed Jan Jacob Nelson, lower: in my presence, signed R: J: v: d: Riet, sworn clerk, in the margin: as commissioners, signed B: Cruijwagen and C: L: Neethling. Your humble undersigned declares that I have lived for seventeen months with Monsieur Fredrik Conradi, that I have not seen that he mistreated his slaves, nor let them go naked; the slaves have frequently come to work with me, but always brought enough food with them, which I have signed with my own hand as a sign of the truth, signed Jan Christoffel Ancamp, the 3rd of January 1784. I the undersigned acknowledge that I do not know that the burgher Fredrik Hendrik Coenradi nor his wife or his children have ever mistreated any of his male slaves or female slaves; I repeat, not mistreated as far as I know, but treated everything in decency as is due to them, which I frequently saw at the man's house, he being for many years my neighbor, signed David Houp, the 8th of March 1783. Confirmation Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforesaid David Coup, who, this his preceding declaration having been read aloud clearly and plainly word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more shall be added to or taken away from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words, So help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope on the 2nd of February 1786, signed David Roup, lower: in my presence, signed R: P: O: d: Riet, sworn clerk, in the margin: as commissioners, signed C: Ronnenkamp and A: v: Schoor. The undersigned acknowledges that Monsieur Jacob van Reenen told me that he had asked Christoffel Fredrik Wolk in the house of Errens de Tooij whether he had bought the female slave of Fredrik Conradi for one hundred rixdollars, but he answered that he knew nothing of it; that has Van Reenen testified, present Daniel van Lombaar, signed J: A: N: Craffert. Confirmation Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforesaid D: A: N: Craffert, who, this his preceding declaration having been read aloud clearly and plainly word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more shall be added to or taken away from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words, So truly help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope [illegible] I the undersigned acknowledge it to be the pure truth that I saw the female slave of Fredrik Hendrik Conradi in the Roodezands church with the child of Miss Onkruidt on the 18th of May anno 1783, such having been required of me the undersigned; acknowledging it to be the pure truth, I sign with my hand, signed Catrina Maria Viljoen. We the undersigned declare that our neighbor Catarina Maria Villioen, wife of Pieter Conradi, due to an accident to her foot and other infirmities, is unable to travel to the Cape, in witness of the truth signed by our own hands, signed Schalk Willem du Plooij, Christiaan Godlieb Lessing, Machtelt wife of Jacob Laurentze van der Linden, in the margin: Breede River, the 26th of January anno 1786. I the undersigned acknowledge it to be the pure truth that the widow of J Moller told me that the landdrost told her that he had kept the female slave of Conradi because she had been so abused, and because he was a judge, and that any other judge would also do so, signed Gideon Joubert. Confirmation Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the burgher Gideon Joubert, who, his declaration annexed hereto having been read aloud clearly and plainly word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more shall be added or taken away, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, the solemn words, So truly help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope on the 28th of January 1786, signed Gideon Joubert, lower: in my presence, signed R: J: v: d: Riet, sworn clerk, in the margin: as commissioners, signed J: v: Echten and Jos: Smuts.
Dutch transcription
Ik ondergeteken bekenne niet te Weeten dat den burger Fredrik Hendrik Conradi nog zijn huijs vrouw of zijne Kinde „ren eenige van zyne slaven of slavinnen ooyt mishan deld heeft ik herzegge 't niet mishandeld heeft ik her„ zegge 't niet mishandeld dat ik 't weet maar en orden„ telijkheid alles gegeeven en gehandeld zo als haarluij toe komt en dat ik za Iaren en zeven maen in die betreksi heeft gewoond maar nog ooyt iek gehoord en vyf weeken bij die mensen int huijs gewerkt en nog niet gezien dat de man nog vrouw 't mishandeld heeft en haarluij koot op zijn tyd gekrogen /:getekend/ Ian Iacobus Nelson / lager den 21 Junij 1785. Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes gouvernements bovengem: Landb Jan Jacobus Velson, dewelke deze zyne verklaring klaaren duidelik voorgeleezen zijnde, Verklaarde daarbij te blyven Persisteeren met begeerte dat er niet meer bygevoegd ofte van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging derwaarheid vandien de solan neele woorden, zo waarlyk sulx mij god almagtig /:Onderstond: Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede Hoop den 26 April 1786 /:getekend: Jan Iacob Nelson /:lager:) Mag Present /:getekend:/ R: I: V: d: Reet gezed: Clercq /:in margine:/ als gecommitt: / getekend:/ B: Cruijwagen en C: L: Neethling UE onderget: Verklare dat ik zeventien maanden bey Monsieur Fredrik Conrado gewoond heefd, dat ik niet gezien heefd, dat hij zijn slaven mes handeld heefd, en ook na„ kend heeft laten gaan, de slaven heeft menigmaal bij mij komen werken maar altyd eeten genoeg mede gebragd, het welk ik tot teken der waarheid eigenhandig ondertekend /:getekend) Jan Christoffel AnCamp, den 3 Ianuarij 1784. K Ik onderget: bekenne niet te weeten dat den burgers re„ drik Hendrik Coenradi nog zyn huysvrouw of zyne kende „ren eenige van zyne slaven nog Slavende ooit mishandeld heeft Ie herzegge net mishandeld dat ik t weet, maar als in ordentelykheid behandeld zo als haarlui toekome waat ik verkleedekwyls bij de man en huys, ter van lange Jaaren mijn buurre /:getekend:/ daerd Houp den 8 maart 1783 DRecollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: rade van Iustitie dezes Gouvernements voorm: davide Coup dewelke deze zijne voorenstaande Verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelyk voorgeleezen wezende, verklaar de daarby te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlyk heb my God Almagtig. /:/onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo: de goed Doop den 2 Februarij 1786 /:getekend:/ daer d' Roup /:lager/ mij Praesent /:getekend:/ R: P: O: d: Riet gede: Clercq /:in marginee / als gecommitt : getekend:/ C: Ronnenkanap en A: V: Schoor. — S E onderget: bekenne als dat Monsieur Jacob van Reenen aan my gezeyt heeft dat hey aen Corstoffel Fredrik Wolk gewagt heef in de huis van Errens de tooij of hy de meijt van fredrik Conradi gekogt heef voor honderd zind, maar heij antwoorde dat hij daar niet van en wist, dat heef van Reenen en Kennis gelegt, en persent daniel van lombaar /:getekend: J: A: N: Crassort D Recollement. Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uit den E: Achtb: rade van Justitie dezes Gouvernements voorm: D: A: N: Craffert dewelke deze Zyne voorenstaande Verklaring van woorde tot woorde klaar en duede lyk voorgelezen wezende verklaarde daarbij te blyven Dersisteeren met begeerte dat er niets meer bij af van gedaan worden zal en sprak dier halven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlyk hebp mij God Almagtig. /:onderstond aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo de goed= Jook 3 keel Ik ondergetende bekenne der zuivere waarheid te zyn, als dat ik de slaven meid, van Fredrik Hendrik Conrade indie roodezants kerk gezien heeft met t kand van Iuffr Onkruidt den 18 meij Anno 1783, zulx van min onderget: afgeEyscht Zinde bekennende de zuivere waarheid to zijn tekene myn hand /:getekend:/ Catrina Maria Voljoen Wij ondergetekendens Verklaren dat onze gebruuinne Catari na Maria Villioen, huijsvrouw van Pieter Conradi wegens een accident aan haar Voet, en andere zwakheden niet in staat en is, zig Caabwaards te begeven, ten bewyze der waarheid door ons eigenhandig getekend /:getekend:/ Schalk willem du Hoog, Christiaan Godlieb Lessing Machtelt van heer Iacob Laurentze van ter Linnen /:in margine:/ Brede rioier den 26 Ian: Anno 1786. Ik ondergetekende bekenne de zuijvere waarheid te zijn dat de weduwe van J Moller mij verhaald heeft, dat den landdrost haar verhaald heeft, dat hij de meid van Conradi gehouden heeft om dat zij zo geschandaalt was, en om dat hij rechter was, en dat een ander rechter ook zo zou doen /:getekend:/ Gideon Goubert. Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Iustitie dezes gouvernements den burger Gideon Soubert, dewelke zijne hier by gevoegde verklaring klaar ende duidelijk woordelijx voorgeleezen zynde verklaarde daarbij te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bijgevoegd of afgedaan werden zal en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien de solemneele woorden, zo waarlijk hebt mij god almagtig /:Onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goed Hoop den 28 Ian: 1786 /:getekend:/ Gideen Gorbert /:lager:/ mij praesent /:getekend:/ R: D: V: d: Hiet gekw: Clercq /:in margine:/ als gecommitt: /: getekend: J: V. Echten en Jos Stuiks.
English
I, the undersigned, acknowledge having seen that the maid of Fredrik Hendrik Conradi, whom the Lord Drossaard of Swellendam took from Conradi to be a wet nurse for his child, is at the place of Alwijn Smit. Signed, David Roux. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher David Roux, who, having had this his annexed declaration clearly and distinctly read to him word for word, declared that he persisted by it, wishing that nothing more be added to or taken from it, and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn at Cape of Good Hope, the [blank] February 1786. Signed, David Roux. Lower: In my presence, signed, R: I: V: O: Riet, Sworn Clerk. In the margin, as commissioners: signed, I: C: Sonnenkamp and A: V: Schoor. Thursday, the 29 July 1784. In the morning. Present: the merchant Mr. Adriaan van Schoor, and all the members except the Honorable President Pieter Hacker due to indisposition, as well as Colonel Robert Jacob Gordon, the merchant Mr. Oloff Marthins Bergh, and Military Captain the Honorable Lodewijk Christoph Warnecke, with the addition of the three burgher councillors, and the sworn clerk of this council. The Landdrost of Swellendam, Hendrik Lodewijk Bletterman, representing Constant van Nuld Onkruyd, Officer of Justice, acting as substitute prosecutor according to the authorization granted to him, sought, since the fundamental claim of the Officer of Justice's demand was in no way refuted by the defendant's answer, to renounce further production. Against The burgher Fredrik Hendrik Conradi, defendant, to hear renunciation upon his submitted written response, and of verification. Memorial in the form of a dictamen. Honorable, Most Worshipful Gentlemen! I likewise renounce in my capacity from further production, provided however that this shall not in the least prejudice or diminish the good right and defense of the innocence of my principal, since in that case I adhere, in my capacity, to the means, positions, and evidence produced in the first submitted, but by Your Honors rejected and returned, revised written response; consequently reserving to myself, in my capacity, the right of proof and counter-actions for slander, and protesting in my capacity, in such manner as may and ought best to be protested according to law, against all prejudicial matters in these proceedings, simultaneously requesting a verbatim insertion hereof and an authentic copy, with the disposition, decree, or apostille of Your Honors to be made thereon in integrum. Well signed, H:r Memeling, in his capacity. In the margin: Exhibited in court, the 29 July 1784. Which being read, the aforementioned representative of the defendant was asked by the Honorable Council whether, upon the return of his submitted dictamen and the said returned answer, all the annexes that had accompanied it were not also returned; to which he answered yes. And upon the further question of whether he had not resubmitted all of them with the subsequently submitted answer, he answered that he had handed over the aforesaid first answer together with all the annexes to the drafter of the document, but that he had received the subsequently submitted answer from the drafter together with the annexes submitted alongside it and thus had submitted them, having nevertheless been able to notice that there were not as many with the said last answer as with the answer received back, and that he persisted by the aforesaid now-exhibited dictamen. The Council holds this case in advice until the submitted declarations have been verified and sworn, as well as read along with the documents; the Council granting the defendant the requested copy alongside the minutes kept in this matter. Underneath stood: At Cape of Good Hope, day and year as above. Lower: In my presence, signed, C: L: Neethling, Secretary. Agrees. Signed, C: L: Neethling, Secretary. Agrees. Productions and requests for the right of further productions in the form of a dictamen, reading as follows: The burgher Hendrik Memeling, as attorney for the defendant, submits a memorial. Jan Heijssen. Barck. To the Right Honorable Gentlemen Pieter Hacker and Johannes Isaak Rhenius, President and members of the further Honorable Council of Justice of this Government. Right Honorable Gentlemen, Respectfully shows the undersigned, Interim Fiscal here, Gabriel Exter: That upon the arrival of the private ship the Jonge Frank, chartered by the Honorable Company, it was brought to the knowledge of the Right Honorable, Valiant Governor by the captain of that vessel: That certain recruits of the Luxembourg Legion stationed on his vessel, having as their leaders certain François de Valbonne and Johan van Wijke, had not hesitated to go to him, the captain, on the 16 July of the past year, with several soldiers and sailors, seizing him by the chest while committing great brutalities, and demanding the instructions. That the same instructions having been handed over to those persons and read by them, they had not hesitated to force the captain to issue more rations, such as sheep, sugar, and more, all of which the captain, seeing himself overpowered, had been compelled to hand over to them. That that same evening a certain La Droite, vice-corporal among the same Luxembourgers, reported to him, the captain, that a plot had been hatched on board to make themselves masters of the ship that same night, adding that shortly before, being among the crew, the aforementioned de Valbonne
Dutch transcription
