Inventory 11023
Cape · 514 pages · 95 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Report given before the undersigned Commissioned Members from the Honorable Council of Justice of this government by the slave October of Movambique of competent age, bondsman of the citizen Johannes Teron, and this at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Mr. Johan Nicolaas Steven van Lijnden, reading as follows: That the relator, having been purchased a few months ago by his aforementioned master, the same had employed him to work in a stone quarry; while on a certain evening he was sent out to fetch water with another slave boy belonging to his said master, whose name he cannot give. That when he, the relator, arrived at the pump, he informed his companion that he wanted to go buy some tobacco for himself, and had also run from there for that purpose; that when he, the relator, returned to the same place, his said comrade had given him a slap, and thereupon emptied the half aam that was already pumped full of water, and taking the same upon his shoulder had headed home with it. That the relator then, out of fear (so he says) that his said comrade would complain about him to his master, had stayed away and thus wandered about the Cape for two days, during which time he had sought his night's lodging near the Castle in the still unbuilt part of the new hospital, until, having arrived at the Castle the following morning, he was discovered by a servant of his master and brought back home. That further, when the relator came home, his said master, after having had an exchange of words with him regarding his absence, had caused him to be bound by his hands and feet, and being thus laid down, had caused him to be beaten on his back as well as his buttocks with a piece of rope and a sjambok, in such a manner that several scars from it, which he, the relator, showed to the undersigned commissioners, are still clearly visible and have provided proof that the relator was chastised in an improper manner. That the next day, the relator having been sent by his said master to the stone quarry to work, he, the relator, could not perform his work, but had fallen down in a faint; which having been reported to his master by his fellow slaves when they went home to eat, the same had him brought home and caused him to be beaten again by two boys with a sjambok, after which he had that part of his body on which he had been beaten washed with wine and salt. That finally the relator had run away for fear of further maltreatment, and after the lapse of three days, being the 1st day of this current year, was caught by some boys and brought to the jail, where the schout had him undressed and noted down the scars of the beatings received. Relating nothing more, the relator gives for reasons of knowledge as in the text, declaring the foregoing to be the pure truth. Thus related at the Cape of Good Hope, the 20th of January 1790, before the Messrs. Rijno Iohannes van der Riet and Johannes Smuts, Members from the Honorable Council of Justice of this government, who, together with the relator and me, the secretary, have duly signed the original draft of this. (was signed:) W. S. van Rijneveld, Secretary. Verification. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned slave October of Mozambique, to whom, this his foregoing report having been read out clearly and distinctly, declared that he persists and remains by the same, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, testifying that such is the pure truth. Thus done and verified at the Cape of Good Hope, the 15th of March 1790. (was signed) and written around it: this mark was made by the appearer's own hand; in the margin: as commissioners: R: I: van der Riet and H: J: de Wet; below: present with me, signed: I: D: Karnspek, sworn clerk. Answer and Counter-Conclusion prepared and submitted with the utmost respect to the Right Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Honorable Members of the Honorable Council of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of the assistant in the service of the Honorable Company Willem Kolver as general agent of the citizen Joachim Theron, in his said capacity, defendant, on the one part, against the Right Honorable Mr. Johan Nicolaas Steven Baron van Lijnden van Blitterswijk, Independent Fiscal of this Government, ex officio plaintiff, on the other part. Right Honorable and Honorable Sirs, The defendant in his said capacity, before proceeding to the statement of facts, will fulfill his duty and have the honor to express to your Honors his obliged thanks for the very favorably granted copy of the Honorable Ex Officio Plaintiff's Claim and Conclusion, together with a term of two weeks to respond thereto, and to state: That the undersigned will deal with this Court in three points in the following manner: 1st. He will demonstrate that the slave in question was bought by his principal no earlier than a few weeks before his alleged detention, and that this sale took place a few months ago.
Dutch transcription
Relaas gegeven voor de on¬ dergeteekendens Gecommit„ teerden Leden uit den E Achtb: raad van Justitie deses gou„ vernements door den slaaf October van Movambique van Competenten Ouderdom Lijf„ eigen van den burger Johan„ nes Teron en zulks ter requisitie van den Independent Fiiraal d'E Achtb: Heer Johan Nico= laas Steven van Lijnden luidende het zelve als volgt. - Dat den rele. nu voor eenige maanden door bovengemelde zijn Lijfheer gekogt zijnde, den„ selven hem geEmploijeerd had; om in een Kliphuil te werken; terwijl hij op zekeren avond met nog een slaven Iongen, ged=e zijn Lijfheer toebehoorende, dog welkers naam hij niet weet opte geeven, uitgeson„ den was om water te haalen Dat wanneer hij relatant aan de Pomp gekoomen was, hij zijn makker had te kennen gegeven dat hij voor zich wat Tobak wilde gaan koopen, en ook ten dien einde van daar geloopen was, dat wan¬ neer hij relatant ter zelver plaatze terug wern gekomen gem: zijn Cameraad hem een schap - „ klap had gegeven; en daar op het halve Aam dat reeds vol water gepompt was, leedig gegooit en het zelve op zijn schouder nemende zich daar mede na huis had begeven. Dat als toen den relt uit vreeze /zo hij zegd/ dat gerepte zijn Cameraad hem bij zijn Lijfheer verklaagen zoude, zich had geabsenteerd gehou„ den, en dus twee daagen aan de Caab rondge„ zworven, als wanneer hij intusschen zijn nagtver„ blijf had gezogt, nabij t Casteel in 't nog onbe„ bouwde gedeelte van 't nieuwe Hospitaal tot dat hij de daar aan volgende morgen en het Casteel gekoomen zijnde; ontdekt was door een knegt van zijn Lijfhee naar huis was terug gebragt. — Dat voorts wanneer de relt te huis was gekomen gem: zijn Lijfheer, na eenige woordewisseling welgens zijn wegblijven met hem gehou= den te hebben, hem Eelk aan handen en voe„ ten had doen binden en aldus nedergelegd zijnde, zodanig met een ende touw en, een Sjamsbok; zo op zijne rug als billen had doen slaan, dat daarvan nog verscheide Litteekens welke hij relatant aan de on„ dergetekende gecomm„e vertoond heeft, dui„ delijk te zien zijn, en een bewijs hebben opgeleverd; dat de Eet„t op een onbehoorlijke wijze is gekastijd geworden.— Dat door en Dat s' anderen daags de Eel„t. door ged„e zyn, Lijfheer, na de Klipkuil gevonden zijnde om te werken hij ret„t zijn werk niet had kunnen verrigten, maar in flaauwte was nederge„ vallen, 't welk door zijn mede sladen, wanneer dezelve naar huis gingen om te eeten, aan zijn Lijfheer gerapporteerd zijnde, had dezelve hem naar huis doen haalen; en op nieuw door twee jongens, met een sjambokdoen slaan, waar na hij dat gedeelte van zijn lighaam op het welk hij geslaagen was met wijn en zout had laaten wasschen. - Dat eindelijk de Eelt. uit vreese voor andere mishandeling weggeloopen was en na verloop van drie daagen, zijnde de Pste dag van dit loopende jaar, door eenige jongens was opgevangen, en naa de tronk gebragt, al waar de schout hem had doen ontkleeden en de Littee¬ kens der bekomene slaagen genoteerd had. — Niets meer relateerende geeft den red„t voor redenen van wetenschap als in den Text verklaarende het voorenstaande de zuivere waarheid te zijn. — Cabo De goede Aldus Gerelateerd aan Hoop Hoop den 20 Jann. 1790 voor de Heeren Rijno Iohannes van der Riet en Johan„ nes Smuts Leeden uit den E Achtb: Raade van Iustitie dezes gouvernements, die de minute dezes benevens de relte en mij secre¬ traris mede, behoorlijk hebben ondertekend. /:was getekend:/ W S Van Rijnev eld:/ Secretaris:/ Recollement, 9 Compareerde voor de ondergetekende Ge„ committeerdens uit den E Achtb: rade van Iustitie dezes gouvernements voorm„ Slaaf October van Mosambique, dewelke dit zijn voorenstaande relaas klaar en duidelijk voorgeleesen wezende, ver klaarden denzelven daar bij te blijven per sisteeren, met begeerte dat 'er niets meer bij ofte van gedaan werden zal; betuigen, de dat zulx de zuivere waarheid is. Aldus gedaan en Gerecolleerd aan Cabo De Goede Hoop den 15 Maart 1790. - (:was geteekend /:/ en daarom schreeven dit merkleeken is door den Comp„s eigenhandig gesteld /: in margine /: als gecomm:s r: I: van der riet en H: J: de Wet /:laager mij praesent /:getekend:/ I: D: Karnspek gednClercq ƒ „ Antwoord en Contra Conclusie gedaan maken en met de verschuldigste Eer„ bied overgegeven aan den WelEdelen Achtbaaren Here Johannes Isaak Theniu Praesident beneevens de verdere E Achtbare Hee= ren Leeden van den E Achtba„ ren raade van Justitie des Casteels de goede Hoop door ende van wegens den adzistend in dienst der E Compagnie Willem Kolver als generale Gemagtigde van den burger Joachim Theron qq verweerder ter eenre Contra den Wel Edelen Achtbaren Heere Mr Johan Ni„ colaas Steven Baron van Lijnden van Blet„ terswijk, Jndependent Fiscaal dezes Gouvernements C: O: Eisscher ter andere zijde 2 ƒ WelEdele Achtbare Heer en EE Achtbare Heeren Den qq ierweerder zal in zijn bovenge¬ melde qualiteid, alvorens tot 't Species Frac„ ti over te gaan, aan zijnen pligt voldoen, en de Eer hebben, om uwe Wel Ed=e Achtb: zijn verschuldigden dan kerkentenis te betuigen voor 't zeer Piniorabel verleend Copia van des E Achtb: Heer r:O: Eismr Conclusie van Eisch, mitsgaders Termine voor twee weeken om daarop te antwoor„ den ende dese zeggen Dat den ondergl: deze Hoffe in G: drie poincten op de volgende wijze zal afhandelen. v zal hij aantoonen dat de slaaf in quaestie door zijn p„l niet eerder dan eenige wee„ ken voor zijn praetense de tensie is gekogt, en dat die verkoop bederd eenige maan¬ den n
English
Furthermore he shall deduce that the correction perpetrated upon him was not mistreatment but a domestic punishment, and thereby examine to what extent the alleged mistreatment can be attributed to the principal defendant, and according to law attempt to contest to what extent a slave represents a person in law and how much credit his testimony merits. Concerning now the first point, the qualified defendant will deduce that his principal on 26 November of the past year 1789, at a public auction held at the house of the burgher Pieter Malet the elder, became the purchaser and owner of a certain slave boy presently belonging to him named October of Mozambique. That said slave boy thereupon the following day, without prior knowledge of his mentioned master, absented himself, without their being able to discover or learn whither his aforementioned slave boy had gone or where he was staying, until he was finally sent back again after the lapse of some days, the defendant having also received information at that time that the honorable burgher Ensign Johan George Lochner had to sell the same because of his frequent desertion, pursuant to the notice with its annex attached hereto. That the original defendant partly on account of indisposition, and partly at the request of his wife, did not wish to correct said slave in any other manner than to reprimand him severely. Concerning now the second point, the qualified defendant will depose that the slave in question thereafter found the opportunity to escape a second time, but the principal defendant was informed after the lapse of some days that his aforementioned slave boy was working for his board with a cook at the Castle, whereupon he sent his servant with two of his slaves thither, who then also apprehended him there and delivered him into the hands of the defendant on 24 December last past. That the principal defendant, having interrogated his aforementioned slave boy as to what reasons motivated him to this desertion of his, he nevertheless sought to excuse himself with nothing but a multitude of weak excuses, whereupon the principal defendant called him to account over his committed misdeed and ordered him to go lie upon the ground, with the intention of properly punishing him for it. Whereupon the mentioned slave found it in himself to put out his hands against his master in defense and to resist the defendant; the defendant having thereupon found himself under the necessity of calling six other slave boys together, with the intention of having him held fast, to the end of correcting him in such manner as he deemed necessary according to the nature and extent of his committed excess. Even so, the slave in question saw fit to inflict a blow to the head of one of those slaves in the presence of his master of such a nature that he immediately fell to the ground, and to give further free rein to his malice, he caused such a clamor in the house, while he did not cease pushing, biting, kicking, and striking the remaining slaves, so that the original defendant was forced to ask his neighbor, the burgher Hermanus Dempers, for two more slaves for assistance, the defendant having with their help caused him to be held fast, and subsequently inflicted some blows upon the buttocks. That the slave in question thereupon on 28 December fled from his master for the third time, whereupon the defendant went to the Deputy Fiscal on 31 December with the intention of lodging a complaint with His Honor about the desertion of the same and reporting it, but His Honor was not found at home by the defendant, he having then said as much to the Provost Marshal Kuster, adding what had occurred and indicating that he feared the cold would harm him. That the defendant had learned that his slave had been brought to the prison on about 1 January of this year; whereupon some days after the same all the remaining slaves had opposed him, and said, "Jaap, just send us to the prison too, then we can also stay there for so long, and you will have just as little service from us as from October"; over which expressions the defendant had gone to the Deputy Fiscal, and requested and obtained permission to have them punished for these so impertinent acts; however, he did not wish to do so, since among this group were his best slaves, of whom he would have had to be deprived for some days, and through whose absence his work would be neglected, to which end he only desired that they, in the presence of the Bailiff Matthijsen, should beg him for forgiveness, which, however, on account of a far-reaching stubbornness, was not effected by them.
Dutch transcription
VW zal hij W zal hij deduceeren dat de aan hem geperpetreerde Correctie geen mishandeling maar een do¬ mestique punctie is, en daar door onderzoeken in hoe ver„ re de gepraetendeerde mishan deling aan den pple. verwerr¬ den te adhibeeren is, en volgens regten trachten te beloogen, in hoeverre een Staaf een perzoon in Eech„ ten praesenteerd en veel ge„ loof zijne getuigenis meliteerd Belangende nu het eerste poinct zal den 79. verweerder deduceeren, dat zijn p„l op den 26„e Nevb„r deselven afgeweeken Jaars. 1789 op een publicque vendutie gehouden ten huize van den burger Pieter Malet de oude koper en eigenaar was geworden van zeke¬ re hem thans toebehoorende sa„ ven Jongen genaamt October van Mosambigue Dat Ged„e Slaven Jongen daar op s' anderen daags zonder voorkennisse van zijnen gem: Lijfheer zich heeft geab senteerd zonder dat men echter heeft den herkomstig is door zijn meenigvuldig auffugeeren kunnen kunnen ontwaren of te weeten ko¬ men werwaards zich zijn meerged, sla„ ren Jongen begeeven heeft, of waar hij zich ophield, tot dat men hem eindelijk na verloop van eenige daagen weeder te rug gezonden heeft, hebbende den Ged:e ter deer tijd ook kennis bekoomen dat den manh: burger Vaendrig Johan George Lochner denzelven om zyn meenigvuldig deserteeren heeft moeten verkoopen ingevolge de insinuatie met dies belaas hier annex. — Dat den origineelen verweer¬ der deels, uit hoofde van onpas selijkheid, en deels op verzoek van zijn Huisvrouw ged„e slaaf op geen andere manier heeft willen Cor¬ rigeeren dan dezelve ernstig te reprimendeeren. — Concerneerende nu het tweede poinct zal den qq verweerder deposeeren Dat de Slaaf in quaestie daar na geleegendheid gevonden heeft om andermaal te ontsnappen, dan van den pp„le Ged„te is na verloop van eenige daagen geinformeerd geworden dat zijn meerm„ slaven Jongen bij een kok in 't Casteel voor de kost werkte, waarop dezelve zijn knegt met twee zijner slaven der„ waards gezonden die denzelve dan ook aldaar geapprehendeerd; en op den 24 deC„r L: L aan handen van den Ged„e overgeleverd hebben. — Dat den pplen verweerder zin meer geciteerde slaven Iongen on„ dervraagd hebbende welke reedenen hem tot deeze zijne desertie gemo¬ veerd hebben, dezelve zich egter niet dan met een menigte flaauwe ex„ cusen zogt te verschoonen hebben„ de den pl Ged„e derzelve als toen over zijne begaane misslag te reede gestelden hem geordon¬ neerd om op de grond te gaan leg„ gen, met intentie om hem daar over na behooren afte straffen. - te Waarop gem: slaaf van zich zelven heeft kunnen verkrijgen om zijn handen teegens zijn Lijfheer ter defeniie uittesteeken en zich teegens den Ged„e te verweeren; hebbende den Ged hebbende den ged„e zich daarop in de noodzaakelykheid gebragt gezien om zes andere slaven jongens bij één te roepen, met intentie om hem te laaten vasthouden, ten fine dezelve zoodaanig te Corrigeeren, als dezelve na den aart en tot dragt van zijn begaan exces noodig oordeeld ende Eevenwel heeft den slaaf in quaestie kunnen goedvinden om een dier lijfeigenen ten bijwezen van zijn zijf veer een slag aan 't hoofd toe te brengen van zodaa„ nigen aart, dat dezelve onmiddelijk daarop ter aarde neerveel en om zyn kwaadaartigheid verder den vrijen bengel te vieren, heeft hij zodaanig een geraas in huis veroorzaakt, terwijl hij niet afliet om die overige slaven te stoten, te bijlen, te schoppen, en te staan zodaanig dat den origin: verweerder genoodzaakt is geweest om bij zijn buurman, den burger Hermanus Dempers nog om twee Slaaven ter adsistentie te moeten vragen, heb„ bende den Ged=e met behulp derzelve hem doen vast houden, en vervolgens eenige slaagen op de billen toege¬ bragt Dat de slaaf in quaestie daar op op den 28e. DeC voor de derde rijze zijn Lijfheer is ontvlugt, waarop den Ged„e zich op den 31 dec bij den heer adjunct Fiscaal zig vervvoegd hebbende met intentie om bij zijn Ed„e over het auffugeeren d 8 Ged ƒ auffugeeren derzelve klagtig te vallen en het zelve aan te geeven, dan zijn E wierd toen door den gede niet te huis gevonden hebbende hij zulx toer aan den s' Heeren Geweldiger Kuster, gezegd met bijvoeging van het voorgevallene en te kennen geeving dat hij vreesde dat de koude hem benadeelen zoude Dat den Ged„e kennis had bekomen mo dat zijn slaaf op p„m Iannideeses Jaars in de Tronk was gebracht;— waarop eenige daagen na dito alle de overige slaven zich tegens hem geoppo¬ neerd hadden, en gezegd Iaak zend ons ook maar na de tronk, dan kunnen wij ook zo lang daar zullen; en gij even zo min dienst van ons hebben; als van Odoler; over welke expresziën den Verw: zich bij den Heer adjiriël Fiscaal vervoegd had, en permissie verzogt en geobtineerd, om dezelven over deeze zo impertinente p heedens aartte mogen doen straffen; egter zulx niet heeft willen doen, terwijl onder dit gelat zijn beste slaven waren van welke hij eenige daagen ont¬ riefd zou hebben moeten blijven, en door welkers gemis zijn werk ver¬ neeglegeerd worden zou, ten welken einde hij slechts begeerde dat de¬ zelven hem ten overstaan van den Schout Matthijsen om vergeffenis moesten smeeken, 't welk door hen echter uit hoofde van een veree gaande halstarrigheid, niet is ge effectueerd
English
effected, and thereby the Defendant was forced to have them corrected for their deed. However, one will not deny that the buttocks of the slave in question were from behind partially stripped of epidermis and that several skinned welts were to be seen on his back; nevertheless, one will remark that the epidermis of which his buttocks were partially stripped is not to be attributed to the well-deserved punishment which he had received on this account from his master, but this falls away completely, as well as the skinned welts on his back, since the Defendant indeed struck him on his buttocks, but not on his back, all the more so since it is certain that the time during which he was last absent, in the cold or at night in the open air, and by the heavy fatigues as well as otherwise, certainly brought nothing other than a noticeable worsening to the blows, as also because it is unknown where he stayed during that time that he left the house of his master for the third time; it is also not improbable that, in order to obtain food and provisions, he executed some sinister practices, whereby very apparently something happened to him which could have caused the skinned welts on his back, and now willingly out of malice seeks to attribute this to the mistreatment of his master. As to what concerns the third point, the undersigned will demonstrate: That the testimony of the slave in question truly merits not the least credit in the subject case, whereas those who can be admitted as good and trustworthy witnesses must be free persons, L. 4, Tit. 20, Cod. de Testibus. This deposition is furthermore substantiated by the fact that a slave cannot testify for, nor against, his master, L. 8, Cod. de Testibus, L. 5, Cod. de Quaestionibus; a slave therefore truly represents no legal person whatsoever in law, and his testimony is consequently null. According to the statutes of the Dutch Indies, ad Art. 46 and 47 on the manner of proceeding, his testimony is not accepted in the gravest crimes, unless it is confirmed by adminicula or indicia, and in section 55 de Jud., L. 5 de Testibus, it is explicitly taught that a slave can never be admitted to giving testimony of the truth. And herewith the aforementioned agent trusts to have verified according to law to Your Honorable Worships most clearly the utter groundlessness of the Honorable Officer-Plaintiff's conclusion of claim. For all which reasons and means, if necessary, to be further demonstrated in due course, the aforementioned agent concludes, to the effect of a decree of inadmissibility, that by definitive sentence of this illustrious tribunal, the Honorable Officer-Plaintiff's conclusion of claim shall be denied, with costs, or to such effect, etc. Hereupon imploring the noble and benign office of the judge. Exhibited in court, was signed: W. Kolver, as agent, the 4th of February 1790. Court Messenger Carel Ewald Ziervogel, Present yourself, in the name and on behalf of me, the undersigned, as general attorney of the citizen Johannis Joachim Theron, to and in the presence of the valiant citizen Ensign Johan George Lochner, renouncing to the same that it cannot be unknown to him that there belonged to him, the insinuatee, a certain slave boy named October of Mosambique. And whereas he, the insinuatee, sold the said slave at a public auction, you shall, in serving this notice to the same, have to ask him: Whether this was not done for the reason that the said slave frequently made himself guilty of desertion. Demand hereupon a categorical answer, and in case of refusal or rejection thereof, you shall protest against all costs and damages had and suffered or yet to be had and suffered through this, in order to recover the same as shall be found to be proper according to law. Serve the notice properly, give a copy of this if required, and report your proceedings to me in writing. Cape of Good Hope, was signed: W. Kolver, the 30th of January 1790. Today, the 30th of January 1790, I, the undersigned, presented myself to and in the presence of the citizen Ensign, the Valiant Johan George Lochner, and duly served the accompanying notice, to which I received for an answer: I sold the boy mentioned in the notice for no other reason than for his constant desertion. Which I report to have happened to me. Cape of Good Hope, was signed: D. De Wit, Junior, Court Messenger, date as above. Extract from the Criminal Roll of Justice held at the Cape of Good Hope on Thursday the 18th of February 1790. The Independent Fiscal, the Officer representing the law of this government, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Rheede van Oudtshoorn, Plaintiff, against the citizen Johannes Joachim Theron, Defendant, to see renunciation of further productions. The Officer representing the law advances orally that His Honor, 14 days ago, had requested a copy of the Defendant's written answer in order, if necessary, to submit a replication thereto; that since he, the Officer representing the law, had found that the first point of the said written replication carries no weight, the second contained a complete confession, and the third point, because of the confession of the second, can operate nothing to the benefit of the Defendant, His Honor for this reason had not deemed it necessary to replicate further thereto, but on the contrary persisted in the taken conclusion and hereby renounces further productions. The assistant Willem Kolver also says he renounces further productions. The Council holds this case for circular reading in advisory. Agrees, was signed: J. Rijneveld, Secretary. Agrees, L. Arntzer, sworn clerk.
