Inventory 11023
Cape · 514 pages · 95 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
to comply with, and accordingly have properly handed over and transferred to the said honorable Board of Heemraden and secretary all the aforementioned effects of the Honorable Company and the Colony, as appears from the secretarial receipt annexed hereto under sub No. 1, dated the fifth of January seventeen hundred and eighty-nine, to which the defendant, for the sake of brevity, will respectfully refer. So that the honorable Heemraden and secretary, having made no objection to properly discharging the defendant, not only did so, but also thanked him in writing for the good diligence shown during the defendant's administration as Landdrost of that Colony, which extract the defendant has already produced before the illustrious assembly of our high-commanding lords and masters. Accordingly relying upon the equity of Your Honorable Worships, holding himself morally assured that he may and can suffice therewith before this illustrious court, and therefore has properly accounted for himself, although the officer on his side seems to wish to criticize its tenor and alleged general terms as not acceptable. While as far as the defendant knows, the laws have not prescribed exact formulas for this, but on the contrary it is accepted in courts of justice and held in constant observance that a receipt or written discharge of debt, and particularly one drafted and properly signed by an official writer, under No. 1 proves to that effect that the exhibition of the same establishes the peremptory exception and subsequently immediately extinguishes and nullifies the plaintiff's action; and such is customary in our great merchant cities in Holland, as is taught by Kersteman under the title of receipt; and the passing of it in good faith, which one might perhaps use, is of no consideration here, because thereby a path would be opened so that any creditor, although paid and having passed a receipt, could easily, by using such arguments, obtain a second payment, and thereby ruin this entire Colony all the sooner. How can one now accuse the defendant of carelessness and neglect of duty, when it appears from the receipt that all the Company's and the Colony's effects—namely upon special order of his superiors—were properly handed over by the honorable Heemraden and were thus received by the secretary, as appears from the receipt? Can it then be construed as an offense against him that he wished to comply with all respect with the orders of the high authorities here? Where does that lead, and with what grounds of law and equity shall one reconcile that? Likewise, Honorable Worshipful sirs, it is with the third ground of the honorable J. O. Euss's conclusion of claim regarding the buildings mentioned therein and what is further argued concerning them, when one reflects: that the dwelling house for the Landdrost was erected in the year seventeen hundred and forty-five, not of baked bricks, but of raw formed clay, consisting of a front room, gallery, and a room on the left hand in which the meetings are held and the deliberations conducted, in which room, as throughout the whole house, a floor of raw clay was laid; which in the year seventeen hundred and eighty-three was improved by the defendant by adorning the said room with a wooden floor, which was laid by him for a small payment of 50 rixdollars. On the left side are two small rooms or bedchambers, and a small pantry, behind the gallery another small room, everything covered with thatch. There also stands on the aforesaid drostdy a long building in which in previous years the messenger and substitute orderly and Caffres were lodged, and whose walls are likewise made of raw clay, probably at the establishment of that Colony. Furthermore, the late Mr. Horak had no other building put up there except a stable. The late Mr. Mentz only had a slave house built there, masoned from rocks, and nothing more; at least upon the departure of that gentleman, nothing was known and no papers were to be found. Mr. Boonacker already in the year seventeen hundred and seventy-four had the front of the dwelling house destined for the Landdrost re-thatched anew with reeds, and already then complained strongly several times about the dilapidated state of the buildings, and
Dutch transcription
tempeeren, en mitsdien aan welgemeldeE Collegie van Geemraaden en secretaris, alle evengemelde s'E: Comp„s ende Colonies effecten behoorlijk hebben overgegeeven, en getransporteerd blijkens den ten deesen geannexeerde secretarieele subdt„s 1 quittantie, de dato vijfde jannuarij een den dend zeven honderd negen en teggentig, waar aan den verweerder zig kortheids halven eerbie„ dig zal refereeren. invoegen dat E heem raaden en secreta„ ris geen zwaarigheid gemaakt hebbende, den ver„ weerder behoorlijk te quitteeren, niet alleen maar ook schriftelijk te bedanken, voor de goede dorg saamheid geduurende des verweerders regeering, als Landdrost dier Colonie, en welk eetract een ver„ weerder reeds ter illustre vergaaderinge van on ten hooggebiedende heeren en meesteren heeft geproduceerd! mitsdien op de acquiteid uwer Wel Edelens Agtbaaren zig verlaatende, hem moreel verseekerd houdende bij deesen Alluste vier„ schaar daar, meede te mogen en kunnen vol staan, en derhalven behoorlijk hem verant= woord te hebben schoon men aan den kant van den heer of„ ficier op dies teneus, en pretense generaale termer schijnt te willen vritiseeren, als nan acceptabeel! terwijl voor zo verre den verweerder be kend de wetten daar van geen juiste formulies hebben voorgeschreeven, maar in tegendeel is voor regtbanken gerecipieerd, en in rerid i ab„ servantiee, dat een quittantie ofte schriftelijke schuldquijting, en voornamentlijk door een beampts Rhuijver sub N: 1 beamptschijner geconcipieerd en behoorlijk ondertee„ effecte, dat de ver„ kend zinde, probeerd ten dien ƒ tooning van het zelve fundeerd de exceptie peremptoir en vervolgens de actie van den aanlegger aanstonds perimeerd, en dood, en zulx is in on„ ze groote Coopsteeden in holland Cortumeer„ Hoe, als geleerd word bij kirsteman, onder den titul van quittantie, en komt hierhet pas„ deeren van dien ter goeder trouwe, waarvan men zig mogelijk bedienen zal, in geen aanmerking om dat daar door een weg zoude worden ge„ baard, dat een ijder Crediteurschoon betaald zijnde en quittantie gepasseerd hebbende lig„ telijk van zoodaanige argumenten zig bedienen„ ƒ de, een tweede betaalinge zoude kunnen er„ langen, en deese gantsche Colonie daar door des te eerder ruineeren. hoe kan men den verweerder van vlordig heid en plig versuijm nu accuseeren, daar uit de quittantie komt te blijken dat alle 's Comp„s en Colonies effecten /:nempe op speciaale laat zijner duperieuren:/ van E Heemraaden behoor„ lijk overgegeeven, en bij den secretaris alzoo ontfangen zijn blijkens quittantie kan men hem dan tot een deliet dui„ den, dat hij de beveelen van de hooge overheid alhier, met alle respect heeft willen op tempeeren, waar leijd, dat heenen, en met wel= ke gronden van regt en beillijkheid zal men dat overeenbrengen Evenso wel Edele Achtb: heeren is het ook gelege„ met de derde grond van des heers J: O: Euss„s Con„ cluzie van Eisch ten aanzien van de gebouwen daar bij vermeld en wat daar omtrend verder beraisonneerd llgie „ s be lier zeijuer beraisonneerd voorkoomt, wanneer men reflecteerd: dat het woonhuis voor de heer Landdrost in den jaare een duisend seven honderd vijfenveertig is opgezet niet van gebakke steenen maar van raauwege„ formeerde klai, bestaande in een voorzuid, gaan derij, en een kamer ter slinkerhand waarin de vergaaderinge gehouden, en de de liberatien verrigt worden, in welke kamer zoo als het geheele nuis door, een vloer van raauwe klaij is gelegd„ welken in den jaare een duisend zeven honderd drie en taggentig door den verweerder is verbee= terd, met dezelve kamer door een planke vlaer te vercieren, die door hem, voor een geringe betaaling van rd=s 50 is gelegd geworden. ter linkerzijde zijn twee kamertjes, of slaap vertrekken, en een kleine dispens agter de gaanderij nog een kleine kamer alles met riet gedekt nog staat op de voorsch: drosdige een lang gebouw waarin voorige jaaren de boode en substituut ordonnante en Cafferslageerden en wiens muuren insgelijks van raauwe klei is opgemaakt waarschijnlijk bij het aanleggen dier Colonie voorts heeft wijlen de heer zorack daar geen gebauw meer laaten zetten als een stal. wijlen de heer Mentsz, heeft daar alleen laaten zetten, eeen slaven huis van klippen opgemetzeld, en niets meer ten min„ sten bij het afgaan van dien heer, was niets bekend en geen papieren te vinden! den heer Boonacker heeft reeds in den Jaare een duisend zeeven honderd vier en zeeventig; de voorfrond van voor den heer Landdrost gedestineerde/ woonhuis, met riet nieuw laten verdekken, en toen reeds over de bour„ valligen staat der gebouwen te meermalen sterk gedoleerd, en
English
and made known that all of the same were completely dilapidated, without anything having been resolved upon this matter. Mr. Rijneveld, upon assuming that post, saw himself compelled to have a long building erected there as a residence for the messenger, substitute, and orderly, which also serves as a jail or prison, while the aforementioned building, which for so many years had represented the antiquity of the Overberg style of building, had at that time already become entirely irreparable, to such an extent that apart from some Caffers who manage within it, the substitute used the same as a stable for his horses. As regards the stable of the drostdy, its walls were already completely pushed out in the year 1783 and collapsed on one side, and finally, through the continuous rain, suddenly collapsed and became entirely unusable, of which the defendant immediately reported to the then Right Honorable and Gallant Lord Governor, Secunde, and Fiscal, having subsequently, with the consultation and prior knowledge of the Board of the Honorable Heemraden, had a stable erected for the account of the Colony, for which the funds were advanced to the same by the defendant from his private purse. To prove that this was not done despotically, as one would gladly interpret, but with proper prior knowledge of the aforementioned Honorable Heemraden, the defendant will submit herewith an extract of the resolution dated the ninth of January, one thousand seven hundred and eighty-six, in which it will evidently appear that the account concerning the aforementioned building was approved after proper examination. Upon what foundation could one now obtrude a despotism upon the defendant regarding the construction of the aforementioned stable, and upon what foundation could one impute the dilapidation of those buildings to the defendant, whereas all of those buildings are nothing, Noble and Honorable Gentlemen, other than that which has been derived from an illusory inference. Your Honors easily see that the imputations concerning this ground mainly rest on this reasoning: that the repairs to these buildings were neglected by the defendant for some years past and fell into dilapidation, without mentioning that Mr. Boenacker already complained several times in the year 1774 about that dilapidation, without it being remedied by one means or another! And therefore it is natural to understand that, if the mentioned Mr. Bonacker, at a time when the Colony's finances were in a desirable state, was unable to remedy the dilapidation of those buildings, the defendant, at a time when the same finances had fallen into such notable decay, was far less able to effect the same! Notwithstanding that he, the defendant, contributed thereto as much as was possible and as the circumstances of the Colony's weak finances permitted. Whereby also comes into consideration the time when most of the buildings were erected there, and that they were made of such materials as mentioned hereinbefore, alongside the heavy rainy season of the recently passed bad season, anno 1789; at which time the defendant was in Europe, and the supervision thereof was commanded to Secretary Blankenstein. Can this dilapidation now be imputed to the defendant, Noble and Honorable Gentlemen? Surely not, as has been demonstrated hereinbefore with well-founded reasons, to which one refers in this matter. Now, as regards the pontoon, Noble and Honorable Gentlemen: when the defendant took it over under a Commission in the year 1782, he found the same completely ruined, falling apart and lying on dry land; which was subsequently repaired by the defendant with great effort and no less cost, as will be stated hereafter, in such a manner that none of the residents ever had to delay themselves on their journeys, either from or to this capital place, for which the defendant always watched with the most meticulous care! And on the date of 1st January of the year one thousand seven hundred and eighty-nine, under a similar Commission, he handed over the same pontoon again in a passable condition to be used, floating in the water, and not ruined and lying on dry land. Whereby the defendant trusts that from this point likewise no consequence can be drawn to his debit. Just as little as from the last ground, concerning the confusion of the Colony's treasury, and the deplorable condition of its finances.
Dutch transcription
en te kennen gegeeven dat alle dezelve ten eenemaale vervallen waaren, zonder dat daarop iets is geresolveerd de heer rijneveld bij het aanvaarden van dien post„ heeft zig genoodzaakt gezien, een lang gebouw al„ daar te doen opzetten; tot een wooning voor de bode substituut, en ordonnanse het welk meede diend tot een tronk ofte gevangenhuis, terwijl het hier voren gem: geboem, het welk ze lange jaaren de autiquittid der overbergde bouw ordre hadde verbeeld, te dier tijd reeds geheel onherstel= baar zijnde geworden, zoodaanig, dat behalven eenige Caffers die zig daarin behelpen, den sub„ stitent denzelven tot stalling voor zijn paarden geleezigd heeft wat uw betrefd de stal der drosdege daar van waren de muuren in den jaare 1783 reeds ten eene maal uitgeweezen, en aan eene kant ingevallen, en eindelijk door de aanhoudende reegen plotseling ingestort en geheel onbruiklaar geworden, waar van den gedaagden direct rappport heeft gedaan, aan den toenmaaligen WelEd Gestr: heer gouverneur, secunde, en sis„ caal hebbende daarop met overleg en voor„ kennisse van het Collegie der E heemraaden een stal voor reekening der Colonie doen opzetten„ waartoe de penningen door den verweerder uit zijn privé beurs, aan dezelve verschooten geworden ten bewijsen dat zulx niet dispotiek, zoo als men gaarne wilde duiden, maar met behoor„ lijke voorkennisse van welgemelde E Heemraden is geschied, zal den verweerder hier bij overleggen een extract resolutie, de dato negende Iannuarij een duisend zeeven honderd zes en taggentig, waar in't ad evidentiam zal consteeren dat de reeke„ zijn ! ning er e een on n rd lee ning, wegens evengemelde gebouw na behaorlijke examinatie geapprobeerd geworden is op wat fundament heeft menden verweerde nu een dispotismus, nopens het opmaaken van de voorschreeve stal kunnen obtrudeeren, en op wat fin„ dament heeft, men den verweerder het verval dier ge„ bouwen kunnen Imputeeren, daar alle deselve gebouw en niets Edele Achtb: heeren dan het geene er door een illusoire illatie uitgetrocken geweer„ den is Uw WelEd Agtb: zien ligtelijk, dat de imputatien aangaande deeze grond berusten„ hooverzaakelijk op deese redeneering, dat de repa„ ratien aan deese gebouwen door den verweerder eenige jaren herwaerds versuimd in het verval zijn geraakt zonder daar bij te melden dat den heer Boenacker reeds in den jaare 1774 te meermaalen over dat verval heeft geklaagd zonder dat daar in egter door het een of ander middel voorsien geworden is! En dies is het naatuurlijk te begrijpen, dat gerepte heer Bonacker, in een tijd dat 's Co„ lanies finantien in een gewenschte staat zig be„ vonden, dat verval dier gebeuwen niet hebbende kunnen remedieerent, den verweerder in een tijd dat dezelve finantien in zoo merklyk verval„ geraakt waren, het zelve nog veel weiniger heeft kunnen effectueeren! niet teegenstaande hij ver„ weerder, daar toe zo veel mogelijk was en de omstandigheeden van '1 Colonies zwakke finantien permitteerden heeft gecontribueerd waarbij nog in aanmerking komt de teid wanneer de meeste gebouwen daar zijn opgezet, en dat van zoodaanige matenaalen als hier voren is gedegd, beneevens het harde regen E regen zaisten van de jongstleeden gepasseerden kwaade maison, anno 1789;, terwelker tijd em verweerder in Europa zynde, dies toezigt den Secretaris Blankenstein bevoolen was, kan nu dit verral aan den verweerder worden gein„ puteerd Edele Agtb: heeren, immersreen, zo als men hier vooren met gegronde reedenen waartoe men zig ten deesen refereerd, heeft aan„ getoond wat nu aanbelangd de Ponton, Edele Agtb„ heeren, deese wanneer den verweerder dezelve in den jaare 1782 bij een Commissie overnam, heeft dezelve bevonden geheel ontramponeerd, uit el„ kander en op het drage leggende, die dan ver„ volgens met groote moetten, en niet minder kosten als hier na zal werden gezegd, door den verweerder gerepareerd geworden zijnde, zoodaar „nig, dat geene der ingeseetenen zag in haare togten, zoo van als naa deeze hoofdplaatze zig nimmer heeft behoeven op te houden, waar voor den verweerder altoos met de naauwken„ rigste zorge heeft gewaakt! deselve ponton sub dato te Jannuarij des Jaars een duisend zeven honderd negen en tachtig, bij een dito Commissie, in een tamelijke staat om gebruikt te kunnen werden, en vlet in het water, en niet ontromponeerd, op het drage leg„ gende, wederom heeft overgegeeven. b mits welke den vermeerder vertrouwd, dat uit dit punct al meede geen consequen„ tie ten zijnen lasten kan getrocken worden Even zo min als uit de laatste grand behelsende de verwarringe van 't Colonels Cassa, en de beklaagliken gesteldheid van deszelfs finantien — den ƒ den dat be„ ide tyd
English
The defendant, Honorable Worshipful Gentlemen, submits that the drafting of the account made to that end by no means pertains to the department of a Landdrost, but rather to that of a Secretary, and that consequently the requesting of a further elucidation of that so-called confusion can with greater reason be demanded of the former secretary. However, the defendant, who has sufficiently accounted for himself to that end with Exhibit No 1, being a receipt in proper form, will nonetheless in obedience, as far as his memory permits, advance: That it is easy to understand that, since the incoming Colony revenues, as will be further deduced below, were not properly paid, one is thus notoriously unable to pay its expenses. And when one considers only with a fleeting glance the copy account attached to the claim, one will find that with regard to the items placed inside the margin, they could not have been made known. Thus falling short rd"s 4446: 23. And of which shortfall or moneys remaining in arrears by the Colony at the closing of the account, namely the aforesaid rd=s 4446: 23, is due to the gentleman outgoing Landdrost for advanced moneys in the year 1786: For repairs to the pontoons: rd=s 266: 14: For repairs to the buildings: 147: 12: For the cartage and hauling of timber: 148: — : For the erection of the new buildings: 2897: 44: — Kloof dues to stellenbosch: 110: 16: — Paid so much to the Surgeon: 50: — To the outgoing substitute I: A: Medenee: 33: — Sum 3612: 38 To give a clearer elucidation hereof, Honorable Worshipful Gentlemen, would, it is believed, hardly be possible! Because if one understands that the defendant, having already advanced those moneys, was thus rendered unable to pay the interest to the Orphan Chamber, kloof dues, etc., which then indeed ought to have continued to run to the charge of the Colony. For where nothing comes in, nothing can be paid; and that the messenger claims a sum of ƒ2723: 15 is unknown to the defendant, and would have to be proven, which the Honorable Heemraden and secretary will know best, to what extent this claim by the messenger can be legitimized, who after all administered the Colony for several months after the departure of the defendant, and thus must also account for it. That the gentleman prosecutor R:O: posits that nonetheless an item has been acknowledged on the same account of rd"s 226: 14 on account of moneys advanced (quasi) by the defendant to the pontoon master, and that the latter testified in a combined meeting to have received not a stuiver thereof, will quickly resolve itself when one considers the aforementioned account, where it is stated in clear words: for repairs to the pontoon rd"s 226: 14: but not to the pontoon master. And thus it is very easy to comprehend, Honorable Worshipful Gentlemen, that the pontoon master testified in the full meeting to have enjoyed not a stuiver thereof, and how the present Landdrost can then maintain that these moneys are due to the pontoon master, an indigent person, when the text after all clearly shows that the advanced moneys occurred by the defendant to the Colony, and not by or to that man, as will be established upon closer examination of the account ad libitum; Thus this clause by no means permits such an interpretation that these moneys were due to the frequently mentioned pontoon master. The same applies, Honorable Worshipful Gentlemen, to the observations made by the gentleman prosecutor R:O: upon the accounts of the years 1786, 87, and 88, namely that receipts are nowhere to be found; regarding which the defendant will once again refer to the surrender of all the Company's and Colony's effects, under which the said accounts indisputably also fall, while the further vouchers and other documents pertaining thereto all reside at the secretariat at swellendam, and have remained under the responsibility of the former Secretary Menso Blankstein, as is proven to the satisfaction of the court by the secretarial certificate annexed hereto. May Your Worships then also be pleased to cast your eyes briefly upon that with which the officer, the gentleman R:O:, seeks further to aggravate the defendant in the bill of indictment, namely: Not only that which, it is trusted, has been thoroughly refuted hereinbefore, but also in a pretended neglect of the Colony's financial interests and disobedience toward his superiors, to which one now seeks to impute the deplorable state of that Colony; Yet now to demonstrate the contrary thereof
