Inventory 10989
Cape · 538 pages · 99 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
116. That he already should have paid, and about which he had also been addressed by the Secretary of this Council, the second installment in the amount of ƒ 26100 - Indian valuation of the house that he purchased at public auction from the former and absconding First sworn Clerk of Police Horak That to this end he has already long since approached various of his debtors to produce and pay down the monies that they owe him, in order to find therefrom the payment of the above-mentioned installment, but with not the slightest effect, since they have not complied with this up to now, pretending that it is impossible to satisfy my desire, partly because of the scarcity of cash that currently prevails and which is also known in abundance, and partly because if they were forced thereto by legal means, they would be exposed to total ruin and downfall. The petitioner therefore fluctuates in the necessity of having to take his refuge in Your Right Honorable and customary clemency, with the humble request that Your Right Honors, in accordance with your highly 117 known benevolence, may be pleased to permit him to suspend the payment of the above-mentioned ƒ 26,100 — until such time and while he finds himself in a position to pay off this capital, with the offer to pass a bond therefor to the satisfaction of the sequester of that estate with the customary interest of half a percent per month, or else to dispose thereof in such a manner as Your Honors shall deem proper. — was signed: in fact: was signed: I: S: De neijs. - In the margin: Submitted the 18 March 1790. Which having been read, the Council, before disposing thereof, deemed it fit to place a copy of the same petition into the hands of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lynden, in order to serve with his Considerations thereon. The Honorable President having, on 118. on account of affinity with Mr. de Neijs, excused himself from voting in the aforementioned matter. — At the Cape of Good Hope, the day and year as above. In my presence signed W Jt Rijneveld Clerk. Below: Thursday the 1st of April 1790. - Forenoon, present the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, and all the Members, except the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden and Messrs. Maasdorp & Mappa due to indisposition. The Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Truter, due to the indisposition of the Officer Plaintiff, submits a report from the First Court Messenger C: C: Ziervogel and advances verbally the following: Noble and Honorable Sirs, To avoid lengthy and tedious proceedings in matters that The Independent Fiscal of this Government, the Honorable Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, Officer Plaintiff. Against The Burgher Johannes Jacobus Rens, defendant, in order, on account of excesses committed in the arresting of the goods of fellow burgher Christiaan Waal, to hear such claim and conclusion as the Officer Plaintiff on this account shall deem fit to make and take against him, to answer thereto, and further to proceed as according to law. - 119 that cannot be subject to the slightest doubt, the Officer Plaintiff will only briefly have the honor to present verbally to Your Honors that the defendant, in the latter part of the month of November in the past year, having handed over to the First Court Messenger an act of arrest together with a citation for the next court day upon the burgher Christiaan Waal, in order to seize the goods of the latter, and to have him summoned for the next court day, instead of awaiting the execution of this writ, did not hesitate, on his own authority, before the Court Messenger had been to Waal, to seize the aforementioned goods himself and have them stored, while it can further appear from the same report that the defendant made no difficulty in acknowledging this his improper and unlawful conduct, even adding that he well knew what he had done and would certainly answer for it. The defendant has thus, in occupying those goods, essentially committed an excess, and can rightfully be said to have been his own judge against the well-known axiom: Nemo sibi ipsi jus dicere potest. — The Officer Plaintiff does not judge it necessary to detail at length the thoroughly ruinous consequences that such examples can bring in their wake, nor will he weary the attention of Your Honors by arguing that no one is permitted to be his own judge and without judicial authority, as the defendant has done, to drive someone out of his possession, because the arrested goods may not be kept out of the possession of the owner, although
Dutch transcription
116. Dat hij bereets al en waar over hij ook door den Secretaris deezes Raads is aangesprooken gewar¬ „den had moeten voldoen de tweede paaij ten bedra„ „gen van ƒ 26100 - Ind: valuatie van het huis dat hij heeft gekogt op publicque vendutie van den geweezen en Latiteerende Eerte gerare ren Clercq van politie Horak Dat hij ten dien eijnde bereets al voor lange deeze en geene zijner Crediteuren heeft aangee„ zogt om de penn: die zij hem schuldig zijn opte brengen en afteleggen om daar uijt de betaaling van boovengem: paaij te kunnen vinden dog met geen de minste Effect, dewijl zij daaraan tot nog toe niet hebben voldaan, voorgeevende dat het onmoogelijk is aan mijne begeerte te voldoen eensdeels om de schaarsheid van Contanten die er„ thans Heerscht en 't geen ook ten overvloede bekend is en anders deels om dat zij door middelen van rech„ „ten daar toe genoodzaakt wordende aan een Lotale ruine en ondergang zoude geExponeerd worden De suppt. fluctueert dierhalven en de noodzaakelijkheid, zijn toevlugt tot uwel Edele Achtb:e en 6 gewoone Clementie te moeten neemen met ootmoedig verzoek dat uwelEdelens Achtb=r w P' ingevolge hoogst des„ „telve 117 bekende benevolentie behaagen mag hem toe te staan de betaaling van boo„ vengem ƒ 26, 100 — te moogen sur„ „cheeren tot tijd en wijle hij zig tot de aflegging van dit Capitaal in staat bevind met aan bod om daar voor naa ge„ „gen van den Heer sequester van dien Boe„ del een obligatie te passeeren met de gewoo¬ „ne Jntrest van een halve Pro Cento 's maands dan wel zoodaanig daar over te disponeeren als uwelEde en EE: zullen goedvinden te be„ hooren. — /:onderstond:/ zud facto w=a /was geteekend. /: I: S: De neijs. - /In margine:/ Ingediend den 18 Maart 1790. Het welk geleezen zijnde heeft de Raad alvoorens daarop te disponee„ „neeren goedgevonden Copie van hetzel„ „ve verzoek schrift te stellen in han „den, vanden Heer Jndependent Fiscaal Johan Nicolaas Steeven van Lijden ten Eijnde daarop te dienen van zijn E: Consideratien. Hebbende de E Achtb:e Heer President uit 118. uit hoofde van affiniteijt met den Heere de Neijs zig van het voteeren in voorsz: zaak ge„ „Excudeert. — Aan Cabo de Goede Hoop, die et anno ut Cupra lag Mij present (geteekend/ W Jt Rijneveld Ctirek. /onderstond:/ Donderdag den 1=ste April 1790. - SVoordemiddags present de E: Achtbre Heer Johannes Isaak Rhenius President en alle de Leeden, demptis de E: Achtb=r Heer Jnde„ pendent Fiscaal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden en de Heeren Maasdorp & Mappa bij indispositie. den adcunct Fiscaal mr Johan Den Indeppendent Fiscaal deeze „nes Andreas Fruter, vermits indispositie van de Heer r: O: Eijw: Gouvernements dE Achtb:e Heer legd over een relaas van den Eerste Johan Nicolaas Steeven van gerechts doode C: C: Ziervogel en asvan„ zijnden R: O: Eijsscher. — ceerd bij monde het volgende. Edele en Achtbr Heeren Contra Om langwijlige en tedieuse den Burger Johannes Jacobus procedusies te vermeiden in zaaken, Rens geda omme weegens begaa¬ die ne 119 die aan geen de minste twijffel kun„ ne Excs in 't arresteeren der „nen onderheevig zijn, zal de R: d: goederen van den meede burger Eisscher alleen kortelijk de Eer heb„ ben bij monde aan uwel Ede te doen Cristiaan Waal te aanhoo„ voordraagen dat den ged: in het laast„ ren zoodaanigen Eisch en van de maand November in het gepas „ Conclusie, als den R: d: Eijs„ seerde Jaar aan de Eerste gerechts „scher diesweegens teegens hem Boode overhandigt hebbende rens zal goedvinden te doen een acte van arrest beneevens eene Citatie ad Proximam op den en te neemen daar op te ant„ burger Christiaan waal, ten ein„ „de de goederen van deezen in beslag woorden, en voorts te proce te neemen, en dezelve ter naaste recht„ „deeren als naa rechten. - „dag te doen dagvaarden in de plaats van de uitvoering deezer Expeditie afte wagten zig niet ontzien heeft om eijgener auctoriteijt voor dat de gerechts Roode bij waal was geweest de voorsz: goederen zelvs in beslag te neemen en te doen bergen terwijl verder uit hetzelve relaas kan blijken dat de ged„e geen zrwaarigheid heeft gemaakt dit zijn onbetaa„ „melijk en weederrechtelijk gedrag te avoreeren met bijvoeging zelvs dat hij wel wist wat hij gedaan had en ook zulx wel zoude verant„ „woorden- De ged„e heeft dus in het occubeeren dier goederen weezent„ „lijk een Exes begaan, en kan met recht gezegd worden zijn eijgen rech„ ter te zijn geweest teegen het bekend axioma; Nemosibi ipsi jus dice„ „re potest. — De n: d: Eisscher, oordeelt niet noodig in 't breede te Detailleeren de alle„ „zints ruineuse gevolgen die dergelijke voorbeelden naa zig kunnen slee„ pen ook zal hij de attentie van uE Achtbs niet vermoeijen met te betoo„ „gen dat het niemand geoorloofd is, zijn eijgen rechter te weezen en zon„ der rechterlijke auctoriteijt, gelijk de ged:e gedaan heeft iemand uit zijne bezittinge te verjaagen om dat de gearresteerde goederen niet gehouden moogen worden buiten het bezit van den Eijgenaar of Schoon F
English
120. although he is not permitted to use the same, Bort: Tract: van Arresten 7th Part No. 21, but he trusts that Your Honors will recognize this of your own accord as manifest law and therefore understand very well that the excess committed by the defendant can no more go unpunished than the violation of an arrest on the part of the arrested person, but that on the contrary the same excess ought to be curbed as an example to others, so that the condoning of irregularities does not cause society to become entirely lawless. — Wherefore; the Plaintiff in his official capacity, bringing his claim, concludes that the defendant by definitive sentence of Your Honors shall be condemned in such fine pro fisco as in good justice, to maintain judicial authority, they shall deem proper. The defendant requests hereupon two weeks' delay and a copy in order to reply, intending then to show by declarations that Waal has approached the officer with lies. — The Plaintiff in his official capacity refers to the aforesaid oral claim. — The Court grants the defendant the requested copy, and a term of fourteen 121. days to then serve his Answer. After which, by the Wife of the detained burgher Pieter Heinkes, the following request was submitted. — To the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this government at the Cape of Good Hope. — Honorable President and Honorable Members. Shows with great respect Your Honors' very humble servant, the undersigned wife of the arrested 122. burgher Pieter Heinkes. How, on a Sunday of the recently passed month of February, her petitioner's aforesaid husband having left home to attend to his domestic affairs, in the meantime five Mozambican slaves arrived at her farm situated at the Wynberg, on which occasion her slave named Februarij of the Cape informed her petitioner that he had understood from the said Mozambican slaves, who were runaways, that other such runaway slaves were to be expected, as it is also known that they have roamed throughout the entire neighborhood of the same and were sent to the Cape, and that he, Februarij, with the aforesaid five boys wanted to intercept the others expected according to his words. That the petitioner, on account of these very plausible and not very improbable reasons, having attributed too much belief to them, consented thereto. Yet that the defendant's slave the following day, being Monday thereafter, also ran away from her farm together with the aforesaid Mozambican slaves and took to the woods, so that the aforesaid Mozambican slaves stayed on the petitioner's farm for only a single night. That a certain slave of her petitioner named Mariana 123. Mariana of Mozambique, after the said slave Februarij of the Cape had run away, discovered that he had entered the house at night and had taken some food along with a kettle with him. That the said slave, without mentioning anything thereof, followed him on the trail and subsequently happily discovered where he had gone, without her however having given any notice thereof. That thereupon on Wednesday, being the third of the month of March last, the undersheriff Hendrik Mattijssen with the court messenger De Wet came to the petitioner at the farm, asked for the aforesaid slave, and took the same with them to the place where the aforesaid slaves were staying. That her petitioner's husband was summoned the following day to the Honorable Independent Fiscal, and having arrived there was referred by His Honor to the Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Truter. — That her petitioner's husband, in compliance with the very revered orders of His Honor, went thither and having arrived there was extremely surprised that the said Adjunct Fiscal informed her petitioner's husband that he was being sued regarding the aforesaid case for a sum of One Thousand Rixdollars; that her petitioner's husband departed from there and, having gone to the late burgher Hendrik Ehlers, and having gone with him again to the well-mentioned Adjunct Fiscal to speak with His Honor concerning the claimed thousand Rixdollars, the well-mentioned gentleman persisted in the demand of One Thousand Rixdollars; that her petitioner's husband, in order to avoid the disgrace of a criminal trial, on the seventh or eighth of March brought Three Hundred Thirty-Four Rixdollars, and subsequently another Two Hundred and Fifty Rixdollars to the well-mentioned Adjunct Fiscal. — That subsequently on Thursday the 18th of the past month of March, the undersheriff Hendrik Mattijssen came to the farm of her petitioner's husband, stating that the Fiscal's office was sending the money back, which her petitioner's husband refused to accept, whereupon the said undersheriff insolently threw the packet of money on the table and told her petitioner's husband that since the Honorable Fiscal, who was readily available on account of the upcoming marriage of His Honor's daughter to the son of the Honorable Governor, and that the said Honorable gentleman necessarily had to speak with him about it; that her petitioner's husband, who believed he could rest easy through the payment of the aforesaid sum, immediately rode along with him, Mattijssen, in order, according to the words of the latter,
Dutch transcription
120. schoon hij dezelve niet vermag te gebruiken Bort: Gr: van Arresten 7 Deel N:o 21 maar hij vertrouwd dat UEE Achtben dit een en ander als manifeste Jure van zelven zullen be„ vroeden en dus zeer wel begrijpen dat het door den gede begaan Exces eeven zoo min strafloos kan worden gepasseerd als d Viotatie van een arrest van de zeijde des gearresteerden maar dat in teegendeel hetzelve Exces anderen ten voorbeelde behoord beteugeld te worden ten einde door de oogluijkende toelaa„ „ting van ongereegeltheeden de Maatschappij niet ge„ heel Regeeringloos te doen worden. — Mits welke; de R: O: Eisscher Eijsch doende Con„ Con „cludeerd dat den gedaagde bij difinitive vonnis„ se van UEE: Achtb=e zal worden gecondemneer in zoodaanige boete Pro fisco als dezelve in goede Justitie, tot mainetiain van het Rech„ „terlijk gezag zullen oordeelen te behooren De gede verzoekt hier op te weeken uitstel en Copia om te antwoorden, meenende als dan door verklaaringen aan te toonen dat Waal den officier met Leugens is te voo „ren gekoomen. — De r: d Eisscher refereert zig aan voorsz: mondelen „gen Eijsch. — De Raad verleend aan den ged„e de ver„ „zochte Copia, en een termijn van dragen 121 daagen om als dan te dienen van Antwoord Waarna door de Huisvrouw van den gedetineerden Burger Pieter Heinkes, het volgende request wierd ingediend. - Aan den welEdelen Acht„ baaren Heer Johannes Isaak Rhenius Presi„ „dent beneevens de verde „re E: Achtb=re Raade van Qustitie deeses gouverne„ „ments aan Cabo de goede Hoop. — WelEdele Achtb: Heer en E Achtbe Heeren Geeft met veel eerbied te kennen uwenwel Edele Achtb„r zeer needrigen Dienaaresse den on„ „dergeteekende huisvrouw van den gearresteer„ „den 6 122. den burger Pieter Stunkes. Hoe dat op een zondag der eeven afgeweekene maand fe„ bruarij haar supp=te man voorm: ter verrichtin„ „ge zijner huishoudelijke affaires zig van huis begreeven hebbende inmiddens vijf mosambiegse slaaven op haar plaat geleegen aan de wijnberg gekoomen zijnde, bij welk occasie haar slaap genaamd februarij van de kaap — Haar scuppte. heeft geadverteerd van gede Mosambu „se slaaven, die geausfugeerd waaren verstaan te hebben, er nog andere diergelijke geauffugeerde slaaven te wagt waaren, zoo als ook bekent is dat in de gantsche buurt van dezelve Haaven rondgesworven hebben en naade kal gezond zijn en dat hij februarij met de voorsz: vijf Jongens de and volgens zijn zeggen verwagt werdende wilde ofvangen Dat zij suppliante uit hoofde van deeze zeer aan melijke en niet zeer onwaarschijnlijke redenen da aan te veel geloof hebbende geattribueerd daarinne Con„ „descendeerde. Dan dat gedaagde haaren slaat des anderen daags zijnde Maandangs daarop volgende meede met de voorsz de Morambicqse slaaven van haar plaatse was geauspugeerd en zich een Bosch had begeeven invoegen dat voorm. Moosambie slaaven alleen een Enkelde nagt oop voorar„ plaats zijn verbleeven Dat zeekere haar suppte. slaven genaamd Mariana 123 Mariana van Morambucque naa dat gedr slaat februarij van de kaap weg „geloopen was ontdekt had dat dezelve des nagts in het huis gekoomen en eenige spijze beneevens een keetel met zig genao men had. Dat ged:e slaven zonder daar van iets te mel„ „den hem op't spoor gevolgd en vervolgens gelukkig ondekt werwaards hij zig naa toe begeeven had zonder dat zij egter daarvan eenige kennise gegeeven had. Dat daarop des Waensdaags zijnde den derde der maand Maarts I:D: den onderschout Hen„ „drik Mattijssen met den gerechts Boode de wet bij haar supp=te op de plaats gekoomen, naade voorsz: slaven gevraagd en dezelve om de plaats daar de voorsz: slaaven zig onthielden met hun genoomen hadden. Dat haar suppliante man de anderen daags bij den E: Achtbaaren Heer Jndepen„ „dent Fiscaal geappoincteerd geworden en al„ daar gekoomen zijnde door zijn E AAchtb:r aan den adjunct fisaal Mr. Johannes Andreas Eru„ „ter gerenvoijeerd geworden is — Dat haar supple man en opvolging der zeer gevenereerde ordres van zijn Eietchtb:e zig derwaards be„ geene 124. geeven en aldaar gekoomen zijnde ten uitterste gesurpre „neerd was over dat gem: Adjunct fiscaal haar supp=t man te kennen gaf dat hij over het voorsz: geval geactia„ „neerd was voor een somma van Duijzend Rijxd„s dat haar suppte man van daar vertrokken en naa wijlen den burger Hendrik Ehlers zig begeeven hebbende, en met deeze weederom na welgem: Heer adjuret Liscaal ge gaan zijnde om weegens de gelijschte duijzend Rijxdaal ders met zijn E: te spreeken, welgem: Heer bij de voor zich van Duizend Rijx was blijven persisteeren, dat haar suppte. man om de flettrisuies van een Crimineel profes va te koomen den zeevenden op agsten Maart Drie Hondert vier en dertig Rijxd:s en vervolgens nog twee Hondert en vijftig aifd„s bij welgem:e Heer adjanct Fiscaal gebragt had. — Dat vervolgens op Donderdag den 18 der verweekene mad Maart den onderschout Hendrik Mattijssen op de plaat van haar suppten man gekoomen is te kennen geevende dat het officium friscaal het geld terug zond het welk haar suppte. man refuseerde te ontfangen waarop gezegde onder schout het pakje geld op een Jnsolente wijze op de tafel gesmeeten had en haar suppte man gezegd dat vermits de E: Achtbr Heer Fiscaal die vermits het aanstaande huine„ „welijk van zijn E: Achtb=e dogter met de zoon van den welEdele gestre. Heer Gouverneur en loco goed te spaa ken was en gedagte Edele Achtbaare Heer hem noodzaakelijk daar over te onderhouden had; dat haa suppn. man die door de betaalinge vande voorsz: somma vermeende gerust te moogen zijn met hem Mattijssen direct meede gereeden was om volgens het zeggen van deze ne
English
125. to inquire with the Honorable Independent Fiscal what this necessary conversation would entail; but hardly had her husband stepped a few paces off his land, when the Lord Provost-Marshal, notwithstanding that he had already paid five hundred eighty-four Rijxdaalders, arrested him and brought him into custody without knowing what more was done with him, except only that she, the petitioner, has learned that her aforementioned husband has been accused by her aforementioned slave Februarij van der kaap, who already some years ago was convicted of enormous crimes by sentence of this Honorable Council and condemned to stand under the gallows with a rope around his neck and further to be severely flogged. And thus more out of a vindictive mind than over a legally proven crime, through which he was able to obtain these proceedings against her husband, so that she consequently remains ignorant of what the reasons for this strict imprisonment are, concerning which during the same her husband should be heard and examined as to what is charged against him and what he might have confessed, by which, although she, the petitioner, by nature is obliged to assist her respective husband in these his difficulties, to furnish and 126. supply him with whatever he might need as the foundation for his exception, appeal, or defenses, which he might have proposed, interpreted, or made, of which she, the petitioner, likewise remains ignorant, and to help him therein with counsel and deed, she must nonetheless, regarding the aforementioned duty performed by her to obtain access, remain in default, not through lack of good will, but because up to now she has not been permitted to understand what it is concerning which these proceedings against her husband are being held, and consequently has been unable by any means to advance the defense of innocence, which concerning everyone, and particularly the petitioner concerning her husband, must be presumed according to the norm of piety and affection, that is and such according to the rule of godliness and love, until such time as the contrary shall have been shown to her; that she, the petitioner, having informed herself, understands that the laws are very strict and harsh against those who offend in such cases, crimes, or offenses in which no access is granted, and that to that end it is enacted that one must and may proceed both by accusation and inquisition, yet the same laws labor even more toward the exoneration than toward the burdening of all kinds of accused persons, such that she, the petitioner, understands that concerning all 127. crimes, evidence must be as clear and clearer than the sun shining at midday, and therefore they also say that one must conduct such a matter so that if everything should not be fully proven, it would be better to absolve a criminal than to condemn an innocent person, to which end all prisoners, whether one proceeds against them in an ordinary manner or not, are permitted to make their defense fully; it is certainly for that reason that in the Statutes of India under the title of Fiscal at Art: 7 it is stated that anyone who is addressed by the Fiscal, Bailiff, or someone else concerning any offense or crime shall be free to answer for his matters either by himself or through an attorney. That whereas she, the petitioner, hopes that the said examination will now have been completed, and her arrested husband, as she trusts, cannot have confessed to having sinned in anything, much less to having committed a punishable act. That she, the petitioner, firmly trusts that Your Honors know that defense is of Natural Law, which cannot nor ought to be denied to anyone, and that the opportunity for defense must particularly be granted when judgment is to be pronounced over a Christian person, 128. in which case one must proceed not so much politically or as a matter of state, but as between Christians, the more so because the chief part of a criminal process consists therein, for which reasons she, the petitioner, takes the liberty with the utmost respect to turn to Your Honors with the very humble and meek request that her, the petitioner's, husband may provisionally be released from his detention and be admitted to act through an attorney so as to proceed in the ordinary manner, under a solemn promise and sufficient bail by the undersigned sureties for the person of the detainee, that they shall present the same at all times upon the summons of Your Honors under penalty of a confession of judgment; praying therefore very humbly that Your Honors may be pleased to decide upon her, as she, the petitioner, trusts, equitable request as Your Honors in your high wisdom shall deem proper. Which doing, etc. Was signed: Johanna Davel, Albertus Mijburgh, P: V: Breda, Joseph Peroo. In the margin: Exhibited in court on the 1st of April 1790. Which having been read in the presence of
Dutch transcription