Dutch transcription
effectueerd, en daar door was den Ged„e genooddrongen om hen over hun fait te doen Corrigeeren. — Echter zal men niet ontkennen. dat de billen van de slaaf in quaestie van agteren gedeeltelyk van opper¬ huis ontblood en dat op deszelfs rug verscheidene ontvelde striemen te zien waaren des niet tegenstaande zal men remarqueeren dat de opper huid waarvan zijn billen gedeeltelijk ontbloot niet te adhibeeren is aan de wel verdiende straffe die hij des„ weegens van zin lifheer had bekomen maar zulks vervalt ten eenemaal zo wel als de ontvelde striemen op zijn rug, daar den ged„e hem wel op zijn billen maar niet op zijn rug geslagen heeft, te meer daar het reker is dat de tijd ge„ duurende welke hij zich voor 't laatst absent gehouden heeft, in de koude of des nagts in den open lugt, en o door de sterke fatiques als anderzints zeeker aan de slagen niet dan een merkelijken verstimmering heeft toegebragt, als ook daar het onbekend is waar hij zich geduurende dien tijd dat hij 't huis van zijn Lijfheer ten derden maal verlaaten heeft, heeft opgehouden, ook is 't niet onwaarschiynlijk dat hij om aan voedzel en leevensmiddelen te geraaken, eenige sinistere prac„ lijken geexecuteerd heeft; waardoor hem zeer apparent iets is overgekomen die de ontvelde sriemen op zijn rug heeft 6 en heeft kunnen te weeg brengen, en nu garne uit boovaartigheid zulx aan de mishandeling van zijn Lijfheer tracht te attribueeren. — Wat nu het derde poinct be„ trest zal den ondergeth: adstrueeren: Dat 't getuigenis van de slaaf en quaeste immers geen het minste geloof in Cas subject meriteerd, terwijl die geene die als goede en geloof waardige getuigen kunnen geadmit¬ teerd worden moeten zijn vrije per„ zoonen L: 4: Fit: 20 Cod:s de Testebus. — Werd dit gedeposeerde daarmeede gestaafd dat éen slaaf niet voor, nog teegen zijn Meester getuigen kan L: 8: Cob: de Testibus L: V Cod de quaestibus, een slaaf praesenteerd dus immers hoegenaamd geen perzoon in rechten, en zijne ge„ tuigen is is gevolglijk nul„ 3190 Volgens de statuten van Neederlandsch Indien ad Art: 46: en 47 op de manier 1 van procedeeren word zijn getuigen is in de zwaarste misdaaden niet aangenoomen, ten zij het door admi¬ meulen of Indicien bekrachtigd word, en 4) word in £ 55 de Jud: L: 5 de Testibus wel uitdrukkelijk geleerd dat een slaaf nimmer tot het geeven van getui„ genis der waarheid kan worden toegelaten. — En hiermeede vertrouwd den 99 vendo UWelEd„e UwelEd„e Achtb: ter duidelijksten 6de allesints ongefundeerdheid van des E: Achtb=e Heer R:O: Eissch:rs Conclusie van Eisch na rechten geverifieerd te hebben Om alle welke reedenen en middelen in tijden en wijlen is 't nood neder te ad„ strueeren den qq: vern: Con„ oludeerende, ten sint van niet ontfangelijk bejordine, dat bij definitive vonnisse van deezen luisterrijken vierschaar des E Achtb: Heer r: O: Eiss„r Conclusie van Eisch zal worden ontzegd Cum repensis of tot zodaa„ Onige fine &ca. Hierop het nobile benignum. Judicis Officium imploreerende. Exhibitum in Iudicio /:was getekend/: W. Kolverq:g: den 4 Februarij 1790 Gerechtsbode Carel Ewald Ziervogel, Ce Vervoeg uw uit naam en van weegens mij on¬ dergetek: als gen: Gem: van den burger Johannis Joachim Theron bij en ter praesentie van den manksburger Vaendrig Iohan George Lochner, den„ zelven renuntieerende, dat 't hem niet onbewust kan zyn, dat aan hem geinsin toebehoord te met per„ afd - lf aamd ndsch nier is i„ d toebehoord heeft zeekere slaven Iongen in name October van Mosambigiee p En dewijl hij geinsin: ged„e slaaf op een publicque vendutie heeft verkogt zo zult gij dezelve Insinueerende moe„ ten afvraagen. Of zulx niet is geschied om redenen dat ged„e slaaf zich dikwerf aan het drossen heeft schuldig gemaakt Vraag hierop Cathagarisch ant„ of wijgering van zult woord en bij refus gij protesteeren teegens alle kosten en schaaden hierdoor gehad en geleeden of nog te hebben en te lijden, om dezelve zodaanig te verhaalen, als na rechten bevonden zal worden te behooren Insinueer behoorlyk geef Copia deeses des gerequireerd werdende en relateer mij uw wedervaaren in scripzis Cabo de goede Hoop /:was geteekend/: t0 Rolver, den 30 Jannuarij 1790 Huiden den 30 Jannuarij 1790. heb ik ondergeteekende mij vervoegd bijen ter praesentie van den burger Vaendrig de Manh: Johan George Lochner on de nevensgaande Insinuatie behoor¬ lijk geexploicteerd waar op tot antwoord heb bekomen. Ik heb de jongen in de Insinuatie gemeld anders nergens om verkogt, als om zyn „ 2 zijn geduurig drossen. — Het welk relateere mij wedervaaren te zijn. — Cabo de goede Hoop, /:was getekend /: D De Wit F„s Gerechts Bode, datum utsupra Extract uit de Crimi„ neele Rechts Colle gehouden aan Cabo de goede hoop op Donderdag den 18 febr„rij 1790 Den independent Fiscaal de Heer R: O: reg„t advanceert bij monde dat zijn Eheeden, dezes gouvernements de voor 14 daagen had verzogt Copia van des Ged„e Schrifteur E: Achtb: Heer Iohan Nicolaas Steven van van antwoord omme des noods daar op te dienen van replieq; zijnden regt van dat daar hij r:O: reg„t Contra had bevonden dat het eerste den burger Johannes Joachim poinct van het zelve schrif„ tuur van replicq niets terzake Theron gereq„d omme te zien voet, het tweede een volslagen renuntieeren van verdere Confessie in zich beval, en productien. — het derde poinct door de Con„ sessie van het tweede niets ten voordeele van den ged„e kan opereeren, zijn E: over zulx niet nodig geagt had daarop verder te repliceeren, maar in tegendeel persisteerde bij de genomene conclusie en bij deesen van verdere productien renuntieerende de en 9 r „ tieeren, De raad houd deze zaak ter rondleezing in advijs. Accordeerd /:was geteekend W S J Rijneveld Secretaris. — de adsistend Willem Kolver zegd meede van verdere productien te renun„ Accordeert Larntper getw. Clercq -
English
No. 3 Official Capacity Appeared before the Right Honorable and Venerable President and Councilors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Plaintiff in his official capacity, on the one part, against the heemraad of Stellenbosch and Drakenstein, Johannes de Villiers Jan Pieterszoon, defendant, on the other part. Article 1: And declared 2: that the defendant in this matter, who as a private wine merchant keeps an open warehouse here, has not refrained 3: from selling on the 23rd of the past month of September from his aforementioned wine warehouse to three non-commissioned officers of the Regiment of Wurtemberg stationed here in garrison 5 and subsequently also delivering half an aam of Cape wine; 6 while nevertheless it cannot, at least ought not to be unknown to him, the defendant, 7 that the selling of wine to non-commissioned officers and common soldiers of regiments stationed here in garrison 8 was very strictly prohibited on 4 March 1788, on pain 9 on pain that those who are caught shall be punished as smugglers, 10 according to the prohibition of the aforementioned 4 March issued by the Right Honorable, Valiant Governor and the Honorable Council of Policy, 11 while the Plaintiff in his official capacity, as to the facts, refers for the sake of brevity to the accompanying declaration. On which and other grounds, to be further substantiated in due time and place if necessary, the Plaintiff in his official capacity, making his claim, concluded that the defendant shall be condemned by final sentence of Your Honors to a fine of one thousand guilders Indian valuation, to be divided according to the prescription of the Law, with expenses; or to other relief. was signed: J. N. S. van Lynden in the margin: Exhibited in Court on 29 October 1789. Today, 13 October 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, present the afternamed witnesses, the sergeants of the Regiment of Wurtemberg stationed here in garrison, Johan Marten Caltsreyter and Carel Haaffman, who, upon the requisition of the Independent Fiscal here, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That they, the appearers, together with the sergeant of the aforementioned Regiment, Eberhart Geerhold, having obtained permission from their Colonel and Chief to buy wine for their own use wherever they saw fit, they then also in the past month, without being able to determine the exact date, jointly fetched half an aam of wine solely for their own use from a warehouse situated next to the residence of the Drum Major of the Battalion here, named Luyten, in the street of Doctor Martin, without the appearers being aware of who the owner of the aforementioned warehouse is. Declaring nothing more, the appearers give as reasons for their knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing further under oath. below stood: Thus done in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Marthinus Laurentius Neethling and Petrus Diemel as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearers and me, the Secretary. To which I testify. was signed: W. S. van Ryneveld, Secretary. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the Sergeants Johan Marten Caltsrijter and Carel Hauffman, belonging to the Regiment of Wurtemberg, who, having had their aforementioned past declaration clearly read out to them, testified that they persist therein, desiring that nothing more shall be added or subtracted, except only that the first appearer indeed bought and enjoyed the wine together with the second appearer and Sergeant Gerold, but that only the second appearer and Gerold were in the aforementioned warehouse to fetch the wine; and they therefore each spoke separately to confirm the truth thereof, in the presence of the burgher Jacobus van Leeuwen, as attorney for the Heemraad Jan de Villiers Jan Pieterszoon, the solemn words: So help me God Almighty. below stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, 8 February 1790. was signed: Johan Marten Caltsrijter and Carel Hauffman. lower: In my presence, was signed: W. S. Ryneveld, Secretary. in the margin: as commissioners, and signed: Mappa and G. H. Meyer. Answer and Counter-Conclusion, drawn up, made, and submitted with the required respect to the Right Honorable Johannes Izaak Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Council of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned burgher Jacobus van Leeuwen, as substituted attorney for the Comforter of the Sick here, Monsieur Willem Herhold, who is the general attorney of the Heemraad at Stellenbosch and Drakenstein, Jan de Villiers, J. P. son, defendant in a case of alleged contravention, on the one part; against the Independent Fiscal of this place, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Plaintiff in his official capacity in the same case, on the other part. Right Honorable, Honorable Sirs, The undersigned, after first thanking Your Honors in the name of his principal for the favorable granting of a copy of the Plaintiff in his official capacity's conclusion of claim exhibited in this Court on the date of 29 October of this year, and the annexes attached thereto, in a case of alleged contravention, and the time for deliberation to...
Dutch transcription
No. 3 /:R. O: Compareerde voor de WelEdele en Achtb: Heeren Praesident en Raaden van Justitie des Casteels de goede hoop, de Inde¬ pendent Fiscaal Johan Ni„ colaas Steven van Lijnden R: O: Ciss=r ter eenre contra den heemraad van stellen bosch en Drakenstein Johannes de Villiers Jan Pietersz: ged„e ter andere zijde. — Art„o 1: Ende dede zeggen 2: dat de ged: in dezen, die als particuliere wijnkooper alhier open pakhuis is hou„ dende, zich niet ontzien heeft, 3: omme op den 23 der jongstverloopen maand Sep„ tember uit gem: zijn wijnpakhuis, aan drie onder officieren van het alhier guarnizoen houdende Regiment van Wiertem„ berg te verkoopen 5 en vervolgens ook te leveren een half Aam Caapsche wijn: E daar nogtans aan hem ged: niet kan, ten minsten niet moet onbekend zijn dat het verkoopen van wijn aan onder officieren en gemeene soldaaten van alhier in gaarnizoen zijnde Re gimenten, 8: op den 4 Maart 1788 wel scherpelijk is geinterdiceerd geworden, op poene E Artc:l 9 op poere dat de zodaanige, agterhaald wor„ dende, als smokkelaars zullen worden gestrapt 10: vod: de Interdictie van den 4 maart voornt door den WelEd: Gestr: Heer Gouverneur en Ed: Achtb: Raade van politie gedaan 11: terwijl de R: O: Eiss=r zich quod ad factum kortheids halven tot de nevensgaande ver¬ claaring, is refereerende Mits welke en andere rede¬ nen, in tijd en wijlen des noods nader te adstrueeren de R:O: Eissr Eisch doeri conclureerde, dat de gede zi definitive, vonnisde van UEE Achtb zal worden gecon demneerd, in eene boete van een duisend guldens Ind valuatie, te verdeelen ad praescriptum Legis. cum expensis: ofte tot ander /: was geteekend /: J: N: C: van Lynden in margine:/ Exhibitum in Iudicis den 29 Octob: 1789 Huiden den 13 Octobr: 1789. Compareerde voor mij Willem Stephan van Rijneveld secret„s van den E Acht raad van Justitie dezes gouvernement present de naten: getuigen de sergee¬ ten van het alhier guarnisoen ho dend Ex„a dend Regiment van Wurtemberg Johan Marten Caltsreijter, en Carel Haaffman dewelken ter re¬ quisitie van den Jndependent Fiscaal alhier de E Agtb: heer Iohan Nicolaas Steven van Lijnden ver¬ klaarden hoe waar is.— 6 Dat zij Compten. met en beneevens den sergeant van gem: Regiment — Eberhart Geerhold, van hun Colonel en Cheff verlof geobtineerd hebbende om voor hun eijgen gebruik wijn te koopen, waar zij zulx goedvonden; zij dan ook in de laatst verloo„ pene maand, zonder de juijste datum te kunnen bepaalen, gezamentlijk een half aam wijn alleen voor hun eijgen gebruijk hadden gehaald uit een pakhuis staande naast de woonplaats van den Tamboer majoor van het Battaillon alhier, Luijten genaamt, in de straat van den doctor Martin zonder dat de Compten bewust zijn wie de eigenaar van gem: Pakhuis is Niets meer verklaarende geeven de Compten voor redenen van wetenschap als in den text be¬ reid zijnde 't voorenstaande met Eede nader gestand te doen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde in 't Casteel Casteel de goede koop, ten leijwezen der Clercque Marthinus Laurentius Neethling, en Petrus Diemel, als getuigen die de minute deezes beneevens de Compten en mij Secret„s meede behoorlijk hebben onderteekend. — T welk ik getuige /:was geteekend /: W C V Rijneveld Secret„s. — Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm„ uit den E Achtb: rade van Iustitie dezes gouvernements de onder het regiment van Wurtemberg bescheijdene Sergeanten Johan Marten Caltsrijter en Carel Hauffman dewelken hunne voorsch gepasseerde ver¬ claaring duijdelijk voorgeleezen zijnde, de tuigden daar bij te blijven persisteeren, me begeerte dat daar niets meer bij of al gedaan werden zal, als alleen dat de eerste Compt. wel met de tweede Compt en sergeant Gerold, de wijn gekogt en genooten heeft, maar dat alleen lijk de tweede Compt. en Gerold inhe voorsch: pakhuis zijn geweest om de wijn te haalen, en spraken derhalve ijder afzonderlijk ter bevestiging der waarheid van dien, in tegenwoor digheid, van den burger Jacobus va Leeuwen als gemachtigde van den d Seemraad Heemraad Sr Jan de Villiers Jan pietersz: de solemneele woorden: zoo waarlijk hel„ pe mij God Almachtig /:onderstond: Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop, den 8 februarij 1790 /:was geteekend Johan Marten Calts— „rijter en Carel Hauffman, /:laager, Mij praesent /:was getekend W J Ryneveld Secretaris /:in margine /: als gecommitt„s /:en geteekend /: Mappa en G H: Meijer ntwoord en Contra Conclusie, gedaan, maken, en met de ver= eischte eerbied overgegeeven aan den WelEdele Agtb: Heer Iohannes Izaak Rhenius praesident; beneevens de ver¬ deze EE Achtb: Heeren raaden van Justitie dezes gouverne¬ ments, door ende van wegen den ondergetekende burger Jaco= bus van Leeuwen, als gesub¬ stitueerde gemagtigde van den krank Krankbezoeker alhier Monsr Wil„ lem Herhold; die generaale ge magtigde is, van den Heemraad te stellenbosch en Drakenstein Jan de Villiers J: P: Zoon, ge¬ daagden in Cas van pretense Contreiventie, ter Eenre den Independent Fiscaal deeser steede den E Achtb: heer Johan Nicolaas Steven van Lijnde R: O: Eijsscher, in het zelve Cas ter andere zijde Contra Wel Eedele Achtbaare heer E E: Heeren den ondergetekende /: na alvoorens uw wel Edele Achtb„ in naame van zijn p„l voor de goedgunstige verleende Copia van s' heers R: O: Eijss:rs sub dato 29 October hujus anni in hoe Iudicio geexhibeerden Conclusie van Eisch„ en bijlagen dien annex, in Cas van pretenzi Contraventie, en dagat deliberandum om er en „ . . .
English
to serve with a reply thereto, having expressed thanks with dutiful respect, as he thereby finds a way opened to him which leads him naturally to the demonstration of his sincere innocence in this case, it will, upon the reading of the bare narrative of the matter in question, at first sight appear clear and sufficient to Your Honorable Worships that the defendant in this case is free from all fault, wherefore he shall have the honor to say: that the defendant, having been summoned to court on the aforesaid day by the Lord Officer, the plaintiff, to see served in the aforementioned case a written statement of claim, to answer thereto, and further to proceed according to law; and that after reading the same, to his utmost surprise, he only found the alleged violation expressed therein, without the essential prerequisite of this so-called violation, in relation to him, the defendant, being sufficiently proven, without which, according to the laws, no such action may stand; but rather that in the same document of claim he finds amplified a brief narrative of such an alleged violation, which the defendant—if it seems to be interpreted in this way on the part of the Lord Officer, the plaintiff—is claimed to have committed: that the defendant did not shrink from selling, and subsequently also delivering, on the 25th of the recently elapsed month of September, from his wine warehouse, an aam of Cape wine to three non-commissioned officers of the Regiment of Wurtemberg stationed here in garrison, while nevertheless it cannot, or at least must not, be unknown to him, the defendant, that the selling of wine to non-commissioned officers and common soldiers of the regiments in garrison here was strictly forbidden on the 4th of March 1788; yet that in any case these assertions, absent legal proof that the defendant acted willfully with true intent and premeditation against the alleged law, must vanish and fall away; and in order to demonstrate the same in a convincing manner, the action instituted against him will have to be considered from this side in three parts; thus, it is to be discussed here: on what grounds and with what intention the servant of the defendant sold that wine on the aforesaid day, and upon what condition, and what is to be reflected upon regarding this; whether the defendant truly delivered the said wine into the barracks; whether, the defendant's servant having sold an aam of wine upon condition, although against given orders, the defendant should therefore fall within the terms of the law cited by the Lord Officer, and consequently be truly guilty and subject to the penalty stipulated therein. From this viewpoint, the defendant, considering the matter of the accusation in three parts, will occupy himself solely therewith; therefore, may it please Your Honorable Worships to be first dutifully informed: that the defendant, in the month of September of the year just passed, one thousand seven hundred and eighty-eight, saw himself compelled, on account of the poor sale of the wines, to take such appropriate measures at hand through which he could and might, in a proper manner, somewhat remedy the same; that the defendant on this account addressed himself to the ruler of the country, the Honorable, Gallant Lord Governor of this place, with a very humble request that it might be of His Honorable and Gallant's favorable pleasure to permit the defendant to sell his harvested wines here in this place by the wholesale; that this having been favorably granted to the defendant in that respect by His Honorable and Gallant, the defendant, having established himself thereupon, carried on this thus-permitted trade for a considerable time, unhindered and without claim or dispute from anyone; that the defendant, in order to guard against all difficulties, repeatedly ordered the person acting as cellar servant in his warehouse, Steven van der Hardt, not to sell, alienate, or in any other manner dispose of wines to anyone other than to such persons to whom he was free and unhindered to do so; and in that expectation, that these his orders would be carried out according to his given command, he had departed for the countryside and to his estate; that on the 23rd of September last past, according to the statement of the aforesaid Steven van der Hardt, a person belonging to the Regiment of Wurtemberg stationed here in garrison at this main place came into the principal defendant's wine warehouse, who, while the aforementioned servant sat writing entries in his daily waste-book, requested him to sell an aam of wine; that the aforementioned servant, having thereupon asked of the said person where the same was to be brought, had received in answer thereto: into the barracks; the aforesaid servant thereupon repeatedly refused to be willing to sell an aam of wine to that person; that this person, not satisfied with this, having asked for the reasons for this refusal, received substantially in answer from that servant: "I will deliver no wine into the barracks, so as not to expose myself to any dangers"; that this person thereupon substantially said: "It is permitted to me; it is for an officer, and that solely for private use"; upon which condition the aforesaid servant sold the aam of wine and noted the name of that person in his book, having received the money for it, and the latter on that same day [illegible] the aforementioned aam of wine, by a man in a green coat, whose name has remained unknown, in the name of the aforesaid.
Dutch transcription
er op te dienen van antwoord /: met pligtschuldigen Eerbied, dank betuigd te hebben, alsoo hij daardoon, voor zig één weg geopend vind, die hem ter demon= tstratie, van zijn zincere onschuld, in dit Cas, als van zelfs toeleid, zullende Uw WelEdele Agtb„s uit de lectuure van het bloot Narree, der Caura questiones, in primo ad-spectis klaar en zuf„ ficient appareeren, dat den gedaagden in dit Cas, Extradonnem culpam verseerd, des zal hij d' Eere hebben te zeggen; dat den gedaagden ter voorsz: dage, door den heer R: O: Eijss=r in regten opgeroepen zijn„ de, om in Cas voormeld te zien dienen van schrif„ telijken Eijsch, daarop te antwoorden, en voorts te procedeeren als na regten En dat hij na lectuure derselve, tot zijn uiterste surpriex, in deselve alleen lijk, die pretense Contraventie, wel had gevonden g'exprimeerd zonder dat hij egter het essentieele requisit van dien zogenaamde Contraventie:/ met betre C kinge tot hem gedaagden /:ad sufficientiam vind geprobeerd, zonder het welk egter ver mogens de Regten geen zodaanige actie be dtaan mogen, maar wel dat hij in het zelve schriftuur van Eijsh een kort Narree van zodaanige pretense Contraven„ tie, die den gedaagden zoo men het aan den kant van den heer R: O: Eijss„r schijnt te wil len duijden, zoude hebben gecommitteerd vind g'amplieerd dat dat den gedaagden zig niet ontzien heeft, om op den 25 der jongst verweekene meand September, uit zijn wijn pakhuis aan drie onder officieren van het alhier guarnisoen houdende regiment van Wurtemberg te verkoopen en vervolgens ook te leveren een halfaam Caatsche wijn daar nogtans aan hem gedaagden niet kan, ten minsten niet moet on„ bekend zijn, dat 't vercopen van wijn aan onder officieren, en gemeene soldaaten, van alhier in guarnisoen zijnde regimenten, op den 4 maart 1788 wel scher„ pelijk is g'interdiseerd geworden; dog dat in alle gevallen dese positives bui„ ten een legaal bewijs, dat den gedaagden met een waare opzet, en voorbedagten raad, tegen de g'allegueerde, wet moetwillig heeft aangegaan, moeten komen te evares„ ceeren, en corrueeren; En om het zelve op een Convain¬ cante wijze te demonstreeren, zal men deezer zijds de g'institueerde actie drie Leedig moeten beschouwen, dus staat hier dan te discuteeren op wat grond en met welke inten„ tien, de knegt van den gedaagden, ten voorschreeve dage, die wijn heeft verkogt, ende op wat Conditie, en wat daar bij te reflecteeren of den gedaagden dezelve wijn, waarlijk in de Caserne heeft geleeverd of des ged„s knegt, op Conditie schoon tegens teegens gegeven ordre een halfaam wijn verkogt K 1 hebbende, den gedaagden deswegen voode Incurrieeren in de termen van de bij den heer officier geciteerde wet, en mitsdien zig waarlijk schuldig, en in de daarbij gestel„ de poene vervallen zij uit dit dogpunt zal den gedaagden het factum adcurationis, drie leedig de schouwende, zig daar meede alleenig occupee„ derhalven gelieft uw WelEdele Agtb„s voor af eerbiedigst g'informeerd te zin, dat den gedaagden in de maand sep= tember des even afgewekenen jaars, Een duijzend zeven honderd agt en taggentig, wegens het slegt vertier der wijnen zig genoodzaakt zag zodaanige gepaste middelen bij der hand te neemen, waar door hij het zelve op een gevoeglijke wijde„ enigermaaten, zoude konnen en mogen reme dieeren, dat den gedaagden desweegens zig heeft g'addresseerd, aan s' lands gebieder, den WelEdelen Gestrengen heer Gouverneur in loci, met zeer nedrig versoek, dat het van zijn WelEdelen Gestrengen gunstig wel„ behaagen zijn mogte, den gedaagden te per„ mitteeren, omme zijn ingeoogdte wijnen, hier aan dese plaatse bij de groo„ te maat te mogen verkoopen; dat dit ren ƒ den gedaagden, ten dien oprigten, bij zijn wel Ede len Gestrenge gunstig g'accordeerd gewoorden zijnde zulx, denzelven zig daarop g'etabileerd hebbende, onverhinderd en zonder op, of aan spraak aan ijmand; deese alsoo gepermitteer den handel, een ruijmen tijd gedreeven hed dat den gedaagden om alle moeijelijk„ heeden te precaffieren, de in zijn Pakhuis als kelderknegt fungeerende perzoon, Steven van der Hardt bij reiteratie heeft gelast, geen wijnen aan anderen, dan aan zulke perzoonen te verkopen, vervreen den, of op een andere wijze te veralliene als aan welke hij zulx vrij, en onverhi derd zoude mogen doen, en in die verwagtinge, dat deese zijne ordres, gens zijn gegeve last, ten uitvoer zoude gebragt worden, na buiten en op zijn hofsteede zig begeeven had, dat op den 23 september Jongst leeden, volgens opgaaf van voorsa steven van der Hardt, in des princ paalen gedaagdens wijn pakhuis een alhier aan deese hoofdplaatse onde het alhier guarnisoen houdende Regt ment van Wurtemberg, bescheidene persoon gekomen is, die terwijl de voorn den knegt, met aanteekeningen in zijn dagelijksen Cladboek te schrijven zat aan denselven heeft verzogt om een half aan wijn te verkoopen, dat de evengem: knegt daar op gevraagd hebbende asp: hebbende waar het zelve zoude gebragt worden, van denselven persoon; daarop ten antwoord bekomen had in de Caserne; de voorschreve knegt daarop iterativelijk heeft gewijgerd : om een halfaam wijn aan dien Per„ zoon te willen vercopen; dat dien perzoon hier meede niet vergenoegd, na de redenen van dit refuus gevraagd hebbende, van dien knegt substantieelyk ten antwoord bekomen had, ik wil in de Caverne geen wijn leveren, omme mij aan geen ge= vaaren te Exponeeren dat dien perzoon daar op dubstan„ tieelijk had gesegd, het is mij gepermit„ teerd, het is voor een officier, en dat alleen vooreijgen gebruik rop 6 op welke Conditie, de voorschreeve knegt het kalfaam wijn heeft ter kogt, en den naam van dien perzoon in zijn boek aangeteekend, het geld daar over ontvangen hebbende, deeze dienzelven dag, het voormelde halfaam wijn, door een Man, met een groene rok, wiens naam onbekend gebleven, uijt naam van de voor schreeve is de egt zat aan .
