Inventory 11023
Cape · 514 pages · 95 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
can commute. Carpzovius Practica Rerum Criminalium part 2 question 80 number 9 establishes regarding this rule: Whenever a thing stolen returns to the owner without loss incurred and without profit gained, the thief is not to be hanged by the noose, but, having been scourged with rods, is to be banished forever, that is: "As often as the stolen property returns to the owner without damage caused and without profit enjoyed, the thief must not be hanged, but scourged and banished forever," which account is to be found in the Dutch translation of Carpzovius's Treatise on Capital Crimes, page mini 681. The Honorable Plaintiff has judged it his duty also to add these circumstances here, and is also, based on the same, under correction of opinion that in this matter the death penalty can in no way be inflicted upon the prisoner and defendant; and herewith the Officer Plaintiff shall conclude this demand, in the entirely reasonable expectation that Your Right Honorable Worships will, according to their wisdom, sentence in such manner as they shall arbitrate to be most consistent with the public good, and furthermore will by the office of judge supply all that which they, as conscientious judges, shall judge according to law to be investigated in favor of the prisoner and defendant's innocence. Wherefore the Officer Plaintiff, making demand, concluded that the prisoner and defendant, by definitive sentence of Your Right Honorable Worships, shall be condemned to be taken to the place where criminal sentences are customarily executed, and there, being delivered to the executioner, to be severely scourged on the bare back; that he, the prisoner and defendant, shall further, for the consecutive time of ten years, be confined to Robben Island, in order to labor there on the public works without wages, being secured in chains, and thereafter banished forever from this Colony; with condemnation in the costs and expenses of Justice, or to such other punishment as Your Right Honorable Worships in good justice shall judge proper. was signed: I: N: S: van Lijnden / in the margin / exhibited in court on 24 April 1798. On 14 February 1790: I, the undersigned, pursuant to orders received thereto from the Honorable Right Honorable Independent Fiscal I: N: S: van Lijnden, proceeded to the dwelling place and presence of the burgher Pieter Leintjes, in the presence of the deputy bailiff Hendrik Mattijssen, and then heard the said Mattijssen ask the aforesaid Leintjes whether there were not staying here with him, Leintjes, five slave boys who belonged to a Frenchman and had run away from their master, whereupon the aforesaid Leintjes replied, "I do not know"; but the said deputy bailiff Mattijssen interrogating him sharply, and with threatening words, finally said, "If you do not know, I will know where they are, the place has been pointed out to me; just call the slave woman who brings them their food here, I will fetch those slaves out of there myself." Whereupon the said Pieter Leintjes declared that they were there, pointing to the place in the bushes, and declared that he had kept them there because he had understood from those slaves that still more of the slaves who had also run away would come, and when those had come, to send them together toward the Cape; and thereupon he directly gave orders to call the said slave woman who gave them food, whose name has escaped my, the reporter's, memory, and to show us the way where the said slave boys were staying. And after we had, by estimation, gone fifty to sixty roods up a hill, the said slave woman led us through a path overgrown with shrubs and bushes, until we had walked about 70 to 80 paces into that wilderness, when a slave boy was discovered by us, who was called by the frequently mentioned Mattijssen and also came toward us; so that, having clambered further through these bushes, according to best recollection 30 to 40 paces, and the said Mattijssen having also fallen to the ground, we finally discovered a camp, which had been made by cutting down four or five young standing trees, wherein we found lying three slave boys lying on woolen blankets, having with them a large copper teakettle, and we found a pit made in the ground wherein were some ashes and fire; and while we were inspecting their resting place, finally a fifth slave boy came into our sight out of the dense wilderness, who was likewise called by the aforesaid deputy bailiff, and from there they were sent together by him in the presence of the frequently mentioned Leintjes to the farmstead, where the frequently mentioned deputy bailiff ordered him, Leintjes, to have those slaves bound and pinioned and to send them toward the Cape, which was then also done directly. All of which I report having occurred to me. Underneath stood: Cape of Good Hope, date as above. Was signed: Johannes de Wet, Sworn Messenger of Justice. Shows with proper respect the Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steven van Lynden: That he, the Honorable Reporter, having been informed in February last that the burgher Pieter Leintjes was harboring on his dwelling place situated behind the Rondebosch some Mozambique slaves who had come ashore from a French ship and deserted, probably with the intention of keeping them for himself after the departure of the aforesaid ship and making a profit thereby; for the detection of this, sent to the place of him, Leintjes, the second messenger of justice Johannes de Wet, assisted by the deputy bailiff Hendrik Mattijssen. That the messenger of justice having arrived with the deputy bailiff at the place of the said Leintjes, and having interrogated him whether there were five Mozambique slaves staying with him, To the Honorable and Right Honorable Gentlemen President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, who
Dutch transcription
kan commuteren Carpz: pr: crim: parte 2 qu. 80 n. 9 stelt 336 hier omtrend dezen regel; 337 Quotiescunque res furto ablata absque damno dato ut luiro percepte ad dominum redit 338 fur laqueo non zuspendendus. 339 sed virg is caesus in perpetium est relegandus 340 dat is: 341 „ zoo dikwijls als 't gestaalen goed zonder toe„ „gebragte schade en zonder genooten winste tot „den eigenaar wederkeerd, 342 „ moet de dief niet gehangen 343 „ maas gegeesseld en voor eenwig gebannen „worden 34k welke verhaaling te vinden is, in de Neder duitsche overzetting van Carprovie verhanden ling der lijfstraffelijke misdaaden pag: mini 681 345 De E: v: Eiss„s heeft het van zijnen pligt geoordeeld ook deze omstandigheiden hier te moeten bijvoegen 346 en is ook op grond van dezelve onder correctie van oordeel, dat aan den gev: en ged: in dezen geenzints de doodstraffe kan worden gel„ infligeert 347 en hier meede zal: de r: O: Eis s„r dezen eisch besluiten 348 in de allezints Eillijke verwagting 349 dat astie 349 dat UEE Achtb naar derzelver wijsheid zodanig zullen vonnissen 350 als zij bono pub lico meest overeenkomstig zullen arbitreeren 351 en voorts officie judicis zullen duppleeren al 't geen zij als gemoedelijke regters 352 voor des gev: en ged: onschuld exjure zullen oor„ deelen te hun nin onderzoeken Mits welken de R:O: Eiss=r eisch doende concuudeerde dat de gev: en ged: bij defi„ nitive vonnisse van UEE Achtb: zal worden gecondemneerd omme gebragt te worden ter plaatze, alwaar men gewoon is crimineele sententien ter executie te leggen en aldaar aan den scherp degter overgelee„ verd zijnde, op den blooten rugge strengelijk gegeesteld te worden: dat hij gev: en Ged: voorts voor den tijd agtereenvolgende van tien Jaaren zal wor„ den geconfineerd ten robben Eijlande, om aldaar in de ketting geklanken zijnde zonder, loon aan de gemeene werken te arbeiden, en daarna ten eeuwigen dage gebannen uit /:was geteekend: / I: N: S: van Lijnden / in margine / exhibitum in judicio d. 24 April 1798 Op den 14: Februarij 1790: heb ik ondergeteekende ingevolge daartoe van den E: Achtb: heer Independent liscaal I: N: S: van Lijnden, bekomene ordres mij vervoegd ter woonplaatse en ter vraesen tie van den burger Pieter Zeintges ten bijwezen van den onderschout zendik Mattijssen, en alsdoen gehoord dat gem: Mattijsden aan voorsz: Zeintjes heeft gevraagd, of zig hier bij hem zeinkjes niet ophielden vijf slaven jangens, die van een franschinan waaren, en van hun lijfheir weggeloopen, waarop voorm: Lantjes re„ pliceerde, dat weet ik niet; maar gem: on„ derschout Mattijssen hem scherpelijk onderhuudende, en met dreigende woorden uit deze Colouie: met condemnatie in de kosten en meten van Justi„ tie ofte tot zoodaanige andere straffe als UEE Achtb: in goede justitie zullen oordeelen behooren. Eindelijk de UEE mneerd, ter woon ien aldaar gelee„ ten steld en wer¬ W en eene aarna nen fi eindelijk zeide, zoo gij het niet meet zal ik het weeten waar zij zitten, de plaats is mij aange„ weezen, laat maar de slaaven men uEE:s haar kost brengt hier repen, ik zal die slaven daar zelfs uit haalen, waar op ged: P: Zeinkjer declareerde dat zij daar /: wijzende op de plaats in de basjes waaren; en verclaarde dezelve aldaar te hebben opgehouden; om dat hij van die slaven hadde verstaan dat er nog meer der slaven zouden komen die meede weg„ geloopen waaren, en wanneer die zoude gekomen zijn, hun dan te gelijk Caab„ waards te zenden, en gaf hierop direc„ telijk orders om gem: Plavin die hun leten gaf, /: wiens naam mij relatant is ontschooten:/ te roepen en ons den wegte wij zen waar dat gemelde slaven jongens zig ophielden; en na dat wij na giszing vijftig à sestig roeden waren tegens een heuvel opgegaan, heeft gedte slaven ons door eene met szruiken en boszen bewardene weg geleid, tot dat wyd circa op 70 à 80 schreeden in die woeste„ vij hadden gewandeld, door ons een 'slaven fangen ontdekt wierd, die door dikwijls gem: Matthijszen wierd geroe„ pen, en ook naar ons toekwam zoo dat wij /: na best onthouden ƒ 31à 40 gehreeden schreeden, nog verder door deze bosschen waar in wij waaren geklauterd zijnde, en gem: Mattijssen nog is tegens den grond geval„ len, eindelijk eene legerplaats ontdekten, die door het omkappen van vier à vijff opgaande boomtjes was gemaakt, waar in wij vonden leggen drie slaven gougens leggende op wolle Combaersen, bij zig hebbende eene groote kopere theekeetel en bevonden een put in den grond ge„ maakt waar in eenige assche en vuur was; en terwijl wij inspectie van hunne legerstede namen, quam eindelijk een vijfde slaven jongen uit de digt bewas„ sene wildermis ons in 't gezigt, die al meede door den voorsz: ouderschout is geroepen, en van daar gesamentlijk door hem ten bijwezen van meergem: Zeintjes na de plaats gezonden, alwaar dikw„s gem. onderschout, hem Leintjes heeft geordonneerd die slaven te laaten binden en vleugelen en hun Caabwaards te zenden, 't geen dan ook directelijk geschiedde het welk relateere mij nedervaaren te zijn /:onderstond:/ Cabo de goede hoop datum ut zupra (was geteekend/ Johannes de Wet Bd: Gerecht bode/ Vertoond met gepaste eerbied de jndependent fiscaal dezes gouvernements Johan Nicolaas steven van Lynden Dat hij E: O: vert„n in februarij I: l: geinformeerd zijnde geworden, dat de burger Pieter Leintjes op deszelfs woonplaats gele„ gen agter het rondebosje eenige van een fransch schip aan land gekomen en opge„ droste mosambiekse slaven onderheld om na 't vertrekp waarschijnlijk met oogmerk van 't voors: schip dezelven voorzich te behouden en daar mede winst te doen; tot ont„ tekking hier van na de plaats van hem Zeintjes gesonden den tweede ger: bode Iohannes de Wit geadristeerd met ten onderschouk Hendrik Mattijsden Dat de geregtsbode met den on„ terschout op de plaats van gem: Zeintjer gekomen zijnde, en hem ondervraagd hebbende, of zig bij hem ook vijf mosambrekse slaven ophielden Aan de WelEdele en Achtb: heeren Praesident en Raaden van Iustitie des kasteels de goede koop die
English
who had run away from their master. That he, Leintjes, attempted to deny this, but subsequently came to a confession and pointed out the place where he had hidden the aforementioned slaves, and from where the same were also retrieved by Deputy Sheriff Mattijszen and subsequently transported toward the Cape, all appearing from the accompanying report of the second court messenger. That the Honorable Official Petitioner, having considered all circumstances according to the findings of the said Council and deputy sheriff, is of the opinion that the aforementioned Pieter Leintjes has deliberately acted contrary to the repeated placards issued on the matter of runaway slaves, and in addition has made himself guilty of the crime of kidnapping. That the Honorable Official Petitioner, for this reason, deems that he should not sit idle, but on the contrary, in order to prevent irregularities, finds himself compelled regarding the aforementioned matter to initiate criminal proceedings against Pieter Leintjes, and to take him into legal custody to the end that he does not evade his condign punishment. Reasons why the Honorable Official Petitioner turns to Your Honorable Worships, requesting that Your Honorable Worships may be pleased to grant him their decree to take the burgher Pieter Leintjes into apprehension, in order to then be able to proceed with effect. Doing which, etcetera. Was signed: I. N. S. van Lijnden. In the margin: Exhibited in Court on 18 March 1790. Extract from the Criminal Court Roll held at the Cape of Good Hope, Thursday the 18 March 1790. By the Deputy Fiscal, Master Johannes Andreas Truter, on account of the indisposition of the Honorable Independent Fiscal, concerning the burgher Pieter Leintjes, a petition was submitted, fortified with a report of the second court messenger Johannes de Wit, reading that petition as follows. Which having been read, the Council, after deliberation of matters, granted the Honorable Official Petitioner the requested apprehension of the aforementioned burgher Pieter Leintjes. While however the Honorable Mr. de Wet, who was of the opinion to grant only a civil arrest to the Honorable Official Petitioner, had his advice noted. Below stood: Agrees. Was signed: W. J. v. Ruijneveld, Secretary. Interrogatories to hear and question thereupon, at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, before the gentlemen commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of the Castle of Good Hope, the detained burgher Pieter Leintjes, his responses to be given having to be recorded in the margin of this document. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned burgher Pieter Leintjes, who has given to the adjacent question points such answers as are recorded beside each of them. Article 1. The questioned person's name, age, and place of birth. Says Pieter Leintjes named, aged 47 years, and native of Gottorp, Prussia. 2. How long he, the questioned person, has already been in this country. Says to have been here 23 years. 3. Whether he, the questioned person, also understands any trade, and which. Says to be a tanner by his trade. 4. If not, with what he then has occupied himself during his stay here. 5. Where he, the questioned person, lived before his arrest. Says to have lived on the farm Bosheuvel situated at the Wijnbergen. 6. Whether there were at the questioned person's farm at the beginning of the month of February recently past five Mozambique slaves. Says yes. 7. Whether he, the questioned person, did not call these slaves and indicate that they should come to his farm. Says no, that the same slaves came to him, the questioned person, of their own accord. 8. Whether he, the questioned person, did not then give them food to eat. Says yes. Article 10. Whether he, the questioned person, subsequently did not take them or have them taken to a remote place in the woods. Says yes. 11. How long he, the questioned person, maintained these slaves at that place. Says by estimation a week, yet does not wish to be bound to that. 12. And in what manner he, the questioned person, maintained them. Says to have sent daily bread. Article 13. Whether on the 10 February recently past the second court messenger Johannes de Wit, assisted by the Deputy Sheriff Hendrik Matthijzen, did not come to the questioned person's farm. Says yes. 14. Whether the aforementioned deputy sheriff did not ask him, the questioned person, whether five Mozambique slaves were being kept at his farm. Says yes. 15. Whether he, the questioned person, did not deny this upon this first question, or at least said that he did not know, or something similar. Says to have said to Matthijsen that he did not know. Article 16. Whether the deputy sheriff did not thereupon address him, the questioned person, in a threatening tone and, repeating the same question, said: "If you do not know it, then I shall know where they are, the place has been pointed out to me; just call the slave woman here who brings them their food." Says yes. 17. Whether he, the questioned person, did not thereupon call the slave woman who was accustomed to deliver the food to the aforementioned five Mozambique slaves, and ordered her to point out the place where the five aforementioned slaves were being kept. Says yes. 18. Whether this was not thereupon also carried out by the aforementioned slave woman. Says yes, that the questioned person even went along. 19. And whether the aforementioned five slaves were not found at some distance from the questioned person's house in the woods, and were sent to the farm by Deputy Sheriff Matthijssen in the questioned person's presence, as well as subsequently bound with wing-ties and brought to the Cape. Says yes, that the aforementioned slaves were found there by Matthijsen and subsequently brought to the Cape with wing-ties. Whether it was not known to him, the questioned person, that such... Says yes, that the questioned person...
Dutch transcription
lijfder waaren weggeloopen. die, van hun hij Leintjes zulks heeft tragten te ontken„ nen, doch vervolgens tot confessie is gekomen, en de plaats heeft doen aanwien, daar hij de voorm: sla#en hat verborgen, en van waar dezelve ook door den onderschout Mattijszen zijn gehaald, en vervolgens caap„ waards getransporteerd, alles blijkens nevens„ gaande relkes van den tweeden get: bode Dat de E: O: vert„r alle omstandighee„ „den volgens bevinding van den gez: Rade en onderschout overwagen hebbende a.C. van oordeel is, dat voorn: Pieter Leintjes, voorbedagtelijk tegen de iterative op 't 4 stuk van opgedroste slaven geëmaneer„ de placcaaten teeft gehandeld, en zich daarenboven aan het crimen plagie heeft schuldig gemaakt Dat de E: O: verb„n overzulx gemeene heeft niet te moeten stille zitten, maar in teegendeel ter voorkominge van ongtreegeldheeden zig genoodzaakt dor deelt ter zaake voorsz: tegen Pieter Zeintjes crimineele proceduures te moeten entameeren, en denzelven, op dat hij zijne condigne straffe, niet ont= duike 6: 2 bode duike, ten dien einde in regtenis te daar neemen Reedenen waaromme de E: O: vert„ zich tot UEE Achtb: is keerende, met versoek dat UEE Achtb: aan hem gelieven te verleenen derzelve decreet omme den burger Pieter Zaintjes te mogen neemen in apprehensie, Een einde als dan cun effectue te kunnen procedeeren 'T welk doende die n /:was geteekend:/ I: N: S: van Lijnden /:in margine:/ Exhibitum in Iudicio d. 18 maart 1790:/ Extract uit de Chmineele Rechtsrolle gehouden aan Cabo de goede hoop Donderdag den 18 maart 1790 wierd door den adjunct fiscaal M„r Jo„ hannes Andreas Puiter, vermits indispositie van den heer independent fiscaal, nopens den burger Na ter heirtjes ingediend een vertoog gemunneerd met een relaas van den tweeden gerechtsbode /:onderstond:/ Johans k op Iohannes de Wit, luidende dat vertoog als volgd. het welk geleezen zijnde heeft de Raad van overweeging van zaaken aan den R: 4: vertoon„ der de verzogte apprehensie op voorm: bur„ ger Pieter Leinkes verleend Terwijl egter den heere de Wet, dewelke van gevoelen was om alleen een Civierl arrest aan den R:O: vertoonde, is te accordeeren, deszelfs advijs heeft doen aanteekenen /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ W: J: V: Ruijneveld Secrets Compareerde voor das on¬ Interrogatorien, omme ondergeteekende gecomm=s daarop ter requisitie van den uit den E Achtbb: Raad van Iustitie deezes gouvernements Independent fiscaal Iohan neevens gem:t burger Pieter Nicolaas Steven van Lijnden Teintjes dewelke op de nee voor heeren gecomm„s uit venstaande vraag poincten den Ed: Achtb: raade van Jus„ zoodaanige antwoorden gegee titie des Casteels de goede ven heeft als besijden een ijder hoop gehoord en ondervraagd derzelver staan aangeteekend te worden de gedetineerde F: S: burger ƒ an van Nie erd e zegt Pieter Geintjes gee„ naamd oud 47 jaaren en ge„ boortig van Godlop prinsze hoe lang hij ger reeds hier te zegt 23 jaaren alhier ge„ lande is geweest weest te zijn zegt een looijer van zijn of hij gevr: ook eenig ambagt ambagt te zijn verstaat en welk „ 4 zo neen waarmeede hij zig dan geduurende zijn verblyf gege alhier heeft vervald „ 2 des gev„s Maam, ouderdom en geboorte plaats Art„l burger Pieter Zeintges zullende deszelfs te geevene responsiven in margine deezes moeten wer¬ den bekend gesteld neerd neerd zegd ja zegt gewoond te hebben op de plaats Bosheuvel gel: aan de wijnbergen zegt ja zegd neen dat dezelve slaven of hij gevr: deze slaven niet van zelve bij hem gev: gekomen geroepen en beduid heeft, dat zen naa zyn plaats moesten komen zijn of hij gevr: dezelven als toen of bij zijn gevr: plaats en begin van de maand februarij J:l: met vijf mosam„ biekse slaven zijn geweest. waar hij gev: voor zijn gevangenneeming gewoord heeft niek nde 5„ 7„ agt zegt Ja zegd na gissing een week Hoe lang hij gevr: deeze egter daar niet in bepaald slaaven daar ter plaatze te willen zijn heeft onderhoud en zegt, dagelyks brood gestuurd te En op welke wijze hij gevr: hebben ze heeft onderhouden of ter plaatze van hem gevr. op den 10 februarij J: l: niet gekoomen zijnde den tweede ger: boode Johannes de Wit geadsisteerd met den onderschout Hendrik Matthijzen zegd ja 11 Art„l 10 of hij gevr: dezelven vervol¬ gens niet naa een afgeleegen plaats in de bosschen heeft daer brengen of gebragt niet heeft te eeten gegeeven. Artl arfl 13 7 12 Artl. 13 zegd ja zeyd aan Mattlijden gezegd te zegd Ja of de onderschout voorn=t hem gevr: niet heeft gevraagd af er bij hem op de plaats ook vijf masambiekse slaven wier„ den opgehouden! „ 4 of hij gevr: zulx niet op deze eerste vrage ontkend ten minsten gezegd heeft dat hij 't niet wist of iets dergelyks. „ 15 of de onderschout niet hier op hem gevr: op een dreigenden toon heeft aangesprooken en dezelfde vrage herhaalende gezegt heeft zoo gij het niet weet, dan zal ik het wee„ ten waar zij zitten, de plaats is mij aangewezen laat maar de slaven meid, die haar kost brengd, hier roepen. hebben Art„ol 16 . „ Art„„ 16 zegd ja zegd ja, dat de gevr: zelfs meede gegaan is. en of de voorsz: vijf slaven niet zegd ja dat gem: slaven op eenige distantie van het huis door Matthijsen aldaar ge van hem gevr: in de bosschen vonden is en vervolgens zijn gevonden; en door den gevleugeld Caabwaards gebragt Ouderschout Matthijssen in des gevr: bijweezen na de plaats gezonden mitsgaders ver volgens gevleugeld en Caab„ waards opgebragt zijn ge„ worden. zegd ja dat den gevr of hem gevr: niet bekend was „19 „ 18 of zulx hierop ook door voorn: slavin niet is uitgevoerd: of hij gevr: niet hier op de slavin die aan voorsz: vijf mosacibeekse slaven gewoon was het eeten te bezorgen, geroepen, en de¬ zelve gelast heeft de plaat aan te wijzen daar de vijf voorm: slaven wierden opgehou¬ ten! zulx dat „ 17 Ze de
English
