Inventory 11021
Cape · 610 pages · 131 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Register of the criminal documents and records which during the year 1788 were decided in the Honorable Council of Justice at Cabo de Goede Hoop. Number 1. List and edictal citation concerning the Honorable Company's absconded servants. Number 2. Claim and documents of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, in his official capacity, submitted against the burgher Jan Theunis Mulder, defendant. Number 3. From the merchant and Landdrost of the colonies of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in his official capacity, plaintiff in a criminal case, on the one side; against Adriaan van Zeil, Pieter van Zeil, and Jan Wiezer, prisoners and defendants, on the other side. Number 4. Claim or declaration of the fiscal office concerning Louis Pisani Almero. And belonging to the lawsuit of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, in his official capacity, plaintiff, on the one side; against Arnoldus Castelyn de Keulenaar, Lieutenant, and Johannes Cornelis de Buissonje, Second Lieutenant, who had been stationed on the ship Oud Haarlem, defendants. Number 5. Claim and documents of the Landdrost at Graaff-Reinet, Morits Herman Otto Woeke, in his official capacity, submitted against Andries Burgert, defendant. Number 6. Against the burgher Pieter Johannes du Plessis. Number 7. From the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the soldiers Joseph Bekker, Jan Martin, Fredrik Grouert, and Balthasar Tetsch, prisoners and defendants. Number 8. Against Januarij, slave of the burgher Frans Hilgers at Zwellendam. Number 9. Against Petronella Beijers, wife of Johan Godlieb Coohn. Number 10. Claim and documents of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against Mentor of Mozambique, slave of the widow Versveld. Number 11. Having served in the lawsuit of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, against the head surgeon of the ship Dregterland, Gerrit Blikman. Number 12. Against April of Bengal, slave of the burgher Jan Jacobs. Number 13. Against the soldier Johan Hertel. Number 14. Against Sitria of the Cape, female slave of the Junior Merchant J: M: Bleumer. Number 15. Against the sailor Johan Meijer. At Cabo de Goede Hoop, the last day of December 1788. J Rineveld, first clerk. The Council of Justice of the Castle of Good Hope makes known: That the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, has orally informed us: That Frans van den Bergh of Keulen, Alexander van den Bergh of Zutphen, Pierre Joseph Os of Huy, Ludwich Godlieb Schuler of Berlyn, Sebastiaan Werner of Worms, Johannes Kruger of Alkmaar, Coenraad Boer of Amstijn, Jan Frenin of Philadelphia, Johannes Robbe of Gent, soldiers; Jasper Helm Franse of Consberg, Jacobus Booijkes of Brugge, Meus Isaaks of Laarwijk, Johan Christoffel Visser of Neustad, Pieter Veneblad of Gottenburg, Gabriel Linsenius of Eknis in Vinland, Jan Visser of Swol, Jan van Barneveld of Amersfoort, Roelof Barends Scholte of Monnikendam, gunners; Arend Olters of Arenthem, Fredrik Hannitz of Magdeburg, Augert Jonas of Philadelphia, Jacob Christiaan of Baltman, Tomas Thorisse of Gottenburg, Simon van Leen of Dordrecht, Joseph Stempers, Hans Pieter Smit of Christiania, Joseph Perriias of Surenamen, Pieter Smit of Oostende, Jan Fredrik of Stockholm, Laurens Pietersse of Copenhagen, Jan Roosendaal, Jan Laris of Stockholm, Barend Harmse Wenning of Loesting Munster, Andries Janssen of Balin, Dirk Koning of Amstijn, sailors; Jan Possel of the island of Funen, Jan Brands of Lordum, Hendrik Philip van Snevelie of Ophemert, Hendrik Harms of Zuijderbroek, young sailors; Oele Theunissen of Ransbach, boy; Andries Jenssen of Hadersleben in Holstein, blacksmith; Arij Engels of Bremen, sailmaker; all, in the aforementioned capacities belonging under this government, have not hesitated during the past year successively and willfully to abandon their assigned posts and the service of the Honorable Company and to make themselves fugitives, so that notwithstanding all efforts made they could not be found; the said pro interim Fiscal therefore requesting that the above-mentioned fugitive persons may, by public tolling of the bell and edictal citation, be peremptorily summoned in person to appear before us or commissioners from our college within a certain designated day, in order to answer for their willful desertion and abandonment of service, on pain that, in case of non-appearance, proceedings shall be conducted against them by contumacy according to law. Thus it is that the Council, having considered the request of the said Lord Fiscal, in pursuance of the established circular orders of their High Excellencies the Lords of the Supreme Indian Government for the maintenance of justice, has thought fit to have the above-mentioned fugitive persons summoned by public edict and tolling of the bell, as we do summon and cite them hereby, to appear peremptorily in person at this Castle within the space of the next coming four weeks, in order to purge and answer for their above-mentioned willful desertion and abandonment of service before our Court or commissioners therefrom, on pain that, upon failure thereof, proceedings shall be conducted against them by contumacy according to law. Underneath stood: Thus done and granted in the Castle of Good Hope, the 15th of January 1788. Was signed: J: J: Rhenius. In the margin stood the seal of Justice pressed in red sealing wax. Underneath that: By order of the Honorable Lord President and the Honorable Council of Justice. Was signed: C: van Aerssen, secretary. J J Rijneveld, first clerk. Agrees.
Dutch transcription
Register der 8 List en Edietaale Citatie weegens 's E Comps 1. geaufugeerde Dienaaren 2. / Eysch en stukken van den pro int:s Fiscaal d' E: Gabriel Exter R. O. ingediend op ende jeegens den Burger Jan e Theunis Mulder get: „Van den koopman en Land= =drost der Colonien Stellen- bosch en Drakenstein, Hen= drik Lodewijk Sletterman R: O: Eisscher in cas Crimineel ter eenre op inde jeegens Adriaan van Zeil, Pieter van Zeil en Jan Wiezer gedet: en ged:e ter andere zyde 3½ Eijsch of Declaratoir van het officie fis„ caal wegens Louis Pisani Almero. En gehoorende tot het proces van denpio interim fiscaal d' E: Gabriel Exter R:O: Eyscher ter eenre Contra Arnoldus Castelyn de Keulenaar Lieut en Johannes Cornelis de „ crimineele stukken en munt= menten dewelke geduurende het Iaar 1788 in den E: Achtb: Raade van Justitie aan Cabo de Goede Hoop zijn gedecideert geworden Buissonje N 5. Eysch en stukken van den Landdrost te Graaffe Rijnet Morits Herman Otto Woeke R:O: ingediend Contra 6 Andries Burgert ged: Contra den Burger Pieter Johannes du Plessis. 1„ Van den pro interim Fiscaal d' E Gabriel Exter Contra de oldaaten Ioseph Bekker, Jan Martin, Fredrik Grouert en Balthasar Tetsch ged: en ged. e Contra Januarij Slaar van den burger Frans Hilgers. Contra Petronella Beijers huijs vrouw van Johan Godlies Coohn. 8 S „ te Zwellendam Buissonje, Sous Lieutenant, be¬ scheyden geweest op het Schip ds Oud Haarlem gedt „ 7. „„ „ „ 8 ƒ 11. 12 10:/ Eysch en stukken van den pro interim Fiscaal d' E Gabriel Ecter Contra Mentor van Mozambique slaat van de Wed. Versveld. „ gediend hebbende in het pro- ces van den prointer Fiscaal d' E: Gabriel Exter Contra. den Oppermeester van het schip Dregterland, Gerrit Blikman Contra April van Bengalen, slaat van den burger Jan Jacobs N „ Contra den soldaat Johan Hertel „ Contra Sitria van de Caab, Slarin van de Manh„ J: M: Bleumer 1 ƒ 2 Contra den Matroos Johan Meijer Aan Cabo de Goede Hoop ultimo December 1788. 15. 14: 13. 8 J Rineveld gClercq Schip No. = caal ekker uert s ƒ „ 8 „ „ ƒ Den Raad van Iustitie des Casteels de Goede Hop doet te weeten. Hoe den pro Interim Fiscaal d' E: Gabriel Exter aan ons bij monde heeft te kennen gegeeven Dat Frans van den Bergh van Kool Alexander van den Bergh. van Sutphen Pierre Joseph os van huijs Ludwvich Godsiel Schuler van Berlyn Sebastiaan werner van Worms Iohannes Kruger van Alkmaar Coenraad Boer van Amstijn Ian Frenin van Philadelphia Iohannes Robbe van Gent soldaaten Iasper Helm Franse van Consberg : Iacobus Booijkes van Brugge Mens Isaaks van Laarwijk „Iohan Christoffel visser van Neustad Pieter veneblad van Gottenburg Gabriel Linsenius van Eknis in vinland Ian Visser van Swol Ian van Barneveld van Amersfoort Roelof Barends Scholte van Munnikkerdam bosschieters. — Arendolters van aronthem Fredrik Hannitz van Magdenburg Augert Ionas van Philadelphia Iacob Christiaan van Baltman Flomasihorisse van Gottenburg Simon van Leen van dortrecht Joseph ƒ Ioseph Stempers Hans Pieter Smit van Christiania Ioseph Perriias van Surenamen Pieter Smit van Oostende Ian Fredrik van Stokholm Laurens Pietersse van Coppenhagen 15„ Jan Roosendaal „ Jan Laris van Stokholm Barend Harmse wenning van Loesting wunster Andries Janssen van Balin dirk Koning van Amstijn Mattroosen Ian Possel van 't Eyland Funen Jan Brands van Lordum Hendrik Philip van snerelie van ophemer Hendrik Harms van Suijderbroek Iongmattroosen oele Theunissen van Ransbach hooploper Andries Jenssen van Hadersleben in Holsteijn grofsmit Arij Engels van Breemen. Zeijlmaker Alle in voorm: qualiteijten onder dit gouvernement sorteerende hun niet hebben ontzien geduurende het voorl: Iaar successievelik hunne bescheijdene posten en den dienst der E: Compagnie moedwillig te verlaaten en hun zelven fugatief te stellen, zoon „danig dat niet tegenstaande alle aangewende moeijte niet hebben kunnen worden ontdekt verzoekende gem: Pro Interim Fiscaal dies wegens dat bovengem: vlugtige perzoonen, bij openbaare klocke geslag en edictaale Citatie peremptoir in in perzoon mogen worden ingedaagd, om binnen zeekeren bepaalden daage, voor ons ofte gecom„ „mitteerdens uijt ons Collegie te Compareeren, ten eijnde hun wegens moedwillige desertie en dienst verlating te komen verantwoorden op peene dat bij non Comparitie tegens dezelve bij non comparitie teegens dezelve bij contumacie zal werden ge„ „procedeert als naar rechten Soo is 't dat de Raad gelet hebbende op het verzoek van gem: Heer Fiscaal in opvolging der beraamde Circulaire ordres van hun hoog Edelens de heeren der hooge indiasche regeering tot handhaaving der Iustitie goed gevonden heeft. de boovengem: vlugtige perzoonen bij openbaare - Edicte en klokke geslag te doen dagvaarden, gelijk wij hunlieden dagvaarden en indaagen bij deezen, omme binnen den tijd van de Eerst koomende vier weeken pexemptoir in perzoon ten deezen Casteele te Compareeren, omme hun wegens hunne bovengem: moedwillige desertie en dienst verlating voor onse Regtbank dan wel gecommitteerdens uyt denzelven te komen purgeeren en verantwoorden, op pene dat bij nalatigheijd van dien tegens dezelve bij con„ „tumacie zal werden geprocedeert als na rechten /:onderstond:/ Aldus Gedaan en verleend: In't Casteel der er oosen nement urende dene willig Zoon de wegens baare toir de Goede Hoop den 15 Ianuary 1788. /: was geteekend:/ I: I: Rhenius /:in margine:/ stond het Zegul der Iustitie in rooden lacque gedrukt /:daar onder:/ Ter ordonnantie van den E: Achtb: heer: praesident en den E: Achtb: raad van Justitie /:was geteekend:/ C: van Aerssen: secretaris. J J Rijneveld 7: Clercq Accordeert.
English
Appeared before the Right Honorable and Honorable President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Pro Interim Fiscal Gabriel Exter, Official Plaintiff of the one part; proceeding against the burgher Jan Theunis Mulder, Defendant of the other part; 1. And declared: 2. That some months ago, three pieces of kersey and one piece of baftas were embezzled by the battalion tailor Jan Klipzen from the goods handed over to him for the making of the uniform, and, according to his statement, sold to the defendant Jan Theunis Mulder. 3. The defendant, during the examination held, did not deny having actually bought two pieces of kersey and the piece of baftas from him, 4. yet continued utterly to deny 5. that the third piece of kersey was received by him, 6. and that, not having known the said battalion tailor, 7. he, the defendant, had neither given opportunity for the misappropriation, 8. nor could have known whether the seller was the legitimate owner of the goods or not, 9. since nearly all soldiers and sailors traded, and the defendant had not dared to ask whether the goods were stolen and the seller was a rogue, 10. just as he, the defendant, had also not bought the same below value, but paid such as they were sold for shortly beforehand at the Honorable Company's auction, 11. which had also caused him to refuse the return of those goods before he received the money for them; 12. that these reasons adduced by the defendant grant a certain presumption in his favor, 13. because for the contrary there is no other proof than the seller's single, voluntary, and unforced deposition; 14. the Official Plaintiff nevertheless considers, subject to correction, 15. that the same will not be sufficient for justification and complete exoneration. 16. For, supposing that the defendant had bought the goods in good faith in the aforementioned manner, 17. he would then have been without guilty knowledge and to be excused or very lightly punished; for they are either wholly to be excused or only lightly to be punished, who without malicious intent have received the culprits or stolen property, Voet Book 47, Title 16, Number 3. 18. But then the defendant ought also to have continued in good faith, 19. and to restore the goods as stolen property as soon as he gained knowledge thereof; 20. furthermore, not wish to profit to the detriment of a third party, 21. which greatly diminishes the favorable presumption, 22. he having moreover despised the orders given in a competent manner and said that he would not trouble himself about them; 23. and even less can the defendant have the excuse that all soldiers and sailors trade, 24. since repeatedly and extensively it has very often been forbidden to all inhabitants under fines and penalties 25. not to provide sailors, soldiers, and craftsmen with the means to overindulge in drink or other irregularities, 26. by purchasing or exchanging uniform and other clothing articles from them, 27. just as the most rigorous punishments have been stipulated for the purchase of Company and other entrusted goods; 28. so that in that respect the fault falls the more upon the defendant, who ought reasonably to have doubted 29. whether the seller, having to attend to the uniforms of the battalion, might not at times embezzle therefrom, 30. and thus in no way, in order to avoid vexation and damage, buy such goods from him; 31. that furthermore the Official Plaintiff maintains that the value of the goods cannot be determined so much by the public auction, where also old and partly spoiled wares are sold, 32. as rather by the established price of the Honorable Company, or that for which the goods are ordinarily accustomed to be delivered to private persons, 33. and therefore also, subject to Your Honors' better judgment, he deems it must be established 34. that the goods in question bought by the defendant were also paid for below the usual price, 35. and that the defendant, in any case, if not entirely, 36. yet according to the adduced reasons has in one way or another made himself guilty and subject to punishment; 37. he remaining no less obligated to purge himself by oath that the third piece of kersey was not received by him, the defendant. Wherefore, for which and other reasons and means to be further deduced in due time and place, if necessary, the Official Plaintiff, making demand, concluded that the defendant by definitive sentence of Your Honors shall be condemned to pay a monetary fine of 75 rixdollars for the benefit of the diaconate of the poor, to restore the goods in question bought by him without claiming any compensation, with expenses, or to such other end as Your Honors in law and equity shall deem proper. Was signed: G: Exter Articles made and submitted to the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, in order to examine Corporal Jan Klipzon thereon at the requisition of the Pro Interim Fiscal G: Exter, the responses to be given by him to be properly noted in the margin hereof. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, Corporal Jan Klipzon, who to these question points below has given such answers as are recorded alongside each of them. Art. 1 The defendant's name, birthplace, age, and rank. Says: Jan Klipzon of The Hague, 30 years old, and Corporal here in the Battalion. Art. 2 Whether he, the prisoner, was not also ordered to make the uniform of the Battalion and further to be tailor. Says: Yes.
Dutch transcription
Compareede voor den WelE: dele Achtb Heer Praesident en Raad van Iustitie, des Casteels de Goede Hoop den Prointerim Fischaal Gabriel Exter r: O. Eys„ „scher ter eenre opende Jeegens Den Burger Jan Theunis Mulder Gedaagde ter andere zijde 1. / En deede zeggen„ 2/ dat voor eenige maanden door den Bataillons snijder Ian klipzen drie stukken karzaaij en een stuk baftus van de denzelven tot het maken der mon„ „teering overgegeevene Goederen afhandig en naar zijn zeggen aan den Gedaagte Jan Theunis Mulder verkogt zijn geworden. 3 den Gedaagde bij de Gedaane Examinatie wel niet niet heeft ontkent, daar van wesentlijk twee stukken karzaaij en 't stuk baftas gekogt te hebben, 4/ egter volstrekt is blijven negeeren, 5/ dat 't derde stuk karzaaij door hem ontfangen was„ 6/ en dat den gem: Bataillons Snijder niet gekent hebbende. Sij gedaagde nog geleegentheid tot de oostvreeme ding had gegeeven, 8f nog ook kunnen weeten, of den Verkooper legitime eijgenaar der goederen geweest is, dan niet, 9( terwijl bij na alle Soldaaten en Mattroosen negoti„ „eerden en den Gedaagde niet had durffen vraage, of de goederen ook was gestoolen en den Verkooper een schelm was, ver5 s stond rukt Etb: tie e 10 / gelijk hij gedaagde ook dezelve niet onder de waardij had gekogt, maar zodanig betaald als zij kort te vooren op sEComp:s venditie zijn verkogt geworden, Is/ 'tgeen denzelven dan ook de te ruggaave dier goederen had doen weijgeren, voor dat hij 't geld daar voor ontfing, 12 dat deeze van den gedaagde aangehaade reedene, voor naamentlijk eenige presumatie voor den zelven geeven 13 /om dat voor 't tegendeel geen andere bewijs is, als des verkoopers eenige dag vrije en ongedwongend depositie, 14 den 7: O. Eijsscher /onder Correctie :/ egter vermeerd, 15/ dat dezelve tot Legitimatie en volkoomen verschooning niet Jufficient zullen zijn, 16 /Want verzonder steld, dat den ged=t op de voorsz: wijse de„ de Goederen in bona fide had gekogt 17/ dan zoude hij buijten weeten helez en te verschoonen ofte zeer gering te straffen geweest zijn; nansvel in universam ercusardi vel tantum Leviter pumierdi sunt, insia ae sini dolo malo delictorum reve aut res subreptas sus„ „Ceperins Voet L. 47 tit & 17 n. 3. 18/ Waar dan had den gedaagde ook in bona fide moeten continueeren, 19/ en de Goederen als een resfartivren, zodra hij daarvan kennes heeft gekreegen, restitueeren. 20/ Voorts niet ten schaade van een derde willen profiteeren 21/ 'tgeen de goede presumtie grootelijks verminderd, 22 hebbende denzelven nog de op een Competente wyze gegee„ „ven ordres veragt en gereijd dat hij zig daar aan niet zoude stooren 23/ En nog minder zal doen Ged=t d'ercuad, dat alle soldaaten en Mattroosen negotieezen, kunnen hebben, 24 / terwijl bij reeteratie en ampliatie zeer dikwils aan alle ingezeetene onder boetens en straffen verboden is, 25/ om de Mattroosen en soldaaten en ambagtslieden niet de middelen, van zig in den drank ofte andere ongeres„ „geldheedens te buijten te gaan te besorgen, 26 Monteerings en andere kleedings stukken van dezelven te koopen ofte in te ruijlen, 27 / Gelijk ook op 't kooper van Compagnies en andere aan„ „vertrouwde goederen, de rigoureurte straffen gestapuleerd zijn, ƒ 28 / zoo dat ten dien opzigte de schuld meer op des gedaage walt, die billijk had zullen twijffelen 29 of den Verkooper de monteerings van 't battaillon te te bezorgen hebbende niet zomtijds daarvan zoude kunnen ontvreemden 30/ Cat dus op geenderleij wijze, om verdriet en schade te vermijden, diergelyke Goederen van denzelven koopen 31/ dat voorts den r. O. Eijsscher daar vóor houdende, dat niet, zowel naar de venditie, waar ook vergene en ten gedeelte verdorvene waaren verkogt worden, de waarde der goederen zal kunnen bestemd worden, 32 als veelmeer naar de gestelde prijs der EComp: ofte voor welken de Goederen ordinair pleegen aan parti„ „culieren geleeverd te worden, 33 den zelven dan ook /onder uWE agtb=s beter oordeel/ Vermeend te moetten vaststellen, 34 dat de van den ged=te in quistie in gekogte goederen meede onder de Gewoonelijke prijs zijn betaald, 35 en dat den Ged=e in allen gevallen genoomen wanneer niet geheel, 36 dog raad de Gededuceerde redenen op d'eene of van deze wijze zig heeft schuldig en aan straffe onderheevig gemaakt, 37/5 waardij te vooren en ven des tie posi als ing niet ie de 2 tas sus„ sum te moeten van teeren d ze gegee¬ t d Bataillon te zijn. — zegt: Ja. — 37. zullende denzelven niet minder gehouden blyven, zig met Eede te pargeeren, dat 't derde stuk karzaaij door hem gedaagde niet is ontfangen geworden. Mits welke en anderen redenen en mid„ „delen in tyd en wijle /: is 't rood:/ nader te deduceeren den 7. d. Eysscher Eysch doende Concludeerden, dat den Ged=t bij definiteu vonnis van UwEd agtb= zal worden Gecondemneerd, ten behoeve der diaconij de armen te betaalen een geld boete van rd=s 75, zodan de quaestioneerde door hem gekogte goederen zonder eenige vergoe„ „ding te pretendeeren te restitueeren, Cum expensio, ofte tot alzulken anders fins als uwE Agtb= naar regten billik„ „heid zullen oordeelen te behooren /:was geteekend:/ G: Exter Articulen gedaan maaken en aan Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitteerdens uijt den E Achtb:r raad van Heeren Gecommitteerdens uijt den E Achtb=r raade van Justitie overgegeeven, omme ter Iustitie deeses Gouvernements den Cor„ requisitie van den Prointerim fiscaal „poraal Jan Klipzon dewelke op deeze G: Exter daarop gehoord te worden den onderstaande vraag poincten zodanige antwoorden gegeeven heeft als bezijden Corporaal Jan Klipzon van 's Graavenhaage een ieder derzelver staan aangeteekend. zullende desselfs te geevene responsiven in margine deeser behoorlijk bekent gesteld; oud 30 Jaaren en Corporaal alhier bij „dom en qualiteijd. de hij Gev„e niet meede is, gecommandeert „geweest, om den Monteering van 't Bataillon te maaken en voorts snijde. zegt. Jan Klipzon van 's Graavenhaage des gev:e naam Geboorte plaats ouder„ Art. 1 Art 30 Zeg ka „ 2
English
Art. 3. to have received. says, yes. Art. 4. Whether a number of pieces of kersey with full accessories was handed over to him the prisoner for that purpose, and how much. Says yes, a number of thirteen pieces of kersey, but not the full accessories. Art. 5. What and how much he the prisoner actually sold, and to whom. says, to have sold to a certain burgher Theunis Muller three pieces of kersey and one piece of blue baftas. Art. 6. What he the prisoner received for that. says, to have received 15½ rixdollars for each piece of kersey and 5 rixdollars for the baftas. Art. 7. Whether he the prisoner enjoyed this money alone, or who had shares in it. says, that he kept the money for himself alone, and spent that money with others. Art. 8. In what manner he the prisoner came to the aforesaid Mulder and became acquainted with him. says, that he did not know the said Mulder beforehand, but that that man came to him in his room, and had said to him the prisoner in substance: if you have anything left over, piece by piece of the kerseys, you must sell that to me. Art. 9. Whether he the prisoner has sold more to the same, and what. says, no, never before. Art. 10. Whether he the prisoner sold the said pieces all at once, or rather piece by piece. says, piece by piece, and indeed some time after one another, and the second piece certainly 3 to 4 weeks after the first piece. Art. 11. What may have moved him the prisoner to embezzle the uniform goods in such a manner and to sell them below their value. says, because he was in need of money, and that he had believed he could buy other kersey instead for it, Art. 12. Whether he the prisoner will not confess to have made himself highly punishable by this deed. says, to believe that if he returned the goods, he would not be punishable, and to see a chance to deliver those goods back. Art. 13. Whether he the prisoner has not embezzled and sold both the one and the other. says, as before. Art. 14. What he the prisoner will add for his excuse. says, as before. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on the 12th of September 1787. Was signed: Klipzon. Below: In my presence, signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners, was signed: J. M. Horak and J. C. Gie. Below that: Agrees, was signed: R. J. van der Riet, sworn clerk. Articles drawn up and submitted by the Pro Interim Fiscal to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Council of Justice, to be heard upon the burgher Jan Theunis Mulder, pursuant to their resolution of the 1st of this month; his answers to be given are to be duly noted in the margin of this. Appeared before us the undersigned Gentlemen Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government the burgher Jan Theunis Muller, who answered the adjacent question articles as is noted beside each of them. Art. 1. The prisoner's name, birthplace, age, and status. says, Jan Theunis Mulder, native of Eilinghouze in the County of Lippe, aged 48 years, burgher here. Art. 2. Whether he the prisoner knows the corporal of the 2nd Battalion, Jan Klipzon. says, that the said Klipzon had come to him the prisoner without him ever having known him beforehand, asking him the prisoner if he had white kersey for sale; that he the prisoner had answered thereto: I do have white goods, but no kersey; whereupon the said Klipzon had departed. Art. 3. Upon what occasion he the prisoner made the acquaintance of the said Klipzon. says, that Klipzon had said to him the prisoner that he had a note from the colonel to buy up kersey as much as was needed, which note Klipzon did not show him the prisoner, as he also did not ask for it. Art. 4. Whether he the prisoner did not come to the house of the aforesaid Klipzon and addressed him: if you have anything left over, piece by piece of the kerseys, you must sell it to me. says, never to have asked Klipzon such a thing, because he was not acquainted with that man and therefore did not know whether he traded, testifying to this hour not yet to know where that Klipzon resided. Art. 5. Whether he the prisoner also knows that the same, as the battalion tailor, had to cut and make the uniforms of the battalion. says, as before. Art. 6. Whether he the prisoner did not receive on several occasions 3 pieces of kersey and one piece of baftas from the said Klipzon. says, that the said Klipzon came to him the prisoner eight or ten days later, and asked him whether he wanted to buy a piece of blue kersey from him Klipzon, asking 20 rixdollars for the same, whereupon he the prisoner told him that he had bought at the Honorable Company's vendue for 13, 14, up to 15 rixdollars, and therefore could give no more than 15½ rixdollars; and that he the prisoner did not dare to ask Klipzon if he had stolen it, as almost all soldiers here trade, and he some time before had likewise bought 10 pieces of kersey from a military man who told him the prisoner that even if he wanted to have 30 to 70 pieces of it, he could get the same, as various people also trade with that man; that furthermore Klipzon, having come to him the prisoner again after the lapse of some days, sold him another piece of blue kersey at 15½ rixdollars and 1 piece of baftas for 5 rixdollars. Art. 7. Whether he the said person did not pay 15½ rixdollars for the piece of kersey and 5 rixdollars for the baftas, thus less than the Company's price. says, not to know what the Company's price is, and to regulate himself only according to the vendues.
