VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 11024

Cape · 1,044 pages · 161 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_11024_0138 view scan ↗

English

Cookskraal, in the night between the 18th and 19th of April of this year, having heard his ducks crying out, went with a certain Hottentot, Daniel Boosman, to the horse stable, which at the same time served as a resting place for the ducks, in order to investigate whether, as had happened several times before, thieves were in the stable again, the defendant on that occasion having armed himself with a firelock, and Daniel Boosman with a stick. That he, the defendant, having arrived at the stable, found that a lath had been broken out of the stable door, and through the hole thus made someone had probably slipped into the stable, whereupon the defendant, imagining that the thieves were still in the stable, went home in order to fetch a lantern for further discovery; but on the way, having heard ducks crying out again, the defendant again followed the sound, and then discovered that at some distance below the house some ducks were being driven along by someone, who, noticing the defendant, immediately took flight and hid himself in the thicket, notwithstanding that the defendant called out to him, "Stand up, I will shoot." The defendant, having thereupon gone home a second time, returned after the lapse of a few moments, having with him a lit lantern and the Hottentot Jan Verlorenvallei, with whom and the aforementioned Boosman the defendant went into the thicket, and discovered in the same a slave boy, who was subsequently found to be named Anthonij of Bengal and to belong to a certain Jan Otto, who, upon the call of the defendant, having also come forward into sight, the defendant inflicted four blows upon him with a kirri, and having subsequently had that slave transported home, wished to make him confess by striking him with a span-strap, first on the little jacket and subsequently on the shirt, where his mates were, without the confession, however, having followed upon this torture. The defendant, not content with this, furthermore, after having gone with the Hottentot Daniel Boosman to look for the missing ducks, inflicted, upon his return, several blows anew on the aforementioned slave with a shoemaker's cutting-board, and thereupon went into the field with the same and the Hottentot Jan Verlorenvallei, in order to investigate where the caught thief had taken shelter and whether more thieves were to be found, the defendant having on the way struck the repeatedly mentioned slave boy again with a pair of laths, until finally the last-mentioned Hottentot communicated to the defendant that he had found the nest, whereupon the defendant, because the slave boy did not want to follow to the nest, finally struck him on the buttocks with his kirri stick, and having visited the nest and fetched from it an old spade [illegible], had him carried home by the aforementioned Hottentot of Verlorenvallei, with that unfortunate consequence that the slave in question passed away after having been home for 3 to 4 hours; which confession of the defendant is to be found in the answers joined herewith under letter C, number 8, to the interrogatories put to him, the defendant, while the corpus delicti is evident from the inquest report annexed hereto under letter C, number 2. The remainder of this writing shall therefore simply have to consist of an examination: firstly, of the defendant's crime, and secondly, of the punishment incurred for it. As far as the crime is concerned, the question beforehand is whether any fatal wound was inflicted, and whether the defendant must thus be considered as the cause of the death of the aforementioned slave Antonij. When one inspects the surgical certificate, one will find that the wounds which could be perceived on the body of the slave Anthonij were not fatal. Wherefore the Officer Plaintiff believes that in this darkness he must choose prudence as his guide, and since it is not evident that any fatal wound was inflicted, consequently not to cause the defendant in any way to be regarded as the cause of the death of the aforementioned slave. Let it not be said: the putrefaction and decay of the body perhaps prevented one from being able to detect the fatal wound; for whoever is capable of forming such a conclusion a posse ad esse is not is not only ignorant of the principles of sound logic, but also does not know that which is so emphatically taught in the revered texts de probationibus: that an accuser must be provided with proofs clearer than day; besides, everyone knows that non esse and non apparere are synonymous in law. Your Noble Honours are too well convinced of these truths for the Officer Plaintiff to comfortably consider himself exempt from citing them at length. The Officer Plaintiff would therefore, subject to correction of understanding, be of the opinion that the defendant's crime ought to be classified under severe maltreatments, which, although they do not have death as a consequence, nevertheless always, especially when committed against other people's slaves, ought to be punished most severely. The Officer Plaintiff does not deem it unnecessary to add here that the blows inflicted upon the slave Anthonij when he lay hidden in the thicket cannot be taken into consideration in this matter, because that slave was at that time still stealing, and thus must be considered as a night thief in actu furendi. Indeed, Their High Mightinesses the States General expressly state in a certain Placaat of 14 October 1723 "that, whenever any thief, violent robber, or evildoer

Dutch transcription

lookskraal in de Nacht tusschen den 18 11 april deeses Jaars zijne Eenden hebben hooren schreeuwen 1 zich met zeekeren Hotten tot Daniel Boosman heeft begeeven naar de Paarde Hal welke te gelyk tot een Bagplaats van de Eerden verstrekte 6. ten einde te ondersoeken of er gelyk meermaalen iets gebeurd was weder Dieven in de stal waren, 7. Hebbende de gedaagde zich bij die gelee„ zendheid met een snaphaan, en Daniel Boosman met een stok gewaapend. 8: Dat hij gedaagde bij de stal gekoomen zijnde heeft bevonden. 9 dat uit de staldeur een Lat was gebroo ken, en door het dus gemaakte gat waar„ schynlyk iemand in de stal was geslipt 10. waarop de gedaagde in de Verbeelding dat de Dieven nog in de stal waaren zich naar huiys heeft begeeven 5 om ter naader ontdekking een Lantaarn te haalen 12 doch in het heengaan op nieuw zeuden heb„ bende hooren schreuwen, is den gede op nieuw op het geluit afgegaan, 13, en heeft als toen ontdekt dat op eenige distantie beneeden het Huys eenige Een„ den door eimand wierden voortgedreeven 14. Die de gedaagde gewaar wordende zich ter stond op de Vlugt begeeven, en in de ruygte verschoolen heeft 15: niet teegenstaande de ged hem toenep sta op ik zal schieten. 16. de ged: hierop andermaal naar Huys gegaan zijnde is naar verloop van eenige oogeblikken te rug gekoomen. 17 bij dich hebbende een Branden de Lantaarn en den Hotten tot Ian Verloze vally 18. met welken en voorsz: Boosman de ged. zich in de euigte begeeven 19 En in deselve een slaave Jongen nader„ hand „ hand bevonden genaamd te zijn An„ thonij van Bengalen en toe te behooren aan zeekere Jan Otto heeft ontdekt. 20: Die op het geroep van den ged=n kom in't ook te voorschein gekoomen zijnde. 21 heeft de gedaagde aan denselven met een kirry vier slaagen toegebracht 22 en dien slaaf vervolgens naa Huys hebbeende doen transporteeren. 23 denzelven door het slaan met een Spanriem eerst op 't baaijtje en vervolgens op het Hembd willen doen confesseeren; 24 waar zyne matteswaaren. 25. zonder dat de Belydenis evenwel op deeze Pertuue is gevolgt. 26 de gedaagde hier meede niet te vreeden heeft wijders 27 na met den botter tot Daniel Boosman de vermis te zenden te hebben gaan zoeken te bij zyn 28. bij zijn terug komst de voorn:e slaaven opnieuw met een schoemaakers snyplan eenige Hlaagen toegebracht. 29 en is hierop met denselven en den Hotten tot Ian Valore vallij int Veld gegaan, 30: om te onderzoeken waar de geattrap„ peerde Dief Huijsvesting had gehou„ den en of er meer dieven te vinden waren 31. hebbende de gedaagde onderweegs de meerm: slave Iongen wederom met een paar latten geslaagen 32 tot dat eindelijk laatstgemelde Hot„ ten tot aan den gedaagde communiceerde 33 dat hij het nest hadde gevonden 34 wanneer den gedaagden den slave Jon„ gen vermits denselven naa het nest niet wilde volgen, laatstelyk noch met zijn kirrijstok op de Billen had geslaagen 35 en deselve na het nest gevisiteert en daar uit een oude spaade afgraaf ge„ haald te hebben. anriem dembe 36 door den voorm: Hotten tot verloore vallij naa Huip doen draagen 37 met dat ongelukkig gevolg 38. dat de slaaf in questi naa 3 a 1e uuren te huijs geweest te zijn is overleeden 39 welke des ged. e confessie te vinden is in de hierneevens sub L: C: 8: L: gevoegde responsiven op de aan hem gedaagte voorgehouden vraagpoincten 200 terwijl van 't Corpus delicti consteert uit de sub: L: C: te 2: l: deesen geannex„ eerde schouwacte 41 Het ooverige van dit schriftuur zal der„ halven eenvoudig moeten bestaan in een ondersoek 42„ V:o vander ged. e misdaad en 43 „ 7 van de daarover geiniurreerde straffe de wat de misdaad aangaat is vooraf de questie of er eenige doodelyke wonde is toegebracht. 45 en of dus de ged. als de oorzaak van voorn slaaf Antonij moet worden geconsidereert 1 UE wanneer men het Chiringicaal attest insiet dan zal men bevinden. dat de wonden welke men aan het lijk van den slaaf Anthonij heeft kunnen bespeuren; niet doodelyk zijn geweest. 47 waarom de r:O: Eyss. r vermeend in deeze duysternis de voorzichtigheid tot zy„ ne Lydsvrouwe te moeten Dies en 48. en daar het niet consteert dat er eenige doodelyke wonden is toege„ bracht 4ig den gedaagden dienvolgens ook geen, zints als de oorzaak van voorn slaafs afsterven te moeten doen aanmerken 50 men zegge niet de putre factie en het bederf van het lichaam heeft mis„ schien belet, 51 dat men de doodelyke wonde niet heeft kunnen op speuren 52. want die bekwaam is om à posse ad erse zodaanig besluijt te formen is niet 53 is niet alleen onkundig van de Beginsels van gesonde reeden kunde 54 maar die weet ook niet het geen zo m drukkelijk in de verwaarde zults de probat: geleerd word. 55 dat een Beschuldiger moet voorzien zijn met bewijsen klaarder als den dag 56. daar en booven weet een ieder dat non esse en non appaiere in rechten sijn nomimna zijn 57 U: E: E: Achtb: zijn te seer overtuigt van deese waarheeden, dan 58. dat de z. 0. Eysscher zich met geruste„ lyk gedispenseert zon kunnen reekenen van deselve wijdloopig te adstineeren. 59 De 20. Dysscher zou derhalven onder verbeetering van begrip zijn 6o dat de misdaad vanden gedaagden behoort te worden gerang schikt onder de verregaande mishandelingen 61 welke ofschoon deselve de dood niet ten 62: ten gevolge hebben 62 evenwel altijd voor al wanneer de„ zelve aan vreemde slaaven gepleegt zijn ten sterksten behooren te worden gecorrigeert. 63 de 2. 0. Eyss r agt niet onnoodig hier nog bij te voegen 61. dat de slaagen aan den slaaf Anthonij toen deese in de ruygte verschoolen lag toegebracht 65 ten deesen niet in aanmerking kun„ nen koomen, 66 om dat dien slaaf als toen nog stee. lende was, 67 en dus als een nachtdief in actue fu„ rendi moet worden geconsidereert 68 Imers zeggende H H: M: Heeren Haa¬ ten generaal in zeeker Placcaat van den 14 October 1723 uitdrukkelyk 69 „ dat, zo wanneer eenige Dief, gavel, „denaar of quaaddoender

NL-HaNA_1.04.02_11024_0146 view scan ↗

English

70. should come by night onto someone's land, premises, or in and about someone's house to cause damage or to commit theft, or to break into the said house. 71. and that under such circumstances, the said thief, thieves, violent persons, and evildoers, being caught in the act, 72. were injured or killed by the owner, tenant, their servants, or someone of his family, 73. nothing would thereby be committed or forfeited, 74. but the same shall be understood as being well and lawfully done for the protection of his or her property or life. 75. The further mistreatments that followed upon the capture must therefore alone come into consideration in this matter. 76. Regarding which it is beyond all doubt that the defendant has made himself guilty to the highest degree. 77. As he, the defendant, also in the last articles of his interrogation has not indistinctly made it known 78. that he overstepped the bounds in the mistreatment of this slave to that extent. 79. Since the defendant's grief over the loss of his goods cannot further operate in any way to his benefit, 80. other than in so far as he struck the thief as a thief, 81. but by no means with respect to the further cruelties, 82. for which the loss of his goods, especially in the case at hand, cannot authorize him. 83. Although the Officer-Prosecutor cannot deny feeling for himself some distinction in the punishment 84. between the case in question and a case in which nothing offending has preceded on the part of the mistreated parties. 85. As for the punishment which the defendant has merited for his crimes, 86. the same is not determined, 87. but left to the judgment of the judge, 88. in order to impose such punishments according to the circumstances 89. as he shall judge serviceable to the maintenance of law and justice. On which and other grounds and arguments to be further substantiated in due time, if necessary, the Officer-Prosecutor, making his demand, concluded that the defendant shall, by definitive sentence of your Honorable Worships, be condemned to such pecuniary fine or other proportionate punishment as your Honorable Worships shall in good justice deem proper. Was signed: J: A: Truter, in his capacity. In the margin: Exhibited in court on 23 December 1790. On this day, 21 April 1790, the undersigned Heemraden, the Honorable Christiaan Joel Ackerman and Pieter Gerhard Wium, in the presence of the Landdrost, and assisted by the Secretary and the burgher surgeon Petrus Franciscus Melchior Briers, examined at the Knoflookskraal the corpse of the slave Anthonij of Bengal, belonging to the burgher Jan Otto, and discovered on the same two wounds on the head, which wounds were declared by the aforementioned surgeon to have indeed been inflicted by external violence, yet not per se to be fatal, while the further examination of the body of the aforementioned slave was impossible because the same had already completely passed into putrefaction. Below stood: Done and dated as above. Was signed: C: J: Ackerman and P: G: Wium. Lower: In my presence. Signed: J: P: Faure, Secretary. By order of the Honorable Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, I, the undersigned, in the presence of the judicial commission, inspected at the Knoflookskraal the dead body of the slave boy named Antonij of Bengal, belonging to the burgher Jan Otto, and found on him two solutions of continuity on the head, one on the Sutura Coronalis or crown suture of the length of about half a finger long, with exposure of the underlying bone, and the other solution on the back of the head on the Sutura Lambdoidea or angle suture of the length of somewhat less than the above-mentioned, also with exposure of the underlying bone, but could find no fracture of the cranium, fissure, nor impression, nor the cause of his death, but that these solutions were inflicted on him by external violence. In witness of the truth I have signed this with my own hand. Was signed: P: J: M: Briers. In the margin: Stellenbosch, 21 April 1790. Appeared before the undersigned delegated Heemraden, the Hottentot Daniel Boosman, of competent age, who, at the requisition of the titular merchant Mr. Hendrik Lodewijk Bletterman, declared how it is true: That the appearer, who resides with a certain J: F: Prenger at the Knoflookskraal, last Saturday eight days ago, in the night of 10 April, having been awakened by the said Prenger, the appearer went outside with the said master of his, who said to him, there are thieves in the stable to steal sheep, and thinking that they were still actually in the stable, they, the appearer with a firearm and his said master with a knobkerrie in his hand, had surrounded the same; and finding nothing therein, the said master had ordered him, the appearer, to keep watch before the door until he had fetched a lantern. That his said master had gone to the house for that purpose and on the way had heard the sheep crying from afar, so that he returned immediately thereupon, and having run toward the crying together with the appearer, had discovered a boy.

Dutch transcription

70 „ des nachts op iemands grond Erve „ofte in en aan iemands huysing mog„ „te koomen gemeld te doen of Die „verij te pleegen, of indeszelfe huij„ „zing in te breeken. 71. „ en dat in zodaanig geleegendheid, de„ „zelve dief dieven geweldenaars en „quaaddoenders, op het feijt bevonden „ wordende, 72. „ door den Eygenaar, huuder, desselver „Dienaaren of iemand van zijne famielje „wierde gequetst of doodgeslaagen 73„ „ daar meede niets zoude weesen mis „daan of verbeurd 74„ maar hetzelve verstaan zal worden als „tot bescherming van zijn of haar goed „ of leeven wel en wettiglyk gedaan „te zijn 75 De verder op het gevangen neemen gevolgde mishandelingen moeten ten deezen dus alleen in consideratie koo men 76. waar omtrend het buyten allen twijffel is, dat de ged. zich ten hoog„ stensteafschuldig heeft gemaakt. 77. zo als hij ged: dan ook bij de laatste articulen van zijn verhoor niet on„ duydelyk heeft te kennen gegeeven 78. dat hij de maat in het mishandelen van deesen slaaf in zo verre heeft te buy„ ten gegaan. 79 kunnende des ged:s droefheid weegens het verlies zijner goederen, niet verder iets ten zijnen voordeele opereeren 80 als voor zo verre hij den Dief als Dief heeft geslaagen 81 maar geensints ten opzichte van de verdere wreedleeden 82 waartoe het verlies zijner goederen vooral in cas subject hem niet kan„ authoriseeren 83 ofschoonde 20: Eysscher niet kan ont„ kennen kennen voor zich eenig piobake in de schraffe te kunnen voelen 8te tusschen het geval het in questie en een geval waarin niets beleedigends van de zijde vermishandelde Partijen is voorafgegaan. 85 wat de straffe aangaat, welke de ged: over zijne misdrijven heeft gemeri„ teert. 86 deselve is niet bepaald. 87 maar aan 't oordeel van den rechter overgelaaten. 88. om naar gelang der omstandigheeden zodaanige straffen te impo„ neeren 89, als deselve tot maintie van recht en gerechtigheid zal dienstig oordee„ Een Mits welke en andere reedenen en middelen in tijd en wijlen /: is 't nood:/ nader nader te adstrueeren, de R. O Eysscher Eysch doende concurdeerde, dat de ged, bij definitive Vonnisse van uwelEd Achtb: zal werden gecondemneert in zodaanige Jecuni¬ eele amande ofte andere geevenreedigde straffe als UE E Achtb: in goede Justitie zullen oordeelen te behooren. /:was ge„ teekend:/ J: A: Fruter qq /:in margine:/ Exhibitum in Judicio den 23 December 1790 Op Heeden den 21 April 1790 hebben de ondergeteekend Heemraden d' E: E: Christman Soel Ackerman en Pieter Gerhard Wium ten overstaan van den den Heer Landdrost, en geadsisteert door den Secretaris en den Burger Chirurgijn Petrus Framiscus Melchior Briers aan de knoflookscraal geschouwd het Lijk van den Slaaf Anthonij van Bengalen toe„ behoorende den Burger Jan Oito en aan hetzelve ontdekt twee worden aan het hoofd, welke worden door opgem: Chi„ rurgijn gedeclareert wierden wel door uitterlijk geweld toegebracht, eg„ ter niet perse doodelijk te zijn terwijl de verdere schouwing van het lichaam van gem: slaaf ondoenlijk is geweest door dien hetzelve reeds ten eenemaal tot de pntresactie was overgegaan. /:onderstond:/ Actum datum ut supra /: was ge„ teekend:/ C: I: Ackerman en P: G. Wiuw /:laager:/ mij Present /:geteekend:/ I: P: Faure Secretaris Door ordre van den E. Heer Landdrost van Stellenbosch en Diakenstein heb ik onderg: Ondergeteekende, ten overstaan van de rechterlyke Commissie gevisiteert aan de knoflookskraal, het doode lichaar van den slaane jongen genaamt an„ tonij van Bengalen toe behoorende aan den Burga Ian Otto, en aan hem bevonden twee solutien op het hooft een op de Tutura Coranalis ofte Kroonader ter lengte van ontrent een halve vinger lank met ontblooting van het onderleg„ gende been en de ander solutie op het agterhooft op de Iutina Lamdoides ofte hoekwand ter lengte van iets min„ der als de boovengenoemde ook met ont„ blooting van het onderleggende been maar heb geen fractura erancie ofte fissura nog impressio konnen vinden nog de oorzaak van zijn dood maar dat door deese solutie hem door uitterlijk geweld zijn toegebracht, tot teeken der waarheid heb deeze eijgenhandig onder„ teekend, /:was geteekend:/ P: J: M: Briens /:in margine:/ Stellenbosch den 21 April 1790 . Compareerde voor de ondergeteekendens gecom: k nder gecomm: Heemraaden, den Hottentot Daniel Boosman van competenten onder„ dom, dewelke ter requisitie van den koopman titulair de Heer Hendrik Lodewijk B letter„ man verklaarde hoe waar is. dat den Comp:t die woonachtig is bij zeekeren I: f: Prenger aan de knoflookscraal, gepas„ seerde zaturdag agt daagen geleeden inde nagt vanden 10 April, door gem. Brenger zynde wackergemaakt, was den Comp. t met evengem: zijn Baas, die tot hem zeide doar zyn Dieven in de stal om zenden te steelen na buyten gegaan, en inde gedachten zynde dat zij nog waklyk in de stal waaren hadden zyl: den Compt. met een schietgeweer en gen zyn Baas met een kirrij in de hand deselve be„ zet, en daarin niets vindende had denselven Baas hem Compt. gelast om voor de deur de wacht te houden tot dat hij een Lantaarn zal hebben gehaald. dat gem zyn Baas tot dat einde naar Huijs was gegaan en onderweegs van verre de renden had hooren schreeuwen invoegen hij terstond daarop te rug gekoo„ men en neevens den Comp:t op het geschreuw toegeloopen zijnde, een jongen had ont„ dekt.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0153 view scan ↗

English

discovered who was busy driving off the ducks and beating them to death, who, as soon as he noticed them, taking to flight and wishing to betake himself into the thick bushes, had been called to several times by the deponent to stand still, without him wanting to listen to that, jumping suddenly aside into the river; that the deponent having said to his aforementioned boss to go home and fetch a lantern, while he in the meantime would keep watch at the place where the boy had entered, the same also having gone and a short time later returning with the Bastaard Hottentot Jan, he, the deponent, had remained standing outside the bushes, whereupon his boss with a kierie in hand, and the Hottentot Jan holding the lantern with one hand and in the other a spade, had gone inside, whereupon shortly afterwards it was said by his aforementioned boss, here he is, come out, immediately giving said boy, who thereupon came forth, three blows with the kierie on the head and on the body; that the deponent had said to his aforementioned boss and bearer, Boss must not hit the boy on the head with the kierie, Boss can easily kill him, the same had retorted to him, do you still feel pity for a rogue who has committed housebreaking against me, if I were alone I would beat him so that no crow will ever look at him, they having brought that boy, who had three holes in the head from which the blood flowed, tied up to the house, whereupon his frequently mentioned boss repeated several times the aforementioned saying, if I were alone I would beat him so that no crow will look at him; that his said boss, after that boy was brought into the house, having made him take off his outer jacket, had terribly beaten him at intervals with a tethering strap, first on the under-jacket and subsequently on his bare body, and in between, having given both to the said boy and to him, the deponent, and the said Jan a draught of wine to drink, they had gone out together to search for the ducks that were still missing, whereupon, after having found two, they had returned home again, his frequently mentioned boss having then tied a kierie under the boy's arms and suspended him thus with a strap from the beams, subsequently, when the same had been untied again, having beaten him repeatedly and continuously with the tethering strap and a board on the buttocks, while saying, stand like a soldier; that the aforementioned bearer had thereupon gone out and into the field with the frequently mentioned Bastaard Hottentot Jan, taking with them the aforementioned boy to point out the nest, returning again about an hour later; that the said slave boy, having been laid down on the floor in the house by the aforementioned Jan, while his boss had in the meantime gone to Jan Wilkes, had repeatedly asked for water, which they, on account of the numerous blows received by him, had not given him immediately but some time afterwards, the same had been able to consume neither the water nor the coffee and bread that was given to him afterwards, but the same had, shortly thereafter, when the deponent and the frequently mentioned Bastaard Jan had gone for a moment to the Company's wagons that were unhitched there, passed away. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the above under oath. below stood: Thus passed at the Secretariat at Stellenbosch on 23 April 1790, before the Honorable Christian Joel Ackerman and Pieter Gerhard Wium, as commissioned Heemraden, who have duly signed the original minute of this together with the deponent and me, Secretary. lower: Which I witness signed: J.P. Faure Re-examination. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this government, the aforementioned Daniel Boosman, who, his preceding declaration having been read out clearly and distinctly to him, testified that he persisted by it, wishing that nothing be added to or taken from it, testifying in the presence of the Adjunct Fiscal Mr. J.A. Truter that all of the above is the pure truth. below stood: Thus re-examined at the Cape of Good Hope the 11 December 1790 signed: lower: in my presence, signed: D. Lamspen that the said slave boy, having been laid down on the floor in the house by the aforementioned Jan, while his boss had in the meantime gone to Jan Wilkes, had repeatedly asked for water, which they, on account of the numerous blows received by him, had not given him immediately but some time afterwards, the same had been able to consume neither the water nor the coffee and bread that was given to him afterwards, but the same had, shortly thereafter, when the deponent and the frequently mentioned Bastaard Jan had gone for a moment to the Company's wagons that were unhitched there, passed away. Declaring nothing further, the deponent gives as reasons of knowledge as in the text, being prepared to further confirm the above under oath. below stood: Thus passed at the Secretariat at Stellenbosch

