Inventory 3065
Surat · 856 pages · 175 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
2357 Secret Incoming 2nd part Incoming Secret Letters and Papers from the Respective Outer Offices Since 22 January To 25 September Anno 1762 No 6. Register of incoming Amboina Jan Sionko Received on 15 October per the citizen Johannes Koning Received on 4 July per the Chinese: Missive to Their High Excellencies from Governor van Idsinga and Council under date 26 May 1762 - Page 117. A Pass granted by the Commander at Sourabaija A: C Coertz under date 28 December of the past year to the Chinese Tan sionko to sail to Amboina -- Page 118 Resolution taken at Amboina on 4 February last - Page 119 Register - Page 124. Report - Page 128 Missive to Their High Excellencies from Governor van Idsinga dated 26 May of this year - Page 323 Secret Resolution of 27 April of this year concerning Their High Excellencies' secret letters thither - Page 143 Ditto of 25 ditto annexed containing the Instructions of the deputies to Sawaij, Captain van den Brink and Manipa's Resident Knop - Page 199 Ditto ditto of 19 May of this year - Page 185 Register - Page 325 Missive from and to the same as above dated 25 September 1762 - Page 325 Separate Resolution of 12 June concerning what was transacted with two envoys of the Tidorese Goegoegoe - Page 330 Ditto of 15 July concerning the completed commission of Captain Lieutenant van den Brink and Manipa's Resident Knop to Sawaij and the dispatch of the bark de Draak to Ternate - Page 349 Banda Received on 1 October per the ship de Jager: Missive from the Governor J:b Pelters to Their High Excellencies dated 4 September last - Page 252 Report from Captain Lieutenant Casimir how to preserve the Banda garrison from sickness and mortality - Page 270 Ditto from the Head Surgeons Wial and Bouwer on that subject - Page 275 Ditto from the Master Attendant Hinsch regarding the sea bottoms and anchorages at Banda - Page 277. Received on 14 August per native vessel: Report from Engineer G. Duler on the fortification works there - Page 280 Duplicate letter from and to the same as above dated 17 June 1762, the original of which has not yet been received - Page 371. Bantam Missive from Commander Faura to Their High Excellencies dated 13 August 1762 - Page 231. Cape of Good Hope Received on 7 May per Visvlies: Missive from Governor Tulbagh to Their High Excellencies dated 22 January of this year - Page 1. Ditto from and to the same dated 13 March 1762 - Page 1. Ditto from Governor Tulbagh and the Second, van Oudshoorn, of 16 March 1762 - Page 14. Received on 16 June per Oud Carspel: Ditto from and to the same dated 22 March of the year 1762 - Page 27. Cheribon Received on 9 June per Scholtenburg: Missive from Resident P: C: Hasselaar to Their High Excellencies dated 15 September last - Page 251. Java's Northeast Coast Received on 7 May per the Hof d'Ilpendam: Missive to Their High Excellencies from Governor van Ossenbergh of 23 April of the year 1762 - Page 4. Translation of a Javanese missive from the Susuhunan to the High Government dated 28 March 1762 - Page 8. Received on 2 August per native vessel: Missive to Their High Excellencies from Governor van Ossenbergh dated 23 July of this year - Page 216 To and from the same of the same date - Page 223 Translation dated 19 August of the current year - Page 233 Ditto dated 10 ditto - Page 235 Ditto from the Resident at Surakarta I. C. Beuman to His Honour of 8 August 1762 - Page 237
Dutch transcription
2357 Secreet Aankomend 2e deel Aankomende Secreete Brieven en Papieren van de Respective buijten Comptoiren Zedert 22 January Tot 25 September Anno 1762 No 6. Register der aankomen Amboina Jan Sionko den 15. october p. r den burger Johannes Koning ontfangen ontfangen den 4 Julij: ontf: p:r den chinees Missive aan haar Hoog Ed:s van den gouverneur van Idsinga en Raad sub dato 26: meij 1762 - Pag. 117: Een Pas verleent door den gezaghebber te sourabaija A: C Coertz sub dato. 28 december a o p„o aan den Chinees Tan sionko om naar Amboina te varen -- Resolutie genomen te Amboina op den 4: february laatsl: - - - „ 119 Register - Missive aan haar hoog Ed:s van den gouverneur van Idsinga dato 26. meij dezes jaars - - - – - – secreete Resolutie van den 27 april dezes jaars over haar hoog Edelens secreete brieven na Derwaarts- _o „ „ 25 daar aan inhoudende d' Jnstruc„ tie van gecommitt. s naar Pawag den Cap:n van den Brink en Manipa's Resident Knop „ 199 _o _o van den 19. meij dezes jaars – – – – „ 185 „ 118 „ 143 „ 323 – „ 325 Banda den 1 8ber p:r 't schip de Jager Missive van den hr Gouverneur J s Pelters aan haar hoog Ed:s de dato 4. septemb: J.:o leden - - „ 252 - Berigt van den Cap:n liuten:t Casimine hoedanig de bandase bezettelingen voor ziertens en sterfte te bewaren – – – – „ 270 „ d' oppirchirurgijns Wial en Bouwer over dat suijet - - - „ 275 _o „ den Equipagiemeester Hinsch wegs de gronden en anker plaatsen te Banda - - - - - - - „277. Register Missive van en aan als boven ged:t 25. 7ber: 1762 — Aparte Resolutie van den 12. Junij omtt het verhandelde met twee zen„ delingen van den Tidoreesen Goegoegoe - - - - „ 330 _o van den 15. Julij aangaande de volbragte commissie van den Cap.:n Lieuten:t van den Brink en mampas resident knop naar Sawaij en de verzending van de barcq de Draak naar Ternaten - - - - - „ 349 - _o tot den solgaats he Berigt - . - - - - - „ 124. „ 128 - -- ao 1 deele Jan Sionko den 15. october p r den burger Johannes Koning ontfangen ontfangen Register der aankomen Schreete brieven en Papieren van respective buijten Comptoiren zeder tot den Amboina den 4 Julij: ontf: p:r den chines Missive aan haar Hoog Ed:s van den gouverneur van Idsinga en Raad sub dato 26: meij 1762 — - Pag 117: Een Pas verleent door den gezaghebber te sourabaija A: C Coertz sub dato. 28 december a:o p„s aan den Chinees Tan „ 118 sionko om naar Amboina te varen - - Resolutie genomen te Amboina op den 4: februaryj laatsl: - - - „ 119 Register - - Missive aan haar hoog Ed. s van den Gouverneur van Iasinga dato 26. meij dezes jaars - - secreete Resolutie van den 27 april dezes jaars over haar hoog Edelens secreete brieven na Derwaarts - - - „ 143 „ „ 25 daar aan inhoudende d' Jnstruc„ _o tie van gecommitt. s naar Iawag den Capn van den Brink en Manipa's Resident Knop „ 199 _o _o van den 19. meij dezes jaars - – – – „ 185 - - -„ 128 Register Missive van en aan als boven ged:t 25. 7ber: 1762 – – – – „ 325 Aparte Resolutie van den 12. Junij omtt het verhandelde met twee zen„ delingen van den Tidoreesen Goegoegoe - – - - „ 330 _o van den 15. Julij aangaande de volbragte commissie van den Cap:n Lieuten:t van den Brink en mampas resident knop naar Sawaij en de verzending van de barcq de Draak naar Ternaten - - - - - „ 349 den 1 8ber p.r 't schip de Jager Missive van den hr Gouverneur J:b Pelters aan haar hoog Ed=s de dato 4. septemb: J. o leden - - . Berigt van den Cap:n lieuten:s Casimire hoedanig de bandase bezettelingen voor ziertens en sterfte te bewaren – – – – „ 270 „ d' opprrchirurgijns Wial en Bouwer over dat suijet - - - „ 275 _o „ den Equipagiemeester Hinsch wegs de gronden en anker plaatsen „ 252 te Banda - - - - - - - „277. „ 323 Banda Berigt - . . . - - - - „ 124. — — - _o ao 17. en 14 aug:s p. r ul: vaartuijg ontfangen en 7. meij p.r 't hof d'ino ontfangen Berigt van den Jngenieur G. Duler over het fortificatie werk aldaar Pag: 280 Duplicaat schrijvens van en aan als voren ged=t 17. Junij 1762. „ - - - „ 371. welkers origineel nog niet ontfangen is Bantam Missive van den Commondeur Faura aan haar hoog Edelheedens dato 13. augustus 1762 — Cabo de goede Hoop den 7 meij p:r Vesvheek ontf Missive van den Heer Tulbagh aan haar hoog Edelheedens de dato 22. Januarij dezes jaars – – – — „ _o. Van en aan als even dato 13 maart 1762 - - - - - - „ _o van den heer gouverneur Tulbagh en den tweeden van ouds„ hoorn van den 16: maart 1762 — — — — — „ en 16. junij p.r oud Carppel _o dan en aan als even ged:t 22. maart a:o 5 - – – - „ „ 9 Junij p. r Scholtenburg Cheribon Missive van den resident P: C: Hasselaar aan haar hoog Ed:s dato 15. 7ber: jongst leden — - - - „ 251. Missive aan haar hoog Edels van den henr Gouvern:r van ossen„ bergh van den 23 april a:o 5 – – – – – „ 4. Translaat Javaanse missive van den soesorhoenang aan de Hooge Regee„ ring de dato 28 maart 1762 - - - - - - „ den 2. augj p Jul vaartuijg Missive aan haar hoog Edelheedens van den heer Gouverneur van Ossen. berg de dato 23 Julij dezes jaars – – – — „ 216 aan en van als even van de zelfde dagtekeening - - - „ 223 4 „ „ „ dato 10 _o „ „ - - - „ 235 _o van den Resident te souracarta I. C. Beuman aan zyn Wel Edele van den 8: augustus 1762. - - - - „ 237 ged:t 19. aug:s a. o C - - - - - „ 233 „ „ „ „ „ Iavas oost Cust Translaat ontf. ontf. - - - -„ 231. den Tilb bur 1. 1 14. 27. bevel „den 15 8 --
English
the 21st June per the castle of Tilburg received. Beveland received. vessel received. 9th October per the Chinese An Soenko via Macasser received. Translation of a Javanese missive from the Soesoehoenang to the same as above of the same date, page 239. Missive from Governor Van Ossenberg to the same as above, dated 31st August 1762, page 240. From and to the same as above, dated 19th September of the past year, page 243. Macasser register. Missive from Governor Sinkelaar to Their High Noble Lordships, dated 12th May 1762, page 30. Souratta. The 15th June by the ship Noordbeveland received: Missive from Director Diabbe and Second Kellij to Their High Noble Lordships, dated 27th April 1762, page 16. Separate missive from Director Daabbe to the same as above of the same date, page 25. Ternaten register. The 24th June per a Chinese vessel received: Missive from Governor Jacob van Schoonderwoert to Their High Noble Lordships, dated 8th May of the current year, page 29. Written by the same to His Excellency Jacob Mossel, of blessed memory, dated the last day of June of the past year, page 73. Report of the Commissioners to Salawatty, Masson, and Gregorij, dated 13th October of the past year, page 80. Resolution of the 13th April 1762, page 83. Extract of the resolution of the 3rd March of this year concerning the disaster that occurred at Xulla, page 109. Missive from and to the same as above, dated 10th July of the current year, page 285. From Cape of Good Hope, the 22nd January 1762. Copy of incoming secret letters and papers from the respective outer offices since. Batavia. To the Right Honourable, Valiant Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable, Stern, Most Respectable, Valiant, Most Wise, Prudent, and Most Generous Lord and Noble Lords. Since the dispatch of my last respectful separate letter dated the 13th of this month, there having arrived here the French snow vessel L'Industrie, which set sail on the 14th of December last to deliver orders for the captain of the ship La Fortune present here from Mauritius, no other or further reports have been obtained with this vessel regarding the state of affairs at the aforementioned island, than that the English fleet that had been cruising in those vicinity had at that time not yet made an attack upon the said island. As this vessel did not sight any of the ships from the aforesaid English fleet, it is therefore very likely that the same is currently situated at Madagascar, in accordance with what was stated in my cited last writing. Meanwhile, the French have had the good fortune that not only the three ships, along with the small vessel, which departed from Batavia under the command of Monsieur Ioannis in November last, arrived there safely at the beginning of the recently passed month of December, but that diverse other of their ships, which had been sent out to Madagascar to collect provisions, likewise successively returned to Mauritius. And as this is now all that I have been able to advise Your Right Honourable Sirs with any certainty by this present writing, I shall therefore here conclude, and after having commended Your Right Honourable Sirs together with the Honourable Company's weighty interests to the protection of the Almighty, declare with due respect to be: Right Honourable, Stern, Most Respectable, Valiant, Most Wise, Prudent, and Most Generous Lord and Noble Lords, Your Right Honourable Sirs' very humble and obedient servant. Was signed: R. Tulbagh. In the margin: In the Castle of Good Hope, the 22nd January 1762. Batavia. From the East Coast of Java, the 23rd April 1762. Batavia. To the same as before. First offering Your High Noble Lordships hearty thanks for the appointment of the Raden Aria Nata Coesoema as Regent of Soemenep, who, having duly taken the oath of loyalty, has been installed into his regency according to custom; as well as for the favourable permission for the requested journey to the royal Courts, and subsequently to the Eastern Salient; intending to make a beginning with the journey to the Court on the 4th or 5th of the upcoming month of May; I thus have the honour to send to Your High Noble Lordships alongside this a missive from the Soesoehoenang, and take at the same time the liberty to very respectfully present to Your High Noble Lordships the request of the Panembahan of Madura and of most of the seated regents, tending that, in order to prevent disputes, the Kalang peoples may henceforth fall under the jurisdiction of the respective Regents.
Dutch transcription
den 21. Junij p.:r 't kasteel van Tilburg ontf. beveland ontf: Vaartuijg ontf: „ 9. 8ber: par den Chinees an soenko over macasser nt. Translaat Javaanse missive van den soejoehoenang aan als even van den zelven datum Pag: 239 Missive van den heer Gouvern:r Van Ossenberg aan als voren dato 31. aug:s .o 5. „ 240 van en aan als voren ged:t 19. 7ber: J:o leden - - - - „ 243 .- Macasser Register Missive van den heer gouverneur Sinkelaar aan haar hoog Edelhedens dato 12. meij 1762 - – – – „ 30 Souratta den 15. Junij met schip Noord Missive van den Directeur Diabbe en secunde kellij aan haar hoog Edelens dato 27. april 1762 - - - - - „ 16. aparte Missive van den Directr Daabbe aan als evren van dezelfde dagtekening. „ 25 Ternaten Register - en 24 Junij par een chinies Missive van den Gouverneur Iacob van schoonderwoert aan haar hoog Edelheedens de dato 8 meij Anno Courant . _o door den zelven aan zyn Excell: Jacob Mossel / H L. M. /. geschreven dato ult:o Junij ao pass:o – – – „ 73 Rapport van de Commissianten noar Salawatty Masson en Gregorij de dato 13: octob: a:o passo. . . . - - „ Resolutie van den 13: april 1762 – – – – – – „ 83 Extract Resolutie van den 3. maart dezes jaars over het te Register. Missive van en aan als boven ged:t 10. Julij a. o C — – – „ 285 Xulla g'exteerde ongeval - - - - - „ 109 O „ 29 80 _o — — - - - — „ „ 6. 1 75 - 283 -. - - -- Van Cabo de goede Hoop den 22 Janu: 1762: Copia aankomende secreete Brie„ ven en Papieren van de respective buij ten Comptoiren sedert Batavia Aan den wel Edelen Gestr: heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur generaal, de de wel Edele Heeren Raden ƒ. van Nederlands India Wel Edele Erntfeste, Groot, agtb., manhafte, wel wijze, voorzienige zeer genereuse Heere en Edele Heeren Seedert het afgaan myner laatste eerbiedige apar„ te letteren de dato 13: dezer maand, alhier zijnde koomen te arriveeren, het frans snaauw scheepje L' Industrie, dat den 14. decb:r jongstl: ter over„ brenginge van ordres voor den Cap:n van 't hier aanwezend schip La fortine van Mauritius is t zeijl gegaan, heeft men met dit vaartuijg no„ pens den toestand der zaaken ten evengem: Eij„ lande geen andere of nadere berigten bekoomen, tot als. Van Cabo de goede Hoop den 22 Janu: 1762: Copia aankomende secreete Brie„ ven en Papieren van de respective buij ten Comptoiren sedert Batavia Aan den wel Edelen Gestr: heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur generaal, de de wel Edele Heeren Raden van Nederlands India Wel Edele Erntfeste, Groot, agtb:, manhafte, wel wijze, voorzienige zeer genereuse Heere en Edele Heeren Seedert het afgaan myner laatste eerbiedige apar„ te letteren de dato 13: dezer maand, alhier zijnde koomen te arriveeren, het frans snaauw scheepje L' Industrie, dat den 14. decb: Jongstl: ter over„ brenginge van ordres voor den Cap:n van 't hier aanwezend schip La fortine van Mauritius is t zeijl gegaan, heeft men met dit vaartuijg no„ pens den toestand der zaaken ten evengem: Eij„ lande geen andere of nadere berigten bekoomen, tot als. als dat de daar omtrend gekruijst hebbende Engelse vloot ter dier tijd nog geen attacque op het gedagte Eyland heeft gedaan, terwijl dit vaartuijg geen der scheepen uijt voorsz: Engelsche vloot ontdekt hebbende, het dierhalven zeer waarschijnelijk is, dat dezelve zig thans, volgens het ter neder gestelde bij mijn geciteerde laatste schryvens op Madagascar zal bevinden: ondertusschen hebben de franschen het geluk gehad, dat niet alleen de drie scheepen, met het klijn vaartuijg, dewelke onder het bevel van mons:r Ioannis, in November pass:o van Batavia zijn ver trocken, in 't begin der even verweekene maand decemb. r aldaar behouden zijn g'arriveert, maar dat ook diver„ se andere hunnen scheepen, dewelke ter afhaling van provisien naar Madagascar zijn afgezonden ge„ weest, insgelijx successivelijk te mauritius zyn te rug gekeerd En nadien dit nu alles is, dat ik uwe wel -Edele groot -agtbare bij deezen wederom met eenige zeekerheijd heb kunnen adviseeren; zal ik dierhalven Van Cabo de goede Hoop den 22: Januarij 1762. hier Van Cabo de goede Hoop den 22. Janu: 1762. hier mede eyndigen, en na uwe wel Edele groot agtbare nevens 's E. Comp:s gewigtige belangen in de protectie des alderhoogsten te hebben bevoolen met verschuldigt respect betuijgen te zijn /onderstond:/ Wel Edele Erntfeste groot agtb: manhafte wel wijze voorzienige zeer genereuse Heere en Edele Heeren! /laager./ Uwe wel Edele groot agtb: zeer onderda„ Dienaar / was gete„ nigi en gehoorzame kend R: Tulbagh /:in margine:/ In 't Casteel de goede Hoop den 22. Ja„ „nuarij. 1762. Batavia - Van Iavas oost Cust den 23. April 1762. Batavia aan als vooren Voor af uw hoog Edelheedens hertgeoudig bedankende, voor d' aanstelling van den Radeen Aria Nata Coesoema tot Regent van suina„ „nap, die den Eed van trouwe behoorlijk afgelegt hebbende, naar usantie in zijn regentschap is q'un stalleerd ,als mede voor de gunstige permissie tot de verzogte opreizen naar de vorstelyke Ho„ ven, en vervolgens naar de oosthoek; denkende met de hof reijze een begin te maken den 4 of 5. van d' aanstaande maand meij i: zo heb ik d' eer uw hoog Edelheedens bezijden deze toe te zenden missive van den soesoehoenang en neeme teffens de vrijheid, uw hoog Edelhee„ „dens zeer eerbiedig voor te dragen, 't verzoek, van den Panumbahan van Madura en van de meeste staand regenten, tendeerende, dat, ter vermijding van broullerien, de Calangs volkeren voortaan mogen sorteeren onder de respective Regenten
English
From Java's North-East Coast, 23 April 1762. Regents, in whose district they reside; and that the Panumbahan of Madura as well as the Adipattij of Samarang, as Wedonos, may also be appointed as general chiefs of the Calangers residing in the Regent-ships of which they are Wedonos. For as long as the Regent-ships of Joana, Pattij, Japara, etc., stood on their own, the Adipattij of Samarang, being considered chief of the Calangers, could conveniently keep them under his authority, but now, the coastal lands being divided among separate Wedonos, this would frequently give rise to dissensions and disputes; wherefore I urgently request that Your High Nobilities may be pleased to grant their request favorably. The fifty carbines that Your High Nobilities have been pleased to grant to the Susuhunan against payment have been collected by his emissaries and received with expressions of gratitude. However, in accordance with Your High Nobilities' orders, I shall henceforth, From Java's North-East Coast, 23 April 1762. henceforth decline such requests in a polite manner under some suitable pretext or other. The secret resolutions taken by Your High Nobilities on the memorandum of Mr. Hartingh, together with Your High Nobilities' general letter of 30 March last, I shall carry into effect in the coming days, and not fail to provide proper communication thereof. In conclusion of this letter, it serves to report that Wierad-Miedja, notwithstanding the hope I had conceived that he would submit to the Susuhunan, as I also took the liberty to inform Your High Nobilities in my latest letter of the 18th past, has nevertheless managed to assemble some people again and marched through Tjinkalsewu to Prowoto, situated between Damak and Grobogan, from where he has again retired towards Tjinkalsewu, without me having been able to learn thus far where he is currently staying. As proof of his unwillingness to submit, although he previously made an application to that end to the court of Surakarta, he first asked me by letter for help, which I promised him provided he submitted, even offering to take him with me to Surakarta and promising to endeavor to obtain his pardon from the From Java's North-East Coast, 23 April 1762. prince, which the Susuhunan had moreover already promised me, but a few days thereafter I received an answer from him stating that under several frivolous pretexts of shame and fear, he did not dare go to court, from where he had only retired out of need of food and clothing, but that he requested a small piece of the Company's land to settle there. From this Your High Nobilities may, if it please you, deduce that, now being humbled, he is only seeking rest and playing for time in order to break out again after having gathered a larger number of vagabonds around him. Therefore I shall follow the most cautious course and have the Sultan primarily resist him and, if possible, destroy him, which His Highness has also undertaken to put into effect after the Puasa, while I have given the necessary orders everywhere to keep him out of the Company's lands. Requesting that Your High Nobilities may be pleased to approve my arrangements, I take the liberty to subscribe myself with required respect, beneath was written: usual title, was signed: Wil. Hen: van Ossenbergh, in the margin: Samarang, 23 April 1762. Translation. From Java's North-East Coast, dated 22 April 1762. Translation of a Javanese letter written by the Susuhunan Pakubuwana Senapati Ingalaga Abdul Rahman Sayidin Panatagama, who holds his court at Surakarta Adiningrat, to his grandfather, Mr. Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Honorable Councillors of the Dutch Indies, brought here on 5 May of the year 1762. After the usual preamble. Furthermore, I have duly received the letter from my grandfather, the Lord Governor-General and the Councillors of the Indies, from the hands of my brother, Mr. Willem Hendrik van Ossenbergh, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies and Governor and Director of Samarang, and understood from it that Your High Nobilities, at my urgent request, have been pleased to favor Chief Christoffel Beuman with the rank of Senior Merchant, to continue exercising authority in that capacity over the Company's servants here, wherefore I cannot omit to express my heartfelt gratitude to Your High Nobilities for this, and for the great love and affection which Your High Nobilities have been pleased to show me therein; as also that it has been extremely agreeable to Your High Nobilities to learn that the Chief performs his duties to satisfaction, with which I am likewise extremely pleased. Furthermore, all that lies upon my heart is stated in this letter. Written on Sunday, the 2nd of the light half of the month Puasa in the year Dal 1687, which was, according to the Dutch style, 28 March of the year 1762. Beneath was written: translated by me, was signed: I. Gordijn, translator. Batavia.