could immediately see that the slaves detained by him had deserted from their master. Article 26. states he heard from those slaves that there were still more slaves in the mountain, and that he, the interrogated party, had detained those slaves in order to be able to lure the others to them by that means, and because he, the interrogated party, would in that way be all the better able to get hold of them. Whether the interrogated party does not know that it is by no means permitted to him to harbour runaway slaves! states further to have had no intention of enriching himself, the interrogated party, thereby, and to have done the same solely to be able to bring those slaves to the Cape, because he feared fire if they remained in the mountain any longer. Whether he must not confess about this to have acted through his conduct directly contrary to the laws, and to have deserved severe punishment for it. states to have thought to do well therein by delivering them to the Cape. Article 22. Whether he, the interrogated party, also knows anything, and what, to bring forward in his excuse. Article 21. states to refer to his given answers. Thus done, interrogated, and answered at Cabo de goede hoop on the 22 March 1790 before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus de Wet, members of the Honourable Council of Justice aforementioned, who duly signed the original minute hereof together with the prisoner and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: Darnspek, sworn clerk. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of this government, the aforementioned detained burgher Pieter Teijntjes, to whom these his aforementioned points of interrogation being clearly and distinctly read out, declared to persist therein, wishing that nothing more shall be added or taken away, testifying that such is the pure truth. Below: Thus done and verified at Cabo de goede hoop on 30 March 1791. Was signed: Pieter Leintjes. Lower: In my presence. Signed: I. D. Karnspek. In the margin: as commissioners. Signed: R. I. v. d. Riet and H. I. de Wet. Today, the 22 March 1790, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the hereinafter mentioned witnesses, Februarij of the Cape, slave of the detained burgher, Pieter Heijntjes, of competent age, who, at the requisition of the Honourable Independent Fiscal of this government, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That about four weeks ago now, without the deponent being able to determine the time more precisely, there came to the place of his, the deponent's, master, situated at the Wynberg, five Mozambican slave boys, who, upon the question of his master where they came from, had answered to have deserted from the Cape, and indeed from Doctor Martin residing here, because they received no food. That the deponent's master, upon this information received, had asked them whether they wished to stay with him, with the promise that he would provide them with food; to which they agreed, being hidden by his master in a room of his dwelling house, and provided daily with food and drink. That the deponent, after the said slaves had remained there for eight days in the manner aforementioned, had set off Capewards with the intention to inform the lord deputy schout Matthijssen of this dealing, but on the way was intercepted by the burgher Lieutenant Alexander van Breda, who was also going to the Cape, and was sent back to his master with his boys. That the deponent, eight days after that occurrence, having inquired of his fellow slaves where the boys were, and upon their answer that they did not know, had himself investigated and seen that a female slave of his master named Mariana, together with a boy named September, provided with food, left the house towards a forest lying close to the place of his master; that he, the deponent, having followed them thither, had perceived the aforementioned slaves in the thickest part of that forest, whereupon he went once again to this capital place and gave notice of the aforementioned account to the lord deputy schout Matthijszen. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, testifying the above to be the pure truth. Thus passed at the Secretariat of Justice at Cabo de goede hoop, in the presence of the clerks Jacob van de Waereld and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who duly signed the original minute hereof together with the deponent and me, the sworn clerk. Lower: Which I witness. Was signed: I. D. Karnspek, sworn clerk. Verification. Appeared before the undersigned commissioners from the Honourable Council of Justice of the Castle of Good Hope, the aforementioned Februarij of the Cape, to whom his aforementioned declaration being clearly and distinctly read out word for word, declared, in the presence of his aforementioned master, to persist therein, wishing that nothing more shall be added or taken away, testifying that such is the pure truth. Thus done and verified at Cabo de goede hoop on 14 April 1790. Was signed: cross, and written around it: this mark was set by the deponent with his own hand as being unable to write. Lower: In my presence. Signed: I. D. Karnspek. In the margin: as commissioners. Signed: Tobias Christiaan Ronnenkamp and Abraham Fleck. Today, the 3 April 1791, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honourable Council of Justice of this government, present the hereinafter mentioned witnesses, Sestamber of Mozambique and Mariana, also of Mozambique, both belonging to the burgher Pieter Zeintjes, and of competent age, who, at the requisition of the
Dutch transcription
zulx aanstonds zien konde dat de slaven voor hem opgehan„ den van hun lijfheer waren opgedrost Art„l 26 zegd van die slaven gehoord te of hij gevr: niet weet dat 't hem hebben dat er nog meerdere slaven geenzints geoorloofd is broszende in de berg waaren en dat hi slaven op te houden! gevr: die slaven opgehouden had om door dien weg de ande„ re er bij te kunnen lokken, en om dat hij gevr: op die wyse dezelve des te beeter zoude kunnen magtig worden. — voorn: zegd verder geen intentie gehad te hebben hem gevr: erd daar meede te verrijken en 't zelve alleen gedaan te hebben om die slaven aan de Caab te kunnen brengen door dien hij bevreerd was voor brand indien zij langer in de berg bleeven zegd gedagt te hebben daar of hij over zulx niet bekennen aan wel te doen om ze aan moet door zijn gedrag recht„ de Caab te bezorgen &trecks teegen de wetten gehan„ delt, en daar over zwaare straf„ fe verdiend te hebben „ 22 of hij gevr: ook iets en wat „ 21 zegd zig te refereeren aan zyne hij hou 9e niet is ƒ zijne gegeevene antwoorden Aldus gedaan gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 22 maart 1790 voor de heeren Bijna Johannes van der Riet en Hendrik Justinus de Wet Leeden uit den E Achtb: Rade van Iustitie voorm die de minute dezes benevens den gevo„ ende mij gesw Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 'T welk ik getuige /:was geteekend:/ Darnspek gesw: Clercq:/ Compareerden voor ons ondergeteeken„ de gecomm: s uit den E Achtb:e raade van Iustitie deezes goevernements voorm: gedetineerde burger Pieter Teijntjes, dewelke deese zijne voorenstaan de vraagpoincten klaar en duidelijk: voor„ geleezen weesende verclaarde denzelve /:onderstond:/ hij tot zijne verontschuldiging weet bij te brengen daar daarbij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, betuigende dat zulx de zuivere waarheid is /:onderstond:/ Aldus Gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop dan den 30 Maart 1791 /: was geteekend / Pieter Leintjes /:lager:/ Mij praesent :/ geteekend:/ I. D: Karnspek : / in margine/ als gecom mitteerdens: / geteekend:/ R: I: V: D. Riet en S: I: de Wet:/ Huiden den 22 Maart 1790 Compareerde voor my Johannes Daniel Karnspek gesw Clercq ter Secretarije van Iustitie des Casteels de goede hoop, praesent de de naten: getuigen Februarij van de Caab, lijf¬ „ligen van den gedetineerden burger, Pieter Heijntjes, van competenten ouderdom dewelke ter requisitie van den E Agtb: heer Independent fiscaal dezes gouvernements Iohan Nicolaas steven van Lijnden verclaarde hoe waar is Dat nu circa vier weekens geleeden zonder dat den Comp„t den tijd nader beepaalen kan ter plaatze van zijn Comp=s lijfheen geleegen, aan de Wijnberg, gekoomen waa„ ven vijf marambiekse slaven jongens, wel„ ke op de vraage van zin lyfheers waar zij van daan kwaamen, geantwoord had van de Caab, en wel van den hier re„ moreerende 2 octor Martin opgedrost te te zyn, wijl geen kost kreegen Dat des Comp=s lijfheer op dit bekomen berigt hun gevraagd had, of zij bij hem wilden blyven, met toezegging hun kost te zullen bezorgen; waar in zij bewilligden, wordende door zijn lijfheer in een kamer van zijn 1 zijn woonhuis verborgen, en daagelijk van kost en drank voorzien Dat den Comp„t na dat gerepte slaaven invoegen voorsch aldaar agt daa gen verbleeven waaren, zig Caabwaard begeeven had, met intentie om s' heeren onderschout Matthijssen van deezen handel te verwittigen, doch onder wegen„ door den manh burger Luijtenant Alex ander van Breda die ook naa de „Caab ging opgevangen, en met deszelfs Jongens naa zijn lijfheer te rug was gesonden. Dat den Compt agt daagen naa dat voorval zig geinformeerd hebbende bij zijne meede slaaven, waar de jen¬ gens zig bevonden, en op hun ant¬ woord, dat zij het niet wisten, zulx zelfs nagevorscht en gesien had, dat een slaaven meid van zijn lyfheer in naame Mariana beneevens een Jorgen, genaamd September voorzien van kost zig ten huise uit kle na een digt bij de plaats van zijn lijf„ heer leggend bosch, begaven, dat hij Comp=s hen derwaards gevolgd zijnde, voorm: slaven in het digate van dat bosch ontwaard had, waarop hij andermaal naa deese hoofdplaats zig vervoegd en 's Leeren onderschout Matthijszen van het vooren verhaalde kennis had gegeeven iets meer verclaarende Compt voor reedenen van geeft den wetenschap, als in den heet betuigen de het vorenstaande de zuivere waar„ heid te zijn Dat aldus passeerde ter secre karijl van Iustitie aan Cabo de goede hoop ten biwezen der Clercquen, Jacob van de Waereld en Dirk Jacobus Aspeling als getuigen, die de minute dezes be„ nevens den Comp„t en mij geew Clercq uud behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ /:onderstond:/ g welk welk ik getuige /was geteekend:/ I: D harntpek gedw Clercq 2 Recollement Compareerde voor de onderget: gecommi„ uit den Ed Achtb: raade van Iustitie des Keesteels de goede hoop, voorm: Febru¬ „arij van de Caap, denwelken zijne voorenstaande verclaaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verclaarde deselve in praesentie van deszelfs lijfheer voorn„t daarbij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan werden zal, betuigende dat zulx de zuivere waarheid is Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 14 April /:onderstond:/ 174. . 2 1790 /was geteekend/ kruis / en daar om schreeven (dit merk heeft den Comp„t als niet kunnende schrijven eigenhan„ dig gesteld /: lager / Mij praesent /ge„ teekend / I: D: Karnspek /in margine:/ als gecommitteerdens /geteekend./ _ Tobias Christiaan Bonnenkamp en Abraham Fleek./. Huiden den 3 April 1791 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, Secretaris van den E Achtb„ rade van Justitie dezes gouvernements praesent de nagen en getuigen, sestaa„ ber van Mosambique en Mariana meede van Mosambique beide toe behoorende aan den burger Pieter Zantjes, en van competenten eu„ derdom, dewelke ter requisitie van den
English
to the Honorable, the Lord Independent Fiscal, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That on a certain Sunday, now about a month ago, at around 8 o'clock in the morning, when the appearers' master was not at home, five Mozambique slaves had arrived at his farm, who were immediately provided with food by the appearers' mistress and sent to the mill, not far from the house, where a glass of wine was distributed to each of them; while in the meantime the appearers' master had returned home in the afternoon. That since the appearer's mistress directly thereafter ordered the appearer in this matter to bring the aforementioned slaves to a woods situated close to the house and instruct them to remain there; the appearer had then also executed that order and accompanied the aforementioned slaves to the woods; while the appearer, having returned from there, received from her mistress some pieces of bread with meat, together with two blankets, and a cloth serving for handkerchiefs, and by order of her same mistress, brought them back to the woods and handed them over to those slaves; the appearer then, on the orders of her mistress, having provided the aforementioned slaves for two days with food that was handed to her by her same mistress. Both appearers declaring finally that after the expiration of those two days, two persons, one of whom was very fat and the other very tall and lean in stature, came to the farm, who went with their master to the woods where those slaves were located, and which woods was pointed out by the appearer, and also took the aforementioned slaves away from there. Declaring nothing further, the appearers gave for their reasons of knowledge as stated in the text, being prepared to substantiate the foregoing further. Was subscribed: That this thus transpired at the aforementioned Secretariat, in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Christiaan Ludolph Neethling as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearers and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: W. S. v. Rijneveld, Secretary. Re-examination There appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the aforementioned slaves September and Mariana; to whom their foregoing declaration having been clearly and distinctly read out, they declared that they persist thereby, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, except only that the female slave Mariana testified that she was unable to speak with the aforementioned five slaves, since she was not proficient in their language, testifying in the presence of the detained burgher Pieter Zenkes that all the foregoing is the pure truth. Thus done and re-examined at Cabo de Goede Hoop, 16 April 1790. Was signed: X, X. Lower: In my presence, signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. In the margin, as commissioners, signed: R. J. v. d. Riet and Ab.m Fleck. Today, 3 April 1790, There appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honorable Court of Justice of this government, in the presence of the after-named witnesses, the soldiers stationed under the regiment of Wurtemberg lying in garrison here, Johannes Sprandel and Jacob Fredrik Groshans, both of competent age, who at the requisition of the Honorable Lord Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That the appearers, who some time ago were hired by the burgher Pieter Zenkes to perform some farm work on his farm situated at Rondeboschje, during that time, on a certain Sunday without being able to determine the day or date, when towards midday they returned from the Cape to the said farm, had noticed in a water mill standing on that farm five black boys, completely naked, which five boys got away from there the following day, being Monday, and indeed in the evening, without the appearers having seen them again. The appearers testifying further that neither the said Zenkes nor any of the other members of the household, whether at table or otherwise, spoke anything concerning those slaves in the appearers' presence. Declaring nothing further, the appearers give for reasons of knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the same under oath. Was subscribed: That this thus transpired at the Secretariat aforementioned, in the presence of the clerks Jacob van de Waerend and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who duly signed the minute of this together with the appearers and me, the Secretary. Lower: Which I witness. Was signed: W. S. van Rijneveld, Secretary. Re-examination There appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned soldiers Johannes Sprandel and Jacob Fredrik Groshans, to whom this their foregoing declaration having been clearly and distinctly read out, they declared that they persist thereby, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth, each of them in particular pronounced the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, 22 April 1790. Was signed: J. Sprandel, and around it was written: this mark Groshans made with his own hand as being unable to write. Lower: In my presence, was signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. In the margin, as commissioners, signed: Ryno Johannes van der Riet and Abraham Fleck. Was subscribed: Further [illegible] Of the
Dutch transcription
den E Achtb: heer Independent Fiscaal, Johan Nicolaas Steven van Lijnden verclaarde hoe waar is. Dat op zeekeren zandag, nu om trend een maand geleeden, des morgens arca= 8 uuren, wanneer der Comparanten lijfheer niet te huis was, op deszelfs plaats gekoe¬ men waaren vijf mosambiekse slaven, te welke terstond, door der Comp=te Eijfvrouwe van kost waaren voorzien, en naar de moo„ len, niet verre van het huis versonden alwaar aan ijder van hen een glas wijn was uitgedeeld geworden, Terwijl intus„ schen der Comp te Lijfheer des nadsmiddags was te huis gekomen Dat vermits der Compten. lijfvrouw daals daar aan, aan ze Compten in deesen gelast had, voormelde slaaven, naar een bosch digt bij het huis geleegen, te brengen, en hen aan te leggen, om aldaar te ver„ blijven; zij Comp„te dan ook die ordre had ter uitvaer gebragt en voorm: slaven na het bosch begeleid, Terwijle zij Comp„te van daar te rug gekomen zijnde, van haare lijf„ vrouwe eenige stukken brood met vleesch, beneevens twee Combaarsen, en een Lap„ dienende dienende tot neusdoeken, had ontvangen, en op ordre van deselve haare lijfvrouwe, weder naar het bosch gebragt, en aan die slaaven overgegeeven; hebbende zij Compte. als toe voorm: slaven op last van haare lijfvrou we twee dagen, van eeten, dat haar door deselve haare lyfvrouwe was inhandigd voorzien ten Verclaarende beide de Compten laat stelijk, dat na verloop van die twee dag twee persoonen, waar van de eene zee dik en de andere zeer lang en magen van statuur was, op de plaats zyn gekomen, die met kunnen lijfheer naar het bosch, daar zich die slaven bevonden, en welk bosch door de Comp„te is aan geweesen, zijn gegaan, mitsg„s voorm slaven van daar mede genomen hebben 29 iets meer verclaarende geeven de Compten voor reedenen van wezen schap als in den text bereid zynde het vorenstaande nader gestand te doen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter ƒ secretarije voorm: ten bijwezen de r Clerc„ quen Dirk Iacobus Alpeling, en Christiaan Ludolph Neethling als getuigen, die de mi nute dezes benevens den Compten en mij Secretaris mede behoorlijk hebben onder¬ teekend / lager / 'T welk ik getuige /: was ge„ teekend/ W JV Rijneveld Secretaris Recollement Compareerden voor de ondergetz gecomme. uit den Ed. Achtb: raade van Iustitie des kasteels de goede hoop, voorn: slanen September en Mariana; dewelken hun„ ne vorenstaande verclaaring klaar en dun„ delijk voorgeleezen zijnde, verclaarden dezelven, daar by te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, als alleenlijk dat de Slavin Mariana getuigd met de voorm: vijf slaaven niet te hebben kunnen spreeken, vermits zij hunne taal niet magtig A magtig was, betuigende in praesentie van den gedetineerden burger Pieter zin kes dat al het vorenstaande te zuivere waarheid is Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 16 April 1790 /: was geteekend/X/ X /: lager/ Mij praesent /geteekend:/ I: D: Karnspek gesw Clercq. /: in margine (als gecom„ mitteerdens /geteekend:/ R: S: V: D: Riet en A„m Fleck. Huiden den 3 April 1790 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld Secretaris van den E Achtb„ :onderstond:/ rade rade van Justitie deezes gouvernements praesent de nagen: getuigen, de onder hel alhier in guarnisoen leggend regiment van Wurtemberg bescheide Soldaaten Iohannes Spran„ del, en Jacob Fredrik Groshans beide van com„ petenten ouderdom, dewelke ter requisi„ tie van den E Achtb: heer Independent Cis„ caal Johan Nicolaas steven van Lijnden verclaarde hoe waar is dat de Compten. , die eenigen tijd geleeden door den burger Pieter Hen„ kes gehuurd waren tot het verrigten van eenig boerenwerk op deszelfs plaats geleegen aan ronde bosje, geduu„ rende dien tyd, op zeekeren zondag zonder de dag of datum te kunnen bepaalen, wan neer zijl: teegens den middag vande Caab na ged: plaats te rug keerden, in een op die plaats staande water Molen ontwaard had den vijf zwarte jongens, geheel nakend, wel ke vijf jongens den volgenden dag, zijnde maan„ dag en wel des avonds van daar waaren weg geraakt, zonder dat de Compten die meer gesien hebben Getuigende de Comparanten nog, dat gem: zenkes, nog iemand der overige Hr overige Huisgenooten het zij over Tafel als anderzints in der Comparanten bij zijn iets die slaaven betreffende, gesprooken hebbende iets meer verclaarende geven de Compten voor reedenen van wetenschap als in den text bereid zijnde het zelve des ge„ requireerd wordende met eede te staven /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm: ten bijweezen der Clercquen, Jacob van de Waerend en Dirk Jacobus Aspeling als getuigen die de minute dezes benevens de Compten en mij secretaris meede be„ hoorlijk hebben onderteekend / lager/ welk ik getuige /was geteekend:/ W: J: Van Rijnedeld secret:s Compareerde voor ons ondergeteekende Recollement gecomms G gecomms„s uit den E Achtb: raade van Iustitie deezes gouvernements voorm: soldaaten Johan„ nes Sprandel en Jacob Fredrik Groshans dewelken deese hunne vorenstaande verclaa¬ ring- klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verclaarden dezelven daar bij te blijven per„ Listeeren, met begeerte dat er niet meer bij ofte van gedaan werden zal en sera„ ken dierhalven ter bevestiging der waarheid een ieder van hun in 't bijzonder de soleneele woorden zo waarlijk helpe wij god almagtig. — Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 22 April 1794 /:was geteekend/ I: Sprandel / en en daarom schreeven / dit merk heeft Groshans als niet kunnende schrijven eigen„ handig gesteld / lager:/ Mij praesent /was geteekend:/ I: D: Tkarne xek gesn Clercq:/ /:in margine:/ als gecommitteerdens:/ geteekend:/ Rijno Iohannes van der Riet en Abraham Fleck:/ /:onderstond:/ Nadere l Van de
English
Further interrogatories to be answered before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence and at the requisition of the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, by the detained citizen Pieter Dinkes, named Jantjes at the previous interrogation; his responses to be given shall be recorded in the margin hereof. Appeared before the commissioners from the Honorable Court of Justice the aforesaid citizen Pieter Linkes, who to the interrogatory articles below gave such answers as are recorded beside each of them. Article 1. Whether he, the interrogated party, was at home when the five Mozambique slaves in question arrived or were brought to his place; if not, who was present on the place then? He says no; his wife was present. 2. Where he, the interrogated party, was at that time. He says to have been on that day at Eksteen's, at the Bergvliet, to buy feed. 3. When he, the interrogated party, arrived home. He says to have arrived home that very day in the morning at eight or nine o'clock. 4. On what manner he, the interrogated party, came to know that there were five strange slaves on his place, and what he, the interrogated party, said and did when it was made known to him. He says that since he saw the slaves upon his arrival, he had them asked by his slave named Mariana where they came from. 5. [illegible] 6. Since the interrogated party at his previous interrogation under article 7 said that the five Mozambique slaves mentioned therein came to his place of their own accord, whether this is to be understood in such a way that they arrived on the place without being accompanied by anyone, or whether they were brought there by someone? He says that when he came home, he heard that the said slaves had arrived on the place on their own. 7. If the slaves were brought there, by whom? Lapsed. 8. [illegible] 9. What his wife told him about this. He says to have heard from his wife that the said slaves came of their own accord, and that the slaves were detained by her in order the better to get hold of the others who were in the mountain. 10. Whether he, the interrogated party, upon his return to the place, also conversed with the five Mozambique slaves about one thing or another, and what that conversation consisted of. He says yes; to have asked where they came from, and to have learned from the same slaves that they came from the mountain; he says further to have told the same slaves that they had to remain waiting with him until the other slaves, whom they said were still in the mountain, also joined them. 11. Whether he, the interrogated party, did not approve of the conduct of his wife, and further cooperated with her to detain the aforesaid slaves. He says yes; to have approved the conduct of his wife insofar as to lure the others to join them, as he was afraid of fire. 12. Why he, the interrogated party, did not send the slaves towards the Cape, or at least gave proper notice of the matter, since he lived so close to this capital. He says that his own simple-mindedness was to blame for this. 13. Whether the slaves were sent to the forests immediately, or remained on the place for some time. He says as before. 14. Whether he kept the said slaves for some time before sending them to the forest. He says to have kept the said slaves in the house for another one or two days before sending them to the forest. 15. Whether he accommodated the same until Monday in a bark mill standing near his house. He says yes, to have accommodated the same slaves in the building of the mill in a small room until Monday. 16. Why he did not keep the aforesaid slaves in the bark mill, but sent them from there to the forests on Monday. He says to have sent the same slaves purposely to the forest, in order the better to be able to entice the others to join them. 17. Whether this was not done out of fear that it would become known that he was harboring strange slaves on his place. He says no, not to have done such out of fear. 18. And whether that same fear is not also the reason that he locked the slaves up in the bark mill before he sent them to the forests. He says no. 19. If not, why he then hid the slaves in the bark mill. He says not to have hidden the same slaves in the mill. 20. Whether he, if he had had no evil intention, could not simply have kept the slaves in safety before everyone's eyes. He says not to have been able to lodge the slaves with the others in the house, because his house was too small. 21. Whether he, when the slaves were sent to the forests, did not give them two blankets, and a piece of linen to make headcloths from. He says to have given no more than one old blanket and a piece of linen for two of those slaves for headcloths. 22. Whether the careful feeding of the slaves, and the providing them with blankets and cloths, did not naturally indicate an intention on his part to keep those slaves for himself. He says as before. 23. He says not to have had any intention to keep the same slaves with him. 24. Whether the soldiers of the regiment of Wurtemberg garrisoned here, Johannes Sprandel and Jacob Fredrik Grosham, are also known to him. He says yes, to know the same soldiers. 25. Whether the same did not hire themselves out to him to perform work; if not, whether such was not done by his wife or someone else. He says yes.