Dutch transcription
te hebben ontfangen. zegt. Ia„ Zegt Ia, een getal van derthien stukken zegt aan zeekeren burger Theunis Muller Wat en hoe veel hij Gev=e eijgentlijk heeft drie stukken karzaaij en Een stuk blauwe verkogt, en aan wien, zegt, voor ieder stuk karzaaij 15½ rd=s en voor Wat hij gevan: daar voor heeft ont„ „fangen. van de bafsta a 5 rd=s ontfangen te hebben. zegt, dat hij 't geld alleen voor hem gehouden off hij gev=e dit geld alleenig heeft genooten, heeft en met andere dat geld verteerd te dan wie portien daar aan heeft gehad; zegt, dat hij dien Mulder niet te vooren gekend op sodanige wijse hij gev=e bij voorsz: Mulder heeft, maar dat dien man bij hem in zijn kamer, is gekoomen en in kennis geraakt is! is gekoomen, en aan hem gev:e gezegt had in substatie als gij wat overhoud, stuk gewijs van de kersaayen moet gij dat aan mij verkoopen zegt. neen nooijt te vooren — zegt. stuks gewijs en wel eenige tyd na den anderen en 't tweede stuk wel 3a 4 weeken na het Eerste stuk. — wat hem geve heeft kunnen moveeren, Jagt. om dat hij verleegen was om geld, en om den Monteerings goederen zodanig dat hij vermeent had, weeder andere Karzaaij en daar voor te kunnen en koopen, te ontwende en onder de waarde te verkoopen off hij gev=e niet zal bekennen zig voor zegt te vermeenen als hij dat goed te rug gaff. dan niet strafbaar te zijn deese daad ten hoogsten strafbaar te en kans te zien dat goed weeder te hebben gemaakt. „ 12. bezorgen. door hem Of hij Ged=e niet zo wel van 't een en ander ontwent en verkogd heeft! is overgegeeven geworden en hoeveel! karzaaij maar niet 't toebehooren volkomen van stukken karzaai met toebehoorden off hem gev=e ten dien eijde met een getal „9. „. 10. off hij gev=e de gem: stukken op een reijse, dan wel stuk wijze heeft verkogt. — off hij geve. wel meer aan denzelven heeft verkogt en wat; Art: 135 zig hem mid„ doende definiteu den dia Conij 3 bafftas verkogt te hebben. — r ergoe„ ren deus billik„ hebben, aan E Achtb=r me ter scaal den venhaage seven gesteld; ouder„ deert Bataillon tat 30 „11. „ 8. „ 7. „ 6. „ 5. „ 4. Art 3. zegt„ als vooren. Aldus Gevraagd en Beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 12 September 1787. (was geteekend Klipzon /:Laager:/ Mij Preesent /geteekend:/ R J: V D: Riet gezwoore Clercq /:in margine:/ als Geconmetteer /:was geteekend/ I: M: Horak en I. C: Gie. /: daar onder:/ Accordeert /:was geteekend:/ R: J: V: d: Riet gesw Clercq. — Articulen gedaan maaken en aen Compaareerde voor ons ondergeteekende Heeren Gecommitteerdens uyt den gecommitt=s uijt den E Achtb=s raad van E: Achtb:s raade van Iustitie, door den Justitie deeses Gouvernements den burger Corn Jan Thenus Muller, dewelke op de Prointerim fiscaal overgegeeven om ingevolge weldeselve defrect de 1. deeze egt Gec: Nevenstaande vraagarticulen zodanig Ius, geantwoord heeft als bezijden een ieder daarop gehoord, te worden den Burg „pord derzelver staat aangeteekend. — Jan Theunis Mulder zullende desselfs te geevene responsive in Margene deezer behoorlijk worden bekent gesteld. Art. 1. des gev=e naam, Geboorte plaats zegt Jan Theunis Mulder uyt het graafschap Lijpe van Eilinghouze ouderdom en qualiteijd. geboortig, oud 48 Jaaren G=t burger „ 2. off hij gev: den Corporaal van 't 2 zegt. dat gem: klipzons bij hem ged Batuillon Jan Klipzon kent gekoomen was, zonder dat hij hem ooir van te vooren gekent had hem ged: vragende of hij ook wit karzaaij te koop had, dat hij gev. daar op geantwoord had ik heb wel wit zaaken maar geen karzaaij, waarop gem: klipze vertrocken was /:onderstont:/ Wat hij gev=t nog tot verschooning zal bijvoegen Art 3 Art: 13 - agt ona Ant een Z alhier Art 3. Committeer zegt. als vooren plaats agt. dat klipzon hem ged: had gezegd, dat hij een briefje van den overste had om Carzaaij op te koopen zoo klip zon hem ged: niet vertoont veel als nodig was, welke briefje heeft, alzoo hij er ook niet nage„ „vraagd heeft, off hij gev: niet ter wooning van regt. zulks nooit aan klip zou ge„ voorsz: klipzon is gekoomen. en „vraagd te hebben, vermids hij denzelven heeft aangesprooken: geen kennis aan die man haden indien U iets overhoud, stuks gewijs„ dus niet wist of hij Negotieerde, van de karzaaijen, moet gij 't aan betuijgende tot deezer uuren nog niet te weeten waar die klijp zon mij verkoopen, woonachtig is geweest. — off hij gev: voorsz niet tot verscheijdene de 1. deeze egt dat gem: klipzon agt of tien reyze 3 stukke karzaaij en een stuk e dagen naderhand bij hem gedk: is baftas heeft van denzelven klipzon gekoomen, en hem gevraagd heeft of hij een stuk blaauw Carzaaij van ontfange hem klipzon wilde koopen, voor 't zelve vragende 20 rd=s waarop hij gev: hem zeide dat hij op bij de EComp: op de Vendutie tegens 13. 14 tot 15 rd=s had gekogt, en dus niet meer te kennen geven als 15½ rd=s en dat hij Gevr: klipzon niet dorst te vragen of hij het gestoolen had, alzoo hier alle soldaaten bij na Negotieeren en hij eenigen tyd te vooren ingelijks 10 stukke Carzaaij had gekogt van een Militair dewelke hem hem gev: zeide dat hij al wilde hij ook 30 a 70 stukken van hebben, hij dezelve krijgen konden, gelijk dan ook verscheijde Menschen, met dien man handelen, dat voorts klip zou weder na verloop van eenige dagen bij hem Ged: gekomende zijnde hem nog een stuk blaauwe Carraaij a 15½ rd=s en 1 stuk Cafflas tegens 5 rd=s verkogt heeft. of hij Gemz: niet voor 't stuk kerzaaij 15½ rd=s en voor de bafflas 5 rd=s dus min„ niet te weeten wat de Comp: prijsis, en zich maar te reguleeren naar de „der dan den Comp„s prijs betaald heeft„ ord heedt gem: klipze door den geeven om den Burg t den de desself „6. Bij wat geleegentheid hij Gevr: gem: klipzon heeft kenne geleend. „ 4„ van 't Bataillon heeft te snijden en te maaken gehad. Battillons Snijder de Monteerings off hij gesz: ook weet dat dezelve als Art 2 Art 8: hooning aan wasgeteekend R I: V: :daar d: Riet en aen nargene bekent van 't kent vendutien 7 ƒ . „ 5.
English
Art. 8. States he was not able to ask such a thing, and further as to Art. 6. Art. 9. How he, the defendant, was allowed to buy and pay for these goods, knowing well that they were Company goods and stolen from the Corporal. States that he did not want to hand over those goods before he received the money for them, because he, the defendant, had bought and paid for that property. Art. 10. Why he, the prisoner, on said goods being claimed, did not immediately return them. Whether he, the prisoner, does not acknowledge having made himself guilty and punishable by all this. States he does not know that he has made himself guilty of anything punishable, because he thought he was dealing with an honest man and did not know that Klipzon was a rogue, which he could not ask him, as every soldier and sailor trades. Art. 11. What more he can say for his excuse. States he cannot excuse himself otherwise than by speaking the truth. Thus questioned and answered at Cape of Good Hope on 8 November 1787, before the Messrs C. Mappa and Johannes Smuts, members of the Honorable Court of Justice, who duly signed the minute of this together with the appearer and me, the secretary. Below: Which I witness. Was signed: C. van Aerssen, Secretary. Extract from the Criminal Roll of Court of Thursday, 29 November 1787. The Honorable Gabriel Exter, Acting Fiscal, Plaintiff ex officio in a criminal case, on the one hand; Against Citizen Jan Theunis Mulder, Defendant in person, to hear such claim and conclusion, request or requests as the Plaintiff ex officio shall make against the Defendant, and to answer thereto, and further to proceed according to law. The Plaintiff ex officio delivers his claim in writing. The Defendant in person states that he has already accounted for himself during his interrogation and completely persists therein. The parties renounce further productions. The Court holds this case under advisement. Agrees. J. Rijneveld, first clerk. Inventory of documents drawn up and delivered to the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, and the other gentlemen members of the Honorable Court of Justice, by the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, Plaintiff ex officio in a criminal case, on the one hand; Against The former field sergeant in the Hantam, Adriaan van Zijl, and the citizens Petrus van Zijl and Ian Wieser, currently prisoners and defendants in the aforesaid case, on the other hand. The Plaintiff ex officio his inventory quoted on the back thereof with the sign A. Criminal claim and conclusion taken by the Plaintiff ex officio on and against the prisoners and defendants, quoted B. A. The letter written by the first prisoner and defendant to the Honorable Governor here, dated 16 April 1786. B. A letter written by the citizen David Fredrik Strous, dated 8 August 1785. C. A ditto by the first prisoner and defendant, dated 15 December 1785. D. A ditto written by the aforesaid Strous to the Plaintiff ex officio, dated 15 January 1786. E. A ditto also written by the first prisoner and defendant to the aforesaid Strous, undated. F. Extract taken from the military council resolution of Stellenbosch, 6 June 1786. G. Report given and sworn to before the Commissioners from this Honorable Court and at the requisition of the Plaintiff ex officio by the aforesaid citizen David Fredrik Strous. H. Secretarial declaration passed at the requisition of the Plaintiff ex officio by the citizen Barend Fredrik Lubbe, and sworn to before the aforementioned Commissioners. I. Declaration passed and recollected by the Hottentot Piet Eijland, also before the Commissioners and at the requisition as before. K. Declaration passed and recollected in the same manner as before by the Bastard Hottentots Paul and Gerrit. L. Declaration of the Hottentot Andries, passed and recollected as before. M. Declaration of the Hottentot Ruijter, also passed and recollected as aforesaid, quoted on the back with the letters A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L, M. All these documents serving to justify the facts charged against the prisoners and defendants in the aforesaid criminal claim by the Plaintiff ex officio, and consequently to verify the aforesaid claim and conclusion of the Plaintiff ex officio from Art. 2 up to and including 183. Copy of the minutes of the court proceedings held on 7 February of this year, quoted on the back with the letter N, thereby proving the contents of the articles from 184 up to and including 190. 1. Articles upon which the first prisoner and defendant, Adriaan van Zijl, was heard at the requisition of the Plaintiff ex officio, with the answers given thereto by him before the Commissioners. 2. Articles upon which the second prisoner and defendant, Petrus van Zijl, was heard as before, with the answers given thereto by him. 3. Articles upon which the third prisoner and defendant, Ian Wieser, was likewise heard as aforesaid, with the answers given thereto by him, quoted on the back with the letters O, 1, 2, and 3. Serving to demonstrate the acts of the prisoners and defendants posited in the claim of the Plaintiff ex officio from Art. 191 up to and including 245. The remaining articles of the same criminal claim are introductory, notorious, of law, and confessed, and therefore require no more specific proof. Legal brief, if necessary, to be drawn up and then to be quoted with the letter P. Was signed: H. L. Bletterman. Agrees.
Dutch transcription
Art: 8. zegt zulks niet te hebben kunnen vraagen en voorts als op Art. 6. Hlve hij ged: deeze goederen heeft mogen koper en betaalen, wel weetende, dat het Compagnies Goederen en van den Corporaal ontvreend waaren zigt die Goederen niet te hebben willen Waaronbij gev: deese Goederen heeft bpro„ afgeeven, voor dat hij 't geld er voor gen zeijde niet directelyk wederom ontfing, alzoo hij ged: dat goedge„ heeft gegeeven. „kogt en betaald had. of hij gev: zig niet door 't een en ander zegt. niet te weeten aan sich aan straffe bekent, schuldig en strafbaar te heb„ schuldig te hebben gemaakt wijl hij dag dat hij met een eerlijk man „ben gemaakt.. te doen had, en niet te weeten dat klipzon een schurk was, 't welke hij hem niet kon vragen, alzoo een eijder zoldaat en Matroos Negotieert. - Wat hij nog meer tot verschooning zegt niet anders zich te kunnen ver„ „schoonen als met de waarheid te kan zeggen. Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 8 November 1787. voor de Heeren C: Mappa Iohannes Smuts Leeden uijt den E Achtb=r Raad van Iustitie die de minute deezes beneevens den Comp=t en mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend: /: laager:/ 't welk ik getuygen /: was geteekend:/ C van Aerssen Secretaris. — Extract uijt de Crimineele Regts Rolle van „ 11. „ 10. Donderdags 9. ƒ spreeken Donderdag den 29 November 1787. Pro interum Fiscaal d'E de R:O: Eijsscher dient van Gabriel Exter rat: off Eysscher Eijsch pro ut in schiptis in Cas Crimineel ter eenre de ged: in persoon zegt zig op inde Jeegens reeds te hebben verantwoord Den Burger Jan Theunis Mulder bij zijn Interrogatorin en Ged: in perzoon omme aan te hooren daar bij volkoomen te blijven zodanigen Eijsch en Conclusie ver„ „schoek of versoeken als den E: O: Eijsscher persisteeren tegens den Ged: zal koomen te doen renuntieerende partijen en neevens daar op te antwoorden van verdere productien en voorts te proceedeeren als na rechten De raad houd deeze zaak in advijs. Accordeert. J Rijneveld ejClercq 1 onderdags mogen dat het t bpo„ wederom en ander te heb„ alzoo oning de ren deezes behoorlijk /: was eele Jnventaris van stucken gedaan maaken, en aan den WelEdelen Agtbaaren Heere Johannes Isaak Rhenius praesident en de ver„ „dere Heeren Leeden van den Edelen Agtbaaren Raade van Justitie overgeleevert, door den Landdrost van stellenbosch en drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman ratione officie Eijss:r in Cas Crimi„ „neel ter Eenre Contra. den oud veldwagtmeester in den Hantam Adriaan van Zijl en de burgeren Petrus van Zijl, en Ian Wieser, thans gev:n en ged:e in 't voorsz:: Cas ter andere zijde. — De Ratione officie Eyss„r zynen inventaris op de rugge van dien gequoteerd Cumsigno. . . . . . . . . . A: Crimineele eijsch en Conclusie door de Rat: Officie, eysscher op ende Jeegens de gev„en en ged=e genoomen gequoteerd _ B: A: de Brief door den Eersten geven en ged„te aan den WelEdelen ge„ „strengen Heere gouverneur alhier geschreeven, gedateerd den 16 april 1786. B: Een Brief door den Burger david No: 3 david Fred„k Strous geschreeven in dato 8 aug:s 1785. 6 Een dito door de Eerste gev=e en ged:e de dato 15 december 1785. d Een dito door voorm: Strous aan den Ratione af: Eiss:r ge„ „schreeven, in dato 15 Jann: 1786. C Een dito door de eerste gev: en ged=e aan voorm: strous meede geschreeven ongedateerd. F: Extract uyt de krygsraads resolutie van stellenbosch ge„ „noomen, den 6. Junij 1786. P. Relaas ten overstaan van Heeren gecommitteerdens uijt deezen Ede„ „len Agtbaaren Raade, en ter Requisitie van den Rat: off: Eyss„r gegeeven en beëëdigt door voorm: Burger david Fredrik Arous H: Secretarieele verklaaring ter requisitie van den R: O: eyss:r gepasseerd door den burger Barend Fredrik Lubbe, en ten overstaan van welgem: Heere gecommitt:s beeedigd Verklaring door den hottentot Piet Eijland meede ten over„ „staan van Heeren gecommitt„s ende ter requisitie als vooren gepasseerd en gerecolleerd R: verklaaring in maniere als vooren „vooren door de Bastaard hotten„ „totten Paul en Gerrit gepasseerd en gerecolleerd. L: Verklaaring van den hottentot Andries als vooren gepasseerd in gerecolleerd. M: Verklaring van den Hottentot Ruijter meede als gezegd gepasseerd en gerecolleerd in dorso gequo„ „teerd met de letteren A: B: C: D: E: F: G: H: S: K: L: M: dienende alle deze documenten tot Jus„ „tificatie van de facten aan de gev. e en ged„e bij den voorsz: Crimineelen eysch door de Ratione off: Eyss:r ten lasten gelegd en mits dien tot rerificatie van des Ratione Officie eyss:r voorsz: eijsch en Conclusie van Art„ 2, tot 183 inclusive Copia Notul der dingtalen ge„ „houden op den 7. Februarij deezes Jaars in dorso gequoteerd L„a N: bewijzende daar meede den inhoud der articulen van 104 tot 190 inclusive 1 Articulen waarop de eerste gev=en en ged„en Adriaan van zijl ter requisitie van den Rat: O:t Eyss:r is gehoord met de door denzelven daarop ten overstaan van Heeren ge„ „committ:s gegeevene responsiven 2 Articulen waarop den tweeden gev„e gew„e en ged„e Petrus van Zijl als vooren is gehoord; met de responsiven door hem daarop gegeeven. 3 Articulen waarop den derden gev:e en ged=e Ian wieser insge„ „lyks als gezegd is gehoord met de responsiven door den„ „zelven daarop gegeeven in L„o 6, 1, 2 en 3. dorso gequoteerd. dienende tot demonstratie der faiten van de gev„en en ged:e bij des Ratione Off: eijss:r eijsch geposeerd van A„o 191 tot 245 inclusive de overige articulen van den„ „zelven Crimineelen eijsch zijn introductier, notoir Juris at in Confesso en hebben mits dien geen speciaalder bewijs nodig Memorie van regten / is 't nood/ te formeeren en als dan te quo„ _o „teeren met Letter - /:was geteekend:/ J: L: Bletterman.— Accordeert. —
English
Appeared before the Honorable Worshipful Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Lords Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, Prosecutor ex officio in a criminal case on the one part, against the former field cornet in the Hantam, Adriaan van Zijl, and his son, the Burgher Petrus van Zijl, as well as the Burgher Jan Wieser, prisoners and defendants in the aforementioned case on the other part. Article 1. And the Prosecutor ex officio stated: 2. that on the 19th of May of the year 1786, the Honorable Rigorous Lord Governor having sent to the Prosecutor ex officio a letter addressed to His Honorable Rigorous and dated 13 April prior by the first prisoner and defendant as the then field cornet in the Hantam, 3. containing a request to go shoot elephants and to take some volunteers along, 4. His Honorable Rigorous had told the bearer of that letter that he could not permit such a thing, 5. as it was thought that the robbing Bushmen would thereby be given more opportunity to cause harm to the inhabitants there, Article 6. and also not knowing whether he, the first prisoner and defendant, would have to go out on planned commandos; 7. the Prosecutor ex officio therefore also expected from the same first prisoner and defendant that he would not act contrary to the order of the aforementioned Lord Governor, 8. the more so since he, the first prisoner and defendant, had at that time not yet been discharged from his post as field cornet, 9. and even a short time before had presented to the Council of War at Stellenbosch the necessity of conducting a commando against the robbing Bushmen, 10. and to that end had also requisitioned a cart, horses, and provisions from the inhabitants living there, to fetch powder and lead, 11. and also received a cart and horses, but did not employ them for that purpose, 12. while he, the first prisoner and defendant, was also only discharged from his post as field cornet on the 6th of June thereafter, upon his request made in that regard. 13. That he, the first prisoner and defendant, in the latter part of the month of October of the same year, brought to the knowledge of the Prosecutor ex officio 14. that he, the prisoner and defendant, had made an expedition inland, though not to go shoot elephants, 15. but solely to barter or buy some oxen for himself, Article 16. just as he also testified to having bartered only six to eight cattle for himself, 17. and that he, the prisoner and defendant, on that occasion, having been with a nation of the Hottentots called the Caraccoose, 18. was requested by the same to assist them against a party of robbing Hottentots, 19. but that, they having been unable to hold their ground against their enemies, 20. the prisoner and defendant had therefore also returned. 21. That he, the first prisoner and defendant, having found there elsewhere on a certain height some ore resembling the substance of graphite, 22. intended, after delivering about one ounce to the Prosecutor ex officio, to give the same to the aforementioned Lord Governor. 23. The Prosecutor ex officio having thereupon expressed his astonishment that he, the prisoner and defendant, had made an expedition contrary to the order of the aforementioned Lord Governor, 24. he, the prisoner and defendant, thereupon again testified to the Prosecutor ex officio not to have shot any elephants, 25. but only to have bartered six to eight cattle for himself, with the assurance that he would answer for himself to the aforementioned Lord Governor. 26. That on the 11th of January of the past year, the Burgher Sebastiaan Valentijn van Reenen, having complained in writing to the Prosecutor ex officio 27. that a large herd of cattle having been brought out of the Namaqualand by him, the first prisoner and defendant, he had caused the same to pass by the farm of him, Van Reenen, 28. and had the main grass grazed off by his cattle, 29. with the request to enjoin him, the first prisoner and defendant, to take careful care to avoid doing so henceforth. 30. That the Prosecutor ex officio having been indirectly informed both in the month of February thereafter and subsequently 31. that two hundred and eighty head of cattle, both large and small, were said to have been brought out of the Namaqualand into the Hantam by the first prisoner and defendant, 32. and that he, the first prisoner and defendant, was said to have commandeered for his expedition the Hottentots and Baster Hottentots living there in the Hantam and present for the assistance of the Christians, 33. without the Prosecutor ex officio having then been able to obtain any sufficient proof of all these reports; 34. the Prosecutor ex officio, however, has since spared no effort to arrive at it, 35. just as the Prosecutor ex officio was then also finally informed with certainty in the beginning of the month of August of the year just past 36. which person delivered the letter from him, the first prisoner and defendant, to the aforementioned Lord Governor, 37. and what answer he received thereto, Article 38.