Dutch transcription
Van Javas oost Cust den 23 April 1762. Regenten, in welkers district zij zig bevinden; en dat de Panumbahan van Madura zo wel als den Adipattij van Samarang, als Wedonos, ook tot generale hoofden der Calangers die zig in de Regentschappen waar van zij Wedonos zijn, mogen werden aan„ gestelt Want zo lang de Regentschappen van Joana, Pattij, Japara, enz: op zig zelven stonden, konde den Adipattij van sa„ marang als hoofd der Calangers aange„ merkt wordende, gevoeglijk hen onder zijn ge„ zag houden, maar thans, de strand-landen verdeelt zijnde onder bijzondere Wedonos, zou„ de dit veel tijds oneenigheeden en twift verwekken waaromme ik instantig verzoek dat uw hoog Edel hedens hun verzoek gunstig gelieven in te schikken De vyftig Carabijnen die uw Hoog Edelhedens voor betaling hebben gelieven af te staan aan den soesoehoenang, zijn door desselfs zendelingen afge„ haald, en, met betuiging van dankbaarheid ontfangen Edog ik zal, ingevolge uw hoog Edelheedens bevelen, voortaan Van Iavas oost Cust den 23 April 1762 voortaan diergelijke verzoeken op een beleefde wijze, on„ der het een of ander gepast voorwendzel, van de hand wijzen De secreete Resolutien door uw Hoog Edelheedens ge„ nomen op de memorie van de heer Hartingh nevens uw Hoog Edelhedens gemeene letteren van den 30. maart Jongstl: zal ik eerstdaags ten uijtvoer brengen, en niet manqueeren daar van behoorlijk communicatie te geven Tot slot dezes diend, dat Wierad-Miedja niet te genstaande ik hoop had opgevat, dat hij zig aan den soesoehoenang zoude onderwerpen gelijk ik ook de vrij„ heid genomen het bij mijne jongste van den 18' pass. o weder. uw hoog Edelhed:s te bedeelen, egter „ eenig volk heeft weten bij een te zamelen en door Tginkalzewoe door ge„ trokken is, naar Prowoto, leggende tusschen Damak en Gro„ bogan, van waar hij weder na de zijde van tjinkalkewoe„ geretireerd is, zonder dat ik tot nog toe heb kunnen verne„ „men waar hij zig thans ophoud Tot een blijk van zijne onwilligheid tot onderwerping is, dat, schoon hij bevorens aan het hof van Soura carta daar toe aenzoek gedaan heeft, hij mij eerst bij een brief om hulp verzogt heeft, t geen ik hem beloofd heb, mits hij zig on„ derwierp, zelfs onder amnbod om hem met mij naar sou„ racarta te nemen, en hem belovende zijn vergiffenis bij den Van Iavas oost Cust den 23:' april 1762 den vorst te zullen tragten uijt te werken, 't geen de soe„ soehoenang mij daar en boven reeds toegezegt had, dog wei„ nige dagen daar na kreeg ik van hem antwoord, dat hij onder eenige privole voorwendzels van beschaandheid en vreze, zig niet dorst ten hove begeven, van waar hij een„ lijk uijt behoeftigheid van voedzel en kleding geretireerd was, maar dat hij verzogt een stukje lands van de Comp:e om zig daar neder te slaan Hier uijt kunnen uw hoog Edelheedens, des gelievende, op maken, dat hij thans, klein gemaakt zynde, maar rust zoekt en tijd te winnen, ten eijnde weder een grooter aan„ tal van vagabonden bij zig verzameld hebbende, uijt te spatten, dierhalven zal ik het voorzigtigte axioma op vol„ gen en hem voornamelijk door den sulthan, laten te keer gaan, en des mogelijk te vernitigen, 't geen zijn Hoogheid ook heeft aangenomen naar de Pocassa te zullen in 't werk stellen, terwijl ik alomme de nodige ordres heb gegeven om hem uijt'sComp:s landen te houden verzoekende dat uw hoog Edelheedens mijne schikkingen gelieven te approbeeren neem ik de vrijheid mij met vereischt eerbied te onderschrijven /onderstond:/ gewoone tytel /was getekend:/ Wil. Hen: van Ossen. bergh /in margine:/ Samarang den 23. april 1762 Translaat. Van Javas Oost Cust onder dato 22. April 1762. Translaat javaanse brieff gesz: door den soe„ soehoenang Pacoeboeana senapattij Jngalaga Abdul rachman Sajidin Panatagama, die zijn hoff houd op souracarta adeningvat, aan zyn groot vader den Heer Petrus Albertus van der Parra Gouvern: r Gen. l en De wel Edele Heeren Raden van Ned:s Jndia alhier aangebragt den 5. meij a„o 1762. Na gewoone voorreeden Wijders hebbe ik de brief van mijn groot vader den heere Gouver neur Generaal en de Raden van Jndia uijt handen van mijn broeder den heer Willem Hendrik van Ossenbergh raad extaa ord: van Nederlands Jndia en gouverneur en directeur van samarang, wel ontfangen en daar uijt verstaan, dat uw hoog Edelheedens het opperhoofd Christoffel Beuman op mijn jnstantig verzoek hebben gelieven te vereeren met de qua„ liteijt van oppercoopman, om als zodanig het gezag te blijven voeren over de Comp:s dienaren alhier, kunnende ik dierhalven niet af zijn, uw hoog Edelheedens daar voor myne hertgrondige dankbaarheid te betuijgen, en voor de groote liefde en genegentheeden die uu hoog Edelheedens mij daar in hebben gelieven te betonen; zo mede dat het uw hoog Edelheedens ten uijttersten aangenaam is geweest, te verneemen dat het opperhoofd zijn dienst na genoegen waarneemt, waar ik mede ten uijttersten over in„ mijn schik ben, voorts al wat op mijn herte legt staat in dezen brief vermeld gesz: op zondag den 2. van het ligt in de maand poassa„ in 't jaar dal 1687. 't welk geweest is volgens de hol: landse stijl den 28 Maart a. o 1762. /onderstond:/ getranslateerd door mij /was getekend:/ I: Gordijn translat:r Batavia
English
From Cape of Good Hope, the 13th of March 1762 Batavia To the same as before Having had the honor, in my latest respectful letter dated the 22nd of January last, to advise with relation to the state of the French on the island of Mauritius that in the latter part of the past year 1761 various ships had safely returned there, which they had dispatched to neighboring Madagascar to fetch provisions, I can now add in this regard that I have been informed by the captain of the ship Le Conde, currently present here, Monsieur De Bellenne, that they have since received successively from France a further seven sturdy fluyt ships with victuals and other necessities, so that, both through this and through the relief obtained from elsewhere, but especially through the entirely wise and prudent administration of the present Governor, Monsieur Desforges-Boucher, they now find themselves in such a state of defense that it will certainly be very difficult for the English to capture the said island of Mauritius. Meanwhile, concerning the land and sea forces of the latter nation in these regions, with the distribution of each, I have been informed from a good source that they currently consist of the following, namely: The Land Forces, all King's Troops Regiments: Draper's: 12 Companies, at Madras Coote's: 12 Companies, in Bengal Morris's Highlanders: 9 Companies, whereof 3 at Tellicherry, 1 at Bombay, 4 in the fleet, 1 at the Cape of Good Hope Monson's: 9 Companies, 4 at Bombay, 5 at Madras Artillery: 4 Companies, 3 at Bombay, 1 at Madras Thus together: 46 Companies, which before the siege of Pondicherry each consisted of 100 men, having consequently amounted together to 4600 men. In addition, 15 Companies of Marines, which at the time just mentioned consisted of 50 men each, and thus together were 750 strong. Thus in total: 5350 men. However, which number is assumed by the English themselves to have been reduced by up to half, both through illness, desertion, and otherwise, so that the aforesaid King's Troops would now consist of only about 2700 men, without counting, however, the troops of the English Company, of which I have not been able to obtain any certain report. King's Ships and Frigates On the Coromandel Coast: Norfolk, 74 guns, Admiral Cornish, Captain Kempenfelt Lenox, 74 guns, Captain Fowke Grafton, 66 guns, Hyde Parker Elizabeth, 64 guns, Commander Tiddeman, Captain Isaac Ourry Weymouth, 60 guns, Captain Collins America, 60 guns, Captain Pitchford Medway, 60 guns, Captain Tinker Panther, 60 guns, Captain Herrson Falmouth, 50 guns, Captain Brereton Frigates: Argo, 32 guns, Captain Afflick Baleen Seahorse, 20 guns, Captain Grant At the Cape of Good Hope: York, 60 guns, Captain Cowell Chatham, 50 guns, Captain Lynn Frigates: Seaford, 20 guns, Captain Peighin Southsea Castle, 26 guns, Captain George Ourry Store ship at Bombay: Tyger, hulk, Captain Mathison Which 16 ships as well as frigates were manned at the beginning of the aforesaid year with 5640 men, but which, through the severe illness and mortality which they suffered during the cruising near the island of Don Rodriguez (called Diego Rais by the English), have likewise been reduced to such an extent that the said fleet now finds itself in a poor condition, both with regard to the crew and the state of the ships themselves, so that it is not apparent that, without a new reinforcement of ships and men from Europe, they will dare to venture an attack on Mauritius. Meanwhile, as I am able to impart nothing else or further to Your Right Honorable Excellencies for the present, I shall take the liberty to conclude this herewith, remaining with due respect, Underneath stood: Title as before Was signed: R. Tulbagh In the margin: In the Castle of Good Hope, the 13th of March 1762 Batavia 1762 From Cape of Good Hope, the 16th of March 1762 Batavia To the same as before The Right Honorable Gentlemen Directors of the Amsterdam Chamber having been pleased to communicate to us in their honored letters dated the 19th of November and 4th of December of the past year that, on account of the troublesome state of affairs on Ceylon, Their Honors had to decide that, besides the ships Ouder Amstel, Amelisweert, and Oosterbeek already previously designated for the said island, the ship Blijdorp, which arrived here today and had been destined for Batavia, should also be allowed to depart thither, with further orders on how the soldiers lacking on it should be supplemented here locally and, conversely, how the supernumerary seamen should be dealt with, we have judged the one and the other to be of such importance as to dutifully give notice thereof to Your Right Honorable Excellencies herewith; and to that end to forward to the same herewith both the copies
Dutch transcription
Van Cabo de goede Hoop den 13:' maart 1762 Batavia Aan als vooren Bij mijne jongste eerbiedige letteren de dato 22. Janu: pass:o d'eere gehad hebbende om met retatie tot den staat der franschen op 't eijland Mauritius te adviseeren dat in 't laatst van 't gepasseerde jaar 1761 aldaar wederom behouden waren te rug gekoomen diverse scheepen die zij ter afhalinge van provisien naar het nabuurige madagascar hadden afgezonden, kan ik nu ten dezen belange daar bij voegen, dat mij door den Cap:n van het thans hier aanwezende schip Le conde de heer De Bellenne is be„ rigt, dat zij seedert successivelijk nog seeven kloecke fluijt scheepen met victualien en andere benodigtheeden uijt vrankrijk aan handen hebben gekreegen, invoe„ gen zij, zoo door dit, als het van elders bekomene secours, dog inzonderheid door het allesints wijs en voorzigtig bestier, van den tegenwoordigen Gouver„ nair, de heer des forges Boucher, zig thans in dusdanigen staat van defensie komen te bevinden, dat het d' Engelsen nu seekerlijk zeer zwaar zal vallen het gem. Eijland Mauritius te der O Van Cabo de Goede Hoop den 13. maart 1762. hooglanders te vermeesteren: Ondertusschen dat ik nopens de Land en zee-magt van laatstgemelde natie in deze gewesten, met ijders repartitie van goeder hand g'informeert ben, dat dezelve thans komt te be„ staan als volgt te weeten De Landmagt alle Troupen des konings Regimenten Drapers . 12. Compagnien - - - te Madras in Bengalen Cotes. . . 12 Morriss _:o daar van 3. te tillerherrij 1„ „ Bombaij 4„ in de vloot 1 „ aan de Caap de goede — hoop 9 Monsons - - Arthillerij dus te zamen 46 Compagnien die voor de belegering van Poudicherij ijder uijt 100: Cop„ pen bestaan hebbende, dien volgens te zamen hebben uijtgemaakt 4600. Coppen hier bij 15. Compagnien Mariniers, die ten tijde als Eevengem. uijt 50: Coppen ijder hebben bestaan, en dus te zamen sterk zijn geweest -- - - 7. 750. _o dus in 't geheel 4 - _o . 4 te Bombaij 5 „ Madras - 3 te Bombay 1 „ Madaas 5350. Coppen dog - _o . . . . . d Van Cabo de goede Hoop den 13 maart 1762. dog welk getal door d' Engelsen zelfs ondersteld werd, dat zoo door ziekte, desertie als andersints tot op de helft zijnde komen te verminderen, zouden over„ zulx de voorsz: Conings Troupen thans maar in Circa 2700: mannen komen te bestaan, zonder egter hier bij te reekenen, de troupen der Engelse Comp:e waar van geen zeker berigt hebbe kunnen bekoomen Konings scheepen en Fregatten op de Cust Cormandel Nortfolk 74. st. Canon Adm:l Cornish cap: Kempenfelt Lenox „ 74 „ _o cap:n Focelijne Grafton 66 „ _:o Heijde Parker gr Elizabeth 64 „ _„o Command:r Tiddeman cap. Isaac ourreij Weijmouth 60 „ _o cap:n Collins America 60 „ _o „ Pitchford Medway 60 „ _o „ Tinker Pancher 60 „ _o „ Herrson Talmouth 50 „ _o „ Brereton Fregatten 32 st. Canon Cap: Afflich Grant Belen Seahorse 20 „ _o Aan 11. Van Cabo de goede hoop den 13 maart 1762 aan de Caab de goede Hoop cap Cowell 60 st: Canon York - _o Lijnn Chatham 50 „ _ „ Fregatten 20„ _o „ Peighin Seaford southseacastle 26 „ _o „ George Ourrij voorraad schip te Bombaij „ Matthison Tyger, hulk Welke 16. zoo scheepen als fregatten in 't be„ gin des voorsz: Jaars zijn bemand geweest met 5640. Coppen, dog die door de zwaare siekte en sterfte, dewelke zi geduurende het kruijs„ sen bij t eijland Don Rodriques /door de Engelsen Diego Rais genaamt :/ geleden heb„ ben mede dermaten zijn komen te ver„ minderen, dat gem: vloot zig, zoo ten opzigte der manschap, als de Constitutie der scheepen zelf thans in een slegten staat komt te bevinden, zulx het niet apparent is, dat zij, buijten een nieu„ we versterking van scheepen en volk uijt Europa een attacque op Mauritius zullen - - 13. Van Cabo de Goede hoop den 13. maart 1762 zullen derven wagen Ondertusschen dat ik voor Tegenwoordig uwe wel Edele groot agtbare niets anders of naders kunnende bedeelen, de vrijheid zal neemen dezen hier meede te besluijten blijvende met verschuldigde eerbied /onderstond:/ tijdel als vooren /was getekend:/ R: Tulbagh /in margine/ Jn 't Casteel de Goede hoop den 13. maart 1762 Batavia 1762 Van Cabo de Goede hoop den 16 maart 1762 Batavia Aan als Vooren Haar wel Edele groot agtb: de Heeren Bewind„ hebberen ter kamer Amsterdam ons bij der zel„ ver g'eerde litteren de datis 19. novemb: en 4:' decb:r d' A. o pass:o hebbende gelieven te communiceeren dat haar Ed: agtb: wegens de facheuse omtandigheid der zaken op Ceylon hadden moeten besluijten om behalven de reets bevoorens naar het gem: eyland aangelegde scheepen onder Amstel, Amelisueert en oosterbeek, ook het op heeden hier g'arri„ veerde en voor Batavia gedestineerd geweest zynde schip Blijdorp, derwaarts te laten vertrekken, met ordre wijders hoedanig de daar op ontbrekende militairen hier ter plaatse gesuppleert en daar en teegen wederom met de supernumeraire zeevarende zoude moeten gehandelt werden, zoo hebben wij t' een en ander g'oordeelt te weezen van die aangelegentheid om uwe wel Edele groot agtb: daar van nog bij deezen pligtschuldig kennis te geeven; en ten dien eynde hier neevens aan dezelve te laten toekomen zoo wel de Copias
English
From Cape of Good Hope, the 16th of March 1762 copies of the aforementioned two letters received by us, as well as the transcript of a missive consigned by the well-mentioned Lord Directors to the skipper of the said ship Blijdorp, to which we take the liberty to refer ourselves; while we shall not fail to carry out the aforementioned orders given to us therein with the required promptitude. And since the cited respected notification was brought to us via the frequently mentioned ship Blijdorp at the moment that the carrier of this, the ship Scholtenburg, was making preparations to leave this roadstead, we therefore had to order its officers to wait until this was brought into readiness and handed over to them, which we hope will not be taken amiss by Your Right Honorables. With which concluding this, after having commended Your Right Honorables' very honored persons, alongside the important interests of the Honorable Company, to the protection of the Almighty, we remain with due respect. Below stood: title as before. Was signed: R. Tulbagh and P. v. Reede van Oudshoorn. In the margin: In the Castle of Good Hope, the 16th of March 1762. Batavia From Surat, the 27th of April 1762. Batavia The reasons why the contracting of the new demands for the current year has not yet been able to make progress having been detailed in the general letter, we will merely add here in that regard that according to all presumptions it will not be able to take place before the end of the coming month of May, because by then the remainders of the goods contracted for Mocha, Jeddah, and Basra having been delivered, the merchants then generally sit idle for at least a couple of months to await news of the markets of those places before they begin new work again for the following year. And since during that interval there is little bustle, and consequently the workmen, when there are no large contracts, do not have much to do, it is very apparent that the prices will fall, and that there will then be an opportunity, though somewhat late, to obtain the linens at a better price, we wishing from our hearts that this may turn out in that manner and to the satisfaction of Your High Honors, as to satisfy whom To as before all our wishes and endeavors tend. Since the Gheriah pirates have once again dared to attack the Company's vessel the Getrouwigheid, and are thereby the cause of its loss, it is very likely that due to the flight of the said ship they will find themselves not a little encouraged to attack in the future all Company ships that might have the misfortune of encountering them. Through the incident with the Wimmenum and the Vrede at the beginning of the year 1754, and through the narrow-ship Batavia and the small galivat the Sultanpoerse Coelij, on the occasion of the expedition undertaken against them from here in the year 1757, they had fallen into the belief that there was nothing to be gained from the Company's ships and vessels, since they let themselves be blown up or burned rather than taken, they having also attacked no Company ships or vessels since the last-mentioned year. We are also firmly of the opinion that it was primarily that belief which persuaded the deceased prince of the Marathas, Nana, in 1759 to enter into a contract with the commissioner at Pune at the time, whereby he promised that his Gheriah and Bassein armadas would leave the ships and vessels of the Company unmolested. But the outcome has shown how far one may rely on the most solemn engagements and promises of the Marathas. To provide yet another clear example of this, we must inform Your High Honors that recently here, in a certain meeting at which the Pandit or fourths-collector of the Pune Court was present, the ship the Getrouwigheid being spoken of, the said Pandit made no difficulty in openly declaring that his master had never lacked the will, but only a good opportunity, to deal the Company a much more painful blow, and that although this ship had escaped them, they would yet capture some that would richly compensate for all their previous losses; they having, on the other hand, little or nothing to fear from the Company, since Batavia was too far out of reach to think that the Company would want to take revenge for this, and its power in these quarters was too small to be able to do so. From Surat, the 27th of April 1762. When we now compare with that a certain saying of the Maratha general Ramaji Mahadev, namely that they, the Marathas, after having subdued all other provinces on this side of Cochin, and having driven the Portuguese from Goa and their other possessions, as well as the English from Bombay, would finally come into the neighborhood of their good friends the Dutch to pay them a visit as well; inquiring at the same time how far Batavia was situated from Cochin, and whether one could not also travel overland to the said capital! Thus it appears not unclearly that the Marathas are forging far-reaching designs, and that little good would be to be expected from them in case their strength equaled their rapacious desires. Although we consider this saying, and especially that which could be elicited from the last questions, as a rodomontade, which are not uncommon among these peoples, it is nevertheless certain that their naval force, increasing unhindered, will within a few years become so formidable in these regions that even navigation and trade
Dutch transcription
Van Cabo de Goede Hoop den 16. maart 1762 copias der voorsz bij ons ontfangene twee brieven als 't afschrijft eener missive door welgem: Heeren Bewindhebberen aan den schipper van 't gedagte schip Blijdorp geconsigneert, waar aan wij de vrijheid neemen ons te gedragen; terwijl wij niet in gebreken zullen blyven de voorsz daar bij aan ons gegevene ordres met de vereijschte promiptitude ter uijtvoer te brengen En nadien het geciteerde g'agt aanschrijvens, ons per het meergem: schip Blijdorp is toegebragt, op het moment dat brenger deeses het schip Scholtenburg preparatien maakte om deese Rheede te verlaa„ ten, hebben wij dierhalven dies overheeden moeten gelasten zoo lang te vertoeven tot dat deezen in gereetheid gebragt en aan haarl: zoude overgegeven zyn, t' geen wij hoopen willen dat bij uwe wel Edele groot agtb: niet qualijk zal mogen geduijd werden Waarmede dezen besluijtende zullen wij naar uwe wel Edele groot agtb: zeer g'eerde persoonen nevens de gewigtige belangen der E Comp:e in de protectie des aller hoogsten te hebben bevoolen niet verschul„ digt respect blijven. /onderstond/ fijtel als vooren /was getekend:/ R: Tulbagh en P: v: Reede van Oudshoorn /in margine:/ in't Casteel de goede hoop den 16. maart 1762. Batavia 15 ert Van Souratta den 27. April 1762. Batavia De redenen waarom d' aanbesteeding der nieuwe eijs„ schen voor het lopende jaar als nog geen voortgang heeft kunnen hebben, bij de gemeene brief gedetailleerd zynde, zullen wij dien aangaande hier nog maar bijvoegen, dat dezelve na alle vermoeden met voor 't eynde van d' aanstaande maand meij zal kunnen geschieden, ver„ mits als dan de restanten der voor Mocho jedda en Bassoura aanbesteedde goederen afgeloopen zijnde, d de kooplieden als dan gemeenlijk ten minstes een paar maanden stil zitten, om tyding van de markten dier plaatsen af te magten, eer zij weder nieuw werk beginnen voor t volgende jaar. En vermits in dat interval weinig woelens is, en bij gevolg de werklieden, als er geene groote aanbestedingen zijn niet veel te doen hebben, is het zier apparent, dat de — prijzen zullen daalen, en dat er dan gelegenheid zal - weezen, schoon wat laat, om de lijwaaten beeter koop te krijgen, wenschende wij van herten dat zulks indiervoegen, en tot genoegen van uwe Hoog Edelheedens mag uijtvallen, als om dewelke te Aan als vooren contenteeren Van Souratta den 27. April 1762: contenteeren alle onze wenschen en pogingen strekken Vermits de Geriase Rovers zig al weder verstont hebben, s Comps bodem de getrouwigheid aan te randen, en daar door oorzaak zijn van desselfs verlies, is het zeer waarschijnelijk, dat zij door de vlugt van gem: de vlugt schip, zig niet weinig aangemoedigd zullen vinden d d - - om in 't vervolg alle Comp. s scheepen te attacqueeren, 6 6 die het ongeluk mogten hebben hen te ontmoeten. Door het geval met de Wimmenum en de vreede in 't begin van 't jaar 1754. en door het smalschip Batavia en de kleijne Galbet de Sultanpoerse — Coelij, ter occasie van de tegens hen van hier onder nomene expeditie in A: 1757. waren zij in de E: maar geraakt, dat er van 's Comp:s scheepen en vaartuijgen niets te haalen was, alzo dezelve zig uwer lieten springen of verbranden, als neemen, hebbende zij ook zeedert het laatstgem Jaar geve Comp scheepen of vaartuijgen meer aangedaan. wij zijn ook vast van gedagten, dat voornamentlyk die opinie den overleeden vorst der Marhettas Nanna heeft benoogen ido 1759. een contract met den toenmaligen commis„ siant te Poena aan te gaan, waar bij hij beloofd heeft, dat zijne Geriase en Bassynsche armades de scheepen ver„ zn zal 8 Van Souratta den 27. April 1762. scheepen en vaartuijgen van de Comp:e ongemole„ steerd zouden laaten. maar d' uijtkomst heeft ge„ toond, hoe verre men zig op de plegtigste engagemen„ ten en beloften der marhettas mag verlaten om daar van nog een blijkbaar staaltje bij te bren„ gen, moeten wij uwe hoog Edelheedens kennis gee„ ven, dat onlangs alhier in zeekere bij eenkomst waar bij de Pandet of quart invorderaar van het Poenaphe Hoff tegenmoordig was, gesproken zijnde van 't schip de getrouwigheid, gem: Pandet geene swarigheid heeft gemaakt, volmondig te verkla„ ren, dat het zijnen meester nooit aan de wil maar eenlijk aan goede gelegentheid hadde ont„ broken, om de Comp. s nog veel gevoeliger slag toe te brengen, en dat schoon hen dit schip was ontlo„ pen, zij 'er nog wel zouden krijgen, die alle hun„ ne voorgaande verliezen rijkelijk zouden vergoeden; hebbende zij daar en tegen van de Comp:s weinig of niets te vreesen, alzoo Batavia te verre van de hand was, om te denken, dat de Comp. zulx zou„ den willen revegeeren, en haare magt in deze quartieren te kleijn, om het te kunnen doen. Wanneer 19 Van Souratta den 27:' April 1762. Wanneer wij nu daar mede vergelijken zaker gezegde van den marhettas generaal Ramagie Madeeuu, dat zij namentlijk, de marhettas na alle andere Provincien aan deeze zijde van Cochim t' ondergebragt, en de Portugeesen uijt Goa en hunne andere bezittingen, mitsgaders d' Engelschen van Bombay verdreven te hebben, eijndelijk in de buurt van hunne goede vrienden de hollanders zouden ko„ men, om hen ook een bezoek te geven; zig teffens informeerende hoe verre Batavia van Cochim was gelegen ! en of men niet ook over land naar gem. Hoofdplaats konde komen! zoo blijkt niet onduijdelijk, dat de Marhettas verre uijtziende des„ seinen smeeden, en dat van hen weinig goeds zoude te wagten zijn, ingevalle de kragten hunne roofzug„ tige begeertens evenaarden schoon wyj dit zeggen, en inzonderheid het geene uijt de laatste vragen zoude kunnen g'elicieerd worden, als eene rodomontade, die bij deze volkeren aanmerken niet ongemeen zijn is het egter zeeker dat hun„ ne zeemagt ongehindert aangroeijende, binnen weinig jaaren zo formidabel zal worden in deze gewesten, dat zelfs de scheeps vaart en Han„ „del „
English
