VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 11022

Cape · 568 pages · 95 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_11022_0009 view scan ↗

English

The Council of Justice of the Castle of Good Hope makes known. That the Fiscal pro interim, the Honorable Gabriel Exter, has verbally made known to us that Jan Boode, from Osnabrugge Joseph Sagemans, from Nineve Ephraim Valk, from Obe in Sweeden Claude Francois Humbert, from Celle Pieter Vincent Louston, from Parijs Frans Davids, from Brussel Christiaan Theese, from Rensburg Johan Hendrik Huijer, from Stemmedorf Richard de Schile, from Carik Jan Battij, from Amsterdam Philip Keurig, from Bratshage Johannes Klein, from Bruikeland Casper Nicolaas Linthem, from Colmar Joseph de Lee, from Parijs Andries Bertram, from Griesin Hendrik Spinters, from Habok Christiaan Draijer, from HessenCassel, soldiers Pieter Keetser, from the Canton Bern, Cornelis Elant, from Amsterdam Jan Wiebes, from Ameland Samuel Carij, from Hamburg, gunners Fredrik Neijman, from Marndaal Pieter Nielson, from Marienburg, cannon-gunners Jan Coenraad Groen, from Hamburg, fortification worker Steven Pareera, from Madera, Jan Baptist Roos, from Callegre Laurens Lint, from Ostende Sievert Laarsen, from Dronthijm Christiaan Kreel, from Laar William Pietersen, from St. Thomas Cornelis Cornelisze, from Christiania Henrij Chate Neuf, from Nance Johannes Green, from Noordkopping Pieter Smit, from Christianea Johan Christn. Willem Schols, from Celle Jacob Thomas Cavellier, from St. Eustatius Pieter Valentij, from Stokholm Willem Sanders, from Philadelphia Pieter Jansze, from Gottenburg Hendrik Hamberg, from Foulust Andries Pieterse, from Dorthijn, Johan Fredrik Treudaal, from Stokholm Jacob Berends, from Breemen Jan Meijer, from Altena Jean Harri Petre, from Maltha Hendrik Bohden, from Hamburg Lucas Frulee, from Trier Pieter Theuniszen, from Zegendal James Williams, from Piijmout Pieter Grundaal, from Helsingfort Egidius Prins, from Leeuven Johan Adolph Wageman, from Bijleveld Fredrik Jans, from Holsteijn Johannes Racherdt, from Bergen Abraham de Jong, from s' Hage Eldert van Minde, from Giesendorp Jan Brands, from Caaden Daniel Weeber, from oppenhijm Hendrik Swart, from Leeuwaarden Johan Jong, from Stade Jannes Stievers, from Bergen Pieter Claase, from Hamburg Joseph Brokan, from Bordeaux Thijs Pietersen, from Christiaanland Bartholomeus Ravo, from Bordeaux Johan Fredrik Campetatus, from Koningsbergen Neth Roels, from Boston Gabriel Charlus Patijn, from Brussel, sailors Jan Baptist Collant, from Brussel. Johannes Giesen, from blaesen, young sailors Joseph Leendert van Empel, from Amerssoort Francois Arno, from Duijnkerken Martin Tiesen, from Padonoud, quartermasters Claas Haijer, from Duimine, steward's mate Jan Japink, from riessen, apprentice carpenter all in the aforementioned capacities, resorting under this government, have not hesitated, successively during the aforementioned year, to willfully abandon their assigned posts and the service of the Honorable Company, and to make themselves fugitives, in such manner that, notwithstanding all efforts made, they could not be discovered. The said Fiscal pro interim requesting on that account that the above-mentioned fugitive persons may be peremptorily summoned in person by public tolling of the bell and edictal citation, to appear within a certain designated day before us or commissioners from our College, in order to come and answer for their willful desertion and abandonment of service, upon penalty that, in case of non-appearance, proceedings by contumacy shall be taken against them according to law. So it is that the Council, having considered the request of the said Lord Fiscal, in compliance with the formulated circular orders of their High Honors the Lords of the High Indian Government for the maintenance of justice, has seen fit to cause the above-mentioned fugitive persons to be summoned by public edict and tolling of the bell, as we do summon and call them by these presents, to appear peremptorily in person at this Castle within the period of the next four weeks, in order to clear and answer for themselves before our court of justice or commissioners from the same regarding their above-mentioned willful desertion and abandonment of service, upon penalty that, in case of neglect thereof, proceedings by contumacy shall be taken against the same according to law. Below stood: Thus done and granted in the Castle of Good Hope, the January 1789. Was signed: I. I. Rhenius. In the margin stood: the seal of Justice pressed in red sealing wax. Beneath it: By order of the Honorable Worshipful Council of Justice. Was signed: W. J. Reijneveld, sworn clerk. Agrees W. Rijnveld Secretary List of the Honorable Company's servants who have absconded from the first of January of this year until today: Jan Boode, from Osnabrug, soldier, 6 January Steeven Pazeira, Madera, sailor, 3 Johan Jong, Stade, ditto Jan Baptist Roos, Callegre, ditto Laurens Lint, ostende, ditto Sievert Laarssen, Dorthijm, ditto Christiaan Kreel, Laar, ditto, 6 William Pieterssen, St. Thomas, ditto, 28 Joseph Sagemans, Nineve, soldier, 16 Cornelis Cornelisze, Christiania, sailor, 22 Ephraim Valk, Obo in Swede, soldier, 12 Henrij Chate Neuf, Nance, sailor, 22 Johannes Green, Noordkopping, ditto Pieter Smitt, Christiania, ditto, 16 Jan Coenraad Groen, Hamburg, fortification, 7 February Johan Christ. Willem Thols, belle, sailor, 19 Claude Francois Humbert, ditto, soldier, 16 Iacob Thomas Cuvellier, St. Eustatius, sailor Pieter Valentij, Stokholm, ditto, 15 Pieter Vincent Loustrou, Parijs, soldier, 16 Willem Sanders, Philadelopia, sailor, 24 Pieter Sansze, Gottenburg, ditto, 15 Hendrik Hamberg, Troulust, sailor, 4 March

Dutch transcription

De Raad van Justitie, des Casteels de Goede Hoop, doed te weeten. Hoe den pro interim Fiscaal d'E Gabriel Exter aan ons bij monde heeft te kennen gegeven dat Jan Boode, van Osnabrugge Joseph Sagemans, van Nineve Ephraim Valk, van Obe in Sweeden Claude Francois Humbert, van Celle Pieter Vincent Louston, van Parijs Frans Davids, van Brussel Christiaan Theese, van Rensburg Johan Hendrik Huijer van Stemmedorf Richard de Schile, van Carik Jan Battij, van Amsterdam Philip Keurig, van Bratshage Johannes Klein, van Bruikeland Casper Nicolaas Linthem, van Colmar Joseph de Lee van Parijs Andries Bertram, van Griesin Hendrik Spinters, van Habok Christiaan Draijer, van HessenCassel, soldaaten Pieter Keetser, van 't Canton Bern, Cornelis Elant, van Amsterdam Jan Wiebes, van Ameland Samuel Carij, van Hamburg, bosch schieters Fredrik Neijman, van Marndaal Pieter Nielson, van Marienburg, Canonniers Jan Coenraad Groen, van Hamburg, Fortificatie Werker Steven Pareera, van Madera, Johan 2 F Jan Baptist Roos, van Callegre Laurens Lint, van Ostende Sievert Laarsen, van Dronthijm Christiaan Kreel, van Laar William Pietersen, van St. Thomas Cornelis Cornelisze, van Christiania Henrij Chate Neuf van Nance Johannes Green van Noordkopping Pieter Smit, van Christianea Johan Christn. Willem Schols, van Celle Jacob Thomas Cavellier, van St. Eustatius Pieter Valentij, van Stokholm Willem Sanders, van Philadelphia Pieter Jansze, van Gottenburg Hendrik Hamberg, van Foulust Andries Pieterse, van Dorthijn, Johan Fredrik Treudaal, van Stokholm Jacob Berends, van Breemen Jan Meijer, van Altena Jean Harri Petre van Maltha Hendrik Bohden, van Hamburg Lucas Frulee, van Trier Pieter Theuniszen, van Zegendal James Williams, van Piijmout Pieter Grundaal, van Helsingfort Egidius Prins ^ van Leeuven Johan Adolph Wageman, van Bijleveld Fredrik Jans, van Holsteijn Johannes Racherdt van Bergen Abraham de Jong, van s' Hage Eldert van Minde van Giesendorp Jan Brands van Caaden Daniel Weeber van oppenhijm Hendrik Swart van Leeuwaarden Johan Jong. . . . Van Stade Jannes Jannes Stievers, van Bergen Pieter Claase, van Hamburg Joseph Brokan, van Bordeaux Thijs Pietersen, van Christiaanland Bartholomeus Ravo, van Bordeaux Johan Fredrik Campetatus, van Koningsbergen Neth Roels, van Boston Gabriel Charlus Patijn, van Brussel, mattroosen Jan Baptist Collant, van Brussel. Johannes Giesen, van blaesen, Jonge mattroosen Joseph Leendert, van Empel van Amerssoort Francois Arno, van Duijnkerken Martin Tiesen, van Padonoud. hoogloopers Claas Haijer, van Duimine, boddelliersmaat Jan Japink, van riessen. J: Timmerman alle in voormelde qualiteiten, onder dit gou¬ vernement sorteerende, hun niet hebben ontzien geduurende het voorsz: jaar successive„ lijk hunne bescheidene posten en den dienst der E: Comp„e moedwillig te verlaaten, en hun zelven fugatief te stellen, zoodaanig, dat niet tegenstaande alle aangewende moeite niet hebben kunnen worden ontdekt Verzoekende gem: pro interim Fiscaal dies wegens, dat bovengem: vlugtige persoonen, bij openbare klokke geslag en edictale citatie, pe„ remptoir in persoon mogen worden in„ gedaagd, om binnen zeekeren bepaalden dage, voor ons ofte gecommitteerdens uit onzen Col„ lege te compareeren, ten einde hun wegens moedwillige desertie en dienstverlaating te komen verantwoorden, op paene dat bij non Comparitie tegens dezelve bij contrimacie zal worden geprocedeerd, als na rechten, Soo is 't dat de Raad gelet hebbende op het versoek van gem: Heer Fiscaal in opvolging der beraamde Circulaire ordres van hun Hoog G. S - Hoog Edelens de Heeren der Hoge Jndiasche regeering tot handhaving der Justitie goed gevonden heeft de bovengem: vlugtige per„ zoonen bij openbaare Edicte en Klokke geslag te doen dagvaarden, gelijk wij hunlieden dag¬ vaarden en indaagen bij deesen, om binnen den tyd van de eerstkomende vier weeken peremptoir in perzoon ten deesen Casteele te compareeren, om hun weegens hunne bovengem: moedwillige desertie en dienst verlaating voor onse recht bank, dan wel gecomm„s uit denselven te komen purgee¬ ren en verantwoorden, op poene, dat bij nalatigheid van dien tegens deselve bij continacie zal worden geprocedeert, als naar regten. /:onderstond:/ Aldus gedaan en verleend in 't Casteel de Goede hoop den Januarij 1789/: was ge¬ tekend:/ I: I: Rhenius /: in margine stond:/ het segel der Justitie in rooden lacque gedrukt /:daar onder: /. ter ordonnantie van den E: Achtb„e Raad van Justitie /: was getekend:/ W J Reijneveld-gesw Clercq Accordeerd W Rijnveld Secrets Jan Boode, Van Osnabrug sold„t 6 Iann: Steeven Pazeira, Madera Matt„s 3 „ Stade _d o „ „ Johan Jong, Jan Baptist Roos, Callegre — d„o „ „ ostende —do „ „ Laurens Lint, Sievert Laarssen, Dorthijm — do „ „ Laar — d„o„ 6 „ Christiaan Kreel, William Pieterssen, St. Thomas do. 28 „ Nineve Soldt. 16 „ Joseph Sagemans, Cornelis Cornelisze, Christiania Matt„s 22 Obo in Swede sold„t 12 Ephraim Valk, Henrij Chate Neuf, Nance Matt:s 22 „ Johannes Green, „ Noordkopping — d„o „ „ Pieter Smitt, Christiania — d„o 16 „ „ Jan Coenraad Groen, „ Hamburg fortificat: 7 februa: Johan Christ: Willem Thols, „ belle Matt„s 19 „ Claude Francois Humbert, „ — d=o. sold„t 16 Iacob Thomas Cuvellier, „ S„t Eustatius matt„s „ Pieter Valentij, „ Stokholm d„o„ 15 Pieter Vincent Loustrou, „ Parijs Soldt. 16 Willem Sanders, „ Philadelopia Matt:s 24 Pieter Sansze, „ Gottenburg — d„o 15 „ Hendrik Hamberg, „ Troulust Malt„s 4 maart „ „ Leijst van S E Comp=s dienaaren, dewelke zeederd pmo. Jannr. deeses Jaars tot heeden gefugeert zijn ls „ „ „ „ „ „ „

NL-HaNA_1.04.02_11022_0014 view scan ↗

English

Richard de Schile from Baret, Soldier, late June Jan Wiebes, from Ameland, Gunner, same Samuel Carij, from Hamburg, same, same Fredrik Neijman, from Marindare, Gunner, 13 August Pieter Nielsen, from Mariens, same Jan Batthij, from Amsterdam, Soldier, 16 June Johannes Racherds, from Bergen, Sailor, late June Philip Keunig, from Bratshage, Soldier Abraham de Jongh, from The Hague, Sailor Eldert van Minde, from Giesendorp, same Jan Brands, from Banden, same, 3 September Daniel Weeber, from Oppenheim, same, 1st of 8ber Johannes Klein, from Brinkveld, Soldier, 7th Hendrik Swart, from Leeuwen, Sailor, 25 8ber Casper Nicolaas Linthem, from Calmer, Soldier Jannes Stievers, from Bergen, Sailor Pieter Claase, from Hamburg, same, 6 Joseph Brokan, from Bordeaux, same, 25 Thijs Pieterse, from Christ: Land, same Joseph de Lee, from Paris, Soldier, 1st Bartholomeus Ravo, from Bordeaux, Sailor, 7 December Andries Bertran, from Griesen, Soldier, 17 Hendrik Spinters, from Daboke, Cooper Johan Fredk Campelatus, from Königsberg, Sailor, 26 Neth Roels, from Oosten, same Gabriel Charles Patijn, from Brussels, same Christiaan Druijer, from Hesden, Garrison Soldier, 6 December below was written In the Castle of Good Hope, 28 April 1788 was signed C. Cruijwagen Agrees 11 April Andries Pieterse, from Dorthijm, same Johan Fredrik Frendare, from Stockholm, Sailor, 23 Jacob Baerends, from Bremen, same, 24 same Jan Meijer, from Altona, same, 20 same Jean Harre Petri, from Malta, same, 1 May Hendrik Bohden, from Hamburg, same, 9 same Pieter Kietser, from Canton Bern, Gunner, 2 same Cornelis Eland, from Amsterdam, same, same Joseph Leendert van Empel, from Amersfoort, Ordinary Sailor, 17 same Francois Arno, from Dunkirk, same, 23 same Lucas Guleé, from Trier, Sailor, same Jan Baptist Collant, from Brussels, Young same, 3 same Pieter Theunisze, from Zegendal, Sailor, 26 same Frans Davids, from Brussels, Soldier, same Johannes Giesen, from Blaesen, Young Sailor, late June Martin Iiesen, from Padonoud, Ordinary Sailor, same Jams Williams, from Plymouth, Sailor, 28 June Pieter Grundaal, from Balsingont, same, late same Claas Haijer, from Drumme, Boatswain's Mate, same Egidius Prins, from Leeuwen, Sailor, same Jan Sapink, from Bressen, Ship's Carpenter, same Christiaan Theese, from Rendsburg, Soldier, same Johan Adolph Wageman, from Bielefeld, Sailor, same Fredrik Jans, from Holstein, same, same Johan Hendrik Huijer, from Stemmnedog, Soldier, late June below was written In the Castle of Good Hope, the 28th of December 1788 was signed C. Cruijwagen Agrees W. D. v. Rijneveld Secretary To the Honorable, the Right Worshipful Sir, Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Honorable, the Right Worshipful Council of Justice of this Government. Shows with due respect the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman: That on Wednesday the 26th of August of this year, by the former Heemraad the Honorable Hendrik Louw, sent to the Petitioner as prisoner was Pedro of Bengal, enslaved person of the widow of the late citizen Hercules Vroen, while also bringing to knowledge that he, the day before upon received news that before a slave room of the aforementioned widow Vroen on Sunday the 24th aforesaid the dead body of the person of Jan Vergee had been found by the side of a ditch near the house, went to the aforesaid place together with the Heemraad the Honorable Willem van der Merwe and accompanied by the Colony Surgeon Cornelis Portij and had inspected the aforesaid dead body; on which occasion, a black eye on the left eye having been found externally on the said body, the body was opened by the aforesaid Surgeon, without their being able to discover anything during the post-mortem that could have caused the death, while the said Commissioners and the Surgeon, upon the report of a young Bastard Hottentot belonging to the widow Kniel that the aforesaid Pedro had allegedly thrown wine into the face of the aforementioned Vergee, who was heavily intoxicated, had presumed that he had suffocated on it. That the Petitioner thereupon having taken a statement from another Bastard Hottentot named Achilles, and having heard the aforesaid prisoner Pedro thereupon before the gentlemen Commissioners on the interrogatories drawn up for that purpose by the Petitioner in confrontation with the said Achilles; the said Pedro with the greatest composure persisted that he there at the aforesaid place had drunk a calabash of wine with the aforesaid Vergee known to him, Pedro, and other slaves under the name of Jan Snijder, and that the said Vergee, having fallen into the ditch through excessive drunkenness, he, Pedro, had picked him up and laid him along the ditch, subsequently having taken from his pocket a rixdollar in silver money, as well as a pair of buckles and a box, out of fear that it would be stolen from him, Vergee, by the folk, since the said Vergee was so drunk, without having known that he was found dead there, and that the said Achilles had also drunk of the wine, and he had told him that he must not make known to his mistress that he had drunk wine with the tailor, while he, Pedro, having departed from there and having advanced a few paces, himself fell onto the ground and went to sleep; denying that which was laid to his charge by the said Achilles, namely that he, Pedro, had thrown wine into the face of the said Vergee and struck him on the chest with the fist, on the contrary having always previously lived as good friends with the said Vergee. That the aforesaid Pedro, without having shown the least knowledge of the passing of the said Vergee, surrendered himself voluntarily as prisoner, and having had to remain in detention since then, the Petitioner meanwhile has spared no effort to obtain further information regarding the case; however, regarding this matter it was only informed that this said Jan Vergee conversed very familiarly with slaves and, as often as the opportunity allowed, debauched himself in strong drinks.

Dutch transcription

Richard de Schile Jan Wiebes, Samuel Carij, Fredrik Neijman, Pieter Nielsen, Jan Batthij, Johannes Racherds, Philip Keunig„ Abraham de Jongh, Eldert van Minde, Jan Brands, Daniel Weeber, Johannes Klein, Hendrik Swart, Casper Nicolaas Linthem, Jannes Stievers, Pieter Claase, Joseph Brokan, Thijs Pieterse, Joseph de Lee, Bartholomeus Ravo, Andries Bertran, Hendrik Spinters, Johan Fredk Campelatus, Neth Roels, Gabriel Charles Patijn, Christiaan Druijer, /:onderstond:/ En 't Casteel de Goede Hoop 28 Abr. 1788 /:was geteekend:/ C„s Cruijwagen Accordeert van baret Soldt ult Junij Ameland bosch „ do „ „ Hamburg do „ „ „ Marindare Canon: 13 Augs. „ Mariens d„o „ Amsterd: Sold:t„ 16 „ Bergen Matts Ult Suri„ „ Bratshage sold:t „ s' Hage Matt„s „ „ Giesendorp d„o „ „ „ banden d„o 3 7„b „ Opperhijm: d„o p„o 8de „ Brinkveld sold„t „ 7d „ Leeuwen Matt„s 25 8„m „ Calmer sold„t Bergen Matts„ „. hamb: _d„o 6 „ Bourdeang — d„o 25 „ Christ: Land d„o „ „ Parijs sold„t p„o „ „ Bordeaux Matt„s 7 x„r Griesen sold„t 17 „ Daboke Casken „ Coningsb: Matto 26 „ Oosten d„o „ „ Brussel do „ „ „ Hesden Cas: Sold„t 6 x„a „ „ „ 11 April van Dorthijm Andries Pieterse, d„o „ stokholm Matt„s 23 Johan Fredrik Frendare, „ Breemen — d„o 24 d=o Jacob Baerends, „ Altona — d„o 20 d„o Jan Meijer, „ Maltha — d„o 1 Maij Jean Harre Petri, „ Hamburg — d„o 9 d„o Hendrik Bohden, „ Canton Bern Boscho: 2 d=o Pieter Kietser, „ Amsterdam — d„o „ d=o Cornelis Eland, „ Amerssoort hooplops 17 d„o Joseph Leendert van Empel, „ Duinkerk: —d„o 23 d„o Francois Arno, „ Trier matt„s „ d„o Lucas Guleé, „ Bressel Jong d„o 3 d„o Jan Baptist Collant „ Zegendal matt„s 26 d„o Pieter Theunisze, „ Brussel sold=t „ d„o Frans Davids, „ Blaesen Jongmat: Ult„o Junij Johannes Giesen, „ Padonoud hooplo: „ d„o Martin Iiesen, „ Plijmout matt„s 28 Junij Jams Williams, „ Balsingont — d„o Ult„o d„o Pieter Grundaal, „ Drumme Bott: mat „ d:o Claas Haijer, „ Leeuwen Matt=s „ d„o Egidius Prins, „ Bressen D: Zumm: „ d„o Jan Sapink, „ rensburg sold„t „ d„o Christiaan Theese, „ Bijleveld matt„s „ d„o Johan Adolph Wageman, „ Holstein —do „ d o Fredrik Jans, „ Stemmnedog Ssold„t Ult„o Junij Johan Hendrik Huijer, /:onderstond:/ In't Casteel de Goede Hoop den 28 Xber 1788 C„s Cruijwagen /:was getekend/ Accordeert WDd Rijneveld Secrets Iunij 13 Augs. tsucri 3 p„s 85 25 8 6 25 5 726 „1 26 „ 6 o Aan den WelEdelen Actba Johannee Isaak =ren Heere Rhenius Praesident benevens de verdere Heeren Leeden van den Edelen Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements Vertoond met verschuldigde Eerbied des Landdnet van Stellenbosch en Drakentein Hendrik Lode= wyk Bletterman. — Dat op Woensdag den 26:e augustus deeze Jaars door den oud Heemrand d' E. Hendrik Loun aan de Vertoond er toegesonden zijnde als gevangene P Adro van Bengalen, Lyteigene van de wede. van vijlen den Burger Hercules Vroen tesfens ter kennisse ge= brugt, dat hij daags bevorens op ingekomen be= =rigt dat voor een slamme van coorm: weduwe Vioen op zondag den 24: voorsz: 't doode Lichaam van den Persoon van Jan Pergee aan de kant van een sloot na bij het huis was gevonden, zich nevens den Heemraad d' E: Willem van der Merwe met ende benevens den Colonies Chirurgijn Cornelis Portij ter Plaatse voorsz: begeven en 't woor: doode Lichaam hadden gescrouwd, als wanneer aan aan 't zelve Lijk uiterlijk eene blaauwe plit op 't lunker oog bevonden zynde, door voorn: Chirurgin 't lijk geopend was geworden, zonder dat men bij derzelver visitatie iets heeft kunnen ont =dekken 't geen de dood zou hebben kunnen ver= „oorzaken, terwijl en dezelve Gecommitt. s in de Chiru„ =gijn op 't aangeven van een klyne bostaard hotten= „tot toebehorende de wed: kniel, als dat voorm: Pedro opgem: Vergee, die bevezonken wes geweest, wijn in 't aangezigt zou hebben geworpen, gesun =tineerd hadden, daarvoor te zyn geslikt. — Dat den Vert: daar op een worg Bostaan hottintos met nuume asillen een verklaring heb„ =bende ingeminnen zoo weel als voorm: gevangen Pedro daar van ten overstaan van Heeren GeCom„ =mitt. op de ten dien einde door den vertouuder geformeerde Interrogatorien bij Confrntatie van gem: Arzilles doen horen; dezelve Pedro met de groot te Contenance heeft blyven staande houden, dat hij aldaar ter voorsz: Plaatse met voom: Vergie /, by hem Pesro en andere slaven onder de Naam van Jan Snyder /bekend/ een Carrebas mijn had ge= drinken en dat dezelve Vergee door overgroote dran =kenschap in de sloot gevallen zijnde, hy Pedro dan zelven opgeholven en langs des loot gelegt, vervol- rens „gens uit de zak van den zelven een Rixdaalder Zilver Geld mitsgds een Paar Gespen en een door genomen had, uit neesse dat voor 't volk, ver= mits gem: Vergee dus danig beschonken was, hem vergee zulks zoude worden ontstolen, zonder te hebben geweeten dat dezelven aldaar dood gevonden is, en dat gem: Artillis meede van de wijne hed gewon= =ken, en hy hem had gezegt aan Zyn Lyfvrouw met bekend te moeten maaken, dat hij met de snijder myn had gedrunken, terwijl hy Provo van daar ver= „trokken, en eenige treeden gevorderd zynde, zelf op de aarde gevallen en in slaap was grankt: ont„ =kennenden 't door gem: actilles ten zynen lasten gelegde, dat namelyk hy Pedro gem. Vergee wijn in 't aangezigt geworpen en met de Voost op de Borst zou hebben geslagen, ter Contrarie altoos bevoers met gem: Vergee als goede Vrienden te hebben geleeft. — Dat voorsz Perro zonder de winde wetenschap van 't overlyden van gem Vergee te hebben betoond, zig vrywillig gevangen gegeven, en zeederd in regte= nis hebbende moeten verblijven, de vertoer intus= =schen geene moeyte heeft gesprurd nadere informa= =tien omtrent het const geval te behoemen; egter dien aangaande alleenlyk is geinfameerd als dit gem. Jan Vergel zeer famillair met slaven geConverseerd en zoo dikwerf maarde gelegenheid toegelaten heeft zich in sterke dranken ge= debaucteerden „

NL-HaNA_1.04.02_11022_0020 view scan ↗

English

will have debauched. That in the only evidence given by the Hottentot Achilles, about 15 years old, there is so much lack of legality and sufficiency that the same has been found altogether so defective that on the basis thereof the Officer as petitioner considers himself entirely incompetent regarding that accusation to be able to institute the least Criminal Prosecutions against the said Pedro; on the contrary, subject to correction, believing that the said Pedro, on account of his excess in drink, has sufficiently atoned through a punishment of imprisonment already undergone by him for five months. Wherefore the Officer as petitioner takes the liberty to turn to Your Right Honorable with due respect, requesting that the said Pedro be released from his imprisonment and accordingly be returned to his mistress; or that Your Right Honorable may be pleased to take such other disposition as you shall deem proper. Articles drawn up and submitted to the Gentlemen Commissioners from the Honorable Right Honorable Council of Justice of this Government by and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, in order that at his requisition the slave Pedro, belonging to the widow of the late burgher Viljoen, may be heard thereon, his answers to be given to be recorded beside each of the same. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Right Honorable Council of Justice of this Government, the said Pedro, who to these his adjacent question Articles has given such answers as are recorded beside each of them. Art. 1. The deponent's name, birthplace and age, as well as whose slave he is. Says Pedro of Bengal, aged by estimation 30 years, slave of the widow Viljoen. Art. 2. What kind of work he, deponent, usually performed on the farm? Says to have worked at the house. Art. 3. Whether he, deponent, some weeks ago on a certain Sunday was in the veld around the land of the widow Kriel, and whether he, deponent, then did not have a calabash of wine or brandy with him? Says to have been by a ditch in the veld and to have had a calabash with wine with him. Art. 4. Whether he, deponent, knows a certain tailor Jan Verzee and where the same lived? Says yes, at Isaak Villiers. Art. 5. If so, to what end? Says yes to Art. 4. Art. 6. And whether the said Verzee was not also at the aforesaid time in the veld? Says to have sat there with a certain Jan Snyder and to have drunk of the wine together. Art. 7. What the mentioned Verzee did there? Says that he, deponent, having drunk wine with the same, had departed from there while the aforesaid Verzee had remained lying by the ditch. Art. 8. Whether the little Hottentot Achilles, residing with the aforementioned widow Kriel, did not also come there? Says that Achilles also came there and also drank of the wine, while he, deponent, warned him that he must not say that he, deponent, had drunk wine with the aforesaid Snyder. Art. 9. In what situation the said Hottentot then found him, deponent? Says: when he, deponent, and the aforesaid Verzee, sitting on the bank of the aforesaid ditch, were busy drinking of the aforesaid wine. Art. 10. Whether he, deponent, upon the arrival of the mentioned Hottentot, did not find himself on the body of the aforesaid Verzee, who lay backward on the ground, and whether he, deponent, did not then continually pour wine from the aforesaid calabash into his face, as well as beat him on the breast with the fist? Says that the aforesaid Verzee having fallen into the ditch through excessive drunkenness, he, deponent, had helped the same out of the ditch and laid him down along the bank; that he, deponent, had taken a rixdollar in silver money as well as a pair of buckles and a box out of the pocket of the aforesaid Verzee in order, while the said Verzee was drunk and he, deponent, feared that his goods would be stolen from him by the people, to hand this over to his mistress; but that he, deponent, having gone from there and advanced a few paces, had fallen down on the ground and fallen asleep. The Hottentot Achilles, entering, says in the presence of the deponent that he, deponent, threw wine into the mouth of the mentioned Verzee and struck him on the breast with the fist. The deponent persists in the negative, adding thereto that nothing was discovered on the corpse of Verzee and that he furthermore had previously always lived as good friends with the said Verzee and often visited with him, as well as having had no dispute with or anything against him. Art. 11. Whether the aforementioned Verzee was found dead in the veld, and whether he, deponent, does not know in what manner or on what occasion the same lost his life? Says not to know that the said Verzee was found dead. Art. 12. For what reason this was done by the deponent? Lapses. Art. 13. Whether this was done to suffocate the same in the drink and thus deprive him of life? Lapses. Art. 14. Whether the same Verzee also actually died of that? Lapses. Art. 15. Whether the aforesaid Hottentot did not immediately ask him, deponent, what was wrong with that master? Says no. The aforesaid Hottentot, entering, says that having asked the deponent what was wrong with the neighbor, he received as an answer: the master is sleeping! The deponent persists in the negative. Art. 16. What was answered thereto by the deponent? Lapses. Art. 17. Lapses.