Ik ondergetekende bekenne gezien te hebben, dat de meid van Fredrik Hendrik Conradi, die de heer dros van swellendam van Conradi genomen heeft tot zuig min heeft van zijn kind bij alwijn Smit /:getekend:/ d'avid Roap Compareerde voor ons onderget: gecommitt: uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes gouvernement, den burger David Roux dewelke deze zijne nevens gevoegde Verklaring klaar en duidelyk woordelijx voorgeleezen zijnde, verklaarde daarby te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan worden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien, de solemneele woorden zoo waarlyk help mij God almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beEedigd aan Cabo ce goede koop den Februarij 1786 /:getekend:/ david Roux /:lager:/ my praesent /:getekend:/ R: I: V: O: Riet gezu: Clercq /:in margs„ ne (als gecommitt:s /:getekend:/ I: C: Konnenkamp en A: V: Schoor. Donderdag den 29 Iuly 1784 's voordemiddags praesent den koopman de Heer Adri„ „aan van Schoor, en alle de Leden demptis den E: Achtb: Heer Praesident Pieter Hacker bij indisposatie mitsgs den heer Collonel Robbert Iacob Gordon den Koopman de Heer Oloff Marthins Bergh en Capitoin militair d'E: Lodewijk Christoph Warneek assumptis de drie burgerraden den gezw: Clercq dezes raadss Den Den Landdrost van Swellendam P„r drik lodewijk Bletterman voor de rat: Constant van Nuld Onkruid raf: Off: off: lass volgens de hem verleende quali Eess silatie, sungeerende zogt vermits door des ged antwoord het fundament van de den burger Fredk Hendk Conradi„ R: O: diss„r Eijsch in't minste niet weder ged omme op deszelvs ingeleverd schrif legt is te renuntieeren van verdere „tuur van antwoord te horen renuntieeren Recollement. productie Van in Ca„ Memorie bij forme van dictamen Edele Achtb: Heeren E: E: Heeren! Ik renuntieere mede qq van verdere productie onder deze niets egter dat zulx egter geene de minste verkorting veroorzaake ente wege brenge aan het goed recht ende verzediging der onschuld van mijn p:l alzo ik mij in dat cas gedrage qq aande middelen poritie en bewijzen geproduceerd bij de eerstingeleverde, dog door UE: achtb: van de hand geweezen en terug gevene geresumeerd schriftuur van antwoord, houdende dienvolgens qq/ aan mij gereserveert het recht van bewijs en Contra actien de Salumner en Protesteere qq zo als na rechten best kan mogen moet geprotesteerd worden, tegens al het progadicia bel in deze procedures, verzoekende teffens hier van woordelyk insertie en Copia authenticq. met daarop te vallene dispositie decreet of aportil van UE: achtb: in Dutegruem /:wel getekend/ H:r Memeling qq /:in margine:/ Exhibitam in Iudicco den 29 Iulij 1784. dewelke geleezen zijnde is aan de gem:e des ged door den E: Achtb: raad afgevraagd geworden of hem bij het terug geeven van zijn overgeleverd dectamen gemelde terug gegevene ant woord, :/ niet alle de daarbij geweest zijnde bijlagen mede waren terug gegeven; waarop denzelve antwoorde van Dat en op de nadere Vrage of hij alle deselven niet wederbij 't ver volgens overgeleverd antwoord hadde overgelegd! antwoorde denzelven dat hy de voorsz: eerste antwoord nevens alle de bijlagen aan den steller van 't Schriftur hadde overgege ven, dog dat hij de vervolgens overgeleverd antwoord vanden Heller beneevens die daarnevens overgeleverde bijlagen bekomen en dus ook overgelegd had hebbende nog thans wel kun„ nen bemerken dat er niet zo veel bij de gem: laatst antwoord waren geweest als bij die te rug Ontvangene antwoord en dat hij die persisteerde bij het voorsz: thans geExhi beerde dictamen Den Raad houd deze zaak in advis tot dat de overgelever „de Verklaringen zullen gerecolleerd en beEedigd mitsgs bene vens de stukken gelezen zijn zullen, accordeerende den Raad aan den gereg=te de verzogte Copia nevens de in deeze gehouden Netulen /:onderstond:/ van Cabo de goed Hoop die et anno at supra /:lager:/ mi praesent /:getekend:/ C: L: Neethling Secret: /: Riger:t accordeert /:getekend:/ C: L: Nasthling Secretaris Accordeert Productien ende verzoeken om recht van verdere Productien bij forme van dictair en luidende als volgt de burger Hendrik Memeling als gemagt des ged leevert over een momorie J Jan Herssen t Barck E Aan de WelEdele Agtbare Heeren Pieter Hacker en Iohannes Isaak Rhenius Praesident en beneevens den verdere Edelen Agtbaaren Raade van Justitie deeses Gouvernements. WelEdele Agtbare Heeren vertoond met verschuldigde Eerbied de ondergetekende Prointerim fiscaal alhier Gabriel Eater. — Dat bij arrivement van 't. SE Comp ingehuurd Particulier schip de Long Frank door den Capitain van dien bodem aan den welEdelen gestr: Heere Gouverneur ter kennisse gebragt zijnde. Dat zommige van de op zijn bodem geplaatste recauten van d't Legioen Luxenburg (: tot derselve hoofden hebbende zeekere / Francois de valbonne en Ichan van wijke :/ zig niet hadden ontzien, om met verscheijdene soldaaten, en Mattroosen, op den 16 Iuly v. C: naar hem Capitain toe te gaan hem onder 't pleegen van verre bruta„ „liteijden bij de borst te grypen en de instructie af te Eijschen. Dat deselfde instructien aan die persoonen ter hand gesteld en door hun geleesen zijnde zij zig niet hadden ontzien den Capitain tot de afgave van meerdere randsoen, als geneven lammerende, zuijker en wat meer te forceeren welk een en ander de Capitain dan vermits hij zig overmeesterd had gesien, genoodzaakt was geweest aan hun af te geeven, Dat dien zelven avond zeekeren La Droite vice Corporaal onder dezelve Luxemburgers, aan hem Capitain gerapporteerd dat men aan boord een project zou hebben gesmeld om die zelfde nagt zig van 't schip Meester te maaken, met bijvoeging, dat hij kort bevoorens zig bij het volk bevindende voorm. de velbonne e
English
de Valbonne, van Wijke, as well as a certain Loillet and several others had been heard speaking of the hatched plot, and that on that occasion he had discovered that their chief design was to throw overboard all those who would offer them resistance or refuse to join them; that he would spare the lives of the wife and eldest daughter of the gentleman Basche, being a passenger assigned to the aforementioned vessel and former Commander of the ship the Ganges, along with the negerin in order to satisfy their lust with them, but to do away with the four children of the aforesaid Basche as mentioned before, and that they would subsequently attempt to put into one or another port in Spain and save themselves by taking to flight. That the Captain, then, upon this report, added to the preceding outrageous brutalities, being fully convinced of the malicious intention of those villains, had immediately given orders in silence to summon the most trusted soldiers and sailors to the quarterdeck as unnoticed as possible and to arm them, which precaution had also produced the desired effect, so that when a shot was accidentally discharged in the cabin during the loading of the muskets, the rebels, believing this was a signal to begin, had run above deck under the cry of "Hurrah, attack!" and attempted to master the ship with fish spears, axes, and other weapons; however, through the heavy fire from the half-deck, not without repeated attempts and stubborn resistance, the same rebels were finally forced to take to flight, whereupon the Captain, having posted guards everywhere that night, the next morning had the principal among them, being the aforementioned de Valbonne who had fled into the mast, had fled into the mast, and thereafter several others, apprehended and secured in irons; whereupon it was also found that besides a sailor by the name of Joseph Christole (who at the time of the tumult had penetrated into the cabin to provide himself with weapons and was immediately seized there and thrown through the window into the sea), another five soldiers, namely Johan van Wijke, Charles Watjar, Nicolaas Deriven, Anthonie Loillet, and Pieter Boekmer of the same plot, had been killed in the attack. That the ship's council subsequently, having interrogated the persons who had been apprehended that morning, had thereupon resolved by resolution of 18 July to first execute by summary execution nine persons, namely 1. Francois de Valbonne, 2. Martin Blavegnar, 3. Anthony Foij, 4. Jean Babbist Danin, 5. Guillaume Vivant, 6. Nouel Outers, 7. Etienne Herret, 8. Jean Pierre Richert, and 9. Nicolaas du Croux, the 1st, 3rd, 4th, and 9th being soldiers of the Honorable Company, the 6th the house carpenter, and the 2nd, 5th, 7th, and 8th soldiers of the Legion Luxembourg; and these same nine persons were then immediately put to death on board by the cord; while further, upon closer investigation, two others by the names of Franciscus van der Voorden and Jean Michiel Visser, both soldiers of the Honorable Company, as accomplices of those previously executed, were likewise sentenced to death by the same ship's council and immediately executed in the same manner. That thereafter the seven remaining, by the names of Elias de Costa, Tobias Vlas, Franciscus Verbrugge, Michiel Prineenrade, Jan Grebel, Franciscus Valeran, and Jan van Kruisen, who, though not convicted, yet under suspicion of having had a part in the same conspiracy, having had a part, both at that time and some days thereafter were seized and held in custody in order to be handed over upon arrival here to the Honorable Worshipful Council of Justice; but that in the meantime having encountered the National Squadron under the command of the Most Noble and Honorable Lord Wierts, the ship's council had once again resolved to transfer the same six suspect mutineers, one of them named Franciscus Valeran having in the meantime died, to the same. That furthermore, during the transport of the said persons to the warship, a certain soldier in the service of the Honorable Company named Jean Babtist Dupui, among several malcontent gestures and in the presence of the sailor Lambelin, had stated to fellow soldier Simon Raimonde that the Captain, along with all the officers, were a bunch of scoundrels; whereby, no small suspicion having arisen against him, Dupui, the Captain had thereupon immediately caused him also to be seized and likewise delivered into the hands of the Commander of the National warship as a suspect mutineer. The Most Noble and Honorable Lord Governor and Worshipful Council of Policy here, immediately upon this report, claimed the same aforementioned seven suspect prisoners from the said National warship and resolved by resolution of 1 November 1786 to place them, along with the documents of the aforementioned ship's council of the ship de Jonge Frank, into the hands of the Officer of Justice, in order to be brought to trial before this Noble and Worshipful Council after proper further information and examinations. That as the said 7 prisoners, upon their arrival at the Cape, on account of their indisposition and weak condition, were utterly incapable of properly being
Dutch transcription
de valbonne van wijke mitsgad„s eenen Loillit en verscheyde andere over 't gesmeede ontwerp had hooren spreeken dat hij bij die geleegentheijd zou hebben ontwaard, hun voornaamste toeleg te zijn om alle die geenen die hen te„ C „genstand zoude bieden of niet wilde meede doen overboord te werpen dat hij de vrouwe ende oudste dogter van den heere Basche & zijnde een op voorm: bodem bescheydenen Passagiers en geweesene Commandeur van 't schip de Ganges:/ beneevens de negening ten einde hunne Lust met deselve te boeten in 't leeven zoude Laaten, edog De vier kinderen van denzelven Musche als voorsz: van kant te helpen en dat zij vervolgens in d' een of ander have van spanje zoude tragten binnen te loopen en zig aldaar met de vlugge te redden. — Dat hij Capitain dan op dit berigt gevoegd bij de voor afgaane verre gaande brutaliteyden van de quaadaartige intentie dier booswigten volkoomen overtuygd ter stond in sulle had ordre gesteld, om de vertrouwste soldaaten en Mattroosen zoo veel mogelijk ongemerkt agter op te roepen en in de wapens te stellen, gelijk die voorzorge dan ook van dat gewenste Effect was geweest dat wanneer op een schoot Die met 't laaden der geweeren in de Cajuit toevallig was Losgegaan de rebellen gemeend halden dat dit een zien was van te zullen beginnen onder 't geroop van Iloera valt aan waaren na booven geloopen en met vis Eleers bijlen als andersints zig van 't schip poog„ „den meester te maaken door 't heevige vuur van 't halff dek egter niet zonder herhaalde onderneminge in handnikkig teegenweezen deselve rebellen ein Folijk genoodzaakt waeren geworden zig op de vlug te begeeven, terwijl vervolgens hij Capitain dien nagt alomme hebbende doen de wagt houden, Landeren daags morgens de voornaamste van hun zynde de meerm: de valbonne die in de mast mast was gevlugt en daar na verscheijde anderen had doen vangenen in de Loeijen sluijten, gelijk dan alles toen ook bevond was, dat behalven een mattroos in naam Ioseph Christole (die ten tyde van 't tumulz tot in de Cajuit doorgedrongen zijnde om zig van geweezen te voorzien aldaar direct was opgevat en door 't venster in zee gesmieten geworden :/ nog vijff stuks soldaaten als Johan van Wijke, Charles Watjar Nicolaas Deriven Anthonie Loillet ƒ - en Pieter Boekmer van 't zelve Complot indien aan val waaren gesneuveld. Dat de scheeps raad vervolgens de personen dewelke dien morgen waren geappraehendeert in verhoor hebbende genoomen daarop bij Resolutie van den 18 Julij besloten had om eerst neegen stuks als sre Francois D valbom 2 Martin Blavegnar, 3 Anthony Foij, 4 Sean Babbist, Danim, 5 Guillaume vivant 6 Nouel Outers J Etienne Herret, & Jean Pierre Richert q Nicolaas du Croux de st 3„e 4„e en 9„e soldaaten der E Comp den Ede de „ 8d huijstimmerman en den 2de 5de xdo P„ soldaaten van 't Legioen Luxemburg bij pa„ „rate Executie te regt te stellen en waaren dezelfde neegen stuks dan ook dadelijk aan boord met de hoorde te dood gebragt terwyl voorts bij nader onderzoek nog twee anderen in Namen franciscus van der voerden, en Jean Michiel Visser, bij de soldaaten der E Comp als Complicen van de te vooren, geexecuteerdens bij denselven scheeps raads insgelijk ter dood gevonnist en dit gewijs te dadelijk ter uijtvoer gebragt ge¬ 2:„ worsen was. _o 1 Dat daar na de seven overige in name Elias de Costa, Tobias Vlas, franciscus verbrugger Michiel Prineenrade, Ian Grebel, franciscus valeran en Jan van Kruisen, dewelke schoon met overtuygd, agter onder rekemin te Dzispitie van in dezelve Conspiratie te hebben deel gehad gehad, zoo wel op dien tyd als eenige daagen daar na waaren gegreepen en in verzeekering gehouden omme bij arrivement alhier aan den E Agtb: Raad van Iustitie te worden overgegeven Dan dat intusschen 's Lands Esquader onder Commando van de Weledele Gestr Heere wiers ontmoet, hebbende, de scheeps raad al wederom beslooten had om deselve zes suspecte muijtelingen zijnde een daar van in name van franciscus Fale „ran intsschen overleeden, aan 't zelve over tegen Dat wijders bij 't Transport van deselfde persoonen naar 't oorlog schip zeekeren soldaet in dienst der E Comp: en genaamt Jean Babtist Dupui den meede soldaat Simon Raimonde, onder verscheijde malconten te ge„ „baarden en tegenwoordigheijd van den mattroos Lambelin had te gemoed gevoerd dat de Capitain beneevens alle de officieren een hoof schelmen waaren? zulx hier uijt geen geringe agterdogt tegens hem dupuis ontstaan zijnde hij Capitain deselve als toen terstond meede had doen opvatten en insgelyks als dspecte muijtelingen in handen van den Commandant van 's Lands oorlog schip overleeveren. — Den welEdelen gestr Heere Gouverneur en Agtb politicquin Raade alhier terstond op dit berigt deselve meergem: zeeven suspecte gevangenen van het zelve 's Lands oorlogschip hebben gereclameerden bij resolutie van den 1 November 1786 beslooten om hun neevens de stukken van meerm: scheeps raad van 't schip de Jonge Frank te stellen in handen van den R: O: vertoonde ten einde na behoorlijke verdre informatie en Examinatien voor deesen Edelen Agtb raad te worden te regt gesteld. Dat alzo gem 7 gevangenen bij derzelver komst aan de caab om hunne indispositie en zwakke omstandigheeden geheel in al buiten staat waaren om na behooren te 8
English