From Surat, the 27. April 1762: part of the Honorable Company to the west of India will be greatly endangered thereby. To prevent this, and to render them unable for a long time to come to appear at sea with a force that a single Honorable Company's ship would need to fear, there is, subject to the correction of wiser judgment, no other or better means than to destroy the pirate nest Geria and the fleet belonging there. The English in 1758, during the sea campaign against Angria, with 5. warships and 3. bomb galleots, joined by all their Bombay armed vessels, and about 1000: European soldiers, besides the sepoys or native soldiers, made themselves master of that place, which was surrounded on the landward side by several 1000. Marathas, and although one would not have their assistance at present, it is nonetheless very probable that now, although those pirates are well as strong as Angria ever was, one would not require a much greater force to destroy them, or at least their armada. In order to carry this out successfully and according to wish, one would have to seize the opportunity From Surat, the 27. April 1762. 21. in the autumn, before the pirates put to sea, which they never do before their festival of Dassera, which falls around the 26. to the 28. September, at which time their entire fleet, down to the smallest vessel, could be sacrificed to the flames, and the fortress of Geria itself be so ruined by bombs and otherwise that literally not one stone remained upon another, and they would need a long time to nest themselves somewhere again and to recover. And since there are presently many troops on the island of Ceylon who, after the ending of the troubles there, will no longer be needed, we take the liberty respectfully to submit for the consideration of Your High Nobilities whether the same, after the completion of the work in the aforementioned Government, could not be employed for the above-mentioned expedition. This example of severe yet righteous vengeance would probably not only greatly intimidate other pirates and the Marathas themselves, but also greatly elevate the Honorable Company's prestige and esteem here and hereabouts, and consequently serve to secure its navigation in these regions. In From Surat, the 27. April 1762: In the past year, when we had no black pepper, that grain fetched a high price here, and if we had been provided with it, we would have gained a fine profit on it. And as similar opportunities, which cannot be foreseen, might occur again in the future, we take the liberty humbly to request Your High Nobilities to be pleased to authorize us in such cases to requisition the necessary pepper from Cochin, since if we must wait with this until we can obtain it from Batavia, the opportunity is mostly passed due to the supply brought by the English or the Portuguese, whereas on the contrary, being able to order that grain directly from Malabar and receiving it just in time, we would be able to derive good profits from it. Having spoken in our humble secret letter of the 22. December last of the Patchak and its collection from Sind with Company vessels, we must in that respect still humbly request Your High Nobilities for authorization, so that when it might be deemed necessary due to circumstances, From Surat, the 27 April 1762: we may insure the vessels to be sent thither as well as the cargo to be collected. And since there is no one here who understands architecture, in case Your High Nobilities should see fit to grant permission for the construction of some buildings, such a person would be most highly necessary to design and direct the work; wherefore we must beseech You to be pleased to send us someone who possesses the required abilities for this, yet not an Engineer, in order not to arouse the suspicion and jealousy of our British friends. However much one may flatter oneself with the hope that the Mocha debts will finally be paid, there is nevertheless no likelihood that anything will be obtained amicably from the royal treasury; on the contrary, one will be forced either to abandon that claim, however valid it may be, or to employ emphatic measures to obtain satisfaction thereof. If it should please Your High Nobilities to 23. From Surat, the 27. April 1762 to proceed to the latter, it would, subject to the correction of wiser judgment, be best to invite the King's Moneychanger, or another Regent, on board under some pretext or other as soon as the ship or the ships assigned for that purpose have arrived at the Mocha roadstead, and to hold the same under arrest until one obtains payment, or else such secure surety as one may desire. But if this means should not be practicable due to intervening unforeseen accidents, one could seize all native ships found or arriving there, in which case the force that one would wish to employ for this purpose ought to be at the Mocha roadstead by the ultimo February or in the beginning of March. We have the honor to be with all due veneration and deep respect, underneath stood usual title, was signed: J:n Drabbe and D:l Kelly, in the margin stood: Surat, the 27. April 1762. Batavia
Dutch transcription
Van Souratta den 27. April 1762: „del van d E Comp:e om de west van India daar zullen pericliteeren door grotelijx Om dit voor te komen, en hen buijten staat te stellen van in lange weder met eene magt in zee te verschijnen, daar voor een enkeEd Comp:s schip zouden behoeven te vreesen, is er onder Correctie van wijzer oordeel geen ander of beeter middel, als het roof„ nest Geria en d' aldaar te huijs hoorende vloot te verdelgen D' Engelsche hebben in 1758. den zeer over Angria met 5. oorlogs scheepen en 3. Bombardeer Galjoots gevoegd, bij alle hunne bombaijsche genapende vaar„ tuijgen, en omtrent 1000: Europeesche militairen, behalven de cipaijs of inlandsche zoldaten, zig mee„ jter van die plaats gemaakt, die aan de landzijde door eenige 1000. marhettas ingeslooten was, en alhoewel men deze thans niet zoude te baat hebben, is het des niet te min zeer probabel, dat men thans schoon die vovers ruum zoo sterk zyn, als de Angria ooit is geweest, niet veel grooter magt zou„ de behoeven om hen, of ten minste hunne Arma„ de te vernielen. Om zulx gelukkig en na wensch uijt te voeren, zoude men de tijd moeten waar„ „neemen Van Souratta den 27. April 1762. 21. „neemen in 't najaar, eer de rovers in zee loopen, het welke zey nooit doen voor hun feest van Dessera dat omtrent den 26 tot den 28. september invalt„ als wanneer hunne geheele vloot, tot het kleijnste vaartuijg toe, zoude kunnen aan de vlammen op g'offerd, en de sterkte van Geria zelve zodanig door de Bomben en anderzints geruineerd worden, dat na de letter geen steen op den ander bleef, en zij langen tijd zouden nodig hebben, om zig weder er„ t gens te nestelen, en tot verhaal te komen. En na„ demaal er tegenwoordig val Troupen ten Eylande Ceijlon zijn, die men, na het eijndigen der troubelen aldaar niet meer zal nodig hebben, zo nemen wij de vrijheid uwe Hoog Edelheedens eerbiedig in beden„ king te geeven, of dezelve, na volbragt wert ten voorsz: Gouvernemente niet tot de bovengem expeditie zoude kunnen g'emploijeerd worden. Dit exempel van strenge dog regtvaardige E.n wraak, zoude waarschijnelijk niet alleen andere vovers en de marhettas zelve zeer intimideeren maar ook 's E Comp.:s aanzien en agting hier en omstreeks grotelijx releveeren, en over zulx strekken om hare scheep vaart in deze gewesten te beveiligen In Van Souratta den 27. April 1762: In het voorleden jaar wanneer mij geen swarte peper hadden, heeft dier Corl alhier een hoge prijs gegoeden, en indien wij daar van waren voorzien geweest, zouden wij daar op een fraaije winst hebben behaald. En alzo diergelijke gelegentheden, die men niet kan voorzien, in d vervolg weder mogten voorkomen, zoo nemen wij de vrijheid uwe hoog Edelhedens nedrig te verzoeken, ons te willen qua„ lificeeren in diergelijke gevallen de nodige peper van Cochim te eijsschen, alzo wij daar mede moetende wagten, tot dat wij die van Batavia kunnen krij„ gen, de occasie meesten tijds gepasseerd is, door den aanbreng van d' Engelsche of de portugeesen, daar wij in tegendeel dien korl direct van malla baar kunnende ontbieden en net van passe ont„ fangende, daar mede goede voordeelen zoude kun„ nen behalen Bij onze nedrige secreete van den 22. decem„ ber jongstl: gesproken hebbende van de Poetjoek en dies afhaling van sind met sComp. s vaartui„ gen, moeten wij te dien opzigte uwe Hoog Edel heedens nog ootmoedig verzoeken om qualificatie ten eynde wanneer het wegens d' omstandigheeden nodig Van Souratta den 27 April 1762: nodig mogte g'oordeeld worden, de derwaarts te zendene vaartuijgen nevens de af te halene 9 Lading te mogen verassureeren. En alzo hier niemand is, die de bouwkunde verstaat, zoude, ingevalle uwe hoog Edelheedens mogten goedvinden permissie te verleenen tot het extrueeren van eenige gebouwen, zodanig een perzoon ten hoogste nodig wezen, om het merk aan te leggen, en te dirigeeren; weshalven wij hoog dezelve moeten smeeken, ons iemand te wil len toezenden, die daar toe de vereijschte be„ quaamheden hebbe, dog geen Ingenieur om d'agter„ dogt en Ialoezij van onze britsche vrienden niet gaande te maken Hoe zier men zig ook mag vleijen met de hoope, dat de Mochase schulden eindelijk zullen voldaan worden, is er egter geene apparentie dat er van de koninglijke kamer iets goed schiks zal te krijgen wezen, zullende men in tegendeel ge„ noodzaakt zijn, die pretensie, hoe deugdelijk ook te laten varen, of nadrukkelijke middelen te gebruijken, om dier voldoening te erlangen Jndien het uwe Hoog Edelhedens mogte behagen tot 23. Van Souratta den 27. April 1762 tot het laatste over te gaan, zoude, onder Correctie van wijzer oordeel, best weezen 's konings Wisse laar, of een ander Regent onder een of ander pretext aan boord te verzoeken, zo daa het schip over de scheepen daar toe geschikt ter Mochase rheede zul„ len g'arriveerd zijn, en den zelve in arrest te houden tot dat men betaling erlangt, dan wel zo secuure borgtogt als men zelfs begeert. dog zo dit mid„ del door daar tusschen komende onvoorziene toe vallen niet practicabel mogte zijn, zoude men alle d' aldaar bevondene of komende in„ landse schepen kunnen in beslag nemen, in welk geval de magt die men daar toe zoude willen emploijeeren, tegens ult.:o februarij of in d begin van maart ter mochase rheede zoude dienen te zijn. Wij hebben d' eere met alle verschuldigde vene„ ratie en diep ontsag te zijn /onderstond/ gewone tijtel /was getekend:/ J:n Drabbe en D„l Kelly /ter zyde stond:/ Souratta den 27. april 1762. Batavia
English
25 From Souratta, 27 April 1762 Batavia To the same as before I cannot sufficiently express how deeply I am affected by the loss of the Honorable Company's precious vessel de Getrouwigheid, and how much it grieves me that thereby the Honorable Company not only suffers a great loss, but also that the profits of this directorship in the current financial year will cut a very poor figure in comparison with the previous ones. To this is added that, for reasons mentioned in the general letter, the Japanese copper could not be disposed of, and it is to be feared that the price of that mineral will drop even further in the future if one cannot discover and close the source from which the 100000 lb of Japanese bar copper has flowed, which the English brought here this year. I very respectfully request Your High Nobilities to please rest assured that I shall employ all ways and means to negotiate the fixed price for it before the end of the upcoming rainy season. But if such should be completely impossible, and an opportunity should arise to dispose of that mineral for somewhat less, set at least at f 90. — — per 100 lb, being still about 5 percent below the price for which it was recently sold, I would deem it better to proceed to its sale, under Your High Nobilities' favorable approval, rather than holding on to it until the English, through a new opulent supply from Europe, make the matter even more difficult and lower the market, on account of what Your High Nobilities were pleased to say in a separate letter of 30 June 1761 concerning the large stock of Japanese copper at India's headquarters. If, however, in the meantime matters in the Deccan should change in appearance and trade there be reopened, or even merely good prospects for it should arise, I shall not resort to that extreme, as in such a case I have no doubt that the set price will certainly be obtainable for it. I humbly hope from Your High Nobilities' magnanimity that Your High Nobilities will not suspect me of any self-interest in this, but will be persuaded that consideration of the interest of the Honorable Company will induce me to the aforementioned step, should I be compelled to take it, and that nothing lies closer to my heart than to merit, in all conceivable ways, the favorable sentiments that Your High Nobilities have been pleased to express to me. I have the honor to be with the deepest veneration, below stood: usual title, was signed: J.n Drabbe, in the margin: Souratta, 27 April 1762. Batavia 27. From the Cape of Good Hope, 22 March 1762: Batavia To the same as before Having, by our submissive separate letter dated the 16th of this month, dutifully informed Your Right Honorable Worships of what was ordered to us by the Right Honorable the Directors of the Amsterdam Chamber, namely how to supply the missing military personnel here on the respective ships destined for Ceylon, and conversely how to deal with the supernumerary seamen from the ship Blijdorp; we shall now, with regard to that matter, have the honor to advise further that, since 60 heads were required to complete the soldiers of the ship Ouder amstel, we have accordingly taken 40 persons from the military personnel of the bearer of this letter, and have transferred them, along with one sergeant, two corporals, and 18 privates from this garrison, onto the aforementioned vessel Ouder Amstel, whereas on the other hand, from the seamen who were surplus on Blijdorp, again 40 sailors have been placed on this now departing ship Oude Carspel, and 7 of the same on Ouder amstel, which latter vessel, being completely ready to sail, would already have been dispatched the day before yesterday; but since it has appeared to us, among other things from the register of the homeland papers received with Blijdorp, that a sealed missive for the first Master of the aforementioned ship Ouder amstel is to be found aboard the ships Amelisweert, Aschat, de vrouw Petronella maria, Oosterbeek, and de Liefde, we have therefore had to decide to let the departure of the aforementioned vessel remain postponed for a few days. Wherewith concluding this, we commend Your Right Honorable Worships' honored persons along with the most weighty interests of the Honorable Company to God's protection, and remain with due respect, below stood: title as before, was signed: R: Tulbagh and P:r V. Reede van oudshoorn, in the margin: in the Castle of Good Hope, 22 March 1762. From the Cape of Good Hope, 22 March 1762 Register From Macasser, 12 May 1762. Register of the separate letter and the enclosures belonging thereto, addressed to Their High Nobilities, His High Nobility the Governor-General along with the Right Honorable Councilors of the Netherlands Indies. No. 1. Original separate letter to the aforementioned Their High Nobilities, dated today. 2. Separate daily register from 18 October 1761 to 30 April last. 3. Secret resolutions from 17 November of the past year to the 7th of this month. 4. Enclosures belonging to the separate daily register and secret resolutions. Macasser, in Castle Rotterdam, 12 May 1762. was signed: E. Helmkamp, Secretary Batavia 29. India
Dutch transcription
25 Van Souratta den 27. april 1762 Batavia Aan als Vooren Ik kan niet genoeg uijtdrukken, hoe gevoelig ik ben aangedaan over het verlies van 'sE Comp:s kostelijken bodem de Getrouwigheid, en hoe zeer het mij smert dat daar door d'E Comp: niet alleen een groote schade komt te lijden, maar ook de winsten dezer directie in het lopende Boekjaar eene zeer slegte figuur zullen maken, in vergelijking met de voorige Daar bij komt nog dat, om redenen bij de gemeene brief gemeld, het koper Iapans niet heeft van de hand gewild, en het is te dugten dat de prijs van dat mine„ raal in 't vervolg nog meer zal daalen, bij aldien men de source niet kan ontdekken eng stoppen, waar uijt de 100000 lb Japans staaf koper gevloeid J zijn, die de Engelsen dit jaar hier hebben aangebragt lange den uwe hoog Edelheedens, verzoeke ik zeer eerbiedig, gelieven d - 3 verzekert te zijn, dat mij van alle middelen en wegen zal bedienen om daar voor de gefixeerde prijs nog voor het ein„ E ƒ de van d' aanstaande regentijd te bedingen. Maar bij al„ 1 - dien zulx volstrekt ommogelijk ware, en zig eene gele„ gentheid kwam op te doen, om dat mineraal van de hand e Van Souratta den 27 April 1762. hand te zetten voor iets minder, gesteld op zijn minst ƒ: 90. — —. de 100. lb. zyjnde nog circa 5: p:r C.:o beneden de prijs, waar voor het jongst verkogt is, zoude ik vermeenen lie„ ver als het zelve aan te houden tot d' Engelsche door een nieuwen opulenten aanbreng uijt Europa, de zaak nog be„ zwaarlyjker, en de mark laager maken onder uwer hoog Edel heedens gunstige approbatie, tot dies verkoop te mogen treden, uijt hoofde van t geene hoog dezelve bij aparte brief van den 30: Junij 1761. hebben gelieven te zeggen, aangaande den groten voorraad van Japans koper op Indias hoofd van plaatse. Indien egter intusschen de zaken in het deccan„ se van gedaante mogten veranderen en de handel aldaar weder open gesteld worden; dan wel slegts goede apparen„ tie zig daar toe op doen, zal ik tot dat uijtterste niet treeden, dewijl in zoodanig een geval niet twijffele of de bepaalde prijs zal daar voor wel te mazen zijn Ik hoope nedrig van uwer hoog-Edelheedens Edelmoedigheid, dat hoog dezelve mij in deezen niet zullen verdagt houden van eenig eigen belang, maar gepersuadeerd zijn, dat de beden„ king van het intrest der E. Comp:e mij tot bovengem: stap zal overhaalen, bij aldien ik genoodzaakt mogte weezen, dezelve te doen, en dat mij niets nader aan t herte legt, als de favo rabele gevoelens die uwe hoog Edelh: mij hebben gelieven te betuijgen, op alle bedenkelyke wyzen te meriteeren Jk hebbe d' eene met de diepste veneratie te zijn /onderstond:/ gewoone tytel /was getekend:/ J„n Drabbe /:in margine Souratta den 27. April 1762. Batavia 27. Van Cabo de goede Hoop den 22 maart 1762: Batavia aan als vooren Bij onze onderdanige aparte letteren de dato 16. dezer maand, uwe wel Edele groot agtb pligt„ schuldig ter kennisse gebragt hebbende het door haar wel Edele groot agtb: de heeren Bewindhebbe„ ren ter Camer Amsterdam aan ons g'ordon„ neerde, namentlijk hoedanig d' ontbrekende militairen op de resp: naar Ceijlon gedesti neerde scheepen hier ter plaatse te suppleeren en daar en tegen wederom met de superiu„ meraire zeevarende van 't schip Blijdorp te handelen; zullen wij ten dien belange thans d' Eere hebben, verder t' adviseeren, dat dewijl ter tot completering der soldaten van t schip Ouder amstel 60. coppen zijn gerequireert geworden, wij dierhalven van de militairen van brenger deezer 40. persoonen geligt en die nevens Een sergeant twee corporaals en 18: gemeenen uijt dit guarnisoen op gem: bodem onder Amstel hebben laten overgaan, terwijl daar en tegen van de op Blijdorx te veel geweest zijnde zeevarende, wederom wederom 40. mattroosen op dit thans vertrek kend schip Oude Carspel en 7. ditos op order am„ stel geplaatst zijn, welken laatstgem: kiel als volko„ men zeijlvaardig zijnde bereijds op eergisteren zoude zijn gedepeheert geworden, dog nadien ons uijt het register der met Blijdorp ontfangene vaderlandse papieren onder anderen ook is komen te blyken, dat zig op de scheepen Amelisweert, Aschat, de vrouw Petronella maria, Oosterbeek en de Liefde een gesloten missive voor den eersten Gezagvoerder van 'tt meergem schip Ouder amstel komt te bevinden, hebben wij dierhalven moeten besluijten, het ver„ toek van gem: kiel eenige dagen te laten uijt gesteld blijven Waar mede dezen besluytende, bevelen wij uwel Edel groot agtb: zen g'eerde perzonen nevens de gewigtigste belangen der E Comp in de protectie Godes en blijven met verschul„ digt respect /onderstond:/ tijtel als voren /was getekend:/ R: Tulbagh en P:r V. Reede van oudshoorn /in margine:/ in 't Casteel de goede Hoop den 22. maart 1762. Van Cabo de goede Hoop den 22 maart 1762 Register Van Macasser den 12. Meij 1762. Register der aparte Brief en de bijlagen daari „toe gehoorende gerigt aan haar hoog Edelheedens zijn hoog Edelheid den heere Gouverneur Generaal nevens de wel Edele Heeren Raden van Nederlands N. 1. Origineele aparte Brief aan welgemelte haar hoog Edel heedens ged:t op heeden 2 Apart dag Register van den 18 8ber: 1761. tot den 30. april Jongstleeden „ 3 secreete Resolutien van den 17. november a o pass. o tot den 7. dezer 4. Bylagen gehoorende tot het appart dag Register en secreete Resolutien Macasser in 't Casteel Rotterd: den 12. meij 1762 /:was getekend:/ E helmkamp. secr:s Batavia 29. Jndia
English
From Macasser, 12 May 1762 Batavia Having now once again obtained the opportunity, through the opening of navigation, to render to Your Right Noble Honours my dutiful report of what has occurred here among the princes and allies since the departure of my humble letter of 18 October, I shall first have the honour, in reply to Your Right Noble Honours' venerated secret dispatches dated 11 December of last year and 10 February of this year, to impart that upon the receipt of the latter, although the monsoon was already drawing to a close, I would not have failed to have two sloops made ready in accordance with the order given therein to make the voyage to Ternate, had I had those vessels at hand; however, the sloop de Sukkelaar, together with the locally purchased pantjalling de Bedrieger in the Bugis lands, and the Verloren Zoon being at Bouthain to take over the cargo from the ship de Hoop, and moreover the pantjalling recently sent from Rembang having had the misfortune, through stiff and contrary winds, also to arrive there very leaky, this was impossible for me. Nevertheless, upon the return of both of those last-mentioned vessels, which was on the 16th of the recently passed month of April, I would have made an attempt to see whether there might not be any means, by beating up along the coast of Manggarai, to reach such a distance as to gain the latitude of Amboina, in order then to be able to reach Ternate between that island and Bouro still in time, or before the month of August. But both vessels were in such condition as is shown by the report of the naval experts who were commissioned to conduct the inspection, a copy of which is enclosed herewith. Wherefore, having sought to repair their defects, this has taken so long a time, owing to the slight facilities available here for that purpose, that they are not yet ready, and I am thus indeed compelled to abandon it, so as not unnecessarily to endanger people and vessels; particularly since the mates furthermore declared that they considered it impossible to accomplish the voyage, hoping that Your Right Noble Honours, out of consideration of the alleged reasons, will favourably concede that I have been unable to comply with Your Honours' highest orders in this matter, while the committee report and everything relating to this expedition shall remain carefully kept secret by me. I very humbly beg pardon for sealing the Company's letter with my private seal, under the serious assurance that in the future I shall guard against similar mistakes; whereas on the other hand I have been very rejoiced to see that Your Right Noble Honours have kindly deigned to honour all my proceedings regarding the handling of indigenous affairs with approbation, which will encourage me and serve as an incentive to employ, in accordance with my duty, all my abilities toward maintaining Your Right Noble Honours' good disposition. The remaining points in the above-mentioned letters that require an answer, I shall with permission very humbly reply to in the following chapters, and then proceed at present to what has transpired with the indigenous princes and allies. The prospects that existed at the departure of my above-mentioned respectful writing of seeing a speedy end to the war between Boni and Paneki disappeared again shortly thereafter through the dilatoriness or, to call it by its right name, cowardice of the king, who, instead of striking the iron while it was hot, as the saying goes, lay wasting his time erecting stockades and enclosing that place, to the end, as he claimed, of thereby compelling the enemy to surrender without shedding blood by cutting off all supply of foodstuffs and other necessities; through which lingering the courage of the Bonians as well as of the other allies diminished not a little, besides the fact that it greatly annoyed and vexed them to camp in the field so needlessly in marshy ground, and caused me much unrest and made me fear that fortune might turn, and that through the intrigues of the renowned Arung Paneki, who is known as a cunning fox, the Wadjoese would choose his side, the more so because rumours seemed to foretell this. And it has very much the appearance of truth that the hitherto faithful adherence of Datu Pammana to the court of Boni and the apprehension that the Company, should the Bonians get the worst of it, would also come into play, have caused them to desist therefrom, they conducting themselves very politically regarding these disputes, winking at a part of their subjects supporting Paneki without, however, any of their princes or grandees holding the command over them, in order thus not completely to embitter their countryman and former matoa, or head king, and also not to offend the Honourable Company or Boni, intending with that aim always to remain on the best terms, however matters may turn out. Now, in order to strengthen the Wadjoese in the conviction that the Company would, in case of need, assist Boni with all its might, and also at the same time to fulfill the promises previously made, I not only assisted the king, upon his repeated request, in the month of November last with a sum of fifteen hundred rixdollars, but also at the same time sent to him the sloop de Sukkelaar and the pantjalling de Bedrieger with thirty lasts of rice, 750 lb
Dutch transcription
Van Macasser den 12. Meij 1762 Batavia Thans wederom door het openen der vaart gele„ gentheid hebbende gekregen om VE: Hoog Edelheedens schuldpligtig verslag te doen van het geene alhier on„ der de vorsten en bondgenooten zedert het afgaan myner submisse lettere van den 18 october is voor„ gevallen, zal ik voor af d' eere hebben in antwoord op VE: hoog Edelheedens gevenereerde secreete missive geda„ r teerd dan 11. december des voorleeden en 10 february dezes jaars te bedeelen, dat ik op de receptie van laatsgem:, schoon de mousson reets op het eijnde liep, niet zoude gemanqueert hebben, conform de daar bij gegevene or„ „dre twee Chialoupen in gereedheid te laten brengen omme de reijse naar Ternaten te doen, ingevalle ik die kieltjes aan handen hadde gehad, dog de Chialoup de sukkelaar beneevens de alhier ingekogte pantjalling de bedrieger in de Boegis, en de verloren zoon: op Bouthain zijnde, om de lading uijt het schip de hoop over te neemen, daar en boven de Pantjal„ ling jongst van Rembang gezonden, het ongeluk 5 „ gehad hebbende door stijve en Contrarie winden, meede Aan als vooren aldaar 31. Van Macasser den 12 Meij 1762. te zijn aldaar zeer lek vervallen zijnde, was mij zulx onmogelyk, egter zoude ik bij retour van beide die laatstgem: kieltjes dat geweest is den 16:' der Jongst verweeken maand april een tentamen gedaan hebben, omme te onderstaan of 'er geen mid„ del zoude zijn met langs de Cust van de man„ garije het zo verre op te halm, dat ze de hoogte van Amboina konde krijgen, om dan tusschen dat Eyland en Bouro nog tydig ofte voor de maand au„ gustus in Ternaaten te kunnen zijn, maar die bei„ de vaartuijgen waren zodanig gesteld, als het rapport der scheeps verstandige die tot de visitatie zijn gecom„ mitteerd geweest, en deeze in Copia is bijgevoegd, komt aan te toonen, waaromme dezelve dan van hare gebreeken hebbende zoeken te herstellen, is daarmede om de geringe gelegentheid die alhier daar toe is, zoo langen tijd hen gelopen, dat se nog niet klaar zijn, en ik dus wel genoodzaakt ben, om niet onnodig volk en vaartuygen in gevaar te 1 stellen, daar van af te zien; voornamentlyk nog daar en boven verklaarden de stuurlieden dat ze het niet mogelijk oordeelde, de reijse te kunnen krijgen, verhoopende uE hoog Edelheedens uijt Conside„ „ratie Van Macasser den 12. Meij 1762 „ratie der g'allegueerde reeden goedgunstig zullen inschikken dat aan hoogst derzelve beveelen en deeze niet hebbe kunnen voldoen, zullende het commissoriaal rapport en alle het geene relatie heeft en raf tot deze expeditie onder my sorgvuldig gesecreteerd blijven Ik verzoeke zeer ootmoedig verschooning over het toemaken van 's Comp:s missive, met mijn parti„ culiee Cachet, onder serieuse verzekering, dat dik in d' aanstaande mij voor soortgelijke misslagen zal wag„ ten terwijl ik aan d' ander kant zeer verheugt geweest ben, te mogen zien, VE hoog Edelheedens alle mijne verrigtingen omtrent de behandeling der jnlandse zaaken goedgunstiglijk hebben gelieven te honoreeren, met approbatie, het geene mij dan en couragieren en tot een prikkel verstrekken zal, om Conform mijn gehoudenisse alle mijne vermogens aan te wenden ter behouding van VE hoog Edelheedens goede dispositie D' overige poincten bij bovengem: missives de„ welke rescriptie vereijsschen zal ik met permissie in d' ondervolgende Capittels zeer ootmoedig b'ant„ woorden en dan thans tot het gepasseerde met de 33. Van Macasser den 12: Meij 1762. de jnlandse vorsten en bondgenooten overgaan D' Apparentien die er waren by het afgaan van bovengem: mijn eerbiedig schrijvens, om een spoe„ dig eynde te zien van den oorlog tusschen Bonij en Paneky zyn kort daar op wederom verdweenen door de talmagtigheid of /: om het met de regte naam te noemen :/ Lachiiteyjt van den koning, die in stede van, gelyk men zegt, het ijzer te smeeden wijl het heet was, zijn tijd heeft leggen verspillen met het opregten van bentinks, en het insluijten van die plaats, ten eijnde zoo hij voor gaf, den vijand daar door te noodzaken, door het afsnijden van alle toevoer van levens middelen en andere „ aen behoeftens, zonder het plengen van bloed zig over traineeren te geven; door welk trainissement dan de Cou„ „ragie der boniers zoo wel als d' overige bondge„ nooten niet weinig verminderde, behalven dat het haar grotelijx ergerde en verdroot, zoo nodeloos in G het veld te campeeren, in een moerassige grond en aan mij veel onrust baarden, en died vreesen dat de kans eens keeren, en door d' Jntrigues van den vermaarden Aron Panekij, die voor een listige vos bekend is, de Wadjoreesen zijn parthij zoude Van Macasser den 12. Meij 1762 zoude kiesen, temeer dewijl de gerugten zulx scheenen te voorspellen, en het heeft zeer veel schijn van waer„ heid, dat de tot nog toe getrouwe aankleving van Datoua Pamana voor het hof van Bonij en de bedugting dat de Comp:e als de Bonijers in het onderspit quamen te raken, meede in het ppel zoude komen haar daar van hebben doen afzien, gedragende zij zig omtrent deze geschillen zeer politicq laatende Een partij van hare onder„ danen oogluijkende toe Panekij te ondersteuren, zonder dat egter eene van haare princen of grooten daar over het Commando voert, omme dus haren landsman en gewee„ sen matoua : /: of hoofd Coning ( niet ten eenemaal te ver„ betteren, en ook d' E Comp. e of Bonij niet te beledigen,. met dat oogmerk bedoelende altoos aan de beste koop te blyven, hoedanig de zaken ook mogen uijtvallen Om nu de wadgoreesen te sterken in het gevoelen dat de Comp:e des noods Bonij met alle magt zoude bij„ springen, en ook teffens te voldoen aan de voorheen gedaa„ ne beloften heb ik in de maand November Iongstleeden den koning op zijn herhaald verzoek niet alleen g'adsis„ teert met een somma van Vyftien hondert ryxd:s maar ook teffens toegezonden de Chialoup de sukkelaar en de pantjalling de bedriegen met dertig lasten ryst, 750 lb