Dutch transcription

=debautheerd zal hebben. — Dat aan 't eenige benijs door den Hotten tot Artillis omtrrent 15 Jaaren oud zo veel legaliteit en suffcience instreekt dat 't zelve daar voor ten eenemaale zoo defectueur is gevoden, dat op grond van dien tegen gem: Perro den R O. Vertoonden zich ten eenemaal onbevoegt ree- =kend ter zaeke dier beschuldiging tegens gem: Padro de minste Crimineele Poriuites te kun =pen doen; ter Contrarie /:onder Coractie :/ ver„ neeeende gem Perro wegens 't te buiten gaan in den drank door eene gevangenies straffe reet vyff maanden voor hem ondergaan, genoegzaam te zijn voldaan Mits welke de R.O. vertooder de vagheid neamt hem te keeren tot uwel Ed. achtb: met verschuldigde Eerbied verzoekende, dat gem. Pedro uit desselvs gevangenis gelarcheerd en in dienvegen aan zyn Lyfvrouw zal werden te rug gegeeven; dan wel dat UwelEd acttb: zoodanige ande„ =re dispisitie gelieven te neemen, als dezelven zullen vermeenen te behoren Articulen gedaan Zegt Pedro van Bengalen Compareerde voor ons ƒ get: Gecommitt uit den E. maken en aan Heeren Ge= achtb Raad van Justitie „committ:s uit den E. achtb: Raad van Justitie deeze dezes Enriverements gem: Perro dewelke op deeze Gouvernements overgegeven door zine nevenstaande vraag ende van wegens den Landdroot Articulen zoodanige ant= van Stellenbosch en Dorkenteen worden gegeven heeft, als be¬ Hendrik Lodewijk Bletterman ziden een yder derzelver staa omme daarop ten zinen requisitie aangeteekend. te worden gehoord de slaaf Perro toebehorende de wed van wijlen den Burger Viljoen zullende destelfs te geevene rese =pinsiven bezyden een yder desselvs moeten werden bekend gesteld. oud na gissing 30 Jaren List Eigene van de wede noen zegt bij 't huis te hebben gewerkt. Wat voor werk hij get. ge¬ nomlijk op de Plaato ver¬ rigt heeft? „ 2. des Ged: naam, geboorte plaats en ouderdom, mitsgr s wiens Lyf= eigene zij is. Art. 1. Art. 3. Legt ziel bij een sloot in 't vel te hebben bevonden en een 6 orrebas met wyn bij hit gehad te hebben zegt aldaar met zeekere Ian Snyder te hebben geseeten en van de wijn te zamen gedronken. Legt Ja, bij Isaek Villiers zegt Jaas op brt: 4. zegt dat hy Gedt: met denzelven wyn gedronken hebbende, zichvan daar had begeren terwijl cooszij Verzee bij de Sloot was blyven leggen. „ 8. of aldaar ook is gekomen de kleine zegd dit Achilles daar meede Hottentot Adhilles wonagtig bij wij is gekomen en ook van de evengem: wed: Kriel - wyjn heeft gedronken tanie hij Ger: hem gemaaks vouwd heeft det hij niet zeggen moest dat hij gev: met voorsz snyder wyn had gedrunken Wat gerepte Pergie daar gedaan heeft En of vonrz: Verzee zig niet meede ip vorsz ti in 't Veld bevonden heeft! of hy Get: zeekere kleedemaker Jan vverzee en waardeselve gewoond heeft, kend ! „ 5. zoo Ja, tot wet einde. of hij Get: ziel voor eenige weeken ip zeeker zondag heeft bevinden in 't veld omstreeks 't gien t Land van dewed kriel en by hij ged: toen niet een Carrebas wyn of Brandemyn bij zieh gehad heeft t rt G. „ 7. 9 „ Ant 9. zegt: toen hij Ger en voorsz: In welke situatie gem: Hottentot Vergie op de waldenvorkz sloot hem gev: toen heeft aangetroffen : zistende, bezig waren van de voorsz: wijn te dronken. zegt niet te weeten dat e gem. Verzee, dood gevonden is. zegt dat voorsz Vergee door of hij Get: bij de komst van gerepte overgroote dronkenschap in de hotten tot zig niet op het Lyf van sloot gevillen zynde; hij Get: den voorsz: Verzee, die agter over orde zelve uit de sloot geholpen en langs de wal meedergelegt grond lag, heeft bevinden en of hij had; dat hij get: werden een Ger: denzelve als toen met by Con- - Rynd. zilver geld mitsgs:stinuatie in't voorsz: Carrebas een plaan Gospen en een doos uit win in't gezigt gesweeden, mitsgrs met de vuust op de borst geslagen de zak van voortz: verzee heeft gemmen had om terwyl gem. Vergie besronken was, en hij Eers vreesde dat hem zyn goed door 't volk zou worden ontstolen, dit aan zyne Lyfvrouw overtegeven: dan dat hij get: olandaar gegraan en eenige treeden gevorderd zynde, op de grond was needergevallen en in sloup geraakt. De Host en tot Arrilles binnen treedende, zegt in facie van de ged: dat hij Get: gerepte Vergie wyn in de wind gegooijd en met „ 11. of Evengem: Sergie in 't Veld doodge vonden is en of hij Get: wiet ophoe- danige wyze of bij welke geleegenheid derzelven 't leven verloren heeft! de „ 10. 2 vervald. de vruest op de Borst geslagen heeft. De Ger: blyft bij de negotive, daar bij voegen zij dat aan 't Lijk van Verzie niets is ontdekt en dat hy wyder te voren altoos als goedevzienden met denzelven Vergie geliefd en ditwijls met hem gekuijgrd mitsgr: ook geen Swist met of iets tegen hem gehur te hebben. vervald. Vervold. of voorsz: Hotten tot hen gest toen niet zegt neen. terstond gewaagd heeft wat dien taas voorsz: hottentot binnen treedende, manqueerde. zegt dat hij den Ged: gevaagd heb„ =bende, met den buir monqueerde ten entwood had bekengn; de boas sloopt! de Ger. blijk bij de negotive vervald. „ 16. Wat daarop door den Get: ge- antwoord is of denselven Vergel daar van ook werkelyk is overleeden. „ 14. of dit is geschid om den telven in den drank te doen stikken en hem diesdanig van 't leven te bevroeg „ 13. om wat reeden dit door den Ter„ gedaan is Art. 12. arti 17. „ 15 2 „

NL-HaNA_1.04.02_11022_0025 view scan ↗

English

said that he had indeed asked the aforementioned Achilles where he was going. Says yes. Says yes. Says that the Hottentot answered: I will drink a little bit of wine. Whether the aforementioned Hottentot having replied: Says no. The Hottentot Achilles, hearing that his mistress had said this, maintains the truth of this question in the presence of the prisoner. The witness persists in the negative. the prisoner grabbed him by the arm and said to him: if you do not drink, then I will beat you to death! Article 20. What was answered thereto by the same? Article 19. Whether the prisoner did not ask the mentioned Hottentot whether he would drink wine along? Article 18. Whether he, witness, did not further reply to the answer of the mentioned Hottentot, that he was following the cows of the witness's mistress out of the barley: I am not watching the cows, but the small Jurgens are watching the cows. Whether the prisoner having replied: the master is sleeping, immediately asked the mentioned Hottentot: where was he going? Article 17. Article 21. Article 22. Says as before. Says as in Article 21. Lapses. Says as before. Thus asked and answered at Cape of Good Hope the 30th of September 1788. Underneath stood: what he, witness, has to submit for his defense. Article 25. the mentioned Hottentot, to have deserved punishment. Whether he, witness, must not confess to have deprived the mentioned Vergee of life in a very malicious manner, and for that as well as the insults to Whether he, witness, also took anything of the aforesaid Vergee? Article 23. Did the mentioned Hottentot then also actually drink wine from the prisoner? Article 22. aforesaid. Article 24. before the Honorable Salomon van Echten and Johannes Smit, Members of the Honorable Worshipful Council of Justice aforesaid, who have duly co-signed the minute hereof together with the witness and me, sworn Clerk. Below: which I witness, signed: W: C: van Ryneveld, First Clerk. We, the undersigned Heemraden of the Colony of Drakenstein, certify that a report was made to us on the 24th of this month of August 1788 how that by the herd of the widow Viljoen was found the dead body of the person of Jan Vergee, on the side of a ditch close to the house; so we on this day, the 25th of this month, have inspected the same and had it opened, and were not able to discover anything on it that caused the death other than a blue spot on the left eye; but by the saying of a small bastard belonging to David Jacobus Kriel that a boy of the widow Viljoen poured wine into the face of the above-mentioned Jan Vergee, who was drunk, and therefore sustains that he suffocated. Was signed: S. W. van der Merwe and Hendrik Louw. In margin: Drakenstein the 25th of August 1788. I, the undersigned, certify in the presence of the Heemraden the Honorable Willem van der Merwe and the Honorable Hendrik Louw, that on the 25th of August 1788 I examined and opened the dead body of the person of Jan Vergee and was able to discover nothing on it that caused the death other than a blue spot on the left eye, so that I sustain that he must have suffocated: which I can confirm at all times with an oath. Was signed: C: E: Pintz. Drakenstein the 25th of August 1788. Agrees: W. C. van Ryneveld, Secretary. Register of the Statement and documents of the Landdrost of Stellenbosch, the Honorable Hendrik Lodewyk Bletterman, against the slave Pedro of Bengal, property of the widow Hercules Viljoen. No. 1. Statement of the Landdrost Bletterman. 2. Interrogatories of the slave Pedro, answered. 3. Certificate of the Citizens S. W. van der Merwe and H. Louw. To the Honorable Worshipful Sir, Johannes Isaak Rhenius, President, together with the further Gentlemen Members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government. Shows with due respect the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman. That on Monday the 19th of April of the year just passed, having been brought to the knowledge of the Remonstrant by the Citizen Jan David Beyers that he, the day before in the afternoon, after having taken a walk in his garden of his dwelling place called De Driesprong, upon his return home had learned from his slaves that the female slave Magteld, on the way to his place called De Knolhoek situated about half an hour from the dwelling place, was attacked by her fellow slave Carolus of Mozambique and stabbed with a knife; he, Beyers, had brought along the same Magteld for the examination of the wounds inflicted upon her. The Remonstrant then immediately had the wounds of the same Magteld examined by a judicial Commission, at which time there was found on her a wound on the lower left side of the neck, one at the corner of the left cheekbone, one above the left eye, and one on the front finger of the left hand, which wounds all penetrated no further than through the epidermis, or as the Surgeon says, through the common integument. That the Remonstrant on the same occasion having inquired of the aforesaid Magteld about the course of the whole incident, the following story was then told by her: That the day before, having gone with the young son of her master Marthinus and her little sister named Eva to the aforesaid place De Knolhoek, the aforesaid Carolus pursued her with a knife in his hand, and having approached near the vineyard of that place, attacked her from behind, threw her to the ground, and tried to cut her throat, in which he, however, both by constant struggling and because she hindered the hand in which he held the knife, was only able to inflict the aforesaid wounds on her, just as she had finally succeeded in wrenching the knife out of his hands and throwing it into the bushes, by which she had sustained a cut on her left hand; after which he

Dutch transcription

zegd wel gevaagd te hebben voor gem: Achilles waartoe ging Legt Jn zegt Ja zeggt dat de kosten tot ge- s antwoord heeft: een klijn wynigse zal ik drinten. of gem Lotten tot gerepliceerd hebbende: zegt neen. de Hottentot artilles, binnen dat zyne Juffrouw dit zin reecks heidende, houd staande de den gev: denzelve bij de arm gevat waarheid dezer vraag in frice en toegevoegd zaod: als jij niet van den ser: staande de get. blykt bij de na drnkt dan zal ik voier dood =gative slaan! 120. Wat door denzelve daarop is ge- c cent word „ 19. of den gev: gerepte kotten tot niet heeft gevraagd of zij wyn mede drinken 2 „ 18. of hij get: niet verder op 't antwoord van gerepte nottertot, dit hij de koeyen van den get: Lyfvrouw uit de gurst volg heeft vervolgd? ik pas de koeyjen niet ip, maer de klemne jurgens passen de nooijen op of den Ger: gerepliceerd hebbende de baas slaapt, terstind aan gem: Hottertot gevraagd: waarhij na toe ging Nrt. 17. Art: 22 2 zegt als voren segt als in brt 2 41. vervald. regt als voren Aldus gevraagd en beantword aen Cato de Goede Hoop den 30 e September 1788. Onder stond.ƒ met hij get: tot zyn verschoning heeft in te brengen t „ 25. gerifte kitten tot, straf verdiend te hebben of hij get. niet bekennen moet gerepte verzee op een zeer kwaataartige wijze van 't Eeven beroofd, en daar voor zoo wel als de duiggementen aan of hij get: ook het een of ander van vooszije Vergel heeft miegeno men „ 23. dis gerepte tolten tot toen ook werkelijk van den Ger: Wyn heeft gedrinken z Art. 22. voors „ 24. : voor de Heern Salomon van Eohten en Johannes Smit, Leeden uit den E. acttb Raad van Justitie voorn. die de minute dezes benevens de get: en mij hedgw Clercq meede behoorlyk hebben ondertoeken /lager / 't welk ik getuige /:geteekend::/ W: C: van Rineveld J: Clercq Certificeeren wij ondergeteekend H eenraden der Polinne Drakensteen dat aan in Rapport is gedaan op den 24e deser maand Augustus 1788 hoe dat doorde werd van de wed, Elsoen is ge- vonden het doode Lichaam van den Persom van Jan Vergel, aan de kant van een sloot digt bij het huis; zoo hebben het zelve op heeden den 25 dezer geschouwd en laten openen en hebben niet daar aan kunnen ontdakken dat de dood heeft te weege gebraagt als een blaauwe plek op 't linker oog; maar door het seggen van een klyne bosterd toebehorende aan devid Jacobus Kriel dit een Jonge van de wed Vilsoen aan bevengem. Jan Vergee die er die drinken was, met wyn in Zyn gezigt heeft gegooten, en daardoor sustiteert dat hij gestikt is /:was geteekend:/ S. W. V d. Meurde en H:n Louw /:in margine:/ D nakenstein den 25e aug:s 1788. Certificeere ik ondergeteek: ten overstaan van de Heerraden d E. Willem van der Merwre ende E. Hendrik Siuct, zoe dat ik op den 215:e Augss 1788. het gevisiteerd en geopend het, doode bezoon aan den persoon van Jan Ver= geen en hebben niets daar aan kunnen Jontdikken dat de dood te neeg heeft gebragt als een blaad ne plek op het linker oog, zoo dat Ik sinsti„ =neer dat hij gestekt zal zijn: het welk ik ten alle tyde met Eede kanstoren /:was getekend/ C: E: Pintij Drakensteen den 25' Au„ gustus 1788. Accordeert WJ RRijneveld Secrets egister or het Vertoog en stukken van den Landdrost van Stellenborch de Heer 69 Hendrik Lodewijk Bletterman Contra den Slaaf Peord van Bengalen lyfeigeren van de wed. Herciles Vilsoen N:o 7. Vertoog van den Landdroo t Bletteman 2: Interogetorien van de Slaafs edro be„ = ontwoord 3. Certificaat van de Burgers J. W. Vr ƒ75 der Wierwe en Louw W kend . Aan den Wel Edelen Achtb: Heer Johan =nes Isaak Rhe¬ =nius Praesident benevens de verdere Heeren Leeden van den E: Achtb Raade van Justitie deezes Gou vernements. Vertoond met verschuldigden Eerbied den Landdrost van Tellenbosch en Dra= kenstein, HHendrik Lodewyk Ret¬ „terman Dat op Maandag den 19' April des even afgeweekene Jaars door den Burger Jan David Byer, aan den Vertomer ter kennisse gebragt zynde, dat hij 's daags bevorens in de nademid= dag na eene wandeling in zine thuin van zijn Woonplaats de driespring genaamt, gedaan te hebben by zyne te huis komet van zyne slaven had vernomen, de Stavinne Magteld op weg naar zyne omtrent een half uur van de woonplaats geleegene plaats gen:t de knolhoek door haar meede slaaf Carolus van Mosambique overvallen en met een mes gestoken te zijn, hij Beijer dezelve Magteld - . ter visitatie der aan haar toegebragte won„ =den had meede gebragt Den Vertoider de winden van dezelve Magtels als toen terstont door een regterlijke Commissie heeft doen examineeren, als wanneer aan haar bevin =den is, eene winde aan de linker beneeden zyde van de hals een aan de hoek van 't lunker zaake been een boven het linker oog en een aan de voor¬ ste vinger van de linkerhand, welke worden alle slechts niet verder als door de opperhuid (:of gelyk den Chirurgijn regt:/ door de gemeene deksel te zin geperetreerd Dat den vertoonder bij dezelve gelegenheid zig bi voorsz: Magteld na den toedragt van het ge heel geval geinformeerd hebbende, als toen door haar is gedaan 't volgende verhaal. Dat zij daags bevoorens met 't zoontje van haaren Lijfheer Marthinas en haare klijne zuster avia genaamt gegaan zynde na de voorsz plaats de knolhoek, voorsz Carolus haar met een mes in de hand agtervolgd en omtrent den Wingaard van die plaats genaderd zijnde, haar van age „teren vervallen, tegens de aarde gerorpen en geporgd hed haarhals of te snyden, waarin hij echter zoo door 't geduurig worstelen, als dat zij de hand waar in bij 't mes vast hield, was verhinderd haars legts de voorsz: worden heeft heeft kunnen toebrengen, gelyk 't haar eindelyk was gelukt 't mes uit zyne handen te wringen en inde boschjas te kunnen werpen, waar door zij eene sneede aan haar linkerhand had bekomen; waar na hij -

NL-HaNA_1.04.02_11022_0033 view scan ↗

English

he Carolus got up, looked for the knife, and subsequently went away from there, while she maintained that this had been done to her by him because on repeated occasions he had made requests to her to have carnal conversation with him and, this having been refused by her just as often, he had since always cursed and threatened her that he would certainly get hold of her. That the said Carolus was captured on Friday the 18th thereafter by his fellow slaves on the homestead and was thus transported to the prison, and at his capture he was said to have further said to the aforementioned Magteld: I will get you, if I must die, you shall die too, which, however, upon the re-examination of her statement by the said Magteld, was said to have been understood by her in this manner: "if you dead, I also dead", in accordance with what was stated by her master in his declaration. That the petitioner on that matter in his official capacity, in the presence of the commissioned gentlemen from this honorable court, having had the aforementioned prisoner Carolus heard in the presence of the aforementioned Magteld on such articles as were framed for that purpose, the same then maintained with the greatest composure that he had never made a request to the aforementioned Magteld for carnal conversation, and that he had been drunk on that day when he was supposed to have wounded her, notwithstanding that the aforementioned Magteld continuously maintained to his face that which was charged against the prisoner Carolus, as your honors can observe this in more detail, if desired, from the record of inspection and surgical certificate as well as the declaration given by the said Beijer and the statement given by the repeatedly mentioned Magteld. That the official petitioner, trusting that the said Carolus, being conscious of an evil intention to take the life of the said Magteld, might have had his conscience speak to him through such a long imprisonment as he has undergone and thus might have come to a confession thereof, of which, however, not the slightest appearance has presented itself up to now, the official petitioner now also believes that it only remains for him to examine what crime has been committed by the said Carolus, and in what manner the same ought to be punished: That if one now wishes to consider only superficially the instrument that the said Carolus used, it being a knife, one would have to suppose an evil and cunning intention in the said Carolus; but as soon as one accurately examines the same as well as the wounds inflicted therewith, the supposition will fall away of itself, because from the wounds inflicted it is clearly proven that no single dangerous, much less mortal wound could have been inflicted with it, besides that even the superficial wounds inflicted therewith were completely healed within very few days; consequently the said Carolus is liable for no more than the wounds thus inflicted. And if, consequently, he who inflicts any wounds on another with the intention to deprive him of life, without death having followed thereupon, is by no means punished with the ordinary punishment of homicide, but only with whipping and banishment, then one will soon be able to find approximately, proportioned to that general law, how the said Carolus ought to be punished for this present case, especially when one observes the opinion of most criminalists in that regard, for they say it is the safest way to leave such cases to the judge's discretion, who will best be able to judge from the circumstances and nature of the facts and persons what punishment ought to take place in this respect; and it is on those grounds that the official petitioner, subject to correction, believes that the said prisoner Carolus, through such a long imprisonment according to the contents of the laws, has already undergone a proportionate punishment, and he could consequently be set at liberty; however, the petitioner respectfully considers that such a release could easily produce other disagreeable consequences; the official petitioner has deemed it advisable to bring this before the eyes of your honors, not doubting that your honors, according to your prudence and enlightened judgment, will take such disposition as shall be judged proper according to law. Signed: H: L: Bletterman. In the margin: Exhibited in court the 6th of January 1789. By order of the honorable Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, I, the undersigned, have examined at the Drostdy, in the presence of the Judicial Commission, the female slave belonging to the burgher David Beijer named Magteld, and found on her: a wound on the left side and lower part of the larynx, another at the angle of the lower jawbone, one above the eye, one on the breast, and one on the front finger; all these wounds were on the left side of the body, but penetrated no further than through the common integuments. Underneath stood: In witness of the truth I have signed this with my own hand at Stellenbosch the 14th of April 1788. Signed: P. F. M. Briers. On Monday the 14th of April 1788, the undersigned heemraden, in the presence of the Landdrost and assisted by the Secretary and Surgeon Petrus Franciscus Melchior Briers, upon the report made by the burgher Johan David Beijer that one of his female slaves named Magteld of the Cape was unexpectedly attacked by his slave Carolus of Mozambique [illegible]

