VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3364

Japan · 931 pages · 397 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3364_0001 view scan ↗

English

3256 col. 3256 2 Incoming Secret Letter 1772 No. 15. from Ao: 1772 1st Part To His Honour! The Most Noble Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General The Right Honourable Lords Councillors of the Netherlands Indies, Right Honourable, Most Worshipful, and Highly Respected Lords, Right Honourable Lords. Touching the affairs of Queda, we have in our last separate and general letters of 11 February and 6 March, together with Copy of Incoming Secret Letters and Papers; received from Malacca; in detail From Malacca the 15th of February Ao 1772. From Malacca the 15th of February 1772. written in detail what we had been able to learn. Since then, the news has been brought here that the Buginese, after first having wrought great devastation there, have departed with their booty. We have indeed actually seen several pass by here, and among others the fleet of the well-known Raja Haji, consisting of 30 baloos, as well as two captured Moorish ships and two brigantines. That kingdom is said to be currently so ruined and utterly destroyed that several years will likely be required to bring it back to its former flourishing state. It is also reported from there that the king, though old and decrepit, nevertheless appears to be contemplating means to avenge himself effectively. To that end, it is said, he is having a fleet of more than 100 vessels made ready in order to attack Salangor with them and to infest the navigation of the Buginese on all sides. We believe, nevertheless, that these are more bluster and rhodomontades than actual intentions, for he has also, through a trusted Moor on the coast of Coromandel, had the Danes requested for help and succour, since the English and French who were lying in the roadstead of Queda at that time refused to assist him. And the Danes also promptly sent two brigantines with ammunition and a few merchandises thither, but upon arriving there the English flag was already flying, so that, if they have not already departed, they are to return home within a few days. The king, however, as is said, has been so generous that he has taken over all the munitions of war and merchandises they brought with them and paid for them with a good profit. The English private merchants Gowin Harrop and Ferdinand Light, mentioned in our letter of last year, had to leave Atjeh willy-nilly and have moved with bag and baggage from there to Queda. And it is they who, through the intrigues of one Maria Rossel, an old Portuguese woman who is currently married there to an Englishman named Francis Leyst, and who has very much influence over the mind of the king, have managed to obtain his consent and permission to fly the English flag there at present. But since they from now on already act in the same despotic manner as they did at Atjeh, it is generally presupposed that From Malacca the 15th of February 1772 From Malacca the 15th of February 1772: that their reign there will likewise not be of long duration, the more so if it is true what is said here, namely that the governors of Madraspatnam and Bencoolen have complained very vehemently to their Company in Europe about those private traders and have depicted them as harmful and pernicious interlopers in the Company's trade in those places. Daeng Cambodja has been to Trengganu with a rather strong armament in order, as he communicates to us in a letter, to seek out Raja Ismail, but in fact with the design of acting there as his countrymen have done in Queda; but the season having already advanced too far, and finding the Malays too well fortified, he had to return without having accomplished his purpose. To his equivocal and enigmatic letter, which he wrote to us concerning that intention, in order not to let ourselves be ensnared by that cunning fox, and also to observe neutrality strictly, we did not deem it necessary to express ourselves at length, but we have answered it merely in general terms. The news from Riau nevertheless constantly reports that he is to resume the expedition to Trengganu and that he has rearmed himself considerably to achieve his aim. Concerning the war on the Siak River we have not yet heard anything or been able to obtain any further information, and even less have we received a copy of the contract that, according to a letter from Perak, was supposedly concluded some time ago between the Perakese and Salangorese there, since the former Resident De Wind, in his letter of 27 March 1771, writes that he did indeed employ every conceivable means to obtain it, but that he is now assured that it merely consists in an oral reciprocal promise to protect and defend each other's lands against all external violence and hostilities. It is and remains certain, nevertheless, that the Buginese and the King of Perak are allying themselves very strongly with each other, both through marriages and otherwise, and that they currently appear to be of one mind; but it is to be feared that the last-mentioned will in time bitterly regret this close alliance, since he by himself is not capable of standing against the power of the Buginese, and that besides this, that nation is far too clever for him, for they seek, indeed one may well say they already have Perak so far under their control, that in order to play the master completely and let their cock alone crow as king there, there is at present nothing else in their way 5

Dutch transcription

3256 kol. 3256 2 Inkomend Seerget Buiff=r. 172 No. 15. vlnelnd Ab: 172 1: Deel Aan zijn Edelheijd! Den hoog Edelen heere Petrus Albersuts van der Parra, Gouverneur Generaal De Wel Edele Heeren Raden van Nederlands India, Hoog Edelen Gerst:s weol Agtb: Heere„ Wel Edele Heeren. Ratiende de sakien van queda, hebben wij bij onse laaste aparte en gemeene letteren van 11: februarij en 6 Maart Benevens Copia Aankomende Secreete Brieven en Papieren; ontvangen van Mallacca; omstandiglijk Por Van Malacca den 15:' februarij A:o 172. — Van Malaca Den 15:' Februarij 172. — omstandiglijk geschreeven het geene wij hadden kunnen verneemen. sedert is hier de tijding aangebragt dat de Bougineesen, na alvoo„ vens een groote verwoesting aldaar te hebben aangeregt, met hun búit sijn vertrokken, wij hebben ook werkelijk verschijden alhier zien passeeren, en onder anderen de vloot van de bekende Radja Hadjie bestaande in 30: Baloos, mitsgaders twee overmeesterde moorse scheepen en twee brigantijns Dat rijk word getegt dat tegens woordig sodanig geruineerd en in de grond bedurven is, dater wel eenige Iaaren vereijscht sullen worden om het weder tot sijn voorige flovisante staat te brengen: Ook meld men van daar dat de koning schoon oud en afgeleefd, nogtans op middelen bedagt schijnd om sig officatieuselijk te wreeken, hij laat ten dien eijnde, zegt men, een vloot van ruim 100: vaartuigen, in gereetheijd brengen, om daar mede Salangoor te attaqueeren en de vaart der bougineesen aller weegen te infes„ teeren, wij gelooven nogtans, dat dat meer snorkijen en Rodo„ „montader sijn, dan wesentlijke voorneemens, want hij heeft ook door een vertrouwde Moor op de cust van Cormandel bij de dienen om hulp en secours laaten versoeken, vermits de in die tijd op de quedase reede leggende Engelschen en franschen hem wijgerden te atsisteeren. En de deenen hebben ook perompt aanstend twe brigantijns met Am„ munutie en eenige wijnige koopmanschappen na derwaarts gesonden dog daar komende woeij de Engelsche vlag al, so dat sij, so sij niet al beriets vertrokken sijn geastdaags weder na huis staan te keeren, de koning heeft evenwel, so gesegt word, to Edelmoedig geweest hij al haar meede gebragt krijgstuigt en koopmanschappen van hun over„ genomen en met een goede winst betaald heeft, De Engelsche particuliere kooplieden Gowin Harop en Perdi„ „nand Ligt, bij ons voorleeden jarig schrijven vermeld, hebben bon„ gre malgre Atchien moeten verlaaten en sijn met sapk en pak van daar na queda verhuist,endie sijn het die door de intreques van eene Maria Rossel, en oud Portunger wijsf at tegenwoordig aldaar ge„ huwt is met een Engelschman in naame Francis Leijst, en die seer veel pouvoir op het gemoed van den koning heeft, sijn toestemming en permissie hebben weeten teverkrijgen om de Engelsche vlag tegenswoordig aldaar te laten waijen, maer dewijl sij daar van nu ap aan, al op deselve dispotique wijse handelen, als sij te atchien gedaan hebben, so word in 't algemeen gepretupponeerd, om dat Van Malacca Den 15 februarij 1772 Van Malacca Den 15:' Februarij 1723: — dat hun rijk daar almeede van geen lange duur sal sijn, te meer als het waar is het geen alhier gesegt word, namentlijk dat de gouverneur van Madraspatnam en Banchoele bij hunne Compagnie in Europa seer heevig over die particuliere handelaars hebben gedoleert en als schade„ lijke en pertitieuse onderkruijers van comp handel aldaar ter plaatsen hebben afgemakt Dami Cambodia is met een tamelijke sterke armatuire na trangand geweest om, so als hij ons bij een brief communiceert, Radja Ismael op te soeken, dog in er daad met een dessein om aldaar te ageeren als sijn landsluiden te queda gedaan hebben, maar de tijd van 't Jaar al te veel verloopen sijnde, ende malijers al te wel ver„ sterket vindende, is hij onverrigter saake te rug moeten keejren; op sijn equiroque en enigmaticque brief, die hij ons aangande dat voorneemen geschreeven heeft, hebben wij om ons door die loose vos niet te laten verstrikken, en ook om de neutraliteit strict te observeeren, niet noodig g'agt ons breedvoerig uit te laaten, maar wij hebben deselve eenlijk in generaale Termen beantwoord De tijdingen van riouw melden nogtans gestadig dat hij de peijs natrangano staat te hervatten en dat hij tot bereiking van sijn oogmerk sig considerabel ter secarmeerd! van de goer ap de seeleuw hebben wij nog niets vernomen of dien aan„ gaande eenig nader beschijd kunnen bekomen, en nog minder hebben wij een afschrift van hiet contract, dat volgens chrijven van Pira voor eenige tijd tusschen de Peraësen en salangoreesen aldaar geslooten soude sijn, gekreegen also den geweesen resident de wind bij sijn brief van 27: Maart 1771: sce rijft dat hij tot bemagting van dien wel alle be„ denkelijke Middelen in 't werk heeft gesteld, dog dat hem als nu versekerd is dat het selve maar bestaat in een mondelinge recipag: que belofte om malkanders Landen /(des ods / tegens alle uit treems geweld en vijandelijkheeden te beschutten en te beschermen. Het is en blijft nogtans seker dat de Bougineesen de koning van Pera hun onderling seer sterk allieeren, so door huwelijken als ander„ sints, en dat sij tegenswoordig seer eens gesind schijnen, maar het is te vreesen dat de Laast gem: iier tijd sig die nauwe verbinte„ nis Jammerlijk beklagen sal, vermits hij van sig selve niet be„ Staanbaar is tegens de magt van den bouginees en dat buiten dien die natie hem veel te slimn is, want die soekt, ja men may wel seggen heeft Pera bereets al so verre onder sijn bedwang, dat om ten eenemael meester te speelen en sijn haar aldaar alleen koning te laten kraijen, hu daar toe altans niet anders meer in de van weg 5

NL-HaNA_1.04.02_3364_0007 view scan ↗

English

From Malacca the 15th February 171:— From Malacca The 1st February Anno 1735. — appears as Company garrison, and what consequences that would have in time is not difficult to guess but very easy to apprehend, if one only attentively investigates and reflects upon the violent and restless behavior that those people have maintained both there and elsewhere for some time, and that the proud and imperious nature of the same does not allow authority anywhere to be shared with anyone. We therefore take the liberty, in response to Your High Noblenesses' questions: Whether, namely, besides the collection of tin, other reasons exist for the maintenance of that post, which make the Company's seat there absolutely necessary; Secondly, whether the contract entered into in anno 1765 with the king of that realm for the acceptance of tin could not gracefully be revoked, if in return he receives the freedom to seek an outlet for his tin elsewhere; And thirdly, whether there would not be an opportunity to sell the Perak tin here to passing foreigners at a suitable profit: We take, we say, the liberty to answer respectfully and resolutely to this, that the abandonment of that post, according to our modest opinion and slight experience, which we in all things submit to the highly insightful judgment of Your High Noblenesses, cannot occur except to the marked disservice of the Company. For thereby not only will a wide door be opened and the finest opportunity in the world be given to the Buginese to achieve his objective, namely, as we have just said, to bring the Perak people entirely under his coerced dominion, but also the English or other European nations will not fail to apply all conceivable diligence to settle themselves there promptly and as quickly as possible, or at least attempt to become masters of all the tin. Consequently, we have not yet dared to proceed with the breaking up and abandonment of that post, but have suspended action thereon pending Your High Noblenesses' further disposition and positive orders. Regarding the second, we can to our regret devise nothing more fitting or graceful than, in such a case—and if the contract must ever be revoked—simply to tell the king frankly, as the truth is, that the Company, without a reduction in the price of tin, can nowadays no longer make as much profit from it as is proper and required to make good its expenses, and that consequently a longer stay there does not accord with its interests; and then the other must follow naturally, namely to seek an outlet for his tin elsewhere, though we do not believe he will be very much at a loss for that. And as for the third, namely to sell the tin here to passing foreigners at a suitable price, this would, if such can take place, in our opinion be the best and, for the honor and reputation of the Company, the most plausible means; we say for the honor and reputation of the Company, for we leave it to Your High Noblenesses' wise judgment and renowned prudence how revoking so quickly and unexpectedly a contract that was concluded so recently, so solemnly, and with such earnest promises and assurances by us to maintain and observe the same uprightly and sincerely, and ratified by Your High Noblenesses in the hope that the compliance therewith might be constant and lasting, must produce some disadvantageous thoughts and reasonings regarding the Company among the native princes here. It is true that in all treaties, and especially in a commercial treaty, one's given word nowadays seems to need to be maintained no further than it accords with the interests of the contracting parties, and that a tacit, salutary clause always seems to be included therein, namely for as long as it is convenient, that is, that one can depart from it as soon as it no longer meets expectations; likewise that this sentiment completely corresponds with the system of most native princes themselves. But on the other hand, it is also true that this sentiment conflicts just as much with the widely renowned equity and magnanimity of Your High Noblenesses in all your dealings, as it does with old Dutch fidelity, and that the given word ought at least in some measure to be fulfilled if one wishes to claim it from others with any right and foundation. And therefore we very respectfully submit to Your High Noblenesses' consideration whether, if the aforesaid means should unexpectedly not succeed and the Company's interests nevertheless absolutely and continuously require that the contract be revoked and the post broken up and abandoned, one ought not nevertheless first to test whether the king might be inclined to an acceptable reduction in the price of tin, so that when he cannot be moved to that, as is indeed presumable, one might then with all the more grace and a fairer pretext proceed to the revocation.

Dutch transcription

Van Malacca den 15: Februarij 171:— Van Malacca Den 1: Februarij Anno 1735. — schijnd als comp besetting en van wat gevolgen dat mier tijd soude sijn is niet moeijelijk te divineeren maar seer gemakkeelijk te ap„ prehendeeren, als men maar aandagtiglijk nagaat en reflecteerd op het violenten onvustig gedrag, dat dat volk sedert eenige tijd so daar als elders hebben gehouden, en dat de trotse en imperieuse aart van deselve niet toelaat, een gesag ergens of met eimand tedeelen wij neemen derhalven de vrijmoedigheid op uw hoog Edelens vraagen of namentlijk er buiten de Thin insaam andere Redenen voor de aanhouding van die post opleijten den Comp: seet al„ daar absoluit noodsakelijk maakt Ten tweede of het in a:o 1765 met den koning van dat Rijk aangegaan contract tot de acceptatie van thin niet met gratie soude kunnen werden ingetrokken, als hij daar tegen vrijheid krijgt met sijn thin elders een uitweg te soeken En ten derde of er geen gelegentheijd soude weesen het Perase „aan de passeerende vreemdelingen teegens thin alhier een convenable winst af testaan: wij neemen, teggen wij de vrijmoedigheid daar op reverente„ „lijk en resolutelijk te antwoorden, dat de opbraak van die post, na onse gevinge opinie en klijne ervarentheid, die wij in alles „ubmitern aan dehog wijtigd evende oe oring heid van uw hoog Ed:, niet sal kunnen geschieden dan tot merke„ lijke ondienst van de comp, want daar door sal niet alleen den Bouginees een wijde deur g'opent en de schoonste occasie vande wereld gegeeven worden om sijn ookmerk te berijken, namentlijk, so als wij so even gesegt hebben, den Peraces ten eenemaal on„ der sijn bedwangen hierschappije te brengen, maar ook sullen de En„ gelschen of andere Europeese natien nit nalaaten alle bedenkelijke vlijt aan te wenden om sig peromptelijk en so hast doenlijk al„ daar ter neder te setten, ten minsten te tragten Meesters van al de Thin te worden, en mitsdien hebben wij tot de opdraak en verlating van die post voor als nog niet derven protedeeren, maar daar meede gesuper„ sedeert tot uw hoog Edelens na dere dispositie en positive beveelen, Aangaande het tweede kunnen wij tot ons Leedweesen niets gevoege„ lijker of gratieuser uit denken dan in sulk een geval / en so het Con„ tract immer ingetrokken moet worden den koning maar cordaat te seggen, so als de waarheid is, dat de comp: sonder prijs verminde„ ring van de thin in deese tijd daar langer so veel profijt niet mede weet te doen als wel behoord en tot goedmaking van har onkosten vereijscht word, en dat gevolgelijk een langer verblijk aldaar submitteeren met Van Malacca Den 15 Februarij 173: van Maccasser den 15 Februarij 1772: Malaca met haar belangen niet over een komst, en als dan moet het andere wel van selve volgen, te weeten vm e ijn thin elders een uitweg te soeken, daar wij egter niet gelooven dat hij seer om verleegen sal sijn, En wat het derde belangt, namentlijk de thin aan de passeerende vreemdelingen alhier tegen een convenable prijs af te staan, dit soude indien sulks kan geschieden, ons bedunkens, het beste en voor de zer ende reputatie van de maatschappij het gelausibelste „ t Middel, sijn, wij seggen voor de eer en de reputatie van de comp:, want wij laten het aan uw hoog Edelens wijs oordeel en beroemde prudentie op een contract dat nog so kort geleeden so solemneel en met sulke ernstige belofte en versekering van het selve opregt en sinceer te onderhouden en te observeeren door ons geslooten en door uw hoog Edelens gratificeerd, in hoope al meede dat de opvolging van dien bestendig en duirsaam mag sijn so schielijk en onverwagt in te trekken met eenige desavantageuse gedagten en Raisonne„ menten ten opsigte van de Comp: bij en onder de Inlandsche vorsten alhier moet opereeren, wel is waar dat in alle tractaaten en insonderheid in een Commercie tractaat het gegeeven woord hedendaags niet verder schijnd onderhouden te moeten worden dan voor so verre het met de contractanten haar belangen over eenkomt, mitsgaders dat „„ clausul in het selve altoos een stelswijgende salutaire ^ schijnd op geslooten, na mentlijk so lang het Convenieert, dat is dat men daar van kan afwijken so dra het niet meer aan de verwagting voldoet, item dat dat gevoelen met het sijstema der meeste Inlandsche vorsten selvs allesints sijmboliseert, maar het is daar en tegen ook waar dat dat Gevoelen also seer strijd tegens de alom beroemde Equiteit en Edelmoe„ digheijt van uw hoog Edelens in alle haare behandelingen als tegens de oude hollandsche trouw, en dat het gegeeven woord ten minste eenigermaten behoord gepresteerd te worden wil men het met eenig regt en fundament van anderen pretendeeren: En daarom geeven wij uw hoog Edelens seer eerbiedig in con„ sideratie of inden voorsz: middel onverhoopt met reusseert en dat Comp: belangen onogtans absolut en bij Continuatie vereijsschen dat het Contract ingetrokken en de post opgebrooken en verlaaten word, men alechter dan nog niet eerst behooren te beproeven of de koning niet te disponeeren sal sijn tot een onaamwaardige vermindering van prijs op de Thin, om wanneer hij daar toe niet te beweegen is, so als wel presumtief is, als dan met so vat te meerder gratie en een billijker voorwendsel tot de„ met ontrekking

NL-HaNA_1.04.02_3364_0009 view scan ↗

English

From Malacca, the 15th of February 1773. — From Malacca, the 15th of February Anno 1772: — to proceed to the revocation of the one and the breaking up and abandonment of the other, meanwhile we shall take a trial of the aforementioned measure, namely to yield the Perak tin to passing foreigners at a suitable price as soon as ever practicable, and seek to sell it with at least 5 to 6 percent net advance, although we believe that that will also be the utmost price it will be able to fetch; for, mentioned here in passing, the Perak tin, when charged with everything, namely 2 percent smelting loss, the expenses of the Company's post there, the 1 percent per picul for the governor, 1 percent for pans and molds, and 2 percent for charges on merchandise, then comes to cost the Company 49 Spanish reals, or in Dutch currency ƒ115: 17. — per bhaar; and to that end we have already also privately informed the passing Macao traders that if upon their return from the coasts of Coromandel and Malabar they wish to purchase that mineral, they can at present obtain it from us as well as from the English, and if they keep their word and cannot spend their cash on more profitable commodities, we flatter ourselves to some extent with a good success. Besides this, we trust that if the commanders of the French and English European ships, which annually pass this strait and sail to China, understand that they can obtain tin here at this place, they will prefer to buy that mineral from us rather than from the smugglers at sea; for besides that the latter is ordinarily unpurified, the delivery thereof at sea always occurs with much hazard and the purchase not seldom without fraud. Two matters there are that somewhat embarrass us: the one is that we do not rightly know how much tin we ought always to keep for the Company to satisfy the demands of the Fatherland and the Indies, and the other is the uncertainty in which we presently fluctuate concerning the tin trade itself, namely whether the same is free and open to private individuals and its export henceforth permitted to everyone, or whether it still belongs exclusively to the Company. Regarding the first, Your Right Excellencies in your missives of 15 July 1766 and 30 April 1767 did indeed fix the quantity at 40 to 50,000 lb. Perak, and 3,000 lb. Malacca in inkstands, and by letter of 15 September 1768 did write that if necessary half as much, or even less, would suffice, as well as in the last-received letter of 30 April 1771 that Your Right Excellencies are not in want of tin, especially Malacca tin, and that above all no large quantity of sows or ingots should be sent, provided that 4,000 lb. in inkstands be procured annually for the Netherlands; but in the extract from the Fatherland's demand of returns from the Indies for the year 1772, we nevertheless see that besides the aforementioned 4,000 lb. in inkstands, an additional quantity of 100,000 lb. in blocks is demanded. And concerning the second, according to the 3rd article of the extracts from the orders regarding free navigation to the east and north, the export of tin is prohibited on pain of confiscation, etc., and upon import the same must be delivered to the Company, and according to that we have hitherto always regulated ourselves; but in the further missive of 30 April 1771 Your Right Excellencies remark that the purchase, although at Company's price, of half of the salvaged 298,538 lb. of Bangka tin from the private English snow Amelia which blew up and subsequently sank, did not greatly please Your Right Excellencies and also ought not to have occurred, and that this may serve as guidance for the future. We therefore very humbly request Your Right Excellencies, firstly, that in order to prevent mistakes and misunderstandings, the quantity of the required tin, both for the Netherlands and for the Indies, be once firmly determined, so that neither in the sale here nor in the shipment to Batavia shall there be any excess, and thus no offense be unwittingly committed in the one or the other. Secondly, whether we shall have to accept at the Company's price or reject the Bangka and Ujong Salang tin which is now and then brought here by the Malacca inhabitants, who have for some time been forced to accept it in barter at the last-mentioned place (though now that the troubles in Kedah have disappeared, it is nevertheless not apparent that this will occur further); and in case of the latter, whether those people will then be permitted to seek another outlet for it and sell it at their own discretion. For if this may occur, as in our opinion it certainly may if the Company will not accept the same, we find ourselves obliged to warn Your Right Excellencies beforehand and to state that the prospect of disposing of the Perak tin with any profit will then become very slight, if not entirely lost, seeing that the Ujong Salang tin, for which no Spanish reals are required since it is paid for in rupees, and which is as good as the Perak tin, with all charges included, costs the Honorable Company no more at purchase.

