VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3364

Japan · 931 pages · 397 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3364_0053 view scan ↗

English

in His Highness's goodwill that I place so much trust in it that I remain persuaded that the rumors are either false, or that everything occurs without his prior knowledge. Extract from a letter written by the Resident at Sourabaija, Luzac, to the undersigned, dated 19 February. I have the honor mainly to report this regarding the loose rumors that have just presented themselves to me, reported by one Matto Troeno of Arri to my emissaries, that in a certain dessa named Tjeribon from the mountains of Campang to a certain village of the Emperor named Coemiri-oebon, two hundred heads had departed under a certain Panembahan Tjoe joedoe and pangerang knap, intending to cross over to Balemboangan; that also in this month 150 armed heads, people of pangerang Mankoenagara under one Mas wiroserop, had marched from solo, in order to serve as relief for Balemboangan; how far this agrees with the truth must be awaited in time. Extract from a letter written by the Souracarta Chief Straalendorff to the undersigned, dated 29 February 1772. His highly esteemed letter of the 24th of this month. Furthermore, I request my brother to kindly inform me of the true condition of the rebels in the east, namely those of Balemboangan, as well as, if it accords with my brother's intention, to assist these emissaries of mine with two of brother's subordinates to escort them, in order to investigate the rebels, so that I may be able to serve His Highness the Joejoehoenang with a report. For the rest, I request that Brother please provide me with 2 pieces of Shields that are out of the ordinary. End. Below stood: translated by me. Was signed: F. Welmont. Copy Translation of Javanese Letter written by the Panaraga Radeen Tommongong Soera Brata to the Bangil Jngabaij Poespa Nagara, received here at Sourabaija on 15 February 1772. Copy 1772: 62 - 63 65 together with enclosed Extract and Translated missive from the Resident Luzac well received, which showed that from the dessa Tjeribon from the Compang mountains to the village of the Emperor named kamirie oebon two hundred men had marched, one Panambahan Tjojoedo and Pangerang Knap, serves as a humble reply, that upon Your Right Honorable's orders I yesterday sent my native orderly Pospojoeijo, with the emissary of the raden dipati sassradiningrat to the said places for closer investigation of this report; the 150 armed men under the Radeen Tommongong Pirijok Soeno are of the Pangeran dipatie Monkonagara who departed from here this month, are of a larger number, being people of Cadewang, as I had the honor to report to Your Right Honorable in mine of the 27th past, that these people must always come here at patta and moeloet, stay here for about a month, and then return again; nevertheless I have ordered my orderlies and emissaries to inform themselves well if at times any of the Prince's people might be found in those lands. Regarding the Panaraga regent Soerobrotta his writing to the Jngabij Posporogoro of Bangel, this I have brought to the notice of the Radeen Dipati sassradiningrat, The inquiries made and information provided therewith according to Your Honor's separate missive of 29 February do not satisfy my requisition by letter of 24 February, for if the movements of the Emperor's and Mankoenagara's people occur on high orders, with an evil intention, it is indeed just as certain, Extract from a letter written by the undersigned to the Chief at Soura Carta Straalendorff, dated 3 March 1772: diningrat, that it is not permitted, and that he, Raden Dipati, would severely reprimand the aforementioned Soerobrotto for this, for not concerning himself with matters for which he had no responsibility, but rather to pay close heed to the Emperor's orders, not to let any foreign people wander around in that region, and to try to apprehend suspects in order to send them hither for investigation; the Raden Dipati acknowledged he had acted without his orders and would call him to account for it. Your Right Honorable may be completely assured that very close attention is being paid to everything; whatever might cause any prejudice, I shall report at once. diningrat, that