Dutch transcription
Compareerde voor den welEdelen Achtbaaren Heere Iohannes Isaak Rhenius praesident, beneevens de verdere Heeren Leeden van den Edelen Agtbaaren raade van Iustitie dezes gou„ „vernements, den Landzrost van stellenbosch en drakensteijn Hendrik Lodewijk Bletterman Rat: a: Eyss:r in Cas Crimineel ter eenre, op ende Ieegens. den oud: veldwagtmeester in den Hantam, Adriaan van Zijl, en deszelvs zoon, den Burger Petrus van Zijl, mitsg:s den Burger Ian Wieser gev=e en ged. e in't voorsz: Cas ter andere zijde. — Art: 1. Ende deede de R: O: Eijss„r Leggen. 2. dat op den 19 meij des Iaars 1706. door den welEdelen Gestrengen Heere Gouverneur aan den Ratione fficie Eyss„r gezonden zijnde, een brief door den Eersten gev:e en ged: als toenmaalige veldwagtmeester in den Hantam aan zyn welEdele gestrenge geaddresseerd en gedateerd 13 April daar bevoorens. inhoudende versoek om oliphanten te gaan schieten, en eenige vrywilligens meede te neemen, 4 zyn welEdele Gestrenge aan den brenger van dien brief had gezegt: zulks niet te kunnen permitteeren 5 terwijl vermeende daar door aan de roovende bos„ „jesmans tot 1 3 „jesmans meerder geleegertheijd zoude worden gegeeven, om de ingezeetenen, aldaar nadeel toe te brengen Art: 6. en ook niet wist of hij eerste gev„e en gedr: met beraamde Commandos zou moeten uijtgaan: de Ratione Officie Eyss„r dus ook van denzelven eersten gev: en ged: heeft verwagt niet teegens de ordre van welgem: Heere Gouverneur te zullen handelen. 8. te meer daar hij eerste gev„e en ged: toenmaals nog niet van zyn post als veldwagtmeester was ont „slagen. 9. en zelvs korten tijd bevoorens bij de krijgsraad te stellenbosch de noodzaakelijkheijd eener op de roo„ „rende Bosjesmans te doene Commando had voorge „draagen, 10. ook ten dien eijnde van de aldaar woonende opge „zeetenen kar, paarden en provisie afgelyscht, om kruijt en Loot aftehaalen 11. . ook kar en paarden ontvangen, dog niet tot dat eijnde geEmploijeert. 12. terwijl hij eerste gev„e en ged: dan ook eerst op den 6 Junij daaraan op zyne desweegens gedaan versoe van zijn post als veldwagtmeester is ontslaagen geworden. 13 dat hij eerste geven en ged: in 't laatst der maar october desselvigen jaars aan den R: A: eijsscher ter kennisse hebbende gebragt. 14. dat hij gev„e en ged: een togt landwaards in had gedaan, dog om geene olyphanten te gaan schieten §5. maar alleenlijk om voor hem eenige ossen inte ruijlen - - ruijlen ofte intekoopen. Art: 16 gelyk hij ook betuijgde, slegts zes â agt beesten voor hem zelve te hebben ingezuijld. 17. en dat hij gev„e en ged: bij die geleegentheid bij eene natie der hottentotten de Caraccoose genaamt geweest zynde. 18 door dezelve was versogt om hunlieden te adsis„ „teeren teegens een parthij roorende hottentotten 19 dog dat dezelve teegens hunne vyanden geen stand hebbende kunnen houden.. 20. den gev„e en ged: daarom ook was terug gekeert. 21 dat hij eerste geve en ged: aldaar elders op eene zeekere hoogte eenig Ertz, gelijkende 't zelve na 't steff van potloot, gevonden hebbende 22 van meening was het zelve na de afgaane van omtrent eene once aan den Rat: S:s Exs„r aan welgem: Heere gouverneur te geeven. 23 de Rat: A:t eyss:r hierop zijne verwondering heb„ „bende te kennen gegeeven, dat hij gev„e en ged: een togt teegens de ordre van welgem: Heere gouverneur had gedaan. 24. hij gev=e en ged: daarop nogmaals aan den Rat: off: Eyss:r heeft betuijgd geen olijphanten te hebben geschooten, 25: maar slegts ses â agt beesten voor hem te hebben ingezuijld met verseekering zig bij welopgem: Heere gouverneur te zullen verantwoorden. 26 dat op den 11 Ianuarij des gepasseerden Iaars, den Burger Sebastiaan Valenteijn van Reenen, bij den Rat: A: eyss„r schriftelijk hebbende geklaagt 27: dat door hem eerste gev„e en ged: een grooten troup beesten uijt 't Namacqua Land aangebragt waaren den eel toe a elven de als nog as ont soe ten te len. 1 waaren, hij dezelve de plaats van hem van Reenen had doen voorby trekken. 28. en 't gros door zyn vhee afwijden. 29: met versoek hem eerste geven en ged: te interdiceeren voorthaan zig daarvoor zorgvuldig te moeten wagten. 30. dat de Rat: a: Eyss„r zoo in de maand Februarij daar aan als in't vervolg zydelings geinformeert geworden zijnde. 31 dat door den Eerste gev=e en ged: twee honderd en tagtig stuks Beesten zoo groot als klijn uijt 't Namacqua Land in den Hantam zou aangebragt 32: en dat hij eerste gev:e en gel: tot zyne gedaane togt de aldaar in den hantam woonende en ter adsistentie der Christenen zig bevindende hotten„ „totten en bastaart hottentotten zou hebben ge„ „commandeert, 33. zonder dat de Rat: af: Eyss.:r van alle deeze berigten als toen een enig voldoende bewys heeft kunnen erlangen: 34 de Rat: H: Eijs=r egter zeedert geen moeijte heeft gespaard omme daartoe te kunnen geraaken. „. 35. gelijk de r: O: Eyss„r dan ook eyndelyk in 't begin der maand augustus des Jongst gepasseerden Iaars eerst met zeekerhijd is geinformeert ge„ „worden. 36. welk. persoon de brieff van hem eerste gev:e en ged: aan wel op gem: Heere Gouverneur overgebragt 37. en welk antwoord denzelven daarop heeft ont„ „vangen, Art 38. zijn.
English
Article 28. furthermore that the same person was said to have delivered to him, the first prisoner and defendant, a chest containing beads and knives received from the burgher Stadeler at the Cape. 39. that the Officer as Plaintiff, having written to the present Field-Sergeant there, Willem Adriaan Nel, upon this received information on the aforesaid 13th of August and the following 26th of September. 40. ordering him to send hither the Hottentots and Baster Hottentots who were taken along by the first prisoner and defendant on that expedition, 41. and whereas the Officer as Plaintiff at that time had not yet received the least information 42. that the third prisoner and defendant had made himself guilty of any crime, but might nevertheless have knowledge of the conduct of the first prisoner. 43. instructing him likewise to appear before the Officer as Plaintiff as soon as possible, 44. intending also to inquire of him regarding the conduct of the first prisoner and defendant, 45. after which, on the 7th of the following month of October, there only arrived before the Officer as Plaintiff, 46. the Hottentot Piet Eland, as well as the Baster Hottentots Paul and Gerrit. 47. They stated: that one of the Baster Hottentots was held back by the aforementioned Nel, 48. since he, Nel, was a very close relative of the first prisoner and defendant. Article 49. Article 49. They had also not been sent up by him, Nel, 50. but had already long been intending and only waiting for an opportunity to come and lodge their complaint against the first prisoner and defendant, 51. and that already out of fear of the Dutch people some of the Hottentots who had been along on the expedition had returned to the Namaqua land. 52. that he, Piet Eland, as well as his people have their resting places in the Hantam, and currently fall under the command of the aforementioned Nel. 53. besides the aforementioned Basters Paul and Gerrit, 54. further the Hottentots Klein Piet Eland, Piet Namacqua, which last-mentioned resides with the second prisoner and defendant, the Hottentots Andries and Ruijter, as well as the Baster Hottentots Stoffel and Gerrit Beer, of whom the latter resided with the first prisoner and defendant, but had already departed for the Namaqua land, in the rainy season of the aforesaid year 1706, without however being able to determine the exact month or day, 55. having been commanded by the first prisoner and defendant to pursue the Bushman Hottentots 56. who had stolen most of the cattle of the burgher Paul Karsten, together with him, the first prisoner and defendant, his son Petrus van Zijl, the second prisoner and defendant in this matter, and his son Andries van Zijl, besides the third prisoner and defendant. 57. They, Hottentots and Basters, had complied with the order, 58. and had followed him, the first prisoner and defendant, who had taken two wagons with him. Article 59. Article 59. that having all arrived in the Namaqua Land, 60. some pack oxen were hired by the first prisoner and defendant from the Hottentots there, 61. and the same were loaded in their presence with some provisions and a quantity of beads and knives, and only then was it declared to them that it was not necessary to pursue the Bushman Hottentots; 62. but that the intention of him, the first prisoner and defendant, was to go shoot elephants, 63. in order to deliver the tusks thereof to the Honourable Company, 64. and to then give each of them a portion thereof. 65. In which the mentioned Piet Eland did not wish to take part, 66. but on the contrary declared that his cattle and that of his people were thereby left exposed to the Bushmen, 67. to which, however, he had been compelled by threats of the first prisoner and defendant, 68. so that they, having continued the journey along the great river for about one and a half months, 69. then the Baster Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel, 70. under the pretext that Gerrit was ill and could go no further, 71. and that they, Paul and Stoffel, would take the same Gerrit home, remained behind. 72. that the first, second, and third prisoners and defendants, besides the aforementioned Andries van Zijl, as well as the Hottentots Piet Eland, Klein Piet Eland, Piet Namacqua, Andries, Ruijter, and Gerrit Beer, continuing the journey, Article 73. having first passed the great river and thereafter two Hottentot kraals, 74. had arrived three days' travel further at a third kraal of the Hottentots, 75. where the first prisoner and defendant hired and took along Hottentots to the number of forty-four, 76. while hippopotamuses were shot by him during the journey to consume on the journey. 77. that the aforementioned persons, having jointly travelled, by estimate, fifteen stages or fifteen days further, 78. had arrived in the morning around eight o'clock on this side of a tributary of the great river, named the Yellow River, 79. and had discovered directly on the opposite side a kraal of the Nuncquinqua, a kind of Namaqua Hottentots, 80. which Hottentots had mostly all come into view, 81. apparently to see what was going on, 82. whereupon the first and second prisoners, besides the aforementioned Andries van Zijl, dismounted from their horses and approached those Hottentots, 83. and immediately thereafter, without those Hottentots having spoken a single word with them or they with those Hottentots, 84. shot at those Hottentots with live ammunition; 85. while the third prisoner and defendant, after by the first
Dutch transcription
Art: 28. mitsg„s dat dezelvde Persoon een kist met Coraalen en messen bij den burger stadeler aan de Caab ont„ „vangen, aan hem eerste gev„e en ged„e zou hebben overgebragt. 39 dat de Rat: a: Eyss„r op deeze bekoomene infor„ „matien den 13 Aug:s voorsz: en 26 September daaraan den teegenswoordigen veldwagtmeester aldaar, Willem Adriaan Nel hebbende aange„ „schreeven. 40. de hottentotten en Bastaard hottentotten, dewelke door den Eersten gev: en ged: op dien togt zijn meede genoomen herwaards op te moeten zenden, 41. en terwijl de R:O: Eyss„r als toen nog geen de minste informatien had bekoomen. 42 dat de derde gev: en ged: zig aan eenig misdaad schuldig gemaakt, egter van 't gedrag van den eersten gev: weetenschap zou hebben. 43. denzelven aantezeggen, meede ten spoedigsten bij de R: O: Eysscher te verschijnen, 44 van voorneemens zijnde zig meede bij denzelven omtrend 't gedrag van den Eersten gev:e en ged„e te willen informeeren, 45: waar na den 7, der daaraanvolgende maand oc„ „tober dan ook bij den r: O: Eijsscher alleenlijk ge„ „koomen zijn, 46. den Hottentot Piet Eland mitsg„s de Bastaart hottentotten Paul en Gerrit. 47. Leggende zijlieden: een der bastaart hottentotten door voorm: sel te rug gehouden te zyn, 48. terwijl hij Nel een zeer nabestaande van den Eerste gev„e en ged:e was. art49. „ „ Art: 49. Zijlieden ook niet door hem vel waaren opgezonden 5o maar reets lange van voorneemens te zijn geweest en alleenlijk na geleegentheijd te hebben gewagt om hun beklag over den eersten ged: en ged:e te komen doen, 51: en dat reeds uyt vreeze voor 't duijtseh volk eenige der op de togt meede geweest zynde hotten „totten te rug na 't namacqua land waaren gekeer §2. dat hij Piet Eland zoo wel als de zynen hun leg „plaatzen in den hantam hebbende, en thans onder 't Commando van voorm: sel behooren. 53: neevens de voorm: bastaards Paul en Gerrit 54: voorts de hottentotten klyne Piet Eland, Piet Namacqua, welke laatstgem: bij den tweede ged en ged:t woonagtig is de hottentotten Andries en Ruijter, mitsg:s de bastaart hottentotten staffel en Gerrit Beer, waarvan deeze laatste bij de eerst gev:e en ged: heeft gewoord, dog reeds na 't Nama land was vertrocken, in't zeegen zaisoen des voorsz Jaars 1706. zonder egter den positiven maand of da te kunnen bepaalen. 55. door den Eersten gev: en ged: gecommandeerd geworde zijnde om de bosjesmans hottentotten 56. dewelke voor 't grootste gedeelte 't rhee van den bu „ger Paul Karsten hadden geroofd, te agtervolge met hem eerste gev: en ged.:n zyn zoon Petrus van zij den tweeden gev: en ged: in deezen en zoon Andries van zijl neevens den derden. gev: en ged.: 57: zijlieden hottentotten en bastaards aan de ordre hadden voldaan. 58. en hem eerste gez:en ged: welke twee waagens met zig genoomen had gevolgd waaren. Art 59 Art 59. dat zijlieden alle gekoomen zijnde in 't Namacqua Lands 60 door de Eerste gev=e en ged: van de aldaar zynde hottentotten eenige draagossen afgehuurt. 61. en dezelve ter hunner praesentie met wat provisie en een parthij Coraalen en messen waaren belaaden geworden, en als toen eerst aan hunlieden is gedecla„ „reert, niet noodig te zyn de bosjesmans hottentotten te agtervolgen; 62. maar dat de intentie van hem eerste ged: en ged: was oliphanten te gaan schieten. 63. ten einde de tanden daar van aan de E: Comp„e te leeveren, 64: en aan ieder hunner als dan daarvan een portie te zullen afgeeven. 65. waarin gem: Piet Eland niet heeft willen treeden 66 maar ter Contrarie verklaart, dat zijn en der zynen „hee hier door voor de Bosjesmans blootgesteld wierd 67. waar toe hij egter door drijgementen van den Eersten gev:t en ged: was genoodzaakt geworden, 68. zoo dat zijlieden omtrent een en een halve maand langs de groote rivier de rijze voortgezet hebbende 69. als toen de bastaart hottentotten Paul, Gerrit en stoffel 70. onder voorwendzel dat Gerrit Ziek was en niet verder konde, 71. en hij Paul en stoffel denzelven Gerrit na huis zoude brengen agter gebleeven waaren. 72. dat de eerste tweede en derde gev: en gedr neevens voorm: Andries van Zijl, mitsg:s de hottentotten „Piet Eland kleijne Piet Eland, Piet Namacqua, Andries nden ge weest t en keer leg der on n er ged s a voorsz do 2 da worde ge bu ge e e A a 1 - Andries, Ruijter en Gerrit Beer, de rijze voortzet; „tende. Art: 73. eerst de groote rivier en daarna twee hottentots kraalen gepasseert zynde, 74 drie daagen ryzens verder gekoomen waaren, by een derde kraal der hottentotten, 75. alwaar door den eersten gev=e en ged: ten getalle van vierhondert vier en veertig hottentatten zyn afgehuurt en meede genoomen 76. Terwijl door hem geduurende de rijze zeekoeijen geschooten zin om op de rijze te Consumeeren 77. dat de eevengem: persoonen gezaamentlyk na gissing vijftien schoften of vyfthien daagen verder gerist Zijnde 70. des morgens Circa agt uuren aan deeze zyde van een spruijt der groote rivier, de geel rivier genaamt gekoomen waaren, 79 en eeven aan de overzyde een kraal van de Nunc„ „quinqua een zoort van Namacqua hottentotten hadden ontdekt, 80. welke hottentotten meest alle ten voorschijn ge„ „koomen waaren, 81. aparentelijk om te zien, wat er te doen was, 82. als wanneer de Eerste en tweede gev„e neevens meer„ „gem: Andries van Zijl van hunne paarden gesteegen en die hottentotten genadert zijn„ 83. en terstond daarop, zonder dat die hottentotten met hun of zijlieden met die hottentotten een en„ „keld woord hadden gesprooken. 84. op die hottentotten met scherp geschooten: 85. Terwijl de derden gev: en ged:, na dat door de Eersten „
English
First and second defendants and the aforementioned Andries van Zijl, the third shot having been fired, had also shot at those Hottentots. Article 86. That the first prisoner and defendant, having fired the fourth shot and having noticed 87. that the said Piet Eland and his comrades were not shooting, 88. immediately with his loaded gun and cocked hammer went behind them, 89. and while pushing forward with the muzzle of his gun, had essentially said to them, with your permission: Damned trash, why are you people not shooting? 90. Do you people not see that I am shooting? 91. And if you people do not shoot, then you people will get the same from it; 92. whereupon they had also shot; 93. but while the first, second, and third prisoners along with the frequently mentioned Andries van Zijl were continuously shooting those Hottentots dead, 94. they had shot in front of those Hottentots; 95. just as the shooting had continued from around eight o'clock in the morning until late in the afternoon. 96. That, after they had ceased shooting, 97. the first prisoner and defendant had ordered the said Piet Eland and the other Hottentots to proceed through the river 98. and to bring all the cattle of the aforementioned Nuncquinqua Hottentots to this side; 99. the said Piet Eland and the frequently mentioned Hottentots themselves Andries, Ruijter, and Gerrit Beer, continuing the journey. Article 73. Having first passed the great river and thereafter two Hottentot kraals, 74. had arrived three days' travel further at a third kraal of the Hottentots, 75. where by the first prisoner and defendant, to the number of four hundred forty-four Hottentots were hired and taken along; 76. while hippopotamuses were shot by him during the journey to consume on the journey; 77. that the aforementioned persons collectively, having traveled by estimation fifteen stages or fifteen days further, 78. had arrived around eight o'clock in the morning on this side of a branch of the great river, named the Yellow River, 79. and directly on the other side had discovered a kraal of the Nuncquinqua, a kind of Namaqua Hottentots, 80. which Hottentots had nearly all come into view, 81. apparently to see what was going on; 82. whereupon the first and second prisoners, along with the frequently mentioned Andries van Zijl, dismounted from their horses and approached those Hottentots, 83. and immediately thereafter, without those Hottentots having spoken a single word with them or they with those Hottentots, 84. shot at those Hottentots with live ammunition; 85. while the third prisoner and defendant, after the first and second defendants and the aforementioned Andries van Zijl had fired the third shot, had also shot at those Hottentots. Article 86. That the first prisoner and defendant, having fired the fourth shot and having noticed 87. that the said Piet Eland and his comrades were not shooting, 88. immediately with his loaded gun and cocked hammer went behind them, 89. and while pushing forward with the muzzle of his gun, had essentially said to them, with your permission: Damned trash, why are you people not shooting? 90. Do you people not see that I am shooting? 91. And if you people do not shoot, then you people will get the same from it; 92. whereupon they had also shot; 93. but while the first, second, and third prisoners along with the frequently mentioned Andries van Zijl were continuously shooting those Hottentots dead, 94. they had shot in front of those Hottentots; 95. just as the shooting had continued from around eight o'clock in the morning until late in the afternoon. 96. That, after they had ceased shooting, 97. the first prisoner and defendant had ordered the said Piet Eland and the other Hottentots to proceed through the river 98. and to bring all the cattle of the aforementioned Nuncquinqua Hottentots to this side; 99. the said Piet Eland and the frequently mentioned Hottentots then also proceeded through the river for that purpose; Article 100. but since the cattle had grown wild due to the constant shooting, 101. they had been unable to gather and bring through the river to this side more 102. than two hundred sixty-two, both large and small; 103. while the said Piet Eland and the Hottentots who had been with him on the other side of the river near those Hottentots, had found lying shot dead eight adults and two small children belonging to those Hottentots; 104. as well as two women, who had jumped into the water out of fear, they had seen floating; 105. and understood from a Hottentot woman that yet more Hottentots were dead and wounded; 106. just as the same Hottentot woman, having also asked them 107. whether it was the custom of the Dutch people to shoot them dead so murderously, 108. they had answered that not all the Dutch were like that, but that Van Zijl, the first prisoner and defendant, had done this, and he was an evil man, 109. and in case they came upcountry, they would report this, 110. so that they should only keep themselves content; 111. that the frequently mentioned Piet Eland, having essentially said to the first prisoner and defendant: 112. Master, plenty of Hottentots have been shot dead there; 113. he, the first prisoner and defendant, had answered thereto: It is just as good to me as if I [illegible] a leaf from a
Dutch transcription
Eerste en tweede ged:n en eevengem: Andries van Zijl de derde schoot was gedaan, meede op die Kotten„ „totten had geschooten. Art: 86. dat de eerste gev e en ged: de vierde schoot gedaan en bespeurt hebbende 87 dat dezelve piet Eland en zyne meede makkers niet schooten 88: terstond met zyn geladen geweer en gespanden haar zig agter hunlieden begeeven 89 en onder 't voortstooten met de tromp van zijn geweer hunlieden substantieelijk toegevoegd had /: S: V:/ verdoemde goed waarom schiet zijluij niet. -„ -: 90. ziet rijluij niet dat ik schiet 91. en als jijluij niet schiet, dan zal jijluij van dezelvde soo krijgen; 92. des zijlieden daarop meede geschooten hadden 93. dog terwijl de eerste Tweede en derde gev: nevens meergem: Andries van Zijl geduurig van die hottentotten doodschieten 94. zoo hadden zijlieden voor die hottentotten hun geschooten 95: gelyk het schieten van des morgens Circa agt uuren tot laat in den nademiddag aangehou„ „den had. 96. dat, na dat men met 't schieten had opgehouden 97 de Eerste gev: en ged: gem: Piet Eland en de ove„ „rige hottentotter gelast had, zig door de rivier te begeeven. 98. en alle de beesten van de voorsz: nunequinqua hottentotten aan deeze zyde te brengen 99: dezelve Piet Eland en de meergem: hottentotten zig ƒ Andries, Ruijter en Gerrit Beer, de rijze voortzet; „tende. Art: 73. eerst de groote rivier en daarna twee hottentots kraalen gepasseert zynde, 74 drie daagen ryzens verder gekoomen waaren, by een derde kraal der hottentotten, 75. alwaar door den eersten gev=e en ged: ten getalle van vierhondert vier en veertig hottentatten zijn afgehuurt en meede genoomen 76. Terwijl door hem geduurende de rijze zeekoeijen geschooten zijn om op de rijze te Consumeeren 77. dat de eevengem: persoonen gezaamentlyk na gissing vijftien schoften of vyfthien daagen verder geryst Zijnde 78. des morgens Circa agt uuren aan deeze zyde van een spruijt der groote rivier, de geel rivier genaamt, gekoomen waaren, 79 en eeven aan de overzyde een kraal van de Nunc„ „quinqua een zoort van Namacqua hottentotten hadden ontdekt, 80. welke hottentotten meest alle ten voorschyjn ge„ „koomen waaren, 81. aparentelijk om te zien, wat er te doen was, 82. als wanneer de Eerste en tweede gev„e neevens meer„ „gem: Andries van Zijl van hunne paarden gesteegen en die hottentotten genadert zijn„ 83. en terstond daarop, zonder dat die hottenlotten met hun of zijlieden met die hottentotten een en„ „keld woord hadden gesprooken, 84. op die hottentotten met scherp geschooten: 85. Terwijl de derden gev: en ged:, na dat door de Eersten „ „ Eerste en tweede ged:n en eevengem: Andries van Zijl de derde schoot was gedaan meede op die Kotten„ „totten had geschooten. Art: 86. dat de eerste gev:e en ged: de vierde schoot gedaan en bespeurt hebbende 87: dat dezelve piet Eland en zyne meede makkers niet schooten 88: terstond met zyn geladen geweer en gespanden haar zig agter hunlieden begeeven 89 en onder 't voortslooten met de tromp van zijn geweer hunlieden substantieelijk toegevoegd had /:S: V:/ verdoemde goed waarom schiet zijluei niet. -„ —: 90. ziet jijluij niet dat ik schiet 91. en als jijluij niet schiet, dan zal jijluij van dezelvde soo krijgen; 92. des zijlieden daarop meede geschooten hadden 93. dog terwijl de eerste Tweede en derde gev: nevens meergem: Andries van Zijl geduurig van die hottentotten doodschieten 94. zoo hadden zijlieden voor die hottentotten huen geschooten 95: gelyk het schieten van des morgens Circa agt uuren tot laat in den nademiddag aangehou„ 96. dat, na dat men met 't schieten had opgehouden 97 de Eerste gev: en ged: gem: Piet Eland en de ove„ „rige hottentotter gelast had, zig door de rivier te begeeren. 98. en alle de beesten van de voorsz: nuncquinqua hottentotten aan deeze zyde te brengen 99: dezelve Piet Eland en de meergem: hottentotten „den had. . . . zig zig dan ook tot dat einde door de rivier begeeven Art: 100. dog vermits de Beesten door 't gestadig schieten verwildert waaren, 101: zijlieden niet meer bij elkanderen en door de rivier aan deeze zyde hadden kunnen brengen 102 als twee hondert Twee en sestig zoo groot als klyn 103: terwijl dezelve Piet Eland en de met hem aan de oversijde der rivier bij die hottentotten geweest zynde hottentotten, agt groote en twee klyne kinderen van die hottenslotten geweest zynde dood „geschooten hadden vinden leggen. 104: mitsg„s twee wyven, dewelke uyt vreeze in 't waater gesprongen waaren, zijlieden hadden zien dryjven 105 en van eene kottentottinne verstaan dat 'er nog meer„ „dere hottentotten dood en gequetst waaren 106. gelyk dezelve hottentottinne ook aan hunlieden gevraagt hebbende 107. of 't de gewoonte van 't duijtschvolk was, om hun zoo moorddaadig dood te schieten 188. Zijlieden geantwoord hadden, dat alle de duijt„ „schers niet zoo waaren, maar dat van zyl de eerste gev: en ged: zulks had gedaan, en hij een quaad man was. 109 en bij aldien zijlieden booven in't Land quamen zulks zouden aangeeven 110. dese zijlieden zig maar zoude te vreeden houden „ 111 dat meergem: Piet Eland aan den Eersten geve„ en ged: substantieelijk hebbende gezegt. 112 Baas, daar zyn rykelyk hottentotten dood ge„ „schooten 113. hij eerste gev:t en ged: daarop geantwoord had, 't is voor mij eeven zo goed als ik een blad van een „ 8
English
a tree pull Art: 114 and the gentlemen do not even ask after a Hottentot 115 as, according to the story of the said Piet Bland, the aforesaid Nuncquinqua Hottentots had in no way defended themselves, 116. but during the shooting had dragged their dead and wounded into the woods. 117 that the first, second, and third witness and defendant, together with the Hottentots they had with them, having remained there that night, had set out on the return journey the next day 118: subsequently having arrived at the aforesaid third kraal, 116 the Hottentots hired from that kraal by the first prisoner and defendant had departed from them 120 and to each of the Hottentots hired by the first prisoner and defendant, a string of beads and a piece of tobacco was given as a reward. 121. that they, continuing the journey hither and having arrived at one of the Hottentot kraals situated closest to the Christians, 122. they had there encountered the left-behind Bastaard Hottentots Stoffel, Paul, and Gerrit, 123. while in the meantime the aforesaid Stoffel, having become reasonably sick, 124 they had not been able to go any further. 125. where, some cattle having been discovered at that place by the first prisoner and defendant, 126. he, the first prisoner and defendant, had asked the aforesaid Paul, Art 127. Art: 127: whether he also knew where the kraal was located from which the cattle came 128: which had been pointed out by the aforesaid Paul 129. whereupon the first prisoner and defendant had said in substance to the just-mentioned Paul, 130. it is good that you know that, tomorrow you must go there with little Piet Eiland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruyter, and Gerrit, and take away all the cattle, 131. and shoot all the Hottentots dead, 132. for all the Hottentots who stay in this region are nothing but rogues 133 to which the said Paul had replied 134. Yes Baas, that will not go well, for I do not know what evil those Hottentots have done: 135. nevertheless, the same Paul, together with the aforesaid Hottentots named for that purpose by the first prisoner and defendant, had had to proceed to the kraal. 136. While he, the first prisoner and defendant, had handed over his own musket to the same Paul, 137: saying, go on, you people must do what I order you people, and if you people do not do that, the same will happen to you people, 130: for I have brought you people this far into the veld. 139 that the aforesaid Paul, together with the often-mentioned little Piet Eland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruyter, and Gerrit, having arrived at the aforesaid kraal and having found the Hottentots of that kraal there, 140: had fired two shots with blank powder among them. 141: whereby they were immediately scattered and had taken flight Art 142 Art: 142. that the said Paul and his men, in order somewhat to satisfy the first prisoner and defendant, 143. had driven only a few beasts from the herd, 144 but that they, having progressed some distance, some Hottentot women and children of that kraal had followed them and had begged for their cattle, 145. whereupon they, except for fifteen which they brought to the first prisoner and defendant, 146. had given back all the cattle 147 as they were afraid that if they brought nothing back to the first prisoner and defendant, 148: they would have to lose their lives 149 without them having dared to make known the least thing about what happened to him, the first prisoner and defendant. 150. except only that, to the question of the first prisoner and defendant, 151. why they had not complied with his order 152. to shoot all the Hottentots dead and bring all the cattle along, 153. they had answered, out of pity, 154. as none of those Hottentots had ever done them any harm. 155 just as they were frequently berated on that account during the rest of the return journey by the first prisoner and defendant. 156. that they, Hottentots and Bastaard Hottentots, 157. who with the first, second, and third prisoner, together with the often-mentioned Andries van Zyl, having arrived in the Hantam, having arrived. Art: 158. the stolen cattle had been divided between the first, second, and third prisoner and defendant, as well as the aforesaid Andries van Zijl. 159. without them having received the least part thereof 160. Although the first prisoner and defendant had indeed wanted to give three of the stolen beasts to the aforesaid Piet Eland and some of them, 161. provided that they had to keep everything secret. 162: the same Piet Eland and the others, however, had declined it, 163: and in exchange had desired three of his own breeding beasts. 164 which the first prisoner and defendant had not wanted to do 165 as the aforesaid Piet Eland, together with the Bastaard Hottentots Paul and Gerrit, also testified. 166: that two of the Hottentots taken along by the first prisoner and defendant had already departed for the Namacqua land. 167: while they, on the other hand, had resolved 168. to make known all that occurred, as they explained, to the gentlemen, as they were afraid to stay any longer among the Dutch people. 169: that the Ratione Officii Plaintiff, being in that manner reliably informed, both of the expedition made inland by the prisoners and defendants, together with the above-mentioned Andries van Zijl, against the explicit order of the Right Honorable and Valiant Lord Governor, Art: 170 to stay.