Dutch transcription

Van Malaca den 15. Februarij 173. — Van Malacca Den 15:' Februarij A„o 172: — intrekking van het eene en de opbraak en verlaating van het andere over te gaan, ondertusschen sullen wij van het voorsz: middel te weeten het Peras thin aan de passeerende vreemdelingen tegens een convenable prijs ap te staan so spoedig als maar immer doenlijk is een preuve neemen, en ten minste met 5: a 6: p=r C=to zuiver avans tragten te verkopen, /:alhoewel wij gelooven dat, dat ook al de uitterste prijs sal weesen, die het sal kunnen halen, want hier ter loops gesegt het Peras thin als het met alles beswaart is, namentlijk 2 prC: smelt verlie, de lasten van comp: post aldaar, de 1: p„t Picol voor de gouverneur, 1 p„r C„t voor pannen en vormen, en 2 p:r C:, voor de ongelden op koopman„ schappen komt de comp: als dan te kosten 4: 9a: spaanse reaalen; of in nederlands geld ƒ15: 17. — de bhaar, en ten dien eijnde hebben wij de gepasseerde macaosvaarders bereets ook al onder de hand laten adverteeren dat indien zij bij hun retour van decusten van cor„ mandel en de Mallabaar van dat Mineraal willen Koopen, sij te„ „gendwoordig bij onsto wel als bij de engelschen te zegt kunnen raken, en so zij haar woord houden en haar contanten in geen voordeliger waaren kunnen besteeden, flatteeren wij ons eenigermaaten met een goed succes, Buiten dien vertrouwen wij dat als de hoofden der fransche en En„ gelsche Europische scheepen, dewelke Jaarlijks dit nauw passeeren en na Chima varen, verstaan, dat sijhier ter plaatse thin kunnen krijgen, sij die Mijnstoffe liever van ons dan van de horrendraijers in zee zullen willen koopen, want behalve dat die ordinaire ongesuivert is, so geschied de overgave daar van in see altoos met veel hasard en de koop niet selden sonder bedrog: twee saken sijn er mansctie ons eenigsints verleegen maken, het eene is dat wij niet regt weeten hoeveel thin wij voor de comp: ter voldoening van de vaderlandsche en Indische Eijsschen altoos dienen te houden, en het andere is de onsekerheid waar in wij tegenswoordig fluctueeren omtrent de thin-handel selvs, namentlijk of deselve aan particulieren vrij en open staat en op dies men uit voer voortaan ge„ permitteerd is, dan wel of deselve voor als nog privativelijk aan de Comp: behoord, Betreffende het eerte hebben uw hoog Edelens bij hoog deselver Missives van 15 Iulij 176 en 380: April 1767 de quantiteit wel bepaald op 4 â 50000 lb. sera, en 3000 l. Malas aan Inktkokkers, en bij brief van 15 Sept: 1768 wel aangeschreeven dat het / des noods met de helft, ga al waar het ook nog minder te stellen sal sijn, mitsgaders bij de laast Buijten ontfangen 13 Van Malacca Den 15:' Februarij 172. — Van Malacca Den 11:' Februrij 1732 — ontfangebrief van 30 april 17. dat uw hoog Edelens om tinen voor„ namentlijk Malas thin niet verleegen tijt, en dat voor al geen groote quantiteit aan seugen of schuiten gesonden moet worden, mits dat jaarlijks 4000 lb an iiktrokers voor Nederland besorgt worden, maar in het bestract uit de vaderlandswe Eijsch van retouren uit Jndien voor den Jaare 1772: sien wij nogthans dat buiten de voorsz: 4000 b aan Jnktkokkers nog een quantiteijt van 100000 b in blokken gevordert worden. en aangaande het tweede so is volgens het 3: Articul van de uittrecksels op de ordres van de vrije vaart om de oost en noord aen uitvoer van thin g'interdiceerd op poene van confiscatie ete; en bij invoer moet deselven aan de comp: gelevert worden en daar na hebben wij ons tot nog toe ook altoo gereguleerd, maar bij voorts Missive van 30 april 1771: merken uw hoog Edelens aan dat den Inkoop, schoon tegen Comp: Prijs der helfte van de opgegischte 298538. lb Bancas thin, uit ale in de gespronge en vervolgens gesonke particuliere Engelsche Snauw Amelia, hoog deselve niet seer gevall en ook niet had behooren te geschieden, mitsgaders dat sulks voor t vervolgtot narigt strekken kan„ wij versoeken uw hoog Edelens oversulks seer otmoedig eerstelijk dat tot voorkoming van mistastingen en Meprises de quantiteyt van de benoodigde thin so voor nederland als voor Indien eenmaal vast bepaald word op dat of in den verhoop alhier of in de versnding na Batavia niet g'excedeert en dus onweetend in het een oftandere misdaan word! Ten tweede of wij het Bancas en oedjongsalangs Ttin /: dat hier so nu dan door de Malakse Ingesetenen, die het op de Laast gem: plaats sedert eenige tijd genoodsaakt geweest sijn in troeg te accep„ „teeren, dog het werk nu de onlusten te queda verdweenen sijn mog„ tans met apparent is dat meerder sal geschieden /:word aangebragt tegens Comp: Prijs zullen moeten aanneemen of van de hand wijsen en ingevalle van 't laaste of die zinden als dan toegelaten sal mogen worden daar mede een andere uitweg te soeken en na ijge goeddunken te verkoopen: want indien dit geschieden mag, so als /:ons eragtens:/ zekerlijk sal mogen geschieden, als de comp: deselve niet accepteeren wilvindien wij ons verpligt uw hoog Ed: voor af te waarschouwen en te seggen „ met dat de apparentie om het Peras thin, eenig voordeel vande hand te setten als dan seer gering sal worden, so niet geheel vervallen, aan„ gesien het oedjongsalange thin, daar geen spaans toe vereijsent word, nadien het met ropijen betaald word, en dat so goed is als het Pevase, met alle de ongelden de EComp: inkoops niet meer testaan komt vast

NL-HaNA_1.04.02_3364_0011 view scan ↗

English

From Malacca, the 15th of February 1772. # From Macasser, the 15th of February 1772. Malacca than rd.s 39: 9:- or ƒ 0: 12:— the bhaar; and that thus the same can be delivered for a considerably lower price than the present and sold with much greater profit, as well as the Malacca inland tin, which costs the Company no more than 34 Spanish or ƒ 9:16:—, or rather properly with the ƒ 1 per picol for the Governor, Spanish 34 17/16 or ƒ 4. 6. 8 the bhaar; for the gold and tin trade we have again, in our outgoing letter, requested 75000 pieces of Spanish reals, and if the tin contract with Pera shall for the present continue to hold, we shall certainly need the same, and otherwise pro rata, for of the 50000 pieces sent to us in the past year by the ship Blijdorp and the barques de Staande Geertruida Susanna, there remains on this present date in the Company's treasury no more than 6420½ Spanish, and therefore we fear that without a speedy supply of that coin specie we shall again, as in the past year, suffer a sudden shortage thereof, and at that time, long before the arrival of the ship Blijdorp, which was on the 5th of October last, the Company was already 8000 pieces in advance; the gold assay would this year also have been somewhat more favorable for us if we had been more amply provided therewith, for from the Buginese and Achinese, as little as from those of Andragirij and Siac, is any gold to be obtained except for Spanish or linens, since in the dwelling places of those peoples no other coin is current than Spanish; and if we do not get a speedy turnaround and are not accommodated with the requested quantity, there is little hope that the collection of that metal this year will be greater, but rather fear that it will be less than in the past, since now that the coastal traders have departed, the same will surely soon begin to fall again, and yet for lack of Spanish we shall not be able to make use of that good opportunity, for with other specie little or nothing is to be obtained. We therefore very humbly request Your High Nobilities that the requested quantity of round Spanish reals may be sent to us in full the sooner the better, but we nevertheless submit everything to your own wise direction. And concluding herewith, we wish Your High Nobilities' praiseworthy Government all salvation and prosperity and remain, underneath: High Noble, Rigorous, Highly Esteemed Gentlemen and Noble Gentlemen, lower: Your High Nobilities' humble and obedient servants, was signed: Thom: Schippers, and P:s Kretschmar. In margin: Malacca, In the Castle, the 15th of February 1772. dwelling places meeting Booff From Malacca, the 15th of February 1772. From Maccasser, the 15th of February 1772. Meeting on Wednesday the 31st of July anno 1771. Absent: the senior merchant and second Kretschmar due to indisposition. Submitted to the meeting by the Governor was the translation of a letter received the day before yesterday from the Riouw Regent Daing Cambodia, containing verbatim as follows: This letter comes from a purified and white heart of Paduka Sirij Sulthan Jang di-Pertuan Muda, who is very renowned, and holds sway over the lands of Johor and Pahang; may the Lord of all this universe cause this to come into the hands of my friend, the Lord Governor, together with all the councillors who hold the distinguished rule over the Castle of Malacca, kind in their deliberations towards all their friends and allies, generous, wise, and prudent in all their dealings and in the execution of the laws, which are just, whereby they are very renowned among all the kings in Malay lands, and therefore they all together thank the Lord of all this universe and pray that they may remain steadfast in such Government, that He will prolong their days and make them favorably disposed towards all their friends and allies. Furthermore, I send these few lines, which take the place of my own person, to my friend to meet and inform his mind that I send the son of the Penghulu of Padang with a vessel to my friend, with the assurance that, as a sign of my white and purified heart, I never forget the contract entered into between us and my friend, the Honorable Company, at Linggi, namely: that the Company's friends are the Buginese's friends, and the Company's enemies are the Buginese's enemies; therefore I want to go to Trengganu to seek out my enemy Radja Ismael there, since the people of Trengganu are of one mind with him, for Radja Ismael is a son-in-law of the people of Trengganu; moreover, they have also deviated from their contract with me, and since the aforementioned Radja Ismael is also an enemy of the Company, I make this known hereby to my friend the Company, for I do not wish to bring any displeasure of my friend upon myself on account of the obligation of our contracts. Batavia is far away and Malacca is close by; if I tarry with this, I fear that it might become much worse for the Company; therefore I remind my friend of this. As soon as a decision on the contents of this has been taken by my friend, I request that the son of the Padang Penghulu be sent back to me at Riouw promptly with my friend's answer to this, to the end furthermore

Dutch transcription

Van Malaca Den 15:' Februarij 172. — # van Macasser den 15:' februarij 1772:— Malacca dan rd„s 39: 9:- off0: 12:— de bhaar; en dat dus het selve voor een Conside„ valleminaer prij als hut serade sal gelwert en met veel meer der winst verkogt kunnen worden, so wel als het Malax in Jnkstkrokers, dat de comp: niet meer dan 34: spaans of ƒ: 9:16:— , dan wel eijgenlijk met de ƒ 1: p:r picol voor de gouverneur spaans 34 17/16 of ƒ 4. 6. 8: de bhaar kost; sot den goudentim sandel hebben wij werderom bij onse afgaande bij sek versogt 75000 p„s spaanse reaalen, en wanneer het thin-contract met Pera voor als nog sal blijven stand grijpen, sullen wij deselve wel benoodigt hebben en anders pro vats, want van de 50000 ps met het schip Blijdoop en de Barcquen de Sdaende geertruida Susanna in het voorleeden Iaar ons toegesonden, resteerd op dese huidige datum in comp: cas niet meer dan 6420½ spaans, en derhalve vreesen wij dat bij een met spoe„ dige aanbreng van die Mtunt specie wij weederom als e gepas„ „seerden Iaare een schielijk gebrek daar aan sullen krijgen, en toen waren wij al lange voor de komst van het schip Blijdorp, dat op den 5: october „o leeden is geweest, de comp: bereets al 8000 p:s in verschot, de goud proeuwe soude dit jaar ook wij wat favorabelder geweest zijn indien wij daar wat ruimer van voorsien waren geweest, want van de Bougineesen en atchienders is, zo min, als van die van Andragirij en siac eenig goud dan voor spaans of Lijwaaten te krijgen also op de woonplaatsen van die volkeren geen andere Munt gangbaar is dan spans; Ensowij geenspoedig omtset krijgen en met versogte quantiteit miet gerieft worden is er wijnig hoop dat den insaam van dat Metaal in dit jaar grooter, maar wel vrees, dat die minder sal sijn, dan in het gepasseerde, vermits nu de cutwvaarders vertrokken sijn het selve sekerlijk in't kort wederom sal beginnen te dalen, en wij egter bij gebrek van Spaans van die goede occassie ons niet sullen kunnen bedienen, want voor andere Specie is maar wijnig of niets te bekomen, wij versoeken uw hoog Edelens derhalven wel seer onderdanig dat ons twoe eer hoe Liever de versogte quantiteijt rondespaanse realen compleet mag toegesonden worden, maar remitteeren onogtans alles tot hoog derselver wyse directie Ende hier mede eijndigende wenschen wij uw hog Edelens loffelijke Regeering alle heijl en voorspoed toe ende blijven /:onderstond:/ hoog Edelen gestrengen groot agtbaar en heere en wel Edele heeren /:lager/ uw hoog Edelens ootmoedige en onderdanige dienaars /:was geteekend:/ Thom: Schippers, en P:s Siretschmar /in Margine:/ Malacca Int casteel den 15: Februarij 1772:— wonplaatsen vergadering Booff Van Malaca den 15 Februarij 172: — Van Maccasser Den 15:' Februarij 172:— Vergadering op woensdag den 31: Iulij A„o 71: Absent den 5: opperkoopman en tecunde kretschman door Indispositie De door den hergouverneurter vergadering gestuibeert het vranslaat van een op eergisteren ontfangen brief van den Riouws Regent Dain Cambodia houdende woordelijk als volgt, Deese brief komt uit een gesuivert en wit heit van paduka Sirij Sulthan jang du Pertouan Moeda, die seer roemnugtig is, ende e schappije voert over de handen van Johor en Pahan, den heere van dit geheel al wil deese doen komen aan handen van omijnen vriend den heere gouverneur benevens alle de raaden, die de aan„ sienlijke heerschappije voeren over het Casteel van Malacca, goed„ aardig in hunne raadslaagen omtrent alle hunne vrienden en bondgenooten, Edelmoedig, wijs, en vermistige in alle hunne hande„ lingen en in het uitvoeren der wetten, die Regtveerdig sijn, waar door sij seer Roemwugtig sijn bij alle de koningen in Maleijtse handen en daarom sij alle tesaamen den heere van dit geheel al dan„ „ken en bidden dat sij bestendig mogen blijven in zulken Regee„ ring, hunne daagen wil verlengen en goedgunstig maken omtrent alle hunne vrienden en Bondgenooten; wijders zende ik dete weijnige regus, die de plaats van mijn Eijge Persoon vervullen aan mijn vriend om zijn wiend e moeten en kennis te geeven dat ik de soon van den Pangahoelo van Padang met Een vaartuig lot mijn vriend sende, met verseekering dat ik ten teeken van mijn wit en gesuivert Hert nooijt verget het contract ussenen wij en mijn vriend D'E Comp: tot Lingi aangegaan, Namentl: Dat Comp: vrienden Bougineesen vrienden sijn, en comp: vijanden, vijanden van de Bougi„ neesen, daarom wil ik emi an na Trangano gaan om mijn vijand Radja Imael aldaar op te soeken, alsoo het volk van Trangano met hem Eens gesindis, van radja jsmael is Eenschoon som van het welk van Trangan, daar en boven sijn sij ook van hun contract met mij afgeweken, en dewijl gemelde Radja Asmael ook een vijand van de Comp: is, zoo maake ik mijn vriend de comp: sulks bij deesen bekent, want ik geen ongenoegen van mijn vriend op mij halen wil, uit hoofde der verbintenis van onse Contracten. Batavia is ver afgeleegen en Malacca na bij soo ik hier meede talme vreese ik dat het veel Erger voor de comp: mogt worden, daarom maak ik mijn vriend sulks indagtig, soo dra over den jnhoud deeses bij mijn vreend Een besluit is genomen, ver„ soeke ik de zoon van de Padangse Pangahoelo spoedig na riouw aan mij te rug te senden met mijn vriends antwoord op deese ten wijders eijnde

NL-HaNA_1.04.02_3364_0013 view scan ↗

English

From Malacca, the 15th of February 1772: From Malacca, the 15th of February 1772: in order that I may learn the decisions of my friend, since I myself intend to depart for Trangano in the coming month. I pray to the Lord of all this universe that His supreme goodness may prolong my friend's days in this world and keep him enduring in the Malacca government. Tamat. Beneath stood: written in the year 1185, on the 27th day of the month Auwval, on Wednesday in the forenoon. Lower down: that is the 10th of July Anno 1771, translated according to the statement of the sworn interpreter Codja Machometh by me. It was signed: E. C. Schrevelius, First Clerk. In the margin: signed for the translation with some Moorish letters. Whereupon, having deliberated and taken into consideration the ambiguous and intricate contents thereof, and that he thereby and with the requested reply thereto seems to aim at nothing else than, through such an intrigue, not only to embroil this government unnecessarily in difficulties, but also, if possible, to disturb and unrest again the peace and tranquility presently prevailing here; likewise his immoderate lust for power and passionate desire to drive the Malays everywhere in these surroundings out of their settlements and totally ruin them, to make them completely powerless, in order to be able to command over them absolutely and unboundedly both at Riouw and elsewhere in this region, and to make the power of the Bugis—which is currently already great and formidable enough, indeed has become quite redoubtable in this strait for some time—even more formidable, and to nestle and expand themselves more and more therein; it has therefore, for the aforementioned and other reasons and considerations which need not all be cited here, been approved and resolved to reply to the aforementioned letter in a friendly and polite manner, yet only with general words and expressions, and that in the following manner: The Honorable Thomas Schippers, Governor and Director of the state and the Castle of Malacca, together with his councilors, wish your highness much prosperity and a long and happy life on earth. The letter which your highness has pleased to send to the Governor and his Councilors with the son of the Pangahoehoe of Padang, I have duly received. The contents thereof were particularly pleasing to the Governor and his Councilors, for it appears therefrom that your highness has not yet forgotten, and will never forget, the contract concluded between the Company and your highness at Zinge. The Governor and his councilors assure your highness that, if if such happens, the Company on its side will likewise never deviate therefrom. As regards Radja Ismael and the people of Trangano, the Governor and his councilors are willing to admit that, if all the rumors currently spread about them everywhere are true, they act very badly. It were therefore to be wished that they could be thoroughly convinced of this, and that they would listen to the good admonitions given to them; and to achieve this, the Governor and his councilors testify that they gladly wish to cooperate and do everything in their power amicably, for they desire nothing more ardently than a sincere friendship and good trust between the Company's friends and allies, and a lasting peace and tranquility, for disputes and quarrels are always harmful, especially for land and people, and ruinous; whereas on the contrary, a quiet and undisturbed trade makes a country mighty and a people rich. Wherewith the Governor and his councilors once again wish your highness a happy and long-lasting reign, as well as a long life on this earth. Tamat. Beneath stood: Malacca, in the Castle, date as above. It was signed: Thom. Schippers, M. Gargon, A. H. Werndlij, Daniel Abraham de Neufville, A. F. Lemker, and H. Cassa. Beneath stood: Agrees. It was signed: C. Schrevelius. Lower down: Examined. Signed: D. van Dwall, D. V. Seluarng. Examined. Incoming Secret Letter from Java's Northeast Coast No. 62 No. 62 Batavia, To his High Nobility, The High Noble, Right Honorable, Highly Venerable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor General, together with the Right Noble Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Right Honorable, Highly Venerable Lord, and Right Noble Lords! I have found myself honored, one after another, by your High Nobilities' very respected separate dispatches of the 4th of November and 27th of December 1771, likewise the 11th of February of this year, and alongside the first, also received the secret resolution of the 27th of September of the past year, containing your highest dispositions and decisions upon the memoir presented by my predecessor in the government here, the Right Noble, Right Honorable Lord Johannes Vos, Extraordinary Councilor of the Indies, to me.

Dutch transcription

Van Malacca den 15 Februarij 1772: Van Malacca Den 15 Februarij 1772: eijnde rk de besluiten van mijn vriend verneemen mag dewije ik selfs in de aanstaande maand na Trangano wil vertrekken. Ik bidde den heere van dit gehee al dat sijne algoedhuijd mijn vriends dagen wil verlengen in deese waereld en bestendig wil laaten in de Ma laxe regeering, Thamat /onderstond/ geschreeven in 't jaar 1185 den 27 dag van de maand Auwval, op woensdag des voormiddags, /:lager:/ dat is den 10 Julij Ao 171, getranslateert volgens opgave vanden getwooren tolk Codja Machometh door mij /:was geteekend:/ E: C: schrevelius E g: Clercq /: in margine / voor de vertoli„ king geteekent met eenige moorse letters waar op gedelibereert en in aanmerking genomen sijnde de ambique en intricate inhoud van deselve, en dat hij daar meede en het versogte antwoord daar op niet anders schijnt te buteeren dan om door sulk een intreque deese regeering niet alleen buiten noodsakelijkheijd in omoeijelijkheeden in te wikkelen omaar ook om de tegenswoordig alhier heerschende rusten tranquiliteit, was doenlijk wederom te turbeeren en te ontrusten, Item sijn ommatige heersch higt en driftiq: begeerte om de Maleijers aller weegen hier omstreekes uit hunne besettingen ruineeren te gagen en totaal te eeren, op gantsch magteloos temaaken om zoo wel te Riouw als Elders in deesen oord volstreckt en onbepaald over hun te kunnen gebieden en de magt der Bougineesen, dewelke tegenswoordig al bereets groot en gedugt genoeg, sa zedert Eenige tijd al vrij ontsaggelijk in deese straat is geworden, nog redoutabelder te maaken en sig meer en meer daar in te Nestelen en uit te breiden, soo is, om de voorsz: en meer andere Reedenen en Consideratien niet no„ dig deselve hier alle aan te haalen goedgevonden en verstaan op voorsz: brief wel vriendelijk en beleefd dog egter maar met algemeen woor„ den en uitarukingen te rescribeeren en dat wel op de navolgende wijse A:r Thomas schippers gouverneur en directeur van destaat en het Casteel Malacca, benevens sijne raaden, wenschen uw hoogheijd veel voorspoed en een Lang en gelukkig heeven op der aarde de brief, dewelke uw hoogheijd aan de gouverneur en sijne Raaden hebben gelieven toe toe te zenden met de zoon van den Pan„ gahoehoe van Padang, heb ik behoorlijk ontfangen, Den inhoud van dien is den gouverneur en sijne Raaden bij„ sonder aangenaam geweest, want daar uit blijkt dat uw hoogheijd het Contract, dat tusschen de comp: en uw hoogheijd tot Zinge geslooten is, nog niet vergeeten sijt en ook nimmer vergeeten zal Den gouverneur en sijne raaden verseekeren uw hoogheijd dat om omndien „ Van Malacca den 15 Februarij 178: indien sulkis geschied de comp: aan haar zijde daar van ook nimmer sal afwijken wat radja Jsmael aangaat en het volk van trangano soo willen den gouverneur en sijne raaden graag bekennen dat, indien alle de geruigten waar sijn, die tegens„ woordig van hun allerweegen verspreijd worden, deselve seer slegt handelen, het was derhalve te wenschen dat sij hier van eens ter deegen overtuijgd konden worden en dat sij na de goede vermaningen, die hun gegeeven worden, wil„ „den luisteren, en om daar toe te geraaken betuigen den gouverneur en sijne raaden gaarne te willen helpen meede werken en in der minne alles doen wat in hun vermoogen is, want sij niet vuriger begeeren dan een opregte vriendschap en een goed vertrouwen tusschen Comp: vrienden en bondgenooten, en een bestendige rust envreede, want twitten en kra„ keelen sijn altoos schadelijk, aselvs voor Land en volk e rarfelijk daar inteegendeel Een stille en ongestoorde handel een Land magtig en een volk rijkt emaakt, waar mede den gouverneur en tijne raaden uw hoogheijd nogmaals een gelukkige en Langduurig regeering, mitsgaders een lang zeeven op deeser aarde toewenschen Tamat /onderstond/ Malacca in 't Casteel dato voorsz: / was geteekend/ Thom: Schippers - - M: Gargon AH: werdrdlij Daniel A„m de Neufville A: F: Lemker en H Cassa /onderstond/ Accordeert /was geteekend / C: Schrevelius /:Lager / Nagesien /geteekend:/ D v:n Dwall, D V Seluarng Nagezien Inkomend Secreet Brieff=r van Jarens Oostken N: 62 N:62 Batavia, Aan zijn Hoog Edelheid Den Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtb. Heer Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur Generaal, nevens de welEdele Heeren Raaden van Nederlands Indië. Hoog Edele Gestrengen Grood Agtbaaren Heer, en welEdele Heeren! Ik heb mij na den andere vereerd gevonden met over Hoog Edelheden zeer gerespecteerde aparte Missives van den 4: November en 27: December 1771:, item 11: februarij deezes jaars, mitsgaders nevens de eerste ook ontfangen de secreets Resolutie van den 27: september anno passato, houdende Hoogst- derzelver dispositie en besluiten, op de Memorie, door mijn predecesseur in het Gouvernement alhier, dan wel Edelen Gestrengen Heer Johannes vos Raad Extraordinair van Jndie aan mij

