Inventory 3065
Surat · 856 pages · 175 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Translation from the English Language To His Excellency the Right Honourable Petrus Albertus Van der Parra Governor General, and the Honourable Council for the Affairs of the Dutch East India Company At Batavia Right Honourable Sir and Gentlemen From Padang I had the honour to write to Your Excellency etc. to inform Your Honours of my arrival on this coast to take upon myself the care of the English East India Company's settlements, and likewise to make known to Your Honours the reception I met with at Padang. A duplicate of that letter to Your Excellency accompanies this, the bearer whereof is Mr. Randolff Marriott, who is proceeding to Batavia to reside there for our Honourable Company, and to request such assistance and negotiate such matters, with the granting of which I flatter myself that Your Excellency etc. will display that friendship which is expected of you. It would be needless for me to fill this with the particulars in the provision whereof for the service of this place I hope Mr. Marriott will be assisted, as that gentleman, pursuant to his instructions, will request that of which we stand in need. I shall therefore conclude this, sincerely wishing Your Excellency etc. a peaceful administration, being with deep respect beneath stood Right Honourable Sir and Honourable Gentlemen lower Your obedient and very humble servants was signed Sam: Ardley in the margin stood Fort Marlbro 25 March 1762. Copy translated by S: L: Garrisson notary To the Same as Above Mr. Marriott has, I presume, before this time presented to Your Excellency etc. the letter which I did myself the honour to write to Your Honour by our Company's ship Plassey, a copy whereof I nevertheless now transmit to Your Honour, for fear that the original might have miscarried. The requested assistance for the said ship and this settlement I assure myself will be as readily granted as that which the Presidency of Fort St. George has likewise requested of Your Excellency, to the end that the ship the Fox might be supplied with the necessaries for which she goes to Batavia for the service of His Majesty's squadron. I flatter myself that I shall shortly have occasion to inform the gentlemen both at Madras and Bengal that Your Excellency etc. will have given such satisfaction concerning the points whereof Mr. Marriott's instructions make mention, as will prevent the execution of those measures which nothing but the utmost extremities can bring to pass, from persons who ardently desire to maintain that true friendship which our nations display one toward the other. As far as regards myself, Your Excellency may be assured that as long as the care of the settlements of the English Company on this Coast shall be committed to me, I shall do my utmost to maintain a good understanding with your substitute representatives of the Dutch Company; I hope that their conduct will show the same inclination. I am beneath stood with high esteem lower Right Honourable Sir and Honourable Gentlemen still lower Your Honour's obedient and very humble servant was signed Sam: Ardley there also stood Fort Marlbro 22 April 1762. translated by S: L: Garrisson notary To the Same as Above. We had the honour to write to you in duplicate under date of 16 November last, whereby we made known to Your Honour that we have sent Mr. Ardley, one of the members of our Council, to Fort Marlborough to restore our masters' possessions on the West Coast of Sumatra. We take this opportunity to express to Your Honour the obligation we are under to Mr. Boelen, your Chief at Malacca, for the civilities which our servants experienced from him during the past year, and we request your assistance in furnishing this ship the Fox with the necessaries which she will require from Batavia. We have the honour to be, may it please Your Excellency and Gentlemen beneath stood Your very obedient humble servants was signed George Pigot, Rob:t Palk, Dawsonne Drake, John Pybus, Jos: Dupre there also stood Fort St. George 7 March 1762. Translated by S: L: Garrisson notary To the Same as Above. Since the capture of the English settlements on the island of Sumatra, many reports have come to our ears of the taking possession by you of some of the same, and of having used an authority over the natives tending to oblige them to leave the places where they had resided under the government of our Company, and to deter them from negotiating again with our nation. Former acts of violence committed by the subjects of your nation against those of the King of Great Britain on that Coast and the adjacent places might have induced us to give immediate credit to those reports; we preferred, however, to suspend our opinion until we could be certainly informed of the truth. The
Dutch transcription
Translaat uijt DEngelsche Taele Aan zijn Excellentie Den welledelen Petrus Albertus Van der Parra Gouverneur Generaal, en de Edelen raad voor de zaeken van de Nederlandsche Jndische Comp: Tot Batavia Wel Edelen Heer en Heeren Van padang had ik d'eer uw Excellentie r„a te schrijven om uwEd:s mijne komst op dese kust om de zorge van d'Engel sche oost Jndische Comp:s Bezettingen op mij te neemen te berig„ ten, en om uwEd:s teffens bekend te maken de receptie die Jk te padang antmoet heb, een duplicaat van die Brief aan uw Excellentie verzeld deesen waar van Bren„ ger is de heer Randolff Marcot die naar Batavia steevend om aldaar te resideeren voor onse Edele Comp: en om te versoeken zulke behulpente negotieeren zodanige zaaken, met de williging van de welke ik mij vlije dat uw Excellentie &„a zal betoonen die vriendschap die bij uw verwagt werd. Het zoude noodeloos zijn voor mij deese opte vullen met de Bijzonderheeden in de bezorging van dewelke ten dienst deser plaats ik hoop de heer Marcot zal geholpen werden, alzo dien heer ingevolge zijne Jnstructien, versoeken zal 't geene waar aan mij Gebrek heb„ ben. Ik zal dierhalven desen besluijten uw Excellentie k„a opregt wenschende een vreedsame administratie zijnde met diepe Eerbied /:onderstond/ WelEdele Heer en Edelen„ Heeren /Lager/ uw Gehoorzame en zeer nedrige diena„ ren /was getekend / Sam: Ardleij /ter zeijde stond/ Portmarc„ bro 25. ' maart 1762. Copia /getranslateerd door S: L: Garrisson nat.:s Aan Als Vooren D' heer Marriott heeft vermeen ik voor deese tijd aan uw uw Excellentie &„a vertroond de brief die ik mij d'lere gaf uw Edele niet ons Comp:s schip treplassie, te schrijven, Copi waar van ik nogthans nu aan uwEd: oversend, uijt vrese dat het origineel absent geraakt mogt weesen. de versogte hulp voor het gemelde schip en deese bezetting ver„ seekert ik mij dat alzo bereijdwillig aangenomen zal werden als 't geene de presidentie van fort S:t George Uw Excell: all mede versogt heeft ten Eynde het schip de fox met de benodigtheeden waar voor zijna Batavia Gaat ten dien ste van zijn majesteijds Esquader gerieft mogt werden. Jkvleije mij zelven dat ik binnen korten occagie zal hebben om beij tot Madrasen Bengalen de heeren t'onder„ rigten dat uw Excellentie &„a zodanige Satisfactie omtrent de poincten waar van de heer marrits Jnstructien luijden gegeven zal hebben, als zal voorkoomen d'unitwerk stelling van die maatregulen, dewelke niets als d'uijterste omstandig„ heeden kunnen te werk brengen, van menschen die vieriglijk wenschen die waare vriendschap die onse natien den Een voor den anderen bewijsen t'onderhouden, wat mij aan„ gaat uw Excellentie mag verseekerd weesen dat zo lange de zorge van de bevettingen van d'Engelsche Comp: op deese Cust mij aan bevolen zal weesen ik mijn uijterste best doen zal om de verstandhouding met uw substetut representan„ ten van de Nederlandsche Comp: t onderhouden ik hoop, dat haar gedrag dezelvde inclinatie zal betoonen, Jk Ben /:onderstond/ met hoog agting / Lager/ welEdele heer en Edele heeren /nog lager/ uw Edele gehoorzame en zeer nedrige dienaar /was getekent/ Sam: Ardleij, /nog stond/ fort marlbro 22. e April 1762. /getranslateert door S: L: Garrisson nots: Aan Als Vooren. Wij hebben d' eer gehad uw in duplicaat te schrijven in dato 16. novemb„r Jongstleeden, waar bij wij Uw Ed:e bekend Gemaakt hebben, dat wij m„r Ardlij eene derleeden onser raad naar 11 naar fort marlborongh gezonden hebben om onse meest:s bezitting op de west Cust van Sumatra te herstellen. — Wy neemen deese geleegentheijd waar ons om uwEd: te be„ tuijgen de verpligting die wij hebben aan de heer Boelen uw Chef tot mallacca weegens de beleeft heeden die onse die„ naaren in den voorleedene Jaere van hem genooten heb„ ben, en wij versoeken uw adsistentie in't voorsien van dit schip the for met de benodigtheeden deese van Batavia zal nodig hebben Wij hebben dEer te zijn Behage het uw Excellentie en Heeren /onderstond/ Uw zeer Gehoorzame nedrig dienaren /was getekent/ George Pigot, Rob:t Palk Dawsonne Drake, John Pijbus Jos: Dupre /nog stond/ fort S:t George 7:e maart 1762. Gestrans, lateerd door S: E: Garrisson nots Aan Als Vooren. 'T sedert de verovering van d'Engelse bezettingen op 't Eijland sumatras zijner veele gerugten ter onser ooren Gekoo„ men van de bezittneeming door uw van Eenige der„ zelver, en omtrent d'inboorlingen gebruijk te hebben een gezeeg streckende om de zelve verpligten geplaat sen waar inne zij ondert gezag onser Comp: gewoond hadden te verlaaten en dezelve te verwijderen van wederom met onse natie te negotieeren. voorige geweldenarijen door de onderdanen van uw natie teegens die van den koning van groot Brit„ tansen gepleegd op die Cust en d' aangrensende plaat„ sen konden ons bewoogen hebben derect geloof aan die gerugten te slaan, Wij verkooren egter onse oppene te staaken tot dat wij zeekerlijk van de waerheijd konden onderigt weesen. De
English
The recent arrival here of the Bonetta Bark, commanded by Captain Thomas Forrest, has put an end to our doubt. We find that on the 12th of March last, he arrived at our settlement of Natal, where the Dutch flag was flying; that going ashore, he heard an order published prohibiting the Malays from trading with English vessels. We leave it to your own judgment to examine the justice of prohibiting the inhabitants of an English settlement from negotiating with English vessels, and we are assured that your masters will not take it upon themselves to maintain your and such like actions when they are represented to them by the Court of England. On the 28th of the same month, Captain Forrest arrived at Moco Moco, whereupon the two sons of the Sultan of Moco Moco came on board to express their joy at the sight of an English vessel and their fear of an attack from your neighboring settlement of Adjerradjah. Captain Forrest, returning to Moco Moco on the 28th of June, found the Sultan more and more alarmed by an offer which he had received at the same time from your envoys at Adjerhadjach to hold a conference with them; but he knew only too well the danger of such a conference, and therefore, instead of accepting the invitation, he requested Captain Forrest to let the English flag fly again on our fort and to be pleased to leave behind a crew and ammunition there for the defense thereof and of his territories. This being done, and three of our Company's ships having arrived shortly thereafter from Europe, it seems to have had more effect in hindering your envoys in the execution of your designs against Moco Moco than any consideration of the right of our nation there. This judgment is founded on strong proofs. The deposition under oath of John Thomas, gunner of the Bonetta Bark, of which we enclose a copy herewith, gives much reason to think that your envoys had a design not only upon our settlement of Moco Moco, but also upon the said vessel; and in the protesting letter which your said envoys, Messrs. van Staveren and Boudewijn, have sent to Captain Forrest, they take it upon themselves to reproach him for maintaining a correspondence with the Malays at Moco Moco, and require of him in the most arbitrary manner to leave what they call the limits of your Company, which they deem to be the entire part of the coast lying between Indiapoore &c. and Sinkel. The original of this letter and protest is in our hands; we add a copy hereto and leave you again to your own reflections, only observing that Moco Moco being a settlement belonging to our Company, we have an indisputable right, indeed that it is our duty, to maintain the good understanding that has always existed between us and the Sultan of that district and to defend him against anyone who should undertake to do him any violence; and further, that as our settlements of Natal and Tappanooly are situated within the limits defined by your envoys, it is undeniable that your flag was not erected there with any view to protect them against the Achinese, as some have pretended, but that you have openly and intentionally made an unlawful title of ownership thereto, even to the exclusion of the English traders. Pretensions of that nature are not unfamiliar with your Government wherever you have any power to make them valid. We could cite examples of English vessels that have been detained and confiscated with their entire cargoes, and some have even been massacred with their whole crew, for having appeared in some ports where you claimed such an exclusive right. There are many English subjects who have lost considerable parts of their possessions through such outrages, and who have never been able to obtain that satisfaction which they had reason to expect from your integrity. We have touched lightly upon these complaints to show you the difference between the treatment we have experienced in those places where it has been in your power to do us harm, from that which your subjects experience from our government in all places where our power is greater, and particularly in Bengal, where your settlements enjoy more security and their trade more freedom from oppression than before we had any connection with the country's government. It is, however, not reasonable to suppose that our nation will always continue to return good for evil; and if you have resolved to wrong us in one place because you have the power, you must expect that we will vindicate ourselves wherever we have the power in our hands. We have the honor to be most fully, [beneath was written] Right Honorable Sir and Sirs, [lower] your most obedient and humble servants, [was signed] Henry Vansittart, P. Amyatt, Culling Smith, Warren Hastings. [In the margin was written] Fort William in Bengal, the 3rd of November 1764. Translated by J. L. Garrisson, notary.