to be able to be interrogated and examined, the Petitioner ex officio consequently, with the prior knowledge of the Honorable Lord Presidents, caused them to be transported to the hospital here, so that, whenever they might have recovered or improved, they could be examined in conformity with the same Resolution of the Honorable Council of Policy before the Commissioners from this Noble Honorable Council; however, shortly thereafter, three of them, namely the aforesaid Thobias Blas, Franciscus ter Brugge, and Jan Grebel, came to pass away. That the Petitioner ex officio, having meanwhile informed himself of all the circumstances to the charge of the remaining four prisoners, Michiel Princinrade, Jan van Kruisen, Elias de Costa, and Jan Baptist du Puis, from the same authorities of the ship de Jonge Frank, and having carefully examined the documents in their regard supplied by the often-mentioned Captain to the Right Honorable Lord Governor, it has appeared to the Petitioner ex officio that the principal accusations against the four often-mentioned prisoners, or rather the reasons why they were considered suspect by the ship's council and taken into custody, consisted of the following: That the first mentioned, Michiel Princenraade, on 15 July, and thus one day before the revolt broke out on that vessel, allegedly asked the boatswain of his ship, named Jacobus Schelleman, how far one was from Cadix. That he, Princenrade, to the counter-question of him, Schelleman, as to why he desired to know this, allegedly answered that if one could rely as much upon the Germans as upon the French, one would indeed want to steer the ship towards Cadiz, while from the conversation further held on that occasion by him, Princenrade, with that boatswain, it had clearly appeared that he, Princenrad, not only had knowledge of the pending atrocious enterprise, but that he himself had indeed consented thereto and sought to win over the aforesaid boatswain to his interests. That the aforesaid second prisoner, Jan van Kruise, besides the fact that, according to the declaration of the young sailor Pieter Goosen, he had always kept company with the rebels and lived in great intimacy with them, also, at the moment when the rebels deliberately went above to demand the instructions and a greater ration from the Captain, allegedly tried to force the Quartermaster Jan van der Horst to go thither as well for the aforesaid purpose, saying substantially: "If you do not all go along to the quarterdeck, the devil will take you." That he, van der Kruijse, furthermore, the day after the revolt, when the aforesaid van der Horst had asked him where he had been at the time of the uprising, allegedly first answered that he had been drunk and had been lying asleep in his bunk, but shortly thereafter that he had come through one of the port-holes and thus also onto the deck. That further the indications before the same ship's council against the third mentioned, Elias Costa, and upon which he was taken into arrest three days after the revolt, for the most part consisted of the following: that he, de Costa, when in the height of the attack of the rebels the sailor Joseph Christile, notwithstanding that he was already wounded in the head by a blow with a saber, had penetrated into the cabin to make himself master of firearms, and was immediately thrown overboard and into the sea through the cabin window, allegedly at that very moment went to the fore-cabin and was allegedly seen there with a saber in his hands, from which the ship's council then inferred that he certainly must have gone to the cabin with the same intention as the often-mentioned Christile, but that, having perceived the bad outcome of the same, he presumably abandoned his intention, and then, in order not to return, since he might all the sooner have been discovered, remained there in the fore-cabin. And that finally and lastly, regarding the fourth mentioned, Jean Baptist Du Puis, it was taken into consideration that, as aforementioned, he allegedly did not shrink from showing his displeasure when the prisoners lying under suspicion were to be transported to the warship the Amphitrite, and substantially upbraided the soldier Simon Raimonde, in the presence of the sailor Louis Lambelin, that the Captain was surrendering these prisoners to the Commander of the warship to ingratiate himself with him
Dutch transcription
te kunnen worden ondervraagden verhoord de r: O: vertoonder mits dien met voorkennig van de Agtb Heere Presidenten deselve heeft doen transporteeren naar het Hospitaal alhier ten einde wanneer zij wederom tot herstel of beterschap mogte zijn gekomen in Conformitie van deselve Resolutie van den E Agtb Rade van Politie voor Heeren gecomm uit deesen Edelen Agtb Rade te kunnen 6e worden geexhamineerd zijnde egter kort daar op drie van hun als voorsz Thobias Blas Franciscus ter brugge en Jan Grebel koomen te overleeden. Dat de R: O: vertoonder zig intusschen naalle omstandigheyden tot Lasten van de overgeblevene vier gevangenen Michiel Princinrade Jan van Kruisen en Elias de Costa, en Jan Wabtist du Puis bij deselve overheeden van 't schip de Jonge Frank g'informeert en de stukken ten hunne opzigten door meergem Capitain aan den weledelen gestr: Heer Gouverneur gesuppediteerd, nauwkeurig geexamineert hebbende aan den E: O: vert is voorgekomen de voornaamste beschuldigigen tegens de vier meerm gevangenen of wel de redenen waar omme zij bij te scheeps raad als suspect zijn geconsidireert en in verzeekeringe gesteld hier inne te hebben bestaan. Dat den 1 gem: Michiel Princenraade aan den bootsman van zijn schip Jacobus Schelleman gen„t op den 15 Julij en du een dag voor dat de revolte op dien bodem heeft geerteerd zou hebben gevraagd hoe verre min van Cadix was. — Dat hij Princenrade op de tegenvraage van hem schelleman waarom hij dit begeerde te weesen? zou hebben g'antwoord dat wanneer men zoo veel op de duitschers als. als franschen konde staat maaken. men als dan wel met 't schip naar Cadia zoude willen steevenen, terwijl uit 't discoers bij die geleegentheyd door hem Princenrade met dien Bootsman al verder gehouden niet en duidelijk was koomen te blyken dat hij Princenrad niet alleen van de voorhanden zynde gruwelyke onderneming kennis gehad maar dat hij zelf daar in wel degelijk had toegestemd en gesogt voorsz bootsman in zijn belangen over tehaalen. e Dat voorsz den 2„de gevangene Ian van kruise:/ behalven dat hij blyken de verclaring van den Iong Mattrois Pieter Goosen zig altoos bij de rebellen opgehouden en met hun in groot ver¬ „trouwen geleeft ook nog op 't oogenblik wanneer de rebellen opzettelyk naer boven zijn gegaan om vande Capitain de Instructie en meerdere aandsoen af te Eyschen den Quartiermeester Jan van der Horst zal hebben willen forceeren om ten einde voorm meede derwaards te gaan onder substantieel zeggen zoo gij alle niet meede maar 't Halffdak gaat zal je de duivel Halen. _o Dat hij van der kruijse voorts dags nade revolte wanneer voorsz van der Horst hem gevraagd had waar ten teyde vanden ophoer geweest was? eerst zou hebben geantwoord dat hij beschonken was geweest en op zijn kooij te slaapen geleegen had dog kort daar na dat hij door een der Patrijs poorten en zoo meede op 't dek gekoomen was. Dat wijders de inducca bij denselven scheeps raad tegens den derde ged Elias Costa en waar op denselven drie daagen nade revolte is in arrest genoomen meestendeels hier hier in hebben bestaan dat hij de Costee wanneer in het heevigste van den aanval der rebellen der Mattroos Joseph Christile niet tegenstaande die reeds door een klap met een sabel aan 't hoofd was geblesseerd, in de Cajuit was doorgedrongen om zig van geweeren magtig te maaken en koer aldaar door 't Capiet vengster overboord en in zee geworpen was, als doen op 't zelfde ogenblik zig naerde voor cajuit zoude hebben begeeren en aldaar met een sabel in de handen zou zijn gesien geworden waar uyt de scheeps raad dan heeft opgemaekt dat hij zeekerlijk met dezelfde intentie„ als meerm: Chriskole moeste zin naer Cajuit gegaan, dog dat hij den slegten uitslag van den zelfden ontwaard hebbende presumtie van zin voor neemen zou hebben afgesien en toen om niet weder te rug te keeren ter„ „wijl hij als des te eer zou hebben kun„ „nen worden ontdekt aldaar in de voor Cazuit gebleeven te zyn. En dat Eindelyk nog ten Laatste van de 4„e get Iean Habtist Du Puis in aanmerkinge is gekoomen dat hy gelijk voorm: zig niet zou hebben ontzien om wanneer de onder suspicie leggende gevangenen naar 't oorlog schip de Amphitrite te worden getrans porteerd zijn ongenoegen daar over te toonen en den soldaat Simon Raimonde in Praesentie van den mattroos Louis Lambelin Sus tan „tieelyk te gemoed te voeren dat de Capitain deese gevangenen aan den Commandant van 't oorlog schip overgaf om zig bij denselven bemind te
English
to make, adding that the Captain together with all the officers of his vessel were a bunch of scoundrels. That the Officer of Justice, having subsequently caused the four aforementioned detainees to be heard upon such articles as were handed over for that purpose by the Officer of Justice to the commissioners from this Noble Honorable Council, the four aforementioned prisoners nevertheless unanimously affirmed to the commissioners that they had never had any part in the conspiracy on their vessel, while they furthermore advanced specifically regarding the charges laid against them, and first the aforementioned Princenrade, that de Valbonne, on the very same morning before the revolt occurred in the evening, had indeed revealed to him treason or his intention, and had indicated that the intention in case of success was to sail to Cadix, but that the same de Valbonne had not told him at that time when this would be carried into execution, nor that he, Princenrade, would ever have wanted to participate therein, and that he had further intended to make this known, but that no opportunity had presented itself to him on that day; that he had spoken to Jacobus Schilleman about the French or Germans of whom his declaration makes mention, but that he had indeed asked the aforementioned Schelleman how far they were from Cadix, though not on 15 March, the very day of the revolt, and that he had done this solely to find out whether Schelleman was also among the plot, so as to report it immediately, while he furthermore was lying in his hammock at the moment of the tumult. The 2nd detainee, Jan van Kruisen, that the French, two or three days before the revolt, had asked him what the instructions of the Honorable Company dictated; that he had answered that he did not know; that they had then told him that some of them would go above to demand more rations from the Captain; that he should warn his messmates of this, and that he had indeed said that if they did not want to join in, namely in demanding the instructions and more rations, the French would then beat them; that he had not known the least bit of the conspiracy to take over the ship, and that he furthermore had indeed climbed through the port-holes at the time of the tumult and gone above, but that he had done this to defend the officers and the rest of the ship's crew against the mutineers. Furthermore, the 3rd detainee, Elias de Costa, that he likewise had not known the least thing either of demanding the rations from the Captain, nor of the horrific undertaking to overpower the ship that followed upon it; that at the time of the tumult, upon the shouting of the corporal, he had run to the cabin and obtained a saber there from the same in order to help defend the ship; that he had not followed the sailor Chriskole to the cabin, nor had he heard anything from him or anyone else beforehand as stated. And finally the 4th detainee, Jean Baltis du Huis, that besides professing not to have the least share in either matter, during the transport of the other prisoners to the naval warship of the State, he had called not the Captain and officers, but the soldiers who committed the revolt, scoundrels, and even after he had reasoned about it with his accuser Raimonde, he had still used this expression of rabble. That however much the Officer of Justice on the one hand cannot deny that all circumstances militating both for and against these same four suspect prisoners, being ripely considered and confronted against each other, may make one of them appear suspect in a greater and another in a lesser degree; for when one pays a little attention to the answers given by the same detainees to the interrogatory articles put to them on board by the ship's authorities at their arrest, and confronts the same with what they responded before the aforementioned commissioners from this Council upon the requisition of the Officer of Justice, one will not indistinctly discover contradictions in the same and how some of them noticeably contradict themselves; the first-named Princenrade naming in article 1 of his interrogation on board 5 persons who were said to have revealed the treason to him, whereas on the contrary in his interrogation before the commissioners on article 4 he says that he had heard of the conspiracy from Valbonne alone, and still persists in articles 6 and 13; just as he furthermore on article 3 of the interrogation on board, to the question why he had asked the boatswain how far they were from Cadix, answered, I just asked that casually because I had heard Cadix spoken of, while on the contrary in his judicial interrogation on articles 8 and 9 he tries to make it appear as if he had done this to sound out Schelleman as to whether the conspiracy was known to him and whether he happened to be a participant in it, in order then to bring it to light all the more surely; just as
Dutch transcription
te maaken met byvoeging dat den Capitain beneevens alle officieren van zyn boodem een hoop schelmen waaren. ƒ Dat de R: O: vert: vervolgens de vier meerm gedt hebbende doen hooren op zoodaenig Articulen als door ten vert. ten dien fine aan heeren gecomm„ uijt deesen Edelen Agtb: rade zyn ter hand gesteld zij vier meerm gevangenen egter eenparig aan heeren gecomm. hebben betuygd van nimmer in 't op hun bodem geconspereerde eenig deel te hebben gehad, terwijl zij voorts specialyk op 't aan hun ten lasten gelegde hebben geavanceerd en wel Eerst gem Princenra de dat de valbonne op dien zelfden morgen zoo als 's avonds de revolte heeft geexteerd tot hem wel met verraad of zyn voornemen en dat de intentie in geval van rensste was naar Cadix te zeilen had te kennen gegeven edog dat denselven de valbonne hem daer bij teffens niet had gezegd wanneer zulks worden ter uytvoer gebragt nog dat hij Princenade immer daar in zou hebben willen Participeeren en dat bij al verder voornemens was geweest zulx bekend te maaken edog dat hem op dien dag daar toe geene geleegentheijd was te vooren gekomen dat hij tegens Jacobus Schilleman van de fransche of duischens (daar zijne verl: van meld gesprooken had maar dat hij voorsz Schelleman wel had gevraagd hoe verre men van Cadix was dan niet op den 15 Maart op den zelfden dag van de revolte en dat hij dit enkel gedaan had om te verneemen of Schelleman meede onder 's Complot behoorde zulks dan direct aan te geeven terwijl hij wyders zig op 't ogenblik van 't humult in zijn hangmat geleegen te hebben. den 2te gedet: Jan van Kruisen dat de franschen twee a drie daagen voor de revolte hem hadden gevraagd wat de Instructies Instructies van d E Comp dicteerd: dat hij daar op had geantwoord zulx niet te weezen dat hij hem toen hadde gesegd dat zo van hun naar boven zoude gaan om den Capitain meerdere randsoen; dat hij dit aan zijn baks volk moet waarschouwen en dat hij du wel gesegd had dat wanneer zij niet meede wilden doen / namentlijk in't afvorderen vande Instructies en meerdere aandsoen de franschen hen als dan slagen zoude geeven, dat hij van de Conspiratie om het schip afteloopen niet 't minste had ge„ „weeten en dat hij voorts ten beide van 't temelt wel door de patrijs poorten geklom„ men en naar bovengegaan was e dag dat hij zulks gedaan had om de affecieren en 't overige scheeps volk tegens de oparer„ te makers te verderigen. wijders den 3 ged: Elias de Costa dat hij insgelijks nog van 't afeischen der randsoenen van den Capitain, nog vande daarop ge„ „volgde gruwelyke onderneeming om 't schip te overrompelen iets het minste geweeten had dat hij ten tijde van 't tumuel op te roepen van den Corporaal wasnaarde Cajuit geloopen en van denzelven aldaar een sabel bekoomen had om 't schip te helpen verdeedigen dat hij den Mattroos Chriskole niet naarde Capuet gevolgd was nog van hem nog van iemand anders als gesegd bevorens iets vernomen had: En Eindelijk den 4„e ged: Iean Baltis= du Iduis dat behalven hij voorgeeft in 't een of ander 't minste aandeel te hebben hij bij 't transport van de overige gevangene naar 's Lands oorlog schip niet den Capitain en affecuren maar wilde soldaaten deide revolte hebben gepleegd schelmen genoemd had en zelfs na dat hij daarover met zijn beschuldiger Rarmonde gerideneert, had nog deese uitdrukking 't Canailles te hebben gebeezigd. Dat hoe zeer de r: O: versoonder aan de eene kant wel niet kan ontkennen, dat alle omstandigheeden zo voor als tegens dezelve vier suspocte gevangenen militeerende rijpelyk overwogen en tegen elkanderen geconfronteerd de eene van hen in een meerdere en d' andere in een mindere graat verdagt kan doen overkoomen want wanneer men een weijnig attentie gaade slaat te antwoorden door deselve gedet op de vraagtarticulen Vi hun door de scheeps overheeden aan boord bij hun gevangen neeming zijn voorgehouden gegeven, en deselve confronteerd met 't geen zij voorwelgem: Heeren gecomm: uyt deesen rade ter requisitie van den E: O: vert: hebben gerespondeert zo zal men dezelve contradicte en hoe zommige van hun zig zelven merkelyk teegenspreeken niet ondudelyk kunnen ontdek noemende Eerstgem Princenrade bij artic 1: van zin verhoord aan boord 5 persoonen op die hem verraad zouden hebben geopen¬ baard daar hij in teegendeel bij zijn verhoor voor Heeren gecomm: op artl: 4 zegd dat hij de Compiratie van velbonne alleen zou hebben vernoomen en artb 6 en 13 nog bij blyft persisteeren gelyk, hij voorts op artt: 3 van het verhoor aan boord op de vraage warom hij aan de bootsman gewaagd had hoe verre hij van Cadix was. heeft geantwoord dat heb ik maar zoo eens gevaagd om dat ik van Cadix had hooren spreeken, terwijl hij daar in teegeni zijn Justiteeer verhoor op ant: 8 en 9 tragt te doen voorkoomen als of hij zulx ge„ daan had om schelleman te polsen ofde consparatie hem bekend in hij daar van deel genoot qaam te zijn om 't dan des te seeker der aan den dag te kunnen brengen^d Gelyk 3