NL-HaNA_1.04.02_3364_0023 view scan ↗

English

left to me; and I shall not fail to comply with Your Right Honourables' honoured wishes, so that in addition to those resolutions, all the other points contained in the aforementioned memorandum that were not cited in the Resolution may serve me for reflection, or as a rule and guide, as circumstances may require. I shall therefore also endeavour to make use of the prescribed means for populating and reviving Balemboangang, and thus also of Your Right Honourables' authorization to provide two Spanish reals to each of the first 200 households inclined to move there as an encouragement, as soon as that district enjoys peace once more. This is although I dare promise myself little success from it, now that it has become apparent in hindsight that most of the households previously departed thither had settled in Sentong and at other places along the way, and the aversion born of superstition will certainly be even greater now than it was then. But on the other hand, because Your Right Honourables' order not to proceed with the apprehension and deportation of the Balinese or other persons still residing there except in the case of utter necessity promises a better effect, I have also communicated the same to the Commander Luzac, with the recommendation to take care that such inhabitants as return to submit themselves are accepted and treated gently to prevent their departure elsewhere. The number of vessels for Balemboangang stipulated in Your Right Honourables' aforementioned secret Resolution of 27 September 1771 being insufficient, especially as long as the unrest continues, and the withdrawal of the redoubt at Cotta presently being just as inadvisable as prescribing any limitation in title or income to the provisional second Regent Jaxa Nagara, now that he actually functions alone and gives satisfaction on account of the arrival hither of the first Carta Nagara, and furthermore since the requested considerations as to what contingent could be imposed upon Lamadjang cannot be supplied for the present either, because that district has lost much time and, through the continual furnishing of men to keep an eye on Noetta and guard the borders, agriculture there has fallen very far behind, I most respectfully request Your Right Honourables to be allowed to suspend all of this as well until after the end of the troubles, and that I shall then be in a position to submit my thoughts on the matter, as well as there brought hither in June of last year, being subsequently further provided for on this matter with Your Right Honourables' approval. The newly confirmed Regent of Malang, Rongo Lawe, has, on the other hand, been imposed with the annual obligation of 10 coijangs of rice and Tjatjas money for 2000 households, and came over hither in the past month to take the oath and receive his deed. But since he has made himself particularly suspect for some time by his indifferent behaviour; by receiving emissaries who pretend to be from Pangerang Mancoenagara, though in my opinion they must have been sent by someone else; and by maintaining correspondence with the chiefs of the Sultan's districts Rawa and Calambret without giving notice thereof; as well as lying under heavy suspicion of having granted shelter to and colluded with the vagrants Thoijalond, former Regent of Banger and Lamadjang, who, besides the crimes for which he was detained by the Landraad, escaped from here with the chains after the massacre of three persons in the spring of 1771, and Soemonogoro, former chief at Antang, who is said to be a descendant of Soera Pattij and was therefore committed by the Passoeroewang Commandant and by the aforementioned Commander upon his last arrival, but made himself a fugitive before he was properly handed over and detained; since even one of the latter's concubines with two children was discovered in Rongo Lawe's Dalm after his departure hither, removed therefrom, and brought to Sourabaija, I have to this day withheld his deed and kept him here. This is all the more so because one may expect little favourable from him on account of his descent and upbringing, as his father, the former Pepattij of Sourabaija, having alienated himself from the Company during the war, was subsequently strangled, and his father is said to have made an oath over him and his children never to be faithful to the Company. Furthermore, Rongo Lawe himself, having been brought up in Antang among the rebels of that time, has also already given evidence of harbouring no goodwill toward the European, by forbidding in his districts anything to be sold to the garrison. All this appears in greater detail in the accompanying annexes under Z: A:, and prompts me to take the liberty to await Your Right Honourables' further pleasure concerning that Regent before I deliver him his deed.

Dutch transcription

mij nagelaten; en ik zal niet ingebreeke bij wen, te voldoen aan uwer HoogEdelheeden geeerde begeerten om nevens die besluiten, ook alle de overige poincten in de memorie voormeld vervat, die bij de Resolutie niet zijn aangehaald, mij tot speculatie, of tot een regel en rigtsnoer, naar dat de zaaken het ver„ eisschen, te laaten, strekken. Ik zal dan ook van de voorgeschreven midddelen ter bevolking, en weder in fleur brenging van Ba„ lemboangang, en dus ook van uwer Hoog Edelheeden qualificatie, om aan ieder van de eerste 200: huis ge„ zinnen dewelke genegen zijn hun derwaarts te begeeven, twee spaanse reaalen te verstrekken, zoo draa dat district weder rust geniet, ter aanmoe„ diging gebruik tragten te maaken, alhoewel ik er mij weinig succes van durve belooven, nu van agteren gebleeken is, dat de meeste van de bevoorens derwaarts vertrokken wuisgezinnen te Sentong, en op andere plaatzen onderweegs haar hadden neder gezet, en zekerlijk de aversie in't bijgeloof gebooren, tans nog grooter don toen wezen zal maar daar en tegen de ordre ower Hoog Edelheeden, om tot de op„ vatting en overzending van de daar nog gezeten Ba„ liers, ofte andere perzoonen niet als bij de uitterste noodzakelijkheid overtegaan, beeter effect beloven„ de, heb ik dezelve ook den Gezaghebber Luzac mede gedeeld, met recommandatie om zorge te draagen dat zulke der jnwoonders, die zich weder komen onderwerpen, aangenomen, en ter voorko„ ming van verwijdering naar elders, zagt be„ handelt worden. Het bij opgemelde vwer Hoog Edelheden secreete Resolutie van den 27: september 1771: bepaalde getal vaartuigen voor Balemboangang, vooral, zoo lange de onlusten duuren niet toerijkende, en de intrek„ „king der sterkte te Cotta tegenswoordig zoo men raadzaam zijnde als om den provisioneel tweeden Regent Jaxa Nagara, eenige beparling in titul of Jnkomsten voor te schrijven, nu hij mits de over„ komst herwaards van den eersten Carta Nagara actueel alleen fungeerd en genoegen geeft, mitsga„ den de gevorderde consideratien, wat Lamadjang voor Contingent zoude kunnen worden opgelegt voor als nog ook, om dat dat district veel tijdt, en door het Continueel fourneeren van volk, ten einde op Noetta een oog te houden, ende Limiten te bewaaken, den Landbouw daar zeer veragterd, niet te suppediteeren weezende, verzoek ik vrer Hoog Edelheeden eerbiedigst, met met een en ander ook al te mogen supercedeeren, tot na het eindigen der troubelen, en dat ik dan instaat zal zijn mijne gedagten daar omtrent voor te dragen, mitsgaders mede daar in Juni des voorleeden Jaars herwaards gebragt, daar op met ower Hoog Edelheeden goedvinden, na„ der zal weezen gemunieerd, Den nieuw bevestigden Regent van Malang Rongo Lawe, is, daaren tegen de Jaarlijksche verplichting van 10: Coijangs rijst, en voor 2000: hunsgezinnen Tjatjas geld opgelegd, en inde voorleden maand her„ waarts overgekomen om den Eed te doen, en zijne acte te ontfangen, maar alzoo hij zich door zijn onver„ schillig gedrag zedert eenigen tijd, en wel inzonder„ heid suspect heeft gemaakt; door het ontvangen van sendelingen, die, voorgewen van Pangerang Mancoenagara te zijn dog na mijn gedagten van een ander moeten gezonden weezen, en het hou„ den van Correspondentie met de hoofden van 's sul„ „thans districten Rawa en Calambret, zonder daar van kennisse te geven, mitsgaders ook onder hevige suspecie legd, van de swervers Thoijalond gewezen Regent van Banger en Lamadjang, die boven de misdaden waarom hij t den Landraad was gedetineerd na het masacreeren van drie per„ zoonen in het voorjaar 1711: met de breijen al„ hier is ontvlugt, en Soemonogoro, geweezen hoofd te Antang, die gezegd word een afstammeling van Soera Pattij te weezen, en daarom door den Papserouang Commandant opgelegd, en door den gezaghebber voormeld bij zijn laatste komst maar, voor dat hij behoorlijk overgegeven en gedetineerd was, zich mede heeft fugatief ge„ stelt; schuilplaats te hebben gegund, en met hun te heulen, dewijl zelfs een van des laatstens bij wijven met twee kinderen in Pongo Lawes Dalm, na zijn vertrek herwaarts ontdekt, daar uit geligt, en naar Sourabaija gebragt zijn, heb ik zijn acte tot heeden aan- en hem hier gehouden, te meer nog om dat men uit hoofde van zijn af„ komst en opvoeding weinig favorabels van hem verwagten mag, door dien zijn vader geweezen Pepattij van Sourabaija in den oorlog, hen van de Compagnie verwijderd hebbende vervolgens ge„ stranguleerd is, en zijn vader een Eed over hem en zijne kinderen zoude hebben gedaan van nim„ mer de Comp: getrouw te zijn, mitsgaders Rongo Lawe zelfs, in Antang onder de Rebellen van dien tijd opgebragt zijnde, ook reeks blijken gegeven. heeft van den Europees geen goed hart toe te dragen, met in zijne districten te verbieden van niets aan de bezetting te verkoopen, invoegen het een en anders omstandiger bij de onder Z: A: nevensgaande Bij„ laagen Consteerd, en wij de vrijheid doet gebruiken vwer Hoog Edelheeden nader goedvinden omtrent dien Regent, voor dat ik hem zijn acte afgeve in

NL-HaNA_1.04.02_3364_0025 view scan ↗

English

and allow him to depart, to request most respectfully, as it does not appear advisable to me, subject to their wiser judgment, to entrust him any longer with the administration of the remote districts of Malang and Antang, but that prudence requires him to be removed, and even, in order to prevent evil consequences, to be removed from this coast to elsewhere; in which case I believe I may propose with confidence to Your Excellencies as his successor the provisional First Regent of Balemboangang, Carta Nagara, who is currently also present here; because, as I already had the honor to note in my humble letter of the 13th of January last, he distinguished himself particularly well, both in the capture of Praboedjako and his followers, and in the conquest of Malang and Antang. And since, with regard to the aforementioned wanderers Djoijolono and Tumoragoro, some reports also maintain that their hiding place was granted in the Emperor's land, and indeed not far from Souro Carta, or properly speaking under Pangerang Mancoenagara, I have not only written to the Resident Straalendorff to inquire after them with the utmost circumspection, as well as into how far credit is merited by the rumors that some of the Emperor's people, and also of the aforementioned Pangerang's people, were in motion in the lands near the Company's conquests in the east, and why Radeen Tommongong Soera Brato, Regent of the Susuhunan's district of Pranaragara, had inquired by letter of Bangil's Ingabij into the condition of the rebels, with a request for two emissaries in order to be able to send them with two of his own to Balemboangang to survey the state of affairs there; but I have also at the same time ordered him, upon discovery of those wanderers, to reclaim them, and upon finding that the aforementioned rumors are true, to give notice thereof to the Emperor, with the assurance that I place so much trust in his goodwill that I remain persuaded that everything occurs without his prior knowledge, and then to request to know why his peoples are in motion, and whether the inquiries of Pranaragara's Regent occurred by his order. I doubt this latter very much, and the movement of any people will apparently occur in order, just as in the previous year, to occupy all roads and approaches from the Emperor's lands around that region with a good intention. The contingent of Passarouang's Regent Niti Nagara has been increased for the district of Porong with 10 coijangs of rice and 39 Spanish reals in tatjas money, and the Surabaja Captain of the Chinese, Wang Woeijko, expresses his gratitude for the favorable transfer to him in lease of the district of Panaroekan, but also at the same time most respectfully implores Your Excellencies that, in consideration of the fact that this district has for a large part been depopulated by the troubles, and furthermore has suffered much and still suffers daily from the wandering Madurese and other auxiliary troops, the lease and thus also the payment may be calculated to commence with the last day of December of this year; which petition, on the equitable grounds upon which it rests, I consider myself obliged to submit to Your Excellencies and to request that a favorable consideration may be given thereto. The patih Radeen Poelang Djima, who was re-assigned to the Sumenep Regent, having thus far satisfied expectations, I have recently confirmed him in the hope of Your Excellencies' approval, and as he in person, as well as the Regent through him, and further by letter, have urgently requested that the latter's brother, the Aria Sararedja, who conducts himself quietly and well here, might be permitted to return to Sumenep, with the addition that they held themselves responsible for him and his conduct, I have considered it my duty to submit that petition to Your Excellencies herewith, since I can foresee no evil consequences therefrom now that the new patih pays close attention to everything. From the description of the Company's buildings at this place, in the aforementioned memorandum, it can sufficiently be gathered that the Governor's residence in its present state is uninhabitable; and from the report of the Engineer Haak, now presented to Your Excellencies alongside the aforementioned letter of today, regarding the inspection of that property and other buildings in the presence of two commissioned Council members, it will be evident to Your Excellencies that this residence, built more than 20 years ago and already having cost 23,500 rixdollars besides ordinary repairs, requires a complete renewal in many places as well as capital repairs in others; and the costs for this are estimated at 7,993 rixdollars and 5 stuivers; but now that Your Excellencies have been pleased to resolve to leave that residence in its present state, in order only to serve for an accommodation in time of necessity, and thus to permit me to live outside it, the repairs that ought most necessarily to be done so as not to allow it to fall entirely into decay, according to my calculation, will be able to be made good for a fourth of that sum, if not less; but since

Dutch transcription

en laat vertrekken, eerbiedigst te verzoeken, alzo het mij, met onderwerping aan hoogst derzelver val wijzer oordeel, niet raadzaam voorkomt, hem lan„ „ger de beheering der afgelegen districten Malang en Antang toe te vertrouwen, maar dat de voorzig„ tigheid vorderd hem te dimoveeren, en zelfs om kwaade sequelen te prevenieeren van deeze kust naar elders te verwijderen; in welk geval ik ver„ meene niet gerustheid tot zijn vervanger vre HoogEdelheeden te mogen voordragen, den tans hier ook aanweezend zijnde provisioneelen Eersten Regent van Balemboangang Carta Nagara; om dat hij gelijk ik reeds de eere had bij mijne onderdanige van den 13: Januari Jongstleeden te noteeren, zich bizonder heeft gedistingueerd, zoo wel inde agterhaaling van Praboedjako ende zijne, als bij de overmeestering van Malang en Antang. En dewijl met betrekking tot opgemelde swer„ vers Djoijolono, en Tumoragoro, sommige berigten ook willen, dat hun schuilplaats in 's keijzers land, en wel niet verre van souro Carta, of eigentlijk onder Pangerang Mancoenagara wierd vergund, heb ik het opperhoofd Atraalendorff, niet alleen aan„ geschreeven na hun met de uitterste circumspectie, zoo wel te inquireeren, als in hoe verre geloof meri„ werden de gerugten dat eenige van des keijzers, en ook van des opgemelden Pangerangs volkeren, in de Landen na bij 'tCompagnies conquesten om de oost, in beweeging waaren, en waarom Radeen Tommongong soera Brato, Regen van soesoehoenangs district Pra„ naragara, met een brief bij Bangils Jngabij zich had geinformeerd na den toestand der Gebellen, met verzoek om twee sendelingen, ten einde die„ met twee der zijne naar Balemboangang te kun„ nen zenden, om aldaar den staat der zaaken op te neemen; maar hem teffens ook gesemandeerd om bij ontdekking dier swervers, dezelve te recla„ meeren, en bij bevinding dat de geruchten voormeld waarzijn, den keijzer, onder verzekering dat ik zoo veel vertrouwen in zijne welmenendheid stelle, dat ik mij gepersuadeerd houde, dat ik alles buiten zijn voorweeten geschied, daar van kennisse te ge„ ven, dan wel te verzoeken te mogen weeten, waarom zijne volkeren in beweeging zijn, en of de enquesten van Tranaragaras Regent op desselfs ordre zijn geschied. Aan dit laatste twijffele ik zeer, en de beweeging van eenig volk, zal apparent geschieden, om even als in den voorleeden Jaare alle we„ „gen en toegangen uit des keijzers landen om dien dord, met een goed oogmerk te bezetten. Het Contingent van Passerouangs Regent Niti teerden Nagara Nagara, is voor het district Porong met 10. Coijangs Rijst en 39: spaanse realen Tatjas geld vermeerderd en den sourabaijas Capitain de Chineesen Wang Woeijko be„ tuigd zynen dank, voor de gunstige afstand aan hem in huur van het district Panaroekan, maar smeekt vw Hoog Edelheeden ook teffens zeer eerbiedig, dat in't Conside„ „ratie dat district door de troubelen voor een groot gedeelte ontvolkt is, en boven dien door de heer en weer trekkende Madureesen en andere hulptroepen veel geleeden heeft en nog dagelijks leijdt, de huur endes ook de betaaling mag gereekend worden inte gaan met ult=o December van dit Jaar: en welke instantie om de billijke gronden waarop dezelve rust, ik mij verpligt achte vwer Hoog Edelheeden te mogen voordragen en te verzoeken dat daarop eene genstige reflectie mag geslaagen worden. Den Sumanaps Regent. weder toegevoegden bepattij Radeen Poelang Djima, dus verre aande verwagting voldoende het ik in hoope vooer Hoog Edelheeden approbatie orlangs bevestigt, en deezen mij in perzoon, zoo wel als den Regent door hem, en nader bij brieve instantig ver„ zogt hebbende, dat des laasters Broeder den Aria Sa„ „raredja, die zich hier stil en wel gedraagd, mogt wer„ den gepermitteerd naar Sumanap te rug te keeren, met bijvoeging, dat zij zich voor hem en zijn gedrag ver„ antwoordelijk stelden, heb ik het van mijn pligt geagt die instantie ower Hoog Edelheeden bij dezen voortedragen, dewijl ik daar uit nu den nieuwen Eepattij op alles goede agt slaat geene kwaade gevolgen kan voorzien. Wit de beijen van 'sComp=s gebouwen te deezer. plaatze, bij de opgemelde memorie, is genoegzaam op te maaken dat des Gouverneurs wooning in haare tegenswoordigen staat onbewoonbaar is; ons bij het thans nevens gem:e Letteren van heden vwer Hoog Edelheeden aangeboden wordende rapport van den Jngenieur Haak, wegens den opneem, ten overstaan van twee gecommitteerde Raadsperzoonen van dat Effect, en andere gebouwen, zal hoogst dezelven Consteeren, dat deeze voor ruim 20: jaaren gebouwde en buiten ordinaire reparatien reets rd=s 23500:— kostende wooning, op veele plaatzen eene finaale vernieu„ „ing mitsgaders op andere Capitaale reparatien nodig heeft; en de kosten daar toe begroot worden op rd=s 7993: 5: dan nu vwer Hoog Edelheeden hebben gelieven te besluiten, die wooning in zijn presente staat te laaten, ten einde maar alleen voor een in„ trek in tijd van noodzakelijkheid te dienen, en mij alzoo te permitteeren, daar buiten te woonen, zullende reparatien, die om dezelve net geheel te laaten ver„ „vallen echter aller noodzakelijkst behooren te worden gedaan, na mijne reekening wel voor een vierde van die som zoo niet minder goed temaken zijn maar voortedragen nadien

NL-HaNA_1.04.02_3364_0027 view scan ↗

English

Since I, on the other hand, am obliged to incur some extra expenses on the country house named Zigt-Rijk, taken over from the Right Honorable Mr. Vos aforesaid and newly built up from the ground, in order to bring it into a condition suitable for permanent residence, and especially to provide it with the necessary outbuildings, I take the liberty herewith most humbly to request Your High Nobilities for an equally favorable ruling concerning this building, completely without prejudice and expense to the Company, as Your High Nobilities were pleased to make in the year 1765 not only regarding the Resident's dwelling at Cheribon, but even two gardens and the inn there, and accordingly to establish that henceforth the incoming Governor shall always be as much obliged to take over, as the outgoing Governor shall be to hand over, the aforesaid country house Zigt-Rijk with its appurtenances and dependencies for 17 to 18000 rixdollars, above which sum it will still cost me a considerable amount, provided that the current owner shall be obliged to keep it in good condition and preserve it from decay. The minister Cornelis Coetzier is and was, in accordance with Your High Nobilities' intention, continually encouraged to continue in his office at least for the time being; but as he, on account of his advanced age, persists in his inclination to repatriate, and will undoubtedly also submit a request to that effect this year, whereby this coast will then be deprived of a minister, I very respectfully petition Your High Nobilities in anticipation that the congregation may be favored with a minister. The collection of all products, and therefore also of the cardamom, I shall pursue by all possible means and ways with all seriousness, as my duty entails; and to Your High Nobilities' honored order to reduce the number of cornets by one upon a vacancy among the dragoon officers at the Courts, I would also already have complied, were it not that at Soerakarta with the chief there are only five, and at Djocjocarta no more than four officers, and these are necessary at both places because at all ceremonies or whenever the Emperor or the Sultan appears in public, three officers must parade before the front, and a fourth always has the guard at the Dalem, while in such a case the chief Straalendorff cannot be counted upon, as he is then in function alongside the Prince himself. For which reason, apparently, by general letter of 29 July 1767, Your High Nobilities also permitted one cornet above the stipulated number of four officers when the Captain acts as chief; and thus I request Your High Nobilities that the number of officers among the cavalry at the Courts may be left on the present footing. From the beginning of my arrival here, I have applied everything possible toward settling the mutual disputes of the Princes concerning the exchange of the villages that one possesses from the other, but to date I have made little progress therein, both because the Sultan, whose ministers appear to me in this matter quite as shrewd as those of the Emperor, however accommodating he otherwise seems willing to be, cannot decide to renounce the land of Pamalang, probably because Pangeran Mankoenagara has it in possession, without getting Setenang back, and because almost daily now the one and then again the other comes forward with new exceptions and claims, which are indeed of no importance, but nevertheless delay the settlement of the principal matter, and will probably prevent me from completely finishing this affair in accordance with Your High Nobilities' intention upon my upcoming visit to the Courts. To this end, however, I shall employ everything that is useful and seems practicable, and the commissioners, both from the Company and from the Emperor and from the Sultan, are presently engaged in surveying the lands of Kadoe and Bagelen and investigating what belongs to each Prince and what they actually possess. Meanwhile, the mutual harmony of the Princes, and particularly their goodwill toward the Company, appears so well-founded that thus far I can foresee no evil consequences from these disputes. The Emperor, whose consort is in the seventh month of pregnancy, having sent to ask me for 150 straight cutlasses or naval sabers with iron hilts for his Tentomes or so-called dragoons, I ask Your High Nobilities' permission to present these to the Prince, or else otherwise to discount them for the purchase price. And the Sultan recently not only caused a band of Kramans, who had already carried out several raids in the districts from Kaliwoengoe to Paccalongang and repeatedly retreated into his lands, to be tracked down, attacked, and on that occasion killed many of them, including their leader, but even sent to me upon the first demand one who was taken alive and was a subject of the Company. This Prince having shortly before sent to ask me through his Prime Minister for 5000 round Spanish reals,