125. „ve bij de E: Achtb„e Heer Jndependent Fiscaal te ver„ „neemen wat dit noodzaakelijk gesprek behelzen zoude; maar naauwlijks was haar man eenige treeden buiten zijn grond gekoomen, of des Heeren geweldiger kuster niet teegenstaande hij reeds vijf Hondert vier en tagtig Rijxdaalders betaald hadde hem gearresteerd en en hegtenis gebragt heeft zonder te weeten wat min verder met hem gedaan heeft als alleenlijk dat zij suppte. verstaan heeft dat haar voorsz: man, van door haaren voorm. Slaaf Februarij van der kaap, die reeds voor eenige Iaaren herwaards van enarme misdaaden overtuijgd bij vonnis„ se van deezen E: Achtb„e raade is gecondemneert om met een strop om den hals onder de galg te staan ende voorts wel strengelijk gegeezeld te worden, geaccuteerd geworden is. — En dus meer uit een wraakzugtig ge¬ moed dan over een wettig beweeren Misdaad, waar over deeze procedures teegen haaren man heeft kunnen obtineeren, dat zij mits dien ignorant zij wat de reedenen van deeze stric¬ te gevangenisse is waarop geduurende dezelve haaren man zoude moeten werden gehoord, en geexa„ =mineerd wat hem te lasten gelegd word en wat hij geconferveert zoude moogen hebben mits wel„ „ke, alhoewel zij supp=le van Natuurs weegen schuldig is haare respective man in deeze zijne verwaarigheeden te adristeeren, hem te suppediteeren en 126. en subministreeren 't geene hij tot fundament van zijne Exeptie Appellatoir of defensien, dien hij zoude moogen geproponeerd, geinterpreteerd of ge„ daan, der zij suppte. al meede egnorant van naaden zoude moogen hebben en hem daar in met raad en daad te helpen, zoo moet zij nogthans noopens het voorschreeven haar gedaane devoir om acces te hebben in gebreeken blijven niet bij faulte van goede geneegentheid, maar overmits haar tot nog toe niet heeft moogen geworden te verstaan wat het is daarover deeze procedures teegen haaren man gehouden werden en dien volgende met geen middelen hebben kunnen vorderen de defenti van innocentie, die van iegelijk en bijzonder zijn supplte. van haaren man indique secundum nor¬ „mam pietatis w' affectionis dat is en zulx naaden reegel van Godvrugtigheid en Liefde :/ moeten presumee„ ren ter Tijd en wijlen toe haar anders zal geblee„ ken zijn dat zij suppte. haar hebbende laaten onderrigten, dat de rechten zeer strict en hart zijn teegen die welke in zoodaanige Caulte, Crim op delieten waarin geen acces vergund word, koo¬ men te vergrijpen en dat tot dien eijnde ge¬ statueerd us dat men zoo bij accusatie als inqui¬ „litie moet en mag procedeeren, zao laboreeren dezelve rechten nog meer tot ontlasting dan tot bezwaarnisse van allerhande geaccuseerde persoo¬ nen zulx dat zij suppte verstaan dat men van alle 127 alle delicten zoo klaar en klaarder blijken moet als de zon op de middag schijnende is en daar omme ook zeggen dat men zoodaanige zaak moet gaan dat als het niet ten vollen van alles zoude blijken, 't beeter zoude zijn Een Misdaa„ diger te absolveeren als een onschuldige te Con„ demneeren tot welken eijnde alle gevangene 't zij dat men teegens dezelve wel ordinaire modo procedeeren, toegelaaten is haare defentie volkoomentlijk te doen; 't is zeekerlijk daar om dat bij de statuten van India onder den titut van Liccaal op Art: 7 gezegd word dat den geenen die van den fiscaal Bailluw of iemand anders over eenig delict of Misdaad aangesprooken werd zal vrijstaan of door hem zelven of door een procureur zijne zaaken te verantwoorden. Dat terwijl zij suppte. verhoopt dat dezelve Examinatie als nu voltrokken zijn zal en haar gearresteerde man zoo zij vertrouwd niets kan ge„ „confesseerd hebben iets te hebben gepecceerd, veel min een factum punibele gecommitteerd te hebben Dat zij suppte vastelijk vertrouwd, dat uwelEde Achtben weeten dat de fenrio is Juris Naturalis, die niemand en kan nog behoordte worden geweigerd en dat de verantwoording zonderling moet gelaaten worden als wanneer zocht uitgesprooken zal worden over een Christen Mensch 128. Mensch quo Casu non tam politice of na ma¬ terie van staat maar als tusschen Christenen moet geprocedeert worden te meen alzo protissima¬ Jars processus friminalis, dat is het principaale „ste deel van een Crimineel proces, daar in bestaat, om welke reedenen sij suppte. de vrijheid neemt met niet meerder Eerbied zig te keeren tot uwelEdele Achtb met zeer needrig en ootmoedig verzoek dat haar supp„te man bij provisie uit zijne detentie mag worden ontslaagen en geadmitteerd worden om bij procureur te moogen occupeeren omme ordina is modo te procedeeren onder handtasting en Cuffe „ciente Cautie van de ondergeteekende borgen voor 's gedetineerdens persoon omme dezelve ten allen tijde te zullen sisteeren tot vermaaning van Uweledele Achtbaarens sub poene Confessie Conficte biddende derhalven zeer ootmoediglijk dat Uwe welEdele Achtb:e op haar zoo zij supp„te vertrouwd billijk verzoek gelieven te disponeeren als hoog dezelve zullen goedvinden te behooren /onderstond:/ 'T welk Doende &„a /was getee„ „kend:/ Johanna Davel Pet- Albertus Mij„ „burgh P: V: Breda Berige huni Joseph Peroo:— /in Margine Exhibitum in Judi„ „dicio den 1=ste april 1790: Het welk geleezen zijnde ten over¬ staan „
English
appearance of the aforesaid Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Pieter, who today, postulating on behalf of the Independent Fiscal, requested that the said Mr. Leuten, before expressing an opinion on that petition, be permitted to know in what capacity the four last signatories of this petition appeared here, whether they were perhaps provided with a power of attorney from the said Heinkes, or what relation they had to him. And after the aforesaid wife of Pieter Heinkes had answered thereto that they had signed as sureties, the frequently mentioned Adjunct Fiscal brought forward against the said petition that the same was fourfold, as containing: 1st. A statement and description of the act in question. 2nd. A so-called composition entered into by the Independent Fiscal, as the petitioner says, with her husband P: Heinkes. 3rd. An argument that defensio is juris naturalis, that it is pietatis that a woman stand up for her husband and defend him, and that on those grounds the defense may not be refused. 4th. A request to be released on bail. That he, the Adjunct Fiscal, regarding the first point, had the honor to submit to the court that the statement of the act made by the petitioner is entirely mistaken and beside the truth; for if one were to compare therewith the confession of Pieter Heinkes, together with his conduct during the appearance of the deputy sheriff and court messenger, one will then find that what is asserted in the petitioner's request differs from the confession and the conduct of her husband as day from night; wherefore this first point cannot be taken into consideration. And regarding the second point, namely the alleged composition, it is very natural that the Independent Fiscal does not need to express himself about this, because it would be more or less ridiculous to make an Independent Fiscal or officer of justice responsible for every private resident who might merely take a fancy to trouble this Court with improper requests. However, in order to say something about it out of respect for this Court, he, the Adjunct Fiscal, could testify in his private capacity that it was indeed true that Pieter Heinkes had been to his house with 584 rds. to arrange for him with the Independent Fiscal that His Honorable Worship should compound with him, but that it was utterly false that the said Independent Fiscal would have already agreed thereto; which had also been the reason that he, the Adjunct Fiscal, had sent back the money that the frequently mentioned Pieter Heinkes had brought to his house in the absence of the aforesaid Adjunct Fiscal. That, as regards the third point, they on the side of the Independent Fiscal will gladly avow that defensio is juris naturalis; that it is pietatis that a woman defend her husband; that one must not make use of political means in the administration of justice, and whatever further of that nature is set down in the petition; but that in this matter it is emphatically denied that Pieter Heinkes has been refused his defense, as it will be freely permitted to him, as soon as the interrogations are concluded, to consult with his wife or anyone else concerning his defense; that the Independent Fiscal had indeed also told the assistant Versueil, who has taken up the cause of Heinkes, and appointed him for that purpose to come to His Honorable Worship, but that it did not please that gentleman to do so. That it would nevertheless not well be possible at present to grant access to the detained Heinkes, because, as he the Adjunct Fiscal had had the honor to bring to the notice of the Honorable President, circumstances had been discovered that operate to aggravate the guilt, regarding which the fiscal office will be obliged to obtain further information; which is also the reason that the Independent Fiscal has not today served his claim against Pieter Heinkes, as it was otherwise His Honor's intention. That finally, with regard to the fourth or last point, for which the debated, impertinent premises would have to serve as grounds, namely the release on bail of the detainee, it is an established truth that release on bail is not to be granted except solely for offenses upon which the laws have stipulated no corporal punishment, as Simon van Leeuwen in Notis ad 53 of the Ordinance on Criminal Justice No. 4 rightly remarks: if the matter requires bodily punishment and there is some probability of the committed act, then the judge may release no one from prison without bail, because if the case were to turn out otherwise, the sentence would remain without execution. That, as the committed offense, as the said Plaintiff trusts, will be demonstrated most clearly, and it is on the other hand certain that the case or the act in question requires a corporal punishment
Dutch transcription
129. staan van voorn Adjunit Fiscaal M=r Co„ hannes Andrias Pieter die Heeden van weegens den independent Fircaal prstulier„ de verzogte gede Mr. Lruten alvooren zicht op dat request uit te laaten te moogen weeten; in wat qualiteijt de vier laatste teekenaars van dit verzoek schrift alhier prresseer¬ „den of zij moogelijk van een procuratie van gem: Heinkes waaren voorzien, dan wel welke relatie zij tot denzelven hadden En naadat door voorm: huijsvrouw van Pieter Stein„ „kes daarop was geantwoord, dat zij als borgen geteekend hadden; zoo wierd door meerm: adjunct fiscaal teegens het gede request inge„ „bragt. „de 1=o Een opgaave en beschrijving van het feijt in questie 2:o Een zoogenaamde Compositie door den heer Jndependent Fiscaal zoo de supp=te zegd aangegaan met haaren man P: Hein„ „kes. 3=e Een betoog dat defensio is Juris watura„ lis dat het pietatis is dat een vrouw voor haaren man opkoome, en hem defendeere, en dat op die gronden de„ Dat hetzelve was vier leedig, als behelzen„ Rretentie 130. defentie niet mag werden gerefuseerd. — 4=o Een verzoek om onder borgtogt ontslaagen te worden. — Dat hij adjunct fiscaal omtrend het eerste poinct de bier had den raade voor te draagen dat de opgaave van het feit door de Capp=te gedaan, is geheel abuisief en bezeiden de waarheid want dat indien men eens daarbij vergeleeke de Confessie van Pieter Heinkes, mi gadeers zijn gehouden gedaag bij de verschijning van den onderschout en Gerechts Boode men als dan zal bevenden dat het geposeerde in der suppten request van de Confessie en het gedaag¬ van haaren man zoodaanig verschilt als de dag van de nagt; weshalven dit Eerste poin niet kan in aanmerking genoomen worden al het betreffende het tweede poinet, de gewaarde Compositie namentlijk, zeer natuur„ „lijk is dat de independent fiscaal zig daarom„ ttrend niet behoeft uit te laaten omdat het mi of meer belackelijk zijn zoude dat eenen Indepen dent fiscaal of officier den Justitie respon¬ sabel te maaken voor een ieder particulier inge„ „zeeten 131 zeeten die het maar gelusten zoude die Raad met ongepaste verzoeken te incommedeeren Dan dat echter om er ten respecte van dee„ zen raade tog iets te zeggen hij adjunct Lis„ caal voor zij prive konde betuigen dat het wel waar was, dat Pieter Heinkes bij hem was geweest met 584 rd:s om voor hem bij den Heer Jndependent afiscaal te bewerken dat zijn Ed Achtbr met hem Compareerde dog dat het volstrekt luigenagtig was dat wel„ gem: Heer Jndependent Fiscaal reeds daar toe zoude verstaan hebben; het geen dan ook de reeden was geweest dat hij adjunct Pis¬ „caal meermelde Pieter Heinkes het geld dat door hem in absentie van voorsz: adp„t liscaal aan zijn huis was gebragt had terug gezonden. — Dat wat aanbelangd het derde poinct men aan de zeijde van hem independent Fiscaal, gaarne zal avoueeren, dat de fensi„ „o is furis naturalis; — dat het Pee„ tatis is dat een vrouw haare man de„ „fedeere.— dat men zich van geene polititicque middelen in de rechtsplee„ ging 132. „ging moet te dienen, en wat verder vandie natuur bij het request is ter needergesteld maar dat in deesen wel deegelijk word ont¬ kent dat aan Pieter Heinkes zijne defensie is gewijgerd als zullende het hem zoo daar te verhooren zijn afgeloopen vrij staan met zijne vrouw of iemand anders over zijne defenrie te raadpleegen dat de Heer Indepen¬ dent fiscaal ook werkelijk aan den adsistend Versueil, die zich de zaak van Heinkes heeft aangetrokken had gezegd en hem ten dien eijnde geappoincteerd bij zijn Ed„e Achtb: te koomen dog dat het die Heer niet heeft gevallens te doen. — Dat het eevenwel tans niet wel moogelijk zoude zijn om bij de gedetineerde Heinkes alies te accor„ deeren, nadien zoo als hij adjunct fiscaal de Eers had gehad den Eeschtben Heer President ter ken„ nisse te brengen zich omstandigheeden hadden ontdekt die tot verswaaring vande verschuldig„ den opereeren en waar op het officium fiscaal genoodzaakt zijn zal naadere informatien en te winnen; 't gunt dan ook de reeden is, dat den Heer Jndependent friscaal niet op heeden zoo 133 zoo als zijn E: anders voorneemen was Jeegens Pieter Heinkes van Eisch heeft gediend Dat eindelijk met opzigt tot het vier de of laatste poinct waarvan de gede„ batteerde impertinente premissien te grond zoude moeten strekken de slaking onder borgtogt vanden gedetineerde; het een geave„ „reerde waarheid is dat slakinge onder Borgtogt niet er worden toegestaan als alleenlijk op mis„ daaden waarop de wetten geen Corporeele straffe hebben bepaald gelijk Simon van Leeuwen in Notis ad 53 van de ordonne op de Crim: susti„ ctie N„o 4 in, med: te recht aanmerkt In„ dien de zaak lichaamelijke straffe verEijscht en daar eenige waar schijnlijkheid van het be „gaane feijt bijkomt zoo en vermachden reg„ ter niemand zonder uit de gevangenisse ont„ „slaan om dat de zaak anders uitvallen„ „de 't Vonnis zonder Executie zoude blijven Dat daar nu de begaane misdaat zoo als den r: d:o Eisscher vertrouwd ten klaar„ sten zal worden beweezen en het van den anderen kant zeeker is, dat de zaak of het feijt in questie eene Corporeele straf„ „te
English
she demands: stating the general edict of 11 October 1740, at article 19: He who harbors a fugitive or runaway, whether a free person or a slave, or provides them with board or otherwise, shall as a harborer and concealer of runaways be punished in life and limb; the edict of 3 September 1754, article 3: No one shall, for whatever reason it may be, without permission of the master or mistress, harbor or conceal another's male or female slave, on penalty of 25 rixdollars to be forfeited for each day or night, for the benefit of the officer who shall make the claim; Article 4: When such harboring or concealment lasts longer than 24 hours, or takes place with the aim to facilitate their flight or to keep the same from their masters or mistresses, those who have made themselves guilty thereof shall, without respect of person, be considered and punished as convicted of enticement or theft of slaves. The Independent Fiscal therefore trusts that he with the highest right can contradict the petitioner's request, not doubting in the least that the Court, after careful consideration of this matter, will recognize the weight of the aforementioned alleged grounds and on that account make not the least difficulty to grant as an apostille on the petitioner's request: Nihil. The wife of the frequently mentioned Pieter Heinkes, or the petitioner in this matter, having been heard hereupon, says that she has no knowledge of this matter and persists in her request. Whereafter the Honorable President declared in the Council that the aforementioned Adjunct Fiscal had brought to His Honor's attention that, however much the Independent Fiscal had intended to serve the demand against the frequently mentioned Heinkes today, His Honor nevertheless, in order to obtain further evidence regarding certain aggravating circumstances discovered in the interim, had been obliged to postpone it. And the Council, having deliberated both on the aforementioned submitted request and on what was presented by the frequently mentioned Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Laufer, found good to have the said Adjunct Fiscal enter alone and to ask whether he had demanded one thousand rixdollars from the aforementioned Heinkes and also in the name of the Independent Fiscal would have settled that matter out of court by way of a composition; whereupon by the aforementioned Adjunct Fiscal it was answered in substance that he had by no means demanded 1000 rixdollars from the aforementioned Heinkes, but that it might well be that he had said to the frequently mentioned Heinkes that the Independent Fiscal would not settle the matter for 5 or 8 rixdollars, which he, Heinkes, offered to pay, adding that the Independent Fiscal would never have composed other than judicially. While after all this, on the aforementioned submitted request, it was granted for apostille: The Council declares that it cannot enter into the request of the petitioner. Subsequently was read the considerations on the part of the Independent Fiscal, pursuant to the resolution of the last ordinary court day, submitted today regarding a certain request presented on the same day by the merchant in the service of the Honorable Company, Mr. Jacob Pieter de Neijs, the said considerations reading as follows: To the Noble and Honorable Messrs. President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope. Noble and Honorable Sirs, It having pleased Your Noble Honors, at their last-held meeting of the 18th of this month, to place a certain request of the merchant Mr. Jacob Pieter de Neijs into the hands of the undersigned in order to serve his considerations thereon, he therefore has to present to Your Noble Honors to that end: That it appears to him, Salvo Meliore, that as this request contains a petition for a favor, it would have been more appropriate if the petitioner had applied with it to the Noble and Honorable Council of Policy, which moreover must also stand up for the interests of the Honorable Company as being most interested therein, rather than to the judge, who indeed cannot well grant pardon or favors, but must solely judge and do justice. That even if one would accept pro vero all the arguments that the petitioner adduces in support of his request, the same nevertheless cannot do much for him in this case, as indeed anyone who desires to purchase one parcel or another at a public auction is bound to comply with the conditions of sale and thus must put himself in a position to pay the purchase money on the stipulated pay days, without delaying it by a single day, let alone so many months, and not bring himself into the alternative of either acting against his obligations or having to ruin his debtors due to the circumstances of the times. That it thus appears from this that Your Noble Honors could very well reject the petitioner with his request made and refer him to the Governor and Council of Policy. That however, in case Your Noble Honors in this instance consider yourselves as sequestrators and not as judges, you might rather incline to meet the petitioner somewhat in this his embarrassment—he being certainly sufficiently provided with temporal means so that one need not be apprehensive that the Honorable Company would ever suffer any loss thereby—and could grant the request made by him to the extent: That he could provisionally and for the time being keep the purchase money already due in his possession.
Dutch transcription
134. „se vordert: meldende het generaal placcaat van d 11 of Fo „tober 1740 ad art 19. — Die een serigatief of weggeloopen het zij een vrij persoon of slaaf herbergt of van kost of an„ derzints voorziet zal als een ophouder en Heelen van wegloopers aan lijt en leeven gestraft wor„ den het placcaat van den 3 septemb. 1754 art 3 Niemand zal een anders slaat of slavinne om welke reedenen het ook weezen mogte buiten toe stemming van den Lijfheer of Lijfvrouwe moo„ gen ophouden of verbergen op poene van 25 rd. voor ieder dag of nagt te verbeuren ten behoeven van den officier die de Calange doen zal. — A„ 4 Wanneer zoodaanig ophouding op verberging lan„ „gen als een Amaal duurt op geschied met oog„ merk om haar aufugie te faciliteeren of den„ zelven haare Lijfheeren of vrouven te onthou den zullen de geenen die zich daaraan hebben schuldig gemaakt zonder aanzien van persoon als overtuijgd van verleeding op diefte van slaan geconcidereerd en gestraft worden. . De 135 De Heer Jndependent overzulx vertrouwd dat hij met hoogfte regt der supp=te verzoek kan Contradiceeren, geentzints twijffelende of de raad zal naa nauwkeurige overweeging deezer zaake het gewicht der vooren geal„ degueerde gronden inzien en uit dien hoof„ „de geene de minste zwaarigheid maaken om op der supp=t request voor apostil„ de te verleenen, Nihil. De huijsvrouw van meerm:. Pieter Heinkes of requistrante in deesen hier op gehoord zijnde zegd dat zij van deeze saak geen- kennis heeft en bij haar ver„ zoek blijft persisteeren. — Waarna de E: Achtb=e Heer Presi„ „dent in raade declaareerde dat voorsz: adjunct Fiscaal zijn Ede Achtb:e ter kennisse had gebragt, dat hoe zeer den seer Jndependent voorneemens was ge„ „weest heeden Jeegens meerm: Heinkes van Eijsch te dienen zijn Ed=e zulx eg„ ter om nog naadere bewijzen wegens zee kere tusschen beijden ontdekten beswaa„ rende omstandigheedenin te winnen had moet 136. moeten uit stellen. — En heeft de raad zoo wel over het voorn ingediend request als het geprofereerde van meermelde adjurct Fiscaal mr. Johannes Andreas Lauter gedelibereert hebbende goedge„ vonden dukgem adjunct fiscaal alleen te doen binnen treeden en af te vraagen of hij van voorsz: Hleinkes Een Duijzend Rijxd: had gevorderd en ook naamens de Heer Jndepent: sis„ caal die zaake daar voor bij weege van Compa „sitie zoude hebben uit de waereld geholpen waar op door voorsz: adjunct fiscaal en substantie is geantwoord dat hij voorsz: Hunkes geenzints 1000 rd„s had afgeeijscht maar dat het wel zijn kan dat hij teegen meerm. Heinkes had gezegt, dat de Heer Jndependent Fiscaal de zaak niet voor 5 8a rd. welke hij Hein„ kes aan bood te betaalen zoude afmaaken met bijvoeging dat de Jndependent fiscaal nooijts anders als rigterlijk gecomporeerd zoude hebben Terwijl na dit een en andere op 't voorsz: ingediend dequest is verleend voor apostille De Raad verklaard, dat in het verzoek van 137 van de Suppliante niet kan worden getreeden Vervolgens geleezen de Consideratien van weegens de Heer Jndependent Fiscaal ingevolge besluijt van sL: ordin:e Recht „dag heeden ingediend op zeekere requeste door den koopman in dienst der E Comp=e de Heer Jacob Pieter de Neijs, eodom die gepresenteerd luidende die Considera„ „tien als volgt. Aan de Eedele en Acht„ „baare Heeren President en raaden van Justitie des Casteels Cabode goe„ „de Hoop Edele Achtb=e Heeren Het urwelEd:e en Achtb:r behaagd hebbende in derzelver Jongstgehoudene vergadering van den 18 deezer maand zeeker request vanden koopman M„r Jacob Pieter de neijs te stellen in handen van den on„ dergeteekend omme daar op te dienen van — 138. van zijne Consideratien zoo heeft hij de Een UEd en achtb=e ten dien fine voor te draagen. — Dat het hem S: M: voorkomt dat alzo dit request een verzoek van faveur bevat, 't bee„ „ter gratie zoude gehad hebben indien den reques„ „trant zich daar meede bij den welEdele en Acht„ „baare raad van Politie die daar en booven ook nog voor de belangens der E Compe als 't meest daar bij geinteresseerd te zijn moet voorkoomen had ver¬ „voegd dan wel bij den rechter die immers niet wel gratie of faveurs bewijzen kan maar al¬ dleen Jugeeren en regt doen moet Dat zoo men al de argumenten die de re¬ „questrant tot adstructie van zijn verzoek aan voerd pro vero wil aanneemen dezelve in dit geval nogtans niet veel voor hem kan afdoen alzo immers een ieder die Lust heeft bij publicque veijling het een of ander parceel aan te koopen gehouden is de Coop Conditien naate koomen en zig dus in staat moet stellen omme op de gestipuleerde praij daagen de koopopennin„ gen te voldoen, zonder een Enkelde dag laa staan zoo veel maanden daar meede te traineere. 139 traineeren, maar niet zig zelven in 't alternatief brengen maar niet zig zelven van of teegen zijne verbinte„ nissen aan te gaan of door omstan„ „digheid van tijden zijne Debiteurent te moeten reuineeren. — Dat dus hier uijt blijkt dat UE e Achtb den suppliant zeer wel met zijne gedaa„ „ne verzoek van de hand zoude kunnen wij„ zen en hem na Gouverneur en raaden van Politie renvoijeeren. Dat echter, ingevalle uEd=e Achtb: zich in dit geval Conreclereerden als sequesters en niet als rechters liever moogen inclineeren hem sup„ „pl=to die zeeker genoeg van tijdelijke middelen voorzien is dan dat men bedugt behoeft te zijn dat de E Maatschappij immer eenige schaade daar bij zoude koomen te Leijden, in deeze zijne verleegentheid eenigzints te gemoed te koomen het door hem gedaan verzoek in zoo verre zoude kunnen accordeeren Dat hij reeds verscheene kooppenn. provi¬ sioneel en voor als nog onderzich zoude kun„ nen
English