English
From Macasser, 12 May 1762. 750 lb. of gunpowder and an equal quantity of lead, together with a six-inch mortar, 20 bombs, 20 fireballs, and 50 iron bar-shots, for the deployment of which latter-mentioned war munitions the necessary artillerymen have also crossed over. However, because I was apprehensive that his majesty might at times wish to make a bad use of this assistance, in order, having conquered Panekij, to fall upon the Wadjorese, and also at the same time so that I might successively have such reports of everything that occurred there, upon which I could depend with tranquility of mind, the chief interpreter Voll and the Captain of the Malay nation here were also dispatched thither, with a written instruction among the appendices accompanying this regarding how they are to conduct themselves, all of which was particularly pleasing to the king, as can be seen, if desired, from his letter delivered here on 5 January last. The letters exchanged back and forth both with the king and with the aforesaid commissioners, but especially the narrative submitted to me in writing by the Captain of the Malays upon his recent arrival, all being transmitted in copy among the appendices, will, From Macasser, 12 May 1762 if it pleases Your High Excellencies, fully show for the rest everything that occurred during that siege, and how much the said delegates as well as I have sought to encourage the king to make himself master of Panekij by means of a general assault, and thus make an end to this troublesome war, and that his majesty also declared himself well disposed thereto, and promised that he would undertake such a thing; indeed, several skirmishes have truly taken place there, yet everything is so poorly planned, and even worse executed, that little progress is made, and it is to be feared that this siege may yet last a long time, which will seem incomprehensible to Your High Excellencies, when Your High Excellencies please to consider that the besiegers were eighty thousand strong (although now dwindled to 30,000 men) and Panekij is defended by no more than at most 2 to 3,000 combatants, so that it can very well be deduced that poor discipline must be the cause of it. Added to this is that the king, because Arou Manipoe conducts himself bravely, and in the beginning stood very resolute From Macasser, 12 May 1762 to take Paneky by surprise, has become jealous thereof, fearing that he would cut the grass from under his feet, which according to all thoughts is the reason why there is such delay in electing the aforesaid Arou Manipoe as Young King, and seeing no chance to retract, because he has solemnly bound himself thereto more than once, this makes him very uneasy and chagrined, having, on the contrary, given such ample power to his favorite son Arou Tha—who was recently, or in the year 1759, pardoned against the laws of the land and the desire of all the realm's grandees, and recalled from his banishment to the court—that he commits all sorts of wanton acts; indicating not indistinctly that he would gladly see him as his successor, although in my opinion this will never be able to succeed, being not only illegitimate on account of his mother, who was a woman of low birth, but in addition held in general hatred because of the incest he committed some years ago with his sister, and his bad conduct. If I now wished at this time further to urge the king to appoint Aron Manipoe as Young King From Macasser, 12. May 1762 and to entrust the execution of this war to him (which would be the most salutary thing to bring about a speedy and successful end), it would cause the prince to think that the Company was tired of him, and gladly desired another on the throne; and if I insisted somewhat more strongly on making greater haste with the taking of Panekij, and the outcome did not follow according to wish, he would blame me for it, for such is his character, having to be treated with the utmost caution and cajoled, just as I then also try to give him full measure as much as possible, in order not to lead him into temptation, having to await the end of it with patience, in the hope that everything will still turn out for the best; while recently, according to ordinary custom, upon the favorable approval of Your High Excellencies, that court was congratulated on the conclusion of the fasting month and given a present to the value of f 111: 12. — Then passing on to the Court of Goach, where the clandestine sailing without passes and the smuggling trade to Sampong Jawa still continue, without my grievances
Dutch transcription
35 Van Macasser den 12 meij 1762. 750. lb. buskruijt en een gelijke quantiteijt Loodt, mitsg:s een ses duijm mortier, 20 bommen 20 brand en 50. ijzere knuppel kogels, tot het appliceeren van welke laatsgem: oorlogs behoeften ook zyn overge„ gaan de daar toe benodigde Arthilleristen Dan dewyle ik bevreest was dat zyn majesteyt van deeze adsistentie somtijds een quaad gebruijk zoude wil„ len maken, om Panekij veroverd hebbende, de Wadjoreesen op het lijf te vallen, en ook teffens om van alles het gene aldaar quam voor te vallen, successive zodanige berigten te hebben, waar op ik met gerustheid konde ptaat maken den oppertolk Voll, en den Cap:n der maleijdse natie alhier daar mede afgezonden, met een schriftelijke Jnstructie on„ der de bylagen nevens deeze almeede overgaande hoede„ nig zig te moeten gedragen al het welke dan den koning byzonder aangenaam geweest is, zoo als uijt zijn schrij 8 vens alhier op den 5. Januarij jonstt besteld, des gelie„ vende kan werden b'oogt Dover en weder gewisselde brieven zo met den ko„ nink als de voorsz: Commissianten dog wel voorna„ mentlyk het allaas door den Cap:n der Maleyers by sijn jongste opkomst schriftelijk aan mij overgegeven alles in Copia onder de bylagen overgaande, zullen VE Van Macasser, den 12:' Meij 1762 VE hoog Edelheedens des behagende, ten voelen voor het overige doen zien, alle het geene geduurende die belege„ „ring is voorgevallen, en hoe zeer de gemelde gecommit„ teerdens zoo wel als ik den koning hebben getragt te amimneeren, omme door een generalen aanval zig van Panckij meester, en dus een eijnde van deze lastigen oorlog te maken, en dat ook zijn majesteijt betuijgt daar toe wel genegen te zijn, en beloofd heeft zulx te zullen onderneemen, Ja wertelyk aldaar verscheijde schermutzelingen zijn voorgevallen, dog alles word zoo qualijk overlegt, en nog slegter g'executeerd, dat het C gexe weinig advanceerd, en te vreesen staat deze belegering nog lange zal kunnen duuren, het welke uE hoog Edelheedens onbegrijpelijk zal te vooren koomen, wanneer hoogst dezelve gelieven te considereeren dat de belege„ raars sterk geweest zijn tagtig duijsend /:hoewel nu gesmolten tot op 30'000 man :/ en pancken e gedefendeerd word niet niet meer als ten hoog„ sten 2 a 3000. combattanten, zoo dat het zeer wel na te gaan is, dat een slegte ordre daar van de reeden moeten zijn, hier bij komt nog, dat den koning om dat Arou Manipoe zig dapper ge„ draagd, en in den beginnen zeer schrap gestaan heeft Van Macasser den 12 Meij 1762 heeft, omme Paneky te overrompelen, daar over Ja lours geworden is, vresende dat denzelve hem het gras onder de voeten zoude wegmaagen, het gene dan na alle gedagten de reeden is, waarom zoo lange getraineerd word, met voorsz: Arou Manipoe tot Jong koning te ver„ kiezen, en geen kans siende, om zig te retractee„ ren, dewijl hij meer als eenmaal zig daar toe plagtig verbon„ den heeft, maakt hem zulx zar geenrelijk en Chagrin, hebbende, daar en tegen zijn gelievste zoon Arou Tha die nog jongst ofte in het jaar 1759 tegens slands wetten ende 1 de zin van alle rijx grooten gepardonneert, en uijt zijn ban„ ryC nissement aan het hof geroepen is, zoo eene ample magt. gegeven, dat den zelve alle moedwilligheeden bedrijft; niet onduijdelyk te kennen gevende dat hij wel gaarne hem tot zijne successeur zoude zien, hoewel dit na myne gedagten nooijt zal kunnen doorgaan, als zijnde niet alleen uijt hoofde zynder moeder, dat een vrouw geweest is van een gemeene afkomst, onwettig maer G daar en boven om zijne over eenige jaren gepleegde bloedschande met zijn suster, en desselfs slegt gedrag in een algemeene haat. Wilde ik nu den konink in deze tijd verder aanset„ ten om Aron Manipoe tot jong koning aan te stel„ Een 37 Van Macasser den 12. Meij 1762 „len en aan den zelven het uytvoeren van deezen oorlog op te dragen (het geene het heijlsaamste zoude zijn een spoedig eynde ten goede te weeg brengen (zo zoude zulx den vorst in de gedagten doen vallen dat de Comp:s hem moede was, en gaarne een ander op den throon begeerde, en hield ik wat sterken aan, om meer spoed met het inneemen van Panekij te maken zonder hij den uitslag niet na wensch daar op volgende, mij daar van de schuld geven, want zodanig is zijn Caracter, moetende met d uijtterste voorzigtig„ heid behandeld, en gecajoleerd werden, gelijk ik dan ook zo veel mogelyk hem de maat tragte vol te meeten, om hem niet in verzoeking te brengen, moetende met geduld het eijnde daar van afwag„ ten, in hope dat nog alles ten besten zal uijtval„ len, terwijl laatstelijk volgens het ordinaire ge„ bruijt op de gunstige approbatie van UE hoog Edel: heedens dat hof met het uijteijnde der pouasse is gefeliciteerd en een present gegeven ter waarde van ƒ:111: 12. — dan overgaa tot het Hof van Goach alwaar het Clandesten varen zonder pasce en de smokkelhandel op Sampong Iawa nog continueerd, zonder dat ik met myjne dolean„ tien
English
From Macasser, 12 May 1762 could bring about any change in this matter, and to use sharper measures could in these present circumstances have disadvantageous consequences, so that one must also exercise patience in this. However, on the occasion that Resident Tinne sent here from Bima a vessel that intended to go to Sumbauwa without a pass, which belonged to Careeng Sandrabonij, and of which he very urgently requested that the crew might be released, I deputed thither two members from the Political Council, the Junior Merchants Voll and Blijdenberg, with an emphatic message mainly containing not only a grievance about sailing without a pass, but also the continuous calling at Sampong Jawa by traders who not only defrauded the customs, but also brought in all kinds of contraband goods there, as this is noted in detail in the separate resolution of 17 November and the secret daily register of 19 and 28 of that month of the recently passed year, as well as the report of the aforesaid commissioners, along with the From Macasser, 12 May 1762 the reasons that have moved us to release the Macassarese found on the said vessel for this time; to which, so as not to be overly verbose, I respectfully take the liberty to refer, hoping it will also merit Your Right Honourables' approval. Notice was also given at the same time to all the Courts that all those who were caught at sea sailing without a pass would without any consideration be clapped in irons and sent as such to Batavia for the further disposition of Your Right Honourables. Some time thereafter it was reported to me that opium was secretly being sold at the said Sampong Jawa, wherefore I sent a trusted person thither to trace the house and buy a catty of it, who, having duly accomplished his commission, I sent the Under-Merchant Bartelsz thither to give notice thereof to the Regent and point out the house, as well as to demand the opium and the seller; bringing back as an answer that the said Regent would inquire closely into it and give satisfaction, but a few From Macasser, 12 May 1762 a few days thereafter the latter informed me through the messenger that after a strict search he had not been able to find any opium, but had discovered that a certain Wadjorese, who was accused of being the seller thereof, had sailed from here a few months ago in a vessel to the Randhaar and from there to the Passia to collect his outstanding monies there, and after having done so had returned in a Mandharese vessel without having brought any merchandise along. Whereupon I had the Regent answered that this was childish talk, and since I noticed no regard was paid to the complaints any longer, the Company in future would not dwell on it, but would do itself justice, and with the approval of Your Right Honourables, when the country is somewhat at peace again, this will also be the best remedy. Furthermore, at the end of the puasa, a gift to the value of ƒ:87. 13 — was also given to this court, in accordance with the old custom and subject to the approval of Your Right Honourables. In the small kingdom of Tello nothing noteworthy occurred, other From Macasser, 12 May 1762 than that the new King, living in very close friendship with the Regent of Goach, managed to persuade him to cede the previously mentioned Sampong Jawa with the lands belonging thereto to him. Wherefore I indeed had serious protests made against it, under the threat that in case the Macassarese no longer needed those lands, which belonged to the Company and had only been granted to them on loan, the Company would take possession thereof again, as is also noted at greater length in the aforesaid resolution and daily register, and there the matter rested, without my having heard that this affair had any further consequences. Then proceeding to the Kingdom of Tanette, everything is at peace there and the Queen is still in Louwoe, having stayed for some time with the King of Bonij, without having any inclination to return to her country. From Bouton, on 8 December last, alongside the sergeant who goes thither annually for the extirpation of the spice trees, the envoys From Macasser, 12 May 1762 of the King and the kingdom arrived, who, having given notice of their arrival, appeared the next day in the Castle with the customary honours, also bringing a letter from His Majesty, couched in very polite terms and also containing some complaints about the firing from the Company's sloop in the roadstead there and the extortion of his subjects by the toll farmer at this Castle. Wherefore the investigation thereof was requested from the Fiscal and the Licence Master, who then having provided a report in the council meeting on 15 January thereafter, it was resolved to give the King the necessary clarification upon the departure of the envoys to reassure him in this matter, as all this is found noted in the general resolutions of 17 December of the past year and 15 January of this year, as well as the two reports inserted therein, to which I also refer under favourable interpretation. On the occasion that the aforesaid envoys came to pay their New Year compliments, I asked them when they thought their King would arrive at his residence, to which they answered me
Dutch transcription
Van Macasser den 12. meij 1762 „tien daar inne eenige verandering kan te weeg bren„ gen, en om scherper middelen te gebruijken, zoude in deze presente tijds omstandigheeden van nadeeli„ ge gevolgen kunnen zijn, zoo dat in deze almee„ de geduld moet oeffenen. Egter heb ik bij gele„ gen heid dat den Resident Tinne van Bima her„ waards op zond een vaartuijg, dat zonder pas na sumbauwa de wil had, het geene Careeng sandrabonij toebehoorden; en waar van hij het volk met veel empressement verzogt, dat mogt werden gelargeert derwaarts gedeputeerd twee leeden, uijt den poli„ ticquen raad, d' ondercooplieden Voll en Blijden„ berg, met eene nadrukkelijke boodschag, ten principa„ le behelsende, niet alleen een doleantie over het varen zonder, pajce maar ook het Continueel binnen loopen tot Sampong Jawa van nego„ tranten, die niet alleen den toe fraudeerden, maer aldaar alle zoorten van contrabande wharen aanbragten, zoo als zulx bij aprate resolutie van den 17. novemb. r en het secreet dagregister van den 19. en 28. dier maand des jongst verwee„ kens jaars als mede het rapport der voorsz: gecom„ mitteerdens omstandig staat genoteerd, mitsg:s de Van Macasser den 12 Meij 1762. de redenen die ons hebben bemoogen, omme voor de„ „ze keer de op gem: vaartuijg bevondene maccassaren te largeeren; waar aan ik dan om niet al te wijd„ lopig te zijn, met eerbied de vrijheid neeme mij te refe„ reere, verhoopende het zelve al mede zal meriteeren VE Hoog Edelens goedkeuring, zynde ter zelver tyd ook aan alle de Hoven advertentie gegeven, dat alle de geene, de„ welke in zee g'attraxeerd wierden zonder pasce te varen, zonder eenige consideratie in de ketting ge„ klonken en zodanig ter verdere dispositie van VE Hoog Edelheedens na Batavia verzonden zoude werden Eenige tijd daar aan wierd my rapport gedaan, dat op gem: Sampong Iawa in stilte Amphioen verkogt wierd, weshalven ik derwaarts zoud een vertrouwd perzoon, om het huijs op te speuren en een katje daar van te kopen, dewelke dan zijn Commissie behoor„ lijk volbragt hebbende, zond ik den onder Toek Bar„ telsz derwaarts, om daar van den rijxbesteerder sen„ „nisse te geven, en het huijs aan te wijzen; mitsg:s de Amphioen en verkoper op te eijsschen; brengende tot antwoord dat gem rijxbestierder zig daar op naauw keurig informeeren en satisfactie geven zoude, maar eenige 41 Van Macasser den 12 Meij 1762 eenige dagen daar aan liet mij de laatstgem: door den zendeling bekend maken, dat hij na schery ondertoek geen amphioen kunnen vinden, maar ontdekt had, dat zekere Wadjorees, die beschuldigt wierd den verko„ per daar van te zijn, eenige maanden voorleden 6 met een vaartuijg van hier na de Randhaar en van daar na de Passia gevaren was om zijne aldaar uytstaande penn. in te palmen, en na zulx verrigt te hebben met een mandharies vaartuijg weder gekert was, zonder eenige negotie te hebben mede gebragt, waar op ik den rijxbestierder, liet antwoorden, dat dit kinder praat was, en dewijl ik bemerkte geen reflectie meer geslagen wierd op de klagten, de Comp:e in den aanstaande zig daar niet meede zoude ophouden, maar zig zelven regt doen, er zulx zal ook met goedvinden van VE hoog Edelheedens wanneer het land weeder een wijnig in rust is, het beste middel zijn; wijders is dit hof al meede met het uijteijnde der pouassa een gepchenk ge daan, ter waarde van ƒ:87. 13 — conform d'oude usantie en op approbatie van VE hoog Edelheedens In het rijkje van Tello is niets noteerens waardig, voorgevallen als Van Macasser den 12 Mey 1762 als dat den nieuwen koning met den rijxbestierder van Goach in een zeer naauwe vriendschap leevende, den zelve heeft weten over te haalen, om het bevorens gem: Sampong Jawa met de daar toe gehoorende lan„ derijen aan hem af te staan, weshalven ik daar te: gen wel serieuselyk hebbe laten protesteeren onder bedrijging, dat ingevalle de maccassaren die landerijen 9 die de Comp:e toebehoorden, en aan haar lieden maar ter lien waren afgestaan niet langer nodig hadden, de Comp:e daar van weder possessie zoude nemen, zoo als zulx al mede bij voorsz resolutie en dagrege„ „ster langer staat genoteerd, en daar is het bij ge„ bleven, zonder dat ik hebbe vernomen dat deze zaak van verdere gevolgen is geweest, vervolgens overgaande tot het Ryk Tanette, soo is daar alles in rust en de Koninginne nog op Louwoe, hebbende eenige tijd bij den koning van Bonij zig opgehouden, zonder dat zij eenige inclina„ tie heeft weder na haar land te keeren van Bouton zijn op den 8 december Jongstl: nevens den sergeant, die s'jaaelijx tot het extirpee„ ren der specerij boomen derwaarts gaat, de gesan„ „ten 43 Van Macasser den 12:' Meij 1762. „ten van den koning en het rijk g'arriveert, dewelke van haar komste kennisse gegeven hebbende, met het gewone honneur, 's anderen daags zijn verscheenen in het Casteel, mede brengende een brief van zijn majesteyt, zinde gecoucheerd in zeer beleefde termen, en ook behelsende eenige klagten over het schieten van 's Comp:s Chialoup aldaar ter rheede, en het afknevelen van zijn onderdanen door den pag„ ter aan dit Casteel, weshalven het onderzoek daar van is gedemandeert aan den fiscaal en Licentmee„ ster, dewelke dan in vergadering op den 15. Jan. daar aan van berigt gedient hebbende, is geresolveert den koning in deze ter geruststelling bij 't vertrek„ der gesanten, de nodige elucidatie te geven, zoo als dan dit een en ander bij de gemeene resolutien van den 17 december des gepasseerden en 15 Januarij dezes Jaars, item de beijde daar bij g'insereerde berigten werd genoteerd gevonden, waar aan mij meede onder gunstige welduijding refereeren. Ik heb bij gelegen„ heid, dat de voorsz: gezanten de nieuwe jaars com plimenten kwamen afleggen, haar afgevraagd wan„ neer zij vermeende dat haren konink in zijne re„ sidentie zoude komen, waar op zij wij ten ant. woord
English
gave word that they thought that upon their return they would find his majesty there, wherefore I recommended them to urge the monarch to bring matters to a conclusion, if that were the case, by renewing the contracts, which they promised me they would do, having been unable to discover, neither from them nor from the report of the aforesaid sergeant, that any English ships or vessels had visited there this past year. And at their departure I handed over to them a letter in reply to that monarch and his grandees of the realm, wherein I sought not only to satisfy his majesty regarding the complaints he had made, but also to confer on the renewal of the contracts, as well as concerning the ship that had visited there during the late king's lifetime, with instructions on how to act with regard to it in the future, as may be seen at length in the copy. To the sergeant who departed again with the aforementioned envoys, the customary recognition money was given along, and, in the hope of Your Right Noblenesses' favorable approval, written off, according to the resolution from Macasser dated 12 May 1762, of 18 December of the past year, the 25 rd.:s that were handed over to that officer at his departure to spend on the Toeken, in order that they might guide him to the right location; and although according to the tenor of his kept daily journal he seems to have thoroughly searched everything, no spice trees nevertheless came to his notice. Also written off during the aforementioned session are 3 pcs. flintlocks, which a certain Bandanese slave boy stole from them, based on the written testimony provided to him by the Bouton grandees of the realm stating that this had not occurred through his negligence. I have permitted that sergeant, who is now no longer a stranger there, to depart thither once more, and verbally recommended him in the strongest terms to send me word as soon as possible whenever English ships or sloops should appear there, and also to urge the king to drive them away, without assisting those vagrants with any provisions or other necessities, Your Right Noblenesses being able to rest assured that I shall, as much as lies in my power, monitor the movements of those entrepreneurs, and secretly try to encourage the native to do them all possible damage, so that they may thereby be deprived of the desire to come and trade in these regions. Furthermore, on Sumbauwa, according to the writings of Resident Tinne, the war is said to have ended with the destruction of the district of Ampang and the submission of Datoua Jereive and Niue Renga, or prime minister; the queen having abdicated the government, and the first-named having been elected King. And although according to his account these were as yet merely private rumors, I have written to the aforementioned resident to urge the new monarch, when formal notice thereof should be given to him according to custom, to come hither in person to renew and swear to the contracts, with the intention, if this takes effect, to investigate whether there might not be a means to prevent the frequent smuggling that is practiced there, for truly this may well be called the hive where all pirates and smugglers go in and out, and have found a safe hiding place up to now. For which reason I also intend, once the vessels belonging here have been made ready, to have a cruise conducted in that vicinity to investigate whether any can be caught. Furthermore, all was at peace on Bima, as well as in the remaining small realms on the aforementioned Island, and no further mention was made of Arou Timoodjong from there, just as I have also heard that he is currently said to have joined the king of Boni again; but since I have no certainty of this and Your Right Noblenesses are pleased to order that this matter merely be kept alive telle quelle, as is indeed best at present, I shall manage all pursuits until a favorable opportunity presents itself to me to demand satisfaction for it. Furthermore, there was as yet no news of how matters stood with the war on the Mangarije, and since the envoys of Bima's king have not yet appeared to give notice according to custom regarding the election of the successor to the throne, I have likewise recommended the resident to direct matters in such a way that this takes effect as soon as possible. And since no further communication was made concerning Dompo either, I have, in hopes of a favorable interpretation and so as to cause no needless disturbance in the present times, postponed for some time the dethroning of that monarch and the appointing of another, hoping that the resident will find the means to persuade him to a better way of life, which I have emphatically recommended to him. The Northern and Southern Provinces are all at peace, and nothing noteworthy has occurred there, except that recently, or on the 3rd of this month, Daing Mapatta was appointed king of the village of Palliouw in place of the deceased Regent, subject however to the further approval of Your Right Noblenesses. Meanwhile, I shall proceed further to the Island of Saleijer, from where Resident Bakker gave notice by a letter dated 7 March that an English two-masted sloop, mounted with 14 pieces of cannon, had run aground on the nearby small island of Klijn Zatomde.