Dutch transcription
De onlangse komst alhier van de Bonetta Barg gevoerd door Cap: Tho„s forrest heeft een eijnde aan onse twijffel gesteld wij vinden dat op den 12. ' maert Jongstleeden, hijmn onse bezitting van natal arriveerde alwaar de holland sche vlag waaijde Dat naar de wal gaande, hij een onder heeft hooren publiceeren verbiedende de maleijers om met d'Engelse vaartuijgente handelen wij laaten uw mijnen steer over nate gaan: de geregtigheijd om d'inwoonders van Een Engelse Bezittingte verbieden met Engelsen vaartuijgen te negotieeren, en wij zijn verse„ kerd dat uw Gebieders niet op haar zullen neemen uw en diergelijke gedoentenste handhaveren wanneer zij door 't hoff van Engeland aan haar vertoond werden. den 28. van deselve maand arriveerde Cap: forrest te Moco moco wanneer de twee zoonen van den sulthan van moco moco aan Boord quamen om haar blijdschap over het gezigt van een Engels vaartuijgen en haare vreese voor een attacque van uw: Nabuurige bezetting adjerradjah te betuijgen, Cap: forrest op den 28:e' Junij terug keerende na Moes Moco van den sulthan meer en meer Bevreest door eene aan bieding die hij op dezelve tijd van uw gezanten te adjerhadjach ontfangen had, om met haar een Gesprek te houden maar hij wist al te wel het gevaar van zulk een gesprek en dier halven instede vandenvilatie taccepteeren versogt hij van Capit: forrest om d' Engelse vlag wederom op ons fort te laten Waijen en een gemanschap en ammonitie aldaar ter defensie daar van en van zijn territorieste willen agter laten, dit gedaan en drie onser Comp:s scheepen g'arriveerd zijnde kort daar na uijt Europa schijnt het meer Effect gehad te hebben om uw afgesondene inde volbrenging uwer desseijnen te tegens moco„ moes hinderen als eenige Consideratie van het regt onser natie aldaar, dit oordeel is gegrond op sterke preuves, de 13 de depositie onder Edele van John Thomas Constabee van de Bonetta Barcq waar van wij een Copij hier insluij ten Geeft veel reeden te denken dat uw afgesondene met alleen een desseijn op onse bezetting moco moco, maar ook op het gemelde vaartuijg hadden, en Jn het protestende Brief die uw Gemelde afgesondene mess=rs van staveren en Boudewijn aan Capitain forrest gezonden hebben nee„ men zij op zig hem te verwijten een Correspondentie met de maleijers te moco moco t onderhouden, en requireeren van hem op de willekeurig Stemanier om te verlaeten wat zij noemen delemitten van uw Comp:, en die vermeenente zij het geheele gedeelt van de Cust leggende tussen Jndia pore &„a sinkel het origineel van desen Brief en protest is in onse han„ den, wij voegen hier bij een Copij en laaten uw denovo„ aan uw Eygen reflectien over, alleen observeerende dat moco moco zijnde een bezitting onse Comp: toebehoo„ Comp: rende wij een onbetwistbaar regt hebben, Jazelfs dat het onse pligt is de goede verstandhouding die altroos tussen ons en den Sulthan van dat district bestaan heeft t' onderhouden en hem te defendeeren teegens een ieder die onder neemen zoude hem eenig geweld aante doen, en verder dat also onse bezettingen van Natal en Iappanoolij gesitueerd zijn binnende lemit„ ten door uw afgesondene bepaald, het ontwijffelbaar is dat uw vlag aldaar met op geregt is met eenig Jnsigt om haar teegens de atcheeners te beveyligen gelijk sommige, voor gegeven hebben maar dat uE opentlijk en met Jntentie een onregte titul van Eijgendom daar op gemaakt hebt, zelfs tot uijt sluijting der Engelsche handelaars. Pretensien van die natuur niet vreemd met uw Gouv: ah Gouvernement waar uE eenig magt hebt deselve te doen geld Wy zonder voorbeeden kunnen bij brengen van Engelse vaartuij„ gen die vast gehouden, en geconfisqueerd geworden zijn met haare geheele Ladingen, en eenige zijn zelfs met haare heele manschap gemassacreerd geworden, om in Eenige havens waar UE zulk een Exclusief regt pratendierd verscheenen te hebben daar zijn veele Engelsche onderdaanen die aanzienlijke gedeeltens haarer bezit teugen door dier„ gelijke Geweldenarijen verlooren hebben, en die nooijt Jn„ staat geweest zijn die satisfactie te Erlangen die zij ree„ den hadden om van uw opregtheijt te verwagten. Wij hebben ligtelijk deese klagten aangeroerd om uw aan te too„ nen het onderscheijd van de behandeling die wij onder vonden hebben in die plaatsen daar het in uw magt is geweest om ons quaad te doen, van het geene uw onder„ daanen van ons gouvernement in alle plaatsen waar onse magt Grooter is, ondervinden en bij zonderlijk Jn Bengalen waar uw bezettingen meer Securiteijt en haar handel en meer bevrijding van appresse genieten als bevooren dat wij eenige Connietie met 's lands gouvernement had„ den, het is egter niet redelijk te verander stellen dat onse natie althoos zal aan houden Goed voor quaad te vergelden, en zo uw voorgenomen hebben om ons in d'eene plaats te verongelijken om dat uE de magt heb„ ben, moeten UE: verwagten dat wij ons zelven zullen regt vaardigen waar wij maar de magt in onse handen hebben Wij hebben DEer zeer volkoomen te zijn /onderstond/ Wel Edele heer en heeren /lager/ uw zeer gehoorsame en nedrige dienaren /was getekend/ Henrij van sittart P: Amjatt, Calling Smith warren Hastingh /ter zeijde stond/ Sort William in Bengalen den 3. november: 1764. Getranslateerd door J: L: Garrisson not:s. — Transl:
English
Translated from the English Language To Mr. Forrest, commander of the Bonetta sloop in the roads of Adjerhadjah. Sir, When I invited you ashore, it was directly contrary to my intention to negotiate with you in any manner that could be detrimental to my masters' affairs. Therefore, I am very surprised at the sending of those samples of linen and am obliged to inform my superiors thereof, as well as of the correspondence that you had at M. Moco with the Malay. Alongside this, you will receive a protest for the direction of your future conduct, or be assured that I shall act in accordance with it. I am, beneath, Sir, etc., was signed, H. van Staveren, below that, A true copy, was signed, Geo. Williamson, secretary, translated by S. L. Garrisson, notary, in the margin stood, Adjerhadjah, the 8th of June 1761. Translated from the English Language Protest made in the name of the Dutch East India Company against Captain Thomas Forrest, commander of the bark Bonetta, by order of Christopher Lodowich Seniff, Governor of the West Coast of Sumatra, by Hendrik van Staveren and Jean Boudewijn of Adjerhadjah. Since you have arrived here with the said vessel, and we understand that you must steer to the north, we are obliged to desire of you and to order you hereby in the name of our noble masters to weigh anchor and to leave their limits upon the receipt of this, whether south of Indrapore or north of Sinkel, so that the good understanding that exists between the Crown of Great Britain and the States General, in whose name we presently act, may not be harmed by any improper conduct of yours. We hereby protest against you for all the bad consequences that could arise from your acting contrary to our orders, and for all the damages that our Company shall consider to have suffered through your trading within the said limits, as we also declare you especially accountable for disputes that might arise from acting contrary to this, as well as regarding all damages that could be brought upon the said Company by any authority that you usurp. Dated from our office at Adjarhadjah, the 9th of June 1761. H. van Staveren, J. Boudewijnsz. In the margin stood, A true copy, was signed, Geo. Williamson, secretary, translated by S. L. Garrisson, notary. Translated from the English Language The declaration of John Tannas, gunner of the Bonetta bark. On the 1st day of October 1761, came and appeared in person before me, Peter Marriott, Mayor of the city of Madraspatnam, John Tannas, who freely and of his own accord declared under oath the following: That he was gunner of the Bonetta bark, Thomas Forrest, master; that being in the roads of Adjerhadjah in the month of June 1761, he went on board a Dutch sloop lying there, and that going on board in the boat, the mate of the sloop asked him whether his heart was Dutch or English; that the gunner thereupon answered, what do you mean by that; that having come on board the sloop, the mate said to the gunner, I believe that your heart is good English, you have sailed so long with the Dutch, and now you sail with the English; that the gunner thereupon answered, no, notwithstanding all that, my heart is good Dutch; if that be so, answered the mate, there is no fear, or he would be master of that sloop if he would only do one thing; what is that, said the gunner; only to spike your guns, we are trying to get the captain ashore and you here on board, then there will be no fear; that between decks he saw a stone lying with the Dutch Company's mark upon it, which the boatswain of the sloop said was a boundary post for Moco Moco. Signed, John Tannas. Signed, Peter Marriott, Mayor. Below stood, A true copy, signed, Geo. Williamson, secretary, translated by S. L. Garrisson, notary. Sir, I have the honor to write this to you by Captain Hierme, who commands the vessel Tol, which ship I have sent for such provisions as His Majesty's fleet under my command requires and which can be appointed at Batavia. I flatter myself that your Excellency will give this gentleman all the necessary assistance, and I shall be glad to find an occasion to return the civility and to convince you how much I am, beneath, Sir, lower, Your Excellency's very obedient and humble servant, was signed, C. Cornish. In the margin stood, Norfolk in the roads of Madras, 5 March 1762, translated by S. L. Garrisson, notary. Translated from the English Language To His Excellency the Right Honorable Petrus Albertus Van der Parra, Governor General, and to the Honorable Council concerning the affairs of the Dutch East India Company at Batavia. Right Honorable Sir and Honorable Sirs, The President and Council of Fort St. George having equipped two ships to steer for Fort Marlborough with men and the necessary materials to rebuild that place, and having appointed me to carry out that undertaking, my orders were to touch at this garrison first to request the necessary assistance and whatever we might lack, on account of the continuing peace between the two nations; and we hoped that such would have been granted to us with readiness, and to that end a letter from the Presidency of Madras was addressed to the gentlemen here. I arrived here on the 4th of this month, and by a letter that I wrote to the Governor and Council two days thereafter, I made
Dutch transcription
15 Translaat uijt d'Engelse Taele Aan m„r forrest gesaghebber van de Bonnetta Chaloup ter Rheede van adjerhadjah min Heer Toen ik uw aan de wal versogte, was het direct strij„ dig met mijne Jntentie om met uw te negotieeren op eenige wijse die tot mijn meesters zaaken Na deelig zoude kunnen weesen, dierhalven ben ik zeer verwondert over het zenden van die monsters van Linnen en ben verpligt mijne Gebieders daar van tonderrigten, Gelijk ook van de Corres„ pandentie die UE te M: Moco met de maleyer Ge„ had heeft. Nevens deese zal UE een protestontfangen, tot rigting van uw toekomend gedrag, of maak staat dat ik mij Jngevolge van den gedraagen zal. Jk ben /onderstond/ mijn heer &„a /was getekend/ sC: van Staveren (daar onder / Een waare Copij /was getekend/ Geo: William son secretaris /gestaansla„ teerd door S: L: Garrisson not:s /ter zijde stond/ Adjerhadjah den 8. ' Iunij 1761. Translaat uijt d'Engelse Taele Protest Jn den Naam van de Hollandsche Oost Jndische Comp: gedaan teegens den Capitain Thomas forrest Gesaghebber van de Berk Bo„ netta uijt order van Christopher Lodowich Seniff Gouverneur van de west Cust van Sumatra door Hendrik van Staveren en Jean Boudewijn van Adjerhadjah. Vermits uwEd:e alhier met het Gemelde scheepje - - - scheepse gearriveerd zijd, en wij verneemen dat UwEd: na 't noor den steevenen moet, zijn wij verpligt van UE te begeeren aan uE t' ordonneren bij deesen inden Naam: van onse Edele meester, anker te ligten en haare semiten te verlaaten op den ontfangst deeses 't zij bezuijden Jndrapore of benoorden sinkel op dat de verstaand houding die tussen den kroom van Groot Brittansen, ende staalen Generaal in wiensf naam wij thans ageeren resideert, niet mag gekrengd werden door eenige onregte behandeling van UEd: Bij deesen protesteeren wij thans teegens uw van alle de quaade gevolgen de welke uijt uw Ed:s handelen teegens onse ordres zouden kunnen spruijten voor alle de schaadens die onse Comp: zal ver„ meenen door uw negotieeren binnen de gemelde bemitten geleeden te hebben, Gelijk wij uw ook verantwoordelijk verklaaren in't bij zonder voor dispunten die zouden kunnen spruijten uijt het teegens deesen ageeren gelijk ook weegens alle nadeelen die de gemelde Comp: toegebragt zouden kunnen werden door Eenige authoritheijd die uwE: uzurpeerd, Gedagteekend uijt ons Comptoir te adjarhadjah den 9. Junij 1761. H: van staveren, I„n Boudewrijhtz: /terzijde stond/ Een waare Copie /was getekend/ Ged Williamson secretaris Ge„ translateerd door S: L: Garrisson not:s: Translaat uijt D'Engelse Taele de verklaaring van John Tannas Constapel van de Bonetta Barg Op den 1:e dag van 8ber: 1761. kwam en Compareerden in persoon voor mij Peter Marriott Maijor van de stad van Madraspatnam John Tannas dewelke vrijelijk en uijt Eijgen beweeging onder Ede verklaarde het 17 Het volgende Dat hij was Constabel van de Bonnetta Barcq Thomas forrest schipper, dat seggende op de reede van adjerhadjah in de maand Junij 1761: hij gegaan is aan Boord van een hollandsche Chaloup leggende aldaar, en dat in de boot naar Boord gaande den stuurman van de Chaloup hem gevraagd had of zijn het, hert, Hollands of Engels was, dat den Constabel daar op g'antwoord had wat meend Gij daar bij dat gekomen zijnde aan Boord van de Chaloup den stuurman teegen den Constapel gezegt had Jk geloove dat uw hert goed Engels is uwE: hebt zo Pang met de Hollanders Gevaaren, en Nu vaart gij met d'Engelschen, dat de Constapel daar op antwoorde neer niet teegenstaande aldat is mijn hert Goed Hollands, indien het zo zij antwoorde den stuurman is er geen vrees of hij zou twee Z zo van die Chaloup werden hij maar eending doen wilde wat is dat zyde den Constapel, alleen uw stuc„ ken te vernagelen, wij zoekende Capitain aan dewal en uw hier- aan Boord te krijgen dan zal er geen vrees zijn, dat hij tussen sendeks een steen zag leggen met het hollandsch Comp:s merk daar op de welke den Bootsman van de Chaloup zijde een Land paal voor moco moto teweesen geteekend John Iamas, Geteekend Peter Marriott Maijor (onder stond/ Een ware Copij /geteekend/ Geo: Williamson Secretaris getranslateerd door S: L: Garrisson not:s: — Mijn Heer Jk heb d'eere dese aan uw te schrijven met Capit: Hierme, die het scheepje Tol voerd welk schip ik gesonden heb voor zulke provisien als zijn majesteijd den majesteijds vloot onder mij Gezag benodigt heeften die ap„ point te Batavia geworden zullen kunnen werden Ik vlije mij zelven dat uw Excellentie deesen heer alhet be„ nodigde hulp gewen zal, en ik zal blijd zijn occagie te vin„ den de beleeftheijd te vergelden en uw te overtuijgen hoe zeer ik ben /onderstond/ myn her: / Lager uE Excellenties zeer Gehoorsamen en nedrige dienaar /was getekend/ C: Flornish, /ter zijde stond/ Norfolk ter rheede van Madras 5. maart 1762 Getranslateerd door S: L: Garrisson nots Translaat uijt d'Engelse Taele Aan zijn Excellentie den welEdelen Petrus Albertus Van der Parra. gouverneur generaal en aan den welEdelen raad weegens de zaaken van de nederlandsche Oost Jndische Comp: tot Batavia Wel Edele Heer en Edele Heeren Den presidenten raad van fortt S:t Gorge twee scheepen g'Equippeerd hebbende om naar fort mare borougt te steevenen met volk en de nodige materiaalen om die plaats weeder te herbouwen, en mij hebbende aan gesteld om die ondernee„ ming ter uijtvoer te brengen zo lagen myne ordres om deese bezetting eerst aan te doen om het nodige be„ hulpen het geenen wij ontbreeken mogten uijthoofde van d' aanhoudende vreede tussen de twee natien te versoeken, en wij hoopten dat zulx ons met bereijd wil„ ligheijd zoude toegestaan geworden zijn, en ten dien Eijnde wierd een brief van de presidentie van madras aan d' heeren alhier g'addresseert, Jk arriveerde alhier den 4. deeser, en bij een brief die ik aan den Gouver„ neuren raad twee daagen daar na schreef, maakte ik
English