may retain them until such time as the Secretary shall think fit to pay these and further remaining monies into the Honourable Company's treasury, which certainly ought to take place the sooner the better, and that he, the claimant, must accordingly be mindful to put himself in a position to have them ready upon the first requisition, with the addition of the half percent per month offered by him, after having previously bound himself thereto by written obligation. Beneath was written: Wherewith the undersigned hopes etc. Was signed: I. N. S. v. Lijnden In the margin: Cape, 31 March 1790. After reading these considerations, it was resolved to refer the petitioner, Mr. Jacob Pieter de Neijs, with his request made in the aforementioned petition, to the Right Honourable, the Worshipful Governor and Honourable Members of the Council of Policy here. Furthermore, the Honourable President brought to the table a representation concerning the soldiers of the Regiment of Württemberg garrisoned here, Philip Fredrik Gekler and Mattijs Herlij, accompanied by 12 annexes, marked from letter A to M, which documents, having been handed over to his Honour by the Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, were beforehand circulated by his Honour among the respective members of the Council, so that they might be able to decide thereon today, the aforementioned representation being of the following content: To the Right Honourable, Worshipful President and Members of the Court of Justice of the Cape of Good Hope. Shows with due respect the Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steven van Lijnden: That on the 23rd of the past month of February it came to the knowledge of him, the petitioner, that a soldier of the Regiment of Württemberg garrisoned here, named Philip Fredrik Gekler, the night before, between 11 and 12 o'clock, had been on the flat roof of the house of the sea captain Laurens Smit, residing here, and was brought down from there by the aforesaid Captain Smit, the master Leendert Stoll lodging with him, and his slave Champagne, subsequently conveyed to the Burgher Watch, and by them handed over to the main military guard; he, the petitioner, deemed it his duty ex officio to reclaim the aforesaid soldier Philip Fredrik Gekler and to demand that he, together with the fellow soldier Mattijs Herlij, who it was alleged had also been on the flat roof, be handed over to the civil judge, so that they might be tried by him and punished for the crimes which they might have attempted by their untimely appearance in a place where they ought not to be, as the civil judge should deem proper. That the petitioner felt all the more spurred to take this step by the suspicion, aroused in him by the finding of a partially burnt piece of wood between the house of the said Captain Smit and the burgher Jan Smit Juriaansz, that the said soldiers had some intention to commit arson, and for the execution thereof had gone onto the flat roof. That the Colonel of the aforementioned Regiment of Württemberg had also condescended to the aforesaid reclamation, and the soldiers Gekler and Herlij having consequently been handed over to the petitioner, the petitioner immediately had them examined orally by the delegate members of this Honourable Council, and formed their respective interrogatories and declaratory statements annexed hereto under letter A, and furthermore, with all possible speed and accuracy, collected and had confirmed all such depositions as he thought might serve to discover the truth concerning the intended crime. However, that notwithstanding all the trouble taken and investigations made, the petitioner constantly remains unable to convict the aforesaid soldiers of having had any intent of arson or other intention prohibited by civil law; indeed, that even the suspicions which at the beginning were considered well-founded cease and are wiped out by the inquiries made, since with respect to P. F. Gekler nothing else is proven other than solely that he, Gekler, libidinis causa, arrived at the excess of going first onto the roof of the tavern The Arms of Württemberg and from there onto the flat roof of the aforesaid Captain Smit; whilst with regard to the soldier Mattijs Herlij, not only is the intended crime not proven, but on the contrary it is evident that he was in the barracks during the night between 22 and 23 February; all according to the accompanying depositions under letter E, etc. That while it is true that climbing onto another's flat roof in the dead of night, in abstracto and considered in itself, being a civil crime, ought to fall under the judicature of your Honours and thus be prosecuted by the petitioner, yet staying out of the barracks being a graver crime, falling under the judicature of the Military Court of the Regiment of Württemberg pursuant to the Capitulation of 1 October 1786, the petitioner is of the opinion that the civil crime, as the lesser, ought in this case to follow the military offence, as the greater, and therefore must also be tried by the aforesaid Court-Martial. Wherefore
Dutch transcription
140. nen behouden, tot Tijd en wijlen den Heer Secre¬ „taris vermeenen zal, deeze en nog meerdere resteerende gelden in sE Comps Cassa te voldoen, het geen zeekerlijk hoe eerder hoe liever zal dienen te geschieden en dat hij Eijsscher overzulx bedagt zal moeten zijn omme zig in staat te stellen op de eerste requisitie dezelve in gereed „heid te hebben, met bijvoeging van het door hem aangeboodene half procento 's Maands na zig alvoorens bij schriftelijlijke obligatie daar toe verbonden te hebben. — /:onderstond:/ Waar meede de ondergeteekend verhoopt W=a /was geteekend:/ I: N: S: V: Lijnden /in margi„ „ne :/ Cabo den 31 Maart 1790. Na Lectuure van welke Consideratien goed¬ „gevonden is, den supp=t M=r Jacob Pieter de Neijs met zijn bij voorschreeve request ge„ daan verzoek naar den weledele gestran „ge Heer gouverneur en E: Achtb=ren raaden van politie alhier te Renvoijeeren Wijders wierd door d E: Achtbe. Heere Pre¬ „sident 141 „sident ter Tafel gebragt een vertoog raakende de soldaaten van het alhier guarnisoen hou¬ „dend regiment van Wurtemberg Philip Fredrik Gekler en Mattijs Herlij, gemuni„ „eerd met 12 bijlaagen, gequoteerd van L=ra A: tot M: welk stukken de Heer Indepen„ „dent Fiscaal alhier Johan Nicolaas Hee„ „ven van Lijnden aan zijn Edn Achtb=e overhandigt hebbende voor af door HE Achtbe bij de respen: Leeden des raads waaren in rondleezing gezonden, ten einde in staat te kunnen zijn heeden daar op de dispo„ neeren zijnde dat voorm: vertoog van na¬ „volgende inhoude — Vertoond met gepasten Eerbied de Jndependent Fiscaal deeze gouvernements Johan Ni„ „colaas Steeven van Lijnden.— Dat op den 23 der aven gepasseerde maand Aan de wel Edeleevcht, baare Heeren Prezident en raaden van Justitie des Cai„ „teets de goede Hoop. — februarij 142. februarij ter kennisse van hem vertoonden zijnde gekoomen dat een soldaat van Van het alhier guarnisoen houdend regiment van wuer temberg in naame Philip Fredrik gekler, Jrage te vooren, tusschen 11 en 12 uuren zich bevonden had op het plat van het huis van den alhier remo „reerende zee Capitain Laurens Smit van daardoor eevengem: Cattein Smit van den bij hem logeeren de gezaghebber Leendert Stoll en zijn slaafsham„ pagne na beneeden gebracht, vervolgens naa de burger wagt getransporteerd, en door Deeze naade militaire hoofd wagt was overgegeeven geworden hij r: d: vert„r het van zijnen pligt heeft geoordeelt den voors soldaat Philip Fredrik Gekler amptshalven te reclameeren en te vorderen dat dezelve beneevens den mee¬ de soldaat Mattijs Herlij, welke men voor„ gaf dat meede op het plat geweest was, aan den Civielen rechter wierden overgegeeven, ten einde door denzelve te recht gesteld en over de misdaaden, die zij door hun on¬ tijdig verschijnen op een plaats daar zij niet behoorden te zijn mogte hebben getenteerd zoo da nig 143. nig te werden gestraft als de Civile rechter zoude oordeelen te behooren.— Dat de R: O: vertoonder zich tot het doen van deeze de marche te meer heeft aangespoord gevoeld door het vermoeden waarin hy door't vinden van een gedeeltelijk afgebran„ de stukje hout tusschen het huis van gem: Capitain Smit en den burger Jan Smit Juriaansz. was gebragt dat gem soldaaten eenig voorneemen hadden gehad om Brand te stigten en ter uitvoering daar van zig op 't blat hadden begeeven Dat in de voorsz reclamne van de zij¬ de des Collonels van voornd: regiment van hourtemberg dan ook gecondescen„ deerd en de soldaaten gekleren Herlij diervolgens aand R: O: Vert:r overgegee„ ven zijnde geworden hij r:o vertz dezel„ ve terstond mondeling door Heeren gecom„ mitteerdens uijt deezen E: Achtbe Raa„ de 144. Raade heeft doen Examineeren, en van der„ zelver respondiven geformeerd & respn. de¬ „claratoiren hier neevens gevoegd sub Le Ajch en voorts met alle moogelijke spoed en Naam¬ keurigheid heeft ingewonnen en gedaan recal¬ leeren alle zoodaanige verklaaringen als gemeend heeft ter ontdekking der waarheid noopens de geintenteerde misdaad te kunnen strekken. — Dan Dat ongezgt alle aangewende moeijte en gedaane recherekes de r:d: vertz steeds in de onmorgelykheid blijft verseeren van de voorsz soldaaten te kunnen overtuijgen eenig opzet van Brandstigting of andere bij de Ci„ viele wet verboodene intentie te hebben ge„ had Ja: dat zelvs de vermoedens welke men in den beginne als gegrond heeft beschouwd door de ingewonneiquasten koomen te Ces„ seeren en uijtgewischt werden aangezien en ten opzigte van P: f. Gekler niets anders beweezen is als alleen dat hij Gekler Libidin Coura tot de buitenspoorigheid is gekoomen om zig eerst op het dak van de schaggerij 't wapen van 145 Wurtemberg en van daar op het plat van eevengem: Capitain smit te begeeven: terwijl met betrekking tot den soldaat mattijs Herlij niet alleen de geintendeerde misdaad niet beweezen is maar zelfs in teegendeel Con„ „steerd dat denzelven in den nagt tusschen den 22 & 23 Februarij in de Casernes is geweest; alles blijkens neevens gaande verklaringen sub: L=a E: w segg: — Dat wel is waar 't klimmen op een an¬ ders plat in het holle van de nagt in abstracto en op zig zelven beschouwd een Civiele misdaad zijnde ter Judicature van UwelEdele Achtb„en behoorde te staan en dus door den Rid: vert vervolgt te worden dog dat het uitblijven uit de Casernes een zwaar„ der misdaad zijnde, ter Cudicature van den Militairen krijgs raad van 't regiment van wurtemberg staande ingevolge Capita „latie van den 1=n october 1786 de r: d:o ver„ toonder d: C: van begrip is, dat de Civile Misdaat als demindere in dit geval het militaire delict als het meerdere behoort te volgen en dienvolgens ook door meerm: krijgs-raad moet berecht worden. — weshalven F
English
Wherefore the said petitioner turns hereby to Your Honourable Worships and, submitting all the inquiries obtained by him, declares that regarding arson or any other intention prohibited by civil law, he cannot obtain any action against the soldier Philip Fredrik Gekler, and consequently can well permit that he be handed over to the Court Martial of the regiment of Wurtemberg; in order that he may be corrected by the said Court Martial for his absence from the barracks in such manner as it shall deem appropriate in accordance with the prescribed military ordinances; the punishment for climbing onto the roof and flat roof then being expressly included under the military punishment, while the said petitioner, with respect to the soldier Mattijs Herlij, under respectful correction, is of the opinion that he ought to be acquitted of all crime and consequently freed from the arrest in which he was placed upon the surrender, since the said petitioner safely dares to declare, as he does hereby, to have been able to discover nothing from which even the slightest ground for any action, of whatever name, could flow upon and against the said Herlij. At the bottom stood: Doing which etcetera. Was signed: J. N. S. V Lijnden. In the margin: Exhibited in court on 1 April 1790. Which report and documents having been attentively considered, the Council, having taken note of all that the declaration of the officer contained, namely that regarding arson or any other intention prohibited by law no action could be instituted against the aforementioned Philip Fredrik Gekler and at the same time, with relation to the cited Mattijs Herlij, to have been able to discover nothing from which even the slightest ground for any action, of whatever name, could flow upon and against the said Herlij; has thought fit to cause the first-mentioned Gekler to be handed over to the Court Martial of the regiment of Wurtemberg and entirely to discharge the last-mentioned Mattijs Herlij from his arrest in which he has until now been held. And lastly was read and considered as communicated the following letter from the Landdrost of the Colony of Zwellendam, Mr. Anthonij Alexander Faure. To the Honourable Worshipful Mr. Johannes Isaak Rhenius, President, together with the Honourable Worshipful Council of Justice of this government. Honourable Worshipful Gentlemen, With the greatest regret I have had to perceive, from Your Honourable Worships' much esteemed letter dated 4 February 1790, the dissatisfaction which Your Honourable Worships were harbouring that by me, in the case of the arrested burgher Koch, a declaration had been obtained solely from the female slave Pieternel and not at all from the other persons who also had knowledge of that case. Since this circumstance might sometimes cause Your Honourable Worships to form the thoughts, very disadvantageous to me, that the same was caused by negligence, I can most earnestly assure Your Honourable Worships (since nothing is more agreeable to me than the performance of my duty) that far from any dereliction of duty or inattention having taken place herein, I, on the contrary, being conscious of how many weighty affairs Your Honourable Worships are constantly overburdened with, believed that I ought not to interrupt your precious attention with a number of declarations which in the essence of the matter contained one and the same thing, inasmuch as all the bondservants named in the declarations given by Bouve and the slave Goliath were interrogated by me in the presence of the commissioned Heemraden and the secretary, each individually, and their answers agreed in everything completely with the deposition given by Pieternel; wherefore I humbly implore Your Honourable Worships that this may cause no adverse influence concerning my person with you; I shall in future count it a special honour to comply with your intention to the letter. In compliance with Your Honourable Worships' venerated orders, there depart with this wagon driver Fredrik Wolff, his wife, the slaves Meij, Amelia, Lena, and Pieternel, together with the Hottentot-caffer Swartbooij, the wagon being under the supervision of Paulus Brutto, who has taken upon himself to reside at the Hoorklip, to maintain supervision over both places, owing to the proximity of the Little Mossel Bay, and to ensure that nothing is lost. After having received report that the person of Nicolaas Raademeijer, whose occupations consist merely of constantly roaming far and wide through the veld and consequently keeps no fixed domicile with the burgher Barend Glander, I have summoned him to present himself de facto at the Drostdy, whereupon I shall by no means be neglectful in causing him immediately to undertake the journey toward the Cape. At the bottom stood: Commending myself further to Your Honourable Worships' protection, etc. And signed: A. A. Faure. In the margin: Zwellendam, 9 March 1790. At the bottom stood: From Cape of Good Hope, etc., day and year as above. Lower down: In my presence. Signed: W. C. van Rijneveld, Secretary. Thursday, 15 April 1790. In the forenoon, present: the Worshipful Mr. Johannes Isaak Rhenius, President, and all the members, except for the Honourable Worshipful Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden and Mr. Maasdorp.
Dutch transcription
Weshalven den 7: O: vertoonder zich bij deezen tot U WelEdele Achtbe is keerende, en onder overlegging van alle de door hem ingewonnen enquesten de„ clareert ter zaake van brandstigting of ander bij de Civiele wet geprohibeerd voorneemen geen actie teegens den soldaat Philip Fredrik Gek¬ ler te kunnen inwinnen, en dien volgens. wel te moogelijden dat dezelve worde overgegeeven aan den Krijgsraad van het regiment van wurtemberg; ten einde door denselven Krijgs¬ „raad wegens zijn uitblijven uit de Caternes zoodaanig te worden gecarrigeerd als dezelve ingevolge de voorgeschreeven krijgs ordonnan„ tien zal vinden te behooren; zullende als dan Perse de straffe over 't klimmen op het Dak en plat onder de militaire straffe zijn gecomprehendeerd, Terwijl den 7: d:o vertoonden ten opzigte van den soldaat mattijs Herlij onder Eerbiedige Correctie van oordeel is dat dezelve van alle misdaat behoort te werden vrijgesprooken en dienvolgens bevrijd van P arrest waar in hij bij den oovergaave zich bevonden heeft aangezien de r: O: Vertoon„ der gerustelijk durft declareeren gelijk 146. hij 147 hij doet mits deezen, nietwes te hebben kunnen ontdekken waar uit zelvs de minste grond tot eenige actie hoe ook genaamd op en Jeegens gem:e Herlij zoude kunnen proflueeren. — /onderstond :/ 't welk doende &=a /was geteekend:/ J: N: S: V Lijnden /in margine:/ Exhibi„ tum in Jndicdio den 1 april 1790.. Over welk vertrag en stukken met atten„ tie gebesoigneerd zijnde, heeft de Raad, gelet hebbende op alt geen de declaratie van den officier behelsde van namentlijk ter Zaa„ „ke van brandstigting op eenig ander bij de wet geprohebeerd voorneemen geene ac¬ tie teegens voorm: Philip Fredrik gekler te kunnen institueeren en tef„ „fens met relatie tot geciteerde Mat„ tijs Hberlij nietwes te hebben kun„ men ontdekken, waar uit zelfs de minste grond tot eenige actie hoe ook genaamd op ende Jeegens gemelde Her¬ hij zoude kunnen pretlueeren; goed„ gevonden eertgem: Gekler aan den Krijgeraad van te regiment van Wurtemblerg 148. Wurtemberg te doen overgeeven ende laatste Mattijs Herlij uit zijn arrest waarin hij zig tot nog toe heeft bevonden ge¬ had te ontslaan. — En is Laatstelijk geleezen en voor gecommuniceerd gehouden de volgende mis¬ sive van den Land droot der Colonie Zwel„ lendam de Heer Anthonij Alexander Faur Aan den WelEdelen Acht¬ baaren Heer Johannes Isaak Rhenins President beneevens den WelEdelen Achtb: Raade van Justitie deeses gouvernements. — WelEdele Achtbre Heeren Met het Grootste Leedweezen hebbe ik uit uwer welEdele Achtb:e zeer GeEerde missive in dato 4 februarij 1790 moeten ontwaaren, de ontevree „denheid, 149. „denheid die uwel Ed=e Achtbr waaren voedende, dat door mij in de zaak van den gearresteerden burger koch alleenlijk van de slavinne Pieter„ „hel en geenzints van de andere persoonen wel„ „ke van die zaak meede kennis draagen een ver„ „klaaring was ingewonnen. — Daar dit geval nu uwelEd=e Achtb=re zom„ ttijds de voor mij zeer de savantageuse gedagten zoude kunnen doen formeeren, dat het zelve door nonchalance was veroorzaakt zoo kan ik uwel Ed=e Achtb=r op 't ernstigst verzeekeren /:alzo mij niets aangenaamer is, als 't beoeffenen van mijnen pligts/ dat wel verre hier inne eenige pligt verzuijm op disattentie zoude hebben plaats ge„ had ik inteegendeel als bewust, doar hoe veele gewigtige bezigheeden uwel Ed=e Achtb=rs gestaadig als over kropt zijn, heb vermeend, derzelver pre„ „tieuse attentie niet te moeten interrumpeeren met een aantal declaratien, welke in 't weezen van de zaak: eene het zelvde behelsde nademaal al„ le de in de door bouve en de slaaf goliath gegee„ „vene Verklaaringen benoemde Lijfeijgenen door meij 150. in presentie van de gecommits e Heemraaden en den serreta„ ris ieder in het bijzonder zijn ondervraagdt en hunne lang „woordens) in alles volkoomen met de doos Pieternes gege# vene depositie overeenstemmende zijn geweest weshalven ik uwel Edeesihtb en ootmoedig imploreere dat zulx bij hoogst dezelve geene nadeelige influentie omtrend mi perzoon mooge Cauveeren; zullende ik in het vervolg het mij tot eene bijzondere Eere reekenen aan derzelver in„ „tentie naar den letter te voldoen. In opvolginge uwel Ede achtb:r gevenereerde orderes gaan met deeze Caalwaarde Fredrik Wolff zijne huisvrouw de slaaven, Meij, Amelia Lana en Pieternel, beneevens de HottentottenCaffer Swartbooij, zijnde de waagen on„ „der het opzigt van Paulus Brutto, dewelke aan de Hoor klip zijn verblijf houd aangenoomen, vermits de nadijheid van de kleijne mosselbaaij over beide plaatzen het opzig te houden en te zorgen dat er niets verlooren gaa. — Naa bericht te hebben bekoomen dat de perzoonen van Nicolaas Raademeijer, wiens bezigheeden enkel bestaan in gestaadig door't veld wijd en zijd om te zwerven en dien volgende geen vast domicilim bij den burger Barend Slander is houdende heb ik denzelven aan¬ geschreeven 151 geschreeven zich de facto ter drosdeije te laaten vin„ „den, wanneer ik geentzints nalaatig zal zijn, hem derstond krapwaards de rheize te doen aanneemen /onderstond:/ mij voorts in uwelEde Achtbb pro„ „texie w=d :/ en geteekend / A: A: Tauré / in margi„ „ne:/ Zwellendam en 9 Maart 1790. - /onderstond:/ Van Cabo de Goede Soop aan C=a die et anno ut sulpra /lager (: mij present /geteekend:/ WC van Rijneveld Sderett. onderdag 8 15 April 1790 Voordemididags present de Achtb de Heer Johannes Isaak Rhenius president en alle de leeden demptis d' EAchtb Heer Jndepondent fiscaal Johan Nicolaas steeven van Lijnden en de Heere Maas„ dort
English
village and the law in case of indisposition 152. the respondent submits his written response After which the Adjunct Fiscal Versus Mr. Johannes Andreas Fruter The Honorable Gentleman Johan Nicolaas Stee- acting for the Gentleman Independent ven van Lijnden in this dent Fiscal Fiscal requests a co- py in order, if necessary, of this Government's court to to serve today fourteen days hence his filed claim to see served with an answer. — with an answer. The Court agrees. — After which, likewise submitted by the aforementioned Adjunct Fiscal acting for the Gentleman Independent Fiscal, a memorial furnished with the further interrogatories answered before the Commissioners The citizen Johannes Jacobus Rens: court. by the citizen Pieter Heinkes, who is held in custody, 153 and a deposition made by the slave September and the female slave Mariana, bondservants of the aforementioned Heinkes, the tendency of that memorial being to obtain authorization to summon in person the wife of the said Pieter Heinkes, and the same reading verbatim as follows: Shows with due respect the Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, That, in examining the citizen Pieter Hein- kes, detained by order of Your Honors, it has appeared to the petitioner ratione officii that he, Heinkes, at the time that the five Mo- zambique slaves, over whose harbor- ing the petitioner now acts ratione officii against him, arrived at his place, was not present there. To the Honorable and Respected Gentlemen, President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope and 154. and upon his return first discovered that the aforementioned slaves were at his place, the petitioner ratione officii deemed it necessary to investigate by whom the slaves were first harbored. That upon investigation it has appeared to the petitioner ratione officii that the wife of the said Heinkes, named Johanna Davel, was actually the first who kept the slaves on the place and harbored them until the return of her husband; as Your Honors may read in greater detail in the accompanying in- terrogatories from Article 1 to 12 inclusive, as well as in the deposition of the bondservants of the aforementioned Heinkes, named September and Mariana of Mozambique, also annexed hereto. That all this gives rise to the presumption with the petitioner ratione officii that she, Johanna Davel, is the principal cause of the proceedings presently being conducted against her husband, as well as an accomplice to the offense charged against him. That 155 That the petitioner ratione officii therefore considers himself obliged to institute criminal proceedings against her as well and to that end to summon her in person before Your Honors. Wherefore the petitioner ratione officii hereby turns to Your Honors with the request that Your Honors may be pleased to grant him your decree to summon the aforementioned Johanna Davel, wife of the detained Pieter Heinkes, in person before Your Honors, in order to hear such criminal claim and conclusion, or request or requests, as the petitioner ratione officii shall deem fit to make in the aforementioned matter against her, Johanna Davel, to answer thereto, and further to proceed according to law. underneath stood: Doing which, etc. was signed: J: N: S: V: Lijnden. in the margin: Exhibited in court the 15th of April 1790. Thus, after deliberation thereon, the following order was made by a majority of votes: The 156. The Court declares that it cannot as yet grant the request of the honorable claimant. Following this, at the request of the said Fiscal, the annexes of that memorial were returned to him. Lastly, the Honorable Gentleman President made known to the Court that yesterday evening there had been at his residence the wife of the aforementioned Pieter Heinkes, with a request to be allowed to present a petition today in order to request of the Court that the case between the Gentleman Independent Fiscal and her husband might be declared civil and compoundable; His Honor had replied thereto that he wished to read the petition before the same was presented to this Table; that the said wife of Hein- kes, having brought that petition to His Honor this morning, His Honor had noticed therein not only several very impertinent expressions, but also a request to have a copy of the claim and documents exhibited by the officer 157 officer against her husband. That however much His Honor had also found that petition very ill-timed and indiscreet, His Honor could not properly refuse the repeated entreaties of the said wife of Heinkes to nonetheless be allowed to bring the same to the Table. After which, the said wife of Hein- kes having been called inside and her petition read aloud, the same was found to be very inde- cent and to contain a completely premature request, namely to be allowed to have a copy of the claim openly exhibited by the Gentleman Independent Fiscal against her husband, whereas the claim has not yet been submitted to the Court. Wherefore the Court, after the reading of that written request, has thought fit not to make any order thereon, but to return the same to the petitioner. At Cape of Good Hope, the day and year as above. below: In my presence was signed: W: S: v: Rijne- veld, Secretary.