Dutch transcription
„woord gaven, dat se na gedagten bij haar retour zijn majesteijt aldaar zoude vinden, weshalven ik haar recommandeerde de vorst daar toe aan te zetten omme, zulx zoo zijnde een eijnde van za ken te maken, met het vernieuwen der contracten, het gene zij mij beloofde te zullen doen, hebbende nog uijt haar nog uijt het rapport van den voorsz: zerge„ „ant niet kunnen ontdekken, dat het gepasseerde jaar aldaar eenige Engelsche scheepen ofte vaartuijgen zijn aangeweest, en bij het vertrek hebbe aan haar g'intra„ „geerd een brief in antwoord aan dien vorst en zijneen rijxgrooten, waar bij zijne majesteijt niet alleen we„ VE gens zijne gedane klagten het zoeken te vreden te stellen, maar ook over het vernieuwen der contrac„ ten onderhouden, gelijk ook omtrent het schip dat aldaar bij de voorige konings leeven is aangeweest, met een voorschrift hoedanig in den aanstaande daar mede te moeten handelen, zoo als zulx breedvoerig bij de Copia kan werden gezien. Aan den sergeant die met de gemelde gezanten weeder vertrokken is, zijn de gewone recognitie penn mede gegeven, en in hoope van VE hoog Edelheedens gun„ stige approbatie ter afschrijving gepasseerd, volgens besluijt Van Macasser den 12: meij 1762. van 45 Van Macassea den 12. Meij 1762 van den 18: december J:o leeden de 25. rd.:s die aan dien officier zijn g'intrageert bij zijn vertrek om aan de Toeken te spandeeren, ten eijnde dezelve hem op de regte plaatse zoude brengen, en schoon hij volgens den teneur van zijn gehouden dagregister alles wel schijnt door snuffeld te hebben, zijn hem egter geen speci„ „rije boomen te vooren gekomen Ook zijn bij gemn Cessie ook afgeschreven 3 p. s snap„ haanen, die zekere Bandaneesen slave Jongen van haar gestolen heeft, op fundament van het schriftelijke getuijgenis dat de boutonse rijxgrooten hem hebben etuijgen g meede gegeeven, dat zulx bij zijne negligence niet is toegekomen Ik heb dien sergeant, dewelke aldaar nu niet meer vrlemd is weeder derwaarts laten vertrek„ . ken, een mondelijx op het kragtigste gerecommandeert, mij zo spoedig doenlijk kennisse te laten toekomen, wan„ neer zig aldaar Engelsche scheepen ofte Chialoupen quamen vertoonen, en om ook den konink aan te setten, dezel„ „ve te verjagen, zonder die zwervers met eenige levens middelen dan wel andere behoeftens te adsisteeren, kunnende VE. hoog Edelheedens zig verzekert houden, dat ik zo veel in mijn vermogen is, de gangen van .. Van Macasser den 12. Meij 1762 van die Enterprencurs zal nagaan, en den Jnlander onder de hand tragten te amimeeren; omme haar alle afbreuk te doen, ten eijnde haar daar door de lust mag benomen werden, omme in deze contrij„ „en te komen handelen, wijders zoude op Sumbauwa volgens schrijvens van den resident Tin„ ne den oorlog g'eijndigt zijn met het distruceren van het district van Ampang en de versoeking van Datoua Jereive, en Niue Renga /of eerste ministee/ hebbende de koninginne de regeering nedergelegd, en is den eerstgem: tot Konink verkooren; en schoon zulx na zijn zeggen nog maar particuliere ge„ rugten waren, hebbe ik gem resident aangeschre ven, om wanneer hem volgens de gebruijken daer van wierd kennisse gegeven den nieuwe vorst aan te setten in perzoon herwaarts te komen om de Contracten te renoveeren en b'eedigen, met voorneemen als zulx effect sorteerd, te onder G staan, of er geen middel zoude zijn, de menig„ gepleegt vuldige sluijkerijen die aldaar ^ worden, te belet„ ten, want waarlyk dit wel de korf genaamt mag werden daar alle zeel schuijmers en smot„ kelhandelaars in en uijtgaan, en een veijlige schuijlplaats 47 Van Macasser den 12:' meij 1762 schuijlplaats tot nog toe gevonden hebben, wes hal„ ven ik dan ook voornemens ben, als d' alhier thuijs hoorende vaartuijgen in gereedheid gebragt zijn, daar omstreeks een kruijstogt te laten doen, om te onderstaan, offver verdenige kunnen g'attrap. peerd werden. voorts was op Bima alles in rust, gelijk mede in d' overige rijkjes ten gem: Eijland en werd van Arou Timoodjong van daar niet meer gerept zo als ik dan ook gehoort hebbe dezelve zig tegenwoordig weder zoude vervoegd hebben bij Bonijs koning dog dewijl ik geen sekerheid daar van hebbe en VE hoog Edelheedens gelieven te ordonneeren dat die saak maar telle quelle zal levendig gehouden wer„ den, zo als ook thans wel het bester is, zal ik alle poursuites menageeren tot een favorable gelegentheid mij voorkomt om daar over satis factie te vorderen Wijders was nog geen tyding, hoedanig het gesteld was, met den oorlog op de mangarije, en dewijl de gesanten van Bima's koning nog niet zijn opgedaagd omme na den gebruijke kennisse te geven wegens de verkiesing van den troons op vol„ „ger Van Macasser den 12. Meij 1762 „ger, heb ik almede den resident gerecommandeert omme het daar heenen te dirigeeren, dat zulx ten E spoedigste gevolg neemd, en vermits van Dompo almeede geen verdere meedigg gedaan wierd hebbe ik in hoope van welduijding om in de pre„ sente tyden geen nodeloose op schudding te maken het detroneeren van dien vorst en het aanstellen a van een andere nog eenige tijd uijtgesteld, verhoo„ pende dat den resident het middel zal vinden, om hem tot een betere levenswijze over te halen, het geene ik hem nadrukkelijk hebbe gerecommandeerd De Noorder en zuijder Provintien zijn alle in rust en is aldaar niets noteerens waardig voorgevallen als dat jongst ofte den 3.:e deezer tot koning van de negorij Palliouw is aangesteld Daing mapat„ „ta in steede van den overleedene Regent egter op de nadere approbatie van uw hoog Edelhee„ dens. terwijl verders zal overgaan tot het Eijland Saleijer van waar den resident Bakker bij een briefje van den 7. maart kennisse gaf„ dat een Engelsche Chialoup van twee mosten en gemonteerd met 14. stukken Canon op het na bij gelegen Eijlandge klijn zatomde was gestrant
English
From Macasser the 12: May 1762 stranded, that vessel having come from Bengaale and as the Cap:n pretended destined to call at Soloa, and further to depart for China, having been laden with linens and Amphioen, having a pass from the Governor and Council at Bengale to be permitted to trade along the limits of the Company's lands. We have in our meeting on the 20: March after mature deliberation, for the reasons alleged therein, thought fit to write to and order the resident to keep as close a watch on those people as possible, and to prevent all correspondence with the native, yet nevertheless to offer a helping hand, by providing them with necessities and also a vessel, so that they could depart with it for Bankahoeloe, provided they pay for it in cash or by a bill of exchange or assignment indicate where those funds would be obtainable, all of which then having thus been settled they departed from there on the 16: April last, with a Chiampang purchased for them, taking with them everything that had been saved from the stranded sloop, consisting principally of 16: packs of Amphioen mostly spoiled by the sea water. We were thus under the impression that we would thereby be rid of these guests, but were greatly deceived therein, as on the 29: thereafter it was reported to me by a native that they had arrived in distress at Boelicomba. Wherefore I immediately ordered the resident by a note to drive them away from there, and in case of unwillingness to send them up under arrest, but a few days thereafter or on the 4. current receiving a note from the resident Meurs, whereby he gave notice of the arrival of the aforesaid English and the deplorable condition of both crew and vessel, adding his intention to be, as soon as the said vessel was repaired, to send the same hither with those people, so it was resolved in our meeting the following day to order him Meurs, when the vessel of the said English should be in a state to put to sea, to make them depart from there and for Bankahoeloe; taking care that they did not From Macasser the 12: May 1762 come to that Castle, but before this order could be delivered, or on the 6: thereafter, the Bombardier arrived to land here in the evening at eight o'clock, reporting that the said nation divided in two vessels were sailing together for this roadstead, whereupon I immediately gave order to the equipage master to sail out to meet them, and to tell them to keep quiet and stay on board until further orders, also the following day having convened a meeting of the Council of Policy, it was decided therein to send on a commission to Cap:n Forrest the Cap:n Command:r La Haute Maison and the fiscal Beijnon, in order to inquire what reasons had moved him not to continue his voyage to Bankahoeloe, who upon their return reported in writing that Cap:n Forrest had declared to them, that having put to sea with his vessel, it had become so leaky that he could barely keep it afloat with his sick crew and had gotten among rocks unknown to him and seeing no chance to reach Saleijer From Macasser the 12: May 1762 again, had found himself compelled to seek another of the Company's places, in order not to fall into the unmerciful hands of the natives, that subsequently by good fortune he had encountered one of the Company's vessels which, as he followed it, had brought him to Boele Comba, and from there had been sent hither, most humbly requesting the necessary assistance etc., but a few hours thereafter Cap:n La Haute Maison brought me a note in the French language, written by the aforementioned Forrest, in substance containing, that after the departure of the commissioners, his crew had declared they did not wish to depart with the native vessel, that he therefore humbly requested that he and his accompanying crew might be granted transport with the Company's ship to Batavia, which both writings then having been read that same day in the evening in our meeting, we have after mature consideration thought fit to grant them this latter request, for such reasons as are known from the aforementioned resolution, to which we then also respectfully refer. From Macasser the 12. May 1762 The Cap:n of the said sloop being named Thomas Forrest, wrote me a note in the French language from Saleijer, whereby giving me notice of his accident, he requested assistance, judging that such could not be refused him, as having done nothing wrong, but I answered him thereon in clear terms, that he and even better the Bengal Governor ought to have known that the entire East was interdicted to all foreigners, and such in accordance with the treaties concluded between the two nations, wherefore we were then also not obliged to give any help or assistance, and still less to show any respect to his pass in these quarters, but indeed entitled to maintain our right of possession against all those who sought to disturb us therein, that I further in no way doubted that the Dutch would meet with a bad reception in case they came to prejudice the English gentlemen in such a manner, but that nevertheless out of consideration for his accident, and the close alliance that exists between the English and Dutch nation
Dutch transcription
49 Van Macasser den 12: meij 1762 gestaant, zijnde dat vaartuijg gekomen van Ben„ gaale en zoo den Cap. n voorgaf gedestineerd om op soloa aan te gaan, en verder na China te vertrek„ ken, zynde beladen geweest net lijwaten en Am„ phioen, hebbende een pas van den Gouverneur en Raad tot Bengale, om langs de limiten van s Comp:s landen te mogen handelen Wij hebben in onze vergadering op den 20: maart na rijpe deliberatie, om de daar bij g'alligueerde redenen goedgevonden den resident aan te schrijven en te ordon„ neeren, omme dat volkje zoo na mogelijk in agt te naemen, en alle Correspondentie met den jnlander te beletten, dog egter de behulpsame hand te bieden, met haar het nodige en ook een vaartuijg te bezor„ gen, ten eynde zijl: daar meede na Bankahoeloe konde vertrekken, mits daar voor met Contanten betalende dan wel door een wissel of assignatie aanwijzing doende, waar die penn. zoude te krij„ gen zijn alle het welke dan dusdanig zijn be„ slag erlangd hebbende zijn zij op den 16: april Jongstl: van daar vertrokken, met een voor haar ingekogte Chiampang meede nemende alle het geene uijt de gestrande Chialoup had kunnen geborgen geborgen werden, bestaande ten principale in 16: pakken Amphioen meest door het zee water bedorven. Wij waren dus in de verbeelding, dat wij van deze gaften hier mede zoude zijn ontslagen, dog sijn daar inne zeer bedrogen geweest, dewijl mij op den 29: daar aan door een inlander wierd gerapporteerd, dat zij op Boelicomba waren ter rouw gekomen. Weshal„ nan opstonds aan den resident bij den briefje hebbe g'or„ dorneert omme dezelve van daar te jagen, en bij onwilligheid haar in arrest op te zenden, dog eenige Lelden, Z 8 „ dagen daar aan of op den 4. Courant van den resi„ ƒ 6: dent Mours een briefje ontfangende, waar bij den zelve van de komst der voorsz: Engelsche en de de„ plorablen toestand zo van volk als vaartuijg ken„ van „ nisse gevende, met bijvoeging van intentie te zijn zo dra het gem: vaartuijg gerepareerd was, het zelve met die luijden herwaarts te zenden, zo is in onzen vergadering daags daar aan geresolveerd, om hem Meurs te ordonneeren, wanneer het vaortuijg van dik gem. Engelsche zoude in staat zijn om zee te kiesen, haar van daar en na Bankahoeloe te doen vertrekken; zorg dragende dat ze niet Van Macasser den 12: meij 1762 aan Van Macasser den 12: Meij 1762. aan dat Casteel quamen, maar aleer deze ordre konde zijn overgebragt, ofte op den 6: daar aan quam savonds om agt uuren alhier aan te E landen den Bombardier, rapporteerende dat dik gem: Natie in twee vaartuijgen verdeeld, na tuijgen deze rheede gezamen zeijlen, maar op ik aanstonds Den equipagiemeester ordre gaf, omme haar in 't ge„ ƒ moed te zeylen, en dezelve aan te zeggen, zig tot nader ordre stil en binnen haar boord te houden, mitsg:s daags daar aan vergadering van Politie belegt hebbende, is daar inne besloten, aen den Cap:n C„orrest te zenden in Commissie den Cap:n Command:r La Haute Maison en den fiscaal Beij„ non, omme zig te informeeren, wat rheedenen hem bewoogen hadde omme zijne reijse niet te vervol„ gen na Bankahoeboe, dewelke dat bij te rug komst schriftelijk rapporteerde, dat den Cap:n Cor„ C: P „rest haar hadde verklaard, dat hij met zijn vaartuijg in zee zijnde gekomen, het zelve zoo lek was geworden, dat hij het met zijn zieke volk naauwlijx hadde boven water kun GE „nen houden en tusschen hem onbekende klip„ „pen was geraakt en geen kans ziende sa„ „leijer Van Macasser: den 12:' meij 1762: „leijer weder te krijgen, zig genoodzaakt had ge„ vonden een andere 's Comp:s plaats op te zoeken, om niet in de ongenadige hauden der inlanders te vervallen, dat vervolgens bij geluk een 's Comp:s vaartuijg hadde aangetroffen het gene hij volgende hem hadde gebragt tot Boele Comba, en van daar was gezonden herwaarts, verzoekende ootmoedigst om de nodige adsistentie etc:a dog eenige uuren daar aan bragt mij den Cap.:n La Haute Maison een briefje in de franse taal, door evengem: forrest geschreven, in substantie behelsende, dat na het vertrek der gecommitteerdens, zijn volk ver„ klaard hadde, niet met het inlandse vaartuijg te willen vertrekken, dat hij dierhalven ge„ dienstig verzogt, hem en zijn bij hebbende man„ „schap mogt werden verleend transport niet s Comp:s schip na Batavia, welke beijde schrijf„ tuurere dan dien selven dag 's avonds in onze vergadering gelezen zijnde, hebben wij na rijpe overweging bijt gedagt, dit laatste haar te ac„ cordeeren, om zodanige redenen als bij even„ gem: resolutie bekend staan, waar aan mij dan met eerbied al mede refereeren. Den 53 Van Macasser den 12. meij 1762: Den Cap:n van gem. Chialoup zijnde genaamt Thomas forrest, heeft mij in de branse taal van saleijer een briefje geschreven, waar bij hij mij ken„ msje gevende van zijn ongeval, adsistentie verzogt, oordeelende hem zulx niet konde geweijgerd werden, C als hebbende niets misdaan, dog ik hebbe hem daar op in verstaanbare termen g'antwoord, dat hij en nog beter den Bengaals Gouverneur had behooren te weeten, de gansche oost voor alle vreem„ e delingen was g'interdiceert, en zulx conform LuE de tractaten, tusschen de twee natien geslooten, weshalven wij dan ook niet verbonden waren, tot eenige hulpe ofte bijstand, en nog min„ lxe der om eenig respect aan zijn pasce in deze quartieren te bewijzen, maar wel geregtigd ons regt van possessie te mainetineeren, tegens alle de gene die ons daar inne zogten te ontrusten, dat ik wijders geensints wwijffele, of de hollanders zoude een slegt onthaal ontmoeten, ingevalle zij de heeren Engelschen op dusdanige een wijze quamen te benadeelen, dog dat egter uijt con„ sideratie van zijn ongeval, en de nauwe al„ liantie die tusschen d' Engelsche en Hollandsche natie
English
From Macasser the 12th of May 1762 nation, had resolved not to withhold the necessary assistance from him, that I further considered it a great fortune that he had not met with greater difficulties, for it could easily have happened that he and his people were massacred by the natives, without it being in our power to demand any satisfaction for it, and so forth, as is recorded in detail in the copies of those letters and the remainder in those of the resident, together with his journal and the resolutions taken on the 26th of April and the 5th of August last, to which I reverently refer, under favorable interpretation and in order not to be too prolix, hoping that Your Right Honorable Excellencies will be pleased to approve our actions in this matter, as well as that we have caused to be disbursed here from the Company's treasury to the authorized agents of the aforementioned resident Bakker the funds advanced by him on account of the English Captain, amounting to the sum of six hundred eighty-eight rixdollars and five stuivers, in accordance with the enclosed duplicate expense account and the draft drawn beneath it on the Governor From Macasser the 12th of May 1762 Governor van Sittart in Bengal, all signed by Captain Forrest; however, since now through the above-mentioned accident the aforementioned Captain Forrest will not be in a position to fulfill this obligation, I humbly request that this may be imposed upon him upon his arrival there. Also attached hereto are two sealed letters sent hither from Saleijer by the frequently mentioned Forrest, namely one to the aforementioned Governor and the other to a certain Vincent, diamond setter there. Likewise, there have been left behind and sent hither by the resident Bakker a certain Hermanus de Jong of Amsterdam, having formerly served the Company and being familiar with these regions, along with three Portuguese sailors, who will cross over with the ship 't Casteel van Tilburg, working during their voyage for their keep, at the disposal of Your Right Honorable Excellencies. I have had the aforementioned De Jong make a statement here at the secretariat by way of a declaration regarding what was known to him about this voyage, which also goes over herewith in authentic copy for the perusal of Your Right Honorable Excellencies, From Macasser the 12th of May 1762 as it will sufficiently appear therefrom what an important loss that nation has suffered in this shipwreck, it being to be wished that they may thereby be deprived of the desire to frequent these quarters. For the rest, good tranquility prevails on the aforementioned island, after the people of the negorijs Balle Boelo had some time ago risen against their lawful regent Daeng Mabasoe, who was appointed upon the further disposition of Your Right Honorable Excellencies on the 3rd of November of the past year and at the request of the said subjects; which disturbance, however, was settled through the vigilance of the resident Bakker. And since the Bonto Bango made himself suspect in this matter of having had a part in this dispute, I have reprimanded him about it by a letter, not doubting that it will have a good effect. The indigo cultivation will be ceased upon the venerated order of Your Right Honorable Excellencies, nothing more having come from it than the six pounds sent in the month of October of the past year, because the heavy rains From Macasser the 12th of May 1762 caused the remainder standing in the field to rot. For this time, since it was undertaken merely as a trial, I encouraged the natives at Siang, being the Company's subjects, to let their buffaloes and people be used without wages, so that no other expenses fell upon it than the wages of the two Javanese sent hither in the year 1760, who were soon discharged, amounting to ƒ 408. –. –. One piece of Lampher at ƒ 12. 17. – and one piece of Guinees at ƒ 9. 8. – making together ƒ 420. 5. –, the first item being charged to the account of earned native monthly wages, and the two last-mentioned, in hope of approval, written off to ordinary expenses, hoping that the same will also be favorably approved by Your Right Honorable Excellencies. And herewith concluding this under the serious assurance that I will continue with all faithfulness to perform my duty on this turbulent Celebes, while praying God to preserve Your Right From Macasser the 12th of May 1762 Honorable Excellencies in His safe protection, and with profound respect I remain. Beneath stood: usual title. Was signed: C: Sinkelaar. In the margin: Macasser in the Castle Rotterdam, the 12th of May 1762. Still lower: P.S. This having already been prepared, I receive on the Company's behalf a letter from the resident of Saleijer, a copy of which also accompanies this, whereby it appears how poorly the English have sought to reward the friendship that was shown to them, having returned to Pomelatte not through distress but premeditatedly, in order to sell their salvaged opium there; but they were driven away by those people, just as I have given orders not only there but in all places to do all the damage within their power to that nation upon their appearance, yet sparing their lives, and I shall shortly also encourage the King of Bonij to let the necessary orders reach his subjects on that subject. Register 1
Dutch transcription