Dutch transcription

nadien ik daar en tegen gehouden ben, om aan het van den welEdelen Gestrengen Heer vos voormeld, overgenomen, eerst uit de grond nieuw opgehaalde buiten huis, tan zigt-Rijk genaamd ten einde het tot een permanent verblijf in staat te brengen, eenige extra kosten te moeten doen, en wel voornamentlijk, om het van de noodige bijgetouwen te voorzien, onder„ wende ik mij bij deezen vwer Hoog Edelheeden onder„ danigst te verzoeken, om eene geheel buiten pre„ Juditie en Lasten der Maatschappije, gelijk gunstige dispositie over dit gebouw, als hoogst dezelven in 't Jaar 1765: niet alleen omtrent des Residents woo„ „ning te Cheribon, maar zelfs ook twee Tinnen ende Herberg aldaar hebben gelieven te nemen, en over„ zulks te statueeren, dat voortaan altoos den aan„ komende - zoo wel gehouden zal zijn tot den over„ neem, als den afgaande Gouverneur tot de overgave van het voormelte Buitenhuis zigt-Rijk met dies-ap-en dependentie voor rd=s 17: â 18000: /: boven welke somma het mij nog vrij wat zal komen te kosten:/ mits den artueelen eigenaar verpligt zal weezen, het in goeden staat te houden, en voor verval te bewaaren. Den predikant Cornelis Coetzier is, en werdt Conform voer Hoog Edelheeden intentie tot Continuatie in zijn beroep ten minsten nog voor eerst steeds aange„ moedigt, maar alzoo hij uit hoofde zijner hooge jaaren, bij zijn inclinatie, om te repatrieeren per„ sisteerd, en ongetwijffeld ook daar toe in dit jaar verzoek zal doen, mitsgaders men dan op deeze kust van een Leevaar zal ontstooken raaken, suppliceere ik uwe Hoog Edelheeden bij articipatie zeer Eerbiedig, dat de gemeente met een predikant mag begunstigd worden. Den inzaam van alle producten en des ook van de Cardamon, zal ik door alle mogelijke middelen en wegen niet allen ernst, zoo als mijn pligt mede brengd betragten; en aan vwer Hoog Edelhee„ den g'eerde ordre, om bij vacature onder de Dragom der officieren, aan de Hoven het getal van de Cornels met een te verminderen, zoude ik ook al voldaan hebben, was het niet dat er besoura Carta met het opperhoofd maar vijf, ente Djoejocarta niet meer dan vier officieren, en deeze op beide die plaatzen nodig zijn, om dat bij alle plegtigheeden of wan„ neer den keijzer of den zulthan in het publicq verscheind, drie officieren voor het front dienen te paradeeren, en een vierde altoos de wagt aan den Dalm heeft, mitsgaders in zoo een geval, op het opperhoofd Atraalendork niet kan gerekend word, als dan bij den vorst zelve in functie zijnde om welke reeden apparent ook door vwe Hoog Edelheeden moedigt bij 11 43 bij gemeene letteren van den 29: Juli 1767 is toegestaan een Cornet boven het bepaalden vier=tal officieren, wanneer den Capitain als opperhoofdageerd, en dus verzoek ik ower Hoog Edelheeden dat het getalder officieren onder de Cavallerij aan de Hoven, op den presenten voet mag gelaaten worden. Ik het van den beginne myner komst alhier af, al wat mogelijk was aangewend tot de afdoening van des vorsten onderlinge verschillen over de uitwitse„ „ling der Negorijen die der een van den anders pos„ sideerd, dog ben daarmede tot heeden weinig gevor„ derd, toa door dat den sulthan, wiens Ministers mij in deezen wet zoo gesleepen, als die des keijzers voorkomen, hoe inschikkelijk hij anders schijnt te willen weezen, niet besluiten kan van 't Land Tama„ /:waarschijnlijk om dat pangorang Mancoenagara in bezit heeft :/ aftezien, zonder setenang te rug te krijgen als dat bij na dagelijks dan den een en dan weder den ander met nieuwe exceptien en pretentie op komt, dewelke wel van geen belang zijn, maar nogtans de afdoening der principaale zaak traineerens, en mij waarschijnlijke verhinderen zullen, om de intentie vwer Hoog Edelheeden bij mijn aanstaande komst aan de Hoven deeze affaire volkomen ten einde tebrengen, waar toe ik egter alles wat maar dienstig is, en prac„ ticabel voorkomt te werk stellen zal, en ook de gecom„ mitteerden zoo van de Compagnie als van den keijzer en vanden sulthan tegenswoordig bezig zijn, de Landen van Cadoe en Bagaleen op te neemen, en te onderzoeken wat ieder vorst behoord en actusel bezit. Ondertusschen schijnt de onderlinge Barmonie der vorsten, en voornamentlijk hunne welgezindheid voor de Comp: zoo wel gegrond, dat ik tot dus verre geene kwaa„ de gevolgen uit deze differenten voorzien kan, De keij„ zer wiens gemalinne in desevende maand swanger is, mij hebbende laaten verzoeken om 150: regte plampen of scheepshouwers met ijzere gevesten voor zijne Tentomes of zoo genaamde Draganders, in Heere ik om uw Hoog Edelheden permissie ten einde die aan den vorst te mogen opfereeren, dan wel anders voor het inkoos kostende afteslaan. En den sulthan heeft onlangs niet alleen een bende Cramans, die al verscheiden strooperijen inde dis„ tricten, van caliwoengo af tot Paccalongang toe hadden aangeregt, mitsgaders telkens in zijne landen retireerden, doen op spooren, attacqueeren en bij die gelegentheid veele derzelve daar onder ook hun Hoofd dooden, maar zelfs een die levendig gevangen en een onderhoorige van de Comp: was, op de eerste reclame mij toegezonden deeze vorst mij kort be„ voorens door zijnen Rijks bestierder hebbende laten verzoeken, om 5000: ronde spaans realen, mitteerden voor

NL-HaNA_1.04.02_3364_0029 view scan ↗

English

as a loan for five years from the Company, in order to purchase buffaloes and other necessities for the cultivation of his lands which are still lying waste, I sought to delay that request under the pretext, which was also partly the truth, that the Company's treasury was well provided with copper money but not with silver, until I should first have requested and received Your High Nobilities' authorization for it. But since I received as an answer thereto that I needed to give no more silver money than could be spared, and could make up the remainder with copper coin, I had to proceed, in order to keep him in good humor, to deliver the requested sum half in silver money, one fourth in whole duiten, and one fourth in half duiten; which, for that reason, I hope and respectfully request will be approved by Your High Nobilities, while a proper receipt with the promise to repay this capital in 5 years has been given to me. The Pangerang of Madura, having been attacked by smallpox in the month of January, but happily recovered therefrom, greatly thanks Your High Nobilities for the favorable approval of his request that from the cash found in the possession of Soero Notto's wife, up to 1147½ rixdollars, the maintenance of this Raden and his family may be provided, as far as it will stretch. And whereas this young prince does not cease to renew on all occasions his requests for a marriage with one of the daughters of the Adipati of Samarang, and as long as this alliance has been in the offing no reasons have presented themselves to me to prevent or further delay it, but rather to oblige him—as he appears willing to follow in the footsteps of his late grandfather in obligingness toward the Company—and thus at the same time to win him over more and more, may I be permitted hereby to present his aforesaid request to Your High Nobilities; besides the aforesaid motives, also on the ground that Your High Nobilities themselves were pleased, by secret resolution of 27 September 1771, merely to instruct me to keep that marriage somewhat delayed, as has been done until now. In one of the rooms of the house of the frequently mentioned prince, a Javanese who had crept in there and allowed himself to be locked in, was recently discovered and caught at night, and has been sent hither; but as he seems simple-minded, it has not been possible to get from him up to this day in what manner he entered the dalem and subsequently the dwelling, nor whether he undertook this bold venture of his own accord or at the instigation of others, and with what intention. Nevertheless, I do not sit idle, as something of importance might sometimes lie concealed behind this, but continue daily to do everything possible to uncover one thing or another from him. With the proceeds derived from the sold goods of the deposed and deported Balambangan regents Soeta Nagara and Wansing Sarie, as well as Adipati Soera Trono, action was taken in conformity with Your High Nobilities' intention in the respected letters to me of 4 November and 27 December 1771. And thus, from that of the first two, 520:20 rixdollars, being the sale price of the one hundred muskets belonging to the Company sold there, was claimed and paid into the Company's treasury, and the remainder of the first, as far as it went, was delivered to his creditors; and that of the second amounting to 76:23 rixdollars, with the full yield of the goods of the third or the Adipati Soera Trono, having been 150:9 rixdollars, or together 226 2/3 rixdollars, was confiscated for the benefit of the Company, after deduction of the 855:5 rixdollars which Your High Nobilities permitted to be provided therefrom for shirts, etc., supplied to the common soldiers who came over on the bark De Unie. Concerning Balambangan and the troubles still subsisting there, I must express to Your High Nobilities my humble thanks for your favorable approval of the means devised and orders issued by me relating thereto, and likewise for the sending of the sloop De Taxisboom and the bark Het Zeepaard. Both of these small vessels, having arrived here safely with the requested provisions, etc., sailed on toward Surabaya on the 1st of this month and yesterday respectively, both to be employed until further orders, together with the sloop Samarang already there, to cruise the shores of that district and ward off Balinese and others who might appear in the waterways thereabouts, because one needs to be somewhat more formidable than usual at sea there, now that according to rumors six vessels are staying near the island of Noesa, one with two masts that is said to carry a red flag, and it is not known what they intend. I have therefore not only instructed Senior Merchant Luzac to provide the commanders of our vessels with instructions, but also to have it investigated what nation the aforesaid six vessels are, and if Bugis, whether they also might have one or another distinguished native on board; and in such case immediately to inform the Pangerang of Madura thereof, while in the meantime detaining those vessels.

Dutch transcription

voor, voor vijf jaaren ter leen van de Compagnie, ten einde Buppels en andere benodigdheeden voor de bebou„ „wing zijner nog woest leggende landen in te koopen, heb ik, onder voorgeven, gelijk ook gedeeltelijk de waarheid was, dat'sCompagnies kas wel van koper- maar niet van silver geld voorzien was, die instantie tragten te dilaijeeren tot dat ik alvoorens vw en Hoog Edelheden qualificatie daar toe zoude gevraagd en ontvangen hebben; maar alzoo ik daar op tot antwoord kreeg, dat ik niet meer silver geld behoeven te geeven, dan te mitsen was, en het marquee„ „rende met kopere munt konde suppleeren, heb ik hem in zijn goeden luim te houden, tot de afgave van de ge„ vraagde somme half in silver geld, een vierde in heele en een vierde in halve duiten moeten overgaan, en de„ welke ik om die reeden hoope dat gelijk ik ook eerbie„ dig verzoeke, door ower HoogEdelheeden zal worden geapprobeerd; terwijl mij daar van een behoorlijk be„ wijs, met belofte van dit Capitaal over 5: jaaren te zullen afleggen gegeven is. De Pangerang van Madura, in de maand van Ja„ nuari door de kinderziekte aangetast, dog geluk„ kig daar van hersteld zijnde, bedankt uwer Hoog Edelheeden zeer voor de gunstige bewilliging in zijn verzoek, dat uit de onder soero Nottosvrouw gevonden Contanten tot rd=s 1147½: het onderhoud van dezen Radeen en de zijne, zo verre zal kunnen strekken, mag worden gefourneerd; En overmits dezen jongen Prins niet ophoud, zijne instantien tot een huwelijk niet een der dochter van den Adepattij van Samarang bij alle gelegentheden te vernieuwen, mitsgaders zoo lange deeze aliantie in til is geweest, mij geene redenen zijn voor„ gekomen, om dezelve te beletten of langer te trai„ „neeren, maar wel, om hem als in dienstvaardigheid voor de Comp: de voetstappen van zijnen overleeden groot vader schijnende te willen volgen, de Complaceeren, en zoo teffens meer en meer inteneemen, zij het mij ge„ permitteerd zijne opgemelde instantie bij deezen vrer Hoog Edelheden voortedragen; buiten voorsz: motiven ook op fundament dat hoogst dezelven bij secreete Resolutien van den 27: September 1771: mij eenlijk hebben gelieven te demandeeren, om dat Huwelijk wat draalende te houden, zoo als tot heeden is geschied. In een der kamers van de wooning van meerm: Prins onlangs een Javaan die daar ingesloopen was, en zich hadt laaten opsluiten, bij nagt ontdekt, en geattrapeerd zijnde, is denzelve herwaards gezonden, dog dewijl hij in„ „nocent schijnt, heeft men tot heeden uit hem niet kunnen krijgen, op wat wijze hij in den dalm en vervolgens in de woning gekomen is! mitsgaders of hij uit eigen motiven, dan wel op instigatie van an„ „deen, en niet wat intentie hij deeze stoute onderneming Radeen hoss 15 heeft bestaan! egter zit ik miet stil, uit hoofde dat hier agter somtijds iets van belang mogt ver„ borgen leggen, nog dagelijks al wat mogelijk is aantewenden, om het een of ander uit hem te ontdekken. Met het provenué dat gekomen is van de ver„ kogte goederen der afgezetde en verzonden Balem„ boangsche Regenten soeta Nagara en wansing sa„ rie, item Eappattij Soera Trono, is Conform over Hoog Edelheeden intentie bij gerespecteerde Letteren aan mij van den 4: November en 27: December 1771: gehandeld, en dus uit dat der beide eerste opgeeischte en in 'sComp=s kassa geteld rd=s 520: 20: of den verkoops prijs der daar onder gevenduceerde Een Honderd snap„ hanen, de Maatschappij toebehoorende, mitsgaders het resteerende van den eersten, voor zoo verre strek„ ten, aan zijne Crediteuren afgegeven, en dat van den tweeden bedraagende rd=s 76: 23: met het volle Rendement der goederen van den derden of den Ee„ pattij Soera Trono, zijnde geweest rd=s 150: 9: of te zamen rd=s 226 2/3: ten voordeele van de Comp: ge„ confisqueerd, na aftrek van de rd=s 855: 5: die orre HoogEdelheeden hebben gepermitteerd, dat daar uit voor verstrekte Hembden enz: aan de met de Bark de uunie overgekomen gemeene militairen, mogten worden gefourneerd. Nopens Balemboangang ende daar nog sub„ sisteerende troubelen, moet ik vwer Hoog Edelheeden mijne nedrige dank betuigen voor hoogst derzelver gunstige goedkeuring, der door mij daar toe betrekke„ „lijk beraamde middelen, en gestelde ordres, en zoo mede voor de toezending van de sloep de Taxisboom ende Bark het zeepaart, welke beide kieltjes, met de ver„ zogte provisien enz:, hier wel aangekomen zijnde, op den 1: deezer en gisteren respective naar Sourabaija voortgestevend zijn, beide om met de daar reeds zijnde sloep Samarang tot nadere ordre geemploijeerd te worden ter bekruissing der stranden van dat district, en afweering van Baliers en andere die zig in het vaar„ water daar omstreeks mogten vertoonen, om dat men daar ter zee, ook wel wat formidabeler dan an„ ders diend te zijn, nu volgens de gerugten zig aan het eiland Noesta ophouden, ses vaartuigen, een met twee masten dat een roode vlagge voeren zoude, en men niet wet wat dezelve voornemens zijn ik heb daarom den opperkoopman Luzac, niet alleen gedemandeerd de gezaghebbers onzer vaartuigen met eene instructie te voorzien, maar ook om te laaten onderzoeken wat natie de opgemelde ses vaartuigen zijn: en zoo Briften of zij dan ook somwijlen den een of ander gedistingu„ eerden Jnlander aan Boord hebben mitsgaders in zoo een geval den Pangerang van Madura daar van direct te informeeren, en intusschen die vaartuigen sisteerende. - G 17

NL-HaNA_1.04.02_3364_0031 view scan ↗

English

by having them observed by a couple of good cruising prahu mayangs, in order to be continually informed of their movements, but otherwise, for the time being at least, to undertake nothing offensive against them. I have also made known to the Commander for his observance Your Right Noble Excellencies' desire to initiate nothing against the rebels in Balemboang itself with the main body of the army before the favorable season and the receipt of sufficient reinforcements, but rather to inflict all possible damage upon the enemy through patrols; and I have recommended him to constantly and amicably encourage the Prince of Madura and the Regents of Sumarap and Pamacatlang to assemble and hold in readiness the 1000 warriors still missing from the 2000 requisitioned from them, in order to be able to cross over at the first request. And meanwhile to demand from Lieutenant Hemrich, who took over the command immediately after his arrival from Djember at Cotta due to the death of Captain Lieutenant Reijgers from a common illness, his consideration as to whether the force present there—which on the 10th of February last, outside the garrison of Oeloepampang and Cotta, consisted of upwards of 130 Europeans, 505 Madurese able-bodied men, and 360 Sumanappers and other natives, or together approximately one thousand heads, and to which since then the two companies of easterners recruited here have also been added—is sufficient to withstand the enemy for this long and to continue to act offensively as aforesaid, as well as how many men and what else he deems necessary to subsequently bring them to submission under God's blessing, or to destroy them. For which the prospect certainly appears great again, if one might rely on the testimony extorted from a certain prisoner named Si Lakar, according to the copy of the letter from the provisional Resident Schophop dated 28th of January attached under letter B for Your Right Noble Excellencies' consideration, and on other reports of the rebels' condition having reached the utmost extremity due to diseases, mortality, lack of provisions of any kind whatsoever, as well as the desertion of those who are able to get away and keep themselves in the forests out of an ingrained fear that they would be killed upon coming to our people, while the chiefs themselves are said to have made a firm resolve rather to perish from want or to die in another manner than to submit; but since experience has already taught how misleading previous testimonies and reports of that nature have been, I do not dare to rely on this one either, but deem it necessary to resume the expedition with force in the coming favorable monsoon, for which the reinforcement of Europeans promised to me by Your Right Noble Excellencies will come in very handy, and for that reason is requested further by me most urgently, considering that under the middle of February as many as 53 soldiers were missing from the number established in times of peace for this coast, and of those alone in Soura Carta 28 and in Djokjocarta 18 heads, which, because military personnel are also amply lacking here and at all the other trading posts due to mortality and the continual dispatching of men to the eastern salient, I have not been able to replenish to this day. Captain Lieutenant Reijgers having died, as aforesaid, in the month of January, as well as the surgeon who applied the first dressing to the wound received there after the attack on Bajoe, I cannot supply Your Right Noble Excellencies with the requisitioned declaration; that officer, now that he is dead, is being charged by the provisional Regent Schophoff with many matters, and among others that he had only half completed the expeditions against the rebels' rice and salt villages Crajagan and Bandjer, and had acted excessively in the disbursement of provisions and ammunition goods, of which neither he nor anyone else had made any mention beforehand, and which also appear so suspicious to me with regard to the disbursements that, since his obligation itself entailed paying attention to this, I have given orders to charge the excess issued to his account. In order to prevent the desertion of the native auxiliary troops as much as possible, I have, in the hope of Your Right Noble Excellencies' approval, authorized Commander Leizac to distribute rice and fish to those who suffer from a lack of provisions and can obtain nothing in the districts that have been ruined; but I have not been able to agree to his proposal to establish a fixed allowance for how much the officers in the field may charge per month for spies, etc., without Your Right Noble Excellencies' approval, which I also most humbly request herewith in that regard, out of the consideration that in one month, when much occurs, the most necessary things might very easily be neglected in order not to exceed the allowance, and on the other hand, in other months, the surplus would be regarded as profit. Upon the report supplied to me by Commander Luzac that with a good garrison from Djember or Adirogo, all invasions on that side or from Balemboang to the west can be prevented

Dutch transcription

19 door een paar goede kruis prauwmaijangs te laten observeeren, om telkens van hunne beweegingen te worden geinformeerd, maar overigens ten minsten voor als nog niets opfensive tegens dezelve te ondernemen. Ook heb ik uwer Hoog Edelheden begeerte, om in het Balemboangsche zelfs, niets tegen de Rebellen voor den goeden tijd en bekomen toerijkende versterking met het gros des Legers te entameeren, maar wel door Patrouilles den vijand alle mogelijken afbreuk te doen, den Gezaghebber ter observantie aangekun„ digd, en hem gerecommandeerd, om den Prins van Ma„ dure, ende Regenten van Sumarap en Pamacatlang, steeds vriendelijk aantezetten, tot de bij een brenging en gereed houding der aan de van hun gerequireerde 2000: nog mancqueerende 1000: krijgers, ten einde op het eerste requisit te kunnen oversteeken, en intusschen van den Luitenant Hemrich, die di„ rect na zijn aankomst van Djember te Cotta, mits het overlijden van den Capitain Luitenant Reijgers, aan een ordinaire ziekte, het Commando op zig genomen heeft, te vorderen zijne Consideratie, of de daar zijnde magt, dewelke den 10: Februari Jongstleeden buiten de bezitting van oeloepam„ pang en Cotta bestaan heeft in ruim 130: Europeesen, 505: Madureesen frisvolk, en 360: sumanappers en andere inlanders of te zaamen in Circa Een duijzend koppen, en waar bij sedert nog de beide Compagnien hier aangewerven oosterlingen gekomen zijn sufficieerende is, om dus lange den vij„ Land te kunnen wederstaan, en als voorzegt offen sief te blijven ageeren, mitsgaders hoe veel volk, en wat hij verder nodig oordeelt, om onder Godes zeegen, vervolgens he tot submissie te kunnen brengen of te vernielen. waartoe de apparentie zich ze„ kerlijk weder groot opdoet, als men zig verlaten mogt, op het, volgens de dezer tot virer Hoog Edel„ heden speculatie onder L: B: bijgevoegde Copia missive van den p=l Resident schophop de dato 28: Januari zeker gevangen si lakar genaamd afgeperst getuigenis, en andere berichten van der Rebellen, tot op het uiterste gekomen toestand door ziekten, sterfte, gebrek aan Leef togt hoe„ genaamd, mitsgaders verloopen van de zulke die maar weg komen kunnen, en hun in de bosschen op houden, uit een ingeprente vreese dat zij bij de onze komende zouden worden omgebragt, terwijl de hoofden zelfs daarom een vast voornemen zouden genomen hebben, om liever door gebrek te vergaan, of op een andere wijze om te komen, dan haar te submitteeren; dog dewijl de ondervinding reeds geleerd heeft, hoe mislijdende voorige getuigenissen en berigten van die natuur zijn geweest, durve Circa ik 25 ik mij op deeze ook niet verlaten, maar agte het noodzakelijk de expeditie in de aanstaande goede moutson met force te hervatten, waar toe de door uw Hoog Edelheden mij toegezegde versterking van Europeesen wel te staade komen zal, en om die reiden door mij nader op het in„ stantigste verzogt word, gemerkt er ouder medio Februarij zelfs 53: soldaten aan het in vreedens bijden bepaalde getal over deze kust, manqueer„ den, en daar van alle en te soura Carta 28=e en te Djokjocarta 18: koppen die ik om dat hier, en op alle de andere Comptoiren, door sterfte en het gedurig afzenden van volk naar den oosthoek ook rijkelijk militairen ontbreeken, tot heeden niet in staat geweest ben te suppleeren Den Capitain Luitenant Reijgers, als voorzegt in de maand Januari, en ook den Chirurgijn die hem na de attacque voor Bajoe het eerste verband, op de daar bekomen worde heeft gelegd, overleden zijnde, kan ik uwer HoogEdelheeden de gerequireerde verklaring niet suppediteeren; wordende dien officier nu hij dood is door den provisioneel Regend schophoff vel zaken, en onder anderen dat hij de expeditien op der Rebellen Rijst en zout negorijen Crajagan en Bandjer, maar ten halven had voltooijd, en in de verstrekking van pro„ visien en Ammunitie goederen overwatig was te werk gegaan ten laste gelegd, waar van hij of niemand bevoorens iets heeft gerept, en die mij met opzigt tot, de verstrekkingen ook zoo suspect voorkomen, dat ik, dewijl zijn gehoudenisse het zelfs mede bragt daarop te letten, ordre gesteld heb, het te veel afgegeven voor zijn reekening te laten. Om het verloopen der Inlandsche hulptroupen zoo veel mogelijk is te prevenieeren, heb ik in hoope vwer Hoog Edelheedens approbatie den Gezaghebber Lei„ zac gequalificeerd, om aan dezulke die gebrek aan Levensmiddelen hebben, en in dedistricten, die geruineerd zijn ook niets krijgen kunnen Rijst en visch te ver„ strekken; maar in zijn voorstel om een bepaaling te maaken hoe veel de officieren te velde 's maands voor spions enz: zullen mogen opbrengen, heb ik zonder over Hoog Edelheeden goedvinden, dat ik daarom„ trent ook onderdanigst bij deezen verzoeke, niet kun„ „nen treeden, uit Consideratie, dat dan de eene maand als er veel voorvald het noodzakelijkste, om de bepaling niet te boven te gaan veel ligt verzuimd, en daar en te„ „gen in andere maanden het overschietende als winst aangemerkt zoude worden. Op het mij door den Gezaghebber Luzac gesuppe„ diteerde berigt, dat van Djember of Adirogo, met een goede bezetting alle invasien aan die kant, of uit het Balemboangsche na het westen kunnen worden werk belet 21 25