English
Gerold, was fetched from the warehouse, and this is the case. If one now takes all these facts into slight consideration, Noble and Honorable sirs, it is proven most clearly that neither on the side of the defendant, nor on that of his servant, can the least contravention be sustained according to law. Yet in order to reduce the same further, the defendant in his said capacity will beforehand proceed to investigate what the word contravention yields in its true meaning, though all subject to correction by Your Noble and Honorable more enlightened judgment. The word contravention is a non-Dutch word, which signifies transgression or breach. One understands by it the non-execution or negligence in carrying out someone's word; and it signifies, taken in a more specific sense, the negligence in complying with an ordinance or law, in which latter meaning the gentleman plaintiff in official capacity seems to have understood it. It has brought the gentleman plaintiff in official capacity, in the conclusion submitted in law against the defendant, to state in articles 2 and 3: that the defendant in this matter, who as a private wine merchant here keeps an open warehouse, did not shrink from selling, on the 25th of the past month of September from his warehouse, to three non-commissioned officers of the regiment of Wurtemberg garrisoned here, 1/2 aam of wine. This, Noble and Honorable Sirs, can indeed never according to law constitute a well-founded basis to convict the defendant of a substantial contravention. But to prove an essential contravention of the law, there are required, with due respect, in the defendant, who in his capacity as heemraad of the colony of Stellenbosch and Drakenstein, and thus also appointed to the maintenance of good order, and who has never seen himself suspected of any contravention, much less convicted, and who without flattering himself has always taken pains to look after and comply with the orders of his superiors, entirely different requisites. For firstly the defendant will, with dutiful respect, bring into consideration the special order and further precautions used by him, in ordering his servant Steven van der Hart to take good care and do nothing that was prohibited by the laws, as appears from No. 1. And with regard to the servant, here also, with permission, no contravention can be said to have been committed, since he in this case used such precautions as one can reasonably demand from a prudent man. For if one observes: Firstly, with what circumspection the servant acted here, by asking the aforementioned Gerold about the place where the half aam of wine had to be brought, and after receiving an answer to that, in the second place to proceed securely directly refused to conclude the purchase; Thirdly, on the further reasons adduced by the buyer, namely that the same was to serve for his own use and necessity, and thereto was moreover added, it is permitted to me by an officer, or on the order of an officer. Thus, with permission, no contravention can take place, since all laws are grounded on reason as their soul. For the aforementioned Gerold, coming into the warehouse of the defendant, asks to buy a half aam of wine for use. Thereupon the aforementioned servant Steven van der Hart asks very cautiously about the place where the same was to be brought. Whereupon the buyer replied, in the barracks. The former thereupon directly refused to sell a half aam of wine, unless to an officer. Indeed the buyer ought to have let himself be satisfied with that, but no, the latter resuming, it is permitted to me by an officer, the former thereupon, moved by true human love, sold a half aam of wine to him for his own use. From what, Noble and Honorable Sirs, can now from this incident be seized with any foundation a ground of contravention? For the aforementioned servant here acting in good faith, and having given credit to that person on his word of honor, and furthermore to proceed securely having noted down the name of that buyer, in order in case of fraud always to be able to discover him. It is therefore a natural consequence that in this entire case not the least mala fides is to be found, and thus also no negligence in complying with the frequently mentioned law cited by the plaintiff in official capacity is to be found. That the gentleman plaintiff in official capacity further states under the second section on article that the defendant subsequently also had the sold wines delivered to him, is likewise devoid of all foundation. For so as not to expose himself, he was willing to deliver the same to the buyer in the warehouse, but by no means in the barracks, as it appears that the buyer, having paid for the same half aam with wine, had the same fetched for his account, and not for that of the seller. Thus the buyer acted with respect to the place indeed at his own peril, and consequently on the side of the gentleman plaintiff in official capacity, with due respect, it cannot be proven that with relation to the place where the delivery of this wine took place, anything was committed by the defendant's servant. All of which will come to appear to the satisfaction of your honors with the documents produced in this case.
Dutch transcription
Gerold, is uit het Pakhuis gehaald, en dit is het geval neemt men nu alle deselpe cies facto, in geringe overlegging Edele Agtbaare heeren, zoo Consteerd gra liquidisaime, dat er nog aan den kant van den gedaagden, nog aan die van zijn knegt, geene de minste Contra ventie na regten kan gesustineerd wor den dog omme het zelve nader te reducee ren, zal den qq gedaagde vooraf ter on„ verzoeking treeden, wat het woond Con„ traventie in zijn waare betekenis uit„ leevert /: dog alles onder Correctie van UwelEdelens Agtbaare meer verligte oordeel:/ Het woord Contraventie is een onduitsch woord, dat over tee ding of verbreeking beteekend, me verstaat er door d' inexecutie f nalatigheid in het uitvoeren van iemands woord; en beteekend /: in een bepaalder zin genoomen :/ de na latigheid in het nakomen van een or donnantie donmantie, of wet in welke laatste betekenis, den heer Z: O: Eijsscher het schijnt te hebben opgevat; het heeft den heer R: O: Eijsscher behragt, bij de in regten op ende ge„ gens den gedaagden overgelegden Concludie, articulatim 2„ en 3. te poseeren, dat den gedaagden in deesen die als particuliere wijnkoper alhier open pakhuis is houdende zig niet ontzien heeft, omme op den 25 der Jongstleeden maand sep„ tember uit zijn pakhuis, aan drie on„ der officieren van 't alhier guarni„ zoen houdende regiment van Wul„ temberg: ½. aam wijn te verkopen Dit Edele Achtbaare Heeren kan immers nimmer na regten een gegronde badis uijtmaken omme den gedaagden van eene we„ zentlijke Contraventie te Convin„ Ceeren Maar om een essentieele Con„ „ traventie van de wet te bewijden werden /: salvo Meliori :/ in den ge„ daagden die in qualiteit, als beeiraad der Colonie te stellenbosch. en draken zteijn :/ en dus mede gesteld tot hand houding der goede ordre, en die zig nooit van eenige Contraven„ tie geruspecteerd, veel min over wonnen heeft gezien, die aon der zig te flatteeren, zig altoos be moeid heeft, de beveelen zijner Leipe rieuren te behartigen, en na te ko men:/ geheele andere requisitien gevorderd; want voor eerst zal den ge„ daagden met pligtschuldigt den Eerbied in Consideratie brengen de speciaale last en verdere pre cautien door hem gebruikt, met aan zijn knegt Steven van der hart te gelasten, omme zig wel te wagten, en niets te doen dat bij de wetten was gepro N„o 1 in lacis hebeert blijkens En met betreckinge tot de knegt, hier al meede onder wel neemen geen Contraventie kan gezegd worden, gepleegd te zijn; na dien deeze in dit Cas, zodaanige pre„ caatien heeft gebruikt, als men van een voorsigtig Man met heeden vorderen kan want als men lette: Eerstelijk met wat omzigtig„ heid de knegt hier heeft gehan„ deld, met aan voorschreeve Gerold te vraagen na de plaatse waar het halfaam wijn moert gebragt worden, en na bekome ne antwoord daar op, in de tweede plaats om secuur te gaan direct wijgerd de koop te sluiten ten derden op de verdere door den Coper bijgebragte rede nen, te weeten, dat het zelve zoude vrtrekken tot eijgen gebruiken nooddruft, en daar nog bovendien word ƒ toegevoegd, het is mij gepermie teerd, door een officier aan wel het voor of op ordre van een zoo kan onder welneemen geen Contraventie plaats hebben dewijle alle wetten, op de reeden als de ziel derzelver gegrond zijn; want de voorschreeve Gerold in het pakhuis van den ge „ daagden komende, vraagd een hal aam wijn te koop voor gebruik daarop vraagt de voorschreeve knegt, steven van der hart zeer voorzigtig, na de plaat? waar het zelve moeste gebragt non den waarop den Coper repliceerd in de Caserne deese daarop direct„ refuseerde om een halfaam wijn te verloopen, ten zij aan een of„ ficier, Immers hadde den Coper daar mede zig moeten laaten verge„ noegen, maar neen deese daartp hervattende, het is mij geper„ mitteerd „ H mitteerd, door een officier denselven daarop uit waar men „ schen liefde bewoogen, heeft tot eigen gebruik een halfaam wijn aan hem verkogt waar uit Edele achtbaare zee„ ren kan nu uit dit voorval, met eenig fundament een grondt van Contraventie worden g'arripieerd, want de voorschreeve knegt hier ter goeder trouwe handelende, en dien persoon op zijn woord van Eer geloof gegeven hebbende, en nog om seauur te gaan de naam van dien Coper opgenoteerd hebbende ten einde in Cas van fraude deselve altoos te kennen ontdekken het is der halven, eene natuurlijke Consequentie, dat in dit gantsche geval, geen de minste mole animo te vinden zij, en dus ook geen nalaa tigheid, in het nakomen van de dik werf gem: en bij den R: O: Eijss=r geciteerde wet, te vinden zij dat den heer E: O: EijsCr bij het tweede Lid verder poseert op Articul dat den gedaagden vervolgens ook ook de verkogte wijnen, Aan hem geleverd, had is, meede van alle fundament ontbloot. want om zig niet te Exponeeren heeft hij het zelve den Coper wel in het Pakhuis, maar geensints in de Caserne willen leveren, als blijkt, dat den Coeper hetzelve half„ aam, met wijn betaald, hebbende, hetzelve heeft late afhaalen, voor zijn rekening, en niet voor die van den vercoper, dus den Coper ten opsigten van de plaats, immers ten zijnen perieulen gehandeld heeft, en gevolglijk aan den kant van de heer E: O: Eijss„r /: Salva re„ verentia :/ niet kan werden bewesent, dat met relatie tot de plaats, alwaan de leeveringe van deede wijn is geschied, door de gevaagden knegt is gepercord G alle het welk uwer haele baarens ten genoegen zal komen te blijken, met de ten deesen
English
in places under Letter A of the annexes attached hereto; for it is indeed, under respectful correction of Your Right Honorable's highly wise and more enlightened judgment, certain in law that after the completion of the purchase, the seller cannot be held liable for any fraud, if one on the side of the Lord Officer Plaintiff should unexpectedly wish to sustain this to apply here stricto jure, which after the transfer of the ownership of the purchase was committed with the purchased item. Since the aforementioned Steven van der Part had previously refused to sell the said half-aam of wine to the said Gerolt, other than under the restriction that it should only serve for own use and necessity; and that he requested such by order of an officer, or rather, it is for an officer, and thus permitted to me, so it will appear ad evidentiam from all these circumstances, that in case in this matter any contravention should unexpectedly reside and could be imputed to him, as is denied, then it must still follow that the same was by no means caused by dolo malo, but through too great a philanthropy and the attributing of too much belief to the words of a credible person, for which this military sergeant Gerold is reputed by everyone, and thus, according to reasons of equity, deserves consideration rather than such punishment, according to the well-known axioma juris stating that no one should come into peril for the sake of his good deed; and therefore the defendant, with all due respect, will submit to the penetrating arbitrium judicis whether it would imply a harshness that the defendant would on this account be regarded as a contravenor of the local laws; whereby the defendant believes to have answered this second point to the satisfaction of Your Right Honorable; he will therefore proceed to counter the third point, where the Lord Officer Plaintiff, in his conclusion submitted in judicio, articles 6, 7, 8, and 9, is pleased to set down: that nevertheless it cannot, at least must not, be unknown to the defendant that the selling of wine to non-commissioned officers and common soldiers of the regiments residing and garrisoned here was very strictly prohibited on the 4th of March one thousand seven hundred eighty-eight, and that those being apprehended will be punished as smugglers. The defendant will here again advance that although this was indeed affixed here at this capital on the 4th of March one thousand seven hundred eighty-eight with the usual solemnities, the defendant could firstly, on what he believes to be good grounds, claim complete ignorance thereof, and this on the foundation: Firstly, that the defendant, residing outside the jurisdiction of this capital at the Eerste River, has never heard such a law proclaimed. And consequently it is very easy to understand that he, as a farmer and winegrower who keeps his fixed domicile in the outer districts where such laws are never affixed, and therefore, as is naturally understood, has or can have little occasion to know of the affixing of the local laws; and in the license obtained by him to sell his wines here at this capital, as deduced more broadly herefore, not the slightest disclosure of that law was made to him. So it is very easy to understand that, the prescribed interdiction being unknown to him, he may with permission claim ignorance thereof on that ground; that the defendant also, without flattering himself, trusts firstly, as well from his always maintained and effectively proven conduct as from the case in question, that not the slightest presumption will militate against him that he would be animated with such a base character, naturally inherent to all contravenors of the respected orders of their superiors, to such a degree that he would, for a single half-aam of wine, so willfully expose himself to the loss of honor and esteem, as natural consequences of a true contravention, which here cannot in the least be proven; and consequently the defendant cannot incur the terms of the alleged law. For that the offense must first be proven before any penalty can take place admits of no contradiction; hence, for the demonstration of the defendant's innocence, it will be brought into respectful consideration before Your Right Honorable: That the defendant specifically ordered his servant not to do that which was prohibited by the laws, as appears under No. in places. Which was also observed by the said servant, in that upon the first request to sell a half-aam of wine, he refused the same, as appears under No. Letter in places. And thus he could have had no animus delinquendi; and to this is added that the servant delivered the aforementioned half-aam of wine to the warehouse, but not to the barracks; and that the purchase was not concluded until upon the saying: it is permitted by an officer, or rather, it is for an officer, about which latter the alleged law is silent. From all which deduced points it appears ad evidentiam, which one may determine summo jure, that the defendant remains extra omnem culpam.
Dutch transcription
in loeis sub L„a A deesen g'annexeerde bilagen; want het is immers /:onder eer„ biedige correctie, van Uw WelEdele Achtbaarens hoogwijse, en meer verligte oordeel:/ in regten seeker dat na koopsvoltrecking van het gekogte, den vercooper voor geen fraude /:indien men zulks aan den kant van den heer E: O: Eijs„ scher al eens onverhoopt wil de sustineeren /: alhier stricte Jure plaats te hebben /: dien ne koops overgang, van den eijgendom, met het gekogte werd gepleegd, aan aangespra„ ken werden daar nu de meer gedagte steven van der Part, het ver= dog te salfaam wijn aan gedagte Gerolt te willen vercoopen vooraf heeft gere„ faseerd anders als onder die res¬ trictie, dat alleen zoude strec„ ken tot eigen gebruik en nooddruft nooddreft; en dat hij sulx verzogt op ordre van een officier, dan wel het is voor een officier, en mij dus gepermitteerd, zoo zal uit al le deese omstandigheeden, ad Evidentiame Consteeren, dit ingeval in deese zaak, al eenige Contra„ ventie onverhoopt zoude gebeur# resideeren, en hem konde werden gein¬ puteerd /: als neen:) dan nog zoude moeten volgen, dat dezelve geenzints dato meld maar door te sterke mens lievendheid, en het attri„ bueeren van te veel geloof van het zeggen van een ge„ loofwaardig persoon, /waar voor deese militaire sergeant Gerold, bij een ijder gereputeerd. xij:/ zoude wesen gecauseerd. en dus na redenen billijk reid heid, veel eer Consideratie, als zodaa„ nige straffe meriteeren, volgens de bekende abigina Juris, zeggen de dat niemand om zijn weldaads wille in perieul komen moet en derhalven zal den gedaalden, met alle gepaste Eerbied, aan het penl„ trant arbitrium Judicis stelen, of het gene hardigheid zoude infe„ reeren, dat den gedaagden dezwee gens, als een Contraventeur der locaale wetten zoude wer„ dez: aangemerkt waarbij den gedaagden dit tweede poinct ten genoegen Uwer WelEdele Agtbaarens, ver„ meend beantwoord te hebben; des zal hij dan ter rescon tre van het derde poinct overgaan, alwaar den hier p M: O: Eijss„=r bij zijn in Judi„ cid overgelegden Conclusie, articul 6, 7, 8, en 9 gelieft ter neder te stellen dat nogtans aan hem gedaag„ Ven nog den niet kan ten minsten niet moet ƒ onbekent zin dat het verkoper van wijn aan ouder officieren, en gemeene soldaaten, van alhier en gaarnisten zinde regimen ten, op den 4: maart Een duGdeud zeven honderd agt en tuigentig wel seerkelijk is geinteraeerdt geworden de groene dat de zoldanige agterhaald wordende, als swekken laart zullen worden GG Straet den gedaagden & al hieral wederom op advanceeren dat schoon deze wel den 1 maart een duijsent seven honderd agt en taggentig, met de g woone solemniteiten, ac eens hier aan deese hoofdplaats w geaffigeerd 6 de zoude den gedaagden voor eerst daarvan /:op zd hij verwwend:/ goede gronden volkoomen ignorantie kon„ nen pretendeeren, en tot wel . . . ƒ : : op fandiment Eerstelijk dat den gedaagden buiten de Iurisdictie, van deeze hoofdplaatse aan de Eerste rivier woonagtig zijnde nimmer heeft gehoord, zodanigen wel afkondigen En gevolglijk seer wel te begrijpen is, dat hij als een landbouwer, en wijngaar„ denier, die in de buiten districten; al waar zodaanige wetten nimmer werden geaffigeerd, fixe domicilium houd„ en mitsdien als natuurlijk te be„ grijpen is; weinig occasie heeft of hebben kan; van de affirie der Locaale wetten en hem bij de hier voren, in het bree¬ der gededuceerden, geobtineerden Licentie om zijn wijnen hier aan deese hoofd plaatse te mogen verkopen, geen de minste opening van die wet gedaan is. zoo valt het zeer ligt te begrijpen dat hem de voorschreeven interdictie, on„ bekend zijnde, hij daarvan op dien grond /:onder welneemen:/ Ignorantie pretendeeren hem dat den gedaagden ook /:zonder zig te flatteeren:/ eerst vertrouwen, er zo wel uit ƒ 3 uit zijn altoos gehoudene, en met er daad bewezene Comportement, als uit het ge„ val in quaestie, geen de minste pre¬ sumptie tegen hem zal militeeren dat hij met zodanige slegt carac ter /: natuurlijk eigen aan alle Contra„ venteurs :/ der geEerbiedigde beveelen, van hunne superieuren zoude bezeeld zijn dermaaten, dat hij om een enkel halfaam wijn, zig zoo moetwillig zoude exponeeren, aan het verlies van Eer en agting, als natuurlijke gevolgen van een waare Contraventie, dewelke hier in het minste niet kan worden bewezen; en gevolglijk den gedaagden, niet han incurreeren, in de termen van de gealla„ geerde wet. want dat de misdaad vooraf moet beweesen worden, zal er eenige poene plaats hebben, leijd geen teegens praek des zal hier ter demonstratie van des gedaagdens onschuld, bij uw welh¬ delens Achtbaarens in eerbiedige Consideratie worden gebragt dat den gedaagden aan zijn knegt wel ƒ sub N=o in Locis Sub N: v: L: in Locis 133 wel spaecialijk heeft gelast, om niet te doen het geen bij de wetten geprohebeert was, blykens het welk ook bij gemelde knegt ook geobserveert geworden is, dat hij op „ het eerste verzoek, om een half„ aam wijn te verkoopen; het zelve heeft gerefeiseerd blijkens En dus geen anzino delin„ guendi kan gehad hebben, en daar bij komt dat de knegt het voorschreeve half„ aam win, wel in het Pakhuis, maar niet in de Caserne heeft geleverd en dat niet eerder de koop geslor„ ten is, als op het zeggen, het is gepermit¬ teerd door een officier, dan wel het is voor een officier, van welke laatste de gealliegeerde wet dwygt uit alle welke gededuceerden ad: evidentiam Consteerd: /: het welk men summe Juze mag vaststellen:/ den gedaagden Extra, omnem, Calpan verdeert 1V . .