Van Macasser den 12. maij 1762 natie was, geresolveerd hadden, hem de nodige ad„ sisdentie niet te onthouden, dat ik het wijders voor een groot geluk reekende, dat hij geen groter zwarig heeden had ontmoet, want dat het maklijk had kunnen gebeuren, hij met zijn volk door den inlan„ der waren gemassacreerd geworden; zonder dat het in onze magt zoude zijn, daar over eenige satis„ factie te vorderen & a zo als dan zulx uijt de Co„ pias dien brieven en het overige uijt die van de resident, mitsg:s desselfs dagregister, de genomene resolutien van den 26. april en 5: aug:s laatstl: om„ standig staat genoteerd, waar aan dan onder gunstige welduijding en om niet al te wijdlo„ pig te zijn mij reverentelijk gedragen verhopen: de VE hoog Edelheedens ons behandeling in deze zullen gelieven te approbeeren, als mede dat wij alhier uijt 's Comp:s Cassa hebben laten afgee„ zen aan de gemagtigdens van gem. resident Bakker, de door hem voor reecq: van d' Engel„ schen Cap:n uijtgeschotene penn. ten bedrage van rd. s ses Hondert agt en tagtig en vijf stuijvers conform de g'incloseerde tweevoudige onkost ree„ kening, en daar onder gestelde assignatie, op den gouverneur ffer Van Macasser den 12:' Meij 1762. gouverneur van Sittart. tot bengalen, alle door den Cap:n forrest geteekend, dog vermits nu door het hier bovengem: toeval den gem: Cap:n Cor„ niet „rest ^ in staat zal zijn, aan deze verbintenis te vol„ doen, verzoeke ootmoedig dat hem zulx a Costig komende mag werden opgelegd, ook zijn hier nog bijgevoegd twee geslotene brieven door dik„ gem: forrist van Saleijer herwaarts gezonden als eene aan den gouverneur voorm: en den ander„ ren aan zekeren vincent, diamantsetter â Costij Insgelijx zijn agtergelaten, en door den resident Bakker herwaarts gezonden, sekere Hermanus de jong van Amsterdam, hebbende wel eertijds de Comp:e gediend en in deeze Contrijen bekend, bene„ vens drie portugeesen mattroosen, dewelke dan met het schip 't Casteel van Tilburg, om geduurende hare reijze voor de kost dienst te doen, overvaren, ter dispositie van VE hoog Edelheedens Ik heb gem: de Iong alhier op het secretarije bij maniere van verklaring een relaas laten doen, van het gene hem wegens deze voijagie be„ kend was, dewelke almede in Copia authenticq in deze tot speculatie van VE hoog Edelheedens over Van Macasser den 12:' meij 1762: overgaat, als zullende daar bij genoegsaam blijken wat important verlies die natie bij deeze schip„ hun breuk heeft geleeden, te wenschen zynde date daar door de lust mogen benomen werden om deze quartieren te frequenteeren voor t overige is het op gem: Eijland in een goede rust, na dat de volkeren van de Negorijens Balle Boelo, zig eenige tijd voorliden, tegens haren wettigen regent Daeng Mabasoe, die op de nadere dispositie van VE hoog Edelheedens den 3. novb:r der verwee„ ken jaars en het verzoek der gem: onderdaanen is aangesteld, hadden opgeworpen, dog welk ru„ moer door de vigilantie van den resident Bak„ ker gesteld is, en dewijl den Bonto Bango in deze sig heeft suspect gemaakt, van deel te hebben gehad in deze questij „ heb ik hem daar over bij een briefje gereprimandeerd, niet twijffelende of het zal van een goed effect zyn D' Jndigo Culture zal op de gevenereerde ordre uwer hoog Edelheedens werden gestaakt, zynde daar van niets meer gekomen als de in de maand october des voorleden Jaars gezondene ses ponden, door dien de sterke regen Van Macasser den 12. meij 1762. reegen het overige op het veld staande, heeft doen verrotten Ik hebbe voor deze maal dat het maar tot een proeve ondernomen is, den jnlander tot Siang zijnde s' Comp:s onderdanen g'amieerd, omme haar Buffels en volk te laten gebruijken, zonder loon, zo dat daar op geene andere ongelden zijn ge„ vallen als de gagie van de twee Java„ nen in den Jare 1760. herwaarts gezonden die rast afgedankt zijn bedragende ƒ 408. –. –. Een p:s Lampher a -„ 12. 17. — en een p. r Guinees „ - - -„ 9 8 —: of te zamen - - - ƒ 420. 5 –. zijnde d' eerste post op reecq. van verdiende Jnlandse maandgelden en de twee laatstgem: in hoope van goedkeuring, op onkosten ordinaire afgeschre„ ven, verhopende het zelve almede door VE hoog Edelheedens gunstig zal werden g'approbeerd. En hier mede deze fineerende onder serieuse verzekering dat ik met alle getrouwigheid zal continueeren mijn pligt te betragten op dit onrustige celebes, terwyl God bidde VE Hoog Van Macasser den 12 Meij 1762 Hoog Edelheedens te bewaren in zyne veylige be„ scherming, en met profond respect verblijve /onderstond:/: gewoone Tetel /was getekend:/ C: sinke„ laar /in margine:/ Macasser Jn 't Casteel Rot„ terdam den 12: meij 1762: /nog lager. /. C: P: S. Deze reets in gereetheid gebragt zijnde ontfange ik 's Comp:s zi wegen schrijvens van den resident van Saleijer P 1y in Copia al mede hier nevens gaande/ waar bij consteert, hoe slegts d:' Engelsche hebbe getragt te beloonen, de vriendschap die haar bewezen is geworden, als zijnde niet door zie nood maar gepremediteerd wedergekeerd na Pomelatte, om P. aldaar hare geborgen Amphioen te verkopen G dog zin door die volkeren verjaagd geworden, zo als dan niet alleen aldaar maar op alle plaatsen ordre gesteld hebbe, om die natie verschij„ 1 nende, alle afbreuk te doen, die in haar vermo„ gen is, egter met verschoning van haar leven, en zal eerstdaags den konink van Bonij almede No 17 amineeren, omme op dat Fujelt zijne onderda„ nan de nodige ordres te laten toekomen. Register 1
English
59 From Ternate, the 8th of May 1762. Register of such papers as are on this day dispatched by the undersigned governor to Batavia, consigned to His High Nobility, the High Noble, Highly Esteemed Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Honorable Lords Councilors of the Dutch Indies. No. 1. An original missive of today's date, by and to as mentioned in the heading. No. 2. Copy, sent by the same to His Excellency Mossel in the year 1761, on the last day of June. No. 3. Separate copy, addressed to the undersigned by the Governor of Amboina, Mr. van Idsinga, under date of the 27th of March of the current year. No. 4. Sworn statement of the gunner Paulus Schaar, dated the 8th of March of the current year. No. 5. Statement of two Xullans named Kakka and Salasja, dated the 26th of April of this year. No. 6. A copy of a statement, taken under offer of oath by the Amboina ministers, from the native Nordin, dated the 29th of December 1761. No. 7. Report of the commissioners to Salawatty, Van Masson and Gregory, under date of the 13th of October 1761. No. 8. Report of Corporal Godlieb Hendrik Walthouwer, dated the 27th of December last. No. 9. Daily register of the aforementioned Walthouwer. No. 10. Resolution of the 13th of April 1762. No. 11. Two letters written by the Resident of the Xullas, Minte, to this government, under dates of the 7th and 28th of January of this year. No. 12. An extract resolution of the 3rd of March of the current year, concerning the disaster that occurred at Xulla. Underneath was written: Ternate, in Castle Orange, the 8th of May, anno 1762. Was signed: J. van Schoonderwoert. From Ternate, the 8th of May 1762. Batavia. On the 14th of the recently passed month of April, I had the honor to receive from Bachian Your High Nobilities' very revered ordinary as well as secret and circular missives, dated the 17th of May and the last day of December of the past year, together with the 10th of February of this year, with the enclosures according to the register, being that the ships the Elizabeth Dorothea and the Princes van Orange, together with the brigantines the Leervis and the Buijs, with the sloop the Roos and the pantjalling the Canneelboom, appeared here in the roadstead on the 27th and 28th thereafter, followed by the pantjalling the Garniaal via Amboina on the first of this month, leaving thus the Nachtegaal alone still behind, which, however, I also expect one of these days. That little fleet, besides ten absent during the voyage, had thirteen European and six native dead, and furthermore also brought here a large number of fifty sick, both military personnel and sailors. At the request of the native chiefs, I have permitted them to complete their companies here again with able men, and have also recommended to our hospital superintendent to take the utmost care for a speedy recovery of the sick, in order that the fleet should not be weakened further than it already is, whilst I shall make such use of it as Your High Nobilities have ordered, if only there is no hindrance on the part of the court of Tidore, which currently appears somewhat suspect to us of playing a secret role in all the robbery and insolence of the Papuans, who have grown bolder and bolder and have not shrunk from visiting and attacking the Company's post at Oubij, though fruitlessly, since the corporal postholder closed the post in good time and put himself in a posture of defense. Seeing no opportunity there, they also crossed over to the Xullas, where they again carried out a considerable raid, and had robbed as well as murdered fully sixty-four people. In that disaster, through the excessive zeal of Resident Minte and his carelessness in stripping his fort of the best men by sending them away to assist the Salahakan, and himself remaining inside with only a few sick, a corporal and four soldiers, after having defended themselves well and laid many low, finally also perished, and a gunner was captured by the Papuans and taken to Salawatty, but through the agency of Tidore's Alim Jalias Gogoego, who had also arrived there around that time, was released again and brought hither. His sworn statement I have the honor humbly to present to Your High Nobilities herewith, along with the resolution of the 26th of April last; and to which is also added another statement, only recently or on the 26th of April last given by two Xullans who fled from Salawatty, both of which writings make no mention of any fort or stronghold that the English are said to be building there, and why I therefore cannot as yet give credit to a certain declaration taken by the Amboina ministers from the native Nordin, who returned from Bachian to Ceram. The only thing, however, that appears to me to be a matter of speculation therein, is that they might construct that alleged stronghold on a certain small island situated in the Strait of Battanta, where they, by the Onin, then well
Dutch transcription
59 Van Ternaten den 8. Meij 1762. Register van zodanige Papie„ ren als op heden door den ondergetee„ kenden gouverneurs verzonden werden naar Batavia, geconsigneerd aan zijn Hoog Edelheid, Den Hoog Edelen groot Agtbaren Heere Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal benevens de wel Edele Heeren Raden van Neder lands India No 1. Een origineele missive van heden datum door en aan als in den hoofde gemelt. „ 2 Copie, door als even aan zijn Excellentie Mopsel /H. L. R: / in anno 1761. ult:o Junij gesz: _e aparte, door den heer Ambonas Gouverneur van Jdsinga, aan den ondergetekende sub dato 27. maart anno stanti ge„ corteert. „ 4 _o B'eedigt relaas van den busschieter Paulus schaar gedagtekend 8. maart anno C: „ 5 _o relaas van twee xullaneesen in name E Register Kocka 3. Van Ternaten den 8. Meij 1762 Kacka en Salasja ged:t 26 april huijus anni. N. o 6. een Copia onderpresentatie van Eede door d' ambonse ministers ingewonnen, relaas van den „ Jnlander Nordin ged. t 29. decemb:r 1761. _o rapport van de commissianten naar sala„ wattij van Masson en Gregorij, sub dato 13: octob: 1761. _o Berigt van den Corp:l Godlieb hendrik Walt houwwer ged:t 27. xber. pass:o _o dagregister van evengem: Walthouer _o Resolutie van den 13 april 1762 „ 10 „ 11. Twee _o brieven door den xullas resident Minte geschreven aan deze regee„ ring, sub datis 7 en 28. Januarij dezes jaars „ 12 Een Extract resolutie van den 3: maart a. o C. ' sprekende van het te Xulla exteer„ de ongeval /onderstond:/ Ternaten in 't Casteel orange den 8. meij a:o 1762. /was getekend:/ J: V„n Schoon derwoert 8. Batavia 7. - - Van Ternaten den 8:' Meij 1762. Batavia Op den 14 der even gepasseerde maand april hebbe ik d'eere gehad van Batchian te ontfangen uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde zo gemeene als secrete en circulaire missives, gedateert 17. meij en ult:o december des gepasseerden, mits„ gaders 10. februarij dezes jaars, met de bylagen volgens register zynde de schepen de Elizabeth Do„ „rothea en de Princes van orange, benevens de Brigantijns de Leervis en de Buijs met het Chia d loupje de Roos en de pantjalling de Canneelboom op den 27. en 28. daar aan hier ter rheede verschenen, gevolgd van de Pantjalling de Garniaal over Amboina op pr:o dezer, blyvende des de Magtegaal allee„ Tit ne nog agter, dog die ik mede eerstdaags verwagte, hebbende dat vlootje behalven thien absenten geduurende die reeze, gehad derthien Europeese en ses inlandsche boden, en wijders hier ook aangebragt een groot getal van vijftig zieken, zo militairen als zeeva„ rende, Jk hebbe op 't verzoek der inlandsche hoofden hen toegestaan hunne compagnien alhier met aan als vooren goedvolk 6 Ternaten den 8:' Meij 1762 Van goedvolk weder te mogen accompleteren, en onzen hospitalier ook aanbevolen d' uytterste zorge te moeten dragen tot een spoedige herstellinge der zie„ g ken, ten einde die armeide niet meerder verzwakt werde, dan ze reets is. Terwijl daar van als zulks gebruijk zal maken, als u hoog Edelhedens aan„ bevolmn hebben. Indien het maar niet hapert aan t hof van Tidore, dat ons thans al wat suspect voorkomt van een geheime rol te spelen onder alle de roof en moedwil der Papoeers, die hoe langer hoe stouter geworden zijn, en zig niet ontzien hebben sComp. s postje te Oubij aan te doen en te attacqueeren, schoon vrugteloos, alzo den korporaal posthouder de post bij tijds gesloten, en zig inpo„ stuur van defensie gesteld had, wanneer te geen kans ziende ook overgestoken waren naar de pullas, alwaar ze wederom een considerabelen stroop gedaan en wel vier en sestig menschen zo geroofd als vermoord hadden. zijnde bij dat ongeval door de alte grote drift van den resident Minte en zyne onvoorzigtigheid in zijne fort van de beste manschappen te ontbloten, met hen ter adsistentie d naar den salahakan weg te zenden, en zelven maar 63 Van Ternaten den 8:' meij 1762. maar met eenige weinige zieken daar binnen te blij„ „nen, Een korporaal en vier soldaten, na dat ze geweert zig wel geweest, en er vele ter neder gelegt hadden eindelijk mede omgekomen, en een busschieter door de papoiers gevangen genomen, en naar Palawattij vervoert, dog door toedoen van Tidors Alim. Jalias Goegoegoe /( die om die tijd daar ook aangekomen was, weder gelargeert en herwaarts gebragt, en wiens be„ „eedigt Relaas de eere hebbe uw hoog Edelheedens ne„ vens resolutie van den 26 april Jongstl: hier bezijden onderdanigst aan te bieden; en waar bij ook gevoegt is nog een ander relaas door twee van salawattij gevlugte xullaneesen, nu jongst of op den 26 april laatstleden eerst gegeven, welke beide schrifturen niets melden van eenig fort of sterkte, dat d' Engelsen daar zouden bouwen, en waarom dan ook voor als nog niet kan accrediteeren zeker declaratoir door d' Amboinse ministers van den van batchian naar Ceram geretourneerden Jnlander Nordin ingewonnen, het eenigste nogthans dat mij daar in van specula„ tie voorkomt is, datze die presense sterkte zouden extrueeren op zeker klein Eilandje leggende in de straat Battante, alwaar ze door de Oning dan wel
English
From Ternate, the 8th of May 1762: would be helped with Wonij dwellers; for this Oning or otherwise Wonij (which lies on Nova Guinea) is actually the old suspected smugglers' nest, and among others, according to the statement of Tidor's king in the year 1666 (vide short extract of the Moluccan affairs) already known as one of those who cared little for the orders of that prince, before which place there also lies a certain small island, which, as it seems to me, would be quite suitable for that purpose, and why it will be most necessary there to carry out the extirpation of the spice crop; if the trees are not standing too far into the forest, where it will not be very advisable for our men to venture too far, yet by means of the natives and distributions of gifts much will nevertheless be able to be accomplished, and of which I then hope in due time for good success. I would have also wished, in order to know the truth of the matter once and for all, that the commissioners sent thither by me in the month of September last had fully carried out their commission, and had not, after the simple handing over of a protest to the captain of the English ship The Warwick, which they had encountered at the latitude of Mixoal, returned without having accomplished their mission on the 13th of October. As intimidated meanwhile as the courts of Tidor and Batchian are over the arrival of the cruising fleet, especially the last-mentioned king, who according to rumors is said to have already sent his entire women's quarters to the mountains, so joyful is Ternate's prince over it, with whom I shortly before, and especially on the 5th of March of this current year, had a strong debate to restrain him from acts of violence, as he no longer wished to listen to the promise of Tidor's king, but to take revenge to the utmost on his subjects, whereby I then also do not doubt that that true-hearted king will at once be ready to assist the cruising fleet, which perhaps will not go so easily with Tidor, although I cannot yet say anything with certainty regarding that matter; but be it however that prince understands it or not, I shall primarily insist upon the warding off (even if it were only with a few kora-koras) of the foreign navigators and the signing of the protests, it being even, according to my understanding with respect to the Papuans, just as good and even of greater effect in punishing that nation, that the Ternatans assist us alone, at least without much mingling with the Tidorese, as with the latter it is never in earnest in such cases, of which the Moluccan affairs of former times can bear ample witness. With regard to the extirpation work, I also find myself obliged to give your Excellencies prior notice that the districts of Samola and Waysile have now recently, or just before the arrival of the cruising fleet, been taken in hand; at least the commissioners have already departed thither on the 7th of the last preceding month of April by the pantjalling the Elizabeth, and were followed by Tidor's deputies who took their way via Dodingo, in the hope and expectation that the work there may succeed better than it did on Poele Pisang, to our particular sorrow; since our men, after having extirpated for four days and thus having barely cleared half of the island, were chased away from there by the Papuans, and fleeing, in the company of Tidor's deputies, though without harm, returned hither; for which reason I have also not issued the promised premium of 150 rixdollars, but have withheld the same until that island shall have been thoroughly searched and cleared. There being nevertheless uprooted in the aforesaid four days a large number of 1842 fruit-bearing and 5641 young trees, or together 7483 pieces, and thus in total average only slightly less than in anno 1750, when the last preceding extirpation took place there, and 6802 pieces of fruit-bearing and 1166 young trees, or together 7968 pieces, were extirpated; thus currently fewer in number by only 485 pieces. Regarding further your Excellencies' esteemed order, contained in the secret missive of the last of December of the past year, speaking of the extirpation performed on Batchian and the Oubian and adjacent surrounding islands, as well as on Madiolij and Batoe Ampat, in order to subsequently have those islands cleared annually, I did not rightly understand whether your Excellencies thereby mean only the last-mentioned islands Madiolij and Batoe Ampat, or also those of Oubij included therewith; for I fear that if I have only those two islands cleared, the king, according to his sullen nature, will nevertheless claim the full assigned premium of 700 rixdollars, just in the same manner as if the entire extirpation had taken place on Batchian and Oubij, and therefore I very humbly request to be further enlightened on that matter. Meanwhile, may your Excellencies please be fully reassured that Sergeant Mannus bears not the least guilt in what was recently charged against him by that prince, but that this is merely a fabricated and frivolous pretext of his, which he is always accustomed to concoct in abundance; having on the contrary to testify of that postholder that he is a very alert and attentive man for the interest of the Honorable Company, being well worthy of your Excellencies' shown favor in promoting him to ensign, so that in the forthcoming formal response under the matter of Batchian this will also be further demonstrated to your Excellencies. Furthermore, I took the liberty to leave aside here
Dutch transcription
Van Ternaten den 8:' Meij 1762: wel woningers geholpen zouden werden; want dit oning of anders Wonij /: t welk op novaqui„ „nea legt:/ is eigentlijk het van ouds suspecte sluijk nest, en onder anderen, volgens opgave van tidors koning in den jare 1666 /:vide kort uijttrekzel der molukse zaken :/ al bekend geweest voor eene van die gene, dewelke zig wening stoorden aan de bevee„ len van dien vorgt, voor welke plaats dan ook een zeker klein Eylandje legt, t welk zo het mij toe„ schijnt, regt bequaam daar toe zou wezen, en waar„ om het aldaar wel het aller noodzakelijkst zal zijn, de Extirpatie te doen van het specerij gewas; indien de Ext boomen a niet al te verboschwaards in staan, werwaards het niet zeer raadzaam zal wezen, dat d' onzen zig te veel wagen, dog door middel van d' inlanders en spendatien zal nogthans veel te wege gebragt kon„ nen worden, en waar van dan in ter tijd het goed succes verhope Jk hadde dan ook om eens het ware daar van te weten, wel gewenscht, dat de door mij in de maand september pass=o derwaarts gezonden Commissianten hunne last volkomen uijtgevoert hadden, en niet na het eenvoudig overleveren van een protest aan den Capitain 65 Van Ternaten den 8:' Meij 1762. Capitain van het Engelsch schip The warwik, dat ze op de hoogte van mixoal gerencontreert hadden, on„ „verrigter zake op den 13. october te rug gekomen waren zo g'intimideert onderwijl als de hoven van Tidor en Batchian zijn, over d' aankomst van het kruijs vlootje, voornamentlijk laatst gemelden ve' koning, die volgens de gerugten zijn gehele vrouwe getimmer reets op 't gebergte zou gezonden hebben, zo verheugd is Ternaats vorst daar over, met wien jk kort bevorens en wel voornamentlijk op den 5 maart J:o l. een sterk debat gehad heb, om hem te weerhouden van dadelijkheden, als willende niet meer naar de belofte van Tidors koning luisteren, maar zig ten uijtter„ sten op desselfs onderdanen waeken, waar door dan ook niet twijffele of dien trouwhertigen koning zal aanstonds gereedwezen om het kruijsvlootje te adsi„ „steeren, 't geen misschien met Tidor zo gemakkelijk niet gaan zal, schoon egter nog niets met zeker„ heid daar omtrent zeggen kan, dog het zij hoe het dien vorst begrijpt ofte niet, Ik zal voorna„ mentlijk aandringen tot weringe (al was het maar met eenige weinige korre kouren :/ der vreem„ Equpanten en het tekenen der protesten, zul„ de lende Van Ternaten den 8:' Meij 1762. „lende het zelfs, na mijn begrip ten opzigte der papoerrs wel zo goed, en zelfs van meerder vrugt konnen zijn, om die natie te straffen, dat de ter natanen ons alleen ten minsten zonder veel ver„ menging van Tidoresen adsisteeren, wijl her met de laatsgemelde indiergelijke gevallen tog nooit ernst is, waar van de molukse zaken van vorige tijden ten overvloede getuijgen konnen Met betrekking tot het extirpatie werk vinde ik mij ext ook verpligt uw hoog. Edelheedens praalable kennisse te geven, dat de districten van Samola en Waysile : nu jongst, ofte even voor de komst van het kruijs Jongst . . : vlootje, onder handen zijn genomen, ten minsten de Commissianten zijn op den 7. der jongst voorgaande maand april per de pantjalling de Elizabeth reeds derwaarts vertrocken, en gevolgd van Tidors gecom„ mitteerdens die hunnen weg over Dodings genomen hebben, in hope en verwagting het werk daar beter mag slagen, dan het op Poele Pisang tot onze byzondere smerte gedaan heeft, alzo ons volk na Vier dagen g'extirpeert, en dus nog maar ter naauwer nood de helfte van 't eijlandge gezuijterd te hebben, door de Papoeers van daar gejaagt, en Van Ternaten den 8:' Meij 1762 en vlugtenderwijze, in gezelschap van Tidors gecom„ mitteerdens, nog schadeloos egter, herwaards te rug gekomen is, alwaar omme dan ook de beloofde praemie van 150. – rd. s niet afgegeven, maar dezelve ingehouden hebbe tot dat eijlandge eens in de grond door zogt en afgarbeid zal wezen. zynde in voor„ melde vier dagen nogtans uijtgeroert een groot ge„ tal van 1842. vrugt en 5641 tel riste boomen ofte zamen 7483. stux, en dus in getal door elkanderen maar weinig minder dan in anno 1750. wanneer de laast voorgaande extirpatie daar geschied is, en g'extirpeert zijn 6802. p:s vrugt en 1166. - tel bo„ men of te zamen p:s 7968— over zulx thans in getal maar minder 485. – p. s Belangende wijders uw hoog Edelhedens g'derde ordre, vervat bij secreete missive van ultimo de„ cember des gepasseerden Jaars, sprekende van de gedane extirpatie op batchian en d' Oubijse en daar„ E „om herleggende eilanden, mitsg:s ook nog op Madiolij d en batoe ampat, om die eilanden vervolgens Jaar lijx te laten zuijveren, bevatte ik niet regt, of uw hoog Edelhedens daar mede alleene verstaan de laatstgen. Eijlanden madiolij en batoe ampat, dan Van Ternaten den 8:' Meij 1762 dan wel die van oubij daar mede onder begrepen, want ik vreese dat indien ik die twee eijlanden alleene maar laat afwerken, de koning egter na zyn wrevelmoedige aard, de volle toegelegde praemie van 700 rd:s zal pretendeeren, even op die wijze als of de geheele extirpatie op Batchian en oubij geschiedde, en derhalven verzoeke ik zeer onderdanig daar omtrent nader g'elucideert te mogen werden. Jntusschen dat uw hoog Edelhedens zig volkomen gelieven te gerusten, den sergeant Mannus dan het hem ten laatste gelegde door dien vorst geen de minste schuld heeft, maar dat zulx alleene een gefingeerd en frivool pretext van hem is, die hij in ruime mate steeds gewoon is te smeden, moe„ tende in tegendeel van dien posthouder getuigen dat hij voor het intrest van d' Ed. Comp: e al een zeer wacker en oplettend man is, uw hoog Edelhe„ dens betoonde gunste in hem tot vaendrig te be„ vorderen wel waardig zijnde, zo dat ook bij de aanstaande formele rescriptie onder de materie van batchian uw hoog Edelhedens nader staat aangetoont te werden Verders name ik de vryheid hier bezijden te laten