Dutch transcription
dorp en de wet bij indispositie 152. de reqte. legd over zijn schriftuur van antwoord Waarna den adjunct Fiscaal. Contra Mr. Johannes Andreas Fruter DE Achtbre Heer Johan Nicolaas Stee¬ voor den Heer Independent ven van Lijnden Jn desen dent Fiscaal fiscaal postuleerende verzoekt Co„ opia ten einde zoo het noodig is deezes Gouvernement:s gereg=t omme op heeden over 14 daagen te dienen desselvs gedaane Eisch te zien dierens van van antwoord. — antwoord. De Raad Fiat. — Waarna door voorsz: Adjunes fiscaal insgelijx Voor den Heer Jndependent Fiscaal inge„ diend zijnde een vertoog gemunieerd met de door den in Jechtenis zittenden bur„ ger Pieter Heinkes voor Heeren gecomm. Den burger Johannes Jacobus Rens: regt. beantwoorde 153 beantwoorde naadere Jnterrogutorien en eene verklaaring gepasseerd door den slaaf September en slavinne Mariana Leijfeijgenen van voorm: Htankes tendeerende dat vertoog om te erlangen qualificatie teneinde de huis„ vrouw van gede Pieter Heinkes in persoon te mo„ „gen doen dagvaarden en luidende hetzelve verbo„ tenus van als volgd — Vertoond met gepasten Eerbied de Jndependent Fiscaal deezes gouvernements Johan Nicolaas steeven van Lijnden Dat bij 't Examineeren van den ter ordre van UEE Achtb=e gedetineerden burger Pieter Hein„ „kes aan den R:O vertoonder gebleeken zijnde dat hij Heinkes ten tijde dat de vijf Mo„ sambikse slaaven over welker op houding de Vert r tans R.O: teegens hem ageert, op deszelfs blaats zijn gekomen aldaar niet is praesent geweest. Aan de welEdele en Achtbaa„ „re Heeren President en raaden van Justitie des Casteels de goeder Hoop en ƒ 154. en bij zijn te rug komst eerst ontwaard heeft dat de voorsz: slaaven op zijn plaats waaren,d R:O: vert:n gemeend heeft te moeten naa„ speuren door wien de slaaven het eerst zijn opgehouden geworden. Dat het bij onderzoek aan den ro: ver is voorgekoomen dat de huisvrouw van gerepte Heinkes in naame Johanna Davel, eigentlijk de eerste is geweest die de slaaven op de plaats gehan den en tot de terugkomst van haaren man geherbergt heeft; zoo als UEE: Achtb: zulx breed voeriger kunnen leezen inde neevensgaande in„ terragatorien van Art:l 1 tot 12 inclusive als meede in de verklaaring van de Leijteijgen van meerm: Heinkes, in naame September en Mariana van morambicque meede hier neeven gevoegd. Dat dit een en ander bij den z: O: vertr. het vermaa den doet gebooren worden dat zij Johanna Davel is de voornaamste oorzaak vande thans teegen haar ren man gevoerd wordende proceduures mitsgaders meede pligtig aan het aandenzelven te last gelegde feit Dat 155 Dat de rio: vertr zig overzulx geobligeerd acht ook teegen dezelve Crimineele proceduures te moeten entameeren en haar ten dien eijn„ „de in persoon voor uEE Achtb:re te doen dag„ vaarden. Weshalven den r: O: vert„n zig bij deezen tot uEE Achtb:r is keerende met verzoek, dat U EE Achtb„r aan hem gelieven te verleenen der zelver decreet om voorn: Johanna Davel, huis„ vrouw van den gedetineerden Pieter Heinkes in persoon voor UEE: Achtb:r te doen dag„ „vaarden ten einde te aanhooren zoodaanige Crimineelen Eijsch en Conclusie dan wel ver„ zoek of verzoeken, als de ratione officie vert=r ter zaake voorsz: zal goedvinden teegens haar Johanna Davel te doen, daarop te antwoor„ „den en voorts te procedeeren als naa rechten /onderstond:/ 't welk doende w=a /was geteekend:/ J: N: P: V: Lijnden. — /in margine/ Exhibitum in Judicio den 15 april 1790. zoo is na deliberatie daarop bij meer„ derheid van stemmen het volgende appoinc„ „tement gevallen. - De 156. De Raad verslaard voor als nog in het verzoek van den E:d: Eijsr niet te kunnen treeden zijnde hier na op verzoek vangem: Priter der bijlaagen van dat vertoog aan hem te rug gegeeven Laatstelijk gaf den E Achtb=e Heer President den Raade te kennen hoe gisteren avond bij zijn besieh geweest zijnde de huisvrouw van voorm: Pieter Heinkes, met versoek om heeden een request te moogen presenteeren, ten einde van den Raad te versoeken, dat de zaak tusschen den Heer In¬ dependent fiscaal, en haaren man mogt war„ den verklaard Civiel en Composibel; zijn E: Achtb daarop had geantwoord het request alvoorens dat het zelve bij deeze Tafel wierd gepresenteerd, te willen leezen dat gem. huijsvrouw van Heir¬ kes dat request deezen morgen bij zijn E: Achtbr gebracht hebbende, zijn E Achtbe daar in had ant¬ waard niet alleen verscheide zeer impertinente uitdrukkingen maar ook een versoek om te hebben Copij van den Eijsch en stukken door den oficier 157 officier Jeegens haaren man geExhibeerd. — Dat hoe zeer zijn EAchtbe dat request ook zeer mal a propos en onbeschijden had gevonden, zijn EAchtb de Herhaalde instantien van gem: huisvrouw van Heinkes om het zelve tog te moogen ter Tafel brengen niet met voeg had kunnen weijgeren. Waarnaa dukgem: huisvrouw van Hein„ „kes binnen geroepen en haar request opge„ leezen zijnde, Is hetzelve bevonden zeer inde„ cent te weezen en te bevaten een allezints voorbaarig verzoek om namentlijk te moogen hebben Copia van den Eisch door den Heer Jnde„ „pendent fiscaal open Jeegens haaren man geExhibeerd, daar den Eisch nog niet in raa„ „de is overgelegd geworden. - Weshalven de raad naa Lectuure van dat versoek schrift goedgevonden heeft daar op niet te disponeeren maar hetzelve aande representante te rug te geeven. Aan Cabo de goede Hoop diew annout Cupra /lager mij present /was geteekend W J RRijne„ veld secretz. -
English
Saturday, 24 April 1790 In the morning, extraordinary meeting Present the Honorable Johannes Isaak Rhenius, president, and Messrs. Smuts, Meijer, van der Riet, and Flek, excluding the remaining gentlemen members of the Council due to illness as well as occupation. Due to the illness of the Honorable Independent Fiscal of this place, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, the Sovereign Requiring Plaintiff in criminal cases on the one part, the deputy fiscal, Mr. Johannes Andreas Bruter, produces a written criminal claim numbered with annexes against the burgher Pieter Heinkes, prisoner and defendant in the aforesaid case on the other part. The prisoner and defendant, having heard the conclusion of the claim read, says: "I humbly request a merciful sentence." The Council holds this case for circular reading in order to deliver judgment. The Sovereign Requiring Plaintiff persists in his claim and requests justice. 159 Whereafter the Honorable President made known that His Honor, having intended today to proceed with the respective members of this Council to the deciding of various circular-read trial documents, because the ordinary court days consistently leave no time for this, His Honor nevertheless saw himself compelled once again to suspend this due to a lack of members and to postpone it to a subsequent opportunity, ordering nonetheless that note thereof be made to the discharge of His Honor, which is done hereby. Underneath stood: At Cape of Good Hope, day and year as above. Lower: In my presence. Was signed: W. C. van Rijneveld, secretary. Monday, 27 April 1790. In the morning, extraordinary meeting Present the Honorable Johannes Izaak Rhenius, president, and all the members, excluding the Honorable Independent Fiscal, as well as Messrs. Rönnenkamp and Maasdorp, the first two due to occupation and the latter due to illness. 160 After the Honorable President had communicated to the Council that the burgher Sebastiaan Rothman had addressed His Honor in the name and as attorney of the detained burgher Godfried Frederik Kock, requesting to present a petition as soon as possible on behalf of the said Kock, who had fallen gravely ill in custody some days ago, and that His Honor had convened this extraordinary meeting on that account. Appeared in Council the said burgher Sebastiaan Rotman, who in the name of the said Kock submitted the following petition: To the Right Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Council of Justice of this government. 161 Right Honorable Sir and Gentlemen, With due respect, your Right Honorable's very humble servant, the currently detained burgher Godfried Fredrik Koch, makes known: How he, the petitioner, has been brought into suspicion by his own slaves before the Honorable Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, as if he had made himself guilty of theft of goods from the Dutch ship De Maria, which was stranded in Plettenbergsbaai in the year 1788, which accusations, however untrue, nonetheless had for the petitioner the unfortunate consequence that the petitioner was arrested by order of Your Right Honorables and placed in custody here. That however much the petitioner is convinced in his conscience 162 that the evidence which the Sovereign Requiring Plaintiff may have gathered will never be found of sufficient weight to thus convict the petitioner, who is entirely innocent and never transported any other goods than what he had transported for trade, of a crime that was not committed. The circumstances in which the petitioner finds himself, however, have caused the petitioner to consider that, even if he awaits the officer's proceedings, yes, even triumphing therein as he firmly trusts, he nonetheless remains exposed to significant harm, because: 1st. The witnesses whom the petitioner requires in his case live far inland, so that considerable time is required to cause those persons to come hither, while in the meantime the petitioner's estate, consisting of two farms, a large number of slaves, cattle, and otherwise, as appears from the inventory thereof drawn up by Your Right Honorables, would have to be left without the petitioner's otherwise so necessary supervision, and the petitioner would thus be exposed to a great loss. 163 2nd. That however favorably the proceedings may turn out for the petitioner, he will nevertheless not be able to avoid the further pursuits of the officer, as it is undoubtedly certain that the officer, upon succumbing, will certainly appeal the verdict to the Honorable Council of Justice in Batavia, by which step the petitioner would once again have to suffer the same inconveniences that he currently truly undergoes, and which would thus render him unable properly to administer his property for a period of 2 to 3 years. That the petitioner, on the aforesaid grounds and to prevent all those consequences for himself, has now deemed it most advisable to turn to Your Right Honorables, as he does hereby, with the very respectful request that it may please you to declare this case civil and compoundable, the petitioner trusting that Your Right Honorables, taking into consideration that he has already for some days been stricken by a severe fever and thus
Dutch transcription
Saturdag den 24 April 1798 'S Voordemiddags Extra ordinaire vergadering present d' E Achtb Heer Johannes Isaak Rheni¬ „us, president, en de Heeren Smuts Meijer van der Riet en Flek demptis de overige Heeren Leeden des raads zoo bij indisposi„ tie als occupatie. — Vermits indispositie De Heer Jndependent Fiscaal van den R: O: Eijsscher alhier Johan Nicolaas Steevens produceert den adjunct van Lijnden r: O: Eisscher in fiscaal Mr. Johannes Cas Crimineel ter eenre Adrias Bruter eene op ende Jeegens schriftelijke Criminee„ len Eijsch genumneerd Den burger Pieter Heinkes met belaagen. gevre en gede in voorsz Cas De gev=n en ged„n de Con„ clusie van den Eisch heb ter andere zijde. — binde hooren leezen zegt „ Ik verzoek onderdaanig om een genaadige straf„ recht. De Raad houd deeze zaak ter rondleering in alt De R: O: Eisscher persisteerd bij zijnen Eisch en verzoeht waar 1 edet 159 Waarna de E Achtb:e Heer president te kennen gaf dat zijn EEchtb=e gemeend hebbende heeden met de resp„e Leeden deezes raads over te gaan tot het decideeren van diverse rond=geleezene proces stukken dewijl tog de ordinaire rechtdaa„ gen daar toe steeds geen tijd overlaaten, zijn E: Achtb:r zich tans egter uit gebrek aanleeden weeder ge„ noodzaakt zag daar meede te supercedeeren en zulx tot eene volgende geleegentheid uit te stellen. gelastende niet min dat hier van tot dechar„ „ge van zijn E Achtb=e aanteekening wierd ge„ houden; 't geen geschied mits deezen. — /onderstond:/ Aan Cabo de goede Hoop die et anna ut su„ „pera /lager Mij present /was geteekend:/ WC: Rijneveld secret=s. — Maandag den 27 April 1790. - 'S Voordemiddags Extra ordinaire vergadering present de E Achtbre Heer Johannes Izaak Rhenius president en alle de Leeden demptis d E Achtbr Heer Jndependent Riciaal 160. Fiscaal Neevens de Heeren rönnenkamp en Maas„ „dorp de beijde eerste bij occupatie ende laatste bij indispositie. Na dat de E Achtbe Heer President den raade had gecommuniceerd, dat den burger Lebastiaan Rothman zich uit naam en als gem: van den gedetineerden burger god„ fried Frederik Kock bij zijn E Achtbe had geaddresseerd met versoek op gem: kock die voor eenige daagen in heehtenis swaar ziek was geworden tog zoo spoedig moogelijk een request mogt presenteeren en dat zijn Eckst uit dien hoofde deeze Extra ordinaire verga„ dering had doen beleggen. Verscheen in raade gem: burger Sebast aan Rotman die in naame van gem: koo het volgende request overgaf — Aan den welEdelen Achtb=er Heer Johannes Isaak Rhe¬ nius President, beneevens den verderen Edelen Achtbr Raad van 161 WelEdele Achtb Heer. en Heeren Geeft met verschuldigden Eerbied te kennen uwer welEd=e Achtb:e zeer needrigen Dienaar„ den tans gedetineerden burger godfried fredrik koch. - Hoe hij supp„t door zijne eijgene slaaven bij den E: Achtb=re Heer Independent Fiscaal deezes gouvernements, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden gebracht is in verdenking als of hij zig zoude hebben schuldig gemaakt aan dier„ „te van goederen uit het in den Jaare 1788 in plet„ tenbergsbaaij gestrande Hollandsch schip De Maria welke beschuldigingen hoe onwaarach„ tig ook eevenwel voor den supp:t dat ongelukkig gevolg hebben gehad dat hij supp=t ter ordre van UEE: Achtb„e geapprehendeert zijnde alhier in hechtenis is geplaatst geworden. — Dat hoe zeer hij suppt: ook in zijn gemaed van Justitie deezes gouver„ mements 162. is overtuijgd dat de bewijzen, welke den Heer R: d: Eijs scher mogt hebben ingewonnen, nimmer af novir van dat gewicht zullen kunnen bevonden wor¬ „den om hem supp=t die geheel onschuldig is en nooit eenig ander goed heeft vervoerd als het welk hij voor negotie had vervoerd, dus te overtuijgen van een misdaad die niet is bedreeven. De omstandigheeden, waarin den suppt zich bevind, hem supp=t. echter hebben doen overweegen dat schoon ook de proceduures van den officier blijvende afwagten, Ja zelfs daarinne zoo als hij vast vertrouwd triumpheerende eevenwel aan important nadeel geExponeerd blijft daar Se. de Getuijgen, welke de suppt in zijn zaak noodig heeft verre landwaards in woonachtig zijn, (zoo dat er een geruimen tijd word vereischt om die persoo„ nen herwaards te doen opkoomen dewijl intusschen des supp„n Boedel bestaande in twee Plaatzen, een groot aantal slaaven, vee als anderzints, bij den daarvan bij uwel Ede Achtbr geformeerden in ventaris blijkende, zonder des suppt. anders zoo noodzaakelijk opzicht zoude moeten gelaaten en de supptn. dus aan een groot verlies blootgesteld wor¬ „den. —. za 163. 2=e Dat hoe gunstig de proceduures ook voor hem supp=t moogen uitvallen, hij eevenwel de verdere poursuites van den officier niet zal kunnen ontwijken alzoo het ongetwijf„ feld zeeker is dat den officier succombeerende gewisselijk van het vonnis zal koomen in appel aan den achtb=r Raad van Justitie te Batavia door welke demarche de sup„ pliant al weederom dezelvde incommodi„ teijten zoude moeten leijden als hij tans werke„ lijk ondergaat, en die hem dus geduurende den tijd van 2 a 3 Jaaren buiten staat zouden stellen om zijne goederen naa behooren te admi„ „nistreeren. — Dat hij supp=t. uit hoofde voorsz: en om al„ die gevolgen voor hem te prevenieeren tans raad„ zaamst heeft geoordeelt zich te wenden aan uwelEde achtb„e gelijk hij doet mits deezen met zeer Eerbiedig verzoek dat het van der„ zelver welbehaagen zijn mooge deeze zaak te verklaaren Civiel en Compasibel vertrouwen„ de de supp=t. dat uwel Ede Achtb:s in aanmer„ „king neemende dat hij reeds zeedert eenige daar„ gen door eene zwaare koorts is aangetast en dus 3 :
English
164. thus already for some days, having had to keep to his bed, will grant a favorable apostil upon this his petition so that he, petitioner, freed from all further unpleasantries, can return to his place and the management of his affairs. Below was written: which doing etc. Was signed: D Koch. After the reading of which, having heard the Adjunct Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, acting in this matter due to the indisposition of the Independent Fiscal, who declared that, however much the action which the Independent Fiscal has instituted against the said Koch as routinely practiced by the Office of the Fiscal is fully founded, there are nevertheless currently various inquiries to be obtained from persons residing in the outer districts, and further investigation must still take place regarding various particulars, whereby this matter will certainly drag on for some time yet. But that, on the other hand, the officer, out of consideration for what the petitioner presented in his petition, left the matter 165. the matter to the Council's judgment, with that stipulation nonetheless that the Independent Fiscal reserved the right, if the Council should proceed to condescend to the petitioner's request and the composition before the Honorable Commissioners should nevertheless not be reached, to then proceed with the lawsuit in principle, requesting accordingly that in such a case the matter might be considered in the same status as it was before the decree of composition. And hereupon, after ripe deliberation concerning the submitted petition, the following appointment was decided by a majority of votes: The Council, having read the petition of the detainee Godfried Fredrik Koch and having heard the officer thereon, declares this matter civil and compoundable. While furthermore Mr. Hendrik Justinus 166. Justinus de Wet, who was of the opinion that the requested composition should be rejected and Koch, on account of his indisposition, be released from his detention under bail of 2000 Rds; And Mr. van der Riet, who advises that the requested composition should be rejected, because if the offense with which Koch is charged is proven, no composition can apply to it, and if the said Koch is innocent, it would involve a hardship to impose a fine on such a person on top of the detention; have had their votes recorded in the minutes. Whereupon the said Adjunct Fiscal Exter orally made known in the Council that yesterday a report was received that a certain Engel, who had gone out with the youth Johan Diederik 167. rik Beneke to shoot at the so-called mole birds, was struck in his loins in such a manner by the accidental discharge of the firearm of the said Beneke, just when the latter was busy putting the cock at half-cock, that he passed away a few moments thereafter; he, the Adjunct Fiscal, immediately thereupon, after having conducted an inspection of the corpse alongside the Honorable Commissioners, had very accurately inquired of those who had witnessed this unfortunate accident and were now summoned before the Council chamber; That, however, not only was it testified to him, the Adjunct Fiscal, by the parents of the aforesaid Engel that the said Beneke had always lived in very good harmony with their son and had always had familiar intercourse with him, but that 168. that it also appeared from all further circumstances that the incident is to be attributed to nothing other than a sheer casualty. Wherefore the said G. Exter, on behalf of the Office of the Fiscal, declared that he could institute no action regarding the aforesaid matter against the person of the mentioned Johan Diderik Beneke, requesting at the same time that he may be discharged and acquitted thereof by this Council by decree. Whereupon the aforesaid Johan Diderik Beneke, who appeared in the Council alongside the burghers Johannes Ernestus Weesberg, Hermanus Mulder, the slave Domingo, and a certain youth Ockert Brits, being asked how the incident occurred, answered thereto: That he, with the said Engel, as they were often accustomed, had also gone out yesterday to shoot at the mole birds; that they had gone to sit there at an estimated thirty to forty paces 169. paces from each other in order to shoot at the birds that continuously passed by; that, while Engel had positioned himself with his back toward him, having held the firearm on his lap, he had attempted to put the cock, which had been cocked, at half-cock; that, however, the shot immediately went off, and he also immediately noticed that his said comrade Engel was struck, testifying under many tokens of sorrow that this incident occurred in no other way than accidentally. The said Weesberg subsequently having declared in court that he had gone with the aforesaid Ockert Brits likewise to shoot birds; that, however, as soon as he had gone to sit at the mole hill, he heard a shot there, and immediately 170. heard the aforesaid Engel, who stood up and moved toward him, Weesberg, cry out: O God, I have a shot. Without anything else of this being known to him, nor to Hermanus Mulder and the slave Domingo, who declared that they only came upon it after the incident had occurred, the repeatedly mentioned Engel, who had still been refreshed with drink by the just-cited Weesberg, having passed away after having lived for about 20 minutes. And whereas from all circumstances it is manifest that the aforesaid incident is to be attributed to nothing other than a pure casualty. Thus the Council, having paid attention to the declaration of the officer and to all that merited reflection in this matter, has discharged the person of Johan Frederik Beneke as entirely innocent from the action of the officer.
Dutch transcription
164. dus reeds eenige etmaalen, het bed heeft moeten houden op dit zijn request zullen verleenen eene gunstige apostible op dat hij suppt. van al¬ le verdere onaangenaamheeden bevrijd tot de plaats en de waarneeming zijner afaires kan te rug keeren /onderstond:/ 't welk doende w=a /was geteekend :/ D Koch. — Na welks Lectuure daar of gehoord is de adjunct Fiscaal d E Gabriel Exter als in deezen vermits indispositie van den Heer Independent Fiscaal ageerende dewelke declareerde dat hoe zeer de actie welke de Heer Independent Discaal op en Jeegens gem: koch heeft geinstitueerd zoo als van de zeijde van het officium Fiscaal word gerui „tineerd volkoomen gegrond is er echter tans nog deeze en geene enquesten van persoonen in de buiten districten woonachtig dienen te wor„ den ingewonnen, en noch weegens verscheyde ne particulariteijten naader onderzoek te geschie den waar door deeze zaak zeekerlijk noch eeni¬ gen tijd zal traineeren. — Dan dat echter aan den anderen kant den officier uit Consideratie van het geen den suppt bij zijn request heeft bijgebrag de zaak 165 de zaak aan Fraads oerdeel overliet met die bepaaling nogtans dat de Heer Jndependent Feiscaal aan zich reserveerde om zoo de raad mogte overgaan omin 't verzoek van de suppten te Condescendeeren en de Compositie voor Heeren gecomme: echter niet mogt worden ge¬ troffen als dan met de proceduure ten pp t voorte vaaren verzoekende mits dien dat in zulken gevalle de zaak mogt wor¬ „den geconsidereert in dezelvde termin als ze voor het decreet van Compositie geweest is. — En is hierop na rijpe deliberatie over het ingediend request, bij meerderheid van stemmen het volgende appoinctement gevallen: — De raad het request van den Gede„ tineerden Godfried: fredrik koch ge„ „leezen en den officier daarop gehoord hebbende; verklaard deeze zaak Civiel en Compagibel. Terwijl voorts de Heer Hendrik Jus¬ tinus 166. Justinus de wet dewelke van gevoelen was dat men verzochte Comporitie zoude van de hand wijzen en koch ter zaake van zijn indispositie onder den Cautur van 2000: rd„s uit zijne detentie ontslaan En den Heere van der Bier dewelke advireerd dat men de verzogte Compositie zoude vande hand wijzen, uit hoofde, dat zoo de miss „daad welke koch word te laste gelegd beweezen word daar op geen Comparitie van vallen, en zoo gem: koch onschuldig is het een hardig „heid zoude involveeren om zoo iemand noch boo ven de detentie een boete op te leggen Derzelver vota in de notulen hebben doen aanteekenen. Waarna gem: Adjunct fiscaal Exter in Ban „de bij monde te kennen gaf, dat op gisteren rapport zijnde ingekoomen dat zeekere En„ „gel, welke met den Jongeling Johan Diede„ grik 167 rik Beneke was uitgegaan, om aan de zoogenaamde moee vogels te schieten, door het onvoorziens bospringen van het geweer van gem: Beneke Juist wanneer deeze beezig was de haan in de rust te zetten, dermaaten in zijn lendenen was getraffen dat hij korte oagenblik„ ken daarna overleeden was; Hij Ad„ Junet Fiscaal daarop daadelijk, naa„ neevens Heeren gecomm„e van het lijk schouwing gedaan te hebben zich bij de geenen, welke dit ongelukkig geval had„ „den bijgewoond en tans voor de raad„ zaal waaren geappoincteerd hier naa zeer naauwkeurig had geinformeerd; Dat echter niet alleen door de eigene ouders van voorsz: Engel aan hem ad„ Junct Fiocaal was betuigd dat gem: Be¬ „neke altoos in zeer goede harmonie met hunnen zoon geleefd en met hem altoos familiairen ommegang gehad had maar dat 2 168. dat teffens ook uit alle verdere omstandigheede bleek dat het voorgevallene nergens anders als aan een bloote Carualiteijt is toe te schrij¬ „ven, Weshalven gem: E: Ecter van weegens het officium Fiscaal declareerde geene acte ter zaake voorsz: op den persoon van gerefte Johan Diderik beneke te kunnen institue ren; verzoekende teffens dat denzelven daar deezen raade daarvan bij decreet moge wer¬ den ontheft en vrijgesprooken — Waarop voornz: Johan Diderik Bencke dewelke neevens de burgers Johannes Ernestu Weesberg, Hermanus Mulder, den Hlaaf domingo en zeekere Jongeling ockert Bri in raade verscheen afgevraagd zijnde hoedaan zig het geval had toegedraagen, daar op ant¬ „woorde; Dat hij met gem: Engel, gelijk zij Dikwerf gewoon waaren ook op gisteren was uitgegaan om aan de malie voagels te schiete dat zij aldaar naa gissing dertig a veertig scu den 169. „den van den anderen waaren gaan zitten ten einde op de voogels welke bij continu„ „atie voorbij trokken te schieten; Dat hij terwijl Engel zig met de rug naa hem toe had geplaatst het geweer op zijn schoot gehouden hebbende„ gepoogd had, den haar welke gespannen geweest was, in de rust te zetten; dat echter daarop ter„ stond de schoot was lasgegaan, en hij ook daadelijk bemerkt had dat gem c zijn Camaraad Engel getroffen was, Be„ tuigende onder veele kenteekenen van leedweezen dat dit geval niet anders als ongelukkiger wijze was toegekoo„ Hebbende vervolgens geme: Weesberg¬ in Judicio gedeclareert dat hij met voorz: dekert Brits was gegaan om insgelijx voogels te schieten; Dat echter zoodraa hij aan de molie was gaan zitten hij al„ daar een schoot had gehoord, en daadelijk „men. — woor 170. voorsz: Engel die opstond en zich naar hem Weesberg begaf had hooren roepen d God ik het een Schoot. Zonder dat hij hem echter gelijk ook voor Hermanus Mulder en den slaaf domingo wel¬ ke declareerden eerst naa dat het geval was ge¬ beurd daar bij te zijn gekoomen hier van iets anders bekend was, hebbende meerm: Engel welke nog door eevengecit: Weesberg gelaafd was geworden naa circa 20 minuten ge„ leefd te hebben, het afgelegd. — En nadien uit alle omstandigheeden ma„ „nifect is dat het voorsz: geval nergens an„ ders als aan een lautere Casualiteijt is toe te schrijven. — Zoo heeft de Raad gelet hebbende op de declaratie van den officier en op al het gunt in deezen reflectie meriteerde den persoon van Johan Frederik Bereke als geheel on¬ schuldig van de actie van den officier ont„ heet
English
At the Cape of Good Hope, the day and year as above. Below: In my presence, signed: W J Rijneveld, Secretary. Thursday the 29 April 1795 In the morning, present the Honorable Johannes Izaak Rhenius, President, and all the members except Mr. Ronnenkamp due to other business. The independent fiscal of this government, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, plaintiff according to the roll, against the burgher Johannes Jacobus Rens, defendant, summoned to hear the renunciation of further productions upon his submitted answer. The plaintiff renounces further production and requests justice. The defendant likewise states that he renounces further productions. The Council holds this case in advisory deliberation for general reading. Thereafter, the Adjunct Fiscal Mr. Johannes Andreas Truter appeared before the Council, qualified ex officio to act in the affairs of the Landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein. Presenting an account of the Hottentot Gerrit Bastaart and four statements given before Commissioners by some other Hottentots, he made known how a certain Hottentot, Jan Paerel, in the year 1788 had agitated several Hottentots in this country by making them believe that he knew that the world would end on the 25 October of that year, causing a large number of the Hottentots living with the Christians and residing in kraals near their farms to conspire together and putting into their minds to entrench themselves on certain high hills, furthermore to slaughter their livestock, and, as appears more fully from the above-mentioned documents, to commit various other follies which, certainly considered in themselves, are ridiculous, but however foolish and childish, might nevertheless have yielded harmful consequences had one not in time convinced those creatures of their folly and thus checked the further effects of the mistaken delusion into which they had been led by the aforementioned Jan Paerl. That the said Landdrost, having nevertheless considered it his duty to issue the necessary orders to apprehend the aforesaid Jan Paerl who had taken flight, said Jan Paerl had nevertheless not been captured until now and brought to Stellenbosch in detention. That although he, the Landdrost, did not find himself sufficiently in a position to institute criminal proceedings against the said Jan Paerl, he nevertheless took the liberty, in order to check those irregularities that could arise for the Colony from such conduct on his part, to submit for the Council's consideration whether their Honors might not see fit to order the cited Jan Paerl to be put in irons and to work for his rations at the Colony's public works at Stellenbosch, with the express prohibition not to venture beyond a distance of three hours around the Drostdy. Which having been deliberated upon, the Council approved the proposal of the said Adjunct Fiscal in this matter, with the stipulation, however, with the stipulation however that the Hottentot Jan Paerl shall be put in irons only provisionally. Furthermore, by the said Adjunct Fiscal, acting in his official capacity for the Landdrost of Graaff-Reinet, was produced an attestation granted by the surgeon of that colony, Carel Phil Lastron, concerning the post-mortem examination of the body of the substitute Johan Adolf Jurgensen, and at the same time a request was made, that since the said attestation was indeed good as to form, but certain ambiguities presented themselves as to matter, which would hinder him in drawing up the criminal charge against the detained burgher Tobias Mijnhard in providing that elucidation regarding the nature of the wounds inflicted on the said Jurgensen which he, in this critical matter, would otherwise as an officer be obliged to supply to the Council, it might therefore please the Council to place the aforesaid inquest certificate in the hands of experts, in order to proceed in this matter with greater certainty based on the advice given in that regard. Which request having been taken into consideration, it was thereupon approved to place the cited surgical attestation into the hands of the three chief surgeons of this government, Hendrik Le Sueur, Johannes Leeuwer, and Didier Pallas, in order to provide this Council with their considerations thereon. Subsequently, the wife of the aforesaid detained burgher Tobias Mijnhard appeared before the Council, presenting a petition of the following content: To the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Court of Justice of this Government. Honorable Sirs and Gentlemen, Shows with the requisite respect and submission your Honors' very humble servant Anna Elisabeth van Imweegen, wife of the detained burgher Tobias Mijnhart. That she, the petitioner, had taken into consideration the deplorable state in which her aforementioned husband has had to languish through a lengthy detention. That she, the petitioner, by virtue of the close bond of marriage with her currently unfortunate husband, considers herself by nature indebted and obliged to assist her aforesaid husband in this his need according to her weak ability, to administer and supply to him whatever he may need or be able to propose as the basis for his exceptions and defenses.