NL-HaNA_1.04.02_3364_0033 view scan ↗

English

prevented, and that at Prajagan one corporal, eight common soldiers alongside one gunner with two small pieces would suffice to cover Panaroekan and to keep an eye on Centong, and also that the garrison at the last-mentioned place itself was unnecessary and served only to burden the native, since there was nothing to fear there from either the south or the west, I confronted the proposal to break camp from there and divide the garrison between Djember and the aforementioned Trajagan, as the first-mentioned post also required reinforcement to be able to assist, in the event of an enemy landing, the detachment stationed at the Plindo to contain the island of Noesta; and because I trust that this proposal was made only with sufficient certainty that one has nothing evil to expect from the Sentongers or from others in that region, though on this subject I have nevertheless pointed out to the commander that in any case prudence required that these newly subjugated peoples, alongside the head placed over them, one Soeta Bereng, who was of great service to our men during the conquest of that district, should always be kept under a friendly and engaging treatment, combined with a fitting distrust. Since, due to the death of some and the continuous illness of others, the number of officers in the expedition is judged insufficient, I take the liberty of proposing to Your Right Noble Excellencies, for promotion to ensign, the commanding sergeants Jan Daniel Rood of Sevenbergen and Fredrik Kregel of Luneburg, on the grounds that it is testified of them that both of them, already in the previous troubles and now again, have shown proof of courage and prudence; whilst on this occasion I also request of Your Right Noble Excellencies that Cornet Abraham Mathourne, who has served at Djoejocarta, may be returned to his former rank of ensign, and that in his place Ensign Charles Philip August Gabriel Iosephe de Chateauvieux may be transferred as Cornet among the Dragoons, both with the retention of their current earning salary of f 40: per month. Since, with the exception of the titular Junior Merchant Carel Philip Boltze, not a single person is to be found on this coast who possesses the required capacities to serve here, or in due time at Batavia, as Translator in the Javanese language, and disregarding one person here because there is little expectation of him, not a single apprentice is being raised at the places where such ought to occur due to a lack of European youths who appear suitable for it, which could lead to great embarrassment, I find myself obliged urgently to request Your Right Noble Excellencies for the sending, upon the arrival of ships from Europe, of three to four youths who show the aptitude to learn something, to be stationed for this purpose at Soura Carta, Djoejocarta, and Patterouang. To conclude this, may I be permitted to request Your Right Noble Excellencies' favorable permission to undertake, according to custom, the journey to the Courts at the beginning of the month of May, and subsequently at the end of June or the beginning of July to the eastern quarter, to inspect the offices there and along the way, as well as to remain at Sourabaija for as long as shall appear necessary, in order to push forward the work from close by, if by that time affairs in the Balemboang district have not been settled for the better, and if possible bring it to a desired conclusion. I have the honor to call myself, with the greatest submission and respect, underneath was written: Right Noble, Valiant, Highly Esteemed Lord, and Right Honorable Lords! lower: Your Right Noble Excellencies' most humble and most faithfully obedient Servant was signed: I: R: van der Burgh in the margin: Samarang the 7: March 1772: On the 6th of this month, at half past six in the evening, the select Regent Nitinogdro came to report to me that some of his men sent out to search for Tojolono, consisting of priests, had returned, who on their journey, in the Bangil village of Dajo, where Pitingi Bappa Wadie had arrived, had there encountered three emissaries of Pangerang Mancoenogoro, being horsemen and dressed in their best attire, who had let it be known that they were sent to the Malang Tommongong Rongo Lawe, who had kept them hidden for fully 14 days, and if they would not believe it, here is the letter from the Malang Tommongong to our prince, and if something does not happen during the upcoming fast, you may simply proceed to Malang; whereupon immediately, by a Javanese letter sent to the Bangil Ingebij Poesponogoro, Bappa Wadie, Pitingi of Dajo, was summoned hither to obtain further confirmation regarding this matter, which Pitingi on the 8th of this month in the forenoon at 10 hours Extract from a dispatch from the Passourouang Lieutenant Commandant Ian Daniel Gondelagh to the undersigned, dated the 12th of December 1771: Extract appeared

Dutch transcription

belet, en te Prajagan een Corporaal, agt gemeene mi„ litairen nevens een Busschieter met twee stukjes toereijken zoude, om Panaroekan te dekken, en een oog op Centong te houden, mitsgaders dan ook de bezetting ter laast gem: plaats zelve, nu men nog van het zuiden nog van het westen voor niets aldaar te vreesen hadt, onnodig was, en tot niets dan lasten van den Jnlander strekken, heb ik wij geconfrontteerd met den voorstel om van daar op te breeken en de bezitting te verdeelen te Djember en Trajagan voormeld, alzoo eerst gemelde Post buiten des ver„ sterking nodig hadt, om het detachement dat de Plindo ter beknelling van het Eiland Noesta legd, bij eene vijandelijke Landing te kunnen bij springen, en om dat ik vertrouwe die propositie niet is gedaan, dan met genoegzame zekerheid, dat men zoo min van de sentongers als van andere om dien ooird iets kwaads te wagten heeft, dog op welk sujet ik egter den gezaghebber voorgehouden hebbe, dat in allen gevalle de voorzigtigheid vorderde, deeze zig op nieuw onderworpen hebbende volkeren, nevens het over hun gestelde Hoofd eenen soeta Bereng, die de onze bij de overmeestering van dat dis„ trict van veel dienst geweest is, steeds onder eene vriendelijke en innemende behandeling, met een gepast misvertrouwen gade te slaan. Door het overlijden van eenige en de aanhoudende ziektens van andere het getal der officieren inde Ex„ peditie niet toerijkende geoordeeld wordende, gebruik ik de vrijheid vw Hoog Edelheeden ter bevordering tot vaendrigs voortedragen de commandeerende sergean„ „ten Jan Daniel Rood van Sevenbergen, en Fredrik kregel van Luneburg op fandament dat van hun getuigd word, dat zij beide al in de vorige troubelen en ook nu blijken van moed en beleid zouden gege„ ven hebben; terwijl ik bij deeze gelegenheid vwre Hoog Edelheeden ook verzoeke dat den tedjoejocarta gemiliteerd hebbende Cornet Abraham Mathourne, weder tot zijn vorige qualiteid van vendrig, en daar en tegen in zijn steede tot Cornet onder de Dragonders mag worden gechangeerd den vendrig Charles Philip August Gabriel Iosephe de Chateauvieur beide niet behoud van hunne tans winnende gagie van ƒ 40: ter maand. Dewijl er buijten, den onderkoopman tit=s Carel Philip Boltze, geen enkeld perzoon op deeze kust te vinden is, die de vereischte Capaiteiten heeft, om hier, of in der tijd te Batavia, als Translateur in de Javaansche Taal te fungeeren, en er ongereekend een alhier, om dat die van weinig ver„ wagting is, ook geen enkeld Leerling uit gebrek van daar toe bekwaam voorkomende Europeesche jongelingen, op de plaatzen daar zulks behoord te geschieden, aangequeekt word„ Door waar 23 25 E E waar door men in groote verlegenheid zoude kunnen geraaken, vinde ik mij verpligt vwer Hoog Edelheeden in„ stantig te verzoeken, om de toezending bij aankomst van scheepen in't Europa, van drie â vier Jongelingen, die de appars„ tie voor zig hebben van iets te kunnen leeren, om ten dien einde tesoura Carta, den Djoejocarta en te Patterouang te worden geplaast. Tot slot deezes zij het mij gepermitteerd vrres Hoog Edelheeden gunstige permissie te verzoeken, om na den gebruijke, in het begin van de Maand Mei de reize naar de Hoven te onderneemen, en vervolgens in het laast van Juni of begin van Iuli naar den oosthoek, om daar en onderweegens de Comptoiren op te neemen, mitsgaders te sourabaija zoo lange te blijven als noodzakelijk voorkomen zal, om als voor die tijd de zaaken in het Balemboangsche net ten goede zijn beslist, van nabij het werk door tezetten, en is het mogelijk tot een gewenscht einde te brengen. Ik heb de eere met de meeste onderdanigheid en Eerbied mij te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaaren Heer, en welEdele Heeren! /:lager:/ vwer Hoog Edelheeden onderdanigsten en aller Trouwschul„ digsten Dienaar /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine:/ Bataria Samarang den 7: Maart 1772: Den 6: deezes, avonds om half seven uuren koomt den kiesigen Regent Nitinogdro mij rapporteeren, dat eenige van desselfs uitgezondene, ter navorsing van Tojolono, bestaande in Priesters, waaren geretourneert, dewelke op haare Reijse, in het Bangils dorp Dajo, al„ waar Pitingi Bappa wadie gekomen, en daar zelfs drie sendelinge van den Pangerang Mancoenogoro aange„ troppen, zijnde ginemans en op haar best uitgedost, welke zig hadden laaten verluijden, na den Malangs Tommon„ „gong Rongo Lawe gezonden te zijn, die haarlieden wel 14: daage hadde verborgen gehouden, en zoo zij het niet wilden gelooven, hier is den brief van den Malangs Tom„ mongong aan onzen vorst, en zoo niet het aanstaande vasten iets voorvald, kund gijlieden zig maar na Ma„ „lang vervoegen; waarop momentlijk door een Iavaans brieff, aan den Bangils Jngebij Poesponogoro Bappa wadie, Pitinge van Dazo na herwaards doen komen, om nadere Conformatie des aangaande in te neemen, welken Pitingi den 8: deezes voormiddags om 10: uuren Extract uit een Missive van den Passourouangse Luitenant Commandant Ian Daniel Gon„ delagh, aan den ondergeteeken„ de, gedateerd den 12: December Extract verschen 1771: 25

NL-HaNA_1.04.02_3364_0035 view scan ↗

English

appeared, confirming that the three emissaries of the Pangerang Mancoenogoro had been at his house on their return journey, though he had not seen them on their way to Malang, and also that they had said they carried a letter from their prince to the Malang Tommongong Rongo Lawé, stating that if today or tomorrow 1000 armed men under a Tommongong should arrive there, not to take fright, that they, the emissaries, had been kept hidden there for seven days, and further told those Bangil countryfolk by no means to plant any corn and paddy, whereupon Bappa wadie asked when these 1000 men would come to Malang, and was answered, according to thought, during the upcoming fast; this Pitingi of Dajo, Bappa wadie, I have sent by express with a letter to the Lord Governor of this eastern salient in Sourabaija for further investigation, and have immediately reinforced Malang with 6 soldiers carrying their full arms, supplied two boxes of live musket cartridges and 100 flints, sent thither, so that Malang is now primarily 25 heads strong in military personnel, and also ordered the local Regent to send his people thither as reinforcement, up to 50 heads having already departed; furthermore, on the 10th of this month at 7 o'clock in the evening, the local Tommongong presented himself to me with a Cadiri Javanese named Ronojoedo, who reported having encountered the Malanger Soemonogoro at Poegeran in Jappan, accompanied by only two Panakawans, with whom he had entered into conversation, and asked Soemonogoro where he had come from, who answered I come from Solo, and separated from Joholono a day's ride from Solo; Ronojoedo asking further what road Jojolono took, or where he ended up, Soemonogoro replied, he continued his march along the southern mountains in order to go via Labok into the Lamadjang region, and if he overpowered Bangen, then he, Soemonogoro, would follow promptly, having waited for news at Haarden, a Bangil village, for fully ten days, but having heard nothing, had returned back to Poegeran, the more so because he heard that in the Passorouang region all roads were occupied, wherefore he would see to getting further via Antang; Ronojoedo asking further about the strength of Tojolono, to which he received the reply that he was 12 to 15 heads strong together on horseback; hereupon Soemonogoro asking Ronojoeda where his journey was heading, the latter letting slip, I want to go to Passorouang to visit one of my kinsmen, whereupon the former remained sitting as if stunned, without wishing to speak another word. Translation Translation of a Malay declaration given in the Javanese language by the Javanese Priest Ketep Wetan, reading verbatim: The Priest Ketep Wetan declares that he left his house with the intention of visiting one of his people in the village of Lodoijo, but on the way between Bangil and Passourouang, spending the night in the village of Daijoe in a certain house, where in the morning three Javanese arrived, whereupon he, Ketep Wetan, asked the master of the house what kind of people they were, to which he received the reply from him that these were people from Malang and emissaries of the Pangerang Mancoenagara who went to inform Rongo Lawe that their aforesaid master would dispatch 2000 men to the eastern salient in the month of Poatsa for assistance, and at the same time, upon the arrival of those 2000 heads, he, Rongo Lawe, should provide them with some provisions or victuals as much as possible; he, Wetan, further declares that after having heard everything he went outside the house, where he himself met the aforesaid three persons and asked where they came from, to which he received the reply from them, from the west side, without any further exchange of words; among other things, the aforementioned three persons said to a certain Bappa Saban, being a servant of the repeatedly mentioned Javanese Priest Wetan, who was there alongside his master, in this manner: you people will have a hard time here in the month of Paassa; the repeatedly mentioned Priest Wetan furthermore declares that of the three so-called emissaries, one was dressed in a striped jacket and two others in white ditto, nothing more. It has further come to my ears that those subjects Jojolono and Soemonogoro, who knew how to escape from Samarang, the first, namely Tojolono, intended to proceed along the southern mountains via Labak to Lamadjang, and his strength amounted to about 12 to 15 heads on horseback; the latter, namely Joemonogoro, seeing no chance of getting through the Passorouang region because all roads were occupied, turned back in order to proceed further via Antang. Copy of a letter written by the Lieutenant and Passorouang Commander Ian Daniel Goudelagh to the Sergeant and Postholder in Malang, Johannes Exterig, dated 11 December 1711.

Dutch transcription

verscheen, bevestigende dat de drie sendelinge van den Pangerang Mancoenogoro, bij hem in 't huijs per retour waaren geweest, egter dezelve in heen gaan na Malang niet gezien te hebben, mede dat dezelve gezegd hadden eenen brieff van haren vorst aan den Malangs Tommongong Rongo Lawé gebragt, Inhoudende zoo heeden of morgen 1000: gewapende manschappen onder een Tommongong aldaar koomen, niet te verschrikken, dat zij zende„ lingen seven dage aldaar waren verborgen gehouden, alverder tegen die Bangilse Land volker gezegd, dog maar geen Iagons en Padie te planten, waarop Bappa wadie gevraagd, wanneer deze 1000: man te Malang zoude komen, geandwoord na gedagten met aanstaande vasten, deezen Pitingi van Dajo Bappa wadie, hebbe, per expresse, met eenen Brieff aan de Heer Gezaghebber deezes oosthoek na Sourabaija ter verder onderzoek gezonden, en Malang ten eersten nog met 6: militaire, onder zig haar volle waapen, verstrekt, twee vante scherpe snaphaan patroone, en 100: vuursteene, na der„ waarts gezonden, zoo dat Malang tans primo plan 25: koppen militair sterk is, ook den hisigen Regent bevordeet, van zijne volker ter versterking na der„ waards tezenden, zijnde bereets tot 50: koppen ver„ trokken alverder den 10: deezes 's avonds om 7: uuren. vervoegd zig den hisigen Tommongong bij mij, met een Cadiries Javaan namens Ronojoedo, welken bekend stelde, den Malanger Soemonogoro te boegeran zijnde Jappans maar enkeld met twee Panakawans aangetroppen te hebben, waar mede denzelven in gesprek was geraakt, en soen omogoro gevraagd, waar denzelven van dan kwam, andwoordende ik koome van solo, en ben van Joholono eene dag rij„ te van solo geschijden, Ronojoedo verder vraagende wat voor weg heeft jojolono genomen, of waar is den„ zelven beland, soemonogoro repliceerde, die heeft zijn mars langs het zuijder gebergte voortgezett, om over Labok in het Lamadjangse te gaan, en zoo den„ zelven Bangen heeft overweldiget, als dan zoude zij soemonogoro met eersten volgen, hebbende te haarden een Bangils dorp wel tien dage na teijding gewagt, maar niets vernomen te hebben, was weder te rug na Poegeran gekeert, te meer wijlen gehoord, in het Pas„ jorouangsche alle weege bezet waaren, dierhalven zoude zien over Antang verder te komen, Ronojoedo alverder na de sterkte van Tojolono vragende, waarop ten ard„ woord bekomen denzelven 12: â 15: koppen tesaam te Paard sterk te zijn, hier op soemonogoro aan Ronojoeda vraagende waar zijne reijse natoeging, den laatsten zig hier op laatende ontvallen, ik wil na Passorouang gaan om eenen mijner bloeds vriend te bezoeken, waarop den eersten als verstond blijfd zitten, zonder een noord meer te willen spreeken. bekend Translaat 27 29 Translaat Maleidsche verklaaring in de Javaansche Taal gegeven door den Javaansche Priester ketep wetan Luidende woordelijx Den Priester ketep wetan verklaart, dat hij uit zijn huis gegaan is, met voornemen om een van zijn volk te Negorij Lodoijo te gaan opzoeken, dog onderweegs tusschen Bangil en Passourouang op desta Daijoe vernagtende in zeeker huis, alwaar 's morgens drie Javaanen ang„ kwamen, wanneer hij ketap wetan aan den Baas van het huis vroeg wat voor menschen dat waren, daor hij op door denzelven ten antwoord kreeg, zulks volkeren te zijn van Malang en zendelingen van den Pangerang Mancoenagara die aan Rongo Lawe gingen verwittige, dat hun Meester voorm=d in de maand poatsa 2000:- man tot adsistentie na den oosthoek zoude afzenden en teffens om bij aankomst van die 2000: koppen hij Rongo Lawe die met eenige provisien of levensmiddelen zoo veel hem mogelijk was zoude voorzien, verklaa„ rende hij weten alverder dat na alles aangehoord te hebben zig na buiten 'Thuis begaft, alwaar hij zelfs de voors: drie perzoonen ontmoetende, heer vroeg van waar zijlieden gekomen, daar op door hen ten ant„ woord kreeg van de westkant, zonder eenig verdere woorde wisseling: onder anderen hebben evengemelden Mij nader ter ooren gekoomen, dat die subjecte jojolono en Soemonogoro, zoo van Samarang zig hebben weeten ter zoek te maaken, den eersten als Tojolono, langs het zuijder gebergte, over Labak zig na Lamadjang zig wilde begeven en desselfs sterkte omtrent 12: â 15: koppen te paarde uitmaakte den laatsten als joemonogoro, ziende geen kans door het passerouangse te komen, terwijlen alle weege bezet waaren, te ruggekeert, om over Antang zoo verder bij Copia â Copia Brieff geschreeven door den Luitenant en Pawerouangs Commandant Ian Daniel Goudelagh, aan den te Malang zijnde zergeant en Posthouder Johannes Exterig, in dato den 11: December 1711:- drie perzoonen tegens zekeren Bappa Saban zijnde een Dienaar van meergem=te Javaanse Priester wetan, die aldaar beneffens zijn meester was gezegd in dezer voegen gijlieden zult in de Maand paassa alhier swaar hebben; verklaarende voorts nog ten meermelden Priester wetan dat de drie zoo genaam„ den zendelings de een in een gestreepte baadje en twee andere in witte d=o gekleed waaren, zonder meer drie e oostC

NL-HaNA_1.04.02_3364_0037 view scan ↗

English

east to follow Jojolono, the latter would comprise only three men on foot together, and I observed from Your Honour's letter of the 9th that he, Rongo Lawe, wished to hold a pleasure hunt at Bato, it is certain that he awaits the said Soemonagoro there; therefore, consult with the Passarouang chief Ongodrono in the utmost secrecy as to how it might best be done to capture this Soemorogoro or Pojolono. Furthermore, we recommend that you conduct yourself strictly according to the high orders of the Honourable Ruler, and after greetings we remain. Below stood: agreed. Was signed: J. D. Goudelagh. Extract from a letter from the Ruler Mr. Pieter Luzac to the undersigned, dated Sourabaija the 14th of December 1771: The Malang Regent, having arrived here following my letters, and having been questioned amicably regarding the charges laid against him, professes complete innocence; just as I also gave him clearly to understand that I gave no credence to these evasions, preferring rather to have had him come here partly to speak with him in person, and partly so that, now being confirmed in his Regency by the highly favourable disposition of Their High Excellencies, he also had to appear before Your Right Honourable to take his oath and to receive his warrant, just as he is to undertake the journey overland within the next few days, because the monsoon does not permit departure by sea. I have made detailed inquiries into the family of this Regent, which has not been presented to me as reputable at all; for his grandfather, formerly the Pattij of Sourabaija, was an enemy against the Company and his sovereign and was afterwards strangled, and his father was nothing more than a Raden, named under the title of Raden Bachus, also held in little esteem by the Company. Likewise, the complaints previously presented by Mr. Goudelagh concerning this Regent's proud and hateful conduct toward Europeans speak entirely against him, so that, subject to correction, I would be of the opinion that for the salutary benefit and greater tranquility of those districts, that Regent should be removed from there. Regarding the two wanderers, I have as yet no further report other than that the Passourouang Commandant Goudelagh is having them tracked down through strong patrols in the districts of Malang and Antang up to the borders of the Wierasabase, and has also written to this end to Adirogo, Centong, and Lamadjang. High To the same 60 31 33 And furthermore, in this state of affairs in the Balemboangan area, I have written to Lieutenant Heinrich to have the roads from Balemboangan to the west guarded by continuous and sufficient patrols, to pay close attention through good and trustworthy spies as to whether any emissary of the Bajoes rabble is sent down to lure and incite these newly settled peoples back thither, and to be vigilant and active in every respect; likewise regarding the loose rumours from the west, concerning which I have received no further assurance or certainty than these Javanese letters from Rawa and Calambret, which I believe will be worthy of Your Right Honourable's highly esteemed attention and consideration, as I have written to the Passourouang Commandant to fix his continuous attention there and to let the patrols continue to the south and west in the Malang and Antang areas to uncover these still smouldering rumours, and to send hither, to the highly esteemed disposal of Your Right Honourable, the concubine and two children of the fugitive Somonogoro discovered in the dalem of the Regent Rongo Lawe. When I was in the west, I heard the rumour that the Balemboangers had taken up arms again; I therefore request Your Honour to inform me of the truth thereof, how strong the enemy is, and whom they have as chief; the reasons that I come to ask this of Your Honour are to be able to give no other answer when I am asked about it by higher authority. Below stood: translated by me. Was signed: Boltze, Translator. Copy of a Javanese letter written by the Ingebij Tondo Wiedjoijo, Regent at Rawa, to the Radeen Tommongong Rongo Lawe at Malang, presented at Samarang the 15th of January 1772: while the mantris with their punakawans, deliverers of the Javanese letters, having given their names, could be allowed to return home again. To the same as just mentioned; dated the 8th of January 1772: while