I made known to them what we lacked, requesting them, so far as it should be possible for them, to please accommodate us therewith, to which I received an answer a few days thereafter containing the intention of the Governor and Council to grant me what was needed, provided I was to determine the quantity of each article, but with this proviso, that I must first give them satisfaction. I have come in friendship and not to pursue the steps with which Captain Vincent threatened in a letter concerning which I do not doubt your Excellency etc. will already be informed. My instructions from Fort St. George having given me authority to answer this: that I had not come to force anything from the gentlemen of Padang, but on the contrary to maintain with them a friendship which I sincerely hope that the circumstances of affairs hereafter may bind more firmly. The matter of Natal and Tappanoeli, as well as some other matters which have been cause for dissatisfaction, are mentioned in a letter which the President and Council of Fort St. George addressed to your Excellency etc. and placed in the hands of Mr. Randolff Mariatte, who, when opportunity presents itself, will sail for Batavia, as transport thither has been refused here. I hope that it will effect such an arrangement as I, as a member of the Presidency and present principal of the settlement, wish, that boundaries may be set to put an end to the manifold complaints from this Coast which have caused unrestrained liberties, to the detriment not only of the good understanding which our two nations are desirous to maintain, but also of lesser matters and the danger of a rupture. Pursuant to my last-mentioned declaration and statement of the required quantity of provisions with which I requested to be accommodated in order to effect the re-establishment of Marlbro, the Governor and Council at Padang have written to me that they were unable to do anything more than to refresh my ships with provisions, wood, and water, but as regarded the supplies which I had requested for the service of the settlement, they could not at present accommodate me therewith, yet that in case I wished to leave someone behind to gather together whatever could be obtained here, they will not be able to assist him here. I cannot well understand this frustration of my expectation; the personal courtesies which I and my company have enjoyed during our stay here prevent me from suspecting of insincerity the persons by whom I have been so well received, and at the same time the abundance of the country and some circumstances agreeing therewith prevent my thoughts from comprehending that the difficulties can be as great as are alleged, and capable of preventing them from doing us service if the inclination were not lacking. Yet, let the policy from which this conduct springs be what it may, I shall refrain from drawing a disadvantageous conclusion therefrom. When Mr. Mariatte pays his respects to your Excellency, I shall then have the honour to assure you again of my respects and perhaps request a few of the necessities that Batavia supplies, with which I hold myself assured that your Excellency's goodness will accommodate us. Meanwhile permit me to subscribe myself with high esteem, Honourable Sir and Noble Sirs, your most obedient and humble servant, was signed, Sam: Ardley. In the margin was written: Padang, January 19, 1762. Translated by S. L. Garrison, notary. To the same as before. We have had the honour to receive your letter of 24 April. Since the date of that letter we have been informed of the death of the Honourable Jacob Mossel, the late Governor-General, on which we offer you our most sincere condolences, and at the same time we take the liberty to congratulate you on the accession of the Honourable Petrus Albertus van der Parra to the government, and hope that the harmony among the representatives of the two nations in India during the administration of Mr. Mossel will likewise be maintained. As the latest tidings we have received from the West Coast have moved us to effect the re-establishment of our noble masters' possessions there in as extensive a manner as before the unfortunate conquest of the same by the French under the command of the Count d'Estaing, we have considered it necessary, my Lords, to make our intentions known to you, to inform you that we have presently provided Sam: Ardley, Esq., one of the members of our Council, with our commission as Governor for the management and direction of and for all affairs on behalf of the Noble English East India Company on the
Dutch transcription
19 ik haar bekent wat ons ontbrak, haar versoekende voor zo veel hun mogelijk zoude zijn, ons daar mede te gelieven, waar op ik weijnige daagen daar na een ant„ woord bekwaam behelzende de Jntentie van den Gouver„ neur en raad om mij het benodigde te vergunnen mits ik de quantiteijt van ijder articul quam te „ palen maar met deesen mits dat ik haar eerst satisfactie geeven moeste Jk ben en vriendschap gekoomen en met om te vervolgen de stappen waar meede Capit: Vincent gedreijgd heeft in een brief omtrent dewelk ik niet twijffele uw Excellentie &„a bereeds onderrigt zal zijn mijne Jnstructien van fort S:t George te hebben mij magt gegeven om dit t'antwoorden, dat ik niet was gekomen om de heeren van Padang iets afte dwingen, maar ter contrarij met haar t'onderhou„ den eene vriendschap die ik van herten hoop dat d'omstandigheeden der zaaken hier namaals vaster mogen sluijten, de zaak van Natalen Iappanoeliezo wel als eenige andere zaaken die reeden van ongenoe„ gen geweest zijn staan vermeld in een brief die den president en raad van fort S:t George uw Excellentie &=a g'addresseerd, en gesteld hebben, in handen van de heere Randolff Mariatte dewelke wanneer occa„ gie zig op doed naar Batavia steevenen zal, alzo het Transport heen alhier geweijgert is/ ik hoop dat het zodanig eene schikking zal uijt werken als ik als Lid van de presidentie en tegenswoordige prinsipaal van de bezetting wensch dat scheijd paalen moogen stellen om een eijnde te maaken aan de meenigvul dige klagten van dese Cust die onbetoogene vrijheeden hebben veroorsaakt, ten nadeele niet alleen van de verstandhouding die onse twee natien begeerig zijn te te onderhouden maar ook van mindere ende het gevaar„ van eene Rupture. Jn gevolgen mijne Laatst gemelde diclaratie en opgave van de benodigde quantiteijt voor raad waar mede ik versogt ge„ riefd te mogen werden, om de weder opregting van marlbro tedoen, hebben den gouverneur en raad te Padang mij geschreven dat zij onvermogend waaren iets meerder te doen als mijne scheepen te verversen met provisien, houden water maar wat aanbelangde den voorraad die ik voor den dienst der bezetting gevraagd had zij tegenswoordig mij daar mede niet konden gerieven, dog dat ingevalle ik iemand agter wilde laaten om bij een te zamelen wat men al„ hier magtig zoude kunnen worden, zij hem niet alhier vermogen bijspringen zullen, deese verijdeling mijner verwagting kan ik niet wel op maken, de persooneele be„ leefdheeden die ik in mijn gezelschap genooten hebben geduurend ons verblijft alhier beletten mij de menschen door wien ik zoo wel onthaald geworden ben, van on op rechtheijd t'argwaan en, en in dezelfde tijd beletden over„ vroet van 't land en eenige omstandigheeden daar meede over een komende mijne gedagten, en te begrijpen dat de difficulteijten zoo groot kunnen zijn als voorgegeven werden, en in staat zijn van haar tebeletten van ons dienst te doen indien het aan de geneegentheijd niet ontbrak egter laat de policie waar uijt dit gedrag spruijt zijn wat het wel zal ik straken een nadelige Conquentie daar uijt te trecken Wanneer D heer Marriest zijn opwagting bij uw Excellentie U: komt dan zal ik d' eer hebben om uw wederom van mijne respecten te versekeren en misschien versoeken voor een weijnig der benodigtheeden die Batavia leevert waar mede ik mij versekerd houde dat 21 dat uw Excellentie 's goedheijd ons zal gereeven. Jntusschen sta mij toe dat ik mij zelve met hoog agting onderschryve /onderstond/ welEdele heer en Edele Heeren /lager/ uw zeer gehoorsame en nedrige dienaar /was„ getekend/ Sam: Ardleij /terzijde stond/ Padang Janu: 19. o 1762 getranslateerd door S: L: Garrison, noots — Aan als vooren. Wij hebben d' eer gehad uw missive van den 24. april t ont„ fangen t zederd den datum van dien Brief zijn g'in„ formeerd van de dood van den WelEdelen Jacob Mossel den geweesene generaal waar over wij uw zeer op regt Condoleeren en ter zelver tijd neemen wij de vrijheijd uw te Congratuleeren over d'accessie van den wel Edelen Petrus Albertus van der Parra tot het bestier en hopen dat de harmonie onder de representan„ ten der twee natien in Jndien even „ geduurende d'administratie van D' heer Mossel, zal onder„ houden werden. Alzoo de Laaste leijdingen die wij van de West Cust hebben ontfangen ons bewegen hebben, om de weder opregting te doen van onse Edele meesters be zittingen aldaar op zodanig eene wijde uijt gebreijde wijse als bevorens d'ongeluckige verevering derzelve door de franschen onder het gezag van de Grave d' Estaing hebben wij noodsaakelijk g'agt uw mijne heeren onse intentien bekend te maken om uw t'onderrigten dat wij thans Sam: Ardleij schildknaap eene der leeden van onsen raad voorzien hebben met onse Commissie als Gouverneur voor het beheer ende directie van en voor alle zaaken van wegen D'Edele Engelsche oost Jndische Comp: op de vaar aar ha
English
the West Coast of Sumatra, and we are well convinced that he will easily obtain at all times from your Excellency etc. the help and assistance which he shall request and which can be expected from your friendship and alliance. The experience of Mr. Herbert has moved us to order him to depart from Batavia for Marlbro to assist Mr. Ardley, and we have appointed Mr. Randolph Marriot, who will have the honor of delivering this our letter, to fill his place; and we request for him the same respect and assistance, as also that you will please pay proper attention to all the representations which he is charged to make on behalf of the English East India Company or those who are under its protection. It is with regret that we inform you of some extraordinary proceedings of your agents on the west coast of Sumatra in putting themselves into possession of the garrison of Natal and Tappanoeli; we are, it is true, not yet provided with all the circumstances of that undertaking, and as such a condition would be a direct violation of the peace existing between the two nations, we cannot believe that these rumors have any foundation. Mr. Marriot has orders to ask for satisfaction concerning the acts of violence committed in detaining our vessels with their cargoes and people under frivolous pretexts, and we are assured that you will please give proper attention to what he shall propose in that regard, so that fatal consequences may thereby be prevented, which will inevitably result if the matter is, according to duty, brought before the Commander-in-Chief and officers of His Majesty's sea and land forces in India. We have the honor to be, underneath was written, may it please your Excellency and gentlemen, lower, your very obedient and humble servants, signed George Pigot, Stringer Lawrence, Robert Palk, Dawsonne Drake, John Pybus, Sam: Ardley, Charles Turner, in the margin was written Fort St. George, November 16, 1761, translated by Steven Lieven Garrisson, notary. Gentlemen, We have duly received the letter which you did us the honor to write dated December 30, 1761, by the Knight de Joannes, whose accounts have added much good to the acknowledgments which we already owe you, on account of the good assistance and treatment he met with upon his arrival at Batavia. And they confirm us more and more in the opinion which we gladly form of the generosity of your sentiments regarding the nations that live in friendship and alliance with their High Mightinesses the States General. We think we can give you no clearer proof of our confidence than by ordering him henceforth to choose the port of Batavia above all others, being assured that the good harmony and understanding that constantly continues between the Dutch and French nations, leaving your goodwill full freedom, you will, on this as well as on the preceding occasion, be pleased to show him your favors and assist him with your credit in procuring the victuals and provisions he may need; to which end we have given him, together with Mr. de Cossigny, First Supercargo, the necessary power of attorney. The King and the Company authorizing us more than ever to assure you, gentlemen, that the engagements they shall enter into will be observed with the utmost exactness, nothing remains for us, gentlemen, but to assure you that we shall embrace all the more eagerly the occasion to make ourselves serviceable to the Dutch nation; so that, besides the own satisfaction we find in it, we are strongly encouraged thereto in order to answer the desires of the King our master and of our Company. We have the honor to be with high esteem, underneath was written, gentlemen, lower, your very humble and obedient servants, the Governor on behalf of the King and the Councillors of the Superior Council of Isle de France, was signed Desforges-Boucher, Le Juge, Mabille, Bouvier, Clouet, Estoupan de St. Jean, in the margin was written Port Louis, Isle de France, June 25, 1762, translated by S: L: Garrisson, notary. To the Same as Above I have already, on March 25, 1762, had the honor to deliver to your High Honors my dispatch from the President and Council of Madras, dated November 16, 1761, as well as another from the Deputy Governor of Fort Marlbro. Now, pursuant to your High Honors' desire, I shall
Dutch transcription
de West Cust van Sumatra en wij zijn wel overtuijgd dat hij ligtelijk van uw Excellentie &„a ten allen tijding verkrijgen zal de hulp, en d'assistentie die hij versoeken zal en die van uw vriendschap en alliantie verwagt kan werden. D' Experientie van de heer Herbert heeft ons bewoogen hem t'ordonneeren om van Batavia naar Marlbro te vertrec„ ken om de heer Ardleijt adsisteeren, en wij hebben de heer Randolph Marriot, die de Eer zal hebben brengen deser onser brief te zijn, benoemt om zijn plaats te vervullen en wij versoeken voor hem de zelve agtingen assistentie als ook dat uEd:e behoorlijk agt willen geeven op alle de vertoogen die hij gelast is te doen van weegen d'Engelsche Oost Jndische Comp: of de geene die onder haar protectie Het is met Leed weesen dat wij uw bekend maken eenige ongemeene behandelingen van uw agenten op de west Cust van Sumatra niet haar zelven in't bezit te stellen van de besetting van Natalen Iappanoelie, wij zijn t' is waer nog niet voorsien met alle d' omstandig„ heeden dier onderneeming en also zulk een Conditite een directe violatie der vreede tussen de twee natien bestaan de zouden zijn kunnen wij niet gelooven dat die gerug ten eenige grond hebben. M„r marriot heeft ordre om satisfactie te vragen over de violentien die gedaan zijn in het vasthouden van onse vaartuijgen met haere Cargasoenen en volk onder frivoole pretexten en wij zijn verseekert dat uEd:e behoor„ lijke attentie zullen gelieven te geven op het geene hij dien aangaande zal voordraagen op dat de fataale Consequentie daar door moogen voorgekoomen wor„ den dewelke onvermeijdelijk zullen resulteeren als de zaake volgens pligt voor de Commandeerende staan. Cheff # 23. Cheff en officieren van zijn majesteijds zee en land magt in Jndien gebragt word. Wij hebben d' eerste zijn /onderstond/ bezage het u Excel lentie en heeren /Lager/ uw zeer gehoorsame en ne„ drige dienaeren /getekenden/ George Pigot stringer Laurence, Robert Palk Dansone Drake, John Pijbus Sam: Ardleij Charles Turner /ter zijde stond/ fort S:t George November 16. 1761. , getranslateerd door Steven Lieven Garrisson not. s mijn heeren Wij hebben wel ontfangen de Brief die UEd: ons D'heer aangedaan hebben in dato 30. ' dec 1761. te schrijven p„r den heer Ridder de Joannes, wiens berigten veel goed gevoegd hebben, tot de hokentenissen die wij w reeds verschuldigt zijn, door de goede hulpe en behandelingen die hij bij zijne binne loopinge te Batavia ontmoet heeft. En ons meer en meer bevestigen inde gedagten die wij gaarne maaken, van de Edelewoedigheijd uwer Gevoelens omtrent de natien die in vriend en bond genootschap met haar hoog moogende de staaten Generaal Leeven. Wy denken uE geen klaerder blijken van ons ver„ trouwen te kunnen geeven, als hem te gelasten om voortaan de binnelooping van Batavia, boo„ ven alle anderen te verkiesen verseekert zijnde dat de goede harmonie en verstaand houding die steeds aan houd tussen de Hollandse en franse Natien u geneegentheijd de volle vrijheijd laetende UEd=ns in deese zoo wel als inde voorgaande Occasie hem uwEd:e gunsten zullen willen betoonen En hem met uwEd:e Credit behulpsaam willen zijn zijn in't besorgen der vielnalie en provisien die hij be„ noodigt mogt hebben tendien Eijnde hebben wij hem be„ neevens de heer de Cossignij Eerste super Carga de nodige. volmagt gegeven. Den koning en de Comp: ons meer als ooijt authorisee„ rende uEd:e mijn heeren te verseekeren, dat de verban„ den die zij zullen aangaan, met de uijterste naauwkeurig„ heijd nagekomen zullen werden blijft ons niets overig mijn heeren, als uwd:e te verseekeren, dat wij deste gre„ tiger aanvaarden zullen de occasie van ons aan de hollandse natien dienstig te maken dat buijten de Eijgen vergenoegen die wij er insien wij daar toe heevig aan gespoort werden om te beantwoorden aan den begeertens van den koning onse meester en van onse Comp: Wij hebben d' Eer van met hoog agting verad zijn /onderstond/ mijn heeren / Lager/ UEd:e zeer nedrige en gehoorsame dienaren den Gouverneur van weegen den koning en de Raadsheeren, van den hoogen raad van Lusle de franse /was getekend/ Des forges Boucher. be Juge. Mabille Bouvieret Clouet, Estoupan de S:t Jean /ter zijde stond/ Port Louis. Ile de france den 25. Junij 1762. Getranslateerd door S: E: Garrisson nots. Aan Als Vooren Jk hebbe bereeds op den 25: maert 1762 d' Eere Gehad aan uE hoog agtbaar: overtegeeven mijne de peche van den Presidenten raad van Madras, gedateert den 16. ' november 1761. als mede een andere van den gedeputeerden gouverneur van tfort Marebro Tans zal ik ingevolg van uw hoog agtbaar heeden begeerte
English