Dutch transcription
Nadere Jnterrogatorien om Legt neen zegt des gev: vrouw Compareerde voor ons onder¬ getekende gecomm„e uit den E me daar op voor heeren gecomm„ Achtb: raad van Iustitie nevens„ uit den E Acttb: raad van Iustitie gem: burger Pieter Linkes, desCasteels de goede hoop, ten over„ dewelke op de onderstaande staan, en ter requisitie van vraag articulen zodaanige ant„ den independent fiscaal Johan woorden gegeeven heeft Nicolaas Steven van Lynden als bezijden een ieder derzelver gehoord te worden, de gedeti„ bekend gesteld zyn neerde burger Pieter Dinkes /: bi„ 't voorig verhoor Iantjes gen„t, zullende deszelfs te gevene red¬ ponsiven in margine dezes moeten werden bekend gesteld. Art„l 1 of: hij: gevr: wanneer de vijf 25 mosambiekse slaven in quaestie op zijn gevr: plaats zijn gekomen of gebragt te huis is geweest zoo neen wie erf als dan op de plaats praesent was zegt op dien dag bij Eksteen, aan waar hij gev: op dien tijd ge„ den weest 2 geweest is de Bergrliet geweest te zijn om last te koopen wanneer hij get: is te huis gekomen zegt dien eigensten dag 's morgens om agt of negen uuren te huis ge„ komen te zin bij zijn aankomst gezien heeft en wat hij gevr: toen het hem zegt door des gevr: Mavir, in name Mariana, aan dezelve Hla„ bekend is gemaakt gezegd en ge„ ren te hebben laaten vragen, waar daan heeft zijl: van daar waaren daar de gev: bij zijn voorig ver„ zegt wanneer den gev: te huis gekomen was, gehoort hoor 20 art„l 7 heeft gezegd, dat te hebben, dat dezelve slaven de daar bij vermelde vijff mosam voor hun eigen op de plaats biekse slaven van selfs op zijn gevr: plaats zijn gekomen, of zulx te ver„ aangekomen waren staan is, zodanig, dat dezelve, zonder door iemand begeleed te worden, kend geworden, dat er vijf vrerm„ de slaven, op zijn plaats waaren zegt, vermits den gev: dezelve slaven op welke wijze hem gev„e is be„ ten tie 7. 4. vervald zegt ja. gevraagd te hebben, waar of hij gevr: vijf mosambieksn zijl: van daan kwaamen, en slaven bij zijn terugkomst op van dezelve slaven vernomen de plaats ook over het een of dat zijl: van de berg kwua„ ander heeft onderhouden, en waarin dat onderhoud bestaan zegt nader dezelve sla„ heeft ven gezegt te hebben, dat zijl: zo lange bij hem moesten blijven wagten, tot dat de andere slaven, die zijl: zeijden nog in de berg te zijn mede bij hun kwamen men; of zijn gevr: vrouw hem ook zegt van zijn gevr: vrouw . verhaald heeft, op welke wij vernomen te hebben, dat dezelve slaven van zelve aan, ze de slaven op zijn plaats waren gekomen, en waarom gekomen zijn, en dat de zlaaven door haar opgehou„ zij ze gehouden had? i den waaren, om de anderen, die in de berg waaren des te beter er bij te kunnen vrij zoo de slaven er gebragt zijn, door wien op de plaats zijn gekomen dan wel of zij er door iemand ge¬ bragt zijn gen 10 L gen zegt als vooren zegtja; het gedrag van zin of hij gevr: het gedrag van vrouw goedgekeurd te hebben zijn, vrouw niet heeft goedge„ in zo verre om de andere keurd, en verder met haar er bij te lakken, terwijl hij meede gewerkt, om de bevreesd was voor brand voorsz: slaven op te hou„ den zegt dat de onnozelheid van hem gevr: daaraan schuld is geweest zegt dezelve slaven nog of de slaven terstond na een of twee dagen in huis de basschen zijn gezonden 14 Waarom hij gevr: de slaven niet kaapwaards heeft gesonden, of ten minsten van 't geval behoorlyk kennis gegeeven daar hij gevr: zo digt bij deeze hoofdplaats woon„ agtig was 13 6 wat zijn gevr: vrouw hem daaromtrend gezegd heeft ge dan 1 12 ƒ vrij vervald dan wel nog eenigen tijd gehouden te hebben; alvoo„ vens deselve na 't bosch te op de plaats verbleven zijn zenden of hij gevr: dezelve wert tot zegt ja ! dezelve slaven in 't maandag in een bij zijn ende gebouw van de molen in een huis staande bostmoolen kleine kamertje geherbergt heeft geherbergt 2. ƒ te hebben zegt dezelve slaven expres waarom hij gevr: voorn: „naac het bosch gesonden te slaven niet in de bast hebben, om de anderen molen heeft gehouden, maar des te beeter en bij ten deselve op maandag van daar kunnen takken na de kosschen heeft ver„ sonden zegt neen zulx uit geen vreese gedaan te hebben en of diezelfde vreese ook of zulx niet is geschied uit vreezen dat het bekend zoude worden dat hij gevr: vreemde slaa„ ven op zijn plaats ophield niet 16 15 18 zoo veen waarom hij gevr: zegt dezelve slaven in de de slaven dan in de bastmalen moolen niet verborgen heeft verborgen te hebben zegt niet meer als een oude of hij gevrr toen de slaven na kombaars en een lap linnen de bosschen zijn gezonden voor twee dier slaaven tot niet twee kombaarssen hoofddoeken gegeeven te hel„ heeft meede gegeeven, en ken een lap linnen, om hoofd doeken van te maaken zegt de slaven bij de andere of hij gevr. zo hij geene in huis niet te hebben kwaade intentie had gehad, kunnen bergen, wijl zijn - de slaven niet eenvaudig voor huis te klein was het nog van een ijder in zee„ kerheid had kunnen houden 20 niet oorsaak is, dat hij gevr: de slaven, voor dat hij ze na de bosschen heeft versonden in de badt molen heeft op„ gesloten! zo a aar er„ 9 zegd gan zegt als voren zegt geen intentie geheed te of het zorguuldig &pijsigen hebben, dezelve slaven by der slaven, en de bezorging hem gevr: te houden van deselven met kombaar een en doeken niet natuur„ lijker wijze een voor neemen van hem gevr aanduidde, om die slaven voor zich te behouden 34 of aan hem gevr: aak de„ kend zyn de zoldaaten van 't alhier guarnisoen houdend regiment van Wurtemberg Johannes Spran„ del en Jacob Fredrik Grosham 25 of dezelve zich bij hem gevr: niet verhuurd hebben, tot het va„ zegt ga deselve zoldaaten te kennen zoo neen, of zulx dan niet daar zijn vrouw of een ander is geschied rigten 22 23
English
26 Whether these soldiers were also present when the slaves arrived or were brought to the place. Says no, because the said soldiers usually left the respondent's place on Saturdays in order to be present at the Cape on Sundays. 27 Why the respondent kept it hidden from those soldiers that he had five strange slaves on his place. Says that the respondent does not make such formalities with his servants. 28 Whether the respondent does not understand that this silence necessarily implies an evil intention in him, if it was done on purpose. Says he had no intention to conceal it. 89 [29] Whether they also had knowledge of the detention of the five aforementioned Mozambique slaves. Says he does not know this. 30 Since the respondent said in his previous interrogation at article 20 that he had heard from the five Mozambique slaves that there were more slaves in the mountain, whether the respondent also knows in which language they recounted this to him. Says he heard it through the maid Mariana by translation. 31 If the respondent says by translation, to ask him who the translator was. Lapsed. 32 Whether the respondent also had any intention to transport the aforementioned five slaves elsewhere. Says no. 33 Whether the respondent must not now admit that he truly had an intention to enrich himself by keeping the slaves until the departure of their master, providing them with necessities, and keeping them hidden from everyone. Says as before. 34 If the respondent says he had no intention to keep the same slaves for himself, then to ask him why he sent them to the woods, since he could have kept the slaves much more securely in an enclosed room than in the field. Says he detained the said slaves and provided them with necessities in order to be able to catch the others with them. 35 Whether the respondent knows anything to add for his excuse, and what it consists of. Says he placed the same slaves in the field solely in order to be able to capture the others all the more easily that way. 36 Whether the respondent knows anything to add for his excuse. Says he can add nothing for his excuse, and refers to his previous answers. Thus interrogated and answered at the Cape of Good Hope, the 7th of April 1790, before the gentlemen Carel Mappa and Abraham Fleck, members of the Honorable Court aforesaid, who properly signed the minute hereof along with the interrogated party and me, the sworn clerk. Lower down: To which I testify. Was signed: J: D: Karnspeck, sworn clerk. Review: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice aforesaid, the aforementioned Pieter Denkes, who, having had these his preceding points of interrogation clearly and distinctly read to him, declared that he persisted therein, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, testifying that all the above is the pure truth. Lower down: Thus done and reviewed at the Cape of Good Hope, the 14th of April 1790. Was signed: P: Denkes. Lower down: In my presence, signed: Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: Tobias Christiaan Ronnenkamp and Abraham Fleck. Agrees. Karnspek, sworn clerk. No. 7 Appeared before the Right Honorable and Respected President and members of the Court of Justice of this government: The Independent Fiscal, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio prosecutor, of the one part, against Maria Malang, widow of the late burgher Hendrik Engela, defendant, of the other part. Article 1. And stated: 2. That when a certain slave named Pieter of the Cape, belonging to the defendant in this matter, came in the month of November of the past year to complain about the treatment of his mistress, 3. the ex officio prosecutor immediately caused him to be placed in the jail, 4. and subsequently had him examined by the second chief surgeon Leeuwer, 5. in order to discover whether the defendant had truly committed an offense in punishing or causing the punishment of that slave, 6. and had also given any reason to the abovementioned Pieter to complain about mistreatment. 7. That upon examination of the aforesaid slave, it appeared 8. that not only had a wound to the forehead been inflicted upon him, 9. but also both his buttocks were bruised and partly stripped of skin, 10. as shown by the accompanying surgical certificate, duplicate C. 11. That this course of action (carried out by the defendant's servant, Jan Nagel, and approved by her as mistress), far from falling within the terms of a moderate and domestic castigation, 12. on the contrary, subject to better judgment, may well be classed under mistreatments, 13. which on grounds of humanity, and in following the written laws in the statutory laws of the Indies, have been so strictly prohibited; 14. see the Title of Slaves or Bondmen, after the beginning. 15. That the ex officio prosecutor has therefore deemed it necessary to bring the defendant's conduct to the attention of Your Honors, 16. so that such acts may be curbed in a lawful manner, 17. and serve as an example to others.
Dutch transcription
zegt neen want dat ge„ melde zoldaaten ordinair zaturdags van zijn gevr= vertrokken om sondags aan de Caab praesent weezen zegt zulx niet te weeten of dezelve ook pennis hebben gedragen van de ophouding der vijff mosam„ biekse slaven voorn 28 89 of hij gevr: niet begrijpt zegt geen intentie gehad te zegt dat hij gevr: mat waarom hij gevr: voor die zijn knegts zo veel om„ zoldaaten verborgen heeft standigheid niet maakt gehouden, dat hij vijf vreem„ de slaven op zijn plaats had. 27 of deze zoldaaten ook prae„ zent waren, toen de slaven op de plaats zijn gekomen of gebragt. rigten van boeren werk hebben dat 26 an ros vervald zegt neen hebben om hetselve te ver„ twijgen zegd, door de meid Mariana Daar hij gevr: bij zijn voo„ bij vertolking zill ver„ rig verhoer ad art: 20 gezegd nomen te hebben heeft, dat hij van de vijff mosambiekse slaven ge¬ koord had, dat er meet slaven in den berg waaren, of hij gevr: ook weet in welke taal dezelve hem zulks hebben ver haald ato de gevr. zegt bij vertalking hem te vraagen wie, de tolk geweest is of hij gevr: ook eenig voor¬ neemen heeft gehad om de voorm: vijff slaven na elder te transporteeren dat dit stildwijgen nood wendig een knraad voornee„ men; in hem daet veronder„ stellen, zoo hetzelve met opzet geschied is. of 30 31 32 33 zegt als voren zegt dezelve slavenopge of hij gevr nu niet beeken„ houden en van 't nodige nen moet, dat hij waarlijk voorzien te hebben, om de een voorneemen gehad heeft om anderen er bij te kunnen diet te verrijken, door de slaaven tot het vertrek van hun krijgen lijfheer te behouden, dezelve van 't nodige te voorzien, en voor een ijder verborgen te houden 34 zoo de gevr: zegt geen voorneemen gehad te hebben om dezelve slaven voor zich te behouden, hem als slaven net veel zekerder in een beslooten vertrek als in 't veld heeft kunnen bergen lijker te kunnen magtig worden dan te vragen of hij de waarom hij ze dan na de bosschen heeft gezonden ƒ 35 zegt niets tot zijn verscho- of hij gevr: ook ieks zegt dezelve slaven in 't veld geplaats te hebben, alleen„ lijk om door dien weg de andere des te gemakke ning tot 36 ning te kunnen bijbrengen, en zig te refereeren, aan zijn voorige antwoorden Aldus gevraagd en beantwoord aan Cabo de goede hoop den 7 April 1290 voor de heeren Carel Mappa, en Abraham Fleck Leeden uit den E Achtb: raade voormeld die de minute dezes benevens den geinter„ en mij gezwClercq mede behoorlyk hebben onderteekend /: lager:/ 't welk ik ge„ tuige /:was geteekend:/ I: D: Karnapeek gesir Clercq:/ 2 Recollement; Compareerde voor ons ondergete gewoinm=t uit den E Achtb: raade van Iustitie voorm:, voormelde Pieter Denkes dewelke deese sijne voren, klaar en dui„ staande vraagpoincten delijk voorgeleezen wezende verclaarde denzelven daarbij te blijven persisteeren /:onderstond:/ tot zijne verschooning weet bij brengen en waar in zulx bestaat met niet begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, betuigende dat al het vo„ venstaande de zuivere waarheid is /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 14 april 1790 /:was geteekend :/ B: Denkes /:lager:/ Mij praesent:/ geteekend:/ Iohannes Daniel Karnapek gesw Clercq /:in margine:/ als gecommit„ „teerdens: / geteekend:/ Tobias Christiaan Ronnenkamp en Abraham Fleek:/ Accordeert. Damsper Vamn Clerg N:o 7 Compareerde voor de Wel Edele en Achtbaare heeren Praesident en raaden van Justitie dezes gouvernements de Independent Fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden B: O: Eisscher ter eenre centra Maria Malang wed=e wijlen den burger, Hendrik Engelar gedste ter andere zijde zich in de maand November des gepasseerden jaars over de beehandeling zijner lijfvrouwe was komen bekla„ gen de r: O: Eiss„r denzelven terstond in den Tronk heeft 4: doen plaatsen en vervolgens door den tweeden oppermeester Leeuwer laaten examineeren 5 ten einde te ontdekken, of de gedaze in 't straffen of laaten straffen van dien slaaf zich wezentlijk vergreepen 6 en aan bovengem: Pieter ook eenige reden gegeeven had., om over mishandeling te klaagen Art: 1 Ende dede zeggen 2: dat wanneer zeeker slaaf in naame Pieter van de kaap toe behoorende aan de ged=de in dee„ zen 7 Dak 12 Dat bij visitatie van evengem: slaaf gebleeken is dat aan denzelven niet alleen was toegebragt eene wonde aan 't voorhoofd maar ook deszelfs beide billen gakneusd en ge„ deeltelijk ontveld waaren 10: blijkens het nevensgaande Chirurgicaal altest dub C=a 11 Dat deze handelwijze /:door der ged=tes knegt, Jan Nagel uitgevoerd, en door haar als lijfvrom geapprouveerd:/ wel verre van te vallen in de termen van eene noodicque en domestique Casligati in teegendeel, salve meliori, wel kan gebragt worden 12 onder de mishandelingen, welke op gronden van menschelijkheid, en in 13 naarvolging van de beschreeven rechten in de statutaire wetten van Indien zo scherpelijk zijn verboden geworden ved:, den Titul van slaven ofte Lyfeigenen poot initium 15 Dat de r: O: Ess„r der ged=te gedrag overzulx ver„ meent heeft onder 't oog van UEE Achtb te moeten brengen, 16 ten einde diergelijke daaden op eene rechtmaa tige wijze beteugeld, 17 en anderen ten voorbeelde zoude kunnen 14 worden
English
be punished. For which and other reasons and arguments to be further substantiated in due time, if necessary, the Public Prosecutor, making his demand, concluded that the above-mentioned slave named Pieter van de Caap shall, by order of Your Honorable Esteemed Court, be sold publicly for the benefit of the defendant, under the express condition of never again coming into the hands of the defendant or her family, with further condemnation of the defendant to a fine of Two hundred Rixdollars for the treasury with expenses, or to other penalties. Signed I: N: S: van Lynden. In the margin: Exhibited in Court on the 7th of January 1790. I, the undersigned, declare at the requisition of the Honorable Esteemed Independent Fiscal, I: N: S: van Lijnden, to have examined today in the Honorable Company's prison a certain male slave named Piet van de Caap, belonging to Mistress the widow Engelaar, who was found to have suffered from beatings a light superficial wound on the forehead and both his buttocks bruised and partially excoriated. Below stood: Cabo de Goede Hoop, the 20th of November 1789. Was signed: J:s Leuwer. Declaration made before the Gentlemen Commissioner Members of the Honorable Esteemed Council of Justice of this government by and on behalf of the slave of full age named Pieter van de Caap, of competent age, at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Esteemed Johan Nicolaas Steven van Lijnden, reading as follows: That the deponent, who was a bondsman of the burgher Hendrik Engelen and residing at the place named Koeberg, on a certain day to the best of his recollection, now well over one and a half months ago, and eight days after the death of his aforementioned master, was ordered by a servant named Jan Nagel, still residing on the same place and with the widow of the aforementioned Engelaar, to go along with other boys to a piece of land belonging to that place in order to cut barley, and that he had applied himself to that work without any delay. That the aforementioned Jan Nagel, having also come to the field in the afternoon, had lain down among some sheaves of barley to sleep a little, after first having told the boys at work that they could rest a little and then had to return to their work; whereas subsequently towards evening the same Nagel, inspecting the work and not finding it advanced enough to his liking, had first beaten the boys who were assigned to binding the sheaves, and had subsequently also come to the deponent, whom he, notwithstanding the excuse he offered, had beaten with a rattan cane in such a manner that it was broken into several pieces, while the deponent had received a wound to the head from those blows; whereupon the deponent had gone to the slave lodge. That the deponent the next morning, due to severe pain from the aforementioned received blows, had not found himself able to go perform his work in the field, and therefore had asked a shepherd present on the place to go to the main house and report this situation to the mistress of the deponent; whereupon shortly thereafter the deponent's mistress had come outside, while in the meantime the said Nagel was in the slave lodge and wanted to force the deponent with blows to go work in the field; from which the deponent requested to be spared, with repeated declarations of not being able to work because of the pain he felt; upon which saying the aforementioned Nagel called out to the deponent's mistress that the deponent refused to go to work; whereupon the aforementioned mistress of the deponent ordered some boys to be called from the field to put him in irons. That a little while later, when the deponent's mistress had returned into the house, some boys having come pursuant to her order, the deponent was placed in irons, whereby he was laid down and held fast by them, while he was grievously beaten by the aforementioned Nagel with a sjambok, such that some of the scars, which he showed to the Gentlemen Commissioners, are still visible today. That the deponent, after he was released again, had wanted to go to the main house in order to lodge his complaint about that ill-treatment with his mistress, but was prevented from doing so by the mentioned Nagel, who had driven the deponent back and to the field with sjambok lashes, where the deponent went back to work until about eight o'clock, when it being dinner time the other boys had left from there, while he, however, instead of returning home with them, had gone inland and into some bushes, where he had spent the following night, and subsequently, because out of fear of further ill-treatment he did not dare to go home again, after considering that in such a manner he could no longer endure it at the place of his mistress, and also that by wandering further he might, through want or otherwise, become guilty of excesses and thereby end up in the most dreadful situation, had resolved to make his way toward the Cape in order to lodge his complaint there with the judge regarding the extreme ill-treatment; which he then also put into effect, and arrived at the Cape on the third day thereafter, where he on that same day, after first having been interrogated, was placed in the trunk. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared to substantiate the foregoing further. Below stood: Thus related at Cabo
Dutch transcription
worden gestraft it welke en andere redenen en middelen in tijden wijlen is 't nood nader te adstruceren, de R:O: Eisscher, eisch doende concludeerde, dat bovengem Slaaf in naame Pieter van de Caap ter ordre van UEE Achtb publicq ten profijte van de ged=te zal worden verkogt, onder expresse Condi„ tie van nooit wederom in han„ den van de ged=te of derzelver famille te mogen geraaken met verdere Condemnatie van de ged=ste in eene boete van Twee honderd Rijxdaalders pro fisco cum expensis, ofte tot anderen ka„ /:was geteekend I: N: S: van Lynden /: in margine:/ Exhibitum in Judries den 7 Jannuarij 1790 Ik ondergeteekende verclaare ter requisitie van den E Achtb: heer Independent fiscaal, I: N: S: van Lijnden op heeden in s' E Comp„s gevangenhuis, gevisiteerd te hebben zeekere mensslaaf genaamd Piet van de Caap, toe„ behoorende Jufvrouw de wede. Engelaar welke door plaagen, bevonden te zijn toegebragt een ligt superficieel wonde aan 't voorhoofd en deszelfs beide billen ge„ kneusd ver¬ kneusd en gedeeltelijk ontveld. /:onderstond:/ abo de goede hoop den 20 Novem ber 1789 /:was geteekend:/. J:s Leuwer claas gegeven ten over staan van heeren gecomm: Leeden uit den E Achtb: raade van Justi tie deezes gouvernements door ende vanweegens den sla„ renjarigen in naame Pieter van de Caal, van competenten ouderdom ter requisitie van den onde„ pendent fiscaal de E Achtb: heer Johan Nicolaas Steven van Lijnden, luidende het zelve als volgt: Dat de rel 1/ die een lijfeigen is geweest van den burger Hendrik Engelen en woon„ agtig ter plaatse Koeberg genaamd, op zeekeren zeekeren dag na dezelfs besten anthoud, nu ruim een en een halve maand geleeden, en agt dagen na het overlijden van geme: zijn lijfheer door een op dezelve plaats en bij de wede aanged=e Engelaar nog woonagtig zijnde knegt in naame Ian Nagel gelast zijnde gewor„ den om beneevens andere jongens naar een stuk Land tot die plaats behoorende te gaan, om garst te znijden, ook zonder eenig uitstel zig aan dat werk had begeeven. — Dat gem: Jan Nagel des nademiddags meede op 't Land gekomen zynde, zig tusschen eenige garven garst om wat te slepen had ne„ dergelegd na alvoorens de aan 't werk zijnde Jongens gezegt te hebben dat zij wel een wee¬ nig konde rusten en dan weder aan hun werk moesten gaan, terwijl vervolgens tegen den avond dezelve Nagel, 't werk bezigtigende en het zelve niet genoeg naar zijn din gevorderd vindende, eerst de jongens die aan 't opbinden der garven gesteld waa„ ren, geslagen had, en vervolgens meede bij den ret=t was gekomen, dewelke hij niet tegenstaande zijne bijgebragte verontschuldiging dermaaten met een rotting had geslaagen, dat dezelve daardoor in verscheide stukken gebrooken was, ter wil door die slagen de relt: een worde aan 6 heer aan 't hoofd had bekomen: hebbende de rel„t zich daarop naar 't slaven huis begeeven. — Dat desrel„ts des anderen daags morgens zich van wegens zwaare zijn door de gem: beko meneslagen niet in staat, bevonden had om op 't Land zijn werk te gaan ver rigten en oversulx aan een op de plaats zich bevindende schappen wagter verzogt had naar het woonhuis te gaan en aan de Lijfvrouw van de zel„t deeze zijne aitu„ ctie te berigten: waar op ook kort daarna des rel=ts huisvrouw was buiden gekomen terwijl in tusschen ged=e Nagel zich in het slavenhuis bevond en den zel„t met slagen wilde dwingen om op het land te gaan arbeiden; waar„ van hij ret„t verzogt bevryd te blyven, onder herhaalde betuiging van niet te kunnen werken wegens de zijn welke hij gevoelden op welk zeggen gerepte Nagel des relts huisvrouw toegeroepen had dat hij rel„t zig niet aan 't werk wilde begeeven; waar op gem: Lijfvrouw van den rel„t had geloot ee„ nige Jongens uit het Land te roepen om hem in de boeien tezetten Dat Dat een weinig daarna wanneer des rel=ts lijfvrouw zig weder in huis had begeven ingevolge haare last eenige jongens gekomen zijnde, den rec„t„ niet in de boeren geslooten waar door hen was nedergelegd en vast gehouden, terwijl hij door voorm: Nagel met een sjambok deerlijk geslagen was zoodaanig dat daarvan eenige Listee„ kenen, welcke hij aan H: H: gecomm: heeft vertoond op heeden nog zigt, baar zijn. Dat de rel„t na dat hij weder los gelaaten was zig naar het woon huis had willen begeven ten einde zijn beklag wegens die mishandeling bij zijne lijfvrouw in te brengen, dog hier in was tegengehouden door gerep„ te Nagel die hem rec„t met sjambok slaeigen terug en naar het Land had ge„ dreeven alwaar hij relt: weder aan het werk was gegaan tot tegen agtuuren, als wanneer heteetens tijd zijnde de andere jongens van daar weggegaan waaren, terwijl hij egter in steede van met henlieden na n - na huis te keeren zig weeder Landwaards en eenige bosjes had begeeven, alwaar hij de volgende nagt had doorgebragt en vervolgens dewijl hij uit vreeze voor verdere mishandelingen niet durvende weder na huis gaan, na overweeging dat hij op zodaanige wijze het ter plaatze zijner Lijfvrouw niet langer konde uitstaan en ook niet verder om tezwerven zig door gebrek als anderzints aan excessen mogt komen schuldig te maaken en daar door in de akeligste situatie zoude kunnen komen beslooten had zig saapwaards te begeeven omme aldaar wegens de verrogaande mishandelingen zijn be„ klag bij den regter in te brengen, 't welk hij dan ook werkstellig had gemaakt, en de derde dag daaraanvolgende aan de Caap was gearriveerd, alwaar hij nog dienzelven dag na alvoorens verhoord te zijn geworden in de twuk was geplaatst Niets meer relateerende geeft den rel„k voor reedenen van wetenschap, als in den text bereid zijnde het vorenstaan„ de nadergestand te doen /:onderstond:/ Aldus gerelateerd aan Cabo
English