Dutch transcription
een boom trek Art: 114 en de heeren vraagen niet eens na een hottentot 115 gelyk volgens 't verhaal van denzelven Piet bland de voorsz: Nuncquinqua Hottenlotten zig in geenen deele ter weveer gesteld, 116. maar geduurende 't schieten hunne dooden en gequetsten in de bosschen zouden hebben gesleept. 117 dat de eerste tweede en derde get: en ged: neevens de bij zig gehad hebbende hottentotten dien nagt aldaar verbleeven zijnde, des anderen daags de te rug rijze hadden aangenoomen 118: vervolgens bij de voorsz: derde kraal gekoomen zinde, 116 de door de eerste gev: en ged: uijt die kraal gehuurde hottentotten van hun waaren afgegaan 120 en aan welk ieder der door den Eerst gev: en ged: gehuurde hottentotten een streng koraalen, en een stuk tobak tot belooning was gegeeven. 121. dat zijlieden de herwaards ryze vervolgende en tot een der naast bij de Christenen geleegen hottentots kraal gekoomen zijnde, 122. door hun lieden aldaar de agtergelaatene bas„ „taart hottentotten Stoffel, Paul en Gerrit waa„ „ren aangetraffen, 123. Terwijl intusschen voorm: stoffel reëelijk ziek geworden zijnde 124 zijlieden niet verder hadden kunnen koomen. 125. alwaar ter plaatze door de eerste gev: en ged: eenig vlee ontdekt zijnde. 126. hij eerste gev: en ged: aan voorm:t Paul had gevraagd, Art 127. ter „ Art: 127: off hij ook wist waar de kraal zig bevond waarvan het vlee heenen streek 128: zulks door voorm: Paul was aangeweezen geworden 129. als wanneer de eerste gev: en ged: in substantie aan eevengem: Paul had gezegt. 130. 't is goed, dat zij dat weet, zij moet morgen met kleijne piet Eiland, Gerrit Beer, Piet Namacqua Ruyter en Gerrit daar na toe gaan, en al 't vlee wegneemen. 131. en de hottentotten altemaal dood schieten, 132. want alle de hottentotten die in deeze streek blyven zyn maar schelmen 133 waarop gem: Paul had hervat 134. Ja Baas, dat zal niet goed gaan, want ik weet niet wat quaad die hottentotten gedaan hebben: 135. dezelve Paul neevens de voorsz: door de Eerste gev: en ged: ten dien eynde benoemde hottentotten zig egter na de kraal hadden moeten begeeren. 136. Terwijl hij Eerste gec: en ged: zyn eijgen snaphaan aan denzelven Paul had overhandigd, 137: onder 't zeggen toe julluij moet doen, wat ik zij Juij ordonneer, en als zijluij dat niet doet zal juluij van 't zelve overkoomen, 130: want ik heb jijluij zoo ver in 't veld gebragt. 139 dat voorm: Paul neevens de meergem: kleyne piet Eland; Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruyter en Gerrit by de voorsz: kraal gekoomen, en de hotten„ „totten van die kraal aldaar aangetraffen hebbende 140: Twee schooten met los kruijd onder dezelve hadden gedaan. 141: waar door dezelve terstond verstrooyd waaren en de vlugt hadden genoomen Art 142 „ „. Art: 142. dat gem: Paul en de zijnen om den Eersten gev: en ged: eenigzints genoegen te geeven, 143. slegts eenige Beesten uyt de troup hadden gejaagd, 144 dog dat zijlieden een endweegs gevorderd zynde, eenige hottentottinnen en kinderen van die kraal hun gevolgd waaren, en om hun vhee hadden ge„ „smeekt, 145. des zijlieden op vyfthien na die zijlieden bij den Eersten gev: en ged: hebben gebragt. 146. al het vlee te rug, hadden gegeeven 147 alzoo zylieden bevreest waaren dat bij aldien niets bij den Eersten gev:e en ged: mogten te rug brengen. 148: hun leeven te zullen moeten verliezen 149 zonder dat zij lieden van 't voorgevallene 't minste aan hem Eerste gev„e en ged: hadden durven be„ „kent maaken. 150. als alleenlijk dat op de vraag van den Eersten gev: en ged:n, 151. waarom zijlieden niet aan zyn ordre hadden vol„ „daan. 152. met alle de hottentotten dood te schieten, en alle de beesten meede te brengen. 153. Zijlieden geantwoord hadden uijt meedelijden 154. terwijl geene van die hottentotten hun ooijt eenig leed had gedaan. 155 gelijk zylieden desweegens geduurende de verdere te rug rijze nog dikwils door den Eersten gev: en ged.:t zyn bekeeren. „ 156. dat zijlieden kottentotten en Bastaards hottentotten 157. dewelke met den Eersten tweeden en derden gevangin „neevens de meergem: Andries van Zyl in den hantam aange¬ „ „ „11 aangekoomen zijnde. Art: 158. 't geroofde Vlee tusschen den Eersten tweeden en derden gev: en ged: mitsg„s voorm: Andries van Zijl was verdeeld geworden. 159. zonder dat zijlieden 't geringste daarvan, hadden bekoomen 160. Off schoon den Eersten gev: en ged:e wel aan voorm: Piet Eland en eenige van hun, drie van de geroof „de beesten had willen geeven. 161. mits zijlieden alles moesten geheim houden. 162: dezelve Piet Eland en de andere egter daar voor hadden bedankt. 163: en daar en teegen drie van zyn eygen aanteel beest begeert. 164 't geen den Eersten gev: en ged:e niet had willen doen 165 gelijk voorm: Piet Eland neevens de bastaard hottentotten Paul en Gerrit ook betuijgden. 166: dat twee van de door den eersten gev: en ged. mee „de genoomene hottentotten reets na 't Namacqua lan waaren vertrokken. 167: terwijl zijlieden zig daarenteegen hadden voorge„ „noomen. 168. al 't voorgevallene /gelijk zijlieden zig expliceerde aan de heeren bekend te willen maaken, alzoo bevreesd waaren, nu langer onder 't duytsch volk 169: dat de Ratione off: Eyss„r in diervoegen ten zeeker geinformeerd zynde, zoo van de landwaards in, door de gev: en ged: neevens de bovengem: Andries van zijl teegens de uijtdrukkelijke ordre van den welEdelen Gestrengen Heere gouverneur gedaanen togt. Art: 170 „ „ „ te blyven. . -
English
Article 170. As regarding the acts of violence committed by them against the Nuncquinqua Hottentots and even the killing of some of them caused thereby, 171. he has taken in two reports and two depositions for further illumination, 172. and from which it has appeared to him, under respectful correction, 173. that the crimes committed by the prisoner and defendant along with the repeatedly mentioned Andries van Zijl ought to be punished and resisted most rigorously; 174. but that the nature of the crimes considered in themselves, as well as the execution of the sentence to be rendered in that respect, required 175. that he ought to secure the persons of the defendants; 176. to that end, he also addressed himself on 6 November of the past year by petition to this Honorable Court of Justice, and thereby sought a decree, 177. by virtue of which the plaintiff ex officio was qualified 178. to be permitted to take the defendants, along with the repeatedly mentioned Andries van Zijl, into custody, 179. and that it might be Your Honors' pleasure, 180. upon granting such a decree, to summon the prisoners and defendants along with the said Andries van Zijl by writ through a missive to appear in person in this Honorable Court on a certain day to be determined, in order to see the aforementioned decree then granted executed; 181. whereas such a decree, according to the ordinary course of justice, 182. both due to the situation and the far remoteness of the dwellings of the prisoners and defendants and the repeatedly mentioned Andries van Zijl, would never be able to be executed. 183. Upon which request made in that manner Your Honors were pleased to grant to the plaintiff ex officio a decree of summons in person through a missive to the prisoners and defendants against the 7th of the past month of February, and enjoined the plaintiff ex officio to gather further inquiries to substantiate that case. 184. That the prisoners and defendants appeared on the aforementioned day, Andries van Zijl, however, having failed to appear. 185. The plaintiff ex officio, both on the grounds of the evidence attached to his petition and two further obtained proofs, 186. before entering any claim or conclusion, requested 187. that the first, second, and third prisoners and defendants might be placed in closed custody, 188. while against the non-appearing Andries van Zijl default might be granted, 189. and for the benefit thereof, a second summons through a missive under penalty of apprehension; 190. which whole request was granted to the plaintiff ex officio by Your Honors. 191. That thereupon, before the commissioners from this Honorable Court, the plaintiff ex officio caused the prisoners and defendants to be heard on such articles as had been drawn up and submitted for that purpose by the plaintiff ex officio. 192. The first prisoner and defendant, in his responses, seems to want to call into doubt, contrary to his own conviction, the answer communicated to him, the prisoner and defendant, in person by the burgher Barend Fredrik Lubbe, 193. who was instructed to deliver the letter from him, the first prisoner and defendant, and to receive the answer thereto from the Honorable Governor, 194. by pretending as if he, the prisoner and defendant, could not properly ascertain therefrom 195. whether his, the defendant's, request made therein to undertake an expedition into the interior, to shoot elephants, and to be allowed to take some volunteers along, was granted, 196. nor whether it was prohibited. 197. He, the first prisoner and defendant, however, confirms the contrary 198. with the answer given by him, the prisoner and defendant, to the 11th article of his interrogation, upon the question whether he, the prisoner, complied with that order, stating there: that he could not see such great harm in it, 199. and seems to want to palliate it again by the further addition 200. that he had gone on the journey to discover new pastures, 201. and because he saw that more people went on that journey, 202. and because his children were growing up, he wanted to go and look for a place in that direction for his children. 203. Which palliative addition 204. is entirely unmasked in this matter by his, the first prisoner and defendant's, own son, the second prisoner and defendant, 205. by the answer given by the same to the 4th article of his interrogation, 206. where the same, speaking of all the prisoners and defendants, states: their intention had been to go through the Hottentot nation up to the Caffres, and then to barter cattle from the Caffres. 207. That he, the first prisoner and defendant, may well have previously commanded the Hottentots and Bastard Hottentots, who are neither in his service nor in the service of the third prisoner, to pursue the Bushmen Hottentots who had stolen the cattle of the burgher Paul Karsten, 208. but that he did not make them go along on the expedition under that pretext, the contrary can be deduced both from his own confession on articles 14, 15, and 17, 209. and from the answer given by the third prisoner and defendant to article 4 of his interrogation, 210. wherein, upon being asked whether he, the prisoner, in the month of May or June 1786, with all the aforementioned persons named in the aforementioned article, set out on an expedition into the interior, 211. he categorically answers: Yes, on a commando. 212. That the first, second, and third prisoners and defendants, on the journey made by them and the aforementioned Andries van Zijl, together with the aforementioned Hottentots and Bastard Hottentots into the interior, having arrived at a nation of the Hottentots who call themselves Kaalkoppen, 213.
Dutch transcription
Art: 170 Als van de door dezelve gepleegde feijtelijkheeden aan de nuncquinqua hottentotten en het zelvs daar door om 't leeven brengen van zommige derzelve. 171. tot meerdere illucidatie heeft ingenoomen Twee Relaasen en twee verklaringen. 172 en waar uyt aan hem onder eerbiedige Correctie is voorgekomen. 173. dat de misdaaden door de gev„e en ged: neevens meergem: Andries van Zijl gepleegt op 't regoreuste behoorde gestraft en tegengegaan te worden; 174: dan dat de Aart der misdaaden op zig zelven beschouwd zoo wel als de executie der ten dien op„ „Ligte te vallene sententie, requireerde 175. dat hij zig van de persoonen van de ged: en ged: be„ „hoorde te verzeekeren 176: zig. ten dien eynde ook op den 6 November des Jongst„ „gepasseerde Iaars bij requeste aan deezen Edelen Agt„ „baaren Raade van Justitie heeft geaddresseert en daarby verkogt decreet. 177. uyt kragte van 't welk de R: O: Eyss:r gequalificeert werd. 178: de ged„e en geb. neevens meergem: Andries van Zyl te moogen neemen in apprehensie, 179. en dat 't van uwel Edele Agtbaarens welbehaagen mooge zijn: 180. by 't verleenen van een dergelyk decreet: de gevs en ged: neevens denzelven Andries van Zijl bij manda„ „ment p r missive te doen aanschreyven op zeekere te bepaalene daage in deezen Edelen Agtb: raade in persoon te Compareeren, ten einde het voorsz: als dan verleende decreet te zien executeeren 181: Terwijl een dergelyk decreet volgens den ordinairen train lan ge en train Art 182: zoo door de situatie als verre afgeleegendheid der woonplaatzen van de gev: en ged:n en meergem: Andries te kunnen van zijl nooijt zou worden geëxecuteerd. 183: op welk indiervoegen gedaan versoek uwelEd: Agtbaa„ „rens aan den Rat: off: Eyss:r hebben gelieven te verleenen decreet van dagvaarding in persoon p=r missive op de gev=e en ged:e teegens den 7:e der eeren„ „afgeweekene maand Februarij en den Rat: of: Eys:r geinjungeerd nadere enquesten tot adstructie van die zaake te moeten inwinnen. 104. dat de gev: en ged: ten voorsz: daage verscheenen Andries van Zyl. egter niet gecompareert zynde 185. de Ratione Of: Eyss:r zoo op fundament der by zyn request gevoegde als twee nadere ingewonn bewijzen 186 alvoorens eenigen eijsch ofte Conclusie te neemen heeft versogt 187: dat de Eerste tweede en derde ged: en ged: t mogten gaan in beslooten hegtenisse. 188. terwijl teegens de non Comparant Andrias van zijl mogten worden verleent default. 189. en voor 't profijt van dien eene tweede dagvaar„ „ding p. r missive op piene van Aprehensie 190. welk een en ander versoek door uwelEdele Agtb: aan den Rat: Of: Eyss:r is geaccordeert geworden 191 dat daarop ten overstaan van Heeren gecommitt. s uyt deezer Edelen Agtbaaren raade de Rat: A: Eyss„r de gev„e en ged:n heeft doen hooren op zoodanige articulen als door de rat: af: Eyss„r tot dat eijnde waaren geformeerd en overgeleevert geworden Art: 144 5 Art: 192 de Eerste gev: en ged: bij zijne responsiven 't antwoord, hem gev: en ged: in persoon gecommuniceerd door den burger Barend Fredrik Lubbe¬ 193. die met de bezorging van de brief van hem eerste gev: en ged: aan en 't antwoord daarop van den welEdelen gestrengen Heer Gouverneur te ontvangen was gelast. wel teegen zyne eijge overtuijging aan in twiffel schijnt te willen trekken. 194 door dien hij voorgeeft als off hij gev: en ged:te daar„ „uijt niet wel heeft kunnen bemerken. 195. off zyn gen: en ged: daarbij gedaan versoek om een Landtogt te doen en oliphanten te gaan schieten en eenige vrijwilligers meede te moogen neemen, geaccordeert was. 196. ook niet of 't verbonden was. 197. hij eerste gev: en ged: egter 't teegendeel bevestigd 198. met 't antwoord door hem gev: en ged: bij 't 11=de articul van zyn verhoor gegeeven op de vraag „ of hij gev: aan die ordre heeft voldaan. aldaar „legt. „dat hij er zoo groot quaad niet in kon vinden. „ 199. en het weederom schynt te willen pallieeren door verdere byvoeging 200. dat hij op rijs was gegaan om nieuw veld te ont„ „deken. 201: en om dat hij zag dat er meer menschen op die togt gingen 202. en om dat zijne kinderen groot wierden voor zijne kinderen die kant heen een plaats te hebben willen gaan zoeken. 203. welke paliative bijvoeging 204 door zijn Eerste gev: en ged: eijgen zoon den tweeden gev=e . geve en ged: in deezen ten eenemaale word gedema„ „queerd. Art: 215. door desselvs op 't 4 artl van zyn verhoor gegeeven antwoord. 206 alwaar denzelven van alle de geve en ged:e spreekene Legt. „ „hun intentie geweest te zijn om door de hottentots „natie tot bij de Catters te gaan, en als dan van de „Catters vlee in te ruijlen. 207. dat hij eerste gev: en ged: de hottentotten en Bastaa hottentotten, dewelke nog in zyn dienst nog in des derden gew e dienst zyn, wel bevoorens zou hebben gecommandeerd om de Bosjesmans hottentotten, de „welke het vhee van den burger Paul Karsten ge „roofd hadden te agtervolgen. 208: dog niet onder dat protext dezelve op de togt heeft doen meede gaan kan het tegendeel zoo uijt zijne eijge Confessie op art„l 14, 15. en 17 werde gededuceerd. 209. als uyt het antwoord door den derden gev: en ged op art„l 4 van desselvs verhoor gegeeven 210. waarbij denzelven gevraagd zijnde of hij gev„e in de maand maij ofte Junij 1786. met de „voorm: Perzoonen alle /: bij 't voorm: Art:l benoemt „zig op een togt landwaards in heeft begeeven 211. Cathegorisch antwoord Ja op een Commando 212 dat de eerste tweede en derde gev: en ged: op de rijze door hunlieden en voorm: andries van Zijl mitsg:s de boovengem: Hottentotten en bastaards hot „tentotten landwaards in gedaan bij eene natie der hottentotten die zig kaalkoppen noemen ge „koomen zijnde Art: 213 „
English
Art: 213: the first prisoner and defendant pretends to have been pressed by the same 214. and to have had to go along out of fear, 215: in order to take the cattle from the Nuncquinqua Hottentots, 216. which they had stolen from those Baldheads, 217. whereas the second and third prisoner and defendant only say 218. that those Baldheads had gone along to retrieve their cattle, 219. without mentioning that they or any of them were pressed by the same; 220. that the prisoners and defendants having subsequently approached the aforesaid Nuncquinqua Hottentots, 221. the prisoners and defendants, together with the repeatedly mentioned Andries van Zijl and the Hottentots and Bastards who were provided with flintlocks, had fired bullets at the same, 222. because according to the pretext of the first and third prisoner and defendant, the Nuncquinqua Hottentots had insulted them, 223: and according to the statement of the second prisoner and defendant, because when they had approached those Hottentots 224. to see whether those Baldheads were in enmity with the same, 225. they were shot at with arrows by those Houwsaken or Nuncquinqua Hottentots, 226. and that the shooting at those Nuncquinqua Hottentots had continued from about nine o'clock in the morning until late in the afternoon, 227: but that those shots had fallen short, 228. while the first prisoner and defendant nevertheless adds thereto [illegible] to have understood from one of the Hottentots Art. 229. that one of those Nuncquinqua Hottentots was said to be wounded; 230: which pretexts and pretences the first prisoner and defendant entirely contradicted in his responses given to articles 54 and 55 of his interrogation, 231. inasmuch as at article 54, it being asked of him whether he, prisoner and defendant, had furthermore recounted to the petitioner that, having come to one of those Hottentot nations, he was requested by the same to assist them against a marauding nation, 232. and at article 55, whether he, prisoner, had furthermore recounted to the petitioner that he had consented to this; but that those Hottentots who had requested assistance from him had not dared to stand their ground against their enemies, and that he, prisoner and defendant, had therefore also returned, 233. he, first prisoner and defendant, also gave a categorical answer of "Yes" thereto, 234. and even through the answer to the preceding 52nd article confirmed the contrary of the 1st article of his interrogation; 235. the prisoners and defendants furthermore themselves candidly declare having made an expedition inland, taken along some merchandise, and bartered some cattle, as well as having shot with bullets at the Nuncquinqua Hottentots, 236. while the prisoners and defendants seem to want to deny the remainder charged against them with that same kind of demeanour 237. as they have maintained throughout their entire interrogation, Art. 238. in order to evade their well-deserved punishment thereby, if possible, 239. just as they, prisoners and defendants, with those same prospects finally make known, 240. namely the first prisoner and defendant: 241. imagining to have done well in having procured the cattle back for the Baldheads; 242: the third prisoner and defendant: 243: that he finds no evil in shooting Bosjesmans Hottentots to death, nor in receiving and holding stolen goods when they originate from Bosjesmans; but indeed when such is done to Christians or comes from Christians; 244. while the second prisoner and defendant testifies to know well that it is wrong to violently attack the Hottentot nations and to put the same to death, as well as to deprive the same of their cattle, 245: but that he had to do so by order of his father; adding for his excuse once again that it had been the order of his father; and not knowing ever to have shot a Hottentot dead. 246. The ratione officii plaintiff, having argued as briefly as possible the confession from the own mouth of the prisoners and defendants, 247. also now justly trusts 248. that the same argument being examined with the required attention, 249. and reflection being given each time to the demeanour maintained by the prisoners and defendants, both therein and in the further matters charged against them, 250. and moreover, the contents of the declarations being examined with the required accuracy, Art. 251. which relate to both the one and the other, and have been obtained by the ratione officii plaintiff, one will then very quickly be convinced 252. that the demeanour which was maintained by the prisoners and defendants in general, and by the first and third prisoner and defendant in particular in this respect during their interrogation, 253. merely limits itself to a chain of fabricated disguises 254. which contradict themselves 255. and have not the slightest appearance of apparent truth for them; 256: that the ratione officii plaintiff, on the basis of this and that, and of the undeniable truths flowing therefrom, will then consequently also not take the trouble 257. to uselessly occupy the precious attention of Your Honourable Right Worships with a more extensive and more detailed demonstration thereof, 258: but on the contrary accept as a truth, which is established partly from the own-mouthed confession of the prisoners and defendants and partly from the obtained attestations, 260. that the prisoners and defendants have made an expedition inland, and have taken along with them a quantity of merchandise, and bartered a quantity of cattle for it, 261. and furthermore, in the second place, that the prisoners and defendants violently attacked a Hottentot nation called the Nuncquinqua Hottentots, and shot at the same with bullets, such that some of them were thereby shot dead and
Dutch transcription
Art: 213: de Eerste gev: en ged: voorgeeft door dezelve geprest te zyn 214. en uyt vreese te hebben moeten meede gaan. 215: ten eynde van de nuncquinqua hottentotten het vhee afteneemen. 216 't welk zijlieden van die kaalkoppen hadden ge„ „roofd. 217. daar de tweede en derde gev„e en ged:e alleenlyk zeggen 218. dat die kaalkoppen meede gegaan waaren om hun vhee te rug te haalen 219. zonder te gewaagen dat zijlieden ofte iemand hun„ „ner door dezelve geprest zijn. 220 dat de gev: en ged: vervolgens genadert zijnde bij de voorsz: Nuncquinqua hottentotten. 221. de gev. e en ged:t neevens meergem: Andries van Zijl en de met snaphaanen voorzien geweest zijnde hotten„ „totten en Bastaards met koogels op dezelve hadden geschooten. 222 om dat volgens 't voorgeeven van den eersten en der„ „den gev: en ged: de nuncquinqua hottentotten hun uijtgescholden hadden. 223: en volgens 't zeggen van den tweeden gev: en ged: om dat toen zij die hottentotten genaderd waren, 224. om te zien of die kaalkoppen met dezelve in vyandschap waaren. 225. zijlieden door die houwsaken of munquin qua hattentotten met vijlen geschooten zyn. 226. en dat het schieten op die Nunoquinqua hottentotten wel van des morgens omtrent Neegen uuren tot laat in den nademiddag had aangehouden. 227: dog dat die schooten te kort waren geweest 228. terwijl de Eerste geve en ged: egter daarby voegt van een— d ma taa en „ ge 1 8 een der hottentotten te hebben verstaan Art 229 dat een dier Nunquinqua hottentotten zou gekwetst zijn 236= welke pratexten en voorwendzels de Eerste gev:e en ged„ bij zijne responsiven op 't 54 en 55 art„l van zijn verhoor gegeeven, ten eenemaale heeft tegengesprooken „ 231. door dien bij 't 34. articul hem gevraagd zijnde. „of hij gev: en ged: al verder aan den req:t heeft „verhaald. dat hij bij eene dier hottentots natien „gekoomen zijnde, door denzelven was verzogt om „hun te adsisteeren teegens eene rovende natie „ 232. en bij 't 55 articul „of hij gev„e al verder aan den reg„t heeft verhaald „dat hij zulks had ingewilligd; dog dat die hot „tentotten die hem om adsistentie versogt hadden „niet hadden durven stand houwen teegen hunne „vijanden. hij gev: en ged:e daarom ook was te rug „gekeert. „ 233 hyj eerste gen: en ged: daarop meede Cathegorisch Antwoord Ias 234 en zelvs door 't antwoord op 't voorgaande: 52 Articul 't 't teegendeel van 't 1articul van zijn verhoor be¬ „vestigd. 235. de gev: en ged:n voorts zelve rond borstig verklaren een togt landwaards in gedaan, eenige koopman„ „schappen meede genoomen, en eenig vhee ingezuijlt te hebben, mitsgaders op de Nunoquinqua hotten „totten met kogels te hebben geschooten. „ 236. terwijl de gev=e en ged:n 't overige ten hunnen lasten gelegde met eeven die zoort van Continance schij te willen ontkennen. „ 237. als dezelve bij hunlieden geheel verhoor hebben ge „houde „houden Art: 238. Om waare 't mogelijk hun welverdiende strafte daar door te ontduijken. 239. gelyk zij gev„e en ged:e met diezelvde vooruijtzigten eyndelijk te kennen geeven. 240. en wel de Eerste gev: en ged: 24. zig te verbeelden wel gedaan te hebben dat hij de kaalkoppen hun vhee weederom had bezorgd 242: den derden gev„e en ged: 243: dat hij geen kwaad vind in't dood schieten van Bos„ „jesmans hottentotten, nog ook niet in't heelen en ontvangen van geroofde goederen, als die van bosjesmans afkomstig zyn; maar wel als zulx aan Christenen gedaan of van Christenen koomen „ 244. Terwijl de tweede gev„e en ged: betuijgt wel te weeten, dat het quaad is de hottentots Natien geweldadig aan te vallen, en dezelve om 't leeren te brengen, mitsg:s dezelve van hun vhee te behooren. 245: maar dat hij zulks heeft moeten doen op ordre van zyn vader; voegende tot zyn verschooning nog„ „maals daarbij, dat 't de ordre van zyn vader is geweest; en niet te weeten ooyt een hottentot te hebben doodgeschooten. — 246. de rat: off: Eijss„r zoo kort doenelyk hebbende betoogd de eygenmondige Confessie van de gev: en ged: 247. vertrouwd ook nu billijk 248. dat 't zelve betoog met de vereijschde attentie wordende geExamineerd. 249. en telkens gereflecteerd op de Contenance door de geve en ged:se zoo daaren, als in het verdere ten hunnen lasten gelegde gehouden. 250. en boovensdien met de gerequireerde accuraatesse wordende wordende nagegaan den inhoud der verklaaringen Art: 251. welke zoo tot 't een als 't ander haare relatie is hebbende, en door de Rat: off: Eyss:r zyn ingewonnen men als dan zeer spoedig zal worden overtuijgd. 252 dat de Contenance dewelke door de gev: en ged:, in 't generaal en door de eerste en derde get: en ged: in 't bijzonder ten dien opzigte bij derselver ver¬ „hoor is gehouden 253 zig. eenelijk bepaalen tot eene aaneenschaakelin van geëxcogiteerde degnisementen. 254 welke zig zelve teegenspreeken 255. en geen de minste schijn van apparente waarheijd voor zig hebben. 256: dat de r: O: Eijs„r op fundament van dit een en ande en van de onteegenspreekelijke waarheeden, daar uijt voortvloeijende, zig dan ook vervolgens de moeyte niet zal geeven. 257. om de kostbaare attentie van UwelEd: Agtb: nutt „loos te occupeeren met een breederoeriger en ge„ „detailleerder betoog van dien. 250: maar: ter Contraria als eene waarheyd welke ge„ „deeltelijk uit de eygenmondige Confessie der gev„ en ged: en gedeeltelijk uijt de ingewonne attestati Constateerd aanneemen. 260. dat de gev:e en ged: een togt landwaards in hebben gedaan, en met zig hebben genoomen een quantiteijt: koopmanschappen, en daar voor een quantiteijt vlee gezuijld. 261. En voorts in de tweede plaatze, dat de gev„e en ged: eene hottentots natie de Nunoquinqua hot„ „tentotten genaamd geweldaadig aangevallen, en met kogels op dezelve geschooten hebben, zodanig dat daardoor eenige van dezelve doodgeschooten en