desire to explain myself regarding the orders with which I am charged by my commission from that place. The first properly regards the restitution to the Honorable English Company of Natal and Tapanuli. But concerning this, I think I have great reason to rejoice, since I have understood from the gentleman Commodore Tinker that his Honor has already forestalled me in proposing this to Your High Mightinesses, and had settled the matter amicably with the same in such a manner that they should be restituted immediately. The second article contains a private request from my masters and rulers, that it might please Your High Mightinesses to take into consideration the damages and injuries which the English Company's servants have suffered on the West Coast and Sumatra through the seizing and confiscating of diverse vessels with their cargoes, and the sending into exile to Poulo Dammar of one of the masters named Nakhoda Intje Ambon, alias Zeemookine. In this regard, the gentleman Commodore Tinker has also assured me that Your High Mightinesses had promised him to make careful inquiries into this; and as the gentleman Commodore Tinker in my presence gave instructions to Mr. Hunter to remind Your High Mightinesses of this, I have nothing further to add concerning this, other than this alone: that I do not doubt that this matter will be properly redressed, since I have the greatest expectation of Your High Mightinesses' fairness and justice. The last article of my commission entails E to be in providing the victuals and provisions which he might require; to that end we have given him, alongside Mr. de Cossigny, First Supercargo, the necessary power of attorney. The King and the Company authorizing us more than ever to assure you, gentlemen, that the engagements which they shall enter into will be observed with the utmost precision, nothing remains for us, gentlemen, but to assure you that we shall all the more eagerly embrace the occasion to be of service to the Dutch nation, as besides the personal satisfaction which we see therein, we are strongly spurred on to correspond to the desires of the King our master and of our Company. We have the honor to remain with high esteem, was written below, gentlemen, lower, your very humble and obedient servants, the Governor on behalf of the King and the Councilors of the High Council of Isle de France, was signed, Desforges Boucher, De Inge, Mabille, Bouvieret, Clouet, Estoupan de St. Jean, in the margin stood, Port Louis, Isle de France, the 25th of June 1762. Translated by S. E. Garrisson, notary. To the Same as Above. I have already had the honor on the 25th of March 1762 to deliver to Your High Mightinesses my dispatch from the President and Council of Madras, dated the 16th of November 1761, as well as another from the Deputy Governor of Fort Marlbro. Now, pursuant to Your High Mightinesses' desire, 25 desire to explain myself regarding the orders with which I am charged by my commission from that place. The first properly regards the restitution to the Honorable English Company of Natal and Tapanuli. But concerning this, I think I have great reason to rejoice, since I have understood from the gentleman Commodore Tinker that his Honor has already forestalled me in proposing this to Your High Mightinesses, and had settled the matter amicably with the same in such a manner that they should be restituted immediately. The second article contains a private request from my masters and rulers, that it might please Your High Mightinesses to take into consideration the damages and injuries which the English Company's servants have suffered on the West Coast and Sumatra through the seizing and confiscating of diverse vessels with their cargoes, and the sending into exile to Poulo Dammar of one of the masters named Nakhoda Intje Ambon, alias Zeemookine. In this regard, the gentleman Commodore Tinker has also assured me that Your High Mightinesses had promised him to make careful inquiries into this; and as the gentleman Commodore Tinker in my presence gave instructions to Mr. Hunter to remind Your High Mightinesses of this, I have nothing further to add concerning this, other than this alone: that I do not doubt that this matter will be properly redressed, since I have the greatest expectation of Your High Mightinesses' fairness and justice. The last article of my commission entails entails to remain residing here at Batavia in order to attend to all the matters that relate to the preservation and prosperity of the English Company, and to assist His Majesty's and other ships arriving here, and finally to watch the movements of our enemies, the French. And in this I flatter myself that I shall enjoy the same protection and assistance from Your High Mightinesses which those who resided here before me have enjoyed. For the rest, may it please Your High Mightinesses to permit me to take the liberty to assure you that I shall endeavor to merit your favors by conforming myself to the orders and customs of this place, while with the greatest respect I have the honor to be, was written below, Highly Respected Lord and Respected Lords, lower, Your High Mightinesses' obedient and humble servant, was signed, Randolph Marriott, in the margin, Batavia the 19th of April Anno 1762. Thus translated in substance from the English into the Dutch language by me, P. Robertson. Letter from the Governor and Council of Mauritius of the 25th of June Anno 1762. Since the excellent tokens of goodwill with which you have received the subjects of His Most Christian Majesty, and in particular the Chevalier de
Dutch transcription
25 begeerte mij expliceeren, omtrent de ordres waermede ik bij mijne Commissie van die plaats en gechargeert ben: de Eerste regardeert eijgentlijk De restitutie aan de Hono„ rable Engelsche Comp: van de Nattal en Jappanoolen dog hier omtrent denke ik groote steeden te hebben van mij te verblijden dewijl ik van D' heer Comman„ deur Sinker verstaan hebbe dat zijn E: mij bereeds voorgekoomen is in zulx uw hoog agtbaarheedens voor te dragen, en de zaeke met dezelve in't min„ nelijk zodanig gereguleert hadde dat se immediat gerestitueert zonder werden. 'T tweede articul behelst een particulier versoek van mijne Meesters of gebieders, dat het uw hoog agtb: behaagen moogte in Consideratie teneemen de lerde, en injurien die de Engelse Comp:s Dienaren de Westcust en sumatra gelegen hebben, door aanhaalen en confisqueeren van Diverse vaar„ tuijgen met haere Cargasoenen, en het in ballingschap senden na Poulo Dammar van een van de meesters in naame Noquedak Jntje Ambon, alias Zee„ mookine Dien aangaande heeft D heer Comman„ deur Sinker mij ook verseekert dat uw hoog agtb: hem belooft hadden, zig hierna nauwkeering te informeeren; en also d' heer Commandeur Sinker in mijn bijweesen aan d' heer Hunter last gegeven heeft, om uw hoog agtbaarh:s dit te herineren, zoo hebbe ik dien aangaande niets meer hier bij te voegen: dan alleen dit, dat ik niet twijffele of deese zaake zal behoorlijk geredresseert werden dewijl ik de grooste verwagting van uw hoog agtbaarheedens billijkheijd en Justitie hebben. T Laaste articul van mijne Commissie be„ heeft E zijn in't besorgen der vielnalie en provisien die hij be„ noodigt mogt hebben tendien Eijnde hebben wij hem be„ neevens de heer de Cossignij Eerste super Carga de nodige volmagt gegeven. Den koning en de Comp: ons meer als ooijt authorisee„ rende uEd:e mijn heeren te verseekeren, dat de verban„ den die zij zullen aangaan, met de uijterste naauwkeurig„ heijd nagekomen zullen werden blijft ons niets overig mijn heeren, als uwd:e te verseekeren, dat wij deste gre„ tiger aanvaarden zullen de occasie van ons aan de hollandse natien dienstig te maken dat buijten de Eijgen vergenoegen die wij er insien wij daar toe heevig aan gespoort werden om te beantwoorden aan den begeertens van den koning onse meester en van onse Comp: Wij hebben d' Eer van met hoog agting veradzi„ /onderstond/ mijn heeren / Lager/ uEd:e zeer en gehoorsame dienaren den Gouverneur van weegen den koning en de Raadsheeren van den hoogen raad van Lusle de franse /was getekend/ Des forges Boucher. be Jnge. Mabille Bouvieret Clouet, Estoupan de S:t Jean /ter zijde stond/ Port Louis. Ile de france den 25. Junij 1762. Getranslateerd door S: E: Garrisson nots. Aan Als Vooren Jk hebbe bereeds op den 25: maert 1762 d'Eere Gehad aan uE hoog agtbaar: overtegeeven mijne de peche van den Presidenten raad van Madras, gedateert den 16. november 1761. als mede een andere van den gedeputeerden gouverneur van Afort Marlbro Tans zal ik ingevolg van uw hoog agtbaar heeden begeerte 25 begeerte mij expliceeren, omtrent de ordres waermede ik bij mijne Commissie van die plaats en gechargeert ben: De Eerste regardeert eijgentlijk de restitutie aan de Hono„ rable Engelsche Comp: van de Nattal en Jappanoolen Dog hier omtrent denke ik groote steeden te hebben van mij te verblijden dewijl ik van D heer Comman„ deur Sinker verstaan hebbe dat zijn E: mij bereeds voorgekoomen is in zulx uw hoog agtbaarheedens voor te dragen, en de zaeke met dezelve in't min„ nelijk zodanig gereguleert hadde dat se immediat gerestitueert zonder werden. 'T tweede articul behelst een particulier versoek van mijne Meesters of gebieders, dat het uw hoog agtb: behaagen moogte in Consideratie teneemen de schade, en injurien die de Engelse Comp:s Dienaren op de Westcust en Sumatra geleden hebben, door het aanhaalen en Confisqueeren van diverse vaar„ tuijgen met haere Cargasoenen, en het in ballingschap senden na Poulo Dammar van een van de meesters in naame Noquedak Jntje Ambon, alias Zee„ mookine Dien aangaande heeft D heer Comman„ deur Sinker mij ook verseekert dat uw hoog agtb:s hem belooft hadden, zig hierna nauwkeering te informeeren; en also d' heer Commandeur Sinker in mijn bijweesen aan d'heer Hunder last gegeven heeft, om uw hoog agtbaarh:s dit te herineren, zoo hebbe ik dien aangaande niets meer hier bij te voegen dan alleen dit, dat ik niet twijffele of deese zaake zal behoorlijk geredresseert werden dewijl ik de grooste verwagting van uw hoog agtbaarheedens billijkheijd en Justitie hebben. 'T Laaste articul van mijne Commissie be„ heeft helft, om hier op Batavia te blijven resideeren ten Eynde alle de saeken dewelke relatie hebben met het behoud en welvaart van de Engelse Comp: waarte nemen en de alhier aankomende konings en andere scheepen t'adfiesteeren en eijndelijk om te letten op de beweegingen van onse rijanden de franschen: En hierinne flatteere ik mij desselfde Protectie en adsistentie van uw hoog agtb:s te zullen genieten, die de geene die voor mij als hier geresideert hebben genooten hebben. uw hoog agtbaarheedens gelieven mij voor 't overige te per„ mitteeren, dat ik de vrijheijd neeme deselve te verseekeren dat ik zal tragten derselver gunsten temeriteeren door mij te Conformeeren, met de ordresen gewoonte van deese plaatse, terwijl ik met grooste Respect Ebere hebbe te zijn /onderstond/ Hoog agtbaare Heer en Agtbaare Heeren /ager/ uw hoog agt baarheedens gehoorsamen en nedrigen Dienaar /was getekent/ Randolph Marriott /in margine/ Batavia den 19. ' april A:o 1762 Aldus in substantie uijt 't Engelse in't nederduijtsche overgeset door mij P: Robertson. — Brief van den Gouverneur en Raad van Mauritius van 25. Junij Ao. 1762 Nadien de uijtmuntende blijken van goedwil„ ligheijd waarmede UE de onderdanen zijner Allerch Maj. en in 't bij zonder den Heer Ridder de
English
the Iohannes was pleased to honor us with in the past year, remove all reasons for us to doubt that the conduct of that King's naval officer was well pleasing to you; so the High Council of Mauricius, more and more struck by the gratitude which we owe to the uprightness of your actions, and full of a confidence which the generosity of your sentiments imparts; the High Council, we say, has judged that it could give no truer proof thereof than by sending him (the Ioannis) anew to Your Honour, with the squadron of ships which he has under his command; begging you, Sir, to proceed with your good offices toward him in the transactions which the necessity of providing himself with victuals might give him occasion to undertake. We have all the more reason to believe that Your Honour will be willing to oblige us in this, because, besides the tokens of benevolence which you have already shown toward the King's subjects, all the reports which we receive daily concerning the reciprocal disposition of both nations concur in making us hope for new effects thereof. We have the honor to be with the highest esteem, Your Honour's most humble and obedient servants. Lower stood: The Governor on behalf of the King, and Members of the High Council of Manricius, signed Desforges Boucher, with five other illegible names. Bancahoeloe To the Noble Lord Samuel Ardleij, Governor on behalf of the Honorable English East India Company in Fort Marlborough. Noble Lord, At various times Your Honour's letters of the 19th of January, 13th of March, and 22nd of April have been duly delivered to us, serving in friendly reply whereto, we first thank Your Honour for the communicated arrival in your Noble government, wishing that Your Honour's administration may be happy and prosperous, and that under the same the duties of good neighborliness between the English and Dutch possessions may be more and more cultivated and observed. To this the commendable orders which Your Honour testifies to have brought along from Madras give us flattering hope, and we on our part shall neglect no opportunity to show the garrison of Fort Marlborough as much accommodation as the circumstance of the times will permit. That this has always been done heretofore is a known fact, and Mr. Herbert can bear witness thereto if necessary. How we have now again given Mr. Marriott every possible freedom and assistance in the execution of his commission will appear from his own report; but to let him reside here as Resident is not feasible for us, as we also communicated to the gentlemen of Fort St. George; nevertheless, we always remain ready to assist the English nation in case of need as much as can ever be done without our own prejudice, as we now show again with regard to the ship the Fox, to which we have granted permission to provide itself with all kinds of necessities for the service of the fleet of Admiral Cornisz, notwithstanding that the exportation by others of your nation has already caused a scarcity in certain products. Our ministers on the West Coast and everywhere else having orders to assist the English ships as befits friends, we can seek the reason that Your Honour during his presence at Padang was not provided to the desired extent nowhere else than in the impossibility of collecting so large a quantity of provisions in so small a place so quickly. We have the honor to be, underneath stood, Noble Lord, lower, your very humble servants, was signed P. A. van der Parra, E. Hooreman, J. van der Spar, Schreuder, Hl. J. van Riemsdijk, - ½. van Bassel, N. Harthing, R. De Klerck, W. A. Alting, secretary, M. Romp, M. I. Hilgers. In the margin: Batavia in the Castle, the 26th of May 1762. To Admiral Cornish Right Honorable Lord, Upon the arrival of the ship the Fox, seeing myself honored with Your Right Honorable's esteemed letter of the 5th of March, I have, in satisfaction of Your Right Honorable's desire, immediately given orders to supply Captain Hieme from the Company's store with as many provisions and other necessities as could ever be spared without our own hindrance, and in the execution of his further commission he has been given as much freedom and assistance as the circumstance of the times and the condition of this colony permitted. Herewith I have wished to give anew a public proof not only of how highly I value Your Right Honorable's recommendation, but also how much my inclination tends to cultivate more and more the good friendship that exists between our two nations; for I can assure Your Right Honorable, and Mr. Hieme could bear witness hereof if necessary, that the considerable quantities of arrack and sugar which have been exported both by the ships of Commodore Tinker and to Bankoeloe have caused the scarcity in those products to increase to such an extent that we have been obliged to forbid the export thereof to our own inhabitants in order to be able to provide for the necessities of our Company. I flatter myself with the expectation that Your Right Honorable from this my further treatment regarding the English nation will remain firmly convinced that our aim tends to nothing else than to provide for each other's necessities and thus to observe the duties of true allies. Yet justly I must on this occasion complain about the unfriendly conduct of Mr. Tinker, who, far from reciprocating the courtesies enjoyed here, forced one of our Company's ships, Schoonzigt, commanded by the Sub-Captain at Sea Boudewijn Molan, which met him off Bantam, by several live shots to strike its pennant; an act indeed which
Dutch transcription
27 de Iohannes in t voorleeden Jaar heeft ge„ lieven te vereeren, ons alle redenen van twijfbelen beneemen, dat het gedrag van : dien Konings zee - officier u wel behooglijk is geweest; zoo heeft de hooge raad van Mauricius, meer en meer„ getroffen door de erkentinis, welke wij aan de braafheijt uw handelingen verschuldigd zijn, en vol van een vertrouwen 't welk de Edelmoedigheijd uw gevoelens geeft; de hooge Raad, zeggen wij, heeft geoordeelt daar van geen egter be„ wijs te kunnen geven dan door hem de Ioannis) op nieuw aan U: E: te zen„ den, met het smaldeel scheepen twelk hij onder zijn gezag heeft; uw Mijn Heer, biddende van met uwe goede diensten omtrend hem voor te vaaren in de handelingen welke de noodzakelijkheijd om zig met leeftogt te versorgen hem gelegenheijd geven konden. aan te vangen. Wij hebben des te meer reden om te geloven dat V: E: ons hier in ten wille zijn zal, om dat, buijten de blijkens van weldadigheijd welke gij Iegens 's ko„ nings onderdanen reeds gegeven hebt alle de berigten welke mij dage„ lijks wegens de wederzydsche gesteldheijd der beide natien verneemen t' zamen stemmen om ons nieuwe uijtwerksels hier van te doen verhoopen Wij Wij hebben de Eere met de hoogste agtring te zijn uwE onderdanigste en gehoorsamste dienaren /lager de Gouverneur van wegens den koning, en Leden van den Hooge raad van Manricius getekend Desforges Boucher, met vijfde andere onlees„ bare naamen. Bancahoel 29 Bancahoeloe Aan Den Edelen Heer Samuel Ardleij Gouverneur van wegens de Hono„ rable Engelsche Oost Indische Comp: in 't fort Marlborough Edele Heer Op verscheijde tijden zijn ons wel besteld uw welEd:e letteren van den 19:' Januarij 13. maarten 22. ' april, in welker vriendelijk antwoord dezen dienende, bedanken hij uw welEd: voor af voor de gecommuniceerde aan„ landing in uw Edele gouvernement, wenschende dat uwEd:e regering gelukkig en voorspoedig zij, en dat on„ der dezelve de pligten eener goede na buurschap tusschen de Engelsche en Nederlandsche bezittingen meer en meer mogen aangequeekt en betracht worden hier toe geven de prijsselijke ordres die uw welEd:e Getuijgd van madras medegebragt te hebben, ons vleiende hope, en wij zullen van onse zijde geen gelegentheijd ver„ zuijmen om aan de bezetting van 'tfort Marlborough zo veel geryffelikheijd te bewijsen, als de tijds gelegentheijd zal toelaten. Dat dit bevorens altijd gelschied zij, is een bekende zaak, en de heer Herbert kan er des noods Getuijgens van dragen. Hoe wij nu weder den Heer Marriott in de uijtvoering ziner Commissie alle mogelijke vrijheijd en adsistentie gegeven hebben zal uijt zijn eijgen rapport blijken: dog om hem hier als Resident te laten verblijf houden is ons niet doenlijk gelijk wij ook aan de steeren van 't fort S:t Gearge bedelen; niet te min blijven wij altoos gereeds om de Engelsche natie bij benodigtheijd, zo veel te assisteeren, als immer zonder eijgen nadeel geschieden kan, gelijk wij thans weder tesien aan 't schip de Fox tgeene wij vrijheijd verleend hebben om zig met allerleije noodwendigheden ten dienste van de vloot van den heer admiraal Cornisz te voorsien, niet tegenstaande de in't voer door anderen uwer natie reeds een schaarfheijd omtrent sommige Producten veroorsaakt Heeft Onse ministers op de westkust en elders alomme, ordres hebbende om de Engelsche scheepen gelijk het vrienden betaamt, te adsisteren, kunnen wij de reeden, dat uw welEd: bij desselfs aanwesen te Padang niet in de bageerde ruijmte voorsien is, nergens anders zoeken dan in de binnogelijk, heijd om zoo groote quantitheijd provisien op zo een kleene plaats zo schielijk bij een te krijgen Wij hebben d' Eere te zijn /onderstond/ Edele heer /lager uwe zeer nedrige dienaren /was getekend/ p:r A: van der parra, E: Hooreman J: van der spar Schreuder, Hl: J: van Biemsdijk, - ½. van Bassel, N: Harthing, R: De Klerck W: A Alting sv:s M: Romp M: I: Hilgers, / in magine Batavia in 't Casteel den 26: maij 1762. Aan Den Heer Admiraal Cornish Hoog Wel Gebooren Heer Bij de komst van tschip De for mij vereerd ziende met uw wel geb: g'eerde Letteren van den 5. maart, hebbe ik, ter vervoldoening aan uw wel Geb: begeerte, da delijk ordre gesteld om den Capitain Htieme uijt sComp: voorraad met zo veel provisien en andere benodigdheeden, als immer zonder Eijgen verlet gemist konden worden te voorzien, en in 31 in de uijtvoering van zijnen verderen last is hem zo veel vrijheijd en bijstaend gegeven, als de omstandigheijd van thijden en de gesteldheijd deser Colonie toeliet. Hier mede hebbe ik op nieuw een openbaar bewijs willen geven, niet alleen hoe hoog ik uuwel geb: voorschrijving waardere, maar ook hoe zeer mijne geneeydheijd strekt om de goede vriendschap, die tusschen onse beijde natien plaats heeft, meer en meer aan te queken; want ik kan uw wel geb: versekeren en de heer Hieme zoude hier van, des noods, getuijgenis kunnen geven dat de aanmerkelijke quartiteijten van arak en suij„ ker, die zo wel door de schepen van den Comman deur Finken, als naar Bankoeloe uijtgevoerd zijn, de schaarsheijd in die producten dermate heeft doen toenemen dat wij genoodzaakt zijn geweest derselver uijtvoer aan onse Eijgen ingezetenen te verbieden om voor de benodigdheijd onser Comp: te kunnen voorzien raken: Jk Vleie mij met de verwagthing dat uw welgeb: uijt deese mijne verdere behandeling omtrent de Engelsche natie zecr overtuijgd zal houden dat ons oogmerk nergens anders toe strekt, dan om aan elkanders benodigtheeden te voorsien en dus de pligten van regt ge„ aarde bondgenoten op te volgen Dog billijk moet ik mij bij dese gelegentheijd beklagen over het onvrien„ delijk gedrag van den heer Sinker, die wel verre van aan de hier genoten beleeft heeden te beantwoor„ den een onser Comp:s scheepen schoonzigt per 't en gecommandeert de onder Capitain ter zee Boude„ wijn Molan dat hem af„ aan Bantam ontmoet te door verscheiden schoten met scherp genoodzaakt heeft tot het strijken van zijn Wimpel; eene daad immers die l