Dutch transcription

oost om jojolono te volgen, zoude dien laatsten maar drie koppen te zaam te voet uitmaaken, en ik uijt VE: Letter van den 9: ontwaard, hij Rongo Lawe eene plaizier Jagd te Bato wilde houden is dit zeker, dat denzelven soemonagoro aldaar ver„ wagtit, dies gaat met het Passerouangs Hoofd ongodrono op het aller geheijmste te raade, hoe het best zal kunnen geschieden, dien soemorogoro of Pojolono te knippen, verders recommandeeren vir:, zig stipt na hooge ordres van den Agtbaren Heere Gezaghebber te gedragen en na groete blijven /:onderstond:/ accordeerd / was getekend:/ I=n D=o Goudelagh. xxtract uit een Missive van den Gezaghebber M=r Pieter Luzac aan den ondergetekende, gedateerd sourabaija den 14:' De„ cember 1771:— De Malangs Regent op mijn schrijvens alhier ge„ arriveert en van het hem ten laste gelegde in het vren„ delijke onderhouden betuijgt volslage van zijn onschult, gelijk ik hem dan ook niet onduijdelijk gaf te ver„ staan, dat ik aan die spargemente ook geen geloofslaan„ de liefst hem hier had laten komen eensdeels om hem in perzoon te spreeken, anderen deels ten einde hij nu door Hoog gunstige dispositie van haar Hoog Edelhedens in zijn Regentschap bevestigt zijnde ook bij vwelEd: Agtb: moeste verscheinen ter presteering van zijn Eed en ter ontfangst van zijn bewijs, gelijk dan ook eerstdaags de reize overland staat aan te nemen, om de wille dat de mousson om over zee te vertrekken het niet toelaat: Ik het mij na de famille van dien Regent nauwkeurig g'informeert, welke mij gansch niet reputatieus is opgegeven, want zijn grootvader de Pattij van Sourabaija voor heen geweest tegen de Comp: en zijn vorst vijand en naderhand gestrangu„ leerd en zijn vader is niet meer dan Raden geweest en benaamst onder tetitul van Raden Bachus, ook bij de Comp: in weinig aanzien gestelt, ook de voor heen nu wel opgegeve klagten van de Heer Goudelagh omtrent deeze Regent zijn trotsch en hatelijk ge„ drag tegen den Europees spreeken alles tegen hem zo dat ik onder correctie van gevoelen zoude zijn, dat tot heilzame bevordering en meerder gerustheid dier districten die Regent van daar genomen wierd; Omtrent de twee swervers heb ik nog geen nader berigt dan dat de Passourouangs Commandant Gon„ de lagh in de districten van Malang, Antang, tot op de Grenzen van het wierasabase door sterke patrouilles dezelve laat op spooren, en ook ten dien einde na Adirogo, Centong en Lamadjang aangeschreeven. Hoog Ad Jdem 60 31 33 En heb ik wijders bij deze toestant der zaken in het Balemboangsche den Luitenant Heinrich aangeschree„ ven door aanhoudende en toerijken de pattrouilles de we„ „gen uit het Balemboangse na de west te laaten bewa„ ken, door goede en welvertrouwde spions nauwkeurig attentie te slaan of een of ander zendeling van het Bajoes rot na beneden gezonden wierd om deze nieuw opgekomen volkeren weder derwaarts te lokken en op te rokkenen en in alle opzigte wel op zijn hoe„ de en warksaam, insgelijks ten opzigte der losse gerugten uit het weste, waaromtrent ik geen nade„ r„e verzekering of vastigheid heb ik gekregen dan deze Javaanze briefjes van Rawa en Calambret, welke ik vermeen dat vwel Ed: Agtb: hoog g'eerde attentie en speculatie zullen waardig zijn, daar ik den Passourouangs Commandant heb aangeschreeven zijn aanhoudende attentie daar heen te vestigen en de patrouilles ter ontdekking dezer nog smeulen„ de gerugten in het Malangse en Antingse om de zuid en west te laaten Continueeren, end' in de dalm van den Regent Rongo Lawe ontdekte bijzit en twee kinderen van den fugative somonogoro ter hooggeerde dispositie van vwer Edele Agtb: herwaards te zenden, Wanneer ik mij in het westen bevond, heb ik het. gerugt gehoord dat de Balemboangers weder de wapenen zouden opgevat hebben; ik verzoeke VEd: des, om mij te willen bedeelen, wat daar van zeij, hoe sterk den vijand is, en wien zij tot Hoofd hebben; de reedenen dat ik VEd: zulks kome te vergen zijn geen andere antwoord te kunnen geven, wanneer mij van hoger hand daarna gevraagd wierd /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was„ geteekend:/ Boltze; Translateur: Copia Iavaanse brief geschreeven door den Ingebij Tondo wiedjoijo Regent te Rawa, aan den Radeen Tommongong PongoLawe te Malang, vertoont te samarang den 15: Januarij 1772: terwijl de mantries met hun Panakawans aan„ „brengers van de Javaanse brieve na hunne name te hebben opgegeven weder thuis konde laaten keeren. Ad. Idem als evengemeld; gedateerd den 8: Januari 1772: terwijl

NL-HaNA_1.04.02_3364_0039 view scan ↗

English

36 Copy of a Javanese letter written by the Ingabij Settjo wiedgoijo, Regent at Calembres, to the Radeen Ronge Lawe at Malang, presented at Samarang on 15 January 1772. I solely request Your Honour herewith to please give me some clear report, both regarding the state of the enemy in the east and of the Company's forces. At the bottom stood: translated by me. Was signed: C. P. Boltze, Translator. Copy of a Javanese note accompanying Settjo Wijoijo's letter. Furthermore, in case Your Honour's daughter named Mbok Idon is not yet married, I request to know whether Your Honour would be inclined to give her to my son. That the emissary of Rawa and Clambrest, sent by the Ingabijs to the Malang Regent Rongo Lawe, was intercepted on the high road from there by the patrol sent out from Malang toward Loedalm and Sambigiger, and subsequently brought to the Postholder Exter; just as Your Right Honourable's orders to the sergeant stationed as postholder at Malang have at all times been most earnestly enjoined to keep a watchful eye on everything, among other things if possible to intercept letters addressed to the said Rongo Lawe and send them hither. Furthermore, concerning the concubine and children of Soemonogoro, I have made the closest inquiries with the local Regent Nitinogoro and his chiefs, as well as those keeping watch at Malang, from whom the same was learned; upon which, in order to ascertain the truth of the matter, I immediately wrote to the Malang postholder, and having found it to be so, immediately made the same known to Your Right Honourable in the respectful letter of the 5th. At the bottom stood: Agrees. Was signed: P. Luzac. Copy. Extract of a separate letter written by the Passourouang Commandant Goudelagh to the Authority at Sourabaija, dated 26 January 1772. Copy. Extract of a separate letter written by the Lieutenant and Passourouang Commandant Jan Daniel Goudelagh to the Authority at Sourabaija, under date of 18 February Anno 1772. And to inquire into further doings of Rongolawe, at the same time keeping a watchful eye on everything, as that sergeant wrote to me in his letters of 1 September of the previous year and 3 January, that the Tommongong Rongo Lawe has forbidden selling anything to the Europeans. The chief of Passourouang heard that himself from the Malang chiefs, and whenever they have anything to sell they are only to bring it to him; these are the very words of that sergeant, which original I have the honour to present to Your Right Honourable enclosed herewith. The Pepattij who remained behind at Malang, named Wiro Joedo, I had come hither last month to inform myself about various matters, such as the conduct and correspondence of Rongo Lawe, he saying that he knew nothing of it, for the reason that he was held in no esteem by his Tommongong, consequently everything was treated in the utmost secrecy apart from him, having taken his confidants along. I very respectfully come to communicate to Your Right Honourable that on the 22nd of this month at ten o'clock in the evening, a Balambangan was brought before the fortress to me by the mantris Sinindokko, Lanlang Pattier, and Sinodirono, who belong here at Poenajem, who formerly belonged at Cotta, named Copy of a dispatch from the Provisional Resident Schaphoff at Oeloupampang to the Authority Luzac at Sourabaija, dated 28 January 1772. taken to Samapang. While I furthermore take the liberty to inform Your Right Honourable concerning Rongo Lawe, I am assured by his brother-in-law, the Banger Tommongong Jojorogoro, and the local pepattij Martawiedjoijo, who are thoroughly acquainted with it, that Radeen Tirto Koesoemo, and furthermore Rongo Lawe, have sworn an oath or curse upon themselves and their children never to show loyalty to the Honourable Company, in case this just-mentioned Rongo Lawe might still be mindful of it. At the bottom stood: Agrees. Was signed: P. Luzac. Lower: For the copy conforms: signed: I. R. van der Burgh.

Dutch transcription

36 Copia Javaanse Brief geschreeven door den Ingabij Settjo wied„ „goijo Regent te Calembres aan den Radeen Ronge Lawe tot Malang, vertoond op samarang den 15: Januarij 1772: Eenelijk verzoeke ik VEd: bij deezen, om mij dog eenig klaar berigt te willen geeven, zoo wel van den staat des vijands om de oost als ook van 'tCom„ pagnies volkeren /:onderstond:/ getranslateerd:/ door mij /:was geteekend:/ C: P: Boltze; Transla„ teur Copia Javaanse Cartabelletje bij Settjo Wijoijos brief. Wijders verzoeke ik, bij aldien uwE: dogter gen:e ombok Idon nog getrouwt mogte weezen, te weeten of vwE: geen genegentheid had, om dezelve aan mijnen zoon te geven Dat den zendelinge van Rawa en Clambrest, door de Jngabaijs aan den Malangs Regent Rongo Lawe, door die van Malang uitgezondene patrouille na Loedalm en Sambigiger op den grooten Landweg van daar, agterhaald en vervolgens bij den Posthouders Exterig gebragt, gelijk mede vwelEd: Agtb: beveelen 8 den te Malang posthoudende zergeant ten allen tijde op het serieuste aangeschreeven, om op alles een wa„ kend oog te houden onder al was het mogelijk brieve ingerigt aan of 't gemelten Rongo Lawe, zien te agterhaalen, en na herwaarts tezenden: Verder betreffende de bijzit en kinder van Soe„ „monogoro hebbe ik mij op het nauwkeurigste, bij den hisigen Regent Nitinogoro en desselfs hoofde, zoo te Malang de wagthouden geinformeert, waar van het zelve ontvaard, hier op hebbe ten eersten na de Eytheid derzaake, aan den malangs posthouder geschreeven, en zoo bevonden, hetzelve ten eersten aan UwEd: Agtb: bij Eerbiedige van den 5: bekent gestelt. /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ P: Luzac —. Copia Extract aparte brief geschree„ ven door den Pastourouangs Com„ mandant Gondelagh, aan den Gezaghebber te sourabaijas, in dato 26: Januari 1772:— opia ƒ Copia E Copia Extract Aparte brief geschre„ ven door den Luijtenant en Patse„ rouangs Commandant Jan Da„ niel Goudelagh, aan den Gezag„ hebber te Sourabaija, sub dato 18=e februarij Ao 1772: En verdere gedoentens van Pongolawe te infor„ meeren, teffens een makend oog over al te houden, mij van dien zergeant in desselfs Letteren van den 1: september Ao p=o en den 3: Januari aangeschre„ ven, dat den Tommongong Rongo Lawe verbooden heeft, niets te verkopen aan d' Europeesen dat heeft het hoofd van Patterouang zelfs gehoord, van de Malangse Hoofde, den wen zij wat te verkopen hebben zullen zij maar bij brengen /:dit zijn de eij„ „gene woorden van dien zergeant :/ welke origineele ik d' eere hebbe vwelEd Agtb: incloso deezes aan tebieden, den te Malang agtergebleevene Pepattij in name wiro Joedo, hebbe ik verweke maand na herwaarts laten komen, om mij na het een en ander, als het gedrag, en brieve wissel van Rongo Lawe te infor„ „meeren, zeggende denzelve van niets te weeten, re„ „den, in geene agting bij zijn Tommongong te zijn, gevolgelijk alles op het secreetse buiten hem wierd getracteerd, hebbende zijn vertrouwde te zaam mede zeer eerbiedig kome vwelEd: Agtb: te commu„ niceeren dat mij den 22: dezer alhier 's avonds de klok tien uuren een Balemboanger door de alhier te Poe„ najem thuns gehoorde mantries sinindokko, Lanlang pattier en sinodirono voor 't fortres aangebragt, die voor heer te cotta t'huis gehoord hebbende in name Copia Missive van den Provisioneel Resident Schaphoff te oeloupam„ „pang aan den gezaghebber Luzac te sourabaija, gedateerd den 28=e Januari 1772: na samapang genomen; terwijlen al verder de vrijheid gebruike uwEd: Agtb: betreffende Ron„ „go Lawe te berigten, mij van desselfs schoon broeder den Bangers Tommongong jojorogoro, en hierigen pepattij Martawiedjoijo, werd verze„ „kert grondig bekent tezijn dat Radeen Pirto Koesoemo, verder van Rongo Lawe eenen Eed of vloek over zig en zijne kinderen gedaan te hebben, om nooit getrouwigheit aan D ECompagnie te bewijzen of sumwijlen dit effengemelde Rongo Lawe nog indagtig mogte zijn. /:onderstond:/ Accor„ dert /:was getekend:/ P: Luzac. /: lager:/ voor 't Accoord:/ getekend:/ I: R: van der Burgh na na si laken de 37

NL-HaNA_1.04.02_3364_0041 view scan ↗

English

Si Lakar, a Javanese priest whom the mantri Sinodirono had just previously captured in his house, into which he had intended to slip quietly, and whom I immediately ordered brought inside and examined and interrogated in the presence of the aforementioned mantris, with Lieutenant Smedeken and Ensign Guldenberger, as to what he intended to do in Poenatten and from where he came. He answered just as boldly that he had come out of Bajoe to try to persuade the wives of the mantri Sinodirono to come to Agang Willis in Bajoe, as it had been rumored there that said mantri had died, because he had been sent by Agong for that purpose and was a servant of the same; further relating that the old, deported Maas Willis, whom he had known previously and now knew well, alongside the Balambangan Pangerang Depatty, who had been put to death in Bali in the year 1764, and the Tumenggungs Soetanagara and Wangsingsarie were all present in Bajoe; and upon asking him by what means those high persons had all come so far into Bajoe, when the two first mentioned were known to have been deceased for so long, the deponent's answer was that they had come flying through the air, and that Agong Willis was now their Susuhunan, who never ate or drank and lived solely on the spirit, and that Rampak was now merely a slave of Maas Willis, as were all the other chiefs and commoners. Whereupon, when I further asked him how strong they were in armed men, the quantity of their gunpowder, lead, firearms, and cannons, as well as how much supply of rice and all other foodstuffs Agong Willis had in Bajoe, he replied that their Emperor Willis, as he called him, had five thousand armed men, five barrels of gunpowder—which required four men each to carry on poles—and the same of lead bullets, five pieces of cannon, four mortars, with a great quantity of cannonballs and a multitude of firearms, and that they had rice and other provisions in abundance in and around Bajoe, and that three thousand brave and courageous men were on the point of coming over from Bali to their Emperor's aid; that they had dismantled all their old entrenchments along with those left behind in Bajoe by the Madurese, Sumenepers, and Pamekasanese, and that their Emperor Willis intended to establish his Cotta very large and extensive right before Songon for the time being, and once all the Balinese had joined them, the fortress Cotta would be taken away, and he would establish his camp south of there. I subsequently asked him how much gunpowder, lead, and firearms their Emperor Willis had obtained during the surprise attack on the Europeans at Songon, and whether the deponent would rather return to Bajoe this evening or tomorrow, and what message he would bring to Willis if he did not bring the women along, and what his Emperor would think or do if he were kept here in custody and brought no report of his completed mission. His answer was just as undaunted as before: that they had brought only one barrel of cartridges, roughly sixty firearms, or muskets and carbines, and ten pistols into Bajoe; and that he would gladly remain in Poenassem tonight and return to Bajoe tomorrow, and would tell Agong Willis that the wives of Sinodirono had not wanted to go with him; and that even if he were held here bound or locked up, he was not afraid, for Willis could quickly set him free, looking upward as he spoke. Having him afterwards locked in the stocks by both legs, he called out to his Emperor for deliverance very humbly and with groans. On the morning of the 23rd, in the presence of the Tumenggung Jaranagara and all the mantris here, the said Si Lakar was examined and interrogated again as previously mentioned, answering and confirming consistently as written above; however, having him subsequently tied to a tree swarming with large red ants immediately brought him to a different confession, saying then that all the aforementioned had been commended to him by the so-called Willis Rampak, alongside Bappa Sarat, Endo, and Rappo, to say if he met anyone from the Balambangan people who had remained loyal; that he had been promised two mats by Rampak to spy on everything here; and that he was a punakawan of Rampak, who still bore the title of Susuhunan in Bajoe while all the chiefs acted as before; and that neither the real Willis, nor Pangerang Depatty, nor Tumenggung Soetanagara and Wangsingsarie were there; and that a few days ago, when Bappa Sarat and Endo had drawn up a list in Bajoe, there were no more than two thousand souls, including men, women, and children, counting all the people of Banjar who had fled there when Banjar was burned, along with those from Cradjagang, except for ten households that had remained behind to make salt; and that fully two-thirds were women and children; that they were all so weakened and exhausted by hunger that a large part were no longer able to leave Bajoe, with mortality continuing to be very high among them; and that from the time Bajoe had been attacked by our forces, many had deserted in small parties of men as well as women and children, despite the heavy watch kept over them; and that they had nothing left in the world to consume inside Bajoe except banana trees and the hearts of areca palm trees, and that all their gunpowder and lead was exhausted, indeed not a single cartridge.

Dutch transcription

si laker een Javaanse Priester, die den mantrie sinodirono even bevorens in zijn huis had laten opvangen, waar in zig stilletjes had menen te ma„ ken, denwelke ik verstont heb laten binnen brengen en in praesentie van voorm: mantries met Luitenant smedeken en vendrig Guldenberger heb g'examineerd en ondervraagt, wat hij te Poenatten wilde doen en van waar hij quam antwoorde denzelve als onbeschroomt uit Bajoe was gekomen om de vrouwen van den man„ trie sinodirono zien over te halen wijl aldaar ge„ spargeert was dien mantrie overleden te zijn, om bij Agang willis in Bajoe te komen door dien agong daarom was gezonden en een bediende van denzelve zijnde; relateerende denzelve voorts dat den oude weg gevoerde maas Willis wien hij gekent hadde voor heen en nu wel kende, beneffens den Balemboangse Pangerang de pattij in A=o 1764: de Balie om het leven gebragt, en de Tommogongs Soetanagara en wanging „sarie alle in Bajoe present waren; aan hem vra„ „gende door wat middel die hoge perzonen alle zoo verre en twee eerstgem: men wist zo lange overleeden waren; in Bajoe gekomen waren, datse door de lugt waren komen vliegen was zijn relatants antwoord, en dat agong Willes nu haar soesoehoenang was die nooit eeten nog drinken deed, alleenig van de geest leefde en dat Rampak nu maar een slaat van Maas willes was zoo wel als alle andere hoofde en gemene. Waarna ik hem voorts vragende, hoe sterk van gewapende mannen, de quantiteit van hun kruit, lood, schietgeweeren en canons, mitsgaders hoe veel voorraad van rijst en alle andere levensmiddelen Agong Willes in Bajoe was, repliceerde denzelven, dat haar keizer Willes, zoo als hij denzelve noemde, vijf duijsent gewapende mannen, vijf vaten kruit /:waar aan vier man ieder werk hadden te piekelen :/ en dito lode kogels, vijf stukken Canon, vier mortieren, met een menigte Canon kogels en een menigte schiet geweeren en datze rijst en andere levensmiddelen in overvloede hadde, in en bij Bajoe, en datter van Batie tot haar keizers hulpe drie duijsent wakkere en branige kop„ „pen stonden overte komen, dat zij alle hare oude ben„ tingen met die door de madureesen, Sumanappers en Pamacattangers in Bajoe gelaten alle hadden wegge„ nomen, hun keizer willes zijn Cotta digt voor son„ „gon wilde aanleggen zeer groot en uitgestrekt voor eerst en als de baliers alle bij hen waren aangekomen, 't fortres Cotta zou weggenomen, en zijn leet bezuijden van daar vestigen: vervolgens vraagde hem hoe veel kruit, lood en schiet geweren hun kevzer willes bij het overrompelen der Europesen te songon had gekreegen en of hij relatant nog van dezen avond ofte morgen liefst wederom na Bajoe wilde gaan en wat boodschap hij willet F v 44 aan willes zou brengen als hij de vrouwens niet mede bragt, en als men hem hier in verzekering hielt geen boodschap van zijn gezonde verrigting bragt, wat zijn keizer dan denken of doen zou; was zijn weder antwoord zoo min beschroomd, als vorens datse maar een vat pattroonen, groote sestig schiet geweeren, of snaphanen en Carbeinen, thien pistolen binnen Ba„ „joe hadde gebragt; en dat hij deeze nagt nog wel op Poenassem wilde blijven en morgen na Bajoe te rug gaan, aan Agong willes zou zeggen de vrouwens van sinodizono niet met hem hadde willen gaan en als men hem hier ook nog zoo gebonde of geslote hield was hij niet bang of willes konde hem schielijk los maken, intusschen om hoog ziende: hem hier na in het blok met beide bernen latende sluiten heeft hij zeer ootmoedig onder zugtingen zijn keizer om verlotting toegeroepen. Den 23: 's morgens in praesentie van den Tommon„ „gong Jaranagara en alle mantris alhier, dien Si„ Lakar wederom g'examineert en ondervraagt als voormelt staat, die inzelver voegen Conform antwoorde en bevestigde als voorschreeven, egter denzelve daar op voor een boom latende binder die vol van grote rode mieren loopt, hem terstont tot een andere be„ kentenis bragten seggende toen alle het voorschreeve hem door den gewaarde willes Rampak, beneffens Bappa Sarat, Endo en rappo was aangerecomman„ deert moeste zeggen als iemand van de getrouw gebleve Balemborngers ontmoete; hem twee matten van Rampak was belooft om hier alles te bespieden; en dat hij een poenakawan van Rampak was, die nog in Bajoe de naam van Soesoehoenang voerde en alle de hoofden als voor heen ageerden; en geen egte willes nog Pangerang De pattij of Tommongong Soetanagara en wangsingrarie daar was, en dat er in Bajoe voor eenige dagen Bappa Lara t en Endo een lijst hadde op„ gemaakt gehad, niet meer als twee duizend koppen zoo mannen, vrouwen en kinderen waren, en dat de Bandjerse volkeren alle bij waren gevlugt toen band„ „jer verbrand was, onder gerekent met die van Crad„ jagang behalven tien huisgezinnen gebleeven om zout te maken; en ruim twee derde kinderen en vrouwen wa„ ren; ook alle door de honges zodanig waren verflouwt en afgemat een groot gedeelte niet in staat meer waren uit Bajoe te gaan de sterfte nog sterk bij haar bleef aanhouden, en dat er zig van de tijd af dat Bajoe van de onse aangetast geweest, veele hadde verloppen met kleine parthijen zoo mannen als vrouwen en kinderen hoe sterkse wagt daar voors gehouden hadden; en datse ter werelt niets meer hadden tegenuttigen binne Bajoe als Piejang bomen en de harte uit d' arreeks bomen, en dat al haar kruit en lood op was, ja geen enkelde Bappan Patroon