Dutch transcription

hij Carolu opgestaan, na 't mes gezogt, en zig vervolgens van daarheid begeven, terwyl zij susti= =neerde door deselve haar zulks te zin aange= „daan om dat hij tot verhaalde rijzen bij haar aanzoek had gedaan met hem vleeschelyk te Convereeren en door haar zulks even zoo dik= verff gerefuseerd zijnde, hi haar zeederd altoos gescholden en bedreigd had, van haar tog wel te zullen vinden Dat gem Carolis op Vrydag den 18 daar na door zyn meedeslaven op de woonplaats gevangen genomen, en indiervegen naert 't ge= vangen huis getransporteerd zijnde, by zyne gevan= „genneewing voortz Magteld nog zou hebben toe„ gevoegd: ik zal je wel kryjgen, als ik moet sterven, zult gij ook sterven 't geen door de zelve Magteld bij t recolleeren van haar relaas egter gezegd is gevorden in diervoegen door haar te zijn verstaan " als six dood, ik ook dood". overeenkomstig met 't door haar Lijfheer bij zijn verklaring geposeerde. Dat den vert: daar op R. O: ten overstaan van Heeren GeCommit uit deezen E: actb: Carolus ter praesentie van haaden voorm gev: voorm: Magteld op zoodanige articulen als tot dat einde geformeerd, waren, hebbende doenhooren, dezelve als toen met de grootste Contenance heeft staande gehouden, nooit bij voorsz: Magteld tot vleeschelyke Converatie aanzoek te hebbe gedaan, en dien dag, wanneer hij haar zoude gekwetst hebben, dronken geweest te zijn niettegenstaande voor: Magtele t doo hon ts aard zij d haar ten lasten van den gev: Carolus gelegde bij Continuatie in zijn facie heeft staande ge houden zoo als UE: acttbe dit een en an„ =der /:des gelievende:/ breeder gedetailleerd, zoo uit de scour acte en Chirurgicale Certificant als verklaring door gem. Beijer en Relaus door meergem: Magteld gegeven, kunnen ontwaren Dat den R. O: Vertomer vertrouwende gem. Carolus bewust zijnde, van een boos voornemen tot t om't levenbrengen van gem: Magteld, door eene der gelyke langduurige gevangenisse als deselve heeft onder- gaan, wel eens zyn geweeten inspraakt en bij dus tot de Confessie van dien zou zyn gekomen, daar van egter geen de minste schijn zich tot hier toe hebben „de opgedaan de R:O: vertooner als nu ook ver= meent alleenlyk aan hem overgebleven te zijn te onderzoeken, welke misdaad door gen: Carolus gepleegd zij, en hoedanig dezelve zoude behoren te worden ge= Corrigeerd:— Dat wanneer men nu alleenlyk oppervlatting 't instrument waar van zig gem Carolus heeft be =dien, als zijnde een met, wil neegaan, men daar uit in denzelver Carolus een bods en listig voornemen zou moeten suppeeren; doch zoodra men 't zelve zoo wel als de daar meede toegebrag„ „te worden naauwkeurig examineerd zal de suppo= sitie van zelve vervollen, want uit de toegebrag =te worden klaar bewesen is, met het zelve geen enhele gevaarlijke, veel minderdoodelyke ma „de t hebben kunnen worden toegebragt Tene dat de dood daar op gevolgd Zinvercents Aan behalven behelven dat zelfs de daar meede opvervlaken =kig toegebragte kewetsingen binnen zeer wynige daa =gen volkomen genoten zijn; gevolglyk gem: Carolus over niet meer aersprakelyk te zijn als over deselve indiervoegen toegebregte worden En zal vervolgen hij die een ander met voornemen om hem van 't leven te bevooren eenig wirden toebrengt zonder dat de dood daarop gevolgd zij, geenzints met de gewoone straffe der dood- sligs, maar alleenlyk met geesseling en bannis- sement gestroft worden, dan zal men spoedig 't teegenswoordig geval geproportioneerd met die algemeene Wet, ten naaste bij kunnen vinden hoedanig gem: Carolus daar overzou behoren te worden gecorrigeerd voor al wanneer „men t' gevoelen der meeste Crominalieten daar omtrent gadeslaat, vant zeggen zij de zijligste weg te zyn, dergelyke ge¬ vollen aan 't Regters willekeur over te laten die uit de omstandig en hoede nigheeden van feiten en personen best zal kunnen oordeelen hoedanige Stroffe ten deezen oprigte plaats zal moeten vinden; en't is op gronden van dien dat den RO: vertor ver /:onder Correctie/ vermeend, gem Geve Ca rolu door een dergelyke langduarige Gevange „nis na den inhoud der Wetten een geevenreedig= =de striffe reeds te hebben ondergaan, hij F gevolglyk op vrye voeten zoude kunnen worden gesteld de E. I. Vertoonders on„ „der Eerbiedige reverentens egter van begrip is eene dergelyke relaxatie ligtelijk andere on aangenaame gevolgen zoude kunnen opleeveren; de de R. O: vertomnen 't raadsaamt heeft geoordeeld dit een en ander te brengen onder 't oog van re wel Ed achtb. niet twiffelende of uwelEd. achtb. e zullen na deszelver prudentie en verligter kinder zoodanige dispositie nee„ „men als naar Rechten zullen oordeelen te behoren (Was geteekend:/ H: L: Bletterman /:in margine:/ Exhi„ bitum in Judicio den 6 Jann 1789. Door ordre van den E. Heer Landdroo van Stellenbosch en Drakenstein heb ik ondergeteekende ter Drosdije ten overstaan van de Rechterlyke Commissie gevisiteerd de slaven meid toebehorende aan den burger David Beijer gen: Magteld, en aan haar bevonden 2„ eene wonde aan de binkerkant en inder te van het Strotterhoofd, nog een aan de hoek van het onderste kakebeen, een boven de oog een op de borst en een op de voorste linger alle deeze worden zyn geweest aan de linkerkand van het ledaam, doch penetreerde niet verder als door de gemeene bedeksels /:onderstond:/ Tot teekend en waarheid hebbe deze eigen handig onderteekend stellen den 14 april van /geteekend/ T. F. M Briers Op Maandag den 14e April 1788: hebben de ondergeteekend eemraden ten over- staan van den Heer Land:drost inde g'ad= sisteerd door den Secretaris en Chrrurgin Pe„ „trus Franciscus Melchior Bries /: op gedaan Rappot van den Burger Johan David Beijer dat een zyder Slevinnen in na= =ne Magteld van de Caat door zijne Sloaf Carolus van Mosanbique op 't onver„ =wart en Ee 9. droo

NL-HaNA_1.04.02_11022_0038 view scan ↗

English

had been attacked and certain wounds were inflicted upon her; the body of the said slave woman, which had been brought here for inspection by the aforesaid Beyer, was examined, and on it the following wounds were found, namely: one on the left side of the larynx, a second on the left side of the collarbone, another likewise on the same side on the corner of the jawbone, which aforesaid wounds the undersigned establish were inflicted upon her with a blunt knife, as they penetrated no further than through the epidermis. Also at the same time a cut was found on the left hand below the thumb, which she testified was caused by wrestling the knife away from him. Underneath stood: Done and dated out in Stellenbosch. Signed: E. Wium, C. Joel Ockerman. In my presence, signed: A. A. Faure, Secretary. Articles drawn up and submitted to the Honorable Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, on which, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the prisoner slave Carolus of Mozambique is to be heard, his responses to be recorded in the margin hereof. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the slave Carolus, who to the adjacent questions gave such answers as are recorded beside each question. Article 1. The prisoner's name, age, birthplace. Says Carolus of Mozambique, aged about 25 years. 2. Whose property he is. Says David Beyer. 3. On which farm the prisoner resided. Says on the farm of his master located here in the district of Klapmuts. 4. Whether he the prisoner knows his fellow slave Magteld of the Cape. Says yes. 5. Whether he the prisoner made repeated requests to the said Magteld to have carnal conversation with him, and whether that was not refused by her every time. Says no. Article 6. Whether he the prisoner, having become angry over the refusal of the said Magteld, continually cursed her, threatening that he would get her yet. Says no. 7. Whether he the prisoner, on Sunday the 8th of the month of April last, in the afternoon, saw the aforesaid Magteld going with the child of her master named Marthinus and her little sister Cato about a quarter of an hour from the residence to the place called de Knolhoek for his master. Says yes. 8. Whether he the prisoner immediately followed the said Magteld, came to the vineyard on the aforesaid farm, and having approached the said Magteld, attacked her from behind and threw her to the ground with an open knife in his hand. Says that he the prisoner, having been drunk on that day, did indeed go after the slave woman Magteld with a knife in his hands; however, that he did not intend to do her any harm, but only wanted to play with her. Article 9. Whether he the prisoner then with the said knife gave the said Magteld a stab in the throat near the windpipe, and after that, further downward, inflicted another stab. Answers that, having been drunk, he said to the said Magteld that she had to get out of the way, and that she then, by throwing her head downward, fell with her neck into the knife. The aforesaid slave woman Magteld, being present, says to the face of the prisoner that he, having thrown her to the ground, had wanted to cut her throat with the knife, which however, because she had scarves around her neck, had no effect, while subsequently during the wrestling the wounds were inflicted upon her neck. The prisoner persists in the negative, adding hereto that he had been drunk, and would have had no trouble (if he had intended to do so) to do away with the said slave woman. Article 10. To show the prisoner the knife, and ask whether this is not the very knife which he had in his right hand. Says as before. Article 11. Whether the aforesaid Magteld, by wrestling and holding his prisoner's hand tight, prevented him the prisoner from doing so. Says no, that Magteld lies. Article 12. Whether he the prisoner, after that, sought to inflict several more wounds on the said Magteld's chest; but because the aforesaid Magteld held the hand in which he the prisoner held the knife fast, he inflicted only two superficial wounds on her collarbone and chest. Says no. Article 13. Whether the aforesaid Magteld, having during the continuous wrestling seized the knife and become master of it, thereby received a cut through her left hand, and she then threw it away. Says, since he was drunk, he does not know whether Magteld grabbed the knife or in what manner she received the cut through the hand. Article 14. Whether he the prisoner thereupon, having searched for and found the knife, fled. Says he kept the knife in his hand. Article 15. Whether he the prisoner, the 5th day thereafter, was captured by his fellow slaves in the vicinity of his master's farm. Says after the passage of three days he came home of his own accord. Article 16. Whether he the prisoner, during his abscondence, stayed in the vicinity of his master's farm with the intention of killing the aforesaid Magteld. Says no. Article 17. Whether he the prisoner, on the day of his capture, in the presence of his master and mistress, said to the aforesaid Magteld: I will get you; if I must die, you must die too. Answers that his master, having had him the prisoner tied up, then said that he the prisoner must now die, without he the prisoner having said anything either to this or to Magteld. The slave woman Magteld maintains to the face of the prisoner the truth of this matter. The prisoner persists in his answer, saying that Magteld lies about everything. Article 18. Whether he the prisoner knows he has committed a great crime and has thereby deserved a heavy punishment. Says no. 19. Whether he the prisoner knows anything to submit in his defense. Says he did no harm. Underneath stood: Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope on 25 June 1780, through interpretation.

Dutch transcription

was aangevollen en aan dezelve eenige wor „ders waren toegebragt:/ 't lichaam van gem: Slavinne dat door evengem: Bijer alhier ter schouwinge was aangebragt bezigtigd, en aan 't zelve bevinden de volgende worden als: eene aan de linkerzyde van 't Strottenhoofd een dito aver weede aan de blinke sijde nt sleutel, been Een d. o meede op dezelve zijde op de hoek van't kakebeen, welke gem: wordende onderget: vast stellen door een stomp wet aan dezelve te zun toegebragt, als zijnde sulks niet verder dan ens door de de opperhuid geperetreerd Eernye teffens indelin- kerband benede den Auim een sneede bevonde zynde, die gum lieven getuigde doort ontwel dige van 't weste hun verorzeekt /onderstond Actum datum uit Seepten /:geteekend:/ /lager E: wium C: Joel Ockerman Vin perceent/: geteekend/ A: A: Baurl centens. 4. Articulen gedaan maak en aan de Heeren Gecommitt: uit den E: Achtb: Raade van Compareerde voor de ondergeteekende Gecommitt:s uit den E. Achttb: Raad= Justitie van Van Custtie dezes Gouvernements den slaaf Carolus dewelke op de nevenstaande draagen zoodanige antwoorden gegevven heeft als belyden ydervraag taat aangeteekend. Opt: 1. Des Gere Naam) ouderdom Legt Carolus van Mosambique oud gebooote Plaats ne gissing 25 Jaren Legt David Berijer Zegt op de plaats van syn Lyf„ hier onstreek de klap smuts geleegen. Legt zegt nien off hij get tot herhaalde hj ged kant zin meede of Starin Magteld vande Caar 4. op welke plaat hy Ged. . is wonagtig geweest. Wiens Lfligene hy is Justitie dezes Gouvernements overgegeven inwe daar op ter requisitie van den Landdroot van Stillenbroch en Draken tein Hendrik Lodewijk Bletterman te worden gehoord den gevangene Hoof Carolus van Mosanbigue, Sullende desselfs te gevene respensiven in mar= gine dezer behoren bekend gesteld te worden zijt el 2 3. Test ƒ Eijzen bij dezelve Magteld aanzoek heeft gedaan om met hem get vleeschelik te Converseeren en of dat niet telkens door haar is afgeslagen Not: 6. off hij Ged. over het resses van gem Magteld toornig gevorden zijnde, haar daarom gedeurig gescholden; bedrygt haar toe wel eens te zullen inden off hy her. op Zondag den 8 der maand Amil LZ: voorsz Masteld des nademiddags met 't kond en huur Lijsheer Marthinus ge naamd, en hoorklyne suster Crte heeft zien gang voar zyn Lyfhier een quartier uur om de woonplaats de Knolkoek genaamd off hij Get: terstond dezelve mag„ Legt dat hij Gede in dien dag beschor„ =teld gevolgt is bij de Wimgaard in ken geweest zijnde, wel agter de de voorsz: Plaats gekomen, en gem: Slavin Magteld met een mes Mogteld genoderd zinde, haar van in der handen gegeen is; edoch agteren aangevallen en op de aarde heeft dat hy haar een kwaad heeft gewopen, met een blort mes in de zullen doen, maar alleenlyk met hun heeft willen Poeel. hand Ant. 9. Den Legt neen ƒ. 8. Zegt Ja„ of hijtged:e dezelve magtels als Antwoord dat hij dzashen geweest zijnde toen met 't zelve Met een steek aan tegens gem: Muyteld gezegt heeft, dat zij uit de Weg moest gaan, de halv by de strot, daar na verder benederwoord, nog een steek heeft toe en dat zi als toen door haar hoofd nuer beneden te slaan gebragt met de hals in het wel gevall was; De voorsz: Harin Magteldborng heedende zegt inforie van de Get: dat hij haar tegen de grond gesniets hebbende, haar met het met de kiel had willen afsoijden, 't geen nogthans vermits zij Roeken om de hals had, van geen effect was geweest, terwyl haar vervolgens onder het worstele de winden in derzal zin toe= gebragt. de Ges, blyft bij de negative, hier bij volgende dat hij dzen„ ken geweest was, en geen moeyte te zullen gehad hebben om (wanneer hij dit voornemens was geweest./ gem Slarin van Hant te helpen Zegt neen, dit magteld ligt zegt als voen off hij Ged. daar nu gem. Magteld Art: 1: off irnst: Magteld, door het warste„ =Een en zyn gere hand vast te houde hem ged: deur in heeft verhinderd. „ 10 Den Ged: 't mes te vertoenn ofte nogen: of dit niet is 't zelve wes het welk hij in zyn regter hand heeft ge„ „had Art. 9. nog 12: Zegt terwil hij drchen geweest is niet te weten off magteld in 't mes gegrepen dan wel op wat pofze zij de sneede doorde hand beken heeft. zerst het mes in zyn hirde gen off hij Ged: daarop het mes opgezogt en gevonden hebbende, gevlugt is houden te hebben. zegt na verloop van drie dagen of hy Ged: den 5: dag daar na door zelf thuis te huis gekomen te zine meede slaven omstreets zin Ligchier Plaats is gevangen genomen 3. of hy Ged:e geduurende zyne anfagie mestreeks de Plaats van zyn Lijfheer zich heeft opgehouden met oogmerk on oonsz Magteld om 't leven te brengen „ 14. off voorw Magteld door het geduurig worstelen in het man gelost in 't zelve mugtig geworden zynde, daar door een sweede door haarlinker hand heeft bekengn en zy 't wel als toen heeft weggertrgen. Brt: B. nog diverse Worden op de borst heeft gepoogd toe te hengen; doch door dien voorsz Masteld de hand waar in hij vost ged: 't mis kield haar slegts twee op vervlutkige sonden op 't Sluutel been en de borst heeft toegekogt Nor. 17 zijn. Legt neen ƒ „ 16. 15. hebbende doen vastbinden als toen gezegt heeft dit hij ged mi sterven moest zonder dat hi ged zoo min hier op al tegen Magteld iets gezegd heeft.— De Harin Magteld houd in facie van de Get: de woorheid dezer saal staande — de gev. peristeerd bij zyn antwoord: zeggende dat Magteld al= les liegt zegt neen. zegd geen kwaad te hebben ge /:Onderstond Aldus Gevraagd en beantwoord aan Cabo de Goede Hoop den 25 Junij 1780. bij 19 of hij Gev=e ook iets tot zijn ver= Veroning weet in te brengen „ 18. of hij Get: weet groot knaad ƒ gedaen en door door Zwaale Straf te hebben verdiend. Art. 17. d neeming ter praesentie van zijn Lipheer en Lyfvrouw aan voorsz: Mag- steld heeft gezegd: ik zal je wel zult krygen als ik moet sterven moet zij ook stevven Antwoord dat zyn Lyfhier hem ged: of hij Gedden dog zijner gevangen vertolking daan.

NL-HaNA_1.04.02_11022_0044 view scan ↗

English

go The declarant further stating that the aforementioned Carolus, having been captured five days after this incident and brought to the estate, had substantially added to her in the presence of her master and mistress: I will get you yet; if I must die she will die too. Relating nothing more, the declarant gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared always to confirm the above further. Below stood: Thus related at Cabo de Goede Hoop the 25th of April 1788 before the gentlemen Commissioners Johannes van de Riet and Johs Smuts, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the declarant and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: W J: Ryneveld Clerq. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government aforesaid, Magteld van de Caab, who, having this her aforesaid narrative clearly and distinctly read to her, declared to persist therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, except only that the words of the aforementioned Carolus appearing at the end of the declaration were uttered thus: if I must die, then she must die too and I will get you yet; affirming for the rest in the presence of the slave Carolus that all the above is the pure truth. Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop the 23rd of June 1788. Signed. And written around: this mark was made by the declarant's own hand. Lower: in my presence. Was signed: WJ V Rijneveld LClercq. In the margin: as Commissioners, signed: C: Mappa and G: H: Meijer. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government the burgher Jan David Beijer of competent age, who at the requisition of the Merchant and Landdrost of the Colonies of Stellenbosch and Drakenstein declared how true it is: That on a certain Sunday in the month of April, without the appearer being able to determine the precise date, the appearer's female slave named Magteld, having obtained permission from the appearer to go out walking to the appearer's lower-lying farm named de Knolhoek, situated about half an hour from the main homestead, she, Magteld, had also then departed thither shortly after the meal, around half past one o'clock. That the appearer, having been out walking with his wife until half past three o'clock and subsequently having come home, had learned from the people that the aforesaid Magteld had been stabbed with a knife on the road by the appearer's slave Carolus, and the slave of the man Andries Arrak, named Philander, who had been on the aforesaid place de Knolhoek, had escorted her to the homestead. That he, the appearer, further having asked the aforementioned Magteld, whose clothes were completely bloodied, why and in what manner she had been stabbed, had received as an answer from her: that Carolus, having unexpectedly attacked her from behind and pulled her to the ground, had wanted to cut her throat with a knife, while she, by means of struggling, after having received only a few stabs in the neck, had wrung the knife out of his hands and thrown it away into the field. The appearer having then discovered on the aforementioned Magteld stabs to the throat and some scratches on the chest and in the neck, as well as once also in her right hand, and subsequently brought the same Magteld to Stellenbosch for the examination of the requisitionist. That the mentioned Carolus had not come home at that time and, having been captured five days thereafter and brought to the estate, he, the appearer, then taking the same to task over this committed act, had asked whether he well knew that he had to die, to which the aforementioned Carolus, who speaks Dutch very poorly, had answered nothing other than: the maid is not dead yet, if the maid is dead I will also be dead. Certain words having then been uttered by the aforementioned Carolus in Portuguese toward the aforesaid Magteld, without the appearer, being unable to understand anything of the Portuguese language, being able to say anything thereof. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, always to confirm the above with an oath. That this thus passed at Cabo de Goede Hoop the 23rd of June 1788 before the gentlemen Carel Mappa and Gerrit Hendrik Meijer, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness. Signed: W J V Rijneveld Clerq. Below stood: Further articles drawn up and handed over to the gentlemen Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government by and on behalf of the undersigned Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman R. O. in order for the prisoner slave Carolus of Mozambique to be heard thereon at his requisition, his answers to be given having to be duly noted down beside each article. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the prisoner Carolus of Mozambique, who to the adjacent interrogation articles has given such answers as are noted beside each of the same. Art. 1. Whether he, the defendant, did not become angry with his fellow slave Magteld because she would not carnally cohabit with him. Says: I am not angry, was drunk. Art. 2. Whether he, the defendant, therefore on Sunday the 14th of April of this year pursued her with an open knife in the hand. Says that he did not seduce the aforesaid slave, but had gone together with her; that the same slave called to him, the defendant, and that he then, in catching her, accidentally touched her with the knife. Art. 3.

Dutch transcription

gaan Verklarende de Eelke verder dat gem: Carolus vijf dagen na dit voorval gevangen genomen en op de Plaats ge =bragt zynde, haar nog in tegenwoordigheid van haare baar en Jusf„r Substantieelyk had toegevoegd ik zal je wel krijgen; als ik moet sterven zal sij ook sterven Niets meer relateerende, geext de Relt= voor ree„ denen van wetensdor als inden Text, bereid Zynde het vovenstaande altoo nader te bevstigen. „onderstond Aldus Gevelateerd aan Cabo de Goede Hoop den 25e April 1788. voor de Heeren Runs Johan= nes van de Riet en Johs Smuts Leeden uit denl: Ochtb: Heed van Justitie vorn, die de prin =nute dezes benevens de zelte en my Gezw Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /Lager/ T welk ik getuige /:was geteekend:/ W J: Ryneveld Clerq Compareerden voor ons onderget. Gecommittt uit den E. actb: Raad van Justitie dezes Gouvernements voorn Magteld vande cab ecollement dewelke dewelke deeze haare vorenstaand Relaas klaar en duidelyk voorgelezen wetende, verklaar- =de daar by te blijven porsisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, als alleenlyk dat de woorden van gem: Carolus in 't slot ree- ter verklaring voorkomende, dus danig zyn geuit: als ik moet dood, dan moet sij ook dood en ik zal te wel krygen betuigende dezelve voor 't overige in praesentie van de Hlaaf Carolus dat alle het oorenstaande dezuirge waarheid is. Aldus Gerecolleerd aan Cabo de Goede /:en Hoop den 23 Junij 1788 /geteekend:/ omschreven: dit werk is door de relte eigenhan- dig gesteld /:lager) mij praesent /:was geteekend:/ WJ V Rijnerel LClercq /:in margine:/ al Getommist s /getekend:/ C: Mappe en G: H: Meijer Compareerde voor de ondergeteekende Ge= Commits. uit den E. actbb: Raad van Justitie deze Gouvernements den Burger Jan David /:onderstond:/ Beyer Beijer van Competenten ouderdom, dewelke ter requisi „tie van den Koopman en Landdrost der Colonien Stellenbooch en Drakenstein verklaarde hoe waar is: Dat op zeekeren Zondag in de maand April, zonder dat de Comp„ten de praecise datum kan bepalen, des Comp„s Slarm in naame Magteld van de Comp. t. per„ missel bekomen hebbende, om na den Comp:ts ondersloorende Plaats genaamd de krolhoek, omtrent een helf uur van de woorplaats geleegen uit windeler te gaan, zij Magteld ook toen kort na het Eeten onstreeks van 67 helf twee uuren, derwaards was vertrokken. Dat de Comp tegen halff Vier uuren met zin vrouw uit wandelen, geweest en vervolgen thuis gekomen zijnde, van het volk vernomen had, dat voorsz: Marteld op wegdoor des Comp s slaaf Carolies, met een mes gestoken was, en de zich op voortz Plaats de knolhoek bevonden hebbende slaap van de Mant andries Arrak in naame P hilander, haar waar de woorplaats begeleid had. L Dat hy Compt. voorts evengem Magteld, wiens kleederen geheel bebloed waren, getraagd heb„ bende, waarons en on niet wijze zijn was gestoken geworden ? van hierr had ten antwoord bekomen: dat Carolus haar onverwagt van agteren overval- len van tegen de grond getrokken hebbende, haar met een mes de keel had willen aefvnijden, termije hij door val morstelen, na alleenlyk eenige steeken in de hals te hebben bekomen, het mes uit zijn houden „ handen gewrongen en in't veld weg gesmeeten had. hebbende hy Compt als toen aan gem: Magtel steeken aan de keel en eenige schrappen op de borst en in denck, mitsgds eens meede in haar regter hand, ontdekt, en dezelve Mogteld vervolgens ter examinatie van den Requirant naer stellenbord gebragt. Dat gerepte Carolus op dien tijd net thuis ge„ =koren en vyf dagen daar na gevangen genomen mitsgrs op de plaats gebragts zijnde, hij Compt. den selven als toen over dit gepleegde te reede stellende, hod af- gevraagd of hy wel wist dat hij misterven ingest, op 't welk gem: Carolus die zeer gebrekkig Holland ik sweekt, niet anders geantword had als: de meid is nog niet dood, als de weid dood zal ik ook dood. Zynde door gem Carolus als toen wel eenige houden in 't Sigtugeerde tegens vortig magteld geuit zonder dat de Compt: als kunnende van de Portiegiersche twil niets ver- =staan, iets daar van weet te zeggen. Niets meerverklarend, gelft de Comp t voor ree denen van wetenschap als in den Text bereid zynde het voorenstaande des gerequireerd wordende altoos met eede te staven Dat alsus passeerde aan Cabooe Goe„ de Hoop den 23 Junij 1718. inde Heeren Carel Mappa en Gerrit Hendrik Meijer Leeden uit den I. aelts Rend van Jutistie voorm: die de minute dezes bene- vens de Compt en my Getp Clercq meede behoorlyk hebben onderteked (leger:) 'E welk ik getuigen /:geteekend:/ W W Rimereld Hen /:Onderstond:/ Vadere Articulen ge Compareerde vorens onder geteekende Gecommitt s uit den E actb Roadvonsus daar maken en aan Heeren „titie deezes Gouvernement Gecommitt s uit den E: achhb: ders Cenf Carolus van Mo= Raade van Justitie deezes Grouver„ ƒ „ samtique dewelke op de =nements overgegeven door ende van nevenstaande vaugarticule wegen den ondergeteekende Land= zoodanige aentworden gegeven heeft drost van Stellenbroch en Dra„ als bezyden een yder derzelve kenstein Hendrik Loderijk Blet„ stout aangetekend. terman R. O. omme daarop ter zyne requisitie gehoud te worden den gedan- =gene Slaaf Carolus van Mosam= i brqne, zullende zyne te gevene ont„ worden betyden ider articul behoor- lyk moeten werden bekend gesteld. Art. 1. of hij Ged: niet op zyn meede slarin magteld boos is geworden om dat zij met hem niet vleeschelyk heeft wielen Conveneeren zegt deworstz slain met verlyd of hij Get: daar om in Zondag de 14. e April deezes Jaars met een bloot maar met huar te zemen geguan mes in de hand haar agtervolgd is te zijn; dat de selve slam hem ged heeft aangeroepen en dat hij haar als toen bij het onvange per ongeluk met het mes gerakt heeft. aar dronken geweest. Zegt niet ik ben niet kwaad Art. 3. 1 ƒ : „ 2.