Dutch transcription
den verweerder Edele Agtb: heeren verbeed zig, dat het concepeeren der ten dien einde ge maakte reekening, geensints specteerd tot het departement van een Landdrost, maar wel tot dat van een secretaris, en dat mitsdien het requireeren van een nadere elucidatie dier zogenaamde verwag ring aan den oud secretaris met meer grond kan werden gedemandeerd. dog zal den verweerder, die zig ten dien einde met het product N o 1. zijnde een quit„ tantie in foma genoeg verantwoord heeft, des niet teegenstaande ter obedentie, zoo veel zijn ge heugen toelaat advanceeren dat het ligt te begrijpen is dat de in„ komende Colonies regten, als hier onder nader zal werden gededuceerd, niet behoorlijk werden val daan, men dus notoir buiten staat is, dies lasten te betalen En wanneer men maar een soculo fugitive de bij eisch gevoegde Copia reekening beschouwd, zal men bevinden, dat ten opzigten van de binnens lijns gestelde posten, niet konde woorden zijn bekend gesteld. overzulx te kortkomende rd„s 4ck 6: 23: En van welk te kort komende ofte door de Coonie bij slot van reekening te quaad gebleeven re penningen te weeten de voorsz: Ed=e 4446: 23 den heer afgaande Landdrost over verschoo„ te penningen in den jaare 1786. Competeerd over reparatie aan de panken rd=s 266:14: over reparatie aan de gebouwen „ 147: 12: over de froigementen aarijden van hout „ 148:—: „„ het letter der nieuwe gelouwen 2897: 44:— Cloofgeld aan stellenbosch. . . . . „ 110: 16:— „ 50: — „zo veel aan den Chirurgijn betaale 33„ —„ „de afgaande subs„ I: A: Medenee „ Somma 3612: 38 klaarden klaardere Elucidatie hier van te geven E Achtbr„ keeren, zoude zo vertrouwd werd niet wel moge„ lijk zijn! want als men begrijpt dat den verweerder die penningen reeds overschoten hebbende, dus biin„ ten staat gesteld omme de intressen ter weescamer doofgeld E te betaalen die dan immers ten lasten der Colonie hadden moeten blijven loopen. want daar niet inkomt kan ook niet be„ taald worden en dat de boede praetendeert eene somma van ƒ2723:15 is den verweerder onbekend, en zoude moeten beweesen werden, het welk de E Geemraaden en secretaris leest zullen weeten, in hoe verre deese praetentie door de bode kan werden gewettigd, wien immers de Colonie eenige maanden na het vertrek van den verweerder gead ministreere hebben, dus ook moet verantwoorden dat den heer R:O: Eiss„r poseerd, dat des niet tegenstaande op dezelve reekening een port bekend gesteld is van rd„s 226:14 wegens door den ver„ weerden /:quasie :/ verschootene penn: aan den pontonhou„ der, en deese in een geconbineerde vergaadering heeft betuigd, geen stuiver daar van ontfangen te hebben dal zig ros ontwikkelen, wanneer men de evenge„ mede reekening, beschouwd, alwaar gezegd word, met klaare woorden, over reparatie aan de ponton rd„s 226: 14: maar niet aan den portonhouder en dus is het seer ligt te bezeffenE: Achtb„ heeren, dat den pontonhouder in de volle verga„ dering heeft betuigd, geen stuiver daarvan, genoten te hebben, en hoe den tegenswoordige Landdoost dan sustineere, dat deze penningen der ponton houder een behoeftig mensch competeeren, daar im„ mers den letter duidelijk aantoond, dat verschoo„ tene penningen, door den verweerder aande Cobnie en niet door af aan die man gescheed is, soo als b beed :23 do„ 38 als bij nader Examinatie der reekening ad midat am zal consteeren dus deeze pariode zoodaanige uittig inge v deese penningen de meergemelde pontonhouder waaren competeerende, geenzints permitteeren Even zo is het gesteld E: Achtb: heeren, met de door den heer R: t: ass„t op de reekeningen van den jaare 1786, 87, en 88 gemaakte reflectien, te weeten dat nergens quittantien van te vinden zyn waaromtrend den verweerd er zig alwederom reforeeren zal, wegens den overgaaf van alles s' Comp en Cobnies effecten, en waaronder ged„e reekenin„ gen indisputabel meede sorteeren„ terwijl de ver„ dere bewijsen en andere daartoe specteerende do cumenten alle ter secretarije aan swellendam berustende, en ter verantwoording van den oud Secretaris Menso Blankstein verbleven zijnde gelijk zulx door de hier bij gevoegde secretari„ eele Certificaat, den regten ten genoegen werd geprobeerd Uw: WelEd Agtb: gelieven dan al het oog een weinig te vestigen op het geene waar meede den heer officier R:O: den verweerder bij het schriftuur van eisch al verder te agra„ veeren tragt, te weeten niet alleen het geene hier voren, zo men vertrouwd grondig is wederleijd, maar ook in een pretense verwaarlooding, van 's Colonies finantieele belangens aan disobedientie van zijne duperieuren, aan dewelk men thans de deplorable staat dier Colonie te imputeeren tragt dan omme nu het contrario van dien
English
to demonstrate this, the defendant will once again advance that upon the arrival of the Right Honorable Governor Cornelis Iacob van de Graaf, he made known and demonstrated at length in a detailed missive the deplorable state of the Colony, both the decay of the buildings and the financial affairs; how at the time when the defendant was to take over this post in the year 1782 from the late Mr. van Remeved, it appeared upon drawing up the cash account that rds 1267½ had been received, and that the expenditure of that Colony had already amounted to rds 2510, whereby it was most clearly established that at that point in time the finances of the Colony yielded a deficit of rds 1242 6/ less than the expenses that had to be paid from them; that for this reason one was compelled in the year 1783 to negotiate a capital sum of rds 1000 for the account of the Colony with the Board of Orphan Masters of this town, although at that time the same Board was owed arrears in interest amounting to a sum of rs 680 6/; to which was added that the then messenger Wotkie, who, because of the remote distance of the dwellings of the Heemraden, administered the funds of the Colony according to orders, presented an outstanding account to the charge of the Colony in the meeting of the Honorable Heemraden, which, having been agreed to after careful examination, was found that he was furthermore in advance as cashier for a sum of ruxds 560½; and to this was added that when the defendant took over the pontoon by a commission in the year 1782, the same was lying completely dismantled on dry land, unusable, and the tackle belonging thereto was entirely worn out, so that he was placed under the unavoidable necessity of having the same repaired, the expenses of which in that year alone amounted to a sum of rds 287; to which was added the salary due to the other officials and servants, which together with the judicial expenses also amounted to an amount of rds 500; and to which is further added that many of the inhabitants refused to pay the pontoon dues, which was already a dispute that had taken place for many years, and while such members, on their journey to and from the Cape, very carefully knew how to avoid passing the aforesaid drostdy; as well as that many inhabitants declared no livestock at all, under the pretext of having been robbed by the Caffers and predatory Bushmen of the same and thus ruined; paid for these reasons no more than 82 heads per year; all of which, notwithstanding such great diligence and means as could reasonably be demanded of them having been undertaken by the defendant and the Board of Honorable Heemraden to redress the same, had nevertheless been fruitless and in vain, since the fraud could never be proved until after the death of those people and their estates were settled; as proof of which the defendant will cite here only three examples, upon which he will also respectfully implore Your Honorable Worships' precious attention: Firstly, that the burgher I: Schepers was accustomed to declare a number of two hundred cattle and twelve hundred sheep, whereas after his death there were sold at public vendue a large number of twelve hundred cattle and three thousand three hundred sheep; the burgher G: Goubert, who was also accustomed to declare one hundred cattle and five hundred sheep, who having also died, there were sold there as before six hundred cattle and two thousand six hundred sheep; the widow Forie, customarily declaring one hundred cattle and five hundred sheep, it nevertheless also appeared that after her decease there were sold there as aforesaid five hundred cattle and eight hundred sheep. When one now, Honorable Worshipful Sirs, merely goes through and calculates these single three items, it will immediately appear that by the aforesaid three persons rds 51 was paid less annually in fraud of the dues of the Colony. This, Honorable Worshipful Sirs, is now only a single small list of three households that came to the knowledge of the defendant after the estates were liquidated and settled. If one now adds to this, Honorable Worshipful Sirs, in order to give a complete understanding of the state of affairs and at the same time to be convinced with what vigilance the defendant watched over both the Company's and the Colony's interests with untiring zeal, one will have to take into consideration at this time that when the first buildings were erected on the aforesaid drostdy, a sum of thirteen thousand guilders had to be negotiated, and that after a series of 37 years thereafter all plagues and, as it were, punishments of a righteous God visited the land of our dwelling, particularly with a terrible mortality among the livestock and the unbridled predatory greed of the so-called Bushmen and war with the Caffers; to such an extent that the inhabitants, through the necessity of fleeing and wandering to and fro, were deprived of a peaceful cultivation of their fields; the buildings having become all the more costly to repair due to old age and heavy rains; the financial revenues of the Colony and its dues so notably diminished; whether such can with any foundation be imputed to the defendant, to accuse him on that account of disobedience, negligence, and dereliction of duty; indeed, sound reason does not seem to permit such, without there being any need to detail this matter extensively.
Dutch transcription
dien te demonstreeren, zal den verweerder al weederom advan„ ceeren dat bij het arrivemenent van den WelEd Gestr: heer gouverneur Cornelis Iacob van de Graaf, bij een gedetailleerde missive, de deplorabele staat der Colonie, zo het verval der gebouwen als meede het finantie weesen, hebbe be„ kind gemaakt en in het breede aangetoond hoe dat ten tijde als den verweerder deze post, in den jaare 1782, van wijlen de heer van Remeved zoude overneemen, bij het opmaken der Cassa reeke„ ning was gebleeken, ingekomen te zijne rd„s 1267½ en dat de uitgaaf dier Colonie toen reeds hadde beloopen rd„s 2510 waar ten klaars ten consteerd, dat op dat tijdstip s' Colonies finantien een rour„ ma van rd„s 1242 /6 minder rendeerde, als de on„ kosten die uit dezelven moesten worden betaald dat men desweegen genoodzaakt was in den jaare 1783, bij het Collegie van heeren Weesmeesteren deezer steede, voor reekening der Colonie te moeten. negotieeren een Capitaal groot rd„s 1000. — schoonmen ter dier tijd aan evengemelde Calle= gee, aan Interessen ten agteren, was gebleeven een zomma van r„s 680 /6; waarbij nog kwam dat den toenmaligen bode Wotkie, die om de verre afgeleegerdheid der woon„ plaatsen van Cheemraaden, volgens bestent 1' Calonies penningen administreerden, in vergaaderinge van E reemraaden vertoonde, eene openstaande reekening ten lasten der Colonie, die na naaumkeurige exami„ natie geaccordeerd zijnde, bevonden werd, dat hij verders, en Crasier in 't verschot was geweest van een zom„ ma van ruxd„s 560 ½, en hier bij kwam nog dat toen den verweerder in den jaare 1782, bij een Com„ miszie de Pouton overnam, dezelve vlgel ontvan„ poneerd op het droge was leggende, ombrinkkaar en het daar toe behloorende vouw werk geheel versteten was, invoegen, niet in de onvermijdelijke noodzaakelijk„ heid wizerd gebragt, dezelve te doen repareeren, en wel„ kers verkoten dat jaar alleenig kwaame te berdraagen ee een ver„ da„ an oud ra omen in s te n 2 een somma van rd„s 287, was bij nog kwam de aan de overige amptenaaren, en bediende compe ƒ teerende salaris, het welk met de Justitieele onkosten almeede quam te bedraagen een montant van rd=s 500: en waar bij nog accedeerd, dat veele der Ingescte„ nen weigerden de ponton gelden te betaalen, het welke reeds een verschil was dat veele jaren had plaat ge en terwijl de zoodaanige Leeden, bij hunne reize na en van de Caap, de voorsz: drosdije te passeeren zig welzordvuldig wisten te vermeeden! zoo meede dat veele ingeseetenen gaar geen vee opgaaven, onder voorgeeven, van door de Casfers en roofrieke bossiepmans, van het zelve beroofden dus geruineerd te zijn; betaalde van die reedenen niet meer als 82 spr s' jaars, al het welk door den verweerder, en het Collegie van E heemraaden, niet teegenstaande zoodaanige aan geevende vleet, en middelen als men met reden van hen vergen, kan, bij de hand genomen waren, om hetzelve te red seeren, zulx egter was geweest vrugteloos en te vergeefs, ter wijle de fraude nimmer konde beweeden werden, als na het overlijden derlieden, en dat hunne boedels ver effend wierden tot bewijs van welke den verweerder hier maar drie voorbeelden zal aanhaalen, waarop hij al meede UwelEd Agtb praetieuse attentie eerbiedig it imploreeren zal Eerstelijk dat den burger I: Schepers, gewoon was op tegeeven een getal van twee honderd beeesten, en twaal honderd schaapen, daarnadies overlijden, bij publicque nen dutie zijn verkogt een nombreur getal van twaalf hon derd beesten, en drie duisend drie honderd schaepen den burger G: Goubert, die almeede gewoon was op te geeven, een honderd beesten en vijfhonderd scha pen, dewelke almeed overleeden zijnde men aldaar als vooren heeft verkogt, ses honderd beesteren twee duisend zes honderd scheapen de weeduwe Forie gewoonlyk opgeevende een honderd leeesten en vijff honderd schappen, het egter egter al meede is komen te blijken dat na haar afscheiden aldaar als evengemeld verkogt zijn vijfhonderd beesten en agthonderd schaapen wanneer men nu Edele Achtb: heeren deese enkelde drie posten maar simpel nagaat ende bereekend zal diredt blyken dat door de voorschr: drie persoonen Jaarlijx rd=s 51: in frandem der Calonies geregtigheeden, minder zijn betaald dit Edele Agtb: heeren, is nu maar een enkelstaattje van drie huisgezinnen, die den verweerder na de boedes„ gelequideerd, en vereffend waren ter zijner kennisse geko men is voegd men nu hier bij E Agtb: heeren, om een vol„ maakte kennis, van de toestand der zaaken te geeven en teffens overtegd te worden met watvegilantie, den verweerder zo voor s' Comp„s als Colonies belangen, met een onvermoade vijt heeft gewaakt 't zal men deezer tijds in aanmerkinge brengen moeten, dat wanneer de eerste gebouwen op voorsz: drosdijen geset wierden een somma van derthien duisend guldens moest werden genegotieerd, en dat na een reeks van 37 jaaren daar na alle plaagen, en zoude straffen van een regtvaardigen god, het land onser inwoning benaamde, inson„ derhad met een verschrikkelijke sterfte onder het vee„ en van toomloose roofrugt der zoogenoemde bos= zies mans oorlog met de Caffers! zoo ver dat de Ingesetenen door het nood zaakelyk vlrugten en heen en weder swerven, ontstooken waaren van een vreedzaame Cultuure van hunvel de gebouwen door ouderdom ende zware moustens aan reparatuure des te kostbaarder geworden, de fi„ nantieele inkomsten der Colonie, en deszelfs regten zo merkelijk verminderd of zulx met eenig fundament den verweerder kan geimputeerd worden, om desweegens over dis obedientie, slordigheid, en pligtverrum te accusee ren; immers de gezonde reeden schyntzulx niet te permitteeren, zonder dat men dit stuk breed voerig zal behoeven te ruelijseeren te e n vee e aan te rede ter em ed twaalf que ven alf haa en was ha de
English
all the more since the defendant, in accordance with his duty, had duly reported on the bad state of the Colony to the proper quarter, this side shall leave the highly wise and equitable judgment to this respectable tribunal, when your Honours will please to reflect and simply examine that the ordinary Colony expenses paid annually amount to: Interest to the Orphan Chamber rds 440: — Defrayment 148 Sloof money to Stellenbosch 133:16 Stationery supplies 20:— Salary to the pontoon keeper 130: — Salary to the messenger 30:- Expenses to the military chest 115: The judicial expenses calculated one year with another at least 160 — For tackle to the pontoon 150: Repair to the same 150: — A sum of rds 1476: 16 and that in the year 1787 in a general return was stated: sheep 182442 and cattle 18836 the sheep paying per hundred one Cape guilder, or 16 stivers, the cattle per head one stiver, amounts to rds 686.0:- besides the pontoon monies, which one cannot determine because of the refusal already cited here before, which nevertheless also make up an important sum, and that only provided that all people pay, which because of the far extent of the Colony seldom happens. This, Honourable Sirs, could in earlier years be made good partly from the pontoon monies and from the returns of the wealthy and numerous graziers who, since the establishment of the Colony Graaff Reinet, have moved under the aforementioned Colony, of which the same is now also deprived, which then also notoriously has dealt a great blow, if not the final oppression, to the finances of the Colony, as it appears that the inhabitants have been able to devise all kinds of exceptions and pretexts thereon, namely: that their cattle belonged under the Colony Graaff Reinet, where they also declared and paid, and thus were not liable to double payment, and more others; to avoid which, our predecessors have pleased to invoke another grounded arrangement, as it appears that on 16 October of the year 1786, by the defendant in the meeting of Honourable Heemraden was produced and read by the secretary, a missive from the Honourable Valiant Lord Governor and the Council of Policy dispatched to the Board dated September, whereby his Honourable Valiant Lord Governor and your Honours were pleased to communicate to the Board the established boundary division, and that whereas a large portion of the places previously belonging under the jurisdiction of Swellendam were now transferred under that of Graaff Reinet; and thus the repeatedly mentioned Colony Swellendam was thereby deprived of a considerable portion of the revenues, which the present state, now the chest, could very hardly endure if it were not remedied in one way or another, their Honours, in order to provide therein, had pleased to see fit to order the meeting at Swellendam to form a list of such persons as under the prescribed boundary division have now been transferred out of that district to that of Graaff Reinet, and that amounts had to be paid out to us; yet all our writing to the said Colony has availed nothing, and our finances have thereby become perfectly irrecoverable, without the defendant ever having had the good fortune to see those wholesome orders answered with a prompt payment by the government of Graaff Reinet. For notwithstanding the multiple demands made on this account, one has in all those years received no pennies from the chest of the Colony Graaff Reinet belonging to the Colony Swellendam, since the payment always consisted of exceptions, but not of money. Furthermore, it must be mentioned, Honourable Sirs, that the recent rupture between the Crown of England and the High and Mighty States General, our sovereign, has likewise contributed its share to the decline of the finances, when one considers that during that period the expenses of the Colony came to exceed its revenues very far, and on top of that the ordinary burgher exercises had to be suspended during all that time, at which exercise, on pain of a certain fine, one was to be present, and of which the Colony has likewise been deprived throughout all that time. So that from this deduced matter it appears incontestably that the defendant can never be proven guilty of dereliction of duty, nor in his direction of this office of neglect and the forgetting of his oath, since the defendant is charged with multiple occupations, which often deny him the capacity to investigate strictly from day to day and from hour to hour all matters recommended to his care. Indeed it is known, Honourable Sirs, that from the nature of thinking beings such offenses can have no place except where one has directed the acts to an illicit end, and that no crime can take place where no dolus takes place. Which truth the Roman jurists have expressed so forcefully in their decisions in various places, that it is a constant axiom in law: nullum crimen absque dolo malo committitur; l. 20, C. ad leg. Corn. de falsis; l. 24, § 1, ff. eod. tit.; l. 43; l. 3, ad leg. Iuliam de adult. coerc.; § 3. Indeed even, Honourable Sirs, this must be proven on the fact, quia dolus non praesumitur, nisi probetur; § 6, C. de dolo malo; l. 18, § 1, ff. de probat.; and whereby is such proven here, Honourable Sirs?