English
which runs directly counter to the 4th article of the treaty which our High Principals entered into in the year 1674 at Westminster: and yet Mr. Tinker has seen fit, in a letter addressed to me, to appeal to a constant custom according to which the warships of our Republic should show this honor to the ships of His Britannic Majesty in the narrow seas, and merchant vessels everywhere, whereas the above-mentioned article defines the location for warships as well as others most clearly between the northern corner of Norway and Cape Finisterre. The English admirals have also been so precise in that matter that our Captain Kiken, when he met your Honor in December 1759 with the ship 't Slot van Kapelle, was not required to strike his pennant, and the former Malabar Commander De Jong, when he passed the fleet under the orders of your Honor and Admiral Stevens over a year ago on his return from Cochin, received not the slightest demand to take in the flag that he was flying from his main top. Convinced therefore of your Honor's sound way of thinking, I remain assured that your Honor will entirely disapprove of this step by Mr. Tinker, as well as his further conduct in the Sunda Strait, where he forced another of our ships named De Cornelia Ellegonda against its will to surrender two barrels of meat, four barrels of pork, and four barrels of barley, notwithstanding that Commissary Hunter could have had his full request for forty barrels of meat and pork fulfilled from the Company's stores, and of his own accord took no more than twenty. Not yet satisfied with this, Mr. Tinker removed two soldiers from a third ship under the futile and groundless pretext that they were Englishmen, while the officer who had come aboard our vessel attempted by all kinds of persuasions, followed by threats, to induce the skipper to surrender meat and pork, and even to sell gunpowder, although both the one and the other were rightly refused by the said skipper. Captain Newson, whose ship the Panther—not to speak of other civilities enjoyed by him—was repaired of capital defects at the Company's shipyard, in order not to yield to his Commander, caused our ship De Standvastigheid, virtually in sight of these roads, to heave to by firing live shot in order to inspect whether there were also Englishmen aboard. On which occasion eleven men, not one of whom to our knowledge was born in England, were removed from it; and proceeding somewhat further, he subjected three more ships that he encountered to the same search, without any of his nation being found on them, however. Nothing of the kind has ever been practiced by any of His Britannic Majesty's naval officers in the East Indian seas, much less in those washing our own territory; and it is also directly contrary to the 5th article of the Marine Treaty concluded between the two powers in the year 1674, according to which the ships of both sides, upon merely showing their sea letters, have free passage without being detained from their intended course, much less to be searched in such an uncivil manner as has recently occurred contrary to all law and reason. Resting assured that these and similar proceedings will be highly disapproved of by your Honor, I nevertheless find myself obliged to insist most emphatically with your Honor upon proper satisfaction, and that the captains who might touch at our ports in the future be admonished to refrain from such treatment, which serves no other purpose than to alienate from the English the hearts of some of our people, who measure the nature of an entire nation by the excesses of a few of its members. I am however well convinced that the better part of your nation, and your Honor in particular, harbor entirely different sentiments, and I accordingly endeavor on all occasions to give convincing proof of my inclination to maintain a close friendship, as was done recently by the return of eight Moorish sailors who, belonging to the crew of the ship the Revenge, had run away from Bencoolen and were apprehended in the kingdom of Bantam. I have the honor to be with all high esteem, /below was written/ Right Honorable Sir, /lower/ Your Right Honorable's humble and obedient servant, /was signed/ P. A. van der Parra. /in the margin/ Batavia, in the Castle, the 8th of June 1762. Madras Madras To the Honorable George Pigot, President and Governor on behalf of the Honorable English Company on the Coast of Coromandel, and the Gentlemen of the Council at Fort St. George Honorable Sir and Gentlemen, Through the delivery of Mr. Randolph Marriott and of Captain Hume, we have seen ourselves honored with your Honor's letters of November 16th of last year and March 7th last; in answer to which this being addressed, we express first of all our particular obligation for the compliment of condolence on the demise of his late Excellency Governor-General Mossel, and for the accompanying congratulations on the election of the first-signed, who, after the example of his predecessors, will neglect no opportunity to further more and more the good friendship that exists between such close allies as the Crown of England and our Commonwealth, and to treat the English nation in such manner as befits sincere friends and allies. In like manner, we thank your Honor for the friendly notification concerning the appointment of Mr. Ardley as Governor of Fort Marlborough, and it will always give us pleasure to show his Honor as much help and assistance in attending to the interests of his nation as can indeed be done without our own
Dutch transcription
die rechtdraads aanloopt tegen het 4. art: van 't tractaat 't geene onse hoge Principalen in't Jaar 1674. te weest munster aangingen: en echter heeft het den heer Tinker gelust zich, bij eenen aan mij gezigt en brief, te beroepen op eene volstandige gewoonte, volgens welke de oorlogschepen en onser republiek dit honneur aan de scheepen zijner Groot Brittannische majesteijt zouden bewijsen in de kleine zeen, en de koopvaarders. overal daar het bovengemelde articul de plaats zo wel voor oor logschepen, als andere aller duijdelijkst bepaalt tusschen den noordelyken Hoek van Noorwegen en Caapfi„ misterre de heren Engelsche admiraliteij admiraals zijn ook in dat stuk zo naawkeurig geweest, dat het on„ ken Capitain kiken, toen hij uw wel geb: in Dec: 1759. met het schip tslot van kapelle ontmoette niet gevergd wierd zijn wimpel te strijken, en der gewesen mallabaars Commandeur de Jong toen hij voor ruim een Jaar bij zijn retour van Cochim, de vloot onder de ordres van uw welEdele geb: en den heer admiraal stevens passeerde kreeg niet de minste aanzoeking om de vlag, die hij van zijn groten top lief waaijen, in te halen. overtuijgd dierhalven van uw welgeb: gezonde wijse van denken houde ik mij versekerd dat uw welgeb: desen stap van den heer Sinker ten vollen zal afkeuren, zo wel als zijne verdere handelwijze in de straat sunda daar hij een ander onser scheepen De Cornelia Ellegonda genaamt tegen wil en dank genoodzaakt heeft tot de afgave van twee vaten vleesch vier vaten spek en vier vaten gort niettegenstaande de Commissaris Hunter zijn vol versoek om veertig vaten vleeschen spek uijt sComp:s voorraad had kunnen voldaan krijgen en er uijt eijgen beweging niet meer dan twintig aange„ nomen nomen heeft. Hier mede nog niet vergenoegd, heeft de Heer Tin„ ker van een derde schip twee soldaten geligte op 't nie„ tigen ongegrond voorwendsel dat het Engelschen waeren Terwijl de afficier die aan boord van onsen bodem gekomen was, den schipper door aller lande overredingen gevolgd van dreigementen getracht heeft over te halen tot de afgave van vleesch en spek en zelfs: tot het ver kopen van buskruijd hoewel het een zo wel als het ander door gemelden schipper te regt geweijgert is. Cap:t Neuson wientschip thee Panther om van andere door hem genoten kleefdheeden niet te gewa„ gen/ op 's Comp:s timmerwerf van Capitale gebreken verholpen is, heeft, om aan zijnen Commandeur niet toe te geven, ons schip de standvastigheijd, genoegsaam in het gezigt deser rede, door scherpe schoten doen bijdraagen om het te visiteren of er ook Engelschen aan boord waren. Bij welke gelegenheijd elf koppen, van welke niet een onses wetent in't Engeland geboortig is, van 't zelve geligt zijn: en wat verder komende heeft hij nog drie scheepen, die hem antmoeten, desselfde visitatie doen ondergaan zonder dat er egter van zijne natie op gevonden zijn. — Jits Diergelijken heeft nog niemand van de heeren zee officieren zijner G: B: Majesteijt in de oost Jndische zeen, veel min in die ons eijgen gebied bespoelen, ge„ geffend; en 't is ook regtdraads strijdende tegen het 5. e art: van het Tractaat van marine, in't Jaar 1674. tusschen de beide mogendheden gesloten, volgens 't welk wederzijdse scheepen, na het wertoonen alleen van de zeebrieven een vrijen doortogt hebben, zonder van den voorgenomen Cours afgehouden, veel min op zulk eene onbeleefde wijse als 33 als Jongst tegen alle regt en reden geschied is, gevisiteerd te worden. mij versekerd houdende dat dese en diergelijke gedoentens bij uw welgeb: ten hoogsten zullen afgekeurd worden, vinde ik mij egter verpligt bij uw wel geb: op 't nadrukkelijkste om eene gepaste satisfactie aan te houden, en dat de heeren Capitains, die in't vervolg onse havens mogten aandoen, aangemaand worden om zigt van dierge„ lijke behandelingen te onthouden, als negens anders toestrekkende dan om de harten van sommigen onzer, die den aardeener gansche natie naar de buijtensporigheijd van eenigen uijt dezelve afmeten van de Engelschen te vervreemden. Jk ben egter wel overtuijgd dat het beste gedeelte uwer natie, en uw welgeb: in zonderheijd gansch an„ dere denkbeelden voedt, en tragte dienvolgens by alle geleegendheeden overtuijgende blijken mijner genegen„ heijd tot het onderhouden van eene naauwe vriendschap te geven, gelijk nog onlangs geschied is door de te rug gave van acht Moorsde matrosen, die, tot de Equipagie van't schip de Bevenge behoorende van Bankoeloe weggelopen, en in't rijk van Bantam op gevat waren Jk hebbe D'Eere met alle hoog agting te zijn /onder„ stond/ Hoog welgebooren Heer / Lager/ uw Hoog welgeboren onderdanige en gehoorsame dienaar /was getekend/ P: A: van Der parra /in margine Batavia in't Casteel den 8:e Junij 1762. Madrats 35 Madrass Aan Den Wel Edelen Heer George Pigot president en gouverneur van wegens de Honorabele Engelsche Comp: Ter Custe Chormandel, en de Iteren van den Raad in't fort St George Wel Edele Heer en Heeren Door bestelling van den heer Raudolph Mar„ rioten van Cap: Hume hebben wij ons vereerd ge zien met uw welEd.:e letteren van den 16. nov: des voorleden Jaars en 7:' maert Jongstleden; in welker antwoord desen gezigt zijnde, betuijgen wij voor af onse byzondere ver„ pligting voor het Compliment van Condoleance wegens het afsterven van wijlen zijn Excellentie den heer Generaal Mossel, en voor de bygevoegde met de verkiesing van den eerstgetekende, die, haar 't voorbeeld zijner voorzaten, geen gelegentheijd zal ver„ zuijmen om de goede vriendschap welke tusschen zulke naauwe geallieerden als de kroon van Engelanden ons gemenebest stand grijpt, meer en meer te be„ vorderen, en de Engelsche natie zodanig als opregte vrienden en bondgenoten betaamt te behandeken. Jn gelijker voege bedanken wij uw wed:e voor de vriende„ lijke bedeling wegens de aanstelling van den heer Ardleij tot gouverneur van't fort Marlborongh en 't zal ons altijd genoegen geven zijn Ed in de behartiging van de belangen zijner natie zo veel hulp en bijstand te wijsen, als immers zonder Eygen
English
our own disadvantage can occur. As we, not to mention previous instances, have recently demonstrated by granting Mr. Marriot permission to sell the merchandise he brought along and to purchase necessities for the garrison of Bankoeloe. The further contents of Your Honour's letter of 16 November, mainly corresponding with the written points that Mr. Marriot submitted on 20 April regarding the objective of his commission, we shall, merging the answers to both into one, make a beginning with the First Article of Mr. Marriott's memorial, containing a demand for the restitution of Nattar and Tappanoeli, adding that this matter, according to the assurance of Commander Tinker, had already been decided between him and the first undersigned, and that the return was shortly to follow. On what foundation Mr. Tinker could have given such an assurance is and remains incomprehensible to us: for not only has no conversation about Nattar and Tappanoeli ever taken place between the first undersigned and him, but Commissioner Hunter himself, without whom Mr. Tinker never paid any visit to the first undersigned, fully testified that this claim of your nation was never made the subject of discourse, much less that any promise in that regard had taken place. Mr. Hunter adds, it is true, that Commander Tinker had received assurance from our late Shahbandar Van Koningsveld, when that matter was discussed, as if the first undersigned would ensure that Nattar and Tappanoeli were restored to your nation: but supposing that the said Van Koningsveld really expressed himself so rashly on a matter that went far beyond his authority, which is impossible to investigate due to his decease, it was surely well known to Mr. Tinker that these were not matters to be negotiated merely with a Shahbandar, but that he, wishing to obtain the desired surrender of those places, ought to have taken up the dispute himself. This, as we said above, never happened, and it was only during the farewell visit that Mr. Tinker touched upon it, declaring that the purpose of his commission had been to support those of his nation, if necessary, on the West Coast; but that he, having been informed of the first undersigned's good intention to keep everything there, as is the truth, in peace and quiet, would send only one of his ships thither to inform the English officials of our peaceful sentiments. However, perhaps we have detained ourselves too long with the refutation of an assertion whose groundlessness is proven by the sole testimony of Commissioner Hunter. We rather proceed to the point of dispute itself, whose validity of our right has been so clearly proven since the year 1751, when some of your nation saw fit to settle at Nattar, that we can content ourselves with referring Your Honour to what was written concerning Nattar in our letters to the Madraspatnam ministry of 20 October 1752 and 30 September 1754, while our our right to Tappanoeli, just as that to Nattar, grounded on an undisturbed possession of nearly one hundred years, is proven by a letter written to Bankoeloe on 13 April 1756. Whether one wishes to assert one's right according to the antiquity of the treaties, or whether one holds to the side of the one who can bring forward the latest treaty, it is all the same to us; for in the first case we base ourselves on the donation of the Emperor of Maningkabo, who conferred the governorship over the shores from Indrapoera to Sinkol upon the Dutch Company as early as the year 1666; on the dependence under which both the places in dispute anciently stood under Baros and from which they have not been released except through usurpation; and finally on the obligation under which the Regents of Nattar and Tappanoeli placed themselves by treaties concluded with us, one of which was concluded with those of the first-mentioned place as early as the year 1693. But if one wishes to assert the latest treaties as better representing the present disposition of a people, we again have right and equity on our side, since those of Nattar and Tappanoeli recently, after your nation was driven out by the French, entered into an alliance with us and entirely voluntarily renewed their ancient obligation. We could even add that those of Nattar testified to having been forced by sheer violence to place themselves under English protection. However, we do not mean to imply by this that both methods of proving one's right rest on equally unshakable foundations, for after all, it is a fundamental law recognized by all civilized nations
Dutch transcription
