Inventory 11024
Cape · 1,044 pages · 161 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Criminal Claim and Conclusion made and submitted to the Honorable and Worshipful Lords President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope, by and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, Prosecutor in criminal matters, plaintiff, on the one side, against the burgher Johan Martin Enslin, prisoner and defendant in the aforementioned case, on the other side. 1. In justification of which criminal claim the Prosecutor did say: 2. that on 5 July of the past year he received written notice 3. that the Heemraden Jacob and Abraham de Villiers, upon notification from the prisoner and defendant, had on 23 June previously examined the body of a slave named David belonging to the prisoner and defendant, 4. and on the same, in addition to the marks of an ordinary punishment and some slight contusions, had discovered three more wounds on the head, 5. which wounds having been examined by the Surgeon Haffner, who was also present there, 6. the same Surgeon had declared the third wound on the occipital bone to be fatal. 7. That the aforementioned Heemraden, having inquired into the cause of these wounds, 8. had received as an answer from the prisoner and defendant that the slave David, having wanted to kill his fellow slave Aja with a spade, 9. the latter had taken refuge with the defendant, 10. and that he, the prisoner and defendant, had then wrested the spade from the hands of the said David by force, 11. on which occasion the wounds might have been caused. 12. That the Prosecutor thereupon wrote to the prisoner and defendant 13. to send his slave Aja to Stellenbosch, 14. just as the same was then also brought thither by his master himself 15. and presented to the Prosecutor, 16. with the request to be allowed to take him back again. 17. That the Prosecutor on that occasion ordered him, Enslin, to have the aforementioned Aja appear early the following morning before the commissioned Heemraden, 18. in order to give proper testimony of what had occurred, 19. which the prisoner and defendant also took upon himself to effectuate, 20. and thereupon departed from before the Drostdy. 21. But that, he, the prisoner and defendant, being barely gone, the aforementioned Aja came forward and called out to the Prosecutor: 22. Master, I would rather die here than go to my Master! 23. That the Prosecutor asking the reason for this, the slave Aja answered 24. that the said slave David, because of the mistreatment by his master, had made himself a fugitive, 25. but a few days later was caught, 26. and that his master then first punished him, 27. and subsequently made him walk up and down the house with an unfinished wagon axle on his shoulders, 28. under which burden the slave David having succumbed, 29. the prisoner and defendant first inflicted several blows upon him with a lath and thereafter smashed a kierie to pieces on his arms, 30. as well as that the same had finally, with a spade or shovel, caused the three wounds on the head of the aforementioned David. 31. That the Prosecutor, believing he could deduce from this on good grounds, 32. in view of the agreement of these circumstances with the surgical certificate and the post-mortem report, 33. that the prisoner and defendant must truly be regarded as the cause of the fatal wounds found on David, 34. on the 5th of the upcoming month of August requested and also obtained from Your Worships your decree 35. to take the prisoner and defendant into apprehension. 36. That this decree having been executed, 37. the prisoner and defendant was subsequently, at the requisition of the Prosecutor, heard and interrogated on articles before the commissioned Lords from this Noble and Worshipful Court, 38. but that the prisoner and defendant thought fit, in his given responses, to continue denying the fact 39. and to maintain 40. that the slave David, having made an attempt on the life of the prisoner and defendant, he had wrung the shovel out of his hands, 41. and that it was quite possible that the same, on that occasion, received a fatal wound. 42. By which denial the Prosecutor, being unable to proceed extraordinarily against the prisoner and defendant, 43. for that reason declared in court on the 2nd of this current month that he would consent 44. that the prisoner and defendant be admitted to an ordinary trial and allowed to act through a procurator, 45. as was also granted by Your Worships on the aforementioned date, 46. and the prisoner and defendant was consequently admitted to an ordinary trial and permitted to act through a procurator. 47. Whereby these proceedings having changed their character in this manner, 48. the Prosecutor shall now take the liberty first to demonstrate, with lawful reasoning from the accompanying documents as well 49. as from the responses of the prisoner and defendant, as clearly as possible: 50. that the prisoner and defendant must be considered as the cause of the aforementioned fatal wound inflicted on the slave David; 51. while he, in the second place, shall examine the nature of the punishment incurred by the prisoner and defendant for this, 52. as shall appear from the annexed responses.
Dutch transcription
61 T on Nze E 5 n nozer Crimineele Eijsch en Conclusie gedaan maaken en aan de WelEdele en Achtb: Heeren Prosident en Raaden van Justitie der Casteels de goede Hoop overgegeeven door ende van weegens den Land¬ drost van Hellenbosch en dra Kenstein Hendrik Lodewijk Blet terman r: O. Eysscher in cas crimi„ neel ter eerre den Burger Iohan Martin Enstin gev: en ged: in 't voorst cles ter andere zijde 1 Tot justificatie van welken crimineelen Eisch de r0: Eyscher deede zeggen. 2. dat hij op den 5 Iulij jl: schriftelijk kennisse heeft bekoomen. 3 dat de Heemraaden Jacoben Abraham de Villiers op kemis geeving van den gev. en ged. op den 23 July Junij bevoorens het lyk van een hen gev: en ged: toebehoorende slaaf David genaamd gevisiteert 4 en aan't zelve behalven de teekenen van een ordinaire afstraffing en eenig geringe contusien nog drie worden aan 't hoofd ont„ dekt hadden welke worden door den meede aldaar present geweest zijnde Chirurgijn Haffner geexami„ 5 contra neert o4 neert zijnde 6. deselve Chirurgijn gedeclareert had de Derde wonde aan 't agterhoofdsbeen doodelyk te zijn. 7. dat de voorn: Heemraaden na den oorsaak dier wonden gevraagt hebbende 8. de gev: en ged: ten antwoord had bekomen dat de slaaf David met een spaade zyn meede slaaf david hebbende willen om 't leeven brengen. 9' deese zyn toevlugt tot den ged: had ge„ noomen 10. en dat hij Gev: en ged: als toen denzelven David met geweld de spaade uit de handen had gerukt 11. bij welke geleegendheid de wonden kon„ den zijn veroorzaakt geworden. 12. dat de Rat: off hierop aan den gev: en ged: heeft aangeschreeven 13 zijn slaaf Aja naar Stellenbosch te zenden 14. zo als denselven dan ook door zyn Lyfheer zel„ ve na derwaards gebracht 15 en bij den 20. Epsher is gesisteert geworden 16. met versoek om denselven weeder te moo„ gen overneemen: 17 dat de 2: 0. Eexs. hem Enstin bij die gelee„ gendheid gelast heeft voorsz. Aja den vol„ gende morgen vroegtijdig voor gecomm. Heemraaden te doen verscheinen. 18. ten einde van 't gepasseerde behoorlyk getuijgenis te geeven. 19 't gearde Lev: en ged: ook op zich heeft genoomen te zullen effectueeren 20. en voorts van voor de Diosddye is ver„ trokken. 21. dan dat hij Gev: en ged: naauwelyks weg zynde de voorsz Ajaiste voorszyn gekoo„ men en aan den E: O. Eypscher toegeroepen heeft, 22 neer ik wel liever hier sterven als naa mijn Baas gaan 23. dat de z.0. Eyss. r na de reeden hier van vraa„ gende de slaaf Aja heeft geantwoord 21. dat deselve Haaf David doordem ishan„ delingen van zyn Lijfheer zich fagatief gesteld heeft. 25 dog weijnig daagen daarna is geattrep„ pecct geworden. 26. en dat zyn Lijfheer als toen denselven eerst afgestraft. de te en 27 en vervolgens met een ongemaakte wagenas op de Schouderen het buijs op ende needer had doen wandelen. 28. onder welken last den slaaf David be 2weeken zijnde 29 de gev: en ged denzelven eerst met een lat eenige Haagen toegebracht en daar na een kirrij op de armen in stukken geslaagen. 30 mitsg. s dat derselve eindelyk met een opaade of graaf de drie worden aan 't hoofd van meergem: David veroorzaakt had. 31. dat de 2: 0: Eijsscher hier uit met grond meenende op te maaken. 32. aangezien de overeenkomst dier om„ standigheeden met het Chumgicaal attest en de Schouw acte 33. dat degeen en ged: waarlyk als de oorzaak van de aan David bevonden doodelijke worden moest worden aangemerkt. 34 op den 5 der aanstaande maand Augs„ van UEE: Achtb: heeft versogt en ook geobtineert desselver decreet. onvuden 35 omme degen en ged. te neemen in ap„ prokensie 36 dat dit decreet geexecuteert zijnde 37 dezer: en ged. vervolgens ter requisitie van den Heere ZO Eijsscher voor Heeren ge„ committ uit deesen Edele en Achtb: raade opart: is gehoort en ondervraagt 38. dan dat de gev: en ged: heeft kunnen goedvinden bij syn gegeeven respentiven hetfeit heeft blyven ontkennen. 39 en voor te zeeven. 40 dat de Hlaaf David naar zyn gev. en Eeds leeven gestaan hebbende, hij den„ zelven de Graaf uit de handen had ge„ wrongen. 41. en dat het wel moogelijk was, dat dezelve bij die geleegendheid eene doodelyke wonde heeft ontvangen! 42 door dewelke ontkentenis de red:e Expt: buijtenstaat gesteld zynde om extra or„ dinaire teegens de gev: en ged. voort te procedeeren. 43. uit dien hoofde op den 2de deeser lopende maand in Judicio heeft gedeclareert wel te moogen lyden. te op be t He de 4k. dat de gev: en ged: wierd ontvangen in een ordinair proces en geadmitteert om bij Pro cueur te moogen occupeeren. 45 zo als aan ook op voorsz: datum door U Achtb: is geaccordeert geworden. 46 en de gev: en ged: mitsdien in een ordi„ Proces ontvangen en geadmitteert om by Procureur te moogen occupeeren. 47 waardoor deese Proceduures in diervoe„ gen van gedaante verandert zijnde, 48 zal de 210: Eijsscher thans de vrijheid ge„ bruijken om eerstelijk bij wettige raison nementen zo wel uit de nevensgaande bescheiden, 49 als uit de responsiven van den gev: en ged: zo klaar als doenlijk is aan te toonen. 5o dat degev: en ged: als de oorzaak der voo„ rengemelde doodelijke wonde aan de Haaf David toegebracht moet worden ge considereert: 51 terwijl hy in de tweede Plaats zal en„ versoeken de qualiteit der staaffe door den gev: en ged: daar over geinnutieert 52 uit de hierneevensgevoegde responsiven zullen
English
Your Honorable Worships will see 53 that the prisoner and defendant has fully confessed: 54 that on Tuesday the 23 Junij last, after having fetched his slave David out of the straw under which he had hidden himself, 55 he bound him into a so-called Polish buck, subsequently tormented him on the buttocks with some quince and pear slats, and washed the wounds with acorn water; 56 that he, the prisoner and defendant, thereupon caused the same slave, while beating him with a four-in-hand whip, to walk through the house with an unworked wagon axle on his shoulders; 57 and that he finally struck the same with a spade or shovel, 58 namely after the slave had put down the unworked wagon axle and had gone to the shop. 59 The question thus only remains 60 whether the prisoner and defendant inflicted some blows to the head of David with the spade 61 and thereby caused the wound in question. 62 And as to the affirmative hereof, the Public Prosecutor believes that this can be concluded with good reason 63 when one inspects the contents of the statements annexed hereto under letter H, 64 and adds thereto: 65 1st that the prisoner and defendant, at article 26 of his interrogation, admitted to having used a spade and to having struck David therewith; 66 2nd that he cannot state precisely in what other manner the slave David received the said head wound, although the prisoner and defendant does not deny that the same must have been caused while he was engaged with David; 67 3rd that the possibility suggested in the response to article 30, namely that those wounds might have been caused by beating or wrestling, is supported by no circumstance; 68 4th that the slave David, through the blows and further maltreatment received, must have been so exhausted that one cannot suppose in him, after all this, enough strength to use such violence against the prisoner and defendant; 69 5th that the alleged mortal wound must have been caused by a heavy blow or fall; 70 6th that there was no one in the house of the prisoner and defendant whom one could suppose with any reason to have struck the slave David; 71 7th that he, the prisoner and defendant, at article 21 of his interrogation, simply says that when the slave Aja had come to tell him, he had a strap brought, 72 without mentioning that David had a spade or shovel in his hands; 73 8th that he related to the commissioned Heemraden that the aforementioned slave David wanted to strike his fellow slave Aja with a spade, 74 whereas he nevertheless says on the aforesaid 21st article that David wanted to stab Aja with a chisel; 75 9th and finally, that the prisoner and defendant is not averse to maltreating his slaves in a barbarous manner. 76 All these circumstances will, the Public Prosecutor trusts, be sufficient to convince Your Honorable Worships 77 that the prisoner and defendant inflicted the three head wounds, 78 and thus also that which was the cause of the death of the slave David. 79 If the prisoner and defendant had ever considered himself innocent, 80 he would have declared at once that he knew nothing of it; 81 but first to say in a convoluted manner that one believed to have had the right to it because the boy was seeking his life, 82 and thereafter to pretend again that the slave must have received the wound by accident during the wrestling, 83 as the prisoner and defendant has done at article 30 of his interrogation, 84 is, subject to correction, a contradiction and a proof of the confusion into which the prisoner and defendant was brought by conviction of his crime. 85 That meanwhile presumptions and circumstantial evidence in a criminal case can produce a full proof, 86 the Frisian Councilor Sande teaches us in Decisiones Frisicae book 5 title 9 definition 14. 87 The Public Prosecutor is nevertheless by no means of the opinion 88 that the case cited from Sande could find its full application to the prisoner and defendant, 89 and that the prisoner and defendant, as having perpetrated a hominidium dolosum, ought to be punished with death, 90 because, besides that the slave Aja certainly does not show much impartiality with respect to his master in his given statement, 91 it is furthermore certain that if ever a legitimate passion can serve to mitigate a crime, 92 it is certainly the acts of violence committed by a slave with respect to his master; 93 for which reason also, both in the Batavian and local laws, the most rigorous punishments are enacted against the slightest acts of violence of that nature; 94 see the Statutes of India, title Of Slaves or Bondmen, in the words: but if any slaves, etc. 95 The Public Prosecutor is nevertheless, subject to correction, of the opinion 96 that although the prisoner and defendant has not merited the death penalty, 97 he is nevertheless not to be acquitted of all guilt, 98 but on the contrary has indeed partly fallen within the terms of what is enacted by the Statutes of India ibidem: 99 that if someone happened to beat his bondman to death or otherwise bring him to death, 100 he shall be punished therefor in body or life according to the circumstances of the case. For which and other reasons and means to be deduced further in due time, if necessary, the Public Prosecutor, making his claim, concludes that the prisoner and defendant, by definitive sentence of Your Honorable Worships, shall be condemned to such punishment as Your Honorable Worships, pursuant to the cited statutory law, shall judge to be proper according to the circumstances of the case, or to such other, etc. Signed: J. A. Truter, acting Fiscal. In the margin: Exhibited in Court on the last day of September 1790.
Dutch transcription
zullen UEE: achtb: zien 53 dat de gev: en ged: volmondig heeft geconferveert. 54 dat hij op dingsdag den 23 Junij Jl: zyn slaaf David, naa denselven uit het stroo waar onder hij zich verborgen had ge„ haald te hebben 55 in een zagenaamde Poolse Bok ge¬ pannen, vervolgens met eenige quee, peerlatten op de Billen geteistert en dewonden met Eekelwater gewas„ schen heeft. 56: dat hij gev: en ged: hierop denselven slaaf onder hetslaan met een vier„ paarlen sweep, met een ongemaakte wagenas op de schouderen door het huijs heeft doen wandelen 57 en dat hij denselven eindelijk met een graaf of spaade heeft geslaagen. 58. nadat den slaaf namentlijk het onge„ maakte waagenas had afgelegt en naa de Winkel was gegaan. 59 de vraag blyft dus alleenlyk deeze bo of de gev: en gev: aan David met de spaade by s spaade eenige slaagen op het hoofd heeft toegebracht 61. en daar door de wonde in questie heeft veroorzaakt 62 En tot de affirmative hiervan vermeent de E.0. Eijsscher dat met grond kan werden geconcludeert 63. wanneer men den inhoud der hier neevens sub Lt ge H gevoegde ver„ klaaringen in ziet 64. En daarbij voegt. 65 1=o dat de gev: en ged: ad art 26 van zyn Verhoor erkend heeft een graafgebruikt en david daarmeede geslaagen te hebben 66. 2 e dat hij niet procies weet op te geeven op welke andere wijze de Haaf David de opgegeeven hoofdwonde heeft be„ koomen; daar de gev: en ged: nochtans niet ontkend dat dezelve geduurende dat hij met David bezig is ge„ weest moeten zyn veroorzaakt. 67 3=o dat de moogelijkheid bij responsiven adleate ad art: 30 voorgesteld, dat namentlijk die wonden door het slaan of worstelen kan zyn veroorzaakt door geene omstandigheid word gefectifieert, 68. . 1. dat de slaaf David door de ontvangene slaa„ gen en verdere mishandeling zodaanig afge„ mat moet zijn geweest, dat men in denselven naa dit alles geen krachts genoeg kan sup poneeren om zodaanig geweld teegen den gev=ns en gedaagde te gebruijken. 69. 5=o dat de opgegeevene doodelyke wonde voor een zwaaren slag of val moet zijn veroorzaakt, 70: 6=e dat er niemand in't Huis van den gev=e en ged: is geweest die men met eenigen grond sou kunnen supponeeren van den slaaf David geslaagen te hebben 71. r„o dat hij Gev: en ged: ad art=l 21 van zyn ver hoor, eenvoudig zegt dat hij, wanneer de slaaf Aja hem was koomen zeggen, en riem had laaten haalen. 72 zonder te gewaagen, dat David een spaase of graaf inde handen heeft gehad. 73. 8:e dat hij aan gecomm: Heermraaden ver¬ haalt heeft dat evengem: Slaaf David zijn meede slaaf Aja met een spaade heeft wil Een slaan 74 daar hij nochtans op voorsz: 21 articul zegte een eden zegt dat David aja met een bytel heeft willen steeken 75 9=o en eindelijk dat de gev: en ged: niet al„ liëën is van zyne slaaven op een bar„ baase wijse te mishandelen. 76. alle deese omstandigheeden zullen zo de 20. Eyscher vertrouwd genoeg zijn om UEE: Achtb: te overtuijgen. 77. dat de gevr: & ged: de drie hoofdworden heeft toegebracht 28. en dus ook die, welke oorzaak is geweest vande dood van den Haaf David 79 zo immerdeger en ged:e zich onschuldig heeft geacht 80 dan zoude hij terstond hebben gedecla„ reert dat hij er niets van wist 81. maar eerst ingewikkeld te zeggen dat mener meend recht toe gehad te hebeben om dat de jongen naar zyn leeven stond, 82. en daar naa wederom voor te geeven dat de slaaf bij ongeluk onder het wor„ stelen dewonde moet hebben ontfangen. 83. gelyk ons de gev: en ged: art: 30 van zijn verhoor verhoor gedaan heeft. 84. is onder correctie eene strijdigheid en een blijk van de Confusie waar in de Gev: en Ged: door overtuijging van zijn mis„ daad was gebracht. 85 dat ondertusschen prosumptien en indi„ cien in cas crimineel een volkoomen Bewijs kunnen uitleeveren 8. Leertond de Frischeraadsheer Sande in decis: fris L: 5: fit 9 def: 14. 87 de R: O. Eyschervalt nochtans geensints in't begrip 88. dat het bij sande aangehaalt geval haare volkoomen toepassing op den gev: en ged: zoude kunnen vinden 89 en dat de gev: en ged: als een homini„ dium en Dolosum geperpetreert hebbende met de dood zoude behooren te worden gestraft. 90. omdat, behalven dat de slaaf Aja deeker„ lijk niet zeer veel onzijdigheid ten opzichte van zijn Lyfheer in zijne gegeevene ver„ klaaring betoond. 91. het daar en boven zeeker is dat zo ovit een ar en ul een rechtmaatige drift tot versachting van een misdaad kan strekken. 92. het zeekerlijk de daadelykheeden zijn welke door een slaaf ten opsichten van zijn Lijfheeren gepleegd worden. 93. waaromme dan ook zo inde Batavi„ asche als locaale wetten de rigonieuste streffen teegens de geringste daade„ lykheeden van dien dat zyn gesta„ tueert. 94 zie de statuuten van Indien Tit: van Haa ven ofte Lijfeygenen in verbis, maar 2oo eenige slaaven &ca. 95. de r.0. Eijsscher is nochtans onder ver„ beetering van oordeel 96 dat afschoon de gev: en ged: geef doodstraf heeft gemeriteert 97. hij eevenwel van alle schuld niet vrij te spreeken is. 98. maar in teegendeel wel deegelyk voor een gedeelte gevallen is in de termen van't bij destatuuren van Indien ibidem gestatueerde 99 dat zoiemand zijn Lyfeijgen kwam dood dood te slaan of andersints daer te ovr het leeven te brengen. 100. daar over aan den Lijfe ofte Zeeven zal werden gestraft na geleegendheid van zaaken. Mits welke en andere ree„ denen en middelen in tijd en wijlen is het nood naader te deduceeren de R:O. Eijsscher Eysch doeneer concludeert aan de gev: en gedaagde bij definitive Vonnisse van UEE. Achtb: zal worden gecondemneert in zodaanige Heafte als UEE Achtb: ingevolge de aan„ gehaalde statutaire Wet naa geleegendheid van zaaken zullen oordeelen te behooren, ofte tot zo„ aaanige andere &a. /:was geteekend:/ I: A: bruter aen fircaal /:in maigene:) Exhibiteum is Judicio ad: d: ult September 190. cht ting Haa
English
Upon report from the Burgher Jan Enslin that a certain slave boy belonging to him, named David van Bougies, after having been punished by him, Enslin, in the morning, was said to have died that same day in the evening, and requesting an inspection of the same, we, the undersigned Heemraden here, in the absence of the Surgeon of this Colony, assisted by the Surgeon H: Heissener, proceeded to the place of the said Enslin and inspected the dead body of the said David, whereupon we found on the same a wound on the left side of the head, a wound above the left eye the size of an inch, a contusion on the back of the head, which latter, having been opened by the aforesaid Heissener, he declared to be fatal; while the aforesaid Enslin testified to us, the undersigned, that he did not know how the said slave came by this wound, having furthermore found on the said slave various small wounds and contusions of lesser importance. Below stood: Thus inspected and found. Paarl, the 23rd of June 1790. Was signed: J: D: Cilliers J: C: Z: and A D DeVilliers J-n Z-n. I, the undersigned, hereby attest, by order of the Honorable Heemraden, the Honorable Jacob de Villiers and Abraham Villiers, to the examination performed on a slave boy named David van Bougies, belonging to the Burgher Jan Enslin, having thus found: an ordinary punishment on his buttocks; on the head on the left side, five fingers above the ear, a severe contusion: bruise, blow, or fall, not fatal; three fingers above the left eye, a wound having the size of an inch, not fatal; a considerable contusion on the os occipitis, or occipital bone, situated near the Foramen Magnum, or great opening, and the first vertebra colli, or first cervical vertebra of the neck, which, after having been opened, was found with a considerable quantity of extravasated blood, which is the fatal fall or blow; a wound on the left hand between the first finger and the thumb, and various small contusions or bruises on the face, but not of importance. In witness of the truth of this declaration, I have signed it with my own hand. Paarl, the 23rd of June 1790. Was signed: H Haffner, Surgeon. To the Right Honorable and Venerable Lord Johannes Isaac Rhenius, President, together with the further Honorable Members of the Honorable and Venerable Court of Justice of this Government. Right Honorable and Venerable Lord, Gentlemen! Respectfully shows the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewyk Bletterman: that on the 5th of July last, the Heemraad at Drakenstein, the Honorable Jacob de Villiers, H: son, reported in writing to the petitioner that on the 23rd of June, upon notification from the Burgher Jan Enslin that he, Enslin, having punished one of his slaves named David van Bougies the day before, the same had died that evening, he had proceeded together with his fellow Heemraad Abr de Villiers to the place of the said Enslin, and after having inspected the corpse of the said slave David, they had discovered on the same, besides the signs of an ordinary punishment, various small contusions of minor importance, and three wounds, which, having been inspected by the Surgeon Hausner, the same had declared that a wound to the occipital bone near the first vertebra was found to be fatal; that the above-mentioned Honorable J: de Villiers, having asked the aforesaid Enslin for the cause of those wounds, the same had said that the above-mentioned slave David, after having been punished, had allegedly wanted to kill his fellow slave Aja van Bougies with a spade or shovel, and that the latter, having taken refuge with him, Enslin, he had thereupon gone to the workshop where the aforesaid David was located, at which time the aforesaid David had likewise tried to attack him, Enslin, but that he had, with great difficulty, wrested the spade from his hands
Dutch transcription
Op bericht van den Burger Ian Enslin dat zeekere hem toebehoorende Hlaave Ionge genaamd David van Bougies, na dat deselve door hem Enslin des morgens afgestraft was geworden, zou op denzelf den dag des avonds overleeden zijn, en versoek van hetzelve te beesigtigen hebben wij ondergeteekende Heem„ raaden alhier vermits de afweesenheid vans: Colonies Chirurgijn geassisteert met den Chirurgijn H: Heissener ons ter plaatse van gemelde Enslin begee„ ven en het doode lichaam van gem: David geschouwd wanneer aan 't zelve bevonden hebben op de linker zyde van het hoofd eene wonde, een wond boven het linker oog ter groote van een duijm een confusie aan 't agter hoofd, welke laatste door voorm Heis sener geopend zijnde, denselven be„ tuijgde doodelyk te zijn, terwijl voorn Enslin aan ons onderget: betuijgde dat hij niet wist hoe gemelde slaaf aan deese wond is gekoomen hebbende aan ge„ melde slaaf nog differente kleine won„ den en den en contusien van minder aan„ belang bevond. /:onderstond:/ Aldus geschouwden bevonden. Paarl den 23 Junij 1790 /:was geteekend:/ I: D: Gilliers I: C: Z: e A D DeVilliers I=n Z=n Ik Ondergetekende Attestire mits deeze op order van de Heeren Heinneraaden de EE Jacob de Villiers & Abraham Williers gedaane visitatie bij een Haare Jongen genaamd David van Bou„ gies, toebehoorende den Burger Jan Enslin, aldus bevonden hebbende een ordinaire afstraffing op zijn uinterste op het Hooft an die linker zijde vijfvingers boven het oor een sterke contuxi: Kneusing, slay of Fall unt doodelijk drie finger boven het linker oog eenwond hebbende de groote van een dat n e van 1 een duim int doodelijk een considerabele confusien an het os ceciptis of agterhoofds been nabey geleegen an het Tesamen Magnum of groote gat en de eerste verteber colli of eerste wysfel been van den hals nadat deselve geopend bevonden met een considerabele quantiteit ex travasech Bloed welkes de doodlijke Fall of slag is. een wond aan de linker hand tusschen de eerte finger en de duijm en ver„ scheidene kleine contusien of kneurin„ genaant gesigt maar niet van lee„ lang tot succoriteit van deeze ver„ klaaring hef ik het eygenhandig onderteknet Paarl & 23 Junij 1790. /:was geteekend:/ H Haffner Chirurgicus Aan den Wel Edelen en Achtb: Heere Johannes Isaac Rhenius, Prosident benevens beneevens de verdere Heeren Leeden van den Edelen achtbaaren raade van Ju. stitie deeses Gouvernements WelEdele Achtb. Heer Heeren! Vertoonde met de verschuldigde eer, bied den Landdiost van stellen„ bosch en Draakenstein Hendrik Lode„ wyk Bletterman dat op & 5 July ll: den Heenaad aan Diakenstein & E Jacob de Villieis Hz den, vertoonder schriftelyk is bezicht geworden dat hij op den 23 Junij op kenuis geeving van den Borger Han Enslin, dat hij Enstin daags benoo„ rens een zyner slaven met naame David van Bougies afgestraft heb¬ bende denselven dien avond over„ leeden was, zich nevens den Meede Heemraad Abr de Villiers ter plaatse van gemelde Enslen had begeeven en na 't lyk van denselven slaaf David gerhouwd te hebben, aan deselve behalven de teekenen eenen ordinaire afstraffing, verscheit dene een duim int doodelijk een considerabele contusien an het os ccciptis of agterhoofds been naby geleegen an het Tosamen Magnum of groote gat en de eerste verteber colli of eerste wysfel been van den hals nadat deselve geopend bevonden met een considerabele quantiteit extravasect Bloed welkes de doodlijke Fall of slag is. een wond aan de linker hand tusschen de eerte finger en de duijm en ver scheidene kleine contusien of kneurin„ genaant gesigt maar niet van lee„ lang tot surcoriteit van deeze ver„ klaaring hef ik het eygenhandig onderteknet Paarl & 23 Junij 1790. /:was geteekend:/ H Haffner Chirurgicus Aan den Wel Edelen en Achtb: Heere Johannes Isaac Rhenius, Prosident benevens beneevens de verdere Heeren Leeden van den Edelen Achtbaaren raade van Ju. stitie deeses Gouvernements WelEdele Achtb. Heer Heeren! Versoonde met de verschuldigde eer, bied den Landdrost van stellen„ bosch en Draakenstein Hendrik Lode„ wyk Bletterman dat op & 5 July ll: den Heenraad aan Diakenstein & E Jacob de Villieis Hz den, vertoonder schriftelyk is bezicht geworden dat hij op den 23 Junij op kenuis geeving van den Borge Han Enslin, dat hij Enslin daags benoo„ rens een zyner slaven met naame David van Bougies afgestraft heb¬ bende denselven dien avond over„ leeden was, zich nevens den Meede Heemraad Abr de Villiers ter plaatse van gemelde Enslen had begeeven en na 't lyk van denselven Haaf David geshouwd te hebben, aan deselve behalven de teekenen eenen ordinaire afstraffing, verscheij dene kleine contusien van gering aanbe lang, drie wonden hadden ontdekt welke door den Chirurgijn Hausner geschouwd zynde, den zelven gedecla„ reert had een wonde aan de agter¬ hoofdsbeen bij de eerste wervelbeen doodelyk bevonden is dat bovengem: E: I: de Villiers na de oorsaak dier wonden aan voorm: Enslin gevraagt hebbende denzelven gezegt had dat bovengem: Slaaf David nadat afgestraft was ge¬ worden, zyn meede Hlaaf Aja van Bougies met een graaf of spaade zou hebben willen om 't leeven brengen, en dat deese zyn toevlugt tot hem Enslin genoomen heb„ bende, hij daar op zich naa de winkel alwaar voormelde David zich bevond begeeven had, als wanneer voormelde David inge¬ lyks hem Enslin hadselyk gewild doch dat hij met veel moeijte den¬ zelven de spaade uit de handen had