English
reversed. The defendant considers that he has now countered the claim of the Honorable Plaintiff in all its parts and nature. Wherefore, and for other reasons and arguments to be further deduced if necessary, the defendant, waiving and denying, generally as well as specially, all the means and assertions set forth by the Honorable Plaintiff, with express denial, impertinence, and perseverance, and answering will Conclude to the effect of inadmissibility in order that, by definitive judgment of your Honors, the Plaintiff ex officio may be denied his claim made upon and against the defendant, and the conclusion taken thereunder, with costs, or to such other ends as your Honors shall deem proper. Below stood: Imploring in and upon all, your Honors noble, and benign judicial office. Was signed: J: van Leeuwen. In the margin: Exhibited in Court the 26 November 1789. I, the undersigned, acknowledge that on the 23rd of the past month, a certain person came to the warehouse of Mr. Jan de Villiers Senior Pieter's son to ask for a half-aam of wine, which was to be brought into the barracks. When I refused him this, he added: "It is for an officer, that is permitted," declaring at the same time that my aforementioned employer, Mr. Jan de Villiers Jan Pieter's son, never gave me orders to commit fraud. Cape the 9 October 1789. Was signed: van der Hart. Today the 19 November 1780. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses, the sergeant of the huntsman company in the regiment of Würtemberg garrisoned here, Eberhard Gerold, of competent age, who, pursuant to the appointment of the aforementioned Honorable Council of Justice of last ordinary Council day and at the requisition of the former Heemraad, Jan de Villiers Jan Pieter's son, declared it to be true: That the appearer in the middle of September of this year, without however being able to determine the exact date any longer, having come into the wine warehouse of the defendant with another of his comrades, the fellow sergeant Hauffman, in order to buy wine there for their own use, the servant from the said warehouse, named Steven van der Hart, had refused the appearer this, declaring that he was not permitted to deliver wine into the barracks. That the appearer thereupon asked the said van der Hart the reasons for this, saying at the same time that that wine was to serve solely for their own use and that the appearer and his comrades during their stay in this place had always been granted the freedom to buy wine wherever and from whomever they thought fit, as having obtained permission for this from the Colonel and Chief of their regiment! Upon which statement of the appearer, the often-mentioned van der Hart had sold him a half-aam of wine, which was immediately paid for by the appearer, while the appearer's name was written in a book by the said van der Hart; the appearer having that same day had that half-aam of wine fetched by a man of the huntsman company and brought into his room. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing by oath. Done thus in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Nicolaas van Es and Jacob van de Waereld as witnesses, who duly signed the minute hereof together with the appearer and me, the Secretary. Below stood: Which I witness. Was signed: W: S: van Rijneveld, Secretary. Confirmation Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the sergeant of the regiment of Würtemberg garrisoned here, Eberhard Gerold, who, his aforesaid given declaration having been distinctly read out to him, declared that he persisted therein, desiring that nothing more be added thereto or taken therefrom, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the adjunct fiscal Mr. Johannes Andreas Truter, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Thus confirmed and sworn at Cape of Good Hope, the 8 February 1790. Was signed: Gerold, sergeant. Lower: In my presence. And signed: W: S: van Rijneveld, Secretary. In the margin: As commissioners, signed: C:s Mappa and G: H: Meijer. Today the 27 October 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honorable Council of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses, the comforter of the sick Willem Herhold, as authorized agent of the former Heemraad at Stellenbosch, the Honorable Jan de Villiers Jan Pieter's son, according to a power of attorney dated 30 June 1781 passed before the then first sworn clerk at the political secretariat Johannes Marthinus Horak and certain witnesses, who, by virtue of the substitution clause contained in the said power of attorney, declared to substitute and in the best manner in law to empower, as he does hereby, the burgher Jacobus van Leeuwen, specially to observe and defend before the aforementioned Honorable Council of Justice such case as the Honorable Independent Fiscal here, as plaintiff, has moved upon and against the principal constituent in a case of contravention, to that end to observe and follow all legal terms and delays, to present petitions both civil and in Court, to request judgments and appointments, to hear the same pronounced, to appeal from adverse ones, to enter into reformation, or to request revision, further to do and perform everything regarding this that shall be deemed necessary and required, under obligation according to law. Below stood: That
Dutch transcription
verseert/ den gedaagden vermeend dan nu des keers E:O Eijschees Condutie, in alle haare deelen en geaardheid te hebben gerescontreerd Mits welke en andere redenen en middelen des noods nader te deduceeren, den gedaag„ den afstaande en dal„ kennende, zoo genera„ lijk als speecialijk alle de middelen en poxi tives, bij den heer E: E. C: Eijss=r ter neder ge„ steld, bij expresse de nn gatie Impertineatie en Prreserantie en zullen antwoorden Concludeerde ten fine van niet ont„ sankelijken bij ordine dat by diffinitive vonnisse uwer WelEdele Agtbaarens, den heer ratio= ni Officir Eijsscher zijnen op op ende geegens den gezaag¬ den gedaanen Eisch, en daar agter genomen Concersie, mag wer¬ 6 den ontzegd, met de kosten ofte tot alzulken anderen finene als Uw WelEdele Agtbaarens zul„ len vinden te behooren /:onderstond:/ Imploreerende in en op alles, Uw WelEdele Agtbaare nobile, ac benignum Judicis officium /:was J: van Leeuwen /: in geteekend margine:/ Exhibiteeur in Iudicie den 26 November 1789 Ik ondergetekende beekenne hoe dat op den 23 der gepas„ seerde maand, zeeker perzoon aan het Pakhuis van de heer Ian de Villiers S„r P:r zoon is koo„ men vragen om een halfaam wijn het welke gebragt moest worden in de Cassern, ik hem zulx weijgerde, voegde mij toe toe 't is voor een officier, dat is gepermitteerd, betuigende teffens, dat mijn bovengenoemde Pa„ troon de heer Ian de Villiers J=n P s zoon mij nimmer ordres tot froudeering heeft ge„ geeven. Cabo den 9 October 1789 /:was getekend:/ van der Hart Luiden den 19 November: 1780 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijnevele Secretaris van den E Achtb Raade van Justitie dezes gouvernements praesent de naten: getuigen den sergeant onder de jager Compagnie bij het alhier guarnisoen houdend regiment van wier temberg Ederhard Gerold van competenten ouderdom, dewelke ingevolge apprinctement van den E: Achtb: Raade van Justitie voorm: van saats: ordin: Rundag en ter requisitie van den oud Heerraas, Jan de Villiers Jan P: Z: verklaarde hoe waar is— Dat de Comp=t in de anderr Septem¬ /:onderstond: der ber deezer jaars zonder egter de juiste datum meer te kunnen bepaalen, gekoomen zijnde; in het wijnpakhuis van den regt met nog een zijner Cameraaden, den meede sergeant — Hauffman„ ten einde aldaar voor hun eigen gebruik; wijn te koopen, den knegt uit gem: Pakhuis, steeven van der Hart genaamd, sulx den Comp„s ge„ wijgerd had, onder betuiging geen wijn in de Caser„ nen te mogen leeveren. — Dat den Comp=t hier op gem: van der Jart, de reedenen daarvan had afgevraagd; tef„ fens zeggende, dat die wijn alleenlijk voor hun eigen gebruik zoude verstrekken en dat aan hem Comp:t en zijne Cameraaden geduu„ rende hun verblijf ter deezer Plaatze al„ toos de vrijheid vergund was om wijn te koopen waar en bij wien zij zulx goed vonden als hebbende hier toe door den Collonel, en Chef van hun regiment, verlof geobti„ neerd! op welk zeggen van den Compt meergem: van der Hart aan denzelven een halfaam E halfaam wijn verkogt had, 't welk voor hem Compt. terstond was betaald geworden; ter¬ wyl des Compts. naam door gemelde van der hart in een boek was opgeschreeven; hebbende den Compt. nog die zelve dag dat halfaam win door een man van de gager Compagnie laaten afhaalen en in zijn kamer brengen iets meer verklaarende geeft den Compt voor redenen van wetenschap als in den text bereid zijnde het vorenstaande met Eede te staven Dat aldus passeerde in 't Casteel de goede hoop, ten bijwezen der Clercquen Nicolaas van Es, en Jacob van de Waereld als getuigen, die de minute dezes be„ nevens den Comp„s en mij Secretaris Wede mede behoorlyk hebben onderteekend /:onderstond:/ T welk ik getuige /:was geteekend:/ WC: Van Mijneveld secretaris Recollement Compareerde voor ons ondergetende gecom„ mitteerdens uit den E: Achtb: Rade van Justi„ dezes gouvernements, den sergeant onder het alhier guarnisoen houdend regiment van Wartemborg Eberhard Gerold, dewelke zijne voorsch: gegeevene verklaaring distinct voorgeleezen zynde, betuigde daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat daar niets meer bij of afgedaan werden zal en spreek derhalven ter beves„ tiging der waarheid van dien, in prae„ sentie van den adjunct fiscaal M=r Johannes Andreas Frater, de Solemneele woorden: zoo waarlijk helpe mij God Almachtig Almachtig Aldus gerecolleerd en beedigt aan Cabo de goede hoop, den 8 februarij 190 /:was getekend:/ Gerold serg=t:/ lager:/ Mij praesent /: en getekent:/ W: C: van Bijneveld Secretaris /:in margine:/ als gecommitteerdens /:getekend:/ C:s Mappa en G: H: Meijer Huiden den 27 October 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rij„ neveld secretaris van den Ed: Achtb: raade van Jus„ titie deses gouvernements, praesent de naten: getuigen, den ziekentrooster Willem Herhald als gen: gem: van den oud Heemraad aan stellenbosch de E: Jan de Villiers Jan Pieter zoon blijkens procuratie de dato 30 Junij 1781 voor den toennaaligen eersten gesw Clercq - ter politicque secretarije Johannes Marthinus /:onderstond:/ Torak . . . : . : : .. C Torak en deekere getuigen gepasseert, de vSingend welke uit kragte der in gem: procuratie vervatte Clausule dubstituende verclaarde te dubstitueeren en op de beste wijze in reg„ ten magtig te maaken, gelijk doet mits deezen, den burger Jacobus van Leeuwen, spaccialijk om voor den E Achtb: Raad van Jus„ titie voorm: waar te neemen en te defen deeren, zodaanige zaak als den E Achtb: heer Independent fiscaal alhier E:k: op ende jegens den pp=len Constituant in cas van Contraventie heeft gemoveerd, ten dien einde alle termij„ nen en delaijen van rechten te houden en volgen, requesten zo Civiel als in Iudicio te praesenteeren, vonnissen, en appoinc„ tementen te verzoeken, dezelve te horen pronuntieeren; van de naadeelige te appel„ leeren, in reformatie te komen, of revisie te verzoeken, voorts hier omtrend alles te doen en verrigten, wat nodig oordeelen en ver„ eischt worden zal onder verband als na regten /:onderstond:/ Dat
English
Thus done at the Secretariat of Justice aforesaid, present the clerks Petrus Diemel and Christiaan Ludolph Neethling, Junior, as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the appearer and me, the sworn clerk. Lower down: Which I witness. Signed Jos Rineveld Secretary Appeared before the Right Honorable and Venerable President and Council of Justice of the Castle the Cape of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, Knight, etc., on the one side; Against the Heemraad of Stellenbosch and Drakenstein Johannes de Villiers Jan Pietersz, defendant, on the other side. And did declare: 2) That having been acknowledged in the written response 3) that the defendant has sold from his wine warehouse a half-aam of wine to the non-commissioned officers of the regiment of Wurtemberg mentioned in the demand and answer; 5) and moreover it being beyond dispute 6) that selling wine to the non-commissioned officers and soldiers of the same regiment is forbidden; 7) the R. O. Plaintiff could suitably suffice with a simple persistence before the exception, 8) had he not believed it necessary to add something toward the further support of the arguments posed in the demand, 9) whereby not only the defendant's guilt will be placed in a clearer light, 10) but also his seemingly justificatory arguments of response will be refuted. Principally, the defendant seems to want to exculpate himself by asserting 11) that, since the wine, as he states, was sold by his servant without the prior knowledge, complicity, or approval of him, the defendant, 13) he, the defendant, even assuming that the servant erred, could therefore not be held liable for that act, 14) especially because he, the defendant, residing under the district of Stellenbosch, according to his understanding could claim ignorance of the prohibition mentioned in the demand. 15) But who does not see that this is a far-fetched pretext, 16) the admission of which would open a wide door to the unpunished commission of the greatest disorders. 17) And although at first glance it seems to imply more or less of a hardship 18) that the Heemraad de Villiers is held liable for the actions of Steven van der Hart, 19) that difficulty will nevertheless disappear immediately when one considers the relationship 20) which exists between those two persons, 21) and that the latter was chosen by the former of his own free will 22) to manage the wine business here locally in the defendant's name and for his account, 23) in that capacity sustaining the person of the defendant, binding him in all that he does in his name, and in a word performing everything at the risk of the defendant, 24) such that the defendant can even be obligated ex delicto by him. 25) Argument: Leges 6 & 7, Legis Ultimae, ff. Nautae caupones stabularii. 26) For the defendant was free to start a wine dealership, or not to start one; 27) but having once started it, he, 28) if he could not or did not wish to attend to the administration thereof personally, 29) ought to have ensured that he appointed such persons in his place who understood their duty; 30) or at least he, the defendant, ought to have instructed his servant about everything that the laws have prescribed for wine merchants to observe. 31) By argument of those things which are taught by Voet ad Pandectas, Nautae caupones stabularii, numbers 3, 4, and 6. 32) Furthermore, there is no lack of examples and grounds 33) to demonstrate that the master is obliged to pay for the fault of his subordinates in matters concerning his trade: 34) see the title Nautae caupones stabularii just cited, also the titles De exercitoria actione, De institoria actione, and others; 35) without it being further necessary here to show to Your Honors at length 36) that it does not have even the slightest appearance of truth 37) that the defendant or his servant Steven van der Hart would be unaware of the prohibition of the 4th of March 1788; 38) seeing that the defendant started the wine dealership only six months after the publication, 39) and thus at a time when the prohibition could still be read in all the usual places here; 40) besides that it would be the height of absurdity to hold the defendant ignorant of all laws and regulations 41) that were issued before he began selling wine here; which would nonetheless be the consequence of what was posited in the answer, add the accompanying deposition sub E. 42) Furthermore, with regard to his wine business, the defendant cannot be considered as Heemraad of Stellenbosch, but as a wine merchant at the Cape, 43) and in that capacity he is subject to all regulations established by the government with respect to wine merchants. 44) Now, as regards the contention made in the response, as if the defendant's servant H. van der Hart had not acted against the regulation of the 4th of March 1788; 45) because firstly, he delivered no wine into the barracks; 46) secondly, because the wine was only sold for personal use; 47) and thirdly, because one of the non-commissioned officers said he had permission from the Colonel to buy wine anywhere; 48) in this regard the R. O. Plaintiff will briefly remark, 49) that it does not matter where the wine was delivered, 50) but that the question is simply to whom it was delivered, 51) and whether wine was actually sold to non-commissioned officers.
Dutch transcription
Dat aldus passeerde ter secretarije van Justitie voorm: praesent de Clercquen Petrus Diemel, en Christiaan Ludolph Heetkling, Junior als getuigen die de nn nute dezes benevens den Comp„te en mij geswn Clercq mede behoorlijk hebben ondertekend /:lager:/ T welk ik getuige /:getekend/ Jos Rineveld Secretaris Compareerde voor de WelEdelen en Achtb: heeren praesident, en raad en van Justitie des Casteels de qae de koop de Jndependent 4 x Fiscaal Johan Nicolaas Steven van Linden K: C: Crs=s ter eenre Contra den heemraad van Stellenbosch en Deakenstein Johannes de Villiers Jan Pietersz: ged: ter andere zijde Ende dede zeggen; ƒ 2) dat bij 't schriftuur van antwoord geavon„ eerd zijnde geworden dit 3) dat de ged:e aan de bij Eisch en antwoord gemen„ tioneerde onder officieren van het regiment van Wartenberg uit zijn wijnpakhuis een kalfaam wijn heeft verkogt: 5 en daar en boven buiten contestatie zijnde 6) dat het verkoopen van wijn aan de onder„ officieren en soldaaten van hetzelve te giment is verbooden zou de R: O: Eiss:r gevoeglijk met een simpel persistit voór eeptieg kunnen vol= staan 8/ indien hij niet vermeende tot nadere adstruc= tie van de bij Eisch geposeerde middelen iets te moeten bijvoegen waar door niet alleen des ged=e schuld in een klaarder daglicht gesteld 10) maar ook deszelfs in schijn Justificatoire middelen van antwoord generveerd vlingelandt zullen worden „voormamelijk 4 7 ƒ voornamelijk schijnt de gede zich te willen disculpeeren door te beweeren 11 dat, daar de wijn, zoo hij regt door zijn knegt ½ is verkogt geworden, zonder voorkennis, meede weeten of goedkeuring van hem gede hij ged. e overzulx al veronderstelde men dat de knegt 131 gepecceerd heeft over die daad niet kon gereekend worden, aansprakelijk te zijn vooral om dat hij ged=e onder het district van 14 stellenbosch woonagtig zynde, volgens zijn be„ grip ignorantie van de bij Eisch gementio= neerde interdictie zou kunnen pretendeeren 15/ Dan wie diet niet dat dit een verzogt gerae„ teet is, 16/ welks admissie een wijde deur zou open zetten, aan het atraffeloor pleegen, van de grootste ongeregeldheden 17/ En afschoon het in den eersten opslag min of meer eene hardigheid schijnt te insolveeren 1o dat de Geemraad de Villiers aansprakelijk word gesteld voor de daaden van Steven van van der Hart 19) zal die zwarigheid nogtans terstond verdwynen, wanneer men gade staat de betrekking 20/ welke tusschen die beide perzoonen plaats heeft 21/ en dat de laatste door den eersten uit vrijen wille zijnde verkooren geworden 22) om uit zijn ged„e naam en voor zijn reekening de wijn negotie hier ter plaatze waar te nee„ men 23) in die relatie de perzoon van den ged=e dus„ tineert, denzelven in al 't geen hij uit zijn naam doet; verbint, en met één woord alles periculo van den ged=e verrigt 241 zodanig dat de ged: zelfs exdelicta door hem kan worden geobligeert. — 25/ arg: Legest 8 1 Legis Ult: R 4ff nauta caup: stab: 26/ want het heeft aan den ged=e vrijgestaan een wijn„ kooperij te beginnen, of niet te beginnen 27) maar die eens begonnen hebbende, had hi, 28/ indien hij niet persoonlyk ken, of wilde va= ceeren tot de administratie daarvan &9) behoven 29„ behoren te zorgen dat hij zodaanige perzoonen, in zijn plaats stelde, welke hun plicht verstan„ den; 30) of ten minsten had hij ged=e zijn knegt be„ hooren te instrueeren van al het geen de wetten aan wijnkopers ter observatie hebben voor„ geschreeven argumento edrum que tradun tur àa voete ad lit ff Naut 31 Caup: stab: n. 3. 4. & 6 32, ontbreekende het voorts ook aan geene voor beolden in gronden, 33) om te betoogen, dat de meester verpligt is de schuld van zijne onderhorigen, in zaken, zijn beroep betreffende, te boeten: 34 zie de even aangehaalde titul Nautre Caup„ stab: item de Tituls de Exerciteria actiene de Justitiora actione, en andere 35) zonder dat het hier verder nodig zal zyn aan UE Achtb: wijdlopig te doen zien 36) dat het zelfs den minsten schijn van waarhei niet niet heeft, 37) dat de ged„e of zijn knegt steven van der hart van de Jnterdictie van den 45e Maart 1788, zou onkun„ dig zijn: aangezien de ged„e maar zes maanden naar de publicatie de wijnkoperij heeft begonnen en dus op een tyd, dat de Jnterdictie nog op alle gewoone plaatzen alhier te leezen was 40) behalven dat het de ongerijmdzen zelve zijn zoude den ged=e onkundig te houden, van alle netten en bepaalingen die, voor dat hij heeft beginnen wijn alhier te ver„ koopen, g'emaneerd zyn: 't geen nochtans het gevolg zijn zou, van het bij antwoord ge= poseerde, add: nevensgaande depositie zubs. E 42) kunnende voorts den ged=e ten aanzien van zijn wijn negotie niet geconsidereert worden, als heemraad van steltenbosch maar als wijn koper aan de Caab 43) en is dezelve in die relatie subject aan alle bepaalingen, ten opzigte van 38 411 van wijnkoopers door de regeering vastgesteld 44: wat nu betreft de bij antwoord gevoerde sustenue als of des ged„te knegt H: van der Hart, niet tegen de bepaling van den 4:e Maart 1788 had gehan„ delt; 45/ om dat dezelve 1=e geen wyn in de Caserre geleverd heeft; 46 2„o om dat de wijn maar tot eigen ge bruik is verkogt 471 en 3=e om dat een der onderofficieren ge= zegt heeft permissie te hebben van den Collonel, om overal wijn te kunnen kopen 48) hier omtrend zal de E: B: Eess=r kortelijk remarqueeren, 49) dat het er niet op aan komt waar de wijn geleevert is geworden. maar dat de vraag eenvoudig is 30 aan wien dezelve geleevert is, 51) en of er wezentlijk wijn aan onder officieren
English
officers of Wurtemberg has been sold, the affirmative of which last point the defendant has not even dared to contest. In order meanwhile to make all doubt disappear, and to vindicate the [illegible] posed in the claim from all objections, the Officer Demandant shall refer to the very words of the above-mentioned prohibition, which run as follows: That no one, except for the Lessee of the Cape cool wines, and therefore also no wine merchant, shall be permitted to sell any wines, in whatever quantity it may be, to the non-commissioned officers having oversight of the canteens of the aforesaid troops, nor to deliver the same to them, either in the canteens or at any other places, and likewise not to make such sales or deliveries of wines to any other non-commissioned officers or common soldiers of the same troops, on pain that, being caught herein, they shall without connivance be punished as smugglers according to the general placard. Finally, the permission of the Colonel cannot in the least disculpate the defendant, as it is a ridiculous thing to consider oneself released from the observance of the laws by the permission of someone who is just as strongly bound by the laws as the defendant, and with respect to the same can only be considered a private person. And herewith the Officer Demandant trusts to have completed his task, in the entirely reasonable trust that Your Honours will not make difficulties in the adjudication of the conclusion taken in the claim, with expenses. Under which and other reasons and means, if necessary to deduce further, the Officer Demandant, dismissing the means of response as mere impertinent and irrelevant, persisted by his well-founded claim and the conclusion taken thereafter for reply. Signed: I: N: S: van Linden. In the margin: Exhibited in Court on 18 December 1789. Today the 9th of December 1789 appeared before me Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honourable Council of Justice of this government, present the witnesses to be named hereinafter, the citizens Pieter de Wet and Tieleman Roos, both of competent age, who, at the requisition of the Independent Fiscal, the Right Honourable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared to be true: That about two months ago now, without being conscious of the exact day or date anymore, the appearers, having taken a walk in company of the citizen Daniel Lugs, met a servant of the citizen Ian de Villiers Jan Pietersz at the gate of the slave lodge at the Honourable Company's garden. That the same servant was then addressed by the aforementioned said person in the presence of the appearers, and it was put to him that he had smuggled, with the added warning that he must in future refrain from such as not being allowed, upon which saying the said servant testified that he would no longer make himself guilty thereof, while he did not deny having committed such an offence. Declaring nothing more, the appearers give as reasons of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the foregoing by solemn oath if required. Thus passed in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Nicolaas van Es and Jacob van de Waereld, as witnesses, who duly signed the minute hereof along with the appearers and me, the Secretary. Below: Which I witness. Signed: W J Rijneveld Secretary. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government the aforesaid citizen Pieter de Wet, who, his aforesaid passed declaration having been read aloud clearly, testified to persist by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in presence of the citizen Jacobus van Leeuwen as attorney of the aforementioned Villiers, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath: Thus re-examined and sworn at Cape of Good Hope the 8 February 1790. Signed: P: D: Wet. Lower: In my presence. Signed: W J van Rijneveld Secretary. In the margin: as commissioners: C: Mappa and G: Z: Kien. Re-examination. Appeared before us the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government the aforesaid Tieleman Roos, who, this his preceding declaration having been read clearly and distinctly, declared to persist by the same, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in presence of the citizen Jacobus van Leeuwen, as attorney of the Heemraad Jan de Villiers J: P:, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath: Thus re-examined and sworn at Cape of Good Hope the 15 March 1790. Signed: T: Roos. Lower: In my presence signed: W J v Rijneveld Secretary. In the margin: as commissioners: signed: R W v Riet, and L De Wet. Petition made, and with the required respect presented to the Right Honourable Johannes Izaak Rhenius, President, along with the other Right Honourable Councillors of Justice of this government, by and on behalf of the undersigned citizen Jacobus van Leeuwen, as substituted attorney of the Comforter of the Sick of the Honourable Company, Monsieur Willem Berholt, who is general attorney of the Heemraad at Stellenbosch and Drakenstein, Jan de Villiers Jan Pieterzoon, defendant in case of alleged [illegible]
Dutch transcription