Cape of Good Hope, the 6th of January 1790, before the gentlemen Salomon van Echten and Johannes Smuts, members of the Honorable Council of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof alongside the deponent and me, the secretary. Lower stood: Which I witness, was signed: WJ Rijneveld, Secretary. Confirmation: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the said Pieter van de Caap, to whom this his foregoing report having been read clearly and distinctly, he declared to persist in remaining thereby, with the desire that nothing more shall be added thereto or taken therefrom, testifying in the presence of the firewarden Sr Arend van Weeligh, as representative of Mrs Engelaar, that such is the pure truth. Underneath stood: Thus done and confirmed at the Cape of Good Hope, the 15th of March 1790. Signed: and written around it: this cross was made by the appearer's own hand, as he cannot write. Lower stood: In my presence, signed: Rarnspek, sworn clerk. In the margin: as commissioners, signed: B: S: V: D: Riet, and S: I: de Wet. Answer drafted and most respectfully submitted to the Right Honorable and Honorable Lord Johannes Isaak Rheniers, president, alongside the further Right Honorable and Honorable lords councillors of Justice of this government, by and on behalf of the burgher firewarden Sr Arend van Wieligh, as general proxy for Maria Malang, widow of the late burgher Hendrik Engela, defendant on the one part, versus the Independent Fiscal of this government, the Right Honorable and Honorable Lord Johan Nicolaas Steven Baron van Lynden, ex officio plaintiff, on the other part. Right Honorable and Honorable Lord, Right Honorable and Honorable Lords. The defendant in his said capacity, after having first expressed his most humble thanks to Your Right Honorable and Honorable Worships, with all dutiful respect, for the copy very graciously granted to him of the claim submitted by the Honorable Lord ex officio plaintiff and attached documents, as well as the deadline to serve with an answer on this day, shall now have the honor briefly to remark the following: That one cannot with any reason expect of those who possess the use of their senses that they, except out of the most pressing necessity, would punish or chastise their bondservants, upon whom in these parts of Africa the principal part of their worldly existence is often bound and attached, and most especially in the countryside. No! But it will surely be a particular pleasure and gratification to every right-minded Christian when they can make their bondslaves obey with words, and bring them to the performance of their duty. Meanwhile, continual experience has taught that it is almost entirely impossible to govern the slaves at this corner of Africa, and in particular outside this capital, by words or reasoning, and to bring them to their duty. Indeed, some are of such a recalcitrant disposition that they not only cannot or will not be governed by words, but that they thereby increase from day to day in insolence, disobedience, and brutalities against their lawful masters or mistresses; wherefore one is also not infrequently brought to the uttermost necessity of punishing and chastising them in a proper manner. And this, Right Honorable and Honorable Lords, was precisely the case in which the principal defendant found herself, who, for the continuation of her agriculture, has been brought to the unavoidable necessity of having to keep a very considerable number of slaves, who, so far as the defendant is aware, have never, neither by her deceased husband nor by her, been mistreated in any respect; nor have any complaints ever been brought on that account, neither to the Honorable Lord ex officio plaintiff nor to anyone else, until now recently by one of her bondservants named Piet van de Caab, who, by a report entirely destitute of all truth, has done nothing but grossly mislead the Honorable and Worshipful Lord ex officio plaintiff; on which account the defendant in his said capacity is obliged not only to disclose the true circumstances of this matter, but also the malicious disposition of this slave before Your Right Honorable and Honorable Worships. Concerning the latter, Your Right Honorable and Honorable Worships will please reflect that this slave boy named Piet van de Caap, for three years past, has distinguished himself above the others of their bondservants in disobedience, obstinacy, and bold brutality against his master and mistress and theirs, as appears from a declaration annexed hereto under Letter A, deposited at the requisition of the defendant by the gunner's mate in the service of the Honorable East India Company, Johan Fredrik Pauwels, who has already lived with the defendant for three years as a schoolmaster; from which it will manifestly appear that the slaves of the defendant, both during the lifetime of her late husband and after
Dutch transcription
C:abo de goede hoop den 6 Iannuarij 1790 voor de heeren Salomon van Echten en Iohannes Smuts Leeden uit den E Achtb: raade van Justitie voormeld die de minute dezes beneevens den relatant en mij secretaris mede behoorlijk hebben onderteekend /:lager :/ T welk ik getuige /:was geteekend:/ WJ Rijneveld. Secretaris: Recollement; Compareerde voor ons onderget: gecomm=s uit den E Achtb: raade van Iustitie dezes gouver nements, gem: Pieter van de Caap, dewelke dit zijn vorenstaand relaas klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verclaarde denzelven daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, betuigende in praesentie van den brand„ Meester S=r Arend van Weeligh als gem: van Jufvrouw Engelaar zulx de zuivre waar= heid te zin /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 15 Maart 1790 /: geteekend/ 4 En daar om schreeven, dit kruis heeft den ƒ aan te o den Comp„t als niet kunnende schrijven eigen handig gesteld /:lager:/ Mij prresent /: geteek Rarnspek gesw Clercq: /:in margine:/ als ge committeerdens /:geteekend/ B: S: V: D: Riet, en S: I: de Wet:/ Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedigst overgegeeven aan den WelEdele Achtbaaren heer Iohannes Isaak Rheniers, praesident bene vens de verdere WelEdele heeren raaden van Justitie deses goe „vernements, door ende ra weegens den burger brand meester Sr Arend van Wiele als generaale gemachtigde van Maria Malang weduwe wijlen den burger Hendrik Engela gedaagdesse ter eenr den Independent fiscaal dezes gouvernements de Wel Edele Achtbaare heer ! Johan Nicolaas Steven Baron va zijnden Rat: off Eisscher te andere zijde WelEd: Achtb: Heer Contra WelEdele Heeren. Den q9 ged: na alvorens UWlEdele Achtbaer„ rens met alle pligtschuldige eerbied voor de zeer gunstig aan hem verleende Copia van den E Achtb: Heer I: O: Eijsschors ingedienden Eisch en annexe documenten mitsgaaders termijn om op heeden te dienen van antwoord zijnen needrigsten dank betuegd te hebben, zal thans de Eere hebben het volgende kortelijk te remarqueeren Dat men met geene reedenen van die gee nen, dewelken het gebruik hunner zinnen magtig zijn verwagten kan dat dezelven buiten de drin„ gendste noodzaakelikheid hunnen Lijfeigenen waar aan in deese gedeeltens van afriea het voornaamste al dikwijls van hun teidelijk bestaan verbonden en verknogt is en wel voornaamentlijk ten platten Landen zullen straffen of kasteijden neen! maar het zal gewistelijk een eijder regt geaard Christen tot een bijsonder vermaak en vergenoeging zijn wanneer zij hunne Lijffeijgene slaven met woorden kunnen doen gehoorzaamen, en tot het uitoeffenen van hunnen pligt brengen en ondertusschen n goe va eu el b eenr al Wel Jhan va ter 70 ondertusschen heeft de geduurige ondervinding ge„ leerd, dat het beijnaar volstrekt onmoogelijk is, om de slaaven aan deese uithoek van africa en wel insonderheid buiten dese hoofdplaats door woorden of reedenen te regeeren en tot hunnen pligt te brengen Iaa zelfs zijn zommigen van zoodaa„ nigen eenen wrievelen inbokst, dat zij door woor„ den niet alleen niet kunnen of willen ge regeerd worden, maar dat deselven daar door van dag tot dag, in vlleeldtheid, on„ gehoorzaamheid en brataliteiten teegens hun„ ne wettige lijfkeeren of vrouwen toeneemen waarvm men dan ook niet zelden, in de uiter„ ste noodzaakelijkheid gebragt word om deselve op eene behoorlijke wijze te straffen en te kasteijden En dit WelEdele Achtbaare Heeren was gunst het geval waarin zig de principaa„ le gedaagdesse bevond dewelke tot voortzet„ ting van haaren ackerbouw in de onvermeij„ telijke noodzaakelijkheid gebragt is om een zeer aanzienlijk getal sleeven te moeten houden, dewelken zoo veel de ge„ daagdes de bewust is nimer nog voor haaren overleedenen man wogte door haar in eenige te opzigten zyn mishandels mishandeld geworden zijnde ook diesweegens nimmer eenigte klagten, nogte bij den E: Achtb: heer E: O: Eisscher nogte bij iemand anders in gebragt dan nu onlangs door een haarer Lijfen„ genen genaamd Piet van de Caab, dewelke door een geheel en al van alle waarheid ontbloote relaas den Edelen Achtbaaren heer 7: O: Eisscher niet dan atroffeleijk heeft misleijdt; weshalven den qq gedaagden verpligt is omme niet alleen de waare vonstandigheeden deezer zaak, maar ook den quaadaardigen in borst van deesen slaaf voor UWelEdele Achtbaarens openteleggen; betreffende dit laatste zullen U WelEdele Achtbaarens gelieven te reflecteeren dat deesen slaven Jongen genaamd Piet van de Caap zeedert drie gaaren herwaards in ongehoor zaamheid, waerspannigheid en kooen bru¬ talitad: teegens zijne Lijfheer en lyfvraumen en de hunnen zig booven de anderen van hun nen Lijffeigenen heef gedistingueert, bleijkens eene ten deesen geannexeerde verclaaring zul L: A: door den Constaapelsmaat in dienst der E: O„ Compagnie Johan Fredrik Pauwels die bij de gedaagdesde reeds drie jaaren als school„ meester heeft gewoond ter requisitie van - de gedaagdesse gedeponeerd waaruit manifest zal blijken dat de slaaven van de gedaagdelde zoo wel beij Leevens tijdt van wijlen haaren man als naar
English
after his death, have always been treated in a decent and reasonable manner, but however reasonably and properly the aforementioned Piet van de Caap was treated, he was by no means improved thereby, but gave such free rein to his malice and so completely lost sight of and trampled underfoot the respect which he owed to his master and mistress and theirs, that already well over a year ago, when something was ordered by the principal defendant to one of her young slave boys named Esau, who is a child of the oft-cited Piet, which was not carried out, wherefore the principal defendant sent her youngest little son named Hendrik Engele to the said slave boy Esauw to see whether her order had been executed, which son of the defendant, seeing that the order of his mother had not been carried out by the slave boy Esauw, gave him a few slaps with the hand on that account, whereupon the father of the said child, the thought Piet van de Caap, rushed up and on that account inflicted a few blows upon the little son of the principal defendant. A far-reaching insolence, not only, Honorable and Worshipful Sirs! but also a crime which, according to the Statutes of India, may be punished by death; no wonder then, that when the little son of the principal defendant complained about this to his now already deceased father, the latter asked his slave Piet van de Caap, frequently mentioned, who gave him the power to beat his children, and ordered him to remain standing where he stood, so that he might speak with him further, but the same, having now already banished all obedience, complied by no means with this order of his master to remain standing, but went away from there at once, whereupon his master, the defendant's late husband, had a gun brought to him, as he was too corpulent to run after this rebellious slave, and aimed the gun at him, but this malicious slave, instead of remaining standing, took himself among a herd of horses, and from there called out to his master in great rage these insulting words: if you want to shoot, then go ahead and shoot, with respect, by thunder and lightning, all according to the said declaration of Johan Fredrik Pouwels under Letter A, upon the resumption of which declaration Your Honorable Worships will further discover how in the month of October of the past year One thousand seven hundred and eighty-nine, when the aforementioned slave Piet van de Caap was busy carrying some dung behind a kraal, at which work the eldest son of the principal defendant, named David Jacob Engelaar, was also present, when he asked the said slave Piet van de Caap where one of his fellow slaves was, to which he was answered very impertinently and insolently that he, Piet, was no minder of that boy, for which improper statement the aforementioned son of the defendant inflicted some blows with the cane upon the slave Piet van de Caap, whereupon this slave Piet, while uttering many abusive words spoken in the Portuguese language, went to the slave quarters, and returned shortly thereafter, keeping something hidden under his jacket with his hand, which was afterwards discovered to have been a knife, according to the declaration cited hereinbefore and produced to Your Honors under Letter A. The defendants do not doubt in the least that these two passages will be more than sufficient to irreproachably demonstrate to Your Honorable Worships the malicious and rebellious nature of this slave Piet; now the defendants in their capacity will have the honor to lay open to Your Honorable Worships the true state of the affair, which has been related entirely untruthfully and wrongly by the principal defendant's slave Piet van de Caap to the Honorable Worshipful Officer, the Plaintiff, without addition or subtraction, to which end Your Honorable Worships may please be informed: That in the recently past year, while the slaves of the principal defendant were busy cutting the ripe barley from the field, over which work the principal defendant had appointed as overseer her servant, the burgher Johannes Nagel, a person who with all people who know him in the least is known as a man of very good conduct, and about whose mistreatment of slaves no complaints whatsoever have ever been made by anyone wherever he has been, as the principal defendant can prove further if necessary. When the aforementioned servant Johannes Nagel during this work instructed the oft-mentioned Piet van de Caap and the other slaves working on the land not to spill the barley, and in particular recommended the said Piet to watch out for this, which however was completely neglected by him so that much of the cut barley was lost. The said servant Johannes Nagel, to whose supervision all of this was entrusted, gave the disobedient slave Piet a few blows with the cane over this. Yet this slave, far from being brought to his duty by this, put himself in a fighting stance against the oft-mentioned servant Johannes Nagel, grinning
Dutch transcription
naar zijn overlijden altoos op eene behoo„ lijke en reedelijke wijze zijn behangeld ge„ worden, dan hoe reedelyk en behoorlijk ook gem: Piet van de Caap wierd behandeli zoo is egter denzelven daardoor geenzints re beeterd, maar heeft zijne boorheeden zoo verre gevierdt en het ontzag het welk hij zijn lijfheer en Leijfvrouwe en de hunmen verschuldigt was uit het dog verlooren en met voeten vertrapt, dat hij nu reeds ruijm een jaar geleeden wanneer door de principalen gedaagdesse iets aan een haarer slaaven Iongetjes met naame Esau het welk een kind is van den meergeciteerden Piet geordonneert wierd, het welk niet wierd volbragt, waaromme de principaale gedaagde de haar jongste Loortje in naam Hendrik Engele, naar gemelde slaaven jongetje Esauw, zond om te zien off haar bevel volvoerdt was geworden, wel„ ke zoontje van de gedaagdesde ziende dat het bevel van zijne moeder door het slaven jongetje Esauw niet wasten uitvoer gebragt, denzelven daar oover eenige slaagen met den hand hadde gegeeven waarop de vader van hetzelve kind, gedagte Piet van de Caap was toegevloogen en het zoontje van de principaale principaalen Gedaagdesse diesweegen eenige slaagen heeft toegebragt. deene verregaande assurantie niet alleen wel Edele Achtbaare Leeren! maar ook een misdaad die volgens de Indische statuuten met de dood kan gestraft worden; geen wonder dan ook dat wanneer het zoontje van den principaale gedaagdesse dies weegens klagtig viel aan zijnen nu reeds overleedene vader, denzelven aan zijnen slaaf Piek van de Caab, dikwils genoemd afvraeg wie hem magt gaf om zijne kinderen te slaan en hem ordonneerde omme te bleijven ztaan waar hij stond, dat hij hem nader spreeken zoude, dog denzelven nu reeds alle obedientie verbannen hebbende voldeedt, geen„ zints aan dit bevel van Teynen heer om te blijven staan, maar ging wel terstond: van daar, wanneer zijn lijfleer weijlen des Gedaagdeszes man hem een geneer liet brengen terwijl hij te zwaarlijvig was om deeren hem weerspannigen slaaf na te loopen, en leijde met het geweer op hem aan, dan deesen kwaadaardigen slaaf in plaatse van te blijven staan begaf zig onder een trop paarden, en riep van daar zijnen Lijfheer met groote woeden deese hoonende woor¬ den toe, als gij tot schieten wil schiet dan maar toe. S: V: voor den donder en blixem blixxem, alles bleijkens de gemelde verklaa¬ ring van Johan Fredrik Pouwels sub La A bij resumeptie van welken verclaaring & WelEdele Achtbaarens al verder zullen ont„ waaren, hoe in de maand October van het gepasseerde jaar Een duisend seven hondert Negen en tagtig, wanneer den evengemelde beesig Slaaf Piet van de Caap was eenig naast agter een kraal te draagen bij welk arbeid de oudsten zoon van de Principaale Gedaagdede met naame David Iacob Engelaar zig meede bevond, wanneer denselven aan gedagte slaaf Piet van de Caap vraagde waar een zijner meede slaaven was als toen door denzelven zeer in pertinent en brutaal wierd geantwoord, dat hij Piet geen oppasser dier Jongen was, om welk onbehaamelijk zeggen„ door des gedaagde des evengemelde zoon den slaaf Piet van de Caap eenige sleegen met den rotting wierd toegebragt, waar„ op denselven onder het uiten van veele in de portugeesche haal uitgesprookene scherdewoorden deese slaaf Piet zig begaf naar het slaavenhuis, en kort daarop weederkwam, en iets onder zijn laatge met zijn hand verborgen houdende het welk daar naar wiert ontdekt een mes geweest te hebben, bleijkens de verclaa¬ ring ling hier vooren geciteerd, en suE Ed: an A: ten deeren geproduceert. Iingi gedaagden tweijfffelt geensints 14 t of deese twee passasien zullen verdne genoeg zijn om UwelEdele achtbaarens den knaadaar„ digen en weerspannigen in borst van deese slaaf Piet irreprochabele aantetoonen thans zal de qq gedaagden de eer heb¬ ben omme UWelEdele Acttbaarens den waaren toedragt der zaak die geheel onwaaragtig en verkeerdelijk door des principaalen gedaagdesses Lyfeigen nen Piet van de Caap van den E Achtb„ heer E: O: Eisscher is gerelateerd, zonder af of toedoening open te leggen, ten welken einde UWelEdele Achtb: gelieven ge¬ informeert te zijn Zoo in het jongst verloopen Jaar de slaaven van de principaale gedaagdesde beezig waaren om van de akker de reijs gewordene garst af te sneijden, over welken orderd den prin¬ cipaalen gedaagdesze als toesigter hadden gesteld haaren knegt den burge Johannes Nagel, een persoon die bij alle Lieden die hem maar eenigsints kennen te boek staat voor een man van gen 6 van zeer goede conduiten, en over wiens mis handeling van slaaven door niemand waar hij ook ooit geweest is eenige de minste klagten zijn gedaan, kunnen de principaale Gedaagdesze des noods zulks naader beweijsen. Wanneer den evengemelde knegt Johannes Nagel bij deesen arbeid meer gemelde Niet van de Caab en de andere op het land arbeidende slaven aanbevon om niet met de Garst te morssen en in het bijzonder gemelde Piet recom„ mandeerde om daarop te passen, het welk egter door denzelven ten eenema le wierd verwaarloost zoo dat veele der gesneedene garst verlooren ging Den gemelden knegt Johannes Nagel aan wiens opsigt dat alles wes toevertrouwd gaf den ongehoorsaa„ men slaaf Piet hier over eenige slaven met den rotting Dan deesen slaaf wel verre van hier door tot zijnen pligt gebragt. te worden, stelde zig teegens meergemel„ de knegt Johannes Nagel in postuur„ greijnende
English
grasping the cane and holding it fast, a conduct as improper as it is punishable for a slave. It was therefore, Honorable Worshipful Gentlemen, that this knegt, having first wrested the cane with force from the said recalcitrant slave Piet, inflicted several more blows on him with it, whereupon the said slave Piet wished to run away from the field, which however was rightly prevented him by the oft-mentioned knegt, and he was compelled to work again. Yet the following day, when the oft-cited knegt, with the slaves of the principal defendant, wished to cut the rest of the barley still standing in the field, he found that the said bondsman Piet was not present, and learned from the other slaves that the said Piet could not come, but wished to remain lying in his bunk; indeed, that he had warned them that if any of them were sent to fetch him, they would do well to refrain from doing so, as accidents would happen according to him; a conduct which the defendant qq. trusts Your Honorable Worships will please to avow, which in no way accords with the respect, reverence, and obedience which a slave owes to his lords and masters. Then the frequently mentioned knegt Nagel, upon that report, left the field and called some of the slaves to him in order to have assistance in case the insolent slave, whom he now saw was malicious enough to execute his threats, wished to commit any violence. When some slaves received orders from the just-mentioned knegt to bring the slave Piet out of the slave-house, who, when they came into the slave-house, were addressed anew by the said Piet not to touch him, as otherwise accidents would occur; but the oft-mentioned knegt Nagel, springing forward thereupon, the same was seized by him and the slaves present, and thereupon laid down and given a thrashing with a sjambok, as appears from a declaration annexed hereto, deposed at the request of the principal defendant by the citizen Johannes Nagel sub Littera B. Yet far from this slave returning to his duty thereby, he took the opportunity and secretly betook himself from the place of the principal defendant, presenting himself to the Worshipful R: O: Plaintiff, submitting his complaints against his mistress and hers with a report entirely devoid of all truth. Not to mention how greatly this slave has sought to incite others of his fellow slaves to insubordination, in which he has also achieved his purpose with some of them, as Your Honorable Worships can observe from an annexed declaration of some bondsmen of the principal defendant sub Littera C, which is produced on this side not as proof, but simply added for the further consideration of Your Honorable Worships; from which all the defendant qq. trusts that Your Honorable Worships will perceive the groundlessness of the claim and conclusion taken and exhibited by the Honorable Worshipful R: O: Plaintiff as clear as the noonday sun, especially when Your Honorable Worships will please to reflect upon what foundation of proof the same is based; indeed, Honorable Worshipful Gentlemen, it rests upon nothing other than solely and exclusively the account reported by the slave Piet, which Your Honorable Worships can never, according to the written laws, accept as legal proof; and indeed for these reasons, because those who can give testimony in a matter must be free and legally capable persons, L: ult: C: de testibus and Aut: C: testium, and thus, Honorable Worshipful Gentlemen, it speaks for itself that no slave can be accepted as a witness in any matter, the more so quia servus caput sive personam non habet, because a slave forms or has no legal status, L: 3: C: de capite minutis; slaves are also considered as nothing as far as the jus civile is concerned, L: 32: D: de Regulis Juris; and because slaves are compared not only with the dead, but even with four-footed beasts, L: 53: D: de Conditionibus et demonstrationibus, L: 2: §: 2: D: ad Legem Aquiliam; and besides this, Honorable Worshipful Gentlemen, one can never attribute to a slave that free will which is absolutely required in the giving of testimony, since they depend on the will and pleasure of others, wherefore they can never be produced as competent witnesses, L: C: D: de testibus, C: 10: X: de verborum significatione; wherefore a slave with respect to his master is rightly rejected as a witness insofar ut nec pro Domino nec contra dominum testimonium dicere ei liceat, L: 8: C: de testibus, L: 1: C: de quaestionibus, that he can testify neither for nor against his master, unless in the crime of adultery and laesae majestatis, L: 1: C: de quaestionibus, in which cases the testimony of a slave is not accepted unless it is corroborated by other credit according to Clarissimus Noodt, book 3, Probabilium, chapter 5; for this reason Terence rightly says servum hominem caussas orare leges non sinunt, neque testimonii dictio est, in his Phormio, act 2, scene 1, which are the words of a prominent jurist when he
Dutch transcription
„greijpende den rotting en deselven vaat„ houdende, eene handelwijse zoo onbetaam„ lijk als strafbaar voor een slaaf Het was daarom ook WelEdele Achtbaare heeren! dat deesen knegt de ret„ ting eerst met gemeld den weerspanne gen slaaf Piet ontrukt hebbende, denselven nog eenige slaagen daar meede toebragt waarop gedagte slaaf Piet van het land wilde afloopen, het geen egter hem door de meergemelde knegt te regt belet„ en hij weeder tot arbeijden genood saakt wierd Dog des anderen daags wanneer meergeciteerden knegt, door de slaaven van de principaale gedaagdeste, de overige nog te veld staande garst wilde laasten afsneijden bevond hij dat gedagte Lijfeigen Piet niet praesent was, en verstond van de andere sla„ ven dat gedagte Piet niet koomen konde maar in zijnen kooij wilde blijven leg„ gen, Jaa dat hij hun had gewaar schouwd om wanneer eenigte van hier hun wierden afgesonden om hem te haalen zijlieden zig wel zouden hebben te weeg„ ten zulx te doen, terwijl er als dan vol„ gens zijn zeggen ongelukken zouden ge¬ beuren, eene handelwijs dewelke den qq. gedaagden vertrouwd dat UWelEdele Achtbaarens wel zullen gelieven te avoueeren, die geensink overeenkomt met het ontsag, eerbied en obedientie welke een slaaf aan zijne heeren en meesteren verschuldigt is Dan den dikwerf gemelde knegt Nagel begaf dig op dat rapport van het Ladd af en riep eenige der slaven tot hem om ingevalle de brutaale slaaff, die hij nu wel zag dat kwaardaardig genoeg was, om zijne drijgementen ten uitvoer te brengen, eenig geweld wilde pleegen assistentie te hebben Wanneer eenige slaaven door den knegt evengemeld ordre ontfingen, omme den slaaf Piet uit uit het slaavenhuis uit te haalen dewelke wanneer in het slavenhuis in kwaamen door gedagte Piet andermaal wierden aangenoemd hem niet aan te reraken, terweijl er anders ongelukken zouden komen, dog den meerge„ melde knegt Nagel, daarop toespringende, wierd dezelve door hem en de bijzijnde slaven gegreepen, en daarop needer gelegd en met eenen sjambok een pak slagen gegeeven, bleijkens eene ten deese geannexeer„ de verclaaring door den burger Johannes Ragel ter requisitie van den principaalen Gedaagdes de gedeponeerd tub La B Dog wel verre dat deesen staaf daar door tot zijnen pligt wederkeerde, zoo nam hij de geleegendheid waar en begaf zig &anders„ tine van de plaats van de principaaen gedaagdese vervoegende zig bij den E Achtb: 't zeer Z: O: Eisscher denselven met een geheel van alle waarheid ontblootte relaer zijn klagten tegens zijne lijfvrouw en de haare voorkomende Omme nu niet te gewaagen, hoe zeer deesen slaaf anderen zijner meede Naamen Can t en slaven tot het peleeijen van able sichblieden heeft tragten aantespaoren waar in hij ook bij eenige van dezelven zijn oogmerk heeft bereikt gelijk UWelEdele Achtbaaren uit eene geannexeerde verclaaring van eenige Lijfeigenen van de principaale gedaag dezae sub L„a C kunnen ontwaaren die ter deezer zijdts wel als geen bewijs word geprodcceert maar eenvoudig tot meerdere speculatie van UwelEdele Acttbaarens deeser is bij ge¬ voegd uit het welk een en ander den q4 Gedaagden vertrouwe dat Uwel Edele Achtbaerens de ongegrondheid van den door den Edelen Achtbaaren heer R: O: Eisscher geexhibeerden Eisch en genomene Conclusie zon en middag baar klaar ont„ waaren voor al wanneer Uwel Edele Achtbaarens gelieven te reflecteeren op welk fundament van bewijs dezelve gegrond is, immers WelEdele Achtbaare heeren denselven is ner gens anders op rustende daa enken en alleen op het relaas van de slaaf Piet gerelateerd, het welk UwelEdele Achtbaare heeren nimmer volgens de beschreevene wetten voor een wet„ tig bewijs kan werden geaccepteerd en en wel om deese reedenen em dat die geen nen die getuigenis in een zaak kun nen geven moeten zijn vreije en voor zaaken valbaare Lieden L: W: F: X X. Coe: de testibus & Ac7: CoO: 51 7E5775 FoO en dus WelEdele Achtbaare heeren spreekt het als van zig zelven dat geen slaaf in eenige zaaken als getuige kan worden aangenomen te meer, quia servie caput dive personan nai halat om dat een slaaf geen hoofd e2 zoon uitmaakt of heeft L3 Coden digeat: de: Cap: min: ook worden de slaewen voor zo veel hetjus civéle aangaat voor niets gehouden L: 32 Coo.dig de Reg. Jur. en om dat de slaaven niet alleen met de dorden maar zelfs ook met de viervoeti„ ge dieren vergeteeken worden L: 53 fun„ D: de Cona At demonst. L Z V Z d. ad L. aguil, en behalven dit WelEdele Achtbaare heeren men ken min mer aan een slaaf die vreije wil toeeigenen die in het geeven van getuigenissen volstrekt ver„ Eischt 6 eert e e eischt word daar deselven van den werk en het goedvinden van anderen af¬ hangen waarom zij nimmer als een bekwaame getuigen kunnen wer den geproduceert, L C. D: de testelbur C: 1O: X. de: verb: sign: weshalven een slaaf met betreckinge tot zijn Lijfheer te regt als een getuige ver„ worpen word in zoo verre ut nec pro Domino nec contra dominum testimonium diecre ei liceat L. 8. Coc„ h: t: L1 Cod: de quaest: dat hij nog voor nog teegens zijn heer kan getuigen, ten zij in de misdaad van overspel en laesae merjestaitis L: 1. Cod: de qualst: in welke gevallen het getuigenis van een Slaaf niet word aangenoomen, ten zij hetzelve door andere geloof word bygeset volgens Cl: Noodt. lib. 3. prob: Cap: 5. hierom zegt Ferentius te regt serrum hominem caussas ordre leges nonsinunt, neque testimo nie dietio est in zeijn Rhorm aet 2 k 1. spreekende zijn de woorden van een voornaame rechtsgeleerde wanneer hij