English
had overpowered, and that the wounds could have been caused by this. Upon which aforementioned report of the said Jacob de Villiers, the Remonstrant, having written to the above-mentioned Enslin to send his slave Aja to Stellenbosch, the same Enslin came in person on the afternoon of the 19th of the aforementioned month of July, bringing along the above-mentioned slave Aja, with the request that he might be permitted to return with him as soon as possible, as this was the only slave he still possessed; to which request the Remonstrant, suspecting no evil, being willing to comply, told Enslin that the following day, if possible early, the said Aja would make a declaration of what had occurred before the commissioned Heemraden, and immediately thereafter thereafter would be able to return with him; whereupon, the said Enslin having walked away from the front of the Drostdy and having barely entered the first street, the aforementioned Aja, who was standing in front of the door and had probably overheard some of this, immediately approached the Remonstrant, saying, "No, I would rather die here than go home"; the Remonstrant inquiring further of the said slave into the reasons for these words, the same came to say in brief that the aforementioned slave David, on account of the continuous mistreatment by his master, had been a runaway for two days, and was thereafter found in the stable under the straw, and having been punished for this by his master, his master had subsequently made the aforementioned David, with an unworked wagon axle on his shoulders, walk up and down in the house, up and down, under which the said slave collapsed, his master had inflicted some blows on him with a lath and thereafter smashed a knobkerrie to pieces on his arms and hands, subsequently with a spade or shovel inflicted two large wounds at the back and a small wound at the front of the head, this account being accompanied by all such circumstances that, upon examination and an exact comparison of the contusions mentioned in the post-mortem report and the surgical certificate, not the slightest doubt remains that the said Enslin killed his slave David in this manner and in such an inhumane way, as Your Noble Worships, if you please, will also be able to perceive in greater detail both from the declaration of the aforementioned slave Aja made before the said Heemraden and and from the post-mortem report and surgical certificate, to which the Remonstrant, for the sake of brevity, refers himself, maintaining therefore that such a deed ought to be punished with the utmost rigor of the law, and that the nature of that crime, as well as the execution of the sentence to be passed in that regard, requires that he should secure the person of the aforementioned Jan Enslin. Wherefore the Remonstrant takes the liberty with the greatest respect to turn to Your Noble Worships, requesting that Your Noble Worships may be pleased to grant him a decree by virtue of which he is authorized to take the above-mentioned Jan Enslin into apprehension. Underneath stood: Which doing, etc. Signed: J. H. Bletterman In the margin: Exhibited in the Court, 5 August 1790. Appeared before the undersigned commissioned Heemraden, Aja of Bougies, aged approximately forty years, enslaved person of the Burgher Jan Enslin, who, at the requisition of the Merchant and Landdrost, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That on a certain Tuesday afternoon in the past month of June, without being able to determine the exact date, the Deponent, being called into the horse stable by his master and ordered, because the dogs had barked there, to look under the straw to see what was going on, the Deponent, after having cleared away a little of the straw, found his fellow slave David of Bougies, who, on account of the daily mistreatment by his above-mentioned master, had already been a runaway for two days prior, and had hidden himself underneath it; whereupon the Deponent's master ordered the Deponent to fetch a strap, and with it flogged the said slave David with a quince lath the thickness of a thumb, and that being broken, with a second one of of similar thickness, from twenty to five pieces on the bare buttocks, and in between had him rubbed with brine water. That the Deponent's master, having punished the said David in this manner, further ordered him to pace up and down in the house with an unworked wagon axle on his shoulders; when he fell to the ground in a faint, the Deponent's master again inflicted some blows on him with a lath and subsequently ordered the Deponent to pick him up and carry him to the shop, where, brought by the Deponent, he remained lying on the ground, still very weak; the Deponent thereupon went to his master to tell him that the said David was dying; who, coming to the shop, ordered the Deponent to fetch a strap in the stable; which being heard by David, he crawled forward toward a certain Jan Krieger, who had come up to it, to to make a supplication at his feet; when the said Krieger, being unable or unwilling to witness this, went away, and the Deponent's master further smashed a knobkerrie he was holding to pieces on the arms and one of the hands of the said slave David, and also inflicted two large wounds at the back and a small one at the front of the head with a spade; and having subsequently had him carried into the dwelling house by the Deponent, he came to die that same day toward the evening. That the Deponent's master rode away from home on horseback the following morning, and having returned that very day with commissioners and a doctor, the doctor opened the head of that dead boy and inspected the wounds; after this was performed, the Deponent, by order of his master, buried him. The Deponent finally testifying that
Dutch transcription
had ontweldigt en hier door de won, den kan zyn vervors aakt. op welk voorsz: bericht van gem: E. Jacob de Villiers den Vertoonder bovengem: Enstin aangeschreeven hebbende zyn slaaf aja te stellen bosch te zenden is op den 19 den voorsz: maand July des nademid dags denselven Eurlin in Persoon gekoomen meede brengende evengem: slaaf Aja met versoek denzelven met hem ten spoedigsten terug te moogen keeren, also deeze zyn eenigste slaaf was die hij woeg besat, aan welk versoek den ver toonder als geen kwaad vermeee„ dende bereidwillig zynde te de„ feceeren, hem Eroslin heeft gezegt dat daags daaraan, zo moogelyk vroegtijdig voor gecommitteerdens Heemraaden doorgemelde aja een verklaaring van 't voorgevallene zoudoen passeeren; en terstond daamen daar na met hem rullen kunnen te rugkeeren, waarop gemelde Eurlin van voor de Diosddij weg en naauw¬ lyks de eerste straat ingegaan zijnde voorn: Aja, die voorde deur staande en waarschynlyk het een en ander zal hebben aangehoort zich daadelyk tot den Vertoonder vervoegde net te zeg„ gen, neen ik wil liever hier sterven als na huys gaan, nade reedenen vanwelke gezegdens den Vertoonder zich nader bij gemelde slaaf infor meerende denselven Kortelyks kwam te zeggen, dat meerin Slaaf David weegens de aanhiu, dende mishandelingen van des„ zelfs Lijfheer twee daagen opge¬ diost geweest, en daarna inde stal onder de stroo gevonden en desweegens door zijn Lijfheer afgestraft zijnde had zyn Lyfheer vervolgens meerm. David meteen ongemaakte wagen is op desehouderen int huy op ende op en needer had doen gaan, waar ondergemelde slaaf besweeken zyn, de zyn Lyfheer denselven had doen met een lat eenige slaagen toege¬ bracht en daar na een Kiszy op de Armen en handen aan stukken geslaagen, vervolgens met een graeef of spaade twee groote wonden agter en een kleine wonde voor 't hoofd had toegebracht, gaande dit verhaald verzeld met alle zodanige omstandigheeden dat by Deami„ natie en in leegen overtelling der contusie in deschouwacte en Chi„ ruigicaal attest vermeld geen de minste twijffel overlelyft of dat gem: Euvlindyn Hlaaf David, in diervoegen en op een dergelyke ontmenschte wijze, heeft om het leeven gebracht, zoals Uwel Edele Achtb: /:des gelievende:/ dit een en ander dan ook meergedetail„ leert zo uit de verklaaring van meerm: Slaaf Aja voor genomm Heemraaden. en e in gepasseert als uit de schouwacte en Chirurgiaal attest zullen kunnen ont¬ waaren, en waar aan den Vertoonder zich kortheids halven zich refereerende mitsdien sustineert dat een derge„ lyke raad op het regomenste diend gestraft te worden, aan dat de aard dier mis daad, zo wel als de Executie der ten dien opzichte te vallen sententie requireert dat hij zich van den Per„ soon van voorm: Jan Enslin behoort te verseekeren. Mits welke de rd: Vert=r de vrijheid neemt met de meeste eerbied hem te keeren tot uwel Edele Achtb: versoekende dat Uwel Edele Achtb: aan hem gelieven te verleenen. de creet uit krachte van 't welk hij gequalificeert word bovengemelde Jan Eusliu te neemen in approkentie. /:ondertond:/ Twelk doende & Cevan ge teekend. J H & Bletterman /:in margine:/ Exhib e Jaduco den 5 Augs. 1790 Comparerde voor de ondergez: gecanvis Heemraaden, Aja van Bougies oud na gis, sing veertig Iaaren lyfeigen van den Bur ger Ian Enslin, dewelke ter requisitie van den Koopman en Landdrost de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman verklaarde hoe waar is. dat den Comp:t op zeekeren dingsdag middag in de jongstgepasseerde maand Iunij zonder den juisten datum te kunnen bepaalen door deszelfs lyfhier in dewaarde stal geroepen en gelast zijnde om vermits de honden al„ daar hadden geblaft onder het sroo te zien wat er te doen was, den Compt. na een weinig van't stioo te hebben weg gewerkt den meede Slaaf David van Bougies gevonden, die ter oorzaak van de daage¬ lijkse mishandelingen van op gem: zijn: Lyfheer twee daagen bevoorens reeds is opgedrost geweest, en zich daar onder had verschoolen, wanneer zyn Compts Lijf„ heer hem Compt: had te kennen gegee¬ bevoolen een riem te haalen, en daarmeede gemelde Slaaf David met een queepeere Lat ter dikte van een duijm, en die ge¬ brooken zijnde met een tweede van gelykei gelijke dikte en 20 tot vijf stuks op de bloo te billen gegeezelt, en tusschen beide met Peekelwaater laaten vvrijven. Dat des Compts. Lijfheer gemeelde David, in diervoegen afgestraft hebbende denzelven voorts had gelast met een on„ gemaakte wagenas op de Schouderen in het huijs op ende needer te kuije„ ren, wanneer denzelven in onmacht op de grond gevallen zijnde had des Compts. Lijfheer hem andermaal eenige slaagen met een lat toegebracht en hem Compt vervolgens gelast denselven op te mee„ men en naa de winkel te draagen alwaar hij door den Compt. gebracht als nog zeer zwak op de grond was bly„ ven leggen, zijnde den Compt. daarop na deszelfs lijfheer gegaan om hem te zeggen dat gemelde David lag te sterven, die naa de winkel komende hem Compt. had gelast in de stal een riem te haalen, het geen door David gehoort zijnde was denselven al kruy„ pende voortgegaan, naa zeekeren Jan krieger, die daar op af was gekoomen om een om een voetval te doen, wanneer den„ zelven krieger zulx niet kunende of willende aanzien was weggegaan, en des Compts Lijfheer gemelde slaaf Da¬ vid voorts met een inhanden hebbende kirrij op de armen en een zyner handen aan stukken geslaagen, mitsg. s hem met een graaf twee groote wonden agter, en een kleijne voor in't hoofd heeft toegebracht, en denselven ver„ volgens door den Compt. in't woonhuijs hebbende laaten draagen, was hij dien zelven dag teegens den Avond koomen te overlyden. dat des Compts Lijfheer des anderen daags s' morgens te Paard van Huijs gereeden en dien eijgenten dag met ge„ committeerdens en een Doctor terug gekoomen zijnde had den Doctor het Hoofd van dien dooden Iongen geoa„ pend en de wonden bezigtigt, wanneer den Compt na dat dit verrigt was, den„ zelven op ordre van zyn Lyfheer had begraaven. betuijgende den Compt. laatstelijk dat „te
English
he can no longer bear the harsh treatment practiced toward him by his aforementioned master, and would rather wish to die than to enter into his service again. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, testifying this to be the pure truth. Thus occurred at the secretariat at Stellenbosch on 22 July 1790 before the esteemed Christman Joes Ackerman and Pieter Gerhard Wium, as commissioned heemraden, who have duly signed the minute of this together with the appearer and me, sworn clerk. Below stood: Which I witness. Was signed: J: S: Faure, Secretary. Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the honorable Court of Justice of this government the aforementioned slave Aja of Bougies, who, this his preceding declaration having been read clearly and distinctly to him, testified that he persists therein, wishing that nothing more will be added to or taken from it, testifying in the presence of the below-named salaried assistant Willem Kolver, as attorney of the aforementioned Jan Enslin, that all the preceding is the pure truth. Below stood: Thus done and re-examined at Cape of Good Hope, 15 December 1790. Was signed: and written around it: this mark was set by the appearer with his own hand. Lower: For the interpretation: Was signed: Hendrik Mattheijssen. And below that: In my presence, signed: I: D: Karnspek, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: r J: V Riete, K: J: de Wet. Appeared before the undersigned commissioned heemraden, the esteemed Christman Joel Ackerman and Johan Bernhard Hoffman, the burgher Johannes Bartholomeus Krieger, of competent age, who at the requisition of the Merchant and Landdrost, Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared to be true: That the appearer, having been on a certain Tuesday in the month of June, without being able to determine the exact date, at the house of the burgher Jan Enslin, upon hearing that a small dog was incessantly barking before the door of the chaff-shed, told the said Enslin that possibly the slave David, who had run away from him a few days before, may have hidden there from the rain. And having gone with the said Enslin to the same shed, they, after having caused a little straw to be cleared away by the fellow slave named Aja, found the same David lying underneath covered with sheepskins. Whereupon he, Enslin, together with the said slave Aja, having bound that boy and stretched him as if in a so-called Polish rack, flogged him on the buttocks with four quince-pear slats and in the meantime had the wounds rubbed with pickle water. That the said Enslin, having thus punished the slave David, subsequently let him walk up and down in the front room with a wagon axle on his shoulders, during which the said Aja, by order of him, Enslin, struck him with a double whip on the back every time he did not walk fast enough, and the said David, both on account of the blows received and the heavy burden, fell to the ground unconscious. That shortly afterward, the slave Aja having called to Enslin without the appearer knowing what he had to say, he, Enslin, went to the workshop and, having cursed at David in the Malay language and asked him why he was not sawing, he, Enslin, immediately inflicted several blows with his fist in his face, and further ordered the slave Aja to go to the stable and get a strap in order to send David bound therewith to Stellenbosch; saying to the appearer, who had come over, that David had wanted to chop him with a spade, without the appearer having been able to perceive the slightest movement in the said boy, who was sitting completely helpless on the ground due to the mistreatment inflicted upon him, to resist his master; the aforementioned slave David on the contrary crawling toward the appearer to make a foot-fall [supplication]; whereupon the said Enslin, having continuously beaten the same, first with a kierie and subsequently with a double whip, the appearer, being unable to watch this any longer, pulled him, Enslin, away and said that he had to stop beating, and the appearer went from there back to the dwelling house. While the aforementioned slave David, walking up and down in the dwelling house a short time later by order of his master, was still continuously beaten and mistreated by him, Enslin, notwithstanding that the said Aja had several times said to his master, the aforementioned Enslin, that he must stop beating since that boy, just like the previous one, would die from it; and the said David did indeed pass away that very same day in the evening. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same at all times with an oath. Thus occurred at the secretariat at Stellenbosch on 11 August 1790 before the esteemed Christiaan Joel Ackerman and Johan Bernhard Hoffman as commissioned heemraden, who have duly signed the minute of this together with the appearer and me, Secretary. Below stood: Which I witness, signed: J. P: Faure, Secretary. Re-examination.
Dutch transcription
hij de harde behandeling door voornoem de zijn Lijfheer ook omtrend hem gedei fend wordende onmoogelyk langer kan uitstaan en liever wenschte zesterven dan weeder in deszelfs dienst te gaan Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap als in den Text betuijgende zulx de zuyveren waarheid te zijn. Dat aldus passeerde ten secretarije aan Stellenbosch den 22 Julij 1790 voor d E Es Christman Ioes Acterman en Pieter Gerhard Wium, als gecommit teerde Heemraaden, die de minute dezes beneevens den Compt en mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onder„ teekend. /:onderstond:/ Twelk ik ge„ 3: tuijge /:was geteekend:/ J: S: Faure Serr Recollement Compareerde voor de onder get: Gecommi uit den E: achtb: raade van Iustitie deeses gouvernements voorm: Slaaf Aja van Bougies dewelke deese zijne voorenstaande Verklaaring klaar en duijdelyk voorgeleesen weesende betuijgde betuygde denzelven daar bij te blijven persisteren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, betuijgende in praesentie van den onderafgesz: gage gestelden Ad„ sistent Willem Kolver, als gemachtig„ de van voorm: Jan Enslin dat al het voorenstaande de zuyvere waarheid is. /:onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleert aan Cabo de goede Hoop, den 15 December 1790 /:was geteekend:/ /: en daarom„ schreeven:/. dit merk heeft den Comp„t eygenhandig gesteld. /:laager:/ voorde vertolking /:was geteekend:/ Hendrik Mattheijssen /:en daaronder:/ mij pece„ sent /:geteekend:/ I: D: Karnspek /:gesw: Clercq /:in margine/ als gecommitt /:geteekend:/ r J: V Riete K: J: de Wet„ Compareerde voor de ondergeteekende gecomm: Heemraden seer ƒ Heemraaden d' E: E: Christman Ioel Ackerman en Johan Bernhard Hoffman, den Burger Iohannes Bartholomeus Krie ger van competenten ouderdom, dewelke ter requisitie van den Koopman en Landdrost de Heer Hendrik Lodewijk Bletterman verklaarde hoewaar is. dat den Compt. op deekeren dingsdag in lb maand Iunij zonder den eygentlyke datum te kunnen bepaalen zich bevonden hebbende ten huijse van den Burger: Jan Enslin op het hooren dat een kleine hond voor de Deur van het kafhok onophoudelyk blafte aan gemelde Enslin had gesegt dat moogelyk de slaaf David die eenige dagen bevorens van hem was opgedrost voor den reegen zich aldaar zal hebben verschoolen en met gemelde Enslin daarop na hetselve Hok gegaan zijnde, hadden zijlieden, na een weinig stroo door de meede slaaf Aja genaamd te hebben doen wegwerken denzelven David met schaape vellen. toegedekt daar onder leggende gevon„ den, wanneer hy Enstin nevens gem: slaaf Aja, dien Iongen gebonden en als in een zagenaamde Poolse Bok gespannen hebbende denselven met met vier queepeerlatten op de Billen ge„ geezelt en de wonden tusschen beide met beekelwaater doen wrijnen dat gemelde Enslin den Slaaf David dus afgestraft hebbende hem voorts met een waagen as op de schouders in't voorhuis open needer had laaten kuijeren wanneer gemelde Aja op last van hem Enstin denselven telkens als hij niet spoedig genoeg Kuijerde met een dubbelde Zueep op de rug had geslaaten, en gemelde David zo weegens de bekoomene slaagen als den zwaaren last in onmacht oop de grond was gevallen. Datdeslaaf Aja Kort daarnaa tot Enslin geroepen hebbende zonder dat den Compt. wist wat hij te zeggen had was hij Enstin naade Winkel gegaan en in de malydse Taal op David ge„ scholden en hem gevraagt hebbende waarom hij niet zaagde had hij Ens„ lin denselven onmiddelyk eenige slagen met de vuijst in't aangezicht toege„ bracht, en de slaaf Aja voorts gelast. 7te te om nadestal te gaan en een riem haalen ten einde David daar meede ge bonden naa Stellenbosch te zenden; aan den Comp:t die daarop toe was gekoomen, zeggende: dat David hem met een graaf had willen kappen, zonder dat den Comp aan gem. Jongen die wee¬ gens de hem aangedaane mishande„ ling geheel onmachtig op de grond needezat, de minste beweeging had kunnen bespeuren, om zich teegens zijn lyfheer te versetten, kruypende meerm: Slaaf David in teegendeel naa den Compt om een voetval te doen wanneer gemelde Enstin eerst met een Kiarij invervolgens met een dubbelde sweep denselven bij Continuatie geslaagen hebbende had den Comp. zulx niet langer kunnende aanzien hem Enstin weggetrokken en gezegt dat hy uijtscheiden moest met slaan, en was den Comp=t van daer weeder na 't woonhuijs gegaan, terwijl meerm SlaafEn David op last van deszelfs. lijfheer weinig tijd daarna andermaal in't woonhuijs op en needer Kuijerende nog ge ƒ nog geduurig door hem Euslen is geslaagen en mishandeld geworden niet teegenstaande gemelde Aja ver„ scheidene maalen teegens deszelfs Lijfheer meerm: Enslen had gezegt dat uijtscheiden moest met slaan vermits dien Iongen even als de vorige daar aen sterven zoude, en was gemelde Dewid dan ook dien eijgenste dag in den avond koomen te overlyden. Niets meerverklaarende geeft den Compt voor reedenen van weetenschap als in den Text, bereid zijnde hetzelve des gerequireert wordende ten allen tijde met Eede te sterken. Dat aldus passeerde ter secretarije aan Stellenbosch den 11 Aug:s 1790 voor de ED„s Christiaan Poel Ackerman en Johan Bernhaid Hoeffman als gecommitteerden Heemraaden die de minute deeses beneevens den Compt. en mij Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend /:onderstond:/ welk ik getuyge geteekend: J. P: Faure Secretaris. — Revollement
English
Appeared before us, the undersigned delegated members from the Honorable Court of Justice of this government, the Burgher Johannes Bartholomeus Krieger, who, his preceding deposition having been clearly read aloud, testified that he persists therewith, desiring that nothing more be added thereto or removed therefrom, and therefore spoke, in the presence of the undermentioned off-pay Assistant of the Honorable Company, Willem Kolder, as authorized agent of the Burgher Jan Martin Enslin, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at the Cape of Good Hope, the 7th of December 1790. Was signed: J: B: Kruger Lower: In my presence, signed: J: D: Karnspek, Sworn Clerk. In the margin: As delegates, signed: R: J: van der Riet and G: H: Meijer. Re-examination Interrogatory Appeared before the undersigned delegates from the Honorable Court of Justice of this government, the Burgher Jan Martin Enslin, who answered the adjacent articles of interrogation in such manner as is recorded in the margin of each. Interrogatories upon which, at the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, the Burgher Jan Enslin is to be heard and interrogated before the delegates from the Honorable Court of Justice of the Cape of Good Hope, his responses to be noted in the margin hereof. Article 1. The respondent's name, age, place of birth, and profession. Says Jan Enslin, from the Cape of Good Hope, aged about 26 years, and burgher here. Article 2. Where the respondent resided before his arrest. Says he resided at the Groene Berg. Article 3. Whether the respondent was not the owner of a slave named David of Bougies. Says yes. Article 4. Whether the respondent does not know that this slave died on Tuesday the 23rd of June last on the respondent's farm. Says yes, but that this occurred on a Monday morning. Article 5. Whether the said David did not become a fugitive on Sunday the 21st of June. Says yes, though he believes that the slave became a fugitive on Thursday morning. Article 6. Whether the respondent also knows why the same ran away. Says no, not knowing this. Article 7. Whether the slave on the Tuesday following was also sick, or whether he died from some other accident. Says that the slave was not sick. Article 8. If not, what was the cause of his death. Says that the respondent believes that this was caused by a fall that the slave took when he sought to kill the respondent, and the respondent fended off the slave from his body. Article 10. For what reasons the respondent called the slave Aja of Bougies into the stable. Says in order to clear some straw. Article 11. Whether the respondent did not order the slave Aja to clear away some straw, because from the barking of the dogs he believed he must conclude that someone had hidden under the straw. Says yes. Article 12. Whether the respondent, after the slave Aja had cleared away some straw, did not find the aforementioned David of Bougies lying under the straw. Says yes. Article 13. Whether the respondent did not then order Aja to fetch a strap. Says yes. Article 14. Whether the respondent did not therewith, with the help of Aja, bind the hands of the slave David, pull the same over both his knees, and thereupon pass a large auger therethrough. Says no. Article 15. Whether the respondent, having thus secured the slave David, did not beat the slave with the auger driven into the ground, held fast by the fellow slave Aja, and did not have the wounds rubbed in the intervals with brine. Says that he held the auger himself and, with three quince slats of the thickness of a little finger, struck the slave, and caused the wounds to be rubbed in the intervals with brine; furthermore, with a quince slat of the thickness of a thumb, and when that broke, with a second of equal thickness, up to five pieces, flogged him on the bare buttocks, and caused the wounds to be rubbed in the intervals with brine. Article 16. Whether the respondent, having punished the said slave David in that manner, did not furthermore make him walk through the house with an unworked wagon axle upon his shoulders. Says yes, that this took place, and indeed for the entire morning. Article 17. Whether the slave David, having walked for a while, did not fall into a faint. Says not to have fallen into a faint, but to have put it down each time to rest. Article 18. Whether the respondent did not then inflict upon him anew some blows with a slat. Says no, but to have said to the boy Aja that when he rested, he should then beat him with a doubled horsewhip. Article 19. Whether the respondent did not order the slave Aja to pick up the slave David lying in a swoon and carry him to the wagonmaker's shop. Says no. Article 20. Whether the slave Aja, having done this, did not return and report to the respondent that David lay dying. Says no. Article 21. Whether the respondent did not then proceed to the shop and whether the slave Aja did not come to the respondent and say that the slave David with him, Says that the slave Aja came to the respondent and said that the slave David had died.