Dutch transcription
171. „heft-- Aan Cabo de goede Hoop die et anna ut Supra /:lager:/ Mij present /getee„ kend:/ W J Rijneveld Secrets:— Donderdag den 29 April 1795 'S Voordemiddags present d E Achtb Heer Johannes Izaak Rhenius President in alle de leeden dempto den Heere Ron nenkamp bij occupatie. — De Z. O: reqt. renuntieerd Den independent fiscaa van verdere productie deezes gouvernements Den en verzoekt recht. - E Achtb=r Heer Johan Nico„ De gerege. zegd meede laas Seeven van Lijnden van verdere productien R:d: Lijst te renuntieeren. Contra den burger Johannes Jacobus Rens ges. omme op desselvs ingediend antwoord te hooren ren renuntieeren van verde re productien. — De raad houd deeze zaak ter rond leezing in advijs Waar 173. Waar naa in Raade verscheene de Adjunct Fiscaal Mr. Johanes Andre „as Pruter dewelke als Exofficio gequa„ lificeerd ter waarneeming der zaaken van den Landrost der Colonien stellen„ bosch en drakenstein onder overleg„ ging van een relaas van den Hof¬ „tentot Gerrit Bastaart en vier ver„ klaaringen door eenige andere Hof„ tentotten voor heeren Gecomm. r ver„ leeden, te kennen gaf, hoe zeekere hot„ ten tot Jan Paerel in het Jaar 1788 verscheide hottentotten in dit Land had gebragt in beweeging door hen wijd te maaken; dat hij wist dat de waereld op den 25 october van dat Jaar zoude vergaan en een groot aantal van de bij de Christenen in„ „woonende en omstreeks derzelver plaatzen in kraalen verblijf houdende hottentot„ ten 174. „ten bij elkander te doen Complotteeren en dezelve voorts in het idee te brengen om zich op zeekere hooge heuvels te verschan sen wijders hun vee te verslagten en zoo als uit boovengem: stukken breeder Con steerd, verscheide andere Lottires te bedrij „ven welke zeekerlijk op zich zelve be„ schouwd belachelijk zijn edog hoe zak en kinderagtig ook eevenwel naadeelige gevolgen zoude hebben kunnen opleeve„ ren zoo men niet in tijdsdie schep¬ zelen van hunne dwaasheid had overtuijd en dus de verdere uijtwerkzelen van den verkeerden waan, waarin zij door meerm Jan Paerl waaren gebragt teegengegaan Dat gem: Land-drost echter van zijn blig geagt hebbende de noodige ordres te stellen om voorsz: Jan Saerl die zich op de vlugt had begeeven te doen agterhaalen; denzelven Jan Paerl nogtans niet eerder als nu wa gevange v 175 gevangen genoomen en te stellenbosch en hechtenis overgebragt, Dat hoe zeer hij land-droot zich ook niet genoeg¬ zaam in staat bevond om teegens gem: Jan Paerl Crimineele proceduures te Entameeren hij echter tot stuiting van N die ongereegeltheeden: welke uit een dier„ gelijke Conduite van dezelve voor de Colonie konde gebooren worden, de vrij„ heid nam den raade in Consideratie te geeven, of Hun EE Achtb:e niets zoude kunnen goedvinden geciteer„ „de Ian Paerl in de ketting te doen klinken en voor de kost aan 's Colonies werken te stellenbosch te doen ar¬ beiden, met expresse verbad van zich niet verder als de distantie van drie uuren in den omtrek van de Drosdije te moogen begeeven. — Waar over gedelibereerd zijnde Heefe 176. Heeft de Raad de propositie van gede Adjunct Fiscaal in deezen geagreërt met die bepaalinge echter met die bepaalinge echter dat de Hotten¬ tot Jan Saerl slegts provisioneel zal werden in de ketting geklonken Wijders wierd door gem: Heer Adjum Fiscaal als in officia voor den Land= drost van Graaffe Reinet ageerende geproduceerd een Atest verleend; door den Chirurgijn dier Colonie Carel Phil Lastron weegens de visitatie van het Lijk van den substituut Jo¬ han Adolf Jurgensen, en teffens verzoek gedaan, op nadien het gede At¬ test wel quod ad formam goed wees, e¬ doch zich quod ad materiam in het„ zelve eenige duijsterheeden hadden of gedaan 177 gedaan, welke hem bij het Coucheeren van den Crimineelen Eijsch Jeegens den geaedineerden burger Tobias Mijnhard, hinderlijk zijn zouden om weegens de gesteldheid der aan gemelde Jurgensen toegebragte won„ „den die elucidatie te kunnen gee„ „ven, welke hij in deeze Critie„ que zaak als officier anderzins verpligt zoude zijn den raade te suppediteeren, Het overzulx van 's raads welbehaagen zijn mooge voorsz: schouw acte te stellen en handen van des kundigen; ten ein„ de op het diesweegens gegeeven ad¬ „vijs in deezen met te meerdere zeeker„ heid te werk te gaan.— Welk verzoek in overweeging genoomen zijnde. E 78. Is daarop goedgevonden het geciteerde Chirurgicaal Attest te stellen in handen vande drie oppermeesters deezes gouvernements d'E Hendrik Le Sueur Johanna Leeuwer en Didier Pallas om deezen raade daarop te dienen van derzelver Consideratien. — Vervolgens trad in Raade de Huisvrouw van voorsz: Gedetineerden burger Tobias Mijnhard presenteerende een request van navolgenden inhoude. — Aan den WelEde Achtbre Heer Johannes Isaak Schenind president beneevens de ver¬ „dere Eedele Achtb: raaden van Justitie deezes gouvern „ments WelEdele Achtbr Heere en EE: Heeren Geeft met de vereischte Eerbied en onderdaa nigheid, 179. nigheid te kennen uwe welEdelens Acht„ „baarens Zeer needrige Dienaresse Anna Elisabeth van Imweegen, huisvrouw van den gedetineerden burger Tobias Mijnhart. Hoe dat zij suppte. in overweeging ge¬ „noomen hadde de deplorable staat waarin haar voorm=de Man door eene langduurige detentie heeft moeten zuchten, Dat zij suppten uit hoofde der naau„ „we betrekkinge door den band des huur„ lijks op dezelve haaren tans ongelukki„ gen man van natuurs weegen zich schuldig en verpligt reekend haaren voorsz: Man in deezen zijne Nood na haar zwak vermoogen te adsisteeren, hem te administreeren en te subministree¬ „ren het geen hij tot fundament van zijne Exeptien en defensien die hij zau¬ „de moogen of kunnen proponeeren van nooden
English
might have need of. That although she, the petitioner, has been informed that the laws are very strict and harsh against those who commit any great faults, crimes, or offenses, and that to this end it is established that one may and must proceed both by accusation and by inquisitorial inquiry; Yet the same laws strive even more toward the relief than the burdening of all manner of accused persons, just as they understand that all offenses must be made as clear and clearer than the sun at midday. To which end all prisoners, whether one wishes to proceed against them ordinary or extraordinary, or by extraordinary manner, are permitted to make their defense fully. That because she, the petitioner, firmly trusts that Your Honorable Worships will know that defensio is juris naturalis, which cannot and should not be denied to anyone, and that the answer to charges, under correction, must especially be allowed when justice is to be pronounced over a Christian person, quo casu non tam politice, or according to reasons of state, but as between Christians one must proceed; She, the petitioner, on this foundation with all the more boldness and required respect turning to Your Honorable Worships, very humbly and meekly requesting that it may please Your Honorable Worships that to her, the petitioner, might be granted to bring forward, through an attorney pro Deo by way of suggestion, under the eyes of Your Honorable Worships, everything she knows in any way to submit in justification of her aforementioned husband and to strengthen with the evidence already obtained by her and still to be acquired, in order that upon the termination of this lawsuit such regard may be taken thereof as Your Worships shall find proper. It stood below: Which doing, etc. Was signed: Anna Elisabeth Mijnhard, born van Imweegen. In the margin: Exhibited in Court the 29th of April 1790. Whereupon, the opinion of the Assistant Fiscal Mr. Johannes Andreas Truter, acting in this case for the Landdrost of the Colony of Graaff-Reinet, having been requested, he declared to have nothing against it, provided the petitioner produced her writings herself. Wherefore, after consideration of matters, this request was granted by apostil: The Council, having read this request and having heard the declaration of the officer thereon, grants the petitioner the request made, she being obliged, however, to produce her memorial in Council herself. Hereupon, after the Honorable Independent Fiscal had retired from the meeting, having been brought to the table and deliberated upon the documents and muniments that served in the proceedings instituted by the Honorable Independent Fiscal ex officio upon and against the burgher Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, and circulated among the respective members of the Council, The Council, having worked thereon with all possible accuracy and having noted what was relevant to the case and could move Their Honorable Worships, Administering justice in the Name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, Condemned the defendant Jonas Albertus van der Poel to beg forgiveness in open court with open doors before this Council, and in particular the Honorable Worshipful Lord President, on account of the insolent expressions used by him, van der Poel; and further to pay to the Lord Prosecutor ex officio a fine of One Hundred ducatons, with further condemnation of the defendant in all the costs incurred in this case, and dismissal of the further claim of the officer. Thereafter was also taken in hand the proceedings instituted by the aforementioned Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lynden ex officio upon and against the burgher Johannes Joachimus Theron on account of mistreatment of his slave named October of Mozambique, over which having also been maturely deliberated: The Council, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, condemned the defendant Johannes Joachimus Theron to a pecuniary fine of One Hundred Rixdollars for the benefit of the Lord Prosecutor ex officio, and at the same time ordered that the aforementioned slave October shall be sold judicially for the benefit of the defendant under this condition: That the same shall never again come under the power of the defendant or anyone of his family, with further condemnation of the defendant Johannes Joachimus Theron in all the costs incurred in this case, and dismissal of the further claim. And further having been brought to the table the documents and muniments, also circulated, that served in the lawsuit instituted by the aforementioned Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lynden ex officio upon and against the Heemraad at Stellenbosch, Jan de Villiers, J. P. son; The Council, having attentively deliberated thereon, pronounced the following sentence in this case: The Council, taking into consideration that from the proceedings conducted herein it has clearly appeared that the defendant's servant has transgressed in the selling of wine against the Placard of the government, Administering justice in the Name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, Condemns the defendant Jan de Villiers, J. P. son, to the fine of One Thousand guilders in Indian valuation determined by placard, but reserves to the defendant his action in this regard against his servant, with further condemnation of the defendant in all the costs incurred in this case. Lastly, the Honorable Worshipful Lord President gave the
Dutch transcription
180. nooden zoude moogen hebben. — Dat alhoewel zij suppte. haar heeft laa¬ ten onderrigten dat de wetten zeer strict en harde zijn teegens die geenen die haar in eenige groote faulten Crimen of delieten koomen te vergrijpen, en dat ten dien eijnde gestatueerd is dat men zoo bij accuratie als inquisitie moet en mag procedeeren. — Zoo laboreeren nogtans dezelve wetten noch meer tot ontlastinge dan tot beswaarnisse van allerhande geaccuseerde persoonen zoo als zij ver¬ staan dat van alle delicten zoo klaar en klaar„ „der blijken moet als de zonne op den middag Ten welken Eijnde alle gevangenen het zij men teegens dezelve ordinario dan wel extra ordinario dan wel Extra ordinaris mada wil procedeeren toegelaaten is haare defensie volkoomentlijk te doen. — Dat overmits zij suppte. wel vastelijk vertrouwd dat uwelEde. achtb:e. zullen weeten dat defenoio is Juris Naturalis die niemand en kan 181 kan nog behoord te werden geweigerd, en dat de verantwoording /:onder Correctie zonderling moet toegelaaten worden als wanneer recht uitgesprooken zal wor„ „den over een Christen mensch quo Casi non tam politice, of naa materie van sta„ ten maar als tusschen Christenen moet geprocedeerd worden; zij supp=te om dit fundament met des te meerder vrijmoedigheid en vereischten eerbied haar tot uwelEd=e achtb:e in wendende zeer needrig en ootmoedig ver zoekende dat het uwelEde Achtb„e wel„ behaagen zijn mooge, dat aan haar suppte mogte werden geaccordeerd alle het gee„ me zij maar eenigzints tot verontschul„ „diging van voorm: haaren man voor te brengen, en met de bij haar reeds in¬ gewonnene en nog te bekoomene bewijzen te sterken weet, bij procureur pro Deo bij wijze van suggestie onder het oog van uwelEd„ Achtb„re te moogen brengen omme 182. omme daarop bij het termineeren deezer proces duures zoodaanig reguard genoomen te werden als hoogst dezelve zullen vinden te behooren. — /onderstond :/ 't welk doende &a /: was getee„ kend:/ Anna Elisabeth Mijnhard, geboren van Imweegen /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 29 april 1790. - Waarop het gevoelen van den adjunct Piscaal Mr. Johannes Andreas Fruter als in deeze zaak voor den Land=drost der Colo¬ nie graaffe Reinet ageerende, afgevraagd zijnde verklaarde denzelven daar niets teegen te hebben bij aldien de suppte haare schriftim „ren maar zelve produceerde. — Weshalven naa overweeging van zaaken op dat request vooraportil is verleend De Raad dit request geleezen en daarop gehoord hebbende de declaratie van 183 van den officier, accordeerd der supp„t gedaan verzoek zullende zij echter gehouden zijn haare memorie zel„ ve in raade te produceeren. — Hierop naa dat zich den Heere Jnde„ „pendent Fiscaal uit de vergadering had geretireerd, ter tafel gebragt, en ge„ delibereert zijnde overde stukken en munimenten gediend hebbende inde proceduure door den Heer Jndependent Fiscaal R:d: opende Jeegens den burger Luitenant Jonas Albertus van der Poel geentameerd en bij de resp„en Leeden des raads rondgeleezen Zoo heeft de raad, daar oover met alle moogelijke accuratesse gebesoi„ „gneerd hebbende mitsgaders gelet op het gunt ter zaake was dienen¬ de en Hun Ed: Achtb:r konde doen moveeren 184. moveeren Recht doende uit Naam en van weegens de Hoog moogende Heeren Staaten generaal der Vereenigde Neederlanden den gede. Jonas Albertus vander Poel gecondemneert om in pleno Judicia met opene deuren deezen raade en in het bijzonder den E Achtbrn Heer President weegens de insolente uit¬ drukkingen door hem van der Poel gebeezigd, om vergiffenis te verzoeken en wijders aan den Heer R:O: Eijsscher te betaalen een boete van Een Hon¬ dert ducatons, met verdere Condem¬ natie van den ged=e in alle de ter dee„ zer zaake gevallene kosten en ontzeg„ ging van het verdere geeischte van Den officier. — Daar na ook bij der hand is genoomen de proceduure door voorsz. Heere Independen fiscaal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden r:0 185 R:O: op ende Jeegens den burger Johannes Joachimus Cheron weegens mishande¬ „ling van zijn slaaf in naame october van morambicque geentameerd waarover almeede rijpelijk gedelibereert zijnde:— - Heeft de Raad Recht doende uit naam en van weegens de Hoog Moogende Heeren staaten generaal der vereenigde Needer landen den gede Johannes Ioachimus The„ „ron gecondemneert in een pecunieele a„ mende van Een Hondert Rijxdt: ten pro¬ fijte van den Heer R:O: Eijsscher en teffens geordonneert dat voorsz: slaap oftober ten voordeele van den gede gerechtelijk zal worden verkogt onder deeze Conditie Dat dezelve naoit weeder onder de macht van den ged=e op iemand van de zijne zal moogen geraaken met verdere Condemna„ „tie van den gede Johannes Joachemus Theron in alle de ter deezer zaake geval„ lene kosten en ontzegging van den verde„ „ren Eisch. — En wijders ter Tafel gebragt zijnde, de meede ƒ 186. meede rondgeleezene stukken en munimenten, ge„ „diend hebbende in het proces door voorn: heer Jnde pendent Fiscaal Johan Nicolaas Steeven van zijnden r:O op ende Jeegens de Heemraad aan stel„ „lenbosch Jan de villiers J: P: L geentameerd; zoo heeft de raad daar over met attentie gedelibereerd hebbende in deeze zaak het vol„ „gende vonnis geveld. - De Raad in aanmerking neemende, dat uit de in deezen gevoerde proceduures duide „lijk is gebleeken, dat des ged:e knegt in het ver„ koopen van wijn teegen het Placcaat der regee¬ „ring heeft gepecceerd, Recht doende uit Naam en van weegens de Hoog Hoogende Heeren Staa „ten generaal der VerEenigde Neederlanden Com demneert wel den ged=e Jan de villiers J: J:z: in de bi placcaat bepaalde boete van Eenduijzend guldens Inde. valuatie dog laat hem gede zijne actie deswe „gens of zijn knecht gereserveerd met verdere Con„ demnatie van den ged=e in alle de ter deezer zaa„ ke gevallene kosten. — Laatstelijk gaf den E Achtbre Heer President den
English
to the Council, that the commissioners had reported to His Honorable Worship how Their Honors, pursuant to the order of the 26th of this month issued upon the petition presented by the detained citizen Godfried Frederik Koch, having attended the composition of the Independent Fiscal with the said Koch, the agreement could nevertheless not be reached, since the Adjunct Fiscal, the Honorable Gabriel Egter, on behalf of the Fiscal, claimed 6000 rds and Koch had only offered 2500 rds, so that their commission had ended fruitlessly. And hereupon it was resolved by the Council to have the Independent Fiscal asked by the Secretary of this assembly whether His Honor accepted the offer made by the said Koch, namely to give 2500 rds; with the addition that if His Honor did not agree thereto, the proceedings against the said Koch would then have to be continued and the evidence still lacking obtained as soon as possible; the Secretary shall give the necessary notice of the result thereof to the commissioners, in order that, in case the aforementioned Independent Fiscal accepted the offer made by the detainee Koch, they can then immediately attend to finalize the composition, so that the said Koch, being currently severely ill, may be released from detention. At the Cape of Good Hope, the day and year as above. Lower: In my presence, was signed: W Ht Rijneveld, Secretary. Underneath: Thursday the 20th of May 1790. Morning Extraordinary meeting. Present: the Honorable Worshipful Johannes Isaak Rhenius, President, and all the members. The Secretary of this Council, Willem Stephanus van Rijneveld, in his official capacity, Prosecutor, versus the Honorable Worshipful Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, on the one part, and the former burgher lieutenant Jonas Albertus van der Poel on the other part, the former having acted as Plaintiff ex officio, and the latter as Defendant and Respondent, being summoned in this matter to hear judgment pronounced on their documents and exhibits produced in Court. The Council, having read and considered with all possible accuracy the documents and exhibits produced in Court, as well as having noted what was relevant to the matter and could move Their Honorable Worships, Administering Justice in the Name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, Condemns the defendant Jonas Albertus van der Poel to ask forgiveness in pleno Judicio with open doors of this Council, and in particular of the Honorable Worshipful President, on account of the insolent expressions used by the said defendant, and further to pay to the Plaintiff ex officio a penalty of One Hundred Ducatons, with further condemnation of the defendant in all costs incurred in this case, and dismissal of the remainder of the Officer's claim. Underneath: Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope the 29th of April 1790, and pronounced the 20th of the following month of May. Was signed: Rhenius, Joh:s Smuts, G H Meijer, Mappa, I Dewet, Am Flek. Lower: In my presence, signed: W J van Rijneveld, Secretary. In the margin: Today, the 21st of May, the former Burgher Lieutenant Jonas Albertus van der Poel declared that he appeals against the foregoing judgment to the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Batavia. Underneath: Quod Attestor, was signed: J J R Rijneveld, Secretary. The Secretary of this Council, Willem Stephanus van Rijneveld, in his official capacity, Prosecutor, versus the Honorable Worshipful Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden on the one part, and the burgher Johannes Joachimus Theron on the other part, the former having acted as Plaintiff ex officio, and the latter as defendant and respondent, in order to hear judgment pronounced on their documents and exhibits produced in Court. The Council, having attentively read and reviewed the documents and exhibits submitted by the parties in Court, as well as having noted what was relevant to the matter and could move Their Honorable Worships, Administering Justice in the Name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, Condemns the defendant Johannes Joachimus Theron to a punitive fine of One Hundred Rixdollars for the benefit of the Plaintiff ex officio, and orders at the same time that the defendant's slave from Mozambique shall be sold judicially for the benefit of the said defendant under the condition that the same shall never again fall under the power of the defendant or anyone of his family, with further condemnation of the defendant Johannes Joachimus Theron in all the costs incurred in this matter, and dismissal of the remainder of the claim made. Underneath: Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope the 29th of April 1790, and pronounced the 20th of May following. Signed: Rhenius, Joh.s Smuts, G H Meijer, Mappa, I Dewet, RWVD Riet, A=m Flek. Lower: In my presence and signed: W Jr Rijneveld, Secretary. In the margin: Today, the 21st of May 1790, the assistant Willem Kolver, as representative of the burgher Johannes Joachimus Theron, declared that his principal appealed from the foregoing judgment to the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Batavia. Lower: Quod Attestor, signed: WJV Rijneveld, Secretary.