NL-HaNA_1.04.02_11022_0049 view scan ↗

English

Article 3. Says to have held the knife in his hands while playing with the said female slave. No. 4. Whether the interrogated person, being prevented therein by the cloths which the said Magteld had around her neck, then inflicted two stabs in her neck and subsequently several wounds on the chest? Says no, and further as to Article 2. No. 5. Whether the interrogated person did not thereupon attack her from behind, throw her to the ground, and then attempt to cut her throat? Says never to have cut nor stabbed the aforesaid female slave, but only to have hit her unintentionally while swinging it about. No. 6. For what reason the prisoner pursued her with the bare knife in hand? Says that he might make her afraid. No. 7. Whether the interrogated person did this also to make her conscious? Says yes. Article 7. Whether the aforesaid Magteld wrested the knife from the prisoner and thereby received a cut on her left hand? Says that the knife was taken out of his hands by her playfully. Article 8. Whether the interrogated person fled upon this? Says to have fled because he had been drunk, and subsequently, when he had become sober again, to have gone home. Article 9. Whether the interrogated person on the fifth day thereafter, having been the Friday, was not taken prisoner by his fellow slaves? Says to have come home himself. Article 10. Whether the interrogated person was brought to the prison on the very same day? Says: Yes, as to Article 2. Article 12. If the accused should still continue to deny all this, he was then to be asked: Whether the interrogated person, on that Sunday when he inflicted the wounds on the aforesaid Magteld, had also been drunk? Says yes. Article 12. Where and from what he obtained that drink? Says to have drunk from a jug of wine that was brought by him from the cellar to the house. Article 14. Whether it had been wine or brandy? Says wine. Article 15. Whether the interrogated person also, possibly carried away by the drink, out of an old grudge or hatred against the aforesaid Magteld, inflicted the wounds on her? Says to have had nothing against the aforesaid female slave; everything having happened in play. Article 16. Whether the interrogated person at his apprehension did not see himself that on the aforesaid Magteld two wounds on the neck and several scratches on her chest inflicted with a knife were present? Says no. Article 17. In what manner the interrogated person then thinks that the aforesaid Magteld came by those wounds and injuries? Says as to Article 2. Article 17. Whether his master asked the prisoner if the interrogated person well knew that he now had to die, and what was answered thereto by the interrogated person? Says that his master, having said in this instance, there it is good, mother-fucker, he, the interrogated person, answered nothing to that. Article 18. Whether the answer of the interrogated person to his master had been thereto: the maid is not dead yet; if the maid is dead, I will be dead too? Lapses. Article 19. For what reason the interrogated person pursued her? Says to have spoken nothing. Article 20. Whether the accused on that Sunday when the same Magteld was wounded and received those different wounds, did not himself confess to having pursued her with the knife in hands? Says no. Article 21. Whether the interrogated person does not understand then to have done great evil and to have deserved heavy punishment for it? Says not to have stabbed the maid. Article 22. Whether the interrogated person also knows to bring forward anything for his excuse? Says as before. Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on the 20th of November 1780 before Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Gerrit Hendrik Meijer, members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the witness and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness signed, W. J. van Rijneveld, Sworn Clerk. Agrees. Underneath stood: Secretary, W. J. van Rijneveld. Statement and documents of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, against Carolus of Mozambique, slave of the Burgher David Beijer. Register of the 1. Statement 2. Surgical Report concerning the examination of the female slave Magteld 3. Report of Heemraden concerning the examination of the female slave Magteld 4. Interrogation of the slave Carolus of Mozambique 5. Account of the female slave Magteld 6. Declaration of the Burgher Jan David Beyer 7. Further Interrogatories answered by the aforesaid slave Carolus Appeared before the Honorable Lord President and Council of Justice of the Castle of Good Hope, the pro interim Fiscal G. Caster, ex officio plaintiff in a case of atrocious injury, on the one side, against The Burgher Joachim Daniel Hubner, defendant in the aforesaid case, on the other side. 1. And stated: 2. That the defendant aforesaid, on Monday the 11th of the past month of August, just before noon, 3. passing by the house of the Burgher Hermanus Gerardus Keeve, and having noticed on the stoop with the same and some officers the Burgher Lieutenant, the brave Jonas Albertus van der Poel, 4. called the last-mentioned van der Poel to him into the street to speak with him; 5. that the defendant, after having conversed for a while, thereupon turned toward the abovementioned Hermanus Gerard Keeve, calling out to him: Manus, hear this! and 6. Keeve having gone up to the defendant, 7. the defendant asked him why he had invited him so late to the funeral of Petrus van der Poel; 8. that Keeve having answered that he had not been able to do so earlier, 9. and further several words having been exchanged, as becomes further apparent from the annexed account, 10. the dispute rose so high that the frequently mentioned Keeve, in order not to suffer further affronts, retired onto his stoop; 11. that the defendant, then not yet content, holding the cane under the face of the aforesaid Keeve, added to him: 12. If it were not on the street, I would teach you something else; 13. which was answered by Keeve by saying: Yes, you are used to threatening, for I have heard well that you did not refrain from doing this to your own mother, for which Mr. De Wet beat you on the stoop next to the house of the clerk; 14. the defendant then departed first with the reply: I will go and ask Mr. De Wet that. 15. That

Dutch transcription

zegt het mes alspielende met dezelve slavin in de handen geheid te hebben. neer zegd Zegt neen en voorts als op art. 2. zegd de voorsz Slauw noot gesneeden, noch gestoken, maar alleen met het ondva„ =ien onvoortiens getroffen te hebben of hij Get: door de doeken die dezelve magteld im de hal rend, daar in verhinderd zijnde, haar als toen twee steeken in den hals heeft toegebragt en vervolgens eenige suetri„ „ren op de borst! of hij get: haar daar op met van agteren overvallen. tegens de aarde geworpen en als toen getragt heeft de heel ofte smyden 2 of hij Ger: zulks ook heeft ge- doan om haar beweest te ma =ken! Om welke reeden hy Gev: met 't bloote mer in de hand haar agtervolgd is 2 Not. 3: No. 7. „ 4. 5. „ 6. zeest Jn zegd dat het mes door haar speelende uit zijne handen ge= =nomen is. zegt om dat hij dronken geweest is, gevlugt te zijn, en zich vervole =gens, toen hij wederom nugters genor= den mas, naar huis te hebben begeven zegt zelve te zijn neur huis gekomen Zegt. Ja als op art: 2. zoo den ged: dit alles nog mogte blijven negeren hem als danr afte of hij Get: dien Sondag toen 29 get. voorz: Magteld denorde heeft toegebragt, ook tesdron- vroes: of hij get: den eigenste dag naer 't gevangenhuis is gebrgt 9. of hy Get: den vyfde dag daar na zynde geweest den Vrydag niet door zyne meedesleever is ge- vangen genomen. of hy Get: hier op gevlugt is . of voorz: Magteld hem gev: t mes intweldigd en daardoor een snede in haar linkerhand heeft bekomen Art. 7. Art 12. „ 8: „ 10„ ken is geweest2 Nt. 12. Waar en van men hij dien hij zegt uit een kan wijn die door hem van de kelder naar draak heeft bekomen huis gebragt wierd, gedunken te hebben. zeyt wyn. zegt niets tegen woork sla rin gehad te hebben; zijnde alle in het speelen toegezaan. zegt neen. zeggt als op art: 2. op welke wyze hi Get: don meent dat voorsz: Magteld aan die kwetzuuren en worden gekomen is of hij Get: bij zyn gevangenneeming niet zelf heeft gezien dat aan voorsz: Magteld twee kwetsuren aan danhals en verscheidenschrap pen op haar borst met een mes =toegebragt, zich bevinden. „ 15 of hij Get. ook mogelyk door den drank vervoerd, uit een oude wok of haat opvoorsz: magteld, haar de vonder heeft toe- gebragt 14. 10 of het wijn of Brondemijn is ge- west 2 „ 16. Art. 17. zegt neen. Vervald of zijn Ger: Liffheer den gev: heeft zegt dat zyn baas is Rit £ gevraagd of hij get: wel west dat nu stantie gesegt hebbende, Sterven moest, en wat door hem get: har 't is goed Moemmeuker. daar op geantwoord is. hij get: daarop niets geantword heeft zegt niets gesproken te hebben. zegd de weid niet ge- stoken te hebben. of hij get: dan niet begrypt Groot kwaad gedaan en daar over zware Stritfe te hebben verdiend „ 21. of 't antwoord van hem Ger: daar zijn Litheer daar op is geweest: de weid ls nog niet dood; al de meid dood, zal ik ook dood. 18. om welke reeden hij get: haar ag= is tervolgd of hy Ged: op dien Zondag toen dezelve magteld gekwetst is, en die differente worden bekomen heeft, niet zelfs heeft beleeden, haar met 't mes in de handen te zyn agter„ volgd 2 Nrt: 22 „ 19. „ 26. zegd ab voren of hij her: ook iets tot zijn ver schoning weet in te brengen Nrt. 22. Aldus Gevraagd en beant„ word aan Jabo de Goede Hoop den 20e Novbr 1780 voor de Heren Rino Johannes van der Riet en Gerrit Hendrik Meijer Leeden uit den 7. acttb: Raad van Justitie voorn: die de minute dezes benevens de get: en mij Gezw: Clercq meede behoulyk hebben onderteekend /:lager:/ Welk ik Getuige geteekend / WW Rijne= =veld GClercq Accordeert /: onderstond Secret. WJ Rijneveld ƒ Vertoog en stukken van den Landdroot van Stel lenbroeh en Drakenstein de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman Carolus van Mosantique Hauf van den Burger Da- vid Beijer. Contra 6 Register op het 1. Vertoog 2 Chirurgicaal Repport nogens 't isiteeren van de Sarin Magteld 3. Rapport van Heemraden wegens 't usiteren in de Harin Magteld 4. Jnternegating van de slaef Carolus van Morambeque 5. Relaas van de Slavin Magteld 6 6. Verklaring van den Burger J Jan David Beyer 7: Nadere Interrogatorien over voors 3 Stux Carolus beantword Compareerde voor den E: Achtb: Heer Praesident en Rade van Justitie des Cas= teels de Goede Hoop den pro Interem Fis= caal G: Cxter, E:O: Eijscher in Cas van atro= ce Injurie, ter eenre Contra Den Burger Joachim Daniel Hubner get: in voorsz: Cas ter andere zijde 1. / En deede zeggen: 2. / dat den ged: voorm: op Maandag den 11:' der gepasseerde Maand Au= gust: even voormiddag 't huijs van den Burger Hermanus Gerardus Keere voorbygaande, en met denzelven en eenige Officieren den Burger Lieutenant de manh:d Jonas Albertus van der Poel op de stoep ontwaard hebbende. den laatstgem: van der Poel bij zich heeft op de straat geroepen, om met denzelven te spreeken 5. / dat den getl: na een poosje zich onderhouden 3. onderhoudente hebben, zig daar op tee„ gens bovengem: Hermanus Gerard Kee ve hebbende gekeerd, en toegeroepen: Manus hoor hier! en 6. / keeve naar den gedl: toegegaan zijnde 7. , den ged: denzelven heeft afgevraagd waarom hij hem zoo laat op 't begraaffe¬ nis van Petrus van der Poel had ver„ zogt dat van keere geantwoord zynde geworden dat denzelven zulks niet eer had kunnen doen, En voorts nog verschijdene woorden gewis- 9. Celd zijnde, gelijk uijt den annexen relaas nader komt te blijken, 10: den disput, zoo verre is gereezen, dat meergem keere om geen verdere affronten te ondergaan zich op zyn stoep heeft geretireerd. 11. / Dat den getl: als toen nog niet te vree= den voorsz: keere den rotting onder 't gezigt houdende, heeft toegevoegd: 12, als 't niet op de straat was, dan zouw ik jouw wat anders leeren; 13: 't geen van klere beantwoord zijnde met 't zeggen: Ja 't drijgen zyt gy gewend, want ik het wel gehoord dat gij dit aan uw eigen Moeder te doen u niet ontzien hebt, waar voor U de Heer De Wet naast 't huijs van de klerk op de stoep geslagen heeft 14. / den ged: dan met de replicq: dat zal ik mijn Heer De Wet gaan vragen eerst vertrokken is. 8„ 15; dat d

NL-HaNA_1.04.02_11022_0059 view scan ↗

English

15. that in the afternoon the morementioned Keeve, proceeding to the house of the manly Abraham de Smidt, in order to attend to the corpse of his deceased wife, 16. and passing the dwelling of the fellow manly Albertus Johannes van der Poel, 17. the defendant, who happened to be standing there on the stoep with his mother-in-law and the wife of Schierhout, 18. and had been politely greeted by the morementioned Keeve; 19. following the same Keeve, dared to presume, while saying: You just said that the Gentleman of the law struck me, now I shall strike you, to first give Keeve a blow with the hand, 20. furthermore raising the cane and delivering four to five blows to the arm and back; so that the welts thereof were completely and clearly visible, 22. and the cane was broken into pieces, 23. without paying any regard to his duties, and without the least verbal nor physical resistance being offered, nor could the shouting of his mother-in-law, Hubner, what the devil ails you, make any impression upon the defendant. 24. as this will further appear to your Honours from the attached account and annexed declaration. 25. whereupon referring thereto, the Honourable Officer Claimant under correction deems it possible to establish 26. that the defendant, in an extreme manner, made himself guilty of real injury, 27. which, due to the circumstances attached thereto, ought to be classified among the atrocitates, and makes the defendant so much the more punishable, 28. while the blow or injury not being of uniform importance, but according to the doctrine of all Doctors being judged with respect to the act, the place and the person, 29. no one will deny that the same was thereby qualified in every manner, 30. for it is without contradiction a very heavy and hard matter for a respectable person, who lives as a citizen in society and conducts himself in an irreproachable manner, to receive cane blows, 31. which the defendant however dealt out in such a manner that the marks of the sensation can serve as proof; 32. and this he committed in the public street, which must be safe for everyone, 33. to a person who was going about the performance of his office, which could suffer no delay, and through the prevention whereof the greatest disorders could have arisen, during a solemn proceeding for which a Christian demonstrates respect and esteem; 34. besides that he did this unexpectedly, coming from the side, without anything having been said or done against him, and not the least reason having been given thereto at that moment, 35. thus this deed was committed with premeditated deliberation, and deliberate will and malice, 36. it is true that the defendant some hours before had disputes with that person, 37. which however cannot in any way possibly legitimate him to such a course of action for satisfaction, 38. and in case of insult could only permit seeking satisfaction before the Judge, 39. but however much the degrees of insult can also be determined according to the laws, no specific penalties are found enacted thereon, 40. and the same are left to the discretion of the judge, to be inflicted, according to the circumstances of the cases, aggravating or mitigating the claim; 40. in which manner the defendant ought also fairly to be punished. On which and other grounds to be further deduced in due time if necessary, the Honourable Claimant, making his demand, concluded that by definitive sentence of your Honours the defendant shall be condemned to a fine of two thousand Cape guilders, to be distributed according to custom, with condemnation in all incurred costs, or to such other punishments or penalties as your Honours shall find and judge to be proper. Below stood: G. Exter. In the margin: Exhibited the 2nd of October 1788. Report given before the undersigned Commissioners from the Honourable Council of Justice of this Government, by and on behalf of the burgher Hermanus Gerhardus Keeve, of competent age, and at the requisition of the pro interim Fiscal here, the Honourable Gabriel Exter, reading substantially as follows: That when the narrator yesterday, shortly before noon, in the company of some Württemberg officers, together with the manly burgher lieutenant Jonas Albertus van der Poel, stood talking on the narrator's stoep, there also arrived the burgher Joachim Daniel Hiebner, who first asked the said manly van der Poel to join him in the street and having spoken a little with him, called out to the narrator substantially: Manus, listen here. That the narrator having then also stepped down from the stoep to the said Hiebner, upon his question why he had invited him so late in the afternoon to the funeral of S: Petrus van der Poel, answered that he, the narrator, had had no time to do this earlier, and that he had still invited several respectable people after him, Hiebner; whereupon the same Hiebner immediately continued by saying: Your duty is to invite the family first and then the strangers, and I refuse to come to the funeral when I am invited later than the strangers; the narrator had answered: and I refuse to come to you first, for you live so far away, and I go according to my district. That the said Hiebner having reacted to this, goddammit, that may be so

Dutch transcription

15, dat 's Agtermiddags meergem: keere naar 't huijs van den Manh Abraham de Smit zich begeerende, 't eynde 't lijk van deszelfs overleedene huijsvrouw te bedienen, 16; en de wooninge van den meede Manh:s Al= bertus Joh=s van der Poel passeerende, 17: den getC: dewelke met zyn schoon moe =der en de huijsvrouw van Schierhout aldaar op de stoep, kwam te staan, 18„ en van meergem: keere beleefdelijk ge groet zin geworden; 19, denzelven keere navolgende, zich heeft durven verstouten, onder 't zeggen: Je hebt zoo even gezeijd dat de Heer de wet mij heeft geslagen, nu zal ik jouw slaan, keere eerst met de hand een stoot te geeven, 20:, Voorts den rotting opligten en vier a vyf slagen op de arm en Eug te geeven; zodanig dat de streemen daar van volkomen en duijdelijk te zien waren, 22: en de rotting in stukken is gebroken 23: zonder eenige rukzigt te neemen op desselfs beezigheeden, en dat niet de geringste mondelijke noch dadelijke teegen= weer gedaan wierd, noch 't roepen van zyn Schoonmoeder, Hubner, wat duyvel schelld Couw„t eenige impressie op den gedl: mogte maken. 24 gelyk zulks UEd: Achtb breeder uyt 't byleggende Relaas; en annexe verkla= ring zal komen te consteeren. 25. d :- 1 21 25. , dan welke zich dierhalven refereerende den E: O: Eysscher /: onder Correctie :/ vermeend te kunnen ,aststellen 26, dat den ged: op eene verregaande wyze, zig aan reëele Jnjurie heeft schuldig ge= maakt, 27, dewelke door de daar meede vervondene omstandigheden onder de alro Ciotes zal behoren gesteld te worden, en den ged zoo veel te meer strafwaardig maakt 28: Terwyl den zoon ofte Jnjurie niet van eenerlei belang zinde, maar naar de Leere aller D D ten opzigte van de daad, Pl.dats een persoon beoordeeld werdende, 29. niemand zal ontkennen, dat dezelve, daar door op alle wizen gejualificeerd verd 30, want 't zonder tegenspreeken eene zeer zwaare en harde zaeke voor eene vise per„ soon is die als burger in de maatschap ti leeft en op eene onberespelijke wyze zig neerd rotting lagen te ontfangen. 31; dewelke den ged echter zodanig heeft uit gedeeld, dat de werken van 't gevoel kunnen doen oordeelen; 32, en dit heeft denzelven verrigt, op publicque straat, die voor een ijder moet vijfig zin, 33. / aan een persoon, dewelke in zyne ampts verrigtinge ging, dewelke geen uijt stel konde lyden, en door diens verhindering de grootste desordres had kunnen ontslaan, by eene pleg¬ lige handeling, waar voor in Chris„ ten Eerbied en achting betooven; 34 behalven dat hi zulks nog onvoor- ziens, van de zyde komende, heeft gedaan, zonder dat iets tegens den zelven is gesproken, ofte gedaan geworden, en in dit egenblik niet de geringste reden daar toe gegeeven zynde. 35. , dus deeze daad met voorbedagt overleg, en opzettelijke wille en boosheid is gepleegd geworden, §6. / Wel is waar, dat den gek: eenige uuren te voren disputen met dien persoon heeft gehadt 37 dewelke hem egter tot een diergelijke handelwijze tot satisfactie onmooglijk naar eenigzints kan legilimeeren 38., en in Cas van belediging alleenig kon permitteeren, de voldoening by den Regter te zoeken. 39:„ maar zoo zeer de graden van hoon ook naar de wetten kunnen bepaald worden, zoo vinden zich doch geen byzondere straffen daar op gestatueerd 40:/ En zijn dezelve aan 't goedvinden van den regter overgelaten, om naar gelee genheid der zaaken den Eijsch verzwaa= rende, of verligtende geinfligeerd te te worden; 40/ op welke wize dan den getl:, ook bil= dlyk zal behooren gestraft te worden. mits welke en andere redenen in tijd en wijle /: is 't nood/ nader te deduceeren den E6 Eysscher, Eysch doende, Concludeerde, dat bij definitive vonniss van Uwel Ed „ E Achtb den ged zal worden gecondemneert, in eene Geld boete van Tweeduyzend Caabsche Guldens. te verdeelen a resu, met Condem natie in alle gevallene kosten ofte tot alzulke andere straffen ofte panen als uwelE: Achtb: zullen vinden en oordeelen te be„ hooren onderstond G. Exter /in margine/ Exhibitum den 2: Octb: 1788. Celaas gegeeven ten overstaan van de onderget: Gecommitteerdens uijt den E: Achtb: Raade van Custi„ „tie dezes Gouvernements, dosi ende van weegens den Burger Hermanus Gel hardus Keeve, van Competen Een ouderdom en ter requi sitie van den prointerim„ Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter, luidende het zelve Dal wanneer de rett: op gisteren; even voor de middag in geselschap 4 van als volgt van eenige Wurtembergsche Officieren, met en benevens den mantz Burger Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, op des Relts: Stoep stond te praten, aldaar toen meede was aangekomen, den Burger Joachim Daniel Hiebner, dewelke in t eerst gem Manh van der Poel bij zich op de straat verzogt en met denzelven een wonig gesproken heb= bende, den rel:t substantieelijk had toege= roepen: Manus, hoorhier Dat de relt: zich toen meede van de stoep en bi gerepte Hiebner begeeren hebbende, op de vrage van denzelven, waar= om hij hun zoo zaat in de agtermiddag op de begraaffenis van S: Petrus van der Poelchad vezzogt! geantwoord had, dat hij Eelt: geen tyd gehad had om dit vroeger te verrigten, en dat hy nog verscheide fut„ „soenelijke Lieden na hem Heebner geinvi= teerd had, op 't welke denzelven Hiefner Verstond vervolgd hebbende, met te zeggen: Touw pligt. is om eerst de Familie en dan de vreemden te verzoeken, en ik verbom„ om op de begravenis te komen wanneer ik laten als de vreemden versogt worde, had de Eel geantwoord; en ik. verbom en eerst naar jouw te komen; want jewomt zoo ver, en ik ga volgens myn Wijk Dat gerekte Hietner niet op gerege - regereerd hebbende, terdommen, dat kan naen „

NL-HaNA_1.04.02_11022_0064 view scan ↗

English

do all wicked boys. adding thereto; if you conduct a funeral for me, and do it in such a manner as to invite strangers first and then the family, then, lifting up your leg, I shall kick you out of my door, he the deponent, well realizing that it was beginning to get serious and fearing to suffer insults in the public street, immediately retreated onto his stoep, whither the said Hiebner (who remained standing beneath the stoep, however) had followed him. That the said Hiebner then, holding his cane before the deponent's face while saying, if it were not in the street I would teach you something else, the deponent had replied thereto: Yes, you are used to threatening; for I have indeed heard that you did not hesitate to do this to your own mother, for which Mr. de Wet gave you a beating on the stoep next to the house of the clerk, upon which saying the mentioned Hiebner having answered, I shall go ask my honor of the law, had then departed from there. That when the deponent in the afternoon around three o'clock, leaving his Father, was proceeding to the house of Mr. Abraham de Smid to conduct the funeral of his wife there, he passed the house of Mr. Albert Johannes van der Poel Jr. and he, the deponent, politely greeted the wife of both Messrs. Albert van der Poel, standing there on the stoep, the wife of Schierhout and the said Hiebner, which latter was leaning with one arm on his thick cane, whereupon the mentioned Hiebner immediately came towards the deponent, giving him a shove with his hand while saying, you have just said that Mr. de Wet beat me, now I shall beat you, and subsequently with the said cane inflicted four or five such violent blows on the arm and back (:of which three bruises were shown to the undersigned upon the passing of this:), that the cane of the said Hiebner shattered to pieces thereby. That he, the deponent, both in order not to lose his right, nor to expose himself in the public street to the eyes of the world; as well as to prevent that he, the deponent, by offering resistance, might possibly become unable to perform his service at the said funeral, therefore answered nothing else thereto but: I will get you, departed from there, and subsequently made this matter known this morning to the Honorable President of the said Council and the requester herein, in order to obtain the necessary satisfaction. The deponent declaring further, that just as the said Hiebner had inflicted the blows upon him, the deponent, his mother-in-law, the said wife of Mr. Albert van der Poel, had called out to him, Hiebner, in substance: Hiebner, what the devil is the matter with you! which he answered by saying, that is my business. And that furthermore the former Commissioner of Civil and Marriage Affairs, Sr. Jan Pieter Korsten, coming to the funeral of the said wife of Smit, related to the deponent that he had been sitting with Jonas van der Poel on the occasion that the said Hiebner had entered there, and, showing his cane broken into pieces, had said: I have given someone a deuced thrashing, while he also, upon the repeated question of whom! is said to have answered, Manekeere. Just as the appearer also finally declares to have immediately shown the marks of the blows inflicted upon him to the Surgeon Wildemer. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing by oath. /:underneath stood:/ Thus passed at the Cape of Good Hope the 12th August 1788 before the Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Jan Coenraad Gie, Members of the Honorable Council of Justice of this Government, who, together with the appearer and myself, sworn clerk, have also duly signed the minute hereof /lower: which I witness W: C: van Ryneveld sworn clerk /was signed:/ Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the Citizen Hermanus Gerhard Heere, who, this his foregoing report having been read out to him word for word, clearly and distinctly, declared to persist therein, wishing that nothing more be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Vercueil as authorized agent of the citizen Joachim Daniel Hiebner, the solemn words: So help me God Almighty. /:underneath stood:/ Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope Re-examination the 3rd December 1788. /Was signed:/ Hermanus Gerhardus Heere /lower Signed in my presence Ryneveld sworn clerk /in the margin/ as commissioners /signed:/ R: J: v: d: Riet and J: C: Gie Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, Johanna Bletta Cromhout, assisted by her husband, the gunner of the Honorable Company on reduced pay Gerrit Schierhout, of competent age, who, at the requisition of the Fiscal pro Interim the Honorable Gabriel Exter, declared it to be true: That the appearer on the 11th of this month in the afternoon around three o'clock being on the stoep of Mr. Citizen Ensign Albert van der Poel, and in the company of his wife, the wife of Mr. Albert van der Poel the elder, and the citizen Daniel Hiebner, she the appearer had then conversed with the aforesaid wife van der Poel about the [illegible] by the appearer's mother that same morning