Dutch transcription
te meer daar den verweerder van de slegte toestand der Colonie, volgens zijn pligt behoorlijk had verslag gedaan ter plaatse daar het beehoord, zal men deeser zijdsch, het hoogwijze en requitabeel jugement van deese respectabele visernhaar overlaten, wanneer hoog st dene ve gelieven te reflecteeren en eenvoudig nategaan, dat de oodi= naire Colonies onkosten jaarlijx beetaald werdende bedragen Interessen aan de Weescamer rd„s 440: — 148 defroijement 133:16 sloofgeld aan stellenbosch 20:— schrijfbehoeftens 130: — salaris aan den pontonhouder 30:- „ „ „ boode onkosten aan de krijgs Cassa 115: de Justitieele onkosten het eene jaar om 160 — het andere gecaluleerd ten minsten„ 150: voor toeuywerk aan de ponton„ 150: — reparatie aan idem een somma rd„s 14 76: 1/6 en dat in den jaare 1787 bij een generaale opgaaf is opge„ - 182442 ƒ - geeven-- - schappen en beesten - - 18836 de schaapen betaald het honderd met een gulden Caaps, of 16 st„ts, de beesten het pees een st=r beddraagd rds 686 buiten de ponton gelden, die men om de hier vooren„ reeds aangehaalde wijgeringe niet kan bepaalen, die egter al meede een importante somma uitmaaken, en dat nog„ mits, dat alle lieden betaalen, dat wegens de verre uitge„ strektheid der Colonie zelden geschied dit E: E: heeren, konde in vroeger jaaren ten deze uit de gondon gelden, en uit de opgaven der grootvermogende, en talrijke reebaeren worden goed ge„ maakt, die seedert het aanleggen der Colonie Graaff Binette, onder de evengemelde Colonie zig begeeven, hebben, worden goedgemaakt waarvan deselve thans almede verstoken is, 't welk dan ook notoir een groat raadel, zoo niet de laatste druk aan 1 Calonces pt finantien „ finantien heeft toegebragt, als blijkt, dat de Ingesete„ nen daar op allerlei exceptien en uitvlugten hebben weeten uittedenken, te weeten! dat hun vee onder de Colonie Graaf Ranet sorteerende, alwaar zij ook opgaaven en betaalden, en dus geene dubbelde betaaling verschuldigd waaren en andere meer omme welke te witeeren, onse gebeeders, en anderen gegronde schikking, hebben gelieven te beroemen, als blijkt dat op den 16 Octob: des jaars 1786, door den verweerder in vergaaderinge van E heemraaden is geproduceerd en door den secretaris voorgeleesen, een missive van den Wel Ed Gestr: heer gouverneur en den Raad van Pditie aan het Collegie afgevaardigd de dato te sept:, waarbij hen wel Ed gestr: heer gouverneur en hun E: A:, aan het Collegie gelieft te communiceeren, de gemaakte lmnderscheiding en dat dewijl denselven een groot gedente der flelatsen door haar onder de guristictie van swellendam behoort hebbende, thans onder die van Graaff Rernet zijn overgebragt; en dus de meergemelde Colonie wellend dins, daar door eene merkelijke gedeelte der inkomsten ontnomen waren, het geene de tegenswoordige staat, nu de Casta seer beswaarlijk zoude kunnen leiden, indiendele niet op de eene of andere wijze wierd geremedieerd, hoogst dezelve omme daarin te voorzien, hadden gelieven goed te vinden de vel„ gaaderinge op swellendam te gelasten, een lyst te for= meeren van zoodaanige peroonen, als onder de voorschreeve Lemnetscheidinge thans uit die districtie na die van Graaff Reinetter zijn overgebragt, en dat bedraagen aan ons moest uitgekeerd werden, egter heeft alsons aanschrijven aan gemelde Coloine niets gehol„ pen, en onse finanties daar door volmaakt onker„ stelbaeer geworden, zonder dat den verweerder oort het geluk heeft mogen genieten, van die heilsaame ondoes, door de regeering van Graaff Remette, met een prompte betaaling beantwoord te zien want van dezel„ od dragen bed de 8 0 : 0:- 16 6 6 en egter dat nag uitge aaren n ƒ es want niet teegenstaande de veelvuldige dollateter tes wegen gedaan, men in alle die jaren uit de Caerse, der Coloinen graaff Beinet en de Colonie swellendan, Competerende inkomsten geen pernengens ontvangen heeft, vermits de betaling altoos bestond: in Exceptien maar niet in geld nog moet men melden E: Agtb: heeren, dat de jongste ruptuure tusschen de kroon van Engeland, en de hoog wede gepcheerden stalein generaal onser alle souverain, tot het verval der fi„ nanken, al meede het zijne heeft toegebragt, als men regar„ deerd dat in dat tejdatip, de onkosten der Colonie zeer ver„ re dies inkomsten kwamen te eledeeren, en daar en boven de gewoonelijke burger exercetieun geduurende al die tijd moest worden gechurgeerd, bij welke ex„ victie, op poene van zeekeren beete inbestpraessent weesen en waarvan de Colona, in al dien tijd almeede versteeken geworden is zo dat uit dit gededuceerden incontes tabeel komt te blijken, dat den verweerder nog aan pligt ver„ tuum, nog in zijn directie aan dese bediente en verwaar loosing en het vergeeten van zijn eed nuumer kan bewesen werden aangesien den verweerder gechargeerd met veelvuldige oeruparten welke hem veeltijds het verangen oatzeggen, omme van dag tot dag, en van uur tot uit alle obfecteen aan zijn zorg gere„ commandeerd, stiptelijk na te gaan immers het is bekend E: k: heeren dat uit den aart„ der denkende wesens zodaanige misdaaden geen perlaats konnen hebben, dan daar de weldaaden tot een verlenden einde heeft besteerd, en dat er geen misdaader kan plaats hebben daar geen dolus plaats heeft. welke waarheid de rearemsche regtsgeleerden onder hun„ ne deceesen aff verscheide plaatsen zo kragtig hebben uit„ gedrukt, dat het een constantapioma in regten is, nietluu crimen absque dolo malo committiturs l20, C, ad, leg„ Crim, de falsis l 24 fC, esd, tit, l, 43; stadt, leg„ Ialiae de rdult, Coere, G 3, Ia zelfs E A: heeren moet dat op het bewesen worden, quia dolus nan praesimutus, insisperbetir G 6, G de, dolo, malo, l, 18, 8, 1. f 7 de Brob 3, vrae„ diengdt; en waarmeede werd zulx hier beweesen Edele Achtbaare
English
Honorable sirs, the prosecutor remarks in his claim also on the disobedience of the defendant to the orders of the governor and council, to the landdrost and heemraden as constituting the board, that he did not carry out the execution of those orders, indeed even neglect of the reminder of the oath taken by him as landdrost, from which it is merely to be inferred that the prosecutor must certainly be ignorant of what distressing moments we experienced at that time, and which are fully known to Your Honorable Worships; was it then advisable for the defendant, Honorable sirs, to redress everything by strong measures? And what notices has the defendant, with careful consideration and after mature deliberation of the Honorable Board of Heemraden, not issued to the inhabitants; was there any possibility for the defendant to insist upon the use of stronger measures, in order to compel the inhabitants by execution to make payment, without exposing himself to the greatest danger? And therefore the defendant, hoping that the circumstances deduced hereabove will be taken into consideration by Your Honorable Worships, and especially noting that if any omission or default had taken place here at all (which is denied), it is naturally such with human nature and the constitution of its states that something must be conceded to the natural frailty and weakness of men. Under correction, it would be utterly absurd to claim that men give absolute perfection to their moral actions, as well as seal their conduct in such a manner that nothing could be found to criticize, especially when one wished to measure their deeds by the outcome, without binding oneself to a truth or fundamental rule expressed by Cicero in his Paradoxes as follows: Non enim ex eventu rerum gestarum hominum merita spectanda sunt. Thus the defendant wishes to conclude, in the respectful confidence of having, with this brief response, satisfactorily answered the conclusion of the prosecutor to the satisfaction of Your Honorable Worships, and with the evidence annexed hereto having properly accounted for himself and fully demonstrated that he, the defendant, in this matter is entirely free of any guilt; thereby rejecting and denying, generally as well as specifically, all that can or may yet be presented by the prosecutor, answering with express denial, impertinence, and irrelevance. He concludes to the effect that the prosecutor be declared inadmissible, and in the alternative, that the prosecutor's utterly unfounded claim, and the conclusion taken thereon and against the defendant, made and taken, shall be dismissed by definitive judgment of Your Honorable Worships, with costs, or to such other effect as Your Honorable Worships shall find to be proper. Underneath stood: Imploring hereto and upon all, Your Honorable Worships' noble and benign judicial office. Signed: J. van Leeuwen. In the margin: Exhibited in Court on the 8th of July 1790. All Company's and Colony's effects, according to the lists thereof of the outgoing Landdrost Constant van Nuld Onkruydt, have been taken over and received in the presence of the Honorable Heemraden Hillegard Mulder and Salomon Ferreira, and therefore this serves as a receipt. Underneath stood: In the Drostdy of Swellendam, the 5th of January 1789. Signed: M. Blankstein. Lower: Agrees. Signed: G. G. Baete, Clerk. Extract resolution, taken in the meeting of the Board of Heemraden at Swellendam, present the Landdrost Constant van Nuldt Onkruidt, President, together with Messrs. J. Steyn, outgoing, E. Meyer, L. de Jager, and P. Dienaar, continuing, and P. M. Ferreira, incoming; in the absence of Messrs. H. A. van Vollenhoven, outgoing, E. F. du Toit, continuing, and D. du Plessis, incoming. Wednesday the 9th of January 1786. Finally, the President delivered the following bill on account of the newly erected stable and shed: 22 beams, 22 long, 6 and 8 inches thick: 224 Rds Truss work and roof uprights, etc.: 95 Rds 600 floorboards: 100 Rds 40 ridges: 10 Rds 100 loads of baked bricks: 13 Rds 32 50 loads of firewood: 6 Rds 16 600 loads of stones: 100 Rds 20 loads of reed from the Breede River: 20 Rds 15000 bundles of thatching reed: 450 Rds 4 coils of rope: 28 Rds 3 room door locks: 12 Rds 200 lb nails: 33 Rds 16 Latches and bolts: 6 Rds 100 lb white lead: 25 Rds 1 front door lock: 4 Rds 6 lb glue: 2 Rds 12 8 lb blacking: [illegible] 22 lb chalk: 3 Rds 60 half-aams of lime: 60 Rds Cellar linseed oil: 18 Rds To Ad. Statenberg for the thatching: 113 Rds 16 Timber, 64 feet long: 59 Rds 18 poles: 78 Rds Door and window frame timber: 109 Rds 2 Rds 36 2 Rds
Dutch transcription
Achtb: heeren, den heer officier remarqueerd bij eisch almede de des obedientie van den verweerder, aan de ordres van gan„ verneur en raden, aanLanddoort en heemraaden als het Collegie uitmakende, dat hij de executie dier ordres niet heeft gepa„ reerd, jazelfs verwaarloosing, van de herinnering, van de door hem als land droot gxpraesteerden eed, waaruit dan enkel is of te lijden, dat den heer officier zekerlijkig novant moet zijn, welke commerlikke oogenblikken wij te dier tijd hebben beleefd, en welke UwEd Agtb: ten vollen bekend zijn, was het doe wel raadzaam voor den verweerder E: Agtb: heeren, alles door sterke middelen te redresseeren. en wat advertessementen: heeft den verweerder met goed overleg, en na rippe deliberatie van het E Collegie van heeneraaden aan de ingesetenen niet gedaan weeser wel mogelijkheid voor den verweerder omme aante drin„ gen, op het emploieeren van sterker middelen, omme de ingesetenen door executie tot betaalinge te constrin„ geeren, zonder zig aan het grootste gevaarte exponieren en derhalven zoo zal den verweerder, hoopende dat de hier voren gededuceerde omstandigheeden bij UwWelEd Achtb: in aanmerking genomeer, en voornomentlyk gelet daarop, dat in geval hieral eenig ommissie, of non comparitie hadde plaats gehad /: als Neen:/ het met de menschelijke natuur en constitutie derzelve staten eigenaartig zodaanig geleggen is, dat er aan de natuur„ lijke broosteid en zwakheid, der menschen iets moet worden toegegeeven. zoude het onderverbeekering ten uitersten ales urt zijn te praetendeeren, dat menschen, de volstrekte val maaktheid aan hun zedelijke bedrijven gaven, mitsga„ ders hun gedrag zoodaanig zegelde, dat er met het een of ander op te leggen viel, vooral wanneer men hunne dad en na de uitslag wilde afmeeten, zonder zig te bekrennen aan een waarheid, of grondregel, bij Cheero inzijn per„ radoxen aldus uitgedrukt „nu enem peciate rerum eventie rediitus hominum nietienda zo wil den verweerder zig ten einde haasten, in dat eer„ biedig vertrouwen, van met dat weinige s' keers Z: O: Ess= Cauclusie ted ereelen ex weesen, booken tabel g aar werden oedupatten g tot gere„ art laa den eerve er hun„ lun eden rae Edele are ver - Conclusie ten genoegen ten genoegen van Uw Wel Achtb: gerescontreerd, en met de ten deesen geen nexen ben isen zig behoorlijk te hebben verantwoord en ten vollen aangeweeren, dat hij verweerder in deesen extra onenem culpam verseerd mitsdien afslaande en ontkennende, zoo geen alijk als spacciaelijk, al het geen bij den R:d: Een nog kan of mag werden voorgesteld, bij expresse den gatie, impertinentie en inrelevantie zullende antwoorden Concludeerd ten fine van niet ontfan„ kelijk en bij ordine, dat ols heers E: A= ress„rs, zoo aller intsongefundeerde eisch, en daar agter genomene Concluie op, ende jeegens den gedaagden gedaan en genoemen, bij diffiniteie vennis de uwer Wel Ed Agtb: zal worden ontzegd Cum nepens is, ofte tot alzulken an„ deren fine als Uw Ed Agtbe zollen vinden te behoren /:onderstond:/ Imploreerende hiertoe en op alles, uw Ed Agtb; nobel ac, benignum in officiam Judicis /:get:/ I: van Leeuden /:in margine/ Exhibitum in Indicco den 8 Iulij 1790 Alle s1 Comp=s en s' Colonies effecten ingevolge daarvan zijnde lijsten van den afgaande heer Landdrost sConstant van Nult onkruijst, ten overstaan der EEheemraaden, Hellegard, Muller en Salomon Ferreira overgeno men en oatvang en dus deese laten dienen voor quisten /:onderstond In droodije Swellendam, den 5 Iannuarij 1789: was get:/ M: Blankstain /:lager:/ Accordeert /get:/: G:t Ggaete C le Extract resolutie, genomen in Zeemrraads vergaade„ ring tot swellendam, praesent den heer Land„ dros tie 9 door't Constant van Nuldt, bnkruidt praesident, be„ neevens Messieurs, I: steijn, afgaande, E Meijer L: de Paager en P: Dienaar continueerende en P: M: Ter reira aankomende, bij abesentie van Messieurs H: A: van Vollenhoven afgaande E: F: du Toit continueerende, en D: du Flessis aankomende Woensdag den 9 Jannuarij 1786 Eindelijk leverde den heer praes, den t' volgende reekening over; wegens de nieuwgezette stel en schaal 22 balken lang 22, dik 6 en 8 duim - - - - rd„s 224:—: spantwerk en kapstijlen etc: - . - - - - - . . „ 95: —: 100: —: 600 voetplanken 10: —: 40 ruizen 13: 32 100 vragten gebakken, steenen 6:16 50 — brandhout 600 — „ klippen 100:- 20: —: 20 d„o Land van de breederevier 450: —: 15000 bossen dek riet 28: —: 4 trossen touwwerk 12: —. 3 kamer deur sloten 33:16: 200. lb spijkers knippen en grendels 6: -: 25: —: 100 lb W'Mlood. . . . . . - 4: -: 1 voordeur slot 2: 12: 6 lb Lijm 8 lb Swartsel 22 lb krijt 60 halve aamen kalk kelder lijn olij aan Ad: Statenberg voor het dekken KCieb, lang 64 voerten. - - - - - - - - „ 59: —: 18 paalen. . . . . . . . . . . . „ 78:— Courijnhout. . . . . . . . . . . „ 10 9: —: 2: 36 60: -: Jaatye r de r Conclusi gedaan vennis ontzegd en an¬ llen den bel van ant van geno an en Clee gaede. land „ da 3: — 18: —: 113:16 2