Dutch transcription
187 den raade te kennen, dat heeren gecomm=e aan zijn E: Achtb= rapport hadden gedaan hoe Hun EE: ingevolge het appoincte„ ment van den 26 deezer gevallen op het request door den gede burger God„ fried Frederik Hoch gepresenteerd ge¬ vaceerd hebbende bij de Compositie van den Heer Independent Fiscaal met gem: hoch, het accoord echter niet had kunnen worden getroffen naa„ dien den adjunct Fiscaal D'E Gabriel Egter voor reecke. van den heere Tis¬ „caal pretendeerde 6000 rd=s en koch al„ „leenlijk had geaffereerd 2500 rd„s, zoodat hunne Commissie inutiel was afgeloo¬ pen. — En is hier op bij den raad beslooten den Heer Independent fiscaal door den Secretaris deezer vergadering, te laaten afvraagen, of zijn E de ge„ daane presentatie van gem: koch van naamentlijk 2500 rd:s te wil„ len 188: „len geeven accepteerde ! met bijvoeging, dat zo zijn E: daarin niet bewilligde als dan met de proceduure van gem: Koch zoude moeten worde voortgevaaren en de noch ontbreekende bewijzen ten spoedigsten ingewonnen; zullende de secreta„ ris van het resultaat hier op de noodige kennis„ se geeven aan Heeren gecommitteerdens ten einde ingevalle meerm:r Heer independent fiscaal voort door den gedetineerden koch gedaane aanbod accepteerde als dan daadelijk te kunnen va¬ ceeren om de comporitie haar beslag te doen erlangen op dat gem: koch als tans swaar zie zijnde uit de detentie zal kunnen ontslaagen wor¬ den. . Aan Cabode Goede hoop diect annout Cupra (lager, Mij present /was geteekend:/ W Ht Rijneveld secret:s /:onderstond:/ 189. Donderdag den 20 Maij 1790. — 'S Voordemiddags Extra ordinaire vergadering present dE Achtbe. Heer Johannes Isaak Rhenius president en alle de leeden Contra den E Achtb=r Heer Jndependent Fiscaal alhier Johan Nico„ „laas steeven van Lijnden ter eenre en den oud burger Lieutenant Jonas Albertus van der Poel ter andere zijde de Eerstgem: als Eijsscher R:O: en de laatste voor verweerder en gedaagde geageerd hebbende ten deezen gerequireerdens omme op hun „ne in Judicie geExhibeerde stukken en munimenten von„ „nis te hooren pronuntieeren De Raad met alle moogelijke accuratere heb„ „bende geleezen en overwoogende stukkenen munimenten in Iudicio geExhibeerd mitsgad. s gelet op 't gunt ter materie was dienende en Hun EE Achtb:e konde doen De secretaris deezes raads Willem Stephanus van Rijne „veld amptohalven reg=s moveeren 190. moveeren Recht Doende uit Naam en van wee„ „gens de Hoog Hoogende Heeren staaten generaal der verEenigde Neederlanden Condemneert den ged„e Jona„ Albertus van der Poel om in pleno Judicio met ope„ „ne Deuren deezen raade en inzonderheid den E Achtb Heer president weegens de insolente uitdruk¬ kingen door hem ged=e gebeezigd om vergiffeniss verzoeken en wijders aan de Heer R:Os: Eijsscherste betaalen eene baete van Een Hondert Ducatons met verdere Condemnatie van den ged=e in alle de ter deezer zaake gevallene kosten en ontzegging van het verdere ge Eijschte van den officier. /onderstand:/ Aldus gedaan en gevonnist aan Cabo de goede Hoop den 29 April 1790 mitsgaders gepronuntieerd den 28' der daar aan volgende maand maij. — (was geteekend.) l Rhenius Joh:s Smuts G H Meijer Mappa I Dewer Am Flek (lager ) Mij present geteekend/ W J van Rijneveld secret=s /in margine:/ Huiden den 21 May heeft den oud Burger Luitenant Jonas Albertus van der Poel verklaard zich van het voorenstaande vonnis te stellen appellant aan den E: Achtb=r Raade van Justitie des Casteels d „tavia /onderstond:/ Quod Attestor /was geteekend:/ J J R Rijneveld secret=s:— 191. De secretaris deezer raads wil„ lem Stephanus van Rijne„ veld amptshalven requi„ rant. Contra den E Achtb=re Heer Jndepen„ „dent Fiscaal Johan Nicolaas steeven van Lijnden ter eenre en den burger Johannes Jo„ achimus Theron ter andere zijde, de Eerstgem: als Eijsscher R:O: en de laatste voorged=e en verweerder geageerd hebbende omme op hunne in Judicia geproduceerde stukken en munimenten, vonnis te hoo„ „ren pronuntieeren. — De raad aandachtelijk geleezen en geresumeerd hebbende de stukken en munimenten door par„ thijen in Iudicio overgelegd, mitsgaders ge„ let op het gunt ter materie was dienende en hun EE Achtb=e konde doen moveeren Recht doen„ „de uit naam en van weegens de Hoog Moo„ „gende Heeren Staaten generaal der vereenigde Neederlanden Condemneert den ged=e Johannes Jo„ achimus achimus Theron in een punieele amende van Een Hondert Rijxd=s ten profijte vanden Heer rio„ Eijsscher en ordonneert teffens dat des ged„e slaaf oft ove„ van Mosambicque ten voordeele van hem ged=e gerech„ telijk zal worden verkocht onder deeze Conditie dat de„ zelve nooijt weeder onder de macht van den ged=en of iemand van de zijnen zal moogen geraaken met verdere Can„ „demnatie van den gedn: Johannes Joachimus Hheron in alle de ter deezer zaake gevallene kosten en ontzeg„ ging van den verderen gedaanen Eijsch. — /:onderstont:/ Aldus gedaan en gevonnist aan Cabo de goede hoop den 29 April 1790 mitsgaders gepronuntieerd den 20 maij daar aan volgende /geteekend /: Renius Joh. s Smuts G H Meijer Mappa I Dewet RWVD Riet A=m Flek /lager/ mij present en geteekend :/ W Jr Rijneveld secretaris. /in margine:/ Huiden den 21 Maij 1790 heeft den adsistend Willem kolver als gem: van den burger Johannes Joachimus Theron verklaard dat zijn ppr zich van het voorenstaan „de vonnis stelde appellant aan den E Achtb=re Raade van Justitie des Casteels Batavia /lager:/ Quod Attes„ tot geteekend WJV Rijneveld secretaris. — 192.
English
193. The secretary of this council, Willem Stephanus van Rijneveld, ex officio petitioner, the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden of the one part, and the Heemraad at Stellenbosch, Jan de Villiers, Jan Pieterszoon, of the other part; the former having acted as plaintiff, ratione officii, and the latter for the defendant; the parties summoned herein in order to hear judgment pronounced upon their documents and muniments mutually produced in court. The Council, after reading and reviewing the documents and muniments exhibited in court, taking into consideration that from the proceedings conducted herein it has clearly appeared that the servant of the defendant has transgressed against the placard of the government in the selling of wine; Administering Justice in the Name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, Against Condemns Condemns the said Jan de Villiers, Jan's son, to the fine of One Thousand guilders, Indian valuation, determined by placard, but reserves to him, the defendant, his action in this regard against his servant, with further condemnation of the defendant in all the costs incurred in this matter. Below stood: Thus done and adjudicated at the Cape of Good Hope the 29th of April 1790, and pronounced the 20th of the following month of May. Was signed: Rhenius, Joh.s Smuts, G. H. Meijer, Mappa, I. D. Wet, R. W. Riet, A. M. Flek. Below: In my presence, and signed: W. J. van Rijneveld, secretary. In the margin: Today, the 22nd of May 1790, it was made known by the burgher Jacobus van Leeuwen, as attorney of the Heemraad at Stellenbosch, Jan de Villiers, Jan Pieter's son, that his principal appeals from the foregoing judgment to the Honorable Council of Justice of the Castle Batavia. Lower: Quod Attestor. Signed: W. J. van Rijneveld, secretary. 194. 195. Same Day. Furthermore, there were tabled the written criminal claim and conclusion, together with the further documents and muniments exhibited by the Independent Fiscal, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, ratione officii, against the detained burgher Pieter Heinkes; which having been deliberated upon with all possible attention, The Council, Administering Justice in the Name and on Behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, has condemned the detained Pieter Heinkes 196. to a fine of One Thousand Rixdollars for the benefit of the plaintiff, ratione officii, and at the same time determined that the defendant shall remain in civil detention until this fine shall have been paid, with further condemnation of the defendant in all the costs incurred in this matter, and dismissal of the further claim made and conclusion drawn by the officer. Furthermore, Mr. van der Riet, who was of the opinion that the defendant, in view of his long detention, ought only to be condemned to a fine of 500 rixdollars, had his opinion noted. Being 197. Thereafter there were also taken in hand the documents and muniments that served in the lawsuit instituted by the Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, ratione officii, against Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Engelaar, on account of the mistreatment of her slave; which also having been maturely deliberated upon and that which merited reflection having been taken into consideration, The Council, Administering Justice 198. in the Name and on Behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, has dismissed the claim made and conclusion drawn by the plaintiff, ratione officii, against the defendant Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Engelaar, with condemnation, however, of the defendant in all the costs incurred in this matter; furthermore, the slave Pieter of the Cape, after first being scourged by the caffres, shall be returned to the defendant. 199. Lastly, it was reported by Messrs. van der Riet and Flek that their Honors, after the Independent Fiscal had agreed to the offer of the said Koch upon the proposal made to his Honor concerning the burgher Godfried Fredrik Koch, had also attended at the composition of the aforesaid Koch with the said Independent Fiscal; and at the same time submitted concerning this the following minute taken before their Honors: Extract from the minutes kept before the Commissioners from the 200. Honorable Council of Justice of this government on Thursday the 30th of April 1790. It having been brought to the knowledge of the Commissioners by the undersigned secretary that, in compliance with the resolution taken yesterday in court concerning the composition of the detained burgher Godfried Fredrik Koch, he had betaken himself to the Honorable Independent Fiscal, and to the proposal made accordingly, as the resolution dictated, received in response: That 201. his Honor had thought, and as his Honor had been informed, the estate of the said Koch would yield approximately 80 to 90,000 guilders; that for this reason his Honor, as officer, could not bring himself to settle the matter of the said Koch for a small sum, as the right of the Sovereign Authority, which his Honor represents as Fiscal, would thereby not at all be satisfied, the less so because his Honor was fully aware what evidence militated against the said Koch and what statements could still be obtained to his detriment. However, that his Honor, now being further informed and assured regarding the condition of the estate of the aforesaid Koch,
Dutch transcription
193. De secretaris deezes raads Willem Stephanus van Rijneveld ampts„ halven reqt. den E Achtbe Heer Independent fiscaal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden ter eenre enden Heemraad aan Stellenbosch Jan de villiers Jan Pietersz: teran dere zijde; de Eerste als Eijsscher r: d: en de laatste voor ged„e en verweerder geageerd hebbende, ten deezen gerequireerdens omme op hunne over en weeder in Jndicio geproduceerde stukken en muni¬ „menten vonnis te hooren pronun„ tieeren. — De Raad na Lectuure en resumptie der stukken en munimenten in Judicia geExhibeerd, in aan merking neemende dat uit de in deezen gehou„ dene proceduures duidelijk is gebleeken dat des gede knecht in het verkoopen van wijn tegen het placcaat der regeering heeft ge„ „pecceerd Recht Doende uit Naam en van weegens de Hoog Hoogende Heeren Staaten Generaal der vereenigde Neederlanden Contra Condemneert Condemneert wel den ged=e Jan de villiers JsC F in de bij placcaat bepaalde boete van Een Duijzend guldens endische valuatie, dog laat hem ged„en zijne actie desweegens op zijn knecht gereserveerd, met verdere Condemnatie van den ged„e in alle de ter deen zer zaake gevallene kosten /onderstond: Aldus gedaan en gevonnist aan Cabo de goede Hoop Den 29 April 1790 mitsgaders gepronuntieerd den 20 der daar aan volgende maand Maij /was geteekend „ Rhenius Joh=s Smuts GH Meijer Mappa I Dwet RW Riet Am Flek /lager Mij present) enge¬ „teekend :/ WJ van Rijneveld secret=s /in margren Huijden den 22 Maij 1790 Is door den bur„ ger Jacobus van Leeuwen als gem. van den Heemraad aan Stellenbosch Jan de Villiers Jan pietr, zoon te kennen gegeeven, dat zijn pp=a zich van het voorenstaande vonnis stel„ de appellant aan den EeAchtb de Raade van Justitie des Casteels Batavia /lager/ Quad Attestor /geteekend/ W J Brijneveld Decret=s 194. 195 Eodem Die. ijders wierden ter tafelgebracht den schriftelijken Crimineelen Eisch ende Conclusie, beneevens de verdere stukken en munimenten door den Heer Jnde„ pendent Fiscaal Johan Nicolaas Stee„ „ven van Lijnden r:d: open Jeegens den gedetineerden burger Pieter Heinkes geexhibeerd; waar over met alle moogelijke attentie gedelibereerd zijnde. Heeft de Raad: Recht doende uit Naam en van Weegens de Hoog Moogende Heeren staaten generaal der verle„ „nigde Neederlanden den gedetineerden Pieter Hein„ „ket 196. kes gecondemneert in eene bacte van Een Duijzend Rijxdaalders ten behoeve van den rid: Eisscher en teffens bepaald dat den gede in gijze„ ling zal verblijven tot dat deeze boete zal voldaan zijn met verdere Condemnatie van den gedaagde in alle de ter dee¬ ter zaake gevallene kosten en ontzegging van den verde¬ „ren gedaanen Eisch en genoomene Conclusie van den officier:— Hebbende voorts den Heere van der Riet, dewelke van advijs was dat de ged:e uit hoofde van zijne lange de„ tentie slechts in eene boete van 500 rds behoorde te worden gecondemneert desselvs gevoelen doen aanteekenen zijnde 197 Zijnde ook daarnaa bij der hand genoomen de stukken, en munimenten gediend hebbende in het proces van den Jndepen¬ „dent Fiscaal alhier Jo„ han Nicolaas Steeven van „ zijnden r: O: op en Jeegens Maria Malan weduwe wij „len der Burger Hendrik Engelaar weegens mishan„ „deling van haar slaaf ge„ entameerd, Waar over al„ meede rijpelijk gedelibereerd en in overweeging genoomen zijnde het gunt reflectie meriteerde Heeft de raad Recht doende uit 198. uit Naamen van Weegens der Hoog Hoogende Heeren Staaten Generaal der VerEenigde Nee„ derhanden den Heer R:O Eijsscher zijne op en geegens de gedse Maria Malan we¬ Duwe wijlen den Burger Hendrik Engelaar gedaanen Eisch en genoomene Conclurie ontzegt met Condemnatie echter van de gedaagdes¬ se in alle de ter deezer zaake gevallene kosten; zul„ lende voorts den slaap Pie¬ ter vande Caab naa alvoor rens door de kaffers gelaanst te zijn aan de ged=ee worden te rug gegeeven. — 199. Laatstelijk wierd door de Heeren van der riet en slek gerap„ porteerd dat Hun E:E:: na dier den Heer Independen Fis„ „caal op het ten belange van den burger Godfried Fredrik Koch aan zijn E„ gedaane voorstel de of„ ferte van gem: koch hadde gea„ grëerd dus ook hadden gevaceerd bij de Compositie van voorsz: koch met welgemelde Heer Jn„ dependent Fiscaal; en teffens daar omtrend overgelegd de vol„ e gende voor hun E: E„s gehordene Notule „ Extract uit de Notu„ „len gehouden voor Heeren gecommit„ teerdens uit den . 200. E Achtbe. raade van Justitie deezes gouver„ nements of Donderdag den 30 April 1790 Door de ondergeteekende secretaris aan Heeren gecommitteerdens ter ken„ nisse gebragt zijnde dat hij zich ter voldoening aan het op gis„ teren, weegens de Compositie van gedetineerden Burger dens godfried fredrik Koch in Jndi„ cio genoomens besluit ver¬ „voegd had bij den Edelen Acht„ baaren Heere Independent Piscaal, en op het in diervoegens gedaane voorstel als het besluit dicteerde ten Antwoord bekoomen Dat G 201. Dat zijn E Achtb=e gemeend had en zoo men zijn Ed=e Achtb=r had onderrigt den boedel van gemelde koch na gissing ƒ 80 a90000 zouderendeeren; dat zijn E: Achtb:e uit dien hoofde van zich als of„ ficier niet had kunnen verkrijgen de zaak van gemeld koch voor een geringe som af te maaken; daar hier meede in het geheel niet aan het regt der Hooge overigheid, het welk zijn E: als Fiscaal waarneemd niet zoude zijn voldaan te min„ „der om dat zijn E: volkoomen bekend was welke bewijzen er teegens gemelde kock militeeren en wel„ ke verklaaringen men nog ten zijnen Lasten zoude kunnen inwinnen. — Dan, dat zijn E: echter tans noo„ „pens de gesteldheid des Boedels van voorsz: kock naader onderrigt en verzeekend
English
202. being assured that his estate does not amount to as much as had been stated; wherefore the offer made by the said Koch was accepted, with the condition nevertheless that, in order to prevent mishaps, the slave Galiath, as the one who displayed the insolence, shall have to be sold for the benefit of him, Koch, under this condition of never again coming under the power of the said Koch or anyone of his family; To this end, the gentlemen van der Riet and Flek have attended today. And then it was accepted by the said Koch, who himself declared that he did not wish to have the slave Galiat under him again, and thus consented to the sale of the same, that the offered Rds. Two Thousand and Five Hundred shall be paid within 203. within the time of three months counted from today to the Independent Fiscal, and that sufficient surety shall also be provided for this on this day; without which bail the present adjunct fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared the composition would be considered as null and void; reserving to himself the right to proceed with the prosecution in that case. Thus this minute has been recorded. below was written: At the Cape of Good Hope, the day and year as above. lower: Agreed. was signed: W. S. van Rijneveld, Secretary Which the Council has considered as communicated. At the Cape of Good Hope, the day and year as above. lower: In my presence, signed: W. S. van Rijneveld, Secretary. 204. 205. Thursday the 27th of May 1790, In the forenoon, present the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, except the Honorable President and the gentlemen van Echten and De Wet, both due to indisposition and business. The Secretary of this Council, Willem Stephanus van Rijneveld, official applicant, against The Honorable Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, of the one part, and the Burgher Pieter Heinkes, detainee and defendant, of the other part; the first mentioned acting as plaintiff ex officio and the latter having acted as defendant, respondents in this matter, to the end of hearing sentence pronounced on the criminal claim and formal conclusion made ex officio by the Independent 206. Fiscal open against him, Heinkes. The Council, having attentively read and considered both the written criminal claim and conclusion of the plaintiff ex officio and the documents attached thereto, as well as considered everything that was relevant to the matter and could move Their Honors; administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General 207. General of the United Netherlands, condemns the defendant Pieter Heinkes to a fine of One Thousand Rijkxdaalders for the benefit of the plaintiff ex officio, and orders that the defendant shall remain in civil detention until the aforesaid fine shall have been paid; with further condemnation of the defendant Pieter Heinkes in all the costs incurred in this case, and dismissal of the further claim made and conclusion taken by the officer. below was written: Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope on the 20th of May 1790, and pronounced on the 27th following. was signed: Rhenius, P. C. Rönnenkamp, Johannes Smuts, G. H. Meijer, 208. G. H. Meijer, Mappa, R. J. van der Riet, C. Matthiessen, H. A. Truter. lower: In my presence: signed: W. S. van Rijneveld, Secretary. The Secretary of this Council, Willem Stephanus van Rijneveld, official applicant, against The Honorable Independent Fiscal here, Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, of the one part, and Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Engelaar, of the other part; the first mentioned acting as plaintiff ex officio and the latter having acted as defendant, respondents in this matter, in order to hear sentence pronounced upon their documents and evidence produced back and forth in court. 209. The Council, after reading and reviewing the documents and evidence produced in court, having noted everything that merited consideration, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, denies the plaintiff ex officio his open claim made and conclusion taken against the defendant; with condemnation, however, of the defendant Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Engelaar, in all the costs incurred in this matter; furthermore, the slave Pieter of the Cape, after first being scourged by the kaffirs, shall be returned to the defendant. Thus done and sentenced at the Cape of Good Hope on the 20th of May 1790, and pronounced on the 27th following. Was signed: Rhenius, P. C. Rönnenkamp, Johannes Smuts, G. H. Meijer, Mappa, R. J. van der Riet, C. Matthiessen, H. A. Truter. lower: In my presence, signed: W. S. van Rijneveld, Secretary.