Eygen benadeling zal kunnen geschieden Gelijk wij, om van vorige gevallen niet tegewogen, nog on„ langs betoond hebben door den heer Marriot verlofte geven tot het verkopen zijner meede gebragte koopman„ schappen, en het inkopen van benodigdheeden voor de Bankoelsche bezetting Den verderen inhoud van uw welEd: missive van den 16. nov: hoofdzaaklijk overeenkomende met de schriftelijke pointen die de heer Marriot den 20. april wegens het oogmerk zijner Commissie overgegeven heeft, zullen wij, beider beantwoording in een smeltener, een begin maken met het. Eerste Lid van des Heeren Marriotts memorie behel„ zende een eijsch tot. weder in ruijming van Nattar en Iappanoeti, onder bijvoeging, dat dit stuk, naar de versekering van den Commandeur Sinker, tusschen dezen en den eerst getekende reeds beslist was, ende te rug gave Eerstdaags stond te volgen. Op wat fundament de heer Sinker dusdanige verse„ kering heeft kunnen geven, is en blijft voor ons een onbegrijpelijke zaak: want niet alleen is er noit een chiat gesprek over Nattar en Sappanoeti tusschen den Eerstgetekende en hem gehouden, maar zelfs heeft de Commissaris Hunter zonder wien de heer Jinker noit eenige visite bij den eerstgetekende afgelegd heeft volmondig betuijgd, dat dese pretentie uwer natie noit het anderwerp van discours in't gemaakt heeft, veel min dat er eenige belofte ten dien belange zoude plaats ge„ had hebben. De heer Hunter voegter, wel is waar, bij, dat de Commandeur Jinker van wijlen onsen Sabandhaar van koningsfeld, toen er over die zaak gesproken wierd, verseekering gekregen had, als of de eerst geteekende 37 Getekende zorg zoude dragen, dat Nattar en Sappanoelie aan uwe natie gerestitueerd wierde: maer ondersteld zijnde dat gemelde van koningsfeed zig waarlijk over een zaak die verre buijten zijn bestik ging zo onbezonnen uijt gelaten hebbe ('t welk mits zijn afsterven onmogelijk naer te voorschen is / zo was het immers den heer Sinker t' over bekend dat dit geen zaken waren om enkel met een Sabandnaar verhandeld te worden, maar dat hij de begeerde inruijming dier plaatzen Willend verkrijgen, het geschil zelfs bij de hand behoorde te nemen. Dit is geluk wij hier boven zeiden, nimmer Geschied, en't was alleen bij de afafscheijds visite, dat de heer Sinker er iets van apperde, verklarende, dat het oogmerk zijner Commissie geweest was om die van zijne natie, desnoods, op de West cust te ondersteunen; maar dat hij onderrigt van des eerst„ getekenden Goede intentie om daar alles (gelijk De waerheijd is:/ in rust en vreede te houden slegts een zijner scheepen, om de Engelsche ministers van ons vreedzame gevoelens kennis te geven, derwaards zoude zenden. Dog misschien hebben wij ons al te lang op gehouden met de wederlegging van een voorgeven, welks ongegrond„ heijd door het enkel getuijgenis van den Commissaris Hun„ ter bewesen word. wij komen dan liever tot het geschilpoint zelve, wes wegens de gegrondheijd van ons regt zedert het Jaar 1751. dat het sommigen uwer natie goed gedagt heeft. zig op Nattar te vestigen, zo duijdelijk bewesen is, dat wij ons vergenoegen kunnen met uw welEd: over te wijsen naam 't geene wegens Nattar geschreven is bij onse brieven aan 't Madraspatnamsche minis„ terie van den 20:e 8ber: 1752. en 30. ' septemb: 1754. terwijl ons ons regt op Iappanoelie, Even als dat op Nattar ge grond op een ongestoorde possessie van bij na honderd Jaren bewesen word bij eene missive naar Bankoeloe geschreven den 13. e april 1756. 'T zij men zijn regt naar den ouderdom der tractaten wil doen gelden 't zij men het op de hand van den geenen houde, die het Jongste verbond te berde Brengen kan, 't is ons om 't even; want bi 't eerste geval vestigen wij ons op de gifte van den keijser van Maningkabo die het stadhouderschap over de stranden, van Jndrapoera tot sinkol, al in den Jaere 1666. aan de Nederlandsche Maatschappije op gedragen heeft; op de afhangklijkheijd waer onder de bijde in geschil leggende plaatsen van audsker onder Barot geweest en niet als door usurpatie ontslagen zijn; en Eijndelijk op de verpligting waar onder de Regenten van Nattar en Jappanoelie zig zelven gebragt hebben door met ons gesloten tractaten waar van er een al in 't Jaar 1693. met die van eerstgemelde plaats gesloten is Dog wil men de Jongste tragtaten als de tegenwoordige geaardheijd van een volk beter in't beeldende doen gelden, wij hebben alweder regt en Billijkheijd voor ons, nademaal die van Nattar en Iawanoeli zig onlangs, nadat uw natie er door de franschen verdreven was, met ons in verband begeven en hunne al oude verpligting gansch vrijwillig ver„ nieuwd hebben. wij zouden er zelfs kunnen bijvoegen datdie van Nattar betuijgden door louter geweld gedwongen te zijn om zig onder der Engelschen be„ scherming te begeven. Egter willen wij hier mede niet te kennen geven als of beijde de manieren om zijn regt te bewijsen op even onwrikbare gronden berusten want immers is het een bij alle beschaafde volkeren erkende grond wet
English
39 Fundamental law, that the oldest agreements have preference: and we appeal to this rule, also regarding the places in question, where the lawful High Regent Baginda Maharadja bello, recognized as such even by the English nation, did not give his consent to the Contract which the remaining chiefs of Nattar concluded at the end of 1750 with the envoys from Bankoeloe. Your Honors yourselves in 1753 seemed to call the lawfulness of this step into doubt, for we read in one of Your Honors' letters that the establishing of a post at Nattar was granted to those of Bankoeloe under no other condition than that no other party's right would be prejudiced thereby; and the ministers of Bankoeloe wrote in 1751 to our council at padang that they had struck an agreement with the Natterese under the assumption that it was an independent people. The contrary thereof has, in our view, been clearly proven, whereas they themselves in the treaty of 1693 call themselves subjects of the king of Baros and of Maningkabo, and place themselves as such under the protection of the Dutch, to the exclusion of all other nations. It is then, Honorable Sirs, these and other no less weighty reasons that make us view the reoccupation of Nattar and Jappanoeli not as a breach of the peace, as Your Honors unkindly maintain, but as a renewal of an ancient and most clearly substantiated right, in the exercise whereof our Company was momentarily disturbed for a time, and which has now become all the more forceful, now that the regents have submitted themselves anew to our obedience. The same reasons render us unable to grant Your Honors in the matter of the above-mentioned places that satisfaction which in other respects we shall strive to give with all readiness. Deeming ourselves not entitled to take a final decision on a matter of such importance, we have had to leave the decision thereof to the judgment of our Lords Principals, whose positive orders, as requested via the recently departed ship Schoonzigt, will not be long in coming. We doubt all the less that Your Honors will find this decision of ours reasonable, since in response to our complaints regarding Nattar we received the very same answer by a letter written from Madras on 27 March 1751, namely that the entire matter had been left to the judgment of our Lords Principals, without anything further regarding their verdict having come to our knowledge, however. The second point on which Mr. Marriot insists in his memorial concerns the seizure of several English vessels, which are said to have been made by our men on Sumatra's west Coast under frivolous pretexts, and regarding which satisfaction is demanded, as well as the release of a certain Nachoda Jntje Ambon alias sie Mookinie, who is said to have served as commander on one of those vessels, and to have been banished to the Island of Edam. That any English vessel has been unlawfully detained, much less declared forfeit, we declare ourselves entirely unaware; and yet we are fully prepared to grant Your Honors such fair justice in this matter as a Dutchman is always accustomed to show to his friends. But 41 but for this, a distinct indication of each vessel and of the circumstances that accompanied the seizure is required, as well as further clarification as to what kind of man the reported sie Mookine was, since no Anachoda of that name came hither, much less was banished to Edam. As soon as proper disclosure of these things is given to us, we are more than willing to give the English nation active proof of our desire to uphold right and fairness, without it being necessary for that reason that Commander Sinker also misled Mr. Marriot regarding this matter, as if the first-named had already given him a promise in this regard to have the matter investigated; for he never mentioned it, much less received any promise. On this occasion, however, we cannot conceal being sensitive to the harsh terms with which Your Honors press this demand for satisfaction, and such expressions bordering on threats bear little resemblance to Your Honors' further protestations of inclination to maintain friendship and alliance. The fatal consequences which, according to Your Honors' statements, might arise from the communication of your complaints to the commanders of His Majesty's land and naval forces, we shall in these circumstances have to await, without worrying about them, being well convinced of the fairness and reasonableness of the orders of His Britannic Majesty, and that, moreover, no grounded reasons for complaints have been given
Dutch transcription
39 Grondwet, dat de oudste overeenkomste de voorkeuse hebben: en op desen regel beroepen wij ons, ook om„ trent de in gepchie leggende plaatsen, daar de wettige en bij de Engelsche natie zelve als zodanig erkende Hoog Regent Baginda Maharadja bello zijne toestemming noet gegeven heeft tot het Contract twelk de overige hoofden van Nattar in't eijnde van 1750. met de afgezondenen van Bankoeloe sloten. uw WelEd:e zelven schenen in 1753. de wettigheijd van desen stap in twijffel te trekken, want wij Leesen in eenen van uw welEdele brieven, dat de postvat„ ting op Nattar aan die van Bankoeloe op geen andere voorwaarde ingewilligd was, dan voor zo verre eens anders regt 'er niet door benadeeld wierde: en de ministers van Bankoeloe schreven in 1751. aan onsen raad te padang, dat zij met de Natteresen een overeenkomst getroffen hadden in onderstelling dat het een onafhangklijk volk was. Het tegendeel van dien is, onser bedunkens, zonneklaar beweken waart zij zelven noemen zig bij het tractaat van„ 1693. onderdanen van den koning van Baros en van Maningkabo, en begeven zig als zodanig ander de bescher„ ming der Nederlanderen, met uijtsluijting van alle andere natien Het zijn dan, welEdele Heeren, dese en andere niet min wigtige redenen, die ons het weder in bezit nemen van Nattar en Jappanoeli niet als een schending van de vreede, gelijk uw WelEd:e wij Liefdeloos staande houden doen aanzien, maar als een vernieuwing van een al oud en ten duydelijksten gestaafd regt, in welks oeffening onse Maatschappij niet daar voor een tijd lang gestoord, en dat thans te kranktiger geworden is, nu de regenten zig zig onser gehoorzaamheijd op nieuw onderworpen hebben dezelfde redenen stellen ons buijten staat om uw welEd:e in 't stuk der boven gem: plaatsen dat genoegen toe te brengen 't welk wij in andere opzigten met alle bereid willigheijd zullen tragten te geven ons ongeregtigd oordeelende om over een zaak van die aangelegentheijd en finaals be„ sluijt te nemen, hebben wij de beslissing daar van aan t oordeel onser heeren Principalen moeten overlaten welker positive ordre, als met het onlangs vertrocken schip schoonzigt gevraagd, niet lang zal uijt blijven Te minder twijffelen wij dat uw welEde dit ons be„ sluijt billijken zullen vermits wij op onse klagten om„ trent Nattar hetzelfde antwoord ontvingen, bij een brief van Madras geschreeven den 27. maart 1751. dat namelijk de geheele zaak aan t oordeel awer Heren Principalen gelaten was, zonder, dat ons nader egter iets wegens hunne uijtspraak ter kennisse gekomen is: Het tweede point, waar op de heer Marriot bij zijne memorie aandringt, raakt de aanhaling van verscheiden Engelsche vaartuijgen, die door de onsen op Sumatra 's west Cust onder nitige voorwendzels zou„ de gedaan zijn, en waar omtrent satiffactie gevraagd word zo wel als 't ontslag van zekeren Nachoda Jntje Ambon alias sie Mookinie, die als gezaghebber op een dier vaartuijgen zoude gediend hebben, en naar 't Eijland Edam verbannen zijn Dat er eenig Engelsch vaartuijg onwettig aangehou„ den, veel min verbeurd verklaerd is, buijten betuijgen wij ons t'eenemaal onbewust te zijn, en egter zijn wij ten vollen bereid uw welEd:e in dit stuk zulke billijk regt te doen wedervaren, als een Nederlander altijd gewoon is aan zijne vrienden te bewijzen maar 41 maar hier toe wordt een onderscheijdenlijke aanwij„ zing van ieder vaartuijg, en van de omstandighe„ den die met de aanhaling hebben verzeld gegaan verlijsch gelijk mede nadere opheldering wat man de opgegeven sie Mookine geweest zij also, noet een Anachoda van dien naam herwaards gekomen veel min naar Edam verbannen is zodra ons van dese dingen behoorlijke opening gegeven word, zijn wij overbodig om aan de Engelsche natie dade„ lijke blijken te geven van onse zugt om regt en billijkheijd voor te staan, zonder dat het daar om nodig zij, dat de Commandeur Sinker den heer Marriat ook omtrent dit stuk abuseerde als op de eerstgetekende hem deswegens reets toezegging gegeven had om de zaak te Laaten onderzoeken: want noit heeft hij er van gerept veelmin eenige belofte gekregen Bij dese gelegentheijd kunnen wij egter niet verber„ gen gevoelig te zijn over de onkeuphe bewoordingen waarmede uw welEd: desen Eijsch tot satisfactie aan dringen, en diergelijke naar dreigementen zwemende uijt drukkingen hebben met uw welEd:e verdere betuij gingen van genegentheijd om vriendschap en bondge„ nootschap te onderhouden weijnig overeenkomst. De noodloffige gevolgen, die, volgens uw welE: zeg„ gen, uijt de Communicatie uwer klagten aan de gebieders van zijne Majesteijts Land- en zeemacht en boven zouden kunnen worden zullen mij in dese omstandig„ heijt moeten blijven afwagten sonder ons daar over te bekommeren als tewel overtuijgt om de billigheijt en redelijkheijt der ordres van zine Brittanse Majesteijt en dat men boven dien geene gegronde redenen tot klagten gegeven
English
given, or have shown ourselves unwilling to provide equitable satisfaction upon the presentation of a reasonable complaint. Citing examples of this would be superfluous, as Your Honours are well aware of them yourselves; and we prefer to believe that an excess of zeal has led Your Honours to such harsh expressions as we encounter at the end of your letter of 16 November. However, as willing as we are to give all possible satisfaction regarding the second point of Mr Marriott's memorial, it is just as impossible for us to consent to his third request, namely to allow him to reside here, since this cannot be permitted by us. We made this clearly enough known when we, having been requested by the Governor and Council of Fort Marlborough to admit Mr Herbert here as agent, only replied by letter of 3 April 1759 that we would allow him to remain here for some time longer; just as our letter of 24 April 1761 addressed to Your Honours could give no other assurance than that we, at Your Honours' request, permitted the said Mr Herbert to remain here, and would with pleasure assist him if necessary. And even if we had been inclined to exercise some compliance in this matter, Mr Marriott cuts off our way in this regard by revealing the purpose of his mission without disguise. Finding ourselves therefore unable to consent to the admission of Mr Marriott, we shall have to let him return home after the conclusion of his commission, although our desire is no less to assist all English ships that might require our aid in any respect, according to our ability and as befits genuine allies. We have shown this recently regarding the ships that appeared here under the command of Commodore Tinker, which were provided with the requested cash as well as with as many provisions and ship supplies as our own necessity permitted. Yet with regret we must complain, with respect to this Commodore, that the courtesies shown have made little impression upon his mind, as has appeared from his unfriendly conduct towards some of our ships that encountered him in the Sunda Strait. As we are making our complaint regarding this to Admiral Cornish, we do not doubt that His Britannic Majesty will, upon the representations to be submitted on our part in this regard, cause reasonable satisfaction to follow. However, to show that the improper conduct of a single man of your nation has caused no cooling of the national friendship, we have—notwithstanding that the large quantity of sugar and arrack taken in by the ships of Mr Tinker has caused a noticeable scarcity in those two products of our colony—nevertheless given Captain Hume every possible freedom in achieving the purpose of his commission. He himself will be able to bear witness of this to Your Honours, and we do not doubt that Your Honours will be just as pleased with it as with the treatment that some of your nation have met with at Malacca, and also elsewhere in all places where they keep within the bounds of reasonableness. We have the honour to be, Honourable Sir and Sirs, Your Honours' obedient servants, was signed, P: A: van der Parra, L: Hooreman, J: van der Spar, J: van Riemsdijk, Schreuder, H: van Bassel, R: De Klercq, N: Hartingh, M: Romp, M: F: Hilgers, W: A: Alting, Secretary. Batavia, in the Castle, 8 June Anno 1762. To the Honourable Henry Vansittart, Governor on behalf of the Honourable English East India Company, together with the Gentlemen of the Council at Fort William in Bengal. Honourable Sir and Sirs, Upon receipt of Your Honours' letter of 5 November of last year, we felt the greatest astonishment at its contents, as it contained a reproach of violent treatments of which we have never made ourselves guilty, or which, if any took place through the fault of imprudent servants, were immediately repaired in the most equitable and satisfactory manner as soon as they were brought to our attention. For that reason, we deliberated for some time whether we, to such an uncivil style of writing, which greatly touches the honour of our nation
Dutch transcription