English
To Jantje Coles for inner frames rds 42: 24 170 days board, as of the above-mentioned persons 42: 24 Two masons 240 days 240: —: Board money for the same 60: —: 14 slaves for eight months 672: Smith's work according to account 328: 12 Sum rds 2897: 44 Which account after proper examination was approved and validated. Below stood: Thus done and resolved at Swellendam in the assembly aforementioned, day and year as above. Lower: Agrees with the original Resolution residing here at the Secretariat. Signed: M: Blankstein, Secretary Yet lower: Agrees. Signed: J: P: Kaureg, Clerk Answer, drawn up and very respectfully submitted to the Honorable Mr. J: I: Rhenius, President, together with the other Honorable gentlemen Members of the Court of Justice of this Government, by and on behalf of M: Blankstein, as former Secretary of the Colony of Zwellendam, Defendant of the one part, Contra The Independent Fiscal of this Government, the Honorable Mr. J: N: S: van Lijnden, ex officio Plaintiff of the other part. Honorable and Worshipful Sir and Honorable Sirs, After having most humbly thanked Your Honors for the kindly granted copy and extension of time, the Defendant has the honor to say in reply: That the Defendant had always drawn up the cash account himself, simply and according to his understanding, clear and distinct, and upon which no remarks were ever made by the High Government; That subsequently the Landdrost, wishing to improve that manner of drafting accounts, brought the same into such a form that the Defendant repeatedly had to declare to His Honor that, being unversed in bookkeeping, he could form no comprehension of it, and about which the Defendant also spoke with the Heemraden several times; And with regard, Honorable Sirs, to the Defendant not having signed that account, the Defendant will have the honor to say that in the beginning of the Colony, the then Secretary Boers having sent the letters and other papers from the Board to the High Government here, the Board had been reproached concerning the insolent and improper conduct of the said Secretary, as not being a Member of the Board and thus not suited to sign such papers; Furthermore, the Defendant has the honor to say that the first account drafted by the Landdrost, having been sent aside by the High Government as obscure and incomprehensible, and having been redressed, was accepted, just as those of subsequent years were likewise adopted, so that the Defendant could not judge otherwise than that the same were constructed in debita forma. And, Honorable and Worshipful Sirs, regarding the assertion of the Honorable ex officio Plaintiff that the Defendant supposedly looked on at everything tacitly, the Defendant will have the honor to say that the Defendant not only often spoke with the Heemraden about the poor state and management of the Colony's affairs and warned them of those things which he thought would tend to the detriment of the Colony, which also had the effect that several proposals were thwarted, and before the inspection of the newly erected building, the Defendant clearly warned the Heemraden that during that inspection they had to proceed with all accuracy; but, Honorable Sirs, that had no further effect than that the gentlemen said yes and amen. Furthermore, the Defendant did not let the matter rest there, but took the liberty several times respectfully to bring the condition of the Colony and the management of affairs to the attention of the Right Honorable Governor, as the Defendant judged himself obligated to do as an honest man, and moreover in the year 1787 or 88 requested two Heemraden, who were at the Cape at the same time as the Defendant, to go with the Defendant to the Right Honorable Governor and speak with His Honor regarding this, which those gentlemen at first indeed approved, but the next day had changed their minds; thus the Defendant believes he has kept salus populi the suprema lex well in view, notwithstanding that the late respected Member of this Government, who had a great deal of influence on the political regime here, had imbued the Defendant soon after his appointment with the notion that he, the Defendant, must never be unfaithful to the Landdrost, whether the then incumbent or his successors, or that the Defendant would at all times find covered dishes with His Honor. And finally, as regards the Colony's effects and furniture, Your Honors will be pleased to be informed that the table and chairs were never used for their destined purpose by the late Landdrost Mr. Daniel van Rijneveld, being in those days already of no importance whatsoever in the world, indeed practically unusable, which will strike Your Honors the sooner if Your Honors will please consider that the same were made of common yellowwood and had been in use between forty and fifty years, and thus finally had to be worn out, wherefore the Defendant could raise no difficulty in taking them over in that state, the Defendant immediately having drawn up a list of the quantity and quality
Dutch transcription
aem Iantje Coles voor binnen raijen rd=s 42: 24 170 dagen kosken, ald van bovengem: personen „ 42: 24 Twee metzelaars 240 daagen „ 240: —: kostgeld voor dezelve 60: —: 14 slaven voor agt maanden 672: Smitswerk volgens reekening 328: 12 Somma rd 2897:44 Welke reekening na behoorlijke Examinatie goedgekeurd en gevalideerd wierd /:onderstond:/ Aldus gedaan en geresolveerd tot swellendam in vergaadering voorm: die et anno ut sapra /:lager:/ Accordeert met de origineele Resolutie alhier ter se„ cretarge berustende /:get:/ M: Blanksteinsecrot /:nag lager:/ Accordeert /get:/ I: P: Kaure g Clercq Antwoord, gedaan maken en zeer eerbiedight overgegeeven aan den E E: heer J: I: Rrenius peraesident beneevens de verdere WelE: heeren raaden van Iustitie deezes gouvernements, door ende van wegens M: Blankstein als oud Secretaris der Colonie Zwellendam gede ter eenre Contra den Indeppendent fiscaeel dezes gouver„ nements den E: A: heer I: N: S: van Lijnden B: O: Eiss„r ter andere zyde WelEd Achtb: heer en WelEdele heeren. Na UwelEd Achtb: voor de goedgunstig verleende Copia en Termijn aller needrigst bedenkt te hebben heeft den gedaagden de Eer voor antwoord te zeggen Dat den ged„e altoos de Carsa reekening zelf eenvoudig en na zijn begrip klaar en duidelijk heeft opgemaakt gehad en waarop ook nimmer eenige remarques door - door de hoogeregeering zijn gemaak geworden Dat vervolgens den heer Landdoost die manier van ree„ keningen te concipieeren willende verbeeteren dezelve in zoodaanige form gebragt heeft dat den ged„e aan zijn Ed meermaalen heeft moeten declareeren uit het zelve als in het boekhouden ongeferseerd zijnde geen, be„ grip te kunnen formeeren, en waar over den ged=e ook diverse maalen de geenvraden heeft onderhouden en wat aan belangd E: r: heeren, dat den geld„e die ree= kening niet heeft geteekend, dien aangaande zal den ged„e de eer hebben te zeggen dat bij den aanbeginne der Colonie den toenmaetigen secretaris Booman de brieven en andere papieren uit het Collegie aande hoge Regeeringe alhier gezonden, het Collegie over het groosih en onbetaamelijke gedoente van gem: secreteris als geen Lid van 't Calegee en dus niet gevoegd om diergelyke papieren te teekenen was gereprocheerd geworden verder heeft den ged„e de eer te zeggen dat de eer„ „fte door de heer Landprost geconcipieerde reekening de ov de hooge Regeering als duister en onverstaan baar wagte wege gesonden en geredresseerd zijnde geaccepteerd geworden, gelijk die van volgende jaren ingelijks zijn aangenomen, zoo dat den ged„e niet anders konde oordeelen off dezelve waaren in debita forma geconstoueerd. En E: Achtb: heeren wat aanbelangt het geposeer„ de van den E A: heer E:O: Eissr dat den Gedaagden alles tacite zoude hebben aangezien zal den ged„e de eer hebben te zeggen, dat den ged„e niet alleen dikwils met de heemvraaden over de slegte gesteldheid en beehandeling van 1' Coloniesge„ doente heeft gesproken en dezelve van die duigen die hem dagt tot naadeel der Colonie te zullen strekken gepraeve„ nieerd het geen dan ook van dat effect is, geweest, dat eenige concepten verijdeld zijn geworden, en heeft den ged„e voor het visiteeren van het nieuw gesette gebouw de heemraden wel duidelijk gewaarschouwe dat zijl: bij die visitatie met alle omregtigheid moesten te werkgaan, dan E: A, heeren zulx is van geen verder gevolg geweert, dan, dat de heeren, ja, en amendeiden voors heeft den ged„e het daarbij : 24 24 rd am zeer heer de Justitie de van beid ged„e Gouver en voudig a 29 - daarbij niet laaten berusten, maar de vrijheid ge„ noomen de Wel Ed: gestr: heer goueverneur Eenige maalen der toestand der Colonie en de behaandeling der zaaken eerbiedig onder het oog te brengen, als oordeelende den ged„e het zelve als een eerlijk man verpligt te zijn en bovendien in den jaare 1787 of 88 twee heemraaden dewelke te gelyk met den gedaagden aande Caab waren versogt niet en benee„ vens den ged„e na de WelEd gestr. heer gouverneur te gaan en zijn wel Ed gestr: dien aangaande te gpre ken het geen die heeren wel eerst hebben goedgeteerd edoch s' anderen daags van gedagten waren ver= anderd dus vemeend den ged: tot talus populi de en„ prema Lee wel deegelijk voor oogen gehouden te hebben niet teegenstaande weijlen een aanzien lijk Lid dezer regeering en zeer veel influlutie op 't politicque regimen alhier hebbende den ged„e hor na zijne aanstellinge hadde geembueerd, dat hij ged„e den Landdrost 't zij, den toenmaaligen dan wel zijne successeurs nooit ontrouw moest wezen of dat om ged: bij zijn E: Achtb: ten allen tijde toegedekte schotels zoude vinden En wat eindelijk aanbelangd 11 Colonies effecten en meubilen zullen UEd: Agtb: gelieven geinformeerd te zijn dat de Tafel en steelen door wijlen den heer Landdrost de heer Daniel van Rijneveld nooit tot hun gedestineerd einde zijn gebruikt geworden, als zijnde in die dagen reeds van geen belang ter waereld, Jazelf genoegzaam onbuitbaar het geen UWe Ed: Achtb: dies te eer zal in 't oog vallen bij aldien UwEd: Achtb: gelieven te considereeren, dat deselve van gemeen geelhout gemaak en daarbij tusschen de veertig en vijftig jaaren ge„ bruikt ten dus eindelijk eens hebben moeten desell worden weshaven den ged„e geen dwaarighid konde maaken deselve in dien staat overteneemen hebban den ged„e terstond daar een lijst van de quantiteid en qua libeid
English
both of those and the Honorable Company's effects to the Honorable and Valiant Lord Governor. Furthermore, the defendant believes, under submission to the wiser and better judgment of Your Worships, that he was unauthorized to hand over the required papers to their president. Furthermore, the defendant shall have the honor to add hereto that the private letters sent by the High Government to the Landdrosts were never handed over by them to their secretaries, much less brought to the secretariat, so the defendant likewise cannot be blamed for the absence of the same. Finally, the defendant has the honor to say that he never having had any shortage of monies, he was thus also not in a position to be able to verify which entries placed on the account remained paid or unpaid. Thus, the defendant, thinking to have clearly demonstrated to Your Worships that he has properly acquitted himself in his office as secretary, the defendant deems to be permitted and obligated to conclude, as he concludes hereby, that the Honorable Independent Fiscal Plaintiff ex officio, by definitive sentence of Your Worships, may be declared to have no action against the defendant on the aforementioned grounds, and by order that the claim made against the defendant by the Honorable Independent Fiscal Plaintiff ex officio may be dismissed as inadmissible. was signed M: Blanksteen in the margin Exhibitum in Iudicio the 8th of July 1790 Dem Clercq Lampek Agreed No 11 Appeared before the Honorable and Worshipful Lords President and Councilors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio Plaintiff in a case of committed fraud, of the one part; against the widow of Sebastiaan Rijchard, defendant in the aforesaid case, of the other part. 2 That notwithstanding that it is expressly decreed by the 14th article of the general placard of the year 1746 that no one, other than the lessee of the Cape cool wines, shall be permitted to sell and tap any wine by small measure to the public, 4 on pain of a fine of one thousand guilders, 5 it has nevertheless pleased the defendant herein 6 on the 11th of the past month of October, to sell three bottles of wine to the persons of Jan Jurgens Bergman and Jacobus van der Droesen. That the Plaintiff ex officio questioned the defendant concerning this, and demanded of her the payment of the fine incurred by her; 8 but that she, the defendant, has been shameless enough to deny the fact, 9 in order thereby, if it were possible, to escape the payment of the aforesaid fine; 10 whereas, nevertheless, not only was wine found in the defendant's house upon inspection, 11 but it was also testified by the aforementioned persons under offer of oath 12 that they bought three bottles of wine from a woman 13 whom they, in the presence of the second court messenger, expressly instructed thereto, declared to be the defendant herein; 14 as this may clearly appear from the documents attached hereto under letters B and C. For which and other reasons and means to be further substantiated in due time, if necessary, the Plaintiff ex officio, making his claim, concluded that the defendant herein shall, by definitive sentence of Your Worships, be condemned to the prescribed fine of one thousand guilders, with the costs, or to other, etc. was signed I: N: S: van Lijnden in the margin Exhibitum in Iudicio the 11th of November 1791 Today, the 3rd of November 1791, I, the undersigned, at the requisition of the Honorable Independent Fiscal of this government, betook myself to and in the presence of the widow of Sebastiaan Rijchard, and in the presence of the same asked the sailors in the service of the Honorable Company, Jan Jurriaan Bergman and Jacobus van der Does, whether she, the widow Rijchardt, was not the same woman from whom they had bought wine and paid for the same a few days ago; whereupon I received as an answer from both: Yes, that is the same woman from whom we bought wine. Which I report to have occurred to me. below stood Cape of Good Hope, date as above was signed I: De Wit Court Messenger Today, the 12th of October 1790, appeared before me, Johannes Daniel Kernspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the cooper of the Honorable Company, Jan Jurgen Bergman, and the sailor Jacobus van der Doesen, who, at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That the Appearers yesterday betook themselves to a certain house situated in Roeland Street in order to buy some bottles of wine there; just as the second Appearer has fetched wine there multiple times.