English
From Ternate, the 8th of May 1762. to transmit a copy of a certain secret note that I sent in anno passato to His Excellency Mossel of blessed memory, with regard to the banishment of the notorious Coupin Walanda, and from which Your High Noble Mightinesses will then perceive that he departed with his own chaloup, in company with Governor Pelters, to Banda, where he likely still resides, and probably will have been arrested if Your High Noble Mightinesses might have given orders thither on the basis of that note, which is unknown to me; nevertheless, should he return here, I shall immediately secure his person, and send him thither at the very first opportunity that presents itself. Meanwhile, I have received by the pantjalling the Garnaal on the first of this month a secret note from Governor Idsinga, a copy of which is annexed hereto, showing among other things that His Honour has misgivings as to whether he will be in a position to reinforce the cruising fleet with two capable vessels in accordance with the orders of Your High Noble Mightinesses, giving as reason: that many Moluccan subjects of Tidore, From Ternate, the 8th of May 1762. mixed with Ceram natives from those districts, as well as Celebes and other western peoples, amply provided with many and various kinds of merchandise, European firearms, gunpowder, and ammunition, have attained such audacity in the inner quarters of that government as even to step ashore here and there in remote places, and pluck the coconuts from the trees; and moreover, on the outer point of Hatniane on the island of Honimoa, they have dared to abduct a stationed corporal, without it being known whither he was carried. That besides this the clove harvest was also at hand, and one could not be certain what else might be undertaken by those fellows. Although he would nevertheless explain himself further in that regard, if the Governor of Banda would be pleased to send one of the vessels lying there and belonging here to Amboina, according to what His Honour was to request from that gentleman. His Honour remarked further that the extirpation on Little Ceram could not be undertaken without much From Ternate, the 8th of May 1762. loss of time, while the effect would still be very uncertain; although he thought, however, that the appearance of the small squadron would be of great service, and might well bring about a great change for the better, especially at the east end of Great Ceram; warning the inhabitants there of what Your High Noble Mightinesses have been pleased to command in your much esteemed resolutions. His Honour further cited that the chief commander of the fleet as well as the subordinates ought to be informed that upon the appearance of the Orang Kaya of Keffing Hamba on board one of the vessels, not the least reliance or trust must be placed in that rogue, and therefore he should only be treated indifferently and dismissed; maintaining, on the other hand, that if at times something or other had to be executed in the Company's service, such could be undertaken better and more calmly with those of Pulau Geser, Cailolo. Likewise that it might be of service if the aforesaid small fleet touched at Saiau, From Ternate, the 8th of May 1762. in which case the young raja of that village, as well as the faithful Orang Kaya of Hatuwe, might well be cajoled a bit. Before making a firm arrangement for him regarding the aforesaid, I shall await further news from His Honour for some time, and in our imminent formal reply at the end of the coming month of June, I shall have the honour respectfully to make known to Your High Noble Mightinesses the continuation thereof, along with our further proceedings. Meanwhile, concluding this for the present, I commend your illustrious persons with the Company's entire enterprise to the provident care of God, and furthermore with the utmost respect, submission, and veneration remain very humbly, underwritten with the customary title, was signed: J. v. Schoonderwoert. In the margin: Ternate in Fort Orange, the 8th of May 1762. Batavia. From Ternate under date 8th of May 1762. Batavia. To His Excellency the High Noble, Highly Esteemed Lord Jacob Mossel, General of the Infantry in the service of the state of the United Netherlands and on its behalf, as well as the East India Company's Governor-General of the Netherlands Indies. High Noble, Widely Ruling Lord, Besides the general, separate, and secret dispatches now arriving, I still find myself obliged hereby to mention that the King of Ternate, by an expressly given visit to me, has testified that not only he, but also all the Ternatan princes and grandees of the realm were very displeased with the conduct of the Captain of the Macassars, Coupin Wollanda, as well on account of some religious points wherein he, Coupin, contrary to the ancient manner, wished to make alterations, as
Dutch transcription
69 Van Ternaten den 8:' Meij 1762. laten overgaan een afschrift van zeker secreet briefje dat ik in anno passato aan zijn Excellen„ E tie Mossel /H. L. M. / gezonden gehad heb, met opzigt tot de relegatie van den besaamden Coupin Walanda en waar uijt uw Hoog Edelhedens dan zullen ont„ waren dat hij met zine eijgen Chialoup, in Com„ pagnie van den gouverneur Pelters, naar banda vertrocken is, alwaar hij denkelijk nog vertoeft, en apparent wel g'arresteert zal zijn, indien uw Hoog -Edelheedens derwaards, op fundament van dat briefje, ordre mogten hebben gegeven, dat mij onbekend is, des niet te min zo hij hier te rug mogt komen, zal ik mij aanstonds van zijn perzoon verzekeren, en hem bij aller eerst voor komende gelegentheid derwaarts verzenden Intusschen hebbe ik per de pantjalling de Gar„ „naal op pr: dezer van den gouverneur Jdsniga een secreet briefje ontfangen, waer van d' een hel copie hier nevens te voegen, ten geblijke onder anderen, dat zijn Ed: zwarigheid maakt of wel in staat zal zijn het kruijsvlootje conform uw Hoog Edelhedens ordre met twee bequame vaartuijgen te versterken, voor reden gevende: dat vele molukse onderdanen van Tidor Van Ternaten den 8. ' Mey 1762. met Tidor, vermengd ^ Cerammers uijt deleen distric ten, zo mede celebese en andere westerse volke„ ren, ruijm voorzien van vele en verscheide zoor„ den van koopmanschappen, Europese schietgeweeren en buskruijt en ammonitie, aan de binnen quartieren van dat gouvernement, tot die stout„ heid gekomen waren, om zelfs hier en daar op afgelegene plaatzen, aan de wal te treden, en de Clappus van de boomen te plukken; ook daer te boven een op den uijthoek van hatniane, aan 't Eijland Homimoa bescheiden Corporaal hebben „durven opligten, zonder te weten werwaards ver„ voerd was. dat buijten des de nagel oegst ook op handen was, en men niet verzekerd kon zijn, wat al verder door die gasten stond ondernomen te worden. schoon nogtans zig daar omtrent nader declareeren zou, indien den heer gouver„ neur van banda een van d' aldaar leggende, en alhier te huijs horende vaartuijgen naar Amboina geliefde te zenden, na volgens het geen zijn Ed: van dien heer te verzoeken stond Remarcqueerende zijn Ed: verder dat d' Ex„ tirpatie op kleijn Ceram, niet zonder veel tijd Van Ternaten den 8:' Meij 1762. tijd verlies zoude konnen ondernomen worden, wanneer het effect nog zeer onzeker zou zijn„ hoe wel egter dagt, dat de vertoning van het esquadertje van veel dienst zou wezen, en misschien wel een grote verandering ten goeden zoude baren, voor al aan 't oost einde van groot Ceram; onderwaarschouwinge aan d' Inge„ zetenen aldaar, van 't geen uw Hoog Edelheedens bij derzelver veel g'eerde resolutien hebben ge„ lieven te bevelen. halende zyn Ed: verder nog aan dat den hooft gezaghebber der vloot zo wil als de mindere diende g'informeert te worden dat bij verschijn van den Orang kaija van kef„ fing /Hamba:/ aanboord van eene der bodems, op dien knevel geen de minste staat of vertrouwen gestelt, en dierhalven ook maar indifferent moest behandeld, en afgewezen werden; sustineerende daar en tegen, indien in s Comp.:s dienst zomtijds het een of ander te verrigten mogt wezen, zulx met die van Poele Gisser, Caijlolo, beter en geruster ondernomen zoude kunnen worden. Insgelijx dat het van dienst zoude konnen wezen het voorsz. vlootje Saiay eens aandeed, bij Van Ternaten den 8:' Meij 1762 bij welke geval den jongen radja dier nego„ rij, zo mede den trouw hertigen Orang Kaija van Hatuwe wel wat gecaijuleert zoude mogen werden. Jk zal voor hem omtrent het voorschreven een vaste schikking te maken, de nadere tijding van zijn Edele nog eenige tijd afwagten, en bij onze op handen zijnde formeele rescriptie in het laatst van d' aanstaande maand Junij het vervolg daar van, met onze verdere verrigtingen d' eere hebbe uw hoog Edelheedens eerbiedig bekend te maken Middelerwijle deze voor ditmaal bekortende derzelver illusstre perzonen met s Comp:s gan„ schen ommeslag in de providente hoede Godes aanbevele, en voorts met het uijtterste respect submissie en veneratie zeer onderdaniglijk verblijve /onderstond/ gewone tijtel /was gete„ kent:/ J„s v„n Schoonderwoert /in margine:/ Ternaten in 't Casteel Orange den 8 mey 1762. Batavia . Van Ternaten onder dato 8:' Meij 1762. Batavia Aan zyn Excellentie den hoog Edelen Groot agtb: Heere Iacob Mossel generaal van d' Jnfanterie ten dienste van den staat der vereenigde Neder„ landen en wegens dezelve, benevens d' oost Jndische Comp:s Gouvern.:r Generaal van Nederlands Jndia Hoog Edelen wyd gebiedende Heere Behalven de thans overkomende gemene, aparte en secreete missives, vinde ik mij nog verpligt bij dezen meldinge te bedoen, dat de koning van Terna„ ten p:r een expres gegeven visite aan mij betuijgd d d — heeft, dat hy niet alleen, maar ook alle de Ter„ naatse princen en ryxgrooten zeer misnoegd waren o7k over het gedrag van den Capitain der maccassaren Coupin Wollanda, zo uigt hoofde van eenige : religie poincten, waar inne hij Coupin, tegen de oude manier aan, verandering wilde maken„ als :
English
From Ternate under date 8 May 1762 as well as in particular about the disrespect which he was said to have shown His Highness in various respects; professing that he would gladly see that man banished from here to another place, besides being fearful that, if he remained, the Ternatans would seize him and do him harm, with an emphatic request that I write about this to Your Excellency. And since this man is otherwise an evil instrument, by which I have likewise often been disturbed, and he is also not free from the suspicion of plotting with the kings of Tidore and Bacan to the detriment of Ternate's ruler, I request permission to banish him, Coupin, with his family from here to Batavia, at the further disposal of Your Excellency, although that has already happened to him once before. I would perhaps have already taken a resolution on this matter following the strong insistence of Ternate's ruler, had His Highness not come forward with it too late, as he had already departed with his chaloup in the company of Mr. Peeters for Banda, From Ternate under date 8 May 1762 from where he is nevertheless expected back in the month of September or October. I have, bringing this briefly to a close, the honor to remain with the utmost high esteem and veneration, below stood: Highly Honorable, Widely Ruling Lord! below stood: Your Excellency's very obedient and much obliged servant, was signed: Jacob van Schoonderwoert. In the margin: Ternate Orange, the last of June 1761. Below stood: Agrees, was signed: Jacob van Schoonderwoert. To the Right Honorable Lord Jacob van Schoonderwoert, Governor and Director, together with the Council of the Moluccas. Right Honorable, Ruling Lord and Lords, Whereas it has pleased Your Right Honors to appoint us as commissioners to cruise to the Papuan Islands, and indeed chiefly to seek out the foreign ships and to protest against the same, as well as to ascertain whether the rumors that the English are erecting a fortification on the large island of Salawati are true or not, or what the truth of the matter actually is; we therefore have the honor to report most respectfully regarding the outcome of our performance in that matter: That on the day after the receipt of Your Right Honors' respected written orders, or the 2nd of the past month of September, in company with the Major of Tidore, Prince Kotto, we set out on our voyage and, having arrived safely in the Strait of Bacan on the 7th following, we remained there until the honorable, valiant Military Captain van Ossenbergh and associates accomplished their expedition against the Bugis and we had provided ourselves with firewood and fresh water, as that which we had taken with us from Ternate had become foul in taste; after which, having weighed anchor and set sail on the 16th of the aforementioned month, out of the said strait in accordance with the sailing orders given to the mate Waker for guidance, From Ternate under date 8 May 1762 for the continuation of our voyage, subsequently without any adversity having sighted the island of Misool on the 1st of this month, we by chance caught sight of a large ship between the same and that of Popa, which, bearing down on us with full sails, displayed a Dutch flag, toward which we turned our prow to learn who it might be; but approaching, it unfurled an English flag and fired a shot with live ammunition, whereupon we struck our sails to await it. Shortly thereafter, the captain of that vessel sent his jolly-boat to us with an officer to invite us politely on board ship, which being what we sought, we accepted at once. Meanwhile we learned that the captain was named James Duwes of Scotland, commanding the English Company's ship The Warwick, mounted with 32 pieces of cannon, without our having been able to ascertain precisely how that vessel was manned. Upon our arrival, I, alongside the Major of Tidore, was very obligingly received by the said ship's supercargo Deelts of York and the other ship's officers, after which, following preliminary compliments, they asked us whether we came from Batavia and had any news from Europe or the Indian trading posts, to which we replied that we had not yet heard anything of the latest news, as we had recently come from Ternate, asking them on the other hand to inform us to what purpose they had come to these regions and from where, as well as whither they intended to set their course. Upon which subject the captain, through one of his officers, made known to us in the French language that they had departed from Batavia with three ships, among which was a King's ship, through this passage for China, from where, having returned after the completion of their business, they were now about to undertake the return voyage to India's capital, just as the two other ships had already sailed ahead of them. Furthermore, we stated in a polite manner that we had been sent on behalf of Your Right Honors in order to request them to immediately get outside From Ternate under date 8 May 1762
Dutch transcription
Van Ternaten onder dato 8 Meij 1762 als wel inzonderheid over de kleynagting, die hij zijn Hoogheid in verscheide opzigten zoude aangedaan heb„ ben; onder betuijging, dat gaarne zou zien uijgn dien man van hier naar een anderen oird gereligeerd wierd, behalven dat bedugt was, in dien verbleeff, de Ternatanen hem aanpakken en ongelukkig maken zouden, onder nadankkelijk verzoek dat ik daar over aan uw Excellentie schryven wilde En dewijl dien man buijten des een quaad Jnstrument is, waar op ik almede dikwerff ge„ stoort ben geweest, en dezelve ook niet vaij is van suspectie met de koningen van Tidor en Batchi„ an, ten nadeele van Ternaats vorst te konkelen, verzoeke ik licentie hem Coupin met zijn fami„ Coupin lie van hier te relegeeren naar Batavia, ter verdere dispositie van u Excellentie alhoewel hem dat van haar al eens te beurt gevallen is Ik zoude op de sterke aanhouding van Ten naats vorst misschien al een besluijt dient wegen genomen gehad hebben, wat zijn hoogheid daar mede niet te laat voor den dag gekomen, nade„ maal hij al met zijn Chialoup in gezelschap van den heer Peeters naar Banda vertrok„ „ken Van Ternaten onder dato 8 meij 1762 „ken was, van waar hij egter in de maand Jber: of october te rug verwagt wort Jk hebbe d' eene deze hier mede: dues korstelijffinee„ rende, met de uytterste hoog agting en veneratie te verblijven /onderstond:/ Hoog Edelen wijd gebiedende Here! /onderstond/ u Excellenties zeer gehoorzame en veel 78 7„ verpligten Dienaar /was getekend:/ J„s V„n Schoonder„ woert. /in margine:/ Ternaten orange ulto Junij 1761. /onderstond:/ Accordeert /was getekend J„b V„n schoonderwoert Aan den wel Edelen agtb: heer Jacob van schoonder woert gouverneur en Directeur benevens den raad der moluccos Wel Edele agtbaren, Gebiedende heer en heeren Nademaal t uw wel Edele agtb: heeft geleeven te behagen ons als Commissianten te benoemen ter ter bekruyssinge na de papoese Eijlanden en wel voornamentlijk om de vreemde Equipanten op te zoeken, en tegens dezelve te protesteeren, mitsg:s te ervaren of de gerugten dat d' Engelsen op t groote Eyland zalwatij een vastigheid extrueeren waar zyn E dan niet, dan wel wat daar eygentlijk van i zo hebben wij d' eer nopens den uijtslag onzer ver„ rigtinge dien aangaande eerbiedigst te bedeelen Dat w' ons daags naar den ontfangst uwer wel Edele agtb: gerespecteerde schriftelijke ordres ofte den 2 der even verweken maand september, inge„ „zelschap van den majoor van Tidor prins Kotto op rijze begeeven en den 7. daar aan gelukkig in straat Batchian g'arriveert zijnde, aldaar zo lang vertoeft hebben tot den E manhaften Capn militair van Ossenbergh C:S: hunne expe ditie tegens de boegineesen volbragt en wij ons van brandhout en versch water, als zijnde dat wij van Ternaten mede genomen, vuijl van smaak geworden, ons voorzien hadden; waar na w' op den 16. der evengem: maand anker geligt en onder zeijl gegaan zijnde; gem: straat uyt ingevolge d' aan den stuurman Waker tot Van Ternaten onder dato 8 Meij 1762 narigt Van Ternaten onder dato 8 meij 1762 narigt mede gegeven zijlagie ordre, ter voorstettin„ ge onzer ryze, vervolgens zonder eenigen tegen „spoed op den 1:' dezer 't Eyland mixoul in 't ge„ zigt bekomen hebbende, kregen wij toevallig tus„ schen t zelve en dat van popa een groot schip in 't gezigt, dat met volle zylen op ons afkomende eene hollandse vlag vertoonde, werwaards wij de steeven wenden, om te verneemen wie het wezen mogt, dog naderende, liet een Engelsche vlag waayen, en deed een schoot met scherp, waar op we de zeylen streken, om 't af te wagten, kort daar aan zond den Capn van dien boden zijn Jol aan ons toe, met een officier, om ons vriendelijk aan scheeps boort te inviteeren, 't welk het geen zijnde, dat we sogten, wij ten eersten accepteerden, intusschen vernamen wi, dat den Capitain ge„ noemt was Iaemas Duwves van Schotland, com„ mandeerende 't Engelsche Comp:s schip The War„ „wik, gemonteerd met 32. stukken Canon, son„ „der eijgentlijk te hebben kunnen ervaren, hoeda„ nig dien bodem bemant was; bij onze aankomste wierden mij nevens den majoor van Tidon door gem: schip heer den supercarga Deelts van Jonk 77. Torks en de verdere scheeps officieren seer obligeant gerecipieert, waar na zij ons na voorgaande pligtplegingen vroegen, of we van batavia qua„ „men; en eenige nourlles van Euroga of de Jndipche Comptoiren hadden, waar op wij antwoorden, dat van de jongste nieuwigheden nog niets vernomen hadden, ter zake wij onlangs van Ternaten quamen, hun daar en tegen verzoekende ons te bedeelen, ten welken eijnde zij naar deze gewesten, en waar van daan quamen, mitsgaders werwaards zij hunne Cours te stellen! op van sints waren welk Voorwerp den Capitain door een zijner officiers in de franse taal ons liet te kennen geven; dat zij met drie scheepen waar onder een konings schip van Batavia door dit vaarwater na China vertrocken waren, van waar zij 6 weder na verrigter zaken geretourneerd zijnde, de te rug rijze na Indias hoofdplaats weder ston„ den te onderneemen, gelijk ook dat de twee andere scheepen reeds voor hun uijtgesilt waren, voorts bragten wy op eene beleefde wyze voor dat wij van wegens uwel Edele agtb: gezonden waren ten eijnde hun te verzoeken zig ten eersten Van Ternaten onder dato 8:' meij 1762 buijten.