Dutch transcription
Compareerde voor ons onderget: gecomm Leeden uit den E Achtb: raade van Justitie deezes gouvernements, den Burger Io. hannes Bartholomeus Krieger, dewelke zyne voorenstaande Depositie, duyde„ lijk voorgeleezen zijnde, betuygde daar by te blyven penisteeren, met begeerte dat er niets meer by ofte van gedaan werden zal, en sprak dierhalven in pro„ sentie vanden onderafgesz gage staande Adsistent de EComp=ie Willem Kolder als gemachtigde vanden Burger Jan martin Enslin ter bevestiging der waarheid van dien desolemneele woorden, zo waarlyk helpe mij Godt Almachtig. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert en beëedigt aan Cabo de goede Hoop den 7 December 1790 /:was geteekend:/ I: B: Kruger /:laager:/ mij present :/ geteekend:/ I: D: Kamspek, geswoore Clercq. /:in margine:/ als gecommitteerdens /:geteekend:/ R: J: vander Riet en G: H: Meijer. Recollement Interragatori Compareerde voor de Interrogatorien, omme daarop Ondaget: gecomm: uit den ter requisitie van den Land„ E: Achtb: raade van Justitie drost van Hellenbosch en deses gouvernement den Drakenstein Hendrik Lode„ Burger Jan artin wijk Bletterman voor 88 lb Enslin, dewelke op nevens„ gecomm: uit den E: Achtb: staande vraag articulen zoo„ raade van Justitie der Carteel daanig geantwoord heeft als in margine van ieder staat de goede koop gehoort en ondervraagt te worden de Burger Ian Enslin, zul„ lende deszelfs te geeven res„ ponsiven in margine deezer moeten worden bekend ge„ steld. aangeteekend. zegt Jan Enslin van Cabo Des gem naam ouder„ de goede koop om 26 jaren danr geboorte Plaats en professie en barger alhier aan de groene Berg zegt woonachtig te weezen waar hij Gevr: woonachtig is geweest voor zyn ge„ vangenneeming of hij Gevr: niet bezitter is geweest van een slaaf genaamd David van Bougier. „ 3. Art: 1. zegt Ja gte „ 2 art: 4 zegt In weeten. zegt dat de Haat niet ziek is geweest. zo neem wat de oorzaak zegt zo degevr. meend dat zul veroorzaakt is door een is geweest van deszelfs val die de slaaf gedaan heeft dood." wanneer hij den gew: na het leeven stond, en hij gevr:d slaaf van zyn Lijf afweerde zegt ja, doch zo hij vermeend of voorsz: David niet op zondag den 21 Iunij zich dat de slaafop Donderdag morgen zich fugatief ge fugatief heeft gesteld. steld heeft. of hij Gevr: ook weet waarom zegt neen zulx niet te denselven is weggeloopen. zegt ja maar dat zulx op een of de haer niet op dingsdag maandag morgen is gaveert daar aan volgende zyn of deselve ook ziek is ge¬ weest dan wel door eenig ander toeval is overleeden„ „ 5 of hij Gevr: niet weet dat deese staaf op dingsdag den 23 Juny ll op des gevr. Plaa is overleeden slaaf 6 7. 8. zegt om eenige stroo open te maaken. zegt Ja. zegt Ja: om welke reedenen hij Gevr: zulx gedaan heeft. 10. of hy Gerr: aen SlaafAja niet geordonneert heeft om eenig stwoo weg te weeken, om dat hij uit het blaffen der Htonden heeft vermeend te moeten opmaaken, dat zich iemand onder het stroo had na borgen! of hij Gevr: niet naa dat de slaaf Aja eenig stroo had weggewerkt voorm: David van Bougies onder het stroo had vinden leggen 13. of hij gevr: als toen aan Aja niet bevoolen heeft slaaf Aja van Bougies in de stal heeft geroepen! zegt neen. „te 11. 12 zegt Ja: een riem te haalen. tte of hij gew: daar meede niet den Staaf David met behulp van Aja de handen gebonden, dezelve over beide deszelfs knien gehaalt en daardoor ver volgens een groote boor gestreeken heeft. 15 of de Gevr: den slaaf Davi zegt de Boor zelfs vastge¬ dus vast gemaakt hebbendete houden en met drie quepeer„ dezelve niet met de Boor in latten ter dikte van een pink den slaafgeslaagen te hebben den grond door den meede ende wonden tusschen beide slaaf aja heeft doen vast„ met pekelwater te hebben doen houden, voorts met een vryven quepeerlat ter dikte van een duijm en die gebrooken zynde met een tweede van gelijke dikte tot vijf stuks toe op de bloote Billen heeft gegeeselt en de wen„ den tusschen bede met Beekelwater heeft doen wrijven. d 16. zegt neen. zegt ja, dat zulx geschied is, en mel de gantsche voordemiddag. 12 of de Hlaaf David een poos ge¬ zegt neen niet in flaauwte ge„ vallen te zijn maar het astelken wandeld hebbende niet in onmacht neergezet te hebben om te rusten. is gevallen. of hij gevr: hem toen niet op nieuw zegt neen maar aan de Jongen eenige slaagen met een lat aja gezegt te hebben, wanneer te dvn Hangruste hem aldan met een heeft toegebracht. de te dubbelde Paardesweep te slaem. 18. of hij gewr: den slaaf aja niet gelast heeft, den in onmacht leg„ gende slaaf David op te neemen en nade waagenmakers winkel te draagen. of de slaaf Aja dit verrigt heb„ lende niet is te rug gekoomen en aan hem gevraagde geboodschapt heeft dat David lag te sterven 20 zegt dat de slaaf Aja byden of de gevr: als toen zich niet gevr: gekoomen is en gesegt heeft naa de Winkel begeeven en dat deslaaf David hem met, of de gevr: den gem: slaaf David in diervoegen afge¬ straft hebbende denzelven voorts niet met een onge„ maakte wagenas op de Schouderen door het Huys heeft doen wandelen. - 19 21. zegt neen
English
states, Yes. states, Yes. wanted to stab a sickle and that the prisoner had ordered Aja to fetch a strap in order to tie him, David, up, this having happened after the mentioned David had previously eaten and served. Questioned what the prisoner wanted to do with this. states, to tie up the slave David and to convey him to Stellenbosch. 23. states that Krieger was with him. Questioned whether the Burgher Jan Krieger was not present on this occasion. states, no. states, no. states, no. Whether the slave David did not die that very same day. Whether the mentioned has answered everything according to the truth! And whether the prisoner did not finally pick up a spade and therewith inflict several wounds to the head of the slave David. 26. Whether the prisoner did not, having a stick in his hand, immediately beat David about the head. 25. Whether the slave David, having heard the order to fetch a strap, did not go crawling to the same Krieger. 22. 24. 27. 28. 6. states, no. handled. states that this may well be so, but since the slave sought his life and he had to wrestle much with the slave, that may be the cause of death. states, no. 32. and had deserved severe punishment for it. States, I have not misbehaved. states that he did not mistreat the slave. Thus questioned and answered at the Cape of Good Hope, the 12th of August 1790, before the Gentlemen Rynd Johannes van der Biel and Abraham Fleck as commissioned members from the Honorable Court of Justice aforesaid, who have duly signed the minute hereof together with the sworn clerk. Below was written, Which I witness, signed J. D. Karnspek, clerk. Confirmation of testimony. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government, the detained Burgher Jan or not, and what he knows to put forward for his exoneration. 33. thereby severely offended! 30. Whether he does not understand that he is the cause of his death. Whether he must not confess to have grievously mistreated the slave David! 31. 29. Enslin, to whom the foregoing interrogatories having been read clearly word for word, declared to persist by his answers, desiring that nothing more or less shall be made thereof, testifying that this is the pure truth. Below was written: Thus confirmed at the Cape of Good Hope, the 18th of August 1790. Signed, Jan Martin Enslin. Below, In my presence, signed, J. D. Karnspek, clerk. In the margin, As Commissioners, signed: M. A. Bergh, J. P. Baumgardt. Answer prepared and most respectfully submitted to the Right Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, together with the other Right Honorable Judges of Justice of this government; by and on behalf of the undersigned salaried assistant of the Honorable Company, Willem Kolver, as holder of power of attorney for the Burgher Jan Martin Enslin, prisoner and defendant in a criminal case on the one side, to and against Mr. Johannes Andreas Truter, Adjunct Fiscal of this government, as qualified in his official capacity to represent the matters of the Landdrost Hendrik Lodewijk Bletterman, in his official capacity, in the same case on the other side. Right Honorable Sir and Honorable Gentlemen! The undersigned, before proceeding to the principal matter, will have the honor to express to Your Honors, in the name of the prisoner and defendant, his most bounden gratitude that Your Honors have received and admitted him in an ordinary trial to be allowed to appear by an attorney; but also for the so favorably obtained consent to be allowed to proceed pro deo on account of his destitute condition, and furthermore for the copy of the claim with its annexed documents so graciously granted, as well as the term and day until today to serve as an answer thereto, in the demonstration of which the undersigned will limit himself to the following three points: First, he will have the honor to demonstrate most clearly to Your Honors that it is verified neither in the claim of the plaintiff in his official capacity nor in the appendices that the fatal wound to the occipital bone of the slave David was inflicted upon him by the prisoner and defendant. Second, that the prisoner and defendant has by no means fully confessed. Third, he will demonstrate that what is stated in the claim is in no way proven according to the requirements of the law, and therefore, as is claimed, cannot stand. In the first place, may it please Your Honors to pay attention to what the plaintiff in his official capacity says in his claim under articles 8, 9, 10, 11, namely that the defendant is alleged to have said in his answer when the Heemraden, according to article 7, questioned him about the cause of those wounds. And when Your Honors please to resume the post-mortem report annexed to the claim, from which Your Honors will then be able to observe at a glance that the prisoner and defendant testified nothing other to the commissioned Heemraden than that he did not know how the mentioned slave came by this wound. Now it remains to be examined here whether the joint Heemraden asked about the causes of the wounds, or whether this was done by only one of them; according to the 7th article of the claim, the joint Heemraden had asked about the cause of those wounds, and if this were indeed so, it should also have been made known in the post-mortem report, when he confessed to being the cause of the death of the slave in question, and
Dutch transcription
zegt. Ja. zegt Ja: een zykel wilde steeken en dat de (aan Aja gelast heeft een gevralsteeen aan aja gelast had, riem uit de stal te haalen. om een riem te haalen ten einde hem David vasttebinden, zynde sul Genhied nadat gem David reeds bevoorens gegeeten en gedienten had zegtom de slaaf Dawid te Watdegenr hier meede wilde binden en naa stellenbosch. doen. te voeren. 23. zegt dat krieger bij hem gev. of hiaerbij niet present geweest is den Burger Jan Krieger. geweest is. zegt neen zegt neen zegt neen of de slaaf David niet nog dien zelfden dag is overleeden of de gem: alleenaar waarheid 2 heeft beantwoord! En of de gevreindelijk niet een graaf opgenoomen en daar meede aen slaaf David eenige wonden aan'thoofd heeft toegebracht. 26 of degevrahtoen niet een in handen hebbende kirrij op de hand, voort David heeft in Hutzen geslagen 25 of de slaaf David het Bevel om een riem te haalen gehoort hebbende niet alkrey„ pende naar den zelven krieger is gegaan. 22 24 - 27 28. 6 Zegtneen handeld. zegt dat sulx wel syn kenen doch vermit den slaaf na zyn Leeven Hond enhyzen met den Slaaf. veel heeft moeten worstelen zul de oorsaak des doods zijn kan. zegtneen 32 en daar over swaare straffe Legtikhebben niet mis„ verdient te hebben. zegt dat hy de slaaf niet mishandeld heeft. Aldus gevraagt en beantwoord aan CAbode goede hoop, den 12 aug. s 1790 voor de Heeren Rynd Joh. s vander Biel en Abraham FLeck als ge„ committ=s Leeden uit den E Achtb Raade van Justih voorm: die de minute deezes benevens den zevrening geswoore Cleriq meede behooly n hebben onderteekend /:onderstond:/ T welk ik ge„ tuyge /:geteekend DRaanspek gen Heien Recollement compareerde voo er de onderget: gecomm uit den E: Achtb: Raade va Justhe dous zou vemement de gedetineerde Burger Jan oftgiet en wat hy tot zyne verschooning weet bij te bren„ gen. 33. daar door zwaarlyk mis„ dreeven! 30. Of hij niet begrijpt oorzaak te zijn van deszelfs dood. of hij niet bekennen moet den Slaaf David deerlyk te hebben mishandeld! gte de ge 31. 29 Enstinn, dewelke voorenstaande Interr: van woorde tot woorde duydelyk voogeleeden weesende betuygde by zyne resconsivente blyven persisteeren met leegeerte daze niets meerlen of van gedaan werden &al betuygende zulx de zuyvere waarheid te sijn /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Caler de goede Hoop den 18 augs 1790 /:get: Ich Martin Ekslin /:laager:/ my present /:getekend/ J: D Karmpekgem Clercq /:in margine /:als Gecommitteerdens /:geteekend: Magja e: g: Prnter. Antwoord gedaan maaken en zeer eerbiedig overgegeeven aan den Wel Edele Achtb: Heere Johannes Isaac Chenius Prosident benevens de verdere Wel Edele Achtb: Heeren raaden van Justitie deeses gouver¬ nements; door ende van weegens den onderafgesz: gage staande ad„ sistent der E Comp=e Willem Kolver als procuratie hebbende van den Burger Jan Martin Enslin ger en zed: in cas crimineel ter eenre op ende jeegens. de Heer Mr: Johannes Andreas Fruter adjunct fiscaal deeses gouver „ gouvernements als in officio ge„ qualificeert ter waarneeminge der zaaken van aen Landdrost Hendk Lodewijk Bletterman R„ O hipv:n int zelve cas ter andere zijde Wel Edele Achtbaare Heer en Wel Edele Heeren! Den onderget: zal alvoorens tot de zaak ten p„lo te treeden, de eer hebben uwel Edele Achtb: in naame van den 320: en ged: zijnen allerverschuldigsten dank betuijgen, dat UE Achtb: denzelven in een ordinaires Proces ontvangen en geadmitteert hebben om bij Procureur te moogen occuipeeren; maar ook meede voor het zo favorabel geobitineert consent om uit hoofde van zyn doberen toestand pro des te moogen procedeeren, en voorts voor de so grati„ cuselyk gedletineerde Copia van Eysch met dies an„ nexe documenten, mitsgs termyn en dag tot op heeden om daar teegens te dienen van ant„ woord, ter welkers betooging de onderget: zich tot de drie volgende poincten bepaalen zal„ t zal hij de eer hebben Uwel Edele Achtb ten duydelyksten aan te toonen, dat er noch in des Heer r. O. Eysschers Eysch nog in de bylagen bestaanbaar word gevenfieert dat de doodelyke mende aan't agterhoofdsbeen van den slaaf David door den gev: en ged: aan hem is toe¬ gebracht. II dat degev: en gev: geensints volmonvig heef geronfest a ken nes ver„ ver ## zal hij aantoonen dat het geposeerde bij Eijsch in geene deele ad sufficientiam Juri„ is beweesen en mitsdien zo men meerd niet bestaembaar. Inde eerste plaats gelieven uwel Edele Achtb te letten op het geen de ro: Eyscher ad art 8 9: 10: 11, in zyn Eysch regt, namentlyk dat de ged in zyn antwoord zoude gesegt hebben, wanneer Heemraaden hem volgens art. 7. na de oorsaak dier wonden gevraagt hebbende. en wanneer, Uwel Edele achtb: de bij den Eixch geannexeerde schouw acte gelieven te re„ sumeeren, waaruit Uwel Edele achtb: als den met een opslag des oogs zullen kunnen ont waaren dat de gev: en ged: niets anders aan gecommitte Heemraaden heeft betuijgd dan dat hij niet wist hoe gemelde slaaf aan deese Wond is gekoomen. Nustaat hier te ondersoeken of de ge„ zamentlyke Heenaaden naade oorzaaken der wonden gevraagt hebbende, dan wel of zulx door een eenige is geschied volgens het 7=de Art„le uit den Eijsch zouden de ge„ zaamentlijke Heemraaden naar de oorzaak dier wonden gevraagt hebbende, en indien zulx dan zo was had zich dan ook in de schouw„ acte moeten bekend gesteld worden, wan geconfesseert, oorzaak te zijn van de dood der slaaf in questie en neerde
English
when they had wanted to render a proper report of their commission and proceedings, but in the Statement it is said that the Honorable Jacob de Villiers alone asked the aforementioned Enslin about the cause of those wounds, yet not the least mention is made of that questioning in the aforementioned inquest report, wherein it should primarily have been made known if it were indeed so. And Right Honorable Lords, the Prosecutor ex officio consistently says at folio 31 that the Prosecutor ex officio believes he must deduce from this, from the statements of the slave David, out of which the bias against his master speaks for itself according to the preceding 4 articles, article 33, that the prisoner and defendant must truly be regarded as the cause of the mortal wound inflicted upon David, which corresponds with article 50, namely that the prisoner and defendant must be considered as the cause of the aforementioned mortal wound inflicted upon the slave David. However, Right Honorable Lords! May it please Your Right Honors merely to review article 69 of the aforementioned claim, where the same speaks as from one mouth with the contents of the surgical certificate, namely that besides the blow, a heavy fall is also assumed, from which the lethal conclusion is actually to be drawn, considering that in article 69 it is expressly stated, fifthly, that the reported mortal wound must have been caused by a heavy blow or fall, whereas according to the contents of the surgical certificate a mortal fall as well as a blow is maintained. From what now, Right Honorable Lords, is it proven that the mortal wound to the occipital bone of the slave in question was inflicted by the prisoner and defendant? Surely from nowhere. In the first place, it is not well to be presumed that nowadays such mistreatment exists as is indeed alleged, for why would one intentionally kill his slaves, who represent a considerable sum of money, without thinking that one would be deprived by their loss, or by such treatment would be robbed of a sum of money that the prisoner and defendant must earn with his sweat and blood, and while he is incapacitated and needy; he cannot keep them otherwise than that they must work alongside him. That the Prosecutor ex officio himself agrees that the prisoner and defendant has seen fit to deny the fact in his given answers, according to article 38 of the criminal claim. Since now not the least appearance of a confession is to be found in the answered interrogatories, nor do they yield the slightest thing that contains an implied confession or can be deduced therefrom. Your Right Honors will please note here rightly that the prisoner and defendant, to this question, only said that he presumed, which he merely suspected and thus did not state definitively, that such was the cause, or that he warded off his slave from his body so intentionally that death had to be the consequence thereof; nor does one find on this side proven to the satisfaction of the court that which colors this supposition with a semblance of probability, and to the question at article 30 of the interrogation, whether he does not understand himself to be the cause of his death, he simply says that such may well be the case, because that slave sought the life of the prisoner, and having had to struggle much, such may well be the cause of the slave's death; whereas the prisoner and defendant now straightforwardly and rightly said to this that such may well be, he has in no way fully confessed that he is truly the cause of the death of his slave, and thus, as the Prosecutor ex officio says at article 38, has seen fit to deny the fact. The examination of the declarations joined to the claim according to article 62 under letters L, 9, and A, the undersigned will save until the treatment of the following last point, but will dwell a little upon that which the Prosecutor ex officio, in the following eleven articles divided into 9 sections by artificial arguments, attempts to convince Your Right Honors, not only that the three head wounds found on David were inflicted on him by the prisoner and defendant, but also that which was the cause of his death, and this namely for the reason that the prisoner and defendant, at article 26 of his interrogation, admitted to having used a spade and to having struck David therewith; here mention was made rather generally about the blows inflicted on David with the spade, whereas the prisoner and defendant specifically says to this article that he did not strike the aforementioned David on the head, but rather struck his hands with the handle of the spade. In the second place, it is said at article 66 that he cannot state precisely in what other manner the slave David received the reported head wounds; this article exculpates the prisoner and defendant from the charge laid against him. It was indeed not quite possible for the prisoner and defendant to state otherwise than he stated at articles 26 and 30 of his interrogation, and he only said that such, as he presumes, may well be, because
Dutch transcription
neer deselve van hunne Commissie en ver¬ richting behoorlyk verslag hadden willen doen, dan in 't Vertoog word gezegt dat al„ leenlijk d' E: Jacob de Villiers, naar de oor¬ zaak die wonden aan voorm: Enslin gevraagd hebbende, echter word van die ondervraaging bij de meerm: schouwacze daar het wel voornaa„ mentlijk indien zo was in behoorde bekend ge„ steld te worden, echter geen het minste ze„ wag gemaakt word. En WelEdele Achtb: Heeren immer zegt den Heere R:O: Eysscher ad fo. 31 dat de r: O Exscher hier uit, uit de gezegde van den slaaf Dazod uit welke de partijdigheid teegen zyn Lyf. heer van zelve spreekt volgens de voorgaande 4 art. , meenende te moeten opmaaken act 33. dat de gev: en ged: waarlijk als de oorsaak vande aan David toegebrachte doodelyke wonde moest worden aangemerkt, welke met het 50 art: strookende is nempe dat de gev: en ged: als de oorsaak der voorengem: doodelyke wonde aan den slaaf David toegebracht moet worden geconsidereert Dog Wel Edele Achtb: Heeren! Uwel Edele Achtb: gelieven slecht te resumeeren het 69 Act: der meerm: Eysch, alwaar dezelve met den inhoude van 't Chirurgicaal attest als uit een wond spreekt, dat namentlyk behalven de slag ook een zwaare val ver onder neerde ondersteld word, waaruit de doodelyke con„ lusie eijgentlyk te adhibeeren is, gemerkt dat in art: 69 uitdrukkelyk staat 5:e dat de opgegeevene doodelyke wonde door een zwa¬ sleeg of val moet zijn veroorzaakt, daar volgens den inhoud van het Chirurgicaal attest zo wel een doodelyk val als zlag gesustineert word. Waar uit nu wel Edele achtb: Heeren word be¬ weesen dat de doodelijke wonde aan het agter„ hoofdsbeen van de slaaf in questie door de gev: en ged: is toegebracht immers nergens voor eerst is het niet wel te prosumeeren dat deeser tijds eene mishandeling zodanig exteert als wel gezegt word, want waar om zoude menopoettelijk zine slaaven die een aanmerkelijke somma gelds rendeeren ont¬ zielen zonder te denken dat men door der„ zelver gemis ontriefd of door de eene behan„ deling van een somma gelds beroofd zoude zijn, dat den geven ged: met zyn zweet en bloed moet verdienen, en terwijl dezelve onvermoogend en behoeftig is; kan hij deselve niet anders houden dan dat zy neevens hem werken moeten. dat de Heer, R. O. Eyscher zelve toestemd dat bij degev: en ged: heeft kunnen goedvinden zijne gegeevene responsiven het feit te ontkennen volgens het 38 art: uit den crimineelen Eysch daan daar nu geen de minste schijn van bekentenis in de beantwoorde Interragatozien te vinden is noch niets het minste op leevert het welk een ingewikkelde Confessie beehelst of daar uit af te leiden is. UWel Edele Achtb: gelieven hier regts te letten, dat de gev: en ged: op deeze vraag, eenlyk heeft gezegt te vermeenen, het welk hij slechts soupçonneerde en dus niet definitieve lijk. gesegt heeft, dat zulx de oorzaak was of dat hij syn slaaf zodaanig opzettelyk van zyn Lyf afweerde dat de dood hetgevolg hier van zyn moest, ook vind men deezer zijds immers niet den rechten ten genoegen beweesen, die dit ge„ supponeerde met een glimp van waarschijn, lykheid aankleurd, en op de vraage artl 30 van 't Verhoor, of hij niet begrijpt oorzaak te zijn van deszelfs dood, eenvoudig degt dat zulx wel zijn kan overmits die Haaf na zin gev: leeven stond, veel heeft moeten worstelen zulx de oorsaak van de dood der slaaf wel zijn kan, terwijl nu de gev: en ged. hierop rond uit regt zat zulx, wel zyn kan heeft hij nog in geene deele volmondig gecon„ pesseert dat hij waarachtig oorzaak van de dood van zyn slaaf is, en dus zo als de Heer R: O: Eysscherad act: 38 zegt heeft kunnen goedvinden het fect te ontkennen: De onderzoeking van de bij rys volgens dat 62 sub L. . 9. eA: gevoegde verklarin„ gen zal de onderget: tot de afhandeling van het volgende laatste poinct bespaaren „te maar een weinig blyven stille staan bij hetgeen den 2:0: Eysscher in de volgende Elf articulen in 9 afdeelingen gesplist door artificieele argumentatien UWelEd: Achtb: tracht te overtuijgen, niet alleen dat de aan David bevondene drie hoofd„ wonden door den gev: en ged: aan hem zyn toegebracht, maar ook die welke vor„ zaak is geweest van deszelfs dood en sal wel om reeden dat de gevien ged: ad. ait 26 van zyn verhoor erkend heeft een graaf gebruikt te hebben en David daarmeede te hebben geslaagen; hier werd vrij generalijk gesprooken over de met de graaf aan David toegebrachte slaagen, daar de gev: en ged: wel specialijk op dit artle zegt, gem: David niet op het hoofd; maar wel net de Kruk van de graaf op de handen geslaa„ gen te hebben, In de tweede Plaatz word op artl 66 gezegt, dat hij niet procies weet op te geeven op welke andere wijze de slaaf David de opgegeevene hoofdwonden heeft bekoo„ men, dit Art: verontschuldigt de Gev: en ged: van het hem opgelegde Rect„ het was immers niet wel moogelyk dat de get: en ged: anders op kon geeven als hij op avt: b 26& 30 van zyn ver„ hoor heeft opgegeeven, en alleenlijk gezegt, dat zulx zo hij vermeend wel zijn kan daarde
English