Dutch transcription
liteid zo van die als s' E Comp„s effecten aan den Wel Ed Gestr:heer gouverneur doen toekoomen voorts senkt den ged:e onder dubmissie van het hoogweys beeter oordeel van UWEd: Agtb:/ onbevoegd te zijn geweest om aan eijren perhaesident de gerequireerde papieren ter hand te stellen Voorts zal den ged„e de eer hebben nog hier bij te voegen dat de particuliere brieven door de hooge regeering aan de Landdrosten toegezonden nooit door dezelve aan hunne secretariszen zijn overhandigd veel min ter secretarije gebragt dus den ged„e de absentie van dezelve meede niet te laste kan gelegd worden Eindelijk heeft den ged„e de eerte zeggen dat his nooit eenige maneantie van penn: gehad hebbende, dus ook niet in staat was te kunnen nagaan, welke op de ree„ kening gebragte posten betaald of onbetaald geblee„ ven waaren Dus den ged„e denkende Uw: Achtb: zonne klaar aangetoond te hebben dat hij zig in zijne bediening als secretaris behoorlijk heeft gequeeten. zoo vermeend den ged„e te mogen en moeten Concludeeren gelijk Concludeerd bij deesen dat den E Achtb: heer E: O: kiss:o bij definitive vonnisse van UwEd Achtb: mag worden verclaard geen actie uit hoofde voorsz: op den ged„e te hebben en bij ordrne dat des E: A: heer 2:O: Eiss„r tegens den ged„ gedaane eisch als niet on„ ontzegt. fankelijk mag worden /:was geteekend:/ M: Blanksteen /: in margine:/ Exhibitum in Iudicio den 8 Julij 1790:/ Dem Clercq Lampek Accordeert e erd die en een op kor thij wel de e nheer tot hun zijnde d„ Jazel dieste lieven gemaak en ge¬ nde hebban en qua erd ge t E No 11 Compareerde voor de WelEdelen en Acht baare heeren Praesident en raaden van Justitie des kasteels de goede hoop de Inde„ pendent fiscaal Johan Nicolaas Ste¬ ven van Lijnden r: O: Eisscher in Cas van gepleegde fraude ter eenre contra de weduwe van Sebastiaan Rijchard gedaagdesse in 't voorsz. cas ter andere zijde 2 dat nietteegenstaande bij het 14 art„ van 't generaal p laccaats de a„o 1746: uitdrukkelijk is gestatueerd dat niemand buiten den pachter der Kaabsche koele wijnen zal vermogen eenige wijn bij de kleine maat ter bluik te verkoopen en uittetappen 4 op verbewate van eene boete van een duizend guldens ten 5 het aan de gedte in deezen nagthans heeft hunnen gelusten 6 om op den 11 der gepasseerde maand october, aan de ver„ soonen van Ian Iurgens Bergman en Jacobus van der Droesen drie vleszen wijn te verkoopen. — Dat de r: v: Eisscher de ged=te hier over oonderhouden, en van haar de betaaling gevordert heeft van de door haar geincurreerde boete 8 dan dat zij gedste onbeschaamd genoeges geweest om Articul 1 Ende de de zeggend het Ca 3 1 nam 172 het feijt te ontkennen 9 om daar door, waare het mogelyk, de betaaling der voorsz: boetel cohappeeren 10 daar nogthans niet alleen bij visitatie wijn in der ged„te hui is gevonden 11 maar door voorn: perzoonen onder praesentatie van Eede oak„ getuigd geworden 12 drie vlessen wijn gekogt te hebben bij een vrouw 13 welke zij in 't bijweeren van den tweede ger: boode, daartee expres gelast, gedeclareerd hebben de ged=te in dezen te zyn 14 zoo als dit een en ander adevidentiam kan consteeren uit de hierneevens sub L:ta B & (gevoegde peoducten Mits welke en andere reedenen en middelen in tyd en wijlen, is t nod nader te adstrueeren de r: O: Eiss„r Eisch doende concludeerde dat de ged„e in deze bij definitive vonnisse van UEE Aht zal worden gecondemneerd in de bepaal de boete van een duijzend guldens: met de kosten ofte tot anderen &„a /: was geteekend:/ I: N: S: van Lijnden /: in margine:/ E: hibitum in Iudicio d. W1 No„ vember 1791: /— Huiden den 3 den November 1791 heb ik ondergeteekende ter requisitie van den E: Achtb: heer Independent fiscaal deezes gouvernements, 1. mij vervoegd bij en ter praesentie van de wed„e Sebastiaan ge„ Rijchard, en in praesentie van dezelven afgevraagd, de Mattroozen in dienst der E Compagnie Jan Jurriaan Bergman, en Jacobus van der Does, of zij weduwe Rijchardt niet dezelfde vrouw was, van wien zij eenige dagen geleeden wijn hadden gekogt en dezelve betaald waar op van beiden ten antwoord: heb bekomen.- Ia dat is dezelfde vrouw van wien wij wijn hebben gekogt. — het welk relateere mij weedervaaren te zijn /:onderstond:/ Cabo de goede hoop datum ut supra /:wasre geteekend:/ I: De Wit I G„t koode Huiden den 12 October 1790 Compareerde voor mij Johannes Daniel Kernspek gezw Clercq Ter secretarije van Iustitie des Casteels de goede hoop, gerae„ sent de naten: getuigen, den kuiper der E Comp„e Jan Jurgen Bergman en den Mattroos Iacobus van der Doesen, dewelke ter requisitie van den indepen„ dent fiscaal d' E Achtb: heer Johan Nicolaas Steuen van Lijnden verklaarde hoe waar is Dat de Comparanten zig op gisteren begee„ ven hebbende na zeeker huis staande in roelands straat ten einde aldaar eenige flessen wijn te koopen; gelijk den tweeden Comparant meermaalen aldaar wijn gehaald heeft daar zyn en nod h in dezel UEE Acht de bepaal„ den s: 9 d ƒ 119 en
English
has That when both of the appearers, carrying three bottles of wine in order to go to the hospital, had come to the corner of the house of the burgher Jacobus Johannes van den Bergh, he came toward them and asked in substance, where do you get that wine, to which they had answered, that does not concern you; but when the said van den Bergh indicated that he was the general lessee, and wished to know where the appearers had obtained those wines, the appearers pointed out the house to the said van den Bergh, who went along with them in person, where they had obtained those beverages. That the said van den Bergh, having inspected the said house upon his arrival there, then brought out empty half-aams from the same, one half-aam of which those people had in haste let run out, which the appearers could see because the entire backyard was covered with wine. Declaring nothing further, the appearer gives as reasons for knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same further by solemn oath. Below stood: That this thus took place at the aforementioned secretariat, present as witnesses the clerks Marthinus Laurentius Neethling and Johan Bernhard Hoffmayn, who along with the appearers and me, the sworn clerk, have duly signed the minute of this. Lower: Which I witness, was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. Review. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, the aforementioned cooper of the Honorable Company, Jan Jurgen Bergman, and the sailor Jan Jurgen van der Doesen, who, having had this preceding declaration read out clearly and distinctly word for word, declared to persist by it, desiring that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore, in confirmation of the truth thereof, each of them in particular, in the presence of the widow Sebastiaan Rijhard, whom the deponents recognized as the very woman from whom they had obtained the aforementioned wines, spoke the solemn words: So truly help me God Almighty. Thus reviewed and sworn at the Cape of Good Hope, the 26 November 1791. Signed: J: J: Bergman, J: van der Does. Lower: Present: signed: J: D: Karnspek. In the margin: As commissioners, signed: R: J: van der Riet and G: H: Meyer. Below stood: Agrees. No 12 Appeared before the Right Honorable and Worshipful Lords President and Councilors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, prosecutor in criminal cases on the one part, and the under-boss of the Honorable Company's post De Schuur, Joh: Philip Snegelsbergen, defendant on the other part. Article 1: And made to say 2: that complaint having been made to the criminal prosecutor by the lessee of the Cape cool wines at Rondebosch and in False Bay, Johannes Eksteen, 3: that notwithstanding no one was permitted to sell any beverages by retail, unless the same beverages were supplied by the lessee, 4: the defendant in this matter had nevertheless not hesitated to retail wine at his post by bottles and small measure, which he had bought up not from the lessee, but from private winegrowers; the criminal prosecutor, in order to maintain the lessee, thought fit to interdict the defendant from the continuation of that illicit trade; yet the defendant, instead of obeying this, was able to forget himself so far as to proceed, in contempt of the country's honored placards, with the retailing of wine bought up from private winegrowers, not only to the people of the Schuur, but even to slaves, as appears from the two annexed declarations under letters C: and D:, to which the criminal prosecutor refers for the sake of brevity; so that the criminal prosecutor finally sees himself forced to summon the defendant before Your Worships, to the end that such penalties be inflicted upon him as have been ordained by the general placard against smugglers. For which and other reasons, to be further alleged in due time and place if necessary, the criminal prosecutor, making his demand, concluded that the defendant shall be condemned by definitive sentence of Your Worships to a fine of one thousand guilders Cape valuation, to be divided according to the prescription of law, and that the defendant shall furthermore be corrected for his disobedient conduct, as Your Worships in proper justice shall deem fit, with expenses; or to other etc. Was signed: J: N: S: van Lynden. In the margin: Exhibited in court the 29 October 1789. Today, the 13 October 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Ryneveld, Secretary of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, present the witnesses to be named hereafter, the burgher Willem van Reenen, of competent age, who, at the requisition of the Independent Fiscal here, the Honorable Worshipful J: N: S: van Lynden, declared it to be true: That on Sunday the 11th of October of the current year, in the evening around 7 o'clock, he, the appearer, in the company of the Lieutenant of the burgher cavalry, Mr. Johannes Eksteen, was riding from the farm of the burgher Jacobus Louw; That he, the appearer, having arrived at the land of the Schuur, saw two slave boys there, by name Martinus and Jacob, belonging to Mr. Wiese, coming out of the house of the under-boss of the Schuur, having a bottle with them; That the said Eksteen, having called those boys, had asked them what they had in that bottle, to which was answered in substance by one of those boys, so to speak, wine, sir; until
Dutch transcription
heeft Dat wanneer de Compten. met hun beiden met drie flessen wijn ten einde hun naar het hospitaal te de„ geeven, gekoomen waaren tot op de hoek van het huis van den burger Iacobus Iohannes van den Bergh hun teegen gekoomen was en in substantie gevraagd had waar haalt gij die wijn, zij lieden geantwoord hadden dat raakt uw niet, dog wanneer denzelven van den Bergh te kennen gaf, dat hij generaale pagter was, en weeten wilde waar de Comp=ten die wijnen gehaald hadden, hebben de Compten gem: van den Berg, die in perzoon met hun meede gegaan was, het huis aangewee„ zen alwaar zij die dranken gehaald hadden.— Dat gem: van den Bergh, bij zijn komst aldaar het gem: huis gevisiteerd hebbende, als toen & leedige half „aamen uit dezelve gehaald heeft, waar van die Lied en het eene halfaam in der haast hadden laaten uitloopen het geen de Compten. zien konden vermits de geheele agterplaats met wijn was. Niets meer verklaarende geeft de Comp 6: voor reedenen van wetenschap als in den text, bereid zijnde hetzelve des gerequireerd werdende met solem„ neele Eede nader gestand te doen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: praesent de Clercquen, Marthinus Lauren tius Neethling en Johan Bernhard Hoffinayn als getuigen, die de minute deezes beneevens de Comp ten inde mij gesw Clercq meede, behoor„ lijk - lijk hebben onderteekend:/ lager:/ 'T welk ik getuigen was geteekend:/ I: D: Karnspek gemw Clercq Recollement. Compareerde voor ons ondergeteek: gecomm:s uit den E Achtb: Raad van Justitie deezes gouvernements voorm: kuipen der E Comp=e Jan Jurgen Berg„ man en den mattroos Ian Jurgen van der Doesen dewelke deeze voorenstaande verklaaring klaar en dui„ delijk woordelijx voorgeleezen weezende, verklaarde daarbij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal, en spraaken derhalven ter„ bevestiging der waarheid van dien een eider van hun in 't bijzonder, ter praesentie van de wedme Sebastiaan Rijhard, welke de deposanten erkenden voor de eigenste vrouw alwaar zij de voorgemelde wijnen gehaald hadden, de solemneele woorden, zoo waarlijk helpe mij God Almachtig Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop, den 26 November 1791. /:geteekend:/ I: I: Bergman, I: van der Does /:lager:/ Aij: praesent: / geteekend/ I: D: Karnspek. /in margine:/ als gecvenm„rs /geteekend:/ R: J: van der Riet en G: H: Meijer:/ /:onderstond:/ Kamper E get. Cleucq Accordeert de 6 bereid lem Comp etarije. ayn de r n N:o 12 Compareerde, voor de Wel Ed: en Achtb: heeren Ardesident en raaden van Justitie des Casteels de goede hoop de In¬ dependents fiscial Johan Nico„ laassteven van Lijnden r:O: Cis Cn ter eenre den onderbaas van s' E Comp„ post de schuur Joh: Philip snegelsbergen ged:e ter ande„ rezijde Art„a 1: Ende dede zeggen 2 dat door den pagter der kaapsche koele wijnen aan 't rondebosje en in de braijfals Johannes Eksteen bij den r: O: Eesscher geklaagd zijnde geworden 3. dat onaangezien niemand eenige dranken bij de kleine maat vermogt te verko„ pen ten zij dezelve dranken door den vagter waaren geleeverd geworden Contra 4 G de ged: in dezen zig nogtans niet ont„ zien had op deszelfs post bij bostels en klander maat wijn uit te lappen welken hij niet van den pagter maar van particuliere wijngaardeniers had opgekogt de R: O: Eisc„r tot mainken van den Pachter goedgevonden heeft het continueeren van dien morshandel aan den ged: te interdi„ ceeren dan dat den ged: in plaats van hier aan te obedieeren zich in zoo verre heeft kunnen vergeeten g omme in vispentie van 's Lands geëer„ de placcaaten met het verloppen van wyn bij particuliere wijngaardeniers op gekogt voort te vaaren 10 niet alleen aan 't schuurs volk maar zelf aan slaven 11 blijkens de twee geannexeerde verclaaringe sub La C: en D 12 tot welken de R: O: Eiss:r zig kortheids, halven refereerd 13 zoo dat de 3: 1: Eisscher zich eindelijk in de noodzaakelijkheid gebragt ziet den ged: voor 8 voor UEE Achtb te doen de quaarden ik ten einde aan denzelven zodaanige poenen werde geinquirgeerd 15. als er bij 't generaal placcaat tegen de smok„ ƒ ƒ kelaars is gestatueerd geworden Mits welke en andere rede„ nen, in tijd en wijlen is 't nood nader te allegeeren, de E: O: Eiss„r eisch doende con„ cludeerde dat de ged: bij defi nitive vonnisse van UEE Achtb zal worden gecondemneerd in eene boete van een duizend guldens Caabsche valuatie, te verdeelen ad praescriptumlegis, en dat de ged: voorts wegens zijn disabedient gedrag zal wor¬ den gecorrigeerd, als UEE Achtb: in goede Iustitie zullen oordeelen te behooren. cun expens is; ofte tot anderen & /:was geteekend:/ I: N: S: van Sinden:) /:in margine:/ Exhibitum in Judicil den 29 October 1789 Huisen E kogt geko 6 Heiden den 13 October 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld Secretaris van den E Achtb: Eade van Justitie dezes gouvernements, prae tent de natenoemene getuigen, den burger Willem van reenen, van competenten onder„ dom, dewelke ter requisitie van den inde„ stendent fiscaal alhier de E Achtber: I: N: s: van Lijnden, verclaarde hoe waar is. — Dat op zondag den 11=e detober, I: C: s' avonds tegen 7 uuren hij Compt: in ge¬ zelschap van den Lieutenand der burger Cavallerij de manh: Iohannes Eksteen, van de plaats van den burger Iacobus Leuning was gereeden Dat hij Compt op 't schuurs Land ge¬ komen zijnde, aldaar twee sleven jangens, in naame Martinus en Jacob, toebehoorende de heer Wiese uit het huis der onderbaanen van de schuur had zien komen, hebbende een bottel bij zich Dat gem: Eksken die gorgens geroepen hebbende, dezelve gevraagd had, wat zij l: in die bottel hadden, 't welk substantieelijk door een dier jongens was beantwoord gewor„ den niet te zeggen, wijn Myjnheer tot
English
that we bought at the under-boss's house for eight stuivers the bottle; adding thereto that they could purchase there by small measure as much as they desired, while they had at the same time declared to the appearer that they, that same morning with some other boys and Hottentot women, had bought wine there. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing further under oath if required. Thus passed at the judicial secretariat of the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Petrus Diemel and Christiaan Ludolph Neethling as witnesses, who have duly signed the original of this together with the appearer and me, the secretary. Which I testify: was signed W. J. van Rijneveld, Secretary. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned burgher Willem van Reenen, who, his aforesaid declaration having been clearly read out to him, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken away from it, except only that the appearer cannot say to have seen that the said boys of Mr. Wiese came out of the house of the under-bosses at the barn, since it was dark, but that he knows very well that those boys fetched the wine from the houses situated there at the barn; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the assistant Marinus Marinussen as attorney of the under-boss of the barn, Johan Philip Snegelsbergen, the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at Cape of Good Hope, the 15th of March 1790. Was signed: W. V. Reenen. In my presence, signed: Barnspek, sworn clerk. In the margin, signed as commissioners: R. W. van der Riet and D. de Wet. Today, the 13th of October 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, secretary of the Honorable Court of Justice of this government, in the presence of the after-mentioned witnesses, the lieutenant of the burgher cavalry, the worthy Johannes Eksteen, who, at the requisition of the Independent Fiscal of this government, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That the appearer, on Sunday the 11th of October last, in the evening towards 7 o'clock, with the burgher Willem van Reenen, was riding from a farm belonging to the burgher Jacobus Heuning across the land of the barn, and had there seen coming out of the house of the under-bosses of the barn two slave boys named Marthinus and Jacob, bondsmen of Mr. Wiese, those boys having a bottle with them; That the appearer had then called the same boys to him and asked them what they had in that bottle, which was answered by one of them in these substantial words: "Wine, my lord! That we bought at the under-boss's house for eight stuivers the bottle," saying further that they could purchase there by small measure as much as they needed, adding thereto that they, that same morning with more other boys and some Hottentot women, had also bought wine at that place. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared always to confirm the foregoing further under oath. Thus passed at the aforesaid secretariat, in the presence of the clerks Marthinus Laurentius Neethling and Petrus Diemel as witnesses, who have duly signed the original of this together with the appearer and me, the secretary. Which I testify: was signed W. J. van Rijneveld, Secretary. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned worthy Johannes Eksteen, who, his above declaration having been clearly read out to him, declared to persist therein, desiring that nothing more be added to or taken away from it, except only that the appearer sent the two aforesaid boys to the barn to fetch liquor in order to discover with certainty whether liquor was sold there, and furthermore that those two slave boys answered the appearer that they had fetched those drinks at the barn, without saying at which boss's or in which house; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the assistant Marinus Marinussen as attorney of the under-boss of the barn, Johan Philip Snegelsbergen, the solemn words: So help me God Almighty. Thus re-examined and sworn at Cape of Good Hope, the 15th of March 1790. Was signed: J. P. Eksteen. In my presence, signed: Barnspek, sworn clerk. In the margin, signed as commissioners: R. W. van der Riet and J. de Wet. Answer drafted and most respectfully submitted to the Right Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, together with the other members of the Honorable Court of Justice of this government, by and on behalf of the assistant of the Honorable Company, Marinus Marinussen, as general attorney of the under-boss of the Honorable Company's post The Barn, Johan Philip Snegelsbergen, defendant in a case of smuggling, against the Honorable Independent Fiscal, Johan Nicolaas Steven van Lijnden, ex officio prosecutor in the said case. Right Honorable Gentlemen, The defendant, having dutifully acknowledged his thanks to Your Honors for granting a copy of the claim filed by the Honorable Prosecutor two weeks ago before Your Honors, intends to answer the same: Says that he cannot deny that his principal sold wines and other drinks by bottles and small measures there to the people