English
Just as the aforementioned Jan van Kruisen, or the second detainee, claims in his answers given on board, specifically on article 3 of his interrogation, that he told his messmates that the French had stated that if the sailors did not side with them, the devil would take them, which somewhat agrees with the statement made against him by Jan van der Horst, though he nevertheless stated before the commissioners on article 4 of his interrogation that he expressed himself to the crew in such a manner that if the crew did not wish to join in demanding the rations, the French had said they would then beat them; while furthermore the third prisoner, Elias de Costa, on the 4th article of his interrogation on board ship claimed that at the time of the uprising he had gone to the cabin because the quartermaster, whom he could not name, had called him and had also handed him a saber to protect the captain, although apart from the quartermasters appointed on board confronting him to his face with the assurance that they had never called him nor placed a saber in his hands, he stated in his interrogation before the commissioners that the cutlass with which he had been seen near the cabin had been handed to him by a corporal; likewise the last-mentioned Jean Baptiste du Puis in his interrogation on board his ship completely denied having said the slightest thing to the aforementioned Raemonde and Lambelin regarding the transfer to the warship of the persons apprehended on suspicion, whereas in his interrogation before the commissioners he nevertheless tried to make it appear as though he had wished to demonstrate his indignation over the bold conduct of the mutineers by calling them and their faction, and not the captain and officers, scoundrels and canaille. Which is to say, the Officer-Petitioner, from all these contradictory circumstances, cannot consider the persons in question suspected of helping to commit and carry out the mutiny on the ship De Jonge Frank Revera, but rather that the one knew more and the other less of it, acquiesced in it, and was furthermore negligent or failed to notify the captain and the ship's authorities of it and to defend them with all their might against the rioters. The Officer-Petitioner, however, on the other hand, with respectful submission of judgment, believes that these circumstances, added to the presumptions militating against these four detainees and the evidence tending thereto, are not of such force and weight that they provide full grounds to proceed against them in court, whether in an ordinary or extraordinary manner, the less so because even if the basis of the suspicion conceived against these prisoners, which mostly consists of an ill-placed idea and certain discourses for which no consistent witnesses exist, and some contradictory answers from the interrogations on board and here before the commissioners, the principal cause of which might well be attributed to the awkward drafter of the interrogations held on board, and even if all this were legally sufficient and proved without any doubt remaining for Your Honors, nevertheless the prolonged detention of these detainees, which in all crimes, even if fully proven and confirmed by their own confession, always brings about a reduction in punishment, ought also in this respect to provide no small reason for mitigation in the penalty to be inflicted. Yet at the same time the Petitioner takes the liberty, subject to respectful correction, to remark in a few words that since the suspicion weighing upon the aforementioned detainees, although in no way substantiated by valid proofs, does not entirely lapse through this lack, but is of such a nature that in case they are restored to liberty or employed in the service of the Company, their destination with the Honorable Company could hardly be allowed to proceed, but they ought always to be considered dangerous subjects for the possession of the Honorable Company, partly because it is sufficient that they have already given enduring proof that one can never expect from them that subordination to their lawful authorities which is so highly necessary in these regions, and partly because the example of their comrades, who can already not be acquitted of having shown extreme disrespect to their rulers, may very easily have made such an impression that this might at some other time pave the way again for similar disasters. Wherefore the Officer-Petitioner in this regard has deemed it most advisable to bring these matters to the attention of Your Honors, respectfully requesting that Your Honors may be pleased to make such disposition regarding the aforementioned persons of Michiel Princen, Jan van Kruijsen, Elias de Costa, and Jean Baptiste du Puis as Your Honors shall find appropriate according to the exigency of the case. Which doing, and signed: Gabriel Exter. In the margin: Exhibited in court the 28 December 178[illegible]. Extract of the Resolution taken in the Council of Justice.
Dutch transcription
Gelijk dan eeven alsoo meerm: Ian van kruisen ofte den 2 gedete en zijn aan boord gegevene antwoorden en wel op art: 3 van zijn verhoor voorgeeft dat hij aan zijn baks volk zou hebben gezegd dat de franschen zig hadden uytgelaten dat wanneer de Mattroosen 't niet met hun houden werden de duivel hen dan halen zoude 't geen Eenigzints voereenstemd met de verclaaring door Jan van der Horst teegen hem verleeden daar hij egter voor heeren gecomm: op art: 4 van zijn verhoor zegd zig tegens 't volk in deeser voegen te hebben geuit dat zo namentlyk 't volk in 't Eijschen der randsoenen met wilde meede doen de franschen gezegd hadden hen als dan slagen te zullen geven terwyl voorts den 3 gev Elias de Costa op 't 4e art: van zijn verhoor binnen scheeps boord voorgegeven hebbende dat hij ten tijde van den opstand naar de Cazuit wat gegaan om dat de quartiermeester die hij B niet bij naam wist op te geeven hem geroepen had en dat die hem dan ook een sabel zou hebben ter hand gesteld om den Capitain te beschermen daar hij Egter behalven bij de aan boord bescheijdene quartiermeesters hem ten opzig te infacie hebben tegengesprooken met verzeekeringe van hem nimmer geroepen nog een sabel in handen gegeven te hebben & in zijn verhoor voor heeren gecomm zegd dat den houwer met welk min hem bij de Cajuit had gezien hem door een Corporaal zou zijn ter hand gesteld. hebbende ook nog insgelijks de laastgem: Jaan Wabtist die Puas bij zin verhoor aan boord bij zijn schip volstrek omtend iets 't geringste nopens 't opvoeren van de op suspectie geapprehendeerde Persoonen ƒ persoonen naar 't oorlogschip teegens meerm Raemonde en Lambelin gezegd te hebben daar hij dat evenwel in zijn verhoor voor heeren geconnn zoodaenig tragt te doen voorkoomen als hij over 't stout bestaan der muitelingen zijne verontwaardig had willen aan den Dag leggen met dezelve in hun aanhang en dus net den Capitain en officieren Schelmen en Canailles te noemen. Dat zegd, r: O: vertoonder hij uijt alle deese Contadictoiren omstandigheeden de persoon en questie geenzints kan doen verdagt hou„ „den van 't oproer op 't schip de Ionge ftrank revera te helpen pleegen en ter uytvoer te brengen maar wel de eene meerder en de andere minder daar van te hebben geweeten daar in te hebben genoegen genoomen en voorts nalatig te zijn geweest dan wel te hebben verzuimd om den Capitain ende scheeps overheeden daar van te adverteeren en dezelve met ingespanne kragten tegens de aproermakers te verdedigen. De R: O: vert egter aan den anderen kanz onder eerbiedige reverentie van begrip is dat deeze omstandig heeden gevoegd bij de tegens dezelve vier gedet: militeerende praesumtien en het daar toestrekkende bewijs niet zijn van die kragt en nadruk dat deselve eene volleedigen grond uytgeleeveren om tegens hunlieden 't zij ordinaire dan wel Extra ordinaire en regten te kunnen ageeren te minder om dat al waare 't ook dat de grond van de teegens deselvene gevangenen op gevatte suspectie dewelke meesterdeels bestaat in een qualijk geplaatste edee en zommige discoursen waar van geene Consonante Consonante getuigen Eristeeren en eenige Contradictoire antwoorden van de verhooren aan boorden alhier voor heeren gecommitteerd waar van men de voornaamste oorzaak wel aan den gelekkigen steller van dezelve aan boord gehoudene verhooren zou konnen attribueeren er al ware dit alles den regten voldoende zonder dat deses bij UEd Agtb: eenige twijffel behoeff over te bliven bewesen nogtans de Langdurige detentie van deselve gedet die in alle misdaden al zijnse ook vol„ „doende beweesen en door de eigenmondige Con „fessie bekragtig egter altoos een vermindering in de Correctie te weege brengt ook ten deesen opzigten in de infligeerene Arafse geen gering op rec=t tot miligatie zoude behooren uit te Leeveren. Dan teffens neemt de vert: de vrijheyd om onder eerbidig cerrectie nog met een enkeldwoord te remanqueeren dat daar de suspicie dewelke meer ged„ geset„ en deesen drukt, schoon met geen valable bewijsen hoegenaamd gestaafd egter door dit gebrek niet geheel vervald maar van dien aard is dat men ingevalle zijl: weeder op vrije voeten hersteld of in„ „dienst van de maatscha pije geemploij „eerd worden nogtans beswaarlyks hunne destinatie bij De EComp zoude kunnen laten volgen maar hun altoos als gevaarlyk subjecten voor de bezitting der E Comp behoord te Considereeren eens deels om dat het ge¬ noegsaam is dat zij reeds Doorstaande blyken hebben gegeeven dat men van hun die subordinatie aan hunne wettige overig¬ „heeden dewelke in deese geweste zo hoognodig is nimmer verwagten kan en anderen deels om dat voorbeeld van hunne makkers die bereeds niet kunnen vrijgesprooken worden van verregaande disres pect aan hunne 0 regeerders te hebben betoond veel ligt zoodaanige im prissiin kan g „maakt hebben dat dit een af ander teijd weeder voor zoortgelyke onheijlen den weg zouden kunnen _e baanen. Weshalven de R:O: vert: huer omtrend door sig raads zaamst heeft geoor„ „deelt dit een en ander te brengen onder het oog van uwed: Agtb eerbie„ „dig versoekt dat uwEd. Agtb om „trend de vooren gementioneerde per„ „soonen van Michiel Princen, raade Jan van Kruijsen Elias de Costa en Joan Babtist du Duis zoodaenige dispositie gelieven te Neemen als UWED Agtbaaren naar Exigentie van zaaken zullen bevinden te behoo„ „ren onderstond:/ 'T welke doende en geteekend Gabriel Exter in Margine Exhibetem en Judicio den 28 December 178 Extract Resolutie genoomen in raade van Volc
English
Wednesday, 1 November 1786 The Lord Governor further made known that upon the arrival in this roadstead of the ship de Jonge Frank, chartered on behalf of the Honourable Company, His Honour was informed that, besides such nine criminals as were sentenced to capital punishment and executed by the ship's council on account of an attempted undertaking to make themselves masters of the vessel and its cargo by killing the officers and the other crew members who offered them resistance, there were yet seven others who, although not fully convicted of having taken part in the same conspiracy, nevertheless lay under severe suspicion regarding it, and had been either placed in irons or kept under sufficient guard by the said ship's officers in order to be delivered over to this government. However, as they happened to meet at sea the State's squadron under the command of the right honourable and valiant Mr. Wiert, currently also present here but destined elsewhere, and prudence demanded that the ship be relieved of those prisoners as soon and as best as possible, the said Lord Commander, having regard to this, had taken the same prisoners aboard the State's ships upon the request made to that end, along with the documents obtained against them. That he, the Lord Governor, had therefore reclaimed the aforesaid prisoners from the said Lord Commander, and His Honour, as soon as he was informed of the letter of the High and Noble Lords Directors and Authorized Representatives dated 15 January 1783 regarding the determination of jurisdictions over delinquent persons for the officers of the State's ships in this government, made no difficulty whatsoever regarding that reclamation, but delivered the same prisoners over to this government of Good Hope. With the request, however, that the discharge to His Honour might be furnished with an extract from the said letter. The same having been approved and agreed upon, etc., and furthermore that the aforementioned seven prisoners, together with the documents collected against them by the aforesaid ship's council of the ship de Jonge Frank, shall be delivered into the hands of the provisional fiscal, so that, after proper further information and examinations, they may be put on trial here before the Council of Justice. Underneath stood: Agreed. Was signed: G. G. Diemes, sworn clerk. Revolt and Interrogations of the Rebels of the Private East India Ship de Jonge Frank, Sailed Out in the Year 1786 Under the Command of the Honourable Captain Jacob Veer On Sunday, 16 July of the above-mentioned year, at half past eight in the morning, two mutineers, Van Wijke and Frans Gravier de Valbonne, came to the quarterdeck with a large troop of soldiers and sailors and wanted to speak with the captain, whereupon I, the captain, came to them and asked what their desire was. Whereupon Frans Gravier de Valbonne, as chief, said: We must have your instructions and see what is in the ship. I asked them what they were to do with that, whereupon one of the rebels seized me by the chest and, with curses and threats in French, said that they must have it or they would teach me otherwise! Whereupon I gave them the instruction book, as I was then overpowered and they were already all upon the quarterdeck and we were unarmed, and thus it was given to obtain peace. Whereupon they then appointed one who read the instructions to them in Dutch and translated them into French. After the reading of the instructions, I asked them what their desire was further? Whereupon the rebel answered that they must have sugar and tamarind from the time that we had sailed out to sea from Vlissingen. I said that there were only 1250 pounds of tamarind on board and that for 272 heads this could only last for four full months, and that we had only been at sea for four weeks, and that they had also drunk beer during that time, and that we were now only coming to the place where the tamarind was destined and most necessary, here under the Line, and that one could well cruise around for 1, 2 to 3 months at this time of the year, and we had not yet crossed the equator; but all arguments could not help with them. They merely answered that they must have it, and then also one third more genever than they had had, and that from the time we had been at sea. And each man had had a 1/2 mutsje per day for as long as we had been at sea, while they drank beer, and on meat days every man had had his mutsje at noon; also they said they must have plums. As I was then overpowered and had as yet no trusted crew in arms, we were forced to grant their demand; we also gave everything they demanded to prevent the calamities that we could foresee in the rebellion, for we saw that if we refused anything no good would come of it. We also saw at the same time that the demand for genever was not made upon good grounds, as later also appeared from the declarations against their people; for when the genever was given, De Valbonne said to them: The genever is only to make the German peasants drunk, namely the German soldiers. Just as shortly thereafter, when the genever had been distributed, many were intoxicated, and this was the aim of the mutineers in order the better to carry their plot into execution. Now after everything they had demanded had been given, there came again in the afternoon at 5 o'clock one of the principal chiefs of the mutineers, Johan Dietrich Willem van Wijke, to the quarterdeck and asked for a half ration of water for the entire crew, which I had the botteler give. I saw that all this they demanded was for the purpose of getting the crew on their side and stirring up the good crew against us.