And whereas the undersigned also trusts that he has thereby demonstrated the second point to the satisfaction of Your Honorable Worships, he will finally and lastly remark that it is taught in law most clearly that those who assert something do not adequately verify the same, wherefore the undersigned will reflect upon the examination of the depositions joined to the Claim according to Act 62 under Letter geF. That the undersigned leaves to the enlightened judgment of this respectable Court whether such depositions as those passed by the slave Aja of Bougies upon the requisition of the Lord Officer provide complete and legal proof, since it must be investigated here what effect such depositions can have in law; and to examine this somewhat further, it should be known that a witness is properly said to be one who makes known the truth of an accomplished matter before the court, concerning which one must always investigate of what condition, fidelity, and dignity they are. L: 1 p: L: 3. p 1. l: 2: 5: 3. ff de Testibus Now it must also be remarked here that we in general, it is true, must establish that for the giving of testimony of the truth, all persons are admitted to whom it is not forbidden; now it is beyond dispute that according to the laws, the testimony of a slave can merit no belief, whereas those who are accepted as witnesses must be free persons, L 4 Tit: 10: Codex: de Testibus; a slave therefore presents absolutely no person in law, nor can a slave testify for or against his master, Lib: 8 Code de Testibus Lib: V Code de questionibus; according to the statutes of India in the manner of proceeding, his testimony is not accepted even in the gravest crimes, unless it is corroborated by adminicula or indications, and it is in Lib: 55 de Jud: L. 5. de Postuland: expressly taught that a slave can never be admitted to giving testimony of the truth, wherewith the undersigned considers that he has sufficiently reproached the deposition of the slave Aja. Now there still remains the deposition of the burgher Kruger, which now presents only a single witness, whereas according to divine and secular laws it is unchallengeable that in the mouth of two or three witnesses shall every word be established; regarding this Everhardus Bronkhorst also says in his Commentary on the Pandects, in his 100 Centuria, that according to the laws in all civil cases two irreproachable witnesses are required; how much more does this apply in criminal cases, where after all in civil cases the oath can be deferred by the judge when sufficient depositions are lacking, which in criminal cases is absolutely forbidden; it therefore follows that, if a fact in criminal law is to be legally proven, two concurring, irreproachable witnesses are absolutely required. It will be abundantly known to Your Honorable Worships that in criminal cases such testimonies are required which are omni exceptione majores, while the defendant ventures to trust that the Lord R:O: Claimant will readily concede with him that not a single one of the proofs joined to the Claim can be considered as such, all the depositions and witnesses being vanae variantes vacillantes et ad testimonia dandi inhabiles. By virtue of which and other means to be further substantiated if necessary, the undersigned trusts to have answered most clearly the criminal Conclusion of the Claim of the said R:O: Claimant, the undersigned dismissing and denying both generally and specifically the facts narrated in the aforesaid Claim as being in the highest degree abusive and unfounded. Answering, he concludes to the end of inadmissibility by ordinance, and that by definitive sentence of Your Honorable Worships the conclusion of the Claim of the Lord R: O: Claimant shall be denied, with condemnation of the same in all costs incurred in this case, or to such other end as Your Honorable Worships in accordance with law and equity shall deem proper. Imploring to that end herein and in all things Your Honorable Worships' nobile ac benignum Judicis officium. Was signed: W: Kolver In the margin: Exhibited in Court on the 14th of October 1790. Agrees, Camper former Clerk No. 2 Against the Burgher Johannes Borents defendant on the other side And did say 2. that a certain slave boy of the Burgher Firemaster Casper Loos named Amsterdam of Batavia 3 who had been in the service of the defendant in this case as a carpenter on hire 4 having on the 15th of July last in the name of his master admonished the defendant 5 to pay certain rent money still in arrears 6 adding that upon refusal his master would take him, Amsterdam, 7 as well as his fellow slaves, out of the defendant's service 8 he, the defendant, did not shrink 9. from first inflicting upon the same Amsterdam some Appeared before the Honorable and Worshipful Lords, President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, R:O: Claimant on the one side blows with a walking cane 10: and subsequently causing him to be held down on a workbench and striking him with the same cane to such an extent 12 that the said slave thereby received a wound above the left eye 13 as well as several blue and red welts on his back, arms, and buttocks 14. as the same can appear from the surgical certificate annexed hereto under L: C: 5: 15 and was shown to the Lords Commissioners from this Honorable Worshipful Council by the aforesaid slave Amsterdam. 16. That in order to be convinced of the truth of the fact perpetrated by the defendant, 17 Your Honorable Worships need only inspect and read the attestations annexed hereto under Letters C: 1. 2. 3. et 4. wherein
Dutch transcription
En nadien den onderget: hier meede het tweede poinct ten genoegen van uwel Ed: achtb: vertrouwd te hebben betoogt zal hij eindelijk noch ten laatsten remarqueeren. dat het in rechten ten duydelyksten geleerd word dat die geenen die iets zegt het zelve voldoende niet veri„ fieeren, weshalven de ondergez: ter onder„ „zoeking van de bij den Eysch volgens Acte 62 sub Litt. . geF gevoegde Verklaa„ ringen reflecteeren zal. dat de ondergez: aan 't verlicht oor„ deel van deezen respectabelle Vierschaar over„ laat of zoedaanige verklaaringen als die door de Hlaaf Aja van Bougies ter req: vanden Heer Officier gepasseert een volkoomen en wettig bewijs opleevert, daar hier te ondersoeken staat, van wat zodaanige depositien in rechten kunnen opereeren en om dit nu wat wijders naate gaan dient te weeten, dat een getuygen, ey„ gentlyk gezegt word die geenen te zyn. dewelke de waarheid van eén verrigte zaak voor't gerechte zaate kennen geaet geeft, waaromtiend men S: E: altoos moet ondersoeken, van wat staat troouwe en waardigheid, zij zijn zijn L: 1 p: L: 3. p 1. 1: 2: 5: 3. ff de Tertibus nu staat hier nog te remarqueeren dat wij in't algemeen, wel is waar moeten vast stellen, dat tot het geeven van getuigenis de waarheid geadmitteert worden alle Persoonen die het niet is verbooden, nu is het buyten contestatie, dat vol„ gens de wetten het getuygenis van een slaaf geen geloofkan me, riteeren, terwijl die geenen die als getuijgen worden aangenoomen moeten zyn vrie Perzoonen L 4 Tit: 10: Codex: de Testitus, een Haaf presenteert dus hoegenaamd geen persoon in rechten, ook kan een slaaf niet voor of teegen zijn Lijfheer getuijgen Lib: 8 Code de Testabis Lib: V Code de questi buis volgens de statuuten van Indien bij de mannier van proceclee¬ ren word zyn getuygenis zelfs in de zwaarste misdaaden niet aan„ genoomen. ten zy het door admini culen of Indisien word bekragtigt en word is Lib: 55 de Jud: L. 5. de Pasteleur uitdruk uitdruklyk geleerd word, dat een staaf nimmer tot het geeven van getuij„ genis der waarheid kan worden toege„ laaten, waarmeede den ondergez: vermeend de verklaaring van den Hlaaf Aja genoeg„ zaam te hebben gereprocheert Nu schiet er noch over de verklaa„ ring vandeur Buiger Kruger, die nu slechts een eenige getuyge opleevert daar het volgens goddelyke en wae„ reldlijke Wetten onwraekbaar is dat in den wond van twee of drie getuygen zal bestaan, alle woorden hier overzegt ook Everhardus Bronkhorst in zijn Commentaaris over de kandecten. in zyn 100 Centuria dat volgens de wetten in alle civele zaaken twee irreprochalele getuygen vereischt worden, hoeveel te meer heeft sulx in crimineele zaaken plaats, daar toehin civiele zaaken den Eed wanneer voldoende verklaa¬ ringen manqueeren door den rechter kan gedefereert worden, het welk in crimineele zaaken volstrekt ver„ bosden is, za volgt dus, dat, zal er een een feit in het crimineele in recht en be„ weesen worden, er volstrekt twee eens, luydende irreprochabeele getuygen vereischt worden. Wet zal UwelEd: Achtb: overvloedig bekend zijn dat er in crimineele zaa„ ken zodaanige Getuygeni sen wouden gerequireert, welke omm exceptione majores zijn, terwijl den vraagel: duift vertrouwen, dct den Heer R:O: Eijsscher wel met hem zal willen avoueeren, dat geen enkelde der bij Eysch gevoegde bewijzen als zodanig kan worden aangemakt, zynde alle de Verklaaringen en getuijgen vané variantes facilantes et ad Cestimonia dandi in kabiles Mits welke en andere midde len desnoods nader te adstrueeren de ondergez: vertrouwd dat uwelEd Achtb: des z: OEipscheis Crimineele Conclusie van Eysch ten duydelykste te hebben beantwoord, zou den onderget: afslaande en ontkenden de zo generalijk als specialijk de bij voorm: Eijsch genarreerde faten alste - als ten uitterrten abunevelijk en ongefundeert. Antwoordende conclu„ deert ten fine van niet ontfankelijk bij oidine en dat bij definitive Ven„ nisse van uwel Ed. Achtb: des Heer R: O: Ext= conclusie van Eysch zal werden ontsegt met Con„ demnatie van densekven in alle dezer deezer saake gevallene korten, of tot zo„ daanige andere fine, als UwelEd. achtb: volgens recht en billijkheid zullen goed„ vinden te behooren. Imploieerende ten dien fine hier op en op alles uwel Ed: Achtb: nobile ac benignun Iudicis officium /:was geteekend:/ W: Kolver g /:in margine:/ Exhibeitum in Judici den 14 Octob: 1790. Acordeert Camper gew: Clercq No. 2 Contra den Burger Johannes Borents ged: ter andere zijde Ende deede zeggen 2. dat zeekere Haave Iongen van den Burger Brandmeester Casper Loos in naame Amster„ dam van Batavia 3 die bij den gedaagden in deesen als Timmer¬ man in huur is geweest te op den 15 Iuly lb uit naam van zijnen lijfheer den gedaagden aangemaand heb„ bende 5 omme eenige noch agterstallige huurpen¬ ningen te voldoen 6 met bijvoeging dat zijn lijfheer bij wey„ gering hem Amsterdam 7 zo wel als zijne meede slaaven uit des gedaagdens dienst soude neemen 8 hij gedaagde zich niet ontsien heeft 9. denselven Amsterdam eerst eenige Compareerde voor de Wel Edele en achtb: Heeren, President en raaden van Iustitie des Casteels de Goede Hoop, de Independent Jiscrae Iohan Nicolaas Steven van Lyn„ den 7.0: Eysscher ter eenre Haage E slaagen met een kuyer rotting toe te brengen 10: en hem vervolgens op een schaafbank te doen vasthouden en met deselve rot ting dermaate te slaan, 12 dat de gem: slaaf daar door een wond booven het linker oog 13 mitsgaders eenige blaauwe en roode stril men zo op de rug armen als billen heeft bekoomen 14. zo als zulx uit het hierneevens sub L: C: 5:l: gevoegd Chirmeficaal attest kan consteeren. 15 en aan Heeren Gecomm: uit deesen E. Achtb: raade door voorm: slaaf Amster„ dam is vertoond geworden. 16. Dat om van de waarheid van het feijt, door den ged=en geperpe„ treert te werden overtuijgt. 17 UEE Achtb:e slechts behoeven in te zien en te leesen de hier neevens sub: Litta. C: 1. Z. 3. et t Lois ge„ voegte attestatien waarin't
English
from which the committed abuse, with all the circumstances that took place, will appear most clearly, just as the Officer-Plaintiff then, as to the facts, for the sake of brevity takes the liberty of referring to the same, while as to the law he will merely remark: that since it is certain that all abuses, even committed against one's own slave, are in accordance with the statutory laws and the civil law punishable in the highest degree, it speaks for itself, subject to correction, that the abuse in the present case having been committed against another's slave, the defendant can and ought to be disciplined with so much more justice, in addition to the civil amends to which he has subjected himself with respect to the master of the aforementioned slave Amsterdam, because the latter, through the blows received, has for some time been rendered unable to perform his usual services. For which and other reasons and means to be further alleged if necessary, the Officer-Plaintiff, making his demand, concluded that the defendant shall be condemned to a fine of one hundred Ducatons for the fisc, with costs, or to other. Signed: I. N. S. van Lijnden. In the margin: Exhibited in Court on 2 September 1790. Today, 7 August 1790, appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn Clerk at the Secretary of Justice of the Castle of Good Hope, in the presence of the witnesses to be named below, Fredrik Ferdinand Daniel, 15 years of age, who, at the requisition of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, declared it to be the truth: That about fourteen days ago now, without being able to determine the exact day, there came to the deponent's house a mason boy belonging to the deponent's father, who is hired out to the Burgher Jan Barends, who informed the deponent that his fellow slave named Amsterdam, also hired out to the aforementioned Barends, had been beaten in a dreadful manner; That the deponent, having gone to the house being built for Mr. Rijneveld where the said slave was working, took the said slave Amsterdam home with him, who had a hole in his head and a bloodied face, and as he said, that he had received this through beatings by the aforementioned Barends, without the deponent on that occasion having seen the said Barends or anyone else. Declaring nothing more, the deponent gave as reasons for his knowledge as stated in the text, being prepared to confirm the foregoing by oath. Below stood: That this thus transpired at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who, together with the deponent and me, the sworn Clerk, have duly signed the original of this. Lower: Which I witness. Signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. Re-examination: Appeared before us, the undersigned Commissioners from the Honorable Council of Justice of this government, the aforementioned Daniel, who, his foregoing declaration having been distinctly read to him, testified to persist therein, with the desire that nothing be added to or taken from it, testifying the foregoing to be the pure truth. Signed: F. F. Daniel. Lower: In my presence, signed: J. D. Karnspek, sworn Clerk. In the margin: As Commissioners, signed: R. J. van der Riet and G. H. Meyer. Account given in the presence of the gentlemen Commissioner Members from the Honorable Council of Justice of this government by the slave Amsterdam of Batavia, of competent age, slave of the Burgher Firewarden Jan Casper Loos, and this at the requisition of the Independent Fiscal, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, the said account reading as follows: That when the narrator, who is hired out as a carpenter to the Burgher Jan Barends, had gone yesterday at midday around 12 o'clock to the house of his master to eat, he was then ordered by his said master to tell the repeatedly mentioned Barends that he must pay the money owed to the narrator's master for wages for a considerable time already; That the narrator, upon his return to the designated workplace, having delivered this message to the said Barends on behalf of his master, it was answered by him by saying: Go to your mother! To which the narrator had answered that his master had told him that if he, Barends, did not want to satisfy the debt within this month, he would then keep his workmen at home; and the aforementioned words having been repeated by the said Barends upon this, the narrator had packed up his tools in order to go home; That when the narrator had come to a short distance from the house where he worked, he was overtaken by some men also working for the defendant Barends, and by the said Barends, who in the meantime had also arrived there, was brought back to the said house under the infliction of some strokes of the cane; That the said Barends then, with the help of his men, had laid the narrator down on a workbench and had beaten the narrator to such an extent that the narrator received therefrom a wound above the left eye, and some blue and bruised spots on the back, buttocks, as well as the arms, which marks are still clearly visible and have now been shown by the narrator to the gentleman Commissioners; That finally, when the narrator, having received those blows, had wanted to go home, he was therein by
Dutch transcription
18. waaruit de gepleegde mishandeling met alle de Plaats gehad hebbende omstandigheeden ten klaar„ sten zullen blijken. 19 zo als de R: O: Eijsscher dan ook quod ad factum, kortheidshalven de vrijheid ge„ bruikt zich tot deselve te refereeren. 20. terwijl hij quod adjus eeniglyk zal remaiqueeren. 21. dat daar het zeeker is 22. dat alle mishandelingen. 23 zelfs aan een eigen slaaf gepleegd 24. ingevolge de statutaire wetten en het burgerlyk recht ten hoogsten straf„ baar zijn 25 het onder correctie van zelve spreekt. 26. dat de mishandeling in cas subject aan eens anders slaaf gepleegd zijnde 27. de ged=e met zo veel te meer recht kan en behoort te worden gecorrigeert. 28. behalven de civiele betering 29 waar aan hij zich heeft subject gemaakt. te in 30 ten opzichte van den Lijfheer van voorm: Slaaf Amsterdam. 31. om dat deese door de ontvangen Haa„ gen eenigen tijd buijten staat is gebracht 32 om zijne gewoone diensten te kunnen presteeren. Mits welke en andere reedenen en middelen des noods naader te allegeeren, de r: a Eysscher Eysch doende concludeerde dat den gede. sal worden gecondemneert in eene baete van Een honderd Ducatonner pro fisco cum expensis ofte tot /:geteekend:/ I: N: I: van Lijnden /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 2 Septem„ brs 1790 andere v. Huydend Huijden den 7 Augustus 1790 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek, geswoore Clercq ter Secretarije van Justitie der Casteels de goede Hoop, pre„ sent de natenoemene getuijgen, Fredrik Ferdinand Daniel, oud 15 Jaaren, dewelke ter requisitie van den E: Achtb: Heer In, dependend fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lynden verklaarde hoe waar is. dat voor nu veertien daagen geleeden zonder de junste dag te kunnen bepaalen in huys bij den Compt. gekomen is een metze¬ laars Jongen van des Compts vader die bij den Burger Jan Borends verhuurt is die den Compt. bericht deed dat zyn meile Slaaf in naame Amsterdam meede bij opgem: Bdiends verhuurt op een veer„ lyke wijze was geslaagen dat den Comp. t zich begeeven hebbende na het opgebouwd werdend huijs van de Heer Rijneveld alwaar de gem: slaaf werkte begeeven heeft en gem slaaf Amsterdam meede na Huys genomen dewelke een gat in het hoofd en een be„ bloed aangezicht had, en zo hij zeide dat zulx zulx doorgerepte Barends met slaagen bekoomen had, zonder dat den Compt bij die geleegendheid gemelde Bezends of iemand anders gesien had. Niets meer verklarende heeft den Comp voor reedenen van weetenschap als in den rext, bereid zijnde het voorenstaande rade gestand te doen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voor„ present de Clercquen Dirk Jacobus Arpe inge Johan Bemhan Hooffman, als getuijgen, die de minute deeses, benee vens den Compt. en mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend /:laager /. Twelk ik getuyge /: getekend/ J: D: Kamspelt gesw Clercq . b recollement Compareerde voor ons onderget: gecomm: uit den E Acttb: raade van Juohte deeses gouvernements, voorm: Daniel dewelke zyne voorenstaande verklaa ring duygdelyk voorgeleezen weesende, be„ tuijgde daarbij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets bij of van ge daan daan werden zal zal, betuygende het voorenstaande de zuyvere waarheid te zyn. /:get:/ I: J: Daniel /:laager:/ mij praesent /:get: I: D: Karnspek gesw: Clercq, /: in margine :/ als gecommitt=t /:getekend:/ R: J: D iet en G. H. Meyer Relaas gegeeven ten overstaan van Heeren . . . Gecommitteerde Leeden uit den E: Achtbaare raade van Iustitie deses gouvernements door den slaat Amsterdam van Batavia van competenten ouderdom Lyfeygen van den Burger Brandmeester Ian Casper Loos, en zulx te requisitie van den Indepen„ den Fiscaal de E: Achtb: Heer Johan Nicolaas seven n Dat wanneer den relt. die als Tim merman bij den Burger Jan Barends verhuurd is op gisteren middag teegens 12 uuren zich naar het Huijs van syn Lijf„ heer had begeeven, om te eeten, hij als toen door gemelde syn Lyfheer was gelast aan meerm: Borends te zeggen, dat den zelven de aan des Eeltt Lyfheer reeds zederd een geruymen tijd voor werksloon, ver„ schuldigde Penn: maest betaalen. Dat den relt. bij zyn teru komst ter bestemder werkplaatse gemelde Bo„ rends deeze Boodschap uit naam van zijn lyfhier gedaan hebbende, zulx door den zelven beantwoord was geworden met te zeggen /:/:v:/ Loop na jou moer op het welk 1 de relatant had geantwoord, dat zyn Lijfheer hem had gezegt dat zo wanneer hij Bo¬ rends nog in deese maand de schuld niet wilde voldoen hij zijn werksvolk als dan zoude te Huijs houden, en hierop door gem: Berends de voormelde woorden gerepeteert zijnde had den relt. zijn gereedschap opge¬ steven van Lijnden luyden„ de hetselve relaas als volgt noomen noomen ten einde zich naar huis te begeeven, Dat wanneer den lelt op eene korte dis„ tantie van het Huijs alwaar hij werk te gekoomen was, hij door eenig volk mede bij ged: Berends aan het werk zijnde was agterhaald en door gerepte Beiends (: die intersschen zelve meede daarbij was ge„ koomen onder het toebrengen van eenige rottingslaag en weder na het gemelde Huijs te rug gebracht. Dat gem Borends als toen met be„ hulp van zyn volk den lelt. op een schaef¬ bank hadweergelegt en aen telt dermaate geslaagen dat hij relt daar van een wond boven het linker oog, en eenige blaauwe en zoude plekken zo op de rug billen als. armen had bekoomen, welke teekenen noch duydelijk zichtbaar zijn en door den relt. thans aan Heeren gecommitte zijn vertoond. Dat einwelijk wanneer den relt die slaagen bekoomen hebbende, zich naer huys had willen begeeven, daarin door
English
was prevented by the said Borends, but that subsequently the stepson of the deponent's master, fredk Daniel, came to fetch the deponent from there, just as the deponent then also went with the said Daniel to the house of his master. Relating nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the same more closely at all times. Thus related at Cape of Good Hope, the 16 July 1790, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Hendrik Justinus De Wet, Members from the Honorable Court of Justice of this Government, who together with the deponent, the former undersheriff Hendrik Matthyssen who served as interpreter, and me, the sworn Clerk, have duly signed the original minute hereof. Below: which I witness, signed: P: Diemel, sworn Clerk. Reexamination. Appeared before us, the undersigned Committee Members from the Honorable Court of Justice of this government, the aforementioned Slave Amsterdam, who, having had this his above-written statement clearly read out to him, declared that he persisted by it, wishing that nothing more shall be added to or removed from it, declaring therefore in the presence of the Burgher Jacobus van Leeuwen, as attorney of the Burgher Johan George Borends, that all the foregoing is the pure truth. Below: Thus done and reexamined at Cape of Good Hope, the 26 November 1790. Was signed: and described there: this mark the deponent Amsterdam has made with his own hand. Lower, for the interpretation, was signed: Hend: Matthiszen, and below that: in my presence, signed: I: D: Karnspek, sworn Clerk. In the margin: as commissioners, signed: I: R: J vander Riet and gerrit Hend. Meijer. I, the undersigned, declare at the request of the Honorable Independent Fiscal Johan Nicolaas steeven van Lynden, to have examined yesterday at the house of the Burgher Firemaster Jan Casper Loos, an enslaved youth belonging to him by name Amsterdam, on whom was found to have been inflicted a superficial wound above the left eye, and furthermore the arms as well as buttocks with purple and blue spots and welts, the same having been inflicted upon him by blows. Below: Cape of Good Hope, the 16 July 1790. Was signed: Js Leeuwer Answer Answer drawn up and delivered with the required respect to the Honorable Johannes Isaac Rhenius, President, together with the other Honorable members of the Court of Justice of this government at Cape of Good Hope, by and on behalf of the undersigned Burgher Jacobus van Leeuwen, as general attorney of the fellow Burgher Johannes George Borends, defendant in the case of alleged ill-treatment on the one side, on and against the Independent Fiscal of this place, the Honorable Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Prosecutor, on the other side. Honorable Gentlemen, The Defendant having been summoned under date the 2nd of this current month of September by the Gentleman Prosecutor ex officio before this Honorable Court, in order, in a case of ill-treatment allegedly committed by the defendant against an enslaved youth named amsterdam and belonging to the burgher Firemaster Sr Jan Casper Loots, to see the written claim served, to answer thereto and further to proceed as according to law; that the defendant, appearing on the serving day and on the roll, requested a copy of the submitted conclusion of claim and the annexes attached thereto, as well as a term of two weeks to serve an answer thereto, which was then subsequently graciously granted to him by Your Honors. That, after the expiration of the current term, the defendant, in order to prove his innocence according to the requirements of justice, because he could by no possibility acquire the necessary evidence, was consequently unable to answer the conclusion submitted by the Gentleman Prosecutor ex officio according to the customary style with hope of good success. That he, the defendant, was therefore compelled to turn by memorial to Your Honors, with a very humble request that it might please the same to graciously grant to him, the defendant and petitioner therein, an extension until today, in order yet to serve his answer. That upon this request, the Gentleman Officer having been heard, Your Honors graciously granted the request made by the defendant and petitioner therein, for all of which he also considers himself obliged to express beforehand his humble thanks to the same; while he, being now equipped with such sufficient proofs (as he believes), consequently sees himself sufficiently enabled to demonstrate his clear innocence to Your Honors in due legal course, clearer than the midday light, showing that he, the defendant, in this case is free from all blame, he shall have the honor to answer in the manner following: That, after inspection of the submitted conclusion of claim and its annexes, he had to discover to his utter surprise that the burgher firemaster Sr Jan Casper Loots could have seen fit—solely on the word of his slave, and without first speaking to him about the incident in question in order to be convinced of the true state of affairs of the same—to complain to the Gentleman Officer about the alleged ill-treatment committed by the defendant against one of his slaves.