Dutch transcription
dat wij hebben wij gekogt bij de onderbaasen in huis voor agt stuivers de bottel: daar nog bijvoegende dat zij aldaar bij de kleine maak zo veel konden te koop krijgen, als zij begeerden, ter„ wijl zij teffens aan den Comp„t betuigd hadden, dat zij dienzelven morgen met nog eenige andere jongens in hotten tots meeden, aldaar wijn gekogt hadden N iets meer verclaarende geeft den Compt. voor reedenen van wetenschap als in den text bereid zijnde, het voorenstaan„ de des gerequireerd wordende met Eede nader gestand te doen Dat aldus passeerde ter secretarije van Iustitie des Casteels de goede koop„ ter praesentie der Clerquen Petrus Diemel en Christiaan Ludolph Neethling als getuigen, die de minute dezes benevens den Compt. ende mij seeren taris mede behoorlijk hebben onderteekend /:onderstond:/ /lager:/ /:lager:/ 'T welk ik getuige /: was geteeken WJ W Rijneveld Secretaris: Recollement Compareerde voor ons ondergeteek: gecomm: uit den E Achtb: Rade van Justitie dezes gau„ vernements, voorm: burger Willem van reenen dewelke zijne voorsz: gegeevene verclaaring duidelijk voorgeleezen zijnde, betuigde daarbij te blijven persisteeren, met begeerte dat daar niets meer bij af af gedaan werden zal; als alleenlijk dat den Compt. niet zee gen haar gezien te hebben dat gem: jongens van de heer Wiese uit het huis van de onderhaa den aan de schuur kwamen, vermits het duister was, dog zeer wel te weeten dat die Jongens uit de aldaar staande huisen aan de schuur geleegen de wijn hebben gehaald en sprak dier halven ter bevestiging der waar heid van dien ter praesentie van den adsistend Marinus Marinussen als gemachtigde van den onderbaas van de schuur Johan Philip Snegelsbergen Snegelsbergen, de solemneele woonden zo waarlijk helpe mij god almachtig „ /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabo de goede hoop den 15 Maart 1790 /: was geteekend WVzeenen /:lager:/ Mij praesent:) „geteekend:/ Darnspek geaw Clercq /: in margine:) als gecomm=s geteekend:/ RWV D Piet en D lsWet Huiden den 13 October 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van zijneveld secretaris van den E Achtb: raad van Iustitie dezes gouvernements, praesent de naten: getuigen der lieutenand der burger Canallerie de manh: Iohannes Ekoteen dewelke ter requisitie van den indepen„ dent fiscaal dezes gouvernements de E Achtb: heer Johan Nicolaas Stenen van Lijnden verclaarde hoe waar is Comp„s op zondag den 1 Dat de October teeken m: October I: l: s'avonds tegen 7uuren met den burger Willem van heenen van een plaats toe„ behoorende den burger Iacobus Heuning, koo„ mende over het schuurs Land was gereeden en aldaar uit het huis van de onderbaazen der schuur had zien komen twee slaven jongens gent. Marthinus en Jacob lyfeigenen van den heere Wiezen, hebbende die Jongens een boddel bij zig Dat de Comp„e als toen dezelve jangens bij zig geroepen en hun gevraagd had wat zij in die boddel hadden 't welk door een van hun beiden was beantwoord geworden in deeze substantieele bewoording een wijn mijn heer! dat hebben wij gekogt by de onderbaas in huis voor agt stuivers de bottel seggende verder dat zij aldaar bij de kleine maat zo veel te koop konde krijgen als zij benoodigd hadden, daar nog bijvoegende dat zij dienzelven morgen met nog meer andere jonrgens en eenige hottentots meiden te dier plaatse ook nog wijn gekogt hadden Niets meer verclaarende geeft den Compt. voor reedenen van wetenschap als als in den text bereid eijnde t vorenstaande altoos met Eede nader gestand te doen. Dat aldus passeerde ter secretarise voorm: praesent de Clercquen Marthinus Lauren„ tius Neethling en Petrus Diemel als getuigen, die de minute dezer benevens den Comp„s en mij secrets meede behoorlijk hebben ondertee= kend /:lager :/ 'T welk ik getuige /:was ge¬ W J Rijneveld Secret.:s teekend Recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E Achtb: rade van Iustitie dezes gouvernements voorm: manh: Iohannes Eksteen dewelke zijne vo„ venstaande verclaaring duidelijk voorgeleezen zijnde, betuigde daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat daar niets meer bij of afgedaan werden zal, als alleenlijk dat de Comp„ de twee voormelde Jorgens na de schuur heeft toegezonden om drank te haalen; ten einde in het zeekere te ontdekken, of aldaar drank verkogh n gens ng verkogt wierd, en voorts dat die twee slaaen Jongers de Comp„e geantwoord hadden dat zijl die dranken aan de schuur gehaald hebben zonder te zeggen bij welken baas af in wat huis, en sprak dierhalven ter bevestiging der waarheid van dien in praesentie van den adsistend Marc nus Marinussen, as gemagtigde van den onder„ baas van de schuur Iohan Philip Snegelsbergen de zolemneele woorden: zo waarlijk helpe mij God almachtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beëedigd aan Cabo de goede hoop, den 15 Maart 1790 /:was geteekend: S: P: Eksteen /:lager:/ Mij praesent /:geteekend Rarnspak gezw Clercq /:in margine /: als gecomm. s /:getekend:/ R IV & Riet en I: De Wet:/ Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedigst overgegeeven aan den WelEd: Achtb: heer Johanne Isaak Rhenius praesident beneevens verdere Leeden uit den E Actb: Iaare van Iustitie dezes gouver„ nements door ende van wegens den adsistend der E Comp en Ma„ rinus rinus Marinuszen als generaale gemachtigde van den onderbaas van 's E Comp=s port de schuur Johan Philip Snegelsbergen ged: in cas van smokkeling op ende jeegens den Achtb: heer independent fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden R: V: Eisscher in gemelde Cas en Den 99 ged: na uE Achtb pligtschuldig zijn dank erkent te hebben voor verleende Copie van Eisch bij den achtb: heer, p: O: Eisscher heeden over 14 dagen voor UEd Achtb: ingediend zullende op deselve antwoorden zegt niet te kunnen ontkennen dat zijn principaal wijnen en andere dranken bij bottels en kleine maaten aldaar aan 't Weled: Achtb: WelEd Achtb: Heer. Heeren. volk en goede n Wet: „
English
people stationed at the post, sell, just as has taken place there from time immemorial. Although almost every year the lessees of the Cape cool wines at the Rondebosch and Baai Fals have protested against this, nevertheless, these have always been rejected because necessity demands that the people stationed at the post, both by day and by night, always need to be present. And if they cannot obtain drinks at the post, they must necessarily go to the taverns, whereby such a post falls entirely into disorder. In consideration of which, the requests of the lessees in this regard have been rejected, so that the principal defendant trusts not to have made himself guilty of smuggling thereby, the more so because the defendant has never made himself guilty of selling any drinks to others outside the post, much less to black boys, although this is alleged by the lessee Johannes Ekstein and two declarations given by the said lessee and his brother-in-law Willem van Reenen have been produced by the Honorable Officer Prosecutor. Thus, in the first place, the said defendant in his capacity will submit to Your Honors' consideration whether persons who give the declarations can lawfully be accepted, since one is the lessee himself and the other is his brother-in-law. Yet when one reads the declarations, they cannot appear as anything other than very suspicious. Thus, to the single question of the lessee Johannes Eksteen as to what they had in the bottle, those boys gave an ample story stating that they had wine in it, that they had bought it from the lower-ranked men in the house for eight stuivers the bottle, and further adding that they could buy as much as they desired there by small measure, and further still how in the morning boys and Hottentot women had bought wine there. When one considers that answer to that single question, it is surely highly suspicious. Was the said lessee indeed able to answer his own question better? For everything that the lessee could desire is contained in it. Even assuming that nothing is to be presumed, that boy made this speech according to the wish of the lessee; what credit will such a statement from a boy then merit! The more so as Your Honors can see from the attached letter of the Captain of the burghery, the gentleman I. D. Wijren, who questioned his boys about this, not only those two, but all his slaves. There they speak a different language, which from its very nature must merit greater belief; from that it will be established that that wine was never fetched from the house by the lower-ranked men, but one of the men stationed at the post was used for that purpose, and thus neither the witness nor his mate were entirely ignorant of it and could not prevent that wine was fetched by the men and handed over to others, although upon discovery such a person is punished according to his merits. And as regards that the Honorable Officer Prosecutor, for the maintenance of the lessee, saw fit to interdict the defendant from continuing that retail trade, but that the defendant, instead of obeying this, proceeded with the same: Honorable sirs, far be it from the defendant to disobey the respected orders of the Honorable Officer Prosecutor, as the said orders were not to retail wines any longer than until the wines that had been laid in were finished. And so the defendant continued to sell wines to the post personnel on the old footing, believing to have the liberty to do so for that long, and thus not to have made himself guilty of disobedience. The defendant trusts, since it has already taken place from time immemorial not only there at the Schuur, but at all the Company's posts, to sell to the personnel thereof by small measures, without it ever having been customary to buy those wines from the lessee, that the defendant has therefore not made himself guilty of smuggling or acted in contempt of the country's promulgated placards. And as regards the second count of the Honorable Officer Prosecutor, that wines were allegedly retailed by the defendant not only to the post personnel but also to private individuals, that is not proven by the declarations submitted by the Honorable Officer Prosecutor, but the exact opposite is proven by the letter submitted on this side. Wherewith the defendant in his capacity trusts to have reasonably refuted the claim of the Officer Prosecutor and removed all semblance of truth from the submitted evidence. With which the aforementioned defendant in his capacity, answering, shall conclude that the claim is null and void to the end of inadmissibility, and by order that the Honorable Officer Prosecutor shall be denied his claim and conclusion made on and against the defendant, with costs. Was signed: Mr. Marinus, senior, in his capacity. In the margin: Exhibited in Court on 12 November 1789. Examined my two slaves, found the same to be untruthful, as was said to Mr. Sap. Schuurs
Dutch transcription
volk op de post bescheiden verkoopen zooals zulx bij onheugelijke tijden aldaar plaats heeft gehad Schoon meest alle jaaren door de pa¬ ters van de caabsche koelewijnen aan 't ronde borze en braijfals daar teegen is geprotesteerd Egter zijn deselve altoos van de hand ge¬ weesen geworden om dat de noodzaakelijk heid het vordere dat 't volk op de post bescheiden zoo bij dagen als bij nagten altoos praesent behoo„ ven te zijn. En wanneer op den post geen dranken kunnen krijgen deselve noodwendig na de tap„ huisen moeten begeeven, waar door alsdan zoo een postgantsch in de waar loopt Uit aanmerking van welke is aan de pagters hunne versoeken desweegens van de hand geweesen geworden zoo dat, den prin¬ cipaalen gedaagden vertrouwd daar meede niet te hebben schuldig gemaakt aan & mot kelaarije te meer daar den ged nimmer heeft schuldig gemaakt aan andere buiten de port veel min aan zwarte jongens eenige dranken te verkoopen. schoon door den pagter Johannes Ekstein zulx word voortge„ bragt en bij den E: O: Eiscr twee stuks ver„ klaaringen gegeeven bij gem: Pagter en deszelfs deszelfs zwager Willem van reenen woorden ge¬ produceerd Zoo zal in de eerste plaats den 99. ged: UEE Achtb: in Consideratie geeven af persoonen die de verclaaringen geeven na rechten wel kon„ nen geaccepteerd worden, wijt 't een den pagter del ve is en 't andere zijn zwager, Dog wanneer men de verclaaringen leert; zo konnen deselve niet als zeer suspect voorkomen, zoo die Jongens op de enkelde vraag van den pagter Iohannes Eksteen: wat zijlieden in de Boddel hadden daar op een ampel verhaal raende dat hij wijn daarin hadde, dat zij dien gekogt hadde bij de onderbaaren in 't huis voor agt stuivers de bottel en verder. . NB3 daar nog bijvoegende, dat zij aldaar zij de kleine maat zo veels konden te koopen krijgen als zij begeerde, nog verder hoe des morgens jongens en hotlentots meiden wijn aldaar gekogt hadden Wanneer men dat antwoord of die en kelde vrang beschouwd is 't immers ten hoogsten 3 subject Was den gesegden pagter wel in staat om zijn gezigde vraag beter te beantwoorden; want alles legt 'er in opgeslooten dat den pagter konde begeeren. — Maar genomen schaon niets te prae„ sumeeren is, die jongen had na wensch van ven s d ge„ ijk hiden oo„ belo s ken de a tap. aan de de in meede & molt heft &r ƒ . . den pagter deese redenvoering gedaen, wat gelaaf„ zal dan zoo een van een jangen meriteeren! Te meer zoo als UEd: Achtb: uit annexemissive van den Captein der burgerij de manh: I: D: Wijren welke eijne jongens daar over heeft onderhunden niet alleen die twee maar alle zijne staven Daar spreeken zij andere taal, die uit den aart zelve meerder geloof moet miriteeren daar uit zal consteeren dat nimmer die wijn van de onderlaasen uit 't huis is gehaald maar een van op de post bescheide man schappen daartoe is gebruikt geworden en dus den get: nog zijn maat gants daar van ignorant zyn, daar voor niet konnen zorgen; dat daar 't volk volk wijn gehould werd en aan andere word overgegeeven schoon bij ontrekkinge sodaanige een na merites word gestraft 68 En wat betreft dat den Achtb: heer C: b: Eisscher tot maintien van den veragter goedgevonden heeft, aan den ged tcontinu„ eeren van dien mooshandel te interdiceeren dan dat den ged: in plaats van hieraan te obedieeren, met 't zelve is voort„ gevaaren WelEd: achtb: haeren verre zij 't van den ged: omme van de gevenereerde ordres van ƒ van den Achtb: heer E: k: Eisscher niet te obedieeren wijl deselve ordrres waaren om niet langer wij= nen te verdebiteeren, als tot dat d' ingeslage wijnen opwaaren En zo heeft de ged: als op de oude voet van postrolk wijnen blijven verkoopen, mee„ nende zo lang daar toe vrijheid te hebben en dus niet schuldig te hebben gemaakt aan dis obedientie Den ged: vertrouwd aangezien 't reeds van ongeheugelijke tijden plaats heeft gehad aldaar aan de schuur niet alleen maar op alle Compagnies posten aan't volk van deselve bij kleine maaten uit te verkoopen; zonder dat ooit in gebruik is geweest die wijnen bij den pagter te koopen Dus den ged: daar meede zig niet heeft schuldig gemaakt aan smokkelarij of gehandeld in vilependentie na 's lands vrieerde placaaten En wat 't tweede Tit. betreft van een Achtb: heer v: O: Eisscher, dat niet alleen aan 't postvolk maar ook aan particu„ liere wijnen zoude verdebiteeren door den ged: 16 Dat werd niet beweesen met de overgelegde ƒ gel loof den ven teeren die wijn aald man voor pots. dere nige heer ten an overgelegde verclaaringen bij den Achtb: heer E: 1. Eisscher overgelegd, maar uit de ter deezer zijdsche overgelegde missive word juist 't tegen deel beweesen Waarmeede den qq gedaagden ver¬ trouwd des R: O: Eisschers Eisch na billykheid te hebben wederlegd en alle schijn van waar„ heid uit de overgelegde bewijsen weggenomen Met welke opgem: qq ged: zullende antwoorden con¬ cludeeren, dat zub en apreptie ten fine van niet ontfanke lijk en bij ordine dat den Achtb: heer r: O: Eisscher deszelfs Eisch en Conclusie op ende jeegens den ged: genomen zal wor¬ den ontzegt: Cum expensis /:was geteekend M„r Marinus sen qq /:in margine:/ Exhibitum in Iudicie den 12 Nov: 1389: Mijn twee slaaven geexamineerd, heb 't selve leugenagtig bevonden, gelijk gesegt is, aan Msr. Sap Schuurs
English
to have been at the barn wood, Martines and Jakob testified, along with all the other slaves, that the valiant gentleman Eksteen, together with Willem van Reenen, were on horseback in front of my place that same evening, and the Hottentot servant whom they had with them was sent into the slave quarters to call the two of them, whereupon they both joined the valiant gentleman to hear what his service required. Said Martines was asked whether he could not fetch him a bottle of wine that was sold at the under-bailiffs, whereupon he was given four schellingen, and went with a bottle to the barn. He encountered a fellow who was standing in the doorway of the wagonmakers' quarters, though unknown to him, and asked him whether he could get a bottle of wine. He said yes, gave him 4 dubbeltjes along with the bottle, with which the man went to the bailiffs' quarters to fetch a bottle of wine in his name, handed it over to him, just as he, said Martines, handed the bottle of wine back to the valiant gentleman. It is rather far-reaching for a valiant gentleman to round up other people's slaves and conduct such dealings with them without the order and knowledge of their lord and master, of which I would have known nothing except through the report made to me today. Signed: J. Wieser In the margin: 4 Nov. 1789 Against the Honorable, Worshipful Claim Appeared before the Honorable and Worshipful gentlemen President and Councillors of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, on the one part, Against the under-bailiff of the Honorable Company's post De Schuur, Johan Philip Snegelsbergen, defendant, on the other part. Number 1. And stated: 2. That whereas the matter in question, as to the substance, has not been denied by the defendant in his response, 3. but he has only occupied himself with coloring the fact, 4. in order, if it were possible, to make Your Worships believe 5. that the wine was bought not from him, the defendant, but from a sailor stationed at De Schuur; 6. the Honorable Independent Fiscal will also merely confine himself 7. to a further corroboration of the fact 8. and consequently attempt to demonstrate as clearly as possible to Your Worships that the wine was indeed fetched directly from the house of the under-bailiffs 9. and also subsequently handed over to two slaves of the former burgher councillor Jan Daniel Wieser. 10. To be convinced of this, Your Worships need only recall the declarations produced with the claim under Letters C and D, 11. and to add thereto the deposition annexed hereto under Letter F, 12. from which combined testimonies it will fully appear that the defendant also sells wine to slaves, and indeed nominatim has sold to the 13. bondservants of the said former burgher councillor Wieser, namely Marthinus and Jakob. 14. For, however much the defendant seeks to cover himself 15. by alleging that a sailor of the post fetched the wine, 16. and that it was therefore not his place to investigate further 17. where this man was carrying his wine, 18. the Honorable Fiscal nevertheless trusts that Your Worships will comprehend with him 19. that it is not probable that in front of someone's door in broad daylight, 20. and at a time when usually the whole family is near the door, 21. two people would arrive with a bottle, 22. hand the same over to a man of the post, 23. and subsequently receive it back filled with wine, 24. without the wine seller noticing anything thereof; 25. especially since, according to the declarations produced with the claim, those two said slaves, 26. being the deponents produced herewith under Letter K, 27. were so close to the house of the defendant 28. that Eksteen and van Reenen believed that they truly came out of the house, 29. as perhaps indeed happened, though it is now disguised by the defendant in concert with the aforesaid slaves. 30. As regards further the doubt in which the defendant seems to be concerning the deponents appearing with the claim, 31. as if the same would not be acceptable because the one is the leaseholder and the other a brother-in-law of the leaseholder; 32. in this regard may it please Your Worships to consider 33. that there is not the slightest difficulty in attributing belief to their depositions: 34. 1st, because they are not testifying here in their own cause, for the action is on behalf of the sovereign; 35. and 2nd, because even an informer can testify in court. 36. For it is generally accepted that the reporter of a crime, 37. when another acts as accuser in the public name, can be a witness regarding that same crime. For indeed, Professor Voet states that a denouncer of a crime can be a witness where another acts as accuser in the public name; 38. Voet ad titulum Pandectarum De Testibus 11. 11, in Christinaeus ad Leges Mechlinienses, and Decisiones Forenses cited by Voet. 39. If this is so, Noble and Worshipful Gentlemen, that such an informer deserves credit 40. in law, 41. how much more then can a leaseholder be admitted, 42. who is authorized by the authorities themselves? 43. Added to this is that the maintenance of leaseholders and the punishment of smugglers, 44. so far as the evidence is concerned, is a favorable cause, 45. because smuggling does not belong to those crimes of which the proof must be clearer than the midday sun, 46. but rather to those that are satisfied with less complete proof and with conjectures, 47. because they are mostly perpetrated in secret; 48. see the Dutch Consultations, Consultation 343, number 16; 49. so that even if one wished to raise objections against the