Dutch transcription
Woensdag den 1 November 1786 Den Heere gouverneur gafwyders te kennen dat zijn Edele bij aankumst ter deese reede van 't EComp schip wegen inge „huurd Pastel: schip de Ionge Frank was g'informeerd geworden dat behalven zodaenige Negen Misdadigers als ter zake eener getendeerde onderneeming om door 't ombrengen der overheedenen de verdere Scheepelingen die hun teegenstand kwamen te bieden zig van heen bodem met de en hebben de ladingemeester te maken door den scheeps zaad tot de doodstraffe waaren verweesen en geexecuteerd geworden nog Leevenande¬ „ze dewelke schoon niet volkomen overtuigd zijnde van in dezelvde Conspiratie te hebben deel gehad egter desweegens onder verkomen te suspectie leggende door de gem: Scheepsoverheden of in de Loeijen geslooten, of onder genoegzame be„ „waking waren gehouden geweest ten einde aan dit gouvernement te werden overgeleeverd, dog dus emits zij in zeervaren komen te ontmoeten 't tans meede aen weezenden maar in dien gedestineerd s' Lands Esquaden onder Commando van den welEd: gestr Heer wiert en de voorzigtigheyd was, vorderende om zig hoe eer hoe beeker van die gevangenen uit 't schip ontslaan welgemelde heer Commandant hier op reguard nemende dezelve gevangenen op t daar toe voorgedraagen verzoek in 's Lands scheepen overgenomen had met de tot hun Lasten inge„ „wonne Stukkenen.— Dat hij heer gouverneur deerhalven bij welgem: Heer Commandantairers de voorsz gevangenen heb„ „bende gereclameerd zijn Edele zoodra van de aanschryvens der Hoog Edele Heeren bewind, „hebberen en gevolmagtigden in dato 15 Ianny 1783 betreffende de bepaling der judicaturen voorde offecieren van 's Lands scheepen in dit gouvernement over de delengueerden Persoonen geinformeerd geworden was in die reclamen geen¬ zints gedifficulteerd maar deselve gevangenen Rmdit gouvernement overgeleeverd had, op goede Hoop. Politie in 't Casteel de Met met versoek nogtans om tot zijn Edele de Charge met een Extracto uit de gem: aanschrijvens te mo„ 9 „gen werden gemenueerd. zinde over zulks goedgevonden en verstaan &„a en voorts dat de meergem: Leeven gevangene neevens de stukken bij den voorsz scheeps raad van 't schip de Ionge Frank tee„ „gens deselve in gewonnen zullen werden overgeleevert in handen van den prointeru„ fiscaal, ten einde na behoorlyke verdere informatie, en Examinatien voor de raad van Iustitie hier te werden te regt gesteld onderstond Accordeert was geteekendd G: G: Diemes geswoore Clercq. e Revolte en Interrogaties der Rebellen van 't Particulier O:I: schip de Ionge Frank uit reijst in 't Iaer 1786 onder commande van den welEdelen Heer Capitain Jacob veer Op Sondag den 16 Iulij bovengenoemde Iaars des morgens ten halff neegen uure kwaa„ „men twee muijtemaakers van wijke en franc= „grav: de valbonne met een grote Prop: Soldaeten, en mattroosen agter op en wilden den Capi„ „tain spreeken waar op ik Capit„n bij haar kwam en vraagd wat haer begeerte was waar op Franc„s grav=r de valbonne zeide als opperhoofd wij moeten uwe Instructies hebben en zien water in 't schip is ik vraagde hair wat ze daar meede moeste doen waarop een van de rebillen mij aan de borst valte en met vloeke en Dreigementen op zijn fransch zeyde dat zij 't hebben moesten of ze zouden mij wat anders Leeren! waar op ik haar 't instrukte boek gegeeven heb vermits ik als doen overmant was en zij reeds alle op 't halff verdek waaren en wij onbewapend en dus gegeeven om rust te kreijgen waar op ze als doen een stelden die haar de Instructies voorleesde in 't hollands en in 't fransch overtaalde Na t leeven der instructus vraagde ik aan haar wat haar begeert nog mier was? waar op de rebellant antwoorde dat ze Zuijker en Samerin de moesten hebben van die teyd af dat wij van Vlissing zijn in zee geveeld ik zeyde dat ik maar 1250. Ponden kamerin de aan boord was en dat dit voor 272 koppen maar voor vier groote maanden verstrekken konde en dat wij maar eerst vier weeken in zee geweest waaren en dat tukken Der R Ja - zij ook in die teyd bier gedronken hadden En dat wij nu eerst aan de Plaats kwaamen daar de Famerin de voor gedestineerden 't nodigste waren hier onder de lince en dat min om deese tyd van d Jaar wel 1: 2 a 3 maanden konde kruisen en wy de even nagt zyn gesneeden hadden maar alle gesey „dens konden bij haar niet helpen zij antwoorden maar zij moesten t hebben en dan ook nog een derde genever meer als de gehadden en dat van de teijd aan als wij in zee geweest waaren en ze hebben de man ider ½ misjen P=r dag gehad zoo laenge als wij in zee geweest bennen terwijl zij hier dronke en des Hakjes dagen hebben ider man haar met zen gehad des middags ook moeste ze Priime„ hebben zeijde ze vermits ik als doen overman was en geen vertrouwd volk nog in wapens hadd zoo waaren wij genoodzaakt haar Eisch te geeven, gaven ook al 't geen wat ze leschen om de on¬ „heelen die wij in de rebellatie zien konden voorkoomen want wij zagen dat wij rets revuceerde geen goeds zoude inspruijten zagen ook teffens dat de Eisch van genever op geen goede gronde geeescht wierde gelijk ook namaals gebleeken is bij verclaaring tegens haer lieden; want doen de genever was zoo zeide de valbonne tee zod de genever is maar om de Duitsche Boeren daar „ken te maaken namentlyk de Tuische soldate gelijk er ook kort daar na als de genever uytgedeel waaren veele beschonken wierde en dit was het oog „merk van de muijtemakers om des te beeker haar aanslag ten uitvoer te brengen. — Nadat nu alles gegeeven was dat zij geesch hadden zoo kwam na de middag om 5 uuren weeder een van de voornaamste opperhoofden der muijtemakers Iohan Dietrich Wm van woijke agter op en vraagde voor de gehee„ „lee. Equipagie een halff randsoen water 't welk ik door den mottlier liet geeven ik zag dat al dit wat zee Eischten, daarom was, om 't volk op haare zeide te kreegen en 't goede volk op te ruijden tegens ons. Gm
English
At six o'clock in the evening I, the Captain, received a report from Commander Coenraad Busche, passenger on board together with his wife and five children, who reported to me that the person Charles Disier La Droite, Vice-Corporal among the Luxemburgers, reported that a plot had been formed to overrun the ship and make themselves master of the same, and that they also intended to kill the Captain of the ship and all officers and throw them overboard, along with the passengers and all those who did not agree with them. The aforesaid La Droite also reported the same to the mate Pr Pietersen, and that once the rebels were masters, they would go with the same to Spain or Portugal and sell everything there, and that they would begin in the evening when we would be at table in the cabin to eat, in order to murder us at table. And thus there being little time left to put everything in order for the defense of ship, property, and life, we immediately ordered all the ship's sailors to come aft, and Commander Lemper summoned his trusted soldiers and corporals. And we quietly saw to getting all our small arms into the cabin, which were stored on the quarterdeck in the chests; we passed the same outside around through the galleries into the cabin and also brought the cartridges into the cabin. We had then 70 muskets, 4 blunderbusses, and 150 cutlasses in the cabin. We posted 6 men, being sailors, in front of the gunner's room, and 6 men in the forward cabin by the stairs, and in the cabin to load the weapons and hand them up to the deck and bring the discharged ones back down below were the second mate Herm: Coen and Charles Disié La Droite, who discovered the plot, the boatswain of the Company Jacobus Schelleman, the ship's gunner, and Commander Musch. I, the Captain, was on the quarterdeck with Commander Lempen, chief mate J:b Pietersen, the boatswain and 6 boatswain's mates, and with 28 to 30 men, who stood posted before the rail and aft near the wheel, everything in good order. I, the Captain, went below to have more gunpowder cartridges passed up from the gunner's room and the cabin; second mate Coen was to go through the helm port or near the rudder head and over the tiller to the gunner's room, since we could no longer trust going via the tween-decks to open the room. And while powder and bullets were being handed up, Corporal Gommellin came into the cabin to help load the weapons and to fetch the loaded ones. Commander Pusche handed over a loaded blunderbuss to the aforementioned Gommerlingen; as soon as he had it in his hand and lowered it more along his side, the same went off, of which the bullet went through the second bulkhead in the cabin from the front, which caused a great consternation in the cabin, for the light went out at once. At the same time we got another light from the forward cabin. The blunderbuss had gone off because Commander Busch had cocked the hammer and had not told the Corporal. This happened at about eleven minutes past eleven o'clock. And as soon as the rebels heard the shot, they shouted hurrah between decks and ran up to the deck and shouted, attack! Whereupon they, the rebels, attacked the weapons of the quarterdeck at the gangways and shot at the quarterdeck with a five-pronged fish spear, which spear had previously been with the boatswain to shoot fish with; and with the spear they shot Corporal Lodewijk Namtal, which went in on the right side through the nose close to the eye and came out again on the left side through the nose and lip. As soon as the spear was fast, the rebels in the waist shouted to haul, since they had a line fastened to the shaft of the spear, intending in that manner to haul him into the waist, and subsequently more men in such a way. But the Corporal, having his weapon in hand and aiming at the rebels when he was shot, fell backwards from the hauling of the rebels and struck with his hand against the rail of the quarterdeck, bending the shaft of the spear, whereby the same broke to pieces, being fortunately a brittle piece of wood, and thus the line came loose. And the Corporal came into the cabin holding the spear firmly in his face, which was a wonder to behold. Whereupon we then opened fire from the quarterdeck on the rebels, during which volley one of the ringleaders of the rebels, Joh:n Ditrich Wm. van Weijhe, a native of Hemke, who in the evening had come aft to fetch water, approached the landing and intending to force his way onto the quarterdeck against the arms, was shot through there. And behind him was a sailor named Joseph Chriskole, a native of Naples, who was severely wounded with a cutlass blow to the side of his head on the right side, whereby he lost his knife, certainly when he was wounded. Nevertheless, the same broke through and came into the cabin, but how he came into the cabin through all the posts is unknown to me. But as soon as he came running into the cabin with such speed, covered in blood, screaming all the while, he intended to make himself master of the weapons, since the cabin was full of muskets, bayonets, and sabers, and we were busy loading the small arms for the quarterdeck. We seized him and threw him out through the cabin windows overboard, so that he would not murder us and also not hinder us from getting the loaded weapons to the quarterdeck and remaining masters of the ship. Subsequently, we fired from the quarterdeck on the rebels who pressed forward, whereby several remained dead and some were wounded. On our side, Corporal Gommerling lost a part of his left hand due to the bursting of a blunderbuss that he fired, and the ship's steward Hendrik Adam Visbak was severely wounded in his right leg by the bursting of the same blunderbuss, as the steward was standing atop the hencoop.