English
From Ternate under date 8 May 1762 to move outside the Moluccan limits, for the reason that no nation outside the Dutch Chartered East India Company is authorized to navigate these regions, much less to trade with the native population, or to enter into any treaty with the same, and especially not to erect fortifications, whereupon they replied somewhat surprised that their intention was not to conduct trade in these regions, nor to construct fortifications, but the reason why they had chosen this passage was solely to navigate by the shortest route to China, as they had already had the honor to make known to His Excellency at Batavia, further that they had been in the Strait of Patanta, where the king of Salwatti had come aboard with them, whom they had treated with a small gift, but had not yet taken into their thoughts to erect a fort thereabouts, giving thereby to understand that if such were true, they would certainly also have left men behind there to guard the same, wherefore we should rest assured that these rumors were false and groundless. Subsequently From Ternate under date 8 May 1762 Subsequently we delivered the protest, as did also the major of Tidore to the Captain, which were accepted by him, as such is cited more at large in our journal under the same date, in this respect to avoid prolixity we take the liberty to refer thereto. Furthermore the Captain asked us in private whether we had no spices for sale, requesting to exchange the same with them for other merchandise, under serious promises not only to keep such concealed, but also to pay threefold, whereupon we served in reply that outside the East India Company of Holland no one, whoever it may be, is authorized to trade therein, giving further to understand that not only the severe punishments which the Company had placed upon such unauthorized trade, but primarily also the fidelity which we owe to our Lords and Masters, restrains us from negotiating therein and obliging them, and furthermore that we were by no means sent hither to conduct trade, but primarily 81 From Ternate under date 8 May 1762 agreed not that of the English, then not without in the hope of your Honorable Worships' esteemed ap- probation to the salwatti — primarily to protest against them, after which having taken our leave, the Captain with all civility had us escorted back on board the Nassau by that same officer who had brought us; thereafter the ship set her course by the wind west-southwest and went out of sight that same night; meanwhile we resolved to call at Misool, as the nearest place in the Papuan lands that we had in view, in order to inquire there whether the statement of the native regarding the erection of a fort on Salwatti to pursue, because we were apprehensive that, it being already too late in the monsoon, we might not well be able to make the voyage back hither; on the 3rd being about one mile from Misool, Master Waker gave to understand that on account of the southwest winds blowing too strongly at present, it was impossible to trust the Company's vessel on the anchorage of Waigama, because it was a dead lee shore; there being for the rest no others thereabouts known on the chart; on which occasion the major of Tidore casually said to us that the Gimelaha Valaraha, From Ternate under date 8 May 1762 Valaraha, who previously had been with us with the Chinese Sam-ipe, had told him in confidence that, having recently returned from Salwatti, he knew well that there was nothing to the rumors that the English had erected a fort on Salwatti, the same having only passed that place, and provided themselves with provisions there, about which we were surprised that, notwithstanding we had asked the said Balaraha upon his coming on board regarding the foreign nations, he had not disclosed such to us and the major had also not said that earlier, wherefore doubting whether we would obtain other or further reports concerning this, we resolved, in hope of your Honorable Worships' favorable interpretation, to direct the return voyage hither. The further occurrences not being of very great importance, we take the liberty reverently to request your Honorable Worships to allow us to refer to the daily journal kept on our expedition. Wherewith our commission being fulfilled, 83 From Ternate under date 8 May 1762 thus we trust that our actions in this may merit your Honorable Worships' esteemed approval, and for the rest take the liberty to subscribe ourselves with due respect. was written beneath: Honorable Worshipful ruling Lord and Lords lower: Your Honorable Worships' humble and dutiful servants was signed: I. S. van Masson, A. E. Gregorij in the margin: Ternate Orange the 13 October 1761. was written beneath: Agrees was signed: I. F. Seidelman Tuesday the 13 April 1762 in the forenoon around nine o'clock meeting Present the Honorable Worshipful Mr. Jacob van Schoonderwoert merchant and second Paulus Jacob Valkenaer valiant Captain Jan Cornelis van Ossenberch merchant and fiscal Matthias Diderik van Haak junior merchant and storekeeper Jan George van Roesvelt Secretary Jan Sebastiaan van Masson junior merchant and purveyor Jan Joukers August Hendrik Gregorij After the conclusion of the general business, the here
Dutch transcription
Van Ternaten onder dato 8. meij 1762 buijten de molukse Limieten te begeven, om reden geene natie buijten der nederlandsche g'octroijeerde oost Jndische Comp:e bevoegt is, deze gewesten te beva„ ren, veel min met den inlander handel te drijven, of eenig verdrag met dezelve aan te gaan, en wel voor al om vastigheden te maken, waar op zij eenigsints verwondert repliceerden, hunne intentie niet was, om koophondel in deze Contrijen te drij„ ven, nog ook vesting werken op te regten, maar de reden waar om se deze passagie gekosen, eeniglijk wa„ ren, omme door de naaste weg na China te navi„ geeren, gelyk z' ook al reeds d' eer gehad hadden aan zijn excellentie op batavia bekend te maken, voorts dat ze in straat Patanta geweest waren, alwaar den koning van zalwattij bij hun aanboord gekomen was, diense met een kleen geschenk gere„ taseert, maar nog niet in haar gedagten genomen J: F hadden, daar omstreeks een fort te extrueeren, b gevende daar bij te verstaan, dat indien zulx waar was, zij zekerlijk ook mans:) aldaar hadden la„ ten overblijven, om 't zelve te bewaren, dierhalven wij ons gerust houden stonden, deze gerugten volsch en ongegrond waren Vervolgens Van Ternaten onder dato 8:' Meij 1762 Vervolgens overrijkten wij 't protest gelijk ook deed den majoor van Tidor aan den Capitain, de welke door den zelven g'accepteerd zijn, gelijk zulx breedvoeriger aangehaalt is, bij ons dag varhaal on„ der denzelven dato ten dezen aspeite ter vermij„ ding van wijdlopigheid, de vryjheid gebruijken ons te gedragen. Voorts vroeg ons den Cap:n in 't bijzondere, of we geen specerijen te koop hadden, met verzoek dezel„ ve tegens andere Coopmansz: aan hun te verruijlen, onder Serieuse beloften zulx niet alleen verswegen 6 te houden, maar ook drie dubbelt te zullen beta„ „len, waar op w' in antwoord dienden, dat buijten de Oost Indische Comp:e van holland niemand, wie het ook zy, bevoegt is daar mede te handelen, onder verdere tekennen gevinge, dat de zware straffen welke dE Comp:e op dusdanigen ongeparmitteerden handel gesteld had niet alleen, maar voornament„ lyk ook de getrouwheid, die wij verpligt zijn aan onze Heeren en meesters, ons wederhaeld, daer in te negotieeren, en haar lieden mede te gerieven mitsg=s dat we geensints herwaards gezonden waren om koophandel te drijven, maar voorna„ mentlijk 2 81. Van Ternaten onder dato 8 Meij 17621 overeenquam niet dat vande Engelschen, dan niet sonder in hoope Uw EdeEd: Agtb: g'eerde ap„ reise nan sal„ wattij — „mentlijk tegen haar te protesteeren, waar na we afscheid genomen hebbende, den Captn C. S: met alle Civiliteijt ons door dien zelfden officier die ons afge„ haalt, weder liet te rug begelijden, na boord van de Nassauw; daar na stelde 't schip zijne steeven byj de wind W Z. W en geraakte desselfde nagt, nog uijt 't gezigt, intusschen besloten wij Mixool„ als de naaste plaats in de papoe die wij voor oogen hadden, aan te doen, om aldaar te verneemen, of t gezegde van den Jnlander nogens de Extructie van een fort op zalwattij (te vervolgen, ter zake wij bedugt waren, dat het alreeds te laat in de mousson zijnde, wij niet wel, de te rug rijze na herwaards zoude kunnen krijgen; op den 3: huirprobatie de circa een mijl van Mixoul af zijnde, gaf den gezagvoerder Waker te kennen, dat vermits de thans te sterk doorwaaiende Z W: winden, het aandoenlyk was, 's Comp:s bodem op den anker grond van Waijgamma te betrouwen, om dat die een botte lager was; als zijnde voor t overige buijten dezelve daar omstreeks geene in de kaart bekend; bij welke gelegendheid den majoor van Tidor tot ons gevallig zeyde, dat den Kimelaha valaraha Van Ternaten onder dato 8 meij 1762 valaraha, dewelke J:o leden met den Chinees Sami„ pe bij ons geweest was, hem in vertrouwen ver„ haalt had, dat hij onlangs van zalwattij terug gekomen zijnde, wel wist, dat niets aan de gerug„ ten d' Engelschen een fort op zaldatty zouden opge„ regt hebben was, hebbende dezelve eenlyk die plaats a gepasseert, en haar aldaar van vivres voorzien, van waar over vermondert stonden, dat onaangezien wij gem: Balaraha bij zijn kompt aan boord gevraagd hadden, nopens de vreemde natien den zelven ons zulx net g'openbaart en den majoor dat ook niet vroeger gezegt had, dier hal„ ven twijffelander of wij andere of nadere berig„ „ten dien aangaande zouden erlangen, resolveer den wij in hope uwer wel Edele agtb: gunstige welduijdinge de terug rijze herwaards aan te wenden 'T verdere voorgevallene niet van zeer grooten aanbelang zijnde, zo neemen wij de vrijmoe digheid uw wel Edele agtb: reverentelijk te ver„ zoeken ons aan 't op onze togte gehoudene dag register te mogen refereeren. Waar meede onze Commissie volbragt zynde zo 83 Van Ternaten onder dato 8: meij 1762 zo vertrouwen wij dat onze behandelingen in dezen uwel Edele agtb: g'eerde goedkeuringen me riteeren mogen, en nemen voor 't overige de vrij heid ons met verschuldigt ontsag te onderschrijven /:onderstond:/ Wel Edele agtb gebiedende Heere en Heeren /lager:/ uwel Edele agtb nedrigens en trouw schuldige dienaren /was getekend/ I. S. van mas„ son / A. E. Gregorije (in margine/ Ternaten oran„ ge den 13. october 1761. /onderstond/ Accordeert /was getekend:/ I: F Seidelman — Dingsdag den 13:' april 1762 s voordemiddags tegens negen uuren vergadering Present den E E agtb: heer Iacob van schoonderwoert „ „ Coopm en secunde Paulus Jacob valkkenaar manhaften Cap. n. Ian Cornelis van Ossenberch „ coopm: l fiscaal Matthias diderik van Haak „ ondercoopm: en Wink. Ian george van Roesvelt _o „ Secret.:s Ian Sebastiaan van masson „ _o p. l dispenc:r Ian Ioukers in August Hendrik Gregorij Na het aflopen der gemeene zaken gaf den hier „ _o. . .
English
From Ternate under date 8. May 1762. Here the Governor presented for reading a small document containing the contents of a certain conversation held by his Honour, accompanied by some of the council members, on the 5: March recently past with the King of Ternate on the occasion of a private visit to his Highness, which was approved to be granted a place below. Contents of the conversation held by the undersigned with the King of Ternate, present the Second Valckenaer, Captain van Ossenberch, and Secretary Masson. First, his Highness brought up all the successive robberies committed from the reign of the very capable deceased onwards, when the Xullas were invaded two times, and since then until today another three times; that the King of Tidore, about whom heavy complaints had been made concerning this, had thus far put his Highness off with good promises, without fulfilling anything, or at least very little, thereof; that he therefore, according to his oath and for the maintenance of his royal honour, found himself obliged to take heed of this, to which end he had already prepared everything, requesting for this our consent and also help, in case such might be required, according to the terms of the contracts. Whereupon the undersigned answered that his Highness had great reason to be displeased about that murder and robberies, just as the Company likewise had about the robbery and murder committed on its lands and against its subjects, but because it was evident in every way and from all reports that Tidore's King himself was very affected by this and also completely innocent of those acts of violence by the Papuans, who were indeed his subjects, but nevertheless cared little about him, and moreover that he had now recently also sent his Gugu there to put a stop to those robberies and to punish the guilty; it would therefore be better first to await the outcome thereof before proceeding to actual deeds; that we nevertheless would well permit, and advised his Highness himself, to place himself in a defensive posture, particularly on the Xullas, whither his Highness had let it be known he intended to send 50. to 60 Alfurs with some more of his soldiers to repel the robbers if they should desire to come again, as no reliance could be placed on the cowardly Xullanese. His Highness replied thereto that people had now delayed him for so long that he could no longer exercise patience; he had successively lost so many people that it was impossible for the King of Tidore to return them to him; he now also had to act offensively, and cause Tidore's mentioned subjects all manner of harm. Against which his Highness was reminded that the matter was not yet so desperate, but that there was still hope that his Highness would receive satisfaction, since Tidore's King was innocent, and also could not have advantage, but indeed disadvantage, from those robberies; that the High Indian Government already had knowledge of the successive robberies that had occurred up to the present day, and would apparently send some orders to us concerning this; and furthermore that it was better to delay a little than to proceed too hastily, along with several other arguments pertinent to the matter. Whereupon they were engaged in arguing and debating from about six until half past seven o'clock, when his Highness, by a certain aside remark, gave it to be known that he was not yet so very serious, and also requested that it not be taken amiss if he had sometimes spoken a bit too strongly. The discussion would nevertheless have continued further had the interpreter Dames not suffered an epileptic fit, but because of this the conversation was broken off, and they finally stood up to make way for the table, the King being otherwise well pleased and cheerful. Meanwhile his Highness had also been requested to issue orders that the commissioners from the side of Tidore's King who would take their route to Pamolla and Waijsile via Dodinga might not be molested by his subjects. Regarding which his Highness raised many objections, saying he could not answer for his subjects and did not wish to bear responsibility if sometimes unforeseen incidents should happen contrary to his orders. They replied to him again that if his Highness merely gave good orders in that regard, one could then rest assured thereof, and if nevertheless unexpected accidents happened thereafter, his Highness could no more be held guilty than we could, as accidents could happen at all times and in all places. Subsequently, the following two reports, delivered by the interpreters Dames and Hemmekam regarding their proceedings at the courts of Tidore and Ternate, were read, running as follows: Account in the form of a Report to the Right Honourable Lord Iacob van Schoonderwoert, Governor and Director of the Moluccas. Right
Dutch transcription
Van Ternaten onder dato 8. meij 1762 hier gouverneur ter lecture over een kleijn schrif„ tuurtje behelsende den Jnhoud van zeker gesprek door zijn Edele verseld van sommige der raadsle„ den op den 5: maart J. o leeden met den koning van Ternaten gehouden ter gelegentheid eener geleg particulieren visite bij zijn Hoogheid t welk goed gevonden is, hier onder plaatse te vergunnen Inhoud van 't gesprek door den ondergetekenden gehouden met den koning van Ternaten, Present den secunde valckenaer, kapit:n van Os„ senberch en secret:s van masson Eerst haalde zijn hoogheid op, alle de successive gepleegde roverijen, van onder de regeeringe van den zeer Abeleven af wanneer de xullaas twee malen g'invadeert zijn, en t zedert tot heeden toe nog drie werf. dat de koning van Tidore, van wien daar over hevige klagten gedaan waren zijn hoogheid tot dus verre met goede beloften opgehouden had, zonder daer aan iets, of ten minsten weinig te voldoen dat hij zig daarom volgens zynen eed en tot 85 Van Ternaten onder dato 8 meij 1762. tot mainctenue van zijn koninglijke honneur ver„ pligt bevond, daar over waake te nemen, ten wel„ ken eynde hij reeds alles in gereedheid gebragt had, verzoekende daar toe onze toestemminge en ook hulpe, in kas zulx vereischt mogt werden, naer liid der Contracten Waar op den ondergetekenden antwoorde, dat zijn hoogheid grote reden had misnoegd te zijn over die moord en roverijen, gelijk dE Comp:e inogelijx had, over den roof en moedeil op hare landen en aan hare onderdanen gepleegt, maar dewijl het allesints en uit alle rapporten bleek, Tidors Koning zel„ ven daar over zeer aangedaan en ook volkomen onschuldig was aan die geweldenarijen der pa„ poeers, die wel zijne onderdanen waren, maer egter weinig om hem gaven, mitsgaders daer te boven nu jongst ook zynen Goegoegoe der waarts gezonden had om die roverijen te doen op houden, ende schuldige te straffen: het derhal ven beter ware den uijtslag daar van eerst af te wagten voor henen tot de dadelykheden over te gaan, dat wij nogthans wel mogten lijden en zyn hoogheid zelven aanraden, zig in een defen„ „sief Van Ternaten onder dato 8. meij 1762 sief postuur te stellen, voornamentlijk op de xul„ laas, werwaarts zijn hoogheid zig had laten verluij„ den van mening te zijn, 50. â 60 alfoeresen met nog eenige zyner zoldaten te willen zenden om de rovers af te wijzen, indien ze andermaal lust mogten hebben weer te komen, alzo op de lafhartige xullancesen geen staat konde maken zijn hoogheid repliceerde daar op, dat men hem nu alzo lange had uijtgestelt hij nu niet lan„ ger geduld kogt oeffenen, hij had successive zo veel volk verlooren, dat het onmogelijk was den koning van Tidor hem die te rug geven kost; hij moest nu ook offensief ageeren, en Tidors onderdanen gemeld en alle afbreur aandoen, waar tegen men zijn hoogheid voorhield, dat de zaak nog zo desperaat niet was, of daar was nog hope dat zijn hoogheid satisfac„ tie krijgen zou, vermits Tidors koning onschul„ dig was, en ook niet wel voor, maar wel nadeel bij die roverijen hebben kon, dat de hoge Indiase Regeering van de successive roverijen tot nu Jongst toe voorgevallen, reeds kennisse had, en 87 Van Ternaten onder dato 8. meij 1762 en apparent wel eenige beveelen dientwegen aan ons zenden zoude, en voorts dat het be„ ter was, een wanig te traineeren dan te voor barig te werk te gaan, met meer andere ter zake dienende vertogen. Waar over men met batteren inse debatteren doende was van omtrent ses tot ten halv zien uuren, wanneer zijn hoogheid door zekere uittin„ ge van ter zijde te kennen gaf, dat het hem nog zo groten ernst niet was, en ook verzogt niet qualijk te nemen, indien hij zomtyds Wat te sterk gesproken mogt hebben, men zoude egter nog verder in dat discours gebleven zyn, indien den tolk Dames de vallende ziekte niet gekregen had, maar hier door wiend het ge„ sprek afgebroken, en men stond eindelijk op om plaets voor de tafel te geven, zijnder de koning andersints, wel genoegt en vrolijk: Onderwijl was zijn hoogheijd ook verzogt ordre te willen stellen dat de gecommitteerdens van de zijde van Tidors Koning die hunnen weg naar Pamolla en Waijsile over dodinga zoude nemen, van zyne onderdanen niet gemolesteerd mogten , Van Ternaten onder dato 8. mei 1762. mogten worden waar omtrend zijn hoogheid vele zwarigheedens bij bragt, zeggende voor zijne onderdanen niet te kunnen instaan en geen verantwoording wilde hebben, indien zomtijds ƒ Wisselvalligheden gebeuren mogten tegen zijne bevelen, men repliceerder hem daar weder op bij aldien zijn hoogheid maar goede ordres dientwegen. gaf, men dan daar op wel gerust kon wezen, en indien nogtans daar na onverhoopter toe„ vallen gebeurden, zijn hooghend zo min als wij daar aan schuldig konde gehouden worden, dat ongevallen ten allen tijde en op alle plaatsen geschieden konden Vervolgens zijn gelezende volgende twee rapporten door de tolken Dames en hemmekam overgelevert, nopens hunne verrigtingen aan de hoven van Ti„ dore en Ternaten luydende als volgt Relaas bij forma van Rapport aan den wel Edelen agtb Heer Iacob van Schoonderwoert gouverneur en directeur der moluccos Wel
English
From Ternate under date 8 May 1762. Right Honourable and Esteemed Ruling Lord. After I, humble signatory, on Tuesday, being the ninth of this month, had obtained my dismissal from Your Right Honourable, I betook myself that day to the court and to His Highness the King of Tidore, whereupon, after preceding customary compliments, I made known the following to that monarch in the most amicable manner: Firstly, when the extirpation expedition to Samolla and Wassile could commence, seeing that the vessel already lay in readiness to convey the commissioners appointed thereto by Your Right Honourable, namely the Ensign Ian Semet and the Bookkeeper Anthonij Bogaart, who were also already prepared, therefore requesting that His Highness on his part might be pleased to appoint thereto his Major Prince Kotto. To this His Highness answered that some days ago he had sent out his people to see whether the lodging huts were already prepared, which envoy had not yet appeared, but promised not to fail, as soon as the same returned, to inform Your Right Honourable thereof immediately, so that the aforementioned commissioners could undertake their voyage thither, as well as those appointed thereto by His Highness, namely the Lieutenant Dororatta and the Writer Abdul Ganie; but regarding the Major Prince Kotto, His Highness requests that Your Right Honourable will not take it as any displeasure, because according to ancient custom a lieutenant has been appointed thereto, but if it should happen that the aforementioned work made no speedy progress, His Highness would not only dispatch his major but betake himself thither, in order to make the sluggards zealous; but promised afterwards that after the departure of the commissioners his major would also follow. Secondly, His Highness expressed gratitude for the restitution of the Sulan gunner and further requested that the abducted Buruese and Sulans, whom the Gugu has in hand, shall be sent hither immediately upon arrival; to this His Highness stated that he deserved no thanks for sending back the Sulan gunner, since he had watched such with sorrowful eyes, promising further that as soon as the aforementioned abducted Sulans and Buruese were brought to Tidore, he will send the same to Your Right Honourable immediately. Thirdly, that Your Right Honourable still awaits the murderer Dawana who remained behind, although according to His Highness's promise he ought to have been on Ternate long ago. Answer: that His Highness would now send the murderer in hand named Sarie, but not Dawana, over towards Ternate with the humble signatory. But Your Right Honourable requested that they both, namely Sarie and Padjie, might now be interrogated in the presence of His Highness's grandees of the realm and the remaining Tobelo Alfur of the settlement named Lenarkewa who escaped death, so that they might bring forward their arguments against them. Fourthly, His Highness was requested with strong urgency that he might kindly see to it that the wife of the corporal of Balfetto on Buru from Misoool, and the female slave with another young slave of the junior merchant Breekpot from Ceram, were brought hither. His Highness answered that he was heartily sorry to hear once again that the wife of the corporal of Balfetto on Buru had also been abducted, and also the female slave and a young slave of the junior merchant Breekpot, affirming in that regard that he would also use his utmost endeavours to obtain the same, and after obtaining them, likewise deliver them into Your Right Honourable's hands. Fifthly, I pointed out to His Highness in polite terms that the water has already risen to the throat of Your Right Honourable and His Highness the King of Ternate, and that it would therefore be high time that those robberies cease once and for all and the guilty be punished for them, for if such lasted any longer, evil consequences might unexpectedly arise therefrom. His Highness answered to this that it also pained him, but requested that Your Right Honourable along with His Highness the King of Ternate might be pleased to exercise delay until the arrival hither of that envoy, the Tidorese Gugu, who according to expectations will not remain away much longer, hoping after his return to give full satisfaction to the Honourable Company and His Highness the King of Ternate, but should such not happen then, the Honourable Company and His Ternatean Highness could consider that he intended to wage war, though hitherto he was not inclined thereto, which His Highness confirmed by uttering these words: "I take God and the Prophet as witnesses that I am not one of those who seek to break my oath and violate the treaty, but strive to maintain peace and tranquillity in the Moluccas." Lastly, His Highness was requested for the Bandanese resident who had arrived from there with a slave via Salawati at Tidore, seeing that Your Right Honourable was of the intention to send him back towards Banda; His Highness answered to this that he, the Bandanese, would also depart towards Ternate with the humble signatory, but requested that Your Right Honourable might be pleased to pardon him if he bore no more guilt than what was told to His Highness, being the following: that he, the Bandanese, was supposed to have departed with a vessel of a certain Chinese for Kei to trade there, but while on the voyage met with the misfortune that
Dutch transcription
89 Van Ternaten onder dato 8:' meij 1762 Wel Edele agtb gebiedende Heer Naar dat ik nedrigen tetienaar op dingsdag zynde den negenden dezer, mine demissie erlangt had van VE agtb:, heb mij dien dag begeven naar het Ti hof een bi zijn hoogheid den koning van Tidor, als wanneer naar voor afgaande gewonelijke com„ plimenten dien vorst alles op het minnelijkste te kennen gaf het volgende als . Eerstelyk wanneer d' extirpatie togt tot Samolla E en Wassile zoude kunnen aangaan, door dien het vaartuig nu reeds klaar lag ter overbrenging van de daar toe door VE agtb: benoemde commissi„ anten, te weten den vaandrig Ian Semet en den boekhouder Anthonij Bogaart, die ook al gereld waren, dierhalven verzoekende dat zijn hoogheid van dies kant daar toe geliefde te benoemen des„ selfs majoor Prin Kotto Hier op gaf. zijn hoogheid ten antwoort, dat voor eenige dagen zijn volk had uijtgestuurt, om te zien of de bophhuijzen al gereed waren, welke af zendeling nog niet was komen opdagen, maar beloofde niet in gebreken te blijven zo dra dezelve te rug quam ten eersten daar van VE agtb: te laten verwittigen verwittigen, op dat de Commissianten voorn: hun„ re reijse derwaarts konden ondernemen, als ne„ de die van zijn hoogheid daar toe benoemt te weten, den luitenant Dororatta en den schrijver Abdul Ganie; dog aangaande den majoor Prins kotto verzoekt zijn hoogheid dat vE agtb: het niet voor eenig ongenoegen zal aanmerken, om reden daar toe volgens oud gebruijk een lieutenant be„ noemt is, dog bij aldien het mogte gebeuren, dat voorn werk geen schielijker voortgang had, zijn hoogheid niet alleen dies majoor maar zig zelfs daar na toe zoude begeven, om de luijaards ijverig te maken, dog beloofde naderhand, dat na vertrek van de gecommitteerdens dies majoor ook zoude volgen Tweedens, betuijgde zyn hoogheid dank voor de resti„ „tutie van de xullase busschieter en verzogt wijders, dat de geroofde Boeroeneesen en xullance„ sen, die den Goegoegoe in handen heeft, bij aankomst aanstonds zullen herwaards gezonden werden, hier op betuijgde zijn hoogheid voor de te rug zending van den xullasen busschieter geen dank te meri„ teeren, alzo hij zulx met droevige oogen had aan Van Ternaten onder dato 8. meij 1762 gezien 91 Van Ternaten onder dato 8. meij 1762. „gezien, beloovende wijders dat zo dra voorn. geroofde xulla en Boeroneesen op Tidor aangebragt wierden dezelve terstond uw E agtb:s zal toezenden Derdens„ dat uE agtb: nog verwagten d' agter gebleven moordenaar Dawana, schoon volgens zijn hoogheids belofte allange op Ternaten moest geweest zijn. Antwoord dat zijn hoogheid nu d' in handen heb„ bende moordenaar Sarie gen:t maar niet Dawana met den nedrigen tekenaar Ternatewaards zoude overzenden. Dog verzogt uE. agtb: dat zij met haar beide te weten Sarie en Padjie nu bij zijn van zijn hoogheid rijxgrooten, en t van de dood ont„ snapte overgeblevene Tobilse alfoerees van de negori lenarkewa gen„t mogte verhoort werden op dat zijlieden hunne belangens daar tegen konnen inbrengen Vierdens zijn hoogheid met sterke aandrang verzogt dat hij dog geliefde te maken dat de vrouw van den Corporaal van balfettoe te boeroe van mixoal, en de slavinne met nog een slaafje van den ondercoopman breekpot van ceram herwaarts gebragt wierden zijn hoogheid antwoorde, dat het han van herten leed Van Ternaten onder dato 8: meij 1762 leed, deed, wederom te hooren, dat de huijsvrouw van den Corporaal van balfettoe te boero oot gerooft was, en ook de slavinne en een slaafje van den ondercoopman Breekpot, betuygende dientwegen mede zijn uijtterste devoir, aan te wenden; om dezelve te bekomen, en naar bekoming VE agtb. mede ter hand te stellen. Vijfdens heb zijn hoogheid in beleefde termen voor„ gehouden dat het water al tot aan de keele van uw E agtb: en zijn hoogheid den koning van Ter„ naten is beklommen, dierhalven wel tijd zoude worden dat die roverijen eens uijtscheijde ende schuldige daar aangestraft werden, want indien zulx nog langer duurde, quade gevolgen daar door onverhoopte zoude kunnen ontstaen zijn hoogheid antwoorde hier op, dat het hem mede smertele, dog verzogt, dat VE. nevens zijn hoogheid den koning van Ternaten uijtstel ge„ liefde te gebruijken, tot de herwaarts komst van dier zendeling den Tidors Goegoegoe, die volgens gedagten niet lange meer uijt zal blijven, ver hoopte naar te rug komst van dien plaine sa„ disfactie aan d' E: Comp„e en zijn hoogheid den 93 Van Ternaten onder dato 8 meij 1762 den koning van Ternaten te geven, dog zulx als dan met geschiede, konde d'E Comp:e en zijn Ternaats hoogheid aanmerken, dat van meening was te oorloo„ „gen, maar hij tot nog daar niet toe g'intentioneerd was, het geen zijn hoogheid met het uijtten dezer woorden bekragtigde = Ik neem god en den prophiet tot getuijgen, dat met de geene ben, die myn eed zoek te breken en verbond te overtreden, maar rust en vaelde in de moluccos tragte te houden. Laatstelijk verzogt zijn hoogheid om de Bandanees ingezeten, die van daar met een slaaf over zalwatty op Tidor was aangekomen, door dien VE: agtb: van meening was, hem weder Bandawaarts te zenden, zijn hoogheid antwoorde hier op dat hij banda„ nies met den nedrigen tekenaar mede cernate „waards zoude vertrecken dog verzogt, dat uwE agtb: hem geliefden te pardonneeren indien hij niet meer schult had, dan het gezegde aan zijn hoogheid zijnde het volgende, dat hij bandanees met een vaartuijg van zeker Chinees naar Kei zoude zijn vertrocken om aldaar te negotieeren dog op de rijs zijnde het ongeluk aantreften dat