officieren van Wurtemberg is verkogt ge„ worden 52) de affirmative van welk laatste poinct de gede zelfs niet heeft durven Contesteeren. 53) om ondertusschen allen twijffel te doen verdwij= nen 54) en het bij Eisch geposeerde lnico Ietu van alle objectien te vendiceeren 55) zal der R: O: Eess„r zich refereeren tot de eigen woon„ den van de bovengementioneerde Interdictie 56/ welke dus luijden 57/ dat niemand buiten den Pagter der kaapsche Coele wijnen, en dus ook geen wijnkoper 58) zal vermogen aan de onderofficie„ ren, opzicht over de Canticas der voorsz: troupes hebbende eenige wijnen §D) in hoedanige quantiteid zulx ook zoude mogen zyn 68) te verkopen, nogte aan dezelve het zij in de Cantines ofte op eenige andere plaatzen te leveren 61 61) en zoo meede niet zoodaanige verkoepingen of te afleveringen van wijnen te doen. 62) aan eenige andere onder officieren ofte gemeenen van dezelfde troupes 63/ op poere van hierop agterhaald werdende (4) zonder conniventie naar luijd van 't generaal placcaat als smokkelaars zullen worden gestraft 65) Eindelijk kan de permissie van den Collonel der ged„e geenzints disculpeeren; Ep daar het eene belaggelijke zaak is, zich door de per„ missie van iemand, 67) die even sterk door de wetten verbonden is, als de ged 68) en ten opzichte van dezelve maar voor een pri„ vaate persoon kan gehouden worden 69) van de observantie der wetten ontslagen te reekenen 78) En hier meede vertrouwt de R: O: Eiss=r zijn taak te hebben afgehandelt, 71) in dat allezints billijk vertrouwen 72) dat UEE Achtb: niet zullen difficulteeren, in de ao judicatie van de bij Eisch genomen Conclusie, B3) Cum expensis Mits welke en andere reedenen en middelen, is 't nood, nader te de= duceeren, de r: d Ess„r afslaande de middelen van antwoord als mere impertinent en Erelevant persisteerde bij zijnen wel gefur= deerden Eisch en daar agter genooren Conclusie voor Re„ plick /:was getekent:/ I: N: S: van Linden :/ in mar„ gine :/ Exhibituir in Iudicio den 18 decem„ „ber 1289: Huiden den 9 December 1789 Compareerden voor mij Willem Stephanus van Rijneveld Secretaris van den E Achtb: raad van Iustitie dezes gouvernements, praesent de natenoemene getuigen, de burgers Pieter de Wet, en Tieleman Roos, beide van Competenten ouderdom, dewelken ter requisitie van den independent fiscaal VE Achte Heer Johan Nicolaas Stevar van Lijnden, verklaarden hoe waar is. — Dat Dat de Comp„n voor nu omtrend twee meeen„ den geleeden, zonder de quiste dag af datum meer bewust te zijn, in geselschap van den burger Daniel Lugs een wandeling gedaan heb bende, zijlieden bij de poort van de slaven loge aan s'E Comp„s tuin ontmoet hadden een knegt van den burger Ian de Villiers Jan Pietersz: Dat dezelve knegt als toen door gem: zagd, ter praesentie van de Comparanten was aangesproken, en hem voorgehouden dat hij gesmokkeld had, met bijgevoeg„ de waarschouwing, dat hij zich voor zulx als niet geoorloofd zijnde, in 't vervolg moest wagten, op welk zeggen man Hegt ged:e knegt betuigd had, dat hij zich daar aan niet meer schuldig zoude maaken, terwijl hij niet, ontkende zodaanige fout gecom„ mitteerd te hebben Niets meer verklaarende geeven de Comptn voor redenen van wetenschap, als in den text, bereid zijnde het voorenstaande des vereischt, wordende met solemneele Eede naeder gestand te doen. DDat aldus passeerde in't Casteel de goede hoop, ter praesentie der Clercquen Nicolaas van Es, en Jacob van de Waereld, als getuigen, die de minute dezes, beneevens den Comp=n en mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 't welk ik getuige:/ was getekend:/ W J RRijneveld Secretaris Recollement Compareerde voor de onderget: gecomm: uit den E Achtb: Rade van Iustitie dezes gouvernements voorm: burger Pieter de Wet, dewelke zijne voorsh: gepasseerde ver„ klaaring, duijdelijk voorgeleezen zijnde, betuigde, daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat daar niets meer bij of afgedaan worden zal, en sprak derhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den burger Jacobus van Leeuwen als gemachtigde van gem: Villeers de solemneele woorden zo waarlijk helpe mij god almachtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beledigd aan Cabo de goede hoop den 8 februarij 1790: (: was geteekend:/ P: D: Wel : / lager:/ Msij praesent:/ / geteekend:/ WJ VE Eijnereld Secret, /:in mar gine gine :/ als gecomm:s:/ C: Mappa en G: Z: Kien Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm„ uit den E Achtb: rade van Justitie deeses gouverne„ meets voorgem: Sieleman Roas dewelke dese zijne vorenstaande verklaaring klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verklaarde denzelven daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niet meer bij ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den burger Jacobus van Leeuwen, als gem: van den Gienraad Jan de Villiers J: F: de So lemneele woorden, zo waarlijk helpe mij god Almachtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 15 Maart N790 /:was getekent:/ T: Roos : /lager:/ Mij praesent getekend:/ WJ V Blijneveld Liat„ in /:in margine :/ als gecommitteerdens:/ geteekend:/ RW D Riet, en L DeWet. Suplicq gedaan maaken, en met de vereischte eerbied overgegeven aan den WelEdele Achtbaare heer Johannes Izaak Rhenuu praesident, beneevens de verdere WelEdele Achtbaare heeren raden van Iustitie dezes gouvernement door ende van wegens den ondergetekende beugel Jacobus van Leeuwens, als gesubstitueerde gemagtigde van den Krankbezoeker der E Comp„e Monsieur Willem Berholt, die generale gemagtigde is, van den Heemraad te Stelenbosch en Drakensteyn Jan de W: alliers Jan Pieter zoon verweerder in Cas van 88 pretense -
English
alleged contravention on the one part against the Independent Fiscal of this city, the Noble and Honorable Mr. Iohan Nicolaas Steven van Lijnden, Plaintiff in his official capacity in the same case, on the other part. Honorable Gentlemen, The undersigned, in his aforementioned capacity, shall first, in observance of his bounden duty, take the liberty—after having expressed his humble thanks to Your Right Honorable Lordships for the copy of the replication pleading exhibited in this court on the 16th of this current month of December by the gentleman Plaintiff in his official capacity, together with the two attached statements, and the term of two weeks so favorably granted to him—to now have the honor to state with all respect the following: Right Honorable Gentlemen, That after reading and serious consideration of the pleading submitted in court on the aforementioned day by the gentleman Plaintiff in his official capacity, he was exceedingly surprised; That he found posited in the second and third articles thereof that the defendant had acknowledged in the statement of defense that he had sold half an aam of wine from his wine warehouse to the non-commissioned officers of the regiment of Wurtemberg garrisoned here, mentioned in the claim and answer; which words seemed to be understood by the gentleman Plaintiff in his official capacity in a much broader sense than the defendant had intended them; For, in the statement of defense, after the strict orders given by the defendant to his servant Steven van der Zoort had been narrated bona fide—expressly amounting to this, that he should not do or act in anything prohibited by the laws; and whereas a person is presumed in law to be as he ought by nature to be, namely of good faith according to l. non Exco. 39. C. de Eviction. gloss. gloss DD in c. de legint. de presumt. and upright and diligent in his estate or profession, G. 2. C. de offic. Civil. Judic., l. si quis deas 21, the defendant, in that confidence, had betaken himself to his homestead; That the aforementioned servant also strictly observed—at least promised to have observed—the same. For although on this side it is indeed bona fide acknowledged that the servant had sold half an aam of wine, he nevertheless refused to do so at the first offer, and would not conclude any sale except on condition that it was permitted by an officer, or else that it was for an officer; and in that sense it was certainly acknowledged to have sold the aforementioned half an aam of wine in the warehouse to the mentioned Gerold, as representative of the officer who was believed to be the purchaser. Therefore, one may with reason trust in the equity of Your Right Honorable Lordships that it will also be understood in that sense; And that upon the foundation of the well-known rule of law, quod unusquisque est est interpres suorum verborum, that everyone retains the interpretation of his own words to himself, just as the judge, or the council of the land, retains the interpretation of his ordinances and edicts, R: I: SS: The defendant shall therefore further, in order to establish his sincere innocence under the discerning eye of this Right Honorable Council, reflect upon the refutation of the arguments posited in the exhibited conclusion of the defense. That after resumption of the aforementioned pleading of replication of the gentleman Plaintiff in his official capacity, he noticed That his honor, to substantiate his arguments presented in the submitted conclusion of claim, restricts himself mainly to the following grounds, namely: Primo, that notwithstanding the wine was sold by his servant without prior knowledge, or presence, or approval of him, the defendant, even if one were to assume that the servant had transgressed, by virtue of the relationship of the defendant to his aforementioned servant—who, in the name and for the account, as is said, of the defendant, manages the wine trade here locally— everything was performed at the risk of the defendant, such that he can even ex delicto be bound by him, as the gentleman Plaintiff in his official capacity purports to maintain with the laws cited by His Honor; Secundo, that the defendant, or his servant Steven van der Zart, could not be ignorant of the prohibition of 4 March one thousand seven hundred eighty-eight, since the defendant began the wine merchant business only six months after the publication, and, as is said on the part of the gentleman Plaintiff, at a time when the same prohibition could still be read at all the usual places here. The defendant must then, from what has been argued, reasonably assume—although he had believed that his justification, so well-founded and, under correction, no less thoroughly deduced in the statement of defense to remove all appearance of guilt both with respect to him, the defendant, and his servant Steven van der Hart, would have been accepted by the Plaintiff in his official capacity as abundantly sufficient—that by this pleading of replication, in this his
Dutch transcription
pretense Contrarentie -- ter eenre op ende jegens den indepensent fiscaal, deezer steede den Edelen Agtbaaren heer Iohan Nicolaas steven van Lijnden R: O: Eijsscher in het zelve Cas „ter andere zijde E: Agtb: Heeren den ondergetekenden, in zijn opgemelden quali„ teit, zal vooraf ter betragting van zijn schuldige pligt de vrijheid nemen, Uw. WelEdelens Agtbaare voor de aan hem zo gunstig verleende Copia van 'ss heers R: O: Eijschers, sub datis 16 deeser lapen„ de maand december in hoe judicio geexhibeerden schriftuur van replicq met de daar bij ge= voegde twee verclaaringen, en termijn van twee weeken zijnen needrigen dank betuigd te hebben, thans de Eere hebben met alle respect het hier navolgende te zeggen Heer! VelEdele Agtbaare dat & dat hij na lectuure, en serieuse overweeginge van het door den heer R: O: Eiss„r, ten voorschreeve dage in Judicio overgegeevene schreftuur, ten uitersten ge„ surpreneerd waren dat hij, bij het tweede en derde articul„ van hetzelve geposeerd vond, dat den gedaag„ den bij het schriftuur van antwoord geavou„ eerd hadde, dat hij aan de bij Eischen ant woord gementioneerde ouderofficieren, van het alhier guarnisoen houdende regi= ment van Wurtemberg, uit zijn wijn pak huis een halfaam wijn verkogt had, welke woorden bij den heer r:O: Eiss=r, in een veel ruij„ merzin scheenen begreepen, als den gedaagden die had opgevat, te zijn, „want, bij het schrifteur van antwoord na dat men aan den kant van den gedaagden bona fide hadde genarreerd, de stipte ordres door denselven aan zijn knegt steven van der zoort gegeven spaetlijk daarop neerkomende, dat hij niet zoude doen en hondelen, het gunt bij de wetten wes geprobpeerd, en terwiseen mensch in regten gepresumeerd werd, zodaanig te zijn als hij van natuure behoorde te wezen, te weeten van goede trouwe volgens l, non Exco, 39,c, de Evition glosde glosze E D D in c de legint de presumt en in zijnen staat of beroep opregt en neerst G, 2, C de offic Civiel Judie, l, se quis deas 21 hij gedragden in dat vertrouwen, na zijn hofstede zig begeven had dat de voorschreeve knegt zulx ook schip geobserveert:/ ten minsten beloofd:/ heeft:/ te hebben wart schoon men deezer zijds, wel waar bonae fide avoueerd, dat de knegt een halfaam wijn verkogt hadde, egter in de eersten aanbod zulks heeft gerefuseerd, en geen koop hadde willen sluiten, als onder Conditi dat het was gepermitteerd door een officier dan wel dat het was voor een officier, en in dien zin, had men zeekerlijk geavoud het voorsc: halfaam wijn aan gerepte Gerold als representant van den officier, die men meende koper te zijn in het pakhuis verkog te hebben! des men van de acquiteijt uwer WelEdelens Agtbaare, met grond derft vertrouwen, alzoo in dienzen ook te zijn opgevat! en dat wel op fundament van het bekende ae roma juris, quod unus quisque lst A: est interpres, suorum verbonuns, dat ieder behoud, de uit„ legginge van zijne eigene woorden, aan zig zelfs zoo ook den regter, of raad, van het land, de interpretatie van zijne ordonnantien, en placcaaten R: I: SS: des zal den verweerders, dan verder omme zijn sinceere onschuld, onder het scherpziende oog van deesen WelEdelen Achtbaaren laade, daar te stellen, tot Enervatie, van de bij den geechibeerden conclusie van antwoord, geposeerde middelen reflecteeren! dat hij na resumptie van opgemelde s'heers, R: O: Eiss=rs schriftuur, van repacq, heeft ontwaard dat zijn agtbaare tot adstructie van zijne, bij de ingediende Conclusie van Eisch aangevoerde argumenten, zig hoofdzaakelijk bepaald, tot de volgende gronden; als Primo, dat niet teegenstaande de - wijn, door zijn knegt is verkogt gewor= dens zonder voorkennisse, ofte meede, weezen ofte goedkeuringe, van hem gedaagden, hij al veronderstelde men, dat de knegt gesondigt had, uit hoofde van de betreckinge van den ged: op voorschreeve zijnen knegt, die uit naam ende voor reekening zoo men zegt, van den ged: de wijn negotie hier ter Plaatze - ƒ plaatse waarnem, alles ter pericule van den gedaagden verrigt, zodanig dat hij zelfs er de ucto, door hem kan worden geoble geert, zoo als den heer R:O: Eess=r, met de bij zijn Edelens Agtbaare geciteerde wetten te beweeren„ Secundo, dat den gedaagden, of zijn kneg Steven van der Zarh van de uiterdicte van den 4 maart, een duisend denen honderd agt en teggentig, niet zoude hun nen onkundig zijn, aangezien den gedaagden maar ses maanden na de publicatie, de wijnkoperje heeft begonnen, en zoo men aen den kant van den heer E: F: Eisch zegt op een tijd dat dezelve interdictie nog op alle gewoone plaatsen alhier, te leesen was. den gedaagden moet dan uit de geargumenteerden met grond t ver„ onderstellen, schoon hij had geloofd dat zijne zoo wel gefundeerde, en bij het schriftuur van antwoord onder Correctie, niet mingrondig gedede„ ceerde Justificatie, om alle schijn aan Culpen, zoo ten opzigten van hem ge¬ daagden, als van zijn knegt Steven van der Hart weg teneemen, bij den r: O: Eissr, als overvloedig vol„ doende, zoude geaccepteerd geworden zyn, hij bij dit schriftuur van replicq, in deese B. zijne
English
had seen his well-founded reasoning disappointed, since the Honourable Plaintiff still seems to be of the opinion that the servant Steven van der Hart, and by virtue of his close relation to the original defendant, being in this case his principal, effectively sold the aforementioned half-aam of wine to this non-commissioned officer, and that the defendant thereby incurred the penalties set forth in the cited Interdiction. Yet, Noble and Worshipful Sirs, it shall be permitted to the defendant in his official capacity, who according to honour and duty is bound to advocate and defend the just rights of his client to the best of his ability and knowledge, to reflect with all due respect and fitting decency under the accurate and discerning eye of this most wise and formidable tribunal: First: That the Honourable Ex Officio Plaintiff asserts in the written reply that, the sale of the wines to the non-commissioned officers mentioned in the claim and answer having been admitted by the defendant in the written answer, out of his wine warehouse; That, furthermore, it being beyond dispute that the sale of wine to non-commissioned officers and soldiers of the regiment mentioned in that document is forbidden, as the Honourable Ex Officio Plaintiff has been pleased to set down in the aforementioned written reply from article one up to and including article six, the well-mentioned Honourable Ex Officio Plaintiff could suffice with a simple persistence of the reply, as was stated in article seven. In order to enervate these arguments and annul them entirely, the defendant shall advance that it is true he had admitted in his answer that the purchase had in this manner been refused by his servant Steven van der Hart at the first request of the deponent Gerold mentioned in the answer, for reasons detailed at length therein, but that upon the statement, "I am permitted by an officer," or "it is for an officer to purchase a half-aam of wine," he thereupon concluded the purchase. Thus it is indeed beyond dispute that here in this case, neither directly nor indirectly, has there been any infraction against the interdiction of the fourteenth of March of the year one thousand seven hundred and eighty-eight. For, when one considers what was admitted in the answer, where the aforementioned Gerold said to the aforementioned Steven van der Hart, "it is permitted by an officer," or rather, "it is for an officer," which words, considered and understood in their true meaning, will prove nothing other than that the said Steven van der Hart effectively sold this half-aam of wine to an officer and not to a non-commissioned officer, since this Gerold, as he stated, had received orders from that officer to purchase a half-aam of wine for him, consequently being regarded as nothing other than representing the officer; indeed, in no way can it be said that he acted or proceeded against the prohibition of the aforementioned interdiction. All the less when one remarks that the same is proven here by the own signature of the officer, which on this side the liberty is taken to annex hereto under Number 3 in places, it being apparent to Your Noble and Worshipful Sirs at first glance that the defendant in this respect is completely free of any fault. It is certainly for this reason that the Honourable Ex Officio Plaintiff has mentioned not a single word of that officer, although on this side it was stated in clear terms that the purchase was not concluded until after this emissary, namely Gerold, of that officer had explicitly declared and said, "it is permitted by an officer," and thus all doubt as to whether the defendant had made himself guilty of contravening the Interdiction of the fourteenth of March of the year one thousand seven hundred and eighty-eight must vanish and fall away. To now further corroborate this on unshakable grounds, the defendant will refer to the very words of the Interdiction itself, annexed by the Honourable Ex Officio Plaintiff in his reply, wherein again not the least mention is made of officers, to whom the aforementioned servant Steven van der Hart, as appears under Number 3 in places, actually sold this half-aam of wine. In which case, it can never be proven on good grounds that any, even the slightest, intention to contravene was committed by the aforementioned Van der Hart, much less by the defendant, and thus also, as a natural consequence, he is not subject to the slightest penalty. Herewith also, as is trusted, the question raised by the Honourable Plaintiff in the reply to articles 50 and 51, to whom the said wine was delivered, is answered with the note written in the officer's own hand annexed hereto under Number 3 in places; and Herewith it is trusted that the first and principal part of the Honourable Ex Officio Plaintiff's written reply has been answered with all fitting decency, and thus in response it shall fall away.
Dutch transcription
zijne gegronde denkwijse zig te leur gesteld had gesien, nadien den heer E: E: Eiss=r als nog van begrip schijnt te weesen, dat de knegt Steven van der part en uit de naauwe betreckinge van dezelve, op den origineelen verweerder /: zijnde in dit Cas zijn principaal:/ het voorschreeve halfaam met wijnig aan deeze onderofficier effectief verkogt heeft, en hij gedaagden mits dien, in de bij, de geciteerde Interdictie, gestelde Drenaliteiten, vervallen was dan Edele Agtbaare heeren, het zal den ver= weerder qq die volgens, eer, en pligt, gehou„ den is, het goed regt, van zijn Client, na zijn ver= mogen, en beste kennis, voor te staan, en te verdee„ tigen, geoorloofd zijn: met alle eerbied en gepas„ te decensie, onder het nauwkeurig en scherpziende dog van deese hoogwijzes en gedugte vierschaar te reflee„ steeren E: dat den heer E:O: Ess=r poseerd, bij het schriftuur van replicq, dat door den ged: bij het schrif„ tuur van antwoord, geavoneerd zijnde, de verkoop der wijnen, aan de bij de Conclusie van Eysch en antwoord, gemelde onderofficieren, uit zijn wijnpakhuis dat het daarenboven buiten Contestatie zijnde, het vercoopen van wijn aan onder officieren en soldaaten, van het bij dat schriftuur ge= melde Regiment is verbooden, zoo als ien heer R: O: Eisscher, bij het hier voren gemenkio„ neerde schriftuur van replicq, van articul een tot tot articul des inclusive, heeft gelieven ter neder te stellen, welgem: heer E: O: Cess=r, met een dimpel persistit voor replicq zoude kunnen volstaan, als be„ articul deven werd gesegd.. om deese argumenten te enerceeren, en totaal te annulleeren, zal den gevaagden advanceeren dat hij wel is waar, bij antwoord geavoneerd had de koop in diervoegen door zijn knegt steven van der Hart; op het eerste verzoek van den bij het antwoord gemelde deposant gerold„ om redenen daar bij, in het breeden gedetailleerd had gerefuseert te sluijten, maar dat hy op het zeggen, het is mij gepermitteerd door een officier of het is voor een officier, om een halfaam wijn te koopen, hij daarop de koop geslooten had Contestatie zoo is het immers buiten x. dat alhier in dit Cas, direct, nog indirect — van den veertienden maart tegens de interdictie des Iaars Een duisend, zeven honderd agt en teggentig niet is gepexeerd. want, wanneer men het bij antwoord geavoueerde beschouwd, daar de evengemelde Gerold, aan voorschreeve steven van der Part„ het is gepermitteerd door een officier, dan wel het is voor een officier welke woorden in zijne, waare beteek nis, beschouwd, en opgeval, daar uit niet anders zal konnen werden bewesen, als dat gem: Heven van der Tart, dit haffaam met win, weesent lijk Sub N„o 3 in locis lijk aan een officier, en niet aan een onder offi= cier, heeft verkogt, aangesien deesen Gerold van dien officier, zoo hij deide, ordre bekomen hadden, voor hem een halfaam wijn te koopen, mits„ dien niet anders, als representeerende den officier, kan aengemerkt worden immers in geenen deelen kan gesegd worden, tegens De prohibitie van de voorschreeve interdic„ tie aangegaan, of te gehandeld te hebben te minders wanneer men daarbij aanmerkt, dat hetzelve hier, met de eigen handteekening, van den officier beweesen word: welke men dezerzijds, de vrijheid nemen, onder de ten deesen te annexeeren; zullende uw WelEdelen Agtbaarens, in primo adspecti kunnen apparee„ ren, dat den gedaagden ten deesen opzigten extra omnem Culpamn verseerd het is zeekerlijk daarom dat den heer C: O: Eisscher, geen enkelwoord van dien officier gerept heeft, schoon men dezerzijdsch met klaare woorden heeft gesegt, dat de koop niet eerder geslooten is, dan na dat deesen afgezant /:te weten Gerold:/ van dien officier zig uitdrukkelijk had: gedeclareerd, en gezegd, het is gepermitteerd door een officier en dus zal hier alle twijffel, als of den verweer¬ der aan Contraventie, van de Interdictie van den vierden maart, des jaars, een duisend zeven honderd agt en taggentig, zig had schuldig gemaakt, moeten komen te Evanesceeren, en Corrueeren N„o 3 in lacis N„o 3 in locis om zulx op onwrikbaare gronden nu nader te adstrueeren, zoo zal de verweerder zig refereeren, tot de eigen woorden van de Interdee„ tie, zelve bij den heer E: O: Eisscher, bij replicq, geannexeerd, alweer geen de minste mentie gemaakt word van officieren, aan dewelke voorschreeve kregt steven van der hart blijkens sub dit halfaam wijn eijgentlyk heeft verkogt in hoedaanig geval, nimmer met goed fundament kan beweesen worden, door voorschreeve van der Hart, veel min door den gedaagden, eenige de minste anima Contra„ vierde gecommitteerd te zijn, en dus ook, als een natuurlijke tequeele, in geene de minste poene gehouden zij zullende hier meede, zoo men ver„ trouwd, aan de bij den heer E:E: Eisscher bij replicq op articll 50 en 51 geopperde vrage„ aan wien deselve wijn geleeverd is, met het door dien officier eigenhandig geteekend briefje ten deesen onder sub geannexeerd beantwoord zijn; en hier meede vertrouwd ma de eer¬ ste en voornaamste van 's heers 2: O„ Eijsschers schriftuur van replieq met alle gepaste decentie beantwoord te hebben en zal men dus ter rescontre forrueeren ƒ van £ ƒ : G
English
No 1 Passing on from the first ground, it is observed that the Honorable Officer, the Plaintiff, also does not appear satisfied with what the defendant advanced in his answer regarding this matter, about which the following is said: that the defendant had specifically ordered his servant, steven van der Hart, in his assumed function, not to do what was prohibited by the laws, as appears from the answer annexed; against which the Honorable Officer, the Plaintiff, objects that for further substantiation of the means proposed in the conclusion of the principal claim, he must add something whereby not only (as is argued on the part of the Honorable Officer, the Plaintiff) the defendant's guilt is placed in a clearer daylight, but also his (namely) seemingly justificatory means of answer (as they say) will be weakened, and that this something consists in that, notwithstanding the aforementioned prohibition given by him to his servant, the defendant, because of his close relation to the same who, for the defendant's name and for his account (as they say), manages the wine business here locally, in that relation, representing the person of the defendant, the Honorable Officer, the Plaintiff, maintains that everything he does in his name binds the defendant in all things executed at the defendant's risk, such that the defendant can be bound debito ex delicto through him, as the Honorable Officer, the Plaintiff, attempts to maintain with the laws. The defendant will hereupon, in order to refute what has been objected, advance and submit to the highly wise and equitable judicial judgment, whether the laws cited by the Honorable Officer, the Plaintiff, must not be understood with distinction, as it is certain that those laws entirely do not say what the Honorable Officer, the Plaintiff, seems to have understood in this case, upon which to found his assertion. For, Honorable and Worshipful Lords, these laws cited by the Honorable Officer, the Plaintiff, only relate to enormous crimes, where in that relationship the defendant is proven to have had an instigating deceit, and not in this case. For, Honorable and Worshipful Lords, otherwise it is not conceivable upon what grounds those legal scholars maintain that reason is the soul of all laws, yea, that it is itself a law, Regula Iuris, for according to civil law in all matters, principally in law, equity is to be observed, Regula Iuris 83. When one now considers that the defendant ordered his servant, as said here before, upon what foundation shall he then, by his own act, bind the defendant, who specifically ordered him not to act against the laws, since the laws presume every person capable, of good faith in his state and profession, upright and diligent, see Merula, Manner of Proceeding, book 11, chapter [illegible], page 606. If this is so, Right Honorable and Worshipful Lords, then it is beyond contestation that if any contravention were proven here (which is denied), then not the defendant, but on the contrary his servant steven van der Hart, who was demonstrated by the defendant to have acted against the order given to him, would notoriously be liable, and not the defendant; for the reasons which the Honorable Officer, the Plaintiff, gives for this, that the defendant ought to have taken care that he placed such persons in his stead who understood their duty, according to the just-alleged presumptions must directly fall away. Indeed, the civil law directly contradicts such opinions, the well-known axioms of law saying very specifically, every person's act or deed harms himself, Regula Iuris 139, as is also contained within reason itself! It is for that reason that the laws themselves very specifically say that one person's act should not be harmful to another, lex de pupillo, si plurimum, de operibus novi nuntiationis. And although the Honorable Officer, the Plaintiff, thinks grounds are not lacking to argue that the master is obliged to atone for the guilt of his subordinate in matters concerning his profession, here again distinction must be made: that a misdemeanor is committed in two ways, either through deceit alone, or also through negligence! Through deceit it is said to be committed intentionally, knowingly and willingly: paragraph 7, Institutes de obligationibus quae ex delicto nascuntur; book 3, Digest de iniuriis, paragraph ultimum, Digest de obligationibus, lex 1, etc.; that here, neither through the servant steven van der Hart, and still less through the defendant, any offense was committed, as little through deceit as through negligence, appears from this: No 3 in locos that he, steven van der Hart, upon the first request, refused to sell the half-aam of wine, and being informed by the representative of the buyer that it was permitted by the officer, or that it was for an officer, concluded the purchase upon that condition, as appears from the subjoined documents; then it is incontestable that in this entire case nothing was transgressed either through deceit or through negligence; unless the Honorable Officer, the Plaintiff, should please to object that in giving credit to the buyer, the aforementioned servant, steven van der Hart, sinned. To remove this difficulty, it will then again be advanced on this side that by this giving of credit to the court messenger, being a person of honor and probity, at least reputed as such by everyone according to the principles of our law (under correction), in that case on the part of the aforesaid servant, it can never be said, either directly or indirectly, that any negligence or guilt occurred.