gegeven, of ons onwillig betoond heeft in't geven eener billijke satisfactie bij het voordragen van een billijk beklag. Dde voor beelden daar van aan te halen zoude overtollig zijn want uw welEd:e dragen er zelven kennis van, en wij willen lieft geloven, dat een overmaat van ijver uw welEde tot zulke harde uijtdrukkinge als wij in 't einde uwer misseve van den 16. november ontmoeten, gebragt heeft. Dog zo genegen als wij zijn om in het tweede point van des heeren Marriotts memorie alle mogelijke satisfactie te geven, zo onmogelijk is het ons in zijne Derde begeerte te bewittigen te weeten om hem alhier te laten resideren Dewijl zulx door ons niet kan werden te gelaten en wij gaven zulks duijdelijk ge„ noeg te kennen toen wij, door den Gouverneur en raad van't fort Marlborongh aangezoekt om den heer Hterbert alhier als agent te admit„ teren, bij brief van den 3. e april 1759. eenlijk in ant„ woord dienden dat wij hem nog eenigen tijd hier zouden laten verblyven; gelijk ook onse Letteren den 24. april 1761 aan uw welEd:e gerigt, geen andere toezegging konden geven dan dat wij gemelden heer Herbert, op uw welEd:e versoek permitteerden hier te blijven, en hem, des benodigd zijnde met vermaak zouden behulpsaam zijn En schoon wij algenegen waren om in dit stuk eenige inschikke„ lijkheijd te gebruijken, zo suijdt de heer Marriot ons hier omtrent den weg af door het oogmerk zijner zendinge zonder bewimpeling open te leggen. Ons dierhalven buijten staat bevindende om in de admissie van den Heer Marriot te bewilligen zullen wij hem, na het afdoen zijner Commissie naar huijs moeten laten keren, schoon onse begeerte niet minder is om alle Engelsche scheepen, die onzen bijstand in eenige gezigt 43 gezigt mogten benodigen, haar vermogen, en gelijk het regtschappen bondgenoten betaamt, bij te springen: en dit hebben wij nog onlangs betoond omtrend de scheepen die onder het bevel van den Commandeur Sinker hier verscheenen, en met de versogte Contanten zo mede met zo veel provisien en scheeps behoeften, als onse eijgen benodigdheijd toeliet voorsien zijn. Dog met leedwesen moeten wij ons ten opzigte van desen Compaandeur beklagen, dat de bewesen beleefdheden op zijn gemoed weijnig indruk gehad hebben, gelijk uijt in't zijn onvriendelijk gedrag omtrend eenige onser schiepen die hem in de straat sunda bejegenden gebleken is gelijk wij deswegens ons beklag doen bij den heer Admiraal Cornisz zo twijffelen wij niet of zijne Groot Brittanische Majesteijt zal op de vertogen die deswegens van onsen kant staan ingebragt te worden, een billijke satisfactie laten volgen. Om egter te betoren, dat het onhebbelijk gedrag van een enkel man uwanatie geen verkoeling omtrent de nationale vriendschap veroorsaakt heeft, hebben wij niettegenstaande de groote quanti teijd zuijker en arak door de scheepen van den heer simker in't gevoerd; eene merkbare schaarsheijd in die twee producten onser Calonie veroorsaakt heeft den Capitain Hunne egter in't bereiken van 't oogmerk zijner Commissie alle mogelijke vrijheijd gege„ ven hij zelve zal er uw welEd:e getuijgenis van kun„ nen gegeven, en wij twijffelen niet of uw welEde zullen er al zo wel mede te vreeden zijn als met de behandeling, die sommi„ gen uwer natie te malacca ontmoet hebben en ook elders op alle plaatsen, daar zij zig binnen de binnen de Palen van redelijkheijd houden ontmoeten wij hebben d'ier te zijn /onderstond/ wel Edele heer en heeren /Lager/ uwelEd:e gehoorsame dienaaren /was getekend/ P: A: van der Parra, L: Hooreman, J: van der Spar J: van Riemsdijk. . . . . schreuder H: van Bassel R: De klrecq, N: Hartingh M: Romp, M: F: Hilgers W: A: Alting secret:s /in margine/ Batavia in't Casteel den 8. e Junij Ao 1762. Aan Den Wel Edelen Heer Henrij Van Sittart gouverneur van wegens de Honorable En„ gelsche Oost Jndische Compagnie benevens de Heeren van den raad in 't fort William in Bengalen Bij den ontvangst van uw welEd: missive van den 5. november des voorledenen Jaars gevoelden wij de grootste verwondering over derselver inhoud, als behelzende eene verwijting van geweldadige behandelingen, waar aan wij ons nimmer schuldig gemaakt hebben, of die zo er al eenige door toedoen van onvoorzigtige be dienden plaats gehad hebben straks. wanneer die ons zijn voorgekomen op de billijkste en voldoenste wijse gerepareerd zijn. wij stonden uijt dien hoofde Eenigen tijd in beraad, of wij op diergelijken on„ heuschen schrijftrant, die de eere onser natie groot Wel Edele heer en Heeren lijks
English
insulted, would send any reply; but considering that our silence might possibly be taken as an admission of guilt, we have deemed it best to send Your Honour the answer below, yet in a manner that Your Honour, as we are never accustomed, in defending our rights and privileges, to make use of biting expressions that touch upon another's honour, as such are generally the marks of an unjust cause which one desires to maintain at all costs. The first matter, then, about which Your Honour shows yourself offended, is that Capt Thom: Forrest, arriving with his vessel at Nattar, saw the Dutch flag waving there and heard an order proclaimed whereby the native was forbidden to trade with him; an act which, in Your Honour's judgment, is entirely illicit in an English place, and will never be defended by our Sovereigns if the English Court complains about it. For our part, we believe we have done nothing in this regard other than what was entirely permissible to us, and what all other nations, when in the same circumstances, not even excepting the English, are accustomed to do in like manner. The ancient right of the Dutch Company to Nattar, in which it was only disturbed for a time by the unqualified actions of some of your nation, we have on several occasions in our official letters to Madras and Bankoeloe so convincingly proven that it is unnecessary to repeat this once again, especially because our arguments have never yet been refuted in a satisfactory manner by your nation. Since, moreover, the regents of Nattar, after the English had to give way there to the French, have renewed their ancient obligations in the most solemn manner, it is indeed not surprising that the servants of our Comp: upon the appearance of a foreign vessel, which gave public evidence of having brought merchandise that could not be disposed of without prejudice to our trade, immediately forbade the inhabitants from trading with such foreigners; indeed, such a prohibition was rather to be considered superfluous, since ancient treaties, and the recently renewed one, grant our Company alone, to the exclusion of all others, the authority to trade there, to such an extent that this is forbidden even to our own inhabitants throughout the entire extent of Sumatra's west coast. We readily understand what Your Honour's reply to this will be, namely that Nattar is a place belonging among the English possessions; but this is precisely what we most expressly deny, and what appeared so doubtful even to the gentlemen of the madraspatnam administration that they permitted their subordinates at Bankoeloe to settle at Nattar under no other condition than insofar as another's good right would not be prejudiced thereby. Yet, to make an end to all disputes once and for all, we have now recently requested express orders from our Lords and Masters regarding the retention or evacuation of the two places, Nattar and Tappanoelie, concerning whose possession there has now been such fruitless dispute for several consecutive years; and we doubt all the less that the English Gentlemen will content themselves with this disposition of ours, since the administration of Madras, in a letter written to us dated 13 March 1755, gave the same answer to our representations regarding Nattar, namely that the decision of that matter had been left to your Lord Principals, for whose judgment we have now already waited in vain for so long. What Your Honour further adds concerning the encounters of Capt Forrest at niocomoco is something about which we have not even received any communication from our servants on Sumatra, of so little significance did that matter appear to them. We can, however, easily understand why two of our Comp:s servants delivered such a protest, of which a copy was sent to us, to the said Capt forrest; for in this regard they did nothing other than what their duty entailed, namely by keeping away from there a foreigner who, to the detriment of our Comp:, attempted to trade within its limits (for Ajerhadja is indeed included under this) and had already sent samples of linens ashore for that purpose. To this we believe we have a very good and well-founded right, and perhaps are able to prove the same better than any European nation among those who possess lands in far distant regions, by the most solemn treaties which we entered into of old with the country's princes, and have since renewed more than once
Dutch transcription
45 lijks beledigt, wel eenig antwoord zouden laten toeko„ men; maar in overweging nemende, dat ons stilzwij gen mogelijk voor een schuld bekend tenis mogt op ge„ nomen worden, hebben wij best geoordeeld uw welEd: het onderstaande antwoord te laten toekomen, dog opene ons wijse die uw welEd: zo wij nimmer Gewoon zijn ons in't verdedigen onser regter en geregtigheden van bitze en eens anders eere komende uijtdrukkingen te bedienen als die doorgaans blijken sijn van eene ongeregtigde zaak, die men, het koste wat het wil begeert voor te Het eerste stuk dan, waar over uw welEd:e zig gebelgd tonen, is dat Cap:t Thom: Forrest, met zijn vaar„ tuijg te Nattar komende er de Hollandsche vlag zag waagen en eene ordre hoorde afkondigen waar bij den inlander verboden wierd met hem te hande„ len; eene daad, die, naar uw welEd: oordeel in eene Engelsche plaats geheel onge oorlofd is, en door onse souvereijnen zo het Engelsche Hof zig daar over beklaagd, nooit zal verdedigd worden. van onse zijde vermenen wij hier omtrent niets ge„ daan te hebben, dan 't gene ons volkomen geoorlofd was, en 't geene alle andere natien wanneer zij in deselfde Omstandigheden zijn, zelfs de Engelschen niet uijtge„ zonderd, op gelijke wijse gewoon zijn te doen. Het over oud regt der Nederlandsche Maatschappije op Nattar waarin zij niet als voor een tijd door het ongequalificeerde gedoente van sommigen uwer natie gestoord is hebben wij bij verscheiden Gelegenheden in onse natie brieven naar Madras en Bankoeloe zo overtuijgend bewezen, dat het onnodig is dit ander„ maal te herhalen, in zonderheijt om dat onse be„ staan. wijs G wijs gronden van de zijde uwer natie nog nimmer op eene voldoende wijse wederlegd zijn. Dewijl daar en boven de regenten van Nattar, na dat de Engelschen er voor de franschen hadden moeten wijken hunne aloude verpligting op de plegtigste wijse vernieuwd heb„ ben, is het immers niet te verwonderen, dat de bedienden onser Comp: op de verscheijning van een vreemd vaar„ tuijg, 'tgene openbare blijken gaf koopmanschappen mede gebragt te hebben, die niet zonder nadeel van on„ zen handel gedebiteerde konden worden, straks aan de inwoners verboodt om met zodanige vreemdelingen handel te drijven zelfs was diergelijk verbodeer voor over„ tollig te rekenen, vermitsen oude verbonden, en het onlangs vernieuwde, onse maatschappij alleen, met uijtsluijting van alle anderen de magt geeft om daar te handelen, in zo verre, dat zulks onsen lijgen ingesetenen binnen de gehele uijtgestrek„ theijd van Sumatras westkust. verboden is Wij begrijpen ligtelijk wat hier op uw wel Ed: antwoord zal wesen dat Nattar namelijk Eene plaats is die onder de Engelsche bezittingen hoort: maar dit is Juist het geene wij op het uijtdrukkelijkste ontkennen en 't gene bij de heeren van 't madraspatnam /er ministerie zelve zo twijffelagtig geschenen heeft, dat zij aan hunne onderhorigen van Bankoeloe onder geene andere voor„ waarde dan voor zoverre eens anders goed regt daar door niet benadeeld wierde toestonden zig op Nattar te vestigen. dog om eenmaal een Eijnde van alle ge„ schillen te maken, hebben wij nu onlangs van onse Heren en Meesters uijtdrukkelijke ordres versogt nopens de aanhouding of ontruijming van de twee plaatsen Nattar en Tappanoelie omtrent welkers . 17 welker bezitting nu verscheijden Jaaren na den an„ deren zo vrugteloos geredentwist is en wij twijffelen te minder dat de Heeren Engelshen zig met dese onse dispositie vergenoegen zullen, dewijl het mi„ nisterie van Madras, bij eenen aan ons geschre„ ven brief van den 13. ' maart 1755. op onse ver„ togen omtrent Nattar het zelfde antwoord gaven dat namelijk de beslissing dier zaake aan uwe Heren Principalen gelaten was, naar welker uijtspraak wij nu al zo lang vrugteloos gewagt hebben. 'T geene uw wel Ed: er verder bijvoegt wegens de ontmoetingen van Cap:t Forrest te niocomoco is iets waar van wij niet eens eenige Communi satie van onse bedienden op Sumatra ontvan„ gen hebben, van zo geringe aanmerking is die zaak hun voorgekomen. Wij kunnen egter makelijk begrijpen, waarom twee onser Comp:s dienaren een diergelijk protest, als waarvan ons het afschrift toegesonden is; aan gem: Cap: forrest overgelevert hebben; want hier omtrent deden zij niet, dan 'tgene hunne pligt medebragt, door namelijk een vreemdelijng, die tot nadeel onser Comp: binnen hare Limiten (want hier onder is Ajerhadja immers begrepen, tragte te handelen en reeds ten dien eijnde monsters van Lijwaten aan land gezonden hadt van daar te weren. Hier toe menen wij zeer goed en gegrond regt te hebben en misschien 't zelve beter dan enige Europische natie van de genen die in verre afgelegen gewesten landen bezitten te kunnen bewijsen door de aller plegtigste tragtaten, die wij van oudsher niet slands vorst en aangegaan, en sedert meer dan eens hernieuwd
English
have renewed. The purpose of the protest was solely to keep Cap:t forrest, who had arrived at aserdradja and, as had been learned, was about to sail further to the north, out of the boundaries of our Comp:, and our servants had not the least intention, as Your Honours wish to make us believe, to treat the English garrison at Moco moco, much less the vessel of Cap: forrest, in a hostile manner; nor is this in any way to be inferred from the letter that the merchant van staveren wrote to the said Captain, for in it he merely affirmed that he had to inform his superiors of the correspondence that the said Cap:t forrest had carried on with the Malays of moco moco. Is this now proof of a hostile intention! Surely no one who judges without prejudice will be able to infer this from it, and to appeal in this regard, as Your Honours do, to the conversation of the Gunner John Tannas with the commander of one of our sloops, is a manner of proof that cannot hold water at all. The fickle nature of the said Gunner, who has served now with our nation and then again with yours, already makes his testimony objectionable; and even assuming that such a conversation truly took place between him and the Dutch mate (of which we nevertheless have reason to doubt), we can nonetheless fully assure you that the latter had not the least order to do so, and that it must at most be attributed to the narrow-mindedness of a seaman who perhaps sought thereby to gain mistaken merit with his chiefs. That our intention truly aims at nothing else than to foster more and more the good understanding between the English and Dutch nations in these regions, we believe we can undeniably demonstrate from all our actions. Your ships enjoy in all our possessions as much assistance and convenience as one ally can demand of another, and frequently our desire to gratify the English nation is accompanied by prejudice to our own inhabitants, as was shown only recently when, because of the great scarcity caused here by the arrack and sugar exported by your nation, we were compelled to prohibit the export thereof to all private individuals and to deprive our own inhabitants of the advantage they would otherwise have enjoyed from it. It is therefore not without the utmost sensitivity that we have read the reproaches which Your Honours cast upon us at the end of your letter, namely as if our nation, in places where they have any power, were accustomed to seize English vessels along with their cargo and even to kill the crew sailing thereon. Of such unlawful seizures we are assured that Your Honours are not able to bring forward any well-founded proof. have renewed. The purpose of the protest was solely to keep Cap:t forrest, who had arrived at aserdradja and, as had been learned, was about to sail further to the north, out of the boundaries of our Comp:, and our servants had not the least intention, as Your Honours wish to make us believe, to treat the English garrison at Moco moco, much less the vessel of Cap: forrest, in a hostile manner; nor is this in any way to be inferred from the letter that the merchant van staveren wrote to the said Captain, for in it he merely affirmed that he had to inform his superiors of the correspondence that the said Cap:t forrest had carried on with the Malays of moco moco. Is this now proof of a hostile intention! Surely no one who judges without prejudice will be able to infer this from it, and to appeal in this regard, as Your Honours do, to the conversation of the Gunner John Tannas with the commander of one of our sloops, is a manner of proof that cannot hold water at all. The fickle nature of the said Gunner, who has served now with our nation and then again with yours, already makes his testimony objectionable; and even assuming that such a conversation truly took place between him and the Dutch mate (of which we nevertheless have reason to doubt), we can nonetheless fully assure you that the latter had not the least order to do so, and that it must at most be attributed to the narrow-mindedness of a seaman who perhaps sought thereby to gain mistaken merit with his chiefs. That our intention truly aims at nothing else than to foster more and more the good understanding between the English and Dutch nations in these regions, we believe we can undeniably demonstrate from all our actions. Your ships enjoy in all our possessions as much assistance and convenience as one ally can demand of another, and frequently our desire to gratify the English nation is accompanied by prejudice to our own inhabitants, as was shown only recently when, because of the great scarcity caused here by the arrack and sugar exported by your nation, we were compelled to prohibit the export thereof to all private individuals and to deprive our own inhabitants of the advantage they would otherwise have enjoyed from it. It is therefore not without the utmost sensitivity that we have read the reproaches which Your Honours cast upon us at the end of your letter, namely as if our nation, in places where they have any power, were accustomed to seize English vessels along with their cargo and even to kill the crew sailing thereon. Of such unlawful seizures we are assured that Your Honours are not able to bring forward any well-founded proof.