English
and others were wounded in return. Article 262. That these two crimes have undeniably been committed by the prisoner and defendant; 263. And specifically, the first was not only contrary to the statutory laws, 264. but also particularly against the express order of the Right Honorable Lord Governor; 265. the Prosecutor Ratione Officii will subsequently briefly examine 266. what punishment the prisoner and defendant have deserved, 267. and what of that punishment ought to be inflicted upon the prisoner and defendant. 268. With respect, then, to the punishment which the prisoner and defendant have deserved by virtue of the first crime committed by them, the prisoners, 269. the Prosecutor Ratione Officii believes, subject to correction, that it may suffice merely to restrict himself to the proclamations repeatedly issued by the high authorities of this country; 270. of which, in the most recent, published and affixed everywhere on 16 June 1774, it is very expressly decreed: 271. that no one shall presume to carry out any cattle barter, even the very least, with the Hottentots or Caffres, however trifling it might be, any longer; 272. nor, to that end, to set out into the interior in person or with wagons or merchandise; 273. nor to employ anyone else for that purpose; 274. on pain that if they are caught doing so hereafter, 275. even though they had bartered the cattle amicably and without violence, Article 276. all the more so then, 277. when any molestation shall have been done to the said Hottentots or Caffres on that account, besides the confiscation of their own goods taken along, 278. together with the bartered cattle, wagons, and merchandise, 279. as disturbers of the public peace and violators of law and liberty, 280. according to the exigency and circumstance of the matters, 281. without any connivance, arbitrarily on the body, 282. they shall even be punished with death. 283. Indeed, if one heeds the actual meaning of the aforesaid cited statutory law, 284. and all that has been committed by the prisoner and defendants, 285. then one will immediately find in that same law the punishment 286. which the prisoner and defendants have deserved by virtue of the second crime. 287. For by that same law it is expressly determined 288. that all the more so then, 289. when on that account, that is during the barter or for the barter of the cattle, any molestation shall have been done to the said Hottentots or Caffres, 290. such persons, as disturbers of the public peace and violators of law and liberty, according to the exigency and circumstance of the matters, 291. without any connivance, arbitrarily on the body, 292. shall even be punished with death. 293. And the law speaks of Hottentots or Caffres, Article 304. and the prisoner and defendants themselves have acknowledged those Hottentots to be Nunoquinqua Hottentots. 305. Then, in order to find the proportion of the punishment that the prisoner and defendants have deserved by virtue of their crimes 306. and that ought to be inflicted upon them, 307. one needs only to examine what molestation the prisoner and defendants have done to those Nunoquinqua Hottentots. 308. And then it will be found that the prisoner and defendant have even fully confessed 309. that they not merely did some molestation or trouble to the aforesaid Nunoquinqua Hottentots. 310. Honorable, Respected Lords, the prisoner and defendants, without having been compelled by any reason of self-defense, 311. fired with bullets at the aforesaid Hottentots from about nine o'clock in the morning until late in the afternoon. 312. And did not even the one to whom the first prisoner and defendant appeals, having related 313. that a Hottentot was wounded, testify 314. that he had found many Hottentots dead, 315. and had seen many wounded besides; 316. as well as that he had seen a Hottentot woman speaking with the Hottentot Groote Piet Eijland? 317. And did not this Piet Eijland himself testify in turn 318. that he found eight dead and many wounded Hottentots, 319. and also saw floating two women who had jumped into the water out of fear, Article 320. and that the aforesaid Hottentot woman related to him 321. that there were still more dead and wounded? 322. Is it not the own son of the first prisoner and defendant, the second prisoner and defendant in this matter, who fully declared 323. that, after the cattle brought to this side of the river by the Hottentots had swum back through the river at night, 324. he, together with his brother Andries van Zijl and the third defendant in this matter, 325. having crossed the river the next day, had retrieved the cattle for themselves, 326. and that about twenty head were delivered to his, the defendant's, father by the Hottentots? 327. And it is this kind of breach of the public peace 328. which, according to the general written laws, ought to be punished with the sword. 329. Sufficit enim, says the famous Carpzovius in Practica Criminalis Part 1 question XXVI number 28 etc., ad poenam irrogandam ob violatam publicam pacem invadentem cum armis et coadunatis hominibus venisse, 330. licet actualis operatio et usus armorum non fuerit subsecutus; 331. that is, for it is sufficient for the infliction of punishment on account of breach of the public peace that 332. the attacker came armed and with men gathered together. Article 333
Dutch transcription
en andere weederom gequetst zyn geworden. Art: 262. dat deeze bijde misdaaden onteegenzeggelijk door de gev:e en ged: gepleegt zynde 263. En wel de Eerste niet alleen strijdig met de statutaire wetten. 264 maar nog in't bijzonder teegens de uijtdrukkelijke ordre van den welEdelen gestrengen Heere gouverneur, 265. de Rat: Af: Eyss„r vervolgens kortelijk na zal gaan. 266. welke straffe de geve en ged: hebben gemeriteerd 267. en welke dier straffe aan de Gev„e en ged: behooren geinfligeerd te worden 268. ten opzigte dan van de straffe dewelke de gev„e en ged: uijt hoofde van de eerste misdaad, door hun gev„ gepleegde, gemeriteerd hebben 269. vermeend de R: O: Eyss„r /:onder Correctie:/ te kunnen volstaan met zig slegts te bepaalen tot de bij „herhaaling door de hooge overigheijd deezer landen geEmaneerde placcaten. 270. waarvan bij de Jongste op den 16 Iunij 1774. gepu„ „bliceerd en alomme geaffigeerd zeer uijtzruckelijk is gestatueerd. 271. „ dat niemand zig zal verstouten, eenige de min„ „ste rhee ruijling met de hottentotten of Catters„ „hoe gering zulx ook weezen mogte, meer te doen. 272 nog zig ten dien eynde in persoon off met wagens aff koopmanschapen landwaards in te begeeven. 273 dan wel iemand anders daartoe te gebruijken 274 op pene dat bij aldien dezelve na deezen daarop agterhaald werden. 2 7/5. of schoon zy 't vlee ook maar in der minne en zonder geweld hadden geruijld ng Art: 276: zoo veel te meer dan; 277. wanneer de gezegde hottentotten of Catters des„ „weegens eenige overlast zal weezen aangedaa buijten Confiscatie van haar eygen meede genoo „men. 278. mitsgaders 't ingeruijlde vlee waagens en koop„ „manschappen. 279 als stoorders van de gemeene rust en schenders van regt en vrijheijd 280. na Exigentie en omstandigheijd van zaaken. 281. zonder eenige oogluijkinge arbitralijk aan den Eij 202. Jazelvs met de dood zullen werden gestraft. 283. Trouwens let men op den eygentlijken zin van de voorsz: geallegueerde statutaire wet 284. En op al 't geen door de gev„e en ged:n is gepleegd „ 285 dan zal men terstond in diezelfe wet de Atratfe vinden. 296. die de gev:e en ged: uyt hoofde van de tweede mis „daad hebben gemeriteerd. 297. want bij diezelvde wet uijtdrukelijk bepaald 298. dat om zoo veel te meer dan 209: wanneer diesweegens, dat is bij de ruijling of om de ruijling van het vlee de gezegde hottentotten of Catters eenige overlast zal weesen aangedaan 300. de zoodaanige als stoorders der gemeene rust en schenders van regt en vryheijd na evigentie en omstandigheijd van zaaken. 301. zonder eenige oogluijking arbitraakijk aan den Lijse. 302. Ja zelvs met de dood zullen worden gestraft. 303. Een spreekt de wet van hottentotten of Catters. Art 304 „ „ „ „ „ Art: 304. en hebben de gev„e en ged: zelve die hottentotten voor Nunoquinqua hottentotten erkent. „ 305. dan behoeft men om die proportie van de straffe te vinden, die de gev=e en ged: uijt hoofde van der„ „zelver misdaader gemeriteerd hebben. 306. en aan hun behoord geinfligeerd te worden. 307. slegts na te gaan, welken overlast de gev e en ged: die Nunequinqua hottentotten hebben aangedaan. 308. En dan zal men bevinden dat de gev=e en ged=e zelvs volmondig hebben beleeden. 309. dat zylieden de voorsz: Nuncquingua hottentotten. niet slegts eenigen overlast of moeyte hebben aangedaan. 310: Heer Edele Agtbaare Heeren de gev=e en ged:s hebben zonder door een eenige reede van eygen defensie genoodsaakt geweest zijn 311. van des morgens omtrent Neegen uuren tot laat in de Namiddag met koogels op de voorsz: hot„ „tentotten geschooten. 312. en heeft niet zelvs die geen waarop den eersten gev=e en ged: hem beroept verhaald te hebben 313. dat er een hottertot gequetst zou zyn. getuijgd: 314. dat hij veele hottentotten dood gevonden had. „ 315. en nog veele gequetsten had gezien. 316. mitsgaders dat hij eene hottentottinne met den hottentot groote piet Eijland had zien spreken. 317. en heeft deze Piet Eijland zelve niet weederom getuijgd. 318: dat hij agt dooden en veele gequetsten hottentotten heeft gevonden. 319. ook twee wijzen die uyt vreeze in 't waater ge„ „sprongen d „ „ sprongen waaren zien drijven Art: 320. en dat de voorsz: hottentottinne hem heeft verhaald 321. dat er nog meerdere dooden en gequetsten waren, 322. Is 't niet de eyge zoon van den Eersten gev: en ged: den tweeden gev: en ged: in deezen die volmondig heeft verklaard. 323. dat, na dat de door de hottentotten aan deeze zijde der rivier gebragte vlee des nagts weederom door de rivier gezwommen waaren 324. hij neevens zijn broeder Andries van zijl en den derden ged: in deezen. 325. des anderen daags door de rivier gegaan zijnde 't vhee voor hun had gehaald. 326. en dat omtrent Twintig stuks door de hottentotten bij zijn ged:s vader aangebragt zyn. 327. En van deeze zoort van openbaare rust verbree„ „kinge is 't. 328: dewelke na de algemeene beschreevene regten met den zwaarde behoord gestraft te worden. 329 sufficit emin zegt den beroemden Carplovius in Pravi Creminali Pars 1 quast XXNV n„o 28 reg & ad„ „poenam irrogandam obriolatam publicam pacem invadentem Cum armis et Coadunatis hominebus venisse 330. licet actualis operatio et usus armorum non fuerit subseactus 331. dat is. „want 't is voldoende ter oplegginge der straffe „weegens openbaare rust verbreekinge dat 332„ dat de aanvaller gewaapender hand, en met „ bij een vergaderde menschen afgekoomen zy Art 333
English
Article 333. Although the actual operation and use of weapons did not follow, 334. after he had dealt, from No. 14 to No. 22, with the three principal requisites which in the crime of breach of the peace must coincide, 335. [combined in sequence] 336. and thereafter, for the elucidation of No. 28 and to counter what was posited therein, 337. cites a sentence passed in the princely episcopal city of Verden in the month of December 1594, which, translated from the High German, reads as follows: 338. Although the prisoners D. B. and D. E. do not wish to confess that the shot into Lijsten's house, by which he was shot through the arm and his pregnant wife was shot dead, was fired by them, yet they have both confessed that they came armed before Lijsten's house in the night and did him violence, etc., they shall both, on account of such executed and by them confessed public violence, and the injury and murder caused thereby, regardless of which of them may have fired the shot, if they voluntarily persist before the court in their previously made confession, be justly punished with death by the sword. 339. And from this it follows naturally, with respectful deference: 340. that according to the general principles of law and those of the statutory laws in particular, Article 341. the punishment of death ought to be inflicted upon the first and third prisoners and defendants; 342. the second prisoner and defendant, however, by virtue of his minority, 343. and that he has continually maintained to have done everything on the order of his father, ought to be released with an extraordinary lesser punishment. For which and other reasons to be further alleged in due time if necessary, the Prosecutor, making his demand, concluded that the prisoners and defendants mentioned in the heading of this document shall, by sentence of this Noble and Honorable Council, be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customarily executed here, and there delivered to the executioner; the first and third prisoners and defendants, Adriaan van Zijl and Jan Weeser, being blindfolded and kneeling before a heap of sand, to be beheaded, so that subsequently their dead bodies may be brought to the outside place of execution, there to be buried under the gallows; furthermore, the second prisoner and defendant, Petrus van Zyl, to be severely scourged with rods on his bare back, and subsequently to be banished to Robben Island for the term of twenty-five years, with confiscation of the livestock declared by the prisoners and defendants to the number of one hundred and sixty head, or, in case it may already have been sold, the proceeds thereof for the benefit of the Honorable Company; and the further condemnation of all the prisoners and defendants in the costs and expenses of justice, or to such other punishments as your Honors shall find and judge to be proper. Signed: H. L. Bletterman. In the margin: Exhibited in court, the 6th of March 1788. Right Honorable and Stern Sir Governor, Your undersigned servant requests with all humility and respect in this letter to be allowed to make an overland expedition to shoot elephants for the Honorable Company. Since I have fallen so far behind with my position of field corporal that I cannot decently raise the annual recognition money, and also should it happen to occur that I fall short on account of my draft animals, that I might then trade or buy a span of oxen from the Hottentots as best I can agree with them; it is also my request to allow some volunteers who intend to ride along, to accompany me for assistance. As regards the menacing and stirring Bushman Hottentots, it has been quiet until now since the last time they were defeated. I very kindly request to consent to and grant me the above-mentioned matters. I very kindly request an answer with the bearer of this letter, upon which I rely, and remain with all esteem and respect, your Honor's humble and service-offering servant, former field corporal. Signed: A. van Zijl. In the margin: Ackerendam, the 28th of April 1786. Monsieur Adriaan van Zijl: you write to me that Willem Nel's horse wagon is broken to pieces. Tell the one who broke it, and Christiaan Bok has a whole wagon, and Christiaan Keijzer also has a whole horse wagon, and Jan Swart has a good horse cart, on which you can load enough powder and lead, just as last year I had to do it alone with Pouwel Karze. Pouwel Karze had to give the cart, and I myself had to provide horses and three oxen with all the equipment, bear all expenses, and fetch powder and lead myself. It seems to me that you are truly trying to pick on me, for I am burdened with everything more than anyone else. But go ahead, you will obtain two wagon journeys, and I remain, after greetings, your humble servant. Signed: David Fredrik Strous. In the margin: the 8th of August, in the year 1785. Letter E: You are ordered to ride around and command all these mentioned persons, namely: Christiaan Keijser, Poulis Carse, Migiel Bok, Johannes Mostert and Evert Mostert, Zamel Rossou, Albertus Nel, Koert Rijk, Matijs Montsinger, Jacobus Adriaan Louw, a capable bastard Martinus Vos, Dirk van Neel, Bart. Koopman and Cornelis Koopman, Adriaan van Wijk, Christiaan Mourits of the gentlemen Rodolf Rijk. All the persons who are not mentioned here must provide a capable Hottentot or bastard with a pack ox for the commando. If anyone has a good pack ox, he must not be negligent in providing it to the commando. Good friend David Strous
Dutch transcription
Art 333. „ A. schoon de daadelijke werking en gebruik der „ wapenen niet gevolgd zij 334: Na dat hij de drie voornaamste requisiten, dewelke in misdaad van verbrooken ruste moeten te zaamen 335. van N:o 14 tot n:o 22 had afgehandeld. 336. en daarna tot opheldering van N:o 28 en tot storing van het daarbij ter needergestelde 337. eene in de vorstelijke Besschoppelyken stadt verden in de maard december 1594. geslaagen sententie bij brengt, luidende uijt het hoogduijtsch vertaald aldus. loopen. 338. of schoon by de gevangene Da B en D. E. niet willen bekennen dat door hun de schoot in leijstens „Huijze, waar van hij door de arm en zyn zwangere vrouw doodgeschooten is, geworden, zy gedaan. maar nogthans by de beleeden hebben, dat zij„ „lieden in den nagt gewapender hand voor Lijstens huijze gekoomen, en hem geweld aangedaan heb„ „ben &„a soo zullen zij bide, van weegens zoodanige uytgeoeffende en door hun beleeden openbaare ge„ „weld. en daar door toegebragte quetzing en moord, niet teegenstaande welke van hun ook de schoot mogte hebben gedaan, zoo wanneer zij op haare voo„ „rige gedaane bekentenisse voor 't geregt vrijwillig blyven persisteeren, billijk met zwaard ter dood gestraft worden. „ 339: En hier uijt vloeijt dan /:onder eerbiedige reve„ „rentie /: van zelve voort: 340. dat volgens de generale gronden van regten en die der statutaire wetten in 't byzonder Art 341. de straffe des doods aan de Eerste en derde gan: en ged: behoord geinfligeert te worden. 342. den tweeden gev: en ged:n egter uyt hoofde zyner minderjaarigheijd. 343. en dat hij bij Continuatie heeft staande gehoucen alles ter ordre van zyne vader te hebben gedaan met eene extra ordinaire mindere straffe behoord vrygelaaten te worden. Mits welke en andere reedenen in tijd en wijlen /: is 't nood / nader te allegueeren, de Rat: off: Eyss=r eijsch doende Concludeerde, dat de gev:e in ged: in de hoofde deezes gemeeld, bij sententie van deezen Edelen Agtbaaren raade zullen worden gecondemneerd, ge„ „bragt te worden ter plaatse, al„ „waar men alhier gewoon is, Cli„ „mineele sontentien ter executie te leggen; en aldaar aan den scherpregter overgeleevert, de Eerste en derde gevangene en gedaagden Adriaan van Zijl en Jan Weeser hunne oogen geblind, en voor een hoop zand needergeknield zynde, onthoofd te worden, ten einde voorts hunne doode lighaa¬ „men naar 't buijten geregt ge„ „bragt Lt A. „bragt, aldaar onder de galg be„ „graaven te worden, wyders den tweeden gevangene en gedaagden Petrus van Zyl omme met roeden op de bloote rugge strengelijk ge„ „geesselt, vervolgens, voor den tyd van vijfentwintig Jaaren op 't robben Eijland gebannen te worden, met verbeurt verklaa„ „ring van 't door de gev:s en ged:s opgegeeven vhee ten getalle van Een hondert en sestig stuks dan wel bij aldien reets verkogt mogte zijn 't provenue daarvan ten voordeele der E: Compagnie, en verdere Condemnatie van de gevangene en gedaagdens alle, in de kosten en misen: van Justitie ofte tot al zulken andere straffen als uwelEdele Agtbaarens zullen vinden en Oordeelen te behooren /:was geteekend:/ H: L: Bletterman /:in margine:/ Exhebitum in Judi„ „cio. den 6 maart 1788. Wel Edele Gestrenge Heer Gouver Neur U ondergeteekende dienaar Versoek met alle ootmoet en eerbiet in dese brief dm L„a B. om een Lant tog te morgen doen om olyvante te schieten voor de Edele Compagnie Terwijl ik met myn wagtmeesters baantje zo ver agter uyt gezaakt bin dat ik de rekondietsi penning met vatzoen jaarlijs niet ken opbringen, ook als het mogte koomen ge„ „beure dat ik in't gebreken blijf van weegens mijn trek beesten, dat ik dan een voorspanning mogte ruijle van de hollentottenss koopen zoo als ik best mit haarlij verackordeeren ken ook is myn ver„ „soek om eenige vrywilligers die van intentsie is, om mee te moogen Reijden, tot beystant wat de moozende en roorende bossimans hottentotten aangaat is tot nog toe stil zint de laatste maal dat ze verslagen bin verzoeke zeer vriendelijk om mijn de boovengemelde zaaken te konsenteeren en toetestaan, verzoeke zeer vriendelyk met toonder deser briefomant woort, waarop ik mijn verlate En blyve met alle eestimi en Eerbiet uEd: /:onder„ „stend:/ onderdanige En dienst. praesenteerende die„ „naar gewesende veldwagtmeester /:was geteekend A: van Zijl. /:in margine:/ Ackerendam den 28 april 1706.— Monsieur Aderjan van Zipl: gij schrift mijn. dat Willem Nel zyn paarde wagen, in stukken is zegh dat die genege die hem gebroken het en Christiaan bok het een hele wage en Kristijan Keijzer het ook een hele paarde wage en Ian swart het een goeze paarde kar daar gij bruijt en Loot : genoeg genoegh op laijje kan, zoo als ik vergange Iaar het met pouwel Karze alleen het moete doen, Pouwel Harze het de kaire moet geve, en ik zelvs paarde en drie osse met de volle toebehoor en alle onkoste moete doen, en zelvs kruijt en loot gehaalt, het kom mijn te voren dat gy mijn reght zoek uijt te kipe, want ik wort met alle dinge meer beswaart als een ander maar gaat ue gangh, u bekomt twe wage vaarde, en ver„ „blive na groete, u onderdanige dienaar: /:was getekend:/ david Fredrik Strous /:in margine:/ den 8 August Ano 1785. L„r E: zij wert gelast om ront te rijden, en al dese gemelde perzoonen te Commandeeren, Namentlijk Christiaan Keijser, poulis Carse, Migiel bok, Johannes Mostert en Evert Mostert, Zamel Rossou, Albertus Nel Koert rijk, Matijs Montsinger, Iacobus Adriaan Lou een bekwame bastert Martinus vos, dirk van Neel Bart. koopman en Cornelis koopman Adriaan van wijk, Chrestiaan Mourits van de heeren Rodolf Rijk, al de perzoonen die hier niet gemeld is moet een bekwame hottentot of bastert met een draagos tot de Comando gee„ „ven, als er eymant een goede draagas heeft, moet niet nalatig weesen, die tot de Comando Goede vrient David Strous te
English