English
it says numquam servus ad testimonium admitti potest nisi in gravioribus delictis ubi reipublicae utilitas postularet L: 55 de Indie L: I: C de test: that never can a slave be admitted to the giving of any testimony, except in major offenses, where the common good so demands. Yet, Right Honorable Sirs, this is in no way contradicted by the 46th Article from the statutes of India on the manner of proceeding, where it is said: And as far as the testimony of Moors and Heathens is concerned, when it is given by honest persons of good name and fame and that concerning matters and disputes arisen between Christians, Moors, or Heathens, credit can and must be given to the same, provided nevertheless that the Parties may bring their reproaches against it; bring them not in respect of their being Moors and Heathens, but in so far as they are human beings, and therefore subject to their human passions, desire, or aversion to or from the person for or against whom they deliver the testimonies, which must be deferred to the precise investigation and the discretion of the Judge, especially when alongside this there circulate indications, presumptions, and other adminicles tending to the corroboration or weakening of such testimonies. For here, after all, there is no mention whatsoever made of slaves or serfs, but clearly meant are such Moors or Heathens who are their own lord and master and to no slavery or anything of the like are subjected; but aside from this, these testimonies of Moors or Heathens must draw to themselves the precise investigation of the judge, and careful note must be taken whether the same are not weakened by presumption or other adminicles, which in the present case fully applies, whereas the statement of the said slave Piet is entirely corroborated by the declarations produced under L: A: and L: B:. Yea, how circumspect the judge must be in receiving these testimonies Your Right Honors can see most clearly from the forty-seventh article of the aforesaid statutes of Netherlands India on the manner of proceeding, being of this content: "Yet regarding matters that consist in facts and must be proven by Chinese, Moorish, or other heathen witnesses, the judge shall beforehand have to obtain from the chiefs of that Nation the necessary report concerning the quality of the persons who are produced as witnesses, in order thus to be able to know how far the same deserve credit or else must be rejected." From all this it will evidently appear to Your Right Honors how very much the Claim of the Honorable Right Worshipful Lord Prosecutor is entirely and utterly devoid of all semblance of proof, as also from the narrative of what occurred with the said slave Piet, which is grounded upon the pure and naked truth, that this slave was by no means punished according to merits, much less mistreated; the defendant qq does not doubt for a moment that if it please the Honorable Right Worshipful Lord Prosecutor to institute actions on such grounds and unfounded complaints, His Right Worshipfulness will be able to find opportunity thereto almost daily, not to mention now what detrimental consequences it would drag in its wake if unhoped-for the Conclusion of Claim in this matter were to be adjudicated by Your Right Honors to His Right Worshipfulness. For indeed, the other slaves, seeing that the said slave Piet not only went unpunished for the insolence he committed, but that in addition the principal Defendant was furthermore condemned in an amende profitable, would be refusing the least thing that was ordered them, and would immediately follow in the very same footsteps of the fellow slave Piet; also the principal Defendant, were it not for these reasons, would gladly wish to acquiesce in the sale of the said slave whereto it is concluded by Claim, whereas the principal Defendant has already for a long time been intending to rid herself of this insolent slave; but whereas this would now give far too much encouragement to her other slaves to follow in the footsteps of this rebellious one, the principal Defendant by no means doubts that Your Right Honors, to whom the nature of slaves is fully known, will very graciously wish to preserve the principal Defendant from the ruinous and dangerous consequences which could flow from the sale of the aforesaid slave with respect to her other slaves, wherefore the defendant qq, on the grounds of all this, which it is needless to deduce further, and very specially on the grounds of the statutes of India where in the title on slaves it is said: That if a slave has no great and pressing reasons to complain about his master or mistress, he shall be severely flogged and sent back home to his master; Now rejecting all the grounds of the Claim as utterly impertinent and irrelevant and unfounded, and trusting to have demonstrated everything that could merit the attention of Your Right Honors, will proceed to the following counter-conclusion: Concluding that by definitive sentence of Your Right Honors the Honorable Right Worshipful Lord Prosecutor, his 172
Dutch transcription
hijt zegt nungeam serves ad testemonium„ admitte potett nisi in gravioribur deliceet ubi reipublicae utilitas postularet L: 55 de Indie L: I: C de test: dat nimmer een slaaf tot het geeven van eenig ge„ tuigen is kan werden toegelaaten, ten zij in groote delieten, alwaar het alsge„ mein wel zijn zulx vordert. Dan WelEdele Achtbaare heer ren /:hier teegen strijd geensints het 46„dte Articul uit de stauuiten van Indien op de maniere van procedeeren al waar gesegt word En wat de getuigen is den van Mooren en Leidenen be„ treft wanneer die gegeeven zijn door eerleike zuiden ter goeder naam en faam staande en dat over zaaken en quaestien ontstaan tusschen Christenen Mooren of Zeijdenen aan deselven kan en moet geloof gegeeven worden be¬ houdens nogtans dat Partijen daarteegen haare repraches mogen inbrengen ver 1 inbrengen niet ten oprigte, dat het zijn mooren en heidenen maar voor zo veel het menschen zijn, en dier„ halven onderworpen aan haare menschelijke paszien, zugt, of adversie tot of van de persoon voor of teegens welke de getui¬ genisten leggen, het welk aan het naauwkeurig onderzoek„ en de bescheidendheid van den Regter moet werden gedefereerd gelaaten, vooral wanneer daar neevens courceeren indicien prae¬ sumtien en andere adminisule strekkende tot corroboratie of ver= zwakkinge van zoodaanige ge„ tuigenissen Van't immers hier word geensints gesprooken van slaaven of Lijfeigenen maar wel duijdelijk bedoeld zoodaa„ nige mooren of redenen die hun eigen heer en meester en aan geen sla„ verneije ofte iets diergelijks onder„ worpen zijn, maar behalven dit zoo moeten deese getuigenissen van Mooren of heidenen het naauwkeu„ rig rig ondersoek van den rechter raa zig trekken en wel gelet worden of dezelve door pree¬ dumtie of andere adminiculens niet verswakt worden het geen incas sul„ pet jurst plaats vind terwijl heet re„ laas van den gedagten slaaf Piet door de verclaaringen sub L: A: en L: B: geproduceert geheel word gecorroboreerd, Iaa! hoe omsigtigd den rechter in het re„ cepteeren deeser getuigenissen moet zijn kunnen UWelEdele Achtbaaren uit het zeevenenveertigsten articul van de evengemelde statuuten van Neederlands Indien op de maniere van procedeeren ten klaarsten zien zeijnde van deesen inhoud„„ Dog om¬ „trend zaaken die in facten bestaan „ en door Chineesen, Mooren, of „andere heidensche getuigen beweesen „ moeten worden, zal den regter al „voorens, van de hoofden dier Natie „moeten inneemen het noodig „berigt over de hoedaanigheid der per„ „soonen, welken tot getuigen ge„ produceerdt „produceerd zyn om alsoo te kunnen weeten „hoe verre deselven geloof verdienen of wel „andersints verworpen moeten worden Uit dit alles zal uwelEdele Acht¬ baarens evident blijken hoe zeer den Eisch van den Edelen Achtbaaren heer R: O: Eijs„ scher van alle scheijn van bewijs geheelen al is ontbloot, als meede uit het verhaal van het geener met den gedagten slaaf Piet is voorgevallen het welk op de zui„ vere en naakste waarheid gegrond is, dat deese slaaf geensints naar merites ge„ straft veel minder mishandeld is ge„ worden; den qq gedaagden twijffelt geen oogenblik of indien het den Edelen Achtbaaren heer E: E: Eisscher gelieve op diesdaanige gronden en ongefun¬ deerde klagten actien te institueeren zijn Edele Agtbaarheid, zal bijnaar daa„ gelijks daar toe geleegendheid kunnen vinden om nu niet te gewaagen welke naadeelige gevolgen, het naar zig zoude sleepen indien onverhoopts de Conclusie van Eisch in deesen door UWelEdele Achtbaarens zijn Edele Achtbare wierd wierd geadjudiceert immers de andere slaven ziender dat gedagte slaaf Piet niet alleen voor zijne gepleegde bruetaliteid straffloos ont= kwam maar dat daar en boven de principaale Gedaagdesze, nog in eene amane profitabel wierd gecontemeneerd, zouden het minst dat hunlieden werd geordonneerd weijgeragtig zijn in hetzelve voetspoor van kunnen meede slaaf Piet terstond inslaan; ook zoude de principaalen gedaagde & wers het niet om deese reedenen gaerne wil„ len berusten in de verkoop van gedagte slaaf waar toe bij Eisch word geconcludeerd terwijl de principaale gedaagdesaen reeds over langen tyd van voorneemen is geweest om zig van deesen bru¬ taalen slaaff te ontdoen dog terwijl dit thans al te veel voed voor haare overige slaven zoude geeven om het voetspoor van deeze weerspannige in te slaan zo twijffeld de principaale Gedaagdesse geensints of uw elEdele de Er„ baarens aan wien de geaardheed der slaaven ten vollen bekend is zul¬ len de principaalen Gedaagdenen wel hooggunstig willen behouden voor de ruikeuse en gevaarlijke gevolgen zui dat eeren daa„ unnen en naar pts door un ƒ dre die uit de verkoop der meer gedagte slaaf met betrekking tot haare andere slaaven zoude kunnen voortvloeren, weshalven den 99: gedaagden op grond van dit alla het welk is het nood naader te deduceeren en wel spaeciaal op grond van de statuu„ ten van Indien alwaar in den titul van slaaven geseijd word Dat indien een slaaf geen groote en praequante reedenen heeft om over zijnen lijfheer of Leijfvrouwe te klaagen, hij strengelijk zal gegee„ telt en zijnen lijffheer weder zal te huis gezonden worden Thans is afslaande, alle de mid¬ delen van Eisch als meere inpertinent en irrelevant en ongefundeert en ver„ trouwende alles wat UwelEdele Achtbaa rens attentie zoude kunnen meritee„ „ren te hebben aangetoond tot de volgende contra conclusie zal overgaan Concludeerende dat bij definitive voornisse van UWelEdele Achtba rens den Edelen Achtbaren heer r: O: Eisscher zijne 172
English
the claim and conclusion taken against the principal defendant shall be dismissed as inadmissible in law, with costs, or in such other manner as your Honors shall deem proper. Was signed: A V Wielligh in his capacity. In the margin: Exhibited in Court on the 4th of February 1794. Today, the 22nd of January 1790, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary to the Honorable Court of Justice of this government, in the presence of the named witnesses, the gunner's mate in the service of the Honorable Company, Iohan Fredrik Pauwels, of competent age, who, pursuant to the order of the aforementioned court of yesterday and at the request of Marie Malang, widow of the late burgher Hendrik Cornelis Engelaar, declared it to be true: That the deponent, who has now lived for nearly three years as a schoolmaster at the place of the petitioner situated at the Koeberg, during that time experienced that the slaves belonging to the place there have never been treated otherwise than in a proper manner, both by the petitioner and by her aforementioned late husband. That, meanwhile, one of the slaves named Piet of the Cape persistently distinguished himself from the other slaves through extreme insolence toward his master and mistress, of which the deponent has on repeated occasions seen convincing proof; while among other things, the deponent also witnessed that when the said Piet, on a certain day in the month of October of the recently past year 1789, was busy carrying dung behind a kraal, at which work the oldest son of the petitioner, named David Jacob Engela, was also present, and the said petitioner's son inquired after one of his slaves, he, instead of giving a proper answer to this, snapped back: that he was no supervisor of that boy, for which impertinent remark the said Engela gave the said Piet some blows with a rattan cane he had with him, after which the said Piet, while uttering some abusive words which the deponent cannot exactly repeat because they were spoken in the Portuguese language, went to the slave house, and returned from there immediately, carrying something under his jacket, which he held firmly with one hand without the deponent having seen what it was, though he subsequently heard from other slaves belonging to the place that the said Piet had at that time kept a knife concealed upon his person. The deponent further declares that he also recalls that, fully a year ago now, a slave boy named Esau, being a child of the said Piet, having been ordered to do something by the petitioner, had been neglectful therein, for which reason the petitioner's youngest little son, named Hendrik, who had meanwhile gone on his mother's behalf to see whether her order had been executed by the said Esau, had given him some slaps with the hand for it, upon which the said Piet had run up and had struck the said petitioner's little son, who on that account went to make his complaint to his father. That thereupon the petitioner's late husband, having come outside, asked the said Piet who gave him the authority to strike his child; and added that he would deal with him, at the same time ordering the said Piet to remain standing there, to which the said Piet responded with some insolent remarks which the deponent in substance no longer remembers, and then walked away from there, while furthermore his aforementioned master, having called for a gun, aimed it at him because he was too corpulent to run after him; whereupon the said Piet placed himself before the horse stable among some horses and called out to his master these substantial words: S. V., if you want to shoot, then just shoot, damn and blast it; while, however, his master did not do so in order to spare his horses. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further under oath. Underneath stood: Thus occurred in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks, Petrus Diemel and Christiaan Ludolph Neethling, as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the Secretary. Lower down: Which I witness. Signed: W S Rijneveld, Secretary. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Pauwels, to whom this his foregoing declaration having been clearly and distinctly read, declared that he persisted and continues to persist therewith, desiring that nothing more shall be added to or taken from it; and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the Adjunct Fiscal, Mr. J. A. Truter, spoke the solemn words: So help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope on the 15th of March 1790. Was signed: Iohan Fredrik Pauwels. Lower down: In our presence. Signed: [illegible]
Dutch transcription
op ende jeegens de prin¬ cipaalen Gedaagdee ge¬ nomen Eisch en conclusie zal werden ontsegt als niet ontfankelijk in rechten met de kosten ofte„ zoodaanig anders als Uwel Edel Achtbaarens! zullen vinden te behooren. /:was geteekend:/ A V Wielligh qq /: in margine:/ Exhebitum in Indicie den 4 Febr: 1794:/ Huiden den 22 Ianuarij 1790 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld secretaris van den E Achtb: Raad van Iustitie deezes gouvernements, praesent de naten: getuigen, den Constapelsaat in dienst der E Comp„e Iohan Fredrik Pauwels van Competenten ouderdom, dewelke - ingevolge appoinctement van welgem: raade van gisteren en ter requisitie van Marie Malang, wed=e wijlen den burger Hendrik Cornelis Engelaar verclaarde hoe waar is Dat tiu t e bae are ne Dat de Comp„te die nu bij na 3 jaaren als schoolmeester gewoond heeft ter plaatse van de reg„te aan de koeberg geleegen, geduurende dien tid heeft ondervonden, dat de sleeven ter plaatse aldaar behoorende, nooit ander dan op een behoorlijke wijze zoo wel door de reqte. als wijlen gem: haar man zijn behandeld geworden Dat in tusschen een der slaven in naame Piet van de Caal dich bij aanhoudendheid door verregaande buitaliteiten tegen zijn lijfheer en lijf vrouw van de andere slaven heeft onder scheiden, waar van de Comp„t bij herhaalde veizen de overtuigende te blijken heeft gezien, terwijl onder anderen den Comp„s ook heeft bijgewoond dat wanneer ged=e Piet op zeekeren dag in de maand October van 't wen afge„ weeken jaar 1789 beezig was met mist agter een kraal te draagen, bij welken arbeid zich de oudste zoon van de req„te gen„t David Jacob Engela ook bevond, en door gem de reqten zoven maar een zijner slaaven gevraagd was gewor¬ den, hij dezelve in plaats van hierop behoor„ lijke antwoord te geven, had toegevoegd: dat hij geen oppasser van die jongen was, om welk impertinent zeggen ged=e Engele dezelve Piet Piet met een bij zich hebbende Rotting eenige slaagen had gegeeven, waarna ged=e Piet onder 't uitten van eenige scheldwoorden, die de Compt, dewijl dezelve in de portugeesche taal gesprooken wierden, met exact weet te herhaalen, naar 't slavenhuis was gegaan, en van daar terstond terug gekomen, drar gende iets onder zijn baatje, 't welke hij met de eene hand vast hielde zonder dat de Comp„t gezien heeft wat zulx geweest is doch vervolgens van anderen daar ter plaatse behoorende slaven gehoord had dat gem: Piet als toen een mes bij zich verborgen had gehouden.— Verclaarende de Compt wijders zich ook nog te rappelleeren, dat nu wel een jaar geleeden een slaven jongetje genaamt Esau zijnde een kind: van ged=e Piek iets door de reqte gelaat geworden zijnde, daar in nalaatig was geweest, waar„ om hij door de req=te jongste zoontje in naeme Hendrik die intusschen van wegen zijn moeder was gaan dien of haar bevel door ged„e Esau volvoerd was, daar voor eenige slaagen met de hand had gegeeven, op 't welke ged„te Piet toegeloopen was en gem: der req=te zoontje had ge„ slaagen, dewelke diesweegens zijn beklag bij deszelfs vader was gaan inbrengen. — Dat daarop nu wijlen der rees„e man buiten A zo gem: Piet afgevraagd buiten gekomen zijnde had, wie hem de maegt gaf om zijn kind te slaan; en daarbijgevoegd ): dat hij hem wel spreeken zoude teffens ged=te Piet beveelende daar te blijven staan, 't welk gem: Piet„ met eenige brutaale gezegdens die den Comp„s in substantie niet meer geheugen beantwoord had en toen van daar wap gegaan, terwijl voorts gem: zijn Lijfheer ien geweer geeischt hebbende, daarmeede terwijl hij te zwaarlijvig was om hem nateloopen, na hem had aangelegd: heb„ bende toen gedagte Piet zich voor de paarde stal onder eenige paarden geplaatst en zijn lijkeer toegeroepen deeze substan„ tieele woorden: S: V. alsjetnach schieten wil schiet dan maar toe voor den donder en blixem:t terwijl echter zijn lyd heer om zyn Paarden te spaaren zulx niet gedaan had Niets meer verclaarende geeft den Compt: voor reedenen van weten¬ schap als in den Text bereid zijnde het voorenstaande des gerequireerd wordende met Eede nader gestand te doen /:onderstom:/ Dat aldus passeerde in 't Casteel de goede hoop hoop ter praesentie der Clercquen, Petrus Diemel en Christiaan Ludolph Neethling, als getuigen die de minute dezes benevens den Comp„t en mij geen Clercq secretaris meede behoorlijk hebben on„ derteekend /:lager:/ T welk ik getuige:/ geteekend W J Rijneveld Secrets:/ Gecollement Compareerde voor de ondergetekendens gecommitteerden uit den E Achtb: raade van Iustitie deeses gouverne, ments voorgem: Pauwels dewelke deese zijne voren staande verklaaring klaar en duidelijk voorgeleezen wezende verklaarde denselven daar bij te blijven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan, werden zal; en sprak dier halven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den adjunct fiscaal M=r J: A: Fruter de solemneele woorden, zo waarlijk helpe mij God Almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigt aan Cabo de goede hoop den 15 Maart 1790 /: was geteekend:/ Iohan Fredrik Pduwels /:lager:/ Mijs praesent /: geteekend) HCornpek de adrde tan„ ten n goe O
English
Darnspek as commissioners signed R: WE: Pieker I zteWat. Today, the 29th of January 1790. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, secretary of the Honorable Court of Justice of this government, in the presence of the witnesses to be named hereafter, the burgher Johannes Nagel, of competent age, who, at the requisition of Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Cornelis Engela, declared it to be true: That when on a certain day at the end of the recently passed year 1789, without the appearer being able to determine the exact day or date, some slave boys on a piece of land belonging to the farm of the requisitionist were busy cutting barley, the appearer, who resides as a farmhand on the same farm, according to custom had gone there to look after the work, and had then found that the said boys had cut the barley very badly, on account of which the appearer had reproached those slaves, and specifically one of them, named Piet, with an added warning that they must not waste the barley like that, to which the said Piet gave no answer, while the appearer subsequently went a little further away from there and, as it was hot, sat down behind some sheaves of barley. That approximately an hour thereafter, the appearer having returned to the aforesaid work, and finding that the slaves were not working on as usual, had reprimanded them again on that account, and at the same time had given three to four of those who were busy binding the sheaves, as well as the said Piet, some blows with a cane, whereupon the last-mentioned had run from the field, but had been driven back by the appearer while delivering some blows, and put back to his work, where he then continued until the evening. That the next morning, the appearer having come into the slave lodge and still finding there the said Piet, who had not gone to the field along with the other slaves, had ordered him to go thither, to perform his work there as before, which was refused by the said Piet, saying that he did not want to go, because the appearer had beaten him the day before, having furthermore, after the appearer had made some further attempts to make him go to the field, said that the appearer must take good care not to touch him, because misfortune would come of it. That the appearer had then made known this recalcitrance of the said Piet to the requisitionist, who thereupon resolved that he should have some boys come from the field and then give the aforesaid Piet a beating, which the appearer also carried out, while the said Piet, when those boys had come from the field and on the order of the appearer had entered the slave lodge to bring him out of there, repeated against them his previous saying to the appearer, namely that if anyone dared to lay hands on his body, misfortune would come; whereupon the said Piet was seized by those boys and, having been laid down according to the order of the appearer, was punished by him, the appearer, with a sjambok; the said Piet having furthermore absented himself that very same day from the farm of the requisitionist. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared, if required, to confirm the foregoing further under oath. Thus done at the Castle of Good Hope in the presence of the clerks Nicolaas van Es and Jacob van de Waereld as witnesses, who have duly signed the original of this document together with the appearer and me, the authorized clerk. Below: Which I witness, was signed W J V Rijneveld Secretary. Confirmation: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforesaid Nagel, who, this his foregoing declaration having been clearly and distinctly read out to him, declared that he adhered to it and persisted in it, with the desire that nothing more be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the slave Piet of the Cape, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Below: Thus confirmed and sworn at the Cape of Good Hope, the 15th of March 1790. Was signed I: Nagel. Below: In my presence, signed Darnspek sworn clerk. In the margin: as commissioners signed RWVD Riet and S: I: de Wet. Today, the 22nd of January 1790. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, secretary of the Honorable Court of Justice of this government, in the presence of the witnesses to be named hereafter, the slaves Avontuur of Macassar, and Daman of Mosambique, belonging to Maria Malan, widow of the late burgher Hendrik Cornelis Engelaar.