Dutch transcription
door gede. Borends was verhinderd ge worden, doch dat vervolgens de stiefzoon van des relts. Lyfheer fredk Daniel gekoomen was om den relt. van daar af te haalen zo als den relt. zich dan ook met gemelde Daniel na het Huijs van zijn Lyfheer had begeeven Niets meer relateerende geeft den relt voor redenen van weetenschap als in den Ext, bereid zijnde hetzelve altoos nader„ gestand te doen. Aldus gerelateert aan Cabo de Edeele Hoop den 16 July 1790. voor de Heeren Rijno Io„ hannes van der Riet en Hendrik Justinus De Wet. Leeden uit den E: Achtb: Raade van Justitie deezes Gouvernements, die de minute deeses beneevens den relt. de als Tolk gediend hebbende ouderschout Hendrik Matthyssen en mij geswoore Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /: laager het welk ik getuijge /:geteekend:/ P: Diemel gesw: Clercq. Recollement. Compareerde voor ons ondergeteekende Gecom. mitteerde Leeden uit den E. Achtb: raade van Justitie deeses gouvernements voorm Slaaf Amsterdam, dewelke dit zijn vooren /:onderstond:/ staande staande verklaring duydelyk voorgeleesen weesende betuijgde daar bij te blyven persisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, betuygende overzulx in praesentie vanden Burger Jacobus van Leeuwen, als gemachtigde van den Burger Iohan George Bo„ rends, dat al het voorenstaande de zuyvere waarheid is. /onderstond:/ Aldus gedaan en gerecolleert aan Caba de goede Hoop den 26 9ber 1790 /:was geteekend:/ :/ en daar omschreven dit merk heeft den relt. Amsterdam ey„ genhandig gesteld :/ laagerif voor de Vertolking /:was geteekend:/ Hend: Matthiszen /: en daaron„ der :/ mij praesent /:geteekend:/ I: D: Kamspek geswoore Clercq /:in margine:/ als gecommitte /geteekend:/ I: B: J vander Biet en gerrit Hend. Meijer. Ik ondergeteekende verklaare ter requisitie van den wel Edele Achtbaare Heer Independent Fiscaal Johan Nicolaas steeven van Lynden, op giste„ ren gevisiteert te hebben ten Huyze van den Burger Brandmeester Jan Casper Loos, een hem toebehoorende slaaven Iongens in naam Amster¬ dam, aan welke bevonden, te zijn toegebracht een superficieele wonde booven het linker oog, en zoo nog de anmen als billen met paarse en blaauwe plekken en striemen, zijnde denselven dit door slaagen, toegebracht ge¬ worden. /:onderstond:/ Abode goede Hoop, den 16 Julij 1790: /:was geteekend:/ Js Leeuwer Antwoord Antwoord gedaan maaken en met het vereyschte re„ spect overgegeeven, aan den Wel Edelen achtbaare Heere Johannes Isaac Rheunis Paan sident beneevens de verdere E: achtbaare raaden van In„ stitie deeses gouvernements aan Cabo de goede Hoop door ende van weegens den ondergeteekende Burger Jacobus van Leeu¬ wen als generale gemach¬ tigde van den meede Bir„ ger Iohannes George Bo¬ rends verweenter in cas van pietense mishande„ linge ter eenre. op ende jeegens den Independendent fiscaal deezer steede d' E. Achtb. Heer Johan Nicolaas Ste„ ven van Lijnden R. 8: Eyp ten andere zyde Wel Edele Achtbaare Heer EE Heeren den Verwerder sub dato 2de deezer lopende loopende maand September door den heer Ratione officie Eyscher voor deeze Edelen agtb aaren rade gedag„ zynde, omme in cas van mishandeling, Pretenvelyk door den gedaagden aan een slave jonge genaamt amsterdam, en toebehorende dan burger Brandmeester S=r Jan Casper Loots gepleegt, te zien dienen van schriftelyken Eysche, daarop te antwoorden en voorts te Procedeeren als na regten dat den gedaagden ter daage dienende, en ter rolle comparerende heeft verzogt, Copia van de ingediende concluisie van Eysch en bylagen daaraangehegt, mitsgaders ter„ „ myn van twee weeken om er op te dienen van antwoor het welk door u. Wel Edelens agtbaarens dan, vervolge aan hem gratieuslyke, geaccordeert geworde is. Dat, na Expiratie van het Lopende Termyn, den gedaagden omme zyn onschuld na verlysche van regt te bewyjsen, overmits met geen mogelykheid de nodige bewysen konde acquireeren, en mitsdien buiten Staat om op des heers Ratione officie Eyscher ingediende colclurie na stili, met hoop van goa Socxes te konnen antwoorden.- Dat hij gedaagden, mitsdien genootzaak was geworden hem bij requesticivel, tot uw Wel Edelens agtbaarens te wencen, met zeer nedrig nedrog verzoek dat het hoogt dezelve mogen behargen, aan hem gedaaijden, en aldaar supp=lt gratiz te verleenen, atterminatie tot op heden, om als nog te die„ „nen van antwoord. Dat op dit verzoek den Heer officier gehoord zynde, un WelEdelens agtbaarens den gedaagdens, aldaar supp=t zyn gedaan verzoek gratuwrlyk hebben g'ac= cordeert, voor al het welk hij zzig dan ook verpligt rekend; hoogs dezelve vooraf zyn nedrig en dankte te betuizen, terwyl bij thans met zo ( za hij meenen Liefficiente bewyzen gemunieerd, mitsdien zig genoogzaam in staat gesteld ziet, omme zyn kinceer„ onschuld, luxe meridiana clarius, in ordine jaris uw Wel Edelens agtbaarens te demonstreeren, dat hij gedaagden in dit cas Extra commen x ul„ „pamverseerd, der zal hij de Eere hebben te antwoorden in maniere als volgt: Dat hij na reruntie van de ingediende conclutie van Eysch, en dier bylagen, tot uitterste surprire heeft moeten ondervinden, dat den burger brand„ „meester S=r Ian Casper Loots heef noet kunnen goedvinden ommeden gedagden, / alleen op het zeggen van zyn Haren, en zonder hem over het geval in questi alvorens te onderhouden, om van den waare toedragt, van hetzelve overluigd te kunnen worden bij den heer officier te beklaagen over '/ wetense mis„ handeeling, door den gedaagden aan een zyner slaven „
English
slaves named Amsterdam, then, as he said, perpetrated. Once, in order to give this complaint a semblance of truth, he pretended to have given orders to the aforesaid slave to collect some still outstanding rent money, adding that in case he could not obtain prompt payment from the defendant, he would take the aforementioned slave Amsterdam, as well as his fellow slaves, out of the defendant's service, which the defendant subsequently had to experience to his utmost chagrin. That the gentleman plaintiff ratione officii, deceived by this so plausible, although untruthful account, and being armed with the declarations and account passed by the said slave attached to the claim, caused the defendant on the prescribed day in the aforementioned case to be summoned on the criminal roll, to see the service of a written claim, wherein the defendant was accused of not having hesitated, regarding the aforementioned matter, first to inflict several blows on the same Amsterdam with a walking rattan, subsequently to have him held over a planer's bench, and to beat him with the same to such an extent that the same slave thereby received a wound above the left eye, together with some blue and red welts on the back, arms, and buttocks, as the gentleman plaintiff ratione officii attempts to prove from the surgical certificate attached to the claim. The defendant, before proceeding to the refutation of the submitted claim, will then, in order to deduce in a fundamental, satisfactory manner that the gentleman plaintiff ratione officii regarding this incident is utterly deceived, and that therefore the claim brought in law against the defendant on the second of this current month of September is inadmissible, let a brief and truthful account from which this questionable case arose precede with all accompanying circumstances, and through which clear demonstration it will be evident to your Honourable Worships that the defendant has made himself guilty of no essential mistreatment whatsoever of the said slave, and that thus the allegation of the gentleman plaintiff ratione officii, saving your reverence, is entirely devoid of truth, and furthermore that it is in fact true and truthful, as will appear more broadly from the means of this conclusion of reply. That now some months ago, the secretary of this Honourable Worshipful Council, the Honourable Willem Stephanus van Rhijneveld, having contracted out to the defendant the construction of his house, standing and situated on the corner of the Heere Gragt. That the defendant, having hired for wages from various persons, as well as from the said Firemaster Jan Casper Loots, some slaves, both masons and carpenters, for the construction of the said house, just as he had also bought from the said Loots a parcel of woodwork under the special condition of paying the last instalment for the just-mentioned woodwork by the end of the upcoming month of October. That among the above-mentioned slaves, the slave Amsterdam, belonging to the aforementioned Loots, had been present. That some time after the defendant had bought this woodwork from the said Loots and had paid a considerable sum upon it, the latter had repeatedly troubled him very much for the payment of the remaining sum. That the defendant, conferring with him about this, brought to his attention that he could not be ignorant of the fact that the defendant, upon concluding the purchase, had very specially reserved and conditioned that the remaining purchase money would not be paid by him, the defendant, earlier than by the end of the upcoming month of October, which, being denied by the said Loots, the latter had threatened the defendant that he would know where to find him. Then, to return to the matter in question, it subsequently happened that the defendant, noticing that the work contracted out to him was dragging on, and that this was caused because the slaves hired by the defendant from the said Loots did not work with proper diligence in his absence, and not only that, but even that the aforesaid slaves from time to time had presumed to arrive for work entirely too late, contrary to custom, and for which they were repeatedly reprimanded very sharply by the defendant. That the defendant, seeing that this did not in the least answer his expectations, resolved, since as one person he could not always be present at the site, and in order not to deliberately delay the construction of the said house entrusted to him, to remedy the same by appropriate means, and thereupon employed the sailor of the Honourable Company named Willem Beretze as overseer of the aforesaid slaves, with special orders to see to it that the aforesaid slaves would present themselves for work at the proper time. That this having been thus arranged, and the defendant trusting by this means to achieve at least so much that the aforementioned slaves would betake themselves to work at the proper time. Yet in the course of time the said slaves again devised another ruse, and specifically the slave Amsterdam mentioned in the claim, who, notwithstanding the frequent admonitions to go to his work at the proper time, saw fit, when the time to go to work had arrived, to still go looking for tobacco, wherefore the aforesaid overseer repeatedly made a report to the defendant upon his arrival. That
Dutch transcription
slaven, genaamd Amsterdam dan /zo hij zeide geperpoe„ „treerd:/ eens om deeze klagte een schyn van waarheid by„ „tizelten heeft hij quarie voor aangesegde slaaf ordre gegeeven te hebben, omme eenige nog agterstallige huurpenningen in te vorderen, met byvoegingen, dat in cas hij geen 4pompte belalinge van den gedaagden konde erlangen, den zo wel gerepte slaaf Amsterdam, als zyne meede slaven, uit den gedaagdens dienst zoude neemen, den ged: tot zyne uitter„ ste Chaggryn vervolgens heeft moeten ondervinden. , dat den heer ratione officie Eyscher, door dit zoo aanneemelik, hoewel enwaaragtig relaas geabuseerd, en med de bij Eysch gevoegde verclaringen, en relaas door ge= „seerde slaaf gepasseerd gemunieerd zynde, zynde hem ged: ten voorschreeven dage in cas voormeld, op de crimineele rolle heef doen dag vaarden, om te zien dienen van schriftelyke Eysch, waar bij den gedaag den werd g'axcuseerd, dat hij zig niet heef ontzien, omme ter zaake voommeld denzelven Amsterdam eerst eenige slagen met een kuyer rottang toe te brengen, vervolgens over een schaaftik te doen vasthouden, en met dezelve hem dermaten te slaan, dat de dezelve slaaf daardoor een wond boven Het 't Linker Oog, mitsgaders eenige blaauwe en bode stremen op de rugge Armen, en billen heeft bekomen bekomen, zoo als den Heer ratione officie Eijs scher, uit het by lijsch gevoegde chirurgicaal attest te bewysen tragt. Den gedagde alvoorens tot refulatie van de in= gediende Eysch over te gaan, zal dan om een fun„ „damenteele, satis faxtoire wyze te deduceeren, dat den Heer Ratione officio Eyscher, nopens dit voor „val ten alderuit tersche g'abureerd is, en dat derhalve den op den tweede dezer lopende maand September, legens den gedaagden uitgebragten Eysch in regten IB, onbestaanbaar is, een kort en waaragtig verhaal waaruit dit questieus geval is ontstaan, met alle bygaande onstandigheeden laten voor afgaan, en door welke liquidi betoog aan uw wel Edelens agtb= „aarens ad Evidentiam zal consteeren dat den ged: aan geene deminte Erfentieele mishandelinge van gedagte slaaf zig heeft schuldig gemaakt, en dat dus het voorgeeven van den Heer Patione of= ficier Eyscher, /:salver Revenzentia:/ ten eene maal buiten de waarheid is, en voorts dat het in faxto waar waar en waaragtig is als breder consteerd uit de middele van deeze conclusie van antwoord! Dat nu eenige maanden geleeden, den secreta„ uit deese E: agtbaare rade d' E willem Stephanus van Rhijneveld, aan den gedaagden hebbende aan„ „ besteed, den opbouw van desselfs huiz, staande ende geleegen op de hoek van de Heere Gragt!- Dat den gedaagden over sulke van deeze en geene, zoo meede van geregde Brandmeester 1=r Jan Casper Loots, enige slaven, zoo met zelaars, als Timmerlieden, tot opbouw van gesegde huis om Loon gehuurd hebbende, zoo als hij meede een partheij houtwerk, onder speciale conditie, omme met ultimo van de Eerstaankomende taar October, de Laaste Termyn voor het evengemelde houtwerk te belaten, van gezegte hoots gekogt had. dat onder hier boven gemelde slaven slaaf Amsterdam, toebehorende van Heergemelde hoofd zig bevonden had. Dat eenige tyd, na dat den gedaagden dit houd „ werk van gerepte hoots hadden gekogt, en aan- sienlyke aansienlyke somme daarop betaald hadden, deese hem telkens ter betalinge van de nog resterende somme zeer Lastig gevallen was! Dat gedaagd en hem daar over onderhoudende, onder het Pog heef gebragt, hoe hij niet ignorant konde zyn, dat den gedaagden bij het sloiten van dur Koop, zig wel speciaal had voorbehouden en gecontioneerd, dat resteerende Kooppenningen, door hem, niet eerder als met het laaste van de eerst komende Maand october, door hem gedaagden =betaald zoude worden, het gund- daar gerepte shoots ontkend zynde, deesen den gedaagd en hadder bedrygt, hem wel te zullen vinden — Dan om weder te keeren tot de zaak en gusti„ het vervolgens gebeurden, dat den gedaagden be= merkende, hoe dat het hem aanbestede werk trac- „neerden, en dat zulks gepauseerd wierd, nadien de door hem gedaagde, van gesegde Loots gehuurd slaven, bij zijn abrentie niet met behoorlyke vlyst arbyden, niet alleen, maar zelfs dat voor- schreeven slaven van tyd tot tyd hun had- den onderstaan, omme romtijdts een geheel uit laten ee laten als na gewoonte te komen arbyden, en waarover zij lieden door den gedaagden dan voorts, bij geritireerde malen zeer scherp gereprementeerde malen zeer scherp geworden zyn Dat den gedaag den ziende dat zulk aan zyns; verkoop verwagtinge in het minste niet beantwoorder, te raden ge„ „worden was, overmits hij een perzoon op de pepaald niet altoos present konde zyn, en om de aan hem beste obbouw van geregte huis niet moetwillig te traineeren, het zelve door gebaste middelen te rementueeren, heef daarop de matroos der E. Compt=e genaamd Willem Beretze tot opziender der voorschreeven slaven g'emploieerd, met specale last om toe te zein, dat voorschreeven slaven ter behoorlyke tyd, hun aan den arbijd zoude vervoegen! Dat dit aldus bestemde zynde, en den gedaagden vertrou„ wende door dit middel, ten minste zoo veel te zullen be= „werken, dat den murmelden slaven ter behoorlyker tyd hun aan den artijd zoude begeeren! Dan in het vervolg van tyd hebben gerepte slaven wederom een ander list bedagt, en wel nominatien de bij Eysch gemelde staaf Amsterdam, die niet tegen- „staande de veelvuldige vermaningen, oor ter behoorlyker tijd aan zijn arbeyd te gaan, heeft kunnen goed virder omme wanneer den tyd om aan den arbeyd te gaan gekomen was, zig dan nog eerst 't zoeken van Tobak van te maatige, waar door de voorschreeven opriender bij den komst van den gedaagden, aan hem telkens ver- slag gedaan wierde!- dat
English
That subsequently, on the fifteenth of July anno praesentis, it happened that the moment having arrived to go to work, the said slave Amsterdam had arrogantly desired to smoke a so-called pipe. That the said overseer had therefore ordered him to go to work, while he saw the defendant arriving at that moment. That the said slave Amsterdam, instead of obeying the orders given to him, had substantially replied to the said overseer: the master, denoting thereby the defendant, can, saving your reverence, lick my arse; while immediately thereafter he took up his saw, with which he was to work at that time, and left the house with it; that the defendant having just entered at that moment in order to inspect the work according to custom, the said overseer had reported to him on that occasion how he had ordered the said slave Amsterdam to go to work at the customary time, adding that otherwise the defendant, upon arriving, would show his displeasure about it. That the same slave, with the greatest insolence, having answered thereto that the defendant could lick him, Amsterdam, saving your reverence, the arse, had taken his saw from the work and gone away from the house at that very moment. That the defendant, having understood the reasons thereof, went out of the house and called back the said slave, who nevertheless refused to return; the defendant ordered the repeatedly mentioned overseer to call back the aforementioned slave, who was only a few paces from the house. That the defendant's overseer, in accordance with his order, did so, and having approached the said slave, who prepared himself for defense and turned around, first threw his saw, which he held in his hands, at the said overseer's head, and subsequently, very boldly, gave him a violent blow against the chest; which the defendant seeing, and fearing accidents, the defendant was thereby forced to send two other slaves thither to his assistance and to bring the said slave Amsterdam back, as was done. That the said slave having been brought back and into the house, after the defendant confronted him with his misdeed, and he continuing in his extreme insolences, the defendant had him placed directly over a workbench and held fast, and subsequently, without undressing him, gave him some strokes with the rattan cane he held in his hands on the buttocks and back, while on that occasion the repeatedly mentioned slave Amsterdam, in this rage of his, in a very wanton manner, dashed his head against the edge of that workbench to such an extent that the blood ran down his face. And thus this case took place, Noble and Honorable Lords, as appears to the satisfaction of the court from the annexes submitted herewith. The defendant, seeing himself obliged to premise the true course of the disputed case with these few words in order thereby to arrive at a clear argument that the Officer, saving your reverence, improperly concludes for a fine of one hundred ducatoons, ducatoons, regarding a matter already mentioned hereinbefore; wherefore the defendant will now proceed to the refutation of what he considers the main gravamen of the essential grounds wherewith the Officer ex officio plaintiff has pleased to aggravate the defendant in the submitted demand, which, as he considers, mainly amount to this: That the defendant did not shrink from inflicting various blows upon the aforementioned slave Amsterdam with a walking cane; and subsequently had him held fast on a workbench and struck him with the same cane to such an extent that the said slave thereby sustained a wound above the eye, as well as some blue and red marks on the back, arms, and buttocks, concluding: That the defendant, on account of the crime of ill-treatment, has fallen under the terms of the statutory laws and civil law, and is consequently punishable in the highest degree; wherefrom it consequently appears: Firstly, that the defendant is charged herein: First, as to the fact, that he ill-treated the repeatedly mentioned slave boy by the administered correction, which fact is denied by the defendant. Secondly, as to the law, that the defendant on that account has fallen under the terms of the statutory laws and the written civil laws, and consequently is punishable in the highest degree, which at this time is also most strongly denied, and of which the defendant trusts to be able to demonstrate the contrary in a convincing manner, regarding which he will proceed in this manner: that he will show in the first place: that the said slave, having been rented by his owner to the defendant for wages as a carpenter to work, and refusing to do so, by his extreme insolence toward the overseer placed over him, paired with the most frightful acts of violence committed, for these and no other reasons, the said slave, as is believed, brought upon himself the well-deserved correction; and secondly: that the penalties established by the statutory laws and written civil laws for essential ill-treatment
Dutch transcription
Dat het vervolgens op den vyftienden Julij Anno povintis, is gebeurd, dat tyt stip om aan het werk te gaan gekomen zynde, gerepte blaat Amsterdam zig Nerrogantelyk hadden begeeren, om een rogenaamde bonkiste roken!- Dat gerepte opziender hem derweegens had bevolen, aan het werk te gaan, terwyl hij den gedaagden op dat tyd stip hadden zien aankomen. Dat gerepte slaaf Amsterdam in stede van d'aan hem gegeeven beveelen te obedieeren, gerepte opziender Zubstantselyk geantwoord had, de Baas denoterende hier meeden den gedaagden, kan mij /: Salra venia:/ de Waars likker, terwyl hij direct daarna zyn raag„ waarmeede hij te dier tijd zoude arbeijden, opgenomen, en zig daar mede te huise uit begeven had: dat den ge= „daagden op dat tyd stip zuigst binnen getreden synde om volgens gewoonte na het werk te zien, gezegd, op ziender hem by die oxcarie hadden gerapporteerd, hoe hy gedaag „ de staaf Amsterdam gelast hebbende, om ter ge= „woonlyker tyd van 't werk te gaan, met bijvoeginge dat anders den gedaagden komende, zyn ongenoegen daarover zouden toonen! Dat 1 Dat dezelve staaf met de grootste bruitalitige, daar op g'antwoord hebbende, dat den gedaagden he Amsterdam, S: B. de Waars konde likken, zyn Jan genomen; van het werk, en uit het huir, zo op de moment wat weg gegaan Dat den gedaagden Daar van de redenen verstaan hebbende, ten hair uitgaand en gerepte slaaf te rug geroepen hadden, die egter weigerde wederom te bekomen, heeft den gedaagd meermelde opziender gelast, evengemelde staaf, d slegter eenige tyd treden van het hus zig berond, te rug te roepen! Dat der gedaagden opziender volgens zyn last zulk gedaan, en bij gerepte slaaf gekoomen zynde die zig ter verdoediging prepareerde, en hem omkeerd Eerstelyk, met zyn in hande hebbende Taag, gedagte ap„ 1 „ziender na het hoofd geworpen, en vervolgens zeer verwa denzelve eer vehemende stoot tegens de boort, gevend het welk den gedaagden ziende, in weesende voor ongelukken, den gedaagden dis genootvaakt was, twee andere klaaren ter zyner advistentie daar na toe te zende, en gedaagte slaaf Amsterdam te rucg te halen, gelyk geschiede. dat. Pub 11:2. dat gedagte slaaf te rug en in het huir gebragt zynden den gedaagden na hen zyn mirdaat onder het Oog gebragt, en hij in zyn verregaande Bruitalityten con„ „tinueerende, heeft den gedaagden hem Direct over een Schaafbank doen legg en vasthouden en vervolgens tonster hem te ontbloten, met zyn in handen hebbende rotting op de bille en rug, eenige slagen gegeven, terwyl bij die geleegentheid maermelde slaaf Amsterdam in deeze zyne woede, op een zeer moet willige wyze, zyn hoof tegens den kand van die schaafbank stordende; dermaten, dat het bloed bij zyn Aangezigt was afgeloopen. t en dus danig heeft geval zig toegedragen, Edele, Agtb: baare Heeren, zoo als den regten ten genoegen consteerd uit de bylagen onder, hierbij overgelegt! Den gedaagden zig genootraakt ziende, de waare toedragt van het quertieus geval, met deeze wanige te premiteeren, ten einde daar door te geraken tot een lequede betoog, dat den hier Officier /: Salva reverentie:/ ten qualyksten Colnpludeerd, tot een boete van Eenhondert ducatonen. III ducatonnen, over een ter raaken hier voren reeds ge= „-melde, des zal den verweerder als nie ter wederleggingen van het zo hij meent hoofd gravama der Ersentieele gronden, waarmeede den heer va tione of ficie Eyscher den verweerder by de ingediende conclusie heeft gelieven te Aggraveer„ overgaande, dewelke zo hij vermeend hoofd zakelyk hun op weerkoomen als. Dat hij gedaagden zig neet ontrien heeft, die voren gemelde slaaf Amsterdam met een Kuijer rottang verschyden klagen toe te brengen 76. em vervolgers op eens schaafbank doen vast houden en met dezelve Rotting dermaten te Haar, dat dezelve slaaf daardoor één wond boven 't oog, mitgaders enige blauwe en rode semen zo op de zag armen, als billen heeft bekomen, besluitende Dat den gedaagden mitsdien over de mircaat van mishandeling, zoude vervallen zyn in de termen van de statutaire wetten, en burgerlyk zegt en ingevolge van dien ten hoogsten strafbaar zyn, waaruit derhalven blykt.. Eerstelyk, dat hier aan den gedaagden word ten baste gelegt. 1. gelegt, vooeert, quod ad factum dat hy meermelde slaave Jonge, door de gedane correctie heeft mishandelt, welke factum bij den verweerder word ontkend! Den Tweede quod ad Zus, dat den gedaagden ter dier rake zoude vervallen zyn, in de termen der Hatutaire wetten, en de beschreven Burgerlyke regte mitsdien ten hoogsten strafbaar zy, het welk deeser tyds meeden ten sterksten werd ontkend, en waarvan de verweerder vertrouwd, het contratrie op een doorslaande wyse te zullen kunnen aantonen, waaromtrent hij in deeser voeger zal te werk =gaan, dat hij in d' eerste plaats zal doen zien. dat gerepte slaaf, door desselfs lyfheer aan den verweerden om hoon verhuurd zynde, als Timmerman, om te arbeyden; en zulks refureerende, door zyn voorreg aande brutailityten van den overlem gestelde oprigter, gepaart met de schroomelyks te dadelyk heeden gepleegd, deeze en geene andere reedenen, gerepte Slaaf zo men meend, de welverdiende correctie hebbe Gefaureerd, en ten tweede! B: dat de bij de Matutaire wetten, in beschreve Burger„ lyke regten, op de Erfentieele mishandelinge gestelde paenalitaiten. D