Dutch transcription
N=o 1 van den eersten grond overgaande reflecteerenn dat der heer E: d: Eisscher, al meede niet voldaan schijnt, over des gedaagden bij antwoord geadvanceerde, daar nopens. dit zuget gesegd wordt; dat den gedaagden aan zijn knegt steven van der Hart, wel spaecialijk had gelast omme in zyn aangenoome fictie, niet te doen het gunt bij de wetten was ge„ prohebeerd, blijkens sul het antwoord annex waartegens den heer E: O: Eisscher ob= jecteerd, desweegen tot nader adstructie, van de bij Conclusie van ward eisch gepa seerde middelen, iets te moeten bijvoegen, waar niet alleen /:zoo men aan den kant van den heer E: O: Eisscher argumen= teerd:/ des gedaagdens schuld in een klaarder dag licht gesteld maar ook deszelfs /:nempe:/ in schijn Justificatoire middelen van antwoord (:zoo men zegt geënerveerd zullen worden en dat iets bestaat dan daar in dat niet teegenstaande het evengemelde verbod„ door hem aan zijn knegt gedaen, den gedaagden, overmits de naam we betreckinge van hem, op deselve die voor zijns gedaagdens naam, en voor zijn zijn reekening /:zoo men zegt:/ de wij negotie hier ter plaatse waarneemd in die relatie, den persoon van den gedaagden, sustineerd den heer E: O: Eisscher dat al het geene, hij uit zijn naam doe verbind in alles ten vericule van den gedaagden verrigt, zoodaanig dat de gedaagden debfis, er de licto, door hem ken worden geobliceerd zoo als den heer E: A: Eisscher, met de wetten te weeren tragt den verweerder zal hierop tot Enerratie van het geobjecteerden, ten advanceeren, en aan het hoogwij en acquitabel arbitrium Judica stellen, of de bij den heer E: O: Eisscher geciteerde wetten, niet met distinctie moeten verstaan worden, daar het ze is, dat die wetten aa vol uit niet leggen, als den heer Z: A: Eisscher in dit Cas schijnt opgevat te hebben, om zijn zustinue daarop te faudeeren. want Edele Agtbaare Leeren dat deese bij den heer Z: O: Eisschen geciteerde wetten, alleen zijn relatie hebben tot bnorme misdaaden, alwaar den gedaagden in die betrecking, een aanraedende irgelist beweesen word plaats te hebben, en niet in dit Cas want Edele Agtbaare heeren anders is het niet te be„ grijpen, op wat gronden, die regts„ geleerden staande houden, dat de reden de ziel van alle wetten, Ia dat ze zelve een wet zij, R I want volgens 't burgerregt in alle saaken, principalijk in regten, staat de billijkheid in te zien. R:S: 83 wanneer men nu reflecteerd dat den gedaagden zijn knegt belaat, als hier vooren gesegd, op wat funda ment zal hij dan, door zijn eijge daad„ den gedaagden verbinden, die hem spaecialijk heeft belast, niet tegen de wetten te handelen, daar de wetten een ijder mensch pre„ sumeeren, bekwaam van goede trouw trouw, in zijn staat, en beroep, op reg en neerstig, redetur Mezula, me nier van procedeeren lib 11 Cap pag 606:. Is dit nu zoo, WelEdele Agtbaaren zeeren, dan is het buiten Contestatie dat indien hier al eenige Contraventie „was beweezen, /: als heen, :/ dat dan niet den gedaagden, maar in teegendeel zijn knegt steven van der zart die bij den gedaagden werd getoond en daar tegen de hem gegevene laat was aangegaan, notoir aanspree„ kelijk zoude zijn, en met den ge„ daagden mant, de redenen die den heer E: O: Eisscher daarvan opgeeft dat den gedaagden behoorden te zorgen, dat hij zodaanige verrac„ nen in zijn plaatsstelde, welke hun pligt verstonden, volgens de even geallegueerde presumptien direct moeten komen te vervallen Immers, het burgerregt, zodanigen gevoelens, direct Contradiceerd, zeggende de bekende abioina guris, wel &pae„ aal cialijk, een ijders daad, of feijt, schaad zig zel„ ve: R: I: 139, gelijk het in de reeden ook zelfs opgeslooten legt! het is daarom dat de wetten zelve, wel spaecialijk zeggen, dat des eenen daad, den anderen niet schadelijk zij, l. de pupillo si phirmum de oper hos nune Ee afschoven den heer E: O: Eisscher degt, het aan geen gronden te ontbree„ ken, om te beloogen, dat de meester verpligt zij, de schuld van zijn onderhoo„ rige, in zaaken zijn beroep betreffende te boeten, zoo staat hier al weederom te distinqueeren! dat een misdaad begaan werd op tweederlei wijse, of door ergelistigheid alleen, dan meede door versuim! door argelestigheid zegt men dat ze begaan word voordagtelyk, willens en weetens: 1: 7, Instit de obligat quae ex delicto nase b. 3, D, de ingur G,,, s, ult D de abig I, 1 enz: dat hier nu, nog door de knegt steven van der Hart, en nog minder door den gedaagden; zoo min arglistig, als door ver„ Luum N„o 3 in loces suin, misdaan is blijkt daaruit dat hij steven van der Lart, op het eerste verzoek, heeft gewijgerd het halfaam wijn te verkoopen, en door den repredentant des kopers onderrigt zijnde, dat het gepa mitteerd was, door den officier, dan wel, dat het was voor een officier, op die voorwaar de koopsluit, blykens zub, dan is het incon„ testabel, dat in dit gantsche geval nog door arglistigheid, nog door versuim is gepexeerd d: ten waare, den heer E: O: Eisscher geliefde te objecteeren, dat door 't geven van Credit aan den Koper, door de kweef gemelde knegt, steven van de hart, ge„ sondigt was om deese dwarigheid weg te neemen zal men deser zijdsch, dan al weederom advanceeren, dat door dit geven van Credit, aan geregte gerold, zijnde een persoons van Eer, en probiteijt, ten minsten, daar voor bij een ieder gerepu teerd, volgens de gronden van ons regt /:onder Correctie:/ nimmer in dat Cas aan de kant van voorschreeve knegt, nog direct nog indirect kan gesegd worden eenig versuijm of schuld plaats te heb„ ben gehad
English
and if one wished, with all due respect, to maintain this strongly and firmly; nevertheless, the defendant cannot be held liable for it, having forbidden his servant to do anything prohibited by law, and thus the intention to commit a violation cannot be presumed to have existed in him, in which respect one is confident in stating on good grounds that the defendant in this case is entirely without guilt, and no wonder, for it is the soul that sins, and not the body; where there has been no intent, there is also no guilt, as the law holds; not the outcome of events, but the designs of men are punished, Cicero, Pro Milone; which opinion the Emperor Hadrian, wishing to express in law 14, writes that in evil deeds, one looks at the intention and not at the outcome thereof. Probably on that ground, because if the laws cited by the honorable plaintiff were to be understood as generally as His Honorable Worship seems strongly and firmly to maintain, it would be unfortunate for a resident who bona fide must employ others in their service for good payment, since to such a person the law would thereby be given to make depend upon the arbitrary conduct of the same the loss of honor and esteem, nay, the total ruin of all honest residents. To what extent this can be reconciled with reason, the defendant will leave to the equitable and more enlightened judgment of Your Honorable Worships, without it being further necessary, although the defendant does not lack material for it, to expatiate more broadly on this. He will now, for the sake of completeness, proceed to the consideration of the second ground, although the same has been entirely annulled by what was deduced by the gentleman, where the honorable plaintiff states in articles 38 and 39 that the defendant began the wine business only six months after the publication of the aforementioned interdict, and thus at a time when the same was still to be read in all usual places here, and that it would be absurdity itself to consider the defendant ignorant of all laws and provisions, and that this would be the consequence of what was posited in the answer, the honorable plaintiff referring to the declarations submitted in the reply. To that, the defendant will for now only advance that such far-fetched arguments, superficially considered, may indeed offer some appearance of rendering the defendant's ignorance illusory, but when the same are examined somewhat more deeply and considered with attention, they will immediately fall away. For in the first place, who indeed is unaware that such publications are often, within six weeks, either torn down or covered over with other notices, advertisements, or other papers, and rendered entirely illegible, so that notwithstanding all efforts made, one must remain deprived of knowledge thereof? And thus one could say with better foundation that it would not only be absurd, but also directly contrary to sound reason and equity, saving your reverence, that one should prosecute the defendant, whose servant conditionally sold an anker of wine to the deponent Gerold, as agent of the actual buyer, provided that it was permitted by an officer, or that it was for an officer, as it also evidently truly was. And this serves as a powerful and valid argument for the innocence of the defendant, whom one would nonetheless wish to convict of a contravention of the law, in which no mention of officers is made. Which then, as a natural consequence, in the future must place the officers of the aforementioned regiment, nay even their chief, beyond all credit, although the honorable plaintiff refers to that end to the declarations submitted in the reply, the same being unable to come into the slightest consideration as having not the least relation to this case, since such declarations cannot be applicable in the subject case. To demonstrate this somewhat more closely, it should be reflected that a witness is properly called the one who makes known before the court that which he knows of the truth of a matter that has taken place; now it is beyond dispute that the aforementioned deponents know nothing whatsoever to say about the case in question, whose depositions given concerning an entirely different case and given in very obscure terms, relate to what is entirely unknown to the defendant, since in those pretended declarations it is only testified that the deponents heard that the citizen Daniel Hugo had addressed a servant of the fellow citizen Jan de Villiers, Jan Pieterzoon, saying that he was smuggling, without naming the pretended servant or specifying his capacity, or being able to determine day or date. A fine pretext truly, of a cunning tax farmer, who, when he is self-interested enough to hold someone suspect, can adopt the means of merely sending out one of his creatures who can be used in such dealings, and then, with witnesses, taking as it were a walk, addressing the same about his imagined smuggling, who then only need to recite their assigned lesson in the presence of such witnesses in order to have decent people punished as smugglers, what sort
Dutch transcription
en indien men zulx, S: R: forte et ferme wilde sustineeren; kan egter den gedaagden, daar voor niet aangesprooken worden &, die aan zijn knegt verbooden had, om niets te doen, dat bij de wetten was geprohibeerd, en dus in hem, niet kan veron dersteld worden, de wil om een overtreeding te begaan, plaats gehad te hebben ten welken respecten men vertrouwd met goed fundament te mogen zeggen, dat den ge daagden in dit geval is, buiten alle schulde en geen wonder, want de ziel is het die zondigt, en met het Ligchaam, daar geen toeleg is geweest, daar is ook geen schuld; lis„ Leb 't; de uitkomst van saaken worden net maar wel de aanslagen der menschen ge„ straft, Cic: pro Melon welk gevoelen, den keij= ter zadhianus, willende uitdrucken in l14 eva zoo schrijft hij, dat er in de kwaade daden op de wel, en niet op den uitslag derselven, gesien word. waarschijnlijk op dien grond, om dat het; indien de bij den heer E: E: Eiss=r geciteerde wetten, zoo generaal moeste werden opgevat, als dezelven zijn Edelens Agtbaare, forte et ferme schijnt te sustineeren; het ongelukkig zoude zijn voor een ingesetene die bone fede anderen 6 1 ƒ anderen, in hunne dienste, voor goede betaalinge moeten emploijeeren, na dien aan den zodaanigen, daar door den wet zoude werden gegeven omme van de willekeurige handelwijse van deselve te doen dependeeren, het verlies van eer en agting, Ja de totaale ruine, van alle braave in geseetenen In haer verre nu zulx met de ree„ denen kan bestaan, zal den vermeerder„ aan het acquitabel en meer verligte oordeel, uwer welEdelens agtbaarens, overlaaten, zonder dat het verder nodig zal zijn; hoe wel den verweerden daar toe geen stoffe ontbreken; hier over breeder uit te werden, zal hij ten overvlde de nu, ter bespiegeling der tweede grond schoon dezelve, door de het heer woonen¬ gededuceerde, ten eenemaal is geannut¬ leerd toe treeden alwaar den heer E: O: Eers bij articul 38 en 39: paseerd dat den gedaagden maar des maanden na het publiceeren, van de voorschreeve interdictie, de wijnkoperje begonnen, en dus op een tijd dat de¬ zelve nog, op alle gewoone plaatzen alhier te leezen wel dat het de ongerijmdheid zelve zijn : : . : : 1 ƒ . zijn zoude, den gedaagden onkundig te houden, van alle wetten en bepaalingen. dat daar van 't gevolg zijn zoude, van het bij antwoord geposeerde, betreckende den heer E: O Eusscher zig op de verclaringen bij replicq overgelegd. daarop zal den verweerder, maar voor eerst advanceeren, dat zoodaanige verregesogte arguinen„ ten, oppervlakkig beschouwd, wel eenig schijn opleeveren, om„ me des gedaagdens ignorantie, illusuur te maaken, dan wan neer dezelve wat dieper ingezien en met attentie beschouwd worden, direct zal komen te vervallen. want in de eerste plaats, wie dog is onbekend, dat zodaanige publicatien, niet zom tijds binnen zes weeken, of verscheurd, of met andere billeetten advertissementen, of anderen overdekt, en ten ee„ nemaal onleesbaar gemaakt worden zoodaanig dat men niet teegenstaande alle aangewen„ de devoire, van derzelve kennis moet verstee ken blijven, en dus zoude men met beter funda„ ment konnen zeggen, dat het niet alleen de on gerijmdheid, maar ook direct tegens de gesonde reeden en billijkheid /: salva reverentia :/ strijdende zoude zijn, dat men den gedaagden, wiens knegt aan den deposant Gerold, als Commissionaires van den Esdentieele koper, Conditioneelijk een halfaam wijn verkoopt, mits dat het was gepermitteerd, door een officier, dan wel dat het was voor een officier, gelyk het ook blijkens wezentlijk was En dit opereerd een kragtig en val„ label argument, tot onschuld van den gedaagden die men des niet tegenstaande, een Con„ traventie tronventie, van de wet, waarbij van geen of„ ficieren mentie gemaakt word, zoude willen ee„ tredeeren. het welk dan als een natuurlijke zequeele, in het vervolg de officieren, van het voorschreeve regiment, ja zelf hun Chef buiten alle Credit zoude moeten stellen schoop den heer R:O: Eisscher zig ten dien einde betrekt, op de bij replicq overgelegde verclaa ringen, kunnende deselve, als tot dit geval geen de minste retatie hebbende, in geen de mind Consideratie koomen; aangesien zodaanige ver claaringen, in Cassubject niet te passe ko„ men kan! omme dit nu nog wat nader te betoogen diend gereflecteerd, dat een getuige eigentlijk gesegd word, die geen, dewelke het geen, hij van de waarheid van een verrigte zaak weet, voor het gerigt te kennen geeft; nu is het buiten Contestatie dat de voorschreeve deposanten, van het geval in quaestie, niets hoe genaamd te zeg„ gen weeten, welker gegeeven depositi tot een heel ander geval, en in zeer abseu te termen gegeeven, specteerd den gedaag„ den, ten eenemaal onbekend nadien bij die pretense versl ringen ringen, alleen werd getuigd, dat de deposanten gehoord hebben, dat den burger Daniel Hugd, een knegt van der meede burger Jan de Villiers Jan Pieterzoon had aangesprooken dat hij smokkelde, zonder nonu„ natem de pretenzen knegt nog ook zijn qualiteid, op te geeven, of dag of datum te konnen bepaalen Een schoon pretext waar„ lijk, van een gepolitiseerden pagter die, wanneer hij baatzugtig genoeg iemand verdagt houd, de middelen kan bij de hand neemen, slegts een zijner Creatuuren die men in soortgelijke handelingen kan gebruiken, af te zenden, en dan met getuigen, /:guasie:/ een wandering gaan doen; dezelve over zijn geemagineerde smokkelaarij aan te spreeken, die dan slegts hun gegeeven lisje in praesentie van zo„ daanige getuigen, behoeven op te zeggen om fatzoenelijke lieden, als smok kelaars te doen Corrigeeren, hoedaa inge
English
some testimonies were rejected in law, see Merula, Manier van procedeeren, book II, chapter V, number 2. Wherefore the conclusion of the plaintiff in his official capacity must also vanish. With this, this document will conclude, since the matter in question has been placed in its full truth, and one does not doubt that it will have appeared to your Honors, through what is narrated herein, clearer than light itself, that in this case nothing has been perpetrated by the defendant with deceit or malice, and that on this account he is beyond all blame. Wherefore the defendant, relying on the equity residing in the hearts of your Honors, will make not the least difficulty in denying the conclusion of claim of the plaintiff in his official capacity, with costs. By reason of which and other grounds and means, it is not necessary to deduce further, the defendant, denying generally as well as specially all that has already been or may further be presented by the plaintiff in his official capacity, consequently rejecting all the means set down in the conclusion of claim by express denial, impertinence, and irrelevance, and reserving to himself all further competence of law, will persist in his well-founded counter-conclusion for duplique. Below stood: Imploring hereunto and on all things your Honors' noble and benign judicial office. Was signed: J. van Leeuwen. In the margin: Exhibited in court on 24 December 1789. I beg you Gerold to do me the pleasure of buying for me a half-aam of wine from Mr. van der Haard who lives next to the drum major of the Cordon. Was signed: de Bobenhausen, Lieutenant. In the margin: 23 September 1789. Thursday 21 January 1790 In the morning, present the Honorable Johannes Isaak Rhenius, president, and all the members except the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, and Messrs. Bonnenkamp, Maardorp, van der Riet, and Gie, the first four mentioned due to indisposition and the last due to other business. The Honorable Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, in his official capacity, right, against the former heemraad of Stellenbosch and Drakenstein, the Honorable Jan de Villiers, J.P.son, to hear renunciation of further production. The deputy fiscal Mr. Jan Andreas Truter, on account of the indisposition of the plaintiff in his official capacity, advanced orally that four weeks ago today the plaintiff in his official capacity had requested and also obtained a copy of the document of duplique submitted in this council by the defendant, with the intention to serve further upon it if necessary; but that the plaintiff in his official capacity had observed nothing in the said document whereby he could consider himself obliged to trouble this Honorable Council with further writings, since in the duplique there was only produced a note written by the lieutenant of the Regiment of Württemberg stationed here in garrison, Bobenhausen, to the sergeant of the same regiment, Gerold, whereby the latter is requested to buy a half-aam of wine from the defendant, note well, for him, Bobenhausen; which note must either be notoriously false, or speak of a completely different case, because the depositions produced, both on the part of the defendant and of the plaintiff in his official capacity, make not the least mention of wine bought for Lieutenant Bobenhausen, but only speak of a half-aam of wine that the deponents, non-commissioned officers of Württemberg, purchased for their own use and in the name of the aforesaid Sergeant Gerold in the warehouse of the defendant. That the plaintiff in his official capacity, trusting that this apt reflection will not escape the customary attention of the council in judging, for that reason now renounces further production. The burgher Jacobus van Leeuwen, as representative of the defendant, said in reply that he had shown in his answer that a misunderstanding must have taken place between the servant of Villiers and the soldiers or sergeant of Württemberg, and that although it may well be that the note speaks of another case, the officer nevertheless remains bound to prove his assertion regarding the falsehood of that note on the spot; further also renouncing further productions. The Council keeps this matter under advisement for reading, with the depositions submitted herein to be recollected and sworn as far as possible beforehand. Below stood: At the Cape of Good Hope, day and year as above. Lower: In my presence, and signed: W. S. van Rijneveld, secretary. Still lower: Agrees. Signed: Darnspek, sworn clerk. Agrees. Tarnspek, Sworn Clerk. f 1 Copy. Criminal claim and conclusion made and delivered to the Honorable President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of the Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steven van Lynden, prosecutor in a criminal case, on the one part, against Pieter Zinkes, currently the lord's prisoner and defendant in the aforesaid case, on the other part. In justification of which criminal claim and conclusion, the plaintiff in his official capacity declared in accordance with the truth: 2: That the plaintiff in his official capacity, having received information in the month of February last, 3: that the prisoner and defendant maintained at his residence, called Bosheuwel, situated at the vineyards, some Mozambican slaves brought ashore from a French ship and deserted, 4: sent to the residence of the prisoner and defendant, to discover this, the second court messenger, assisted by the deputy sheriff Hendrik Matthijser, 5: that G No 6 1 E
Dutch transcription
nige getuigenissen in regten werden gereprobeerd, vid merula manier van procedeeren lib 11 CapV N„o 2 Waarmeede dan ook des heers 7: O: Eisschers gevolgtrecking, moet komen te evanesceeren. hiermeede sal dit schriftuur fi„ neeren, nadien men het quaestieuse geval in zijn volle waarheid heeft gesteld, en men niet twijffeld, of het zal uw welk„ delens Agtbaare, door het hierinne genar„ reerde, ad oculum suce Clarius gecon„ steerd hebben, dat er door den gedaag„ den in dit Cas, nihil dole, nihil mali„ is geperpetreerd, en dat hij diesweegens extra omnem eulpam verseerd. weshalven den gedaagden op de acquiteid, die in de harten uwer welhde¬ lem Agtbaarens recideeren, geen de min„ ste zwarigheid zullen maaken, des heere R: O: Eisschers Conclusie van Eisch te ontreg„ gen, Cum expensis. Mits welke en andere reedenen en middelen, is het nood nader te deducee ren ren, den gedaagden, ontken„ nende, zoo generaalijk als spacciaalijk, alle het geene bij den heer E: O: Eisscher reeds is; of, in het vervolg„ nog kan of mag werden voorge„ steld, mitsdien afslaande alle de middelen, bij Con„ clusie van Eisch ter nederge„ steld bij expresse denegatie, impertinentie en irrelevantie, en zig alle verdere Compe„ tentia Juris reserveerende bij zijn wel gefundeerde Contra Conclusie zal bly„ ven persisteeren voor daplicq /:onderstond:/ Imporeerende hier toe en op alles, uwel Ed=s Agtbaare nobile ac benignum judicis offictum /:was geteekend:/ J: van Leeuwen /:in margine:/ Exhibitum in Indico den 24 december 1789:/ Je vous prie Gerold de me faire le plaisir d'a„ Pieter peur moi un halfaam devin cher M:n van der haard qui demeure a coté du tombour major de Cordon: /: was geteekend:/ de Bobenhuisen Lieutenant /: in margine:/ le 23 7bre „o. 89 Donderdag den 21 Iann: 1790 's voordemiddags praesent de E Acttb: heer Johannas Isaak Phenilis, praesident en alle de Leeden demplis den E Agtb: heer Independent Fiscaal, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, en de heeren Bonnenkamp, Maar dorp, van der Riet, en Gie, de vier eerstgem: bij indes„ positie en de laatste bij occupatie De E Achtb: heer Independent fis„ den adjunct fiscaal M„r Jan Andreas caal deses gouvernements, Johan Nica„ Fruter vermits indispositie van laassteven van zijnden R:O: regt den heer R: O: Eisscher advanceert bij monde dat de E: O: Eisscher Contra heeden voor vier weeken verzogt en ook geobtineert had Copia van den oud heemraad aan stellenboch het door den ged=e in deesen raade en Drakenstein de E Jan de Villiers ingediend schriftuur van Duplicq„ I: P: Z: omme te horen renuntie met intentie om des noods daarop ren van verdere productie verder te dienen; doch dat de R: O: Eisscher bij hetzelve schriftuur niets had ontwaard, waardoor hij dig zou kunnen verpligt reekenen, om deesen Edelen Achtbe raade, met verdere schrift uuren lastig te vallen als zijnde bij duplicg alleenlijk geproduceert, een briefje, geschreeven door den Luijtenand van het alhier guarnisoen houdend Regiment van Wurtemberg Bobenhausen aan den sergeant van 't zelve regiment, Geroed waarbij deese versogt word een holfaam wijn bij den ged: NB voor hem Bobenhausen te koopen; welk briefje of notoir valsch zijn, of van een gantsch ander geval spreeken moet om dat de verclaaringen, zoo wel aan de zijde van den ged: als den E: O: Eisscher geproduceerd, geene de minste mentie maaken„ van wijn voor den Luijteprant Bobenhausen gekogt, maar alleen spreeken van een halfaam wijn, die de deposanten onder of„ ficieren E ficieren van Wustemberg voor hun eijgen gebruijk en op naam van voorsch sergeant Gerold in het pakhuis van den ged=e hebben ingeslagen. — Dat de E: O: Eisscher vertrouwende, dat deze gepaste reflectie, de gewoone attentie des raads in Indieande, niet zal kunnen echappeeren„ uit dien hoofde thans van verdere productie renuntieert. De Burger Jacobus van Leeuwen, als gem: van den ged. e zeijt daarop bij zijn antwoord te hebben aangetoond, dat er tusschen de knegt van Villiers en de soldaaten of sergeant van Wurtemberg een misverstand moet hebben plaats gehad, En dat schoon 't wel zijn kan dat 't briefje van een ander geval spreekt, de heer officier egter gehouden blijft, om zijn geposeerde nopens de valsheid van dat briefje stante pede„ te bewijsen:— renuntieerende voorts meede van verdere productien De Raad houd deze zaak ter ronsleezing in advijs, zullende alvoorens de hier innege„ diend hebbende verclaeringen, zo veel doen„ lijk worden gerecolleerd ende beeedigd /: onderstond:/ Aan Cabo de goede hoop diset anno ut eupra /:lager:/ Mij praesent:/ en geteekend:/ W: S: V: Riijneveld secret=s /:nog lager:/ Accordeerd:/ /:geteekend:/ Darnspek gew: Clercq Accordeert Tarnspek Dehr Clercq ƒ 1 Aloƒ Crimineele Eisch ende concurie gedaan maaken, en aan de WelEdele achtbaare heeren praesident en raa„ den van Iustitie des Casteels de goede hoop overgegeeven door ende van weegens den Jndepen„ dent fiscaal dezes gouvernements Johan Nicolaas Steven van Lynden, z: O: Ass„s in cas cue„ mineel ter eenre Pieter Zinkes thans 's heeren gev: en ged: in 't voorsz: cas ter andere zijde Tot justificatie van welken crimineelen Eischende conclusie de R: O: Eiss=r conform de waarheid dede zeggen 2: dat de 2: 0: Ess=r in de maand Februarij I:l: in kennisse bekomen hebbende 3 dat de gev: en ged: op deszelfs woonplaats, gen„t Bosheuwel gelegen aan de wijnbergen eenige van een fransch schip aan Land gebragte en opgedroste mosam= biekse slaven onderhield 4: ter ontdekking hier van naa de woonplaats van de gev: en gem: heeft gezonden, den tweeden ger: bode geadsisteerd met den onderschoud Hendrik Matthijser contra 5dat G No 6 1 E