NL-HaNA_1.04.02_3364_0043 view scan ↗

English

had no more cartridges, and that Bappa Endo had gathered all firearms to himself and stored them in a room, for which reason they had thrown away their bentings, because they were afraid that they might be surrounded there with firearms, since they could no longer defend themselves by shooting; that the common people had agreed among themselves that if they did not receive relief with provisions within a month, they would surrender discreetly to the Company, which none of the chiefs intended to do, preferring to perish from hunger; also that Rampak, now about two months ago, had sent one named Bappa Jamil with three other common Balemboangers to the Balinese princes and requested five thousand men in auxiliary troops against this past light, who had not yet returned, and the rumor had circulated in Bajoe that the aforementioned Jamil had been imprisoned in Bali, though not knowing where; also he confessed that 20 Balinese, now about a month ago, had come to land from Tjimbrana at Pakkum with four jochems, and had proceeded to Bajoe and there asked about the heavy shooting that they had heard at Tjembrana from Balemboang for seven days, having been sent to inquire what this meant; at Bajoe having no knowledge to give reasons for their inquiry, the aforementioned Balinese together went back from there to Pakkum and returned in their vessels: Further, he confessed that twenty households had still remained at the negorij Cambierang to guard their paddy and goods, but the rest from that negorij, as well as from all others of the whole country, had ultimately fled together to Bajoe. On the 25th of this month, the often-mentioned Li Lakar was examined and interrogated for the third time, whereupon I confronted him with threats to give me the true state of Bajoe, or else I would have his nose, ears, tongue, fingers, and toes of his feet cut off if he reported falsely to me, as I was about to receive information that evening through my dispatched scouts and would proceed with the execution on him the following day, but if he spoke the truth in accordance with the report I was about to receive from my spies, I would let him go free and clear with a good reward; he testified that everything he had confessed and acknowledged on the 23rd was the true state of the rebels at Bajoe, only adding further that after the departure of our forces at Bajoe, all men had been mustered by the chiefs, their total number under the four head regents being as follows: Bappa Larat 300, Bappa Endo 400, Bappa Rappo 200, and Bappa Malm 300, which made a total of 1300, and that he well knew that none of all the Balemboangers had fled to Bali, nor did they find shelter under vessels, [illegible] the prince of Badong in his lands, knowing well that they would be seized and killed; he also related that among the aforementioned 1300 men there were still a full hundred heads of the Contong and Djember peoples who had previously fled to Bajoe; furthermore, he testified that if Bajoe were occupied at its three exits, all the rebels would inevitably perish from famine within a few days, to which end he offered to point out the paths when the Company marches thither. For some days now there have been such continuous storms here at sea, whereby all cruising vessels, stripped of their sails, anchors, and ropes, have returned home completely disabled, and one prauw mayang with two sailors and two soldiers that had gone to the south point is missing, and another of the same was run aground and smashed to pieces by the severe storm, though fortunately all the people were saved from it; however, most of the small vessels were quickly repaired as far as possible and sent out distributed for cruising. The sicknesses here at Oeloepampang have almost entirely ceased among the Europeans this month, and they are beginning to recover more and more each day, whereas the opposite appears at Cotta, where disabled men arrive here daily for healing from the severe flux or dysentery. I also enclose herewith a certificate executed by the post-holder Kreegel regarding the distribution of provisions that Captain Lieutenant Rijgers managed upon his arrival at Cotta, together with a list given to that post-holder to make extra daily distributions of rice to the persons named therein; it was unknown to me that this was permitted to be done, which I also forward for Your Right Honorable's consideration or approval, and I am suspending such distributions until I have received authorization for it; also, I can find no account concerning the provisions sent to Captain Lieutenant Rijgers, other than what I have received from the pantjallings, which I have had taken in each time by commissioners with a full report thereof, and of what was taken by Rijgers everything occurred without my knowledge, and according to his statement during his lifetime in conversation, that this was the only way to discover anything about it, much rice and other provisions would be found missing. Yesterday evening the mantri Tjaringandul of Pattang came to report to me that a woman had arrived there that day from Bajoe, nearly dead of hunger; having questioned her as to how matters stood with the rebels in Bajoe, she reported that they had to move away from there or soon all die of hunger, as so many were dying daily. And I have the honor also to inform you that a prauw arrived here yesterday, also from Banger, with thirty heads of battoors, whose mantri or chief reported to me that still Bangil people Kreegel people G 45 19 9

Dutch transcription

pattroon meer hadden, en dat Bappa Endo alle schiet geweren bij zig versamelt en geborgen had in een ver„ „trek, waaromse haare bentings hadde weg geworpen dat se bevreest waren met schiet geweren daar mogte omcingelt worden, wijlse haar met schieten niet meer konde verdekenderen, dat het gemeene volk zig verenigd had als zij geen ontset van levensmiddelen binnen een maand kreegen, hun op discreete aan de Comp: zouden onderwerpen; 't geene geen enkelde van de hoofden voorgenomen hadde te doen, liever van hon„ „gor te willen vergaan; ook dat rampak nu omtrent twee maanden geleden eene genaamt Bappa Jamil met nog drie gemeene Balemboangers om de Balische vorsten had gezonden en verzogt om vijfduisend man hulp troupen tegens dit verlope ligt tot nog niet wederom te rug gekomen was en het gerugt. te Bajoe had gegaan gem:e gamil te Balie gevangen was geset egter niet we„ „tende waar; ook beleed denzelve dat er 20: baliers nu bij een maand geleden van Tjimbrana te bakken met vier Jochems waren komen landen, en hun na Bajoe hadden begeven en aldaar gevraagt na 't veele schieten datse seven dagen lang te Tjembrana van Balemboar„ „gang gehoort hadden, waren gezonden geweest te vernemen zulks bedinde; te Bazoe geen weet van hun na vrage gehad redenen te geven regt voorm: Baliers te zamen wederom van daar na Pakkum waren gegaan in haare vaartuigens geretourneert: Voorts bekende dat nog twintig huisgezinnen op de negorij Cambierang wa„ „ren gebleeven bij hare padij en goederen te bewaker egter d' overige uit die negorij zoo wel als van alle an„ „dere van het gansche land laast in Bajoe waren bij el„ kanderen gevlugt geweest. Den 25: dezer meermelde Li Lakar voor de derdemaal geexamineerd en ondervraagt, wanneer ik hem te gemoede voerde met dreigementen om mij de regte staat van Bajoe op te geeven hem anders neus, ooren, tong; vingeren ende toonen van de voeten zou laten afsnijden mij val„ schelijk berigte, ik dien avond door mijn uitgezondene pions met narigt stond te krijgen, 's daags daaraan met de Executie aan hem zou voortvaren, maar als de waarheid kwam te zeggen overeenkomstig met 't berigt dat ik van mijn verspieders stont te krijgen, hem vrij en liber met een goede beloning zou laten lopen, heeft denzelve betuigt alle 't geene den 23: beleden en bekent heeft ft; de wesentlijke staat van de rebellen te Bajoe was, maar enelijk noger bijvoegende, dat na d'opbreking den onse te Bajoe, alle mannen door de hoofden waren op„ „genomen geweest, haar geheel getal van onder de vier hoofd regenten was als Bappa Larat 300:, Bappa Endo 400, Bappa Rappo 200: en Bappa Malm 300:, dat een getal van 1300: uit„ gemaakt had, en dat hij wel wist geene van alle Balembo„ angers na Balie waren gevlugt, ook geen schuijl onder vaartuuigges E den vorst van Badong in zijne landen kreegen wel wisten aangehaalt wierden en omgebragt ook verhaalde dat er onder de voormelde 1300: mannen nog grote hondert koppen waren geweest van de Contongse en Djember„ „se volkeren na Bajoe bevorens gevlugt, vervolgens nog betuigde als Bajoe op haar drie uitgangen beset wierd, de rebellen alle binnen korte dagen van hongersnood moesten vergaan, waartoe zig aan praesenteerde de we„ gen zou aanwijzen als de Comp: derwaards gaande. Nu voor eenige dagen zulke onophoudelijke stormen alhier in zee geweest, waar door alle vaartuigen op krinssing van hun zeilen, ankers en touwen ontrieft, gansch onttramponeert thuis gekomen, en Een prauw„ majang met twee mattroosen en twee militairen na de ziidhoek geweest 't zoek zijnde en een dito door 't swaar ouweer gestrand en tot stukken verbrijstelt, egter de menschen enelijk alle daar van gered zijn egter de meeste vaartuigjes wederom in spoed na doenlijkheid herstelt en verdeelt ter kruissing uitgezonden. De ziektens hebben hier te oeloepampang in deze maand onder de Europesen als ten eenemaal opgehouden en dagelijks meer en meer biginnen bij te komen, daar zig 't tegendeel te Cotta komt op te doen, dagelijks in„ „potente herwaards komen ter genesing van de sware afgang of dissenterije. Incloseere nog hier in een Certificaat door den posthouder kreegel gepasseert aangaande de verstrikkinge van provi„ sien den Capitain Luitenant Rijgers bij zijn aankomst te Cotta geageert heeft, beneffens een lijstje aan dien posthouder gegeven gehad om de verstrekkinge van Rijst 's daags aande daar bij benoemde perzonen extra te doen, is mij onbewust geweest van zodanige te mogen doen, tot vwelEd: speculatie ofte goedkeuring mede overzende, in houde op met zulke ver„ strekkinge voor dat qualificatie daartoe ontfangen heb, ook geen reecquering wegens de toegezonde provisien aan Cap:n Liutenant Rijgers weet te vinden, als op 't geene uit de pantjallings ontfangen heb, telkens door gecommitteerdens heb laten inneemen met een volledig berigt daarvan en van 't doors Rijgers geligte mij onbekent alles is geschied„ en volgens dies opgave in zijn leven bij discours, dat de enigste weg was om iets daar van te ontdekken veel aan de rijst en andere provisien zoude komen te ontbreeken Gisteren avond komt mij den mantrie tjaringandul van Pattang berigten aldaar een vrouwspersoon dien dag uit Bajoe bij na dood van honger was aangekomen, ondervraagd had hoe het in Bajoe met de rebellen gelegen was, berigt had datse vandaar moesten verhuisen of binne korte alle van honger sterven, ook dagelijks zoo veele overlijden quame. En heb ik de Eere mede te bedeelen als dat er een prauw gisteren mede van Banger met dertig koppen battoors alhier gearriveert is, van welke mantrie of hooft mij berigte dat er nog Bangilse Kreegel volkeren G 45 19 9

NL-HaNA_1.04.02_3364_0045 view scan ↗

English

people were nearby on the land route who had lost their vessel between Panaroekan and Cape Sundana, but also Madurese vessels with people were stranded due to the heavy storms and more, from which the people had gone back to Panaroekan. Wherewith, with the highest indebted respect and honor, I call myself, was signed, Title, lower, Your Right Honourable’s very submissive Servant, was signed, W: schophoff, in the margin, Oeloepampang the 28: January 1772: below stood, Agrees, was signed, P: Luzac, and further Agreed, signed, J: R: van der Burgh. In my latest humble letter of the 7: of this month I had the honor to communicate to Your High Mightinesses that I had written to the resident at Poera Carta, van Straalendorf, to investigate to what extent the rumors deserved credit that some of the Emperor’s, and of Pangerang Mancoenagara, alias Mas Said's people were in motion, and I added thereto on the foundation of the Susuhunan's proven goodwill, and the assurance of the said resident, in his letters of the 27: January and 29: February under Appendix L: A: in Your High Noble, Right Honourable, and Right Honorable Gentlemen! To His High Honour, The High Noble, Right Honourable Gentleman Petrus Albertus van der Parra Governor-General, together with The Right Honorable Gentlemen Councillors of the Dutch Indies. Batavia Batavia Extract Extract accompanying this, that the Pangerang, finding more and more taste in tranquility, diverted himself daily with his customary recreations, and seemed to have nothing less than evil in mind, not only that these movements apparently, just as in the past year, took place with a good intention, to occupy all roads and entrances from the Emperor's lands to the east, but also said beforehand, in another place, that the emissaries who had claimed to have been sent by the aforementioned Prince to Malang's Regent Bongelave, to inform him that 2000: men were to come into his districts, must in my opinion have been dispatched by someone else; however, that one must now maintain the contrary with respect to Mancoenagara, can be gathered from the later letters of the resident of Poera Carta dated the 13: 14: and 16: of this month along with an account of a certain Javanese named Morto under Appendix L: B: transmitted herewith, since it will appear to Your High Mightinesses from the first letter, and that account, that he is suspected of having formed intentions, together with various grandees and among others the dismissed Prime Minister Mangkoprodjo, the Regent of Bagaleen Arong Binang, and the Regent of Banjoemaas, who is a son of the Sultan's Prime Minister Danoeredja, who was married to the Pangerang's daughter not long ago, most unexpectedly, or at nearly the same time that he requested a husband for her from me on behalf of the Company, whereby the rest and peace on this blessed Java is likely to be disturbed, and to that end, has had weapons brought together for two thousand men in his land Cadewan, and on the nearby mountains Kamoetjoep and Pajoe-ang already a number of 13000: men under five principal chiefs; likewise from the state of preparation in which he himself according to the second letter on the morning of the 14: of this month was found in his dalem with his people, it seems must be concluded that on that day, on the occasion that the Javanese feast Bazaar was to be held, he must already have intended to undertake something or other, in which however he was fortunately prevented by the resident's feigned illness at the Emperor's request, because the ruler then also had a pretext not to appear in public on that feast day, although it is also maintained that he awaits my arrival at the court, and whether in the requests made in his letter attached under Appendix L: D:, namely that I would bring it about that the Emperor would leave him the villages of Pandjerlan and Pamarden, just like Banjoemaas, that is as wedono, and the district Kamagekan in lease, and that the Sultan would pay him the sum formerly agreed upon for the daughter of the former left to the same, upon V

Dutch transcription

19 volkeren na bij waren op de landweg die hun voor„ tuig tusschen Panaroekan en Caap: Sundana verlooren hadden, maar ook madureesen vaartuigen met volk wisten door de sware stormen en meer ge„ strand waren, waar van de volkeren de rug na Dana„ roekan waren gegaan. Waarmede met de meeste verschuldigste hoogagting en Eerbied mij noeme /:onderstond:/ Titul /:lager:/ vwelEdelen Agtb: seer submissen Dienaar /:was getekend:/ W: schophoff /:in margine:/ oeloepampang den 28: Januarij 1772: /:onderstond:/ Accordeert:/ was ge„ „teekend :/ P: Luzac, /: en voort Accoord:/ /:getekend:/ J: R: van der Burgh Bij mijne jongste onderdanige van den 7: deezer had G ik de eere uwer Hoog Edelheden te communiceeren, dat ik het opperhoofd te poera Carta van Straalendorf hadt aan„ geschreeven te onderzoeken, in hoe verre geloof meriteerden de gerugten dat eenige van des keijzers, en van Pangerang Mancoenagara /:alias. / Mars saids volkeren in bewee„ ging waaren, en ik voegden er op fundament van des soesoehoenangs beproefde welwenendheid, en de verzeke„ ring van het gemelde opperhoofd, bij zijne brieven van den 27: Januarij en 29: februarij onder de Bijlage L=a A: in V: Hoog Edelen Gestr: broot Agtb: Heer, en Wel Edele Heeren! Aan zijn HoogEdelheid, Den Hoog Edelen Gestr: Gr: Agtbaren Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal, nevens De welEdele Heeren Raaden van Nederlands Indie. Batavia Batavia Extract 49 Extract deezen versellende, dat den Pangerang meer en meer smaak in de rust vindende zich dagelijks met zijne gewoone uitspanningen diverteerden, en niets minder dan kwaad in zijn zin scheen te hebben, niet alleen bij, dat deeze beweegingen apparent, even als in het voor„ leeden jaar met een goed oogmerk geschieden, om alle we„ „gen en toegangen uit 's keijzers landen om de oost te be„ zetten, maar zeide vooraf ook, op een andere plaats, dat de sendelingen die voorgegeven hadden door opge„ noemde Prins aan Malangs Regend Bongelave gezonden te zijn, om hem te verwittigen, dat er 2000: koppen in zijne districten stonden te komen, naar mijne gedagten van iemand anders moesten afgevaardigd zijn; dog, dat men tans met opzigt tot Mancoenagara het Contrarie sustineeren moet, is op te maken, uit de laatere brieven van het jaera Car„ „tas opperhoofd de dato 13: 14: en 16: deezer nevens een relaas van zekere Javaan Morto genaamd onder de Bijlagen L: B: overgaande, alzo vwer Hoog Edelheden bij de eerste brief, en dat relaas, voorkomen zal, dat hij ge„ suspecteerd word met verscheide grooten en onder an„ dere den gedimoveerden Rijksbestierder Mank oprodjo„ den Regent van de Bagaleen Arong Binang en den Re„ „gent van Banjoemaas, die een soor van Sulthans Rijks„ bestierder Danoeredja, der met des Pangerangs dogters: niet lang geleden, op het onverwagtste, of genoegzaam op dezelve tijd, dat hij mij om een man voor haar van de Comp: verzogt, is getrouwd, voornemens te hebben be„ raamd, waar door de rust en vreede op dit gezegend Java staat te worden gestoord en ten dien einde, in zijn land Cadewan voor twee duizend man wapens, en op de daarra bij gelegen bergen kamoetjoep en Pajoe-ang bereeds een aantal van 13000: koppen onder vijf voornaa„ „me hoofden bij een zoude hebben laten brengen; mitsga„ „ders uit den toestel waarin hij zelfs volgens de tweede brief smorgens van den 14: deezer in zijn dalm, met zijn volk aangetroffen is, schijnt te moeten opgemaakt, dat hij op dien dag, bij gelegenheid dat het javaansche feest Bazaar stond te worden gevelld, al voornemens geweest moet zijn, het een of ander te onderneemen, dog waarin hij gelukkig is geprevenieerd, door de op 's keijzers begeerte voor gewende siekte van het opper„ hoofd, dewijl den vorst doen ook een voorwendzel hadt op dien feest-dag niet in het publicq te verscheijnen, alhoewel men ook wil, dat hij mijne komst aan de ko„ ren, en afwagt of in de bij zijn onder de bijlagen L: D: gevoegde Brief gedaane verzoeken, dat ik namentlijk wilde bewerken, dat den keijzer wem de negorijen Pand„ „jerlan en Pamarden, even als Banjoemaas /: dat is als wedono:/ overliet, en het district kamagekan in pagt, mitsgaders de sulthan hem betaalde, de wel eer, voor de aan denzelven overgelaten dochter van den voorma„ op V

NL-HaNA_1.04.02_3364_0047 view scan ↗

English

former Paccalongangs Regent, now Pangerang Notto Coewoemo, promised 200 Spanish reals per year, which he had not received now for eight years, I did not deem it advisable directly to address the Sultan regarding a claim of that nature, the more so because it must be a private agreement of which the Pangerang had previously made no mention, and which he has now certainly dug up in order to have a pretext, but tried to keep that matter, as well as his request for the above-mentioned Lands from the Emperor, dragging on until my arrival at the Courts, since these had already been requested for him several times and refused by the ruler, in order then to speak about it orally, and if possible to dispose the rulers in the most favorable manner. But at the first news of what was going on, I could not wait so long, and therefore, in the copy of the letter forwarded under Litt. E, yet in terms from which he may well deduce that one is informed of his intention, I further promised the Prince my assistance, and gave hope that if he continued steadfastly to rely on the Company, his petition for the aforementioned Negorijen would also apparently succeed, at least that I would use my utmost endeavor toward the one and the other. At the same time, I also presented the Pangerang's petition to the Emperor, and in the copy of the letter likewise enclosed under Litt. E, not only gave notice of the news received that certain prominent persons at his Court without however naming anyone are forging evil designs to disturb the public peace, but also advised having an inquiry made into this, in order to stifle that evil in its infancy. I still await an answer from both of them, while the resident Straalendorff in his letter of the 16th of this month reports that the Emperor had shown himself inclined to cede the two first-named Negorijen the third is not known in his lands upon my arrival, while the Pangerang had also shown satisfaction with the contents of my letter and made protestations of his trust in the Company. Yet whether that is genuinely meant, I doubt very much, the more so because, according to that same letter from the resident Straalendorff, rumors have it that Mancoenagara's assembled forces were to come and camp on the 24th of this month at Lammira, two hours from Souracarta, and that, since this cannot happen without the foreknowledge of the Mataram Court, the Sultan is in agreement with the Prince, and both of them must be targeting the Emperor. But since the resident Lapro, on the other hand, in a letter of the 16th of this month also gives the strongest assurance of the Sultan's sincerity, I do not yet know what to believe. I myself am doing everything possible, and I have also written to both the aforementioned residents to redouble their zeal in order to get to the bottom of the matter, who all are involved in it, and who the chiefs of the assembled forces actually are, as they are unknown here by name, as well as to discover what their intention and design is, with the recommendation to advise the rulers, if no reasons appear to suspect them, each for their own safety to devise such measures as appear useful to foil the evil intentions of the disturbers of the peace, so that Your Excellencies may, if it pleases, gather this and what I have further instructed them from my letters of the 14th and 16th of this month. I for my part am meanwhile still of the opinion that neither of the two rulers has a part in this matter, yet I can just as little imagine what reasons move Prince Mancoenagara to take a new step. And yet, from all the accumulating circumstances, it can be established with sufficient certainty that he is pregnant with evil intentions, and therefore I most humbly request Your Excellencies to be reinforced with your orders on how I am to conduct myself in this, whether one of the rulers is implicated or not, or if the Prince begins hostilities against one or both of the rulers, with or without the Company, or without undertaking anything else only tries to assist the Balemboangers, which would be a hostile attempt against the Company alone; while in the meantime, or as long as I have no reasons to suspect the rulers, I shall have them urged to put themselves in a proper state of defense, and in reply to the request of the resident Straalendorff in the P.S. of his latest letter of the 16th of this month to be permitted to attack the Pangerang with the Emperor's help if it appears that he acts amiss, answer that he should rather try to persuade the Emperor alone to do so, and above all refrain from being alone or the first aggressor, but if attacked, to repel force with force, and for that purpose request the ruler's assistance as well as provide it to him in the opposite case, which, and what I have further accomplished in this matter to date, will, I hope, meet with the approval of Your Excellencies. I have also, to bring the garrison at Soerakarta up to full strength, dispatched thither 26 soldiers, one gunner, and three artillerymen, but now the Samarang garrison is also so weak that the guards are constantly on duty, all must serve, and the artillerymen even have to guard one of the points. And as I fear that as soon as hostilities