Dutch transcription

nen alle kwaade Jongena doen. daar tee vens bi voegende; als jy by my een lyk bediend, en maakt dat zoo, om eerst vreemden en dan de Famille te verzoeken, dan zal ik jouw als toen zijn been of„ ligtende, myn deur uytschoppen, had hy Eel: wel inziende dat het ernst begon te worden en vrezende om op de publicque straat affronten te ondergaan, zich toen terstond of zyn sloep geretireerd, warnagis hem gem: Hierner Cdie echter onder de stoep slaan blief:/ gevolgd was. Dat denzelven Hiebner hem Eel: als toen onder het zeggen, als het in de straat niel was dan zouw ik jouw was anders leeren zijn Tolting onder des rel=s gesigt houdende, had den Eec:t daar op gerebliceerd: Ca, het drijgen benje gewend; want ik heb wel gehoord, datje jouw niet ontzien hebt, dit aan jouw eigen moeder te doen waar voor de Heer de Wel je nog op de stoep naast het huijs van de klerk geslagen heeft op welk zeggen gerepte Hiebner geantwoord hebbende, dat zal ik myne eer de wet gaanvragen zich toen van daar had begeren. Dat wanneer de Eedt zich 's nademiddags omstreeks drie uuren van zynen Vader, be„ geevende, naar het huijs van de Manh: Abraham de Smid om aldaar het Lyk van desselfs Huisvrouw te bedienen, het huijs van den Munh: Albert Johannes van der Poel C:r passeerde en hy Eebt de aldaar op de sloep staande huysvrouw van beide de Manh: Albert van der Poils, de de vrouw van Schierhout en gem Hielner, welke laatste met de eene arm op zyn dik= ke rotting leunde, beleefdelijk gegroet had, als toen gerepte Hiebner dadelyk naar de relt gekomen zijnde, hem Ult met zyne hand, onder het zeggen / heet zoo even gezegd dat de Heer de Wet mij heeft gesla= gen, nouw zal ik jouw slaan, een stoot gegeeven en vervolgens met gem: rotting vier a vijf dusdanige geweldige slagen op de arm en rug (: waar van drie stuemen, bij het passeeren deezes aan de ondergete vertoond zin heeft toegebragt, dat de rotting van gem: Riebnier, daar door was in stukken gesprongen. Dat hij Eel: zoo om zyn regt niet te verliezen, noch zich op de pu„ blicque straat voor het oog van de Wareld ten zoon te stellen; als ook om voor te komen, dat hij Eeb: door tegenweez te bieden mogelijk dan buyten staat zou kunnen geraken om zijnen dienst bij het ged:te Lijk te prasteeren, derhal= ven daar op niets anders geantwoord heb= bende als: ik zal je wel krygen, zich van daar had begeeven en vervolgens die zaake deeze morgen aan den E: Achtb: Heer Praesident van gem Rade en den reqt. in deezen ter erlanging van de nodige satisfactie, bekend ge= maakt. Verklarende de Eedt verder, dat zoo als als gem: Hiebner hem relt de slagen ha toegebragt zijn schoonmoeder, gem huijs vrouw van de mant Albert van der Poel hem Heebner in substantie had toegesoep Hiebner. wat duwel scheelt jouw 1 geen hij met het zeggen, dat is myn Laak beantwoord had. En dat wijders den oud Commissaris van Circle in Huwelyks zaaken, S:r Jan Pieter Korsten op de begravenis van ge repte huysvrouw van Smit komende, aan Ten Eed:e had verhaald, dat hy bij Jonas van der Poel gedeelen heeft, by geleegen heid dat gem: Hielner aldaar was bin„ nen gekomen, en onder verlooning van zyn in stukken gebroken rotting, gezegd had, ik heb iemand blixemis afgewikst, Eer„ wyl hy teffens op de herhaalde vrage, van wie! zou hebben geantwoord, Manu„ keere. Gelijk de Compte ook eindelijk declareer de teekenen der aan hem toegebragte sa gen terstond aan den Chirurgijn Wildemer te hebben vertoond. Nietsmeer delateerende, geeft de Eede: voor reedenen van wetenschap als in den Text, bereid zijnde het vorensta de met Eede te slaven /:onderstond:/ al aldus Passeerde aan Cabo de Goede Hoop den 12e Augustus 1788 voor de Heeren Ryno Johannes van der - der Riet en Jan Coenraad Gie, Leiden uijt den E Achtb:r Rade van Justitie dezes Gouvernements, die de minute dezes benevens de Compt en my gezw: Clercq meede behoorlijk hebben onder„ teekend /lager: 't welke ik getuige W: C: van Ryneveld g: Clercq /was geteekend:) Compareerde voor ons ondergeteekende Gecommitts: uit den E: Achtbe. Rade van Justitie deezes Gouvernements den Burser Hermanus Gerhard Heeve, dewelke dit zijne vorenstaande Relaas van woor de tot woorde klaar en duidelyk voorge lezen wezende, verklaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat ir niets meer bij of van gedaan werden zal, „ en spaak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den Adsistent der E: Comps Jacobus Vercueil als gemachtigde van den burger Coaclim Daniel Heelner de solemneee woorden: Zoo waarlyk helpe my God Almagtig: (Onderstond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo, de Goede Hoop Recollement den den 3e December 1788. /Was geteekend:/ Hermanus Gerhardus Heere /lager Mij praesent geteek:d Ryneveld g als gecommiss / geteek:/ E: Clercq /in margine/ R: C: : d: Riet en CGie Compareerde voor ons ondergete Gecommitt: uijt den E: Achtb: Rade van ustitie deze Gouvernements Johanna Bletta Crom„ hout, geadsisteert, door haren man, den onder afgesz: Gage gestelde Constabel der E Comp:e Gerrit Schierhout van Competenten ouderdom, dewelke ter requi¬ sitie van den pro Inteum Fiscaal d' E: Gabriel Exter, verklaarde hoe waaris: Dat de Compte zich op den 11r: dezer 's nademiddags omstreeks van drie uuren op de Hoep van den Manhr Burger Vaandrig Albert van der Poel, en in geselschap van deszelfs huysvrouw, de vrouw van den manh Albert van der Poel de ouden en den burger Daniel Hiebner bevonden hebbende, zij Compte als toen met voorsz huijsvrouw van der Poel gediscoureerd had over het door der Comp„te moeder dienzelven morgen 3. ƒ

NL-HaNA_1.04.02_11022_0069 view scan ↗

English

house sold that morning, which the said Hiebner had purchased at the auction. That the Appearer, having stood with her back to the street during this conversation, had unexpectedly heard some blows struck behind her, so that the Appearer, turning around, then noticed that the aforesaid Heebner, with the cane which he had already had in his hands on the stoop, inflicted some blows upon the Burgher Hermanus Gerhardus Keeve, without the aforementioned Keeve, as far as the Appearer knows, attempting to defend himself, having only answered in substance upon receiving the blows: I take notice of that. While the Appearer testifies not to know when the said Heebner stepped down from the stoop, as the Appearer, because she was busy in conversation, paid no attention to that. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm this further under oath. Thus passed at Cabo de Goede Hoop on the 28th of August 1788, before the Messrs. R: J: van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice of this Government, who, together with the Appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the original of this. Below: Which I witness. Was signed: W: C: v Ryneveld, sworn Clerk. Review: Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, Johanna Aletta Cromhout, assisted by her husband, the below-mentioned Chief Gunner Gerrit Schierhout, who, having this her above-standing deposition read clearly and distinctly word for word, declared that she persevered and persisted therein, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Percual as the authorized agent of the burgher Joachim Daniel Heebner, the solemn words: So help me God Almighty. Below stood: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 3rd of December 1788. Was signed: J: A: Schierhout. Below: In my presence. Signed: W: C: van Ryneveld, sworn Clerk. In the margin: As Commissioners, and signed: R: J: v d Riet and J: F: Kirsten. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Assistant of the Honorable Company Mr. Daniel Jacob de Neufville, of competent age, who, at the requisition of the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared to be true: That on a certain day in the beginning of this month, without being able to specify the exact date, the Appearer, having been in the afternoon around half past two o'clock on the stoop of the burgher Hermanus Gerhardus Keeve, and in the company of his wife, he, the Appearer, then saw that the burgher Daniel Heebner, before the door of the Honorable Burgher Ensign Jonas Albertus van der Poel, inflicted several blows upon the aforementioned Keeve with a cane, without the said Keeve defending himself against it. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm this further under oath. Which thus passed at Cabo de Goede Hoop on the 28th of August 1788, before the Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honorable Court of Justice of this Government, who, together with the Appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the original of this. Below: Which I witness. Was signed: W: C: v: Rijneveld, sworn Clerk. Review: Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Assistant of the Honorable Company Mr. Daniel Jacob de Neufville, who, having this his above-standing deposition read clearly and distinctly word for word, declared that he persevered and persisted therein, desiring that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Vercueil as the authorized agent of the burgher Joachim Daniel Hiebner, the solemn words: So help me God Almighty. Below stood: Thus reviewed and sworn at Cabo de Goede Hoop on the 3rd of December 1788. Was signed: D: J: de Neufville. Below: In my presence. Was signed: W: C: v: Rijneveld, sworn Clerk. In the margin: As Commissioners, and signed: R: J: v: d: Riet and J: F: Kirsten. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Commissioner of Civil and Matrimonial Affairs Jan Pieter Kirsten, who, at the requisition of the interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, declared how true and certain it is: That when the Appearer on Monday the 11th of this month of August was at the house of the Honorable Jonas Albertus van der Poel, the burgher Joachim Daniel Hiebner came inside there, who, having said in substance to the said van der Poel upon entering, I have caned him, the Appearer thereupon asked the said Hiebner whom he meant by that, and received as an answer from him: Hermanus Keeve. Declaring nothing more, the Appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the same with a solemn oath if required. All thus passed at Cabo de Goede Hoop on the 11th of August 1788, before the Messrs. Rijno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, who, together with the Appearer and me, the sworn Clerk, have duly signed the original of this. Below: Which I witness. Was signed: W: C: van Ryneveld, sworn Clerk. Review: Below stood: Appeared

Dutch transcription

morgen verkogte huijs, het welke gem: Hiebner had ingemynd. Dat de Comp=te in dit gespeek met de rug naar de straat gestaan hebbende op het onverwagts agter zich eenige slagen had horen doen, zulks de Compte zich omkeerende, als toen was ontwaar geworden, dat voorsz Heebner met de rotting, welke hy reeds op de stoep in zyne handen gehad had, den Burger Hermanus Gerhardus Leeve eenige Ince slagen toebragt, zonder dat voorn keve„ voor zoo verre, de Comp:e weel, zich heeft tragten te verweeren, hebbende alleenlik op het ontfangen der slagen in substantie geantwoord: dat zeg ik in kennis. terwyl de Comp:e betuigd niet te weeten wanneer gem: Heebner van de Hoep is afgetreeden; als hebbende de Compte, vermits zy druk„ in discours was, daar op geene Eflectie geslagen. Niets meer verklarende, geeft de Compte voor reedenen van Wetenschap als in den Text, bereid zynde zulks nader met Eede gestand te doen Aldus Gepasseerd aan C9bo de Goede Roop den 28 Augustus 1788. voor de Heeren R: J: vander Riet Hendrik Custinuel de Wet Leeden uit den E. Achtb: Raad van Justitie „Onderstond:/ dezes dezes Gouvernements, die de minute de benevens de Compte en mi Gezw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /lager:/ I welke ik getuijge /was geteekend W: C: V Ryneveld gesw: Clercq. Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende ƒ Gecommitt:s uit den E: Achtb Rade van Justitie dezes Gouvernements, Johanna Aletta Cromhout geadsisteert) door haren man den onderafgesz ooge gestelde Consta pel Gerrit Schierhout, dewelke deze hare vorenstaande verklaring van woorde tot woir de klaat en duidelyk voorgelezen wezend verklaarde daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat ik niets meer bij o d van gedaan werden zal, en sprek der halven ter bevestiging der waarheid van dien, in praesentien van den Adsistent der E. Comp.: I. Jacolus Percual als gema tigde van den burger Joachim Daniel Heebner de soleneele woorden: Zo waarlijk helpe my Godiemachtig. Onder Hond:/ Aldus Gerecolleerd en beEedigd Aan 1 aan Cabo de Goede Hoop den 3 Decem„ ber 1788. /:was geteekend:/ J: R: Schierhout /lager:/ My praesent /geteekend:/ W: C: Van _ Ryneveld gClercq /in margine/ al Gecim= G R: Crd Riet en mitteerden /en get:t/ JE Gie Compareerde voor ons ondergete gecomm uit den E: Achtb: Rade van Justitie dezes Gouvernements den Adsistent der E: Comp:e Sr Daniel Jacob de Neuf= ville van Competenten ouderdom, die welke ter requisitie van den pro interim Fiscaal d E: Gabriel Ester, verklaarde hoe waar is. Dal op zeekeren dag in 't begin dezer Maand, zonder die pacies te kunnen bepalen, den Comp:s zich 's nademiddags om streeks van half drie uuren, bevonden heb bende op de Roep van den burger Heima nus Getharius Keeve, en in geselschap van desselfs huysvrouw, hy Compt als toen gezien heeft, dat den burger Daniel Heetner, voorm: Kieve voor de deur van den Manh Burger Vaaning Albertus van der Poel, met een Rotting verscheide ƒ „ slagen de sta are oir rzend J. 1 slagen heeft toegebragt, zonder dat gem keere, zich daar tegen heeft te weer ge steld. Niets meer verklarende, geeft den Compt voor reden van Wetenschap als in den Text, bezeid zynde zulks nader met Eede gestand te doen Dat aldus Passeerde aan Cabo de Goede Roops den 28:e Augustus 1731 voor de Heeren Ryno Johannes van Ver Riet en Hendrik Certinus de Wet, Leeden uit den HE: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements, die de minute dezes, benevens den Comp:t en mi gemw: Clercq meede behoorlyk hebben in der teekend /lager:/ Twelk ik getuige /was geteekend:/ W: C: V: Rijneveld, dez w:r Clercq. Recollement Compareerde voor ons onderget Gecomm: uit den Ee Achtte Rade van Justitie dezes Gou„ vernements, den adsistent der E Comp:e S Daniel Jacob de Neuwille, dewelke deeze zijne vorenstaande verklaring klaar en duidelyk woordelijks voorge„ /:onder stond:/ Eezen 1 lezen wezende, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, met begoerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den Adsistent der E Comp: Jacobus Vercueil als gemagtigde van denburger Soacem Daniel Hiebner de Solemneele worden zoo waarlik helpe my God Almag= tig. Onder stond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop den 3 De„ „cember 1788. — /:was geteekend:/ D: C: de Neuwitte /lager/ My Praesent /:was geteek:d:/ W: C: V: Rijneveld, g:Clercq /:in margine als Gecommitt:s / en geteekend:/ Hl A: J: v: d: Riet en S:r Compareerde voor ons ondergeteekende gecommitt:s uit den E: Achtb: Raad van Juste= „tie deezes Gouvernements den Compissaris van Civiele en huwelijksch zaken Jan Pieter Kisten, dewelke ter requisitie van den Projuterm Fiscaal d' E: Ga= briel Exter verklaarde hoe waar en waarachtig is: — Dat - „ - Dat wanneer den Compt zich op Maandag den 11:' dezer maand Augustus ten huijze van den Manh Jonas Al„ bertus van der Poel berms, aldaar ais toen was binnen gekomen den burger Joachim Daniel Hiebner, dewelke aan gem: van der Poel bij zyn binnen treeden in substantie gezegd hebbende sk heb hem gerottinge had den Comp daar op gem: Hubner gevraagd wiet hij daar wede meende, en vak denzelven ten antwoord be komen: Herman us Keere Niets meer verklaarende, geeft den Compt voor redenen van Wetenschap als in den Text; bereid zijnde het zelve des gerequireerd werdende, met Solemneele Eede gestond te doen - - al aldus Passeerde aan Cabo de Goede Hoop den 11:' Augustus 1738. voor de Heeren Rijne Johannes van der Riet, en Hendrik Custinus de Wet, die de minu„ 1 te dezes benevens de Comp:t en ny get: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /lager:/ V J. van T welke ik Getuijgen was geteekend:/ Ryneveld gew Clercq Recollement Onderstond Compareerde : . -

NL-HaNA_1.04.02_11022_0075 view scan ↗

English

Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the Commissioner S: Van Pieter Kirsten, who, having had this his aforementioned declaration read out clearly and distinctly, declared to persist therewith, desiring that nothing more be added or taken away from it, and therefore spoke in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Assistant of the Honorable Company Jacobus Vercueil, as the authorized agent of the burgher Joachim Daniel Hiebner, the solemn words: So help me God Almighty. Below was written: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 17 December 1788. Was signed: I: P: Kirsten. Lower: In my presence. Was signed: W: C: V: Rijneveld, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: R: J: V: d: Riet and G: H: Meyer. To the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Honorable Members of the Court of Justice of this Government. Honorable President, Honorable Sirs. Respectfully shows, with all due deference, the undersigned salaried Assistant of the Honorable Company, Jacobus Vercueil, as the general authorized agent of the burgher Joachim Daniel Hiebner: How it very favorably pleased Your Honors, four weeks ago today, to keep the case between the petitioner in his capacity and the Pro Interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, ex officio, under advisement upon the exhibition of the claim, and thereupon, fourteen days ago today, were pleased to make a decision to grant the petitioner in his capacity a copy in order to serve an answer thereto; Yet, since the petitioner in his capacity already had some persons summoned the previous court day whose testimony the petitioner indispensably requires, both in this and in the civil trial of the petitioner in his capacity, but because the petitioner was informed that no new cases would serve on the past court day, the petitioner was compelled to postpone those citations until today; the more so because among the said witnesses were persons who had been sent on commando at that time, and thus could not be cited by the petitioner. Thus the petitioner has been placed in the impossibility of being able dutifully to obey the appointment of Your Honors. Reasons why the petitioner in his capacity turns in all humility and respect to Your Honors, humbly requesting that it may highly favorably please Your Honors to grant the petitioner an extension of the term until four weeks from today, in order then to serve his answer. Which doing, was signed: J: Vercueil. In the margin: Exhibited in court, the 30 October 1788. Appeared before the Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Honorable Members of the Court of Justice of this Government, the undersigned salaried Assistant of the Honorable Company, Jacobus Vercueil, as authorized agent of the burgher Joachim Daniel Hiebner, defendant in a case of atrocious injury, on the one side, Against The Public Prosecutor, the Honorable Gabriel Exter, ex officio, plaintiff in the aforementioned case, on the other side. Honorable President, Honorable Sirs. For the favorably granted copy and terms of time to serve the answer today, the defendant in his capacity expresses his deepest gratitude, and, observing primarily, briefly says that from the first to the twentieth article the ex officio plaintiff believed he could establish that, subject to correction, an atrocious injury was committed in an extreme manner by the principal defendant against the burgher Hermanus Gerhardus Kelve on the public street, the ex officio plaintiff basing himself primarily on the reporter's report, which can be regarded as nothing other than a fabrication that in no way agrees with the truth and therefore merits no credit, while it runs entirely and utterly outside the realm of positive truth and will never or ever be able to be proven. However, to give Your Honors a true account of how and in what manner this case took its origin: thus it happened on the eleventh of August last that the principal defendant passed the dwelling house of the reporter, where were present the principal reporter's sister-in-law by name of Aletta Tant, the former burgher lieutenant the man Jonas van der Poel, and some others besides; whereupon the principal defendant spoke to and congratulated the reporter, requesting to speak a word, asking the principal reporter in the most friendly manner why the reporter always came to summon so late for one or another funeral, as had recently happened with the principal defendant's uncle, the late former bookkeeper Pieter Petrus van der Poel, adding thereto: Just think, my dear friend, it is my own uncle, and it is surely not permissible to summon one of the nearest family members so late. Whereupon the principal reporter, becoming choleric, expressed himself: What the thunder do you fellow imagine! I do not know that you are such a great gentleman and that I must summon you so early; whereupon the principal defendant replied: You must not thunder so, you can speak decently; and because the injury had already commenced and gained ground from the principal reporter, it could not more suitably happen otherwise than that the injury was answered again by rebounding with injury; thus the principal defendant added thereto: If you

Dutch transcription

Compareerde voor ons onderget: Gecommitt:s uit den E Achtbr Rade van Justitie dezes Gouvernements, den Commissaris S: Van Pieter Kirsten, dewelke deze zijne vooren staande verklaring klaar en duidelijk voorgelezen wezende, verklaarde daar bij te bliven persisteeren, met begeerte dat 9. er niets meer bij of van gedaan werden zal, en sprak derhalven ter bevestiging der Waar„ heid van dien in praesentie van den Aose tent der E: Comp e Jacobus Vercueil, als gemagtigde van den burger Joachim Daniel Hiebner, de solemneele woor= den zoo waarlik helpe mi Got Almagtig /:Onder stond.. Aldus Gerecolleerd en beedigd aan Cabo de Goede Hoop den 17 December 1788. /:Was geteekend:/ I: P: Kir„ sten /lager:/ My Praesent /:Was geteekend:/ W: C: V: Rijneveld gezw Clercq /in margine:/ Gls. Gecommitt /en geteekend/ R: J: V: d: Riet en G: H: Meyer 1 - Aan den Wel Ede de Achtbaare Heer Johannes Isaak Rhenius Praesident benevens de verdere Wel Edele Heeren Raaden van Justitie deezes Gou„ vernements. Wel Edele Achtbaare Heer Wel Edele Heeren. Geeft met alle verschuldigde Eer lied op het ootmoedigste te kennen. den onderafgesz gage gestelden Adsistent der E Comp:e Jacobus Vercueil als gene rale gemagtigde van den Burger Coachim Daniel Rielner Hoe het UwlEdele Achtbare Zeer gunstig behaagd hoeft, heeden over vier 1 vier Weeken de zaak tusschen des supplt. p en den Pro Interim Fiscaal d'E Gabriel Ecter R: O: bij het Exhibeeren van den Eysch en advys te houden en daar op heelen over veertien dagen een besluit hebben gelieven te neemen om des suppl P P: te verleenen Copia omme daar op te dienen van antwoord; Edoch daar den Supp=t 48. de voorleedene 11 Rechtdag reeds eenige roeden heeft laten ieeren welkers getuigenis den suff in„ dispensabel van noden heeft, zoo wel in dee„ zel als in het Civiele Proces van des Supplt pp,, doch wyl hem Supf. is aangezegd, ge„ worden, dat op de gepasseerde Rechts- dag geen nieuwe zaken zoude deenen, is de Sup. l in de noodzakelykheid geweest, die Citatien tot op heden uit te stellen: te meer dewyl er onder gem: getuigen zich Lieden bevonden hebben welke in die tyd op Commando gezonden waren, en dus met door den Juff: konden geciteerd werden. zoe is den suf in de onmooglykheid ge= steld geworden, om pligtschuldig aan het Appoinctement van UW Ed Achtb: te kunnen Obedieeren Reedenen waarom den Repp=t 44: zich in aller ootmoed en Eerbied is keezende tot uw Ed: Achtb:e nidrig verzoekende, dat het uwEd Achtb hooggunstig moge be hagen aan den supp. t te verleenen attermi natie van Termyn tot heden over vier weken om als dan te dienen van antwoord. /:onderstond:/ welk doende /was Geteekend:/ J: T. Percueil /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 30:e October 1788 Compareerde voor den WelEd Achtb: Heer Johannes Isaak Chenius Praesident benevens de verdere Wel Ed Raade van Justitie dezes Gouvernements den onder afgesz: gage gestelden Adsistent der E Comp:e Jacobus Percueil als gemagtigde van den burger Coachim Daniel Hietner gedaagde in Cus van atroce Jnjurie Eer eenre Den Procuteum Fiscaal de E: Gabriel Exter R:O: Eisscher in voorsz: Caster andere zyde Wel Edele Achtbare Heer Contra 2 Wel Edele Haern Voor goedgunstig verleende Copia en termijnen opinie op heden te dienen van Antwiord, zal den oed qq zyn diepschul= digsten dank betuigen en principaal, remar queeren kortelijk zeggen, dat van het Eerste tot 't twingtigste Articul den E. O Eisscher, vermeende vast te kunnen stellen dat onder Correctie op een verregaande wijze door den principale gedaagde aan„ den burger Hermanus Gerhardus Kel „ve atroce Jnjurie op de publicque straat zoude zijn gepleegt Regimoerende den R:O Eisscher zich principaal op 's rects Relaas 't welk niet anders kan wer den aangemerkt als een verdigtsel dat geenzints met de waarheid over een komt en dus geen geloofmenteerd terwijl t gantseh en Een eenemaar buiten het bereijk der positive heen Lo: opt en nim= mer of nooyt bewezen zal kunnen worden. Dan om UwelEdele Achtbaare een waar verhaal te doen en hoe en op wat wijze deze Casus zyn oor= sprong genomen heeft, (zoo is het ge= =beurd op den Elfde Augustus Jongst„ Leeden dat den principaal gedaagde. het woonhuijs van den Relt passeerde, alwaar zich kwam te bevnden des prince= pare gale Eelatante Trouws Zuster in naam Aletta Tarite, den Oud burger Luiten nant den Mant Jonas van der Corl en eenige andere Meer, waar, op den gelos: sprak en faliciteerde den principalen gedaagden den relatant verzoekende een woordje te spreeken, den principaalen Relatant in 't vriendelijkst afvragende waarin dat den Eelalant altoo annos kwam te verzoeken bij een of andere be¬ graaffenisse, zoo als jongst nog ge beurd was bij des principaale gedaag¬ dens Oom wylen den oud Boekhouder Pieur Petrus van der Poel daar bij volgende: gedenkt doch min Lieve Vriend! het is myn Eygen Oo en het immers niet gepermitteerd is om een der naaste Famillien zoo laat te verzoeken, Waar op den principaale Relalant Collericq werdende, zig uytten de; Wat donder beeld ji kerel fouw wel in ! ik wet niet dat gy een zoo groot heer zijt en dat ik Tauw zoo vroeg moet verzoeken; waar op den pp ged:e repliceerde /i moet zoo niet denderen, is kunt wel ordente= lijk en om reedenen de Jnjurie voor of reeds door den principalen Relatant een voet genomen had, zoo konde het niet gevoegelijker anders komen, of de jnjurie wierd door te rugkaat sing weder met Injurie beantwoord; dus,den op Ged: daar bij voegde: als gij

NL-HaNA_1.04.02_11022_0081 view scan ↗

English

had to attend to a corpse at my place, and if you do not invite the family while it is still day, then I shall kick you out the door. Whereupon the principal relator, demanding him on his stoep, said: you thunderous fellow, do you want to kick me out the door, but you are well used to kicking, for you have kicked and beaten your mother. The principal defendant then replied to this: you lie like a vile fellow. The principal relator, resuming speech, said: I do not lie, Mr. de Wet (meaning hereby the Honorable Olof Godlieb de Wet) told me this himself, that you beat your mother. And so, to make no further ado, the principal defendant went to the house of the said Honorable Master de Wet to inquire into the truth or falsehood of the matter. However, not finding the aforesaid Mr. De Wet at home, the principal defendant went to his dwelling house in order to prepare himself to give notice of this to the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter; but being restrained herein by the principal defendant's wife from doing so, but rather first to ask the principal relator amicably whether he maintained the above-quoted abusive words. Then by chance the principal defendant came upon the stoep of the burgher lieutenant Johannes Albertus van der Poel, where were also present the wife of the dismissed gunner Gerrit Schierhout and the assistant Daniel Jacob de Neufville. Not long thereafter, the principal relator was seen passing the house of the aforesaid van der Poel, whereupon he addressed him once more, asking whether the principal relator persisted in his words. Whereupon the principal relator again gave to understand: I maintain that, you thunderous fellow! that you beat your mother, and just go to Mr. de Wet, then you, fellow, will hear that de Wet said it. Thus the principal defendant, being carried away by excessive passion, inflicted two blows upon the principal relator with the rotan, whereupon the principal relator reached for a bluestone to strike the defendant therewith; but the principal defendant, jumping under the relator's arms, inflicted another one or two blows. And whereas, Noble and Worshipful Sirs, the injury, whether it was first committed by the principal relator or the defendant, it is and remains established in law that an injury is redressed by the return of an injury; the principal relator being unable in his account to avoid admitting to having also committed an injury, as the statements annexed hereto under numbers 1, 2, 3, 4, and 5 fully confess that the principal relator had uttered in substance: you are well used to beatings and threats, for you did not shrink from beating your own mother. Yet since this expression is unbearable for a child, who is bound to the highest degree to preserve the character of his parents, and also finds himself under this obligation and is required of him toward those to whom, next to the Creator, one owes one's life, that the insult inflicted upon them can never be tolerated; for what person who fosters in his bosom even the slightest sample of a well-disposed soul toward his beloved parents would not care for his honor, good name, and reputation, being the noblest and most precious next to life itself; and one who does not stand up for the same is held to be a useless and senseless subject in civil society, being declared cruel toward himself and a bad instrument. And whereas the principal relator cannot deny and has also fully confessed to having used an injury, the relator being the true origin of the injurious matter in question, and thus in consequence thereof can undergo no profitable fine or other punishments, see Hollandsche Consultatien, Volume Five, Page 276, Consultation 81, note 2; and thus it is furthermore expressly taught by law that an injury is done to someone by words if something is imputed to him that is dishonest and scandalous, and if something ignominious is objected, no injury can be claimed nisi adsit animus injuriandi, unless there is the intention to injure. And thus it is certain that when someone imputes such crimes to another there is an animus injuriandi, but it is also certain in fact that he who imputes crimes to another is said to calumniate. All the evidence cited herewith demonstrates clearly and as plainly as bright daylight that the principal relator is the true basis of the actual and verbal injury, since the principal relator cannot prove that the principal defendant is the cause of the injury; thus it remains established that the action for injury can by no means be maintained, and rather the punishment should fall upon the relator. Now precisely the principal relator confesses that there is a calumny, and that an animus injuriandi is also presumed therein; this being apparent from all documents, it follows therefrom that the accused, the principal defendant, can in this case by no means be prosecuted for the verbal and actual injury. Consider in this case, Noble and Worshipful Sirs, one is charged with a crime, namely having beaten one's own mother or threatened her with beatings, an utterance of the principal relator which he will never be able to prove, for it is indeed a matter known in law that such a crime is punished with the death penalty; and so, what well-thinking motion of the mind could suffer or tolerate being smeared with such a scandalous crime?