English
penalties, in the present case, cannot be applied with respect to the facts, on the part of the defendant, with the permission of Your Noble and Worshipful Honors, the following shall be considered: the first point, that the defendant did not hesitate to inflict some blows upon the said slave with a walking cane, for the reason that the said slave Amsterdam, so it is claimed, in the name of his master had demanded of the defendant to pay the still outstanding rental money, as the Officer as plaintiff, at Articles one to five in his Noble and Worshipful Conclusion of Claim has set forth, the complete untruth of this assertion will be demonstrated to Your Noble and Worshipful Honors, clearer than the midday light, both from the annexes annexed hereto under No. 1, where entirely different reasons are given, namely that the said slave, in the afternoon, being busy smoking by a workbench, had been ordered to go to his work, while the defendant, who as lessee represented his master in this case, arrived; he substantially answered thereto: the master, denoting the defendant, can lick my [illegible] arse; and immediately thereafter, having picked up his saw, had gone out of the house with it; with what possibility could the said slave now have made such demands, as is frivolously related, that is, that upon his return, having arrived at the designated workplace, he had made this demand to the defendant who was not present there; for this is also seen to be corroborated under No. 1 by the declaration, testifying to have seen that the said slave having already come out of the house as above, the defendant was not present at that same moment, but arriving there, had called back the said slave up to three repeated times, without however having seen that the aforesaid person had then beaten the repeatedly mentioned slave with his walking cane; Although the defendant, as remains admitted, having hired the said slave from his master for wages to work as a carpenter, by virtue of which the said slave was indispensably obligated to obey the orders of the defendant to go to his work at the proper time; consequently the defendant was indisputably, with the greatest right in the world, authorized to instruct the repeatedly mentioned overseer to run after the said slave who would not return to his work; and seeing that the said slave, with the saw he held in his hands, bodily attacked the said overseer, and then struck him, who was a disabled man, a violent blow to the chest with his measuring rod; and such being seen by the defendant, he not only had the greatest right to send two other slaves to his assistance, but the defendant was indisputably obligated thereto, in order to fetch back the said slave, and for the maintenance of good order among the other slaves; if the defendant wished, as far as lay in his power, to prevent the most dreadful consequences, to improve the said slave Amsterdam through a domestic correction for his extreme insolence committed and factual aggression against an overseer who was placed over him. For although the Officer as plaintiff, as the foundation of the second ground at Articles Ten, twelve, and thirteen inclusive, has been pleased to set forth, that the defendant subsequently had the said slave held down over a workbench, and beaten in such manner as is mentioned hereinbefore, this difficulty will quickly disappear when Your Noble and Worshipful Honors are pleased to view, even with a fleeting eye, the two declarations submitted herewith under No. 2, which, as two consonant witnesses, on the fact upon which it particularly depends, and which the Officer seems to have laid as a basis of his formulated conclusion to sustain the alleged mistreatment, testify that the said slave studiously, and with an extreme malice, perhaps instigated in him by his master, in a wanton manner had struck his head against the edge of the same workbench in such a way that the blood had run down his face, and thus that wound which is designated in the surgical certificate by the name of superficial, was not caused by blows, but whereby, having been caused by the malicious and wanton striking of the said slave, it being no essential mistreatment, and consequently also not with the slightest semblance of a punishable act at the hands of the Officer as plaintiff, as one believes, can ever be sustained; upon what foundation now the Officer, at Articles six and twenty to two and thirty inclusive of the submitted conclusion, has been pleased to set forth, that the mistreatment in the present case allegedly committed against another person's slave, the defendant can and ought all the more to be corrected with greater right, besides the civil satisfaction, the defendant declares he cannot understand, unless an essential mistreatment were to be sought and found, and not the mere sound of the word itself, which is unthinkable! For the defendant having hired the said slave for wages, it is beyond dispute that the defendant is entitled to the exercise of the master's right, namely at that point in time, and during which the said slave was to labor.
Dutch transcription
paemalitailen, in cas subpect, niet kan worden g'applieer met opzigten tot het faxtum zal men aan de syde van den verweerder: / onder welneemen:/. uwer wel Edelens Agtbaarens beschouwen! het eerste princt, dat der gedaagden zig niet ontz„ heeft, ged: slaaf met een Kuijer rottang enige slag toe te brengen, om redenen dat gerepte slaaf Amsterdam zo men regt, uit naam van zyn lyfheer den ged. Zoude hebben aangemaand, om de nog agterstallige huur „penningen te voldoen, zo als den Heer Ratione of =firio Eyscher, bij Articul een, tot vijf, in zyn E, Agtb: Colclurie van Eysche heeft ter neder gesteld, zal de volst re onwaarheid van dit voorgeven aan uw wel Edelens ag barens, luce meridrana clarius ponsteeren, zoo uit Sub N= 1 de ten deezen g'anreerde bylagen, alwaar geheele an ve redenen werden opgegeven, te weeten Dat de gerepte Haa s' nademiddags by Schaafbank bezig zynde, te roken, hem bevolen wa aan zyn werk te gaan, terwyl der ged: / die als huar in dit as zyn lyfheer repreventeerde:/ aanquam hij daar op substantielyke heeft geantwoord, de ba denoterende den ged:, kan mij S: C. J. de naars Lilk en en inmediaat daarna, zyn taag opgenomen, daar meede te huise was uitgegaan, met wat mogelyke „heid konde nu gereyde slaaf zodanige aanvaaningen gedaan hebben, zoo als bij privoliter relateerd, dat is hij win terugkomst /:wenigte:) ter bestemder werkgela„ „abze, deese aanmaninge gedaan haid, aan den gedaagden die aldaar niet present was, want het zelve ook wordende Iub W: gecorroboreerd gezien door de verklaaringe, deponee= rende gesien te hebben, dat gerepte Haaf als boven, reet uit het huis gekomen zynde, den gedaagden op het zelve tydstip niet present was, maar aldaar komen „de tot drie herhaalde reysen, gedaagte slaaf te rug, geroepen had, zonder egter gezien te hebben, dat den ge= „seveijdien meermelde slaaff, met zyn Kuyer Rottang als toen geslagen heef; Schoon den gedaagden, als in confesse blijfb: ged: staaf, van zyn hyscheer voor loon gehuurt hebbende, om als timmerman te arbeyden, uit hoofde van welke, ged: slaaf in Dispensabel ver= „pligt was, de beveelen van den ged. om ter behoorlyke tyd tyd aan zyn arbeid te gaan, te obedeeren mitsdien den ge„ daagden indisputabel met het grootste regts des wared bevoegd was, de meermelde opziender te belasten, gezegte staaf, die niet terug tot zyn arbeid wilde koomen, agter na te loopen, en ziende dat de gemelde slaat„ met zyn inhanden hebbende laag, gezegde opzienden tydelyk attacqueerden, en hem die een gebrekkig man„ was vervolgens in zyn roede, een verhemente sloot voor de boortgaf, en zulk gesien werdende, door den ged: hadde deeze niet alleen het grootste Regt, om twee andere Warren ter zyner advistentie te zende maar was den gedaagden waar toe buiten tegenspraak verpligt, om gerepte slaaf te rug te doen haalen, en tot stanthouding der goede ordre de overige klaaren, wilde tij gedaagden, zo veel in makte vermogen was„ de schroomelyks te gevolgen voorkomen, ged: slaat Amsterdam, over zyn verregaande gepleegte inzoolu en feytelyke aggresie, van een opzinder die over hem d gesteld was, met een domesticque correctie te doen beteren. want nwart ofchoon den heer ratione offigie Eyscher, tot funda„ „ment van de tweede grondt bij articulaten Tien, twaalf, en dertien in cluvirie, heeft gelieven te neder te stellen, Dat den gedaagden vervolgens gerepte slaaf, over een Schaafbank heeft doen vasthouden, en zodanige te slavan, als hier voren is gemeld, zal deese zwarigheid wel ras verdwynen wanneer uw el Edelens agtbaaren man maar eens oculo fugetivo gelieven in te zien, de beyde Verclaringe hier bij overgelegd onder sub: dewelke aels twee convonante getuigen, op het feijt waar op het bij= „zonder op aan kamt, en den heer of Cixier tot een bases van hoogst derselver genomene conclurie schijnt gelegt te hebben, omme de pretense mishandelinge te sus- tineeren deponeeren, dat gemelde slaaf stuldieuslyke, en met een verregaande kwaataardigheid, misschien hem door zyn lyfheer g'instigeerd;:/ op een moetwillige wyve zyn hoofd dermaten tegen den kant van deselve Schaafbank gesloten had, dat het bloed langs desselfs aangezigt geloopen was, en dus die wond die byj 't chirgicaal attest; met den naam van Surperficuele bestembeld staat niet doorslagen, maar N 1: 2 waar door het booraardig, en moetwillig stolen van geregte slaaf gexaureerd geworden zynde, geen Erfrentie mishandelinge, en gevolgelyk dan ook met geen de min Schyn, een factum panibele, aan den hand van den hee ratione offixie Eyscher /. zo men meend:/ immer kan worden gesustineerd, op wat fundament nu der heer offexier, bij articulatem ses, en twintig, tot twee en dertig inclusire van de ingediende conclusie heeft gelieven ter neder te stellen, dat de mishandelinge Cas Subject, aan eens anders slaaf pretenzelyk gepleg den gedaagden met zo veel te meer vegt kan, en behoor te worden gexorrigeerd, behalven de civele betering en betuigd der verweerder niet te kunnen begrijpen, te waare een Ersentieele mishandelinge, te roeken en ste vinden was, en de klote klank van tot woord zelve, dat niet te denken is! „dant den gedaagden gerepte slaaf om loon gehuur hebbende, is het buite tegenspraak dat den gedaagden de uitoeffening van slykheers regt competeerd, te weten iin dat tyd stip, en welke gedagte om te arbeyden wan bevent
English
Therefore, one finds oneself on this side obliged to test the conduct observed by the defendant in this matter against the law itself, and indeed in the first place to observe: that the masterly power is the right which masters have over their slaves, and is originally derived from the law of nations, but by form from civil law, and under civil law they are considered as nothing, though not according to the Jus naturale, L. 32 ff. de reg. Jur., and from which various particulars flow, namely, that they may make no last will, nor may they be witnesses. And not to speak of the right of life and death, which formerly belonged to masters over their slaves, which in the course of time was abolished by the Lex Petronia as well as by the Emperor Hadrian, l. 11, § 2, ff. ad l. Corn. de sicariis, and finally by the law of the Emperor Antoninus, domestic correction is nonetheless conceded to masters over their slaves; which, if they exceeded and put the slaves to death, they had to be punished with death, unless there had been a grave cause, namely that their slave had made an attempt on their own life. Also the Statutary laws, stating: bodily masters are permitted, whenever their slaves commit any faults, to correct them with domestic discipline, but they shall not be permitted to put them in irons, or in shackles, much less to torture them; and further, bondservants are permitted, whenever they are treated unmercifully by their masters or mistresses, to complain thereof to the judge, provided they have great and urgent reasons for doing so, otherwise they shall be severely whipped and sent home; and further: but if any male or female slaves should go so far astray as to lay hands on their bodily masters or mistresses, namely whether with or without weapons, they should be punished with death for it without any mercy, vide title Slaves. Slaves, or bondservants. If one applies this now to the case in question, where the said slave ventured to physically resist the aforementioned overseer, who at that time represented the master of the said slave, and for which he was punished with some strokes with a rattan on the back and buttocks, it is believed that such correction can never be imputed to the defendant as having committed an essential mistreatment upon the said slave. Therefore the Lord Prosecutor ex officio, as original plaintiff and claimant, is obliged to prove the said mistreatment, as is laid down in l. 2. dig. de probat., where it is said: Necessitas probandi semper incumbit illi qui agit. The defendant trusting hereby to have countered the conclusion submitted by the Lord Prosecutor ex officio according to law and to satisfaction, that since the Lord Officer Plaintiff here contends for a fine of one hundred ducatoons, et in poenalibus causis benignior interpretatio est, l. 155, § 2, ff. de reg. Jur., Your Honorable Worships will make not the least difficulty in denying the conclusion taken by the Lord Prosecutor ex officio. By virtue of which and other reasons and means, to be further deduced if necessary, the defendant continues, rejecting and denying, both generally and specifically, all the means and positions set down in the claim as utterly frivolous and unfounded, with express denial, impertinence, and irrelevance, and intending to answer, Concludes Concludes to the end of inadmissibility, and subsidiary, that by definitive sentence of Your Honorable Worships the claim of the Lord Prosecutor ex officio, so entirely unfounded, and the conclusion taken thereafter, taken upon and against the defendant, may be denied with costs; or to such other end as Your Honorable Worships shall find proper. Imploring hereto and upon all, your Your Honorable Worships' noble and benign judicial office. Exhibited in court 30 September 1790 Today, 22 September 1790. Appeared before me Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, the witnesses named hereafter being present, Willem Barentse of competent age, who at the requisition of the burgher Johan George Barends declares it to be true: That the deponent, being employed by the petitioner in this matter, to whom the construction of a certain house situated on the Heerengracht on the corner of the Waalstraat and belonging to the Junior Merchant and Secretary of the Honorable Court of Justice of this government, the Honorable Willem Ferdinand van Reede van Oudtshoorn, has been contracted, to keep oversight over the slaves working on the said house, was present in the said house on 15 July last past; That in the afternoon one of the slaves, named Amsterdam, belonging to the burgher firemaster Jan Casper Loots, being busy at his workbench smoking a so-called bong, the deponent, as it was time to go to work, ordered the said slave lad to get to work, all the more because at the same time he saw the petitioner approaching; the said slave Amsterdam, instead of obeying this, having said in substance to the deponent: the boss, meaning hereby the petitioner in this matter, can kiss my ass, while immediately thereafter he took up his saw and went out of the house with it. That at this moment the petitioner himself having entered, the deponent gave an account of this to him
Dutch transcription
bevind duswend men zig deser zyds genootzaakt, 't gedrag van den verweerder in deezen gehouden aan de wwelte zelve ter toetze te bengen, en wel in de eerste plaats requardeeren; dat de heerschappelyk magt is het regt, het geen de heere hebben over hunne slaven, en is voorsprokkedyk uit het regt der volkeren, maar door gedaante, uit het burger regt, en na het burger regt wordene voor niets geagt, waar niet volgens het Jus naturalis Le 32 gf: de reg Jur en van waar verscheide by zonderheeden voortvloeyen, te weeten, dat ze geen uitterste wel mogen maaken, nog getuige zyn mogen en om niet te rpreeken van het regt: van Leven en doot, dat de heere eertijds over hunne slaven toe= kwam, het welk met er tyd is vernietigd, door de wet Petronia zoo wel door den Keyzer Hadri„ anus, l 11, S, 2, FL, ad, l, Corn. de xixarl, 2, un bindt, h, t, als eyndelyk door de wet van Keyzer Anthonius, is egter aan de here over hanne slaven een domistirque xorrectie geconcedeerd dewelke Looze C C te buiten gegaan ende slaaven om het leven gebragt Aaelden hadden; moesten zij met de dood gestraft werden, ten waa er een gewigtige oorsaak was geweest, als namentlyk dat hun slaaf op hun eygen leven had toegelegd, „meede de Hatulavie wetten, zeggende is de lyfheeren „geleten, zoo wanneer, te wetten hunner slaven /: nemen„ eenige fauten begaan, haar met demertic qul trappen te corrogeeren, maar zullen de zelve niet vermogen ende ijzers, of te boezen te slaan, veel minder te tortureren, en de voorts is den lyfeigenen toegelaaten, zo wanneer van hunne heeren ofte vrouwen onbarm Dartig getraxteerd worden, daaover aan den regter, te „klagen mits hebbende daartoe groote en prequante redenen, zullende anders wel strengelyk gegeesfelt en dezelve, te huis gezonden worden, en verders! Haar zo eenige slaven of slavinnen, haar zo verre kwamen te vergrypen, dat de hande aan hunne lyfheeren, of te vrouwen kwamen te blaan. / nempe„ 't zyj met, of zander geweer, zoude daarover, zonder 7 eenige genadede ter doot gepanieerd worden, ride tit Slaven slaven, of lyfeygenen, applixeerd men dit nu op het geval in queste alwaar ged: slaaf, de voorschreven opzigter die in dit tyt schip den ged. , en deere dte lyf- heer van ged: slaaf representeerende, zig heeft derven verstaalen, dezelve opzig ter fegtelijk te revisteeren, en daardoor over eenige slagen met een rotlang, op de rug en billen gestraft zynde, gelooft men dat zo„ „danige Correctie den verweerder nuimmer als een Essentieele mishandelinge, aan ged. staaf ge= „pleegd te hebben, kan werden geobtrudeerd! Derhalven den Heer Ratione officie Eyscher als origineele aanlegger en Eyscher, dezelve mishan „delinge te bewysen verpligt zij geluijk gestatueerd word, in l, 2:dig, de probat. . - wanneer aldaar geregd word, een Nexessitus probande Lemper incumbit illi qui aget. Betrouwende den verreerder hiermeede den regten, ten genoegen des heers ratione oppicier Eyschers ingediende conplugie, te hebben ge rescontreerd 1 gerezcontreerd, dat alzo de heer Catoone officier Eyschen offc hier contendeert, tot een boete van een honderd ducatonnen, et in Paenalibus xauris Renignous interpretantum ert l, 155, 3, 2, dog de reg Iur An wel Edelens agtbarens geen de minste swarighe zullen maken, des heers ratione officier Eyschers genomene conclusie te ontzeggen. Mits welke en andere redenen, en middelen des nood nader te dediceeren, blyft den verweerder afslaande, en ont„ knnende, zoo generalyk, als Specialyk alle de middelen en posistires, bij Eijsch ter nedlen gestelt, als ten uitterste frivoo en ongefundeerd, bij Expresse denagatie impertinentie, en Irrelivantie, en zullende ant„ woorden Concludeerd Concludeerd ten fine van niet ontvankelyk, en big ordire, dat by diffinitive Vonnis dwer Edelens agtbarens des Heers Ratione officio Eyschers, zoo allezints ongefundeerde Eysch„ en daar agter genomene conclure 8 op ende jegens den gedaagdens ge= „nomen, mag werden ontzegt cun Ex pencie. ofte tot alzulken anderen fine, als uw welEdelens agtbaa= „rens zullen vinden te behooren. Imploreerende hier toe en op alles, uw Ex hibitum injadicio Twel Edelens agtbaare Nobile ae Beng „num Sudicis officum. 1790 den 30 September Huiden den 22 September 1790. Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek gesw: Clerx ter Serretarise van Justitie des parteels de goede hoop present te naten, getuigen den 15 altroos Willem „ Barentse van compentinte ouderdom dewelke ter re„ „quizitie van den burger Johan George Barends verklar hoe waar is. Dat den Compt. door den req=t in deeze dan welke der opbouw van een zeekere huis staande op de heeregragt op het hoek van de Waalstraat en toebehoorende van den Onder Koopman en Secretaris van den E. Agtb: Agtte: Raad van qustitie deezer gouvernuments, dE Willem Seps: van Ryneveld is besteed, geEmployeerd zynde om het opzigt over de aan gem=e, hus arbeidende slaven te houden zich op den 15. July J: L als naargenoom in het gem=e huis had bevonden:- Dat s' nademaddags een dien Hlaver en naame amsterdam, toe behoorende van den burger brandmeester jan Casper Loots, bij zyn schaafbank berig zynde met een zo genaamde Bonkus te rooken den Comp=t terwyl het tyd was om aan 't werk te gaan gem=e slaven jongen had bevoole om zig aan den arbievd te begeeven te meer dewyl terzelven tyd den Regt zag aankoomen; hebbende gem=e staaf Amsterdam en steede van her aan te obeidieeren teegens den comp=t in substantie gezegd de baas dens= teerende hier meerde den regt in deezen kan mij se mar„ bekken, terwyl terstond immediaat Daarna zyn raag had opgenomen en zich daar meede ten huire uit begeeren. Dat op dit moment den regt zelve binnen gekoomen zynde den comp=t aan dezelve hier van verslag
English
report had struck, whereupon the respondent immediately went into the house and had called the mentioned slave back, who however did not return, which is why the deponent was ordered by the respondent to run after the said slave, which the deponent also had done; having thrown a saw at the head of the deponent, while he also had given him a push to the chest; which being seen by the respondent, he had sent two slave boys in order to bring the mentioned Amsterdam back. That when the said slave was brought into the house, the respondent immediately had him laid down on a workbench and held fast, and subsequently gave him some strokes on the buttocks and back with a cane he had in his hands, on which occasion the deponent had clearly seen that the mentioned slave Amsterdam in the meantime had struck his head against the workbench in such a deliberate manner that the blood ran down his face. That subsequently the son of the mentioned Loots had come to the same house, and in the absence of the respondent had taken away the mentioned slave Amsterdam together with all the other slaves of the said Loots who were working there, however much the deponent had tried to prevent this. The deponent testifying lastly that he by no means heard that the said slave addressed the respondent in the name of his master about any payment for earned wages. Declaring nothing more, the deponent gives for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the above with an oath if required: Thus appeared in the Castle aforesaid, in the presence of the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I witness. Was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the half-sailor Willem Berense, who, his aforementioned declaration having been clearly read to him, affirmed that he persists therewith, desiring that nothing more shall be added to or taken from it; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 12 Novemb. 1790. Was signed: X. Lower: In my presence. Signed: J: D: Karnspek. In the margin: As commissioners, signed: R: J: v: d: Riet and G: H: Meijer. Today, the 25 September 1790, Appeared before me, Johannes Daniel Karnspek, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle de Goede Hoop, present the named witnesses, the Burgher Cornelis Mostert, of competent age, who at the requisition of the Burgher Jan George Barends declared how true it is: That the deponent, who is employed as a carpenter on the house being newly built for the Burgher Firemaster Jan Michiel Elzer, a few weeks ago, in the afternoon towards one o'clock, without being able to specify an exact time, wanting to proceed to the aforementioned house and having arrived in front of the new building near the Company's Garden at the corner of the Heerengracht, saw at that moment that one of the slave boys working there, being a bondsman of the Burgher Firemaster Jan Casper Loos, came running out of the mentioned house with a saw on his shoulder; while the respondent in this matter, to whom the construction of that house had been contracted out, arriving there just at the same moment, had called the boy back up to three repeated times. That the deponent, then remaining standing there to await how this would turn out, also attended and saw that when the mentioned boy would not return, the respondent had sent a servant and some boys to bring him back, who then also had brought the boy back into the mentioned house, the mentioned slave boy in the meantime having given the aforementioned servant a push to the chest. That subsequently the respondent had the aforementioned boy laid down on a workbench, and held fast, and then himself with a cane he had with him had given some strokes on the back and buttocks, while in the meantime the mentioned slave with far-reaching malice, in a deliberate manner, had struck his head against the edge of the said workbench to such an extent that the blood ran down his face. The deponent testifying to have seen very clearly that the respondent by no means struck the mentioned boy on the head or face. Declaring nothing more, the deponent gives for reasons of knowledge as in the text, being prepared to confirm the above further with an oath if required. Thus passed at the Secretariat aforesaid, present the clerks Dirk Jacobus Aspeling and Johan Bernhard Hoffman as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the deponent and me, the sworn clerk. Underneath stood: Which I witness. Was signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. Re-examination. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Council of Justice of this Government, the Burgher Cornelis Mostert, who, the aforementioned declaration having been clearly and distinctly read to him word for word, affirmed that he persists therewith, desiring that nothing more shall be added to or taken from it; and spoke therefore, in confirmation of the truth thereof, the solemn words: So truly help me God Almighty. Underneath stood: Thus re-examined and sworn at Cabo de Goede Hoop, the 12 Novemb: 1790. Was signed: C: Mostert. Lower: In my presence. Signed: J: D: Karnspek, sworn clerk. In the margin: As commissioners, signed: R: J: v: d: Riet and G: H: Meijer.