to give, you are also ordered to command all the surrounding Hottentots and Basters who can be found there. Clous Heijnig and Jacob van Neel must ride with you or help you with horses just as you have the best need to command. If you can get hold of Ditkopen Cobis schaapwagter and Cornelis Harmanis, have them laid down and give them each a good thrashing because they were not obedient to my order, and command them again on commando. On the 26th of December the commanded persons must be present at Iohannis Matias Strous with the slaughter cattle commanded previously that was sent home again; whoever did not give last time must now also each give five slaughter sheep. Trusting herein that these my orders may be observed. For your own preservation, should you be negligent in this, I shall make a proper report, not again to the lord landdrost, but to the Excellency the lord governor at Cabo de Goede Hoop, because I have until now received no answer from the lord landdrost to the previous report. Remaining after greetings, your friend, signed Adriaan van Zijl. In the margin: Aktendam the 15th of December anno 1785. Below that: Postscript, we receive help from the Roggeveld. My lord, Your letter dated the 6th of September received. I saw from it with astonishment that our negligent and remiss field-cornet Adriaan van Zijl dares to say that we do not fulfill our duty, which is indeed without foundation. He does nothing for the commandos, as can be seen in the accompanying commando letters. He wanted to fetch the powder himself, has commanded and received horses and gear, but could not possibly provide my wagon; nor are we obligated to give wagons to bring provisions for his household, and there was still enough powder and lead for a large commando. But his journeying up perhaps aimed more at tracks to obtain a saltpan in order thereby to seek his advantage to our detriment, than to side for our advantage. Commandos are indeed ordered, but in six years' time the commanders have been no further than to the Visrivier at Jacobus Mouton; that is the turning point, there are the two commanders, and even so a provision is usually made. How much trouble he has and takes to command, you can see from the accompanying letters, while he yet has three grown sons in the house. I have, Bletterman, My Lord Landdrost, never approached my government with lies, but have always sought the common good, and when I wrote to the honorable lord governor, I also wrote a supplication to the lord landdrost for help. I have now written to the field-cornet for assistance, or else I must flee, whereupon he answers me: if I want to flee, I can do so; thus I am forced to depart tomorrow. In six years one commando was carried out by Jacobus Adriaan Louw and Jan van Zyl. Your humble servant, signed David Fredrik Strous. In the margin: Hantam the 15th of January 1786. You are ordered and requested by me to command these undermentioned persons in the most serious manner, and if anyone is negligent in this or remains behind and does not ride on commando, he may look out for damages: I shall summon him before the court martial. And the written-off person who is not commanded on commando must provide two capable Hottentots or Basters in his place, and the surrounding Hottentots must also be present without fail, each with his carrying bag; and each person must give to the Worthy Nephew David Fredrik Strous, commando, five slaughter sheep: Christiaan Keijster, Paulus Harsen, Hendrik Beukens, Coenraad Beukens, Jan Mosterd, Iacobus Rijk, Clous Heijning, Coert Rijk, Samuel Rossouw, Roeloff Lubbe, Lodewijk Maneveld. The commanded persons must be present without fail on the 28th of May at Willem Nel behind the Hantam, expecting without fail. Below stood: Your friend, signed Adriaan van Zijl, field-cornet. Tuesday the 6th of June 1786. Extract Resolution taken at the meeting of the Lord Landdrost and Court Martial at Stellenbosch. Whereas the field-cornet of the district across the Doornrivier and the Hantam, Adriaan van Zijl senior, by reason of his long-lasting service and advancing years, upon his request made in that regard, has been discharged from performing his aforementioned function, there was promoted in his place again as field-cornet of the aforesaid district the field-corporal there, Johannes van Zijl, Pieterszoon; the same Van Zijl shall at the same time be written to that he should as soon as possible submit a capable person who could be appointed as field-corporal in his place. Below stood: Agrees, signed A. A. Faure, Secretary. Report given before the undersigned commissioners at the requisition of the landdrost of Stellenbosch and Drakenstijn, Hendrik Lodewijk Bletterman, by and on behalf of the burgher David Fredrik Strous, of competent age, reading as follows: That as the relator, holding a loan farm from the Honorable Company situated in the Hantam, believes, in the month of April or May of the past year 1786, without however being able to determine the exact day, there came to the relator his brother-in-law, the burgher Barend Fredrik Lubbe, Andrieszoon, who related to the relator that he had been at the Cape with the honorable lord governor with a letter from the former field-cornet
Dutch transcription
te geven, gij wert ook gelast om al de omleggen„ „de hottentots en basters die der te vinden is te Comandeeren. Clous Heijnig en Jacob van neel moet mit u mee rijden of met paarden u helpen zoo als u het bes van nooden heef om te Commandeeren als gij ditkopen Cobis scha¬ „wagter en Cornelis harmanis kan bekoomen laat se neerleggen, en geef zulle elk een goeje loe„ „sing om dat zulle mijn order niet gehoorsaam geweest is, en Commandeert te weer op Comando. den 26 deetsember moet de gekommandeerde persoonen en bij Iohannis matias Strous persent zyn met de voor heen gekommandeerden slagt vee die weer te huijs gestuurt is, die vergange keer niet gegeven heeft, moet nu ook elk vijf slagtschapen geven Hier op vertrouwende dat dese mijne orders mogte opgerzelveert worden. tot UE: eijgen behoudenis hier in nalaatig zijnde zal ik behoorlike raport doen, niet weer aan de heer landros maar aan de Exele heer gou„ „verneur tot kabo de goede hoop, om dat ik tot nog toe geen antwoort van de heer landros op de voorige aangevene gekregen heef, blijve Na groete UE: vriend /:was getekend:/ Adriaan van Zijl /:in margine:/ Aktendam den 15 decesember anno 1785. /:daar onder:/ Beschriptum wij kixg hulp van de rogge veld.— Mys, heer „ D. L„ UE: Brief gedateert den 6„de 7ber ontfangen heb met verwondering daar uyt gesien dat onse nalaatig en versuijmende veldwagtmeester Adr:n van zijl durf seggen dat wij onse pligt niet nakomen het welk dog zonder grond is, hij doet niets tot de Commandos gelijk te sien en by ko„ „mende Com„s brieve het kruijt halen wou hij zelfs doen, heeft paarde en tuijge gecommand: en gekregen dog mijn wagen konde onmogelijk geven, ook zyn wij niet verpligt om weegens tot proviand voor zyne huijshouding te brengen te geven en daar was nog kruijt en loot genoeg voor eene groote Commando, maar zyn oprijden heeft misschien meer spooren Beoogt op eene soutpanne te verkrijgen om daar meede tot nadeel van ons zyn voordeel te zoeken als tot voordeel van voor ons tezijden daar word wel gecommandeert dog in 6 jaar tyts zyn de Command. r niet verder geweest. als aan de visrivier bij Jacobus Mouton daar is de keerom daar zyn de 2 Commandanten en nog worter meest een provisie gesteld, hoe veel moeijte hij heeft en zig doet om te Commandeeren kunt UE: an by komende brieve sien daar hi dog drie groote zoons in huijs heeft, ik ben Bletterman Myn Heer Landrost. noyt L noyt meyne regeering met leugens voorgekomen 1 maar heb alteijd het gemeene best gesogt, en als ik den welEd: Heer gouverneur geschreven heb, ook een smeek brief an den heer landrost geschreven om hulp ik heb nu aan den wagt„ „meester geschreeven om bijstand, of ik moet vlugte waarop hy mij antword, als ik vlugten wil kan ik doen, alzo ben ik genoodsaakt morgen te vertrekken, in 6 Jaar iser een Commando gedaan door Jacobus Adriaan Louw en Jan van Zyl uE: onderdaanige dienaar /:was geteekend:/ david Fred=k Strous /:in margine:/ Hantam den 15 Jann: 1786. — UE: wert door mij gelast, en versogt om dese onderstaande perzoonen op zyn Ernstigste te Commandeeren en zoo 'er eenige hier in nalaatig of agter blyft en op Commando niet en rijd, die kan zig voor schade wagten, ik zal hem dag„ „vaarden voor den krijgsraad, en de afgeschr „vene die niet gecommandeert is, op Command„ die moet twee bekwame hottentots of basters in zyn vlek geven, en de omleggende hottentots moet ook zonder vouten praesend: zyn, elk met zyn draagas; en ijder perzoon moet tot de Waarde Neesf D: F=k Atrous L:a 6. Commando O Commando geven, vijf slagt schapen: — Christiaan . Keijster, Paulus Harsen, Hendrik Beukens, Coenraad Beukens, Jan Mosterd, Iacobus rijk Clous Heijning Coert Rijk Samuel Rossouw Roeloff Lubbe, Lodewijk Maneveld de gekomen „mandeerde perzoonen moet den 28 maij by Willem Nel agter de hantam sonder houten praesend te zyn, in verwagting zonder vouten /:onderstond:/ UE: vriend /:was geteekend:/: A„n V„n Zijl, veldwagtmeester. — L a F. Dingsdag den 6 Iunij 1786.— in veldwagtmeester van 't district over de doorn rivier en den Hantam Adriaan van Zijl &z:r uyt hoofde van zynen langduurigen dienst en klimmende Iaaren, op desweegens gedaan versoek van 't waarneemen zyner voormelde Funche ontslagen geworden zynde; wierd in desselvs Plaatse weederom tot veldwagtmeester van 't voorsz: district bevordert den veldCorpo„ Extract Resolutie genomen ter vergadering van den Heer Land Drost en Krygs„ „rade aan stellenbosch. „raal op. 4 „raal aldaar Johannes van Zijl. Pietersz: zullende denzelven, van zijl teffens worden aangeschreeven dat hy ten spoedigsten een bequaam perzoon zoude hebben op te geeven, die als veld Corporaal in desselvs plaatse zoude kunnen worden aangesteld. /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ A: A: Faure Secretaris. Relaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende gecom„ „mitt:s ter requisitie van den landdrost van Stellenbosch en drakenstijn, Hendrik Lodewijk Bletterman, door ende van weegens, den Burger David Fredrik Strous, van Competenten ouderdom, luydende als volgt. Dat zo den Rel„t als bezittende eene plaats in leening van d' E: Comp: in den hantam geleegen, vermeend, in de maand April of Meij des gepas„ „seerden Iaars 1786. zonder egter den positiven dag te kunnen bepalen, bij den rel„t gekomen zijnde deszelvs Zwager, den Burger Barend Fredrik Lubbe andriesz: aan den rel„s heeft verhaald, dat hy aan de Caab by den welEdelen gestr: Heer gouverneur met een brief van den oud veld wagtmeester 2 P: 9:
English
having been with Adriaan van Zijl in the Hantam, containing a request that he, van Zijl, together with the aforementioned Lubbe and some other persons, might undertake an expedition to shoot elephants, and having also on that occasion brought along from the Cape a small chest of beads for the said van Zijl; that the said honorable Governor had said he could not permit such a thing, as complaints had recently been made about the robbing and stealing by the Bushmen, and the men were therefore more needed in the district; but that he, van Zijl, had told him, Lubbe, that notwithstanding this he would undertake an expedition, adding at the same time that the father of him, Lubbe, had forbidden him to take part in that expedition, because he did not want his children to act against the order of their lawful authorities; just as the deponent and his wife had then sent the deponent's aforementioned brother-in-law to the said van Zijl in order to dissuade him from his intention; that the deponent in person, on the 6th of July following, saw the aforementioned van Zijl depart with two wagons, together with his two sons Petrus and Andries, as well as the burgher Ian Wieser, taking with them the bastard Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel, as well as the Hottentots Piet Eijland, little Piet Eijland, Andries, and Ruijter; all of which Hottentots are usually employed to assist the local inhabitants in pursuing the plundering Bushman Hottentots; that the aforementioned van Zijl, together with the persons just mentioned, having returned to the Hantam in the beginning of the month of November, the aforementioned Ian Wieser, a few days later, upon being asked by the deponent how that expedition had turned out, said, very well, and we have brought back two hundred and sixty head of breeding cattle, of which I received eighty for my share; that at the end of the month of April, the burgher Ian Blom, residing on a certain farm of the burgher Petrus Pienaar situated on the Hartebeeste River, having come to the house of the deponent, related to the deponent that about four hundred Namaqua Hottentots had been on their way to pursue the aforementioned van Zijl and his retinue, but that upon his advice—namely, that the said van Zijl lived too far inland, and that they would thus ruin and overrun the farms of many other inhabitants and not easily overtake him, van Zijl—they had turned back. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm this further. Underneath stood: Thus done and related at Cabo de Goede Hoop on the 15th of August 1787, before the gentlemen Salomon van Echten and Gerrit Hendrik Mijer, members of the Honorable Court of Justice aforementioned, who have duly signed the minute hereof together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: To which I testify. Was signed: R: J: V: d:r Riet, sworn clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice aforementioned, David Fredrik Strous, who, his preceding statement having been read out clearly and distinctly, declared that he persisted by it, wishing that nothing more be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus done, verified, and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 16th of August 1787. Was signed: David Fredrik Strous. Lower: In my presence. Was signed: R: J: V: d: Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners. Was signed: S: V: Echten and G: H: Meijer. Today, the 22nd of September 1787. Letter A. Appeared before me, Mr. Cornelis van Aerssen, Secretary of the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the after-named witnesses, the burgher Barend Fredrik Lubbe, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost at Stellenbosch, Mr. Lodewijk Bletterman, declared how true it is: that when he, the deponent, just at the beginning of the past year 1786, found himself at the farm of the field-cornet Adriaan van Zijl situated in the Hantam, the aforementioned van Zijl, having made known to the deponent that he intended to make an elephant hunting expedition, then handed to the deponent a letter addressed to the Honorable Governor, with the request whether, since the same letter would serve to solicit permission from the aforementioned Honorable Gentleman to undertake the aforementioned expedition, the deponent would consequently deliver it to His Right Honorable worship upon his ride up to the Cape; which the deponent then also accepted, at the same time requesting the aforementioned van Zijl that, if he should obtain permission for it from the Honorable Governor, he might then also take part in the aforementioned elephant hunt; that he, the deponent, then also in accordance with the aforementioned request of van Zijl, when he, the deponent, to the best of his recollection, in the month of April or May of the said year
Dutch transcription
in den Hantam Adriaan van Zijl, geweest zijnde, behelsende een verzoek dat hij van zijl neevens voorsz: Lubbe en eenige andere perzoonen op een togt om oliphanten te schieten zig mogten begeeren, ook bij die gelegenheid een kisje Coraalen voor gem: van zijl van de Caab had mede gebragt„ wel gem: heer gouverneur gezegt had zulks niet te kunnen permitteeren, terwijl men kort bevoorens over het rooven en steelen der bosjesmans geklaagd had; de manschappen dus nodiger in het district waren, doch dat hij van zijl. aan hem Lubbe had gezegt, des niet tegenstaande een togt te zullen doen, tevens daar bij voegende; dat den vader van hem zublen; hem verbooden had, die togt niet meede te moeten doen, want hij niet wilde hebben dat zyne kinderen, teegens de ordre van hunne wettige overheid zouden handelen, gelyk den rel„k zyn huijsvrouw, met deszelvs voorm: zwager als toen naar gem: van zijl hadden gezonden, ten eijnde hem zijn voorneemen afteraden. dat den rel„t in perzoon op den 6. Julij daaraan voorsz: van zijl. neevens deszelvs beide zoonen Petrus en Andries mitsg=s den burger Ian Wieser met twee waagens heeft zien vertrekken, mede neemende de bastaard hottentotten: Paul gerrit, en stoffel mitsg„s de hottentotten Piet Eijland. kleine Piet Eijland. Andries en Ruijter; alle welke hottentotten gewoonlijk ter agtervolging der roosenale roorende Bosjesmans hottentotten, ter adsistentie van de opgezetene aldaar zijn geEmploijeert dat voorsz: van zijl nevens de eeven gemelde perzoonen, in het begin der maand November terug in den Hantam gekomen zynde, voorn: Ian Wieser eenige daagen daarna op de vraage van den rel=t hoe het met dien togt afgeloopen was gezegd had, heel wel en wij hebben twee honderd en zestig stuks aanteel beester meede gebragt daarvan ik voor mijn aandeel tagtig heb bekoo„ „men dat in het laatst der maand april. den burger Ian Blom, woonagtig, zynde op zekere plaats van den burger Petrus Pienaar geleegen aan de Hartebeeste rivier, ten huijze van den rel„k gekomen zijnde aan den rel„t had verhaald, dat 'er wel„ omtrend vier hondert namacqua hottentotten op weg waren geweest, om voorn: van zijl en zyn gevolg te vervolgen, dog dat dezelve op zyn raad, dat gem: van zijl te verre binnen waards het land woonagtig, en zijl: dus veele andere ingezetenen hunne plaatsen zouden ruineeren en afloopen, en niet ligt hem van zijl kunnen agterhalen, terug waaren gekeerd. Niets meer relateerende geeft den rel„t voor rede„ „nen van wetenschap als in den text berijd zynde zulx nader gestard te doen. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gerelateerd aan Cabo de Goede Doop Hoop den 15. Augustus 1787. voor de Heeren Salomon van Echten en Gerrit Hendrik Mijer leeden uijt den E: Agtb: Raade van Justitie voorm: die de minute dezes benevens den rel„t ende mij gesw Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend. /:laager:/ 'T welk ik Getuijge /:was geteekend :/ R: J: V: d:r Riet gesw Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onder get: gecommitt:s uijt den E: Agtb: raade van Justitie, voorm: david Fredrik strous, dewelke zyne voorenstaande relaas, klaar en duydelyk voorgeleezen weezende, verklaarde 'er by te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheijd van dien, de solem„ „neele woorden zoo waarlijk help mij god Almagtig: /:onderstond:/ Aldus Gedaan, Gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de Goede Hoop, den 16 augustus 1787. /:was getekend:/ David Fredrik Arous /:laager:/ My praesent /:was geteekend :/ R: J: V: d: Riet gesw: Clercq. /:in margine:/ als gecommitt:s /: w:as geteekend:/ S: V: Echter en G: H: Meijer. — Huijden den 22 September 1787. L„a A. Compareerden Compareerde voor mij Mr. Cornelis van Aerssen Se¬ „cretaris van den E: Achtb: raade van Justitie des Casteels de Goede Hoop praesent de nagenoemde getuijgen den burger Barend Fredrik Lubbe van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost te stellenbosch de Heer Lodewijk Bletterman verklaarde hoe waar is. dat wanneer hij Comp„te even in het begin des ge„ „passeerde Jaars 1786. zig bevonden heeft op de plaats van den veldwagtmeester Adriaan van Zijl geleegen in de hantam voorsz: van zijl den Comp„s te kennen gegeeven hebbende, dat hij voorneemens was, een togt op de oliphanten Jagt te doen, den Comp„s als toen heeft ter hand gesteld eene missive aan den Edelen Heer gouverneur g'addresseerd, met versoek of, terwijl deselve missive zoude dienen om bij den Edelen Heer voorm: tot het aangaan van voorsz: togt verlof te wagen, den Comp„ts deselve mits dien bij zyn oprid naar de Caab: aan hoogst ged=te zijn wel Edele gestr: wilde overbrengen, het gunt den Comp„s dan ook heeft aangenomen: te gelijk aan voorsz: van zijl versoekende, om bij aldien hij van den Edelen heere gouverneur daar toe permissie mogt verkrijgen als dan, zig meede op de voorsz oliphanten sagt te moogen begeeven. dat hij Comp„t dan ook ingevolge het voorsz: versoek van van zijl; wanneer hij Comp„ts na zijn best geheugen in de maand april of may des gem: Jaars
English
year from his father's place, situated on the Oliphants River, rode to this capital, took with him the aforementioned letter from van Zijl, and upon his arrival at the Cape handed it to the secretary of the aforementioned Right Honorable. That he, the appearer, subsequently appeared in person before the Right Honorable Lord Governor, and, having been immediately asked by his Right Honorable: are you the man who brought the letter from the field cornet van Zijl; replied yes to this, and then learned from his Right Honorable that the aforementioned van Zijl could not be permitted to go on the expedition to shoot elephants, as the aforementioned Right Honorable Lord feared that by this means more opportunity would be given to the Bosjesmans to come in from behind and cause harm to the inhabitants in those areas. For which reason, he, the appearer, having then also departed from the Cape, notified the aforementioned field cornet van Zijl, in the presence of Bart van Zijl and the wife of David Struijs, on behalf of the aforementioned noble lord, that his Right Honorable was unwilling to grant the request to go on the elephant hunt; but that, notwithstanding that the appearer made known to the aforementioned van Zijl the very clear order of the Lord Governor, he, van Zijl, as the appearer later learned, nevertheless set out on the aforementioned expedition or elephant hunt with his two sons, named Andries and Petrus van Zijl, together with the burgher Jan Wieser, he, the appearer, having remained at home in order not to act against the commands of his authority. Lastly, the appearer declares that during his aforementioned presence here, he received for the aforementioned van Zijl from a certain merchant, Stadeler, a soldier's chest in which glass beads and knives were contained. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the same, if required, under solemn oath. Thus done at the aforementioned Secretariat, in the presence of the clerks Willem Stephanus van Ryneveld and Johannes Henricus Fischer as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the Secretary. Which I testify, was signed: C: van Aens, Secretary. Verification. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Barend Fredrik Lubbe, to whom this preceding statement of his, having been clearly and plainly read out word for word, declared that he persisted in it, desiring that nothing more be added to or taken from it; and therefore, in confirmation of the truth thereof, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus verified and sworn at the Cape of Good Hope, the 24th of September 1787. Was signed: Barent Fredrik Lubbe. Below: In my presence, was signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. In the margin: As commissioners, was signed: I: M: Horak and I: C: Gie. Letter D. There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the Hottentot Piet Eijland, of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared how true it is: That the appearer, to the best of his recollection, in the rainy season of the past year 1786, without being able to determine the exact month or day, along with the fellow Hottentots Little Piet Eijland, Piet Namacqua belonging to the burgher Jan Wieser, Andries and Ruijter, as well as the Bastard Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel, and Gerrit Beer—the latter of whom were living at that time with the field cornet Adriaan van Zijl, but have now already partly departed for the Namacqua land, while the appearer and his people now have their camp in the Hantam, belonging under the commando of the field cornet Willem Adriaan Nel—having been commanded by the field cornet Adriaan van Zijl to pursue, with him, van Zijl, and his two sons Andries and Petrus van Zijl, together with the burgher Jan Wieser, the Bosjesmans Hottentots who had stolen the greater part of the cattle from the farm of the burgher Paul Carstens; he, the appearer, together with the aforementioned Hottentots, had duly complied with the order, and had followed him, van Zijl, who had taken two wagons along. That, the appearer having arrived with all the aforementioned persons into the Namacqua land, the aforementioned van Zijl had already hired some pack-oxen from the Hottentots there, which were loaded by him in the presence of him, the appearer, and the other Hottentots with provisions and a quantity of beads and knives; while the aforementioned van Zijl had only then declared to him, the appearer, and the remaining Hottentots that it was not necessary to pursue the Bosjesmans, but
Dutch transcription
Jaars van zin vaders plaats, zijnde aan de oliphants rivier geleegen, naar deesen hoofdplaatse is geree„ „den, de vooren aangehaalde missive van van zijl heeft meede genomen, en bij zijne komst aan de Caab aan den secretaris van meergem: zyn wel Ed: Gestr: overhandigt. — dat hi Comp„t daarna in persoon voor de welEd: gestr: Heere gouverneur verscheenen, en terstond door zijn wel Edele gestr: gevraagd zijnde: bent gij dien man die de brief van de veldwagtmeester„ van zeijl gebragt heeft: daarop Ia geantwoord, en als toen van zijn welEdele gestr: vernomen heeft, dat aan voorsz: van zijl niet kon worden toegestaan. om zig op de togt tot het schieten van oliphanten te mogen begeeven, aangesien den welEdele gestr: Heere voorm: bevreesd was, dat hier door aan de Bosjesmans meerdere geleegendheijd zoude werden gegeeven, om van agteren in te komen en de ingesee„ „tenen in die velden nadeel te doen lijden. - wes„ „halven hy Comp„ts dan ook van de Caab vertrokken zynde aan voorsz: veldwagtmeester van zyl in tee„ „genwoordigheijd van Bart van Zijl, en de huijsvrouw van David Struijs uyt naam van welgem: Edelen heer heeft bedeeld, dat zyn Edele gestr: het versoek om op de oliphanten Jagt te gaan, niet heeft willen toestaan, dan dat niet tegenstaande de Comp„e voorsz: van zeijl de zo duijdelijke ordre des heeren gouverneur heeft bekend gemaakt, hij van zeijl zig. /: zo als de Comp„e naderhand heeft verno„ „men 1 „men:/ met zyne twee Zoons, in name Andries en Petrus van Zeijl, benevens den burger Jan Wieser egter op de voorsz: togt of oliphanten Jagt begeeven heeft zijnde hij Comp„s om niet teegens de beveelen van zijn overigheijd te handelen te huijs gebleeven. Laatstelijk verklaard de Comp„e dat hij bij zijn voorsz: aanweesen alhier van zekere negotiant stadeler een soldaate kistje, waarin zig glaase Coralen en messen hebben bevonden voor gemelde van zeijl ontfangen heeft. — Niets meer verklarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap als in den text bereyd zijnde het zelve des gerequireerd werdende met Solemneel Eede te Staven. Dat Aldus Passeerde ter Secretarije voormeld. ten bijweesen der Clircquen Willem Stephanus van Ryneveld: en Johannes Henricus Fiscler als getuijgen die de minute deezes benevens den Comp„ts ende mij Secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend:/: „get :/ 'T welk ik Getuijge /:was geteekend:/ C: van Aens Secretaris. — Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommit uijt den E: Achtb: raad van Justitie deezes gouver /:onderstond:/ „nements - nements voorm: Burend: Fredrik Lubbe dewelken deese zyne voorenstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duijdelijk voorgeleesen wee„ „sende, betuijgde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat 'er niets meer bij ofte van gedaan werden zal; en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien, de solemneele woorden, zoo waarlik help mij god Almagtig: — /:onderstond:/ Aldus Gerecolleerd en B'Eedigt aan Cabo de Goede Hoop, den 24 September 1787. /:was geteekend:/ Barent Fredrik Lubbe /:laager:/ hij praesent /:was geteekend:/ R: J: V: d: Riet gesw Clercq: /:in margine:/ als gecommitt:s /:was geteekend:/ I: M: Horak en I: C: Gie. — L:a D. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt: uijt den E: achtb: raad van Iustitie deezes gouvernemerts, den hottentot Piet Eijland van Competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den koopman en Landdrost van stellenbosch en drakersteijn de heer Hendrik Lodewijk Blet„ „terman verklaarde hoe waar is. — Dat den Comp„s volgens best onthoud: in 't regen saisoen van den gepasseerde Iaare 1706. zonder den positiven maand of dag te kunnen bepaalen, neevens, de meede hottentotten kleijne piet Eijland piet ind e Piet namacqua behorende aan den burger Ian Wieser, Andries en Ruijter mitsg„s de bastaard hottentotten Paul, gerrit, Stoffel, en Gerrit beer, welke laatsge„ als toen by den veldwagtmeester Adriaan van Zil woonagtig waren, egter nu reeds voor een gedeelte na 't namacqua land vertrocken zijn, terwijl den Comp„e ende zijne hunne legplaatse thans in de hantam hebben, behoorende onder het Commando van den veldwagtmeester Willem Adriaan Nel; door den veldwagtmeester Adriaan van Zijl gecomman„ „deert geworden zijnde, om de bosjesmans hottertot „ten dewelke voor 't grootste gedeelte 't vhee van de plaats van den Burger Paul Carsten hadden geroofd, met hem van zijl en zyne twee soonen An„ „dries en petrus van Zeijl, neevens de burger Jan Wiesen te agtervolgen, hij Comp„s nevens de voorsz: hotterlotter aan de ordre behoorlijk hadden voldaan, en hem van zeijl dewelke twee wagens meede genoomen had gevolgd waren. O Dat de Comp„e met de voorsz: perzoonen alle tot in't Namacqua land: gekoomen zynde, gem: van zijl eenige draagossen al van de hottentotten aldaar 2 gehuurd had, die door hem ter praesentie van hem Comp„s en de andere hottenlotten met provisie en een parthij Craalen en messen gelaazen geworden waren terwijl gem: van Zeijl hem Comp„ts en de overige hottentotten als toen eerst gedeclareerd had; niet nodig te zijn om de bosjesmans te vervolgen maat