Dutch transcription
Om zes uuren des avonds kreeg ik Capit„n rapport van den Commandeur Coenraad Busche Passagier aan boord zijnde benevens zijn vrouw en vyff kinderen dewelke mij rapporteerende als dat den Persoon Charles Disier La Droite vice Corporaal onder de Luremburgers als dat er een Complot gemaekt was, om 't schip afteloopen en zig meester van 't zelve te maaken en dat zo ook den Capitn van 't schipen alle ossiceeren wilden om 't Leeven brengen en overboordwerpen beneevens de Passagiers en alle de geenen die met haar niet eens waaren detselfde heeft de zoogenaemde La Droite ook aan de stuur„ man Pr Pietersen gerapporteerd Encels de rebellen dan meester zouden zijn zij als dan met 't zelve na Spanjen of Portugal zouden gaan en daar alles te verkoopen en dat zij zouden beginnen des avonds als wij aan Tafel zoude zijn in de cajuijt om te eeten om ons aan Tafel te vermoorden en dus weijnig teijd meer overig zijnde om als in ordre te stellen tot Defensie voor schip en goed en Leeven. wij lieten ten facto alle de scheeps mattroozen agter op koomen en de Commandeur Lemper zijne vertrouwde soldaaten en Corporaels En wij zagen in stille al ons hand geweer indie cajuijt te kreigen, t welk op 't halff veroek in de kisten geborgen ware manden deselve buijten om door de galdereijen inde Cajuit en brogden de Patroonen ook inde Cajuel hadden doen 70. snaphanen 4 Donder bossen en 150 houwers in de Cajint Posteerden 6 man zijnde mattroosen voorde Constapel Camer en 6 man in de voor Capuil bij de Trap, en de cajuit om 't geweer te Laaden en op 't oek op te geeven ende afgeschootene weder om laag te brengen de onder stuurm Herm: Coen en Charles disié La droite die het Comploz ondekt heeft de bootsman vandie Compe Jacoba Schelleman scheepels Constapel en de Commandeur Musch ik Capitain op 't halfertek met den Commandeur Lempen opperstuurman I„b Pietersen bootsman en 6 bootsmansmaat en met 28e 30 Man dewelke t dewelke gepasseerd stonden voor de boog en agter bij de niet alles in goeden ordre ik Capt ging om laag om meerder kruyder Patroonen uit de Constapels kamer en de Cajuit op te geven laaten zoude den onderstuurman Coen door het henne gat ofte by de kop van 't roer en over de roerpen heen na de Constapels vermits wij van tusschen deks niet meer vertrouwen kunde on de Camer te openen en onder het opgeeven van kruiden kogels kwam de Corporaal gommellin inde Cajuit om de geweeren te helpen Laaden en om de geladen te halen de Commandeur pusche overrichte een geladen donder bos aan de soogenoemden gommerlingen zoo dra als hit deselve en zin hand hadde en open meer Langs zijn zijde geset hadden zoogong deselve Los waar van de kogel door de tweede bak in de Cazuit van de voorkant door gong het welk inde Cazuit een groote consernatie gaff want 't Ligt was met eens uyt teffens kegie D wij weeder een ligt uit de voorcazuit. De Donderbos was afgegaan door reede want de Comm: Busch hadde den haar gespant en net aan den Corporael gezeid. Dit is geschied om¬ „trend etfen over Elff Uuren. — En zo dra als de rebellen 't schot hoorde reepen zij hoera tusschen deks en Liepen booven na 't oek en diepen val aan. 9 waar op zij rebellen aanvalden op de wafpen van 't halfdek aan de loopplanken en schooten met een vijff standiger elger na het halferdek welke elger voor bij de bootsman was geweest om visse daarmeede te schieten en te Schooten met den elger den Corporael Lodewijk Nam „tal dewelke aan de regter zeij door de neusen digt bij 't oog weeder uit en an Linker zeide door de neus en Lip gong zoo ora als de elger vast was reepen de rebellen in de kuil om te haalen vermits tee een zijn op de stok van de elger vast hadden meenden hem alsoo in de Kuil gehaald te hebben en vervolgens meerder volk op zulke manws maar de Corp zijn geweer inde hand hebbende en op de rebelle aanleijde doenhij geschooten werde wel agterwaards door 't haalen der rebellen en loeg sloeg met de hand op de Leuning van de boog op halfdek, en boog de stok van de Elger waar door deselve aan stukken brak zijnde tot geluk een broos stuk hout en dus kwam de Lin Los ende Corps kwam in de Caruit met de Elger in zijn gezigt vaest¬ „houdende welks een wonder was aan te zien. waarop wij doen vuur van 't halverdek op de rebellen gaaven waarmeede in de Chargeseer van de opperste der rebellen John. Ditrich wm. van weijhe geboortig van hemke die des avonds agter op ge„ „koomen was om water, zig op 't bordes genaadert en op 't halverdik meende in te dringen teegens 't geweer aldaar doorschooten wierde En agter de„ „zelve was een Mattroos gen„t Joseph Chriskole geboortig van Neapels dewelke Zwaar gekwest ze wierde met een houder op 't slag van zijn hoofd aan de regter zeide waar door hij zijn mes kwijt geworden zeekerlijk doen hij gekwest is geworden Teffens is deselve dog doorgedrongen en kwam inde Capuet maar hoe hij in de Capert kwam door alle de Posten heen is mij onbekend maar zo draals hij met zoo een vaarden bebloed in de Cajut kwam in loopen al schreeuwende meende zig meester van 't geweer te maaken vermits de Cajuit met snaphanen bajonetten en sabels volleijde en wij doende waaren om 't hand geweer te laden voor 't halverdek kregen hem en goeyden hem de Caput glasen uit over boord om dat hij ons niet vermoorden zoude en ons ook niet de verhinderen om de gelade geweeren naar t halver „dek te kreijgen en ommeester van het schip te blyven vervolgens vuurden wij van 't halverdek op de rebellen die aandrengen waardoor eenige dood bleeven en zommige gekwest worden aan onse zeide verloorden Corporael gommerling door 't springen van een donderbos die hij afschoot een gedeelte van zijn Linkerhand ende scheepsbottelees Hend„k Adam visbak wierd zwaar gekwest door 't springen der zelven donderbos aan zijn regter been vermits de Bottelier boven op 't hoenderhok stond
English
stood to cover the orlop deck and to fire upon the rebels who would come along the orlop deck. The corporal stood beside him somewhat lower. And after having defended for a quarter of an hour, the rebels took flight between decks and crept everywhere and behind the casks wherever they could find shelter; but the primary leader, François Gravis de Valbonne, had fled into the foremast and cried for quarter. As soon as the rebels had fled from the deck, we took possession of the waist and manned the hatches with double guards so that no one could come up from below. Monday the 17th, inspected the waist and found 5 dead and six wounded, threw the dead overboard and had the wounded bandaged. Found also that the rebels had cut off the tackles of the aforementioned guns in order to point them against us, for all our guns were loaded with ball, except the forward ones were not; we had loaded them before we came to the Canary Islands because sometimes a Turkish rover cruises there and attacks ships. But to all appearances, the fire from the quarterdeck was too fierce for them to get the guns fore-and-aft to use against us. It was also known to us that they had 4 axes, though no one knew how they had come by them. And after we were masters of the waist and had posted good guards everywhere, the patrol went out to search for the rebels and take them prisoner. The first whom we took prisoner was De Valbonne, who had fled into the foremast, who at first would not come down; and while in the darkness one could not see whether there were more with him, we could not risk any men in the dark to take him out of the mast. And he cried for pardon, and we that he should only come down and that we would indeed give him quarter; whereupon he came out of the top into the lower shrouds, but we aimed muskets at him and would then send men into the shrouds and took him prisoner, brought him to the quarterdeck and bound him hand and foot and laid him alongside on the quarterdeck. Subsequently hauled up from between decks the rebels who had hidden themselves everywhere, up to 15 men, and bound them likewise hand and foot and laid them alongside; but it was known to us how strong the whole plot was, yet the principals were known to us through Charles Desser La Droitt, who revealed the treason to us. Five of the principal rebels we received on board from the prison in Vlissingen, who already wished to attempt the same thing in the Put, and the rebels had secretly been inclined from the beginning to do such a thing. As soon as it was day, we posted even stronger guards everywhere and put all the sailors and trusted soldiers under arms on the quarterdeck and inspected the waist once more, and found therein two sharp axes and a carpenter's adze, which the rebels had thrown against the side when they had to take flight. Then it was discovered that Noel Ouder, ship's carpenter of the Company, had stolen the same axes from the ship's carpenters' chest and given them to the rebels to massacre us therewith. He had stolen 4 axes on Sunday the 16th of this month at noon, when the carpenters were eating, and had placed the same axes under the platform until evening when it was dark, when he secretly retrieved them from there with Van Wijhe, one of the ringleaders, to surprise us therewith and make themselves masters of the ship; and just as he later confessed to the ship's council when he was interrogated. Thus one ax is missing which we have not found; we think that Van Wijhe had it in hand when he was shot on the landing and that the ax then flew overboard. Furthermore, when all ports were well occupied and good guards everywhere, as well in the waist by the hatches, before the gunner's room, between decks, on the quarterdeck, as in the cabin and before the cabin, we mustered the men and had the roll read to see who was missing and had fallen in the tumult, and found that five soldiers and one sailor were missing, namely: 1. Johann Dietrick Willem van Wijk, native of Himke 2. Charles Matjer, native of Rijsel 3. Nicolaas Serion, native of St. Maria-Orschel 4. Antoine Loillet, native of Damertki 5. Petrus Boehmer, native of Ruhl 6. Joseph Chriskole, sailor, native of Naples After the muster, we convened the ship's full council to interrogate the rebels who were already imprisoned, being at North Latitude 12 degrees 30 minutes, Longitude 355 degrees 10 minutes. The members of the Ship's Council: Jacob Veer, President Casemer Lampert 1st Commander Coenraad Busche Lodewijk Aamtal 9. Corporal Louis Roij, Luxembourger 10. Corporal Ladwoitt, and Johannes Martinus Sekler as Secretary Because there were two kinds of military men, there also had to be two classes of officers on the council; and since the matter was too criminal, I chose ten members, six from the military since the rebels were soldiers. 1. Captain 2. Chief Mate Pieter Pieterse 3. Second Mate Herman Coen 4. Boatswain Lourens Claase 5. Commander 6. Sergeant Commandant Ribere Moras 7. Corporal 8. Declaration and
Dutch transcription
stond om de koebrug te dekken en te Vuuren op de rebellen die langs de koebrug zouden koomen de Corpt: stond op zijde van hem wat lager En na een quartiersuurs gedefendeert te hebben naamen de zebellen de vlugt tusschen deks en kroo„ „pen overal heen en agter de vater waar zij maar schuijlden konden vinden maar 't eerste opperhoofd was in de voormast gevlugt fracoir gravis de valbonne en riep om quartier. — Zoo dra de rebellen van dek gevlugt waaren naamen wij Possessie van de kuil en bezetter de Luyken met dubbelde wagten dat niemand van om laag konde opkoomen. Maandag den 17=de visiteerden de kuil en vonden 5 dooden en zes geblesseerde goeijden de Dooden over boorden lieten de gekwetsen verbinden. 9 Bevonden ook dat de rebellen de Tallies van de voorsz stukken hadden afgesneeden om zee teegens ons de punteeren want alle onse stukken waren met scherp gelaaden uitgenomen de voorste niet hadden deselve gelaaden eer wij aan de Canarische aeland kwaamen om dat er daar wel zomwijle een turks aover kruise en scheepen aandoen maar na alle apperentie is 't vuus van 't halfdek voor haar te heer geweest om de stukken lang scheeps te krijgen om ze tegens ons te gebruyken stel was ons ook bekend dat ze 4e beifen hadden waar men wist niet hije zijer aangekoomen Iaaren. — En nadat men meester van de huil waaren en overal goeden wagten gesteld hadden zoo gongen de Pastraillie om de rebellen te e zoeken en gevangen te neemen. De eerste die wij gevangen kreegen was de valbonne die in de voormast gevlugt was die in 't Eerste niet wilde afkoomen en terwijl men door de donkerheid niet zien konde of er wel nog meer bij hem waeren zoo konden wij daar geen volk resqueeren in de donkere hem uit de mans te halen en hij riep om pardon en wij dat hij maar af zoude koomen en dat hij hem wel quartier zouden geeven waarop hij uit de mars in 't rokke want kwam maar wij pan„ teerden op hem met snaphanen en zouden als - _o als doen volk en 't want en namen hem gevangen bragten hem op 't halfer dek en bonden hem han„ den en voeten en leyden hem langs boord op 't halver dek: _o e vervolgens haarden van tusschen deks de rebellen dewelke haar zelver overal verborgen hadden tot 15 stuks en bonden deselve ook aan handen en voeten vast en Leijden haar langs boord maar het was ons bekend hoe sterke 't geheele Complot ware dog de prinssepaalden waaren ons bekend door den Charles Desser La Droitt die ons het verraad ontrekt heeft vijf van de principaalsten rebellen hebben wij uit het gevangen huijs uit wlissing aan boord gekreegen dewelke 't zelve geval inde de pot al hebben willen onderneemen - Ende rebellen bennen al in stelte al van 't begin af daar toe geneegen geweest om zulx te doen. zoo dra als 't dag was stellen wij overal nog stekkere wagten en zetten alle de mattroosen en vertrouwde soldaaten in de wapenen op te halverdek en visiteerde de kuil nogmaals en „vonden daar in twe scherpe zijlen en een timmermans Dissel die de rebellen, toer zeed vlugt moeste Neemen teegen boord gegoeijd hadden Doen ondekte mindat Noel Outer huis timm van de Comp deselve beijlen uit de Scheepstimmerlij haar kist gestoolen hadden en aan de rebellen gegeeven om ons daar meede te massacreeren deselve hadden 4 beylen gestoolen des sondags den 16te deser s middags wanneer den timm aan 't eeten waaren en had deselve bijlen gelegd onder het Schavotje tot des avonds dat tt donker was doen hij deselve in stilte met van wiijhee een der hoofd opnoerders vandaan gehaald om ons daarmeede te overvallen en zig meester van 't schip te maaken en zoo als hij namaals en den scheepsraad bekend heeft doen hij in verhooring was duseser een bijl weg dee wij niet gevonden hebben denken dat van weyne 't zelve in hand gehad heeft doen hij op het Bordes geschooten worden en dat het weyl doen overboord gevlogen is voorts voorts doen alle poorten wel bezit waaren en over al goede wagten zoo wel inde kuil bij de luiken voorde Constapels kamer tusschen dek, op het halverdek als inde Cajuit en voor Cajuit zoo monsterden wij 't volk en lietende volleesen om te zien weeger manqueerde in gesneuveld waaren in Simult en bevonden dat er vyff soldaaten en een Mattroos Manqueerde als 1 Ioh=n Diet: W=m van wijk geboortig van himke „ Rysel 2 Ch„s Matjer - - - - - - - - - . „ „ St Maria orschel 3 Nicolaas Serion. . . . . . . . „ „ damertki 4 Antoine Loillet - - - - - - - - - - „ „ Ruhl 5 P„s Boehmer - - - - - - - - - - „ „ Neapels 6 Joseph Chriskole mattroos. - „ na de monstering beleiden wij scheeps Breeden raad om de rebellen te overhooren die reeds ge„ „vangen waaren zijnde Noorderbreete 12=e 30„e Lengte 355=o 10: De leeden van den Scheeps Raad Jacob veer Praesetent Casemer Lampert E Command„r - Coenraad Busche Lodewijk Aamtal 9 Corporaal - - - Louis Roij & Luxemburger 10 Corporaal - - - Ladwoitt en Ioh„s Mart=s Sekler als se Cretvrig Om dat er twee Soorten van Militaire waere„ moesten er ook twee Poorten van o eCeeren in den raad zijn en vermits het stuk al te Cremineel was verkoor ik thien Leeden zes uit 't militaire vermits de re„ 8 bellen militairs waaren. 1 Captn 3 onderstuurman - - Herm: Coen 5: Command„r 7 Corporaal. 2 opperstuurman. . . . . P=r Pieterse 4 Bootsman. . . . Lourens Claase Sergt Commdt. . Ribere Moras verclaaring en 8
English
Statement of the following persons concerning the knowledge against the mutineers before the assembled ship's council. I, the undersigned Charles Desser La Droite of Avignon, aged 28 years, vice-corporal in the Luxembourg regiment, declare before the ship's council held aboard the private Dutch East India Company ship de Jonge Frank on 17 July 1787: That on Sunday the 16th of this current month, around midday, I had a conversation with the persons Loillet and Nerret, who said that they wanted to kill the captain and the crew. Whereupon I said to the second-named whether they were not satisfied and what reason they had to complain. They replied that the gin had been issued for four years and that it would give them the strength they needed, and being afraid of nothing, they were strong enough to resist, having sentries on deck and between decks, Germans as well as Frenchmen, to prevent anyone passing whom they did not trust and who would not join them. During this talk, the persons De Valbonne and Van Swycke approached, speaking to Vivant and Richet. I heard De Valbonne say that he would go to the island of Saint Vincent, it being the nearest land, and that they would keep most of the ship for those who wanted to join them and throw the others overboard. I pretended not to hear this, whereupon he further said: the wife of Mr. Mische and his eldest daughter and the black woman we want to keep to have our way with them, and take the four little children by the wings and throw them overboard with the rest. Whereupon Vivant said: yes, go on, tomorrow while eating some chickens we will arrange that properly. And Vivant, interrupting him again, said he was afraid of not getting the brown girl for his bed, claiming he was not entirely white himself, but said that it was all the same to him. L. van Weyen said to this that it was better to go with the ship to the Barbary coast and put ashore the women they did not wish to keep, and the Algerians would make slaves of them, and that they could sell the ship and cargo more peacefully and divide the money. I stepped back a little at this and saw that they also went aside to speak secretly. I heard Richet say to the sailor Joseph Christol: what danger do we face, the guns are all loaded, and we only need to point them at the quarterdeck and blow everyone who is there into the air, and ourselves as well if it does not succeed or if we cannot carry out our plan. Whereupon the aforementioned Christol said that the cannonballs could go right through the cabin without damaging the rudder of the ship. Richet then said in turn that he had hidden four good chisels with which they could break open the arms chests, and that the others should follow Joseph Christol to make themselves masters of the gunner's room. Whereupon I left them in their company and conversation and went above. On the forecastle, I found a soldier and a sailor sitting together on the anchor, and the sailor was drawing a plan on the anchor and said to the soldier: see here the route to Gibraltar. Whereupon the soldier said: that is not what we must have. The sailor again: look down here. Whereupon I went away. In the evening at 5 o'clock, after the distribution of gin, I went to get my ration, but was followed by Loillet. At the same time, I saw the first mate Jan Pietersen speaking; I made a sign that I had something to tell him, but it was impossible to make myself understood because of Loillet, who had followed me and stood on the stairs watching me. I then went below to my mess, found there Corporal Louis Roy and Hoard, telling them of the intended plot and that I doubted a good outcome. I resolved to write a note to the captain, but could not deliver it to the captain because of the guard, for he kept his eyes on me at all times. Seeing that the darkness favored my intention, I ventured to go between decks along to the cabin, fearing the sentries who had been posted by the plot to see who went onto the quarterdeck and to keep watch. Having reached the passage near the gunner's room, I found there Joseph Christol, chief of the rebels, eating with a knife in his hand. He asked what I was looking for. I answered: the surgeon. He replied: he is not here. Whereupon I went back to my mess, found there the commanding officer Limpert making the usual rounds. I pulled him by his coat and said that I had a secret to reveal to him, who answered to come above first. I went immediately, but for fear of being seen by the rebels, went to the other side, but was prevented by the crowd of people from reaching the commander or meeting him again. I then tried for the second time to come above through the aft hatchway, believing the passage was clear, but found Christol still sitting on his chest, having his back turned to speak with someone. I then quietly went up the stairs so that he did not notice it, arrived in the cabin, and requested to speak to the captain and the officers. Coming down into the cabin, I revealed to them the intention of the rebels and requested them to bring the arms chests from the quarterdeck below, for time was very short and a prompt measure was required.