Dutch transcription
schuurs bos geweest te zijn, martines en Iakob getuigd beneevens alle de andere slaven, als dat den manhaften heer Eksteen beneevens Wil lem van Leenen, deselfde wvond te paard voor de plaatt van mijn plaats geweest zijn, en den hottentots bedienden die zij bij haar hadden, in het slaven losies gesonden wierd om haar beiden te roepen, waar op zij beidenzig bij den manhaften hier voegten, te hooren wat van sijn dienst was, wierd hem genoemde Martines gevraagd, of hij hem niet zou kun nen een bottelje wijn haalen, dat bij de onder„ baasen verkogt wierd, waar op hem vierschel„ bing gegeeven wierd, en met een bottelje naar de schuur ging, 'trof een kerel aan die in de deur van de wagenmaakerslosies stond dog onbekend, vroeg aan denselven of hy een botelje wijn kon krijgen, zeijde van Jaa gaf hem 4 Dubbeltjes beneevens de bottelije, waar meede de man naar het logis van de baasen gegaan was een bottelje wijn op zijn naam te haalen, gaf het hem over glijk hij genoemde Martines de bottelje wijn den man haften heer weder ter handstelde het is al wat verregaande van een manhaften andermans slaven op te ronaeleen en dierge„ lijke handelwijs daar meede te drijven buiten order en kennis van hun heer en meester„ ook niet van geweeten als door berigt van un heeden aan mij gedaan /:was get:/ I Wieser /:in margine:/ den 4 Nov: 1789:/ t tegen r E: aar ron„ tie ke Achtb: Eisch egens nsis en 9q den Compareerde voor de Welhde le en Achtbaare heeren praese„ dent en raaden van Iustitie des kasteels de goede koop den Independent fiscaal Ja„ han Nicolaas Steven van Lijnden ter eenre Contra ƒ den onderbaas van s'E Comps. post de schuur Iohan Philip Snegelsbergen ged: ter andere zijde No 1 Ende dede zeggen 2 dat daar de zaak in quaestie guod ad sus door den ged: bij antwoord niet is tegengesprooken 3 maar men zig alzeenlijk heeft opgezouden met het feijt te colloreeren 4 om UEE Achtb: waare het mogelijk te doen geloo„ ven 5 dat de wijn niet bij hem ged:, maar bij een op de schuur bescheiden mattroos is gekogt geworden; zich ook maar zal bepaalen C de Z: V: Eissr bij eene nadere adstructie van 't feit en aan UEE Achtb: dienvolgens zoo klaar doenlijk trachten te zee toogen dat de wijn wel de gelijk uit het huis der onderbaasen is gehaald geworden 9 en ook vervolgens overgegeeven aan Twee slaaven van den oud burgerraad Ian Daniel Wieser 10 om hiervan overtuigd te worden behoeven UEE Achtb: zich slegts te rappelleeren de bij eisch sub L=a C: aD geproduceerde verclaaringen 11 en daar bij te voegen de depositie hier neevens sub L„a F 2 uit welke zamengenoegde getuigenis den ten vollen zal consteeren, dat de ged: ook aan slaven wijn verkoopt en wel nominatim verkogt heeft, aan de 13 lijfeigenen van gem: oud burgerraad wieder in naame Marthinus en Iakob 14 want hoe zeer de ged. zig tragt te dekken 15 met voortegeeven dat een mattroos van de post de wijn heeft gehaald 16 en dat het dus niet verder aan hem stand te onverzoeken 17 waarheen deze zijn wijn vervoerde 18 zoo vertrouwd de E: O: Eiss:r nagtans, dat UEE tie ho r gen ad geloo„ ij t een aar 8 UEE Achtb: met hem zullen penetieeren 19 dat het niet waarschijnlijk is dat voor iemands deur op helderen dag 20 en op een tijd, dat gewoonlijk het gant sche huisgezin zich bij de deur bevind 21 twee menschen met een battel koomen 22 dezelve aan een man van de part overgeeven 23 in vervolgens gevuld met wijn weder ontvangen zullen 2k zonder dat de wijn verkoper daar iets van bemerkt 25 vooral daar volgens de bij Eisch geprs„ duceerde verclaaringen die twee gem: slaven 26 zijnde de depasanten hier neevens zub L„a K: geproduceert D7 zig zoo nabij het huis van den ged: bevonden hebben 28 dat Eksteen en van reenen ge„ meend hebben, dat dezelve waar„ lijk uit het huis zijn gekomen 29 zoo als misschien ook wel geschied is, doch thans door den ged: de can¬ cert met voorm: slaven gedequiseert word 30 wat 30 wat verder aangaat, den twijffel waarin den ged: schijns te verseeren omtrend de bij Eisch voorkomende deposan„ ten 31 als of dezelve niet acceptabel zouden zijn om dat de een de pachter en de ander een zwager van de pagter is; 32 hier omtrend gelieven UEE achtb: te con„ Lidereeren 33 dater geene de minste zwarigheid is, aan dezzelver depositien geloof te attribueeren 34: 1„ om dat zij hier niet getuigen in haar ligen zaake, agiter enim Le pere #zin ƒ 5: cipis 35 en 25 om dat zelfs een aanbrengen in regten kan getuigen 36 want 'T is algemeen aangenoomen dat de aanbringer van een misdaad „ wanneer een andere als accusateur ageert, omtrend deezelfde misdaad getui„ gen kan zijn Delatorem quoque criminis (Regt: immers de prof: voet posde de ea testem ense ubi accusator alius publico nomine wistel 38. ant men ede er daar gepro„ i L ub Aƒ t - 2 - nisdco a 38 voet ad tot: pr de Tastibus 11. 11 in Christinaels ad: Leg: Meill: & Corpaar: definit: E forens:, a voetie ablegati 39 Is dit zoo Edele en Agtbaare Heeren verdient zulx een aanbrengen geloog 40 in regten 41 hoe veel te meer kan dan een pag„ ter worden geadmitteerd 42 die door de overigheid zelve geauthoriseerd word 43 hierbij komt dat het maintineeren van pagters, en straffen dersmakke„ laars 4k voor zoo veel de bewijzen aangaat eene favora eele zaak is 15 om dat het smokkelen niet behoord tot die misdaaden, waarvan het be„ wijs luce meridiana clarius moet zijn, 46 maar veel eer tot die, welke met een minder compleet bewijs en met canjecturen te vreden zijn 47 om dat ze meestal in occutta worden geperpetreerd 48 zie de holl: Consult:: Cons: 343 n. 16 19 zoo dat al wilde men eens tegen de
English
assume contrary to the truth that the deponents under C and D did not merit full belief, they nevertheless would be acceptable in this case, as well as the attached deposition under letter T; for how else would it be possible to detect smuggling, and to make those wholesome laws of use which from time to time have been made against smugglers, and of which the multiplicity alone serves as proof of the attempt to elude the most wholesome provisions. The Right Honorable Plaintiff will not enter into any reflections concerning the letter of the former Burgher Councillor I: D: Weeser produced in the answer, as operating nothing in favor of the defendant; nor concerning the orders given to the defendant in the name of the Right Honorable, Well-Born Lord Governor and the Honorable, Worshipful Political Council, as being foreign to this forum; but only add hereto that the extreme disobedience of the defendant has finally compelled the said Plaintiff to have the quantity of wine bought by the defendant from private inhabitants inventoried, and to have him, the defendant, strictly forbidden from the further retailing of wine if the same was not bought from the leaseholder. Wherewith the Honorable, Official Plaintiff, trusting to have sufficiently refuted the difficulties raised in the answer, will conclude this writing in the just expectation that Your Honorable Worships will be entirely unhindered to judge as was concluded in the demand. Under which and other reasons and means to be further deduced, the Right Honorable, Official Plaintiff, rejecting the means of the answer as mere impertinence and denial, persisted in his claim and the conclusion taken thereupon for reply. It was signed: I: N: S: van Lijnden. In margin: Exhibited in Court on the 10 December 1789. Today, the 4th of December 1789, appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, Secretary of the Honorable Court of Justice of this government, present the afternamed witnesses, the slaves Marthinus and Iacob, bonded servants of the former Burgher Councillor, the Mr. Ian Daniel Wieser, who at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable, Worshipful Mr. Johan Nicolaas Steven van Lijnden, declared it to be true: That on the 11th of the month of October of this year 1789, they, the appearers, were called by the Cornet of the Burgher militia, the manly Iohannes Paulus Eksteen and the burgher Willem van Reenen, who both were in front of the gate of the estate where the appearers' master resides, and subsequently ordered by them to go fetch a bottle of wine from the under-masters of the Honorable Company's post De Schuur, having at the same time and for that purpose received the necessary money and an empty bottle. That the appearers thereupon had made known to the said Eksteen and van Reenen that they were very well aware that by the said under-masters no wine was sold to slave boys, but that such only took place with respect to the people who belonged to the said post. That subsequently the appearers, upon the order of the repeatedly mentioned Eksteen and van Reenen, had proceeded to the said post, and had requested one of the sailors stationed there to go buy a bottle of wine from the under-masters, which was undertaken by the said sailor, who then also obtained a bottle of wine and handed it over to the appearers, whereupon the appearers went back to their estate and handed the same over there to the said Eksteen and van Reenen, who immediately departed again thereupon. Declaring nothing more, the appearers gave for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the foregoing further if required. Underneath stood: Done thus in the Castle of Good Hope, in the presence of the clerks Jacob van de Waereld and Dirk Jacobus Aspeling, who have duly signed the original minute hereof together with the appearers and me, the Secretary. Lower stood: Which I attest. Was signed: W S v Rijneveld, Secretary. Re-examination. Appeared before the undersigned Commissioners from the Honorable, Worshipful Court of Justice of this government, the slaves Marthinus and Jacob, both belonging to the former Burgher Councillor Mr. Jan Daniel Wieser, who, having their foregoing statement clearly read aloud to them, testified to persist therein, desiring that nothing more be added or subtracted; testifying in the presence of the assistant Sr. Willem Kalver, as authorized agent of the under-master of the Honorable Company's post De Schuur, Johan Philip Snegelsbergen, that all the foregoing is the pure truth. Underneath stood: Thus re-examined and sworn to at the Cape of Good Hope, the 8th of February 1790. Was signed: cross mark, cross mark. Lower: In my presence, signed: W: S: V: Rijneveld, Secretary. In the margin: As Commissioners, signed: Maxca and G: S: Meijer. Duplique drawn up and most respectfully submitted to the Right Honorable, Worshipful Mr. Johannes Izaac Rhenius, President, together with the other members of the Honorable, Worshipful Court of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of the assistant of the Honorable Company, Marinus Marinussen, as general proxy of the under-master of the Honorable Company's post De Schuur, Johan Philip Snegelsbergen, defendant, to and against the Right Honorable, Worshipful Mr. Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Right Honorable Plaintiff. Right Honorable, Worshipful Mr. President and Right Honorable, Worshipful Gentlemen. The defendant, having dutifully acknowledged his thanks to Your Honorable Worships for the granted copy of the reply submitted on the last court day by the Worshipful, Right Honorable, Official Plaintiff, proceeding to duplicate upon the same, says to article two, where it was advanced that the issue regarding the law had not been disputed by the defendant in his capacity: Your Honorable Worships, the defendant must acknowledge that essentially
Dutch transcription
tegen de waar heid veronderstellen dat de deposanten sub C: &: D geen volkon„ 50 men geloof meriteerden 51 dezelve evenwel in cas subject acceptabel zouden zyn 52 zoo wel als de hier neevens gevoegde depo= ditie zub La T: 53 want hoe zoude het anders mogelijk zijn de smokkelarij te ontdekken 54 en die heilraame wetten van nut te doen zijn 55 welke van tijd tegen de smokkelaars zijn ge„ maakt geworden 56 en waarvan de meenigvuldigheid alleen ten be„ wijze verstrekt 57 vm de heilzaamste bepaalingen te eludeeren 58 de E: O: Eiss:r zal zig niet uitlaaten in ee„ nige reflexhen over den brief van den oud bier„ „ gerraad I: D: Weeser bij antwoord gepra„ duceert 59 als niets ten voordeele van den ged: operee rende b0 noch ook over de ordres uit naam van den Welh: Gestr: heere gouverneur en Ed Achtb: paliticquen raade aan den ged. e gegieven 61 als zijnde alius for 62 maar hier nog eeniglijk bijvoegen 63 dat sag iseerd ke„ aat hoord t en 2 F 63 dat de verregaande disobedientie van den ged. den Z: a: Es J:n eindelijk genoodsaakt heeft 64 de quantiteid wijn door den ged: bij particu„ liere ingezetenen, gekogt te laaten opneemen 65 en hem ged: het verder vertappen van wyn, in dien dezelve niet van den pagter was gekogt volstrektelijk te laaten interdiceeren 66 waarmede de h: O: Eiss„r vertrouwende de bij ant„ woord geapperde zwaarigheeden genoegzaamte hebben weder legd §7 dit schriftuur zal besluiten in de billijke ver„ wagting 68 tat UEE Achtb geheel onberwaard zullen zyn omme te jugeeren 69 zoo als bij eisch is geconcludeerd geworden Mits welke en andere redenen en middelen, is 't naad nader te deduceeren, de E: O: Eisc„r af„ slaande de middelen van ant woord bij mere impertineu¬ tie en denegatie, persisteerde bij zijnen eisch en daarop ge„ noomene Conclusie voor replig /:was geteekend:/ I: N: S: van Lijnden /:in margine:/ Exhibit: in Iudicio ten Lo december 1789 Huiden den 4 December 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van van Rijneveld Secretaris van den Elchtb. raade van Iustitie dezes gouvernements, praesent de naten: getuigen, de slaaven Marthinus en Iacob Lijfeigeren van den oud burgerraad de heer Ian Daniel Wieser, dewelken ter requisitie van den inde pendent fiscaal de E Achtb: heer Johan Nicolaas 'Steven van Lijnden noeclaarde hoe waar is Dat op den 11 der maand te zater dee„ zes jaars 1789 zij Compten door de Cornet der burgerij de manh: Iohannes Paulus Ekster en den burger Willem van Reenen, wel ke zig beiden voor het hek van de plaats alwaar der Comp=ten lijlheer woonagtig ten is bevonden, geroepen waaren, en verval gens door denzelven gelast, om bij de onder„ baasen van s' E Comps post de schuur een bottel wijn te gaan haalen, hebbende zij teffens ten dien einde het benodigde geli en een leedige baddel bekomen Dat de Comp ten daarop aan gede Ekateen en van reenen, te kennen had= den gegeeven, zeer wel bewust te zijn, dat door gemd„e onderbaasen aan geen slaanen Jongens wijn verkogt zwierd, maar dat zulx alleen plaats had, ten opzigte van het volk dat op de gemelde post behoorde Dat zi ant„ en zijn zn n nader ant a tinen eerde p ges Dat vervolgens de Comp ten op derder ordre aan meergem: Eksteen en van heen en zig naar de ged„e pust hadden begeeren, en aan een zer aldaar bescheiden martroosen versogt hadden bij de onderloosen een kattel wijn te gaan koopen, 't welke door gem: mattroos was aangenoomen, die dan ook een battelruijn te bekoomen had, en aan de Compten overgegee„ ven, hebbende de Compten. zig daar meede weder naar hun plaats begeeven, en aldaar dezelve aan gem: Eksteenen van ree nen ter hand gesteld, die daarop terstond weder vertrokken waaren Niets meer verclaarende geevende Compten. voor reedenen van wetenschap als ten in den teext bereid zijnde het vorenstaande des geeischt wordende nader te bevestigen /:onderstond:/ Dat aldus passeerde in 't Casteel de goede hoop, ter praesentie der Clercquen, Jacob van de Waereld, en Dirk Jacobus A peling, die de minute dezes benevens de Compten en mij secretaris meede be„ hoorlijk hebben onderteekend /:lager:) 'T welk ik getuige /:was geteekend J Rijneveld Secrets W Eecollement Compareerde voor de ondergeteeken„ 3. E de gecommitteerdens uit den E Achtb: raden van justitie dezes gouvernements, de slaven Marthinus en Jacob bijde toebe„ hoorende aan den oud burgerraad de heer Jan Daniel Wieser, dewelken hunne voorenstaande gegeevene verklaaring duidelijk voorgeleezen zijnde, betuigden daar bij te blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of afgedaan werden zal; betuigende in tegenwoordigheid van den adristend Sr. Willem Kalver als gemachtigde van den onderhaas van s'E Comp=s post de schuur Johan Philip Snegelsbergen, dat al het vorenstaande de zuivere waarheid is /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beeedigd aan Cabre de goede hoop den 8 februarij 1790 (:was geteekend / t:/ t /:lager mij praesent /: ge„ „teekend:/ WJ V Rijneveld secret=s /:in mar„ gine :/ als Ggecommitteerdens:/ geteekend./ Maxca en G: S: Meijer Suplicq gedaan maken en zeer eerbiedigst overge„ geenen aan den WelEd Achtb: heer den heer Iohannes Izaac Ezenius praesident beneevens hadde hadden aan s om E 6 beneevens de verdere Leeden uit den E Achtb: rade van Jus„ titie des Casteels de goede hoop 8 door ende van wegens den ad¬ teskend der E Comp=e Mari„ nus Marinussen als generaal le gemagtigden van den onder„ baas van s' Compagnies post de schuur Johan Phi lip Snegelsbergen gedaag¬ den op ende jeegens den WelEd: Achtb: heer Independent fa caal Iohan Nicolaas Ste ven van Lijnden R: O: Eiss„r Derd: Achtb: heer Praesident en. WelEdele Achtb: heeren Den gedaagde na UEE Achtb: pligtschuldig zijn dank erkent te hebben voor verleende Copia van roplicq laastleden rechtsdage door den Achtb: heer E: O: Eiss„r ingediend, zullende op 't zelve den pliceeren zegt op art: twee daar bij geadvan„ deerd werd dat in quaestie quod advjus door den qq ged: niet zoude, tegen gesprooken zijn, van Ed: Achtb: den ged=t moet erkennen t wezentlijk 8
English