Dutch transcription
=verslag has geslaan waarop den regt terstond ten huire intg was en gem: slaaf had te wij geroepen, dewelke egter niet m weedergekomen waarom den compt: door de regt was gela„ geworden om dezelve staaf agter natelopen 't welke deryg ook had gedaan; hebbende zaag na het hoof van der Compt: geworpen terwyl bij hem teevens een stoot voor de borst had gegeeven; 't welk door de regt gezien zynde har dezelve twee slaaven gonges gezonden ten einde ged:t n sterdam te rug te haalen Dat wanneer gev=e slaaf in huis gebragt den regt dewel dirict op een schaafbank had doen leggen en varthoud en dezelve vervolgens met een in handen hebbende reh op de bille en rug eenige slagen heeft gegeeven had hebben den compt bij die geleegentheid duidelyk gezien dat geme slaaf Amsterdam in tusschen zyn hoofd op een ma „willige wyse termaten teegen den schaafbankhad aangestooten dat het bploet bij zyn aangezigt was af„ geboopen. Dat vervolgens de zoon van gerepte loots ter zelve huire gekomen was en bij absentie van den regt geme staaf Amsterdam Amsterdam te neevens alle de andere als daar wer„ „kende slaven van ged. toods was weggehaald, hoe zeer ook de compt zulk had tragten teegen te houden Betuigende laastelyk de compt gezints gehoord te hebben dat gev=e staat den regt: uit naam van derzelfs lyfheer om eenige betaaling verdiend werk boon heef aangesprooken. - Wiets meer verklarende geeft den Compt„ voor ree= „den van weetenschap als in den Text bereit zynde het voorenstaande des geeischt werden net heden te staven: Dat Aldus Pareerde in 't Casteel Voorn „ ten bijweezen der Clercquen Dirk Jacobis Arpling s Johan Bernhard Hoffman als getuige die de minute deeses beneevens den compt en mij gerw=e Clercq meede behoorlyk hebben onder„ teekend, /:onderstond:/ T: welk ik getuige /:was geteekend:/ I: D: Kamspek gem Clenq Recollement Compareerde voor ons onderget: gecommit. uit den E: Achtb. raade van justitie dezer gouvernemen„ der den Halvoos Willem Berense, dewelke zijn voorende gegeeven verklaaring- duidelyk werd geleeven weesend bedingde daarby te blyve persisteeren, niet begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zel„ en t prak der halven, ten bevestiging der waarhei van die de solemmeele worden, zoo waarlyk helpe mij godt Almachtig onderstond Aldus gerecolleert e beeedigt aan Cabo de goede Hoop, den 12 Novemb. 1790 /: was geteekend:/ X /:laager:/ mij prosent /:geteekend:/ I: D Karnspek, /:in mar„ gine /: als gecommitts /: geteekend:/ R: J: v: D: Riet en G: H: Meijer. Huyden den 25 September 1790 Compareerde voor mij Johannes Daniel Karnspek gerw: ter Terretarye van Justitie des Casteels Castels de goede hoop praesent Den niaten getuigen den Burger Cornelis Mostert, van competente ouderdom, dewelke ter requiritie van den Hede Burger Jan George Barends verklaarde hoe waar is. Dat den Compt. die als Timmerman aan het nieuw opgebouwd werdend Huis van den Burger Brandmeester 1: Jan Michiel Elver is geemploij= eerd, nu eenige weeken geleeden, s namiddags tegens een Uur zonder een zuister tyd te kunnen bepaalen zich maar naar het voorsz Hais willen de begeeven en voor het nieuwgebouw bij s' Eromp=e Thuin op het H6. vek van de Heeren gracht. gekoomen zynde„ op tatil moment gezien had, dat een der aldaar wer„ kende Slavensjongens, zynde een tybeigenens van den Burger Brandmeester s' Jan Carper Loos, met een Jarg oop schouder uit het gem: Huis kwam geloopen; terwyl der Reqt in deesen, aan wien der ophouw opbouw van dat Huis is besteed, quart op het zelve tydstip daar koomende, geijongen tot drie her „haalde reyven had te rug geroepen. Dat den Comp als toen daar blyvende staan, om af te wagten, ho dit afloopende zoude, ook bij gewoond en gezien had, dat wanneer gem: jongen niet welde te rui komen, den Regt- een Knegt en eenige jongen had gesonden, om te rug te haalen, welke die Jonge dan ook weder in het gem Huis hadden gebragt, hebbende in tusschen gem slaven jonge de voorz Knegt een stoot voor de borstgegeeven Dat vervolgens den Regt. de voorsz. jongs op een Schaapbank had doen leggen, en vasthouden, en als toen zelfs met een bij hiem hebbende rotting eenige slagen op de ruge bille gegeeven had, terwy int usschen gem slaaf met een verre gaande knd =aardigheid, op een moetwillige wyze zyn Hoofd dermater dermate tegen de kant van deselve scharpbank hrad geslooten, dat het Bloed langs derzelfs aangerigt afgeloopen wars. Betuigende den Com=t wel duidelyk gezien te hebben dat den reg=t de gem jonge geensints op het Hoofd of aangezigt gevlangen heeft. A iets meer verklarende geeft den Compt net duidelyk gesien te hebben dat den regt. de gem. voor redenen man wetenschap als in den Text, bereid zynde het vooren= „Staande, des gerequireerd werdende, met hed nader „gerland te doen Dat aldus passeerde ter Secretarye voorm praevent de Clercquen Dirk Iacobes Arpeling en Johan Berdthard Hoffman als getuige die de Minute deser benevens den Compt inde mij geen Clercq mede behoorlyk onderteekend. /:onderstond:/ welk ik getuige /: was geteekend: I: D: Kamspek geow Clercq Compareerde voor dns ondergeteekend GenoumH. r uit den E: achtb raade aan otitie deezer gouvernement den Burger Cornelis Mostert dewelke voorenstaande Verklaaring van woord tot woord klaar en duydelyk voorgeleezen weesende betuygde daerby te blyven persisteeren met begeerte dat er niet meerbij on vem gedaan werden zal; en sprak dierhalven ter bevestiging de waarheid van dien, de solemneele woorden. zo waarlyk helpe mij Godt Almachtig /:onderstond Aldus gerecolleert en beëëdigt aen Cabo de goede Hoop, den 12 novemb: 1790 /: was geteekend:/ C: Mostert /:laager:/ mij present /:geteekend:/ I: D: Karnspek Ges Clercq /:in margine:/ als gecommittt /: ge„ teekend: E. J: O d Biet en G: H: Meijer. Gecollement
English
Appeared before the Honorable and Esteemed Gentlemen, the President and Councillors of Justice of this Government, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden, Plaintiff in official capacity, on the one part, Against the Citizen Johannes Borends, Defendant, on the other part, 1 And stated: 2. that since the Defendant dares not deny having caused the slave Amsterdam to be held fast upon a workbench, 3 and subsequently having flogged him with a rattan cane, 4 it is therefore unnecessary to enter into any verbosity 5 to refute that which has been posited by the Defendant in his answer; 6 for even if one were to suppose that the slave, by running away and pushing the servant, had merited a correction, 7 the Defendant could nonetheless not arrogate to himself the right to punish him, 8 because the slave in question, in leaving, did nothing other than follow the orders of his master, 9 whom the Defendant will not be able to deny having greater authority to recall his slaves home 10 than he, the Defendant, has to detain them, 11 especially since the Defendant, through his negligence in paying, had given cause for the orders 12 which the Citizen Firemaster Loos had prescribed to his slave; 13 and as regards the depositions produced by the Defendant, 14 these serve only to prove that the Defendant caused the slave Amsterdam to be laid down and beaten, 15 but do not demonstrate that the Defendant became entitled to do so; 16 for that which the Deponent under Sub A. No. 1 says of the brutality of the aforesaid slave is something 17 the truth of which the Defendant will still have to prove, 18 quia unius omnino testis responsio non auditur etiamsi praeclarae curiae honore fulgeat L. 9. § 1. Cod. de testibus; 19 moreover, it appears most clearly from the said declarations 20 that the Deponents are bent on testifying in favor of the Defendant, 21 if one only takes into consideration the emphatic manner in which they declare having seen 22 that the slave Amsterdam wounded himself by beating his head against the workbench; 23 finally, the first witness, being in the Defendant's service, is highly suspect, 24 generaliter enim reprobatur domesticum testimonium quod non tam ex cohabitatione quam ex potestatis jure metitur, 25 as may be seen in Voet ad Tit. D. de Testibus No. 3 and others; Wherefore the Plaintiff in official capacity, rejecting the arguments of the answer as irrelevant and persisting in his claim and the conclusion taken thereunder, for reply. (signed: J. N. S. van Lijnden) Exhibited in Court on the 11th of October 1798. Duplique caused to be drawn up and submitted with the requisite respect to an irreproachable court. Honorable and Esteemed Sir, Johannes Petrus Theunissen, President, and the Council of Justice of this Government, by and on behalf of the Attorney Jacobus van Leeuwen, as authorized agent of the Citizen Johannes George Borends, Defendant, on the one part, Against the Independent Fiscal of this Government, the Honorable and Esteemed Sir J. N. S. van Lijnden, Plaintiff in official capacity, on the other part. Honorable and Esteemed Gentlemen, However much the Defendant, on well-founded grounds, had flattered himself that from the arguments advanced in the conclusion of the answer, founded upon such irreproachable proofs as the laws require to establish the Defendant's innocence, they would have been admitted by the Fiscal as more than sufficient, and on that account cause all further proceedings immediately to cease, he nonetheless found himself disappointed in that both reasonable and legally grounded expectation; His Honor, notwithstanding the in every way equitable and legally founded refutations of the Defendant, having seen fit to have the same summoned under date of the 14th of this month to see reply filed, whereupon the Defendant, appearing on the appointed day and on the roll, requested a copy of the said pleading and a term of four weeks to be permitted to serve a rejoinder, or else to renounce further productions; which, having been very fiercely contested by His Honor to the Defendant's utter amazement, Your Honorable Esteems, upon the adjourned court day, were graciously pleased to grant the Defendant the requested copy and a term of two weeks to serve a rejoinder thereto. Thus he shall have the honor to say: that in order to have an accused condemned by the Judge propter aliquod admissum crimen, it is by no means sufficient, under submission, vaguely to object such a crime against him, but above all it is required to express such circumstances and facts which, being proved, can assure and convince the Judge in a clear and convincing manner that the accused has truly committed the crime charged against him; for to corroborate this proposition, he could cite to Your Honorable Esteems a series of most distinguished doctors of law who have considered these axioms as the basis and foundation of all criminal proceedings, and that in the absence of these, not the slightest action lies. Therefore the Defendant shall only have to
Dutch transcription
Compareerde voor de Wel Edele e achtb: Heeren Prie„ sident en raaden van Iastihee deeses gouvernements de Independent fiscaal Iohan Nicolaas Steven van Lijnden r: v. Eys=r ter eenre Contra aen Beuger Johannes Borends ged. ter andere zijde 1 Ende deede zeggen. 2. dat daar de ged=e niet durft ontken, nen, den slaat Amsterdam op een schaef, bank te hebben doen vast houden 3 en denselven vervolgens met een rotting te hebben geteisterd. ze het oversulx onnoodig is in eenige wijd„ loopigheid te heeden. 5 tot wederlegging van het geen naa„ mens den ged: bij antwoord is geposeert 6 want ofschoon men supponeeren dat den slaaf door weg te loopen en de knegt te stooten eene correctie heeft gementeert. 7. dan kon de ged: evenwel zich het recht niet arrogeeren om denselven af, te thaffen. om dat de slaaf in questie heen gaande niet anders heeft gedaan als de ordres van zijn meester te agtervolgen. 8. 9 welke den gede niet zal kunnen ontkennen meerder bevoegdheid tot het te huys roepen zyner slaaven te hebben. 10. als hij gedaagde heeft om deselve te weer houden. 11. vooraldaar de gedaagde door zijne nalaatigheid in het betaalen vor„ zaak had gegeeven tot de beveelen 12 welke den Burger Brandmeester Loos aan zyne slaaf had voorgeschreeven 13 en wat de depositien aanbelangt door den ged. geproduceert. 14 deselve strekken alleen ten bewijze dat de ged:e den slaaf Amsterdam heeft doen nederleggen en slaan. 1 15 maartoonen niet aan dat de ged=e daar toe gerechtigt is geworden. 16. want het geen den Deposant Zub A. o 1 zegt van de buitaliteit van voorsz: Slaaf is iets 17. waarvan den gede de waarheid nog zal moeten bewyzen 18. quia unius omnio testis responsio non auditur etiamsi proclaie curia honore fal„ geat L: 9. f. 1. Cod: de testibus 19 daar en boven blijkt uit deselve verklaringe ten duydelyks ten 20. dat de Deposanten er op uit zyn om ten voordeele van den ged: te getuijgen 21 wanneer men maar in aanmerking neemt de nadrukkelyke wijze waarop deselve verklaaren gesien te hebben. 22 dat de slaaf Amsterdam zich zelven gewond heeft met het hoofd teegens de schaafbank te slaan: 23 eindelyk is de eerste getuyge als in des geds dienst zijnde ten hoogsten 20 piece 24 generaliter enim reprobatur domestica testimonium quod non tain ex eolabita tione quam ex potestatis jure melitur 25 zo als te zien is bij Voet ad Tit Jf. de Test: N: 3 en anderen Mits welke de R:O. Zijssr afslaande de middelen van antwoord als irrelevant persisteerende bij zijnen Eijsch en daar agter genoo¬ mene Conclusie voor re„ plicq. (:geteekend: J: V: I: Van Lijnden . Exhibitum in Judicio de 11: Octob: 1798. Duplicq gedaan maaken en met de de vereijschte eer bied over, gegeeven aan een reprochabeel heerden Wel Edele Achtb: Heer Joh. s P: Thennis, Presedent en den raad van Justitie deeses gouvernements door ende van weegens den Procu¬ reur Jacobus van Leeuwen als gemachtigde van den Burger Joh. George Bo, rends: Verm t ter eenie Contia den Independent Fiscaal deezes gouvernements de E: Acttb: Heer I: N: S: van zijnden r. O. Eysscher ter ander zyde Wel Ed. achtb: Heeren. Hoezeer den ged: op gegronde lee„ denen zich heeft geflatteert dat uit de bij bij de Conclusie van antwoord gead„ vanceerde middelen, gefundamenteert op zodaanige irreprochabele bewijzen als de Wetten den des geds onschuld te doen consteeren requireeren, bij den Heer Officier W Officier meer als voldoende zoude zijn geadmitteerd geworden, en uit dien haar de alle verdere proceduures onmiddelyk doen ophouden, hij echter in die zo midde lijke als in rechten gegronde Verwachting zich te leur gesteld had gesien Hebbende het zin Ed achtbaare niet teegenstaande de allesints billy„ ke en in wetten gegronde wederleggen van den Verweerder konnen behaagen deselve sub datis 14 deeser te doen dagvaar den om te zien dienen van replieq, als wanneer den Verw=r ten daage dienende en ber rolle compareerende heeft versogt Copia van gemelde schriftuur en dag van vier weeken om te moogen dienen van Duplicq, dan wel te renuntie„ ren van verdere productien, het welk door zijn wel Edele Achtb: tot des Verw:s uit„ terst admiratie seer heevig gedebat„ teert zijnde Uwel Edele achtb=r nage„ houden ding laalen aan den verw:r de verzogte Copia en termijn van twee weeken om erop te dienen van Duplicq gratieuselyk hebben gelieven te accordee ren zo zal hij dan de Eer hebben te zeggen. dat om een beschuldigde propter alequiod admissiem Crimen, door den Rechter te doen condemneeren, het onder referentie geensints genoeg is. om aan denzelven sodanige crimen in vago te objecieeren, maar voor al dat gerequireerd werd te exprimeeren, zo„ daanige omstandigheeden en faicten welke beweesen zijnde, den rechten op eene klaare en convaincante wijze kan werden verseekerd en overtuygd dat den beschuldigden waarlyk het aan hem opgetygde crimen heeft be„ gaan, want aan zoude hy tot corro„ boratie van deesen grondstelling Uwel Edele achtb: een series claressimo„ rum Iuris doctorum kunnen op noemen die deeze aptoina altvos als de bazis en het frendament van alle origineele pro„ ceduures hebben beschoud, en deezen ontbreekende geen de minste actie plaats heeft, Des zal den verveerder alleen moeten
English
to see what the side of the Lord Officer Plaintiff might have been able to produce in the reply to further substantiate his grounds stated in the statement of claim. That the defendant, after reviewing the submitted reply, saw to his utmost surprise that on the side of the Officer Plaintiff nothing fundamental has been advanced against the grounds put forward by the defendant in the answer, and for that reason the defendant could very easily dispense with duplicating thereto. And could remain persisting solely in the grounds advanced in the answer, and, relying on the highly wise and equitable judgment of Your Honorable Worships, could renounce further defense. Yet, since the Officer has been pleased to reproach the depositions produced with the answer, he shall, saving the same, have the honor to say by way of rejoinder: 1st That the Officer Plaintiff, seeing himself in the answer too thoroughly refuted as to how the wound above the eye of the slave Amsterdam, detailed in the statement of claim, was deliberately caused to the said slave not by beating, but by extreme wickedness, and the defendant consequently, so it is believed, could never have fallen within the terms of the statutory regulations, it pleased the Officer Plaintiff in the reply to prove the contrary in the following manner: In the first place, His Honorable Worship says principally: That since the defendant does not dare to deny having had the slave Amsterdam tied down on a workbench, and subsequently having had him beaten, as they say, with the rattan cane, the Officer Plaintiff deems it unnecessary to enter into any prolixity to refute what has been stated on behalf of the defendant in the answer, while the Officer Plaintiff maintains that the slave in question, in going away, did nothing other than follow the order of his master. Secondly, that the defendant will not be able to deny having had no more authority to detain him than the said Loos had to call his slaves home, especially since the defendant, through his negligence in paying, had given cause for the orders prescribed by Loos to his slave. Thirdly, that as far as the deponents produced by the defendant are concerned, they serve only, so to speak, to prove that the defendant had the slave Amsterdam laid down and beaten, but do not show that the defendant was entitled to do so. Your Honorable Worships easily see that the imputation of what appears in the last point principally comes down to this false reasoning: That the slave in question, having received that order, did nothing other than follow the order of his master. Yet, in order to demonstrate the contrary as clear as the sun shining at noon, this order, although not proven, shall be examined somewhat more closely; and to insert the same here word for word as it was confessed by the Lord Officer Plaintiff in articles 5, 6, and 7 of the submitted statement of claim. This order, Honorable Worshipful Sirs, reads as follows: "that the said slave Amsterdam, having in the name of his master demanded that the defendant pay certain arrears of rent, with the addition that upon refusal, his master would take him, Amsterdam, not immediately in praesenti, but de futuro, as well as his fellow slaves, out of the defendant's service." Consequently, he was then ordered to communicate these words to the defendant in person, and after receiving an answer to continue his work until such time as he had reported his experiences to his master; but not, without having seen the defendant, much less having delivered that message in person according to the order he had received, when he was ordered by the then overseer to go to his work at the proper time, to take his saw, run into the house, and above all, in the most insolent and impudent manner, to say: the master can lick my arse, and that in the presence of so many fellow working slaves present there, who, having been drawn away from the due respect by this bad example, thus put the defendant out of a position to finish his contracted work at the proper time, which might then have exposed him not only to enormously heavy costs and damages, but moreover to unpleasant consequences. And, Honorable Worshipful Sirs, when one rightly considers the nature of this matter, then it is beyond dispute that the said Loos was not even authorized to give such an order to his slave Amsterdam; for in the statement of claim, articles 1 and 2, it was stated that a certain slave boy of the Citizen Firemaster J. Casper Loos, named Amsterdam of Batavia, who had been rented to the defendant as a carpenter; and although the Officer Plaintiff in article 9 states that the defendant will not be able to deny, etc., this difficulty will soon disappear, because when one considers that a master may not dismiss his servants without having to pay him the full hire, L: 24 § 2 l: 38 l: 55 § fin locati conducti. And again, a servant is bound to serve his master or mistress faithfully to the end, against which non-service and injustices in running away from their hire and service is provided by the edict of May 8, 1608, by the Court of Holland; for although it is true that the Officer Plaintiff states that the said Loos had given orders to demand the rent arrears owed by the defendant, the same was strictly unauthorized to give such an order to a slave, who, so it is believed, has no personam standi in judicio, especially
Dutch transcription
moeten zien wat men aan de kant van den Heer RO: Eijsscher bij replicq tot naader adstructie van zijn bij Conclutie van Eysch geposeerde middelen heeft weeten voort te brengen. dat hij verw. na resumphie van het inge„ diend replicq tot zyn uitterste denprice heeft gezien, dat men aan de kant van den r:0: rysv=r niets fundamen zeels teegen des verweerders bij antwoord ge„ advanceerde middelen heeft weeten voor te brengen en om die reeden zou„ de den ged=e zich zeer gemakkelyk konnen dispenseeren van daar op te dupliveeren. En alleen op de bij antwoord gead¬ vanceerde middelen kunnen blyven persisteeren en zich op het hoogwijs en acquitabel oordeel uwel WelEdel Achte zich verlaatende van verdere provintie kunnen renuntieeren dan dewyl de officier de bij antwoord geproduceerde verklaaringe heeft ge„ lieven te reprocheeren, zal men dezelve dezelve zalveerende de Eer hebben te zeggen voor Duplicq 10 dat de 23: Epscher zich bij antwoord te grondig meederlegt ziende hoe de de by Conclusie van Eysch gedetailleerde wonde boven het hoog van den staaf Amsterdam; niet door Haagen maar door de verregaande quaad„ aartigheid aan gem: slaaf studi„ euselyk gecauseert ware, en den gev: mitsdien zo men meent nimmer kon vervallen zijn in de termen van de statutaire heeft het den R. O. Eysk. betaagt bij Replicq het teegendeel te beweezen op de navolgende wijze In de eerste Plaats zegt zyn E: Achtb hoofdzaakelijk. dat daar den ged: niet auift ont„ kennen den slaaf Amsterdam op een schaafbank te hebben doen vast„ handen, en vervolgens met de rotting zo men zegt te hebben doen teipteren de 7. O. Eysscher het oversalx onnoodig agt agt in eenige weidloopigheid te treeden tot wederlegging van het geen namens den gedaagde bij antwoord is geposeert terwijl de 2: O: Eyssr. sustineert dat de slaaf in quaestie heengaande hier niet anders heeft gedaan als de ordre van zijn meester te agtervolgen. ten 2:e dat den Verw=r niet zal kunnen ontkennen meerder bevoegdheid te heb„ bengehad om denselven te weerhouden als gerepte Loos tot het te huys roepen zijner slaaven gehad heeft. vooral daar de gedaagde door zijne nalaatigheid in het betaalen oorsaak dad gegeeven tot de beveelen van Loos aan zyn slaafvoor„ geschreeven. Ten 3=en dat wat de Deposanten aan„ belangt, door den ged. geproduceert deselve (:zomen regt:) strekken alleen om te beuijsen dat den gede: de Haaf Amsterdam heeft doen nederleggen en slaan maar toonen niet aan dat den gedaagden daar toe gerechtigt is geworden Mweeldel UWel Edele Achtb: zien ligtelijk dat de im„ putatie van het geen min het laatste Lid voorkomt hoofdzaakelyk heen komt op deeze valze redeneering. Dat de slaaf in questie die ordre lee„ koomen hebbende niets anders heeft ge„ daan dan de ordre van zijn lijfheer te agtervolgen. Dan om het teegendeel zo klaar als dezen op de middag schynende is te betoogen, zal men deeze ordre hoewel niet beweesen eens wat nader in¬ zien; en Dezelve hier woordelyks te insereeren zo als deselve bij den Heer R. O: Eyscher bij art s 5, 6 en 7 der inge„ diende Conclusie van Eysch geconfes„ zeert geworden is. Deeze ordre WelEdele Achtb: Heeren leyd aldus, „ dat gerepte slaaf Amster„ „dam, uit naam van zijn Lijfheer den „gedaagde aangemaand hebbende om „eenige agterstallige huurpenn te „voldoen met bijvoeging dat zijn „Heer bij weigering hem amsterdam niet direct in praesenti ne maar de futur, zewel den - zo wel als zyne meede slaaven uit „des ged. s dienst zoude neemen Gevolglijk was hem dan geordonneert den Verw. r deeze woorden in Perzoon te communiceeren, en na bekoomen antwoord zyn arbeid te continueeren ter tijd toe hij zijn wedervaaren aan zijn lijfheer had gerepateert, maar niet zonder den verweerder gezien te heb¬ ben veel min die boodschap ingevol„ gezijn bekoomen ordre aan hem in persoon gedaan te hebben, als hem door den toenm: opziender geordon„ neert was om ter behoorlijker tijd aan zijn werk te gaan, zijn zaag te neemen het huijs int te loopen en vooral niet op een aller brutaals te en insolenste wijze te zeggen. de Baas kan mij J:V: de naars likken en dat in het byweesen van zo zoveel aldaar present zijnde meede arbeidende slaaven, die door dit graad voorbeeld aan de verschal, digele 3 d dige eerbied ontrokken zynde dus den Ver„ weerder buijten staat stellen om zijn aangenoomen arbeid ter behoorlyker tijd in gereedheid te brengen, dat hem misschien dan niet alleen zoude aponeeren aan enorme zware kosten en schaade maar nog bovendien aan niet aangenaame gevolgen En Edele e achtb: Heeren wanneer men de natuur van deeze zaak maar recht beschouwd, dan is het buyten constatie dat gerep te Loos niet eens bevoegt is geweest zodaanige ordre aan zyn slaaf am„ sterdam te geeven, want bij de Conclusie van Exch arts. 102 werd geposeert dat zeeker Haave Jongen van den Burger Brandmeester J. Casper Loos in naame Amsterdam van Batavia die bij den gedaagden als Timmer¬ man verhuurt is geweest, en dat ofschoon afschoon de 2:6: Ext. act: 9. poseert dat den verw niet zal kunnen ont„ kennen enz: zal deeze zwarigheid wel haast verdwijnen, want wan¬ neer men aanmerkt, dat een Heer zijn dienstbooden niet mag laaten gaan, of moet men hem de volle huur betaalen L: 24 32 l: 38l: 55 4 fin locat: Conduct. En wederom een dienst booden gehou„ den is zijn meester of vrouw getrouw te dienen ten uiteinde toe, teegens wel„ ken ondienst en ongerechtigheeden in het wegloopen uit haaren huur en dienst, bij placcaat van den 8 may 1608 bij den hoove van holland is voor¬ zien, want of wel is waar den B. O Eijsscher poseert dat gesegde Loos ordre had gegeeven de bij den Verw:r ten agte ren staande huurpenn: in te vorderen was deselve procies onbevoegt om aan een slaaf die zo men meent geen personam standi in Judicio heeft, zodanige ordre te geeven inzon„ derheid