Dutch transcription
Darnspek: (in margine:/ als gecommitteer dens /:geteekend:/ R: WE: Pieker I zteWat:/ Huiden den 29 Jannuarij 1790 ƒ Compareerde, voor mij Willem Stephanus van Rijneveld, secretaris van den E Achtb: haad van Iustitie dezes gouvernements praesent de natenoemene getuigen, den burger, Ia„ Jannes Nadel van competenten ouderdom, dewelke tot requisitie van Maria Malan„ weduwe wylen den burger Hendrik Cornelis Engela verclaarde hoe waar is Dat wanneer op zeekeren dag in het laatst des jongstverlopene jaars 1789: zon„ der dat de Comp:te de juisten dag of datum weet te bepaalen, eenige slaane jongens op een stuk Land, tot de plaats van de req„ten behoorende, bezig waren om garst te snijden, den Comp„s die plaatse als knegt ter zelver woonagtig is, volgens ge¬ woonte daar bij was gekoomen om naar het werk te zien, en als toen bevonden had„ dat gemelde jongens de garst zeer dordig hadden afgesneeden, waarom den Comp t aan die slaven en wel in 't bijzonder aan aan een hunner, in naame, Piet, zulks had voor„ gehouden; met bijgevoegde waarschouwing dat zij met de garst zoo niet moesten morsden, op 't welk ged=te Piet geen antwoord had gegeeven, terwijl voorts de Comp„t een weinig verder van daar was gegaan, en zich, dewijl het heet was, agter eenige garven garst had nedergezet Dat circa een uur daarna de Comp=e weder bij de voorsz: arbeid gekomen zijnde, en bevindende, dat de slaaven niet naar gewoon„ te doorwerkten, hun dier weegens oop nieuw had te reden gesteld, en tevens drie à vier der geenen, die aan 't opbinden der garven bezig waaren, beneevens ged=te Piet eenige rotting slaagen gegeeven, waar op de laatsgem: van het Land was geloopen, doch door de Comp=e onder het geeven van eenige slagen, was te rug ge= jaagd, en weder aan zijn werk gezet, daar hij voorts tot 's avonds meede gecontinueerd had Dat s' anderendaags 's morgens de Comp„t. in't slaaven huis gekomen zijnde en aldaar gem: Piet, die zig niet benee„ vens de andere slaven, naar 't Land had begeeven, nog vindende, had hij denzelven geordonneerd zich derwaards te vervoegen, om aldaar als vooren zijn werk te verrigten, 't welk haad raesent r dom alan Cornelis in het 89 tum op ende pr die ge„ p een zon„ Ta¬ 't welk door gem: Piet was geweigerd, onder 't zeggen dat hij niet gaan wilde, dewijl de Comp„e hem 's daags te vooren geslaagen had, hebbende hij voorts na dat de Comp„te nog eenige poogingen had aangewend, om hem naar 't land te daer gaan, nog gezegd, dat de Comp„t zig wel wagten moest, om hem aan te raaken, dewijl daar on„ gelukken van koomen zoude Dat de Compt. als toen deeze meedirle ligheid van gem: Piet aan de reqte had te ken„ nen gegeeven, die daarop gelost had; dat hij eenige jongens, van 't Land zoude doen komen en als dan meergem: Piet een pak slaagen geeven, het welk den Comp„t ook had werk stellig gemaakt, terwijl ged=te Pietr, wan„ neer die Jongens van 't Land gekomen waaren, en op ordre van den Comp„e zich in het slavenhuis hadden begeeven, om hem daar uit te haalen, teegen hun zijn voorig zeggen aan den Comp=s had gerepe„ teerd, dat namentlijk wanneer er iemand aan zijn lijf dorst raaken, daar ongelukken zouden komen, zijnde daarop ged„e Piet door die Jongens gegreepen en volgens ovdr van den Compt: neder gelegd zijnde, door hem Comp„ts met een ajambok afgestraft geworden @ 3 geworden, hebbende voorts gem: Piet zich nog dienzelven dag van der req„te plaats geabsenteerd Niets meer verclaarende geeft den Comp„t voor reedenen van wetenschap, als in den text bereid zijnde het voorenstaande des gerequireerd wordende met eede nader te bevestigen Dat aldus passeerde in 't Casteel de goede hoop ten bijweezen der Clercque„ Nicolaas van Es en Jacob van de Waereld als getuigen, die de minute dezes benevens den Comp„t en mij geau„ Clercq mede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ 't welk ik getuige /: was ge teekend WJ V Rijneveld Secret=s Recollement ompareerde voor ons onderget: gecomm„e uit den E Achtbaaren raade van Iustitie deeses gouvernements voorm: Nagel de welke deese zijne voorenstaande verklaa„ /:onderstond/ ring van e K en and door traft E ƒ ring klaar en duidelijk voorgeleezen wezende. ver klaarde denzelven daar bij te blyven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den slaaf Piet van de Caap de zolemneele woorden zo waarlijk helpe mij God almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 15 Maart 1790 /:was geteekend I: Nagel /:lager:/ Mij praesent:) geteekend / Darnspek geom Clercq /: in margine /:als gecommitteerdens /: geteekend RWVD Riet en S: I: de Wet:/ Huiden den 22 Iannuarij 1790 Compareerden voor mij Willem Stephanus van Rijneveld secretaris van den E Achtb: raade van Justitie dezes gouvernements, praesent de nagenoemde getuigen, de slaaven Avontuur van Macassar, en Daman van Mosambique, toebehooren„ de aan Maria Malan, weeduwe wij¬ len den burger Hendrik Cornelis Engelaar
English
Engelaar, both of competent age, who, at the requisition of their aforementioned mistress, declared it to be true and truthful that all the slaves of the aforementioned master and mistress, not only during the lifetime of their master but up to now after his death, have always been properly treated and provided with what was necessary. That the appearers also do not know that their fellow slaves have ever or at any time complained of ill-treatment, except only, as the appearers have heard, the slave Piet van de Caap, who is precisely the only one who has attempted to exalt himself above the other slaves, and has always behaved insolently toward his master, and also the mistress, as well as toward the overseer Nagel; the same having also advised the second appearer not to submit to the overseer, but to run away from the farm; just as he, the second appearer, had indeed allowed himself to be misled thereby, and the consequence thereof was that the appearer, after having been absent for nearly two months, was caught and placed in irons. That furthermore, when in the last passed year the slaves were busy cutting barley, the aforesaid overseer Nagel had ordered the appearers and the frequently mentioned Piet, along with the other slaves working in the field, not to waste the barley, and in particular had instructed the aforementioned Piet to watch over this. That nevertheless, because of heavy winds, the cut barley became scattered over the land, and also because no care was taken by the slaves who were supposed to make the bundles to bind the sheaves properly, the mentioned overseer, as the first appearer declared to have seen while the second appearer had continued with his work, had then administered some strokes with his cane to the aforesaid slave Piet; and that the same slave Piet having grabbed the cane and held it fast, the frequently mentioned overseer Nagel had thereupon pulled that cane with force out of his hands again, and having given him, Piet, some more strokes with it, the aforesaid slave Piet subsequently took to running, while the mentioned overseer pursued him and compelled him to go back to work. That the next morning, the mentioned Piet had not gone out to the field with them, but remained lying on his bed and had requested of the appearers that when they came to the field, they should make this known to the overseer, and that if he should command them to fetch him, they must then take good care not to lay hands on his body, because accidents would come of it. The appearers having then betaken themselves to the aforesaid field, and informed the overseer, when he had also arrived there, that the mentioned Piet could not come; whereupon the said overseer had left the field alone, and shortly thereafter had the appearers along with the other slaves called to him, who then went to the slave lodge, where they found the mentioned overseer. That the slaves having then received orders from the frequently mentioned overseer to bring the said Piet out of the slave lodge, the first appearer had gone ahead of them, to whom the mentioned Piet had repeated his former statement, namely that if anyone dared to attack him, accidents would happen; whereupon the overseer had also rushed forward, and had seized the mentioned Piet with the help of the first appearer, and furthermore, after having made him lie down, had given him a beating. Lastly, the appearers testify that they have never had any reasons to complain regarding the conduct of the mentioned overseer toward them. Declaring nothing further, the appearers give as reasons for their knowledge as in the text, testifying all the foregoing to be the pure truth. Underneath stood: That this was thus executed in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Marthinus Laurentius Neethling and Dirk Jacobus Aspeling, as witnesses, who have duly signed the original draft of this along with the appearers and me, the secretary. Lower: To which I testify, signed WJ v Rijneveld, Secretary. Re-examination: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Avontuur van Macasser, slave of the aforementioned Mrs. Engelaar, who, this his foregoing declaration having been read out clearly and distinctly to him, declared that he persisted by it, with the desire that nothing more be added to it or taken from it, testifying such in the presence of the slave Piet van de Caap to be the pure truth. Underneath stood: Thus done and re-examined at the Cape of Good Hope, the 15 March 1790. Was signed: x, and written around it: this cross was set by the slave Avontuur van Macasser with his own hand. Lower: In my presence, signed: S:s D: Karnspek. In the margin signed as commissioners: RWD Reeken, I: I: de Wet. Appeared before the Right Honorable and Honorable Lords Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, in his official capacity Plaintiff on the one part, Against Maria Malang, widow of the late burgher Hendrik Engelaar, defendant on the other part. Notice 1. And did state: 2. That both the preamble and that which is further adduced in the response regarding the bad nature of the slave in question are of such a nature that the Plaintiff ex officio, without prejudicing himself, can safely admit both points, although the same are by no means proven or substantiated.
Dutch transcription
Engelaar bijde nan competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van voorm: hunlieder Lijfvrouw verclaarde waar en waaragtig te zijn L F Dat alle de slaaven van voorm: der en Lijfvrouw, niet alleen in de leeftijd van Comp ten hun lijfheer maar tot nog toe aadert deszelfs dood altoos na behooren zyn behandelden aan het nodige voorzien geworden Dat de Compten. ook niet weeten, dat immer of ovit derselver meede slaaven zig= over mishandelingen hebben beklaagd als alleenlijk, zoo als de Compte hebben ver¬ nemen, de slaaf Piet van de Caap welken Juist de eenigste is, die zig boven de andere slaven heeft trachten te verheffen, en zig altoos tegen zijnen lijfheer; en ook de reqte mitsgaders jeegens den knegt Nagel, bun„ taal heeft gedraagen, hebbende denzelven noch den tweeden Compt. aangeraaden, om niet onder de knegt te staan, maar van de plaats weg te loopen; zo als hij twede Compt. zig dan ook hier door heeft laaten verlijden, en 't gevolg daarvan is ge„ weest, dat de Compte: na bijkanstinee maanden absent geweest te zijn, opge„ vangen en in de ijzers geslagen gewor„ van Slaaf kend ee ƒ 2 #tb: is den is Dat voorts wanneer in het jongst verloopen jaar de slaaven bezig waaren met garst te snijden, de voorsz: knegt Nagel de Compten. en meerm: Piet met de overige op 't land arbeidende slaven, had aan„ bevoelen om niet met de garst te morseen en intt leijzouder voorm: Piet gerecomman„ deerd om daarop te passen Dat egter door zwaare wind de afgesnee„ dene garst over het Land verstrooid geraakt en ook door de slaaven, welke de koopjes maaken moesten, geen zorg gedraagen zijn de om de garven goed te binden, gem: knegts: zoo als den eersten Comp. s verklaard geziente hebben, terwijl den 2=den Comp„t met zijn werk was blijven voortvaaren:/ als toen voorsz: slaaf Piet eenige slaagen met zijn rotting had toegebragt, en dat denzelven slaaf Piet den rotting gegreepen en vastgehou„ den hebbende, meerm: Knegt Nagel daarop dien rotting met force weder uit des„ zelfs handen had getrokken, en hem Piet den nog daar meede eenige slagen gegeeven hebbende, voorsz: slaaf Piet, het vervolgens op een lopen gezet terwijl gem: knegt denselve agtervolgdn en genoodsaakt had weder aan 't werk te te gaan Dat s' anderen daags 's morgens gedagte Piet niet meede naar 't Land was gegaan, enaar op zijn kooi blijven leggen en aan de Comp ten verzogt had, dat zij op 't Land gekomen zijnde zulks aan den knegt zouden bekend maaken en dat wanneer dezelve henlieven mogt gel## ten om hem te haalen zij zig alsdan wel moesten wagten aan zijn lijf te koomen, dewijl daar dan ongelukken van koomen zouden hebbende de Comparanten zig als toen van 't voorsz: Land begeeven, en aan de knegt, wain= „neer die meede aldaar gekoomen was, be„ rigt, dat gedagte Piet niet komen kende, waar op deselve knegt alleen van 't land was gegaan en kort daarna de Compten. beneevens de andere slaven, bij zich laaten roepen, dewelke toen naar 't slaaven huis waren gegaan, alwaar zij de ged=te knegt aantroffen. Dat die slaven als toen door meergem: knegt ordre bekomen hebbende, om gerepte Piet uit het slavenhuis te haalen, de eerste Comp„s hunl: was voorgegaan, tegen welke gem: Piet zijn voorig zeggen, dat namentlik wanneer hem iemand doort aanvallen, er als dan ongelukken komen zouden; herhaald had waarop de knegt meede was toegeschooten, en ge= dagte Piet, met behulp van de eerste Comp„s ge„ greepen had, en voorts dezelve na hem te heb„ ben doen nederleggen, een pakslaagen had gegeeven ƒ ƒ „ ƒ en an „ werk t ve v gegeeven Betuigende laatstelijk de Comparanten dat zij nimmer eenige reedenen gehad hebben, om ook wegens de handelwijze van gem: knegt ten hunnen oprigten klagtig te vallen Niets meer verclaarende geeven de Compten. voor reedenen van wetenschap, als in den text, betuigende al het vorenstaande de zuivere waalheid te weezen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde in 't Casteel de goede hoop, in praesentie der Clercquen Marthinus Laurentius Neethlug, en Dirk Jacobus Aspeling, als getuigen die de minute dezes beneevens den Compten en mij secretaris meede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ T welk ik getuige /geteekend WJ V Rijneveld Secret„ Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm s uit den E achtb: raad van Iustitie dezes gouvernements, voorm: Avortuur van Macasser lijfeigen van voorm: Juv: Engelaat dewelke deze zijne vorenstaande verclaaring klaar en duidelyk voorgeleezen wezende, verclaarde denzelven daarbij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal be„ tuigende zulx in praesentie van den slaaf Piet van de Coap de zuivere waarheid te zijn /:onderstond./ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede .. 1 goede hoop den 15 Maart 1790 /:was getekend:/ x: en daaromschreeven, dit kruis heeft de slaaf Avontuur van Macasser eigenhandig gesteld /:lager :/ Mij praesent /:geteekend /: S:s D: Karnspek /in mar„ gine /: als gecomm„s geteekend:/ RWD Reeken I: I: de Wet:/ Compareerde voor de Welhd: en Achtb: heeren Raaden van Justitie des Casteels de grede hoop, de Independent fiscaal 1 Iohan Nicolaas Steven van Lynden R: O: Eiss„r ter eenre Contra Maria Malang wede wijlen den burger Hendrik Engele ged=te ter andere zyde Not„s 1 Ende dede zeggen 2 dat zo wel het praeludium als 't geen voorts nopens den quaaden inborst van den staaf in quaestie bij antwoord word bijgebragt van die natuur zynde dat de E: O Eiss„r, zonder zich te praejudicieeren, die beide poincten gerustelijk kan toestaan ofs dhoon dezelve geenzints zyn bewezen of gead¬ 163 strueerd k t ris Lecret„ den E orm: Jv: #laring laarde g de Coap be„ erte „
English
been instituted; he can therefore also very easily dispense with debating it, all the more so since the Honorable Official Plaintiff trusts that Your Honors, when passing judgment with your customary attentiveness, will readily perceive of your own accord whether and to what extent the written response regarding both those matters can and ought to be taken into consideration. The Honorable Official Plaintiff shall therefore, solely for the further substantiation of what was set forth in the Claim, briefly have the honor of submitting to Your Honors that when one carefully reads through the case in question, just as it is set down in the response, and thereby takes into consideration that the statement thereof is grounded upon the account of him who lent his services to the execution of the mistreatments for which the defendant has been summoned before Your Honors, one shall then find that the account of the slave Piet of the Cape is not untruthful, but on the contrary fully corresponds with the truth; and that this has also been admitted by the defendant in the response, for the defendant does not deny the event, but merely seeks to palliate it, while precisely that which is given by her as the reason why she had her slave Piet laid down— namely, consisting in this: that the slave Piet, instead of coming to work, had remained lying in his bunk— can serve as proof that the defendant has mistreated the said Piet. Indeed, what must one think of a slave who, convinced of his master's harsh treatment, which shines through clearly enough with regard to the slave Piet, nevertheless remains at home and in his bunk, and even after being threatened with a beating, still refuses to go to work? What else, but that he finds himself unable to do so? And if one inquires into the cause of this incapacity, one finds nothing in the entire proceedings to which one can attribute the inability of the slave in question to work, other than the numerous blows inflicted upon him the previous day by the servant Nagel in the field, and of which he, upon his arrival at the Cape, still displayed a wound on his forehead, see: the surgical certificate produced with the claim under sub C. When one now considers, in addition to this, that the defendant ordered her servant to have the oft-mentioned Piet—on top of the blows he had already received and which prevented him from working— laid down by a considerable number of her other slaves, and to give him anew, as was also carried out, a beating, then the conclusion is surely quickly drawn that, namely, the slave Piet was genuinely mistreated, and that the defendant cannot be acquitted of having very far exceeded the bounds of a moderate chastisement, by which legal authorities understand a light punishment, and by which the punished slave is not incapacitated from performing his physical labors; without the defendant being able to base herself with reason on the grounds that the act perpetrated by the slave Piet could not be atoned for with a light punishment, because all misdeeds of slaves that require more than a moderate chastisement must be corrected not by the masters, but by the officers of justice appointed for that purpose; and one can establish as a rule that masters are not permitted to inflict such punishment upon their slaves as is customary here to carry out upon complaints of the inhabitants after investigation of matters. Arg. L. 2 ff. de his qui sunt sui vel alieni juris. The Honorable Official Plaintiff shall not enter into any further lengthy details regarding the value of the account produced with the claim under sub D, since from what has been set down thus far, everything stated in the Claim is credibly verified, and the fact itself is no longer subject to any doubts. He shall therefore be able to dispense with countering the arguments so carefully adduced in the response by the defendant in capacity concerning the testimonies of slaves; although not all the laws cited in proof thereof have been equally faithfully and accurately interpreted or applied. And herewith the Honorable Official Plaintiff shall conclude this pleading, in the just confidence that Your Honors will make no difficulty whatsoever in the adjudication of the conclusion drawn in the Claim. Wherefore and for other reasons to be alleged if necessary: the Honorable Official Plaintiff, rejecting that which was brought forward in the response as merely impertinent and irrelevant, persisted in his well-founded Claim and the conclusion drawn thereupon. For reply: was signed: J. N. S. van Lijnden. In the margin: Exhibited in Court on 1 February 1790. Rejoinder prepared and presented most respectfully to the Right Honorable Lord Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other Right Honorable Lords Councillors of Justice of this Government, by the burgher Arend van Wielligh, as general attorney of Maria Malang, widow of the late burgher Hendrik Engela, defendant of the one part, Against The Honorable Lord Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Honorable Official Plaintiff of the other part. Right Honorable, Most Honorable Lords, The defendant in capacity shall first have the honor of expressing to Your Honors his dutiful thanks for the favorably granted copy of the reply of the Honorable Official Plaintiff, And rejoinding, Briefly says: That since the Honorable Official Plaintiff seems to be of the opinion that the evil disposition of the slave Piet has not been proven, and this cannot prejudice His Honor, the defendant in capacity therefore takes the liberty most submissively to bring to Your Honors' attention that the evil disposition of the said Piet
Dutch transcription
sttueerd geworden; hij overzulx ook zeer gemakkelijk het debat daar„ van kan menageeren te meer daar de 7: O: Eiss„t vertrouwd dat UEE Achtb: in judi 6 cando naar derzelver gewoone attentie wel van zelve zullen ontwaaren of en in hoe verce het schriftuur van antwoord ten opzigte dier beide zaaken kan en behoort in aan 8 merking te werden genomen g de E: O: Eiss„r zal der halven alleenlijk tot nadere adstructie van het bij Eisch ter neder gestelde kortelijk de Eere hebben aan UEE Achtb: voor te draagen 10 dat wanneer men 't geval in qualatie, zoo als het zelve bij antwoord is ter needer gesteld, attent naleet, 11 en daarbij in overweeging neamd, dat de opgave daarvan gegrond is op het relaas van hem, 12 die zijn ministerie heeft gepreteerd tot het uitoef„ fenen van de mishandelingen, 13 waarover de ged=te voor UEE Achtb: is geconvanieerd 14 men als dan bevinden zal, dat relaas van den slaaf Piet van de kaap niet onwaarachtig is 15 maar in teegendeel met de waarheid volkomen overee Itemd; 16 en dat zulx door de ged=te bij antwoord ook is geaveneerd m „ want de ged=dte ontkend het geval niet, maar tragt „ alleen 7 alleen het zelve te palkieeren 18 terwijl juist dat geene, dat door haar word opgegeeven als de ooraak 19 waarom zij haaren slaaf Piet heeft doen nederleggen, zo hier in bestaande; dat de slaaf Piet in plaats van te komen arbeiden in zijn kooij was blijven leggen 21 - ten bewijze verstrekken kan, dat zij ged=te gem: Piet heeft mishan„ datt. 22 immers wat moet men denken van een slaaf 23 die overtuigd van zijn Lijfheers straffe handelwijze 24 welke ten opzigte van den slaaf Piet kaar genoeg doorstraald 25 evenwel te huis en in zijn kooi blift, en zelfs na dat men hem gedreigd heeft te zullen slaan, nog weigerd te gaan arbeiden 2E wat anders als dat dezelve zig daar toe buiten staat bevind ? 21 en vraagd men na de oorzaak van dit omermagen 28 zoo vind men in het gantsche proces niets, 29 waaraan men het onvermogen van den slaaf in quaestie om te kunnen arbeiden, kan toeschrijven, 30 als de menigvuldige slagen, die hem den vorigen dag door den knegt Nagel op het Land waren toe„ gebragt, 31 en waarvan dezelve nog bij zijn komst aan de kaap een wond aan het voorhoofd heeft vertoond 32 vid: het bij eisch zub Cgeproduceerd Chirurgicaal attest. 33 wanneer men hier nu bij nagaat, dat de ged=te haaren knegt geordonneerd heeft 34 om meergem: Piet, boven de slagen die hij toen reeds ont„ vangen had 35 en welke het arbinden beletteden, 36 nog 36 nog door een aanzieulijk aantal haarer overige Lijfeinge nen te doen nederleggen 37 en aan denzelven, zo als ook is geeffectueerd geworden, opnieuw een pak slagen te geeven 38 dan is immers het besluit ras opgemaakt z9 dat, nam: de slaaf Piet wezentlyk is mishandeld ge„ worden 40 en dat de ged=tde niet vrij te spreeken is, van zeer verre te hebben g'excedeerd, de termen eener modique costigatie 41 waar door de regtsleevaaren verstaan een ligte altraf 42 en door welke de gestrafte slaaf niet buiten staedt gebragt word om zijne ligchaams oeffeningen te verrigten „3 zonder dat de ged=te met grond zig hierop zou kun„ nen fundeeren 44 dat het door den slaaf Piet geperpetreerde met eene ligte staffe niet kon worden geboet 45 om dat alle wan bedrijven der slaaven welt eene meer als modique castigatie vorderen UE niet door de lijfdeeren maar door de daar toe gestelde bedienaaren des regts moeten worden gecorrigeert 47 en men als een regel kan vaststellen dat het den lijfheeren niet geoorloofd is aan derzelver slaven zoodaanige straffe te infligeeren is als men na onderzoek van zaaken gewoon is alhier op aanklagten der Ingezetenen uittereffenen 49 49 arg. L. 2 ff de his qui sunt J. vel a. J. 90 de Z: O: hiss:r zal niet verder in eenige wijsloopigheeden treeden over de waarde van bijs Eisch tub D geprodu„ ceere relaas 51 daar uet het tot hier toe ter neder gestelde al 't geen bij Eisch gezegt is geloofsaam word geverifieerd. 5L en het fijtzelve aan geene dubiteiten meer onder„ heevig is. §3 hij zal zich derhalven kunnen dispenseeren van de door den qq' ged: over de getuigenissen van slaaven zoo soigneus bij antwoord bijgebragte raisonre„ menten te rescontreeren; 34 hoewel alle de ten betooge daar van geallegeerde wetten, niet even getruiw en naauwkeurig zijn getellegeerd of geappliceerd geworden 55 En hier mede zal de E: O: Easp:s dezen termijn besluiten 36 in 't billijk vertrouwen, dat UEE Achtb: in de adju„ dicatie van de bij Eisch genomen Conclusie geen zints zullen difficulteeren Mits welke en andere ree„ denen des noods te allegeeren middelen: de R: O: Eiss„r afslaande het bij antwoord voortgebragte als mere impertineut en irre„ levant, persisteerde bij zijnen wel gefundeerden Eisch en daarop genomene Cou„ clusie cusie voorreplicq /:was getekend:/ I: N: S: van Lijnden /: in margine Exhibitum in Iudicio den 1 febr: 1790 Suplicq gedaan maar ken en aan den WelEdele Ache heer Johannes Isaak Ehenius peresident beneevens de verdere WelEdele Heeren Raaden van Jeb titie deezes gouvernements /(alle Eerbiedigst overgegeeven door den berger Arend van wielligh als generaale gemagtigde van Maria Malang wedu we wijlen den burger Hendrik Engela gedaagdelse ter eenre C Contra den Edele Achtbaaren heer Independent fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lijnden E: O: Eijsscher ter andere zijde WelEdele Achtbaare Zeer en l0 VeEdele 7„ de qq gedaagde sal vooraf de Eere hebben UwelEd: Achtb: zijne pligtschuldige dank te betuigen voor de goedgunstig verleende Copia van 't replicq van den Edele Achtbaare heer E: O. Cisch 2 En dupliceerende 3 kortelijk zeggen 4 dat wijl den Edele Achtbaare heer E: A: Eisscher 5 dan gedagten schijnt te zijn dat den quaaven inborst van den slaaf Piet niet is beweesen en 1 8 zijn Edele Achtbaaren overzulx niet kan prae„ Judiceeren 9 den qq gedaagde dus de vrijheid neemd 10 UWelEdele Achtbaare alles onderdaanigst onder het oog te brengen 11 dat den quaaden inborst van gemelde Heeren Piet en :
English
above that already alleged in the reply, shines forth most clearly in his observed conduct, because after he had received some lashes the day before, he refused to work the following day under the pretext that he was not capable of doing so, whereas he was nevertheless quite capable of arming himself with a club to warn his fellow slaves that they should not touch him, and at the same time threatening that accidents would happen if they did; and that his stubbornness having been broken by being laid down and receiving some lashes, he, Piet, was still able to cut barley freshly until eleven tomorrow eight o'clock, Piet, and subsequently even ran away from the farm, and after keeping himself in the veld for four to five days, went towards the Cape; a matter, Honorable and Right Worshipful Sirs, which is not only contradictory but incomprehensible, and from which what was posited in the reply concerning the disposition of the said slave is most clearly proven; wherefore the qualified defendant in this regard also most humbly implores the favorable attention of Your Honorable and Right Worshipfuls; that the Honorable and Right Worshipful Officer, the Plaintiff, in numbers 11 and 12 of His Honorable and Right Worshipful's replication, pleases to remark that the account of the case in question stated in the reply is solely resting upon the report of him who rendered his service to the execution of the mistreatment; this remark, Honorable and Right Worshipful Sirs, must notoriously overturn the proof of the Honorable and Right Worshipful Plaintiff, when one considers that His Honorable and Right Worshipful bases himself solely and exclusively on the report not only of a slave, but, Honorable and Right Worshipful Sirs, of what slave? Of a slave who, for his insolence, on the orders of his mistress, underwent a domestic punishment, and out of stubbornness and malice, with the fixed intention of avenging himself for that moderate and well-deserved punishment, ran away from the farm, and without any proof other than his own saying, went to complain to the Honorable and Right Worshipful Officer, the Plaintiff. The qualified defendant has already demonstrated in the reply, both from the written laws and from the Statutes of India, that slaves are not legitimate witnesses, and very explicitly in the case at hand, where the matter concerns the testimony of a slave against his mistress; wherefore the qualified defendant also only submitted the deposition under letter B in the reply for the speculation of Your Honorable and Right Worshipfuls, without wishing to derive any proof therefrom, to which the qualified defendant, corroborated by the intervention of the testimony of a European, could advance a greater right; but no, the qualified defendant refers once more to the laws alleged in the reply, even though the Honorable and Right Worshipful Officer, the Plaintiff, seeks to dismiss them as not very in good faith, cited inappropriately, without adducing the least or slightest proof in that regard, and thus skips over the arguments adduced by the defendant by saying that His Honorable and Right Worshipful will be able to disperse them; His Honorable and Right Worshipful pleases, with respect to the alleged harsh manner of acting of the principal defendant towards her slaves, to make not the least mention of the submitted declarations under letter A, much less has refuted them, and thus it appears that this alleged severity falls away of itself; and as regards the report of the chief surgeon of the Honorable Company, with just the same right, with all due respect, the qualified defendant could say that although the same speaks of a wound to the forehead, it is with the addition of a slight, superficial wound, and that the same was not severe appears from the fact that not the least trace or scar of the same has remained; from all of which it can appear most clearly to Your Honorable and Right Worshipfuls that no mistreatment took place here, but indeed a permitted domestic punishment, which, if it were not permitted, the inhabitants living in the country, instead of having the proper service of their bondservants, would be forced to have to send their slaves to the Cape or to one of the magistracies every time for trifles of that nature, and thus often in the thick of the work, as in the case at hand, to deprive themselves for many days not only of their misbehaving slaves, but also of several others who are required for the guarding and sending of the same, and would see their work, to which they have applied their utmost diligence during the whole year, suddenly lost; from which foregoing the qualified defendant, subject to better judgment, trusts that Your Honorable and Right Worshipfuls will be able to perceive most clearly the groundlessness of the claim and conclusion exhibited and taken by the Officer, the Plaintiff, and will please to justify the qualified defendant when he now rejects all arguments set forth in the claim and replication as mere, impertinent, irrelevant, and unfounded, continuing to persist by his counter-conclusion of reply taken on the grounds of laws for rejoinder. Was signed: A. v. Wielligh, in his capacity. In margin: Exhibited in Court on the 4th of March 1790. Agrees: Camper, sworn clerk.