Dutch transcription
Verclaaringe der volgende Persoonen van de weetenschappinge teegens de revolters voor den vergaderden scheeps raad. Ik ondergeteekende Charles Desser La Droite van arignen oud 28 Jaaren vice Corporaal in het regement Luxemburg verclaare voor den scheeps raad gehouden aan boord van 't particulir OE: Comp schip de Ionge Frank den 17 Julij 1787 Dat sondag den 16 deeser loopende Maand gehoud hebbe eene zamenspraak tegens de middag van den Persoon Loillet en Nerret zeggende dat ze den Capitain en Equipagie wilden dooden waarop ik teegens de tweede voornoemde zeide of zij niet te vreeden waren en wat ze voor reeden van klagen hadden zij Gaafen tot antwoord dat de genever uit gegeeven 4 Jaaren en dat deselve hare kragt zoude geven die ze benodigt waaren en zijnde voor niet bevreest dan tie weeren sterk genoeg en hadden „schildwagter op en tusschen deks zo wel dui¬ schers als francen om die geenen dee ze niet vertrouwden en niet meede met haar wilde doen te beletten om te Passeeren op dit geclrek kwam de Persoonen de valbonne en van swijke aangegaan spreekende tegens vivanten rechet hoorde dat de valbonne zeide dat hij nadelint P„r vincent zoude gaan zijnde 't naasteland ende meeste van 't schip zoude zyl be„ houden die met haar meede wille doenende andere overboord werpen Ik sleede als of ik zulx niet en hoorde waar op hij verder zeyde de vrouw van de Heer Mische en zijn ouste dochter ende negerin willen wij behouden om onse wille daar meede te doen ende 4 klijne kinderen bij de vlerkneemen en overboord goeijen met de rest waarop virant zeide ja. ga. morgen onder 'teeten van eenige hoen„ „ders zullen wij dat wel reguleeren en vivant hem weeder in de reede vallende zeggende bevreest te zijn om de bruyn meyd niet tot zijn bijslaap te bekoomen voor„ geevende zelver niet heel blank te zijn dog e arij zeide dat hem zulx even wel was L: van weijn - na die zeide hier op dat 't beeter was met 't schip kust van de Barbarytgaan en de vrouwen die zee niet behouden wilde aan Landt te zetten ende de Agerijnen haar als slaven soude maaken en dat zel: 't schip en goed geruster konden ver „koopen en 't geld deelen Ik ging hier op wat terug en zag dat hij ook wat op zij gingen om hymelyk te spreeken hoorde dat richer tegens de mattroos Joseph Chriskol zeide wat gevaar hebben wy de stukken zijn allegaar te Laden en wij baren deselve maar tegens 't halffden en doen alle die daar zijn inde lugt vliegen en ons meede als 't niet geluk ofte ten einde kunnen brengen ons voorneemen. _o waar op de voorn: Christole zeide dat de kogels dwars door de Cajuijt konde gaan zonder 't roer van 't schip te beschadigen uc het zeide weeder daarop dat hij vier goeden zyle geborgen hadde kunnen daar meede Ie geweer kisten openbreeken en dat de andere hun Iosep Christole volgen zouden om zig meester van de Constapels kamer te maaken waar op ik ze verlaten heb in haar geselschap en gesprek en ben na boven gegaan, op de bak vande aldaar een soldaat en mattrersimalkander zitten op 't anker en de mattroos maakte een Plan op 't anker en zeide tegens den soldaat zee hier den weeg naar gebralter waarop de soldaat zeide dat is 't geen niet dat wij hebben moet de mattroos wederom Rijk hier onder waar op ik weggong. Des avonds om 5 uuren na uitdeeling van geneve was ik geweest om mijn randsrent haalen mae wreede doorden Loillet gevolgt is zag met een de opperstuurman J„s Pietersen t Spreeke ik deed een seeken dat ik aan hem iets te leggen hadde dog het was onmogelijk mij te doen verstaan door de oorzaak van Loillet die mij gevolgt was en op de Trappe stond op mij agt te geeven ging daer op naar beneeden aan mijn wak vond aldaar den Corporael Louis Louis Roij en Hoard zeggende zulx teegens haar t voorneemen van Complot en dat ik twijffeld:e aan een goed uitkomst nam my voor een briefje aan 2: Capitain te schrijven dog konde net door den duertig gmeen sulx den Capt=n te agter brengen wand deselve hield my altoos in te oogen iende dat de Donkerheyd m voorneemen begunstigde waagd 't van tus„ „schen deks langs na de Cajuijt te komen vreesende voor de schildagt die van 't Complot gesteld waaren, om te zien wieer op 't halverdekke gong en geopserveerd te worden de wal bij de Consta pels kamer gevonden hebbende vond ik: aldaer den Ioseph Christoole Chiff der rebelleneetende met een mes in zijn hand hij vraagde wat ik zogte ik antwoorde de Chirurgijn hij wederom hij is niet hier waarop ik weeder aan mijn bak gong vond aldaar den Commandeur Limper t doende de gewonelyke ronde ik trok denselven bij zijn rok en zeede dat ik hem een geheymte te openbare te hadde dewelke antwoorde voor af na boven de Kommen Ik gong aanstonds dog door vreede van de rebellen gezien te worden nade andere zeide dog worde door de meenigde van 't volk verhindert dot den Commandeur te koomen, of hem weeder te ontmoeten probeerde het als toen voor 't tweede maal door 't agter Luijk na boven te koomen geloovende dat de Passagier vrij was maar von den Christoole nog op zijn kist zittende hebbende den rug ver„ drayd om met iemand te spreeken benals doen stilletjes de trap opgegaan dat dezelve 't niet gewaar wierden ben in de Cajuit gekoomen en verzogt den Capitain te spreeken en de officiers dezelve omlaag in de Cajuit komende openbaarde ik haar Lieden 't voorneemen van de rebellen en verzogte aan haar de geweer kisten van't halferdek beneeden te brengen wan Dat de teijd heel kort was dat er een schielyk voor sesgt ƒ
English
precautions had to be taken for defense against the plot. In truth of this, I have signed this declaration of mine in the ship's council held on the 17th of July 1786, was signed Charles desses La Droutte. I, the undersigned Pierre Jaques Ribere de moras, Sergeant Commandant under the transport of Luxemburg on board the Dutch private ship the Jonge Frank, declare, having appeared before the ship's council of the aforementioned ship on the 17th of July 1786, that yesterday, being Sunday towards 7 o'clock in the evening, noticing some soldiers sitting drinking with burning candles beside them, I went below to ensure that no outrage would take place, and while speaking with them about their drinking, Corporal Steenvorth came by order of Commander Lemper to ask whether my people were content. I answered yes, that they had nothing to complain about. I observed the individuals Loillet and Vivant listening to what Corporal Steenvorth was saying to me by order of the Commander, and I also asked them at the same time whether they were content, to which they answered that they were certainly well content. I then turned to Corporal Steenvorth, saying that he could tell the Commander that my people were satisfied and had nothing to complain about. Corporal Steenvorth having left my mess, I went to the second mess, seeing Loillet and Vivant go over there, and found them with Blavignac, Richet, and Herret drinking punch made of gin, sugar, and water. I told them that they had to finish drinking and that the light had to be put out, as the time for it had come. At these words, Loillet turned around and said, "Just go away, you will not guard us much longer," in a voice which he certainly thought I did not hear. I gave no answer to that, which was the French speech they had used. I went upstairs and found there the person Loui Roij, Corporal of the Luxemburgers, sitting alone in a corner on the windlass, groaning and plunged in melancholy, having never seen him like that. I wanted to go straight to him, but the person Vivant, one of the rebels, followed me and said with a countenance indicating something evil that in a short time he believed he would kiss the earth. I answered, "If the wind is good, in at least two months," whereupon he said that I, as Commandant of the transport, had to show myself capable and have courage like a prepared soldier to join, and that a resolution was taken among many to make an uprising against the Captain and officers, and that all those who refused to join them or stood against them would be thrown into the sea without any distinction. At these words I drew back and feigned to have forgotten my snuffbox between decks, and the moment I came downstairs I found Lourens Labbe, who was secretly looking for me and told me that Vivant had told him of a plot, and that he, Labbe, was trembling with fear, as the rebels intended to kill and murder everyone who did not belong to their party. While Labbe was reporting this and while I was speaking with him about it, the rebels gathered again at their mess to drink, so the aforementioned Labbe had no more time to argue further. Seeing that the candles were still burning at their mess, I went over to them. Coming to them, they wanted to give me gin to drink, which I refused, pretending to have a severe headache and to be more in need of rest than drink. I asked after Vice Corporal La Droitte. Loillet answered that he had gone upstairs because of the heat. At the moment that I wanted to go upstairs to speak with La Droitte, whose virtue and loyal disposition were well known to me, and to hear whether he also knew anything of the plot and to take measures to notify the Captain of this, Corporal Gommerling came to call me, and not seeing the person La Droitte, I followed Corporal Gommerling onto the quarterdeck. Arriving there, Mr. Coen, second mate of the ship, asked whether I was of the Luxemburgers. I answered Mr. Coen yes, that I was of the Luxemburgers, whereupon he asked again, "Are you a loyal young man and will you keep to our side?" I answered that I had an abhorrence of treason and that I was bound to defend the honor and loyalty that I owe my superior. Thereupon I went downstairs into the cabin and found there La Droitte standing with a loaded musket in his hand in front of the second door of the cabin passageway, rejoicing to see him there, well knowing he would choose no other way than that of justice. I said to the Captain and officers that the time was too short to argue much, that prudence had to be taken swiftly in order to prevent their plotted design. I saw several sabers lying on the table and loaded muskets, and I loaded some more muskets at the same time with Mr. Coen, and I then took a saber in hand in order, if necessary, to protect and defend the Captain. I confirm this declaration of mine to be true, which was given and signed in the ship's council, being a member of the same, on the 17th of July 1786, was signed Jaques Ribere Moras, Sergeant Commandant.