Dutch transcription

dekt die bezig was de Eenden voort te drijven en dood te slaan, denwelken zo dra hij hun was gewaar geworden, zich op de vlugt en in de dikke Bosschen willende begeeven door den Compt: verscheide maalen was toegeroepen, dat hij staan zoude, zonder dat hij daar na had willen luy„ steren, springende deselve eens klaps be, sijden in de rivier dat den Compt. teegens meerm zijn Baas gesegt hebbende om na huijs te gaan en een Lintaam te haalen, terwijl hij intusschen ter plaatse alwaar dejon„ gen was ingegaan de wacht zoude houden denzelven dan ook heengegaan en een weinig tijd naderhand, met den Bastaart Hottentot Jan te rug koomende had hij Comparant buijten de Bosschen blyven staan, wanneer zijn Baas met een kirrij in de hand, ende Lottentot Ian met eene hand houdende de Lantaarn, en in de andere een graaf daar binnen was gegaan, als wanneer door meerm: zin Baaskort daarop wierd gezegt, hier is hij, komt uit, geevende gemelde Jongen die daarop te voorschen kwam ter Hend. to even ten t. stond drie slaagen met de Kirrij op het hoofd en op het Lijf dat den Compt. zijn Baas voorm: & ren¬ ger had gezecht, Baas moet de jongen op de kop niet slaan met de kirrij, Baar kan hem gemakkelyk doodslaan, had denselven hem toegevoegt, bent zij nog jammer voor een Schelm, die Huisbraak bij mij heeft gedaan, als ik alleen was zal ik hem slaan dat er nooijt een kraaij na zal gaapen, hebbende zyl dien Iongen die drie gaaten int hoofd had daar het loed uit stroomden gebonden naar Huijs gebracht, wanneer dikwilsgemelde zin Baas, het voorsz gezegde, als ik alleen was zon ik hem slaan dat er geen kraarij nagaapen zal verscheidene maalen herhaald, dat gem: zyn Baas dien Iongen na dat hij in huijs was gebracht, het booven baaytje doen uittrekken, met een span„ riem eerst op het onderbaaijtje en ver¬ volgens op deszelfs bloote lichaam bij tusschen poosing deerlyk had geslaagen en tasschen en tusschen beide zo aan gemelde Jongen, als aan hem Compt. en gemelde Ian een teug wijn te drinken gegeeven hebbende, waaren zijl: te zaamen uit„ gegaan om de nog vermist weidende Eenden op te soeken, als wanneer zij naa twee te hebben gevonden weder terug nahuys waaren gekeert hebbende dik„ wefgem: zyn Baas dien Jongen als toen een kirrij onder de armen ge„ bonden en zodaanig met een riem aande Balken opgehangen, vervol„ gens wanneer denzelven weeder ont¬ bonden was geworden, hem andermaal en bij aan houdendheid met de span„ riem en een plank op de billen geslaa„ gen, onder het zeggen; staat als een soldaat, Dat voorm: brenger daarop met dik„ wilsgem: Bastaart Hotten tot Ian uit en na het veld gegaan zijnde mee„ de neemende meergem: Jongenn om de nest aan te wijzen, omtrend een uur naderhand wederom waren te rug ge„ keert t dat gem: slaven Jongen door voorm: zem die hem dweg in kuip op de grond nee„ aergelegt zijnde terwijl den zelfs Baas intusschen na Jan Wilkes was gegaan een en andermaal om water had ge¬ vraagt, het geen zijl hem ter oorzaake van de bij denselven ontvangene meenig„ vuldige slaagen niet terstond maar eenigen tijd daarna gegeeven hebbende had denselven zo min het waater als de koffijen het Brood dat hem nederhand was gegeeven geworden kunnen gebruij¬ ken, maar was denselven kort daar aan wanneer den Comp. t en meerm: Bastaart Ian voor een oogenblik nas EComp. waa„ gens die aldaar waaren uitgespannen waren gegaan overleeden. Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap als inden Taxt beeid zynde het voorenstaande nader te bevistigen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter Secretarije aan keert Jellenbert Stellenbosch. op den 23 april 1790, voor d' E: E: Christian Soel Ackerman en Pieter Gerhaid Wrum, als gecommit„ teerde Heemraaden die de minute deeses beneevens den Compt. en mij Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ 't welk ik getuige /:geteekend:/J P: faure pieter Rrecollement. Compareerde voor de ondergeteekende ge„ committeerdens uit den E. Achtbaere raade van Justitie deeses gouvernements voorm: Daniel Boosman, dewelke zyne voorenstaande Verklaaring klaar en „duydelyk voorgeleesen weesende betuig de daarbij te blijven persisteeren, met be„ geerte dater niets bij of aan gedaan wer„ den zal, betuygende in presentie vanden Adjunct fiscaal M:r J: A: Pruter, dat al het voorenstaande de zoyvere waar„ heid is. /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den 11 December 1790 /:geteekend:/ /:laager:/ mij present /: geteekend:/ D Lamspen dat gem: slaven Jongen door voorm: zan die hem dweg in huys op de grond nee„ aergelegt zijnde terwijl der zelfs Baas intusschen na Jan Wilkes was gegaan een en andermaal om water had ge„ vraagt, het geen zijk hem ter oorzaake van de bij denselven ontvangene meenig„ vuldige slaagen niet terstond maar eenigen tijd daarna gegeeven hebbende had denselven zo min het waater als de koffijen het Brood dat hem nederland was gegeeven geworden kunnen gebruij¬ ken, maar was denselven kort daar aan wanneer den Comp. t en meerm: Bastaart Jan voor een oogenblik nas EComp. waa„ gens die aldaar waaren uitgespannen waren gegaan overleeden. Niets meer verklaarende geeft den Compt. voor reedenen van weetenschap als inden Txt baeid zynde het voorenstaande nader te bevistigen. /:onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije aan keert Hellenbert

NL-HaNA_1.04.02_11024_0159 view scan ↗

English

Stellenbosch, on 23 April 1790, before the Honorable Christman Joel Ackerman and Pieter Gerhard Wium, commissioned Heemraden, who, alongside the appearer and myself, the Secretary, duly signed the original minute. Below which: Which I witness. Signed: J. P. Faure. Review. Appeared before the undersigned commissioners from the Honorable Court of Justice of this government the aforementioned Daniel Boosman, who, having had his foregoing declaration clearly and distinctly read out to him, declared that he persisted therein, desiring that nothing be added to or taken from it, testifying in the presence of the Deputy Fiscal, Mr. J. A. Truter, that all the foregoing is the pure truth. Beneath was written: Thus reviewed at the Cape of Good Hope, 18 December 1790. Signed: J. D. Karnspek. In the margin: As commissioners, signed: R. J. van der Riet, H. J. de Wet. Below: In my presence, signed: D. Karnspek. Interrogatories Appeared before the undersigned commissioned members of the Honorable Court of Justice of this government, the soldier Jan Fredrik Prenger, who to the adjoining points of inquiry answered as noted alongside each of them, to be heard and interrogated upon the requisition of the Landdrost of Stellenbosch and Drakenstein, Hendrik Lodewijk Bletterman, by the gentleman commissioners from the Honorable Court of Justice of the Castle of Good Hope, the soldier Jan Fredrik Prenger, whose responses to be given shall be made known in the margin hereof. Article 1. The respondent's name, age, birthplace, and profession. Says he is named Jan Fredrik Prenger, 38 years of age, born in Cologne on the Rhine, and a shoemaker by trade. Article 2. Whether the respondent does not reside at the so-called Knoflookskraal. Says yes. Article 3. How long the respondent has already lived there. Says by estimation eight months. Article 4. Whether the Hottentots Daniel Boosman and Jan Verlore Vlei were not in the respondent's service. Says yes. Article 5. What moved the respondent on the night between 10 and 11 April last to awaken the Hottentot Daniel Boosman. Says because the respondent heard the ducks crying out and had previously missed ducks, and for that reason had awakened the Hottentot. Article 6. Whether Daniel Boosman, having awakened at the call of the respondent, did not go outside the house with the respondent. Says yes, but that he had to shake the mentioned Daniel about four times before he woke up. Article 7. Whether the respondent did not proceed with him to the stable. Says yes. Article 8. If so, for what reason they went there. Says because he heard the ducks crying out and was certain there were thieves. Article 9. Whether they were also armed. Says yes, that he had a loaded musket with him, and Daniel Boosman, as he believes, a stick. Article 10. If so, with what. As above. Article 11. What the respondent found upon arriving at the stable. Says he found that the slats of the door were broken out. Article 12. Whether the respondent, having left the mentioned Daniel Boosman at the stable, did not go to the house to fetch a lantern. Says yes. Article 13. Whether the respondent, going to the house, did not hear some ducks crying out, and immediately returning thereupon, then went toward the sound with the said Boosman and then discovered someone who was driving some ducks along and beating them to death. Says yes. Article 14. Whether this person, when he noticed the respondent and Daniel Boosman, did not take flight and hide himself in the reeds near the river. Says yes. Article 15. Whether the respondent also shouted then, and what. Says yes, that he shouted: halt, or I will shoot. Article 16. Whether the respondent did not thereupon go to the house a second time to fetch a lantern, and shortly thereafter return with the aforementioned Hottentot Jan Verlore Vlei, who had a burning lantern in his hand. Says yes. Article 17. Whether Jan Verlore Vlei was also armed, and with what. Says yes, as he believes, with a stick. Article 18. Whether the respondent did not proceed with the last-mentioned into the palmiet reeds and find a boy there. Says yes. Article 19. Whether the respondent did not then shout: here he sits, come out, dog. Says yes. Article 20. Whether the respondent did not immediately thereupon deliver some blows to the head with a knobkerrie to the mentioned boy, who came forward upon the shout. Says he delivered four blows at the boy, but because there were tall palmiet reeds, he cannot say with certainty where he struck the boy, as the respondent only struck wildly in the dark. Article 21. Whether the aforementioned Hottentot did not attempt to persuade the respondent that he should not strike the said slave on the head. Says he does not know this with certainty. Article 22. Whether the respondent did not answer this admonition with the words, in substance: do you people still have pity for such a rogue who committed housebreaking. Says he does not know this. Article 23. Whether the respondent subsequently...

Dutch transcription

Stellenbosch. op den 23 april 1790, voor f d' E: E. e Christman Poel Ackerman en Pieter Gerhard Wrum, als gecommit„ teerde Heemraaden die de minute deeses beneevens den Compt. en mij Secretaris meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ 't welk ik getuige /:geteekend:/J P: faure pieter Recollement. Compareerde voorde ondergeteekende ge„ committeerdens uit den E: Achtbaere raade van Justitie deeses gouvernements voorm: Daniel Boosman, dewelke zyne voorenstaande Verklaaring klaar en „duydelyk voorgeleesen weesende betuig de daar bij te blijven persisteeren, met be„ geerte dater niets bij of aan gedaan wer„ den zal, betuygende in presentie vanden Adjunct fiscaal M:r J: A: Pruter, dat al het voorenstaande de zoyvere waar„ heid is. /:onderstond:/ Aldus geecolleert aan Cabo de goede Hoop den 18 December 1790 /:geteekend:/ /:laager:/ mij present /:geteekend:/ D Lamspen I: D: Kainspek, /.in margine:/ al gecommitt=s /:geteekend:/ R: J V D Riet 3: H: J: De Wet - Interrogatorren Compareerde voor de ondergeteekende gecommitte omme daarop ter requisitie Leeden uit den E Achtb: Raade van den Landdrost van Stel„ van Justitie deezes gou lenbosch en Drakenstein Hen„ voniements, den zoldaat drik Lodewijk Bletterman Jan Fredrik Prenger, de„ oodr Heeren gecommitt=s uit welke op de neevenstaande vraagpoincten zodaanig heeft den E: Achtb: raade van protitie des Kasteels de goede Hoop„ ge„ geantwoord als bezijden hoort en ondervraagt te wor„ een ieder derzelve staat aan den de soldaat Ian Fredrik geteekend Prenger zullende deszelfs te geevene responsiven in maigine deeses moeten werden bekend ge„ steld. Zegt Ian fredrik Brenger des gew: naam ouderdom geboorte- Plaats en genaamd Articul 1. Pro - zegt naa gissing agt maan„ den zegt Ja. genaamd oud 38 Jaaren van Keulenaam den rein geboortig, en een schoemaker van zijn ambacht te zijn zegt Ja. Wat hem gevr: in den nacht Zegt vermits den gevr: de Een„ tusschen den 10 en 11 april Jl den heeft hooren schreeuwen bewoogen heeft om den Ast. en bevoorens zenden vermist te ten tot Daniel Boosman wak hebben en om die reeden de ker te maaken, Hosten tot wakker gemaakt had. of Daniel, Boosman niet zegt Ja, maar wel een. „ 5 Of bij hem gevr: niet in dienst zijn geweest de Hottentotten Daniel Boosman en Jan Verlooze vallij. Hoelang hij gevr: daar reeds gewoont heeft. of hij gew: niet woon„ achtig is aan de sooge„ naamde Knaflookskraal Art . 2. Professie. keer opt „ 4 90„ zegt Ia. keer of vier gem: Daniel te hebben, moeten poiren eer bijwakker wierd zegt vermits de Eerden heeft hooren schreeven en vast stelde dat er dieven waren. zegt Ja een gelaaden snap, of zij by de ook gewapend haar bij zich gehad te heb„ zijn geweest? ben, en Daniel Boosman zo hij vermeend een stok als vooren zegt bevonden te hebben dat en latten van de deur uitge„ broaken was. zegt Ia. 12. of hij Gerr: den gem Daniel wat hij Perr: bij de stal koomende gevonden heeft! 2 zo ja waarmeede. 10. zo Ia om welke reeden zij derwaards zijn gegaan. 8. of hij gevrzich met den zelven niet begeeven heeft naa de stal. op het geroep van den gevr. wakker geworden zijnde met hem gevr: buijten het Huijs is gegaan. Boorman 7. 1 11. zegt Ia. zegt sa, Boosman by de stal ge¬ laaten hebbende niet naa Huis is gegaan om een Lantaarn te haalen! art. o 13. of hij gevr: naa Huys gaan„ de niet eenige Eenden heeft hooren schreeuwen en daar op terstond te rug keeren„ de vervolgens met den„ zelven Boosman op het ge„ uijt afgegaan en altoen iemand ontdekt heeft die eenige Eenden voortd zeef en doodsloeg. of deese toen hij gew: en Daniel Boosman ge„ waar wierd zich niet op de vlugt begeeven en in de ring te naast de rivier verschoolen heeft. zegt Ja gewepen te hebben of hij gew: toen ook ge¬ „ 14. sta roepen de iel man een stok zegt Ja zegt Ja. sta of ik zal schieten roepen heeft en wat zegt Ja: of de gew: hierop niet an„ dermaal naar huys is ge„ gaan om een Lantaarn te haalen, en kosten tijd daarop niet na den voorm. Hotten tot Jan verloore vallij die een Brandende Lantaar in de hand had is teng ge keert. of Jan veewoze bally ook gewaapend is geweest en waar meede! of de gew: zich niet met laatstgem: in der almieten begeeven e aldaar een Iongen gevonden heeft of de gevr: als toen niet gewepen heeft hier zit 18. „ 17. zegt Ja, zo hij vermeend, met art: 16. thij „ . zegt Ja: zegt zulx niet zeeker te wee„ ten. zegt sulx niet te weeten. zegt Jan vier slaagen Of hij Gevr: niet onmid„ naar de Jongen gedaan delyk hierop aan gem: te hebben, doch vermits „Jongen, die op het geroep erhooge Palmieten waren. te voorschein kwams met niet zeeker te kunnen zeg„ een kirrij eenige Slaagen gen, waar de jongen ge op het hoofd heeft gegee„ raakt heeft, want dat den ven. " gevr: in het donker maar int wild heeft geslaagen. Of hij gevr: dees vermaa¬ ning niet beantwoord heeft met het substantieel zeggene hebt gijluij noch medelijden met so een schelm, die Huysbraak gedaen heeft. „ 23. of de gevr: vervolgens „ 22 of voorm: Hotten tot niet getracht heeft den gevr: te beweegen, dat hij gem: slaaf niet op 't hoofd slaan zou„ de. articol 20. hij kom uit dog den n „ 21.

NL-HaNA_1.04.02_11024_0166 view scan ↗

English

Says yes, but that he did not bring the said slave home at that time, and if such was said, that it did not happen out of malice, and during the transport did not repeatedly say in substance: if I were alone with the rascal, I would beat him so that no crow would gape after him. Article 24. Asked whether after the same slave was brought into the house, he did not strike him with a strap, at intervals, on his jacket he was wearing and subsequently on the shirt and finally on the naked body, inflicting several blows. Says yes, once on the jacket and afterwards on his shirt, but not to have beaten him on the naked body, and that such happened solely in order that he would confess where his other mates were. 25 And whether he, having done this, did not give to the aforesaid Hottentots as well as to the said slave 1 soopje of wine, and thereupon went out with Daniel Boosman to search for the missing ducks, having found those that were stolen away by the boy. Says yes. Article 26. Whether the prisoner upon his return home did not hang the aforementioned slave by a kirri under the arms to a beam in the house. Says to have threatened the said slave therewith, says further not to be able to state for certain whether such was done by him, the prisoner, or not. 27 And whether he, having untied the same after some time, did not strike him with a plank on the buttocks, while saying, stand like a soldier. Says that it may well be that he, the prisoner, struck the slave with a cutting board and used the words, stand like a soldier, but does not know for certain. 28. Whether the prisoner subsequently did not go into the field with Jan Verlore Valleij, taking the captured slave bound with him, in order to point out his nest and mates. Says yes, but whether he, the prisoner, sent the slave, he cannot say for certain. 29 Whether, since the slave taken along did not point out the right nest, the prisoner did not beat the same anew with a pair of laths which he had ordered the aforementioned Jan Verlore Valleij to cut. Says yes, after having first politely requested the said slave. Article 30. Whether the last-mentioned Hottentot had not found the nest and communicated such to him, the prisoner, who followed from afar with the slave boy. Says yes. 31. Whether the prisoner, since the slave boy followed with difficulty, did not then continually beat him with the kirri, until the kirri broke into pieces, and the boy was rendered completely unable to walk. Says to have given the said slave some blows with the walking stick on the trousers because the slave would not walk, but not with a kirri. 32 Whether he, the prisoner, did not carry or cause the said slave to be carried to the pointed-out nest. Says that the slave was not at the nest, because he would not walk any further, and said, I would rather stay here and die. 33 Whether the prisoner found an old spade in the nest and therewith gave the aforementioned slave two blows on the buttocks. Says to have indeed found a spade, but cannot state for certain whether he, the prisoner, struck therewith. 34 Whether, when this Hottentot, being fatigued, sat down a little to rest, he, the prisoner, did not in substance say to him, let him lie, and if he wants to croak, let him croak. Says yes, because the same would not walk, says only to have said, if he does not want to walk, let him lie then. 35 Whether thereupon Jan Verlore Valleij did not take the slave upon his shoulders to carry the same home. Says yes. 36 Whether the aforesaid slave was then brought home and, after having been home for a few moments, died. Says that the said slave did not come to die immediately, for after the same was brought home at six o'clock in the morning, the same only died at ten o'clock that morning, which the prisoner heard from his wife, as he had been with Wilkes that day to recount the case there. 37. Whether anything further is known to the prisoner concerning the death of this slave. Says no. 38. Whether he, the prisoner, did not find that the aforesaid slave captured by him and subsequently deceased is named Anthonij of Bengal and belongs to the burgher Jan Otto. Says as before. 39 Whether the prisoner, also after the death of this slave, took any steps in order to be able to answer for himself in the event. Says yes, to have asked advice of the Field Corporal Piet Molenaar and the burgher Jacobus Fourie, who were present with the prisoner on that day, who advised him to let the neighbors see such, which the prisoner did, and had the corpse inspected by a certain Jurgen Oelkers. 40. Whether he, the prisoner, saw the wounds of the aforesaid slave, and which wounds the same received; if so, what. Says yes, to have seen a wound on the back of the head. 41. Whether he, the prisoner, also knows to state any other cause of the death of the slave Anthonij than the inflicted wound. Says, because the same boy alleged not to have eaten in eight days. 42. Whether the prisoner answered everything truthfully. Says yes. 43. Whether he, the prisoner, must not confess to have committed a heavy offense by his manner of acting, and thus to have deserved severe punishment. Says to have had no intention to mistreat the slave, but to have been hot-tempered because the same slave had robbed him of his greatest property. 44. Whether he, the prisoner, knows to bring forward anything and what in his excuse. Says to be a poor person, and to have a wife and children, to have to struggle for them, was therefore very sensitive about the loss of his goods, further wishing the aforementioned to be taken into consideration, and therefore a merciful punishment.

Dutch transcription

Legt ja als toen ook een rend den gem slaaf niet naa dog indien zulx gesegt Huijs heeft aven brengen heeft, dat het als toen en onder het heenvoeren niet uit kwaadaardigheid herhaaldelijk in substantie is geschied gesegt heeft: als ik met ven Schelm alleen was zou ik hem slaan dat er geen kraaij naazon gaapen Art:l 24. zegt za eent op het baaijtje of hij gevr: na dat densel„ en naderhand op zyn hemd veer slaaf in Huys was maar niet op het bloote lig„ gebracht hem niet met chaam geslaagen te hebben ende dat zulx alleenlijk is een spanriem, by tus„ geschied op dat bekennen zon„ schenpoosins niet op zijn de waar zyne andere maats aenhebbend baaijtje en waaren. vervolgens op het hemd en eindelijk op 't bloote lichaam verscheide Haagen heeft toegebracht. 25 En of hij dit verrigt hebbende niet aan de voorsz: Hottentotten zo wel als aan den gem slaaf 1 teng wyn heeft gegeeven en daarop met Daniel Boos gevonden te hebben die door de jongen weg gestoolen was. men of de gevz: bij zijn leuig komst zegt gem: slaaf daar meede den meerm: slaaf niet met gedreijgt te hebben, zegt nader een Kirrij onder de arman niet zeeker te kunnen zeggen aan een balk inthuijs heeft of zulx door hem gevr. gedaan opgehangen! is of niet: En of hij denselven na eenigen zegt dat het wel zijn kan dat hij tijd ontbonden hebbende hem gevrden slaaf met een snijplank niet met een blank op de billen geslaagen en de woorden, staa als een zoldaat gebruikt heeft heeft geslaagen, onder het zeggen doch niet zeeker te weeten. staa als een zoldaat. „ 28. of de gevz: vervolgens niet zegt, Ja, doch of den gevr: Der slaaf gesonden heeft niet zee, met Jan Peilore vallij in't ker te kunnen zeggen. Veld is gegaan, den gevangen slaaf gebonden met zich voe„ rende, om desselfs nest en maatsaam te wijsen! Of vermits de meedegenomen slaaf het regte nest niet zegt Ja, naalvoorens ge„ melde slaaf in 't vriende „ 27 act: 26. Boosman is uitgegaan om de vermiste Eenden op te zoeken aanwees, 29 lyk zegt Ja. delyke te hebben versogt wees, den gevr: denselven niet met een paar latten die hij door meerm: Jan Verloore vallij had laaten snijden op nieuw heeft geslaagen! Artill: 30. of laatstgem: Hottenlot het nest niet gevonden en zulx aan hem: gevr: die met den Hlaaven, Jongen van verre volgde gecomminiteert had" „ 31. w zegt gem: slaaf eenige slaa, of de Gevr: den slaaven Long en gen met de Kuyerstok op vermits hij beswaarlyk volgde de broek gegeeven te hebben niet als toen by continuatie met vermits de slaaf niet loopen de Kirrij heeft geslaagen, tot wilde, doch niet met een kooij dat de kerrij in stukken ge broeken, en de jongen ge„ heel buyten staat geraakt was, om te kunnen gaan. 32 32 of hij gev: gem: slaaf niet naar het aange zegt dat de slaaf bij de nest niet is geweest, ver„ mits weesen m m 1 . vermits niet verder wilde weesen nest heeft ge: draagen of doen draagen loopen, en zeide ik wil hier lieven blijven ster. zegt wel een graaf ge¬ vonden te keleleen doch niet zeeker te kunnen zeggen of hij gevr. daar meede geslaagen heeft. zegt ja vermits den„ zelven niet loopen gezegt te hebben als hy niet loo„ pen wil laat hem van maar leggen. zegt alleen of hij gevr: wanneer deeze Htotten tot vermoeijd zijnde zich een weinig neerzette om te rusten aan denselven niet in substantie heeft gezegt 35 of daar op Jan Verlooze dallij den slaaf niet op zijne schouderen genomen heeft om denzelven naar Huys te draagen of de gevr: in het nest met een oude graaf ge„ vonden en daar meede den voornoemden slaaf twee slaagen op de billen heeft gegeeven. laat ven wilde 34 33 zegt Ja zegt dat gemelde slaaf niet direct is koomen te overlijden want na dat denselven s' morgens te zes uuren was te huijs gebracht, is den„ zelven eerst te tien uuren dien morgen overleeden, het geen de gevr: van zijn Huys„ vrouw vernoomen heeft, vermits dien dag bij Wilkes ge¬ weest is, om het geval aldaar te verhaalen: zegt neen of den gevr: ook iets nader bekend is omtrend de dood van deesen slaaf. 38. of hij gew: niet bevonden heeft, dat voorschreeven door hem gevangen en naderhand overleeden slaaf genaamd is Anthonij van Bengalen en aan 37. of voorsz: slaaf met voorts naar Huys gebracht en na weinig oogen blikken te huijs te zyn geweest is overleeden. 36 laat hem leggen en als hij wil verrekken, laat hem verrekken den zegt Jaaan de Veld Corparaal Piet Mole„ naar en de Burgen Ja„ cobus fourie dewelke opdien dag bij den gevr. present waren om raad gevraagt te hebben, dewelke hem geraaden hebben om de Buuren zulx te laaten weezen het gunt den gev: gedaan heeft, en het lyk door zeekeren Juigen ongers laaten bezigtigen! zegt als vooren. zegt ja, een wond agter op het hoofd gesien te heb„ ben. zegt vermits deselve son, Of hij gevr: ook eenige ander gen voorgaf in geenagt oorzaak weet op te geeven 42. Of hij Gevr: de wonden van voorsz. Slaas gesien heeft en welke wonden desel. ve heeft ontvangen! z0 Ja. wat. 40. of de gevr. ook nade dood van deesen slaaf ook iets heeft in 't werk ge¬ steld, om sich casu quo te kunnen verantwoor„ den, 39 den Burger Ian Otto toebehoort. daagen van de ls aa acht en ader dood en len 41. . daagen gegeeten te heb„ ben. zegt Ja zegt geen intentie ge„ had te hebben, om de slaaf te mishandelen, maar driftig geweest te sijn, vermits denselven slaaf hem van zijn groote„ ste bezit beroofd had. zegt een arm mensch te weesen, en vrouw en kinderen te hebben, daar voor te moeten zukkelen, dus zeer gee„ voelig geweest is„ over het genis van zijne goederen, voorts in aanmerking te willen neemen, het voorgegeevene, en daarom en genaadige Of hy gevr: ook iets en wat hij tot zijne ver¬ schooning weet bij te brengen. 45. Of hij Gevr: niet moet be. kennen door zijne handel wijze zwaarlyk mis dreeven en dus zwaare straffe ver. diend te hebben. of de Gevr. alles naar waar¬ heid heeft beantwoord. van de dood van de slaaf Anthonij als de toegebrachte wonde! Straf 43. 44. 1