Dutch transcription

liger Paccalongangs Regend, nu Pangerang Notto Coewoemo, beloofde 200: stp. s realen 's jaars, en dewelke hij nu al in agt jaaren niet genooten had, ik het niet randzaam geoordeelt over een pretentie van die natuur te meer omdat het een particuliere overeenkomst moet weezen, waar van den Pangerang bevoorens niets ge„ rept; en die hij nu, zekerlijk om een voorwendsel te hebben opgedolven heeft, den sulthan direct te onder„ houden, maar getragt die zaak, en ook zijn verzoek om de boven gemelde Landen van den keijzer, uit hoofde die al meermalen voor hem gevraagd, en door den vorst geweigerd zijn, sleepende te houden, tot mijne komst aan de Woven, ten einde dan mondeling daarover te spreeken, en was het mogelijk de vorsten op het favorabelst te disponeeren; maar op de eerste tijding van het geen er gaande was, heb ik zoo lange niet mogen wagten, en daarom den Prins bij de onder L=a E: overgaande Copia brief, egter in termen, waar uit hij wel opmaken kan, dat men van zijn voornemen is geinformeerd; nader mijne hulpe beloofd, en hoope gegeven dat als hij standvastig op de Compagnie bleef vertrouwen, zijne instantie om voormelde Negorijen ook apparent reuweeren, ten minsten dat ik mijn uitterste devoir tot het een en ander aanwenden zoude, mitsgad=s ook den keijzer des Pangerangs instantie voorgedragen, en bij de mede, onder L:a E:s gevoegde Copia brief teffens, niet alleen kennis gegeven van de bekomen tijding, dat er aan zijn Hof eenige voorname perzoonen /:zonder echter iemand te noemen:/ kwaade ontwerpen smeeden, tot stooring van de algemeene rust, maar ook geraden na dezelve onderzoek te laten doen, om dat kwaad nog in zijn geboorte te smooren. Ik wagte hun beiden ant„ woord nog, terwijl het opperhoofd straalendorff bij zijn brief van den 16: deezer meld, dat den keijzer zig genegen getoond hadt, de twee eerst genoemde Negorijen /: de derde in zijne landen niet bekend:/ bij mijne korst aftestaan, mitsgaders den Pangerang ook blijken van genoegen had laten geven over den inhoud mijns brief en betuigingen doen van zijn vertrouwen op de Comp:s, dogh of dat wel gemeend is, trek ik zeer in tuijf„ „fel, te meer, daar volgens diezelfde brieff van het opper„ hoofd Straalendorf de gerugten willen, dat Mancoe„ nagaras bij een gebragte volkeren, den 24: deezer te Lam„ mira, twee uuren van Souracarta stonden te komen Campeeren, en dat, wijl sulks niet zonder voor weeten van het Matarmnsche Hof geschieden kan, den Sulthan het met den Prins eens zijn, en zij beide het op den keizer moeten hebben gemunt; dan vermits het opperhoofd Lapro daarentegen ook bij brief van den 16: hujus de sterkste verzeekering van 's sulthans welmenendheid geeft weet ik voor als nog niet waaraan ik mij hou„ den zal, Ik doe zelfs al wat mogelijk is, en ik heb. niet ook 51. ook beide de voorwaarts genoemde opperhoofden aan„ geschreeven hunnen iever te verdubbelen, om agter het wezentlijke der zaak te komen, wie er al in betrokken, en wie eigentlijk /:als volgens de naamen hier onbe„ kend :/ de hoofden der bij een verzamelde volkeren zijn, mitsgaders te ontdekken wat haar voornemen en ond„ werp is met recommendatie om de vorsten, wanneer er geen redenen voorkomen hen te suspecteeren, aan te raaden, ieder voor zigh tot eigen veiligheid zulke middelen te beraamen als dienstig voorkomen, om de boose voorne„ „mens van rustvertoorders te verijdelen, invoegen ons HoogEdelheden dit, en wat hen verder in mandatis gege„ ven hebbe, des behagende Consteeren zal bij mijne brieven van den 14. en 16=e deezer. Ik voor mij ben ondertusschen voor als nog van gevoelen, dat geen der beide vorsten in deeze zaak deel hebben, dog ik kan even min uitdenken wat redenen den Prins Mancoenagara mouveeren, om een nieuwen intstap te doen; en echter is uit alle de te zamen bo„ pende omstandigheeden genoegzaam zeker te stellen, dat hij met kwande voornemens bezwangerd gaat, en daarom verzoeke ik uwer HoogEdelheden ootmoedigst om met derzelver ordre te mogen worden gesterkt, hoe ik mij in deezen zal te gedraagen hebben, het zij dater een der ooster mede gemelteerd is of niet! dan wel den Prins vijandelijkheeden begind tegens een, dan wel beide de vorsten, met, ofte buiten de Compagnie s of zonder iets anders te onderneemen alleen tragt de Balemboangers te assisteeren. 't welk een vijandelijk attentaat alleen tegen de Compagnie zoude zijn; terwijl ik in tusschen of zoo lange ik geene redenen heb de vorsten te verderken, hen zal laaten aanspooren om zigh in behoorlijke staat van de fensie testellen, mitsgaders op het verzoek van het opperhoofd sraalendorf bij P: S: van zijn jongste brief van den 16 deezer om den Pangerang met 't keijzers hulpe te mogen attacqueeren, indien blijkt dat hij hem misheid, antwoorden, dat hij liever den keijzer alleen daar toe moet tragten te persudeeren, en zig voor alwag„ ten van alleen of de eerste aggresteur te zijn; doch geattacqueerd wordende geweld met geweld te keeren, en daar toe zoo wel des vorsten hulpe te verzoeken, als in het tegen over gestelde die aan hem te bewijzen, 't welk, en wat ik tot heden in deezen verder verrigt heb, zoo ik. hoope de goedkeuring vwer Hoog Edelheden wegdragen zal. Ik heb ook tot voltalligmaaking van het guar„ nisoen te soera Carta 26: militairen, een Cannorier en drie Busschieters, derwaarts laten vertrekken, maar nu is ook het samarangsche Guarnizoen zoo zwak, dat de wagten vast staan, alles dienst doen, en de Arthilleristen zelfs een der punten bewaaken moeten. En dewijl ik bedugt ben, dat zoo oraa het tot vijan„ de gelijkheiden - 35

NL-HaNA_1.04.02_3364_0049 view scan ↗

English

hostilities may arise, those inclined toward the King will attempt to seize Malang and Antang in order to find refuge there and at the same time secure a passage to Balemboangang, I have also written directly to Governor Luzac to order everywhere the utmost vigilance in that district, and to have the Madurese, Sumenepers, and Pamekassans—who are still lacking from the required number and are said to be almost ready—cross over at once, with the authorization to enlist for the reinforcement of Malang and Antang a company of Orientals that had been assembled at Sourabaija and to send them directly thither, so as to hold back and resist the enemy as much as possible on that side, and to suppress the Balambangan region by subjugating the rebels by force before they receive aid, whether with or without the reinforcement of Europeans, if Lieutenant Heinrich—who seems to direct affairs with prudence and deliberation, and according to his letter of February 19 has already inflicted some harm upon the rebels—deems the force sufficient; and regarding this latter point, since Your High Nobilities in your respected separate missive of February 11 last were pleased to order that nothing offensive be attempted before the right time and the arrival of the European reinforcement, I hereby both request and directly propose Your High Nobilities' authorization that the Regent of Malang and Antang, Ronggolawe—who is already arrested here—about whom it may no longer be doubted that he received Mangkunegara's emissaries and concealed them for several days, and had long known of his intention without giving notice of either matter, may be dismissed and that I be permitted to send him, with or without his wife—who is a daughter of the recently deceased Regent of Sourabaija—to the capital at the disposal of Your High Nobilities; meanwhile, by my respectful letter of the 7th of this month, I have sent the prospective Balambangan Regent Carta Nagara, proposed in his stead, to Sourabaija, giving Governor Luzac orders, now that those districts are actually without a chief, if anything should arise, to entrust the administration of Malang and Antang provisionally to the aforementioned Carta Nagara, but otherwise to await the decision of Your High Nobilities. Governor Luzac having requested my approval for the validation and payment of two accounts—one from the late Captain Lieutenant Reijgers, and one from Ensign Fittoker, on account of extraordinary expenses incurred by the former in Balambangan and by the latter in the districts of Sentong—I take the liberty of presenting these accounts to Your High Nobilities, requesting authorization for that purpose and subsequently for their writing-off, and to report that I have placed an attachment on the money found in the estate of the first-named for the remaining balance owed to the Company. The Samarang dragoon corps being presently entirely destitute of officers, I take the liberty of proposing to Your High Nobilities, in the stead of the aforementioned deceased Captain Lieutenant Reijgers, to place in command over it the Lieutenant of Infantry Johan Fredrik Walter, who, both as an officer and in the function of town major long held by him here, has always conducted himself well and given satisfaction, and therefore deserves that I request from Your High Nobilities a favorable approval of this nomination. I have the honor to call myself with the greatest submission and respect, High Noble, Severe, Right Honorable Lord and Noble Lords, Your High Nobilities' most humble and most faithfully bound servant, signed: J. R. van der Burgh, in the margin: Samarang, March 18, 1772. On the 6th of this month, at half past six in the evening, comes the Extract from a private letter from the Lieutenant and Commander at Pattorouang, Goudelagh, written to the undersigned under date of December 12, 1771. Because the contents of the enclosed extract from a private letter from the Pattorouang Commander Goudelagh, dated December 12, 1771, but delivered to me only this morning, appeared to me quite speculative, you must investigate what there is to it in the most secret manner possible, and also inform me how Prince Mangkunegara conducts himself, and whether Wijojolono, former Regent of Lamadjang—who escaped from his irons here in the spring of 1771 after striking down three persons and wounding several others—and Sumanagara, who also absented himself from here in July or August last, have both been granted shelter in the Emperor's domain, namely near Solo. Extract from a letter written by the undersigned to the Chief at Souracarta, dated January 24, 1772.

Dutch transcription

56 delijkheeden komt, de kinglijk gezinde haar van Ma„ „lang en Antang zullen tragten meester te maaken, ten einde daar schuil plaats, en teffens een doortogt naar Balemboangang te vinden, heb ik den gezaghebber Livzac, ook direct aangeschreeven, om aller wegen om dien ovirt: een ieder de beste waakzaamheid aan te bever„ „len, ende aan het gerequireerde getal nog mancqueerende Madureesen; Sumanappers en Pamacatsangers, dies gezegd worden meest gereed te staan, ten eersten te laa„ ten oversteeken, met qualificatie om ter versterking van Malang en Antang een Compagnie oosterlingen die op sourobaija bij eengebragt was, in dienst te nemen en direct derwaarts te zenden, ten einde aan die kant den vijand zoo veel mogelijk op en tegen te hou„ „den, en in het Balemboangsche teprevimeeren, door de Rebellen, voor dat zij hulpe krijge, met geneld tot onderwerping te brengen, 't zij met of zonder versterking van Europeesen, als den Leutenant Heinrich /:die niet voorzigtigheid en overleg dezaaken schijnt te derigeeren, en volgens zijn brief van den 19: februarij de Rebelle„ al eenig nadeel toegebragt heeft :/ anders de magt toerijkende oordeelt, en tot welk laatste ik dan ook om dat uw HoogEdelheden bij gerespecteerde aparte van den 11: februari Jongstleeden hebben gelieven te ge„ lasten, niets offensiefs tetenteeren; voor den goeden tijd, en bekome versterking van Europeers, Hoogst der„ zelver qualificatie intusschen bij deezen, zoo wel ver„ zoeke, als direct insteere, dat den Malang-en Antangs Regent Rongolaie /:die hier reeds is gearresteerd. / nu niet meer in twijffel mag getrokken worden, of hij heeft Mancoenagaras sendelingen geaccepteerd en eenige dagen verborgen, mitsgaders voor lange van zijn voorneemen de weet gehad, zonder nog van het een of ander kennisse te geven, mag worden gedimoreerd en mij gepermitteerd hem niet ofzonder zijn vrouw /:dat een dochter van den lanst afgegans sourabaijas Regent is:/ naar de Hoofdplaats ter dispositie vwer Hoog Edelheeden op tezenden; hebbende ik onderwijle den bij mijne eerbiedige van den 7: deezer in zijn steede voorgedragen J=b Ba„ lemboangsch Regent Carta Nagara naar sourabaija laten vertrekken, en den gezaghebber Luzac in man„ dat is te geven, om nu die districten actueel zonder Hoofd zijn, als er iets mogt exteeren, dan gemelden Casta Nagara, het bestier van Malang en Antang bij pro„ visie op tedragen, doch anders de dispositie vwes Hoog Edelheeden te laaten afwagten. Den gezaghebber Livzac mijne toestemming ter va„ lideering en afbetaaling gevraagd hebbende van twee Reekeningen een van wijlen den Capitain Luitenant Reijgers, en een van den vendrig Fittoker, wegens door den eersten in het Balemboangsche, en door den laatste inde districten van Sentong gedaane extra uitgaven, zelver gebruik gebrink ik de vrijheid vir Hoog Edelheeden, onder aan„ bieding dier reekeningen daartoe, en vervolgens ter afboeking qualificatie te verzoeken, en te melden, dat ik op de in des eerstgemeldens boedel gevonden pen„ „ningen per resto van de Compagnie te handen hebbe laten leggen. Het Corp s samarangsche druganders tans geheel van officieren ontblood zijnde, gebruik ik de vrijheid, ower Hoog Edelheeden, in steede van opgemelde overleden Capitain Luitenant Reijgers, tot hoofd daarover bij deezen voortedragen den Luitenant der Jnfanterie Johan Fredrik walter, die zo wel als officier, als in de lang door hem bekleede funitie van ondermajoor alhier steeds zig wel gedragen en genoegen gegeven heeft, en dus verdiend dat ik uw Hoog Edelheeden een gunstig fiat of dezen voordragt verzoeke: Ik heb de Eere met de meeste onderdanigheid en Eer„ bied mij tenoemen. /:onderstond:/ Hoog Edelen Gestrengen Gr: Agtb: Heer en welEdele Heeren /:lager:/ ower Hoog Edelheeden onderdanigsten en aller Trouwschuldigsten Dienaars /:was getekend:/ I: R: van der Burgh, /: inmargine:/ Samarang den 18: Maart 1772:— Den 6: deezes, avonds om half seven uuren komt den Extract uit een particuliere brief van den Luitenant en Commandant te Patto„ rouang Goudelagh, aan den onderge„ tekende geschreeven onder d=o 12: Decemb:r 1734. Dewijl den inhoud, van het nevensleggende extract uit een particuliere brief, van den Patteronangs Com„ mandant Goudelagh, de dato 12:' December 1771: dog heden morgen bij mijn eerst besteld, mij vrij speculatief„ is te vooren gekomen, zal uwE: op de secreetste wijze mogelijk moeten onderzoeken wat er van zij, en mij ook moeten informeeren, hoe den Pangerang Man„ coenagara zig gouverneerd, en Wiejojolono gewezen Regent van Lamadjang, die in het voorjaar 1771: na het nederleggen van drie, en quetsen van verscheide per„ zoonen alhier uit de boeijen gechappeerd is, en soemo„ „nogoro die zig in Juli of Augustus passato hem ook van hier geabsenteerd heeft, hin beide in 's Keijzers gebaed en wel nabij solo hebben schuilplaats gegeven. xtract uit een brief door den onder„ getekende aan het opperhoofd te sou„ racarta gesch: ged=e den 24: Januarij Extracte hiesigen 1772: t F

NL-HaNA_1.04.02_3364_0051 view scan ↗

English

local Regent Nikinagoro reported to me that some of his men sent out to investigate Jojolono, consisting of priests, had returned. On their journey, they arrived in the Bangil village of Dajo, where Patingi Bappa Wadie lives, and encountered three emissaries of Pangeran Mancoenagoro there, being men-at-arms and dressed in their best attire, who had let it be known that they had been sent to the Malang Tommongong Rongo Lawe, who had kept them hidden for 14 days. And if they did not wish to believe it, here was the letter from the Malang Tommongong to our prince, and if anything happened during the upcoming fast, they could simply proceed to Malang. Whereupon immediately, by means of a Javanese letter to the Bangil Ingebij Poesponogoro, Bappa Wadie, patingi of Dajo, was summoned here to obtain further confirmation regarding this matter. Which patingi appeared on the 8th of this month at 10 o'clock in the morning, confirming that the three emissaries of Pangeran Mancoenagoro had stayed at his house on their return journey, though he had not seen them when they departed for Malang. Also that they had said they brought a letter from their master to the Malang Tommongong Rongo Lawe, stating that if today or tomorrow 1000 armed men under a Tommongong should arrive there, not to be alarmed, and that they, the emissaries, had been kept hidden there for 7 days. Furthermore, they had told the Bangil country people by no means to plant any corn and rice. Whereupon Bappa Wadie asked when these 1000 men would arrive in Malang, to which was answered, in their opinion, not before the upcoming fast. Extract from a letter written by the Surakarta Resident Straalendorff to the undersigned, dated 27 January 1772: The report of the priests sent out, made by the Pasuruan Commander Goudslag, causes me to doubt its authenticity. Supposing that Pangeran Adipati Mancoenagara intended such a thing, he would do so with as much secrecy as possible. A second reason: the Prince is not unaware that the Sultan seeks his ruin, which would certainly follow from this. It is also impossible to send such a number of people in secret; he would then be left unprotected and put himself in danger of being seized here. I think that the Prince will no longer resort to such intrigues; he enjoys the peace and spends his days with all his courtiers diverted in cockfighting and wayang performances. His people from the Kedawung district are here together with the Tommongongs; they must come every year for the fasting month, the Paso, and the Mulud. Then they stay here for a month and two weeks or less, after which they return to agriculture. Outwardly he has placed all his trust in the Company; those are his daily words. I cannot believe that the said Prince would break with the Company. He showed himself to be a sensible prince during the abduction of his wife, which could have affected him very severely; he endured this heavy blow with patience, so that I cannot imagine the reason that would move him to send men to the Malang Tommongong Rongo Lawe. I shall observe everything very closely to uncover this, but I am of the opinion that the emissaries were sent by someone else who had the audacity, and without any legitimate order, to use the name of Pangeran Adipati Mancoenagara. What foolish and clumsy emissaries, indeed traitors to their prince, to display a letter written by the Tommongong to their Prince, making such utterances and other suspicious statements to the village people, as good as ringing the town bell. That was done deliberately to make that Prince suspect to the Company by whoever seeks his downfall. Extract from a letter written by the undersigned to the Resident at Surakarta, Straalendorff, dated 24 February 1772: The contents of the accompanying extract from a letter written to me by the Surabaya Governor Luzac, dated the 19th of this month, or rather the movements made by some of the Emperor's and also Pangeran Mancoenagara's people, seem to me of such importance, and the inquiries which Raden Tommongong Soera Brato, Regent of the Pasuruan district Pranaragara, simultaneously makes regarding the condition of the Blambangan rebels in his letter to the Bangil Ingabehi Poespo Nogoro, appear so speculative, that I order Your Honour to conduct a thorough investigation into all this with the utmost speed, and therefore not to rest content with what one recounts to Your Honour in Solo or tries to make you believe, but directly send emissaries yourself to the districts mentioned in that extract. And if Your Honour should still not obtain sufficient information, Your Honour may well converse with the Prince himself on this matter in my name and request to know the reason for all this, under assurance.

Dutch transcription

hiesigen Regent Nikinagoro mij Rapporteeren, dat eenige van desselfs uitgezondene ter naevorsing van Jojolono, bestaande in Priesters, waren geretourneert, dewelke op haar Reijse, in het Bangels Dorp Dajo alwaar Patingi Bappa wadie, gekoomen, en daarzelfs drie sendelingen van den pangeran Mancoenagora aangetroffen, zijnde ginemans, en op haar best uitgedost, welke zig hadden laaten verluijden, nae den Malangs Tommongong Hon„ „go Lawe. gezonden te zijn die haar lieden wel 14: dagen hadde verborgen gehouden, en zo zij het niet wilden gelooven hier is den brieff van den Malangs Tommorgong aan onsen vorst, en zo met het aanstaande fasten iets voorvald, kund gijlieden zig maar na Malang vervoegen; waarop momentlijk door Een Javaans brief, aan den Ban„ gils Jngebij Poesponogoro, Bappa wadie, patingi van Dajo na herwaards doen koomen, om nadere Con„ firmatie dies aangaande in te neemen, welken patingi den 8: deezes voormiddags om 10: uuren verscheen, beves„ tigende dat de drie sendelinge van den Pangerang Man„ coenogoro bij hem in 't huis per retour waeren geweest, egter dezelve in heen gaan na Malang niet gezien te heb„ ben, meede dat dezelve gezegd hadden, eenen brieff, van haaren aan den Malanys Tommorgorg Rongo Lawe gebragd, inhoudende zo heeden of morgen 1000: gewa„ „pende manschappen onder t: Tommongong aldaar koomen niet te verschrikken, dat zij zendelinge 7: daagen al„ Het rapport van de uitgezondene Priesters door den Pas„ sourouargse Commandant Goudelag, gedaan tuijffe„ le aan de Egtheid, onderstele als den Pangerang de pattie Mancoenagara zulks voornemens was, dat hij het met zoo veel secretesse zouden doen, als Jmmers mogelijk, nog Een tweede reden, het is den Prins niet onbewust dat den sulthan zijn verderfverzoekt, dat daar op gewis zouden volgen, ook onmoogelijk. zulk een getal volk in d' stilte te konnen verzenden, dan zouden hij ontbloot zijn en sig in gevaar stellen hier gevad te worden denk dat dien Prins niet meer tot zulke fat„ tieks zal overgaan, hij smaakt de rust en vermarkt zijn dagelijks met alle zijne hooffens in het Haa„ „ne bakelijje afgevegt; en waijangs speel, sijne volkeren uit het Cadawangse met den Tommongongs Extract uit een Brief door het souracartasch opperhoofd straa„ lendooff aan den ondergetekende ge„ schreeven de dato 27: Januarij 1772: daar waaren verborgen gehouden alverder tegen die Bangalse Land volker gezegd, dog maar geen Jagons en Nadie te planten waarop Bappa wadie gevraagd wanneer deeze 1000: man te Malang zouden komen geandwoord na gedagten niet aanstaande fasten. daar 9 V ƒ zijn tsaamen hier, zij moeten alle jaaren op de vasten passo, en moeloet koomen, dan blijve zij een maand en wees off minder hier vertrekken zij weter ten landbouw, op het uitterlijke heeft hij al zijn vertrouwen op de Comp: gesteld dat zijn zijne daagelijkse reeden, kan niet gelooven dat gemelde Prins het met de Comp: zoude breeken, hij heeft als een verstandige Prins gethoond in het wego neemen van zijne vrouw, dat hem wel zoo stark had konnen aansitten deeze zoo swaare slag heeft hij met leijdsaamheid overstaan, zoo dat niet kan erdenken de reeden die hem zoude moveere aan den Malangse Tommongong Rorgo Lawe volk tezenden ik zal alles zeer nauwkeurig in agtneemen zulks te ondekken, maar ben van sen„ timent dat desendeling, wel van iemand anders gezonden die de stoutheid gehad heeft, ook den ke„ „lijk last daar toe, den naam van den Pangerang Dipatti manconogara te gebruiken, wat Louipse en botte zendeling ja verraaders van haare prins te verthoonen eene brief door den tommongang ge„ „schreeven aan haare Prins, met het uijten en andere nadenkelijke meer, aan het negorijs volk zoo goet als aan hen klok gehansen dat is met voorbedagt gedaan dien Prins bij de Comp: verdagt te maaken van dien geene die zijn ondergang zoekt Den inhoud van het nevensgaande Extract uit een brief door den sourabaijas gezaghebber Luzac, sub dato 19: dezer aan mij geschreeven of eigentlijk de bewee„ „gingen die eenige van des keijzers en ook pangerang Mancoenagaras volkeren maaken, komt mij van dat aanbelang, ende enquesten, die teffens Radeen Tommongong soera Brato Regent van 'T Joesoehoe„ rangs district Pranaragara bij zijn brief aan den Bangils Jngabij PoetpoeNogoro, na den toestand der Balemboangsche Rebbellen doet, zoo speculatie te vooren dat ik uwE: gelaste, na het een en ander ten allerspoedigste nauwkeurig onderzoek te doen en oversulks niet te berusten in het geene men VE: te solo verhaald ofte op de mouw tragt te spellen, maar direct zelfs zendelingen naar de districten van waar bij dat Extract gesprooken word tezenden, en indien VwE dan nog geen voldoende informatie bekent mag UE den oorst zelfs uit mijnen naam daar over wel onderhouden en verzoeken de reden van het een en ander teweeten, onder verseke„ Extract uit een brief door den ondergetekende aan het opperhoofd te souracarta Straalendorff geschreeven, ged=t den 24: februarij Extract ring 1772: 61

next →