English
but that his intention was to go shoot elephants, in order to deliver the tusks to the Honorable Company and to give a share to each of the Hottentots, which the deponent had shown he was very unwilling to do, since his and his companions' cattle in the Hantam were left exposed to the Bushmen, but by the mentioned Van Zeijl with threats had been forced to do so and thus continued the journey with him, Van Zeijl, and the accompanying party up to almost one and a half months from the Hantam along the great river, where the aforesaid Baster Hottentots Paul, Gerrit, and Stoffel remained behind, pretending that because the aforesaid Gerrit was ill and could go no further, both the mentioned Basters would bring the aforesaid Gerrit back home. That thereupon the mentioned Van Zeijl, his aforesaid sons, and Pieter Wieser, alongside the Hottentots Kleyne Piet Eijland, Piet Namacqua, Andries, Ruyter, Gerrit Beer, and the deponent having continued their way, up to three stages beyond the great river, the aforesaid Van Zeijl had then hired from the third Hottentot kraal some Hottentots to the number of four hundred forty-four and taken them along, and continued the way with the Hottentots, while he, Van Zeijl, had kept himself busy on the way with shooting hippopotamuses in order to make use of them during the journey. That having ridden further, estimated at fifteen stages, on a certain morning around eight o'clock they approached a kraal of the Nuncquinqua, a kind of Namacqua Hottentots, who were on the other side of the Yellow River, being a branch or part of the great river; he, the deponent, had then seen that all the Hottentots, both big and small, came out of that kraal, presumably to see what was going on, whereupon he, Van Zijl, and his sons directly dismounted from their horses, and without them having spoken a single word with the Hottentots or those Hottentots with them, fired upon those Hottentots with sharp ammunition. That the aforementioned Wieser, having waited with shooting until the aforementioned Van Zijl and his sons had fired the third shot, then also discharged his gun like the others and continuously shot at the same Hottentots. That the aforesaid Van Zijl, having fired the fourth shot and having noticed that he, the deponent, and his comrades were not shooting, directly moved behind them with his loaded gun, of which he had cocked the hammer, and while poking them with the muzzle of his gun said to them in substance: "Damn lot, why don't you shoot, don't you see that I am shooting, and if you do not shoot, then you will get the same from me." And the deponent and his comrades, then out of fear, had shot along with the aforementioned four Europeans that entire day; however, they, the Hottentots (although the mentioned Van Zeijl, his two sons, and Wieser continuously shot some of the same Hottentots dead), always aimed blankly over the same Hottentots, while that shooting had lasted from around eight o'clock in the morning until late in the afternoon. That when the shooting ceased that afternoon, he, the deponent, along with his comrades, the other Hottentots, were sent across the river by the mentioned Van Zeijl (since they had remained on this side of the river while shooting) to bring all the cattle of those mistreated Hottentots to this side of the river to him, Van Zeijl, as they then also crossed the river pursuant to that order; however, because the cattle had grown wild from the continuous shooting, they could not get more than two hundred sixty-two, both big and small, across the river. That the deponent with his accompanying comrades, alongside Van Zeijl and the other persons, having stayed that night there on this side of the river, departed from there the next day in the morning, and having continued their way back home, then arrived at the third kraal, whereupon the Hottentots hired by the mentioned Van Zeijl from that kraal departed from them and went to their kraal, the mentioned Van Zeijl having given each of those Hottentots a string of beads and a piece of tobacco as a reward. That the deponent, alongside the aforesaid comrades with him, continuing their way hither, having arrived near the nearest kraal of the Hottentots on this side of the Christians, then encountered along the road the aforementioned Baster Hottentots Stoffel, Paul, and Gerrit who had parted from them, the mentioned Stoffel being unable to walk any longer because he was then ill, while the mentioned Gerrit was completely recovered again. That the mentioned Van Zeijl, having discovered that some cattle were located thereabouts, had asked the mentioned Paul in what place that kraal was situated from which the cattle were roaming, which was then also pointed out to him, Van Zeijl, by Paul. That the aforesaid Van Zeijl thereupon answered in substance: "It is good that you know that; you must go there tomorrow with Kleyne Piet Eijland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruijter, and Gerrit, and take away all the cattle of those Hottentots and shoot all those Hottentots dead, for all those Hottentots who remain in this region are merely rogues." That the mentioned Paul thereupon answered the aforesaid Van Zeijl in substance: "Yes, master, that will not go well, and I do not know what
Dutch transcription
:maar dat zyn intentie was om oliphanten te gaan schieten, ten eynde de tanden aan d' E Comp: te lee„ „veren en aan ijder der hottentotten een portie te zullen afgeeven, 't geen den Comp„t getoond had zak niet gaarne te willen doen, vermits zyn en der zijner zee in de hantam voor de bosjesmans bloot gesteld waaren, dog door gem: van Zeijl met dreygementen daartoe genoodsaakt was geworden en dus de reijze met hem van zeijl en bijhebbend ge„ „selschap vervolgd tot byna een en eenhalve maand van de Hantam langs de groote rivier, alwaar de voorsz: bastaard hottertotten Paul, gerrit en stoffel verbleeven zyn voor wendende dat ver„ „mits voorsz: gerrit ziek was, en niet verder meede konde, de beyde gem: bastaarden voorsz: gerrit te rug na huijs zoude brengen. dat daarop gem: van zeijl zijne voorsz: zoonen en Pieter Wieser neevens de hottentotten kleyne Piet Eijland piet namacqua, andries, Ruyter gerrit Beet en den Comp„e hun weg vervolgd „ hebbende, tot drie schoften over de groote rivier voorsz: van zeijl als toen uijt de derde hotten„ „tots kraal eenige hottentotten ten getalle van vier hondert vier en veertig gehuurd en meede genoomen had, en de weg met de hottentotten vervolgd, terwijl hij van zeijl zig op weg bezig gehouden had, met zeekoeyen te schieten om daar geduurende de reijs gebruijk van te maaken dat Dat zyL. vyfthien schaften na gissing verder ge„ „reeden zynde op een zeekere morgen Circa agt uuren bij een Craal van de nuncquinqua een zoort van namacqua hottentotten, die aan de overzijde van de geele rivier, zynde een spruijt of gedeelte van d groote rivier genadert waren hij Comp„e als toen gezien had; dat alle de hottentotten zoo groot als kleijn uijt die kraal kwamen, vermoedelijk om te zien wat er te doen was, wanneer hij van zijl en zyne zoonen direct van hunne vaarden waren gesteegen en zonder dat zijl: met de hottentotten of die hottentotten met hun, een enkeld woord ge„ „sprooken hadden, op die hottentotten met scheep geschooten hebben dat voorn: wiesen met schieten gewagt hebbende tot dat voorm: van zijl en zijne zoonen de derde schoot gedaan hadden, als toen zijn geweer meede gelijk de andere los getrocken en geduurig op dezelv hottentotten geschooten had dat voorsz: van zijl de vierder schoot gedaan hebbende, en genam gewaar geworden zijnde, dat hij Comp„t en zyne makers niet schieten zig direct met zyn geladen geweert waarvan hij de haar overgehaald had, agter hun begeeven, en onder het voortslooten met de tromp van zyn gewees hun substantieel toegevoegd had / C:S: verdomden goed waarom schiet Julluy niet sier sijluij niet dat ik schiet, en als Jijluij niet schee dan zal fijluij van dezelvde soo krijgen; en had den den Comp„e en zyne makkers als toen uyt vrees dien geheelen dag met de voorm: vier Europeesen meede geschooten dog hadden zyl: hottentotten /:hoewel gem: van zeijl zyne twee zoonen en wieser geduurig van dezelve hottentotten dood geschooten hadden:/ altoos blind over deselve hottentotten heen geschooten, terwijl dat geschiet geduurt had van des morgens Circa agt uuren tot laat in de nademiddag. - dat wanneer dien nademiddag met schieten uijtgescheiden was, hy Comp„s nevens zyne makkers de andere hottentotten door gem: van zeijl aan de overseijde der rivier gezonden waren /vermits zijl: met schieten aan deese zeijde van de rivier =verbleeven zyn :/ om alle de beesten van die mis„ „handelde hottentotten aan deese zeyde van de rivier bij hem van zeijl te brengen, gelyk zijl: dan ook ingevolge die ordre door de rivier ge„ „gaan zijn, dog vermits de beeste door het ge„ „duurcq schieten verwildert waren, hadden zijl: niet meer als twee hondert twee en sestig zoo groot als kleijn kunnen door de rivier krijgen Dat de Comp„e met zijne by hebben de mackers beneevens van zeijl ende overige perzoonen, die nagt aldaar aan deese zyde van de rivier ver„ „bleeven zijnde des anderen daags 'smorgens van daar vertrocken waren, en hun op weg weder na huijs hebbende voortgeset als toen aangekoomen zijn aan de derde kraal wanneer de door gem: van zeijl van die kraal gehuurde hottentotten van van hun af en na hun kraal vertrocken waren, hebbende, gem: van zeijl aan een ieder dier hotten„ „totten tot een belooning een streng Coraalen en een stuk tobak gegeeven. Dat de Comp„e neevens de voorsz: bij zig hebbend mackers hun weg na herwaards vervolgende om„ „trend de digste braal der hottentotten aan dees zeijde van de Christene gekoomen zijnde, als toen de van hun afgegaane voorm: bastaard hotten „totten stoffel, Paul en Gerrit, langs de weg. aangetroffen had, kunnende gem: stoffel vermits toen ziek was niet meer gaan terwijl gem: Gerr weder volkoomen hersteld was. — dat gem: van zeijl ontdekt hebbende, dat daar omtrend eenig vee zig bevond aan gem: Paul gevraagd had, op wat plaats die kraal zeijde daar 't vee van Liep, zulx dan ook door Paul aan hem van zeijl was aangeweesen dat voorsz: van zeijl daarop in substantie g'antwoord hebbende 't is goed dat jij dat weet, zij moet morgen met kleyne piet Eijland, Gerrit beer, Piet namacqua, ruijter en Gerrit daar na toegaan en neemen al 't vee van die hottentot„ „ten weg en schieten die hottentotten altemaal dood, want al die hottentotten die in deese streek blyven, zyn maar schelmen. — dat gem: paul daarop aan voorsz: van zeijl g'antwoord hebbende in substantie ja baas dat zal niet goed gaan, en ik weet niet wat
English
what harm those Hottentots had done, the mentioned Paul nevertheless had to go despite these reasons, while van Zeijl had given his own gun along to Paul, stating in substance: go, you people must do what I order, and if you people do not do that, then the same will happen to you, for I have brought you people this far into the country. That the aforesaid Hottentots, having proceeded to that kraal in accordance with the aforesaid order (while he, deponent, and the mentioned Stoffel remained behind with the livestock which had been robbed from the other Hottentots by the aforesaid van Zeijl) and as the deponent had learned from them, upon their arrival at those kraals they had found all the Hottentots with their livestock. That when they, the Baster Hottentots, fired two shots with loose powder, the aforesaid Hottentots staying there had scattered from one another. That the mentioned Basters, in order to satisfy van Zeijl, drove some cattle out of the herd and took them along, but that when they were some distance away from the kraal, some of those same Hottentot women and children followed them weeping and pleaded for their robbed cattle, whereupon those same Basters kept only fifteen cattle and out of pity gave back the others to them, without this being told to van Zeijl by them upon their return out of fear. That the mentioned Basters, having returned with those 15 aforementioned stolen cattle and made their report, the aforesaid van Zeijl scolded them, asking in substance: why did you people not comply with my orders and bring all the cattle, as well as shoot all the Hottentots dead; the mentioned Basters had further said that they had refrained from doing so out of pity, because none of those Hottentots had ever done them any harm, while the mentioned van Zeijl on that occasion as well as afterwards often scolded them about the negligence. The deponent attests that when he, along with the other Hottentots, had to proceed to the other side of the river where the mentioned van Zeijl had fired at the Hottentots to fetch the livestock, they then saw eight Hottentots and two small children dead, and many wounded, also two Hottentot women who had fallen into the water out of fear and thus drowned, having also learned from a Hottentot woman that there were still more dead and wounded, while those Hottentots further asked him, the deponent, and his comrades in substance whether it was the custom of the Dutch people to shoot them dead so murderously, to which the deponent and his comrades replied that not all the Dutch were like that, but that van Zeijl had done this and that he was an evil man, and that if they should come upcountry again they would report this, and that they should only be at peace. The deponent further attests that when he had come back from across the river to van Zeijl, he said to him in substance: master, plenty of Hottentots have been shot dead; whereon the mentioned van Zeijl answered: it is as good to my honor as if I pull a leaf from a tree, and the gentlemen do not even ask after a Hottentot. The deponent further declares that during the shooting the Hottentots who were being fired upon did nothing other than drag their dead and wounded into the bushes, without defending themselves in the slightest, and also that of the small livestock which had been robbed from those Hottentots by van Zeijl, during their journey hither, on the orders of van Zeijl their throats were cut and they were thrown beside the road because they could not follow the herd due to the hard driving. The deponent further declares to have received nothing for his share, as little as his comrades, though the mentioned van Zeijl indeed wished to give each of the three of them some of the robbed cattle provided they had to keep everything secret, but they had declined that and requested to have three of his breeding cattle, which he had not wanted to do, while van Zeijl with his two sons and the mentioned Wieser, as soon as they arrived home, divided the mentioned livestock among themselves, and Wieser sold a portion of his livestock to one Paul Karsten and a cow to Christiaan Bok. The deponent attests lastly that the mentioned van Zeijl still kept his own Hottentots whom he had brought along with him, but that two of them have now departed for the Namaqualand, while they had resolved to make all this known to the Gentleman, being afraid to remain any longer among the Dutch people. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm this further. Underneath was written: Thus passed at the Cape of Good Hope, the 12 October 1787, before the gentlemen William Ferdinand van Reede van Oudshoorn and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this along with the deponent and me, the sworn Clerk. Lower: Which I testify.
Dutch transcription
wat kwaad die hottentotten gedaan hebben, gem: Paul niet tegenstaande deese reeden egter had moeten gaan, terwijl van zeijl zijn eygen geweet Aan Paul meede gegeeven had, onder het sub„ „stantieel zeggen, toe zijluij moet doen wat ik ordonneere, en als jijluij dat niet doet, dan zal vyluij van 't zelfde overkoomen want ik hebpyluij zoo ver in't land gebragt. — dat de voorsz: hottentotten hun ingevolgd de voorm: ordre na die kraal hebbende begeeren /:terwijl hij Comp„s en gemelde stoffel bij 't vee= het welk door voorsz: van zeijl van de andere hottentotten geroofd verbleeven was:/ en zoo den Comp„s van hun vernomen had bij hun komst aan die kraalen, alle de hottentotten bij hun vee aangetroffen hadden. dat wanneer zij bastaard hottentotten twee schooten met los kruijd gedaan hebben, de voorsz: daar onthoudende hottentotten, hun van den anderen verstrooijd hadden Dat gem: bastaarder ten eynde van zeijl te voldoen, eenige beesten uijt de troup gejaagd en meede genoomen hebben, dog dat wanneer zijl: een End weegs van de kraal verweijdert waa„ „ren eenige van die selfde hottentottinne, en kinde„ „ren hun al huijlende agtervolgd. en om hun geroofde beesten gesmeekt hadden als wanneer die selfde bastaarden maar vijfthien beesten „gehouden ende andere uijt meede leijden zoude te ren, otten. dees ten ho er ts t tot te rug gegeeven hebben zonder dat zul bij te rug „komst door hun aan van zeijl uyt vreese. is gezegd geworden. dat gem: bastaarden met die 15 voormelde gestoolene beesten terug gekoomen, en door hun verslag gedaan zijnde voorsz: van zeijl hun geknord had, onder het substantieel vragen waarom heb fijluij niet aan mijn ordres voldaan en alle de beesten gebragt, mitsg„s alle de hot„ „tentotten dood geschooten, gem: bastaarden verder hadden gesegd, dat zij uijt medeleijde zulx hadden gelaten, om dat geen van die hotten„ „totten hun ooijt eenig leed hadden gedaan, ter „wijl gem: van zeijl verder bij die geleegentheijd zoo wel als naderhand hun dikwils nog ge„ „knord had over de nalatigheijd. — Betuijgende de Comp„e dat wanneer hy met de andere hottentotten aan de overzeijde der rivier alwaar gem: van zeijl op de hottentotten geschooten had, hun hadden moeten begeeven om het vee te haalen, zyl: als toen agt hottentotten en twee kleyne kinderen dood en nog veele gequets „ten hadden gesien ook twee hollentottinnen die van angst in't water gevallen en dus ver „dronken zijn, hebbende zijl: nog van een hot„ „ten tottinne vernomen dat er nog meer doode en gequetsten waren, terwijl die hottentotten ver„ „der nog aan hem Comp„s en zyne makers gevraagd had, in substantie, of't de gewoonte was, van't duijtsche volk om hun zoo moordadig dood te schieten, waarop de Comp„te en zijne makers geantwoord hadden, dat al de duijtsche niet zoo waren, maar dat van zeijl zulx gedaan had, en dat hij een quaad man was, en dat indien zijl:t weder na booven mogten koomen, zij zulx zouden aangee„ „ren, en dat zijl: maar moesten te vreede zijn. Betuijgende de Comp„e verder dat wanneer hyj weder van over de rivier by van zeijl te rug was gekoomen, hij in substantie aan hem had gesegd baas daar is reijkelijk hottentots dood ge„ „schooten. gem: van zeijl daarop g'antwoord heeft, 't is voor mij eeren zo goed, als of ik een blad van een boom trek en daar vragen de heeren niet eens na een hottentot. Verklarende de Comp„te nog dat geduurende het schieten de hottentotten die geschoten wierde niets hadden gedaan, dan hunne dode en ge„ „quetsten in de bosschen te sleepen, zonder in't geringste verweerd te hebben, als meede dat van 't ringe vee, dat door van zeijl van dien hotten totten gehoofd zijn, geduurende hunne reijse na herwaards vermits het sterk drijven de troup niet kunnende volgen op ordre van van zeijl de hals afgesneeden en beseijde de weg gesmeeten zijn declareerende de Comp„e voorts niets voor zijn aandeel zoo min als zyne makers te hebben genooten, hebbende gem: van zeijl wel aan ijder hunner drien van de geroofde beesten willen geeven te rug aan ets nen 2 20 „ ver¬ ag 't uijtsc hb 1 „geeven, mits zij lieden alles moesten geheijm houden dog hadden zyl: daar voor bedankt, maar versogt 9 drie van zyn aanteel beesten te mogen hebben, 't geen hij niet had willen doen, terwijl van zeijl met zyne twee Loonen en gem: wieser 't gem: rhee zoo dra te huijs gekomen waren, onder hun ver„ „deeld en Wieser een gedeelte van zin vee aan eenen Paul Karsten en een koeij aan Christiaan bok verkogt heeft. Betuijgende de Comp„e Laatstelijk dat gem: van zeijl zyn eygen meede genoomene hottentot„ „ten, nog heeft bij hem gehouden, dog dat als nu twee derselve na 't namacqua land vertroc„ „ken zijn, terwijl zyl: zig voorgenoomen hadden, dit alles aan de Deere bekend te maaken, bevreesd zynde om langer onder het duijtsche volk te blijven. Niets meer verklarende geeft de Comp=t voor reedenen van weetenschap als in den twt bereijd zynde, zulx nader gestand te doen. — /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cabo de Goede Hoop, den 12 October 1787. voor de heere William Ferdinand van reede van oudshoorn en Hendrik Sustinus de Wet, Leeden uijt den E: Achtb: raad van Iustitie voorm: die de minute dezes, beneevens de Comp„te ende mi gesw Clercq meede behoor„ „lijk hebben onderteekend. /:laager:/ 'T welk R ƒ
English
I witness. Was signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned Hottentot Piet Eijland, who, after this his preceding declaration was read to him clearly and distinctly word for word, declared that he persisted in it, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it; testifying that all the preceding is the pure truth. Below stood: Thus done and confirmed at the Cape of Good Hope, the 13 October 1787. Was signed: X and described around it: this mark was placed by the appearer's own hand. Lower down: in his presence, was signed: R. J. v. d. Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, and signed: W. F. v. Reede van Oudtshoorn and I. I. De Wet. Letter K. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the Hottentots Paul and Gerrit of competent age, who, at the requisition of the merchant and Landdrost of Stellenbosch and Drakensteijn, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared how it is true: That the appearers, according to their best recollection, in the rainy season of the past year 1786, without being able to determine the positive day, together with the fellow Hottentots, young Piet Eijland, big Piet Eyland, Piet Namacqua, Andries and Ruijter, as well as the bastards Stoffel and Gerrit Beer, which last-mentioned were at that time living with the field-corporal Adriaan van Zeijl, though now already for a part have departed for the Namacqua Land, and the first-mentioned were living with the burgher Jan Wieser, while Piet Eiland the elder and his people now have their resting places in the Hantam, belonging under the commando of the field-corporal Willem Adriaan Nel, having been commanded by the former field-corporal Adriaan van Zeil to pursue, with him Van Zeijl and his two sons Andries and Petrus van Zeijl, together with the burgher Jan Wieser, the Bushmen Hottentots who for the greatest part had stolen the cattle from the farm of the burgher Paul Carsten, they appearers, together with the other Hottentots, had properly obeyed that order and had followed him Van Zeijl, who had taken two wagons along. That the appearers having arrived with the aforementioned persons all up into the Namacqua Land, the aforementioned Van Zeijl had hired some pack-oxen there from the Hottentots, which were loaded by him in the presence of the appearers and the other Hottentots with provisions and a parcel of beads and knives, while the said Van Zeijl had then for the first time declared to the appearers and the other Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushmen, but that his intention was to go shoot elephants, in order to deliver the tusks to the Honorable Company, and that he would give a portion to each of the Hottentots; which the old Piet Eiland had shown that he did not gladly wish to do, because his cattle in the Hantam were exposed to the Bushmen, but by the said Van Zeijl, as well as the appearers, had been forced to do so with threats, and thus continued the journey with him Van Zeijl and the company he had with him, up to almost one and a half months from the Hantam along the great river, where the appearers remained with the aforesaid Stoffel, because the second appearer had become sick. That the aforementioned Van Zeijl and his company, leaving behind the appearers, continued their journey inland, while the appearers with the aforementioned Stoffel began their journey back up here, which journey however had to proceed very slowly, because of the sickly condition in which the aforesaid Gerrit found himself, the aforesaid Gerrit having subsequently fully recovered, and the aforesaid Stoffel having become sick again. That they appearers thus slowly, after the expiration of some weeks, had advanced near the nearest kraal of the Hottentots on this side of the Christians, when the aforementioned Van Zeijl and his company, who had parted from them, overtook them from behind. That the said Van Zeijl, having discovered that some cattle were present near there, had asked the first appearer at what place that kraal lay from which the cattle wandered, which then was also pointed out to him Van Zeijl by the first appearer, Van Zeijl having thereupon answered in substance: it is good that you know that; you must go there tomorrow morning with young Pieter Eiland, Gerrit Beer, Piet Namacqua, Ruijter and Gerrit, and take away all the cattle of the Hottentots, and shoot all the Hottentots dead, for all the Hottentots who stay in this region are scoundrels. That the appearer having thereupon answered to the aforesaid Van Zeijl in substance: Baas, that will not go well, and I do not know what evil the Hottentots have done; the appearers, however, notwithstanding these reasons, had to go, while Van Zeijl had given his own gun along to the first appearer, under the substantial saying: you people must do what I order, and if you people do not do that, then [illegible]