NL-HaNA_1.04.02_11024_0173 view scan ↗

English

to request punishment. Thus questioned and answered at Cabo de Goede Hoop on 9 Augustus 1790, before the Gentlemen Rijno Johannes van der Riet and Abraham Fleck, members of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government, who, along with the person questioned and me, the sworn clerk, have duly signed the original of this. Below: in my presence, signed: I: D: Karnspek. Re-examination Appeared before the undersigned commissioners of the Honorable Worshipful Council of Justice of this government the soldier I: J: Render, who, having had his preceding answers clearly and distinctly read out to him, testified to persist therein, wishing that nothing more be added thereto or subtracted therefrom, testifying that all the preceding is the pure truth. Was written below: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop on 22 August 1790. Signed: T: Brenger. Lower: in my presence, signed: I: D: Karnspek. In the margin: as commissioners, signed: R: J: v: d: Riet and Am Fleck. Was written below: Agrees. Brdnir sworn clerk No. 1 No 4 Johannes Isaac Rhenius, President, together with the Council of Justice of the Castle of Good Hope, make known: That the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lijnden has verbally informed us that Albert Rump of Bremen, ship's carpenter; Dirk Janssen of Westvriesland, under-carpenter; Leendert Grosman of s' Haage, sculptor; Laurens Weijdman of Christiaansond, quartermaster; Johan Fredrik Kouser of Erfort, Joseph Lamkouser of Brussel, Pieter Obliger of Canton Bern, Jan Joseph Hartman of Bremen, Philip Jacob Rodever of Straatsburg, Hendrik Pollebron of Brussel, Jan Hendrik Harms of Labeek, Pieter Le Bas of Parijs, Christiaan Berg of Leeuw, Andries Christiaansen of Christiaansand, Jacob Jan van Loos of Leiden, Andries Sallaes of Lune, Hendrik Jung of Nedermeulen, Laurens Breederen of Carolus, Fredrik Christoffel Rugen of Amsterdam, Willem de Vos of Paltzs, Jan Theijman of Weijburg, soldiers; Laurens Hanssen of Coppenhagen, Jacob Johannes Karner of Middelburg, Pieter Steenhuijsen of Carels Kroon, Daniel Wolf of Twee bruggen, François Olivier of Naamen, Hendrik Willem de Vries of Kemsen, Jan Gito of Duijnkerken, Johan Laurens of Raijen, Pieter Holm of Drammen, Arend Schreuder of Blomberg, Jacob Isaac of Paderborn, Jan Marder of Christiaansand, James Velles of s' Hage, James Kesels of s' Hage, Willem Beurendsen of Christiaansand, Paulo Sennot, Jan Smitt of Cleef, Anthonij Joseph of Venetien, Jan Baptist van Sant of Antwerpen, Manus Strandberg of Carelskroon, Jacob Raaphorst of Woubrugge, Christiaan Salomons of Cabo, Laurens Kink of Leeuw, Johannes van der Poel of Decanden, Willem Everts of Heynsberg, Jan Delsen of Christiaansand, Johan George Klou of Nienburg, Johannes Zoon of Sardam, Jan Niedekker of Honef, Philip Picard, Joseph Denhart of Nieuwpoort, Jan Tijtjes de Vries of Groningen, Andries de Groot, ditto, Jan van Kempen of Bremen, Christiaan Steeman, Jan van Wageman of Stettin, Hendrik Verkuil of 't Bosch, Johannes Vermeulen of Amsterdam, Johann Hendrik Weeber of Altona, Joseph Kolles of Oostende, Johan Christoffel Appel of Danneberg, Pieter Gunsthoorn, sailors; Joseph Brit of Doornik, Christiaan Lodewijk Forsta of s' Hage, and Frans Absiel, also of s' Hage, ordinary seamen, all belonging in the aforementioned capacities under this government, have not hesitated during the past year to successively and willfully abandon their appointed posts and the service of the Honorable Company and to make themselves fugitives, so that notwithstanding all efforts exerted, they could not be discovered; The aforementioned Fiscal requesting on that account that the above-mentioned fugitive persons may be summoned peremptorily in person by public ringing of the bell and edictal citation, to appear within a certain designated day before us or commissioners from our college, in order to answer for their willful desertion and abandonment of service, on pain of being proceeded against by contumacy in accordance with the law in the event of non-appearance; Wherefore the Council, having considered the request of the aforementioned Fiscal, as well as in pursuance of the established circular order by Their High Excellencies the Gentlemen of the High Indian Government dated 20 Augustus 1753 for the maintenance of justice, has approved and deemed necessary to have the above-mentioned fugitive persons summoned by public edict and the ringing of the bell, as we hereby summon and call upon them to appear peremptorily in person in our council chamber within the time of the first coming four weeks, to purge and justify themselves before our court, or commissioners therefrom, regarding said willful desertion and abandonment of service, on pain that upon negligence thereof they will be proceeded against by contumacy in accordance with the law. Was written below: Thus done and granted at Cabo de Goede Hoop, 6 Januarij 1791. Was signed: I: I: Rhenius. Lower: in the margin was the great seal of Justice impressed in red sealing wax, and underneath: By order of the Honorable Worshipful Lord President and the Honorable Worshipful Council of Justice of this government. Was signed: W. J. v. Rijneveld, Secretary. Agrees. Karnspek, sworn clerk

Dutch transcription

straf te versoeken. Aldus gevraagt en beantwoord aan Cabo de goede Hoop den 9 Augustus 1790, voor de Heeren Rijno Johannes van der Riet en Abraham Feck, Leeden uit den E: Achtb: raade van Justitie deezes gouverne, ments die de minte deezes degevr en mij gemw Clercq meede behoorlyk hebben onderteekend. /:laager:/ mij Present:/ ge„ teekend:/ I: D: Karnspek. Recollement Compareerde voorde ondergeteekende ge„ committ:s uit den E: Achtb: raade van Iustitie deezes gouvernements den soldaat I: J: Render, dewelke zijn voorenstaande res„ ponsiven klaar en duydelyk voorgeleesen weesende, betuygde, daarbij te blyven per sisteeren, met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, betuygende al het voorenstaande de zuijvere waarheid te zijn, /:onderstond:/ Aldus gerecolleert aan Cabo de goede Hoop den 22 Aug. s 1790 /geteekend:) T: Brenger, /:laager/ mij present /:get:/ I: D: Kamspek /:in margine:/ als geconns: / geteekend:/ R: J: v: d: riel en Am Flelk /:onderstond:/ Accordeert. Brdnir getw: Clercq No. 1 N=o 4 Johannes Isaac Rhenius President beneevens den raad van Justitie des Casteels de Goede Hoop, doen te weeten Hoe de Independent Fiscaal Iohan Nieo„ laas: Steven van Lijnden, aan ons bij monde heeft te kennen gegeeven. Dat albert Rump van Breemen, scheepstimmerman Dirk Janssen van Westvriesland ondertimmerman Leendert Grosman van s' Haage Beeldhouwer Laurens Weijdman van Christiaansond Quartiermeester Johan Freddrik Kouser van Erfort Joseph Lamkouser van Brussel Pieter Obliger van Caten Bern Jan Ioseph Hartman van Breemen Philip Jacob Rodever „ Straatsburg Brussel „ Hendrik Pollebron Jan Hendrik Harms „ Labeek Parijs „ Pieter Le Bas Leeuw Christiaan Berg van Christiaantand Andries Christiaansen „ soldaaten Jacob Jan van Loos van Leiden Andries Sallaes van Lune Hendrik Jung „ nedermeulen Laurens Breederen Carolus Fredrik Christoffel Rugen van Amsterdam Willem de Vos van Pallz Jan Theijman van Weijburg te Laurens Hanssen van Coppenhagen Jacob Iohannes Karner „ middelburg Pieter Steenhuijsen „ Carels Kroon Daniel Wolf van Twee bruggen François Olivier van Naamen Hendrik Willem de Vries van Kemsen Jan Gito van Deienkerken, Johan Laurens, van Raijen „ Diammen Pieter Holm Arend Schreuder van Blomberg, Jacob Isaac van Patersborn, Jan Marder van Christiaansand, James Velles van s' Hage, James Kesels „ — Willem Beurendsen, Christiaansand Patulo Sennot „ Cleef, Jan Smitt „ Anthonij Ioseph „ Venetien Jan Baptist van Sant „ Antwerpen Manus Strandberg „ Carelskroon Jacob Raaphorst Wonbruggen „ Christiaan Salomons „. Cabo, Leeuw „ Laurens Kink Decanden Iohannes vander Poel„ Willem Everts van Heynsberg, Jan Delsen Christiaansand nienburg Iohan George Klou „ Johannes Zoon „ Sardaa Jan Niedekker van Honef, Philip Picard „ Joseph Denhart „ Nieuwpoort Jan 0 Ian Teijtjes de Vries van Groningen Andries de Groot ide Jan van Kempen „ Breemen Christiaan Steeman„ Jan van Wageman van Statten T' Bosch Hendrik Verkuil „ Iohannes Vermeulen „ Amsterdam Johann Hendrik Weeber „ Altona Ioseph Kolles van Ostende Iohan Christoffel Appel van Dameberg, ƒ Pieter guntshoorn „ mattroosen, valen Ioseph Brit van Dornik Christiaan Lodewijk Forsta van S'Hage en frans Absiel mede van s' Hage Hooplopers, alle in voormelde qualiteiten onder dit Gouvernement sorteerende hun niet hebben ontsien geduurende het voorl: Iaar, successivelyk hunne bescheidene Posten en den dienst der EComp=tie moedwillig te verlaaten en hunzelven fugatief te stellen zodanig dat niet teegenstaande alle aan„ gewende moeyte niet hebben kunnen werden ontdekt, Versoekende welgemelde Heer fincaal welgemelde Heer spircaal dierweegens dat bovengem: vlugtige Persoonen bij openbae klotkegeslag en edictale Citatie pecemptoir in Persoon moogen werden ingedaagt, om binnen zeekeren bepaalden daage voor onrofte ons ofte gecommitteerdens uit ons Collegie te compareeren, ten einde hun weegens moedwillige desertie en diens toerlaating te koomen verant woorden, op piene, dat bij noncomparitie teegens deselve by continuacie zal wer¬ den geprocedeert als na rechten: Weshalven de raad gelet hebbend op het versoek van welgemelde Heeren Fircaal, mitsgs in opvolging der beraamde circulaire ordre bij haar hoog Edelens de Heeren der hooge Indiasche regeering de dato 20 Augustus 1753. tot handhaving der Iustitie goedgevonden en noodig geoor„ deeld heeft, de bovengem: fugative Personen bij openbaare edictie en klokke geslag te doen dagvaarden, gelyk wij haarlieden dagvaar, den en indaagen mits deezen, omme binnen den tijd aan de vier eerstkao mende weeken, peremptoir in per„ zoon op onsen raadzaal te verscheinen omme hun weegens gemelde moedwil¬ lige desertie en dienstverlaating voor onsen rechtbank, dan wel gecommit„ teerdens uit deselve te koomen op purgeeren en verantwoorden, Pene dat bij nalaatigheid van dien teegens deselve bij Contimacie zal worden zal worden geprocedeerd als naa rech¬ ten /:onderstond:/ Aldus gedaan en verleend aan Cabo de Goede Hoop, den 6 Janu¬ arij 1791. /:was geteekend:/ I:: S: Rhenius /brager: /:in margine stond het grootzegul der Justitie in roodelacke gedrukt, en daaronder: Ter ordonnantie van den E: Achtb: Heer President en den E: Achtbaaren raade van Justitie deeses gouvernements /:was geteekend:/ W Jv Rijneveld Secre=t Accordeert Damsper gew Clercq

NL-HaNA_1.04.02_11024_0183 view scan ↗

English

No. 5 Appeared before the Honorable Lord President and the Council of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal, Mr. Johannes Nicolaas Steeven van Lynden van Bletterswyk, ex officio Prosecutor in a criminal case, on the one hand; the burgher Nicolaas van der Schijf, defendant in the aforesaid case, on the other side. And he declared: That from the attached report and statement it will sufficiently appear to Your Honors; In what manner and way the defendant Nicolaas van der Schijf quarreled over a trifle with the burgher's widow Jacobus Hugo, residing at his house in a rented room; That the defendant not only verbally abused the aforementioned widow in a gruesome manner; But also, having violently pushed open the door of the room, grievously assaulted the same with punches and otherwise; That the defendant was not satisfied with this, but repeatedly committed and reiterated the same treatment; And in addition continued no less to pour forth all kinds of scorn and insults; Which sufficiently characterize a malicious and insolent person; That the defendant has thus rendered himself guilty of violence and actual assault and battery; Which, having been committed against a woman with the aforementioned circumstances; Shall make the defendant all the more punishable; As the same, being a person of ill repute, has already frequently deserved punishment; And through his otherwise poor housekeeping and conduct daily subjects himself to it; The defendant refusing to be brought to order by any counsel or admonition; Wherefore, and for other reasons and grounds to be further deduced in due time if necessary, the ex officio Prosecutor, making his demand, concluded that the defendant shall be condemned by final sentence of Your Honors to be sharply reprimanded, furthermore to be placed on water and bread and remain locked up for 14 days, with condemnation of the same to all costs, or to all such other penalties or fines as Your Honors in law and equity shall deem fit. Was signed: J. N. S. van Lynden. In the margin: Exhibited 2 April 1789. Report given before the Commissioner Lords from the Honorable Council of Justice of this Government, and at the requisition of the Independent Fiscal here, the Honorable Lord Mr. Johan Nicolaas Steeven van Lynden van Blitterswyk, by Rachel Saayman, widow of the burgher Jacobus Hugo, of competent age, reading as follows: That the declarant, having rented a room on the first of February from the burgher Nicolaas van der Schijf for the period of one month, and intending to depart at the end of the same, in friendly terms asked the aforesaid van der Schijf about a basket, which the declarant, with the consent of him, van der Schijf, and because the declarant's room was too small to store it, had caused to be placed in the kitchen and which had been used by van der Schijf during the aforementioned time; but that he, van der Schijf, flaring up, had answered the declarant's question by saying: You scoundrel, do you think that I will look after your stuff? It is enough that I rented you the room so cheaply. To which the declarant answered him again: Mr. van der Schijf, you rented me the room on the condition that you would store elsewhere the goods that I could not place in it, and you are therefore responsible for it, but why do you flare up so? I do not care about the basket, perhaps it is on board with the rest. To all of which van der Schijf had said nothing, but had left the house. That the often-mentioned van der Schijf having returned after about an hour, the declarant (who upon his approach had closed her room door to prevent further unpleasantness) had at that time entered into conversation through her room window with a musician of the regiment of Wurtemberg garrisoned here, named Andries, who brought the declarant a message from a certain Smit (the harpsichord master of the declarant's daughter); whereupon the brother of the mentioned van der Schijf arrived just then, being so drunk that he was barely able to stand on his feet.

Dutch transcription

No 5 Compareerde voor de Welachtb: Heere President en raade van Justitie des Casteels de Goede Hoop den Independent fiscaal Mr. Johan:s Nicolaas Steeven van Lynden van Bletterswyk E: O: Eyscher in Cas Crimineel ter eenre den Burger Nicolaas van der Schijf ged: in voorsz: Cas ter andere zyde 1: En deede Zeggen 2 dat Uw E achtb: uit d'annexe relaas en Verklaaring genoegzaam zal blijken 3 op welke en hoedanige wyze den gede: Nics van der schyf met de ten zijnen huize in een gehuurde kamer woonende Burgers wede. Jacs: Hugo over een klynigheid in twist is geraakt 4: den ged: gem: weduwe niet alleening op een gruwe„ „lyke wijze uitgescholden 5: maar ook naar de kamer deur geweld zamen wyze opengestooten te hebben, dezelve met vuystslagen en andersints deerlijk Mishandeld heeft dat den ged:e zig daarmeede niet vergenoegd maar dezelve behandeling bij reiteratie heeft herhaald en gedaan en daar bij niet minder gecontinueerd, allerlijhoon en smaad woorden uyt te storten, 8 die genoegzaam een slegtdenkend en brutale mensch koomen te Caractriseeren 9 dat den ged: zig dus aangeweld en reëde in Jurie heeft Schuldig gemaakt 10 dewelke aan een Vrouw gepleegt met voorz: om„ „standigheedens 11 11 den ged„e dies te Strafbaarder zal maaken als denzelven uit homo pejoris notoe reeds dik „wils Straffe heeft gemeriteerd 13 en door zijn overig slegt huishouden en gedrag zig wel dagelijks daar aan onderheevig maakt Willende den gede door geen raad en vermaaning zig in order laaten wyzen 14 12 mits welken en anderen reede„ en middelen in tyd en wyle (is 't nood:/ nader te deduceeren, den E: O: Eij„ scher Eysch doende Concludeerde, dat den ged. e bij definitive vonnis van UwE Achtb: zal worden gecondemneerd om¬ me Scherpelijk gereprimendeerd te worden, voorts 14 daagen bij water¬ en brood gezet en opgeslooten te blij¬ „ven, met Condemnatie deszelve in alle onkosten ofte tot al zulke ande¬ repaine ofte boetens als UwE: Achtb: naar regt en billykheid zul„ len oordeelen te behooren /was getekend:/ S: N: S: Van Lijnden (:in margine:/ Exhibitum den 2 April 1789 Celaas gegeeven ten overstaan van Heeren Gecommitteerdens uijt¬ den E: Achtb:e Raaden van Justitie deezes Gouvernements en ter re„ quisitie van den independent Cos„ „caal alhier de E: Achtb: Heeren Mr. Johan Nicolaas Sleeven van Lynden van Blitterswyk door Dat de recte primo februarij, een kamer gehuurd hebbende bij den burger Nicolaas van der Schijf, voor de tijd van een maand, en met het einde van dezelve Sullende vertrekken, voorsz: van der schijf in Vriendelijke bewoordingen gevraagd had na eene mande, die de rec=te met toestemming van hem van der Schyf; en om dat der rel=te kamer te klein was, om die te bergen, in de Combuys had doen plaatzen en door van der Schijf geduurende voormelde tijd gebruikt was geworden; doch dat hij van der schijf opstui„ vende der red=te vrage beandwoord had, met te zeggen, Jou loeder denk jij, dat ik op zou goed passen zal, 't is genoeg dat ik zou de kamer zo goed koop ver„ huurd heb, waar op de recte hem weder toevoegde, Mr. van der Schijf, gij hebt mij de kamer op die conditie verhuurd, dat gij het goed, dat ik daar in niet zou kunnen plaatzen, elders zou bergen, en zyt er dus aanspraklijk voor maar waarom vligd gij zo op ik geef om 't mandje niet, misschien is 't aan boord, bij het andere, op al het welke van der„ Schijf niets had gezegd, maar ten huize was uit„ „gegaan. Dat dikwils gemelde van der Schif na verloop van omtrent een uur te rug gekeerd zijnde, de rec=te /: die op zijn aannaadering haare kamer deur, om verdere on„ aangenaamheeden voor te koomen, gesloten had:/ als toen door haar kamer venster in gesprek was ge„ „raakt, met een Mussicant van het alhier guarnisoen houden regiment van Wartemberg, in naame An„ „drie, die de rec=te eene boodschap gebragt van eenen Smit /: de Clavier meester van den rec=te dogter:/ wanneer Juist daar op was aangekoomen de broe„ der van gerepten van der schijf, zodanig beschon„ „ken zynde dat hij nauwlyks in staat was, op zijne door Rachel Saayman Wede. van den burger Jacobus Hugo van Competenten ouderdom, luidende het zelve als Volgd. voeten deerd water te in ande„ blij„ aan

NL-HaNA_1.04.02_11024_0186 view scan ↗

English

to be able to stand on feet, to which van der Schyf, the above-mentioned Nicolaas van der Schijf, immediately added: I have to do with wretched scoundrels, with whores. That the relator thereupon opened the door of her room and, having asked him, Nicolaas van der Schijf, whether he well knew what he was saying, and whether he could prove such, had received as an answer from the same: you had better hold your mouth, or I will kick you to pieces; can you prove to my wife that she is mounted every day, as you have said to Bruinswaart? Which was answered again by the relator in these substantial expressions: van der schijf, yesterday, even at the table, you still said to your wife: beast, make sure that you get away, because you have been mounted again already; upon which answer he, Nicolaas van der Schijf, had given the relator a shove against the chest, whereupon she, the relator, having turned around, had gone into her room and had closed the door behind her, but that he, van der Schyf, not resting content with this, had thrown a foot-stove violently against the door, and because it would not spring open from that, he had kicked the door up to three times in such a manner that it was smashed to pieces and broken open, and furthermore, immediately rushing at the relator, had assaulted her in a piteous manner with his fists, after which treatment he had left the room. That the relator, after his departure, being busy arranging her clothes again and preparing herself to leave that house, had said, among other things, to her little daughter who was present there: we will make sure that we get away from here, upon which saying the aforementioned Nicolaas van der Schijf had again stormed into the room, and seized the relator by the hair, dragged her to the door of the room, and pushed her, saying: beast, out the door this instant, I will give you so much for those six rix-dollars that you will have enough, and then you can go away; but that he, through the pleading and begging of the relator to put on a petticoat first, had finally let her go, while she, to that end, had gone back into the room and placed herself on the bed, but that he, Nicolaas van der Schijf, now coming into the room for the third time, had seized the relator by the hair and thrown her backwards onto the bed; that the relator, now already covered in blood and seeing no chance to escape the rage of that man, had likewise seized him by the hair and given him a kick in the belly, by which his shirt was torn, whereupon she, the relator, got free and made her way out of the house. The relator testifying lastly that he, Nicolaas van der Schijf, among other far-reaching insulting and defamatory words, also said: You are a whore, if you do not go and complain, because the Fiscal cannot blow a feather out of my arse. Declaring nothing more, the relator gives as reasons for her knowledge as in the text, being prepared to maintain the above at all times under oath. Thus related at Cabo de Goede Hoop on 31 March 1789 before the gentlemen Ryno Johannes van der Riet and Hendrik de Wet, members of the Honorable Council of Justice aforementioned, who have properly signed the minute of this along with the relator and me, sworn clerk. Below: Which I witness. Was signed: Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk. Below stood: Confirmation. Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this aforementioned government, Rachel Saaijman, widow of the burgher Jacobus Hugo, to whom this her preceding report having been read out clearly and distinctly, declared to persist and abide by the same, with the desire that nothing more shall be added to or taken from it, and therefore spoke, in confirmation of the truth thereof, in the presence of the burgher Jacobus van Leeuwen as authorized agent of the burgher Nicolaas van der Schijf, the solemn words: So truly help me God Almighty. Below stood: Thus confirmed and sworn at Cabo de Goedhoop on 16 September 1789. Was signed: The widow Hugo. Below: In my presence. Was signed: W. C. van Rijneveld, Assistant Secretary. In the margin: As commissioners. Was signed: R. J. van der Riet and G. H. Meijer. Done at Cabo de Goede Hoop on 15 March 1789. The oboist Johan Georg Andrae testifies that he was not present at the beginning of the dispute which took place between Nicolaas van der Schyff and the widow Hogo, but did not arrive there until the latter was already in her room. He heard that they were scolding one another, but he understood nothing of it because he does not know the Dutch language. Van der Schyf finally kicked in the room door, and the oboist went into his room. When he came downstairs again and wanted to go out, he saw in passing that van der Schyff and the widow Hogo had been lying together on the bed and holding each other by the hair. For the rest, the deponent has seen or heard nothing. That the oboist Andrae has declared this and nothing more. Attest. Was signed: J. G. S. Kort, Lieutenant Auditor. Today, 9 May 1789. Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the hereinafter-named witnesses, the burgher Nicolaas Johannes van der Schijf, who declared to constitute and in the best manner in law to empower, as he does hereby, the burgher Jacobus van Leeuwen, with power of substitution, specially to attend to and defend before the Honorable Council of Justice of this Government such case as the Independent Fiscal