Dutch transcription
202. verzeekerd zijnde dat zijn bezit zoo veel niet bedraagd als men had opgegeeven; over zulx de gedaane offerte; van geme koch accepteerde met die bepaaling nochtand dat ter voorkooming van ongelukken de slaaf galiath als den geene die het heijt heeft aan den dag gelegt ten Jen fijte van hem koch zoude moeten wor¬ den verkogt, onder deeze Conditie van naait weeder onder de macht, van gem: kock of iemand van de zijnen te geraa„ ken; Voor hebben de keeren van der Riet en Alek heeden daartoe gevaceerd En is toen door geme: koch die zelfs betuigde de slaat galiat niet weeder onder zich te willen hebben, en dus in den verkoop van dezelve te bewil¬ „ligen aangenoomen de geoffereerde Rd s. Twee Duijzend en vijf Hondert binnen 203 binnen den tijd van drie maan„ den van heeden gereekend, aan den Heer Independent Fiscaal te voldoen en daar voor noch of deezen dag sufficiente Cautie te stellen; zonder welke borg stelling den presenten adjunct fiscaal de E Gabriel Exter declareerde de Compositie te hou„ den voor niet gedaan; Aan zich reserveerende omme als dan moch met de procedua„ res voort te vaaren. — Jnvoegen hier van deeze No„ tul is gehouden. /onderstond:/ Aan Cabo de goede Hoop die et anna ut supra /laager:/ Accordeerd /:was geteekend:/ W J van Rynen WJ W Rijnevelt secret„s 'T gunt de Raad voor gecommu„ „niceerd heeft gehouden. — Aan Cabo de goede Hoop die et aano ut supra /lager (mij Present) geteekend / WJ Rijneveld secretaris 204. 205 Donderdag den 27 Maij 1790— S Voordemiddags present de E Achtbe Heer in dependent Fiscaal Johan Nicolaas Stee„ ven van Lijnden demptis d E Achtb=e Heer President en de Heeren van Echten en de wet zoo bij indispositie als occupa„ tie de secretaris deezes raads Willem Stephn van Rijneveld ampth:s requirant Contra Den E Achtbr Heer Indepen„ dent fiscaal alhier Johan Nicolaas Steeven van Lijn „den ter eenre en den Bur„ „ger Pieter Heinkes gede„ tineerde en ged=e ter andere zijde de Eerstgem: als Eijs¬ scher r: O: en de laatste als ged=e geageerd hebben„ de, ten deezen gerequi„ „reerdens, ten fine op de door den Heer Jndepen„ dent 206. „dent Fiscaal ex officio open¬ de Jeegens hem hemkes ge¬ daanen Crimineelen Eijsch en genoome Conclusie van nis te haoren Pronuntieeren De Raad met aandagt geleezen en overwoogen hebbende, zoo den schriftelijken Crimineelen Eijsch en Conclusie van den ratione of„ „ficie Eijsscher als de daar neevens gevoegde Munimenten, mits„ gaders overwoogen alles wat ter Materie wasdienende en hun EE: Achtb:r konde doen mo„ veeren; Recht doende uijt Naam en van weegens de Hoog Moogende Heeren Staaten Generaal 207 generaal der VerEenigde Needer„ landen, Condemneert den ged=e Pieter Heinkes in een boete van Een Duijzend Rijxse ten profijte van den Heer R:O: Eijsscher, en ordonneert dat de gede in gijzeling zal verblijven tot dat voorsz boe te zal voldaan zijn; met verde¬ „re Condemnatie van den ged=e Pie„ ter Heinkes in alle de ter deezer zaake gevallene kosten en ont„ zegging vanden verderen gedaa¬ nen Eijsch en genoomene Conclu„ sie vanden officier /onderstond:/ Aldus gedaan en gevonnist aan Cabo de goede Hoop den 20 maij 1790 mitsgaders gepronuntieerd de 27=en daar aan volgende /was geteekend/ Rhenius F: C: rönnnenkamp Joh=s Smuts G He Meiyjer 208. g H Meijer, Mappa RWD Riek Am. Flek /lager:/ Mij present:/ geteekend/ W J V Rijne „veld: secret=s. — De Secretaris deezer raads wa lem Stephanus van Rijnede „ amptshalven requirant Contra Den E Achtbe Heer Independen Fiscaal alhier Johan Noa„ colaas Steeven van Lijnden ter eenre en Maria Mala wede. wijlen den burger Hendrik Engelaar ter an¬ dere zijde de eerstgem. als Eijsscher r:d: en de laatste voor geddte geageerd hebben de ten deezen gerequireer dens omme op hunne over en weeder in Judicio gepro¬ duceerden 209. De raad na bctuure en resumtie van de in Ju„ dicio geproduceerde stukken en munimenten gelet hebbende op alles wat reflectie meriteerde Recht doende uit naam en van weegens de Hoog Hoogende Heeren staaten generaal der verlenigde Neederlanden, ontzegt den Heer r: d' Eijsscher zijne opende Jeegens de ges=e gedaanen Eijsch en genoomene Conclusie met Condemnatie echter van de ged=dte Ma„ burger „ria Malan weduwe wijlen den Hendrik Engelaar in alle de ter deezen zaake gevallene kor¬ „ten; zullende voorts den slaaf Pieter vande Caal naa alvoorens door de kaffers gelaarst te zijn, aan de ged=ne worden te rug gegeeven. Aldus gedaan en gevonnist naCabode Goede Hoop den 28:' maij 1790 mitsgad=s gepronuntieerd den 27 daar aan volgende. /:Was geteekend:/ Khennis I: C: Könnenkamp Joh. s Smuts G H Meijer Mappa RWD Kier N„n slek /lager / Miss present /geteekend:/ WJ van Rijneveld secres„ duceerde Stukken en muni¬ menten vonnis te hooren pronuntieeren. —
English
The manful Burgher Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, petitioner, versus the Independent Fiscal of this government, the Honorable and Esteemed Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, respondent, to hear requested an appeal to the Honorable and Esteemed Council of Justice from such judgment as was pronounced on the 20th of this month by the Honorable and Esteemed Council of Justice here to the detriment of the plaintiff. The petitioner requests by petition as in the submission. His Honor's attorney-at-law advances hereupon that, as it is a known rule that a judge may himself punish the insults committed against him as judge, the petitioner would therefore not be permitted to appeal from the first part of the judgment; but that, if the Council should think fit to grant the appeal to the petitioner because the second part of the verdict contains a pecuniary fine, His Honor then requests that, since the admission to plead pro deo must then cease, the Council might also be pleased to order the petitioner to consign beforehand the fine imposed upon him with the secretary of this Council, and further to post sufficient caution pro futuro judicato, as well as for the eventual fine for frivolous appeal and the costs to be incurred in appeal. The petitioner says he has no objection to this, and declares himself able to post that caution. The same day. The Council grants to the petitioner his requested appeal to the Honorable and Esteemed Council of Justice of the Castle of Batavia, on the condition that the original documents that have served here, having been authenticated by the commissioners at the expense of the appellant, shall be transmitted to the aforementioned Honorable and Esteemed Council of Justice. However, since the admission pro deo now ceases, the petitioner, before the authentication of the documents, shall not only have to consign with the secretary of this Council the fine imposed upon him, but also post sufficient caution pro futuro judicato, as well as for the fine for frivolous appeal and the costs to be incurred herein; the Council further condemning the petitioner in the costs of this instance. Assistant Willem Kolver, as general attorney of the burgher Johannes Joachim Theron, petitioner, versus the Honorable and Esteemed Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden, respondent, to hear requested an appeal to the Honorable and Esteemed Council of Justice of the Castle of Batavia from such judgment as was rendered on the last court day here to the detriment of the principal petitioner. The petitioner submits a petition of the following content: To the Right Honorable and Esteemed Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Right Honorable Members of the Esteemed Council of Justice of this government. Right Honorable and Esteemed Sirs, The undersigned, Company assistant Willem Kolver, as general attorney of the burgher Johannes Joachim Theron, declares with all expressions of due respect: How the Right Honorable and Esteemed Mr. Johan Nicolaas Steeven baron van Lijnden van Blitterswijk, Independent Fiscal of this government, the respondent herein, on 21 January of the current year instituted an action ex officio against the principal petitioner in a case of ill-treatment of a slave boy named October of Mozambique. Which action was concluded on 18 February last and on 20 April thereafter was sentenced by Your Right Honorable Esteems as is extensively described in the judgment. The undersigned's principal has not only, according to the duties of a subject in observing all divine and secular laws, but also from a pure sense of the most convincing reasonableness and equity as a human being, too much respect for those to whom the sword of justice of this land is entrusted not to honor the aforesaid judgment with the most dutiful obedience, but also holds himself fully assured that Your Right Honorable Esteems, with your highly enlightened insight into matters, constantly have at heart and keep in view the prosperity and welfare of your subjects and of those over whom you are placed. It is therefore that the undersigned's principal takes the liberty to inform Your Right Honorable Esteems of the substantial damage which his principal suffers if the aforementioned judgment were carried into execution, the more so because the aforesaid slave was bought by him at a public auction for a sum of 700 Rixdollars, and if that slave were now to be sold publicly again for the account of the principal petitioner under such conditions as are expressed in the aforementioned judgment, the same would then perhaps not yield half of the above-mentioned purchase price. In addition, the principal petitioner is furthermore sentenced to a pecuniary fine of one hundred Rixdollars for the benefit of the ex officio plaintiff, to which are added not only the costs of this procedure, but also the costs incurred during his detention since 7 January of the current year, together with such costs as may arise from a public sale. The principal petitioner, after having taken all this into consideration, has therefore thought it best to turn again to Your Right Honorable Esteems, and lives in that equitable hope and expectation that Your Right Honorable Esteems may favorably be pleased to grant him an appeal from the judgment pronounced on the extraordinary court day to the Honorable and Esteemed Council of Justice of the Castle of Batavia, and to have the charters and muniments of his procedures authenticated and sent thither, in order to pursue that appeal as soon as possible and according to counsel, the principal petitioner being prepared to post
Dutch transcription
den req=t doet per requeste ver„ De manh:d burger Lieutenen zoek als in de presentatie. Jonas Albertus van der de Heer UEd:s gereg=t advan„ Poel req=t Contra ceerts hier op, dat daar het een. bekende reegel is dat een rechter De Indespendent Fiscaal de Jnjurien hem als rechter aan gedaan zelve kan strappen ende deezes gouvernements req:t dus van het Eerste Eid van het vor„d, E Achtb=e Heer Johan „nis niet zoude vermoogen te appel„ Nicolaas Steeven van leeren; maar dat bij aldien het de raad mogt goedvinden, den reqt: omdat het tweede Lid van het gewijsde een zijnden geregt omme specunieelen amende vervat 't appel te accordeeren; zijn E: als dan verzagt weegens zoodaanig vonnis, als op den dat vermits dan de admissie om pro dies te moogen Jarredeeren, diend op te houden de raad dus den reqt teffens geliefde te 20 sten deezer maand ordonneeren, om alvoorens de hem opgeleg„ bij den EAchtb Raade de baate onder den secretaris deezes raads te Consigneeren, en wijders te stellen suffi„ van Justitie alhier „ciente Cautia Jaao futuro Judicato, zoowel als voor de eventueele bacte van het folappel ten laste van den en in appel te vallene kosten. — Eisscher is gepronur De reqte. zegt daar niets teegen te heb¬ „ben, en betuigd die Cautie te kunnen tieerd te hooren ver stellen. — zoeken appel naa den EE Achtb: Raade van Justiti Codem Die. — de 219 211. De Raad verleend aan den reqt, zijn verzogte appel aan den E: Achtb=e Rade van Justitie des Casteels Batavia, des zullen de alhier gediend hebbende origineele stukken, ten kosten van den appellant door Heeren gecommitteerdens gelu„ angeliseerd zijnde, aan wel¬ „gemelde E: Achtb„r Raade van Justitie worden overgezonden. — Dan vermits thans de admissie pro deo cesseerd, zoo zal den reqt. voor het Euangeliseeren der stuk¬ „ken niet alleen onder den secreta„ ris deezes raads de hem opgeleg¬ „de boete moeten Consigneeren maar ook stellen sufficiente Cautie profu„ de boete van „turo Judicato, zoo wel als voor het fol' appel en hier in te vallene kos„ ten; Condemneerende den raad wijders de reqt. in de kosten van deeze instantie. — den Den adsistent Willem Kolver van navolgende inhoude als generaale gemachtigde van Aan den welde. Achtb=r den burger Johannes Joa„ Heer Johannes Isaak Rhenius President, be„ chim Theron regt „neevens de verdere wel Ede Heeren Leeden van den 4: Achtb:r Raade van: Justitie deeses gouvernement. - De reqt: legd over een request WelEdele Achtb:e Heer. Den E Achtb=r Heer Jndepen„ dent Fiscaal Johan Nicolaas Steeven van Lijnden gereqn. WelEdele Heeren. omme te hooren verzoeken den ondergeteekende adsistent derl: Comp=s Willem Kolger als gen: gem: van den burger Johannes Joachimappel naa den E: Achtb„r Raa„ de van Justitie des Casteels Theron geeft met alle blijken van verschuldigde Eerbied te kennen. — Hoe den welEdelen Achtb=r Batavia van zoodaanige Heer M:r Johan Nicolaas Steeveneha„ vonnis als op laastl: „zon van Lijnden van Blitterswijk rechtdag alhier ten naa„ Jndesendent biscaal deezes gouverne„ „ment ten deezen gerequireerde op den 21 Janni A=o Ctie op en jeegens deele van den ppt. regt is ge den pp„o impetrant R: O:s eef actie veld.- in kas van mishandeling eener slaa„ ven Jongen gen:t october van mosambicque geinstitueert heeft Welke actie op den 18 Februarij I:L: is voldongen en op den 20 April daaraan door uwel Ed„e Achtb:e zoodaanig is gesententieerd geworden als in 't won„ nis breedvoerig omschreeven is. — Des ondergets gem: per„o heeft niet alleen volgens de plichten van een onderdaan in naarkooming aller godlijke en waereldlijke wetten, maar ook als een zuiver Contra gevael 212. en 213 gevoel van de overtuigendste reedelijkheid en billijkheid als mensch te veel Eerbied voor hen aan wien het swaard der gerechtigheid deezer lande is aanver„ =trouwd, om het voorz: vonniss niet met de verschuldigste gehoorzaam„ =heid te eerbiedigen, maar houd zich ook ten vollen verzeekerd dat Uwel Ed: Achtb: met derzelver hoogverlicht door zicht in zaaken gee„ =staeg den blaci en welvaert hunner onderdaanen en van hen over welke zij gesteld zijn, behartigen en in 't oog houden. - 't is daarom dat des ondergetek: :S:M:/ de vrijheid gebruijkt om UWelEd: Achtb: te informeeren van de Jmportante schaade, die zijn pp=s wanneer 't gem vonnis ter Executie gebracht wierd, ondergaat, te meer daar voorn: slaaf door denzelven op eene publicque vendutie voor een somma van z00 Rijkzd: is gekogt, en bij aldien die slaaf nu wederom voor reekening van den princip: Jmpetrant onder zodanige Conditie, als in't voorm: vonnis uitgedrukt staat, publiecq verkogt wierd, dezelve als dan veellicht, de helft der bovengem: koopschat niet zou komen te rendeeren. — Daar en booven is den pp=le Supp: nog verweezen in eene pecunceele amende van Een hondert rijked: ten behoeve van den Z: O. Eijscher, waarbij niet alleen nog komen, de kosten deezes procuduures, maar ook de kosten die geduurende zijne dentintie zedert 7. m Jann A. o C:t zijn gemaakt, mitsgaders zodanige korten als er uit een publicque verkooping zullen kunnen proflueeren. — Den pp=le Supp: heeft dan na dit alles in overweeging genoomen te hebben bezt gedagt, zich wederom te keeren tot UwelEd: Achtb: en verreerd in die aquitable hoop en verwachting dat Uwel Ed: Achtb: hem favorabel gelieven te verleenen appel van op tt Extra ordin=s rechtsdag gepronuntieerd vonnis, na den E Achtb: Raad van Justitie des Carteels Batavia mitsgaders de Chartres en minimenten zijnes procedures te doen Evange„ =liseeren en derwaards heen te zenden, ten fine die provocatie ten spoedigsten en na rade te poursuiveren, zijnde den ppl: JImpetrant bereid te stellen
English
214. to provide sufficient bail for the costs of these proceedings already incurred or still to be incurred, while he does not doubt that Your Honorable Worships, after mature examination of the matter, will be pleased to condescend to this in all respects reasonable and equitable instance. Lower stood: Doing which etc. And signed: W. Kalver in his capacity. In the margin: Exhibited in Court on the 27th of May 1790. Which having been read, the requisitioned Gentleman brought against it that however fine the petitioner represents his way of thinking in that request, his actions nevertheless greatly deviate from it; that he is furthermore of the opinion that since the verdict in this matter was delivered in a domestic case, namely concerning the mistreatment of the defendant's serf, which matters can always be better and more safely judged and decided by a judge in the first instance than on appeal, since the act occurred under the eyes of that judge and in this matter justice is done upon an ocular inspection; wherefore the request made by the petitioner ought not to be granted; that, however, in case the Council might incline to grant the petitioner appeal, he then requested that the petitioner first consign the fine imposed upon him to the Secretary and at the same time provide sufficient bail for the court costs of both instances and for the fine of the foolish appeal. The petitioner in his capacity persists with his made request. And the Council, considering the well-founded reasons brought forward here above by the requisitioned Gentleman, and furthermore taking into consideration that if the requested appeal were granted to the petitioner, the slave already so mistreated by him would then, during all that time, have to be kept here in custody at the expense of him, the petitioner; wherefore upon this it was decreed in the following manner: The Council denies the request made by the petitioner 215. for reasons moving Their Honorable Worships thereto, and condemns the petitioner in the costs of this instance. Van Leeuwen requests an appeal by petition as stated here adjacent. The requisitioned Gentleman requests a postponement of forty days from today against the aforementioned request to be permitted to bring in his interests. The burgher Jacobus van Leeuwen as substituted attorney of the Comforter of the Sick here, the Reverend Willem Herold, who is the general attorney of the Heemraad at Stellenbosch, the Honorable Jan de Villiers, J. son, petitioner, against the Well-Mentioned Honorable Worshipful Independent Fiscal, in order to hear requested an appeal regarding such verdict as was pronounced on the 20th of this month by the Honorable Worshipful Council of Justice of this government to the disadvantage of the principal 216. petitioner, to the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Batavia. The Council: granted the term requested by the requisitioned Gentleman until fourteen days from today in order to serve therein with interests. The Independent Fiscal, the Officer Plaintiff, advances beforehand orally that the Dispenser of this government had already upon his arrival here made complaints, and repeated such each time, that namely the water that flows from Table Mountain to this village was dammed off by some owners of the gardens situated along that water, against the orders established regarding that matter 217. by the Right Honorable Valiant Governor and the Honorable Worshipful Council of Policy, and subsequently led to their gardens, with the result that the Honorable Company's water mills lying below those gardens were thereby deprived of the necessary water and thus incapacitated from grinding the necessary grain for the Honorable Company's bakeries. That after his Honor had informed himself regarding the orders that were framed and established on that subject by the government, his Honor had addressed the aforementioned owners of those gardens thereabout. That upon the answer obtained by him that the miller had been drunk and had spared the truth, his Honor had then sent the court messenger thither, who subsequently also made proper report of his findings and delivered a written account to his Honorable Worship; that his Honor had now, for the convenience of the Council, drawn up a written claim which his Honor came to present, armed with the aforementioned account; requesting, however, that this case, wherein his Honor could have sufficed with merely having the defendant summoned to see execution decreed, may therefore be settled summarily. The defendant, having heard this claim, answers thereto: That he gave no order to lead the water into his garden; that he cannot deny that the water was in his garden at the time that the messenger was there, but that he declares to have questioned all his slaves about it and learned from them that none of them had taken the sluice and led the water into the garden. The Officer Plaintiff persists with his claim. renun Johan Nicolaas Steenen van Lijnden, Officer Plaintiff, against the Ensign of the burghery Demanti Coenraad Nelson, defendant, to hear, on account of the unlawful water leading out of the Honorable Company's watercourse into his garden, such claim and conclusion as the Officer Plaintiff shall deem fit to make and take in accordance with the orders issued regarding that matter, to answer thereto and further to proceed as according to law.
Dutch transcription
214. stellen suffirientien cautien voor de reeds gevallene of nog te vallene korten deezes proceduures, terwijl denzelven niet twijffeld of uwel Ed: Achtb: zullen na rijpe Examinatie van zaken, in deze allezints redelyke en billijke Jnstantie wel gelieven te condescendeeren. - /:Onderstond:/ 't welk doende 30. /:en Getekend:/ W: Kalver qq /in margine:/ Exkebitura in Judicio den 27 Maij 1790. — Het welk geleezen zijnde bragt den Heer gereqn. daar teegen in dat hoe fraai den regt zijn manier van denken ook bij dat request voorsteld; zijne daaden echter grootelijx daar van afwijken dat zij Evoorts van gevoelen is dat dewijl het vonnis in deezen is geveld en een Domesticque zaak namentlijk over mishandeling van des ged„tn Leijteijgen welke zaaken altoos door een richter in prima instantia bester en veijliger kunnen worden beoorde en gedecideerd als in appel daar 't fuijt geschied onder het oog van dien rechter en in deezen op een bculaire inspectie word recht gedaan overzulx 't doorden reg=t gedaan verzoek niet behoorde te worden ingewilligd dat echter bij al„ dien de raad mogt inclineeren om aan den req=t appel toe te staan zij bals dan verzogt dat den reqt alvoorens de hem opgeleyde boete onder den secretaris Consiqneere en teffens stelle sufficiente Cautie voorde proces kosten der beide instantien en voor de boete van 't fol appel. - Den qq req=t blijft bij zijn gedaan verzoek persisteeren: — En heeft de Raad bij de gegronde reedenen door den Heer geregtn hier booven bijgebracht nog in aanmerking neemende dat wanneer aanden reqt. het verzogte appel wierde geaccordeerd als dan den door hem reeds zoo mishandelden slaat gedau„ rende aldien tijd opkosten van hem reqt. alhier in vertel„ kering zoude moeten gehouden worden overzulx hier op en in maniere als volgd geappoineteerd. De Raad ontzegt het door den reqt. gedaan Versoek 215 verzoek om reedenen hun E: E: Achtb: daartoe moveerenden, en Condemneert de req=t in De kosten van deeze instantie. — van Leeuwen verzoekt per re„ De burger Jacobus van Leeu¬ quest appel zoo als hier neevens wen als gesubstitueerde gem: gem staat den Heer gereg„n verzoekt opt van den Ziekentrooster al„ hier de Eerst: W=m He„ rold die generaale gemach tegde is van den Heemraad aan stellenbosch d' E Jan de Villiers J: pz regt Welgem: E: Achtbaare Heer Jndependent Fiscaal omme weegens zoodaanige vonnis als op den 20 deeser maand bij den Edelen Achtbaa¬ ren raade van Justi„ tie deezes gouvernements ten naadeele van den pp=l Contra voorsz: request heeden over veertig daagen zijne belangen te moogen Enbrengen. — regt 216. reqt. is gepronuntieerd geworden te hooren verzoeken appel naa den E: Achtbr raade van Justitie des Casteels Batavia: — e Raad: fiat het door den Heer ge„ regtn verzogte Termijn tot heeden over 14 daagen om daarop te die¬ „nen van Belangen. den Independent Fiscaal de Heer r: d: Eijsher ad van ceerd voor af bij monde dat den Heer dispencies deezes gen Johan Nicolaas Steenen van Lijnden Z: O: Eijss=r vernements reeds zijn E: aan¬ „komst hier ter plaats wasklag„ Contra tig gevallen en zulx telkens den vaandrig der burgerij herhaald dat namentlijk het water dat van den tafelberg demanti Coenraad Nelson na dit flek afloopt door eenige gede om weegens het onti¬ bezitters der langs dat uaate geleegen thuijzen teegens de vrij waaterleyden uit de daar omtrend gestatuur„ „de. 1B: 217 de beveelen van den welEd„e gestre S: E Comp=s waaterloop in zij„ Heere gouverneur en E: Achtb:r raa„ ne Thuijn te aanhooren „de van politie wierd afgedamd en zoodanige Eijsch en Conclu„ vervolgens naa hunne thuijnen ver„ leijd met dat gevolg dat de beneeden tie als den Heer R:O. Eijsc=r die Thuijnen leggende d' E Comp=s waa„ ingevolge de diesweegens ge„ termoolens daar daar van het benoodig„ Emaneerde beveelen zal te raa„ de waater wierden ontbloot en dus bluiten staat gebragt om de noodige de werden te doen en te neemen graanen voor s E Comps bakkerijen af„ daar op te antwoorden en voorts te maalen. Dat naa dat zijn Ed:l zich had ge„ te procedeeren als naa rechten.. - intormeerd op de ordres welke opdat stuk door de regeering waaren beraamd en vastgesteld zijn E Als taende voorsz bezisters dier Thuijnen daar over had onderhouden. Dat op het door hem bekoomen antwoord dat de melenaar dronker rias geweest en de waarheid geapaard had zijn E als toen de gerechts Roode derwaards had gezonden welke vervolgens ook van zijn bevinding behoorlijk rapport had gedaan en een schriftelijke relaas aan zijn E: Achtb:e overgegeeven dat Z:E: als nu tot gemak van de raad een schriftelijke Eisch had geformeerd welke zijn E gemunieerd met het voorsz relaas quam over te leggen. — verzoekende echter, dat deeze zaak daar zin E had kunnen volstaan, met slechts de ged=e te doen Citeeren om Executie te zier decerneeren derhalven de planc mag worden afgedaan Den geden den Eisch hebbende hooren deezen antwoord daarop Dat hij geene ordre heeft gegeeven om het waater in zijn Thijn te leijden - dat hij niet ontkennen kan dat het waater in zijn thuijn geweest is, ten tijde dat de roade zich daar heeft bevonden, ddog dat hij betuigd alle zijne slaaven daar over te hebben onderhouden en van dezelve vernoomen, dat niemand van hen de sluis had genemen, en 't waater in de Thuijn geleid. De Heer r: O' Eisscher perresteerd bij zijnen Eisch renun
English