Dutch transcription

bij bij mij een lijk te bedienen had, en 29 gij verzoekt de Famitle niet als nog dag is, dan zal ik jouw de deur uit„ schoppen, dan vervolgens den pp: Rela „tant hem op zyn stoep begeerende, zeg gende: wil jij donderse kaerel mi„ de deur uitschoppen maar gij zijl het schoppen wel gewend, wan't gij hebt uw Moeder wel geschopt en geslagen den pC: Ged:t dan hier op repliceerde; dat liegt gy als een slegte Kaerel den pp„ Relat: wederom het woord hewvattende, Legden dat en Liege ik niet, Myn Heer de Wet (:de„ noteerende hier meede den E: Achtb:e Olof Godleel de Wet:/ heeft mijn dit zelve gezegd dat gij uwe Moeder geslagen heeft en alzoo vervolgens om geen verdere Omstandigheden te maken, zoo heeft den pied zig ten huize van gem: E: Achtb:e Meelr de Wet vervoegd, om naar de waar of onwaarheid der zaake te ver neemen, egter evengem: Heer De Wet met 't huis vindende, zoo heeft den pp: Get: zig naar zin Woonhuijs begee= „ven, ten Einde zig te prepareeren den pro Inteim Fiscaal de E: Gabriel Exter hier van kennisse te geeven, doch door den pp: get: huisvrouw hier in weerhouden werdende, van zulks niet te doen, maar voor af den pp rela= =tant tant in der minne afte vragen of hy de boven aangehaalde gezegdens van njurie staande hield.. Dan by geval kwam den pp Ged: op de sloep van den burger Cou Lieul den Mant Johannes Albertus van der Poel waar bij meede praesent waren de huisvrouw van den onderdezig gage ge stelde Constapel Gerrit Schierhout en den Adsistent S: Daniel Jacob de Neufritte: dan nu lange hier bij verlogtende k van den principale Reb„ het huys van Evengem: van der Poel passie ren wanneer andermaal hem wederom aan sprak of den pp Relat: by zyne gezeg dens bleef persisteeren waar op den pp„ Relt wederom te kennen gaf dat houde ik staande, donderse Kaeret! dat sy jouw Moeder geslagen heeft, en gaat maar de heer de Wet, dan zuljy kaerel hooren dat de wet 't gezegt heeft, dus den pp=o Ged: door vertollige drife ver voerd werdende; hem po Ret:t. twee slagen met de lotting toegebragt, wanneer den p: Eet naar een blipsteen greep om den Ged daarmeede te treffen; doch den 1. 87 op Eed hem Eet onder de armen sprin= gende, nog een a twee slagen toebragt Van vermits Edele Achtbe Heeren de Jnjurie, het zij door den principale Ret:t ofte den ged: 't renst gedeffend, is 't en blijft in Rechten vast staan, dat 78 dat Jnjurie door te rug laatsing van Jnsuire gebeterd werd, kunnende den pp 71. redat:t in zyne Relaas niet ontgaan te passeeren van ook injurie te hebben ge„ pleegd zoo als de hier annex Verklarin„ gen dicteeren sub N:o 12: 3. 4 en 5 ten vollen Confesseeren dat den pp:r Relat: 7 8 in substantie geuit zoude hebben ge„ zyt het slagen en drygen wel gewend want gy hebt niet ontzien uw Eigen Moe= der te slaan Doch dewijl deeze uitdrukkinge te leeden voor één kind en die hoogstens verpligt is het Character zijner Oude„ ren te bewaren ook in deeze verpligtinge zich bevind en van hem gevorderd werd om aan die geenen dewelke men naast den schep„ =per het Leven verpligt is die hoor dewel „ke die geen aangedaan werd nimmer op zich hegten kan dat te dulden; want wat mensch die maar het minste staaltje van een welgeplaatste Ziel om trent zyne dierbaare ouderen in zyn boezem voede zoude zijn Eer, goedenaam en faam niet behartigen, zinde het EEdelste in kostbaarste haast het Leeven„ en een diergelijke die dezelve niet voor =staat werd gehouden voor éen onnut en zinneloven subject in de Burgerlijke Maatschappi werdende verklaard, als wreed over zich zelven en Een kwaad Custruc d Instrument En vermits den p: Relat gdenint„ ontkennen kan en ook volmindig gecon fesseerd Jnjurie te hebben gebezigd, als zijnde den Relat de ware Casis tot Jnjuriense Casus quastionis, en deze dus ingevolgen van dien geen profitabel amende ofte andere straffen kan onder g'aan, vide Hollandsche Consultatien Vyfde Deel Pag: 276 Consult: 81. noten 2 en alzoo vervolgens wet uytdrukkelijk geleevaard werd, dat Jnjurie word ymand door woorden aangedaan, indien hem iets word voorgeworpen dat onEerlijk en schan delik is, en iets ignominerts werdende geobjicfieerd, kan geen Jnjurie werden ge „praetendeert, nise adrit onimes Jnjurian de, ten zy er de jntentie by is om te Inju„ rieeren. En alzoo is het zeeker dat als ymand„ alsa Crimina een andere obpcieert dat ter een animus Jnjurandi, maar het is ook zeeker in gewes dat die een ander Objcieert, Cuimina word gezegd te Calum. nieeren: alle de hier by geciteerd, bewis en geven duidelyk en 290 klaar als het helle dagligt te kennen dat den pr Relulant de ware basos der dadelijk en woordelyke pnjurie vermits den 6pe Relat niet bewijzen kan dat den pp ged: Gedaagde de oorzaak der Injurie is, dus blijft het daar bij betaald dat de institutien tot de Jnjurie geenzints kan werden genomen en wel Eer op den Relt. zoude konen toevallen tot de straffen Nu bepaald Confesseerd den princp Relt dat er een Culumina is, en dat daar ook werd gepresumeert een unimis Cnjuriandi dit konnelyke uit alle stuk= ken geschieden zoo volgd daar uijt dat den beklaagde den pp Ged in dit Cas „geensints over de woordelyke en dadely =ke en dadelijke jnjurie kan werden aan gesproken MMen verondersteld in dit geval wel Edele Achtb are Heeren, men. werd betuijgd met een Crime nament lyk zyne eygene Moeder geslagen te hebben of gedreigd met slagen een uit slap van den pp Rett die hij nimmer zal kunnen bewyzen want het is immer een in Rechten bekende zaak dat een diergelijke Crime met de doodsstrafft werden en alzoo wat weldenkende gemoeds beweeging zoude dit kunnen leyden of dulden met een diergelik schandelijke Crimen beklad te werden, . - en

NL-HaNA_1.04.02_11022_0086 view scan ↗

English

And even if this were the truth, the principal defendant could not at the present time have escaped judicial punishment either, since this injury is clearly far-reaching and in case the principal defendant had not in some measure been master of his passions, something could have resulted from this over which both would perhaps have complained too late, while hereby the bonds of love which one owes to one's parents would be torn apart at once and it would be a misstep that could never be revoked, for it would be much more like a highwayman or murderer. From these far-reaching provocations and stirrings to wrath, the principal defendant could not refrain from proceeding to a small and slight satisfaction, and thus his provocations, overloaded by impatience, carried away by passions; and the principal defendant was of the opinion, while meeting the principal relator casually for the second time, to ask in an amicable manner about this aforementioned matter, thus the principal relator, standing once again in his passions, continued to persist in his arrogant sayings that he had beaten his mother, and still dared to go to the Honorable Worshipful Master of the Law as if His Honorable Worship has such a familiar acquaintance with the principal relator to tell him such picked-up street gossip, and it is an astonishing thing that he, the principal relator, has the audacity to utter this in a public street without showing regard for the commanding character of the already mentioned Honorable Worshipful Gentleman. Thus the principal defendant, being by no means able to tolerate being exposed publicly as a private person on the public street in the presence of different people at various times, and persisting that he falsely committed this crime, and in case the principal relator had not taken up a stone, the three or four blows would possibly not have taken place at all, with which the principal relator wanted to throw at the principal defendant's brains. Upon reflection and reconsideration it would certainly have been better that the principal defendant had not proceeded to this step, but who in that case is master of his mind; and had the litigating parties in this matter had or taken moderation, one could have asked for proper satisfaction in law, thus in this case neither of the parties can be punishable, and the intent of the origin of the injury cannot be found, which is the most paramount requisite for the injury in the action of slander, for it is always permissible to counter and dispel one injury with another, so it is also permissible to destroy and answer a verbal and actual injury with another like the reverberation of an echo. Noble and Right Worshipful Gentlemen. Since the defendant believes he has set forth the points of law to satisfaction, he will therefore, concerning the further claims made by the Plaintiff ex officio in his demand, make no reflection other than merely to proceed to the annexed report and declaration which, viewed with Your Noble Worships' highly enlightened eye, merits not the slightest reflection, since these same declarations only relate to the end of the dispute and do not show or have knowledge of the least of the true basis, and thus are entirely null and void. Suffice it that the declarations under numbers 3, 4, and 5 set forth a point of the principal relator's own confession, that the principal relator was the sufficient cause of this dispute, just as the principal relator has already shown his regret, for the reason that he was willing to settle the matter out of hand with the principal defendant, as the accompanying certificate of the Court Messenger Carel Ewald Ziervogel under number 6 annexed hereto dictates, thus clear proof that the principal relator must be convinced in his own mind that he acted deceitfully. Thus, had the principal relator been more civil and more circumspect, the whole case would never have seen the light of day, since the litigating parties had very familiar intercourse with each other; and although this dispute stands firm as a rock, while the principal defendant testifies that although he believed he had the provisional right to demand satisfaction at the moment without troubling the judicial authority with such trifles, wishing well that this had never or not occurred; although this principal relator gave the principal defendant the true cause of that, so that such unpleasantries have occurred. The principal defendant, believing he has clearly and evidently shown in this written answer everything that could in any way serve for Your Worships' attention, will proceed to the following counter-conclusion as follows: Concluding that by definitive judgment of Your Noble Worships, the Plaintiff ex officio may have his demand and conclusion made upon and against the principal defendant before this Honorable Council dismissed as inadmissible and wrongfully made, with costs, or to such other end as Your Noble Worships shall in law and equity find proper. Imploring hereto and upon all Your Noble Worships' benignum officium judicis for swift and good justice. Signed: Vercueil, in his capacity. In the margin: Exhibited in court on the 1st of November, 1788. Today, the 10th of October, 1788, appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the following witnesses, the former Lieutenant of the burghery here, the worthy Jonas Albertus van der Poel

Dutch transcription

En dit ook de waarheit poseerde, zoo hadde den pp ged: ook ten presenten tijde de Rechtelijke straff niet kil nen ontgaan, alzoo klaarlyk deeze Lasie verregaande is en ingevallen den ppl Ged:e min of meer zijn passie niet eenigzints mmeester jaare geweest, uit dit had kunnen resutteeren; waar over beyde zich mogelijk te laat beklaagd zou de hebben, terwil hier door de banden der liefde dewelke men aan zyne Oude ren verpligt is met een los gerukt, werden en een uitstap zoude zyn, dat nimmer te herroepen was, want het veel en der zoude wezen als een Struikrover of Moordenaar. Van deze verregaande uittartingen en opgistingen tot gramschap kon den 6p Gede niet wederhouden tot een klyn en geringe satisfactia over te gaan en dus zyn uitlarten, door ongeduldigheid over laaden, door driften vervoerd en den p Ged: in de meninge was, terwyl hy den pp Rel:t Casueel voor de tweedemaal ontmoetende, in der minne na dese voor aangehaalde Casus te vragen dus pe Relt andermaal in de drften staande, bleef persisteeren bij zine arrogant - 1 arrogante gezegdens van dat den zine Moeder geslagen zoude Get hebben, en hem nog weeton wels naar den E Achtb: Heer de Wet te gaan als of zyn E Achtb: zoo een familiaire kennis met den pl Rebt heeft, dierge„ lijke opgeraapte straat braatjes aan hem te vertellen, en 't is een wonderstuk dat hij pp=r Rel:t die assurantie heeft. dit: te kunnen uitten op eén publie= que straat zonder aanschouw te nee „ men op het hooggebiedend Characler van reeds gem: E: Achtb Heer. „ . Dus den pp Ged:e geensints E kunnende dulden voor publicq gesteld. te worden als een privaat persoon op de publicque straat int praesentie van differente Menscen of verscheiden tyden daar by te persisteeren dit Crimer te hebben falsa gepleegd en in gevul„ „le den p6: Ret:e niet een Heer opgenoo men had mogelyk de drie a Vier slagen geenzents plaats zoude gehad heb= ben waarmede den Pt Reb:t den pp:r Ged naar de Rerssen en wilde werpen. By herdenking en wederheiden „king was het zeker beter geweest ov 1 dat dat den pp„l Ged:e tot dese stap niet was overgegaan,, doch wil is in dat Cas zijn Pinnen Meester; en had der partijen Litigenten ten deese, de mode ratie gehad of genomen zoo had men een behoorlijde satisfactie in Rechten kunnen vragen, dus in dit geval geen van beijde partien strafbaar kunnen zin en dat het voorneemen van den aan leg tot de jnjurre niet kan werben gevinden, het welk het allervoornaamste requisitie tot de Jnperie is van de Actie der Jnsune„ want het altos geoirloofd is den eene injurie met den andere tegen te gaan en te verdreven, alzoo is het ook geoorloofd woordelijk en dadelijke Jnjurie door den anderen als een te rugkaatsing der Echo te vernietigen en te beantwoorden Van WelEdele Achtb: Heeren. Vermits den Ged: vermeend den Eechten ten genoegen te hebben geposeerd zal dierhal„ „ven ter beschouwing van den door R: O. Eischer bij deselver Eisch verdere genomene voschen geen Ceelexie maa „ken als alleenlyk tot de geannexeer de Relaas en verklaringe overgaan die met UwelEd Achtb hoog verligt oog oog beschouwd, geen de geningste reslectie meriteerd, vermits deselve verklaringen maar alleen relatie op het eindigen der quistie heeft en metd 't minste van de waare basis te kennen geeven of weeten „schap hebben dus ten eenemaal verval= Een Genoeg zy het dat de verklaringen sub n=o 3, 9 en 5: een pang des pp:l telt:o eigene Confessie komen te poseeren, dat den 7 Rec:o de genoegsame aanleg tot deese questie is geweest, zoo als dens Leebt reeds derzelver rouwe ge toind heeft, om reedenen dat hy in willens aan de zaak met den p:l Ge= =daagde uit de waereld te ruijmen, zoo als by gaande Certificaat van den Ge rechts Boode Carel Ewald Zeervogel sub n:o 6. deese annex dicteerde alzoo eerklaarblykelijk bewijs, dat dat den p r tel:t bi zig zelve ver =tuijgd moet zin gefraudeerd te heb ben. Alzoo hadde den p Rest: Ciriel= der en omsigtiger geweest, zoo had het gantsche geval het dochtigt geen zints aanschouwd, vermits parthijen Letigenten zeer familaire, omgang met Elkand en ofschom deze elkanderen gehad hebben questie bankvast staat, terwyjl den p:s Ged betuigd of schoon het grovisie„ Recht vermeend gehad te hebben, op't miment Salisfactie te nagen zonder 't Rechterlijke gezag met dus gelyke bei selagtige dingen te vermoeyen, wel wenschende dat dit nimmer ofte noo voorgekomen waare; ofschom desi princi„ paal Rec„t aan den pp:l Gedl: de waare Casus daar van gegeeven heeft, dat diergelijke onaangenaamheden te voren gekomen zin. Den 49e Gets: alles wat tot uwel Achtb: attentie eenigsints zoude kunnen dienen vermeenende klaar en evident in dit schiftuur van antwoord te hebben getomd, zal tot de volgende Contra Cinclusie over gaan zoo als is „1 Concludeerende, dat bij definitive Vennisse van Uwel Ed: Achtb de R: O: Eisscher zijnen op ende tegens den p=l Get: bi deese EAchtb Raade gedane Eysch en Conclusie mogen mogen werden ontsegd als niet intfanglijk en ten inregte, gedaan met de kosten te ƒ zodanige andere fine als UwelEde Achtbe naar Recht en billijkheid zul„ „len vinden te behoren. Emplozeerende hier toe en op alles Uwel ^Judicis Ed Achtb benignam oficium om korte en goede Recht /:Was Geteekend/ Vercuel qq /en margine/ Eschibitum in Judicio den 1: November, 3 1788. Huijden den 10e Octob: 1788. Compareerde voor mij Willem Stepha nus van Ryneveld gem Clercq ter Peere tarije van Justitie des Casteels de Goedesloop, praesent de naten Getuijgen den oud Lieut derburgerije alhier de manh: Jonas Albertus van der Poel 1 - ƒ vren

NL-HaNA_1.04.02_11022_0092 view scan ↗

English

of competent age, who, pursuant to an appointment by the Honorable Council of Justice of this Government dated the 2nd of this month and at the requisition of the burgher Joachim Daniel Hiebner, declared it to be true: That the Appearer, on a certain day, now two to three months ago, without being able to specify the exact date, having stood talking before the house of the burgher Hermanus Gerhardus Keere with the said Keere and several other persons, there then came past the door of the aforesaid Keere the Relator in this matter; who, having stopped before the door, called out in substance to the said Keere: Manus, come here. The said Keere having then also gone thither, the Appearer subsequently joined them as well and then perceived that the Requiring Party and the said Keere had a dispute regarding the invitation to the funeral of the then deceased former Deacon Petrus van der Poel; perceiving that after some exchange of words, the Requiring Party had in substance addressed Keere: I want to be invited to the funeral of my family before strangers, and when she she does not do that, then I'll be damned if I come to a funeral and I will kick you out of my door. That the said Keere, having thereupon gone onto his stoep, had then replied: you are accustomed to beating and threatening, for you did not even shrink from beating your own mother, for which reason Mr. De Wet caned you in his house at eight o'clock in the evening; upon which remark the Appearer, not wishing to meddle in the matter, departed from there. Declaring nothing further, the Appearer gives as reasons for knowledge being prepared to confirm the same further under oath. Underneath stood: Thus occurred at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks Marthinus Laurentius Neethling and Johannes de Wit as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the Appearer and me, the sworn Clerk. Lower: To which I testify, was signed: W. J. v. Rijneveld, Sworn Clerk. Recollement Recollement Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, Jonas Albertus van der Poel, who, his preceding declaration having been distinctly read to him, affirmed that he persists therewith, desiring that nothing more be added or taken away; declaring in the presence of the Independent Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, that the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus verified by recollement at the Cape of Good Hope, the 13th of December aforesaid. Was signed: J. A. vd Poel. In my presence, was signed: W. J. van Ryneveld, Sworn Clerk. In the margin: As Commissioners, R. J. v. Riet and J. C. Gie. Tuesday the 13th of December 1788. Having appeared this day before Messrs. Ryno Johannes van der Riet and Jan Coenraad Gie, members of the Honorable Council of Justice of this Government, the valiant burgher-Lieutenant Jonas Albertus van der Poel, in order to swear to a certain declaration given by him at the requisition of the burgher Joachim Daniel Hiebner in the proceedings instituted by the Independent Fiscal here, the Honorable Gabriel Exter, against the aforementioned Hiebner in a case of extreme, atrocious injury; their Honors nevertheless, on account of affinity between the deponent and the said Hiebner, only had the aforesaid declaration verified by recollement and excused the repeatedly mentioned Van der Poel from the oath in this matter; of which the necessary note is hereby recorded. Underneath: At the Cape of Good Hope, day and year as above. Lower: In my presence, was signed: W. S. van Rijneveld, Sworn Clerk. Underneath stood: Today, the 31st of October 1788. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn Clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses named below, Aletta Faure, assisted by her mother Elisabeth de Bruin, widow of the late burgher Matthijs Faure, who, pursuant to an appointment by the Honorable Council of Justice dated yesterday and at the requisition of the burgher Joachim Daniel Hiebner, declared it to be true: That the Appearer, having been at the house of her brother-in-law brother-in-law, the burgher Hermanus Gerhardus Keere, in the past month, without being able to specify the exact time, then at the noon hour of twelve o'clock when they were about to sit down at the table, the Appearer's sister had heard say to her husband, the said Keere, who was standing on the stoep outside the door: Keere, do come inside, for the meal is already on the table, and if Hiebner has anything to say, he must come to your house in a proper manner. That the Appearer thereupon asked her said sister what was going on, and received in reply from her that Hiebner, having just passed by her house, had allegedly asked her husband in passing why he had come to invite him so late in the evening yesterday to the funeral of his uncle Van der Poel; and that her husband having answered him that he could not have done so earlier because he had invited some three or four respectable people after him, Hiebner; he, Hiebner, had thereupon replied that when he had a corpse in the house and Keere officiated at the same, he, Hiebner, would take him by the neck if he went to invite strangers before the family.