Dutch transcription

voeten te kunnen staan, aan welke van der Schyf bo„ vengem: Nicolaas van der Schijf terstond toevoegde ik heb met Schendloeders, met hoeren te doen Dat de recte. daar op de deur van haar kamer ge¬ opend en hem Nicolaas van der Schijf gevraagd hebbende, of hij welwist, wat hij zeijde, en of hij zulks konde bewyzen? van denzelven antwoord had bekoomen, best houje bek, of ik trapje fijn kund gij myn vrouw bewyzen, dat ze alle dagen beloopen is, gelijk gij tegen Bruinswaart gezegd hebt, 't geen door de relte: weder beantwoord was in deeze substan„ tieele uitdrukkingen, van der schijf gij hett giste„ ren, noch zelfs aan tafel tegen uw vrouw gezegd, beest maakt dat je weg komt, want je bent al weer beloopen op welk andwoord hij Nicolaas van der Schijf de rele. een stoot teegen de borst had gegeeven waar op zij re=le zig ombekeerd hebbende in haar kamer gegaan was en de deur agter zig geslooten had, maar dat hy van der Schyf, hier bij nog niet berustende, met een stoof geweldig tegen de deur had gegooyd, en dewyl dezelve daar door nog niet wilde openspringen, zo had hij tot driemaal toe zodanig tegen de deur getrapt, dat denzelven aan Stukken en opengeslaagen was, mits gaders onmiddelyk op de rel=te toeschietende, de zelve op een deerlijke wijze met zijn vuijsten geteesterd, na welke behandeling, hij de kamer verlaaten had. Dat de relte. na zijn vertrek bezig zynde met haare kleederen weder te Schikken en zich gereed te maa„ ken, dat huijs te verlaaten onder anderen tot haar aldaar tegenwoordig zijnde dogtertje gezegd had, wij zullen maaken dat wij hier van daan koomen, op welke zeggen voorschreeve Nicolaas van der Schijf al wederom ter kaamer was ingestooven, en de relt. bij het haar gegreepen na de deur van de kamer gesleept, en haar toegeduuwd had, beest zo direct de deur uit„ ik zal je zo veel geeven voor die zes rixksdaalders, dat Jij genoeg zult hebben, en dan kan je heen gaan, doch dat hij door 't Soebatten en smeeken van de relte om een rok eerst aan te trekken, haar eindelyk had had losgelaaten, terwyl zij ten dien einde weder in de kamer was gegaan, en zich op de Kooij geplaatst had, dog dat hij Nicolaas van der Schijf nu voor de derde„ maal in de kamer komende, de rec=te bij de haijzen ge„ „greepen en agter over op de kooij had gesmeeten, dat de rec=te nu reeds vol bloed zijnde, en geen kans ziende, om de Woede van dien Man te ontkoomen, hem insgelyks had bij de haijzen heb genoomen, en een Schop teegen de buyk gegeeven, waar door zijn hembd geschuurd was, zijnde zij rel. t. daar op Los en ten huize uitgeraakt. Betuigende de recte Laatstelijk, dat hij Nicolaas van der Schijf, onder andere verre gaande hoon en smaad woorden noch gezegt heeft Je bent een hoer, zo je niet gaat klaagen, want de Fiscaal kan mij geen veer uit mijn god blaazen. Niets meer verklaarende, geeft de rcte voor reedenen van Wetenschap, als in den text, be¬ reid zijnde het voornstaande altoos met Eede ge„ stand te doen Aldus gerelateerd aan Cabo de Goede Hoop den 31 Maart 1789 voor de heeren rijno Johannes van der riet en Hendrik de Wet, Leeden uit den E: Achtb„ raad van Justitie voorm:, die de minute deezes beneeven de recte. en mij gezw: Clercq meede be„ „hoorlyk hebben onderteekend / Lager:/ 't welk ik getuige /:was getek:/ Willem Stephanus van Rijneveld gezw: Clercq /:onderstond./ Recollement Compareerde voor ons ondergete: gecommitt:s uijt den E: Achtb: Raade van Justitie deezes gouvernements van soof e d zelve dat chijf elyk gouvernements voorm: Rachel Saaijman wedue van Hugo den Burger Jacobus dewelke dit haar voorenstaande relaas klaar en duidelijk voorgeleezen weezende, verklaarde dezelve daar bij te blyven persistee„ ren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan werden zal en sprak derhalven ter, be„ „vestiging der waarheid van dien in praesentie van den burger Jacobus van Leeuwen als gemog¬ tigde van den burger Nicolaas van der Schijf de solemneele woorden zo waarlijk helpe mij God Almagtig /:onderstond:/ Aldus gerecolleerd en beedigd aan Cabo de Goed- hoop den 16 September 1789 /:was getekend/ De wed: Hugo /:Lager:/ Mij present /was getek:d:/ W: C: van Rijneveld Adjunct Secretatis /:in margine/ Als Gecommitt=s /was getek:d/ R J: van der Riet en G: H: Meijer Actum aan Cabo de Goede Hoop den 15de Maart 1789 De Hautboist Iohan Georg Andrae getuigt Dat hij bij den begin van het verschil 't welk tusschen Nicolaas van der Schyff en de weduwe Hogo heeft plaats gehad niet is present geweest, maar niet eerder daar bij is gekoomen als dat de laatstgem: reeds in haar kamer was. Hij heeft gehoord dat zij by den elkanderen hebben ge„ scholden, maar hij heeft niets daar van ver„ staan staan dewyl hij de hollandsche Taal onmagtig is van der schyf heeft laatstelyk de kamer deur inge„ stooten, en de Hautboist is in zijn Vertrek gegaan Wanneer hij weerom ondergekomen is, en uijt¬ „gaan wilde, heeft hij in 't voorbij gaan gezien, dat van der Schyff en de weduwe Hogo met elkanderen op 't bed hadde geleegen en bij de hairen gehad. Overigens heeft de Deponent niets gezien of gehoord. Dat de Hautborst Andrae zulks en niets ver„ klaard heeft Test /:was geteeken::/ J: G: S: Kort Lieut: auditeur Huiden den 9 Maij 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rij„ neveld, gesw: Clercq, ter secretarije van Justitie des Casteels de goede hoop, present de naten: getuigen, den Burger Nicolaas Johannes van der Schijf, dewelke verklaarde te Constitueeren en op de bes¬ „te wijze in rechten magtig te maaken, gelijk doet bij deezen, den Burger Jacobus van Leeu„ wen, Cum potestate Substituendi, specialyk omme voor den E: Achtb: Raad van Iustitie deezes Gouvernements waar te neemen en te defendee„ „ren zodanige zaak, als den Heer Independent Pis

NL-HaNA_1.04.02_11024_0190 view scan ↗

English

Fiscaal Johan Nicolaas Steven van Lynden, in his official capacity, has moved and brought action on and against the Appearer; to that end to observe and follow all terms and delays of law, to present requests, both civil and in judicial proceedings, to request verdicts and interlocutory orders, to hear the same pronounced, to appeal from adverse ones, to enter into reformation or to request revision, further in this regard and in everything to do and have done whatever the Appearer himself, being present, would be able to accomplish; the Appearer promising to approve whatever shall be done and performed in this regard by the appointed attorney or his substitutes, under obligation according to law. Below stood: Thus transacted at the Secretariat aforesaid, in the presence of the Clerks Marthinus Laurentius Neethling and Jacob van de Waerd, as witnesses, who have duly signed the minute hereof along with the Appearer and me, the said Clerk. Lower stood: To which I testify, was signed, W. N. Rijneveld, sworn Clerk. Answer and Counter-Conclusion, drawn up, and with duty-bound respect submitted to the Right Honorable Johannes Isaak Rhenius, President, along with the other Honorable Members of the Council of Justice of this Government at the Cape of Good Hope. By and on behalf of the undersigned citizen, Nicolaas Johannes van der Schyff, defendant in a criminal case, of the one part, On and against the Independent Fiscal of these towns, the Honorable Nicolaas Steven van Lynden van Blitterswijk, Plaintiff in his official capacity in the same case, of the other part. Right Honorable Sir and Honorable Gentlemen: The undersigned having been summoned under date the second of the past month of April by the Plaintiff in his official capacity, in order to see served a written claim in a criminal case, to answer thereto, and further to proceed according to law, And appearing on the roll on the day of service, requested a copy of the conclusion of the claim brought forward by the Plaintiff in his official capacity, and a day until today to be permitted to serve an answer thereto, which, through the equitable and impartial administration of justice by Your Right Honorables, was favorably granted to the defendant; for which the same, before answering, expresses his humble and duty-bound thanks to the highest degree to Your Right Honorables, Since he is thereby enabled to clear a path for himself which naturally leads him to the demonstration of the baselessness of the instituted action, And in order to set forth his sincere innocence as clear as the midday sun before the sharp-sighted and accurate eye of Your Right Honorables, from which it will also be satisfactorily established according to law that by the defendant in this case nihil doli, nihil mali has been perpetrated; Respectfully trusting that Your Right Honorables, as well as the undersigned, will have heard with the utmost surprise that it has pleased the Plaintiff in his official capacity, concerning the case in question, and wherein in this matter according to the order of law it is to be treated at length to demonstrate the undersigned's pure innocence, to bring forward such an important conclusion on and against the defendant, ostensibly for the party injured and offended in her honor in this matter; And that upon no other foundation than upon a malicious, false, and untrue accusation of a person who, both with respect to her life and conduct, as well as the so palpable untruths of her accusation, and singularity, as is trusted, cannot merit the least credibility in law. For even if the facts laid to the defendant's charge could be verified by valid evidence, which is not the case, that the same had been committed by him, it is trusted that the Right Honorable Plaintiff in his official capacity could not have drawn a more severe conclusion; but brevity's sake, in order to omit everything that the nature and circumstances of the case permit in any way, the defendant will therefore have the honor to say only in passing: That after reading the conclusion taken in this regard by the Plaintiff in his official capacity, with these annexures, he has indeed noticed; That it has pleased the Plaintiff in his official capacity to posit to the charge of the defendant various alleged facts, such as that he not only terribly reviled the accuser, forcefully pushed open the room door, grievously mistreated her with fist blows and that repeatedly, as in Articles 4 and 5, and committed violence in real injuries as in Article 9, and by his extremely bad housekeeping and conduct made himself punishable at the judge's discretion, as in Article 11; The accuser, to give free rein to her malicious nature, going yet a step further, Saying, in her alleged account, that the defendant supposedly insulted the Fiscal's office in an extreme manner; The defendant, for his part, also having trusted, as a most necessary requisite according to the style and practice of law, to find the aforesaid alleged facts verified by the Plaintiff in his official capacity with legal evidence to the satisfaction of the law; Yet that in all cases, saving a better judgment, such assertions, on the foundation of the evidence produced with the claim, which is inadmissible in law, must vanish of themselves. In order then in this written answer to annul the entire alleged claim, to prevent further proceedings, the defendant must briefly premise, Firstly, the true course of the incident.

Dutch transcription

Fascaal Iohan Nicolaas Sleven van Lijnden, R. O: op ende Jegens den Compt. is komen te moveeren, ten dien einde alle termijnen en dilayen van rechten te houden, en volgen, requesten, zo civiel als in Judicio te presenteeren, konnissen en appoinc„ tementen te verzoeken dezelve te hooren pronuntieeren, van de nadeelige te appelleeren, in reformatie te koomen ofte revisie te verzoe„ ken, voorts hier omtrend ende in alles te doen en doen doen, 't gunt den Compt. zelfs present zijnde, vermoogens zoude weezen te verrichten, beloovende den Comp:t te zullen approbeeren al het geen hier omtrend door de geconstitueer„ de of deszelfs gesubstitueerdens zal worden gedaan en verrigt, onder verband als na rechten /onderstond/ Dat aldus passeerde ter Secretarije voorm: ter presentie der Clercquen Marthinus Lau„ rentien Neethting en Iacob van de Waered, als getuigen, die de minute deezes beneevens den Comp:t ende mij gezed Clercq meede be„ hoorlyk hebben onderteekend /: Lager/ 't welk ik getuige /:was geteekend/ W::N: Rijneveld gesw: Clercq Antwoord en Contra Conclu¬ tie, gedaan maaken, en met Pligt Schuldigen Eerbied overgegeeven, aan den WelEd: Achtbaaren Achtb: Heer Johannes Isaak Rhenius Precident, beneevens de verdere E: Achtbaaren raad van Justitie dezes Gouverne„ ments aan Cabo de Goede Hoop¬ Door ende van wegen Den ondergeteekenden burger, Ni¬ colaas Johs: van der Schijf, vern: in Cas Cremineel ter Eenre Opende Jeegens den Indepen¬ „dent fiscaal dezer Steeden, den Achbb: Heer en Mr. Nicolaas Steeven van Lynden van Blitterswijk R:O: Eijsscher in het zelve Cas ter andere Leijden Wel Ed: Achtb Heer; En Den ondergeteekenden sub dato tweeden der verloopene maand April door den Heer R:O: Eijpscher gedagvaard zinde, omme in Cas Cremineel te zien dienen Heeren van ƒ van Schriftelijken Eijsch, daar op te ant„ woorden en voorts te procedeeren als na Regten, Ende ten daagen dienende ter rolle Compareerende, heeft verzogt Copia van S: R: O: Eysschers uitgebragten Conclusie van Eijsch, en dag tot op heeden om er op te mooge dienen van antwoord, welke door de acquitabele en onzeidige administra„ tie der Iustitie door Uwel Ed: Achtb: aan den gedaagden gunstig is verleend, voor welke den zelve (:alvoorens te ant¬ woorden:/ hoogts dezelve zijnen nedri¬ gen en Pligtschuldigen dank betuigt Alzo hij daar door in Staat gesteld word, zig een weg te baanen, die hem ter demonstratie van den ongrond der ge„ institueerden Actie, als van zelfs toelijd¬ En omme zijn sinceire onschuld zo klaar als de zon op de middag, onder het scherp ziende en nauwkeurig oog, van Uwel Ed: Achtb: daar te stellen, uijt het welk dan ook den regten ten genoegen zal koomen te Consteeren, dat er door den gedagden in dit ge„ „val Nihie doli, Nihil mali, is geperpredeert; Eeerbiediglijk vertrouwende, dat Uwel Ed: Achtb, zo wel als den ondergeteekenden, met de uijtterste Surprice zullen hebben aange„ hoord, dat het den E: O: Eijsscher heeft behaagt, nopens het geval in questie, en waare in ten deezen in ordine Luris, in het breeden Staat staat gehandeld te werden, ter aantooning van des ondergeteekendens Suivere Onschuld, zooda„ „nigen Importante Conclutie, Op ende Jegens den verweerder uijttebrengen, quasi voor de in dezen geledeerden, en in haar Eer geof= fenceerde Bartij„ Ende dat op geen ander fundament, als op een quaadaardige, valsche, en onwaar„ „agtige Accuzatie, van Een Perzoon, welke zo ten opzigten van haar leeven Engedrag, als de zo handgrypelijke onwaarheeden van haar aanklagte, en Singulariteit /:zo men ver= „trouwed:/ in regten geen het minste geloof Meriteeren Kan, Wan't Schoon de den veru te Last gelegte feiten, door vallabele bewyzen konde werden geferifieerd /als neen:/ dat dezelve door hem waaren gecommitteerd, vertrouwd men dat den Achtb: Heer R: E: Eijsscher, al geen Impor„ „tanter Conclucie hadde konnen neemen, dog brivitatis Ergo om alle het geene den aard en om„ „standigheeden der zaake, maar eenigzints permit„ „teerd, te omitteeren, zal den gedaagden derhalven de Eer hebbe alleen in Fransitu te zeggen; Dat hij na Lectuure van de door den E: O: Eysscher ten deezen reguarde genoomene Conilutie met dees bylaagen, Wel heeft ontwaard; Dat den E: O: Eijsscher, ten Lasten van den gedaagden gedaagden; dieversche Pretense feiten, /:als dat hij de Accuzatrice niet alleen gruuwelijk heeft uijt gescholden, de kamer deur geweldiglijk open ge„ „stooten, met vuijstslaagen, ende zulx bij reite„ ratie deerlijk mishandeld, als op Art: 4: 5: en zig aan geweld, in reeele Jnjurien op Arti gen door zijn over slegt huishouden, en gedrag, arbittio Iudicis, Strafbaar heeft gemaakt, Als op Art: 11:/ heef behaagt te poseeren gaande den Accusatrice (:om haar quaadaardigen Imborst den teugel te vieren, nog een stap verder. zeggende, bij haar pretens relaas, dat den ged=e het officiam Fiscaal, op eene verre gaande wijze zoude hebben geinjurieerd; Hij gedaagden ook van zijn kant, de voerz: preten¬ „se feiten, als een aller noodzakelikst requisit, hadde vertrouwd, na Styl en Fractyk van regten, door den E: d: Eysscher, met legaal bewijs, den regten ten genoegen, te zullen vinden geferifieerd; Dog dat in allen gevallen, Salvo Meliorie:/ 9 zoodanige Positives op Fundamente van de bij Eysch geproduceerden; in regten onbestaan„ „baare bewijze, moeten Evanesseeren van zelve, Omme dan in deeze Schriftuure van Antwoord, de geheele Pretensen Eijsch te annulleeren, ter voor„ koominge van verdere Proceduures, zal den ge„ daagden met weinige moeten premitteeren. Eerstelyk de waare toedragt van het geval

NL-HaNA_1.04.02_11024_0195 view scan ↗

English

case in question, with all accompanying circumstances, and from the species facti thereof, to argue, in the second place, That the defendant in his house, which by law and justice must serve him as a safe dwelling, being molested and insulted in such a manner that he, in order not to expose himself to unpleasantness, must leave this dwelling of his, though only for a short time, and returning to his house, being insulted once again, seized by the hair, pushed and kicked, and on such occasion, defending himself for once, can never with any foundation be maintained to fall within the terms of violence or real insults, much less be said to be guilty of the further acts alleged in the demand, and thus to have made himself punishable; And furthermore, in the third place, to demonstrate, and that on the grounds of the laws themselves, that the Officer Plaintiff, on the foundation of such questionable evidence, could not under correction of Your Honorable Worships' more enlightened judgment pursue his conclusion taken in this regard, to which on this side the valuable attention of Your Honorable Worships shall be most respectfully directed. In order then to satisfy the first point, the defendant asserts it to be true in fact: That the prosecutrix, through her quarrelsome and, for a decent person, unbearable nature, had brought matters to such a pass; That no respectable people, though repeatedly and very earnestly requested by her, were pleased to rent her a room for lodging; She therefore having rented two rooms from people of a very bad lifestyle that conflicts with good order, which her sister, the wife of the citizen Bruinswaart, having learned, on that occasion repeatedly and very earnestly requested the defendant, who sometimes had some business to transact there, to be willing to rent a room to her sister, in order to accustom her to a more orderly lifestyle, which request the defendant at that time declined; Yet after the course of a few days, the defendant having again come there to the house to transact some business, was on that occasion urged by the said housewife to please make a room available as lodging for her sister, being the prosecutrix in this matter, for just one month, to which request he was willing to condescend only upon the strong urging of his wife; But Honorable Worships, what happens, hardly was this ungrateful person accommodated with this dwelling, or she begins to calumniate the defendant as well as his wife to this her sister, as appears from No. 1, substantially saying that the defendant's wife was drunk every day and he ran a bad household, which coming to his ears, he, in order not to expose himself to unpleasantness, answered with silence. Which the prosecutrix noticing, finally, in order not to leave the defendant unharmed, having to leave on Ultimo Februarij hujus anni, over a basket set the entire house in an uproar, striking the table with her fist, calling the defendant a rascal, thief, and what not; In such manner that he had to leave his own house for that time, in the hope that this enraged woman would thereby be brought to calm down, of which, however, he had to experience the contrary; For after having been absent for more than an hour, returning, she like a possessed person began to fulminate again and to insult the defendant de novo; So that he was forced to admonish her amicably to be silent. Thereupon she flies at the defendant's face like a fury, seizes him by the hair, while saying these substantial words, with all due respect: no, crooked lightning, I shall show you what a woman can do, And And further pulls him by the hair for so long until they both fell down upon a bed standing in her room, at which time she gave the defendant a kick to the lower abdomen with very great force, and further tore the shirt from his groin; so that although the defendant had also seized her by the hair on that occasion in order to escape this woman's rage, which nevertheless on the part of the Officer Plaintiff is not validly proven, it is notorious Firstly That such had not been permitted to the prosecutrix, after having calumniated the defendant along with his wife to others, with a hostile intent, consequently with an animus, dolo malo, offendendi, to defy him in his own house by violating his security, much less to seize the same by the hair, and to kick him in such a manner, as appears in confesso; Whereby she, a contrario, could with better foundation be said to fall within the terms of violence; Indeed, it is beyond contestation that the public security, which must be holily maintained to everyone without distinction with all attentiveness, and is therefore also specifically established by the laws

Dutch transcription

geval in questie, met alle bijgaande omstandig„ heeden, en uit derzelver species facti, gaan betoogen, in de tweede plaats, Dat den gedaagden in zijn Huis, /: het welk hem na wetten en regten, voor een veylige wooning moet ver¬ „strekken, werdende gemotesteerd, geinjurieerd, zodaa„ „nig, dat hij om zig voor geen onaangenaamheeden bloot te stellen:/ deeze zijne wooning, /: Schoon maar voor een korten tyd:/ moet verlaaten, en in zijn huis weder keerende, ander maal werdende geinju¬ „rieerd, in de huizen gegreepen, gestoten en ge„ schopt, en bij zodanige Occatie, zig al eens. verueerende, nimmer met eenig fundament, kan gesustineerd worden, te versieren, in de Termen van geweld, of reëele Injurien veel minder gezegt worden, aan de verdere bij Eisch gevoerde faiten schuldig, en zig mitsdien strafwaardig gemaakt te hebben En voorts in de derde Plaats, Aantoonen ende dat op de gronden van de wetten zelve, dat den r: O: Eysscher, op fundament van zodaanige oirele van„ „te bewijze, zijnen ten deezen reguarde genoome „ne Conclusie / onder Correctie, van UwelE: Achtb: meer verligter Oordeel:/ niet zoude konnen vol„ „gen, waar bij men deezer zeyde, de kostbaare attentie, Uwer WelEd: Achtb:, Eerbiedigst bepaa„ len zal, Omme dan aan het Eerste poinct te voldoen, pozeerd den verweerder in facto waar te weezen; Dat de Accusatriece, door haar Twistzugtig„ en en voor een honnet mensch onverdraagelijken aard, het zo verre gebragt hadde; Dat geen fatzoenlijke lieden /:Schoon bij he „haalinge daarom zeer Instandig verzogt:/ haar een kaamer ter inwooninge, geliefde te verhuuren; zij desweegens, twee kaamers bij lieden van een zeer slegte, en met de goede ordre Strydende Leevensaan gehuurd hadden, het welk haar Zuster, de huisvrouw van den burger Bruinswaart verstaan hebbende den gedaagden, die somtijds eenige Affaires, al„ daar te verrigten hadde; bij die occesie, te meer- „maalen zeer instantig heeft verzogt, een kaa „mer aan haar suster te willen verhuuren, ten einde haar tot een Curelder Leevens aard te ge„ „wennen, welk verzoek den ged=e te dier teijd heeft geeweezen van de hand; Dan na verloop van eenige daagen, den ged=ne we„ „der om aldaar ten huizen, om eenigen affaires te verrigten gekoomen zijnde, wierd bij die occasie, door gerepte huisvrouwe gebieden, om dog aan haar suster /.Zynde den accusatriece in deezen, slegts voor een maand, Een kaamer ter Liefber= „ging te Willen inruijmen, in welke verzoek, hij niet dan op den sterken aandrang zyner Huis „vrouwe, heefd willen Condes Cindeeren; Maar Edele Achtb: Heeren wat gebeurd, er, naauwlijks was dit ondankbaar mensch, met deeze wooning gerieft, of zij begind den ver= „weerder zo wel, als deszelfs huisvrouw, bij dezen haare blijkens N=o 1: haare suster te Calumnieeren, substantieelijk zeggende, dat des verweerders huisvrouw, alle daagen beschonken en hij een Slegt huishouden voerende was, het welk ter ooren van hem gekoo„ „men hij om zig aan geen onaangenaamheeden bloot te stellen, het zelve met swijgen beant= woorden. Het welk de Accuzatriese bemerkende, Eijndelijk omme den verweerder niet ongeschon„ „den te Laaten, met Ultimo Februarij hujus an„ „ni, moetende vertrekken, om een mande, het gant„ „sche huis in rep en roer heeft gesteld, slaande met haar Vuist op de Tafel, Scheldende den Veru voor schelm dief en wat dies meer zij; zoodanig dat hij voor dat tijdstip zijn Ee„ „gen Huis heeft moeten verlaaten, op hoope dat deze verwoede vrouw, daar door tot bedaaren zoude ge„ bragt worden, waar van hij Eester het teegen „deel moeten ondervinden; Want na zig ruim een uur geabsenteerd te hebben, te rug koomende, heeft zij als een bezee„ „tenen wederom beginnen te Eulmineeren, en den verée de novo te Injurieeren; Invoegen dat hij genoodzaakt was, haar in 't minnelijken tot swijgen te vermaanen Daar op Vliegt zij als een furie, den verweerder in het gezigt, grijpt hem in de hairen, onder het zeggen van deeze substantiee le woorden /: Salva Venia:/ neen kromme bliksem, ik zal uw too= „nem wat een vrouw kan doen, En En Rukt hem voorts zo lange bij de hairen tot dat zij beyden, op een in haar kamer staande bedde zijn neder gevallen, als wanneer zij den verne met zeer groote Posze, een schop teegen de onderbuik heeft toegebragt, en voots het hembde van zijn schaam gescheurd; invoegen dat schoon den veru haar meede bij die of„ „catie, in de hairen gegreepen had, om deeze vrouw haar woede te ontgaan, het welk nog„ „thans aan de kant van den E: O: Eijsscher, niet valiedelijk werd beweezen, zo is het Notoir Eerstelijk Dat zulks de Accuzatriece niet was ge„ „oorlooft geweest, na den gedaagden, benee„ „vens zijn Huisvrouw bij anderen gecalum= „nieerd te hebben, met een vijandig opzet, in ge„ „volglijk animum, dolo malo, offendendi, in zijn Eijgen Huis, door het Schenden zijner zeekerheid te trotseeren, veel min dezelve bij de hairen te grypen, En zodaanig te schoppen, als in fonfesso blijkt; Waar door zij a Contrario, met beeter Fundament zoude konnen gezegt worden; te verseeren in de terme van geweld; Immers het is buiten Contestatie, dat de algemeenen veijligheid, die aan een ieder zonder onderscheid, met alle oplettendheid heijlig moetende worden gepresteerd, en daar„ om ook bij de wetten specialijk is gestatie¬ een

NL-HaNA_1.04.02_11024_0199 view scan ↗

English

honored that everyone's home must serve as a safe refuge, l. 18 de in jus voc., she has certainly made herself guilty of violence on that account. And in the second place, posito sed non concesso, if the defendant had on that occasion thus aggressed, given the accuser a thrust or blow in return, then this could indeed, under correction, be considered nothing other than a causa seu actus immediatus of the aforesaid aggression, so that the Officer Plaintiff, salva reverentia, could still not institute even the slightest action upon and against the defendant, it being notorious that necessaria defensio is permitted under all laws, and as such merits no punishment in the world, l. 45 § pen. ff. ad l. Aquil., Aut vim, § ubi, DD. communiter supra allegatis. Wherewith, holding this point to be settled, this side will proceed to the second point, in which it only remains to demonstrate: That while from the very noon just cited it has clearly appeared that necessary defense is permitted by all laws, it is then further evident that the Honorable Officer Plaintiff, be it said with all due respect, will never be able to convict the defendant of violence, actual injuries, or keeping a bad household. Seeing that the instituted action is founded solely upon the false and untruthful accusation of a person who, both with respect to her character, having lived during her marriage in constant quarrels and disagreements with her late husband, the citizen Jacobus Hugo, who was reputed by everyone to be a virtuous and peace-loving man, so much so that he, however unwillingly, was necessitated to solicit before Your Honorable Lordships a separation of table, bed, cohabitation, and community of property, as shall appear to sufficiency from the court records of Your Honorable Lordships; and finally forced him to leave home and dwelling and seek peace and quiet elsewhere; so that she is reputed by everyone to be an uncommonly and insufferably quarrelsome person in society, whereby the presumptions that she is the essential cause of the dispute militate very strongly against her, as will also be proved in more detail below, as well as in view of the palpable falsehoods falsely stated by her in that alleged account, solely to dupe the judge, can under law merit not the slightest credit. And in order to succeed happily further in this argument, one will accept this alleged account for a moment in quantum pro, and refuse it in quantum contra, and to demonstrate the notorious falsehoods that are found in it, simply examine the same. Indeed, in the so-called account it is said: Firstly, that having pushed her room door shut to prevent further unpleasantness, she had meanwhile engaged in conversation through her room window with the musician Andrae, whose given deposition is annexed to the claim; further, That the defendant, having thrown a foot-stove violently against the door, and it not wanting to burst open thereby, the defendant, as she says, kicked against the door up to three times, such that it flew to pieces and open. If one now merely confronts these sinister allegations with the given deposition of that musician, with whom she, nota bene, was in conversation through the room window before the start of that dispute, Your Honorable Lordships will be satisfactorily convinced of the notorious falsities and palpable falsehoods; When Your Lordships are pleased to note beforehand that the defendant inhabits only a small house, with rooms in proportion, Whereby it is indisputable that whenever someone is in a house in which such violence takes place, up to four different times, both with the throwing of a foot-stove and with kicking against the room door so that it breaks into pieces, like this deponent then must necessarily have heard it as well. And yet that deponent testifies just as little to having heard the slightest bit of this alleged violence as he saw that the defendant dragged her by the hair to the room door, and that she was so terribly mistreated by him that she was completely covered in blood; So that here, with good foundation, is applicable the axiom of law, quod semel mendax in uno suspectus et semper praesumatur mendax in aliis omnibus quae ab ipso allegantur: That he who lies once makes himself suspect and liable always, salvo venia, to be held for a liar in all other things that are alleged by him.