English
authority when the same are accompanied by such threats. For, Noble and Right Honorable Sirs, in case the said Loos had any claim to rental money from the Defendant, then it is believed that natural reason sufficiently teaches that he ought to have demanded it either in person or by a settled account, and if the said person had then failed to pay the same, to take the legal path, but not to give such verbal orders to a slave, and according to his appetite break his established convention, so that from this it is sufficiently evident that, just as it cannot be said with any foundation that the mentioned slave, in departing, followed the orders given by his master, the master was far less authorized to call his slave home than the Defendant possesses the right to recall a slave who was rented to him, in order to ask him for the reasons for his absconding. In vain, Noble and Right Honorable Sirs, will reason seek any correctness in the claim that the Defendant does not dare to deny having had the slave Amsterdam held down upon a workbench, and having had him, as is said, tormented with a rattan cane, as the Plaintiff in the Office of the Sovereign pleases to advance in his reply articles 2 and 3, in order to impute from this an essential crime of ill-treatment to the Defendant, whereas in this case he did nothing other and acted in no other way than what the laws have prescribed for him. To that end, may it please Your Noble and Right Honorable Sirs merely to look into that which Mr. Johannes Moorman has commented upon in his treatise on crimes, saying: I describe as a crime every act or omission that according to civil law is punishable. And furthermore that great man says: by negligence I understand here not only a neglect of that particular observance of duty to which someone is bound by virtue of his office or profession, but, says that great jurist, I go further, and just as it is a crime of commission to do something unlawful oneself, so I also consider, says he further, a crime of negligence to tolerate, when one can prevent it, that it be done by another; see the same author in his well-studied treatise entitled Treatise on Crimes and their Punishments on page 2. If one now applies this to the case, then it is indeed as clear as day that here in this case not only can no crime of ill-treatment have taken place, but on the contrary, that by the Defendant, for the maintenance of good order, nothing was performed herein other than that which he was indisputably obligated to do by virtue of his profession. For the mentioned slave, absconding so inappropriately from his work, and being called back by the Defendant, was indeed indisputably obligated to communicate his received orders to the Defendant; and instead of answering his charge, he refuses to work, leaves the house, and having been called back, in the utmost rage takes the saw he had with him to physically assault the then-overseer and, if possible, to wound him, throwing it at his head. And being unable to reach his target with that, he attacks him and strikes him in the chest, and this in the presence of the Defendant, who in this case, as renter of the mentioned slave, represented his master. Too quickly understanding the most frightful consequences that must notoriously flow from such conduct of a slave toward a person to whom he owed obedience if this were not directly opposed, he immediately sends some slaves to the assistance of the mentioned overseer, has the mentioned slave brought back, in order to correct his crime with a domestic correction, as occurred. Now, if a crime of negligence consists in a neglect of those particular observances of duty to which someone is bound by virtue of his profession, then it is indeed (under correction) utterly unfounded, Noble and Right Honorable Sirs, as the said Plaintiff argues, that the depositions produced by the Defendant do not show that the Defendant had become entitled thereto, since the Defendant considers that it would be in vain to wish to seek and find in the testimony of private individuals a qualification and right which was so clearly considered for the Defendant by the laws, and to the support of which he will here simply advance that which is enacted in the Statutory Laws under the title of Slaves and Bondmen, where these state that masters are allowed, whenever their slaves merely happen to commit any faults, to chastise them domestically according to their deserts, yet they shall not be permitted to put the same into irons or fetters, unless with the knowledge and consent of the judge or the officer of justice under whose jurisdiction they fall, much less to torture them or otherwise grievously mistreat them. But if any male or female slaves should happen to transgress so far as to lay their hands upon their masters or mistresses, even without a weapon, they shall for this be punished with death without any mercy; see Statutes of India at Article 11.18. Upon what foundation can an essential ill-treatment be urged in this case? Was the mentioned slave Amsterdam put into irons, was the same tortured, or otherwise mistreated? The Defendant will leave this to the highly enlightened judgment of Your Noble and Right Honorable Sirs. Indeed, Your Noble and Right Honorable Sirs know that from the nature of thinking beings no crime can take place except where
Dutch transcription
derheid wanneer deselve met zodanige bedreigingen verselt gaan want Edele achtb: Heeren ingeval ge¬ zegde Loos eenige huurpenn. aan den 90 Verweerder te pretendeeren had dan vertrouwd men dat de natuurlyke reede genoegsaam leert dat hij of in Persoon of by liquide reekening die had behooren in te vorderen, en wanneer den ged:e dan in gebreeke was gebleeven deselve te voldoen den weg van rechten te moeten inslaan, maar aan geen slaaf zodanige mondelinge ordres geeven, en na zijn verbreeken appeteit zyn gemaakte Conventie in„ voegen dat daar uit genoegsaam con„ steert dat zo min als met fundament kan gesegt worden, dat gerepte slaaf heengaande de gegeevene ordres van zyn meester heeft agtervolgt, den meester veel minder bevoegt was zyn slaaven te huijs te roepen, als den Verw=r het recht competeert, om een slaaf die bij hem Verhuurt was te rug te roepen, om hem na de ree„ denen van zijn aufugie te vraagen Terver Te vergeefs den Edele achtb. Heeren zal het verstand eenige Juistheid zoeken daar in dat den ged: niet durft ontkennen den Slaaf Amster¬ dam op een schaafbank te hebben doen vasthouden, en denselven zo men zegt met een rotting te hebben doen teisteren, zo als de R. O. Eysscher bij replicq art: 2: 3 gelieft te advan„ ceeren om daar uit een essentieele misdaad van mishandeling aan den Verwr. te obtrudeeren, daar hij in dit cas niet anders gedaan en gehandeld heeft als de Wetten hem hebben voorgeschreeven ten dien einde ge„ lieven uwelEdele achtb slegts in te zien. Dat geene het welk de Heer en Mr. Iohannes Moorman in zijn verhandeling over de misdaaden heeft gecommen¬ tarieert zeggende, ik beschrijve een misdaad alle bedrijf of versuijm dat volgens de Burgerlijke wet strafwaar¬ dig is dig is ende voorts zegt dien grooten man, door nalaatigheid verstaa ik hier niet alleen een verwaarloosing van die byzondere plichtsbetrachting, tot welke iemand uit krecht van zijn bedie„ ning of beroep is verbonden, maar zecht die groote rechtsgeleerde ik gaa verder en gelyk het een misdaad van daadelyk„ heid is zelfs iets ongeoorloofs te doen zo reekene ik ook zegt hij verder, eene misdaad van nalaatigheid te gedoo„ gen als men het kan beletten dat het door een ander gedaan werd vide denzelven autheur in zyn wel doonvragt Tractaat geinstituleert verhandeling over de misdaaden, en derselve straffe op pag: 2. appliceert men dit nu eens op het geval, dan blykt hier immers mid„ dagklaar, dat hier in dit cas geen misdaad van mithandeling niet alleen geen plaats krijgen kan, maar in teegendeel, dat door den Verweer„ der tot standhouding der goede ordre te hier in alleen dat geene is verrigt waar toe hij uit kracht van zyn bewep indispotabel was verplicht want gerepte Slaaf zo onteidig in't zijn beroep aufugeerende, en voor den Verwr. te rug gerepen zijnde was in mers indisputabel verplicht om zijn bekoomene ordres aan den Ver„ weerder te communiceeren, en in steede van aan zijn last te bean woorden refuseert hij te arbeiden, gaat uit het huijs en te rug geroepen zijnde, neemt hij inde uitterste woede zijn bij zich hebbende zaag om den toen maalige opziender feitelijk te appre seeren, en was het moogelijk te grie ven, werpt hij daar meede denselve naa het hoofd En daar meede zijn aoelwit niet kunnende bereiken, valt op hem aan, en stoot hem voor de Borst ende zulx in het aanzien van ver Verw=r die in dit cas als Huurder van ge van gerepte Slaaf zyn Lijfheer re„ presenteerde, te ras begreep de schroom„ lykste gevolgen, die uit zodaanig ge„ drag van een Slaaf teegens een Persoon aan wien hij gehoorzaam„ heid schuldig was indien zulx niet drect werd teegen gegaan notoir moeste voortvloeijen, zend daarop direct eenige slaaven tot adsistentie van gerepte opdiender, doet gerepte slaaf te rug haalen, om zyn mis„ daad met een domeste Correctie te wirigeeren zo als geschied is. Bestaat nu een misdaad van na¬ laatigheid in een verwaerloosing van die byzondere plichtsbetrach„ tingen, tot welke iemand uit krachte van zijn beroep is verbonden Dan is het immers (:onder correctie) ten uitterste ongefundeerd Edele en achtbaare Heeren zo als de Red, Eijsscher argumenteert, dat de door den Verweerder geproduceerde Dis„ positien despositien met aantoonen dat den Terur: daar toe gerechtigd is geworden aangezien hij ver¬ weerder vermeent dat het te vergeefs zoude zijn in de getuij¬ genis van Particulieren te willen zoeken en vinden een qualificatie en recht het welk aan den verweerder bij de wetten zo middag klaar was gecon¬ sidereert, en tot adstructie van welk hij hier maar eenvoudig zal advanceeren het geen in de Htatutaire Wetten onde den titul van slaaven en Lijfeygenen is gestatueert zeggende deeze, dat den Lijfkieren toegelaaten is wanneer hun„ ne slaaven zelfs maar eenige fauten koomen te begaan, dezelve huijslijk na verdiensten te kastijden, en zullen zij echter niet vermoogen, deselve in de ijsers of booijen te slaan, ten zij met kennisse en consent van den rechter of den officier; van Ju„ dd stitie, onder wiens jurisdictie zij zorteeren veel min deselve te zor„ meeren tureeren ofte anderzints gruwelyk te mishandelen, Maar zo eenige slaaven ofte slavin„ nen haar zo verre quaamen te vergrijpen dat haare handen aan haare Lyfheeren ofte Lijfvrouwen quaamen te slaan schoon zonder geweer zullen zij daar over zonder eenige genaade ter dood gepunieert worden. vide statu„ ten van India op Act. t 11e 18. op wat fundament kan nu in dit cas een essentieele mishandeling wer„ den geurgeert. Is de gerepte Slaaf Amsterdam in de Eysers geslaagen geworden is deselve getortureert geworden, ofte andersint mishandeld, dit zal den Verw r aan het hoogverligte oordeel uwe Zwee Edele achtb: overlaaten. Immers UWelEdele Achtb: weeten dat uit den aard der deukende weezens geen misdaad plaats kunnen hebben dan daar
English
than where the will has directed the actions toward a prohibited end, which truth the Roman jurists have so forcefully expressed in several places among their decisions that it is an established axiom in law that nullum crimen absque dolo malo committitur, lex 20 Codex ad legem Corneliam de falsis, lex 22 Digestis eodem titulo, lex 43 Digestis de incendio ruina naufragio, lex 5 Digestis de servis corruptis, et quod mala fide non sit poenam non meretur, lex 71, § 8 Digestis de acquirenda vel omittenda hereditate. Indeed, the intent must even be proven, quia dolus non praesumitur nisi probetur, lex 6 Codex de dolo malo, 6, 18, § 1. And from what shall this intent now appear, wherewith according to the requirements of law it must be proven, and if the proof thereof is lacking, if no dolus is established, the principal requisite that distinguishes a crime from permitted acts is deficient. How then could one thus accuse the Defendant, and how could one present the same as a ground for punishable conduct? But perhaps one might object here and say: if there is no dolus, then is there culpa? It is true, Right Honorable Worships, and the Defendant is too openhearted to conceal anything in this case. It is true that culpa is sometimes equated with dolus; it is likewise true that neglect, though not committed with premeditation, though without any purpose, and perpetrated purely out of inadvertence, can be subject to correction. But it is also no less true that it is defective jurisprudence which equates culpa with dolus, ne lata quidem culpa pro dolo accipitur, lex 7 Digestis ad legem Corneliam de sicariis, besides the fact that the same cannot possibly be applied here in this case, while the Defendant, as the hirer of the said slave Amsterdam, and consequently on that account exercising the right of his master, made him undergo such punishment for his factual aggression as belonged to the Defendant by virtue of the contract of hire and was conceded to him by statutory laws. Besides the fact that the Claim and Conclusion is grounded upon such depositions that never in law produce any appearance of legal proof, wherewith they nevertheless proceeded against the defendant and charged him with a crime of which he is indeed innocent, and, with all respect, it is neither with any, much less legal, proof, nor with presumptions or indicia substantiated or capable of being substantiated by the Plaintiff in his official capacity. Whereas the Plaintiff in his official capacity nevertheless ought, as is understood, to proceed with two witnesses, omni exceptione majores, and specifically testifying de crimine et de persona, Carpzovius, Practica Criminalis, part 3, quaestio 114, number 24, or such valid proof as the aforesaid laws require, whereas nevertheless all witnesses produced by the Plaintiff are such that nothing conclusive can be inferred from them; since, firstly, the proof of the Plaintiff consists firstly of that of slaves, who according to law may not testify, vide Gronden der Rechtsgeleerdheid, title VIII, number 11, page XXXVII. Secondly, in that of the denouncer and his son, who, testifying merely from hearsay, likewise prove nothing and collapse of themselves, testis enim ex auditu fides non adhibetur; thus it also follows from this that the alleged proof of the Plaintiff as produced against the defendant is not to be heeded in the least. Furthermore, how groundless the attempts of the Plaintiff in his official capacity are to reproach the depositions produced by the Defendant also appears from the fact that the proof of the defendant, tending ad excusationem delicti and ad rei innocentiam, is preferred over the proof which serves ad accusandum, Cothman, volume 2, responsio 70, number 22, which applies so far that according to law ad probandum accusati innocentiam admittantur testes etiam inhabiles, quinimo dubia et semiplene probatio sufficiat, Baldus, Alexander, and Salicetus in lege per testes, Codex de testibus, Speculator, title de inquisitione, § 1, versicle nunquid, Alexander, consilio 24, libro 2, Cephalus, consilio 304. The defendant trusts hereby to have answered the submitted reply of the Plaintiff in his official capacity to satisfaction; wherefore, rejecting and denying, both generally and specially, all that can or may yet be presented by the Plaintiff in his official capacity, with mere denial, impertinence, and irrelevance, and reserving unto himself all legal competency, he lets this serve as a rejoinder. below stood Imploring hereto and in all things the noble and benign office of the judge of Your Right Honorable Worships. was signed: J: van Leeuwen in the margin: Exhibited in Court on 28 October 1790. Agrees, Heninck the Clerk N No 3 Criminal Claim and Conclusion drawn up and respectfully submitted to the Right Honorable Gentlemen, President and Members of the Court of Justice of the Castle of Good Hope, in the name and on behalf of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, Plaintiff in his official capacity in a criminal case on the one side, against the soldier Fredrik Brenger, defendant in person in the aforesaid case on the other side. Article 1. In order to justify which Criminal Claim, the Plaintiff in his official capacity in conformity with the truth declared: 2. That the defendant in this matter of his own free will, before the Commissioners from this Honorable Worshipful Council, judicially confessed that he, at his residence on the Knoflooks
Dutch transcription
dan daar de wil de daaden tot een verboode zijnde heeft bestierd, welke waarheid de Fromeinse rechtsgeleerden, onder hunne decicien op verscheiden plaatsen zo krachtig hebben uitgedrukt, dat het een constante axiome in rechten is, nullum crimen absque dolo malo committitier l: z0: c: ad: leg: Corn: de faldis„ l: 22. ff: eod, tit, l: 43, ff: ineendruin naufr l: 5 ff: de serv: Corr: et quad mala fide non sit ponan non meritur, l. 71 88. ff. de adquir vel om, hered Ia zelfs moet het opzet beweesen worden, quia dolus non prosumitur nisi Probitur l 6. C: de dolo malo 6: 18, 8:1 En waar uit zal nu dit opzet blijken waarmede na vereijsch van Rechten be„ weesen worden, en ontbreekt het bewijs hiervan, consteert er niet van een dolu dificieert het voornaamste requisit het welk een misdaad onderscheid van gepermitteerde daaden hoe heeft men dan den Verw. r dus kunnen accu„ seeren, en hoe heeft men dezelve van tot ee tot een grond van stiafbaar gedrag kunnen voordraagen. maar misschien zal men hier kunnen inbrengen en zeggen is er geen dolus, dan is er geen Culpa Het is waar wel Edele Achtb: Heeren en den Verw. r is te oopenhartig om in dit cas iets te verbloemen. Het is waar dat de culpa zom tyds aan het dolus werd gelyk gesteld, het is almeede waar dat verzuijm, schoon niet met beraaden binnen geschied, schoon buijten eenig oorgmerk, en blootelyk uit inatvertentie gepleegd Correctie onderheevig sijn kan. Maar het is ook niet minder waar dat gebrekkige rechtsgeleerdheid is die de culpa met de dolus vergelijkt ne lata quidem Culpa pro dolo accipi„ tur l: 7 ff, adleg. Corn: deses behalve dat deselve hier in dit cas met geen moogelykheid kan werden geappliceert terwijl aan den Verw=r als Huurder van gezegde slaaf Amsterdam, en gevolglyk uit dien uit dien hoofde het recht van zijn Lijf heer gebruijkende hem over zijn feite¬ lijke aggressie sodaanige straffe heeft doen ondergaan, als aan den Verweerder uit krachte van het contract van huur competeerde en aan hem bij de Statutaire Wellen was geconsedeert behalven dat de Concusie van Eyxch op 20 daanige Depositien is gefundamenteert die in rechten nimmer eenig schijn van begaal bewijs opleeveren, waarmeede men nochtans teegens den gedaagden heeft geprocedeert en hem een Crime word opgelegt daer aan hij inderdaad onschuldig is, en onder welneemen bij den Heer R. O: Eijsscher nog met eenig veel min legaal bewijs nog met praesumptien of indicien word of kan worden geadstrueert. Daar den l. O. Eyscher nogtans met twee getuijgen, omme exceptione ma¬ jores- ende inspecie de crimen et de Persona, deponcerende zo men meent moeste procedeeren, Caipz:, prax, Crim„ part: 3 quast 114 num 24. of zodaanig valabel vallabel bewijs als de voorsz: bewijs als de voorsz: regten vereischten, daar noch„ tans alle getuijgen bij den Heer Eysscher geproduceert zodaanig zijn dat daar uit niet conclodens te besluijten is daar voor eerst het bewijs van den Eyssr bestaat eerstelijk in dat van slaaven die na rechten met getuijgen moogen vide voet beginselendes Rechts tit: VII1. no. 11 pag. XXXVII Ten tweeden, in dat van den Denuntiateur en zijn zoon, die alleen van hooren zeggen deponeerende almeede niets bewijzen en van zelfs vervallen, Testis enum e anditu fides non ad„ hebitur, zo volgt daar uit ook dat op het protens bewijs van den heer Rdi Zipt als teegens den gede is geproduceert in het minste niet en staat te letten dan hoe ongegrond den R: O: Eijsscher des Verw. s geproduceerde Depositien te reprocheeren tracht, blykt meede daar het bewijs van den ged: tendeerende ad excusionem delicte en ad rei in„ nocentiam word geprefereert voor het bewis het welk strekt ad accusandum Cothman vol: 2. resp: 70 nom: 22, het welk ook 20 verre plaats heeft, dat na rechten ad probandum accusati innocentiam ad mittandur, testes, etiam in habiles quinimo dubia & semiplene probati sufficiat, Bald alex et salije in l. par testC: de Testib: specul: tit de inquis 81. veis nunquid alex. Cons: 24: lib: 2 Caephal, Cons. 304. Den ged: vertrouwd hiermeede des Heer r. O. Eysschers ingediend replicq ten genoegen te hebben gerescontreert, des zal hij afslaande en ontkennende zo generalijk als specialijk al het geen door den R: O. Eijsscher nog kan ofte mag wer¬ den voorgesteld bij mere denegatie impertinentie, en irrelevantie en zich alle competentia Iuris reservee„ rende deese Laaten dienen voor duplicq /:onderstond:/ Imploieerende hier toee en op alles More UWel Edele achtb: nobile ae benignuur Iudicis officiere /:was geteekend:/ I: van Leeuwen, in margine:/ Exhibitum in Iudicio den 28 october 1790: Accordeert Heninck den Clercq N No 3 Crimineelen Eysch ende Con„ clusie gedaan maaken en aan de Wel Edele en achtb Heeren Prosident en laaden van Justitie des Casteels de goede Hoop, een biedig overge geeven uit naam ende van weegens de Landdrost van stellenbosch en Drakenstein Hendrik Lodewijk Bletter. man, r. O. Eysscher in cascri„ mineel ten eerre Contra den soldaat Fredrik Brenger gedaagde in persoon in voorsz cas ter andere zijde. Art. a 1 omme welken crimineelen Eysch te justifi„ ceeren de r: O: Eysscher conform de waarheid deede zeggen. 2. Dat de gedaagde in deesen uit vrije wille voor Heeren geccommitt. s uit deesen E: achtb: raade gerechtelyk heeft beleeden dat hij op zijn woonsteede aan de Knaf looks