Dutch transcription
vernieuwd hebben Het oogmerk van 't protest strekte dan alleen om Cap:t forrest, die te aserdradja gekomen was, en naar men vernomen hadt, verder naar 't noorden stond te slevenen uijt de limieten onser Comp: te houden, en onse bedienden hadden niet de minste intentie, gelijk uw wel Ed: ons willen doen begrijpen, om de Engelsche bezetting te. Moco moco veel min het vaartuijg van Cap: forrest vijandelijk te bejegenen; en dit is ook geensins uijt den brief, dien de koopman van staveren aan Gem: Capitain schreef, op te maken, want hier bij betuijgde dese immers eenlijk zijne gebieders te moeten onderzigten van de Correspondentie die gezegde Cap:t forrest met de maleijrs van moco moes gevoert had. Js dit nu een bewijs van een vijandelijk voor nemen! Jmmers zal niemand die zonder voor ingenomenheijd oordeelt, er dit uijt kunnen opmaken en om zig ten dien opzigte gelijk uw welEd:e doen, te beroepen op het gesprek van den Cons„ tapel John Tannas met den gesaghebber van eene onser sloepen, is eene manier van bewijzen, die in 't geheel geen steek kan houden. de verander„ lijke aard van d' eene Constapel die dan eens bij onse natie, dan weder bijde uwe gediend heeft maakt zijn getuijgenis reeds reprochabel; en gesteld zijnde dat er waarlijk zodanig gesprek tusschen hem en den Nederlandschen stuurman plaats gehad hebbe (waar aan wij egter reden hebben te twijffelen) zo kunnen wij niet te min vol„ „mondig versekeren, dat de laasstgemelde hier toe niet de minste ordre gehad heeft, en dat het ten 49 ten hoogsten genomen aan het kleijn verstaand van een Zeeman die zig misschien hier door een verkeerde verdienste bij zijne hoofden tragten te maken moet toege„ schreven wonder. Dat onse intentie waarlijk nergens anders heen strekt, dan om de goede verstandhouding tusschen d'Engelsche en Nederlandsche natie in dese gewes„ ten meer en meer aan te queken, meenen wij uijt alle onse behandelingen onwedersprekelijk te kunnen aantonen. uwe scheepen genieten in alle ons bezittingen zo veel bijstanden gerijf, als de een bondgenoot van den anderen vergen kan en dik wijls gaat onse zugt om de Engelschen natie Genoegen tegen met het nadeel onser eijgen ingezetenen gepaard, gelijk nog onlangs ge bleken is toen wij, om de grote schaarsheijd die de door uwe natie uijtgevoerde arak en zuijker hier veroorzaakt heeft, genoodzaakt zijn geweest den uijtvoer daer van aan alle particulieren te verbieden en ons eijgen ingesetenen exrinoeren van het voordeel dat zij andersins daar van zoude genoten hebben.— T Js dan niet zonder de uijterste gevoeligheijd dat wij de verwijtingen, die uw wel Ed. ons op het einde uwer missive aanvrijven, gelezen hebben, als of onse natie namelijk, op plaatsen daar zij eenige magt hebben gewoon zijn Engelsche vaartuijgen met derselver lading aan te halen en zelfs, de daar op varende manschap om hals te brengen. van diergelijke onwettige aan„ halingen zijn wij versekerd dat uw wel Ed:e niet in staat zijn eenig gegrond bewijs te Eerde te bren„ Gen hernieuwd hebben Het oogmerk van 't protest strekte dan alleen om Cap:t forrest, die te aserdradja gekomen was, en naar men vernomen hadt, verder naar 't noorden stond te slevenen uijt de limieten onser Comp: te houden, en onse bedienden hadden niet de minste intentie, gee„ uw wel Ed: ons willen doen begrijpen, om de Engels bezetting te. Noco moco veel min het vaartuijg van Cap: fort vijandelijk te bejegenen; en dit is ook geensins uijt den brief, dien de koopman van staveren aan Gem: Capitain schreef, op te maken, want hier bij betuijgde dese immers eenlijk zijne gebieders moeten onderzigten van de Correspondentie die gezig Cap:t forrest met de maleijrs van mocomoes gevoert had. Js dit nu een bewijs van een vijandelijk voor nemen! Jmmers zal niemand die zonder voor ingenomenheijd oordeelt, er dit uijt kunnen opmaken en om zig ten dien opzigte gelijk uw welEd:e doen, te beroepen op het gesprek van den Cons„ tapel John Pannas met den gesaghebber van een onser sloepen, is eene manier van bewijzen, die in 't geheel geen steek kan houden de verand lijke aard van d' eene Constapel die danr een bij onse natie, dan weder bijde uwe gediend heeft maakt zijn getuijgenis reeds reprochabel, en gesteld zijnde dat er waarlijk zodanig Gesprek tusschen her en den Nederlandschen stuurman plaats gehad hebbe (waar aan wij egter reden hebben te twijffelen) zo kunnen wij niet te min vol„ „mondig versekeren, dat de laagstgemelde hier toe niet de minste ordre gehad heeft, en dat het ten - 49 ten hoogsten genomen aan het kleijn verstaand van een Zeeman die zig misschien hier door een verkeerde verdienste bij zijne hoofden tragten te maken moet toege„ schreven wonder. Dat onse intentie waarlijk nergens anders heen strekt, dan om de goede verstandhouding tusschen d'Engelsche en Nederlandsche natie in dese gewes„ ten meer en meer aan te queken, meenen wij uijt alle onse behandelingen onwedersprekelijk te kunnen aantonen. uwe scheepen genieten in alle ons bezittingen zo veel bijstanden geijf, als de een bondgenoot van den anderen vergen kan en dik wijls gaat onse zugt om de Engelschen natie Genoegen tegen met het nadeel onser eijgen ingezetenen gepaard, gelijk nog onlangs ge bleken is toen wij, om de grote schaarsheijd die de door uwe natie uijtgevoerde arak en zuijker hier veroorzaakt heeft, genoodzaakt zijn geweest den uijtvoer daer van aan alle particulieren te verbieden en ons eijgen ingesetenen exrinoeren van het voordeel dat zij andersins daar van zoude genoten hebben. T Js dan niet zonder de uijterste gevoeligheijd dat wij de verwijtingen, die uw wel Ed. ons op het einde uwer missive aanvrijven, gelezen hebben, als of onse natie namelijk, op plaatsen daar zij eenige magt hebben gewoon zijn Engelsche vaartuijgen met derselver lading aan te halen en zelfs, de daar op varende manschap om hals te brengen. van diergelijke onwettige aan„ halingen zijn wij versekerd dat uw wel Ed:e niet in staat zijn eenig gegrond bewijs te berde te bren„ Gen
English
The purpose of the protest was only to keep Captain Forrest, who had arrived at Ayer Dikit and, as had been learned, intended to sail further north, outside the boundaries of our Company, and our servants did not have the least intention, as Your Honors would have us believe, to treat the English garrison at Moco Moco, much less the vessel of Captain Forrest, in a hostile manner; and this is also by no means to be inferred from the letter that the merchant Van Staveren wrote to the said Captain, for in it he merely declared that he had to inform his superiors of the correspondence which said Captain Forrest had conducted with the Malays of Moco Moco. Is this now a proof of a hostile intention? Surely no one who judges without prejudice will be able to infer this from it; and to appeal in this regard, as Your Honors do, to the conversation of the gunner John Tannas with the commander of one of our sloops, is a manner of proof that holds no water at all. The fickle nature of the gunner, who has served now with our nation, then again with yours, already makes his testimony questionable; and supposing that such a conversation truly took place between him and the Dutch mate (of which we nevertheless have reason to doubt), we can nonetheless fully assure you that the latter had not the least order to this effect, and that at most it must be attributed to the small intellect of a sailor, who perhaps thought to curry favor with his chiefs through a misguided merit. That our intention truly aims at nothing else than to foster more and more the good understanding between the English and Dutch nations in these regions, we believe we can indisputably demonstrate from all our conduct. Your ships enjoy in all our possessions as much assistance and convenience as one ally can demand of another, and our desire to please the English nation often goes hand in hand with the disadvantage of our own inhabitants, as was shown only recently when, because of the great scarcity which the arrack and sugar exported by your nation caused here, we were obliged to forbid the export thereof to all private individuals and to deprive our own inhabitants of the benefit they would otherwise have enjoyed from it. It is therefore not without the utmost sensitivity that we have read the reproaches which Your Honors level at us at the end of your missive, as if our nation, namely in places where they have any power, were accustomed to seize English vessels with their cargo and even to put to death the crews sailing upon them. We are assured that Your Honors are not able to bring forward any grounded proof of such unlawful seizures; and if it could be done, we are quite ready to give the most equitable satisfaction immediately in that regard. But who has ever been able to accuse us of the killing of any of your nation, whom we gladly acknowledge as our sincere and oldest allies? This is something so far removed from the Dutch character, and from their way of thinking, that we must show ourselves exceedingly sensitive about such a reproach, and, judging it in the most charitable manner, we can infer nothing else from this than that the zeal in defending your own interest has carried Your Honors too far in this matter. A few years ago, it is true, an incident occurred near Lingga, where the crew of an English vessel that unwittingly came there to trade was put to death by one of our cruisers; but that deed is utterly detested by us, and the exemplary punishment inflicted on the guilty parties in that regard gives more than sufficient proof that the unruly conduct of some degenerate individuals, who are after all found among all peoples, can by no means be blamed upon an entire nation. We have deemed it necessary to defend our conduct with respect to the English nation somewhat extensively in the above-narrated manner. It serves (we say it once again) no other purpose than to convince Your Honors and the entire English nation of our sincerity in maintaining good friendship and alliance; and if the English gentlemen are inclined on their side to proceed on the same footing, we are assured that the Dutch Company, in places where we are situated alongside your nation, can expect nothing but all assistance. Whether in all cases we have reason to boast of this, we prefer to leave unexamined, especially regarding Bengal, and let it suffice that to your nation no reason will ever be given from our side to terminate the duties of friendship that ought to exist between such close allies, but that on the contrary both nations shall henceforth live in true friendship and help promote each other's interests in all cases in an upright manner. We have the honor to be, Honorable Sir and Sirs, Your Honors' obedient servants. Was signed: P. A. van der Parra, L. Horeman, J. van der Spar, J. van Riemsdijk, Schreuder, H. van Bassel, R. de Klerck, N. Hartingh, H. Romp, M. T. Hilgers, U. A. Alting, Secretary. In the margin: Batavia, in the Castle, the 24th of June, anno 1762. To the Honorable the Governor and Council of the Island of Mauritius. Just as it was our pleasure in the past year to provide the ships of His Most Christian Majesty, which appeared here to take in provisions, with all convenience and assistance
Dutch transcription
Het oogmerk van 't protest strekte dan alleen on Cap:t forrest, die te aserdradja gekomen was, en n men vernomen hadt, verder naar 't noorden stond te slevenen uijt de limieten onser Comp: te houden, e onse bedienden hadden niet de minste intentie, ge uw wel Ed: ons willen doen begrijpen, om de Engel bezetting te. Noco moco veel min het vaartuijg van Cap: for vijandelijk te bejegenen; en dit is ook geensins ui den brief, dien de koopman van staveren aan Gem: Capitain schreef, op te maken, want hier bij betuijgde dese immers eenlijk zijne gebieders moeten onderzigten van de Correspondentie die geze„ Cap:t forrest met de maleijrs van mocomoes gevoer had. Js dit nu een bewijs van een vijandelijk voor nemen! Jmmers zal niemand die zonder voo ingenomenheijd oordeelt, er dit uijt kunnen opmaken en om zig ten dien opzigte gelijk uw welEd:e doen, te beroepen op het gesprek van den Cons tapel John Tannas met den gesaghebber van een onser sloepen, is eene manier van bewijzen, die in 't geheel geen steek kan houden de verand lijke aard van d'eene Constapel die dan een bij onse natie, dan weder bijde uwe gediend heeft maakt zijn getuijgenis reeds reprochabel; en gestel zijnde dat er waarlijk zodanig gesprek tusschen he en den Nederlandschen stuurman plaats gehad hebbe (waar aan wij egter reden hebben te twijffelen) zo kunnen wij niet te min vol„ „mondig versekerden, dat de laasstgemelde hier toe niet de minste ordre gehad heeft, en dat het hernieuwd hebben ten 49 ten hoogsten genomen aan het kleijn verstaand van een zeeman die zig misschien hier door een verkeerde verdienste bij zijne hoofden tragten te maken moet toege„ schreven wonder. Dat onse intentie waarlijk nergens anders heen strekt, dan om de goede verstandhouding tusschen d'Engelsche en Nederlandsche natie in dese gewes„ ten meer en meer aan te queken, meenen wij uijt alle onse behandelingen onwedersprekelijk te kunnen aantonen. uwe scheepen genieten in alle ons bezittingen zo veel bijstanden gerijf, als de een bondgenoot van den anderen vergen kan en dik wijls gaat onse zugt om de Engelschen natie Genoegen tegen met het nadeel onser eijgen ingezetenen gepaard, gelijk nog onlangs ge bleken is toen wij, om de grote schaarsheijd die de door uwe natie uijtgevoerde arak en zuijker hier veroorzaakt heeft, genoodzaakt zijn geweest den uijtvoer daer van aan alle particulieren te verbieden en ons eijgen ingesetenen exrinoeren van het voordeel dat zij andersins daar van zoude genoten hebben. T Js dan niet zonder de uijterste gevoeligheijd dat wij de verwijtingen, die uw wel Ed. ons op het einde uwer missive aanvrijven, gelezen hebben, als of onse natie namelijk, op plaatsen daar zij eenige magt hebben gewoon zijn Engelsche vaartuijgen met derselver lading aan te halen en zelfs, de daar op varende manschap om hals te brengen. van diergelijke onwettige aan„ halingen zijn wij versekerd dat uw wel Ed:e niet in staat zijn eenig gegrond bewijs te berde te bren„ Gen gen; en zo het geschieden konden, zijn wij welvaardig om straks deswegens de billijkste satisfactie te geven. Maar wie heeft ons oit de ontzieling van sommigen uwer natie, die wij gaarne als onse opregte en oudste bond„ genoten erkennen, kunnen ten laste leggen! Dit is iets, dat zo verre van de nederlandsche g'aarheid, en van hunne wijse van denken, afwijkt, dat wij ons over dier„ gelijk verwijt ten uijtersten gevoelig moeten tonen, en wij kunnen, om er op de liefdadigste wijse over te oordeelen hier uijt niets anders opmaken, dan dat de drift in't voorstaan van eijgen belang uw Wel Ed:e hier omtrend te verre vervoerd heeft voor eenige Jaaren geleden is er wel is waar, een geval omtrent Linkol gebeurt, waar de manschap van een Engelsch vaartuijg, 't welk daer onwittig ten han„ del quam, door een onser kruijs vaartuijgen om 't leven gebragt is: maar die daad is bij ons ten hoogsten verfoeid en de voorbeeldelijke straf, die aan de schuldige deswegens geoeffend is geeft meer dan voldoend bewijs, dat het sporeloos gedrag van sommige ontaarden, die immers bij alle volkeren gevonden worden, geen„ zins aan eene gehele natie kan geweten worden. Wij hebben nodig geoordeeld ons gedragten op zigte van de Engelsche natie op boven verhaalde Wijse eenigzins uijtvoerig te verdedegen. Het zelve strekt (wij zeggen het nog eens) nergens anders toe dan om uw welEdele en de geheele Engelsche natie van onse opregtheijd in't onderhouden van goede vriend en bondgenootschap te overtuijgen; en indien de heeren Engelsche van hunne zijde genegen zijn op denzelfden voet te werk te gaan zijn wij versekerd dat de Nederlandsche maatschappij, op plaatse daar „1 Wel Edele Heeren daer wij gelijke met uwer natie geseten zijn, niet als alle behulpzaamheijd te wagten hebben. af wij in alle gevallen reden hebben om ons hier op te beroemen willen wij liefst inzonderheijd omtrend Bengale buijten onderzoek laten, en 't zij genoeg, dat aan uwe natie nimmer van onse zyde reden zal gegeven worden om de vriendschapspligten, die tusschen zulke naauwe bondgenoten behoren plaats te hebben op te zeggen, maar dat in tegendeel de beide natien voortaan in ware vriendschap zullen leven, en elkanders belangen in alle gevallen op eene regt aarde wijse helpen bevorderen. Wij hebben d'eere te zijn /:onderstond/ Wel Edele Heer en Heeren / Lager/ uw welEdelens ge„ hoorsame dienaren /was getekend/ P: A: van der parra, L Horeman J: vander spar J: van Riemsdijk. . . . . schreuder H: van Bassel, R: de Klerck N: Hartingh H: Romp M: T: Hilgers, U: A: Alting secret:s /in margine/ Batavia in't Casteel den 24. Iunij Ao 1762 Aan De Wel Edele Heeren Gouverneur en Raad van Eijland Mauritius Gelijk het ons in den voorleden Jaare tot genoe„ gen gestrekt heeft aan de scheepen zijner aller„ Christelijkste majesteijt, die ter inneeming Van provisien hier verscheenen, alle gemaken behulp # tje
English
to show helpfulness, so have we now no less applied ourselves to answer the purpose of your Honor's missive of 25 June, wherewith we found ourselves honored upon the second appearance of Mr. de Johannis, entirely as much as lay within our power. We judge that we have done everything in this respect that can in fairness be expected of true friends and allies, and therefore trust that our recent treatment will give your Honor no less satisfaction than your Honor declares to have had from that of the past year. The testimony of Mr. de Joannes will, as we do not doubt, fully confirm what we have said, and convince your Honor in every respect of our sincere intention to maintain a close friendship. We have the honor to be with all high esteem /was written below/ Honorable Gentlemen /lower/ your Honor's very humble and obedient servants /was signed:/ P: A: van der Parra, P: Hooreman, J: van der Spar, J: van Riemsdijk, Schreuder, H: van Basel, P: De Klercq, N: Hartingh, M: Romp, M: F: Hilgers, W: A: Alting, secretary /in the margin/ Batavia in the Castle the 8 October Anno 1762. To the Honorable Charles Crommelin Esquire, Governor on behalf of the English East India Company, together with the Members of the Council at Bombay. Gentlemen, The departure of one of our ships to the coast of Malabar providing us the opportunity to answer your Honor's letter of 17 October 1761, we therefore declare now that we have done everything possible to afford Mr. John Hunter every convenience in the execution of the charge assigned to him, and even in many respects more than our own inhabitants enjoy. We appeal in this regard to his own testimony, as we believe to have treated the ships of the squadron of Mr. Steevens in every way as befits true allies; although his Honor, after his departure from here, has entirely failed to reciprocate the kindnesses with which his Honor was met. In the meantime, we do not doubt that your Honors will satisfy in due time the bills of exchange which Mr. Hunter has drawn on your Honors, and which have been forwarded by us to the Commander and Council of Cochin. We have the honor to be /was written below/ Gentlemen /lower/ your Honor's very humble and obedient servants /was signed/ P: A: van der Parra, P: Hooreman, J: van der Spar, J: van Riemsdijk, Schreuder, H: van Basel, R: De Klerck, N: Hartingh, M: Romp, M: F: Hilgers, W: A: Alting, secretary /in the margin/ Batavia in the Castle the 8 October Anno 1762.
Dutch transcription
behulpzaamheijd te bewijsen, zo hebben wij ook nu niet min„ der ons werk gemaakt om het oogmerk uwer WelEd. missive van den 25. Junij waar mede wij ons bij de tweede verschij„ ning van den heer de Johannis vereerd vonden allezins zo„ veel in ons vermogen was, te beantwoorden, wij oordeelen ten dien opzigte alles gedaan te hebben, wat men in billijkheijd van ware vrinden en bondgenoten ver„ gen kan, en vertrouwen derhalven, dat onse Jongste behandeling uw welEd: geen minder genoegen geven zal, dan uw welEd: betuijgen in die van 't voorleden Jaar gehad te hebben, het getuijgenis van den heer de Joannes zal, zo als wij niet twijffelen oms gesegde ten volle bevestigen en. uw welEd: in allen op zigte van onse opregte meening ter onder„ houding van eene naauwe vriendschap over„ tuijgen. Wij hebben de Eere met alle hoog agtingt te zijn /onder„ stond/ wel Edele Heeren /lager/ Uwer Wel Ed: zeer onderdanige en gehoorsame Dienaren /was gete„ kend:/ P: A: van der parra P: Hooreman; J: van der spar J: van Riemsdijk „ Schrinder H: van Basel, P: De klercq N: Hartingh M: Romp M: F: Hilgers, W: A: Alting, secret:s /in margine/ Batavia in't Casteel den 8. ' 8ber: A„o 1762. Aan Den Edelen Charles Crommelin schildknaap, gouverneur van wegens de Engelse Oost Jndische Comp: benevens de Leeden van den Raad te Bombij Mijn Heeren Mits het vertrek van een onser scheepen naar de kust 53. kust van Mallabaar ons de Gelegentheijd voorkomen„ de om te b'antwoorden uw welld: brief van den 17:' 8ber: 1761. betuijgen wij dan ook als nu dat wij al het mogelijke hebben in het werk gesteld om den Heer John Hunter in de uijtvoeringh van den hem opgedragen Last alle toe gemak te brengen, en zelfs in veele op zigten meer den onsen Eijgen ingestetenen genieten wij be„ roepen ons daar omtrend op zijn lijgen getuijgenis, als meenende de scheepen van 't Esquader van den heer sinker allezens, gelijk het ware bandgenoten betaamt, behandeld te hebben; schoon zijn Edele na zijn depart van hier gants niet heeft komen te beant woorden, de vriendelijkheden waer mede men zyn Edele heeft ontmoet Jnmiddels twijffelen wij niet of uwel Ed=e zullen de wissel brieven, die de heer Hunter op uw welEd: getrocken heeft, en door ons aan den Commandeur en raad van Cochim toegesonden zijn, ter bestemder tijd voldoen. Wij hebben d'Eere te zijn /onderstond/ Mijn Heeren /lager/ uw welEd:e zeer onderdanige en gehoorsame Dienaren /was getekend / P: A: van der Parra, E: Hoore„ man, J: van der Spar, J: van Riemsdijk schreuder H: van Basel R: D: klerck N: Hartingh M: Romp M: T: Hilgers, W: A: Alting secret:s /in margine/ Batavia In 't Casteel den 8:' 8berm: A„o 1762 min„ ive . . . .