English
that having arrived at the aforesaid place of the questioned person and having asked the accused and imprisoned whether five Mozambique slaves were also being harbored by him, the imprisoned and accused person had at first attempted to deny this, but later fully admitted it, yea, had even pointed out a place in the woods near the house where he had hidden the slaves, from which they were then also removed, subsequently transported towards the Cape, and restored to their master, who was on the point of departure. That furthermore, since statutory laws as well as the written laws in the present case demanded a corporal punishment, the Officer Prosecutor addressed Your Honors on 18 March of the current year, to take the imprisoned and accused person into criminal custody; that the Officer Prosecutor, having caused this to be executed immediately by the undersheriff Hendrik Matthijsen in a very gentle manner, subsequently examined the imprisoned and accused person, and further gathered those pieces of information which he, in his capacity, judged necessary to demonstrate the questioned, imprisoned, and accused person's guilt or innocence; on the basis of which information and answers the Officer Prosecutor will now briefly examine: 1st, whether strange slaves were indeed harbored on the place of the imprisoned and accused person named Bosheuvel; 2nd, whether the imprisoned and accused person harbored them; 3rd, whether this was done with any intention prohibited by the civil law; that is, whether the imprisoned and accused person had the animus delinquendi and acted dolo malo; 4th, whereby it will be examined whether there are also circumstances militating in favor of the innocence of the imprisoned and accused person; 5th, while the Officer Prosecutor will finally test the act against the laws, and from that will endeavor to determine the proportionate punishment. Your Honors will find the affirmative of the first point most clearly verified, both in the answers given by the imprisoned and accused person to the interrogatories put to him, annexed hereto under letters E and I, see the answers to articles 1, 8, 9, 10, and 11 of the first and to articles 14, 15, and 16 of the further interrogation, as well as in the report of the second court messenger under letter, together with the further declarations annexed hereto under letters F, G, and H; from all which documents it will appear to Your Honors that the imprisoned and accused person, in the month of February of the current year, harbored five Mozambique slaves, who according to his statement had come to his place of their own accord, during the time of about 8 days, lodging them first in a small room near his cargo mill, and subsequently in the woods on his place; so that the assertion of the first point being confessed, the Officer Prosecutor can safely proceed to the examination of the second, namely, whether the imprisoned and accused person harbored the slaves in question. At his first examination at articles 8, 9, 10, and 11, the imprisoned and accused person stated in so many words that he gave food to the five Mozambique slaves who came to his place, that he had them brought to the woods, and that he maintained them for an estimated week by sending bread; and at the further examination he answered at article 9 that he told the five Mozambique slaves that they had to stay with him until the other slaves, whom the imprisoned and accused person claims to have learned about, should have joined them; with which confession, in so far as the harboring of the slaves is concerned, the depositions of the slaves of the imprisoned and accused person, Februarij of the Cape, September, and Mariana of Mozambique, annexed hereto under letters F and G, fully agree. The Officer Prosecutor can therefore, also with regard to the second point, safely refer to these pieces of evidence, not doubting that Your Honors will find the same fully confirmed therein, and will hold yourselves convinced that the imprisoned and accused person indeed harbored the aforesaid five Mozambique slaves in this instance. Yet of greater difficulty, or at least of a longer discussion, is the third point, or the inquiry whether and to what extent the imprisoned and accused person can be said to have acted deceitfully and with any intention prohibited by the civil law. It is not enough, Honorable Lords, that one or another act has been committed, that for example someone was killed, but it must appear at the same time that the perpetrator had a design and intention to deprive his fellow man of life, or was inspired with some other evil design, according to the nature of the committed offense; and such design must be proved by him who alleges the same, doceri enim debet dolus ab eo qui dolo aliquid factum esse dicit, L. 18, § 1, ff. de probat. Yet this must not be understood in such a way as if one would always be obliged to prove precisely by two concurring witnesses beyond all exception that the perpetrator acted deceitfully; for if one wished to adopt this legal doctrine, hitherto unheard of, then the gravest crimes could often be committed with impunity, and the greatest malefactors would have to be acquitted, since the evil designs of men for the most part remain concealed in their innermost being, and are only very seldom brought to light by their own confession. However,
Dutch transcription
5. dat deze op des gevr: en gem: plaats gekomen zynde en aan den ged: en gev: gevraagt hebbende, &f er ook bij hem vyf mosambiekse slaven wierden opgehouden de gev: en ged: zulks eerst had trachten te ontkennen doch naderhand volkomen gearviceerd ja zelfs diet bij het huis in de bosschen een plaats aangeweesen had; daar hij de slaven had verborgen 8 zoo als dezelve dan ook daaruit gehaald vervolgens Caabwaards getransporteerd g en aan derzelver lijfheer, die op zijn vertreklag zijn gerestitueerd geworden. 10 Dat de E: O: Eisc„r voorts, aangezien de statutaire wetten, zo wel als de beschreeven regten, in cas subjeet eene corporeele straffe quamen te vorderen zich op den 18 maart I: C: aan UEE Achtb: heeft geaddresdeerd 12 omme den gev: en ged: te neemen in crimineele apprehensie 13 dat de E: O: Eissr dit direct terstond door den onder„ schout hendrik Matthijsen, op eene veerzagte wijze hebbende doen executeeren 74 vervolgens den gev: en ged: heeft g'examineerd, en ver„ der ingewonnen die informatien 15 welke hij in zijn qualiteid tot betoog van des. gevr: 7 1 gev: en ged schuld of onschuld noodzaakelijk heeft geoordeeld 16 op grond van welke informatien en respinairen de Z: O: Eiss„r thans kortelijk zal onderzoeken 17 1„o of er weezentlijk vreemde slaven op des gev: en ged: „plaats gen„t Bosheuvel zijn opgehouden 18 2„o of de gev: en ged: dezelve heeft opgehouwen 19 3„o af zulx geschied is met eenig bij deciviele wet „geprohibeerd voorneemen; dat is ov de gev: en ged: „heeft gehad animuum delinquende en dolo male heeft „gehandeld 20 h„o waarbij zal worden onderzocht of er ook omstan„ „digheeden voor des gev: en ged: innocentie militeeren 21 5„ terwijl de E: O: Eiss„r eindelyk het factum aan „ de wetten toekzen, en daar uit de geevenreedigde „xtraffe zal trachten te bepaalen 22 de affirmative van het eerste poinct zullen UEE Achtb: den klaarsten geverifieerd vinden 23 zoo wel in de door den gev: en ged: gegeeven res„ ponsiven op de aan hem voorgestelde vraagpoinc„ ten, hierneeven zul L„ts Een I gevoegd 24 vid: de responsiven ad art: I: 8. 9: 1tr N=o 170 en 11 van 't eerste en ad. art: 14. 15. en 16 van 't nader ver„ hoor 25 als in het relaas van den tweeden ger: bodde sub L„a 26 mitsgaders de verdere hier neevensub t is F. G en H6 gevoegde verclaaringen. 27 uit alle welke stukken van UEE Achtb: zal blijken 28 dat de gev: en ged: in de maand februarij, J: C: vyf mosambiekse slaven 29 die volgens zijn seggen van zelve op zijn plaats ge„ komen waaren 30 geduurende den tijd van circa 8 dagen, heeft op„ gehouden 31 dezelven eerst in een kamertje bij zijn last„ moolen 32 en vervolgens in de bosschen op zijn plaats herbergende 33 zo dat de assertie van 't eerste poinct in confesso zynde, de r: O: Eiss=r gerustelijk kan overstappen tot onderzoek van het tweede 34 of nam: de gev: en ged: de slaven in quaestie heeft opgehouden! 35 bij zijn eerste verhoor ad art: 8. 9: 10. en 1t heeft de gev: en ged: met zoe veele woorden gezegt 36 dat hij de vijf op zijn plaats gekomen mo„ Tambiekse slaven heeft te eeten gegeenen 37 dat hij dezelven naa de bosschen heeft doen bren„ gen. — 38 en dat hij de naa gissing een week lang met brood te zenden heeft onderhouden „39 en bij 't nader verhoor heeft hij ad art g. ge„ antwoord antwoord, aan de vijf mosambicqse slaven gezegt te hebben uw dat zijl: bij hem moesten blijven, tot dat de andere slaven 41 die de gev: en ged: voorgeeft vernoomen te hebben 42 er bij zouden zijn gekomen 43 met welke confessie, voor zo verre de op houding der slaaven aan betreft 44 volkoomen overeenstemmen de depositien van des gev: en ged: Lijfeigenen februarij van de Caap, September en Mariana van Mosambique hier neevens gevoegd sub L„a f: en G: 45 de r: a: Eiss„r kan derhalven ook ten opzichte van het tweede poinct zich gerustelijk refereeren tot deze bewijsstukken 46. niet twijffelende of UEE Achtb: zullen er hetzelve volkomen in geaffirmeerd vinden 47 en zich wel overtuigd willen houden, 48 dat de gev: en ged: in deezen voorsz: vijf mo„ sambiekse slaven waarlijk heeft opgehouden 49 Doch van meerder rwaarigheid, ten minsten van een langwijliger discussie is het derde of het onderzoek, of en in hoe verre de ger„ en ged: kan worden gezegd doleus en met eenig bij de Civiele wet geprohibeerd voor„ poerict. 345 neemen 8 neemen te hebben gehandeld het is niet 1 genoeg Edele Achtbaare heeren, dat de eene of andere daad is bedreeven 52 dat er bij voorb: iemand om 't leven gebragt e 53 maar het moet te gelijk blijken, dat de daade een opzet en voorneemen gehad hebbe, om zyn evenmensch van 't leven te bevooren 54 of met eenig ander quaad opzet berield zij geweest, naar de hoedaanigheid van 't begaane feijlt E 55 en moet zodaanig opzet beweesen werden, door hem die 't zelve allegeert 56 doceri enim debet dolus abes qui dolo aliquid factum esde dicit L 18 81 fs de probat. 39 Nogtans moet dit niet zo verstaan worden als of men altijd genoodzaakt zou zijn om door twee consonante en boven alle exceptie ver heven getuigen praecise te bewijsen 58. dat de daader doleus heeft gehandeld 59 wante wanneer men deeze tot hier toe on„ teekende regts doctrine wilde adepteeren, 60: dan zoude dikwijls de zwaarste misdaaden straffeloos kunnen gepleegd 61 en de grootste eueldaaders moeten vrij gesprooken worden 62 aangezien de boose aanslaagen der menschen mees„ ten tijd in hun binnensten verhoelen, blijven 63 en niet dan zeer zelden door hun eigen Confestrie aan den dag worden gelegd 64 Maart 51
English
64. But when the jurists say that the dolus malus or the animus delinquendi must be proved, 65. they intend to make it understood that he who alleges dolus must present and prove circumstances 66. from which the judge can and must legitimately infer that the act in question was committed intentionally, 67. and therefore belongs to the class of crimes. 68. For this reason, the Honorable Emperors Diocletianus and Maximianus also replied to Symnoda in the Lex C. C. de dolo malo: 69. Dolum ex indiciis perspicuis probari convenit, 70. that is: it is just that intent or evil design be proven from clear signs. 71. The Honorable Impetrant shall therefore present the circumstances that occurred in the case at hand, 72. from which the animus delinquendi can be inferred in law, 73. and from this attempt to determine the question whether, and to what extent, it is true of the prisoner and defendant 74. that he acted dolo and with some intention prohibited by civil law. 75. Primarily, it must be considered in this matter that the prisoner and defendant's conduct was entirely unlawful, 76. and that he, as the jurists say, has engaged in actu illicito; 77. for the prisoner and defendant, according to his own confession to article 19 of his first interrogation, knew very well 78. that he was not permitted to harbor foreign slaves, 79. of whose desertion he was likewise not ignorant, see the response to article 20 of the same interrogation, 80. on his property, without giving any notice thereof. 81. If the prisoner and defendant perceived and understood the unlawfulness of his conduct, 82. then he has notoriously engaged in an unlawful act; 83. and if he has engaged in actu illicito, in an unlawful enterprise, 84. then he must necessarily be deemed to have acted with dolus and with intent, 85. until the contrary shall be made clearly apparent; 86. just as this is not only taught expressis verbis by Mascardus de Probationibus conclusion 531 number 10, 87. where, after having taught that evil intent should regularly not be presumed, he says: 88. Limita non procedere, quando actus per se esset illicitus, nam tunc dolus praesumeretur, 89. that is: that what he had determined before does not apply 90. when the act is per se and by its nature unlawful; 91. for in such a case the evil intent must indeed be presumed. 92. But Your Honorable Worships can also infer what is said regarding the praesumptio doli ex actu illicito 93. from that which Matthaeus de Criminibus ad Librum 47 Pandectarum titulus 4 chapter 1 number 10 says: 94. quoties reus factum scilicet per se illicitum confitetur, 95. pure autem factum contendit, 96. id ipsum jure factum probare debet. 97. As clear proof that engaging in an unlawful act alone and in itself provides sufficient grounds 98. to presume that the perpetrator had an evil intention and acted deceitfully, 99. which presumption retains its force until the contrary is proven to the judge. 100. Since now, in the case in question, as Your Honorable Worships shall see in more detail below, nothing presents itself 101. by which the presumption of an evil intention can be refuted, 102. it is clear that the same must continue to operate against the prisoner and defendant, 103. and the prisoner and defendant must be held to have substantively committed a crime, 104. especially when one adds thereto the following concurrent circumstances: 105. 2) That the prisoner and defendant gave no notice to anyone of the detaining of the five slaves in question, 106. yes, even concealed his intention from those 107. who lived with him under the same roof, 108. as can be seen from the declaration of the two soldiers of Wurttemberg who were boarded with the prisoner and defendant, 109. from which reticence an evil intention is likewise presumed, 110. see Mascardus de Probationibus conclusion 531 number 37, 111. as well as from the defendant's omission to give notice either to the owner or at least to the officer; 112. dolus enim praesumitur contra eum qui non facit quod facere debet vel obligatus est. 113. And this presumption operates in the subject case all the more against the prisoner and defendant, 114. because he could naturally understand 115. that the slaves being detained by him must belong on one of the French ships, 116. and that the prisoner and defendant thus, in view of the uncertain departure of those ships, even with the best intention, in effect deprived the owner of his property, 117. especially since the prisoner and defendant, when the slaves were fetched, had not yet determined for himself when he wanted to transport them to town, 118. but had made this intention, of which however the contrary appears from the circumstances, dependent on the capture of other slaves who were in the mountain, 119. truly a good excuse to be able to accommodate all runaway slaves; 120. that the prisoner and defendant so carefully provided the slaves not only with food but also with bedding, 121. see the report of the court messenger under littera C and the deposition of September and Mariana annexed to this claim under littera G, 122. together with the prisoner and defendant's responses to article 21 of his second interrogation, 123. likewise provides proof that the prisoner and defendant had no good intentions. 124. For how could it have occurred in the mind of the prisoner and defendant 125. in the uncertain prospect of the benefits that he should have received for turning in the slaves, 126. to incur more expenses than the benefits could amount to? 127. Indeed,
Dutch transcription
64. Maar wanneer de regstleevaaren zeggen dat de doe lus malus of de animus deselquendi moet worden beweezen 65 dan willen zij te verstaan geeven, dat hij die deluu allegeert, omstandigheeden moet bijbrengen en bewijzen 66 waar uit de regter met grond kan en moet opmaaken, dat de daad in quaestie met opzet is geschied, 67 en dus tot de Clasze van misdaaden behoord 68 daarom hebben ook de E: Kevzers Dioeletianus en Maximianus aan Zijmnoda gerescribeerd in de Lee C Cde dolo malo 69 Dolum exindicus perspicuis probari convenit 70 dat is: 't is billijk dat 't opret of quaad voorneemen uit klaare kenteekenen worde beweesen 71 De E: J: Eess„s zal derhalven de in 't voor handen zijnde geval plaats gehad hebbende om standigheeden 72 waaruit de animus delinquendi in regten kan worden opgemaakt voortellen 73 en daar uit de quaestie trachten te bepaalen of en in hoe verre het van den gev: en ged: waar is 74 dat hij dolo en met eenig bij de Civiele wet geprohibeerd voorneemen hebbe gehandeld 75 voornamentlijk komt ten deezen in aanmer„ king:, dat des gev: en ged: bedrijf geheel onwettig is geweest e geweest VE en dat hij, gelyk de regtsgeleerden zeggen, geverseert heeft en actu illaito 77 want de gev: en 9 Ed: heeft blijkens zijn eigen een fessie ad art: 19: van zijn eerste verdoor seer wel gewe ten 78: dat het hem niet geoorloofd was vroemde slaven 79: van welker desertie hij insgelijks met egnorant was pid: de resp: adart: 20 van 't zelfde verhoor 80 op zijn plaats te herbergen, zonder daarvan eenige kennis te geeven 81: heeft de ged: en ged: het ongeoorloofde van zijn gedrag „ gepercipieerd en begreepen §2 dan heeft hij notoir in eene onwettelijke daad geverdeerd; 83 en heeft hij in actie illicito in een onwettig be„ drijf geverseerd 84 dan moet hij noodwendig geteekend wor„ den deleus en met opzet te hebben gehandeld 85 tot zo lange dat het tegendeel alende zal komen te blijken 86 zoo als zulx niet alleen expressis verbisleerd Mascardus de Prob: concl: 531 n 10 87 alwaar hij naa geleerd te hebben dat 't quaad opzet regulariter niet moet worden gequrae dumeerd, zegt: 88 Limita non procedere, quando actus per de esset illicitus, num tune dolus praesu¬ meretur 89 dat 89. dat is: dat 't geen hij te vooren bepaald had niet doorgaal 90 wanneer de daad perse en uit haaren aart onwet„ tig is 91 want dat in zodaanig geval het quaad op zet wel degelijk moet gepraesumeerd worden 92 maar UEE Achtb: kunnen het geen noopens de prae= sumtio doli ex actu illiato gezegt s, ook opmaaken 93 uit 't geen Matthaeus de Coin:s ad: Lib: 47 prtot: 4. b. 1. n. 10 zegt q„ quoties reusfactumn / sul: perse illiatui con= fitetur 95 pure autem factum contendit 96 ld ipsum, Jure factum probere debeet 97 Ten klaaren blijke dat het verseeren in eene onwettige daad alleen en op zig zelve een ge„ noegzaame grond uitleevers 98 om te praesumeeren dat de daader een quaad voorneemen gehad, en argustig gehandeld hebben 9 welke praesumtie haare vragt belijft behouden tot aan den regter van 't tegendeel blijke Daarnu in 't geval in quaestie, zo als UEE Achtb: 100 in 't vervolg nader zullen zien, zich niets opvoet 101 waar door de praesumtie van een quaad voorneemen kan worden geëlideert is 't klaar, dat dezelve tegen den gev: en ged: maet blijven opereeren 102 2 163 en 163 en de gev: en ged: gehouden worden wezentlijk gede„ linqueert te hebben 104 vooral wanneer men daarbij voegt de volgende za menlopende circumstantien 105:2) dat de gev: en ged: van de ophouding der vijf slaaven in quaestie aan niemand eenige kennis heeft gegeeven 106 „ ja zelfs zijn voorneemen heeft verzweegen aan die geenen 127 „ die met hem onder hetzelfde dakhuis vosten 108„ zoo als te zien is uit de verclaaring der twee soe„ daaten van Wurtemberg, die bij den gev: en grd: zijn verhuist geweest 8 109„ utt welke reticentie al meede een quaad voor„ neemen word gepraesumeerd 110„ rid: Mascardus de probat: Conel: 531 n. 37. 111 „ zoo wel als uit de omissie van den ged: om er of aan den eigenaar of ten minsten aan den of„ ficier kennis van te geeven 112„ dolusenim praesumitir contracum qui non facit quod facere de bet vel obliga„ tus cast 173 en werkt deze praesumtie in Cas subject te meer tegen den gev: en ged: 114 „ om dat hij natuurlijk kon begrypen 115„ dat de door hem opgehouden wordende slaven, op een der fransche scheepen moest te huis hooren 116„ en dat hij gev: en ged: dus aangesien het onzee ker ker vertrek dier scheepen, zelfs met de beste inten„ tie in effecte den eigenaar van 't zijne beroofde 117„ vooral daar hij gev: en ged: toen de slaaven zijn afgehaald bij zich zelven nog niet bepaald had, wanneer hij ze baalwaarde wilde transporteeren 718„ maar dit voorneemen / waarvan evenwel het tee„ gendeel uit de omstandigheeden blijkt/ afhangelijk had gemaakt van de gevangenneeming van ande„ ren in den berg zijnde slaven 119„ waarlijk een goed execcus om alle drossende slaven te kunnen logeeren ko6 dat de gev: en ged: de slaaven zoe zorgvuldig niet alleen van voedzel maar ook van dekzel heeft voorzien 41 „ vid: het relaas van den ger: bodde subl. C ende depositie van September en Mariana dezen Eisch sub La G: geannexeerd 122„ mitsgaders des gev: en ged: responsiven ad arb: 21 van zijn tweede verhoor 123 leevert insgelijks een blijk uit, dat de gev: en ged: niets goeds in zin heeft gehad. 124„ want hoe zou't aan den gev: en ged: in de herssenen hebben kunnen opkomen 25„ om in 't onzeker vooruitzicht van de voor„ deelen, die hij voor 't opbrengen der slaaven zou hebben moeten genieten 26„ meer kosten te doen, als voordeelen konden bee„ loopen ƒ 127 immers rest een
English
Indeed, even if one assumes that the prisoner and defendant had obtained another five alongside the five Mozambican slaves, he would have received 30 ryksd.s for all his trouble, a sum which he could very easily have spent through a longer retention of the slaves, and of which at least the surplus would in no way be proportional to the troubles and dangers which he, the prisoner and defendant, would have had to undergo and endure during the slaves' stay at his place. Furthermore, may Your Honours please take into consideration that the prisoner and defendant must have promised himself an exceptionally large advantage from detaining the slaves. For how is it possible to think that the prisoner and defendant, merely for the small sum of money—of which only 15 rds were certain, and all the rest very uncertain—would have exposed his estate to a damage whose certainty far exceeded the expectation of him, the prisoner and defendant, of being able to lure some other slaves in addition to the five? To be convinced of the danger to which the prisoner and defendant exposed his estate, Your Honours need only examine the report of the court messenger, attached hereto under Letter C, stating that he, the court messenger, found a pit in the resting place of the five detained slaves in which, note well, there were ashes and fire. Can anything more dangerous be conceived for the woods lying around the estate of the prisoner and defendant than the stoking of fire in the midst of it by uncivilized creatures who, not recognizing the danger, are consequently also not careful enough to avoid it? So that one is also obliged, from this circumstance, however one may color it, to conclude to the prejudice of the prisoner and defendant that by detaining the slaves he aimed at a greater advantage than the capture money, and thus had an intention other than that which he wishes to make believe inspired him. Finally, and herewith we shall consider the third point concluded, the Officer of Justice as Plaintiff must finally add here that sending the five Mozambican slaves to the forests gives rise to the presumption that the prisoner and defendant wanted to conceal the same slaves, in order thereby to withhold them from their lawful master. For if the prisoner and defendant had only had the intention of luring other slaves, he would not have needed to remove the five slaves in question so carefully from his estate, and not even allow them to come and fetch their food themselves. For what indeed would have hindered the prisoner and defendant in his alleged purpose if they in person, or at least one or some of them, had come to the house at certain times to receive what they needed? And is it not improbable that the prisoner and defendant, who is very sparingly provided with slaves, would have used his own female slave to carry provisions, in order thereby to spare five healthy Mozambican slaves the trouble of walking two hundred paces, if he had not wanted to conceal the five Mozambican slaves? Behold, Noble and Honorable sirs, a series of concurrent circumstances which, taken together and carefully weighed, will leave no doubt in the judge as to whether the prisoner and defendant was truly animated by an evil intention, which can have consisted of nothing other than enriching himself with those slaves by concealing them until the departure of their master, and subsequently dealing with them as if he had truly bought and paid for them. Which he could also easily have done, because, as is known to Your Honours, deeds of transfer are seldom or never executed in the sale of such slaves, and thus the simple word of the defendant would have had to suffice until one had convinced him of the contrary, which how difficult it would have been escapes no one. That meanwhile concurrent presumptions, when they are conjoined, can convince the judge, appears from the fact that in order to prove a fact, one can derive complete proof from presumptions and indications. For as Gayot de Pitaval says in tom: 2. p. mihi 370, quoting Hippolytus de Marsiliis: when it concerns a secret crime, such as theft, conviction is made by conjectures, and these conjectures do not fail to form evident proof; add: Farinacius tit. 1. qu: 50 n: 38. If it is now true that, to prove a fact, conjectures and suppositions even provide clear proof, how much more will they not serve as sufficient proof when, as in the subject case, the fact being proven, it must only be investigated whether the same was committed with an evil intention? Especially since nothing is so hidden as the evil intentions of men, and the only pretext for a proven crime is often derived by delinquents from what they call their good intention, because they deem nothing easier to prove than that which they are certain they have entrusted to no one. Now the duty of the Officer of Justice calls him to the investigation of whether there are also circumstances militating in favor of the innocence of the prisoner and defendant, in which the treatment of the fourth point will consist. Desirable it would be for the prisoner and defendant, and it would be highly agreeable to the High Officer as Plaintiff.