Dutch transcription
voorsorg tot verweering tegens het Comploi moesten genoomen worden. Tot waarheyd hebbe deese mijne verclaaring get: in de breederraad gehouden den 17 Iulij 1786 was geteekend Charles desses La Droutte IIk Ondergeteekende Pierre Jaques Ribere de moras sergeant Commandant onder 't transport van Lurenbourgh aan boord van 't hollands Partic: schip de Ionge Frank verclaare na gedaene voor den scheeps raad van 't voorn: schip den 17 Julij 1786. dat gisteren zijnde Zondag tegens 7 uuren des avonds gewaar wordende eenige soldaaten satten te drinken met brandende kaarsen bij haar ging naa beneeden te letten dat geen uitspatting zoude geschieden en deese dronken met haar sprie„ „kende daar van zoo kwam de Corporaal ƒ p„s order van den Comm Lemper Steenvorth om te vraagen of myn volk te vreeden waare ik antwoorde van Za: dat ze nits te klagen hadden ik opserveerde den persoon Loillet en vivant toe Luijsterende wat de Corporaal steenvorth tegens mij zeide op ordere van de Commandeus en haar ook met een vraagde of zee te vreede ware waar op ze antwoorde verzeekert wel te vreeden weesen wende mi vervolgens tot de Corporaal Steenvort leggende dat hij tegens den Commandeur konde zeggen dat mijn volk voldaan en niets te klagen hadden. — De Corporaal Sleenvorth van mijn Bak weggegaan zijnde gong ik na de tweede bak¬ ziende Loulet en vivant daar na toegaan en vond haar met Blavignac, Richet en Herret drinkende Monsch gemaakt van genever suiker en waater zeide tegens haar dat ze uitmoesten drinken en dat het ligtmoest uitgedaan worden zijnde de teijd daar van N: Op deese woorden draaide Loillet om en zeide ga maar heen gij zult ons niet Lang meer ver waaren met een stem die hij zekelijk dagte dat ik ƒ niet en hoorde Ik gaf geen antwoord daar op dat de frank spaak die zij gebruykt hadden, ik ging na boven en vond aldaar den persoon Loui Roij Corporaal van de Luxemburger alleen - in een hoek op & braadspel zitten kermendei droefgeestigheijd verdompelt te zijn hebbende hem nooyt zoo gezien. Ik wilde regt na hem toegaan maar de persoon vivant een der rebellen volgende mij en zeide met Een Tronj iets kwaads beduyde dat in korten teijd hij geloofde de Aerde te kussen. Ik antwoorde als de wind goed is nog de min ste twee Maanden waar op hij zeide dat ik Com¬ „mandant van 't Transport moeste toonen bekwaam te zijn en moed hadde als een gereed soldaat toe zuijgen en een reselvace genoomen onder veelen om een opstand te doen te genoden Capitain en officiers en dat al die geene die zig weigerde tot haar toe te vallen ofte tegens haar stonden in zee zouden geworpen worden zonder eenige voorschrift op deese woorde vat ik terug en veinsde mijn snuifdoos vergeeten te hebben tusschen diks en op den ogenblek dat ik na beneeden qwam vond ik den Lourens Labbe die na mij heimelijk zog te en tegens mij zeide dat vivant tegens hem gezeid hadde van een Complot en dat hij Labbe van vreesde beefde zijnde de rebellen van voorneemen alles om te brengen en te vermoor„ „den die niet tot haar Partiij tbehooren onder dit aanbrengge van Labbe en met hem daar over spaak zoo vergaderden zig de rebelle weeder aan haar Bak om te drinken zol heeft de zoogen: Labbe geen tijd meer gehad om verder te redeneeren. — Ik ziende dat de kaarse nog brande aan haar Bak ben daar na toegegaan bij haar komende wilde zij mij genever te drinken geeven welke ik revuceerde gaf voor zwaare hoofd syn de hebben en meerdere rust als drank be„ noodigt waare vraagde na de vice Corporaal La Droitte La Daoitt Loillet antwoorde dat hij van wee¬ gens de hette van boven gegaan was op 't mou ment dat ik na boven gaan wilde om met La Drville wel deugdelyk en zin trouw gevoel mij bekend om te spreeken en te hooren of hij ook iets van 't Complot wist en om maatregel te neemen om zulx den Capitain te verwittigen. zoo is den Corporaal gommerling gekoomen om mij te roepen en den persoon La Doorste niet ziende benden Corporaal gommerling gevolgt op 't halffdeken daar koomende vraagde de heer Coen tweede stuurman van het schip of ik van de Laxemburgers was ik ons¬ „woorde de heer Coen van Ja dat ik vande Luxemburgs was waar op hij wederom vraagde bent gij een getrouw Jongman en wild giij op on„ se zijde houden Ik antwoorde dat ik een afschrik hadde in verraad en dat ik de eer en troux die ik mijn superior verpligt ben te verdeffendeeren. — Daar op ben ik na beneeden gegaan in de Cajuyt vond aldaar, Ladwoette ne t een gelaaden geweer in de hand staande voor de tweede deur vande Cajuijtsgang verheugd mij daar over hem daar te zien wel weetende geen andere weg zoude kiesen als van het regt. Ik Zeide tegens den Capitain in officier dat de teid te kort was om veel te redeneeren dat schielyk voorzigtigheyd moeste nemen om zulx hunne aanslagen voorneemen te beletten ik sag verscheijde Sabels op de Tafel Leggen en geladen geweeren en ik Laade met een nog eenige geweeren met de heer Coen en ik nam vervolgens een Tabel in de hand om des noods sijnde den Capitn te vrdedigen en te verdeffendeeren. Ik bekragtigd deese mijne verclaaring waaragtig te zijn dewelke gegeven en gezee„ kend in den scheeps raad zijnde een Lijd van dezelve den 17 Julij 1786 was geteekend Jaques Ribere Moras Sergeant Commandant 0
English
I the undersigned Louis Roij vice Corporal in the Regiment Luremburg native of Bolle in the Principality Neufhuutel aged 26: Years declare before the ship's council held on board the O: J: Comp ship de Ionge Frank the 17 Julij 1786 regarding the Tumult and mutiny occurred the past Night that Sunday the 16 of this month towards midday at half past eleven having heard that a Plot had formed to make themselves master of the ship to throw the Captain and all officers overboard except Mr. Coen second Mate of the Ship wishing to keep him and keep him bound. And when it was time to take latitude to bring him above to take the sun's altitude and set the Course and bring them where they wanted and have heard from the unfortunate ones that all those who did not want to be helpful to their evil intention would be thrown into the sea. . . .. I distanced myself from them acting as if I paid no attention to what they said going between decks to retire to rest lying down forward on the bread barrels A moment after I had laid myself there Loillet vivant and Richet came not noticing me because of the darkness as well as by a prop that hid me from their sight so I heard them saying to each other that their intention could not fail being assured of the plot because the soldiers watjer and wine vouched for a number of forty Germans and for all the French of the Corps their deliberation fell upon me and hovard consulting whether they should give us knowledge of it which the person Richet advised against with expressions of knowing us all too well not having courage enough for such intention whereupon they resolved to throw us overboard and held several other speeches touching upon the same matter which presently does not come to mind because of the fearful Impression that I had from it. Hearing the bell ring for the midday meal I came out of my corner and for fear of coming into suspicion went up the stairs of between decks onto the deck. In the afternoon having heard several discourses and seen who was of the Plot and towards the evening it was spoken of publicly I had the intention to go aft to make it known to the Captain and officers but the rebels were always so close to me that I could not well get out of their sight fearing to precipitate the matter whereupon I went again to my mess finding there Heveerd saying to him that I no longer believed to be in the world the person Hwvaard said to me that La Droitte did not consent or agree to the Plot after the lapse of some time the aforesaid La Droitte came to us and we together deliberated what side to choose or to take to save ourselves from the danger La Droitte having found a means to give the Captain knowledge of it either by a letter or orally which he undertook to do whereupon I said to him may the good God guide you and think of us both having been of the intention if it did not turn out well for La Droitte to drink a glass of gin and then jump into the sea as I had said before to my Comrades La Droitte and Hovaard Rather than to bathe my hands in the blood of the unfortunate Victims La Droitte went away from me and carried out his intention and came to the Captain and then had me called by the Corporal Gommerling who said out loud to me to go to sleep and all those who did not have the watch and told me in secret that I with Hwvaard should come aft which happened with great difficulty came up to the Stairs acting as if I sought someone then went up and to my luck the sentry was relieved and a good man standing in his place and the Corporal of the Comp stood in the entryway which made the entryway easier for me to get onto the quarterdeck being there I received a gun for the defense of the Captain Crew and my Honor. In truth I have signed this above with my hand in the ship's council the 17 Julij 1786. /:was Signed:) Louis Roij I the Undersigned Ioseph Hovaard native of Lill in flanders in the Lurimbourg Regiment declare my knowledge before the ship's Council on board the Dutch Private OS: ship de Jonge frank the 17 Julij 1786 regarding the Tumult and mutiny occurred the past night between the 16 and 17 of this month to be true and truthful that Sunday after the Midday meal I going to sit on the capstan before the Mess where walbonne and Nerret and Blavignae were with Richet in a secret Conversation and I paying attention and Listening to their Conversation so I heard that valbonne said this night they all must die at these words curiosity made me go to them and asked what they meant with such sayings whereupon they answered do you belong with us I asked again in what matter belong to them whereupon I received for answer that they had resolved with each other to make themselves master of the ship saying we want the Captain and
Dutch transcription
Jk Ondergeteekende Louis Roij vice Corporaal in 't Regiment Luremburg geboortig van Bolle in 't Prinsdom Neufhuutel oud 26: Iaaren verclaar voor den scheeps raad gehouden aan boord van O: J: Comp schip de Ionge Frank den 17 Julij 1786 over den Trimult en opaoer voorgevallen de gepasseerde Nagt dat sondag den 16 deeser tegens den middag om halff twaalff gehoord hebbende dat een Complot geformeerd was om zig meester van 't schip te maaken, den Capitain en alle officieren over boord de werpen uitgenomen de Heer Coen tweede Stuurman van 't Schip willende deselve behouden en gebonden bewaaren. En als 't tejd was om breedt te neemen hem boven te brengen om zons te hoogte te neemen ende Cours te stellen en ze t brengen waar zij wilden en hebben vande ongelukkige gehoord dat alle die geene die niet tot haer boos voorneemen wilden behulpzaam zijn in zee zouden geworpen worden. . . .. Ik hebbe mij van haar verwijdert doende als wan ik geen agt op haar zeggen gehad hebbe gaande tusschen diks mijn ter Rust te begeeven leggende mij voor de Boeg op de - broodvaaten Een ogenblik daar na dat ik mij daar geleijd hadde kwam Loillet vivant en Richet mij niet gewaar gewordend door den donkerheyd als ook door een stut die mijn voor haar gezigt verbergde zoo door ik als datze tegens malkanderen Zeide dat haar voorneemen niet konde missen zijnde verteekend van den aanslag ver¬ „mits den soldaaten watjer en van wijne instonden, voor een getal van veertig Duischers en voor alle de franschen van 't Corps haar vernedering viel op mijer hovard raadslaag„ den of zij ons kennis daar van zoude geeven 't welk den persoon Richet afraaden deed met uijtdrukkingen ons al te wes te kennen hebbende niet moet genoeg tot sulken voorneemen waarop zij resolveerde on ons overboord te werpen hielden nog verschij de andere redenen rakende dezelve mattere 't welk mij teegenswoordig niet bij vallen kan weegens de vreesen Indruk die daar van hadde De klokke tot 't middag schafden hoordende Luijden ben ik uit mijn hoek uitgekoomen en 12 vreese in verdagt te koomen bend.— trap van tusschen deks opgegaan op 't dek. Des agter middags hebbende verscheide des¬ coursen gehoord en gesien wien van 't Complot was en tegens den avond wierden publieq van gesprooken ik was willens agter op te gaan om 't den Capitain en officiers bekend te maken maar de rebellen zijn mijn altoos zoo naast geweest dat ik niet wel uit haar oogen kosten koomen vreeste de saak te verhaasten waar op ik weeder na mijn bak ben gegaan vindende aldaar den Heveerd zeggende teegens hem dat ik niet meer geloofte op de waereld te zin den persoon Hwvaard zyde teegens my dat La Droitte niet in 't Complot geconsenteerd ofte toestemde na verloop van eenige teijd is de voorzeide La Droitte bij ons gekoomen en wij hebben gesamentlyk overlegd wat parthe„ te kiesen ofte te neemen om ons uit het gevaa te redden La Proitte hebbende een middel uijt gevonden om den Capitain kennis daar van te geeven 't zij door een brieff of mondeling 't welk hij aannaam te doen waarop ik tegens hem zeide de goede god geleede A: en denkt aan ons bijde zijnde van voornemens geweest als 't voor La Droitte niet wel uitviel een gaesgenever te drinken en dan in zee &e Springen zoo als ik te voor en tegens myne Camaraden La Droitte en Hovaard gezeed hadde Liever als mijn handen in het bloed der ongebukkigen Plagtoffers te baden La Droiste is van mijn weggegaan en zijn voor¬ „neemen ter uitvoer gebragt en is bij den myn dan Capitain gekoomen en Latend roe pen door den Corporaal Gommerling dewelke hart 8 hart op teegens mij zeide te doen slaapen gaan in alle die de wagt niet en hadden in zeide mij in stille dat ik met Hwvaard agter op zouden koomen 't welk met grote moeyte geschieden kwam tot op de Trap doende als of ik iemand zogte ben vervolgens opge„ „gaan en tot mijn geluk was de schildwagt afgelost en een goede man in de plaats staande en de Corporael van de Comp stond in de opgang 't welk mij de opgang legter maakte om op het halfer dek te koomen daar zijnde kreeg ik een geweer tot verteediging van den Capitain Equipagie en myn Eer. Tot waarheijd hebbe dit bovenstaande met mijn hand geteek:d in den scheeps raad den 17 Julij 1786. /:was Geteekend:) Louis Roij Jk Ondergeteekende Ioseph Hovaard geboortig van Lill in vlaanderen in 't Lurimbourgse Regiment verclaare mijne wetenschappen voor der scheeps Raad aan boord van 't hollands Particulier OS: schip de Jonge frank den 17 Julij 1786 weegens 't Trimult en oproes gepas¬ „seerde nagt tusschen den 16 en 17 deeses voorge„ vallen waar en waaragtig te zijn dat sondag na 't Middag, eeten ik op 't spil voor de Bak gaan de zitten waar de walbonne en Nerret en Blavignae met Richet in een geheeme Redenering waren en ik merkende op en Luij¬ sterde na haar lieder Redeneering zoo hoorde ik dat de valbonne zeide deese nag t moeten ze alle sterven op deese woorden deede mij de niuws „geerigheijd bij haar gaan en vraagde was ze met zulks geseijde meenden, waar op zij ant¬ „woorden hoort gij bij ons ik vraagde wederom in wat zaak tot haar toebehooren waar op ik ten antwoord kreeg als dat ze met malkan¬ „deren besloten hadden zig meester van 't schip te maken zeggende wij willenden Capitain - - E en