substantially wines are sold to the people stationed at that post by the defendant in his capacity and his partner, which cannot be denied. But the question here will be whether, since it has been a constant custom at that post from time immemorial, and several lessees have opposed it on account of the great necessity required by that post, they have always been dismissed, whether only now that tapping of wine can be counted as smuggling; if so, from time immemorial and by all the predecessors of the defendant, they have made themselves guilty thereof. The defendant in his capacity does not mean to say by this that a long-standing custom would ultimately exempt anyone from the laws. But since repeatedly the lessees of that district have been dismissed, which absolutely did not happen without pressing cause, which has not yet been removed, one consequently cannot be considered as a smuggler, but may enjoy that same privilege as the previous predecessors. The Honorable Sovereign Plaintiff, or rather the lessee of that district, the valiant Johan Paulus Eksteen, who must also visibly suppose that the selling of wines by the defendant in his capacity to that post personnel stationed there could not be brought under the class of smuggling, must seek to accuse the defendant of selling wines to everyone, even to black boys, which was directly contradicted by the defendant, and thus the question regarding this was indeed properly contradicted in the answer. Further, it is said by the Honorable Sovereign Plaintiff from Article 3 to Article 5 that the defendant has tried to collude the fact, if possible making Your Honors believe that that wine fetched by the boy of the valiant Captain Johannes Wieser did not come out of the house of the defendant. Yet, Honorable Gentlemen, such was never the intention of the defendant, but rather that those said boys did not buy that wine at the house of the defendant, and thus that the declaration given in this regard by the said valiant Eksteen and his brother-in-law Willem van Reenen must be completely beside the truth; which is also further confirmed by the declarations of the said boys produced by the said Honorable Sovereign Plaintiff in the reply, to the reading and confrontation whereof against the first-mentioned declarations the defendant respectfully refers, from which Your Honors will perceive: perceive that the said valiant Eksteen with his said brother-in-law must have had a fairly good telescope, in order to be able to see those boys coming with wine out of the house before the gate of the said valiant Captain Wieser, without further refuting the contradictions between the one and the other, which Your Honors will perceive most clearly with a single glance. Thus the defendant wishes to make known that that wine did not come directly out of the house of the defendant, and thus was not bought there by those boys, as they on the side of the Honorable Sovereign Plaintiff have tried to make Your Honors believe in the claim; but rather the defendant has wished to demonstrate what strong discipline is maintained by the defendant in his capacity among those people, and on what penalty they are forbidden to have any intercourse with boys or others, much less to sell wine to them; yet such can nevertheless occur without the fault of the defendant, the more so when some collusion takes place, which is confirmed here most clearly. Now the defendant will proceed to the 6th article, whereby the Honorable Plaintiff proceeds to another instruction, in order briefly to argue that those wines truly came out of the house of the defendant, with which the Honorable Sovereign Plaintiff, Article 11 included, tried to assert such, yet that which has been sufficiently asserted in the aforementioned, as to what the declarations in that regard prove, wherefore it is deemed necessary to speak more broadly about it. But in Article 12 the Honorable Sovereign Plaintiff goes a step further, that the declarations will confirm to Your Honors that the defendant sells wine to slaves, and namely to the said boys of the burgher councillor Wieser. Although the defendant in his capacity has previously sufficiently demonstrated the contrary, it will nevertheless be necessary to consider closely the declarations of the Honorable Sovereign Plaintiff produced with those boys, wherein Your Honors will perceive that the said boys, upon the request of the valiant Eksteen and Willem van Reenen, answered them that they were well aware that the sub-foremen sold no wine to the slave boys, but that such only took place for the people belonging to the said post. From
Dutch transcription
wezentlijk wijnen aan 't volk op die post beschei„ den, door den qq ged: en zijn Compagnon worden verkogt, dat niet kan worden tegengesprooken Maar hier zal de quaestie zijn, of aangezien bij onheugelijke tijden een con„ stant gebruik op die post is geweest, en ver„ scheide pagters zig daarteegen hebben rezet uit hoofde der hooge noodzaakelijkheid die post zulx vordert, deselve altoos van de hand zijn geweezen, of nu eerst dat wijn tappen onder smopkelarij kan gereekend worden, zoo jaa, reeds onheugelijke tijden en door alle de praedecesseurs van den gedaagden daar aan schuldig hebben gemaakt Den 99 ged: wil hier niet meede zeggen dat een gewoonte van langduurige zardigen iemand van de wetten eindelinge zoude ontslagen Haar dewijl hij herhaalde reijzen de pagters van dat district zijn van de hand ge= weezen, dat volstrekt niet zonder drin= gende oorzaak geschied zynde, die nog niet weggenomen zijnde, nien diesvolgens niet kan geconsidereerd worden als smakke„ laart, met van dat zelfs voorrecht als de voorige, proedicesseuren te jouisseeren Den achtb: heer E: O, Eiss. r of wel den pagter van dat district den meurhaften Iohan Paulus Eksteen, die meede blijk baar moeten onderstellen; dat het merkaa„ pen van wijnen van den qq gedaag„ e bln en raa es daag¬ A d: Eis ig zijn van 2: an den aan dat vostvolk aldaar bescheiden, niet onder de Classe van smokkelarij konde gebragt worden, moet men den gedaagden zaken te beschuldigen van aan een ijder zelver aan zwarte jongens wijnen te verkoopen, dat door den gedaagden wel direct is tegengespraken en dus de quastie quad adjus wel degelijk bij antwoord is tegengedprooken geworden, verder word door den E Achtb: heer E: O: Eisso ft van art: 3 tot arll 5 gezegd, dat den gedaag den heeft getragt 't' fact te collageeren met UEd: Achtb: ware het mogelijk te doen geloven dat die wijn door de jongen van de manh: Capitain Iohannes Wiezer gehaald niet uit het huis van den ged: naes gekomen Dan Ed: Achtb: heeren zulx is min mer de intentie van den gedaagden, maar wel dat die gesegjde Jongens die wijn niet hebben gekogt aan het huis van den ged: en dus dat de verclaringe deswegens gegeeven bij ge¬ melde manh: Eksteen en deszelfs swager Willem van Eeenen gants bezeiden de waarheid moet zijn; dat ook uit de verclaa„ ringen van gem: jongens door Welgem: E Achtb: heer E:O: Eisc„r bij heplicq ge„ produceert, nog nader consteerd, aan welker lee„ tuure en confrantatie; tegen eerstgemelde verclaaringen de geld zig eerbiedig refe reerd, uit welke UEs Achtb: zullen onze waaren waaren, dat den gesegden manhaften Eetien met deszelfs gem: swager een vrij goede Iellescoop moeten gehad hebben, om voor de poort van den gem: manhaft ten Capitein Wieser die jongens niet wijn uit het huis te konnen zien koomen zonder het verdere contradictoire uit het eene en andere te wederleggen, dat UEd achtb: ten klaarsten met een enkeld oog zullen ontwaaren Dus den gedaagde wilt te ken„ nen geeven, dat die wijn niet uit het huis van den ged: direct is gekomen, en dus door die jongens daar niet gekogt zoo als men aan de zijde van den Achtb: heer E: k: Eisscher UEd Achtb: bij eisch heeft tragten te doen gelooven; maar wel heeft den ged„e willen aantoonen hoedaanige sterke discipline door dan gy ged, onder dat volk word gehouden, en op wat straffe hun verboden word, geen gemeenschap met jongens of andere te houden veel mun wijn aan dezelve te verkoopen zulx egter dog geschieden kan, buiten schuld van den ge¬ baagden, te meer wanneer er Eenige collusie plaats heeft, dat hier ten klaar„ &ten n dat de 4 n . sten consteerd. Nu zal den ged: overgaan het het 6articul, waarbij den E: E: Eiss. r over„ gaat tot een andere instructie, om kor„ telijk te behoogen, dat die wijnen waarlijk uit het huis van deneged„e is gekomen met welke den achtb: heer R: O: Eisscher ark: 11. ingeslooten zulx bragt te beweeren, dog het geen bij evengem: genoegdaam is beweerd, wat de verclaaringen desme gens bewijzen, welke dus nodig achte, om bree„ der daar over te spreeken Maar in art: 12 gaat den E Achtb. heer b: V: Eiss„r een stap werder, dat de verclaa„ ringen UE Achtb. zal consteeren, dat de ged: aanslaaven wijn verkoopen, en wel nomi„ natun aan de gezegde jongens van den burgerraad Wieser. ofschoon den 99 ged: bij voorige genoeg daam het contrarie te hebben aangehoord zal 't egter nodig zijn, de verclaaringen van den E Achtb: heer E:O: Eisc„r bij die jongens gegroduceerd, eens van nabij te beschouwen waarin UEd: Achtb: zullen ontwaaren; dat ge„ zegde jongens op 't verzoek van den manhaf„ ten Efsteen en Willem van Reenen aan deselven hebben geantwoord: wel bewust te zijn; dat de onderbaasen geen wijn aan de slaaven jongens verkogtten, maar dat zulx alleen plaats had aan 't volk dat aan gem: post behoord Van
English
Can one produce anything clearer in favor of the defendant, and is article 12 of the reply not contradicted here as clear as day? Yet this cannot dissuade the aforementioned Eksteen from trying to ensnare the defendant. Those boys were indeed allowed to fetch wine, as did happen, but NB they used one of the sailors for that purpose. Can it now be considered that wine was sold to slave boys by the defendant in his capacity? The defendant professes to be able to find nothing of that nature in this. The defendant would not be surprised to think that this sailor also enjoyed a portion of that remaining money to help deceive his master, but however that may be, the defendant's innocence appears as clear as day from everything. Will it now be necessary for the defendant, every time a sailor comes for wine, to follow such a person to investigate where such a person takes that wine, as the Honorable Officer Plaintiff seeks to demonstrate from article [illegible] and following, since there is a strict prohibition against handing over wines to anyone or allowing them to be handed over to other strangers, much less slaves, for the drinking thereof? The defendant in his capacity trusts that with such a prohibition the defendant completely purges himself of the act of smuggling imputed to him. The Honorable Officer Plaintiff proceeds from article 18 and following further to make Your Honors believe that the aforementioned fetching of wine took place so publicly before the door of the defendant, and thus the defendant absolutely must have seen it. Yet, Honorable Sirs, from the declarations of the said slaves it is most clearly established that they were aware that the under-masters did not sell wine to slave boys. It must surely be presumed in the highest degree that, in order nevertheless to obtain a bottle of wine for the pleasure of the said Eksteen, they will have acted in the utmost secrecy, for they were very well aware that if the defendant had caught them at it, another beating awaited them for it; so that these assertions of the Honorable Officer Plaintiff carry not the slightest presumption in their favor, for which reason they must fall away of their own accord. The Honorable Officer Plaintiff appeals from article 25 and further again to the declarations produced with the claim, stating that Eksteen and van Reenen were so close to that house that they believed those boys came out of the house of the defendant with that wine according to article 28; but which has already been answered hereinbefore, that the aforementioned Eksteen and van Reenen must have had an exceptionally good telescope, especially since the boys depose in their declarations that they remained waiting at the place of a said Burgher Councillor Wieser until their return, so that everything said in that regard is beyond all possibility and therefore merits no further refutation. The Honorable Officer Plaintiff now proceeds further with article 30 to maintain the declarations of the aforementioned Eksteen and van Reenen, which are called into doubt by the defendant. Whereupon the Honorable Officer Plaintiff seeks to ground the same from article 34 by saying: they are not testifying here in their own case, agitur enim de jure principis. Although that is true, Honorable Sirs, they nevertheless testify in their own case, in that they have a stake therein to enjoy the benefit thereof, and thus it is trusted with all reasonable grounds that the defendant must hold these same witnesses suspect and legally inadmissible. Secondly, the Honorable Officer Plaintiff says that an informant can legally testify. Absolutely, Honorable Sirs, but one ought especially to note whether that informing has any self-interest attached to it; and if so, as is undisputed here, then that testimony is suspect in the highest degree, all the more so since it is suspect by its very nature, as has already been shown above from the contradictions between the declarations produced with the reply. What was mentioned above shall also sufficiently refute the 38th article of the reply and the further articles up to [illegible] inclusive. The Honorable Officer Plaintiff goes further in articles 45 and 46 by saying: that for smuggling it must not be proved luce meridiana clarius, but rather it is counted among those offenses that are satisfied with a less complete proof and with conjectures. Yet, Honorable Sirs, the Honorable Officer Plaintiff says here (as the defendant in his capacity trusts): smuggling is sufficiently proved here if one only has one complete witness thereof, to which presumption is also added. But the defendant trusts he has already sufficiently shown that nothing of the smuggling is proved here by the Honorable Officer Plaintiff, and also no presumptions apply that the defendant has made himself guilty of smuggling; and thus all that reasoning up to article 58 shall pass silently, as consisting entirely of unfounded speculations, and further proceeding to the letter of the former Burgher Councillor Wieser, to which little reflection is to be paid, as exercising nothing in favor of the defendant. Yet, Honorable Sirs, it was only produced to convince of the untruth of the declaration produced with the claim under C. and D., and to that end it fully suffices, according to the declarations also produced by the Honorable Officer Plaintiff with the reply. Finally, the Honorable Officer Plaintiff will still appeal to the disobedience of the defendant regarding the orders of the Honorable Officer Plaintiff. Yet, Honorable Sirs, it was already clearly stated in the written answer that, far from disobedience, the defendant believed he had the freedom to sell wines to the garrison as long as the purchased wine lasted; to which the same must again answer that upon further interdiction he immediately ceased tapping wine, and thus was not disobedient. The defendant in his capacity trusts with all this to have refuted the written reply, which in itself on most articles is nothing but guesses and presumptions, and thus rejecting all claims of the Plaintiff.
Dutch transcription
Kan men nu wel iets klaarder ten voordeele van den ged: produceeren " en word art: 12 van replicq hier meede zonnen klaar tegengesprooken, dog zulx kan gem: Eksteen niet doen af strikken om den ged: in den ztrik te kriggen die jongens mogten dog wijn haalen, gelijk dan ook geschied zijnde maar NB zij gebruiken daar een van de mattroosen toe kan nu geconsidereerd worden, dat door den qq gedaagden wijn aan zlaven jongens word verkogt? den ged: be„ hugjd niets daarinne van dien aart te kon„ nen vinden, den ged: zou niet vreemd zijn te denken, dat die mattroos meede een portie van dat overige geld heeft genooten, om zijn meester te helpen bedregen, dog hoe dat ook zij, uit alles blijkt zonnen klaar des ged„s onschuld zal nu noodig zijn, dat de ged: telkens wanneer een mattroos om wijn komt. zoo een na te gaan, om te onderzoeken, waar zoo eene die wijn heere voert, zoo als den Achtb: heer E: O: Eiss=r van art: set reg. zoekt aan te toonen, daar 't een sterk verbod is geen wijnen aan iemand over tegeeven of met andere vreemde veel min slaven tot 't uitdrduken van die te mogen aan hum der. Den qq gedaagden vertrouwe, dat met zulk verbad den gedaagden volkomen zig purgeeren van 't aan hem te laate gelegde fact van amokkelarij 6 Een E Den achtb: heer E: I: Eisscher gaat van art: 18 et req: verder om UE Achtb: te doen gelooven dat gem: wijn haalen zoo publicq is geschied voor de deur van den ged: en dus den ged: volstrekt zull moet gezien hebben Dan Ed: achtb: heeren uit de verclaarin„ gen van gezegde slaaven consteerd ten klaar„ tten dat zij bewust waaren, dat de onderbaa„ zen geen wijnen aan slave jongens verkogtten, zal immers ten hoogsten praestump tif zijn, dat zij, om egter ten plaisere van ge„ zegde Ersteen een baddel wijn te krijgen, op 't aller secreets te zullen gehandeld hebben, want zij waren zeer wel bewust indien den gede hun daarop hadde geattrappeerd, nog een pak voor hun daarop zat, zoo dat die gesegden van den E Achtb: heer E: O. Eiss=r geen de min„ ste praesumptie voor zig heeft waar van zelven moeten vervallen Den Achtb: heer R: d Eisscherbe„ roept zig van art:l 25 en voorders weder op de verklaaringen bij eisch geproduceerd, dat ik steen en van Beenen zo nabij dat huis waaren, dat zij gemeend hebben dat die jongens met die wijn uiit het huis van den ged=e zijn gekomen volgens uit: 28; dog 't geen hier vooren reeds is be„ antwoord, dat de gem: Eksteenen van leenen een extra goede Tellisco op moeten moeten gehad hebben, te mede daar de jon„ gens in hun verclaaringe deposeeren„ dat dezelve aan de plaats van Een gesegde burgerraade Wieser, tot de terug komst van hun zijn blijven wagten, zoo dat al wat deswegens gezegd word, buiten alle mogelijkheid is, en daarom geen verder wederlegging meriteerd, Den achtb: heer E: b: Eisscher gaat nu verder met art: 30 om de verclarin„ gen van gem: Eksteen en van Reenen die bij den gedaagden in twijffel word gehouden te beweeren Waarop de Achtb: heer E: O: Eissc„r van act: 34 dezelve zoekt te fundeeren met te zeggen „ zij hier niet getuigen in haar eigen zaak agitur em in de jure principis¬ schoon zulx waaragtig is Edele Achtbaare hee ren, zoo getuigen zig egter in haar eigen zaak nn dat zij daarin hun belang stellen om 't voordeel daarvan te genieten, en dus vertrouwd word met alle zillijke vrou„ den den ged: dezelve getuigen duspect moet hou„ den en na rechten verwerpelijk zijn - Ten 2 zegt den achtb: heer E: O: Eisscher dat een aanbrenger na rechten kan getuigen, volstrekt E actb: maar men behoort wel # zonderlinge te letten, of dat aanbrengen eenig eigen rin e s eigen belang aan zijn heeft, en zoo ja gelijk hier onbetwist, zoo is die getuigenis ten hoogsten dus pect; te meer daar dezelve uit den dart zelve dus„ Rect is als reeds vvoren uit de Contradictien tusschen de verclaaringen bij replieq gepro„ duceert, is aangetoond; 't vooren gem: zal ook het 38 art. van replicq en de verdere arh: tot tel inclusive genoegsaam wederleggen Den achtb: heer E:O: Ciscr gaat verder in art: 45 en 46 met te seggen: dat tot tmok„ kelen zo luce merdiana clarius, niet moet beweesen worden, maar wel eer tot die mis 5 raad word gereekend, die met een mindere compleete bewijs, en met conjectuuren te vreeden zijn Dun Ed: Achtb: den achtb: heer B: O: Eissh zegt hier /:zoo den 99' ged: vertrouwd:/ 't smokkelen is hier genoeg beweezen, als men maar een compeleete getuige daar van heeft, waarbij nog de praesumptie komt. Maar den ged: vertrouwd al reets 7 0 genoegsaam te hebben aangetoond, dat hien door den achtb: heer E: O: Eisscher van de zmokkelarij niets beweezen word, en ook geen praesumptien plaats vinden dat den ged: zig aan amokkelarij heeft schuldig gemaakt en dus al dat beresoneerde tot art: 58 stildwijgende passeeren zal, als bestaande alle uit bevate bespiegelinge, en verder overgaande voorgaande tot de missive van den oud bur„ gerraad Wiese, waarop weinig reflexie te slagen zij, als niets ten voordeele van den ged: exeree= rende Dan Edele Achtb: zij is alleen gepradu¬ ceert om de verklaring bij eisch onder C. en D: gepraduceerd van de onwaarheid te over„ tuigen, en ten dien einde voldoet dezelve volleedig na dat de verklaringe door den achtb: heer E: O: Eisc„r bij replicq meede ge= produceerd Eindelijk zal den agtb: heer E: O: Eiss=r nog beroepen, op de disobedientie van den ge„ ddaagden omtrend de ordres van den achtb: heer E E: O: Ess„r, dan Ed: Achtb: heeren reeds bij schrif= tuur van antwoord duidelijk gesegd, dat verre van disobedientie de ged: heeft ver meene vrijheid te hebben, zoo lang minen te moogen verdebiteeren aan 't postvoek tot de ingeslagene wijn op was, met wel„ ke datzelve wederom moet beantwoorden wij hij nader interdictie direct met wijn tappen heeft opgehouden; dus niet discoe„ dient Den qq gedaagde vertrouwd met dit alles het schriftuur van replicq dat in zig zelven op de meeste art¬ met als gisdingen en praesumptien zijn 6 te hebben wederlegd, en dus afslaande alle us tien „ Eis sr