Dutch transcription
127„ immers wanneer men eens vezondersteld, dat de gev: en ged: bij de vijf mosambiekse slaven nog vijf anderen had gekreegen 18„ dan zou hij voor alle zijne moeite genooten hebben 30 ryksd„s 124„ eene somme, die hij door een langer oponthoud der slaaven zeer gemakkelijk zou hebben kunnen de pen deeren 130, en waar van ten minsten het superflu geenzint g'evenredigk zou zijn aan de moeite en gevaaren 2 131 „ die hij gev: en ged: geduurende het verblijf der slaven tot zijnent zou hebben moeten doen en ondergaan 132. ( voorts gelieven UE Achtb: in aanmerking te neemen 133 „ dat de gev: en ged: zich een bizonder groot voordeel heeft moeten belooven uit de ophouding der slaven 134„ want hoe is 't mogelijk te denken, dat de gev: en ged: alleen om de geringe somme van gelde 135 waarvan slecht 15 rds zesder honden zijn, en al het overige zeer onzeeker was 136„ zijn plaats, dou hebben bloot gesteld aan eene schaade 132„ waar van de zekerheid in zeer verre overtref de verwaijnig van hem gev: en Ged: 138„ om bij de vijf nog eenige andere slaaven te kunnen 1 lokken 139„ om overtuigd te worden van 't gevaar waaraan de gev: en ged: zijn plaats heeft geexponeerd 140 „ behoeven UEE Achtb: slechts in tezien het rela van den ger: bode hierneevens gevoegd sub L„a C 141 „ medebrengende, dat hij ger: bode, in de legersten der der vijf opgehouden slaven een put heeft gevonden 142„ waarin NB Assche en vuur was 143„ kan er nu voor 't om de plaats van den gev: en ged: leg„ gende geboomte iets gevaarlijker worden uitgedagt, 144„ als het strooken van vuur midden in 't zelve door baarse Creatuuren 145„ die het gevaar niet inziende ook gevolgelijk met voorzigtig genoeg zijn om hetzelve te vermyden 146„ zoo dat men ook uit deeze omstandigheid 147„ hoe men dezelve ook coloreere 148 „ ten naadeele van den ges: en ged: verplicht is te besluiten 149 „ dat hij door de ophouding der slaaven een groter voordeel als het vanggeld heeft gebuteerd 150„ en dus eene andere intentie heeft gehad, als hij wil doen gelooven dat hem bezield heeft 151d:) Eindelijk, en hiermeede zullen wij 't derde poinct voor af gehandeld houden 152. eindelijk moet de r: v: Eiss„r hier nog bijvoegen 153„ dat het zenden der vijf mosambiekse slaven naa de bosschen de proesumtie doet geboren worden 154„ dat de gev: en ged: dezelve slaaven heeft willen verbergen, om ze daar door aan hunnen wet„ tigen lijfheer te onthouden 155„ want zoo de gev: en ged: alleen een voorneemen heeft gehad om andere slaaven te lakken 156 „ had hij niet noodig gehad de vijf slaven in quals„ die tie zoo zorgvuldig van zijn plaats te verwijzenen 157„ en niet eens te gedoogen, datze zelve hun voed zel quamen afhaalen 138= immers wat dog zou den gan en ged: in zijn voor„ gewend oogmerk belet hebben 159 „ indien dezelve persoonlijke, ten minsten een of ee„ nige derzelven op zekere tijden bij het huis waren gekomen 160„ om 't geen zij noodig hadden te ontvangen en 161„ enis 't niet onwaarschijnlijk dat de gev: en ged N6: 2„ die zeer wimdedig van sleeven voorzien is 163 „ zijne eigene slarinne zoude gebruikt hebb len tot 't overvoeren van eetwaeren 164„ om daar door de moeite van twee honderd schreeden gaans aan vijf mosambiekse F gesonde slaven te berpaaren 165 „ indien hij de vijf mosambiekse slaven niet had willen verbergen 166 „ die daar Edele en Achtbaare keeren, een reeks van zamen loopende omstandig hee„ den 167 welke te samen genomen en naauwken rig overwoogen bij den regter geen twyffel zullen overlaaten 168„ of de gev: en ged: is waarlijk met een quaad voorneemen bereeld geweest die ƒ 169 die nergens anders in kan bestaan hebben, als om zich met die slaven te verrijken 170 door dezelven tot 't vertrek van hun lijfheer te verbergen 171 en naderhander meede te handelen als of hij ze waarlijk gekogt en betaald had 172 't geen hij ook gevoeglijk zou hebben kun„ nen doen 173 om dat gelijk aan UEE Achtb: beekend is, bij 't verkoop van diergelijke slaven zelden of nooit transporten worden gepasseerd 174 en dus het zimpel zeggen van den ged: zou hebben moeten gelden 175 tot dat men hem van het tegendeel zou heb ben overduigd 176 quod quam fuiszet difficile neminemr fagit 177 Dat ondertusschen zamen lopende praesumtien, wanneer dezelve geconjungeerd worden, den regter kunnen overtuigen, blijkt daaruit 178 dat men om een figjt te bewijzen, uit prae„ sumphen en indiciën een volleedig bewijs kan haalen 179 want gelijk Gaijot de Bitaval laus:lel: tom: 2. p. mihi 370 uit Dippolijtus de marsiluis zegt 180 lorsqu'il s'agit d'un crime secret 181 tel qewest le larcui 182 la Conviction de faitepar des conjectures 183 A 183 et ces conjedures ne luiscent pas de forme Pune breuve evidente 104 „ add: Farainaaus tit. 1. gu: 50 n: 38 185, Is 't nu waar, dat tot bewijs van gt zelfs conjectuuren en gistingen een klaar bewijs opleveren 486 „ hoe veel te meer zullen dezelve niet ten genoeg„ saamen bewijse verstrekken u7 wanneer, gelijk in cas subject, het feyt, be weezen zijnde; alleen onderzocht moet worden of 't zelve met een quaad voorneemen is bedrue¬ ven 188 voor al daar niets zo verborgen is, als de booze voor neemens ter menschen 189: en het eenigste praetext van een beweesen misdaad door de delinquanten, dikwijss gehaald word uit hunne zoo zij zeggen goede intentie 190: om dat zij niets gemakkelijker te bewijzen agter als 't geen zij verzeekerd zijn aan niemand te hebben toebetrouwd 191 Hu roept des r: V: Eiss=rs plicht hem tot het on„ verzoek 192. of er ook omstandigheeden voor des gev: en ged: innocentie militeeren 193 waarin, de behandeling van 't vierde poinct zal bestaan 194. wenschelijk waare het voor den gev: en ged: 195 en zou 't den H: O: Eiss„r ten hoogsten aange„ naam C
English
name be 196 that he, in the examination of this fourth question, might find so wide a field to tread 197 as in the determination of the previous point 198 and that he with little effort could bring forward a series of concurring matters to the advantage of the prisoner and defendant 199 as he ex officio has been obliged to develop to his disadvantage; 200 so, nevertheless, in order to complete the undertaking, 201 the Honorable Officer Claimant shall, as faithfully as is in any way possible for him, 202 attempt to present those circumstances to Your Honors 203 which seem to militate in favor of the prisoner and defendant's innocence. 204 Two matters appear in the trial which have been alleged by the prisoner and defendant for his innocence. 205 1. The prisoner and defendant says that he had no intention to enrich himself, 206 because he did not send the slaves to the woods to conceal them, 207 but to lure other slaves to them, whom he, note well, had heard from the five slaves in question were in the mountain, 208 and subsequently to have them all brought together toward the Cape. 209 2. He says 209 2. He says he was incited to the detaining of the five aforementioned slaves and the luring of others still being in the mountain, 210 because he was afraid that the still absent slaves would set fire to his farm. 211 But since, as we have seen before from articles 134 to 145, it is beyond all probability 212 that the prisoner and defendant, for the benefits of the capture reward, would have exposed himself to the danger of having his entire property burned, 213 and since it is not credible that someone, for instance to earn 50 rixdollars, would expose himself to the rigor of the laws, 214 the first pretext of the prisoner and defendant can operate nothing to his advantage, 215 and this all the less because in all surrounding circumstances nothing is to be found 216 from which one could deduce that pretended good intention of the prisoner and defendant. 217 And as for the other excuse of the prisoner and defendant, 218 the Honorable Officer Claimant leaves it to the enlightened and impartial judgment of Your Honors 219 whether it can ever occur to a reasonable creature 220 deliberately to undergo an almost certain danger, 221 as has been shown from articles 139 to 142, 222 in order to avoid a very uncertain danger. 223 But, Noble and Honorable Lords, besides the improbability of the excuses brought forward by the prisoner and defendant, 224 they also suffer from untruth. 225 For not even to mention that the prisoner and defendant has not alleged a single circumstance 226 on which his assertions could be grounded, 227 it has moreover been proven quite clearly 228 that the prisoner and defendant could not have learned from the five Mozambique slaves 229 that there were more slaves in the mountain, 230 because the female slave Mariana, 231 whom the prisoner and defendant says he used as an interpreter, 232 could not speak with those detained slaves, 233 since they spoke a completely different language from hers, 234 as she declared upon the recollection of the declaration annexed hereto under S: G, 235 and this in the presence of the prisoner and defendant, 236 without him being able to say anything against it. 237 And this circumstance is also corroborated hereby, 238 that in order to be able to speak with the five Mozambique slaves, one could not use the ordinary interpreters from the Company's slave lodge. 239 The circumstances, therefore, with which the prisoner and defendant has attempted to exculpate himself, 240 to enervate and overthrow the aggravating circumstances proposed in the treatment of the third point, 241 along with the consequences lawfully flowing therefrom, 242 much less to cause any alteration in the conclusion 243 that the prisoner and defendant can have had no other intention than to enrich himself; 244 for this must necessarily follow 245 when, as has been shown, the excuses alleged by the prisoner and defendant fail, 246 and there are no grounds present to deduce any other intention. 247 The prisoner and defendant must also have felt this himself, 248 when in his second interrogation on article 13 he says that one must attribute to his ignorance 249 that he gave no notice of the detention of the slaves, 251 and on the ultimate article of the same interrogation, 252 that he knows nothing to bring forward for his excuse. 253 Hereby the Honorable Officer Claimant finds himself obliged, 254 however much he might otherwise be inclined to expatiate upon the innocence of the prisoner and defendant, 255 because he considers it a pernicious maxim 256 to seek crimes where they re vera are not, 257 to consider the fourth point as concluded, 258 and to proceed to the fifth or last, 259 in order to test the case in question against the laws, 260 so as to determine therefrom a condign punishment for the prisoner and defendant. 261 First is the question: what crime has the prisoner and defendant committed? 262 When one reads the enumeration of crimes presented to us in the Corpus Juris, 263 then one finds under private crimes 264 that the prisoner and defendant is guilty of theft, Lex 1, Digest de fugitivis, 265 and under public crimes one finds the 266 Lex Fabia de plagiariis, 267 into the terms of which the prisoner and defendant has fallen.
Dutch transcription
naam zyn 196„ dat hij in 't onderzoek van deze vierde vrage zulk een ruim veld te bewandelen mogt vinden 7„ als in de bepaaling van 't voorig poinct ƒ 98 en dat hij met de weinig moeite een reeks van 98 concurrente zaaken tot des gev: en ged: voordeel kon te berde brengen 199 als hij amptshalven genoodzaakt is geweest tot deszelfs naadeel te developpeeren zoo om even wel den ondernomen zaak te volvoeren, zal 201 zal de E: O: Eis s=s zoo getrouw als hem maar eenigsints doenlijk is 202 die omstandig heeden aan UEE Achtb: tracten voor„ te draagen zon welke voor des gev: en ged: onschuld schijnen te militeeren 204 Twee zaaken komen in 't proces voor, welke door de gev: en ged: tot zijn onschuld zijn geallegeerd 215„ 1„ zegt de gev: en ged: dat hij geene intentie heeft gehad om zig te verrijken 206„ want dat hij de slaaven niet na de bosschen heeft gesonden om de te verbergen 207„ maar om andere slaaven, die hij NB van de vijf slaven in quaestie gehoord had in den berg te zijn er bij te lakken 208 en ze vervolgens alle te zamen kaapwaards te doen brengen 209 2„d zegt 2892.„. zegt hij tot 't opzouden des vif gem: slaven en het lokken van anderen nog in den berg zijnde aangespoord te weezen 210 - „ om dat hij bevreesd was, dat de nog abeente slaaven zijn plaats aan brand zouden steeken 211 Dan daar het gelijk wij te vooren, van artie„ 134 tot 145 gezien hebben, buiten alle waar„ schijnlijkheid is 212 dat de gev: en ged: om de voordeelen van het vanggeld zich aan 't gevaar van zijn geheel bezit te dien verbranden zou hebben geexponeerd 213 en daar 't niet gelooflijk is dat iemand aen bij voorbeeld 50 rd=s te verdienen, zich aan de rigueur der wetten zal blootstellen 214 zoo kan het eerste voorwendzel van den gev: en ged: niets ten zijnen voordeele opereeren 215 en zulx te minder; om dat in alle omstende raden niets te vinden is 246 waaruit men die voorgewende goede intentie van den gev: en ged. e zou kunnen opmaaken 217 En wat het ander excuus van den gev: en ged betreft 218 laat de v: O: Exsc=r aan het verligt en onrijdig oordeel van UEE Achtb=s over 219 of het ooit in een reedelijk schepzel kan opkomen 221 om voorbedagtelijk een bijna zeeker gevaar 221 zoo als van art 139 tot 142 is aangetoond 222 teb 222 te ondergaan, om een zeer onzeeker gevaar te ontwejken 223 Maar, Edele en Achtb: Zeeren, behalven de onwaarschijn= lykheid van de door den gev: en ged: bijgebragte excuusen 224 zoo laboreeren deselve ook aan onwaarheid 225 want om nu niet eens te zeggen dat de ges„ en gedr geene enkelde omstandigheid heeft geallegeerd 226 waarop zijn voorgeenen zou kunnen ge„ grond worden 227 zoo is daaren boven vrij klaar bewezen 228: dat de gev: en ged: van de vijf mosambiekse slaven niet heeft kunnen verneemen 229 dat er meer slaaven in den berg 3 waaren 230 om dat de slaven Mariana 231 welke de gev: en ged: zegt als tolk gebruikt te hebben 23½ met die opgehouden slaven niet heeft kunnen spreeken vermits dezelven eene heel verschillende 233 taal van de haare spraaken 234 zoo als zij bij 't recolleeren van de hier nee„ vens sub S: G gevoegde verclaaring heeft gedeclareerd 235 en zulks in 't bijweezen van den gev: enged 236 zonder F 236 zonder dat deze er iets tegen heeft weeten te zeggen 237 En word deze omstandigheid kier door ook gecor„ roboreerd 238 dat men om met de vijf mosambiekse slaven te kunnen spreeken de gewoone Tolken uit sih Comp:s slaven lage niet heeft kunnen gebrui„ 239 De omstandigheeden derhalven; waarmeede de ger: en ged: zich heeft tragten te disculpeeren 240 om de verzwaarende omstandigheeden in de behandeling van 't derde poinct geproponeerd 241 met de daar uit wettig geproflueerde conse„ quentien 242 te kunnen enerreeren en onverwerpen 243 veel min om eenige alteratie te ver„ oorzaaken in het besluit 244 dat de gev: en ged: geen ander intentie kan hebben gehad, dan om zich te verrij= ken 245 want dit moet noodzaakelijk volgen 246 wanneer, zoo als getoond is, de door den gev: en ged: ge„ allegeerde verontschuldigingens 247 en er geene gronden voor handen zijn om eenige andere intentie op te maaken 248 ook zal de gev: en ged: zulks zelf wel gevoeld hebben 249 als hij in zijn 2„d„e verhoor ad art: 13 zegt, dat men aan zyne onnoezelheid moest attrebueeren 250 dat hij van de ophouding der slaven geen ken„ nis ken nis heeft gegeeven 251 en ad art: Ult: van 't zelfde verhoor„ 252 dat hij niets tot zijne verschooning weet bij debrengen 253 hiermede vind zich de R: O: Eiss:r verpligt 254 hoe zeer hij andersints geneegen zoude zijn om over de onschuld van de gen: en ged: uit te werden 255 om dat hij als eene pernicieviese maxima beschouwd 256 dat men mis raad en zoekt daar ze revera niet zijn 257 het vierde poinct voor afgehandeld te hou„ den 258 en over te stappen tot het vijfde of laatste 259 ten einde 't geval in quaestie aan de wetten te toekken 2 b0 omme daaruit eene condigue straffe voor den gev: en ged: te bepaalen 268 vooraf is de vrage; welke misdaad de gev: en ged: heeft bedreeven 262 wanneer men de optelling der misdaaden„ ons in 't corpus Juris voorgesteld, naa leezen, 263 dan vind men onder de privoate misdaden 264 dat de gev: en ged: schuldig is aan diefte L. 1. f de fugitivis 265 en onder de publieke misdaaden vind men de Lee Fabia de plagiaris 266 in welke hermen de gev: en ged: is ver„ vallen 267 van errij ge
English
so that according to that law, all those were punished who had committed the theft of a free person or slave, there thus appearing to be some distinction between theft and plagium, about which Your Honours can consult Professor Voet ad ff. ad legem Fabiam de plagiariis, which distinction, however, as strictly holding today so far as the case in question is concerned, is of no effect; but the crime of plagium, or the suppression and concealment of a human being, is reckoned among the heavier and aggravated thefts, as can be seen in Matthaeus, De Criminibus, Book 47, Title 1, Chapter 3, No. 1 in fine. Since it is therefore proven that the prisoner and defendant truly and with malicious intent kept the five Mozambique slaves in question hidden on his place, and, had the Right Honourable Plaintiff not discovered the matter, it speaks, subject to correction, for itself that the prisoner and defendant makes himself guilty of human theft, and has therefore committed the crime of plagium, and consequently must be treated as an aggravated thief. And with this doctrine the statutory laws enacted regarding the harbouring and concealing of fugitive and other slaves also fully agree; for in the placcaat of 3 September 1754 it is expressly stated that the fraudulent harbourers and concealers of foreign slaves shall be considered and punished as thieves. The last quality to be determined, therefore, will have to consist of an inquiry into what punishments ought to be inflicted upon the prisoner and defendant considered as such. The punishment of plagiarii, as well as of other aggravated thieves, varied among the Romans and was greatly exasperated in later times in proportion as the stealing and concealing of human beings or slaves was practiced more frequently, such that aggravated thefts, among which plagium also belongs, were even punished with death. With which later Roman law the Mosaic laws, or the positive divine law, completely agree. See Exodus Chapter 21 verse 16 and Deuteronomy Chapter 24 verse 7, in which first passage from the Holy Scriptures this notable law is presented from the mouth of God: "And he that stealeth a man, whether he hath sold him, or if he be found in his hand, he shall surely be put to death." And our modern laws and customs seem to follow that same rule when they consider that the heavier and more aggravated thefts must be punished with death, as can be seen in Professor Voet ad titulum ff. de Furtis, No. 17; in Carpzovius, Practica Criminalis, Part 2, Question 77, No. 9; in Matthaeus, De Criminibus, Book 47, Title 1, Chapter 1, No. 1 post initium, and others; to which is added the general placcaat of 4 October 1740, Article 469, stating: "He who harbours a fugitive or runaway, whether a free person or slave, or provides them with food or otherwise, shall as a harbourer and concealer of runaways be punished in body and life." In body and life, that is, with death. Whichever way one turns, therefore, one finds everywhere the punishment of death enacted for aggravated thefts. Whether this is well or poorly consistent with the philosophical principles of societies, in which the change of times and reason ought also to be taken into consideration, the Honourable Plaintiff does not wish to investigate now, in order not to expand the brief unnecessarily through impertinent, however otherwise pleasant and instructive, digressions. The Honourable Plaintiff, therefore leaving this inquiry aside, will have the honour of presenting to Your Honours what punishment he believes the prisoner and defendant has incurred. From reading the punishments determined by Roman, Jewish, and modern laws and customs, Your Honours might perhaps form the impression that the Honourable Plaintiff deems the death penalty appropriate for the crime committed by the prisoner and defendant. Yet, Noble and Honourable Lords, far be it from the Honourable Plaintiff that, in tracing the punishments enacted for aggravated thefts, he should not at the same time religiously examine whether something cannot be found in the case of the prisoner and defendant to exempt him from that ultimate punishment, without however allowing the crime committed by him to pass unpunished. And it has appeared to the Honourable Plaintiff that the crime of the prisoner and defendant, although truly consummated, nevertheless did not yield him the intended benefits, since the five slaves in question have been restored to the owner without the prisoner and defendant having enjoyed the least benefit from them or the owner having suffered any considerable damage thereby; a circumstance which in the abstract seems of very little importance, but which nevertheless, when the life of a human being is at issue, has been accepted by the doctors of law, and was considered of such force that it can reduce the death penalty to a lesser one.
Dutch transcription
267 om det volgens die wet gestraft wierden alle die geenen welke diefte van een vrij mensch afslaaf ge 268 committeerd hadden 269 schijnende er dus eenig onderscheid tusschen diefte en plagium te zijn 270 waarover UEE Achtb kunnen naleezen den prof=r voet ad Act. f ad s fob: de plagiaruus 271 welk onderscheid nogtans als eeniglijk sterk„ nende 272 hedendaags, voor zo verre, het geval in quaestie aangaat, van geen effect is; 273 maar word het crimen plagie 274 of de suppressie en verberging van een mensch 275 gereekend onder de zwaardere en gequalificeerde diverijen 276 zo als te zien is bij Matth: de Coim: L: 47. tit. 1. lap. 3. n. 1 in fine 277. daar derhalven bewezen is, dat de gev: en ged de vijf mosam biekse slaven in quaestie, 278 wezentlijk dolo malo op zijn plaats heeft ver„ borgen gehouden 279 en dezelven, zoo de Z: l: Eiss„r de zaake niet ontdekt had 280 zoo spreekt 't onder wrrectie van zelve, 281 dat de gev: en ged: zich aan menschen diefte schuldig maakt 282 derhalven het crimen plagie gecommitteerd 183 ent 283. en dienvolgens als een gequalificeerde dieh moet worden g'extract F En met deze leere stemmen, ook volkoomen 284 overeen de Ftatutaire wetten 285 ten aanzien van de ophoudingen verber= ging van filgitive en andere slaven geëma„ neerd want in 't placcaat van den 3 Sept: 1754 286 word uitdrukkelijk gezegd „ ƒ dat de doleuse ophouders en verbergers 287 van vreemde slaven, als dieven ge¬ considereerd en gestraft zullen worden 288 De laatste te bepaalen qualitie, derhal„ ven zal moeten bestaan in een onderzoek 289 welke straffen aan den gev: en ged: als door daanig geconsidereerd behoord geinfligeerd te worden 290 De straffe der plagiarisden zo wel als van andere gequalificeerde dienen„ was bij te remeinen verschillende en is dezelve in de laakere tijden zeer geexaspereerd 292 naar maate dat het steelen en verbergen van menschen afslaaven meenig vuldi„ ger wierd bedreeven 293 zoodaanig dat de gequalificeerde diverijen waaronders het plagium meede behoort zelfs met de dood is gestraft geworden 291 294 Met 294 Met welk laater regt der romeinen volkomen quadreeren de mosaische wetten 295 of het sus divinum positivum 246 Zie Eerde Cap: 21 vs 16 en Deuzeron: Cap 24 is 7 297 in welke eerste plaats uit de heilige blaaderen deze notabele wet uit den mond God word voorgesteld. voorder soo wie eenen mensche steelt, 't zij 298 dat hij dien verkogt heeft, ofte dat hij in zijne hand gevonden word, die zal zeekerlick gedaar worden 299 en schijnen onse heeden daagse, wetten en gewoon„ tens dien zelfden richtsnder te volgen 300 wanneer dezelve de zwaardere en gequalifi„ ceerdere diefstallen vermeenen met de Lood te moeten werden gestraft 341 zoo als zulks kan worden nagezien by den prof„r voet ad. tit: ff de Curtis n. o 17 312 bij Carpz pr: Crim: p. 2. gu: 77n. 9 303 bij Matthous de Coim: L. 47. t. 1 C. n. 1 post intium en anderen 304 waarbij komt het generaal placcaat van den 41 October 1740 art: 469 305: meldende „ Die een fugatief of weglooper het „zij een vrij persoon of slaaf herbergt 306 „ af van het kost of anderzints voorziet 387 „ zal als een ophouder en keelder van wegloopers . wegloopers 308 aan lijf en leven gestraft worden 309 aan lijf en leven dat is met de dood 310 waar men zich dus heenen wende, men vind overal de straffe des doods op gequalificeerdere diveryen gestatueerd ƒ of zulx wel of qualijk, en met de wijsgeerige 311 beginzels der maatschappyen waarin de verandering van tijden en reden ook 312 in aspect behoort te komen strookende is 313 lust den E: O: Ess:r nu niet te onderzoeken 314 om niet door impertinente, hoe zeer ander= zins aangenaame en leerzaame degressien hit schriftuur buiten noodzaake uit te breiden 315 de E: o: Eiss„r zal derhalven dit onder„ zoek daar laatende de Eer hebben aan UEE Achtb: voortedraagen 316, welke straffe hij vermeend dat de gev: en ged: heeft geincurreerd! op het leeren van de hij Romeinsche 317 Ioodsche en heedendaagse wetten en gewoon„ tens bepaalde straffen zullen UEE Achtb. misschien in 't begrip vallen 318 dat de E: O: Eiss„r de doodstraft weuren digt oordeeld alen de door den gev: en ged. gepleegde misdaad ij Dan Edele en Agtb: heeren, verre zij het van komen en n daa g inctium an den rhet van den E: O: Eess=r dat hij in 't raaspooren van de straffen 320 op gequalificeerde dieverijen gestatueerd 321 niet te gelijk religieus zou onderzoeken 322 of er in des gev: en ged: geval niet iets te vinden is 323 om denzelven aan die uiterste straffe te ont„ trekken 324 zonder evenwel de door hem begaane mis daad straffeloor te passeeren 325 en is aan den E: O: Eiss„r voorgekomen 326 dat de misdaad van den gev: en ged: 327. of schoon dezelve waarlijk geconsommeerd 328 even wel aan hem niet heeft toegebragt de gebukeerde voordeelen 329 aangezien de vijf slaven in quaestie aan den eigenaar zyn gerestitueerd geworden 330 zonder dat hij gev: en ged: er het minste voordeel van heeft genooten 331 of de eigenaar eenige merkelijke schaade bij heeft geleeden 332 eene omstandigheid die in abstracte van zeer weinig belang schijnt 333 maar die evenwel, wanneer er qualstee vatt over het leven van een mensch door de regts Z. D. is aangenomen 334 én van die kragt beschouwd wierd 335 dat dezelve de doodstraffe in eene mindere kan is