Dutch transcription

„eerd, dat een ieder zijn huis tot een veijlige schuil„ „plaats, moet verstrekken l, 18 de in Pus voe zij„ haar desweegen, wel de gelijk aan geweld heeft schuldig gemaakt, En in de Tweede Plaats /Posito Led non Conneesso:/ den verre hadde bij die occatie dus geagresseerd, de accuzatriese eens wederom een stoot of slag gegeeven, het weldan immers niet anders, als een Causa seu actus imme„ „diatus, van de voorz: Aggressie, /: onder Cor- rectie:/ zoude konnen worden geconside„ reerd, dus den r: O: Eijss=r /:Salva Reverenta:/ dan nog geen deminste actie, op ende zee„ „gens den veru zoude konnen Institueeten, als weezende notoir, dat necessario defen„ „sio, na alle regten is toegelaaten, ende al zulx geene Boene ter weereld meriteerd, b: 45 3, pen xx ad l Aquil Gut vim, 3 nbi, D: D: Communiter Supra allegate„ Waar meede dan dit Poinct voor afge= handeld houdende, zal men dezer Zeyds tot het Tweede Poinct overgaan, waar in dan alleen te betoogen staat; Dat terwijl uijt de Even aangetoogen wel„ „ke middag klaar gebleeken zij, dat nodelijke defensie bi alle rechten is toegelaaten. zo is dan verder Evidend, dat den Achtb: Heer R: O: Eyss=r hetzij met alle Pligtschul„ vigen Eerbied gezegt:/ den verweerder nimmer van geweld, reeele Injurien, of een slegthuis„ houden Huishouden te voeren, zal kunnen Convincieren, Aangezien de geinstitueerde Actie alleen is gefun= „deerd, op de Valsche En onwaaragtige Accuzatie, van een Perzoon, /:welke zo ten opzigten van haar Lee„ „vens aard: met vijlen haaren man den burger Leeven Jacobus Hugo in zijn bi een ieder voor een deugs welke en vreede Lievend man gereputeerd, met zij staan„ de Huwelijk in geduurige Twisten en oneenig¬ heeden heeft geheeft; zodaanig Dat hij hoe ongaarne, genecessiteerd Wierid, bij Uwel Ed: Achtb een Separatie, tusschen ta„ zel, bed, bijwooning, en gemeenschap van goe„ deren te besollisiteeren, zo als uijt de regtstol„ le Uwer Wel ed: Achtb, ad suffiçientiam zal koomen te Consteeren; En hem eindelijk nog genoodzaakt huis en wooning te verlaaten, en Elders rust en vreede te zoeken; Invoegen dat zij bij een ieder voor een Ongemeen en in de maatschappij onver= „draagelijk Twistziek mensch gereputeerd zijn„ „de, mitsdien de Presumptien; dat zij de Essentieele oorzaak der kwestie zij, zier sterk teegen haar militeeren, zo als in 't vervolg ook na„ „der zal werden beweezen als ten adspecte der hand„ „tastelijke onwaarheeden door haar bij dat Pre„ „tens relaas /: alleen om den regter te dupeeren valschelijk opgegeeven, na regten geen het min¬ „ste geloof kan meriteeren; En En omme dan verder in dit betoog gelukkig te slaagen, zal men dit pretens relaas, eene voor een oogenblik accepteeren, in quantum pro, en re„ „fuseeren in quantum Contra, En ter aantooning der notoire onwaarhee„ „den, die er in gevonden werden, het zelve maar Eens Simpel gaan beschouwen, Immers bij het Zogenaamd Relaas E werd gezegt Eerstelijk, dat zij haar kaamer deus„ om verdere onaangenaamheeden voor te koo= men, toegestooten hebbende immiddens door haar kaamer venster in gesprek was geraakt, met den musicant Andrae, wier gegeevene t depositie den Eijsch is geannexeerd; voorts, Dat den verre, met een stoof geweldig teegen de deur hebbende gegooijt, die daar E O 0 meede niet willende openpringen, heeft den verw::/ zo zij zigt:/ tot drie maal toe teegen de deur getrapt, zodaanig dat de zelve aan stukke, en opengevloogen waas 9 Comfronteerd men nu deeze Sinistere voorgeevens maar eens, met de gegeevend depositie van dien musecant, met welke zij n: b: voor het aangaan van dien twist; door kamer venster in gesprek was, zo zullen UwelEd: Achtb: van de notoire valsiteijten, en handtastelyken onwaarheeden, ten zijn„ Stert n in„ t eer 1 ten genoegen overtuijgt worden; Wanneer hoogst dezelve voor af gelie„ „ven te bemerken, dat den Verwe: Slegts een klein huijs, met kamers na Proportie be„ „woond, Midsdien Indisputabel zij, Dat wan„ „neer iemand een huijs /:waarin zodaanig geweld, tot vier diefferente Reijse zomet het Smeijten van Een stoof als met het trap„ pen teegen de kaamer deur, dat dezelve in stukken breekt / zig bevind; gelijk deezen ƒ deposant het zelve noodzakelijk dan ook moet gehoord hebben. En Echter getuijgt dien deposant zo min its het minste van dit Pretens geweld ge„ hoord te hebben, als dat hij gezien heeft, dat den verweerder haar bij het hair na de kamer deur gesleept: en zij door hem zo deerlijk mishandeld geworden, dat zij gantsch bebloed was; Invoegen alhier; met goed Funda„ „ment applicabel zij het axioma „ suris quod semel mendax in Uno sus„ pectus et Semper Praesumatur, men„ dax, inaleis omnibus, quei ab ibso allegantur Dat die eenmaal liegt, zig verdatig en schuldig maakt, altoos /:S: V:/ voor een leeu„ genaar te werden gehouden, en andere dingen

NL-HaNA_1.04.02_11024_0203 view scan ↗

English

things whatever he may bring forward; just as one, during the handling of the last point, will convince the accusatrix of such untruths and false charges with legal proof ad sufficientiam juris, on which grounds the defendant trusts to have fully vindicated that peremptory defense which he has derived therefrom for himself, and thereby fully demonstrated, as your Honorable Worships will come to observe from the simple narration of the matter in question; that the accusatrix, giving full rein to her malicious nature, only intended, through such false charges, to make the defendant miserable and to attach an indelible shame and dishonor to him, thereby rendering herself guilty and punishable in all parts according to the penalties established by the laws against such false accusations, for this clearly states, l. ult. Cod. de probat.: that no one shall be permitted to accuse another unless he can prove his accusation through competent witnesses or credible declarations that are as clear as day, such as indeed shall never be found, much less produced. Therefore the defendant shall for the present let the matter rest here, and thus proceed to the handling of the third, or last point, trusting to have demonstrated in this deduction to the satisfaction of your Honorable Worships that the accusatrix, also with regard to the alleged insults which the defendant is said to have uttered regarding the officium fiscal, as she says, deserves not the least credit; thus he could safely, without the least hesitation regarding this, rely on the highly wise and equitable judgment of your Honorable Worships. Yet the abundance of the available material for defense, together with the enormity of the offenses charged to him, such as violence, real injuries, together with keeping a bad household, paired with an alleged bad behavior, and very especially that he allegedly insulted the officium fiscal and consequently the sovereign who appointed the officer for the maintenance of the laws and the upholding of good order, as was also calumniously stated by the accusatrix in that report, do not permit him to omit advancing that which, with regard to this third point, can be brought against the conclusion of demand delivered by this respected Officer Plaintiff not only on unshakable grounds, but whereby it will indisputably appear that the same, being founded on such irrelevant evidence as that on which the respected Officer Plaintiff, salva reverentia, has pleased to found the same, ipso jure falls away of itself, and that very especially on the following unshakable grounds. Firstly, it is well enough known to everyone who frequents the bar, which one trusts will not be denied by the highly wise and penetrating judgment of the respected Officer Plaintiff, that according to the opinion of referenced legal doctors, even in civil cases, a conclusion of demand must be supported by such evidence as can indisputably verify the circumstances of the alleged case, according to the doctrine of Mr. Franciscus Lievens Kersteman, Academie der Jonge Practisijns page 7; and secondly, that in matters consisting of facts, according to the written laws, two witnesses speaking in agreement are required for each fact, de pr. l. 9 3. 2. de Testibus. It remains here only to examine whether by the Honorable Officer Plaintiff this thoroughly fair and most necessary judicial requirement has been fulfilled; secondly, whether the evidence attached to the demand can be granted such strength and credit that it can indisputably verify the arguments posited in the demand. The negative of which, under correction, on both points, as is believed, will have to be maintained. Firstly then, refusing the alleged report as containing untruthful alleged facts, as was already proven above from the confrontation with the given deposition of the musician named therein, to which one refers in this matter; and besides that, the same would never be admitted by law, for the reasons that an accusatrix or informer may not be a witness against the person whom she has reported, a position, it is believed, received in practice and in valid observance among all civilized nations; as is taught by the so very renowned criminalists, Mascard. de Probat. vol. 3. Concl. 1364. num. 41., Christin. ad ll. Mechlin. tit. 1. art. 35. num. 6., Carpz. def. forens. part 1. const. 16. def. 66., which is also dictated by sound reason, for

Dutch transcription

dingen wat hij ook te berde brengt; zoo als men de Accuzatricce bij het verhan„ „delen van het laatste Poinct, van diergelijke on= waarheeden, en valsche aanklagten, met Legaal beweys, ad Sufficien tiam Iuris zal Convinceeren, Op welke gronden, den Verw vertrouwd, vol„ „leedig te hebben gevindieerd, die Peremptoire de„ ventie, welke hij daar uit voor zig heeft afgeheid, en daar bij volleedig betoogd, als uwelEd: Achtb: uijt het bloot narre, der zaak in questie zullen koomen animadverteeren; Dat de Accuzatriece, haar quaadaardigen, aard den vollen teugel vierende, alleen heeft bedoeld, omme door diergelijken valsche aanklagten, den veru ongelukkig te maaken, en Een onuitwisbaare Schande En oneer aan te hangen, Mitsdien haar aan de bij de Wetten, op dierge„ „lijken valsche accuzatien, gestelde poenaliteijten, schuldig en in alle deelen straffbaar heeft gemaakt, „want deeze wel duijdelijk zegt, E, ult: Cod de probat: Dat niemand een ander zal ver= „mogen te beschuldigen, zo hij niet zijne „Accuratie kan probeeren, door bequaame ge„ „tuigen, of geloofwaardigen verklaaringen, „ die zo klaar als den dag zijn, Hoedanige immers nimmer zullen te vin„ „den zijn, veel minder geproduceert worden, Des zal den verie het voor eerst hier bij laa„ „ten berusten; en alzo over gaan Tot de verhandeling van het derde, of Laatste Laatste poinct, Vertrouwende bij dit gededuceerde ten genoegen van UwelEd: Achtb: te hebben Aan„ „getoond; Dat den Accuzatriece, ook met betrekking tot GG de pretence Injurien, die den veru ten op zigte van het officium fiscaal, zo zij zigt zoude heb e „ben geuijt, geen het minsten geloof verdiend; Dus zoude hij veijliglijk zonder de min„ „ste zwaarigheijd hier omtrend zich op het hoogweijze, en Aequitabel oordeel uwer WelEd: Achtb: hem kunnen verlaaten; Edog de Overvloed der voorhanden zijn de Stoffe ter deventie, mitsgaders de End „miteit der hem te Laste gelegden de lieten, als geweld, Reëële Ingurien mitsgaders het voeren van een Slegt huishouden, ge „ „paart met een pretens, slegt Comporte„ - ment, en wel specialijk dat hij het offi„ „cium Fiscaal En gevolglijk den souverein„ die den Heer Officier tot hand having der wetten, en regthouding der goede ordre, heeft gesteld:/ Pretenselyk zoude geinjurieerd hebben, als bij dat Relaas, al meede, Ca„ lumnieuslijk, door den accuzatriece zijn¬ „de Opgegeeven; Permitteeren niet dat hy zouden ag¬ „terlaaten, dat geene te advanceeren, het welk met betrekking, tot dit derde Poinct, tee„ „gens dees E: O: Eijssrs uijtgebragten Conclusie van Eijsch, niet alleen op onwrikbaare gronden kan Can werden ingebragt: Maar waar door Indisputabel zal koo= men te blijken; Dat dezelve, /:gevundamenteerd, op zoo„ daanige irrelevante beweijzen, als waar op den E: O: Eijsscher /:Salva revetentia :/ dezelve heeft gelieven te Dundeeren :/ Op zo Iure van zelve vegvald, en dat wel specialijk, op de navolgende onwrikbaare gronden, Eerstelijk is een ieder die de balij fre„ „quenteerd genoeg bekend, het welk men van het hoogweijze En Penetrant oordeel, des R:O: Eijsscher, vertrouwd niet te zullen worden ontkent Dat volgens het sentiment van gene„ rediceerde regts dd, /:zelfs in Cas civiel:/ een Conclusie van Eijsch moetgestaaft, zijn, op zodaanige bewijzen, dewelken de om„ „standigheeden van het verzeerend geval In„ disputabel verifieeren konnen volgens de doctrine van M=r Franciscus Lievens ker= steman, Accademie der Ionge Practisijns pag: 7, en Tweedens, dat ter zaaken in seiten be„ staande volgens de beschreeven Regten, op Elken feit gerequireerd werden, twee getuigen eens spreekende, de pr. l: g 3, 2, de Testibus Staat hier dan nog maar alleen te onderzoe¬ ken, of door den Achtb: Heer R: O: Eijscher, aan 1 heeft ee ein, lusie onden aan dit allezints, billijk, en aller nood= „zaakelijkst regterlijk requisit voldaan zij tweedens, of de bij Eijsch gevoegde e bewijzen, zoodaanige kragt en Credit, Kan werden toegekent dat de zelve de bij Eysch geposeerden middelen, Indisputabel veri„ =fieeren konnen. Wiens negative /:onder Correctie, op beyde Poincten! zo men gelooft:/ zal moeten staande gehouden worden Eerstelyk dan, /refuserende het pretens re„ laas als Contineerende onwaarachtige Pretense teiten, /:als voorn uijt de Confrontatie met de gegeevene depositie, van de aldaar genoemde musicant reeds is beweezen:/ waar toe men zich ten dezen refereerd; en behalven dat, zo zoude het zelven bij den regten nimmer komen werden geadmitteerd, om reedenen Dat Een accuzatriece of aanbrengster geen getuijgen mag weezen, teegen den geenen die zij aangebragt heeft, een Sustenu bij alle geciviliceerden volkeren, zo men gelooft in Praxi gerecipieerd en in veride observan„ „tia; zoals geleerd werd, bij de zo zeer ge„ renomeesden Criminalisten, Mascard de Probat, vob, 3, Cons 1364, num, 41, Christin adll, Mechelin tit, vart 35 num 6 Carpz def forens, part 1. Cons, 16, de f, 66, Het welk ook de gezonde Reeden dicteerd, Want -

NL-HaNA_1.04.02_11024_0207 view scan ↗

English

For if one were to argue to the contrary, it would naturally follow that anyone would then also be able to testify validly in their own case, which is not only absurd, but is also itself rejected by the laws, Digest, de Testibus, law nullus, and Codex, de Testibus, law omnibus, Oldendorp, de Exceptionibus, chapter 66, number 22, section 23. Therefore, this alleged statement, which contains various alleged facts of which not the slightest further proof has been produced, cannot be taken into consideration at all. For which reason, the singular deposition of the deponent Andrae, annexed to the claim, could not in the least prejudice the defendant, because thereby the facts mentioned in Article 9 of the claim, regarding violent physical injuries, are not proven in the slightest; The said deponent merely testifying to have seen that the defendant and the prosecutrix, lying together upon the bed, were holding each other by the hair; And consequently, since it was not stated by that deponent, nor could he say so, that the defendant gave the slightest cause for that grabbing of hair, Whereas the deponent annexed hereto witnessed with their own eyes that the prosecutrix (after having been admonished by the defendant to keep quiet and peace in his house, he going out of her room into the front room), she, coming out of her room in great fury, attacked the defendant, seized him by the hair, and pulled him into her room; From all of which it fully and everywhere elicits that in this matter the defendant, with all due respect, is charged with such facts contrary to the truth, such as regarding his bad conduct and keeping a bad household, as the Officer of Justice as plaintiff has pleased to set down in Article 13 of the claim, as also appears from the appendix annexed hereto, showing that the defendant has been falsely accused both in respect of the alleged violence, physical injuries, and the keeping of a bad household; So that it appears to the satisfaction of the law that one may say in the highest law that the defendant remains beyond all guilt, since he is not, nor can be, convicted by the Officer of Justice as plaintiff either with any legal proof, much less presumptions or indications; Whereas nevertheless the Officer of Justice as plaintiff (with all due respect) in criminal matters, as is allegedly being pursued here, is obliged to produce two witnesses above all exception and specifically deposing concerning the crime and the person, see Carpzov, Practica Criminalis, part 3, question 114, numbers 2, 2, 5, post allig., or such infallible proof as the laws require according to the aforementioned authorities. Consequently, the alleged proof of the Officer of Justice as plaintiff is not conclusive against the defendant, nor capable of being sustained, and consequently does not in the least fulfill the aforesaid requisites, the less so because the same is in all parts shattered by the counter-evidence of the defendant. Especially also since the evidence of the defendant tends toward the exclusion of the offense and toward the innocence of the accused, which is preferred over the evidence that serves to accuse, Cothman, volume 2, responsa 70, number 22, which applies to such an extent that, according to law, even disqualified witnesses are admitted to prove the innocence of the accused; indeed, doubtful and semi-full proof suffices, Baldus, Alexander, and Salicetus on law Parentes, Codex, de Testibus; Speculator, title de inquisitionibus, section 1, verse nunquid; Alexander, Consilia, 24, book 2; Cephalus, Consilia 304. Wherefore the Officer of Justice as plaintiff requires two witnesses to prove his intent, whereas the defendant may suffice with one witness and half-proof to prove his innocence, Matthaeus, de Criminibus, title de Rhaedatis, chapter 17, number 3, verse Secunda; Farinacius, de Testibus, question 63, number 42; it being also sufficient for the defendant that he renders the proof of the Officer of Justice as plaintiff doubtful, Cravetta, Consilia 6, number 127. On which grounds the defendant trusts to be able and permitted to invoke the most equitable legal axiom: when the plaintiff does not prove his case, the defendant must be acquitted, even if he has produced nothing himself. Which general rule, which appears in Codex 4, de Edendo, applies above all in accusations of any offense, and consequently also in this case, since no offense, nor malice, may be presumed but must be proved, and all accusers must be provided with complete and indubitable proofs, according to the express law ult., Codex, de Probationibus, and which in this case has in no part been fulfilled; thus it is a natural consequence that: The Officer of Justice as plaintiff having in no way proved, nor been able to prove, the foundation of his conclusion of claim, and the contrary having been accomplished on the part of the defendant; He will now hasten to the end, trusting to have refuted the claim made by the Officer of Justice as plaintiff, and the conclusion taken thereafter, on unshakable grounds to the satisfaction of your Honorable Worships; thus The defendant persists in rejecting and denying, generally and specially, every proposition of the Officer of Justice as plaintiff, by express denial, impertinence, and irrelevance, and

Dutch transcription

Want indien men a Contrario zoude willen sus¬ „tineeren, daar uijt natuurlijk zoude moeten Pro= flueeren dat dan ook een ieder in zijn Eijgen zaak validelijk zoude konnen deponeeren het welk niet alleen Absurd; maar het gunt ook zelve bij de wetten geimprobeerd zijnde G nullus vo, D, de Testib, l, omnibus vo, C, de test Oldendorp, de Exception, Cap, 66, num 22; rs, 23, kan dit Pretens relaas, het welk die„ „versche Pretense feiten in zich behelst, waar van geen het minste nader bewijs is geproduceerd, in geen aanmerking koomen, Waaromme in 't minste ook niet tot nadeel van den ged=e konde doen de singuliere de„ positie, van den deponent Andrae, den Eijsch „annex, omme dat daar meede, de bij Eijsch op Artg: gementioneerde feiten, van geweld„ heële Injurien, in het minsten, niet en wer„ den beweezen; Deponeerende den zelve, alleen gezien te hebben, dat den verweerder, ende Accuza¬ „trice, met Elkanderen op de kooij geleegen zijnde, zig bij de haijren hadden; En mitsdien door dien Depst niet werd ge¬ zeijd, het geen hij ook niet zeggen kan, dat den veru tot dat bij de hairen grijpen, de minste oorzaak gegeeven heeft, Maarden deponent, deezen annex zulks met oogen hebbende gezien, dat de accuzatrie„ ce (: na door den veru tot rust, en vreede in zyn huis te houden, vermaand te zijn, die uijt haar en 70 dat bi van„ ge„ risten pz sub N=o 1: alle — No 1: 2:3 haar kaamer gaande :/ in 't voorhuis :/ zij, zeer verwoed uit haar kaamer koomende op den veru aangevallen hem bij de hairen gegreepen en in haar kaamer getrokken had Uijt alle welke dan alomme, en ten vollen Eluceert, dat in dezen den verweerder /:onder welneemen, teegen de waarheid zodaanige fei„ ten werden te laste gelegt, zo als nopen& zijn slegt gedrag, En het voeren van een slegt huishouden, gelijk den E: O: Eissr: op Art„ 13 bij Eijsch heeft gelieven ter needer te stellen, almeede blijkt uijt de bijlaage deezen annex, dat den ged=e zo wel ten opzigten van het Pretensgeweld, reëele Ingurien als het voeren van een Slegt huishouden, valschelijk is beklaagt; zo dat den regten ten genoegen blijkt, dat men summe Iure mag zeggen, dat den veri„ Extra omnem Culpam verveerd, aangezien hij bij den r: O: Eijssr, nog met ee„ nig veel min legaal bewijs, nog met Pre„ „sumptien of indicien, word, of kan worden geconvinceerd; daar nogtans den E: C: Eijssr / Salva„ reverentia:/ in Criminalibus, gelijk alhier pretenselijk geageerd werd, twee getuigen omme Exciptione majores en in specie de Crimine„ & perzona diponeerende, verpligt zij te pro„ duceeren vid Carpt Trax Crim; part, 3, quest, 114, num, 2,2;5, postallig. Of zodaanig invallibel bewijs, als de regten t vereijsschen Iurib suprad, gevolg „lijk dan ook op het pretens bewijs, van den E:O: No. 12: 3: E: O: Eijssh als tegen den gede niet Concludent, ook niet in staat te Setter, en gevolglijk aan de voorzz: requisiten in het minste niet vol„ daan teminder alzo het zelve door Con„ „trarie bewijs van den ged=e, blijkens in allen deelen word generveert zonderling meede, daar het bewijs van den ged=e ten deerd, ad Exclusionem de„ „licti & ad rei Innocentiam word gepre„ „vereerd voor het bewijs het welk strekt ad accusandum Cothman, vol, 2 respons 70, num 22, het welk ook zo verre plaats heeft, Dat na regten ad probandam accl„ „rati inmosentiam ad mittantur testesetiam inhabiles; qui nimo dubia, & Simeplena Pro„ „batio Sufficiat, Bald, Alex, Es, Salije in l, Paren„ „tes, E, de Testib, specul, tit de inquis, I, t, vers nunquid, Alex, Cons, 24, li b, 2, laephal, Cons 304: Waaromme den r: O: Eijssh, tot probatie van zijn intentie, van nooden heeft twee getuigen, Dat den gedaagden tot probatie van zijn innocentie, met een getuigen, en half bewijs mag volstaan, Matth, de Crimineb, tot de Rhaedat Cap, 17, num, 3, vets Secunda, Pa,e „rinae de Testib, q, 63, num, 42, zijnde voor den gede meede genoeg, dat hij het bewijs van den r: O. Eijssh: Twijffelagtig maaken, Cravet, Consil, 6, núm 127, Op welke gronden den ged=e dan ook ver= „trouwd mine, te pro„ t, e vertrouwd, te konnen en mogen en inroepen, het allerbillijkste apioma Iuris, actore non probante, reus absolvendus, est etiam, si ipcenihil Praestiterit.- Welken algemeenen regel, die in C, 4; de Edende voorstkomt, voor al plaats heeft in accuzatien van eenig delict, gevolglijk dan ook in dit Cas, Nadien geen de lict, nog dolis, mag ge„ presumeerd maar moet bewezen worden, En alle accuzatores, met volkoomen en ontwijffelbaare bewijzen, moeten voor„ zien zijn, volgens de nadrukkelijke , ult c, de probat en waar aan in dit Cas, in gee¬ ne deele is voldaan, dus een natuurlijk ge¬ „volg, Dat; Den Heer r: O: Eijssr het fundament van zijn Conclusie van Eijsch, in het minste niet hebbende beweezen, ofte kunnen bewijzen, en het teegendeel van dien, aan de kant van den verweerder daar gedaan zijnde; zal hij zig nu ten einden Haasten, ver¬ „trouwende des Heers R: O: Eijssrs gedaanen Eijsch, en daar agter genoomenen Conclusie, op onwrikbaake gronden, ten genoegen van uwel Ed: Achtb:, te hebben wederlegt, dus Blijft den verweerder Afslaande en ontkenende, generalijk, En specialyk, alle voorstel van den E: O: Eijssr:, bij Expresse denegatie impertinentie en irrelevantie En