218. The parties renouncing further productions. The Council, after considering everything that merited reflection, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, denies the plaintiff ex officio his claim and conclusion made on and against the defendant, with condemnation, however, of the defendant in the costs, provided that the defendant declare under solemn oath that he not only himself did not in any way divert it contrary to the order of the government, but also gave no order and commission to that effect to his slaves or anyone else, and also that it was not done with his, the defendant's, prior knowledge. But in default of that oath, the Council condemns the defendant Coenraad Nelson in the fine stipulated in the placaat of the government of 3 April 1787. The Lord Prosecutor ex officio produces The Well-Honored Lord Fiscal, the prosecutor ex officio 219. provided with a report of the court messenger. The burgher Arend van Breda, defendant, The defendant, answering, says that water is indeed led through a small gutter over the mill water into his garden, but that this water comes from a fountain in the garden of the defendant's brother, the man Pieter van Breda; that furthermore concerning the aforementioned mill water, the defendant has given no order to divert it, and that he can swear to this; that furthermore the miller is a man who daily indulges to excess in drink, upon whose testimony no reliance can be placed, and that he, the defendant, further maintains that the miller himself is the one who, out of malice, shortly before the arrival of the court messenger, led the water into the defendant's garden; that he believes this for reasons that he, the defendant, is reliably informed that the court messenger was at the miller's house for more than an hour before and until he performed the inspection; that also the said miller upon the arrival of the court messenger said: wait a moment, now I still have all my water, and that one hour later he urged the court messenger to go with him to the investigation. The Lord Prosecutor ex officio, for reply, advances that all of this is assertions and allegations without proof, that his honor refers to the report of the court messenger, and thus persisted with the claim made and conclusion taken. produces a written and properly authenticated claim. The defendant likewise persisted with what he presented. The parties renouncing further production. The Council, after considering everything that against resolution in order to hear, on account of the untimely diversion of water out of the Honorable Company's watercourse into his garden, such claim and conclusion as the prosecutor ex officio, pursuant to the orders initiated in that regard, shall deem advisable to make and take, to answer thereto, and further to proceed as according to law. 220. merited reflection, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, denies the Lord Plaintiff ex officio his claim made on and against the defendant, with condemnation, however, of the defendant in the costs, provided that he, the defendant, declare under solemn oath that he not only himself did not in any way divert the water contrary to the order of the government, nor also gave commission to his slaves or anyone else to that effect, but that this was also not done with his, the defendant's, prior knowledge. But in default of that oath, the Council condemns the defendant Arend van Breda in the fine stipulated in the placaat of the government of 3 April 1787, and The Lord Plaintiff produces a written claim provided with a report of the court messenger. The Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steeven van Linden, concluding ex officio in justice 4 221. concluding thereby that the defendant shall be condemned in the fine established by the placaat of 3 May 1787 upon the violators of the orders, the established arrangements concerning the use of the water which comes down from Table Mountain to this hedge to be distributed as expressed in the said placaat, with costs. The assistant Mr. Willem Kolver, legitimating himself with a power of attorney granted to him, advances verbally against this the following: In answer to the conclusion of claim taken by the Honorable Prosecutor ex officio, I shall have the honor briefly to say that without being able to determine the precise day or date, the court messenger Carel Ewald Ziervogel came to the house of the defendant in order to charge him, in the name of the prosecutor ex officio, with a pecuniary fine of fifty rixdollars on account of a presumed fraud caused by a seepage of the water coming down from the mountain, at the upper end of the garden of the defendant. On this matter, Honorable Lords, it will then be remarked that this seepage did not cause the slightest hindrance to the ordinary watercourse, which insignificant seepage is to be attributed to none other than the defendant's slaves, while the defendant, being a man who suffers from a chest ailment in a debilitated condition and for that reason is prevented The burgher Jacobus Tesselaar, defendant, in order to hear, on account of the untimely diversion of water out of the Honorable Company's watercourse into his garden, such claim and conclusion as the prosecutor ex officio, pursuant to the orders initiated in that regard, shall deem advisable to make and take, to answer thereto, and further to proceed as according to law. ex officio in justice against of
Dutch transcription
218. Renuntieerende parthijen van verdere productien. — De raad naa overweeging van alles wat reflec„ tie meriteerde, Recht Doende uit Naam en van Weegens de Hoog Moogende Heeren Staaten generaal der vereenigde Neederlanden ont„ zegt den r:d: Eijsscher zijne op en Jeegens den ged=e gedaanen Eijsch en genoomene Con„ clutie met Condemnatie echter van den geve in de kosten mits dat de ged=e onder solem„ dat neele Eede verklaare hij niet alleen zelve het geenzints teegen de ordre der regeeringe heeft uitgeleid maar ook van zijne slaa„ ven of iemand anders daartoe last en Commissie heeft gegeeven; en ook niet met zijns ged„e voorkennis is geschied Dan bij ontstentenis van dien bed Con„ demneert de raad den ged=e Coenraad Nelson in de bij 't placcaat der regee„ „ring van 3 April 1787 bepaalde boete. — den Heer r: O: Eischer produ„ Welgem: Heere Fiscaal, z: O: „ceert Eisschen 219 eerd met een relaas van den gerechts„ boode. den burger arend van Breda ged=e De gede antwoordende zegt dat er wel Een waater door een klijne goot over om weegens het ontijdig waaterleijden het molenwaater in zijn thuijn word ge uit 's E Comp„s waterloop in zijn leijd edog dat dit waater komt uit een Thuijn te aanhooren zoodaanige dontijntje in de Thuijn van des gedt broe„ Eisch en Conclusie als den Eijssr der de manh s Pieter van Breda dat wij„ „ders het voorsz: moolen waater betreffen„ E: do Jngevolge de diesweegens gel„ de de ged=e geen ordre heeft gegeeven heeft om het zelve afte leijden en dat hij gen mareerde beveelen zal te raade zulx kan beEedigen dat wijders de malen werden te doen en te neemen, daar „naar een man is die zig dagelijx in den drank opte antwoorden en voorts te pro„ te buiten gaat opehiers getuijgenis geen acht kan worden geslaagen en dat hij ged=e cedeeren alsnaa rechten. — wijders vaststeld, dat de molenaar zelve het water de geene is die uit kwaadaartigheijd kort voor rekomst van de gerechts boode indder ged:t thuijn heeft geleid, dat hij opde zulx gelooft om reedenen dat hij ged=e in 't zee„ kere onderrigt is dat de gerechts doode ruim een uur bij de molenaar aan huijs is geweest voor en aller hij de visitatie heeft gedaan: Dat ook gem: Mole„ naar bij de aankomst van de gerechts boode gezegt heeft: wagt een oogenblik„ „je nu heb ik nog al mijn waater en dat hij een uur daarna de gerechtsboo„ „de heeft aangezet om met hem tot het onderzoek meede te gaan. De Heer R: O. Eisr. voor replicq advanceert dat dit alles ge¬ „zegdens en geringen zijn onne bewuijs dat zijn E: zich refereerd, tot het re„ „laas van den gerechtsboode, en dus persisteerde bij de gedaane Eijsch en genoemene Conclusie ceert een schriftelijk en Ever gemunin Eischer De ged=e peristeerd meede bij zijn voort gebrachte. — renuntieerende Parthijen van verdere productie: — De Raad, na overweeging van alles wat Contra reslutie 220. reflectie meriteerden recht doende uit naam en van weegens de Hoogmoogende Heeren staaten generaal der vereenigde Neederlan„ „den, ontzegt den Heer J:d: Eijsscher zijne op ende Jeegens den ged=e gedaane Eisch met Con„ demnatie echter van de ged=e in de kosten, mits dat hij gede onder solemneele Eede verklaard dat hij niet alleen zelve het waater geen¬ zints teegen de ordre der regeeringe heeft uit„ geleijd, nog ook aan zijne slaaven of iemand anders daar toe Commissie heeft gegeeven maar dat zulx teffens ook niet met zijn gets voorkennis geschied is Dan bij ontstentenis van dien Eed Condemneert de raad den ged=e Arend van Breda in de bij het placcaat der regeeren„ „ge van den 3 april 1787 bepaalde boete en de Heer Eisscher pardu„ =ceerd eenen schriftelijken Edsch gemunieerd met Een relaas van den gerechtsboode= Den E Achtbe Heer Indepen„ dent fiscaal Johan Mi„ colaas Steeven van Linden Concludeerende r. o. reg„t 4 221 concludeerende daarbij dat de ged„e zal worden gecondemneert in de bij placcaat van den 3 Maij 1787 op de overtreeders van den burger Jacobus Tesselaar ged„e omme weegens het ontijdig wa„ pens het gebruijk van het waater 't welk van d Tafel gebergte na dit Hek ter Leijden uit s'E Comp:s water„ afkomt te verdeelen als bij het zelve loop in zijn thuijn te aanhoo„ placcaat staat uitgedrukt met de ren zoodaanige Eijsch en Conclusie als kosten. den tid„ Eijst r ingevolge dieswee„ De adsistend Jr willemkolver gens geentameerde beweelen zal zig ligitimeerende met een procuratie te raaden werden te doen en of hem verleeden advanceert daar teegen te neemen daar op te antwoor„ bij monde het volgende — den en voorts te procedeeren als Ter beantwoording van de door naa rechten. den E Achtbr r: or Eijscher genoomens Conclusie van Eijsch, zal ik de Eere hebben kortelijk te zeggen de rodem die beraamde schikkingen no„ Datzonder den praeciesen dag of datum te kunnen bepaalen den gerecht Boode Carele Ewald Liervogel ten huijze van den geda is gekoo„ men ten fine denzelven uitnaam van den r:' d:o Eijsscher te Calangeeren in eene pecunieele amende van vijftig rixsr ter zaake eener gerustineerde fraude veroor„ zaakt door een Cijffening, die er noopens het van 't gebergte afkoomend waa„ „ter, booven aan het einde van de Thuijn van den ged=e Ten deezen objecte welEdele Achtbe Heeren zal men dan remarqueeren dat die Cijstering geen de minuste hinder aan de gewoone waaterloop heeft te weege gebracht welke niets beduidende Cijffening aan niemands dan aan des ged„e slaven te inpetreeren is Terwijl den ged=e zijnde een mandie in een debilen toestand aan een borstkwaal Labareerd en uit dien hoofde verhinderd r:O regt Contra van is
English
222. is able to take any notice or inspection of the ordinary work of his slaves, much less of the watercourse that he enjoys in his turn. While the defendant can testify in good conscience that, on account of his infirm condition, he gave no reflection whatsoever, much less had any knowledge of having thereby committed the slightest fraud with respect to the established laws; to further substantiate, if necessary, in due time and place, all of these aforesaid motives, the defendant, rejecting and denying both generally and specifically all arguments brought forward or to be further deduced by the Honorable and Esteemed Lord Plaintiff ratione officii, and to that end, answering, concludes to the effect of non-admissibility in the ordinary course, and that by definitive sentence of this highly enlightened tribunal, the claim and conclusion made and taken by and on behalf of the Esteemed Plaintiff ratione officii upon and against the defendant shall be dismissed, with condemnation of the same in all the costs of these proceedings, or to such other effect as your Esteemed Honors shall find to be in accordance with law and equity. The Lord Plaintiff ratione officii advances in reply that from what the qualified defendant has brought forward in his answer, it is fully confirmed, and thus placed beyond dispute, that the defendant's side has transgressed against the order of the government; and furthermore, that whenever the defendant is not himself in a position to attend to his affairs, he ought to ensure that someone is appointed in his place who keeps proper supervision over his slaves; he therefore persists in his claim. The Lord Plaintiff ratione officii produces a written claim, whereto is added the claim requesting summary justice. The parties renounce further productions. The Council, after deliberation of the matters, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, adjudicates to the Plaintiff his claim and conclusion made and taken upon and against the defendant, with condemnation of the defendant in the costs. The Honorable Lord Fiscal, Plaintiff, against the widow of the late burgher Willem Verweld, defendant, also on account of untimely drawing of water from the Honorable Company's watercourse into her garden, to hear such claim and conclusion as the Plaintiff ratione officii, according to the report of the second court messenger and the conclusion taken on the basis thereof, will see fit to make and take, to answer thereto, and further to proceed as according to law. In answer to the claim made by the Plaintiff and concluding to the end thereof, the Assistant of the Honorable Company, Senior Willem Kolder, as general agent of the defendant, answers thereto in the manner as follows. I, as general agent of the defendant in this matter, shall have the honor to inform your Esteemed Honors of the orders issued regarding this: how on Thursday, the 25th of March last, the court messenger Carel Ewald Ziervogel, in the name of the Lord Plaintiff ratione officii, proceeded to the defendant in this matter to receive from her, on behalf of the Honorable Lord Plaintiff ratione officii, a fine of 50 rixdollars, in which she had been challenged by the Honorable Lord Plaintiff ratione officii on account of an alleged fraud, which the defendant is alleged to have committed on Thursday, the 20th of the said month of March, regarding the damming up of water that runs down from the mountain through the gardens into the canals, of which the Honorable Company's water mills as well as the defendant and all the gardens situated thereabouts have the use. The alleged fraud with which the defendant is charged principally tends to state that the defendant, on the aforementioned 20th of March at 4 o'clock in the afternoon, supposedly dammed up the water coming from the so-called Platte Klip, and that at the same time water supposedly stood in a ditch near a small sluice of the defendant. Now concerning the damming up of the water, it shall be remarked that the water at that time ran down very weakly from the so-called Platte Klip, since the washers had dammed up and held back the water there; the defendant, however, having need of the water at that time to mix and prepare a quantity of clay, which served the defendant to plaster a gap in a wall, and for which she notoriously used a small quantity of 4 to 5 watering cans, a slave boy belonging to the defendant held back the water a little with a stone, in order thus to be able to scoop up a little water effectively. On which occasion the Honorable Company's miller, assisted by the substitute court messenger Johannes de Wit, came to the house of the defendant.
Dutch transcription
222. is om van het gewoone werk zijner slaaven, veel min naa de waaterloop waarop hij te zijner tijd souisseerd eenige nati„ tie of inspectie te kunnen neemen. - Terwijl den ged=en in gemoede kan betuigen uit hoof„ „de van zijn debilen toestand hoegenaamd geene reflectie geslaa gen te hebben veel min eenige kennis te draagen, daar door ten opzigte van de gestatueerde wetten eenige de minste fraude te hebben begaan om alle welke reeds geallegueerde motiven in tijd en wijlen des noods nader te adstrueeren zoo is den ged=e afslaande en ontken„ nende zoo generaalijk als specialijk alle middelen door d' E Achtb. Heer r: d: Eijsscher bijgebragt of nog nader te deduceeren en ten dien eijnde antwoordende Concludeerd ten fine van niet ontfange„ „lijk bij ordine en dat bij difinitive vonnisse van deezen hoog„ verlichte vierschaar den Eijsch en Conclutie door en van wee¬ gens den EEtchte R:O: Escher op en Jeegens den gede gedaan en genoomen; zal worden ontzegt met Condemnatie van dezelve in alle de kosten deezer procedures of tot zoodaanige andere fine als uwelEde Achtb=e naarecht en billijkheid zullen goedvinden te behooren. Den Heer r: d: Eijsscher voor replicq advanceert dat daar uit het geen den q9 gedaagde voor antwoord heeft bij gebragt volkoomen geconfereert en dus buiten Contestatie gesteld word, dat men van zijde aan de ged=e gepecceerd heeft teegens de ordre der regeering en den gede wijders zoo wanneer hij zelve niet in staat is zijne affaires waar te neemen, behoor te zorgen dat er iemand in zijn plaats wierd gesteld die over zijne slaven behoorlijk toezigt houd; zijn b overzulx persisteerd bij zijn Eijsch 2 7 22 /22 de Heer r:O: Eijs:r produceert eenen schriftelijken Eisch waar bij gevoed is Eijsch verzoekende kort en goed recht. Parthijen renuntieeren van verdere productien De Raad naaoverweeging van zaaken Recht doende uit naam en van weegens de Hoog Moogende Heeren Staaten generaal der vereenigde Neederlanden adjudiceerd den Vijd= Eijsscher zijne op en Jeegens den gede gedaane Eisch en genoome Conclutie met Condemnatie van den gede in de kosten. Meerm:r Heer Fiscaal Eijss=r Contra de weduwe van wijlen den burger Willem Verweld gedaagdes, omme meede wee„ „gens het ontijdig waaterlij„ den uit d' E Comp„s waater loop in haare Thuijn, te aanhooren zoodaanige Eijsch ende Conclusie als de ratione offi„ Ter beantwoording op de door den 7=o 8 Eijsscher gedaanen Eijsch en daar „ dij Eijsscher ingevolge Den adsistend der EComp=e S=r wil„ lem kolder als generaale geme: van de gedaagsis antwoord daar op in maniere als volgd ph=t de uit Concludeerende ut infi„ „ve van dezelve het relaao van den 2 d=eo gerechts dosde agter e de 6 224. agter genoome Conclurie zal ik de dieweegens geEmaneerde beveelen als gen. gem: dan de gedne. in zal te raade werden te doen en deezen de eer hebben uwel Ede Achtb:r te informeeren. — te neemen, daarop te antwoor„ den en voorts te procedeeren Hoe op donderdag den 25 Maart J: L: den gerechts als naa rechten: boode Carel Ewald ziervogel in't Naam van den Heer R:O: Eijsrr. zich vervoegd had bij de gedne in deezen ten fine van dezelve uitnaam van den E Achtb=r Heer r: O: Eijsscher te ontfangen een amende van 50 rd=s waar in dezelve door den E AAchtbe Han R: O: Eijzer was gecalangeerd ter zaake van een gedusti„ neerde fraude, dewelke de ged=tnen op Donderdag den 20 der gem: maand= Maart noopens het opdammen van waater 't welk van het gebergte door de thuijnen in de grachten, afloopt en waarvan 's E Comp:s waatermoo„ lens zoo wel als de geden en alle de daar omstreeks leggende thijn en soui seeren. de gerustineerde fraude waar meede de gedte beschuldigt word, ten„ deert hoofdzaakelijk dat de gede op voorm: 20 Maart, des nademiddags ten 4 uuren 't water koomende van de zoogenaamde platte klip zou hebben opge¬ „damt en dat ook ter zelver tijd waater in een grip bij een klijne Hluisje van de ged=te zou hebben gestaan. Concerneerende nu 't opdammen van 't waater zal men re¬ „marqueeren dat het waater ter dier tijd van de zoogenaamde flatte klip zeer flaauw afliep Vermits de waaters het zelve aldaar hadden opgedamt en teegengehouden, de ged:te echter ter dier zijd 't waater benoodigd was tot het aanmaaken en prepareeren van een quantiteijt klee 't welk de get: tot het toenetzelen van een dat in een muur strekte, en waartoe zij no„ „toir een geringe quantiteijt van 4 â 5 gieters gebruikte, zoo heeft een Hlave Jonge toebehoorende aan de ged=ne het water met een steen een wijnig teegen gehoud ten fine dusdanig een wijnig waater met vrugt te kunnen scheppen: Bij welke geleegentheid den 's E Comps molenaar geadsisteerd door den sul¬ stitut gerechts Boode Johannes de wit, ten huijze van de gedne. zijn ge¬ koomen
English
to come in order to inspect the aforementioned water. Regarding the standing of the water in the ditch near a small sluice, one will reflect that it is true the water stood in it for about 10 to 12 feet, but such can occur daily, because the ditch of the watercourse lies about 10 to 12 feet away from the small sluice and contains water most of the time, from which it also results that the ditch there is somewhat deeper, as the defendant also pointed out to the court messenger Ziervogel; which water has already run into it for a considerable series of years past up to now, as well as through the garden now occupied by the citizen Servaas de Kok, while the soil takes in no more water and consequently some water always remains standing in the said ditch; yet neither the court messenger nor the miller will be able to declare that water ran through the small sluice of the defendant, wherefore it completely refutes all that has already been said or could yet be said on this matter. However, I shall still have the honor to point out where this whole dispute arises from, because the miller of the Honorable Company is most short of water in the afternoon, and an innumerable crowd of people wash at the so-called flat rock; but if the aforementioned miller would only, with a couple of slaves, break through various dams, which is done by most gardeners in the summer season, the mills would then be able to enjoy infinitely more water, and no complaints would ever arise concerning this. Whereby I trust to have answered the demand of the Honorable Officer Plaintiff most clearly to your Honors, furthermore denying both generally and specifically all grounds already brought forward or yet to be alleged as utterly unfounded, erroneous, and frivolous. The response concludes to the effect of inadmissibility, in due order that by definitive judgment of this highly enlightened court the demand of the Honorable Officer Plaintiff shall be denied, with costs, or to such other effect as your Honors shall deem to be proper according to law and equity. The Officer Plaintiff advances in reply that the matter posited in the demand is corroborated by the defendant's own confession, wherefore his Honor persists in his demand, and the defendant likewise persists in what he brought forward, and requests furthermore to be allowed to submit two private declarations, which declarations had only been executed privately because there had been no opportunity that morning to draw them up notarially so quickly, requesting further that it may please the Council to suspend this case until the said declarations shall have been properly executed before the secretariat. The Officer Plaintiff requests to the contrary that, since it is outside the practice of the court to administer justice on private unsworn declarations, the Council may therefore be pleased to return the aforementioned defective declarations to the defendant. The parties renounce further productions. The Council, after deliberation on the case, administering justice in the name and on behalf of the High and Mighty Lords States General of the United Netherlands, denies the Officer Plaintiff his demand and conclusion made upon and against the defendant, with condemnation, however, of the defendant in the costs. The roll having proceeded this far, the following request was presented by Yda Margaretha Alleda, wife of the absconded first sworn clerk at the Political Secretariat, Johannes Marthinus Horak. To the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Council of Justice of this Government. Right Honorable Sir and Gentlemen, With due respect, your Honors' very humble servant, Yda Margaretha Alleda, wife of the first sworn clerk at the Political Secretariat, Johannes Marthinus Horak, makes known: That the scarcity of cash that has prevailed here for some years caused the petitioner's husband to decide, since he had received qualified authority and commission from various persons living both at the Cape and in the country, who had to pay such moneys into the Honorable Company's treasury for government dues on account of purchased real estate or arrears in recognition money, to employ those moneys provisionally, because of the aforementioned scarcity of cash, for the payment of the installments fallen due on his house and for the rebuilding of the same, with the intention and purpose, since it was all the same to the Honorable Company, with whom many persons always remain in arrears with their recognition money for years, whether those moneys were paid one or two years earlier or later, to satisfy the aforementioned cash received on commission into the Company's treasury at that time. That, however, before his departure from here, the petitioner's husband assured the petitioner sincerely that he had held no more than seventy to 75000 guilders in the aforementioned manner, which also completely reassured the petitioner and made her hope to receive back a considerable capital from the proceeds of the sale of all her property, and thus to be enabled to subsist with her children, who, like her, must share in that fate. That she, the petitioner, saw herself all the more strengthened in this hope when she learned that your Honors had proceeded to the so commendably prudent and
Dutch transcription
225. koomen, ten fine inspectie te neemen naa het voorsz: waater. omtrend 't laaten staan van het waater in de grip bij een sluisje, zal men reflecteeren, dat wel is waar het waater circa 10 a 12, voeten daar in gestaan heeft dan zulx kan daagelijks plaats vinden, vermit de grip der waaterleiding circa 10 á 12 voeten van 't sluisje aflegd en meesten tijds met waater staat en waar uit ook voorkomt dat de grip aldaar eenigzints dieper is zoo als de ged=en ook aan de gerechts boode ziervogel heeft geweezen welk waater reeds van een aanzienlijke reeks van Jaaren herwaards dat nog toe daar in loopt, zo wel als door de tuin tans door den bur „ger servaas de kok bezeeten, terwijl de grond geen waater meer aanneemt en bij gevolg altoos eenig water in de gem: grip staan blijft dan nog de gerechtsboode nog der Moolenaar zullen kunnen declareeren; dat er waater door 't sluissje van de ged=te geloopen heeft weshalven de volkoomen is afslaande alle wat ten dien objectie reerds gezegd is of nog zou kunnen worden gezegd. Echter zal ik /S: M: / nog de Eerhebben aan te tra„ „nen, waaruit deezen gantsche questie onstaat vermits de moolenaar den ECompagnie des nademiddags 't aller„ meest om waater verleegen is en dat er een tallooze meenigte van Lieden aan de zoogenaamde platte klip wasschen, dag wan„ „neer de meergeciff:e Moolenaar slechts met een Jaar Hlaa„ „ven vertihedene dammen wilde doorbreeken /: 't geen in de saamer Saison door de meeste Tuiniers gedaan word:/ zou„ „den 226. zouden als dan de maolens van oneindig meerwaater kunnen Jouisseeren en hier omtrend nimmer eenige kle ten ontstaan. — Mits welke ik vertrouw uwel Ede Achtb:e ten duide„ lijksten de E Achtbr Heer R:d: Eijsschers eisch te hebben beantwoord, als ontkennende wyders zoo generaalijk als speciaalijk alle motiven reeds bijgebracht of nog te alle „queeren als ten uittersten ongefundeert abusiet en frivaol, Antwoorde Concludeerd ten fine van niet ontfangelijk bij ordine dat bij difinitive vorniste deezer hoog verlichte vierschaar des E Achtb=r Heer r:O: Eijsschers Eisch zal worde ontzegd, cum Expensis, ofte tot zoodaanige andere fine als uwel Ede achtb: naa recht en billijkheid zullen goed vinden te behooren. — De Heer R:O: Eisscher voor repliecq advanceerd, dat uit het eijgen aven van den qq gede het bij Eisch geposeerde gecaroboreerd wordende zijn E overzulx persisteerd bij zijn En de ged:e persisteerd meede bij zijn voortgebrachte, en verzoek nog twee onderhandsche verclaaringen te moogen overleggen, welke verklaaringen alleen onderhandsch waaren gepasseerd om dat er dae morgen geen geleegentheid was geweest, dezelve zoo spoedig no thirieel te formeeren, verzoekende, voorts dat het van 's raadewel behaagen zijn mooge deeze zaak te surcheeren tot dat gem verklaaring 22 verklaaringen behoorlijk secretarieel zullen weezen gepasseerd De Heer R: O: Eijsster verzoekt daar en teegen dat dewijl het buiten practijcq is, of onderhandsche onbeEedigde verklaaringen recht te doen de raad overzulx voorsz: defec¬ tueuse verklaaringen aan den gede gelieven te rug te geeven Parthijen renuntieeren van verdere productien De Raad, naa overweeging van zaaken RRecht doende uit Naam en van weegens de Hoog moogende Heeren Staaten gene„ „raal der verEenigde Neederlanden ontzegd den Heer r:O: Eisscher zijnen e op en Jeegens de ged=de gedaanen Eisch en genoomene Concludie met Condem¬ te natie echter van de ged=te in de kosten De rolle dus verre afgeloopen zijnde wierd door ijda Margaretha Alleda huis„ vrouw van den geaufugeerden eerste geard: Clercq ter politicque Secretarije Johannes Marthinus Horak het volgende request gepresenteerd. Aan den welEdelen Achtb 228. achtbe. Heer Johannes Isaak Rhenius president beneevens den verderen Edelen Achtbr raad van Justitie deezes gouvernements WelEdele Achtb=e Heer en Heeren Met verschuldigde eerbied geeft te kennen uwerwel¬ Edele achtbren Zeer needrige Dienaresse Yda Marga¬ retha Alleda huisvrouw van den eerst gea: Clercq ter Politicque Secretarije Johannes Marthinus Toora Dat de alhier zeedert eenige Jaaren geleericht hebbende Schaarsheid aan Contanten den Compte. man heeft doen besluiten, om, daar hij van deeze en geene zooaande Caab woonachtige persoonen als landlieden Luca lief en Commissie had ontfangen, zoodaanige pennin gen al dezelve voor 's Heeren recht weegens gekoeh te vaste goederen of ten agteren staande recognitie penningen in 's EComp:s Cassa moesten opbrengen ten einde die penn: provisioneelijk om de vooren aange¬ haalde schaarsheid aan Contanten te emploijeeren tot het 229. het aflossen der op zijn huijs verloopene paaijen en het verbouwens van het zelve met intentie en oogmerk om na dien 't d E Comp:e bij wien tog altijd veele persoonen Jaaren lang met hunne recognitie penningen agterstallig, blijven, om het eeven was, of die penn: een of twee Jaaren vroeger of laater wierden opgebragt voorsz: in Commissie ontfangene Contanten als dan in 's Comp=s Cassa te vol„ doent. Dat echter der suppte man voor desselvs vertrek van hier aan de suppte Lincer heeft verzeekerd op voorsz: wijze niet meer dan zeeventig â 75000 gul„ dens onder zich te hebben gehad, het geen de supp„t ook volkoomen heeft gerust gesteld, en doen hoo„ „pen, om vande penn: uit den verkoop van al„ „le haare penns geprovenieerd nog een aanzien„ lijke Capitaal te rug te ontfangen en dus daar daar in staat gesteld te worden van met haare kinderen die eeven als zij in dat tot deelen moeten. te subsisteeren. — Dat zij suppt. in deeze koop zig zoo veel te meer heeft gesterkt gezien, wanneer zij vernam dat uwelEde Achtb„r waaren over„ gegaan tot het zoo prijselijk voorzichtig en voor