Dutch transcription
12 booven het reeds geallegueerde bij antwoord 13 ten klaarsten is boorstraalende 14 In het gehouden gedrag denselven 15 door dien na dat hy 16 daags bevoorens 17 eenige slragen ontvangen had 18. s' anderen daags niet heeft willen werken 19 onder voorgeeven 20. dat hij: daartoe niet in staat was 21 daar hij nogtans wel in staat was 22 om met een knuppel gewapend 23 zijne meede slaven te waarschouwen 24 dat zijlieden hem niet moesten aantasten 25 en teffens te drijgen 26 dat er alsdan ongelukken zoude voorvallen 27. mitsgaders dat sijne koppigheid 28 door het nederleggen 29 en het ontfangen van eenige slagen 30 gebrooken zijnde 31 hij Piet nog tot 11 morgen agt: uuren frisch heeft kunnen garst zuijden Piet 32 en - 32: en vervolgens nog van de plaats wegdroesen 33 en dig vier â vijf daagen § 4 in 't veld opgehouden hebbende 35 Caabwaards is gegaan 36 een saak WelEd: Achtb: zeeren die niet alleen Contra„ dictoir 37 maar onbegrijpelijk is 30. en waar uit 39. het geposeerde bij antwoord u weegens den inborst van gedagte slaaften duidelijksten word beweesen 41 weshalven den q9 gedaagde hier omtrend ookmoedigste 42 de gunstige attentie van UwelEdele Achtb imploreert 43 dat den Edele Achtb: heer K: A: Ens 44 No 11 en 12 van zijn Edele Achtb:= replicq 45 gelieft aan te merken 46 dat de opgaave van 't geval in quaestie 47 bij antwoord gesteld 40 eeniglyk is steurende 49 op het relaas van hem 50 die die sijnen dienst tot de uitoeffeningen der mis„ 50 handelingen heeft gepraesteerd ƒ 51 deese aanmerking WelEdele Achtb: Zeeren 52 moet notoir het bewijs van den E Achtb: heer liss„s renverteeren 53 wanneer men considereerd 54 dat zijn Ed: Achtb: zig 55 enkel en alleen 56 fandeert op 't relaas niet alleen van een slaa 57 maar Welhd: Achtb: heeren 58 van wat slaaf 59 van een slaaf die om zijn brutaliteiten 60 op ordre van zijne lijfvroeuwe 61 een domestique straffe heeft ondergaan 62. en uit koppigheid en q'uaadaardigheid 63 in 't vast voorneemen van zig over die modigul 64 en wel verdiende straffe te wreeken 65 van de plaats is weggeloopen E6 en zig zonder eenig bewijs als zijn eigen zeggen 62 bij den Ed: Achtb: heer J: V: Eiss=r heeft gaan beklaagen 68: den 68 heeft reeds bij antwoord aange„ den 99 gedaagde toond 69 zoo uit de beschreevene wetten zo als uit de statuuren van India 71 dat slaven geen testis idonee sijn 72 en wel uitdrukkelijk in cas zubject 73 daar gehandeld word 74 over 't getuigenis van een slaaf tegens zijn Lijf„ vrouwe 75 weshalven ook de qq gedaagde 76 „ de depositie sub L. B 77 bij antwoord alleenlijk ter speculatie van Uwel Edele Achtbaare heeft overgelegd 78 sonder daar uit eenige probatie te willen trekken 7y waar toe deu qq gedaagde 8o door de tusschenkomst van het getuigenis van een Europees gecorrobeerd 81 meerder regt zoude kunnen praetexeeren 82 dan neen 83 den qq gedaagde refereerd sig nogmaals. 84 aan de bij antwoord geallegueerde wetten 85 schoon den Ed: Achtb: heer E: O: Eiss=r deselve 86 als niet zeer ter goeder trouwen 87 mal . 87 „ mal apropos aangehaald 88 zoekt te declineeren 89 vonder eenig 't minste of geringste bewijs dien aan„ gaande bij te brengen 90 en dus de bijgebragte argumenten van den ge„ gedaagde 91 over 't hoofd springt 92 met te zeggen dat zijn Edele Achtbaare die zal kunnen disperceeren 93 gelieft zijn Edele Achtbaare 94 ten opsigte van de voorgewende straffe han„ delwijs 95 van de principaale gedaagdesse omtrend haar slaaven overgelegde verklaaringen sub L: A: 96 geen de minste mentie maakt 97 veel min die gerefuteerd heeft en dus blykt 98 dat die voorgewende straffigheid van selfs vervalt g9 en wat aanbelangt 't relaar van den opperchirurgijn der E: Compe 13 100 met eeven het selve regt tot doede den q9 gedaagden / salva reverentia / kunnen zeggen 1 102 dat 19 1 102. dat hetselve wel ws spreekende van een worde aan 't voorhoofd maar met bijvoeging van een geringe du„ perficieele wonde 103 en dat deselve niet zwaar is geweest 704 blijkt daaruit 105 dat geen 't minste vestiguum of littieken van de zelve is overgebleeven 10 6 uit welke alles UWelEd Achtb: ten klaarsten kan blijken 107 dat alhier geen mishandeling 148 maar wel een geoorloofde domestique straffen heeft plaats gehad 1o9 dewelke bij aldien niet gepermitteerd wierd 112: de buiten woonende Ingeseetenen 111 in steede van den behoorlijken dienst van hunne Lijfeigenen te hebben 112 genoodsaakt zoude sijn 113 telkens hunne slaven om bagatellen van dien aart Uw Caabwaarts dan wel na een der drostdijen 115 te moeten opsenden 116 en dus dikwils 117 in 't doukste van 't werk 118 gelijk in Cas subject 109 niet 1 1 - 119 niet alleen van hunne malverseerende shu 12o maar ook van eenige andere 121 die ter bewaringe en opsendinge derselve Lenar„ digt zijn 122 voor veele dagen sig te ontblooten 123 en hun werk 124 waartoe zij geduurende het gantsche jaar hun uiterste vlijt hebben aangewend 1/25: eens klaps zoude zien verlooren gaan 126 uit welk vorenstaande den 99 gedaagde / salvo me liori vertrouwd 127 dat UWelEd: Achtb: de ongegrondheid van den door den r: O: Eiss=r geexhibeerd en Eisch 128 en genoomen Conclusie 129 ten duidelijksten zullen kunnen ontwaaren 130. en den qq gedaagde zullen gelieven te justificeer B31 wanneer hij tans afslaat 132 Alle middelen bij eisch en replicq ter neer gesteld 23 als mere, impertinent, irrelevant en onge„ fundeerd 134 blijvende pers isteeren 135 „ 135 by zijn op grond van wetten genomen Contra Conclusie van antwoord voor duplicq„ /:was geteekend:/ Ar Wielligh qq :/ in margine:/ Exhibitum in Judicio den 4 maart 1790:/ Accordeert Camper hem Clercq
English
8 Criminal claim and conclusion, made and respectfully submitted to the Honorable and Respectable gentlemen, the President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, ex officio plaintiff of the one part, against the slave Solon of Tonkin, belonging to the burgher Gideon Joubert, Gideon's son, prisoner and defendant of the other part. Article 1. The Officer Plaintiff states, and the truth is such: 2. That in the month of September of the past year 1789, it was brought to his knowledge 3. that a certain bastard Hottentot girl named Claartje, seven years of age, and living with the prisoner and defendant's master, 4. was dishonored and defiled by the prisoner and defendant in a brutal manner; 5. the Officer Plaintiff immediately had the prisoner and defendant apprehended, 6. and gathered the necessary inquiries concerning this matter, 7. in order to put the prisoner and defendant on trial before Your Honors, 8. and to have him receive his condign punishment as soon as practicable. 9. However, immediately after the prisoner and defendant was brought into custody at this capital, 10. he was so severely afflicted by the consequences of an ingrained and inveterate venereal disease, 11. that for his recovery it was necessary to place him in the Honorable Company's slave lodge, 12. from which he returned, more or less recovered, only in the last elapsed month of April. 13. Consequently, the Officer Plaintiff was also not in a position until the 22nd of this month 14. to have the prisoner and defendant examined and interrogated before the Honorable Commissioners; 15. which is the reason why the undersigned in his capacity only today has the honor 16. of bringing this criminal claim before the table and jurisdiction of Your Honors. 17. In the handling of this foul matter, the Officer Plaintiff, to avoid needless prolixities 18. and to observe clarity and plainness as much as possible, 19. will limit himself to a brief and simple examination of the following points: 20. 1st, whether the crime in question was actually committed; 21. 2nd, whether the prisoner and defendant committed the same; and 22. 3rd, whether, and how, the prisoner and defendant, the crime being proven, ought to be punished. 23. In the first place, therefore, the question is 24. whether a crime was actually committed, 25. and indeed such a one as is alleged in this matter. 26. To demonstrate the affirmative of this first question, the Officer Plaintiff has produced herewith under letter C an attestation from the first colony surgeon P. F. M. Briers, 27. who, by order of the Officer Plaintiff, examined the aforementioned bastard Hottentot girl, 28. and then found 29. that the entire vulva, and thus the whole external perimeter of the private parts of the aforementioned Claartje, was considerably swollen, 30. and the entrance to the womb was torn; 31. from which, combined with the account of the child herself and the judicial declaration of her mother, it appears 32. that the crime of violation and deflowering was truly committed against Claartje. 33. And this is what the legal scholars designate with the name of corpus delicti, 34. of which, according to its nature, full proof must be established in all crimes, 35. before the judge proceeds to any determination regarding the punishment; 36. non enim est in potestate alicujus confessione sua facere delictum ubi delictum non est, 37. quia nemo est dominus membrorum suorum; 38. moreover, it is very natural 39. that one cannot judge the quality of a matter 40. unless the matter itself is evident, 41. as may be seen in Florentinus in the section on the military will; 42. and although one sometimes finds it taught 43. that in crimes which leave no marks, 44. to which class the crime in question also belongs, 45. justice may be rendered upon the confession of a delinquent, 46. yet this must not be understood 47. as if the bare confession without any concurrent indications or conjectures would be sufficient; 48. but the judge must properly inquire 49. not only into the possibility, but also into the probability of the perpetrated deed; 50. see Carpzovius, Practica Criminalis, part 1, question 16, number 2 and following. 51. Having thus established the corpus delicti, the Officer Plaintiff will proceed to the second point, 52. and examine whether the committed crime was perpetrated by the prisoner and defendant. 53. When the interrogatories attached hereto under letter E were presented to the prisoner and defendant for answering, 54. the
Dutch transcription
8 Criineele Eisch ende Conclusie gedaan maakens, en aan den WelEd en Achtb: heeren praesident en 5rauden van Iustitie des Casteels de goede hoop eerbiedigst overgegeven, door ende van wegens den Landdrost van Heltenbosch en Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletterman ratione officii eisscher ter eenre contra den slaaf solon van Tonkanoe, toe„ behoorende, aan den burger Gideon Houbert Gideonsz: gev: en ged: ter an„ dere zijde Art:l 1 De R: O: Eiss. s dat zeggen en de waarheijd is zulks 2 dat in de maand September des gepasseerden Jaars 1789 ter zijner kennisse gebragt zijnde; 3 dat zeekere bastaard kottenlats meisje in naame Claartje oud zeeven jaaren, en bij / des gev: en ged: Lijfheer woonagtig 4 door den gev: en ged: op eene brutaale was onteerd en geschonden geworden 5 hij E: O: Eiss„r den gev: en ged: terstond heeft daen ap: prezendeeren E en ter dier zaake de noodige enquesten ingewonnen 7 ten einde den gev: en ged: voor UEE Achtb: te recht te stellen ƒ en denzelven zo dre doenlijk zijne condiijne straffe 8 te doen erlangen Dan dat de gev: en ged: terstond naa dat hij aan deeze 9 hoofdplaats in hegten is is gebracht door de gevolgen eener ingewortelde en geinvetereerde 10 venusquaalt zoo zwaar zijnde aangetast geworden „ dat men ter zijner herstelling genoodzaakt is geweest hem in s'E Comp=s slaven lage te plaatzen 12 waaruit hij eerst in de jongst verloopen maand April N ƒ April min of meer hersteld is te rug gekeerd BB de r: a: Eiss. r overzulx ook niet eer als op den 22 deer maand is in staat gesteld geworden tte om den gev: en ged: voor H: H: Gecomm=s te doen exa neeren en ondervraagen i5 't geen dan ook de oorzaak is, dat de ondergeteek:t in zijn qualiteid eerst op heeden de eere heeft 16 om dezen Crimineelen Eisch ter tafel, en Indicatuure van UEE Agtb: te brengen 17 Ik de behandeling dezer vuile zaake zal de R: O: Eisp„ ter vermeiding van noodeloose protixiteiten b. 18. en om de klaarheid en duidelijkheid zo veel mogelijk te betragten een 19 zich bepaalen, beij e kort en eenvoudig onderzoek der vol gende princten 20 1„o of de misdaad in quaestie wezentlijk is bedreeven! 21 L„o of de gev: en ged: dezelve heeft begreeven; en 22 3„o of en hoedaanigde gev: en ged: de misdaad bewezen zijnde behoord te worden gestraft. 23 In de eerste plaats derhalven is de quaestie 24 of er wezentlijk een misdaad begaan zij: 25 en wel zoodaanig eene als ten dezen word opgegeven. 26 Ten betooge van de affirmative dezer eerste vrage heeft de R: O: Eiss„r hier neevens zub L. a C. geproduceert een attest van den 1' Colonies Chirurginn: P: F M. Briers 27 die het voorengene bassaerd kosten tots meisje ter ordre van den R:O: Eiss„r geëxamineerd 28 en als toen bevonden heeft 29 dat de geheele ruva, en dus de gantsche uitwendige omtrekt van de schaamdeelen van voorn: Claartje condiderabel gerucollen 31. in de ingang naar de baar, of lijfmoeder gesueurd was 31 waaruit gevoegd bij 't relaas vaor het kind zelf, ende gerechtelijke verclaaring van dies moeder 32 dat 32 dat de misdaad van sorteering en maagdeschennis waarlijk aan Claartje is gepleest 33 En dit is het geen de rechtsteeraaren bestempelen met de naam van corpus deliete 34 waarvan in alle misdaaden na derzelver aart volkomen moet consteeren vE voor en aleer de rechter tot eenige bepaaling nopens de straffe„ overgaat 36 non enum:eat in potestate alieurus conferione dua facere delictum ubi de tecteum nan ext 37 quia nema ext dominus menbrdoume suvrum 38 daaren boven is het zeer natuurlijk 39 dat men over de hoedaanigheid eener zaake niet kan oordee„ len 40. ten zif van dezaake zelver belijke at zoo als te zien is bij de Flaventinus in de zes Luffte tes„ tamento militaii 42 en of schoon men wel eens geleerd vind 43 dat in misdaden, welke geene kenteekenen nalaaten 44: tot welke claste de misdagd in quaestie mede behoort, 45 op de Confestie van een deling=te recht kan worden gedaene aE zoo moet zulks echter niet verstaan worden/ 47 als of de bloete consessie zonder eenige zamen loopende indizien of conjecturen voldoende zoude zijn 18: maar moet de rechter wel degelijk inquireeren 49 niet alleen op de moogelijkheid maar ook op de waar= schijnlijkheid van het geperperreerde feit 50: zix Carpz: pr: er: p: 1. gu. 16 n. 2 segg, 31 het corpus delicti dus geconstateerd hebbende zal de RE: : Eiss„r tot het tweede poinct overstappen §2 en onderzoeken of de bedreven misdaad door den gev: en ged: is geperpetreerd 53 wanneer aan den gev: en ged: de sub L„ar E hierneevens, gevoegde vraagpoincten ter beantwoording zijn voorgeskelt geworden 54 is de
English
he at first persistently persevered in his denial, in such a manner however that the unknown and fearful countenance of the aforementioned prisoner and defendant appeared to the gentlemen commissioners not obscurely to dictate that his denying answers were to be regarded as the consequences of a conscience racked by remorse, and that the realization of the extent of the wicked deeds committed by him, together with the punishment which he seemed very well to understand awaited him for it, were the only causes which restrained him from a confession; just as he, the prisoner and defendant, then also clearly manifested at the review, for when the gentlemen commissioners on that occasion pointed out to the prisoner and defendant that his obstinacy would be of no avail, since the crime was already half proven, and he by persisting in an obstinate denial would bring further unpleasantness upon himself, the prisoner and defendant made no difficulty freely, however in a brusque manner, to acknowledge that on the occasion when he found himself alone with the often-mentioned Bastard Hottentot girl Claartje in a certain straw hut standing on the farm of his, the prisoner and defendant's master, he first verbally solicited her to carnal intercourse, thereafter laid the same Claartje on her back on a chest, unbuttoned his, the prisoner and defendant's, trousers, and subsequently with his member managed to penetrate into her private parts; that he exerted his utmost power to consummate his intended brutal lust, but that he was only partially able to execute this, because the entrance of the private parts of Claartje was too narrow and he could penetrate no further, and that he finally promised Claartje a dubbeltje so that she would conceal what had happened. Just as Your Noble Honours can read this confession totidem verbis in the review of the aforementioned interrogatories annexed hereto under L. a C., from which Your Noble Honours ad art. 17 will at the same time observe that the prisoner and defendant felt his semen flow, and thus consummated the crime, as far as was possible for him; while furthermore the criminal intent of the prisoner and defendant will be cleared of all doubt when one further examines the answers given at the review ad articulos 14 and 22, added to the suspicious countenance which the prisoner and defendant successively kept, both at his respective interrogations and at the review of the documents annexed hereto under La D1 and L. C; since the prisoner and defendant therefore is in confessione, and his confession completely agrees not only with the testimonies of the violated child Claartje and her mother, but also with the circumstances of the committed act, the Officer Prosecutor trusts that he can quietly dispense with saying anything further on this matter, and deems it possible accordingly to proceed to the inquiry concerning the punishment incurred by the prisoner and defendant, in which the treatment of the third and last point will consist. In order to succeed happily in determining a condign punishment for the prisoner and defendant, it will be in the highest degree necessary that we beforehand carefully investigate what crime the prisoner and defendant has committed, and what circumstances took place during his act. It is certain that the prisoner and defendant has slept with, dishonoured, and violated a girl of seven years, and thus committed the crimen stupri; but whether that sleeping with her was accompanied by violence, whether the prisoner and defendant, in order to bend the girl to his will, made use of means which can truly fall under the terms of violence, and whereby the simple sleeping with her degenerated into a violent rape, is in casu subjecti very uncertain and undetermined. The circumstances at least of which the judge has knowledge are not of such a nature that they can convince him with complete certainty of violence having been committed, in such a manner that he can conscientiously without any hesitation decree the ultimate punishment. Indeed, when one reads through the response of the prisoner and defendant, one hears him ad art. 9 fully confess that Claartje was reluctant to satisfy his desire, from which it seems to follow that, since the prisoner and defendant nevertheless indulged his lust and thus carried out his desire, some violence, at least a more efficacious means than the simple declaration of his will, must naturally have intervened; but when one on the other hand examines the account, produced hereto under D. 1. l., of the violated child Claartje, one will find that she on her part hardly did anything whereby the committing of any violence could have been made necessary; and if one adds to this the declaration under D. 2. l. of the mother, in which she says she was prompted by Claartje's walking stiffly to inquire what had happened, then it appears as if Claartje had little sense of the crime committed against her (otherwise she would indeed have disclosed what happened herself immediately after the return of her mother); and then one seems much rather to have to conclude that the prisoner and defendant had little difficulty in moving Claartje to passivity. From these circumstances, therefore, no violent rape can be inferred; at least the matter remains in the highest degree doubtful.