NL-HaNA_1.04.02_11024_0211 view scan ↗

English

And intending to reply in such manner that the defendant believes, with good right grounded in the laws, to be permitted and obliged to proceed to the following counter-conclusion, as he hereby concludes: That the claim of the Officer, the Plaintiff, and the conclusion taken thereafter, taken upon and against the defendant, may be denied by definitive sentence of Your Honorable Worships, with costs; And furthermore, that such action against the prosecutrix may be reserved to him as he, by virtue of these proceedings, might be advised to institute in due course of time, or to such other ends as Your Honorable Worships shall find to be proper according to justice and the laws; below stood: Imploring regarding all this Your Honorable Worships' noble and benign judicial office, was signed: Nicolas Iohannes van Der Schijl in the margin: Exhibited in court the 14 May 1789 Today Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the enlisted soldier of the Honorable Company, Johan Hendrik Reinders, of competent age, who, at the requisition of the burgher Nicolaas Johannes van der Schijf, declared it to be the truth: Today, the 25 April 1789 That the appearer, who lived directly opposite the house of the requisitor for more than a year and a half, and during that time maintained good neighborliness with the same, testifies to have seen not the slightest disorderliness in that household, but on the contrary recognizes the requisitor to be a quiet and peaceful citizen, about whose conduct and way of life he, the appearer, knows nothing to say. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared, if required, to confirm the same further with a solemn oath. below stood: Thus happened at the aforesaid Secretariat, present the clerks Jacob van der Waerelden and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who properly signed the minute of this along with the appearer and me, sworn clerk; lower: Which I testify, was signed: W: C: Van Rijneveld, sworn clerk. Re-examination Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforesaid enlisted soldier of the Honorable Company, Johan Hendrik Reinders, who, this his preceding declaration having been read to him word for word clearly and distinctly, testified to persist therein, wishing that nothing more will be added to or taken from it, below stood: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop, the 7 August, was signed: Rijnerd; lower: In my presence, was signed: W: S: Van Rijneveld, Assistant Secretary; in the margin: As commissioners, was signed: H: J: V: D: Riet and C: G: Maasdorp. Today, the 29 April 1789 Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld, sworn clerk at the Secretariat of Justice of the Castle of Good Hope, present the afternamed witnesses, the slave boy named Coridon van Ternaten, bondsman of the valiant Burgher Lieutenant Abraham de Smit, of competent age, who, at the requisition of the burgher Nicolaas van der Schijf, declared it to be the truth: That he, the appearer, now some months ago without being able to determine the day or date, having been sent to the house of the requisitor by the corporal of the fortification workers, Christiaan Paape, to fetch his breakfast, he, the appearer, after having run his errand, had seen and heard that the requisitor was in a vehement quarrel of words with a certain Widow Hugo, who was there and living in, without him, the appearer, however having been able to guess the cause of it; that he, the appearer, meanwhile on the way to the kitchen had seen that the aforesaid Widow Hugo furiously came out of her room and, while uttering some abusive words which the appearer could not all understand, went at the requisitor, who was in the front hall, grabbed him by the hair, and pulled him into her room; that he, the appearer, having opened the kitchen thereupon, had waited there until the breakfast was handed over to him. Declaring nothing more, the appearer gives as reasons for his knowledge as in the text, testifying the foregoing to be the pure truth. below stood: Thus happened at the aforesaid Secretariat, present the clerks Jacob van der Waerelden and Jacobus Dirk Aspeling as witnesses, who properly signed the minute of this along with the appearer and me, sworn clerk; lower: Which I testify, was signed: W: C: Van Rijneveld, sworn clerk. Re-examination Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Council of Justice of this Government, the aforesaid bondsman of the valiant Burgher Lieutenant Abraham de Smit, named Coridon van Ternaten, who, this his preceding declaration having been read to him word for word clearly and distinctly, testified to persist therein, wishing that nothing more will be added to or taken from it. below stood: Thus re-examined at Cabo de Goede Hoop, the 16 September 1789, was signed: [illegible]; lower: In my presence, was signed: W: C: Van Rijneveld, Assistant Secretary; in the margin: As commissioners, was signed: R: I: V: D: Riet and G: H: Meijer. Today, the 20 April 1789 Appeared before me, Willem Stephanus van Rijneveld

Dutch transcription

En zubbende antwoorden, in diervoegen, dat den verweerder vermeend, met goed en in de wetten gegrond regt, tot de navolgende Contra Conclu„ sie, te moogen, en moeten overgaan, als doeten Concludeerd Dat de Heer R: O: Eijnschers Eijsch, en daar agter genoomene Conclusie, op ende Jeegens den verweerder genoomen, bij dif„ „finitive vonnisse uwer welt Achtb:, mag werden ontzegt, Cum Expensis; Ende wijders, dat hem zo„ daanigen Actie, teegens den Ac„ „cuzatrice mag werden gerezer„ „veerd gelaaten als hij uijt hoof„ den dezer Proceduures, in teiden en weijlen geraaden mogte wer¬ den te institueeren, ofte tot alzulken andere firem, als uwel Ed: Achtb: na regten en wetten zullen vinden te behooren; /:onder stond:/ Imploreerende hier over op Alles Uwel Ed: Achtt, nobile, Ae benignum, Iudicis officium, /:was getek:d:/ Nicolas Iohannes van Der Schijl /:in morgine:/ Exhebitum in Iudicio Den 14 Maij 1789 Huijden Compareerde voor mij Willem Stephanus van rijneveld Gesw Clercq ter secretarije van Ius„ titie des Casteels de goede Hoop praesent de na„ „genoemde getuigen den geligten Soldaat der E Copp Johan Hendrik Reinders van Competenten ouder„ „dom, dewelke ter requisitie van den burger Nico„ laas Johannes van der Schijf verklaarde hoe waar is. Huijden den 25 April 1789 Dat den Compt. welken ruijm anderhalf jaar regt teegen over het huijs van den reqt. gewoond, en geduurende dien tijd met denzelven eene goede Buurschap onderhouden heeft betuijgd geene de minste onordentelykheeden in dat huishouden gezien te hebben maar in tegendeel den reqt. te erkennen voor een stil en vreedsaam burger op wiens handel en wandel hij Compt niets te zeggen weet. Niets meer verklaarende geeft de Compt: voor reedenen van wetenschap als in den Text bereid zijnde het zelve des gerequireerd wer¬ dende met solemneele Ede nader gestand te doen. /:onderstond./ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: praesent de Clercquen Jacob van der Waerelden Dirk Jacobus Aspeling als getuigen die de minute deezes beneevens de Compt ende mij gzie Clercq, meede behoorlijk hebben onder„ teekend: /: Lager:/ Twelk ik getuige ( was ge¬ tekend:/ W: C: Van Rijneveld gzw Clercq, Recollement Recollement Compareerde voor ons ondergeteekende Ge¬ „committ=s uijt den E: Achtb: Raad van Justitie dezes Gouvernements voorm: geligten soldaat der E Comp=e Johan Hendrik Reinders, den¬ welken deze zijne voorstaande Verklaring van woorde tot waarde klaar en duidelijk voorgelezen wezende, betuijgde daar bij te „blijven persisteeren met begeerte dat er niets meer bij of van gedaan werden zal, /:onder stond. Aldus gerecolleerd aan, Cabo de goede Hoop den 7 Augustus /was getekend:/ Rijnerd /Lagers Mij present /was geeteekend:/ W: S: Van Rijneveld Adj:t Secretaris /: in margine:/ als gecommitt=s /:was geteekend:/ H: J: V: D: Riet en C: G: Maasdorp Huiden den 29 April 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van rijneveld gezw Clercq ter Secretarije van Justitie des Casteels de Goede Hoop praesent de naten: getuigen de slaven Jongen genaamd Coridon van Ternaten lijfeijgen van den Manh: Burger Lieut=t Abraham d Smit van Competenten ouderdom dewelke requisitie van den burger Nicolaas van 1 d den in stil en h Text wer„ and te voorm: elden d 24 C . Nicolaas van der Schijf verklaarde hoe waar es. Dat hij Compt. nu eenige maanden geleeden zonder dag of datum te kunnen bepaalen door de Corporaal der Fortificatie werkers Chris„ tiaan Paape ten huize van den reqt. gezon¬ den zijnde om desselfs ontbyt te haalen hij Compt. naa zijn boodschap verrigt te heb¬ „ben gesien en gehoord had dat den regt met eene zig aldaar bevindende en inwoonende wede. Hugo in heevige woorden twest was zonder dat hij Compt. egter de oorzaak daar van had kunnen gissin dat hij Comp=t intusschen onder het gaan naar de Combuis gezien had dat voorm: welde. Hugo verwoed haar kaamer uitge¬ koomen en op den reqt. , die zig in het voor¬ huijs bevond, onder het uiten van eenige Scheldwoorden die den Compt: niet alle heeft kunnen verstaan, was aangekoomen hem bij de Haijren gegreepen en in haar kaa¬ „mer getrokken had. dat hij Compt hier op de Combuis geopend hebbende aldaar had vertoefd tot dat hem het ontbyt overhan„ digd was. Niets meer verklaarende geeft de Comp voor reedenen van weetenschap als in den text betuigende 't voorstaande de Zuivere waarheijd te zijn /onderstond:/ Dat aldus passeerde ter secretarije voorm: Praesent de Clecquen Jacob van de de Waerelden Jacobus Dirk Aspeling als getuigen die minute deezes beneevens de Compt en mij gezw Clercq meede behoorlijk hebben onderteekend — /: Lager. / T welk ik getuige was getek:d:/ W: C: Van Rijneveld g Clerq, Recollement Compareerde voor ons ondergeteek=e gecommitt=s uijt den Ed: Achtb: Raad van Justitie deezes Gouvernements voorm: lijfeijgenen van den Manh: burger Lieutt Abraham de Smit, in naame Cozidon van Ternaten den welke deze zijne voornstaande verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen wezende, betuigende daar bij te persisteeren met begeerte dat er niets meer bij ofte van gedaan worden zal /.onder stond:/ Aldus gerecolleerd aan Cabo de goede Hoop den 16 September 1789 /:was geteekend:/ /:Lager:/ mij present /:was geteekend:/ W: C: Van Rijneveld Ady Secretaris /:in margine / als gecommitt=s /was geteekend:/ R: I: V:D: Riet en G: H: Meijer Huijden den 20 April 1789 Compareerde voor mij Willem Stephanus van Rijneveld kaa„ ier ha

NL-HaNA_1.04.02_11024_0216 view scan ↗

English

Rijneveld, sworn Clerk at the Justice Secretariat of the Castle of Good Hope, present the hereinafter named witnesses, the musician Johan George Andrae of competent age, stationed under the Regiment of Wiertenberg in garrison here, who at the requisition of the burgher Nicolaas van der Schijf declared it to be true: That the deponent lived with the requisitionist for about four months, and testifies that during that time he noticed no disorders in that household, but on the contrary, that everything took place in proper order, and that the deponent also knows nothing of that which was allegedly thrust upon the requisitionist's wife by the requisitionist on a certain day when they were sitting at the table together with a certain widow Hugo, also residing with the requisitionist, amounting in substance to this: "Beast, see that you leave the table, because you are drunk again." That the deponent, however, as far as the dispute between the requisitionist and the aforementioned widow Hugo is concerned, without knowing what caused it, saw that the requisitionist was in the room with the aforementioned widow Hugo, though the deponent cannot say in what manner the requisitionist came into the said room, but certainly that the requisitionist lay on top of the said widow Hugo on the bed while they held each other by the hair; the deponent on that occasion, not having been inside the room, was unable to perceive any blood on the face of the aforementioned widow. Declaring nothing more, the deponent gives as reasons for his knowledge as in the text, being prepared to confirm the same at all times by oath. Below was written: Thus passed in the Castle aforementioned, in the presence of the Clerks Marthinus Laurentius Neethling and Dirk Jacobus Aspeling as witnesses, who have duly signed the original of this together with the deponent and me, the sworn Clerk. Lower: Which I witness. Was signed: W: C: Van Rijneveld, sworn Clerk. Re-examination: Appeared before us, the undersigned commissioners from the Honorable Worshipful Court of Justice of this Government, the aforementioned musician Johan George Andrae, stationed under the Regiment of Wuertemberg in garrison here, to whom this his aforementioned declaration was read clearly and distinctly word for word, testifying therewith that nothing more shall be added to or removed from it, except only that the deponent saw that Van der Schijf threw open the room door with a foot-stove. Below was written: Thus re-examined at the Cape of Good Hope, 16 September 1789. Was signed. Lower: In my presence, was signed: W: C: van Rijneveld, Adjunct Secretary. In the margin: As commissioners, was signed: R: F: V: d: Riet, G: H: Meijer. 6: 11 - C: O: Article 1. And the ex officio Plaintiff did say: 2. that it is in no way the business of him, the ex officio Plaintiff, to decide upon the good conduct of the widow Hugo in society, 3. nor to investigate at length in this document whether and to what extent the defendant maintains good neighborliness with his neighbors; 4. that therefore the deposition annexed to the answer under No. 3 cannot merit the least consideration by Your Honorable Worships in this matter; 5. but that here it must only be argued whether the defendant gave rise to the incident in question; 6. and whether he committed those acts of violence with respect to the widow Hugo for which the ex officio Plaintiff has arraigned him, the defendant, before Your Honorable Worships. 7. The point in question is therefore limited to this simple question: whether what is stated in the claim is the truth, yes or no. 8. And of this the ex officio Plaintiff trusts that the affirmative is placed beyond dispute when one inspects the account of the said widow Hugo submitted with the claim, Against the burgher Nicolaas van der Schijf, defendant in the aforementioned case on the other side. Appeared before the Honorable Worshipful Court of Justice of the Castle of Good Hope, the Independent Fiscal Johan Nicolaas Steven van Lynden, ex officio Plaintiff in a criminal case on the one side. Article 9. and adds thereto the declaration of the hautboy player Andrae, also produced with the claim, together with the responses to the interrogatories put to him, which are annexed hereto, with the certificate of the surgeon. 10. From which documents Your Honorable Worships will see that the defendant opened the room door of the widow Hugo with violence, 11. and that he held her by the hair in a violent manner on her own bed in her own room, 12. circumstances, Honorable Worshipful Gentlemen, which are all sufficient to substantiate the Plaintiff's position. 13. Nor can it stand in the way thereof that the account of the repeatedly mentioned widow Hugo, given in her own case, is of no force, 14. because here only the right of the high authority is dealt with, represented in this matter by the ex officio Plaintiff; 15. in which case the widow Hugo is not testifying in re sua, in her own case, as is read in L. 10 D. de testibus, but in causa principis, for the benefit of the whole of society; and then also the reason must cease why the testimony of the sworn person is held to be suspect.

Dutch transcription

Rijneveld gezw Clercq ter Secretarije van Iustitie des Casteels de goede Hoop present de naten: ge¬ „tuigen den onder het alhier in guarnisoen leg„ =gende regiment van Wiertenberg bescheidene musijkant Johan george andrae van Competen¬ „ten ouderdom, dewelke ter Requisitie van den bur„ „ger Nicolaas van der Schijf verklaarde hoe waar is. Dat hij Comp=t omtrend vier maanden bij den regt hebbende ingewoond betuijgd geduurende dien tyd geene onordentelijkheeden in dat Huis „houden bespeurt te hebben, maar in teegendeel; alles in eene gepaste ordre te zijn geschied en Hij Compt. ook niets en weet, van het geene door den reg=t op zekeren dag wanneer zit: te zamen met eene meede bij den regt inwoonende wede. Hugo aan tafel geseeten waren deszelfs huis„ vrouw zou zijn toegeduuwd in substantie hier op uijtkomende, beestmaakt dat Jij van de Tafel komt want zij bent alweer belopen Dat hij Comp=t echter wat de questie van den regt met gerepte wed=e Hugo betreft /:zonder te weeten waarover dezelve is ontstaan :/ ge¬ zien heeft dat den reqt. bij voorm: wede Hugo in de kamerwaes, kunnende hij Compt. niet zeg¬ gen op wat wijze den reqt. in gem: kamer zou gekoomen zijn, maar wel dat den reqt op de„ selve wede. Hugd op de kooij geleegen had ter¬ wijl zigl: elkanderen bij de hairen van hielden hebbende hij Comp=t bij die gelegendheid, als niet in de kamer geweest zijnde geen bloed op het aangezigt van vooz: wed=e kunnen bespeuren. Niets meer verklaarende geeft den Compt voor reedenen van wetenschap als in den text bereid bereid zijnde het zelve altoos met Eede te beves„ tigen — /:onder stond/ Dat aldus Passeerde In 't Casteel voorm: ten bijweezen der Clercquen Marthinus Lauren„ „tius Neethling en Dirk Jacobus Aspeling als getuigen die de minute deezes beneevens den Comp=t ende mij gezes Clercq meede behoor„ lijk hebben onderteekend. - /: Lager:/ 'Twelk ik Getuijge (:was getekd/ W: C: Van Rijneveld g: Clercq Recollement Compareerde voor ons ondergetek=de gecommitt=s uijt den Ed: Achtb: raad van Iustitie dezes Gouvernements, voorm: onder het alhier in guarnisoen leggende regiment van Wuer„ „temberg bescheide Muzykant Johan Geor„ „ge andrae, den welken deeze zijne voornstaan„ de verklaring van woorde tot woorde klaar en duidelijk voorgeleezen weezende betuijgde daar bij dat er niets meer bij of van gedaan worden zal als alleenlijk dat hij Compt. gezien heeft dat van der schip de kamer deur met een stoof heeft opengesmeten onderstond Aldus gerecolleerd aan Cabode goede Hoop den 16 September 1789 /:was getek=d:/ /:Lager:/ Mij present /:was getek:d:/ W: C: van Rijneveld Adj: Secet=s /:in margine:/ Als gecommitt=s /:was getekend:/ R: F: V: d: Rieten G: H: Meijer 6: 11 - C: O: Art=l v Ende deede de R:O: Eiss=r Zggen 2 dat het de zaak van hem E: O: Eissr in geene deele is, om het goed gedrag van de wede. Hugd in de zamen leeding te decedeeren, 3 nog om ook in dit schriftuur wijd lopig te on„ verzoeken of en in hoe verre de ged=e met zijne Buuren eene goede Buurschap onderhoud; 4 dat over zulx de bij antwoord sub N=o 3 gean„ „naxeerde depositie, ten deezen geene deminste aanmerking bij U EE Achtb: zal kunnen meri„ „leeren: „ 5 doch dat hier alleen gediscutieerd moet worden of de ged=e aanleiding heeft gegeeven tot het ge„ „val in quaestie; 6 En of hij den opzichte van de wede. Hugo die da¬ delijkheeden heeft gepleegd, waarover de r:O: Eerssr: hem ged=e voor UEE Achtb: te recht heeft gesteld Het poinct in questie bepaald zich dierhalven tot deeze eenvoudige vraag, of het bij Eisch gepo- seerde waarheid zij, Ja, dan Neen: ^ 8„ En hier van vertrouwd de r: O: Eijsch dat de affir„ Contra den burger Nicolaas van der Schijf ged:e in voorz: Caster ande¬ re zide Compareerde voor den Ed: Achtb raad van Justitie des Casteels de Goede Hoop de Independent Fiscaal Johan Nicolaas Ste„ ven van zijnden r:O: Piss=r in Cas crimineel ter eenre „mative „mative buiten Contestatie gesteld word, wanneer nen inziet het relaas van gem: wed=e Hugo bij Eisch overgelegd Art„l 9 en daar bij voegd de verklaaring van den Hautborst Andre meede bij eisch geproduceert, mitsgaders de responsiven op de aan hem voorgestelde vraag„ poincten, welke ten deezen zijn geannexeerd, met het Attest van den Chirurgijn. uit welke stukken U EE Achtb: zullen zien dat de ged=e met geweld de kamerdeur van de Wede. Hugd heeft geopend en dat hij haar op een geweldadige wijze op haar eigen bed in haar eigen kamer bij de hairen heeft vastgehouden, Omstandigheeden Edele Achtb: Heeren, die al„ len genoegdoende zijn, om des Eyssrs: sustentie te fundeeren. „ 13 zonder dat daar teegen kan obsteeren, dat het relaas van meergem: Wede: Hugo, gegee¬ ven in haar eigen zaak van geen kragt is „14 want hier alleen gehande lt wordt over het recht van de hoge overheid, door den E: O: Eyssr: in deezen gereprofendeert: in hoedanig geval de Wed=e Hugo niet in re sua-, net in haar eigen zaake, zo als in L10: D: de testibus geleesd word, maar in Cauza Principes ten voordeele van de gaut¬ „sche Maatschappij deponeerende; „ 12 UE ook als dan Cesseeren moet de reeden, waar om het getuigenis van de beeedigde voor suspect word gehouden: Verten 10 11. Hugd 15

NL-HaNA_1.04.02_11024_0220 view scan ↗

English

Article 17 the more so since, by not acting ad interesse or for any fine, she appears to have remitted the injury; 18 and thus cannot be said to harbor any private vindictiveness regarding the matter. 19 The Prosecutor ratione officii wishes for the rest to leave to the judgment of Your Honorable worships how much credit one can attribute to the deposition submitted with the answer under No 1, 20 wherein it is said that the Widow Hugo dragged the defendant by the hair to her room, 21 whereas it is hardly possible that a woman would possess sufficient strength to drag a male person along by the hair, 22 and since it will especially be known to the Burgher Councillors what a bad subject the defendant is, 23 and how little he can be deemed capable of allowing himself to be treated in such a manner by a woman. 24 Moreover, this deponent is not only a single witness, but he is also reproachable, being a slave, 25 to whom the weight of an oath not being known, it is easy to persuade the same by promises etc. to make such a deposition; 26 so that the allegation of the defendant from Matthaeus de Criminibus, Book 48, title 15, chapter 1, No 2, in fine, detracts nothing from this. Article 27 as can be seen in the following No 3, where he explicitly rejects all reproachable witnesses pro rei innocentia, 28 although under No 2 he had said that for proof of innocence a single witness is sufficient, which must therefore be understood to mean an irreproachable witness. 29 And herewith the Prosecutor ratione officii trusts to have said enough in justification of his claim and the conclusion taken thereunder. 30 He will therefore not occupy the precious attention of Your Honorable worships with a verbal refutation of what is further stated in the answer, 31 the less so since Your Honorable worships will be able to judge sufficiently from the documents produced on either side concerning the validity or invalidity of the conclusion taken in the claim, 32 to which documents the Prosecutor ratione officii, for the sake of brevity and with complete confidence in the equity and justice of Your Honorable worships, takes the liberty of referring himself. Wherefore, and for other reasons to be alleged later if necessary, the Prosecutor ratione officii, dismissing the grounds of the answer by mere denial, impertinence, and irrelevance, persisted for reply. was signed S: N: S: Van Lijnden in the margin Exhibited in Court on 11 June 1789. Done at the Cape of Good Hope, 28 May 1789. Article 1. Personalia. Answer: Johan Georg Andra of Ternsted in Saxony, 26 years old, unmarried; Hautboyist. 2. Whether he did not on 15 March of the current year, at the requisition of the Independent Fiscal, in the case between the Widow Hugo and the burgher Van der Schijf, give truthful testimony before me, Auditor Koch? Says: Yes. 3. Whether his statement at that time was consistent with the truth? Says: Everything was the truth. Article 4. How he came to give a second deposition? Says that his second deposition was to give testimony regarding Van der Schijf, whether smuggling was taking place in his house or not; and says that he noticed nothing of it. 5. Why he did not mention therein that Van der Schijf kicked in the door, and whether this is the truth or not? Answer: says this to be the truth, but that he had mentioned nothing about it because he had only been asked with respect to the smuggling. 6. Whether Van der Schijf threw the pot at the door, and whether he had seen this? Answer: Yes. 7. Whether he heard the Widow Hugo say at table: Beast, get away from the table, you are drunk again? Answer: says not to have heard such words. 8. Whether he did not see that the aforementioned Widow Hugo was struck in the face, and whether he knows anything more regarding this dispute? Answer: No, he did not see this, and knows nothing more to relate regarding this dispute. Article 9. Whether he could confirm this his account, if required, with a solemn oath? Answer: says yes, to be able to do so. Attested that the Hautboyist Andrae has thus related. was signed Koch, auditor. Rejoinder representation, and submitted with the required respect, to the Honorable Johannes Izaak Rhenius, President, together with the further Honorable Council of Justice of this Government at the Cape of Good Hope, by and on behalf of the burgher Jacobus van Leeuwen, as special attorney of the fellow burgher Nicolaas Johannes van der Schijf, defendant in a criminal case on the one part, against the Independent Fiscal, the Honorable Johan Nicolaas Steeven van Leijnden van Blitterswijk, Prosecutor ratione officii in the same case, on the other part. Right Honorable Sir and Honorable Sirs, The undersigned defendant in the said capacity, having fulfilled his first duty, and having respectfully expressed his gratitude to Your Honorable worships for granted copy of the Reply exhibited in the Council by the Prosecutor ratione officii under date of 11 June of this year, and for the term until today to submit a rejoinder thereto or else to renounce further production, before proceeding to the refutation thereof, shall have the honor to say with all due decency: That upon reading the Reply and attachment submitted by the Prosecutor ratione officii, he was extremely surprised at the variable, obscure, and self-contradictory so-called deposition of the hautboyist Andrae annexed thereto, upon which the Prosecutor ratione officii so firmly bases the affirmative of the claim made against the defendant.