Dutch transcription
ik getuijgen /:waas geteekend:/ R: J: v: d: Riet: gesw: G: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt=s Uijt den E: Achtb: raad van Justitie deeses gouver„ „nements, voorm: Pottentot Piet Eijland, dewelke deese zyne voorenstaande verklaring klaar en duijdelijk woordelijks voorgeleesen weesende, ver„ „klaarde daar bij te blyven persisteeren, met be„ „geerte dat 'er niets meer bij ofte van gedaan worden zal; betuijgende al 't voorenstaande de Zuijvere waarhyd te zyn. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 13 October 1787. /:was geteekend:/ X /: en daar omschreeven: dit hruijs heeft den Comp:s eygenhandig gesteld /:lager:/ hij praesent /:was geteekend:/ R: J: V: d: Riet, gesw: Clercq. /:in margine:/ als gecommitt. s /: en geteekend:/ W: F: V: Reede van Oudtshoorn en I: I: De Wet. — L:a K: Compareerde voor ons ondergeteekende ge„ „committ. s uijt den E: Achtb: Raade van Justitie deezes gouvernements, de Bottentotten. Paul en Gerrit den, bereesd te ereij id den Gerrit van Competenten ouderdom, dewelke ter regu „sitie van den koopman en Landdrost van Stellenbose en drakensteijn, de Heer Hendrik Lodewijk Bletterma verklaarde hoe waar is. dat de Comp„e volgens best onthoud in't regen sac „soen van den gepasseerden Iaare 1786. zonder den „positiven dag te kunnen bepalen, nevens de me Rottentotten, kleyne Piet Eijland, Groote Piet Eyland Piet Namacqua, Andries en Ruijter mitsg„s de bastaarden Stoffel en Gerrit Beer, welke laatst gem: als toen bij de Veldwagtmeester Adriaan van Zeijl woonagtig waren egter nu reets voor een gedeelte na 't Namacqua Land vertrokken zyn en de Eerstgem: bij den burger Jan Wieser ter woon waren, terwijl Piet Eiland. de oude en de zyne thans hunne leg plaatsen, in den hantam hebben behoorende onder 't Commando van den veldwagtmee „ter Willem Adriaan Nel, door den oud veldwagt „meester Adriaan van Zeil Gecommandeerd ge„ „worden zynde, om de bosjesmans hottentotten, dewelke voor 't grootste gedeelte 't vee van de plaats van den Burger Paul Carsten hadden geroofd, met hem van zeijl en zyne twee zoonen Andries en Petrus van Zeijl: neevens den burger Jan Wieser te agtervolgen, zy Compten nevens de andere hottentotten aan die ordre behoorlijk hadden voldaan, en hem van zeijl dewelke twee wagers mede genomen had gevolgd waren. Dat de Comp:te met de voorn: perzonen alle tot int in't Namacqua land gekoomen zijnde, voorm: van zeijl eenige draagossen aldaar van de hotten„ „totten gehuurd had, die door hem ter praesentie van de Comp=ten ende andere hotten totten met provisien en Een parthij Coraalen en Messen gelaa„ „den geworden waren, terwijl gem: van Zeijl de Comp=ten en de overige kottentotten, als toen eerst gedeclareerd had, niet nodig te zijn om de bosjesmans te vervolgen, maar dat zijn intentie was, om oliphanten te gaan schieten, ten einde de tanden aan d' E: Comp:e te leveren, en aan ieder der hottentotten een portie te zullen geeven, 't geen de oude Piet Eiland getoord had, zulx niet gaarne te willen doen, vermits zyn vel in den hantam voor de bosjesmans bloot gesteld waren, dog door gem: van zeijl, zo wel als de Comp:e met dreigementen daar toe genoodzaakt was ge„ „worden, en dus de reize met hem van zeijl, en bij hebbend gezelschap vervolgd, tot byna Een en Een halve maard van den hantam langs de groote rivier alwaar de Comp=ten met voorsz: stoffel verbleeven zijn, vermits den tweeden Comp„s Liek was geworden dat voorm: van zeijl en zijn gevolg met agter„ „lating der Comp:e hunne reize landwaards in hebben Vervolgd, terwijl de Comp=ten met voorn: stoffel hunne reize hier weder na boven hebben aange„ „nomen, welke reiz echter zeer langzaam heeft moeten geschieden, om de ziekelijke omstandig„ „heijd an „heijd daar voorsz: Gerrit zig in bevond, zynde voorst Gerrit naderhand volkomen hersteld, en voorsz: stoffel weder ziek geworden. dat zij Comp„ten dus langsamerhand na verloop van eenige weeken gevorderd waren omtrend de digste Craal der hottenlotten aan deze zyde van de Christen als toen de van hun afgegaane voorm: van Zeijl en zijn gevolg hun waren agter op gekoomen. dat gem: van zeijl ontdekt hebbende dat daar omtrend eenig vee zig bevond, aan den Eersten Comp„s gevraagd had, op wat plaats die kraal leide daar 't vee van liep, zulx dan ook door den eersten Comp„s aan hem van zijl was aangeweezen, hebbende van zeijl daarop in substantie geantwoord 't is goed dat zij dat weet, zij moet morgen ogtend met kleine Pieter Eiland, gerrit Beer„ Piet Namaagu ruijter en Gerrit Beer, Piet Namacqua, ruijter en Gerrit daar na toe gaan, en neemen al 't zee van de hottentots weg, en schieten allemaal de hottentoe dood, want alle de hottentots die in deze streek blyven zyn schelmen. dat den Comp„s daarop aan voorsz: van zeijl ge„ „antwoord hebbende in substantie, Tabaas, dat zal niet goed gaan, en ik weet niet wat kwaadde hottentotten gedaan hebben, den Comp„te echter niet tegenstaande deze reden, hadden moeten gaan, terwijl van zeijl zyn eigen geweer aan den Eersten Comp„e mede gegeven had, onder 't substantieele Leggen toe Pulluij moet doen wat ik ordonneer„ en als sij luij dat niet doet, dan zal Cijlieij van 't Laloden
English
the same happen to them, for I have brought them so far into the field. That the appearers and the other Hottentots, having proceeded to that kraal pursuant to that order (while the old Piet Eiland and the aforementioned Stoffel remained with the cattle, which had been brought by the aforementioned Van Zeijl and his company upon their return to the number of two hundred and seventy odd), and arriving there, had found all the Hottentots of that kraal with their cattle, whereupon the appearers and the other Hottentots fired two shots with blank powder, upon which the Hottentots then scattered from one another and took to flight; that the appearers and the other Hottentots, in order to satisfy the aforesaid Van Zeijl, drove only some cattle out of the herd and took them along, but that when they had advanced some distance from the kraal, some of the same Hottentot women and children followed the appearers weeping and pleaded for the cattle stolen from them, whereupon the appearers and their companions gave back all the cattle stolen by them to those Hottentot women, keeping only fifteen head because they were afraid that if they brought nothing they would then lose their lives, without their having dared to say anything of what had occurred, except only upon the questioning of the aforesaid Van Zeijl as to why they had not complied with his order to bring all the cattle along and shoot the Hottentots dead; they had answered that out of pity they had refrained from doing so, because none of those Hottentots had ever done them any harm, while the said Van Zeijl, on that occasion as well as afterwards, had frequently scolded them further for their negligence. The appearers testify that neither they nor their companions received anything for their share, while Van Zeijl with his two sons and the said Wieser divided the cattle among themselves as soon as it arrived home, and Wieser sold a portion of his cattle to one Paul Carsten and a cow to Cornelis Bok. Furthermore, the appearers finally declare having learned from the other Hottentots who went along that the aforesaid Van Zeijl, his sons, and the aforementioned Wieser treated the Hottentots in a murderous manner from whom that large quantity of cattle was stolen, without those people having spoken a word to them or done any harm. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as stated in the text, being always ready to confirm this further. Underneath stood: Thus done at the Cape of Good Hope, the 12th of October 1787, before the gentlemen William Ferdinand van Reede van Oudtshoorn and Hendrik Justinus de Wet, today from the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the original of this together with the appearers and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Hottentots Paul and Gerrit, who, having had this declaration of theirs read out to them clearly and distinctly word for word, testified that they persist with it, desiring that nothing more shall be added to it or taken from it, except only that they, the appearers, were also present as far as that kraal from which Van Zeijl hired four hundred and forty odd Hottentots, and that those Hottentots were equipped with assegais, files, and knobkerries, while they, the appearers, with the Hottentots who went along from home and are named in the heading of this, were duly provided with firearms by Van Zeijl; and further that all the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus done and reviewed at the Cape of Good Hope, the 13th of October 1787. Was signed: X and described there: this cross was placed by Paul's own hand, and X and also described there: this cross was placed by Gerrit's own hand. Lower: In my presence, and signed: R: J: v: d: Riet, sworn clerk. In the margin: as commissioners, and signed: W: F: v: Reede van Oudshoorn and H: J: de Wet. Letter L. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Hottentot Andries, of competent age, who, at the requisition of the merchant and landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be the truth: That the appearer, to the best of his recollection in the rainy season of the past year 1786, without being able to specify the precise month or day through lack of knowledge, having been commanded by the field corporal Adriaan van Zeijl, along with the fellow Hottentots big Piet and little Piet Eiland, Piet Namacqua, Sas, and Ruijter, as well as the Bastaard Hottentots Paul, Gerrit, Stoffel, and Gerrit Beer, to pursue the Bushman Hottentots, who before
Dutch transcription
zelvde overkomen, want ik heb Sijluy zo verre in't veld gebragd. dat de Comp„ten en de andere hottentotten hun ingevolge die ordre na die kraal hebbende begee„ „ven /: terwijl de oude Piet Eiland en voorm: stoffel bij 't vee 't welk door voorn: van zeijl en zijn gevolg bij hun te rugkomst ten getalle van twee honderd en in de zeventig waren gebragt verbleeven was: en aldaar komende, alle de hottentotten van die kraal bij hun vee hadden aangetroffen, wanneer zi Compten. en de andere hottentotten twee schooten met los bruid hadden gedaan, hebbende de hottentotten hun als toen van malkanderen ver„ „strooijd en op de vlugt begeeven — dat de Comp=ten en de andere hottentotten ten einde voorsz: van zeijl te voldoen, slegts eenige beesten uit de troep gejaagd, en meede genoomen, dog dit wanneer zijl: een end weegs van de kraal gevorderd waren, eenige van dezelve hottentotten„ „nen en kinderen hun Comp„ten al huelende agtervolgd en om 't van hun geroofde vee gesmeekt hadden, als wanneer de Comp=ten en hunne makkers, aan die hotten tottinnen al 't door hun geroofde vee te rug gegeeven hadden, en slegts vyftien stuks gehouden, om dat zi bevreest waren, indien zij niets mogten brengen, als dan hun leven te zullen moeten ver„ „liesen, zonder dat zij l:t iets hebben durven zeggen van 't voorgevallene, als alleenlijk op de afvraage van voorsz: van zeijl, waarom zyl:t niet aan zyne ordre voor - 94 van toe a't beloden ordre hadden voldaan, om alle de beesten mede te brengen, en de hottentotten dood te schieten; zij L: hadden geantwoord, dat zy uijt meedelijden zulx hadden gelaaten, om dat geen van die hottentotten hun ooit eenig kwaad hadden gedaan, terwijl gem van zeijl nog verder bij die geleegendheid, zo wel als naderhand hun dikwijls nog geknord had, over hun nalatigheid. betuijgende de Compten niets voor hun aandeel zo men als hunne makkers te hebben genooten terwijl van zeijl met zijne twee zoonen, en gemelde Wieser, 't vee zo dra te huijs kwam, onder hun ver„ „deeld, en Wieser een gedeelte van zyn vee aan een Paul Carsten en eene koeij aan Cornelis Bok ver„ „kogt had. als meede verklaaren de Comp=ten laatstelijk van de andere hottentotten die mede gegaan zyn verno„ „men te hebben, dat voorsz: van zeijl, zyne zonen en voorm: wieser op eene moorddadige wijze de Hottertotter behandeld te hebben, daar die groot quantiteijt beesten van geroofd zijn, zonder dat die menschen hun een woord hadden toegesprook ofte eenig leed gedaan. Niets meer verklarende geeven de Compten voor reedenen van weterschap als in den text bezeijd zijnde, zulx altoos nader gestard te doen. /:onderstond:/ Aldus gepasseerd aan Cabo de Goede hoop Hoop, den 12 October 1787. voor de Heeren William Ferdinard van reede van Oudtshoorn en Hendrik Sustinus de wet, heeden uijt den E: Achtb: Raade van Justitie voorm: die de minute dezes benevens de Compten en my gesw Clercq mede behoorlyk heb„ „ben onderteekend. /:laager:/ 't welk ik Getuijge /:was geteekend:/ R: J: V: d: Riet geswoore Clercq. Recollement. Compareerde voor ons onderget„de gecommitt:s Uit den E: Achtb: raade van Iustitie dezes gou„ „vernements; voorm: hottentotten Paul en Gerrit dewelke deze hunne verklaring van woorde tot woorde klaar en duijdelijk voorgeleezen wezende betuigden daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bygevoegd of van ge„ „daan worden zal, als alleenlijk dat zi Comp=ten meede geweest zyn, tot die Craal daar van zeijl vier hondert en in de veertig hottentotten uit gehuurt heeft, en dat die hottentotten voorzien zyn geweest van assegaaijen vijlen, en Kieries, ter„ „wijl zi Comp„ten met die hottentotten die van huijs zyn meede gegaan en in den hoofde deezes gemeld, met naame, behoorlijk door van zeijl van geweeren zijn voorzien geweasen en voorts dat al 't voorenstaande de zuijvere waarheijd /:onderstond:/ te zijn. Aldus Gedaan en Gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop, den 13 October 1787. /:was getekend:/ X /:en daar omschreeven:/ dit kruijs heeft paul eijgenlandig gesteld en X /: en daar ook omschreeven:/ dit kruijs heeft Gerrit eygenhundig gesteld /:lager Mij praesent /: en geteekend:/ R: J: V: d: Riet Gesw Clercq. /:in margine:/ als gecommitt. s /:en geteekend:/ W: F: v: Reede van Oudshoorn en H: J: de Wet. — L„a L. . Compareerde voor ons onderget: gecommitt:s uijt den E: Achtb: Raad van Justitie deezes gouvernements den Hottentot Andries van Competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den Koopman en Landdrost van stellenbosch en drakensteijn, d' Heer Hendrik Lodewijk Bletterman verklaarde hoe waar is. Dat de Comp=e na best onthout in't reegen saisoen van den gepasseerde Jaare 1786. zonder den praecisen maand of dag door onweetendheijd te kunnen bevalen neevens de meede hottentotten groote Piet en kleijne Piet Eyland, Piet namacqua, Sas en Ruijter als meede de Bastaart hottentotten Paul, Gerrit, stoffel, en Gerrit Beer, door den veldwagtmeester Adriaan van Zeijl gecommandeert geworden zijnde, om de Bosjesmans hottentotten, dewelke voor
English
had stolen the greatest part of the cattle from the farm of the burgher Paul Carstens, to pursue them together with him, van Zeijl, his two sons, Andries and Petrus van Zeijl, besides the Burgher Ian Wieser, he, the appearer, with the aforesaid Hottentots had duly complied with the order, and had followed him, van Zeijl, who had taken two wagons along with him. That the appearer having arrived with the aforesaid persons all the way into the Namacqua Land, the mentioned van Zeijl had hired some pack-oxen from the Hottentots there, which were loaded by him, van Zeijl, in the presence of him, the appearer, and his comrades, with provisions and a parcel of beads and knives, whereas the mentioned van Zeijl only then declared to him, the appearer, and the other Hottentots that it was not necessary to pursue the Bushman Hottentots, but that his intention was to go shoot elephants, in order to deliver the tusks to the Honorable Company, and to give a share to each of the Hottentots, which had displeased the appearer and the other Hottentots, not wishing to do so, but by the mentioned van Zeijl with arguments had been forced to do so, thus the other Hottentots had continued their journey, while the appearer and the Hottentot Ias, by order of van Zeijl, had remained with the wagons. That after van Zijl and the companions and Hottentots he had with him had, after the expiration of a considerable time, arrived at the wagons where the appearer and the Hottentot Ias had remained, with a parcel of cattle which the appearer had learned from the other Hottentots had been stolen by force from the Hottentot kraals by van Zijl, and subsequently, having approached on their way hither with the wagons and those Hottentots and stolen cattle near the farm of the Burgher Petrus Dienaar named the Hartebeeste River situated on the Great River, a small part of the stolen herd of cattle had gone missing there in the night; the mentioned van Zeijl had then caused Ruijter and the aforementioned Ias to be laid down and beaten by the Bastard Hottentots so that the welts can still be seen from it; subsequently, besides Ian Wieser, each mounted on horseback with a firelock, they had made him, Ruijter, and Ias run ahead of the horses as fast as the horses could run to the kraal of the mentioned Dienaar; having arrived there, van Zeijl and Wiezer had immediately dismounted from their horses, and forthwith so severely beaten the burgher Ian Blom who was in charge there, who wished to make known to them that the cattle had been found in the field by his herdsmen and taken into custody by them as he afterwards attested to have done, that this man was left lying on the ground, subsequently driven the missing cattle out of the kraal, and subsequently continued the journey into the Hantam. That the aforesaid van Zeijl having now some time ago told them that he intended to send up a parcel of cattle, and that when they, Hottentots, came up into the country and the Landdrost might ask them where he, van Zeijl, or the mentioned Wieser obtained all that cattle, to then say that that cattle had been nicely bartered by them, but above all not to say that he, van Zeijl, his two sons, and the mentioned Wieser had shot the Hottentots dead, and that all this was merely lies, for if they made this known, he would shoot them dead just as he intended to do with the others who had already done so. That they, now fully two months ago, without being able to determine the time accurately, by order of the mentioned van Zeijl with another Bushman Hottentot had to drive a large number of cattle hither, likewise without being able to determine the number, under the supervision of the aforesaid Ian Wieser and one of the sons of the aforementioned van Zeijl named Andries van Zijl, and having arrived at the place of the burgher Pieter Wieser, it was once again said to them by the aforesaid Ian Weeser that he would go with them to the Landdrost, and that when they arrived there, they had to say in his presence that everything that might have been reported by the other Hottentots was lies, because they had done nothing on the journey other than merely bartering cattle; however, he, the appearer, had heard the aforesaid Pieter Wieser and the wife of the burgher Jan Smith residing at the Piquet Mountains, in the presence of a certain burgher Tobias, without further knowing his name, as well as the mother of the aforementioned Jan and Pieter Wieser, say that it was already known to the Landdrost that van Zeijl, his two sons, and the mentioned Wieser were alleged to have shot the Hottentots dead; wherefore the mentioned Ian Wieser directly because of that had dispatched the aforementioned Bushman Hottentot with a letter to the Hantam to the aforementioned Adriaan van Zeijl, to advise him, not as they had agreed, instead of van Zeijl thinking that he, Jan Weeser, would be on the return journey, to betake himself to the Cape, but to come directly to him, Ian Wieser, at the farm of his brother Pieter Wieser, as he presently did not intend to go to the Landdrost. That furthermore, the cattle having been divided, the share of Jan Weeser had been sent to his mother's farm situated at the Sonquas Drift, while he, Andries, and Ruijter had driven the share of the aforesaid van Zeijl to the farm of the burgher Iacobus Louw residing
Dutch transcription
voor 't grootste gedeelte 't vlee van de plaats van den burger Paul Carstens hadden geroofd, met hem van Zeijl, zyne twee Loonen, Andries en Petrus van Zeijl, neevens den Burger Ian Wieser te agtervolgen, hij Comp s met de voorsz: hottentotten aan de ordre behoorlijk hadden voldaan, en hem van zeijl de„ „welke twee wagens meede genoomen, hadden ge„ „volgd. Dat de Comp„e met de voorsz: persoonen, alle tot in't Namacqua Land gekomen zynde gem: van Zeijl eenige draagossen van de hottentotten aldaar ge„ „huurd had, die door hem van zeijl ter praesentie van hem Comp„ts en zyne mackers met provisien en een parthij Craalen en messen gelaaden geworden zijn, terwijl gem: van zeijl hem Comp=t en de overige hottenlotten als toen eerst gedeclareert hadden, niet noodig te zijn, om de bosjesmans hottentotten te vervolgen, maar dat zijn intentie was, om oliphanten te gaan schieten: ten eynde de tanden aan d' E. Comp:e te leeveren, en aan yder der hot„ „tentotten een portie te zullen afgeeven, 't geen den Comp„s ende andere hottentotten getoord had, zulx niet gaarne te willen doen, dog door gem: van zeijl met arygementen, daar toe genoodsaakt was geworden, dus de andere hottentotten hunne rhijze vervolgd hadden, terwijl den Comp„s en de hottentot Ias bij de wagens op ordre van van Zeijl verbleeven is. — dat rost soen alen. yne kleijn dat na dat van zijl en zijne by hebbende mackers en hottentotten na verloop van een geruijmen tyd: met een parthij beeste die den Comp„e van de overige hottentotten vernoomen had, dat van de hottentots kraalen met geweld; door van zijl geroofd zyn by de wagens aldaar den Comp„e en den hottentot Ias verbleeven was, gekoomen waaren, en vervolgens met de wagens en die hottentotten en groofde bees„ „ten op weg: naar herwaards hun bevonden gena„ „dert waaren„ omtrent de plaats van den Burger Petrus Dienaar de harte beeste rivier genaamt geleegen aan de groote rivier aldaar een kleyn gedeelte van de geroofde troup beesten in den nagt waaren vermist; gem: van zeil als toen Ruijter en voorm: sas had doen neederleggen, en door de Bastaart hottentotten laaten slaan, dat er de striemen nog van te zien zijn, vervolgers neevens Ian Wieser ieder met een snaephaan te paard gezeeten zijn en hem Ruijter en sas voor de Paarden uijt hadden laten loopen, zoo snel als de paarden loopen konde na de kraal: van gem: Dienaar al„ „waar gekoomen zijnde was van zeijl en Wiezer direct van hunne vaarden gesteegen, en terstond de daar de toezigt hebbende burger Ian Blom die hun wilde bekend maaken 't vlee in't veld door zijne wagters aangetraffen te zijn, en bij hen in bewaaring zo als hy daar na betuijgde te hebben hebben genoomen, zodaanig hadden geslaagen. dat dien man op de aarde was blyven leggen, vervolgens 't vermiste vhee uijt de kraal gejaagd en vervolgens de rijze tot in den hantam voortge„ dat voorsz: van zeijl hunlieden nu voor eenige tijd gezegt hebbende, van voorneemens te zijn, om een parthij rhee op te zenden, en dat wanneer zyl: hotten„ „totten boven in't land kwaamen, en den Landarost hun mogt vraagen, waar hij van zeijl of gem: wieser aan al dat vhee kwam als dan te moeten leggen, dat vhee door hunlieden mooij was geruijld, maar voor al niet te zeggen dat hij van zeijl zyne by de zoonen en gem: wieser de hottentotten hadden dood geschooten, en dat dit alles maar leugens waaren, want zoo zijlieden dit bekend maakte, zou hy hunlieden, eeren zo dood schieten als by voorneemens was, met de andere te doen, die zulx reeds gedaan hadden. P. Dat zij l: voor nu ruijm twee maanden geleeden, zonder den tijd accuraat te kunnen bepaalen, ter ordre van gem: van zeijl met nog een bosjesmans hottertot een groot aantal vhee zonder meede 't getal te kunnen bepaalen; onder 't opzigt van voorsz: Ian Wieser, en een der Loonen, van voorm: van zeijl met naame Andries van Zil herwaards heb„ „bende moeten opdryven, en gekoomen zynde, ter plaatse van den burger Pieter Wieser, door voorsz: Ian Weeser nog eens aan hunlieden was gezegd „zet. — dat ten om dat hij met hun na den landdrost zoude gaan, en dat wanneer zyl: daar kwamen, in zyn praesentie moesten Leggen, dat al't geen door de andere hottentotten mogte aangebragt zijn, logentaal was, want dat zi op de togt niets gedaan hadden, als alleenlyk vree geruijld, dog had hy Comp„t voorsz: Pieter Wieser en de vrouw van den burger Jan Smith woonende aan de piquet bergen in praesentie van zekeren burger Tobias, zonder verdeer zyn naam te weeten mitsg„s de moeder van voorm: Jan en Pieter Wieser hooren zeggen, dat 't al bij den Land-drost bekerd was, dat van zeijl zijne by de zoonen en gemelde wieser de Hottentotten zoude hebben doodgeschooten, des gem: Ian Wieser direct daarom voorm: bosjesmans hot„ „tentot met een brief na den hantam aan voorm: Adriaan van Zeijl had afgezonden, om hem aan te raaden, niet zo als zijlieden afgesprooken hadden, om insteede dat hij van zeijl dagt, dat hij Jan weeser op de te rug rhijze zoude zijn. zig na de Caab te begee„ „ven, maar direct bij hem Ian Wieser op de plaats van zyn broeder Pieter Wieser te koomen, alzo hij thans niet van voorneemens was, na den Landdrost te gaan. dat voorts 't vee verdeelt geworden zynde 't ge„ „deelte van Jan Weeser na zyn moeders plaats. ge„ „leegen aan de sonquas dreft was gezonden, terwijl hyj Andries en Ruijter 't gedeelte van voorsz: van zeijl na de plaats van den burger Iacobus Louw woonende