Dutch transcription
54 is dezelve in den beginne volstandig bij de negestide blijven volharden 56 zoodaanig nogthans dat des gen: en ged: wanbekende en vree„ agtigst contenance aan h: h: gel: toescheen niet enduidelijk te dicteeren 36. dat zijne ontkennende antwoorden als gevolgen moesten worden aangemerkt van een door wroeging gekreld gewe 77 en dat het bezef van de uitgestrektheid zijner gepleegd boosheeden mitsgaders van de straf o8 welke hij zeer wel scheen te begrypen dat hem daarover Waalzze by de eenigste oorzaaken waaren, welke hem van ee„ ne zoude bekentenis wederhielden 60 zoo als hij gev: en ged: dan ook bij het recollement duidelijk heeft gemainfesteerd 61 want wanneer H: H: gecomm„s bij die geleegendeerd aan den gev: en ged: voor oogen stelden 62 dat zijne hardnekkigheid niets zoude kunnen laaten 63 daar de misdaad van alders half beweezen zijnde 64 hij door te volharden bij eene otstinate ontkentenis zich verdere onaangenaamheeden op den sals zoude haalen 65 heeft de gev: en ged: geene zwaarigheid gemaakt 66 vamwondig, hoe zeer nogthans op eene brusque wijze te erkennen 67 dat hij het meergem: bastaard hottenlots meisge Claartige 68 bij geleegendheid dat hij zich met hetzelve alleen in zeker op de plaats van zijn gev: en ged: Lijfheer staande s troo husge bevond, 69 eerst mondeling aangezocht heeft tot vleeschelijke verkeering 70 daarna dezelve Claartje achter over op een kist gelegd 71 zijn gev: en ged: broek ontknoopt 72 en vervolgens met zijn teellid gebragt heeft in te drengen dringen en haare schaamdeelen 73 dat hij zijn uiterste vermogen heeft aangewend om zijn voorgenomen brutale luit te consommeeren 74 doch dat hij zulks maar gedeeltelijk heeft kunnen volvoeren 75. om dat de ingang der schaamdeelen, van Claartje te rug was en hij niet verder kon genetreeren 76 en dat hij (eindelijk aan Claartje een dubbeltje Ee loofd heeft 77 op dat zij het gebeurde zoude verswijgen 78 zoo als UEE Achtb: deze bekentenis totidem verlees kun„ nen leezen in het recallement der voorengeceteerde Inker„ rogatorien 79 hierneevens gevoegd sub L. a C 80 waaruit UEE Achtb: ad art: 17 te gelijk zullen ontwaaren 81 dat de gew: en gev: zyn zaar heeft voelen loopen, 92 en dus de misdaal, zoo verre hem moogelijk is ge„ weest, geconsommeerd heeft 0 83 zullende voorts het misdadig opzet van den gev:en ged: van allen twijffel worden ontzeven 84 wanneer men verder inziet de beantwoording bij't recollement gedaan ad certiculos 14 en 22 1 45 gevoegd bij de duspecte contenance welke 't welke de gev: en ged: duccessivelijk zo wel bij zijne respective verhooren §7 als bij het recollement der hiernevens zub La D1XL. C= gevoegde stukken heeft gehouden 88 daar de gek: in ged: derhalven in confesrois 6 89 en zyne confessie volkomen overeenstemd 90 niet alleen met de attesten van het onteerde kind Claart„ je en haare moeder o1 maar ook met de omstandigheeden van het bedreven feit 92 zoo vertrouwd de R: O: Eisscher dat hij zig gerustelijk kan dispenseeren van hier omtrend iets verder te zeggen. — 93 en vermiend: overzulx te kunnen overgaan tot het on„ derziek ring derzoek nopens de straffe door den ged: en ged: gein cureerd 94 waarin de behandeling van het derde en taats te poinct zal beschaan 95. om in de bepaaling van een rondigjne straffe voor de gev: en ged: gelukkig te slaagen 96 zal het ten hoogsten noodzaakelijk zijn, dat wij woo„ af zorgvuldig raspeuren 97. welke misdaad de gev: en ged: heeft bedreeven 98: en hoedaanige omstandigheeden bij zijn beedrijf plaats gehad hebben! 99 zeeker is het dat de gev: en ged: een meisje van zeven Jaaren heeft beslaapen onveerden gevchonden ƒƒ 100 en dus het crimen stuprie gecommitteerd 1o1 maar of die beslaaplig is verzeld geweest met geweld 102 of de gev: en ged: om het meisje tot zijn wil te krijgen, zich bediend heeft van middelen 103 welke waarlijk in te termen van gewest kun„ nen vallen 104: en waardoor de rimpele beslaaping, in eene gewe dadige verkragting de genereerd 185 is in cas subject zeer onzeekeren onbepaald 106 de omstandigheeden ten minsten waarvan de reecter kennis draagd, zijn niet van diewaart„ 107 dat zij denzelven met volkomen zeekerheid van gepleg geweld kunnen overtuigen 1708 zodaanig dat hij gemoedelijk zonder eenigen schroom de uiterste straffe zal kunnen deeerheeren „109 immers wanneer men de responseveer van den gev: en ged: naaliest 410 koort men hem ad art. 9' volmoadig conferdeeren : .. .: „ .. ƒ 111 dat Claartje weigeragtig is geweest omaar seijne begeerte te voldoen 112 waaruit schijnt te volgen „k3: dat daar de gev: en ged: evanwel zijne kisten geboet en dus zijne begeerte volvoerd heeft 114 er natuurlijk eenig geweld 115 ten minsten een efficaiieuser middel dan de een veer„ dige declaratie van zijnen wille UE moet zijn tusschen beiden gekomen 117 doch wanneer men daarenteegen inriet het hiernee„ vens dub. D. 1. l. geproduceerd relaas van het gerhouden kint Claart; Us zal men bevinden, dat zij van haren kant naeuwlijx iets gedaan heeft 119 waardoor het pleegen van eenig geweld noodzaakelijk zou hebben kunnen worden gemaakt 120 en voegt men hier bij de verklaaring gub D. 2. l. van de moeder 121: waarin zij zegt door het stijfgaan van Claarbje aangespoord te zijn geworden /2 om te verneemen wat er gebeurd was 123 dan komt liet voor, als of Claartje weinig gevoel van 't aan haar gepleegd misdrijf heeft gehad 24 /: anders zou zij immers terskend na de terugkomst haarer moeder zelve het gebeurde hebben geopenbaart: 125 en dan schijnt men veel eer te moeten besluiten 126 dat de gev: en ged: weinig moeite heeft gehad om Claartje tot lijdzaamheid te beweegen 127 uit deze omstandigheeden derhalven kangee„ ne geweldadige verkragting worden gecolligeerd 124 ten minsten de zaak blijft ten hoogsten twijffelagtig . n toe en E
English
and uncertain, in which case the judge must always choose the gentler side and let mildness triumph over severity. In ambiguis enim Judicem procliviorem ad lenitatem esse oportet. Moreover, the Lex ultima Cod: de probat: does not allow a judge to impose any punishment without legal and complete proof. Let it not be said that the act of defilement committed against a child of seven years is, in itself, a violent act, and that no further proof of committed violence is therefore required, especially since it appears in the case in question that the vulva of the child was completely swollen after the coitus and the entrance to the womb was torn; for Your Honours will please remember that, when speaking in law of a violent rape, the question is not whether the perpetrator uses any violence during copulation in order to consummate the coitus, of which kind of violence the surgical certificate speaks, but rather whether he used violence to force the object of his lusts into a compulsory submissiveness: for otherwise all defilements committed on young girls who have barely reached maturity would have to be regarded as violent rapes and punished with death, even though the perpetrator had committed nothing violent beyond the defilement, whereas nevertheless such defilements are among us almost unpunishable; see van Leeuwen R: H: Recht 4e boek 36 Deel n1. 2 in medio. Carpzovius pr.: N: p. 2. qu. 69. n. 41. teaches, it is true, that he who has carnally known a girl of three, four, five, or six years ought to be punished with death, because such intercourse must be considered to have taken place more by violence than with consent; but when one attentively reads through the preceding n. 37. 38. 39 and 40, one will find that the same Carpzovius, in the case of girls above six years old, to which class the Hottentot woman Claartje also belongs, does not want violence to be presumed in any way, but rather to be properly proven. The Officer Plaintiff feels very well that there is little distinction between a child of six and one of seven years, but he feels at the same time how dangerous it is to consider as an insignificant subtlety a distinction on which nothing less than the life of the prisoner and defendant depends. On the contrary, the Officer Plaintiff considers himself obligated to seize upon this circumstance to the advantage of the prisoner and defendant, the more so because the Officer Plaintiff holds himself convinced that the interest of society will be very well observed, the purpose of punishments very well attained, and the proportion between the crime of the defendant and the punishment will be found quite adequate, if a lesser punishment than that of death is inflicted upon the prisoner and defendant; furthermore, it cannot come into consideration in this matter that the prisoner and defendant, being a slave and thus humilioris conditionis, committed the defilement against a free bastard Hottentot woman, since this latter sort of people, although free, nevertheless must be classified ad humiliores, and is at least not raised so far above the slaves that one should therefore aggravate the punishment to such an extent that upon someone who otherwise, for example, ought to be punished with a flogging and confinement, the punishment of death could be inflicted; just as little as the death penalty could be mitigated in case a bastard Hottentot violently raped a slave child and the violence committed was properly evident. The Officer Plaintiff therefore believes, under correction, that from what has been argued thus far he can safely conclude that by no means a death penalty, but a lesser corporal punishment, ought to be inflicted upon the prisoner and defendant; vid. Carpzovius parte 2 qu: 69 n. 39; Simon van Leeuwen Rooms-Hollands Regt 4 B. 36 Deel N. 2 in medio. en 34 § de publicis judiciis; add: l. 38 § 3 ff de Poenis item Matthaeus de criminibus L. 48. tit 3 Cap. 5 n. 8. For which and other reasons and remedies, to be further deduced at the proper time and place if necessary, the Officer Plaintiff demands and concludes that the prisoner and defendant mentioned in the heading of this document shall, by definitive sentence of Your Honours, be condemned to be taken
Dutch transcription
en onzeeker 129 in welk gevalde rechter altijd de zagtste zijde kiezen 130 en de zachtmoedigheid over de strengheid moet doen zegepralen 131 In ambiquis enim Judicem prolliviorem ad lenitatem esse oportet 132. daarenboven laat de Lex ultima Cad: de probat: niet toe 133 dat, een rechter zonder wettig en volkomen bewijs eenige straffe oplegge 134 Menzegge niet, de daad van onteering bedreven aan een kind van zeeven jaaren is op zich zelve genomen ee„ ne geneldige daad 135 en er is derhalven geen verder bewijs van gepleegd geweld nodig 136 vooral daar in de zaak in quaestie blijkt 137 dat de vulva van het kind naa de Coitus geheel ge„ zwollen 138 en de ingang naar de baarmoeder gescheurd is geweest 139 want UEE Achtb: gelieven zich te erinneren 140 dat, wanneer in rechten van eene geweldadige ver„ kragting gesprooken word, de quaestie niet is 141 of de daader onder het coieeren eenig geweld doet, om de coi„ tas te consommeeren 112 van hoedaanig geweld het Chirurgicaal attest spreeken 143 maar wel of hij geweld gepleegd heeft, om het voor„ werp zijner lusten tot een gedwongen lijdzaamheid te noodzaaken: 144 want anderzentt zouden alle onteeringen, ge„ vleegd aan jonge dogters 145 welke naauwlijks tot rijpheid gekomen zijn 146 als geweldadige verkragtingen moeten worden aan gemerkt 147 en met de dood gestraft worden, 14 ofschoor de daader buiten de orteering niets geweldige had had bedreeven 149 daar nogtans zoodaanig santeeringen bij ons bijf na onztrafbaar zijn atot 150. zie van Leeuwen R: H: Rechth„e boek 36 Deel n1. 2 en meded 151 Carpzorus pr.: N: p. 2. qu. 69. n. 41. leeraart wel is waar 152 dat die met een meisje van drie, vier vijf of zes jaaren vleeschelijk verkeerd heeft met de dood behoort te worden gestraft, 153 om dat zoodaanige verkeering meer door geweld als met toestemming moet gereekend worden, plaats te hebben gehad 154 maar wanneer men de voorgaande n. 37. 38. 39 en 40 attent naaleest, zal men bevinden 155 dat dezelve Carprooius ten spructe van meisjes boven de zes jaaren oud 156 tot welke Clasre de hottentottinne Claartje meede be= hoort, 137 het geweld geensints wil gepraesemeerd, maar wel deegelijk bewezen werden 158 De R: O: Eisscher gevoeld zeer wel, dat er weinig onder„ scheid is tusschen een kind van zesen een van zeven Jaren 159 maar hij gevoeld te gelijk hoe gevaarlijk het zij 160 als eene niets beduidende subtiliteid te considereeren eene distinctie 161 waarvan niets minder als het leven van den gev: en ged: afhangt 162 In teegendeel acht de Z: O: Eess= zig verpligt 163 omme deeze omstandigheid ten voordeele van den gev:an ged: te arripieeren 1/64 te meer daar de R. O: Eisscher zig overtuigd houd 165 dat het belang van de maatschap plij zeer wel betragt 166 het oogmerk der straffen zeer wel bereikt 167 en de proportie tusschen de misdaad van den ged: en de straffe straffe vrij adequaat zal gevonden worden, 168 wanneer aan den gev: en ged: eene mindere straffe als die des doods word geinfligeerd 169: kunnende wijders ten dezen niet in consideratie komen 170. dat de gev: en ged: een slaaf zijnde en dus humilioris wond Ation on de onteering gepleegd heeft aan eene vrije bastaard hotten tot tinne 172 daar deze laatste zoort van menschen, ofschoon vrij evenwelve ad humiliores moet worden geconfereerd 173 ten minsten niet zoo hoog verzeever is boven de slaven 174 dat men daarom de straffe dermaaten zou bezwaren dat aan iemand, die andersints bij voorbeeld met een geesteling en confinement moest worden gestraft 116 de straffe des doods zou kunnen worden geinfligeert 117 even zo min als de doodstraf zou kunnen verligt ware 178 ingevalle een bastaart holten tot een slaven kind gewel Radig haid verkragt 179 en van het gepleegd geweld behoorlijk was gebleek 180 de r: v: Eeisscher vermeend derhalven onder correctie uit het hier toe betoogde gerustelijk te kunnen besluiten 181 dat aan den gev: en ged: geensints eene doodstraffe 182 maar eene mindere hopodeele ciercitie behoort te worden geen fligeert 183 vid. Carprovius parte 2 gu: 69 n. 39 184 Simon van Leeuwen roouwek holl: reegt 4 B. 36 D„e N. 2 in medio. en 34 p de publicissjudicis 185 add: £38 /3 f de Poenis item Matthus de crimin Cap. 5 n. 8 bus L. 48. tit 3 Mits welke en andere reedenen en mis„ delen, in tijden wijlen is 't nood nader te deduceeren, de E: O: Eisscher eisch dan de concludeerde, dat den gev: en ged: in den hoofde dezes gemeld, bij defunitive voonisze van UEE Achtb zal worden ge condemneerd, ommne gebragt te worden
English
at the place where one is customary to execute criminal sentences, and being delivered over there to the executioner, to be tied to the gallows with a rope around the neck, to be severely scourged with rods on the bare back, and thereafter to be branded; that the prisoner and defendant shall furthermore be confined for the term of his life to Robben Island, in order, after first having been riveted in chains, to work there without wages on the Honorable Company's common works; with condemnation of the prisoner and defendant in the costs and expenses of justice, or to such other sentence as Your Honorable Worships shall deem proper. Beneath was written: Exhibited in court on 24 June 1790. Was signed: J: A. Truter, qq. By order of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, I, the undersigned, on 1 August 1789 examined a female Hottentot Claartje, 7 years of age, who complained of having been raped by the boy named Solon, bondsman of the burgher Gideon Joubert, Gideon's son; and found on her the entire vulva considerably swollen with tearing of the entrance to the uterus, so that he must have used great force, yet without perforation into the uterus, since it is impossible that the male member of a full-grown boy could perforate into the opening of a child seven years old. In witness of the truth, I have signed this with my own hand. Beneath was written: signed: Stellenbosch, 27 September 1789. Signed: P: F: M: Briers. Account. Account given in the presence of the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, by the little female Hottentot Claartje, seven years of age, and this upon the requisition of the merchant and Landdrost of the colony of Stellenbosch and Drakenstein, reading as follows: That when the narrator found herself on a certain day a few weeks ago, without being able to specify the date, together with the slave Solon, belonging to the burgher Gideon Joubert, in the straw hut, and this indeed on the occasion when her father and mother had gone to the village of Stellenbosch, the said Solon having then first said to the narrator: come fuck, subsequently laid the narrator backwards onto a chest and thereafter laid her down on the ground, lifted her skirts, and after having unfastened his trousers, lay down on the narrator and thrust his male rod into her private parts; the said slave Solon having to that end continually made movements on the body of the narrator with his masculinity against and into her private parts, until he finally let the narrator go, and had promised to give a dubbeltje to conceal this from her mother; the narrator declaring to have seen various holes on the buttocks of the said slave Solon. Declaring nothing more, the narrator gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared always to maintain the foregoing further. Thus related at the Cape of Good Hope on 17 September 1789 before the gentlemen Carel Mappr and Gerrit Hendrik Meijer, members from the Honorable Council of Justice aforesaid, who, together with the narrator and me, the adjunct secretary, have also duly signed the minute of this. Which I witness, was signed: W: S: van Rijneveld, adjunct secretary. Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of the Cape of Good Hope, the aforesaid female Hottentot Claartje, who, her foregoing account having been read to her clearly and distinctly word for word, declared in the presence of the slave Solon, belonging to the burgher Gideon Joubert, to persist and abide thereby, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, testifying in the presence of the slave Solon that all the foregoing is the pure truth. Beneath was written: Thus done and confirmed at the Cape of Good Hope on 6 May 1790. Signed: C: M: and written thereabout: this mark the narrator made with her own hand. Lower down: In my presence, signed: J: D: Karnspek. In the margin: as commissioners, signed: J: Van Echten and Johannes Smuts. 8 Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the female Hottentot Philida, of competent age, who, upon the requisition of the merchant and Landdrost of the colony of Stellenbosch and Drakenstein, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That the deponent, who together with her husband, the Hottentot Verwy, resides in a straw hut on the premises of Gideon Joubert, situated at Saxenburg, having gone on the 30th of the past month of July of this year to Stellenbosch to buy bread for themselves, found upon her return to the said place that her little daughter named Claartje could not walk except with great difficulty and stiffly; that the deponent, having asked her said little daughter the reason thereof, received the answer that while she, the deponent, had been absent, a slave boy named Solon, belonging to the burgher Gideon Joubert, and finding himself in the very hut of the deponent, had said to her: come fuck, and subsequently unfastened his trousers, laid her first on a chest, but subsequently on the ground and lay down on her, and had closed in on her private parts in such a manner that she felt much pain there and also in her belly. Confirmation. Testifying.
Dutch transcription
ter plaatse alwaar men gewoon iscri= mineele sententien ter Executie te leggen en aldaar aan den seherprechter boergelee„ verd zijnde met een strop om den keels aan de galge vastgemaakt met reeden op de bloote rugge strengelijk gegeervelt en daarna gebrandmerkt te worden dat de ged: en ged: voorts voor den tid zijns levens ten robben eilande zal worden geconfineert, omme naa alvorens in de ketting te zijn geklonken; aldaar zonder loon aan s'E Comp„=e gemeene werken te arbeiden: met condemnatie van den gev: en ged in de kosten en misen van justitie ofte tot zodaanige andere goene als UEE Achtb: zullen oordeelen te behoren /:onderstond: Exuibitum in Iudicio den 24 Iunij 1790 /was geteekend:/ I: A Fruker qq Door ordre van de heer Landdrort van Stellenbosch en Drakenskeve de heer Hendrik Lodewijk Bletterman heb ik onderget: op den 1 Augustus 1789 gevisiteert een kottensottinne Claartie van 7 Iaaren oud welke klaagde verkragt te zijn door den jorgen genaamd solon lijfeigen van den burger Gideon Goubert gideonsz: en aan haar bevonden de geheele vulva considerabel opgezwollen met scheuring van den ingang na de Lijfmoeder zo dat hij groot geweld moet gepleegd hebben, nogthans zonder servoratie na de Lijfmoeder terwijl het onmogelijk is dat het manlijk Lid van een volwarsen jongen zoude kunnen pervoreeren in de openinge van een kind van zeeven jaaren oud Tot teeken der waarheid heb ik dezen eigenhandig /:onderstond:/ onderteekend Stellenbosch den 27: September 1789 /:geteekend:/ P: F: M: Briers Relaas en Dat wasneer de relatante zig op zeekeren dag uw ee„ nige weeken geleeden zonder de datum te kunnen opgeven met en beneevens de slaaf Loloen, toebehoorende den burger Gideon Zoubert in het stroohuisje bevond, en zulks wel bij geleegendheid dat haar vader en moeder naar het dorp stellenbosch waaren gegaan gem: schon als toen eerst tegens de relatte gezegd hebbende kom naaijen haar ret=te ver= volgens agter oar op een kist, en daarna op de grond hadne„ Hergeleijd, de rokken opgeligt, en na zijn broek te hebben les gemaakt, op de relatante was gaan leggen en zyne mannelijke roede in haare fchaamelheid gestooken had„ hebbende gem: staaf solonten, dien, einde bij Continuatie op het Lijf van de relatante met zijne mannelijkheid tegen en in haare schamheid beweging gemaakt, terwijl hij eindelyk haar rec„te los gelaaten, en beloofd had een dubbeltje te zullen geeven, om dit voor haare moeder te verswijgen, betuigende de relatante op de billen van gem: slaaf solon diversze gaaten gezien te hebben Niets meer verclarende geeft de rec=te voor redenen van weenschap als in den text bereid zijnde het voorenstaande altoos nader gestand te doen Aldus gerelateerd aan Cabo de goede hoop den 17 September 1789 voor de heeren Carel Mappr en Gerrit Hendrik Meijer Leeden uit den E Alfb. raad van Iustitie voormeld, die de minute dezes beneevens de ret„te ende mij adjunct secretaris mede behoorlijk hebben onderteekend /:lager:/ welk ik getuige, /:was geteekend:/ W: S: van Rij„ neveld adrecrets Relaas gegeeven ten overstaan van de ondergeteekende gecomm.:s uit den E Achtb: raade van Iustitie dezes gouvernements door de kleine hottentathin Claartje and zeven jaaren, ende zulks ter requisitie van den koopman en Landdrost der Colonie Stellenbonh en Drakenstein un„ dende het zelve als volgt Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm:t uit den E: Achtb: raad van Iustitie des Carkels de goederhoop voorsz: hottentothin Claart; I dewelke haar voorenstaande relaas van woord tot woord klaar en duidelijk voor„ geleezen wezende, verclaarde deselve in praesentie van de slaeaf solon toebehoorende den burger Gideon Loubert, daarbij te blijven permo disteeren met begeerte dat er niets meer by of van gedaan werden zal, betuigende in praesentie van den saaf Lolons dat al het voo= renstaande de zuivere waarheid is /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleerd aan Cabo de goede hoop den 6 Maij 1790 /:geteekent:/. C=m —:/ en daarom schreeven:/ dit merk heeft des rec=te eigenzandig gesteld /: lager:/ Mij / praesent /: get: I: D: Karnspek in margine /:als gecommt /: geteekend I: Van Eelben en Ioh:s Smuts 8 Compareerde voor ons ondergeteekende gecomm:ts uit den E. Achtb: raade van Iustitie dezes gouvernements, de hottentottenne Phi„ lida van competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den koop„ man en Landtroet der Caonie Fellenboschen Drakenstein de heer Hendrik Lodewijk Bletterman verklaarde hoe waar is Dat de Compte. , die beneevens haar man de het„ tentot verwy, woonagtig is in een stroohutje op het Erf van Giscon Zoubert aan Saxenburg, geleegen op den 30 der gepasseerde maand Iulij deezes jaars, naar stellenbosch gegaan zijnde, om brood voor haar te koopen, bij haare terugkomst op gem: plaats, bevonden had dat haar dogtertje in naame Claartje niet dan zeer beswaarlijk en vijf loopen kond dat de Comp=te aan gem: haar dochtertje de reeden daarvan afgevraagd hebbende, tot antwoord bekomen had, dat terwijl zij Comp„te absent was geweest, een slaven jongen genaamd kolen, toebehoorende aan den burger Grdeon zorbert, en zig in het zelve huisje van de Comp t bevindende teegen haar gezegd had kom naaijen en vervolgens zin broekhud los gemaakt, haar eerschap een kist doch vervolgens op de grond had nedergelegd en op haar was gaan leggen„ mitsgaaders aan haare schaaardeelen zoodaanig geslooten heid, dat zij aan dezelve en ook aan de bont veel zijn gevoelde Recollement betuigende van E Achtb a eder leen enen nde Rij