Dutch transcription

van Competenten ouderdom dewelke inge volge apoinctement van den E Achtb:e Raad van Justitie deses Gouvernement de dato 2 dezer en ter requisitie van den burger Joachim Daniel Hiel ner verklaarde hoe waar is. Dat de Comp:t op zeekeren dag, nu twee a drie maanden geleden, zonder de juiste datum te kunnen bepalen de Hoef van den burger Hermanus Ger hardus keere, met denzelven keere en nog verscheide andere Persoonen hebbende slaan praten als toen voor bij de deur van voorsz kieve gekomen was, den relh in desen; dewelke voor de deur zynde blyven staan, gem: keere in substantie had toegeroepen Manus, voor hier dt geme keere toen ook derwaard gegaan zynde had den omt: zig vervolgens meede bi hun gevoegd en als toen bespeurd dat den Reqt en gem keere wegens 't versoek ken op de begravenis van den toen over= leden oud Diacen St Petrus van der Poel verschlhadden, vermaten dat na eenige woordenwisselingen den reqt. hem keere in substantie had toegevoegd: Ik wil op de begravenis van myne Famille voor de vreemden verzogt wezen, en wanneer zij Zij dat niet doet, dan Verdom ik om op een begravenis te komen en zal jouw mijn deur uitschoppen Dat gerepte Keere zich daarop naar zijn stoep begeren hebbende, als toen geantwoord had: sy bent, 't slagen en dreigen gewend, sant jy hebt pouw niet ontzien jouw eigen moeder te slaan, om welke reeden de Heer de Wet Jour 's avonds ten acht uuren in syn Huis gerottingd heeft, op welk gesegde de Compt als zig daar niet meede willende bemoeijen van daar was gegaan. N iets meer verklarende, geeft den Compt voor reedenen van Wetenschap als bereid zinde, t zelve nader met Eede gestand te doen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secre= tarije voorm: praessent de Clercquen Marthonus Laurentius Neethling en Joh.:s de Wit als Getuigen, die de mi„ nute dezes benevens de Compt ende my gezworen Clercq, mede behoorlyk hebben onderteekend /:lager/ Twelke ik Getui„ c ge/: was geteekend:/ W: J: V: Rijneveld e Clercq. Eecolle 87 Recollement Compareerde voor de ondergeteekende Gecommitt:s uit den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements Jost Manh van der Poel, dewelke zyne vorenstaande Verklaring duidelyk voorge lezen zinde, betuigde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bi of afgedaan werden zal: Gabriel Exter, dat het vorenstaand de zuivere waarheid is. onderstond: den projuteum Fiscaal d' E: verklarende in tegenwoordigheid van Aldus Gerecolleerd aan Cabo de Goede Hoop den 13 December voord: /was getd A: Vd Poel plugers Mij praesent /:was get:/ W: J: V:n Ryne =veld g:Clercq. /:in margine:/ Als G Committ:s R J. V: Riet en H: Gue: densdag den 3 Decemb: 1738. Op heeden voor de Heeren Rijnd Johannes van der Riet en Jan Coen raad Gie Leeden uit den E: Achtb. Raad van Justitie dezes Gouvernement verscheenen zijnde, den Manh burger- Lieutenant Jonas Albertus van der Poel omme zeekere door hem ter requisitie van den burger Joachim Daniel Hiebner in het door de pro- Interim Fiscaal alhier d' E: Gebriel Exter op ende jeegens evengem. Hieb= „ner in Cas van verregaande atroce Jnjurie geentameerd proces gezee vene verklaring te beeedigen: heb- bende hun E: E: egter voorsz: verkla= „ring, uit hoofde van affiniteit tus schen den deposant en gem Hiebner„ slegts doen recolleeren, en meerge¬ melde van der Poel in dezen van den Eed geExcuseerd: waar van bi dee zen de nodige aanteekening word gehouden. /:onder Aan Cabo de Goede Hoop die et anno ut supra /lager:/ Mij praesent /:was geteekend:/ W: C a Rijneveld G:Clercq. Onder stond Huijden den 31e October 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus Van Rijneveld, gezw: Clercq ter Secretarise van Justitie des Casteels de Goede Hoop praesent de naten getuigen Aletta uute d adsosteerd door haren Moeger Elisabeth de Bruin wed wijlen den burger Matthijs Faute dewelke ingevolgen appoinctement van den E: Achtb: Raad van Justitie van gisterigen Datum en ter Requisitie van den burger Joachim Daniel Hielner ver klaarde hoe waar is.— Dat de Comp: in de gepasseerde maand drigs zonder dennetten tijd te kunnen be „palen geweest zijnde ten huijze van haren Zwager „ Zwager den burger Hermanus Gerhardus seeere, als toen op de middag de klokke Twaalf uuren wanneer aan Tafel zoude gaan zitten, der Comp=te Zuster tegen haren Aan gem: Keere, die op sloep buiten de deur stond had hoten Leggen: keere kont, maar binnen want 't Eeten is reeds op Tafel en zoo hiebner iets te zeggen heeft dan moet hy by uw ordentelijk aanhuis komen Dat de Compte. daar op gem: hare zuls„ =ter gevraagt had wat er gaande was, en van haar ten antwoord bekomen dat Hieb„ =ner even te voren haar huis gepasseerd zijnde, tegens haar Man in 't voorbijgaan zou hebben gevraagt waarom hi hem giste „ren zoo laat in den avond agter het Lijk van zyn Oom van der Poel was komen ver= zoeken, en dat haren man hem daar op geantwoord hebbende, dat hij zulks niet eerder had kunnen doen want dat hij nog wel drie a Vier fatsoonlyke Lie„ den na ham Hubner verzogt had; hy Hielner daar op had gerepliceerd, dat wanneer hij eenlik in huis had en hieren Aan 't zelve bediende my Hiebner als dan haar nam, wanneer hy vreem =de Lieden voor de Famille ging vertoe ken

NL-HaNA_1.04.02_11022_0098 view scan ↗

English

would knock out the door. That when the appearer's said brother-in-law had then continued: you must not kick so harshly, the same Hübner had substantially replied: if it were not out here on the street, I would deal with you, and immediately thereupon threatened him with the cane, while the appearer's brother-in-law was said to have answered this by saying: you are used to threatening, for you have even threatened your own mother. And said Hübner having asked thereupon, who had seen such a thing, the appearer's brother-in-law was then said to have replied: I have seen such a thing, and just ask Mr. de Wet why he struck you, without the appearer knowing any further particulars of what followed, as she departed from her sister shortly thereafter. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further under solemn oath. Two identical copies hereof having been dispatched. All which took place at the aforesaid Secretariat, present the clerks Marthinus Laurentius Keetling and Johannes de Wit as witnesses, who have duly signed the original hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Below: Which I witness, was signed: W. S. v. Ryneveld, sworn clerk. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, Aletta Taute, assisted by her mother Elisabeth de Bruin, widow of the late burgher Matthias Taute, who, this her preceding deposition having been read out clearly and distinctly word for word, declared that she persevered and persisted therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, testifying in the presence of the pro interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Pieter Exter, that all the foregoing is the pure truth. Below stood: Thus reviewed at Cape of Good Hope, the 3rd of December 1788. Was signed: Aletta Dorothea Taute. Lower: In my presence, signed: W. S. v. Rijneveld, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: R. J. v. d. Riet and J. C. Gie. Wednesday the 3rd of December 1788. Aletta Taute, assisted by her mother Elisabeth de Bruin, widow of the late burgher Mathys Taute, on the one part, and the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Pieter Exter, on the other part, having appeared today before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Jan Coenraad Gie, members from the Honorable Council of Justice of this Government; the first-named to confirm under oath a certain deposition given by her at the request of the burgher Joachim Daniel Hübner in the case initiated by the aforesaid pro interim Fiscal upon and against the said Hübner in the matter of an assault and injury committed against the burgher Hermanus Gerhardus Keere; the gentlemen commissioners, in view of the fact that the above-mentioned Aletta Taute is a full sister of the wife of the aforesaid Keere, have judged it best to have the aforesaid deposition only reviewed, and this however only after it had been testified by the said Aletta Taute that she could proceed to take the oath upon her said deposition with an easy mind. Thus this minute was kept hereof at Cape of Good Hope, the day and year as above. Lower: In my presence, was signed: W. S. v. Rijneveld, sworn clerk. Below stood: Today, the 3rd of November 1788. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the after-mentioned witnesses, the burgher Josias Brink, who, according to the order of the Honorable Council of Justice dated 30 October last and at the request of the burgher Joachim Daniel Hübner, declared it to be true: That on a certain day in the month of August, without being able to determine the precise date, having arrived at the house of the appearer's father, the burgher Daniel Morkel then related to him, the appearer, among other things, that he had heard from the burgher Hermanus Keere that when the petitioner had threatened him with the cane, said Keere was said to have added to him, the petitioner: You have even threatened your own mother. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to confirm the same further under oath. Two identical copies hereof having been dispatched. All which took place at the aforesaid Secretariat, present the clerks Johannes Henricus Fischer and Johannes de Wit as witnesses, who have duly signed the original hereof together with the appearer and me, sworn clerk. Lower: Which I witness, was signed: W. S. van Rijneveld, sworn clerk. Review Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the burgher Josias Brink, who, this his preceding deposition having been read out clearly and distinctly word for word, declared that he persevered and persisted therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the pro interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Pieter Exter, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus reviewed and sworn at Cape of Good Hope, the 3rd of December 1788. Was signed: Josias Brink. Lower: In my presence, signed: W. S. v. Rijneveld, sworn clerk. In the margin: As commissioners, and signed: R. J. v. d. Riet and J. C. Gie. Today, the 22nd of October 1788. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the after-mentioned witnesses, Margaretha Catharina

Dutch transcription

ken, de deur zoude uitedoppen. Dat wanneer gem: der Comp=te Zwager als toen vervolgd had: gis moet zoo grauw met schoppen. den zelven Heelne„ substantieelijk had gerepliceerd: zon het hier op straat niet was, zoude ik U wel krijgen en Hem dadelijk daar op met de rotting gedreigd had terwijl der Compte 6 zwager dit zoude hebben beantwoord met t zeggen: het drijgen zijt gij gewoon, waa gy hebt uw eygen Moeder wel gedreigd. en gem: Hiebner daar op gevraagd heb bende, Wie zulks gezien hadt der Comp zwager als toen zoude hebben geregereerd Ik het zulks gezien, en vraagt de Heer de Wet maar waarom hy U heeft geslag 1 zonder dat de Compte retsrant Gevol meer weet, als zinde kort daarop van haren Zuster vertrokken. N iets meer verklarende geeft de Compte voor redenen van wetenschap als den Texxt; bereijd zynde 't zelve met solemneele Eede nader Gestand te doen Zynde hier van geEexpedieerd twee eensluidende afsch ¶Onder Rind: ter al aldus passeerde Secret - - „ 1 Secretarije voorm: praesent de Clercquen Marthinus Lautenthiu Keelling en Joh:s de Wit als Getuigen die de minute dezes benevens den Compt en mi getw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend: / lager/ T welk ik getuigen /was geteekend.:/ W=r 1 Ryneveld g Clercq. Recollement Compareerde voor ons ondergeteekend= gecommitt:s uit den E: Achtb: Raade van Justitie dezes Gouvernements Aletta Faute, geadsisteert door haare Moeder Eli= sabeth de bruin wes: Wylen den Burger Mal„ dat 'er niets meder by of van gedaan werden zal, betuigende in praesentie van den pro Jnterir Faiscaal, alhier d' E Gabrie this Taute, dewelke dese haare vorenstaande Verklaring van woorde tot worrde klaar en duidelyk voorgelezen wetende, verklaarde daar by te blijven persisteeren met begeerte ne . - Cater 6 vere waarheid is. /:onderstond:/ Aldus Gerecolleerd van Cabs de Goede Hoop den 3e Decemb:r 1788. /:was geteekend:/ Aletta Dorothea Caute /:lager:/ mij praesent /geteekend.:/ W C: V: Rij neveld, getd Clercq. /in margine:) als Gecommitteerdens /:en geteekend:/ R: J: V: d: Riet en P: C: Gie Woensdag den 3 December 1788. letta Saute geadsisteerd door haar Moeder Elisabeth de Bruin wed wyl en den Burger Mathys Saute ter eenre en de po intuim Fiscaal d' E Gabriel Peter, ter a„nder„ zide op heeden voor de Heeren Ryno Johan nes van der Riet en Jan Coenraad Gie Exter dat al het vorenstaande de zui Leeden ƒ Leeden uit den E Achtb Raade van Justitie dezes Grrovernements verscheenen wezende, de Eerstgem: omme te berdigen zeekere ver= klaring, door haar ter requisitie van den burger Iaachim Daniel Hiebnes in de zaak door voorsz: pro interim Fiscaal op ende Jegens evengem: Riebner, in Cas van den burger Hermanus Gerhardus Keere aange dane a twee pnjurie geentameerd, gegeven:„ Hebben Heeren Gecomm: ter zaake dat bo„ vengem: Aletta Taute is een eygene suster van de huisvrouw van voorzz: heere best geoordeeld de vorsz depositien alleenlijk te doen recolleeren en zulks egter eerst na dat door dezelve Aletta Laute betuigd was op haare meergem: gegeevene verklaringe met een gerust gemoed tot het doen van de Eed te kunnen treeden. Zinde dus hier van deze notul gehouden Van Cabo de Goede Hoop die - et anno utsupra /lager:) my praesent /:was get:/ W: J: V Rijneveld & Clercq. /onderstond/ u 6 Huijden den 3 Novb 1788. Compareerde voor mij Willem Stephanus van RinereEd: getw: Clercq ter Secretarige van Casteels de Goede Hoop, pro Justitie des sent de nagen getuigen den burger Josi brink, dewelke volgens apprinctement van den E: Achtb Raad van Justitie de dato 30e Octo: JL: en ter requisitie van den burger Joachim Daniel Hiebner verklaarde hoe waar is. Dat op zeekeren dag in de maan Augustus, zonder de pracisi datum te kunnen bepalen in het huis van des Comp„ vadergekomen zijnde, den burger Ia niel Morkel denzelve hem Comp:t als toen onder andere verhaald heeft, dat hy van den burger Hermanus Keere gehoordhad, dat wanneer den reqt hem met de rosting had gedreigd, gem: keere hem reqt. zou hebben toegevoegd Gij hebt uw eijge Moeder wel gedreygd. iets meer verklarende, geef den Compt voor reedenen van wetenschap als als in den Text bereid zynde het zelve nader„ met Eede gestand te doen. Zijnde hier van geExpedieerd twee Eensluiden te afschriften. d G Dat aldus passeerde ter Secreta= rije voorm: praesente de Clercquen Johannes Henrijus Fisscher en Johannes de Wit als getuigen die de minute dezes benee„ vens den Comp:t ende mij gezw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /:lager:/ I welk ik getuigen w: geteekend:/ W: C: van Rijneveld eClercq Compareerde voor ons onderget: Gecommitte Uit den E: Achtb: Raad van Justitie dee zes Gouvernements den burger Cosias Brink, dewelke deze zijne volenstaande verklaring van woorden tot woorde klaar en duidelijk voorgelezen zinde, verklaarde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte Recollement .. 8 dat dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en spaak derhalven ter bevestiging der waar heid van dien in tegenwoordigheid van den pro Jnterim Fiscaal alhier d' E: Gabriel Exter, de solemnee le woorden zoo waarlyk helpe mi God Almagtig onderstond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop den 3„e Decbr 1788. /was geteekend/ Cosial Brink /:lager Mij praesent /w geteek:d/ WJV Rijneveld gCbercq. /:in margine:/ als Gecommitt:s : en geteekend:/ R: J: V: d: Riet en J: C: Gie Huijden den 22e: Octb: 1788. Compareerde voor my Willem Stephanus van Rijneveld gew: Clercq ter Secretarie van Justitie die Casteels de Goede Hoop praesent de nagen: Getuigen Margaretho Catharina

NL-HaNA_1.04.02_11022_0105 view scan ↗

English

Catharina Ekhard assisted by her husband, the burgher Pieter Hendrik van der Lith, who pursuant to the order of the Honorable Council of Justice dated 2 October 1788 and at the requisition of the burgher Joachim Daniel Hiebner, declared it to be true: That already two months ago, without however remembering the exact date, the burghers Andries Auret and Hermanus Keeve having come to the deponent's house, and they then speaking in the presence of the deponent's aforesaid husband about various matters, the deponent on that occasion heard the said Keeve say that the burgher Daniel Hiebner had struck him. That the deponent having thereupon asked what the reason for that had been, the said Keeve had substantially replied: because I invited him to the funeral too late. That the deponent, as far as she now recalls, having then asked again, is it just fine to strike one another like that, was that the whole reason for it; she had received in reply from the aforesaid Keeve: when he offered to strike me, I told him that striking came easy to him, because he had offered it to his own mother. Declaring nothing further, the deponent gives as her reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the above further under oath at all times. Thus done at the Secretariat aforesaid, present the clerks Marthinus Laurentius Neethling and Jacob van de Waereld, as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Below: which I witness. Was signed: W: J: v Ryneveld, Sworn Clerk. Examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, Margaretha Catharina Ekkert assisted by her husband the burgher Pieter Hendrik van der Lith, to whom this her preceding declaration having been read word for word clearly and distinctly, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken from it, except only that the deponent no longer knows how to say whether Keeve used the word strike or threaten, and that the deponent recalls nothing more of the conversations used at her house regarding this matter; and therefore spoke in confirmation of the truth thereof, in the presence of the pro interim Fiscal of this government, the Honorable Gabriel Exter, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus examined and sworn at the Cape of Good Hope on 3 December 1788. Was signed: M: C Eckhart. Lower: In my presence, was signed: W: J: Van Ryneveld, Sworn Clerk. In the margin: As commissioners: R: J: v: d Rieth and J: C: Gie. Today, the 21 October 1788. Appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the witnesses named below, the burgher Andries Auret of competent age, who pursuant to the order of the Honorable Council of Justice dated the 2nd of this month and at the requisition of the burgher Joachim Daniel Hiebner, declared it to be true: That the burgher Hermanus Gerhardus Keeve having come to the deponent, by estimate around the 15th or 16th of the past month of August, the same had related to this deponent in conversation that when the incident between him and the burgher Joachim Daniel Hiebner had occurred, the said Hiebner had first threatened him on the street with a cane, and he, Keeve, had thereupon answered the said Hiebner: you may well threaten me, for you were not ashamed to threaten your own mother; the said Keeve, after having stayed a little while longer with him, the deponent, then went away from him. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the above further under oath. Two identical copies of this having been granted. Thus done at the Secretariat aforesaid, in the presence of the clerks Willem Bergh and Jacob van de Waereld as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: W: S: Ryneveld, Sworn Clerk. Underneath stood: Examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the burgher Andries Auret, to whom this his preceding declaration having been read word for word clearly and distinctly, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken from it; and therefore spoke in confirmation of the truth thereof, in the presence of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus examined and sworn at the Cape of Good Hope on 3 December 1788. Was signed: A: Auret. Lower: In my presence, was signed: W: J: v Ryneveld, Sworn Clerk. In the margin: As commissioners, signed: R: v: d Riet, J: C: Gie. I, the undersigned, hereby declare at the requisition of the below-signed Assistant in the service of the Honorable Company, Sr. Jacobus [illegible], that some time ago, being at the house of the burgher Hermanus Gerhardus Keeve for the transaction of affairs, I heard him say among other conversations: that he was willing or inclined to settle his difference with the fellow burgher Daniel Hiebner. Cape of Good Hope, 1 November 1788. C: C: Liervolger Register of documents and muniments that served in the case of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter. 1 to 6

Dutch transcription

Catharina Ekhard geadsisteerd door haren Man, den Burger Pieter Hendrik van der Lith, dewelke ingevolge appoinc tement van den E: Achtb Raad van Justitie de dato 2 October 1788. en ter requisitie van denburger Joachim Daniel Hiebner verklaarde hoe waar is. Dat reeds twee maanden geleeden, zonder nogthans de prociese datum onthou den te hebben, ten huifte van de Comp:t ge- komen zynde, de burgers Andries Auret„ en Hermanus Keeve, en zyl als toen in 't by zyn van der Compte voorsz: man over deeze in geene zaken gesproken hebbende, het de Comp„te bij die gelegenheid, gem: keere horen zeggen dat den Burger Daniel Cubner hem had geslagen. Dat de Comp=e daarop gevraagd heb bende wat daar de leeden van geweest was, gehepte keere substantieelyk had gerepliceerd: om dat ik hem te laat op de begravenis heb verzogt: Dat de Compte voor zoo verre haar dit thans nog voorstaat als toen hervraagd hebbende, gaat het maar zoo goed immal kanderen te slaan2 was dat de heele reden daar „ daar op van voorsz keere had, ten antwo bekomen: Jk het hem toen hij mij Sage presenteerde, gezegd, dat hy ligt van slaa viel, want dat hy 't zyn eigen moeder gepresenteerd had. Niets meer verklarende, geeft de Compte. voor redenen van Wetenschap als in den Text, bereid zijnde het vorenstaan 2 =de ten allen tyde, met Eede nader gedr te doen. Dat aldus passeerde ter Secretarie voorn: praesent de Clercquen Marthinus Laurenthius Neithling en Jacob van de Waereld, als getuigens die de minute dezes, beneffens de Comp e ende mij gezw: Clercq meede behoorlijk het ben onderteekend /: lager/ welke ik getui„ /:was geteekend:/ W: J: v Rijnereid E: Clercq. Recollement Compareerde voor ons onderget: Gecommit„ Cust den E Achtb: Raad van Justitie /:Onderstond deses 1 . dezes Gouvernements Margaretha Ca tharina Ekkert geadsisteerd door haren man den burger Pieter Hendrik van der Zith, dewelke deze zyne voorenstaan„ de Verklaring van worrde tot worden klaar en duidelijk voorgelesen wezende, verklaarde daar bij te blijven persiteeren, met be„ geerte dat er niet meer by of van gedaan werden, als alleenlijk dat de Comp:e net meer weet te zeggen of kelve het woord slaan of drijgen gebruikt heeft, en dat daar Comp=te van de discourssen „len haren huize wegens deze Zaak gebezigd, niets meer voorstaat, en sprak dierhalven ter bevestiging der vaarheid van dien in tegenwoordigheid van den pro jnterim Fiscaal dezes Gouvar= „nements d' E: Gabriel Eexter, de solem neele worden Zoo waarlyk helpe 1 mij GodAlmastig Onder sond: Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de Goede Hoop den 3 Decem ber . ƒ ber 1788. /was geteekend:/ M: C Eckhart /lager:/ Hij praesent was geteek/ W: J: Van Ryneveld gClercq /in margine:) als gecom R: J: v: d Rieth en J: C: Gie Huijden den 21: October 1788. Compareerde voor my Willem Stephanus van Ryneveld gesw: Clercq ter Secretarise van Justitie der Casteels de Goede Hoop present de naten getuigen den burger Andries Huret van Competenten ouderd dewelke ingevolge apprinctement van den E Achtb Rade van Justitie de dato 2e deser en ter requisitie van den burger Joachim Daniel Riebner verklaarde hoe, waar is Dat bij de Comp:te na gissing omtren den 15: of 16 der gepasseerde maand Ro„ gustus gekomen zijnde den burger Hei manus Gerhardus Keere denselve hen Comparant discoursive verhaald had, dat wanneer het geval tusschen hem en den burger Burger Joachim Daniel Hiebner gebeurd was, gem: Heebner hem eerst met de Rotting op straat zou hebben gedraigd, en hij keere gem Hielner daarop zou hebben geantwoord: gy meugt mij wel dreigen, want gi hebt u niet geschaamd uw eigene Moeder te dreigen zynde gem kelre, na een poosje nog bi hem Comp=ts vertoefd te hebben, als toen van hem weggegaan Niets meer verklarende, geeft den Comp„te voor redenen van Wetenschap als in den Text, bereid zijnde het vorenstaande het ge= requireerd werdende, met Eede nader ge stand te doen. Zijnde hier van verleend twee eens luidende afschriften 1 Dat aldus passeerde ter cretarie voorm. ter praesentie der Clercquen Willem Bergh en Ca„ cob van de Waereld als getuigen die de minute dezes benevens den Compt en de my getw: Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /lager/ T welk ik getuige /:was get:d:/ W: H: Ryneveld GClercq Onder stond:/ Gecolle 6 Compareerde voor ons onderget: Gecommitt Ert den E Achtb Rade van Justitie de Gouvernemente den burger Andries Au het, dewelke deze zyne vorerstaande ver van dien in presentie van den pro interin Fiscaal d E Gabriel Exter, de Solemneel woorden zoo, waarlijk helpe my God Amachtig derhalven ter bevestiging derwaarheid of van gedaan werden zal en sprak klaring van worde tot worrde klaar en duidelyk voorgelezen wezende, ver met begeerte dat er niets meer by „klaarde daar by te blyven persisteeren Recollement /Onderstond: Aldus Gerecolleerd en beedigd aan Cabo de Goede Hoop den 3 Decem ber 1788. /:was get:/ A: Rurel /lager/ Mij praesent /wGet/ W J: v Ryneveld & Clerc, /in morgine: als Gecommitt /:geteekend:/ Rv d Riet J. C: Gre. : Ik ondergeteekende verklaare bij dezen ter requisitie van den Onderafgesch Gage staande Adsistent der E Comp„e St Jacobus dercual, dat ik eenige tyd geleeden, ter verrigting van Ossaires mij bij den burger Hermanus Gernardus Keeve bevindende, onder andere discouviren, van dezelven honde zeggen: dat hij willens of geneegen waren zyn. verschil met den meede Burger Daniel d Hielner te vereffenen. — abo de goede Hoop den 1 November C: C: Liervolger 1788 Eegister der stukken en munimen„ „ten gediend hebbende in de zaak van den pro Interim Fiscaal de Gabriel Exter 1 - tat 6

NL-HaNA_1.04.02_11022_0112 view scan ↗

English

Claim filed by the Fiscal pro tempore on 2 October 1788. 2. Sworn report by the burgher Hermanus Gerarius Keere. 3. Sworn statement of Johanna Aletta Cromhout, wife of the non-commissioned gunner Gerrit Schierhout. Of the Assistant of the Honorable Company, Daniel Jacob de Neufville. Of the Commissioners of Civil and Marriage Affairs. S: Jan Pieter Eersten. Petition submitted by the burgher Joachim Daniel Heebner on 30 October 1788. Answer by the burgher Joachim Daniel Heebner, defendant, against the Official Plaintiff. 13 10 11. 22 14. 15. December 1788 before Commissioners. Minute of the said day held before Commissioners. Re-examined statement of Aletta Taute. Minute of 3 December 1788 held before Commissioners. 6 Sworn statement of the burgher Josias Brink. Of Margaretha Catharina Ekhard, wife of the burgher Pieter Hendrik van der Zith. Further of the burgher Andries Ruret. Private statement of Zierroyll. Agrees: P. J. D. Rijneveld, Secretary. 8. Re-examined statement of the sailor Jonas Albertus van der Poel, delivered 13 November 1788. 13. Appeared before the Honorable Worshipful President and Council of Justice of this Government, the Fiscal pro interim, G. Exter, Official Plaintiff in a case of committed violence, of the one part; The burgher Jan Barends, defendant in the aforesaid case, of the other part; And stated: 2. That the defendant, the burgher Jan Barends, being accustomed to quarrel or to brawl over nothing, 3. on the occasion that the gunner Diederik Moulin in the past month entered the defendant's house 4. to settle his account with him, the said Moulin having owed a shirt to the defendant, which he had borrowed for a funeral upon the offer of the defendant, not recognizing the same upon its return as the borrowed one, however, and thus having been offered by Moulin either to keep the shirt or to have another one made; the defendant, on the contrary, having demanded from him, Moulin, 1. 6 8. 23 payment, and to promise already previously threatened, 11. for the defendant, having 12. that he held a grudge against Moulin, and if he found him alone in the street, he would smash his arms and legs to pieces; 13. upon the declaration made in his house by his wife that this shirt had cost 7 Rds, and the reply given thereupon by Moulin that it was mean to ask so much money for such a shirt, saw fit to follow the frequently mentioned Moulin out of the house into the street, and having seized him from behind by the hair, threw him down onto the ground and struck and kicked him in the face, 18. was entirely swollen; 16. further with the foot in such a manner or loose, 17. that the same was black and blue and the head, 1 all of which shall further appear to Your Honors from the annexed documents and evidence, to profit from the occasion, and to show his bravado, 10. did not hesitate also to demand from Moulin, as servant of the Firemaster Pieter Laurens Cloete, twelve and a half Rixdollars for tobacco; 14 3 1 and shall be all the more punishable, as it will be punished in judgment by the, whereby it shall principally come into consideration that the defendant already said beforehand that he would carry out such an act against that person; 23. and thus perpetrated the same well-considered, with intentional will and purpose; that he did so in the public street, having followed the person outside, 24. 25. seizing him from behind by the hair in a very vile and malicious manner, and kicking him with feet, 26. whereby he inflicted notable injury upon the said person, and could have injured him far more and worse; and thus in so far made himself guilty of public violence, circumstances qualified more or less than the perpetrated act, ad arbitrium; and that accordingly the defendant made himself guilty of this public injury and very excessive battery of that person; 19 20. 21. 22. 28 1 1 the defendant's wife and brother-in-law having had to restrain him from further violence; 30. certainly in all respects an extremely 31. for which the use of the expression mean can by no means qualify anyone, unless one must be just as quarrelsome and inconsiderate as the defendant has been known to be for several years past; his own good ought to be punished for the sake of others; on which and other grounds and arguments to be deduced in due time and place if necessary, the Official Plaintiff, making his claim, concluded that the defendant Jan Barends shall by definitive sentence of Your Worships be condemned to pay a fine of one thousand Cape guilders, to be distributed, one part to the poor and the Official Plaintiff, wherefore the same also for his own restraint and promotion of, that all of this was done and occurred 29. 28. without any reason or opposition given or made, violent manner of proceeding; 33 2 Plaintiff, that the defendant shall be put on water and bread and locked up for the period of three weeks, with condemnation in all costs; or to such penalties and punishments as Your Worships in good justice shall find and deem to be proper. Signed: G. Exter. Exhibitum in judgment on the 30th of October 1788. In the margin. Report given before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, by and on behalf of the gunner in the service of the Honorable Company, Diederik Moulin, of competent age, and at the requisition of the Fiscal pro tempore, the Honorable Gabriel Exter, reading as follows: That the deponent, about four or five months ago, 1 and 2