Dutch transcription

Art=l 17 te meer daar zij door niet ad interesse of eenige amende te ageeren, de ingurie schijnd te heb„ ben geremitteerd; 18 en dus over de zaake geene particuliere wraak „zucht kan gezegt worden te voeden. 19 De r: O: Egssr: wil voor het overige aan het oor„ „deel van U EE: Achtb: overlaten hoe veel geloof men attribueeren kan aan de dispositie bij antwoord sub N=o 1 overgelegd 20 Waar in gezegd word, dat de Wede. Hugo den ged=e bij 't Hair na haar kamer heeft gesleept, 21 daar het niet welmogelijk is, dat een vrouw genoegzaame kragten zou besitten, om een manspersoon bij de Hairen voort te sleepen 22 En daar het vooral aan Heeren Burgerraden, over bekend zal zijn, welk slegt subject de E ged=t is, „ 23 En hoe weinig hij in staad kan Gereekend worden zich op dusdanige wijze door een vrouw te laaten behandelen. 24 daar en booven deezen deposant niet alleen een singuliere getuige, maar hij is ook re„ „prochabel als zijnde een slaaf 25 Welken het gewicht van een Eed niet bekend zijnde, is het gemakkelijk den zelven door belof„ „te &C=a tot het passeeren van eene diergelijke de„ „positie over te haalen- „ 26: zo dat de allegatie van den ged=e uit Matth de de Crim: L: 48: tit 15: C. J. N. 2. infin ten dee„ zen niets af doet. Art=l 27 gelijk zulks te zien is in de volgende N: 3. daar hij uitdrukkelijk alle reprochabele ge„ tuigen pro rei innocentia verwerpt 28 ofschoon hij bij N=o 2 gezegd had, dat tot be„ wijs van onschuld een enkele getuige vol¬ „doende is: 't geen dus moet verstaan worden van een irreprochable getuigen. 29 En hier meede vertrouwd de R: O: Eijsch genoeg gezegt te hebben tot Justificatie van zijnen Eisch en daar agter genomene Conclusie: 30 Hlij zal derhalven de praesitieuse attentie van U EE: Achtb niet occupeeren met eene woor„ „delijke wederlegging van 't geen verder bij ant„ woord is geposeerd. 31 te minder daar UEE. Achtb: uit de hinc in de„ geproduceerde stukken genoegzaam over de gegrondheid of ongegrondheid van de bij Eischt genomen Conclusie zullen kunnen oordeelen, 32 tot welke stucken de r: O: Eessr kortheids halven met eene volkomen fiducie op de acquiteit en regtvaardigheid van UEE: Achtb: de vrij„ „heid gebruikt zig te defereeren Mits welke en andere ree„ „denen des noods nader te al„ „legeeren de: E: O: Eisr: afslaande de de middelen van antwoord bij mere denegatie impertinentie en irrelevantie persisteerde voor replicq /:was geteekend:/ S: N: S: Van Lijnden /: in margine:/ Esubitum in Judicio den 11 Junij 1789 Actum aan Cabo de goede Hoop den 28 Maij 1789. Art: 1 Personalia Of hij niet op den 15 Maart A. o C=t ter requisitie van den Heer Fiscaal, in de zaak tusschen de wede. Hugo en den burger V:D: Schijf getuigenis der waar„ „heid gegeeven heeft voor mij Auditeur koch! — Zegd Ja Of zijne toenmaalige ver„ „klaaring met de waar„ „heid is overeenkomstig ge„ weest 2 zegd, Alles is de waarheid geweest. resp: Iohan Georg Andra van Ternsted in 't Laxisch 26 jaaren oud, ongehauwd; Hauborst. verte „ 2 3. Art„l 2. Hoe hij daartoe gekoomen te geeven: resp: zegd zulks de waarheijd Waarom hij daar in niet heeft gemeld dat UD schijff te zijn maar dat hij daarvan de deur heeft in gestooten en niets gemeld had, dewijl men of zulks de waarheid is of hem alleenlijk ten opzigte der Smokkelarije gevraagd had. Of van der Schijf de Hoof na de deur gesmeeten heeft G en of hij zulks gezien had. resp Ja. Of hij gehoord heeft dat de wed=e Hugs overtafel heeft resp: zegd diergelijke woor„ gezegd: Beestmaakt dat gij den niet te hebben gehoord.- van tafelkomt gij zijd weer„ om bezoopen: Of hij niet gezien heeft dat resp. Neen: hij heeft zulks meergem: wed=e Hugo in 't ge„ niet gezien, en weet ook „zigt is geslaagen geweest. weegens dit virschil niets en of hij weegens dit ver„ meer te relateeren. — schil iets meer weett. zegd, dat zijne tweede de is, om eene tweede depositie positie is geweest, om wegens VD: schijf getuigenis te geeven, of in zijn huis gesmokkeld wierd of niet; en zegd dat hij daarvan niets heeft ontwaard. verte niet! van 8 Art: 9 Of hij dit zijn relaas, zulks respt zegd Ja zulks te gerequireerd werdende, met kunnen doen solemneelen Eede zoude kunnen bekragtigen! Testater /:was getekd:/ Koch auditor Suplicq gedaan maa „king, en met de vereischt Eerbied overgegeeven, aan den EEdele Achtb: Heer Johannes Izaak Rhenius president, benevens de verderen E: Achtb: raade van Justitie deezes Gouvernements aan Cabo de Goede Hoop, door ende van wegen den burger Jacobus van Leeuwen, als speciaal gemagtigden van den meede burger Nicolaas Johannes van der Schijf verweerder in Cas Crumineel ter Eenre Contra den Inde„ Dat de Zoutboest andrae alzo gereloteert heeft pendent Independent fiscaal, den Achtb Heer Iohan, Nicolaas, steeven van Leijnden van Blitterswijk, Ratione officie Eijssr: in 't zelve Cas, teran„ dere zijden Wel ti Achtb Heer En E: E: Heeren Den onderget: verweerder qq naaan zijn Eersten Pligt voldaan, En Uwel Ed: Achtb voor verleende Copia, van S: R: O: Eyss=r sub„ dato 11 Iunij hujus anni, in raade geexhi„ beerde Replicq en termijn tot op heeden, om er op te dienen van duplieg, dan wel te renuntieeren van verdere Productie Eerbiedigst dank betuigt te hebben, zal alvoorens ter wederlegging van het zelve toe te treeden, met alle gepaste decentie de Eer hebbe te zeggen, Dat hij na Lecture van S. r: O: Eepsh: in gediend: replieq En bije laage, ten uittersten gesurpreneert waaren„ over de daar bij gevoegde /variabele ob„ „scuren, en zig zelve Contradiceerende, zo „genaamde depositie /:van de hauboist Andrae op welke de Heer r:O: Eijpr zo stellig de Afformative, der den ged=e bij Eisch

NL-HaNA_1.04.02_11024_0226 view scan ↗

English

Claim to intend to sustain the alleged facts charged against him, then the defendant, although he could rely ipso jure upon his submitted answer, and considering what was deduced therein to be entirely superfluous, relying upon the highly wise and equitable judgment of Your Right Honorable Worships, sees himself thereby compelled to deduce somewhat further in a fundamental manner: That the Honorable Official Plaintiff is therein, with all due respect, utterly mistaken, and that therefore both the conclusion of the claim brought against the defendant on the current year and the aforementioned reply are, it is believed, legally untenable. Thus the defendant, as briefly as possible and as the weight of the matter permits in any way, will take the liberty to advance against it: Firstly, that the introduction of the aforesaid reply, or indeed the second, third, fourth, fifth, sixth, and seventh articles, will merely be passed over, with saying regarding the second article that what was alleged in the answer concerning the conduct of the widow Hugo serves to bring the bad behavior of the same before the eyes of Your Right Honorable Worships, which, having been left unrefuted by the Honorable Official Plaintiff, can for that basic reason be applied with respect to her: Applied the well-known rule stating that he who is silent consents, and thus yields a strict or violent presumption that she, during her residing with the defendant, always behaving as an exceedingly quarrelsome person, gave rise, as is indeed true and fact, to that dispute; And while the Honorable Official Plaintiff, in the conclusion of the claim, article thirteen, had drawn such positive conclusions that the defendant, through his other bad housekeeping and conduct, had made himself guilty, it was both the duty of the defendant to establish this by proof of the unfoundedness of those pretended facts, just as it is believed that, with all due respect, the Honorable Official Plaintiff is indispensably obligated to prove these posed pretended facts to the satisfaction of the law, according to the fundamental laws of natural and written law, as appears from l. 2, l. 3, D., l. 23, C. de probationibus, in such manner that the objection made in the reply must vanish! Proceeding herewith to the refutation of the fifth up to and including the ninth article of the reply; Where the Honorable Official Plaintiff, seeking further to substantiate his issued claim and conclusion, says that here it must only be discussed whether the defendant gave rise to the case in question, and whether he committed those acts of violence for which the Honorable Official Plaintiff has brought him, the defendant, to justice before Your Right Honorable Worships. That the point in question therefore restricts itself solely to this simple question, whether what was deposed in the claim is true, yes or no; and of this His Right Honorable Worship specifically says that the affirmative is placed beyond contestation, referring to the account of the said widow Hugo attached to the claim, along with that of the previously mentioned hautboy player Andrae, and the interrogatories annexed to the reply, with the certificate of the surgeon; In order then, concerning the fifth and sixth articles of the reply, to satisfy this discussion, this side, to avoid all prolixity and repetition, will most respectfully refer to what was deduced in the answer; Only adding thereto that the contrary thereof can also be sufficiently derived from all the accompanying circumstances, when one reflects: Firstly, that the defendant and his wife, having been so grossly injured in their honor and reputation by the accuser, both at the house of the citizen Bruinswaard and elsewhere, had passed this over in silence, for so long until she again, in his own house, stirring up a dispute de novo, on that occasion had asked her whether she could prove that his wife was drunk every day, as she had spread about there, and she had confessed to this, and sought to justify the same by replying to the aforesaid questions put to her: That the defendant had reproached his wife with the same thing a day before this dispute, which is untrue; and with what right could she then, several days before that pretended reproach, have spread such defamatory language at the aforesaid place, which must, it is trusted, be regarded as the primary cause: Which applies all the more when one further reflects: That for a trifle of a basket, whose value can at most be estimated at four or six schellingen, defying the defendant de novo in his house, while she still owed him at that time fully six rijksdaalders, and thus upon the payment thereof might have charged it to the defendant's account; instead of attacking the same in his house in such a manner through her quarrelsome disposition that he, in order to escape her fury, preferred to leave it, and to endure such insolences for a time rather than expose himself to unpleasantness; thus one wishes most humbly to submit to the highly wise judgment of Your Right Honorable Worships whether the accuser did not give rise to this dispute.

Dutch transcription

Eisch te last gelegde pretense feijten, schijp te willen sustineeren, dan den gede, hoe„ wel hij ed ipzo, op zijn ingediende ant¬ woord zoude kunnen berusten, en het daar bij gededuceerde voor geheel overvloedig hou dende op 't hoogwijze, en acquitabel ook deel, Uwer WelE: Achtb zich verlaaten, he daar door genoodzaakt ziet, omme nu nog op een fundamenteele wyze, wat nader te de„ „duceeren Dat den Heer E: O: Eijssr daar in /:Sal „va reverentia:/ ten uiterste geabuseert is, en dat derhalven zo wel de op den A o Curen„ tis, tegens den gede uitgebragten Conclusie van Eijsch, als het evengemelde replicq, zo men gelooft in regten onbestaanbaar is; zo zal den ged=e zo kort als het mogelijk en het gewigt der zaaken maar eenigzints permitteerd, de vrijheid neemen daar teegen te advanceeren, Eerstelyk dat de inleiding van het voorz: replicq, of wel het twede derde, vierde vijfde, zesde, en zevende Articul, maar zullen gepasseert worden, met aangaan„ „de het twede articul te zeggen dat het nopens het gedrag, van de weduwe Hugo, bij antwoord geallegueerde, daar toe is strekkende, om het slegt Comportement, van dezelve onder het oog van Uwel Ed Achtb te brengen, dewelke bij den E: O: Eijssr: onwe„ derlegt gelaaten zinde, uitdien grond reden, op des respect kan worden geap¬ „pliceerd, geappliceerd, de bekende regul zeggende, die zwijgd die consenteerd, en mitsdien een strec„ te of violente presumptie opleeverd, Dat zij geduurende haar in wooning bij den ged=e Zichaltoos als een uijt ter maten twestziek mensch gedragende tot die ques„ „tie /:gelijk het ook in der daad en waarheid is:/ aanleijding gegeeven heeft; En terwijl den heer E: O: Eissr bij de Conclusie van Eysch, articul dertien, soo stellige Concequentien had gemaakt, dat de ged=e door zijn overig slegt huishou„ den en gedrag, zich had schuldig gemaakt, zo was het de zaak zo wel van den ged=e omme door bewijs van den Engrond dier pretense feyten te doen Consteeren, als men gelooft dat, /: Salva reverentia:/ den Heer r: O: Eijssz: in dispensabel verpligt zij deze geposeerde pretense feijten, den regten ten genoegen te bewijzen, volgens de fundamen„ teele wetten van het natuurlyk en beschree¬ „ven regt, blijkens l, 2 l3V, D, l 23c de pro„ „bot in voegen, dat de bij replicq gemaakte objectie, moet komen te Evanneseeren! Hier meede overgaande tot recutatie van 't vijfde, tot het negende articul van het leplicq in Clusieve; Alwaar den heer r: O: Eijss=r, zij„ nen uitgebragten Eijsch en Conclusie na„ der tragtende te adstrueeren, zegt, dat hier alleen gediscutieerd moet worden, of den gedaagde aanleijding heeft gegeeven tot het htb het geval in questie, en of hij die dadelijk „heeden heeft gepleegt, waar over den E: O: Eissch hem ged=e voor UwelEd: Achtb: heeft te regt gesteld. Dat het poinct in questie dierhalven zig allen bepaalt, tot deeze Eenvoudige vzaag, of 't bij Eijsch deposeerde, waarheid zij Ja dan Neen, en hier van zegt zijn Ed: Achtb Specialijk, dat de Affermative buiten Contestatie gesteld word, zig refererende tot het bij Eijsch gevoegde relaas van gem: wed=e Hugo, met die van de Hier voren ge„ „melde Hauboest Andrae, ende bij replicq„ geannexeerde vraagpoincten, met het attest van den Chirurgijn; Omme dan belangende het rijfde en zeste articul, van 't replicq, aan deeze dis„ cussie te voldoen, zal men dezer zyds, om alle Prolixiteid, en redites te vermeijden, tot het bij antwoord gededuceerden zig Eerbiedigst refereeren; Alleen daar nog bij voegende, dat het Contrarie van dien ook genoegzaam uit alle de bijgaande omstandigheeden is af te leijden, wanneer men reflecteerd, Eerstelijk, dat den verweerder en zijn huisvrouw, zo groffelijk in hun eer en reputa„ „tie, door de Accuzatriece, zo ten huijze van den burger bruinswaard, als Elders geschonden ware, zulks met zwijgen hadde, gepasseert, zo longe, tot dat zij andermaal, in zijn eijgen huis, de novo twist aan regtende, bij die cocazie occazie, haar had gevraagd, off zij bewijzen konde, dat zijn vrouw alle daagen bezoopen was ? zo als zij aldaar had gespargeert, zij zulx had gecon„ fesseert, en 't zelve tragten te sustificeeren, met op de aan haar gedaane voorm: vragen, te repliceeren, Dat den ged=e het zelve een dag voor dee„ „ze twist aan zijn vrouw verweeten had, het welk onwaaragtig is, en met wat regt heeft zij dan, eenige dagen voor dat pretens verwijt, diergelijke Lastentaal, ter plaatze voorm: konnen spargeeren, het welk als de Causa Primario, /:zo men vertrouwd:/ moet worden aangemerkt: het welk te meer procedeert, wanneer men alverder reflecteerd, Dat zij om een bagatel van een mand„ „je, wiens waarde ten hoogsten op vier of zes schell: kan geschad worden, den veru de novo in zijn huis trotseerende, daar zij hem wel zes rijxd=s te dier tijd nog schuldig was, en dus bij dies betaaling den werweerder moogen in reeq: brengen; in steede van den zelven, door haar twest zugtig gemoet, op zodanige wij„ ze in zijn huijs te attaqueeren, dat hij het zelve om de woede van haar te ont„ gaan, Leever heeft willen verlaaten, en dusdanige in solentien voor een tijd vertraa„ „gen, als zich aan onaangenaamheeden te Exponeeren; zo wil men nedrigst, aan het hooge wijze Arbitrium uwer WelEd: Achtb: stellen, of niet den Accuzatriece tot de„ „ze ta„ honden t, eijgen die zie

NL-HaNA_1.04.02_11024_0230 view scan ↗

English

Under No 1 Firstly, sought cause for this dispute, and in effect gave it, and this being so, as is further evident to proof from the product annexed to the answer, thus the discussion raised by the Officer Plaintiff in his reply at article five shall herewith be sufficiently answered. And to make the same further apparent, the point in question cannot simply confine itself to whether what is posed in the claim is the truth or not, but will have to extend itself somewhat further with permission, and indeed specially also into an accurate inquiry, namely: whether, when the defendant is attacked in his house, and thereby is in an unavoidable necessity to have to defend himself, he is punishable on that account; the negative of which is placed beyond contestation with due respect. The true state of affairs of the matter in question will need to be taken somewhat more closely into consideration, from which Your Right Honorable Worships will be able to observe that: When one reflects upon the place where this aggression was committed by the prosecutrix against the defendant, namely in his own dwelling, in which, according to the provisions of the laws already cited in the answer, to which for brevity's sake one will most respectfully Under No 1 Secondly, Thirdly, refer, he is fortified with such privileges as are deduced there at large; notwithstanding which, by the prosecutrix, who came very furiously out of her room, and under such injurious expressions as are mentioned in the answer, he had ipso facto been seized by the hair, as appears from the annexed answer, and subsequently held so fast by her that he could not escape from her, and considering moreover that defense is of natural law, as the jurists teach, saying that it is beyond legal dispute that it is permitted to everyone, not only for the defense of his life, but even also of his honor, to stab to death the attacker or threatener who approaches with a knife or firearm; saying further, so that he who does so does not therein sin before God and his conscience, as doing that which is permitted according to all laws; and therefore he is also not bound by reason of any civil action on that account, according to the advice of the very renowned gentlemen advocates Mr. I. Ingels, Hercules Rog, and Francois Roskam, vide Dutch Consultations and Advices, second third volume, page 31, Consultation 11; and this is not only true according to the civil law, but also in accordance with natural and spiritual law, whereby defense is permitted to humans as well as to irrational animals, E. v. d. 11, L. quadrupes pauperiem fecisse dicatur, l. 1, § 27, de vi et vi armata, c. Dilecto, Extra, de Sententia Excommunicationis in 6to, c. Quia te, dist. 50, c. Cum nemo, 23, Quaest. 5, Significasti, de homicidio voluntario vel casuali, c. Si vero alicujus, de Sententia Excommunicationis; so that the defending of oneself is also permitted under divine law, appears from Exodus 21 verse 13, Deuteronomy 19 verse 9. How much the more, when the defendant in his own house, which must serve him as a safe shelter, was seized in the hair by the prosecutrix, and held fast, such that it was not possible for him to evade or run away; thus a natural consequence that the acts charged against the defendant in the claim, as a crime or not, should not even taste of such a fault. For, Right Honorable Worshipful Gentlemen, where there has been no design, there is naturally also no guilt; the outcome of matters is not punished, but indeed the designs of men, which the Emperor Hadrian wishing to express, C. 14, Cod., thus he wrote: that in evil deeds the will is looked upon, and not the outcome of the same; consequently then, the conclusion of claim brought by the Officer Plaintiff, with due correction, will come to vanish and fall away, both according to divine and written laws. Likewise the reasons of reproaches adduced by the Officer Plaintiff at Articles 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28 of the reply regarding the deponent joined to the answer under No 1, saying that the allegation from Matthaeus, De Criminibus, Book 48, Title 15, No 2, proves nothing, for the reason that the same at No 3 rejects all reproachable witnesses for the innocence of the accused; although, the Officer Plaintiff says further, the same Matthaeus, De Criminibus, No 2, had said that for proof of innocence a single witness is sufficient, which the Officer Plaintiff is pleased to understand as being an unchallengeable witness; furthermore that this deponent, being a slave and not capable of the weight of an oath, should not legally be accepted for the innocence of the accused. As regards the first point, that which the Officer Plaintiff has been pleased to advance in this respect, that by this an irreproachable witness must be understood, will require little refutation; since it is placed beyond contestation that this great jurist wishes this to be understood with a distinction, namely: when the matter in question happens upon public roads, or in open company, or other such places where one readily has occasion to find irreproachable witnesses.