Dutch transcription

Eijsch door den Proputeum Fiscaal den 2 Oct: 1788: ingediend 2. BeEedigd Relaas door den burger, Her manus Gerarius Keere. 3. „ BeEedigde Verklaring van Johanna Aletta Cromhout huisvrouw van den onder ofgezen staande Constapel Gerrit Schierhout Van de Adsistent, der E: Comp Daniel Jacob de Neufvilde. van de Commissarissen van Coriele en Pliwlyk zaken S: Jan Pieter Eersten Request door den burger Joachim Daniel Huener den 30e Octb: 1788. ingediend. Antwoord door den burger Joactims Daniel Phebner den den burger Joachim Daniel Heebner Ged: tat Officie Eisscher 13 10 11: 22 14. 15: December 1788. voor Gecom- Notul van der D mits gehouden Gerecolleerde Verklaring van Aelta Taute„ Notul van den 3 e December 1788: gehouden voor Gecommitt:s 6 BeEedigde Verklaring van den burger Josias Brink Van Margaretha Catha= rina Ekhard huisvrouw . van den burger Pieter Hen drik van der Zith. V:r Van den burger Andries Ruret. E E Onderlandsde Verklaring van Zierroyll Accordeert PJ D Rijneveld 8.. Gerecolleerde Verklaring van den Mant Jonas Albertus van der 13:e Novb:r 1788. ingeleverd. Secrets Poel „ : 13. Compareerde voor den E Achtb: Heer Prosikent en Raade van Justitie dezes Gouvernements, den pro Interim Fiscaal G: Exter, C0 Eisscher in Clas van gepleegde Vrolentie ter eenre Den Burger Jan Barends get: in voorsz: Cas ter andere Zide En deede Leggen: 2. dat den getC: den burger Jan Barend gewent om reisie te hebben ofte voor niets te bakelyen 3. bij gelegenheid dat den Canimier Diedrik Moulin in de voorleden mand H. r in des get: huis is gekomen 4. Om zijne Reek: met dezelve te vereffenen. ¶Zynde den gem: houlm een hemd aan den Ged schuldig geweest Dat tot een begraaffenis op de offerte van der Ged:e ontleend heeft 't zelve egter bij de terug gave niet voor't. geleende herkens 2 en dus van Moulin is geoffereerd geworden 't hemd te belaaten, ofte een andere te laten maken Moulin hebbende den Ged, daar en tegen aan hem 1. - 6 8 . 23 talen gehad te beloven Creeks van te voren gedeteuen 11. Want den get hebbende 12: dat de nyd op Moulin stad en als hy den zelven alleenig op straat bevond, armen en beenenzoude in stukken slaan 13. bij de de zijnen huyse door desselfs Tui Rd s 7 had gekost, en de daar op van Moulin vrouw gedaan deslacatie, dat dit hem gegeevene Replieq dat 't laag was, door een zulke Gemd soo veel geld te vagen, heeft, kunnen goedvinden, meergem Moules uit 't huis op de straat na te volgen en denzelven van ageeren by t Gair ge 5 greepen hebbende, op de gamd ter nederte werpen en in 't aangesigt te slotien en de sehop : 18 gantsch opgezwollen is geweest. 16. Voots met den voet zodanig oft Loos 17 dat het zelve bint en blaauw ert hoofd 1 Waarvan 't een en ander uit d'anexe documenten en bewyzen nader aan UwelEd occasie te profiteeren, en zyne dapperheid 10 zig niet heeft ontzien, ook van des Tabak twaalf en een halve Ryxd: te be Hr Pieter Laurens Cloete voor wys en Moulin, als knegt van den Brandmeester 14 3 1 pen UwE: Rettb: zal komen te blyken en dies te strafbaaren zal zin, al de word Iudieco zullende bestraft worden, door de Waarbij dan voornamelijk in aannerking zal komen dat den get: van tevozen al heeft gezegd een diergelijke daad aan die persoon te sullen uitvoeren; 23 en dus dezelve wel bedagd, met opzetter lyke wille en voornemen heeft geperpetreerd dat hij zulks gedaan heeft op opentlijke straat naar de persoon naa buiten ge„ 24 volgd te zijn 25 denzelven op den zeer lagengne bots. „aartige wijse van agteren aan de hairen grypende en de wet voeten Schoppend be 26. Waardoor den gedl: merkelijke beschadi =ging heeft toegevoegd, en nog veel nier en erger had beschadigin kunnen en dus in zoo verre zelve aan publicque geweld zig heeft schuldig gemaakt omstandighedens meer of min gequalificeerd als de geperpetieerde dood, ad arbitum En dat dien volgens den gedl zig aanvade mishandeling dier persoon heet schuld is gemaakt lyk gepleegde Injurie en zeer verre gaande 19 2d. 2 22. ans 977 „ „ 28 „ 1 1 hebbende des Gedz: Vrouw en Dwrager bom van meerdere violentie moeten afhouden 30. Zekerlijk ten allen opzigten een uiterst 31. Waartoe op geenerley wyze den gebruik Expressie van laag ymant zal moge qualificeeren ofte men moet even zoo sterk bakke 32 blyzugtig en onbetinnen zijn, als den gedl. zeederd meerdere Jaaren daar voor bekend. is hyn eigen best voor anderen sal be horen gestraft te worden. mits welke en andere rederen en middelen in tyd en wylen /:ib 't nood nader te deduceeren, den R: O: Eijsscher Eysch doende Concludeerde dat den Ged„e Jan Barends bi definitive Vonnis van UW Ed: Achtb:e zal werden gecondemneerd, te bela Een een geld boete van Een duyzend Caabsche Guldens te verdeelen aan de Armen partem en den E: O Eysscher Weshalven denzelven dan ook tot den selfs beleugeling en bevordering van dat zulks alles gedaan en geschieed 29. 28. zonder eenige reden en oppositie gegeeven ofte gedaan. violente Sandelwyze 33 2 Eisscher, dat den get C: voor den tid van drie weeken bij water en brood gezet en opgesloten zal werden, met Condemnatie in alle kosten: ofte tot alzulke poenen en Stroffer als UEd Achtb: by goede Justitie zullen vinden en voordeelen te behoren. /:W: Geteekend:/ G Exter Exhibit: tn fulieid der /in margine 30e Octb 1788. E Claas gegeven ten overstaan, van de onderget Gecommitts uit den E: Achtb: Raade van Justitie deze Gou„ vernemente door en van wel gens den Cannineer, in dienst der E: Comp:e Diederik Mou„ len van Competenten ouderdom en ter requisitie van den Procu Ecrim Fiscaal d' E Gabriel Ceter, luidende het zelve als volgt Dat de Rett voor nuwel Vier e Vyff maanden ge„ 1 en 2

NL-HaNA_1.04.02_11022_0122 view scan ↗

English

ago, on the occasion that the relator was invited to the funeral of his cousin Edde Blok, having mentioned in the presence of the burgher Jan Barends that all of his clothes were not close at hand but were at his uncle Zimmerling's, where the relator was lodging; that someone would therefore have to be sent thither quickly to fetch a clean shirt, the said Baerends substantially answering him, it will become too late, I will lend you one of my shirts, went home and immediately sent a shirt to the relator. That the relator having returned that shirt the following day after having had it washed, the wife of the said Baerends then sent it back again to the relator with a message that the aforesaid shirt was not the same one that her husband had lent to the relator the day before; but the relator, knowing only too well that this was the very same shirt, spoke to the said Baerends in person about it and then offered to him that if his wife continued to persist in her opinion that the shirt was swapped or missing, he would have a new shirt made or otherwise pay for it, to which he, however, answered by saying, it does not matter. That the relator having nonetheless insisted thereon more than once, and having each time received as an answer, it does not matter, or, we will surely find it, until about fourteen days ago, when it came to the ears of the appearer from various people that the said Baerends was speaking very strongly about this, this caused the appearer to take the decision, and as the same Baerends was still indebted to the warehouse of the Master Cooper Pieter Laurens Kwele, where the relator serves as a servant, in the amount of 12 Rijxd: and four schell: for two half aams of wine and a roll of tobacco, therefore to settle with the said Baerends both this matter and regarding the aforesaid shirt, to prevent all further gossip. That the relator then also went in person to the house of the said Baerends, and having requested him, as aforesaid, to settle accounts with the relator, the wife of the said Baerends had then substantially answered that the disputed shirt cost her seven Ryxedaalders. That the relator having replied to this that he would pay it, but nevertheless thought it low to demand so exorbitant an amount from him for a shirt; the relator then went out of the house of the said Baerends to fetch the money: That when the relator had advanced barely a few steps from the stoop, the said Baerends, coming furiously out of the house, then seized the relator from behind by the hair, threw him to the ground, and continuously kicked him in the face with his feet, until his brother-in-law Frans Jurgens and sister Betje Baerends jumped in and rescued the relator, whereupon the relator immediately went to his warehouse. And the relator further declared that his face was kicked entirely black and blue, and his head was so swollen from it that he could not put on a hat for four days, and even now, long after the date, he is afflicted with headaches, of which the relator previously never had any experience. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the same further under oath. Underneath stood: Thus related at the Cape of Good Hope the 30th of September 1788, before the gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Court of Justice of this Government, who, together with the appearer and me, First Clerk, have signed the minute hereof. Lower: Which I witness. Was signed: W. J. van Ryneveld, First Clerk. Verification. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this Government, the person of Diederik Moulin, who, having had this his preceding statement clearly read to him, declared that he persists therewith, desiring that nothing more be added to or taken from it, except only that the relator could still bring forward two sufficient declarations from people who have not wished to meddle in this matter to substantiate this his statement, and that the relator currently has an ailment, while pus continuously runs into the relator's ear, which the doctor declares was caused by the kick administered to the relator. And he therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Jacobus van Leeuwen, as attorney of the burgher Johan George Baerends, the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus verified and sworn to at the Cape of Good Hope the 3rd of December 1788. Was signed: D: H: Moulin. Lower: In my presence, signed: W. C. van Rijneveld, First Clerk. In the margin: As commissioners, and signed: R. J. v. d. Riet and J.

Dutch transcription

geleden, bij gelegenheid dat hij Relt op be graaffenis in zynen Neef Edbe Blok verzocht was, in praesentie van den burger Jan Ba rends gesproken hebbende, om teluijte zin Goed ken niet by de Land waren maar zich bij zijnen Oom Zimmerling daar hij Red„e logeerde, be vonden; derzalven spoedig ijmand tot het haa Een van een schoon Gemt, dezwaards te Zenden gerept Baerends als tien substantieel antwoor dende; 't zal te daat worden ik zal U een van min Hemden leenen, zich naar huis begeren en den Relt dadelyk een hemd: toege„ Londen had. Dat den telt dat hemd daags daar aan na het zelve te hebben laten wasschen te rug bezorgd hebbende, de huis souw van geregt Baerends het zelve als toen ten tin wederom aan den Rel:t had toegezonden met eene boodschap dat het voorsz hemd met het zelve wast, het welke haare Aan de relte daags te voren geleend had, dan dat de Relt. echter te wel wetende, dat dit het zelfde hemd was, gerepte Boezends daar over in persoon had onderhouden en hem als toen g'eefereerd, om zoo zine vrouw bleef volhar„ den bij haare suitencie dat het hemd ver„ rwild of vermist was, aan een nieuw Dremd te talenmaken, of het zelve anders te beta aan beantwoord had. „ len, 't gunt denzelven echter met het zeggen Dat den Redt echter daar op meer het komt er net op dan dan eens geinsteerd, en telken ten antwoord bekomen hebbende, het komt, er niet op aan„ of: Wy zullen het wel vinden tot voor het el veertien dagen geleeden, wanneer de Compt van deze en geenen ter doren gekomen zijnde, dat gerepte Baecents zich daar over zeer sterk uitliet, had dit de Comp:t als toen het besluit doen neemen, en vermils denzelven Baerends nog aan het Pakhuys van den baand Meester S Pieter Laurens Kwele, zy, wyen den Ret:t als knegt dienst doed/ 12 Rijxd: en Vier schell: wegens twee halve aamen Wijn en een Rol Tobak debet was, derhalven zoo wel dese zaake, als wegens het voorsz: hemd, met hem Baerends, ter voordeming van alle verdere Praatjes, te vereffenen Dat de Rel:t zechtoen ook in persoon naar het huis van denzelven Baerenes be= geeven, en hem verzocht hebbende, om als voum: met den Relt: af te teekenen: had als toen de huisvrouw van denzelven Baerends Sub= stantieelyk geantwoord, dat haar het quaestieure, se hemd Zeven Ryxedaalders kostte. Dat de Rect hier op gerepliceerd het =bende, dat hij dit betalen zoude, maar het egter laagvind om hem zoo impitant veel vóór een hemd afteeisschen; hadden relt zich als toen om 't geld te gaan halen rit l dat 1 uit uit het huis van gerepte Baerends begee„ ven: Dat wanneer de Eele naauwelyks„ eenige treeden van de stoef gevorderd was, denzelven, den zelven Baerends dugtig uit het Duis komende, hem Eelt als toen, van agteren in de hairen gegreepen, tegens den grond gerukt, en met de voeten bij Continu„ „atie in 't aagesigt geschopt had, zoo lange, tot dat zyne Zwager Frans Jurgens en Zuster Betje Baerends, waren toege„ springen en hem: Eel: ontzet hadden, heb= bende hy Reb:t zich toen terstond in sijn pakhuijs begeeren En verklaarde de Rel:t: wyders, dat zijn gesicht geheel blond en blaauw geschopt, mitsgd:s zyn hoofd daar van zoo danig geswollen geweest was, dat hy zel in geen vier dagen een Boed had kunnen op zetten, en lange na dato zelfs tegenwoor dig nog met hoofdpijn, daar hij zel:t nooit te voren iets van geweeten heeft, gekweld te weten. N iets meer verklarende, geeft, den Comp:t voor Ledenen van Wetenschap, als in den Text bereid zynde het zelve des vereischt wordende, met Eede nader gestand te doen Onderstond Aldus Gereceteerd aan Cabo de de Goede Hoop den 30e Sep cember 1788 voor de Heelen Salomon van Echten en Johannes Smuts Leeven uit den E: Achtt: Raad van Justi tie d'zes Gouvernements die de minute dezes benevens den Comp„t ende mij Cept. Clercq meede hebben onderteekend /: Lager:/ 't welke ik getuige (:was geteekend W: J: van Ryneveld g:Clercq Necollement Compareerde voor ons onderget: Gecommitt: uit den E Achtb Raade van Justitie dee tes Gouvernements den persoo van diederik Moulin, dewelke dit zyne voorenstaande telaas duidelyk voorgelesen zinde ver klaarde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat Er niets neer bij of afgedaan werden zal, als alleenlijk dat hij Relt nog wet twee sufsisante Verklaringen, van Lieden dewelke zich met dese zaak niet hebben willen bemoeyen, tot slanne van dit zijn Relaar zoude kunnen begle tiner rgen 2 eb in 1 „ t d den ischt en vijbrengen by brengen, en dat hy sell tegenwoor 6 dig terwil de Etter, geduurig in't zijn Rec„t Oor loopt, een kwaal heeft, de welke den Poctor declareerd, door de hem relt toegebragte schop verorsuake te zin. en sprak derhalven ter beves tiging. der waarheid van dien, in praesent tie van den burger Jacobus van Leeuwen als gem van de Burger Johan George Baerends, de Solemneele woorden: Zo waarlijk helpe mij God Almagtie. 209 „ onden stond:/ Aldus Gerecolleerd en beeedigd aan Labo de Goede Hoop den 3 & December 1788. /:was geteekend: D„ H: Molden Lager Mij praevent / geteekend/ W: C: van Rijneveld G: Clerq /:in margine: Als GeCommitt:s en geteekend:/ R: J v: d: Friet Gr en J.

NL-HaNA_1.04.02_11022_0127 view scan ↗

English

When the Gentlemen Rynd Johannes van der Riet and Johan Coenraad Gie, members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, were in session this forenoon on various matters, they also proceeded to the swearing of a statement given by the cannoneer in the service of the Honorable Company, Diederik Molien, at the requisition of the pro interim Fiscal, the Honorable Gabriel Exter, in the case instituted by the said pro interim Fiscal against the resident citizen Jan Baerends in a case of committed violence. For the swearing of which statement the citizen Jacobus van Leeuwen, having also been appointed and appeared as the attorney of the said Baerends, the following protest was handed over by the said van Leeuwen after the aforementioned statement was clearly read aloud to the often-mentioned Moulin and he had testified that he could swear to the same with an easy conscience. Which having been read, the Gentlemen Commissioners caused the parties to withdraw and subsequently deliberated upon the contents of the said writing, also finding good, while the present pro interim Fiscal as prosecutor publicus, at whose requisition the aforementioned statement was given, continued to insist upon the swearing of the same, to cause the oath presented to the aforementioned Moulin in confirmation of his statement to be administered. While their Honors nevertheless deemed it necessary to join the aforementioned document handed over by the said Jacobus van Leeuwen to the case records, to bring it to the knowledge of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, and also to keep this minute regarding it, in order that by their Worships such consideration may be given to all of this as their Honors shall deem fit. Cape of Good Hope, the day and year as above. In my presence: W: J: v Rijneveld, sworn clerk. Signed: Underneath stood: Wednesday the 3 December 1788. Right Honorable Gentlemen. The said defendant, with your Honors' kind permission, finds himself obliged for the defense of his good right to remark that the said Diederik Moulin can be considered nothing other than the accuser or denunciator, and for those reasons he may not serve as a witness against the said defendant, as the Officer of Justice alleges him in his demand in that capacity. Thus teaches the Gentleman and Master B. van Zutphen in his Practice of Dutch Law under the word "witnesses" on page 290, in agreement with the thesis of Mascardus, De probationibus, vol 3, conclusion 1304, number 14, and Mechlin, title 1, article 35, number 6. And the more so because the aforementioned witness is convicted of untruths, as appears from the declaration of Johannes Joosten, and for that reason seeks to make good his accusation with the testimony of a youth and a very familiar friend, both according to law reproachable, that is, the former by reason of an intellect that does not seem at all capable of comprehending the gravity of the oath, and the latter being a very familiar friend of the said accuser, according to the teaching of Merula, page 641, must be reproachable. And thirdly, the proofs pro innocentia of the defendant take precedence over or prevail over the proofs of the accusation, in accordance with the Dutch Consultations, Part 3, page 131, No. 7. Signed: J: van Leeuwen. No. 1. For the Fiscal. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, Jacobus Andreas Rudolph, aged 15 years, assisted by his father, the citizen Johan Rudolph, who at the requisition of the pro interim Fiscal here, the Honorable Gabriel Exter, stated how it is true: That to the deponent about twelve to fourteen days ago, without being able to determine the exact day and date, shortly after midday, having stood on the stoop of his father's house, he had seen that the servant in the warehouse of the fire-master Pieter Laurens Cloete, named Moulin, having come out of the house of the citizen Johannes Baerends, the said Baerends, when the aforementioned Moulin was 10 to 12 paces from the house, pursued him, seized him from behind by the hair and pulled him to the ground, and also gave him several kicks to the face; whereupon the citizen Frans Curgens, standing on his stoop, and the sister of Baerends, named Elisabeth Baerends, immediately went there and held the said Johannes Baerends fast until the aforementioned Moulin had gone into the warehouse of the often-mentioned Cloete. Declaring nothing more, the deponent gave as reasons for his knowledge as stated above, offering, if required, to confirm under solemn oath that what is stated above took place as described. Underneath stood: Cape of Good Hope, the 25 September 1788, before the Gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smits, members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, who, together with the deponent and me, the sworn clerk, have properly signed the minute hereof. Lower stood: To which I testify, Signed: W: J: v: Rijneveld, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the person of Jacobus Andreas Rudolph, assisted by his father, the citizen Johan Rudolph, to whom this his preceding declaration was clearly and distinctly read aloud word for word, and he testified that he persisted in it, desiring that nothing more be added to or taken from it, testifying in the presence of the citizen Jacobus van Leeuwen, as attorney of the citizen Johan George Baerends, that the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus re-examined at the Cape of Good Hope, the 3 December 1788. Signed: J A Roedolff. Lower: In my presence, J: v: Rijneveld, sworn clerk. Signed. In the margin: As Commissioners, and signed: R: J: v: D: Riet and J: C: Gie. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Castle, for the Fiscal.

Dutch transcription

Wanneer de Heeren Rynd Johannes van der Riet en Johan Coenraad Gie, Leeden uit den E Achtb Raad van Justitie dezes Gouvernements, deese voordemiddag wegens diverse zaaken vaceerden, waren dezelve als meede gekomen tot het doen beeedigen van een Relaas, door den Caronnie in dienst den E: Comp:e Diederik Molien, ter requi- sitie van den projuteum Fiscaal d E: Gabriel Exter gegeven, in de zaak door gem: pro piterim Puscaal op ende Jeegens Odenburger Jan Baerends in Cas van gepleegde Violentie geentamied, tot het ien bezedigen van welk Relaas den Burger Jacobus van Leeuwen als Genrre =tigde van gem: Baerends meede geappoinc teerd en verscheenen zynde, wierd door ge reste van Leeuwen na dat het voorst: Relaas meergem: Moulin duidelyk wes„ selve met een gerust gemoed te kunnen beeedigen, het volgende Cautabel vver gegeven. voorgelezen en door hem betuygd het Het welk gelezen zynde, hebben Heeren GeCenantj P: S: Weensdag den 3 December 1788. en digt end - 1 Gecomm: partyen, doen aftreeden en vervolgen over den inhoude van het ged:te Schriftuur geraadpleegt, mitsgd:s goedgevonden om ter wijl den presenten Jar Intorim Fiscaal als accusatos publicus, ter mens requisitie het voorsz: Relaas was gegeeven op de beEediging van het Delve bleef inoteeren, de den voorwaards gem: Moulen tot bekrag liging van zin Reldus gepresenteerden Eed, 6 doen presteeren; Terwijl hun E E: egter des niel te min nodig hebben geoordeeld het voorge door gem: Jacobus van Leeuwen overgeleever. geschrift bij het proces voegende, Eer cogniti van den E Achtb: Raase van Juditie dezes trou„ „vernement te brengen mitsgd: dien aangaan de deeze Notul te houden, ten einde door Hun E: Achbbe op het een en ander zoo „danige reslectie kan worden geslagen, als Hun E E: Achtb: zullen ondeelen te behooren Cabo de Goede Hoop die Van et Anne Utsupa (lager Mij present W= J: V Rijneveld g Elroq /:was get: Onderstond:/ Wel EE Heeren. Den 99: Verweerder onder Uweld gundig wel „neemen, vind zich ter defentie van zijn p goed Recht verpligt of aan te merken die denje deze Dredaik Mouten net ander als accusateur ofte aanbrenger kan gefin erdereerd worden 's hy om die reedenen ook niet tot een getuigen tegen den geden in deeren mag verstrekken Dot als den Heer oficier hem by zyn Eisch in die betrekking allegeert itleerd den Heer en Mr B van Sulphen in zyn proctik der Neederlandsche Regten Smitur/ opact: 290. in vereendien „ming met de deeze van mascart, de pro bas, vol 3 Consl: 1304: num M: hit„ — ad, 11 Mechlin: tit: 1: art: 35 num 6 de meer alsoo den secvenumitis van inwaarheden geinvinceerd blykens de verklaring van Johannes Joosten en om die reden zyn peciaatie nagt goed te maken met de geuigenitse van een Jongeling en een zeer familiatie viend, bei„ de naar Rechien reproceaael, zeilwyk, denge de Eerstgem: uit opzaak van een inzy verstand voor het gewgt van den Eed ƒ Geintint geensint valbaarschyn t te Lin, en de laastgens als zynde een zeer familiare, vriend van gedagte Aricla volgens de leere van Merula pag: 641 . o1 reprochabel zin, en td No 1 : de bewijzen pro inprecntir van /:was geteekend:/ ged gaan voor of pieralieeren voor de bewyzen van Ronfifcies nnd hwa„ ge Consult„ 3 . Deel pag 131. N. o 7. ƒ J: van Leeuwen fiseo Compareerde voor de onderget Gecomibt: uit de E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernement Jacobus Andrias Rudolph oud 15 Jaren, g adsisteert door zinen Vider den burger Jona Rudolph dewelke ten Requisitie van de pro Jnterm: alhier d' E: Gabriel Exter verme de hoe waaris. Aan den Compt voor nw twaalf 1 r. 8. 1 E 8 zonde de paecie en datum 14 dagen geleden te kunnen bepalen, kort na de middag op de stoef vat zyn Vaders huis gestaan hebben =de, als toen gezien had, dat de knegt in het Pakhuijs van den brandmeester Pieter Laurens Cloete in naame Moulin uit het huys van den bureer Johannes Bae rends gekomen zynde geres te Baerends„ zoo als voorsz: Moulin 10 a 12 treeden van het huijs was, denzelven agtervolgd; van agteren in de hairen gegreepen en tegens de Grond getrokken mitsgd: verscheidene schoppen in „ 't aangesigt gegeven had, hebbende de op zyne Sloep, staande Burger Frans Curgens in de Lusten van Baerends in name Elisabeth Baecent sig Eerstond derwaarts begeeren en gerepte Johannes Baesent vast ge houden tot dat voorze houwn sig in het pakhuijs van meemS: tewet. begeeren had. gesland te Roen. Dal aldus passeerde aan Onder Stind den Niets meer verklarende geë 5. Recht bezeid zynde het overstaande Het ge Compt vaor redenen van wetenschap als in den requireerd wordende met solemneele Eede nader 400 „ „ e Cabo de Goede Hoop den 25 Septr 1788. voor de Heeren Salomon van Echten en Johannes Smits leeden uit den EE: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements die de minute dezer benevens den Compt ende my etw: Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend: /:lager:/ welke ik getuige /was geteekend:/ W: J: J. Rij gClercq neveld ecollement wit den EE Achtb: Raade van Justitie dezes Cpareerde voor ons ondergeteekende gecommitt=r Gouvernement de Peisoin van Jacobus An dreas Rudolphs geassisteert door zinen Vader gelezen wezende, betuijgde daarbi te blyven persisteeren met begeerte dat en niets meer by ofte van gedaan worden worrde klaar en duidelijk wondelijk voor denburger Johan Reidolfh dewelke dese zijne vorenstaande Verklaring van woorde la Zal betuigende in presentie van den Zal burger Jacobus van Leeuwen als gemag tigde van den burger Johan George Baezends dat het vorenstaande de zuivere waarheid is. /Onderstond. Aldus Gerecolleerd Cabo de Goede Hoop den Aan 3:e December 17on0. /:was geteekend A Roedolff (lager) my present J:V Ripert &d : Clercq /:Geteekend:/ /:in margine:/ Es GeCommist /: en geteekt:/ R: J: v: D: Riet en J: C: Gue. Compareerde voor de ondergeteekt se Commiss„ der uit den E: Achtb Raade van Justitie de Pro FisCo „ Casteel

next →