Dutch transcription

Sub No 1 Primo deze questie aanleyding gezogt, en in effect gegeeven heeft, en dit zo zijnde, gelijk zulks ad Evidentiam verder Consteerd, uijt het pro„ „duct het antwoord annex, zo zal dan hier mede de discussie van S: r: O: Eijsr: replicq bij art=l vijf geposeerd genoegzaam beantwoord zijn. En om 't zelve nader te doen blijken zo kan 't poinct in questie zig daar bij niet slegts bepalen, of het bij Eysch geposeerde waarheid zij dan niet Maar zal zig /:onder, welnemen :/ wat verder moeten uitstrekken en wel speciaalijk, ook in een naauwkeurig onderzoek te weten. of wanneer den werweerder in zijn huis werd geaggrisseerd, en daar door in een on„ vermijdelijke noodzaakelijkheid is, om te moeten verweeren, daar over strafbaar zij wiens negotive /: Salva reverentia buij„ ten Contestatie gesteld word /. zal de waare toedragt der zaak in ques„ „tie, wat nader in overweeging dienen geno„ men te worden, zullende UwelEd: Achtb: daar uit konnen Appareten dat, Wanneer men reflecteerd de plaats, alwaar deze aggressie door den Accuza¬ „triete aan den verw: is gepleegt, nament„ lijk in deszelvigen eijgen wooning, waar in hij, volgens de dispositie van de wet„ „ten: bij antwoord reeds geciteeld, waar toe men kordheijds halven zig Eerbiedigtst refereeren Sub N=o 1 Secundum tertio refereeren zal, met zodanige privilegium is gemunieerd, als aldaar in het breeden is gededu„ „ceerd, des niet teegenstaande, door de accuza„ „trieze, /: die zeer verwoed uijt haar kamer gekoo„ men is, En onder zodaanige injurieuse uijt„ „drukkingen, als bij het antwoord staat ver„ meld, hem ipzo facto bij de hairen gegreepen had, blijkens het antwoord annex, En vervolgens hem zo vastgehouden, dat hij naar niet konde ontflugten, en ad daar bij aanmerkt, dat de defensio is Juris naturalus, gelijk de regtsgeleesden tradeeren, zeggende dat 't buijten dispuit van regten is. Dat 't een ijder geoorloft zij, niet alleen zyn tot verw: van zijn lijf, maar zelfs ook van eere den aanvegter of dreijger die aan komt met Een mes ofte geweer dood te steeken; zeggende verder, zo dat die genen die zulks doet, daar in ook voor godt en zijn Consientie niet en zondigt: als doende het geene na allen regten geoostooft is: en mits dien hij daar over ook, uit zaaken van ee„ „nige Ciciele actie, niet en is gehouden, volgens het geadviseerden van de zo zeer gerenomeer„ den heeren Advocaten; M=r I: Ingels, Hercu¬ les rog, en Francois Roskam, videtur holl: Consult, en advisen Twede derde deel pag 31 Cons: 11; En dit is niet slegts waar naar het burgerlijk, maar ook over Eenkomstig, met de huis on„ en a a met het natuurlijk, en geestelik regt waar bij de verweering, zo wel aan menschen; als aan redenloosen dieren, is toe gelaten, E, v, d 11, Le quadrup; paap, sec dic, l, 1, 8, 27, dvi, u vi Arm, E, Dilecto, Extr, de Sent, Excom¬ in 6 to Cquia te dist, 50, C, Cum nomo, 23 Quost 5, Significaste de nomecid, Volunt, vel, Cas E. Si vera alicujus de sent Excom sadat het verweeren, van zich zel¬ „ven, ook bij het godlijk regt is toegelaaten, blijkt uijt Exod: 21 Verso, 13 Dent: 19 V=r 9 Hoe veel te meer, wanneer den verw: in zijn eijgen huis, welk hem tot een veijlige Schuil¬ „plaats moet verstrekken, door de Accuzatriece werd in de hairen gegreepen, en vast gehou„ „den, zodanig dat het hem niet mogelijk was, te ontwijken, of weg te loopen, dus een na„ „tuurlijke siquele, dat de bij Eysch den verw: ten last gelegde feijten, La prot Cri„ „men, aut non, na zodanige faulte niet eens zoude mooge smaaken, Want wel Ed: Achtb: Heeren, daar geen toelegt geweest is, daar is natuurlyk ook geen schuld, de uijtkomst der zaaken worden niet, maar wel de aanslage der menschen gestraft, welke den Keijzer Hadrianus Willende uijtdrukken, C, 14, cod zo schreef hij Dat in de quade daarden, op de wil, En niet op de uitslag der zelve gezien word, Concequentelijk dan, des Heers r:O: Eijssz: uitgebragten Conclusie van Eysch /: salvo meliorie /:zo wel na de goddelijke, als beschreeven, Wetten, zal komen te Evancessee¬ ren en Corrueeren; Zo Zo mede de bij den Heer E: O: Eyssz:, bij Articul 19, 20, 21, 2½, 24, 25, 26, 27, 28, van replicq, aange„ „voerde redenen van reproches, omtrent den depo= sub N=o 1 nent bij antwoord gevoegt, ziggende, dat de allegatie uit matth de Crim„ l, 4. 8, tit, 15 n=o 2, niets afdoet, om redenen dat de zelve No 3 alle reprochable getuigen; Pro rei innocentia verwerpt: Of schoon zegt den Heer E: O: Eyssh: al ver„ der, dezelve matth: de Crim No 2 gezegt had, dat tot bewijs van onschuld een Enkele getuigen voldoende is, het welk den E: O: Eyssr geliefd te verstaan, van een onwzaakbaare getuigen, Voorts dat dien deponent, als zeijde een slaaf, en voor het gewigt van den eed niet vatbaar, Pro rei Innocentia, na regten niet zouden moo„ „gen worden geaccepteerd, Wat het eerste poinct betreft, het gunt den r: O: Eijssr op dit respect heeft gelieven te advanceeren, dat daar door een Irreprochable getuigen moet verstaan werden zal wijnig re„ flustatie moutieren, P Nadien het buiten Contestatie ge„ „steld word, dat dien grooten regtsgeleerden, zulks met distinctie wil verstaan hebben; te weeten Als de zaak in questie geschied, bij pu¬ blijque weegen, of in openbaare gezelschap= „pen, of andere zodanige Plaatze, Alwaar men accatie heeft, om geredelijk Irreprocha„ „belen hen ch ijkt van ee¬

NL-HaNA_1.04.02_11024_0234 view scan ↗

English

to be able to obtain better witnesses. Being for those reasons specifically established in law, that an otherwise reproachable witness is also believed in matters where no one else was present, as is testified, Clarus pract Crim, quest, 28, N=o 19 In particular of an accused, Gomes, b, 12, delictorum No. 23 For indeed it could not square with reason, which is after all the soul of the laws, Noble and Respected Sirs, that one should obligate someone, in his house, in which he believes himself to be secure from such encounters, always to have to keep such witnesses at hand, as thereby the immunity of every person in his house would generally be entirely destroyed; to which is then also added that the promulgators wished to protect innocence through special laws in such matters, and therefore it is received in law, quod testes etiam inhabiles admittantur ad probandam Innocentiam Elitaras Ext, de Presumt specul tit inquisitione &, 1, Virce Sednun, quid Casno. 22 Hostiensis, in Summa de accusationibus, in rubrica, de inquisitionibus Vers, sed nunquid infamatus Alberi in GZ, G, de Testibus. Yea, this even goes so far that in Criminalibus, not only an incompetent witness, but even a doubtful proof alone that is possible, obscures the clear evidence of the officer, and and is sufficient for absolution, according to the doctrine of Farin, de reo Confesso et Convicto quaest, 5, no 8, Cons 19, num 20, in fin lib, v. So that the reasons of reproach advanced by the Right Honorable Plaintiff must indisputably fall away: And from which it then also further appears that the so-called depositions attached to the Claim and Replication can in no way be taken into consideration by Your Noble and Respected Sirs; for the reason that the Defendant was assaulted in the house by the aforementioned widow Hugt, animo offendendi, and seized by the hair, dragged into her room, held fast, and furthermore kicked, of which the Defendant had given proper notice to the pro Interim fiscal, Mr. Exter, and thus from the legal grounds already adduced it is evident ad Evidentiam that the Defendant could not possibly escape the rage of this woman, consequently doing nothing other than that which was permitted to him by divine as well as written laws, and therefore here, under correction, it ought to have been proven by the Honorable Plaintiff as a most necessary requisite ad sufficientiam Juris that the Defendant, having been assaulted, as appears, and thus having acted in self-defense, as is established ad sufficientiam from what has been deduced hereinbefore, is nonetheless punishable. In which case the accuser, as is evident from all circumstances, having assaulted the Defendant in Causa questionis, can only be understood as testifying in her own cause out of a bitter desire for revenge, and such ad Interesse in order to evade the action reserved against her, and thus deposing to the detriment of the whole of society. For from that it would have to result that every decent man could repeatedly be impaired in his honor and reputation upon the giving of such accounts and untruthful accusations, and consequently the honor and reputation of all decent people would depend solely upon such relators, and therefore such accounts are not to be credited in the least, according to the opinion of that very famous criminalist Carpzovius de forensibus part, 1; Const, 16, def: 66. Also the reasons then cease which the Honorable Plaintiff was pleased to object in the replication to save the same account. Just as the responsive declarations of the oboist Andrae annexed to the Claim and Replication can in no way come into consideration, being not only obscure but also varying, yea, contradictory, without making any reflection upon the singular manner in which these so-called proofs were obtained, which is left to the judgment of Your Noble and Respected Sirs; one must nevertheless reflect, firstly, that the same is not only singular and and consequently proves nothing, since such a witness does not even serve as proof in cases of the poor, Vide Holt Consen adviesen 4 deel pag. 166: Cons 89, on which account there shall be applied in particular the well-known axioma Juris, stating one witness is no witness, except when such is produced to prove innocence, as is established from the legal grounds cited hereinbefore; and must also, according to the unanimous opinion of all Doctors of Law, not be accepted, even though it be a noble and distinguished person, according to C. q 9., V. C. de Testibus Junge C, 2, VI de quaestio, for which also Mutius Scaevola, being as a prince among the Romans, is praised that he said that one should believe him if others declared such alongside him, Valerius Maximus lib, 4, C, 1 num 11: And also the Parliament of Paris, upon the declaration alone of King Henry the IV, did not wish to condemn a certain person, vid Bodin lib, 6, de republica, C; ult, and this is also recommended to us in the Law of God, Numbers, 35 Verse 30, Deuteronomy, 17, Verse, 6, and Chapter, 19. verse, 15, and also our Savior Himself desired that every word should stand in the mouth of two or three witnesses, Matthew: 18, Verse 16, John: 8 Verse 17, but also in the second place, when one makes but the least reflection upon that which

Dutch transcription

„bete getuigen te konnen bekoomen. Als zynde om die redenen wel specialijk in regten gesladueert, dat ook een ander zints reprochabele getuigen werd geloofd, in zaaken, daar niemand anders bij is geweest, zo als ge„ „tuigt, Clarins pract Crim, quest, 28, N=o 19 In¬ „zonderheid van een geaccuseerden, Gomis, b, 12, delectorum No. 23 Want immers het zoude met de reeden„ die dog de ziel der wetten is, niet konnen qua¬ dreeren Ed: Achtb: Heeren, Dat men iemand zoude verplichten, om in zijn huis, waar in hij meend voor soortgelijke ontmoetingen beveijligt te zijn, Altoos zodanige getuigen te moeten bij de hand houden, als werdende daar meede over het algemeen, de immuniteit, van een ieder mensch, in zijn huis ten Eenemaal den bodem ingeslagen; Waar bij dan nog komt, dat de promulga„ tores, de onnozelheid door speciaale wetten, in zodaanige zaaken hebben willen beschermen, En daarom in regten is gerecipieerd, quod testes„ etiam, in habiles, admittantur ad proban¬ dam Innocentiam Elitaras Ext, de Presumt specul tit in quisitioné &, 1, Virce Sednun, quid Casno. 22 Hostens, in Summa de accuza¬ lok, in rubricq, de inquestionibus Vers, sed nunquid in famatus Alberi in GZ, G, de Testib¬ Ia dit gaat zelfs zo verre, dat in Criminali„ „bus, niet alleen Een in habite getuigen, maar zelfs Een twijffelagtige preuve alleen die moge¬ „lijk is, reduisterd het klaar bewijs, des officiers, ende ende ter absolutie genoeg is, Volgens de doctrine van Farin, de reo Consers, r„t Convist quaest, 5, no 8, E Cons 19, num 20, in fin lib, v„ Invoegen dat de bij den Heer E: O: Eijssh ge„ „advanceelde reedenen van reprochen, Indispu„ „tabel moeten koomen te vervallen: En waar uit dan ook verder Blijkt dat de bij Eijsch en replicq gevoegde, zo genaamde depositien, bij UwelEd: Achtb:, ijn genen de minste aanmerking zullen kunnen koomen; Om redenen, dat den verw: in huis, door gerep: wede Hugt, animo offendendi geaggresseerd, en bij de hairen gegreepen, in haar kamer gesleept, Vastgehouden, ende vootz geschopt, waar van den Verw: aan den pro Interim fiscaal, de Heer Exter de behoorlijke kennis gegeeven aangevoerde had, en dus uijt de reeds regtsgronde, ad Evi¬ „dentiam Consteerd, dat den verw: met geen mogelijkheid de woede van deeze vrouw zich heeft konnen onttrekken Concequentelijk dan ook niet anders gedaan als het geene hem zo wel bij de goddelijkke als beschreeven wetten was ge¬ „permitteerd en mitsdien alhier onder Correc„ „tie door den E: O: Eijssr als een aller noodza„ =kelijkst requisit ad sufficientiam Juris hadde moeten beweezen werden dat den ged=e geaggres¬ „seerd zijnde blijkens en dus noodweer gedaan hebbende als uit het hier vooren gededuceerde ad sufficientiam Consteerd des niet teegenstaan„ „de Strasbaar zij In hoedanige gevalde acctizatrice gelijk uit alle omstandigheeden blijkbaar is den verw: heb No. 1 ers hebbende geaggresseerd in Causa questionis niet anders verstaan kan worden als in haar eijgen zaak uijt een bittere wsaakzugt te ge tuigen ende Zulks ad Interesse omme de op ha gereserveerden actie te ontduiken en dus ten nadeele van de gantsche maatschappij depo„ „neerende. Want daar uit zoude moeten procluce„ ren dat een ieder Fatzoenlijk man op het ge„ „ven van zodanige relaasen en onwaaragtige aanklagte in zijn Eer en reputatie telkens zoude konnen werden gevitieerd, en gevolglijk van zoort gelijke telatanten alleen te penden ren de Eer en reputatie van alle fatzoenlijke lieden En daarom zodanige relaasen in het al„ lerminste niet te accrediteeren volgens het gevoe „len van dien zo zeer vermaarde Crime nalist Carpzovius de forenspart, 1; Const, 16, def: 66 Ook als dan de redenen Cesseeren die d r: O: Eijssr tot Salvatie van het zelve relaas bij replicq heeft gelieven te objiciteeren. Gelijk dan ook in genen deminsten aan„ merking koomen kan de verclaringen respo¬ sieve van den Hauboist Andrae den Eijsch en replicq annex, als zijnde niet alleen ob„ „seur maar ook varieerende Ja Contradicloir„ zonder dat men eenige reflectie maa„ „ken zal, teegens de singulieren maniere, op welken deezen zogenaamde bewijzen zijn ingewonnen het welk men aan het oordeel Uwer WelEd: Achtb: daar laaten zal; moet men egter reflecteeren, Eerstelijk dat de zelven niet alleen is Singulier en en mitsdien niets bewijst, dewijl een zodaanige getuige, zelfs niet probeert in zaaken van den ar„ „men, Videtur holt Consen adviesen 4 deel pag. 166: Cons 89, Weshalven op dit rispect bijzonder zal werden geappliceerd, de zo bekende axioma Juris, zeggende een getuigen geen getuigen /Exceptis Wanneer de zodanige werd geproduceerd, om den onschuld te bewijzen, als uit de hier vooren geciteerden regts gronden Consteerd;:/ en moet ook volgens het Unanum gevoelen van alle regts d d. niet aangenoomen werden, al is het dat het een heerlijk, en aanzienlijk Per„ zoon is, volgen de C. q 9., V. C. de Testb: Junge C, 2, VI de questio, Waar over ook mutius seaevola, /:bij de romeijnen, als een prins zijnde, /:gepresen word dat hij zeijde, dat men hem gelooven zoude, zo andere neffens hem zulx verclaar¬ den, Paler Max lib, 4, C, 1 num 11: Ende ook het partament van Parijs op de verklaring al„ „leen van den Koning Hend=k de W, zeekere Perzoon niet wilde Condemneeren, vid Bodin lib, 6, de repub, C; ult ende dit word ons ook gerecommandeert bij de Wet godes, Numero„ „rum, 35 Vers 30 Deuit, 17, Vers, 6, en Cap, 19. vers, 15, ende ook onze zaligmaaker zelfs, heeft begeert, dat alle woord in de mond van twee of drie getuigen zoude bestaan, Matth: 18, V=o 16, Joh: 8 v=os 17, Maar ook in de tweede plaats, wanneer men maar de minste reflectie maakt op het ge

NL-HaNA_1.04.02_11024_0238 view scan ↗

English

deposed himself. For in the first deposition it was testified that he, the deponent Andrae, was not present at the quarrel that occurred between the defendant and the accuser, but only arrived there when the defendant was already in her room; that the defendant had kicked in the room door, which produces an inherent contradiction; for, the defendant being already in the room, he had no need to kick in the door. In the second deposition it was indeed specifically deposed that he does not know how to say in what manner the defendant had entered the said room. In the third so-called interrogatories, it was stated again that the defendant threw the foot-stove at the door, and had kicked the same in. And being asked why he had not mentioned this in the statement attached to the answer, he gives this reason for it in Article Five: That he had mentioned nothing of it because he had only been questioned regarding the smuggling, whereas in the second deposition with the answer annexed, not a single word was asked about smuggling, and consequently none is found there either; therein it was indeed asked whether the defendant kept a poor household, and that for the reason that the the Honorable Officer Claimant, in the statement of claim, had also been pleased to posit this among the alleged facts; moreover, a singular witness, according to the doctrine of the doctors, cannot be accepted. Honorable and Worshipful Sirs, thus it is believed, subject to correction, that such contradictory depositions concerning the substance or essence of the matter in question, points of which one now affirms and then denies again, cannot come into any consideration whatsoever before Your Honorable Worships, on the ground that a witness who contradicts himself, as is evident here, as one who states contrary or varying things, or who is truthful in the one and false in the other, his testimony is rejected; see Mr. Joost de Damhouder, Practice in Civil Cases, page 210, No. 121. Passing now from this to the consideration of what was deposed by the surgeon, which will be found to be of the same nature when one reflects that this person declares that the accuser was struck with great force on the forehead and on the nose on the 2nd of February, in her room, by the landlord, whereas at that time he was not even in the house of the defendant; how this deponent could now depose this as the truth, with the designation of time and place, and that at the house of the so very well- known wood-scribe Mulder, is incomprehensible, Honorable and Worshipful Sirs, unless he deposed the same from hearsay. And that, moreover, without giving reasons for his knowledge; such depositions in law merit not the slightest consideration. It only remains to be noted here that the Officer Claimant, in the introductory narrative of the replication, Articles 2 and 3, is pleased to posit that it is not His Honor's business to investigate whether the defendant maintains good neighborly relations with his neighbors, and yet in Article 22, he presents the defendant to Your Honorable Worships as a bad individual, referring to the testimony of the town councilors. It is certainly believed, Honorable and Worshipful Sirs, that the Officer Claimant, saving your reverence, is considerably mistaken here regarding the reputation; for, firstly, the defendant cannot recall that he has committed any offense that in any way merited that name, and for which he would be known as such specifically among the town councilors. And in the second place, the quality of always having lived well with one's neighbors and having maintained good neighborly relations is very uncharacteristic of a bad individual, and cannot in any way square with the character of such persons; for to be a bad individual, and yet to maintain good neighborly relations with one's neighbors, is believed to produce an inherent contradiction, and in an essentially bad bad individual cannot possibly have a place; at least this is certain, that in practice it is received, and in daily observance, namely: That in criminal cases, always, the witnesses of an accused, even assuming they were fewer in number or quality than the witnesses of the officer, must, subject to correction, be given more credence than those of the officer, see Farinacius, de Oppositionibus Testium, Quaestio 65, No. 157, and following, also testifying to the common opinion; and witnesses who depose negatively and who acquit are preferred over the witnesses of the officer who depose affirmatively or accuse, Farinacius, the said Quaestio 65, No. 145, where on the common opinion, No. 204, following Baldus, Aretinus, Curtius, Jas, Romanus, Marzilius, Gabriel, and others cited there, Gruter, allegation 6, No. 7, 8, Berlichius, Practicabilium Conclusionum, part 4, Conclusion 12, No. 26, in the text in materia; even assuming that the offense had already been proven, Farinacius, the said Quaestio 65, No. 234, to 236; how much more so in this case, where no offense has been committed, and consequently not the least can be proven with valid witnesses. Therefore, the accusation on the part of the Officer Claimant naturally collapses; the defendant, having now examined the submitted replication in all its parts and extent, believes he has sufficiently refuted the same to the satisfaction of Your Honorable Worships and according to law. Thus he wishes to conclude, and, contradicting the submissions of the Officer Claimant, submit, unless anything new arises, adhere to his submitted answer and the counter-conclusion drawn thereafter, and persist therein for his rejoinder! Underneath was written: Imploring hereto and upon all things Your Honorable Worships' noble and benign office of judge. Was signed: J. V. Leeuwen. In the margin: Exhibited in court on the 9th of July 1789. Agrees, Damink [illegible]

Dutch transcription

gedeponeerde zelve Want bij de Eerste depositie werd getuigt, dat hij deponent Andrae, bij de twist, tusschen den Verw:, en den Accuzatriece Voorgevallen, niet tegenwoordig was, maar eerst daar toe gekomen, als den werweerder al in haar ka¬ mer was; Dat den werweerder de Kamerdeur inge¬ stooten had, het welk een natuurlijke Contradicie uijt leeverd, 6„ Want den verw: reeds in de kamer zijnde niet nodig hadde de deur in te stooten, Bij de tweede depositie werd wel spe¬ „cialyk gedeponeerd, dat hij niet te zeggen weet, op wat wijze den verw: in gemelde kamer gekoomen was Bij de derde zogenaamde vraagpoincten, wederom, dat de Verweerder de Stoof na de deur gesmeeten heeft, en dezelve Ingestooten hadde En gevraagt zijnde, waarom hij zulx in de bij antwoord gevoegde verklaring niet ge„ „meld had, geeft hij daar van bij Art: Vijf deeze reeden op, Dat hij daar van niets gemeld had, dewijl men hem alleenlijk ten opzigten der smok„ kelarij gevraagt had, daar in de tweede de„ „positie het antwoord annex, geen Enkeld woord over Smokkelarij gevraagt is, en ge¬ volglijk ook niet gevonden word; Daar bij werd wel gevraagd of den verw: Een slegts huishouden voerde, en dat om reedenen den den E: O: Eijssz: bij de Conclusie van Eijsch, onder de pretense feijten zulx meede had ge„ „lieven te Poseeren; Magnu Een Singuliere getuigen, volgens de leere der d: d: niet aangenoomen worden Ed: Achtb: Heeren, zo gelooft men (:onder Correctie /: dat zodaanige Contradictoire de„ „positien raakende het Substantieele of wezentlyk van de zaak in questie welkers poincten men nu affirmeerende en dan weder negerende is, bij UwelEd: Achtb:, gantschelijk in geen aanmerking kunnen koomen, op fundament, dat Een getuige die hem zelve teegenspreekt zoals hier ad Evidentiam Consteerd /: als die Contrari„ eerende, ofte varieerende dingen Zigt, ofte & die in 't eene waar zijt, en in het andere Valsch, deszelfs attestatie werd verworpen; vide M=r Joost den damhouder Practijcq in Civiel pag: 2110: N=o 121: Hier van nu overgaande ter beschouwing van het gedeponeerden, van den Chirurgijn, welke van gelijke alloij zal bevonde worden wanneer men reflecteerd; Dat deeze verklaard, dat de accuzatriece op den 2 februarij, in haar kamer van de huis„ „baas, met groote magt, op het voorhoofft, en op de neus geslaagen is. Daar hij te dier tijd, in het huis van den verw: niet eens geweest is, hoe of nu dien de„ „ponent, zulx met de signatie van teijd en plaatze, voor waarheid heeft konnen de„ poneeren, ende dat ten huize van den zo zeer ben bekende houtschrijver, mulder, is onbegrij¬ pelijk Ed: Achtb: Heeren: ten ware dezelve van hooren zeggen. En dat nog zonder redenen van wetenschap te geeven, deponeerende, noe„ „danige depositien, in regten geen de minste reflectie meriteeren; maart Alleen staat hier nog te remarqueeren - Dat den Heer R: O: Eijssr: bij introductie narree, van replicq, Art: 2 in 3 gelieft te poseeren Dat het de zaak van zijn E: Achtb: niet is, te onderzoeken, of den ged=e met zijn buure een goede buurschap onderhoud, En Egter bij Arb: 22, den Verw: als een Slegt subject, aan UwelEd: Achtb: voorsteld, zig refereerende, op 't getuigenis, van heeren buergeraaden, men geloofd zekerlijk Ed: Achtb: Heeren, dat den Heer E: O: Eijssz /: Salva leverentia:/ zig hier in de naame merkelijk Abuseerd, want„ Eerstelijk kan de Verw: zig niet Prinne„ zen, dat hij iets zoude gepeceerd hebben, dat eenigsints dien naam meriteerde, En waar over hij zo speciaal bij heeren burgeraaden als zodanig zoude bekend staan En in de tweede plaats, zo is de hoeda¬ nigheid van met zijn buuren altoos welge¬ leeft, en goede buurschap gehouden te heb„ „ben, zeer oneijgen aan een slegt subject, en kunnende in geenen deelen, met het Ca„ racter van de zodanigen quadreeren, Want een slegt subject te zijn, En Egter met zijn buuren goede buurschap te hou„ „den, gelooft men dat een natuurlijke Con„ „tradictie uijt leverd, En in een Essentieel slegt slegt subject, onmogelijk kan plaats heb= „ben, althans dit is zeeker, dat in Pravi is gerecipieerd, en in Peridi observantia nament„ lijk, Dat in Crimineele zaaken, altijd, de ge¬ „tuige van een beschuldigde /:genoomen die al minder in getal of qualiteit waaren, dan de getuigen van den heer officier, haar /:onder Correctie:/ meer geloofs gegeeven moet worden, dan die van den heer Officier, Vide Farin, de oppos Cont, diet, rest, quaest, 65, N=o 157, V, sig, post alleibit, etiam de Communi testantes Ende getuigen superngative, en die onschul¬ „digen; geprefereerd worden, voor des neers off=s getuigen, die super Affimative deponeeren, of beschuldigen, Parin, d, quaest, 65, n=o 145, Ubi de Communir, n=o 204, postbald, Aret, Curt, Ias Roman, marzil Gabriel, r, alios all ibid, gruter, all, 6 N=o 7, 7, 8 berlich„ Pract Concl, part 4 Conel 12, No. 26 Vers in ma¬ „teria Ook Schoon genoomen 't delict al bewezen ware, Farin d, quaest 65, num 234, ro 236, Hoe veel te meer in dit Cas, daar niet ge„ „peeceert is; en mitsdien ook niet het minste met vallable getuigen kan werden beweezen Overzulks komt dan ook natuurlijk de be„ „schuldiging, aan de kant van de r: O: Eijssr te vervallen; den verw: 't ingediend replicq, als nu, in alle haare deelen en graadheid hebbende nagegaan, vermeent het zelve ten genoegen van van UwelEd. Achtb:, den regten genoeg te hebben gereconsteerd; Zo wil hij zig ten eijnden haasten, En on O Contradiceerende, der heers R.: O: Expers inbien„ „gen, submitteeren, nisei quid navi, zijn over„ gelegde antwoord en daar agter genomene Contra Conclusie Inhareeren, daar bij blij„ „ven Persisteeren voor duplicq! /:onderstond:/ Imploreerende hier toe en op alles UwelEd: Achtb: Nobile ac benig¬ „num officium Iudicis, /:was getek/t J: V: Leeuwen. /:in margine:/ Exhibi„ „tum in Judicio Den 9 Julij 1789 Accordeert Damink gene stefi

← previousnext →