Dutch transcription

„in zijn Hoogheids welmenendheid ring dat ik zoo veel vertrouwentheid„ stelle dat ik mij gepersuadeerd houde dat de gerugten of vals zijn, of dat alles buiten zijne voorken„ nisse geschieden. Extract uit een Brief door den Gezaghebber te Sourabaija Luzde, aan den ondergetekende geschreeven, ged=e den 19: februarij Hebbe de Eers hooftzakelijk deeze interigten ten opzigte der zoo even mij voorkomende losse gerugten door eene Matto Troeno van Arri aan mijne zender„ „linge opgegeven, dat in't zeker depa genaamt Tje„ ribon uit het gebergte van Campang na zeker Negerij van den Keijzer genaamt Coemiri=oebon getrokken waren twee hondert koppen onder zeker Panembahan Tjoe joedoe en pangerang knap, willens zijnde na Balemboangan te steeken, dat ook in deeze maand van solo waren gemar„ cheerd 150: gewapende koppen, volk van pangerang Mankoenagara onder eene Mas wiroserop, ten einde tot secours van Balemboangan te dienen, hoe verre nu hetzelve met de waarheid over een Aemt zal van de tijd moeten afgewagt worden. Exxtract uit een brief door het soura„ cartasch opperhoofd straalen dorff aan den ondergetekende geschreeven de d=o 29: februarij 1772: Desselfs hooggevenereerde Letteren van den 24: dezes Wijders verzoek ik mijn broeder om mij te willen bedeelen na deware toestant der rebellen om de oost, namentlijk die van Balemboangan, als ook wan„ neer met mijn broeders Jntentie over een zal komen deeze mijne zendelings met twee van broeders onder„ horige te willen assisteeren om him te confoijeeren, ten fine derebellen te onderzoeken, op dat ik in staat mag weezen zyn Hoogheid de Joejoehoenang van berigt te dienen. Voor't overige verzoeke ik dat Broeder mij met 2: p=s Schilden die buijten gemeen zijn gelieve te voorzien Eijnde. /:onderstond:/ door mij getranslateert /:was getekend:/ F=k Welmont g: F:—. Copia Translaat Javaansche Brief geschreeven door den Panaragas Ra„ deen Tommongong Soera Brata aan den Bangils Jngabaij Poespa Nagara alhier op sourabaija ontvangen den 15: februarij 1772. Copia E nevens 1772: 62 - 63 65 nevens in Closo Extract, en Translaat messive van den gezaghebber Luzac wel ontfangen waarbij beoogden dat uit d' dessa Tjeribon uit het gebergte Compang na de Negorij van den keijzer genaamt kamirie oebon getrokken tweehonderd man, een Panambahan Tjojoedo, en Pangerang Knap, diene in onderdaanige rescriptie, dat ik op hoogst vwel Ed: Groot Agtb: beveelen gisteren mijn Inlandsche opatter Pospojoeijo, met des raade dipatie sas„ „saradiningrat zendeling naar d' gemelde plaatzen gezonden ter nauwer onderzoek van dit berigt, d' 150: gewapende manschappe onder den Radeen Tommongong Pirijok Soeno zijn van den Pange„ „ang dipatie Monkonagara die deeze maand van hier zijn vertrokken, bennen van een grooter getal„ zijde volkeren van Cadewang zoo ik d' Eer heb gehad vwelEd: Groot Agtb: in de mijnen van den 27: pass=o te melden dat die volkeren althoos op patta en moe„ loet hier moeten komen, een maand weer op minders hier vertoeven, en dan weder retourneeren, egter beb mijn oppassers en sendeling gelast zig wel te Jnfor„ meeren ter somtijds van de Prince volkeren in die Landen gevonden mogten worden. Aangaande den Pranagarische regent soerobrotta zijn schrijvens aan den Jngabij Posporogoro van Ban„ „gel, zulks heb aan het Radeen Dipati sassara„ De volgens vwE: aparte missive van den 29: februarij gedane enquesten en daarbij gegeven informatie, voldoet niet aan mijn requisit bij Letteren van den 24: februarij want als de beweegingen van des keijzers en Mankoenagaras volkeren op hoge ordre, met een kwa„ „de intentie geschieden is het immers zoo wel zeker, xtract uit in brief door den onder„ „getekende aan het opperhoofd te soura„ „Carta Straalendorff geschreeven ged=t den 3: Maart 1772:- diningrat ter kennisse gegeven, niet gepermitteert te zijn, en dat hij, hij Radeen Dipattij meer gemelde soerobrotto daarover enstig te bestraffen van sig niet bemoeten met zaaken daar hij geen verant„ woording over en had, maar wel op de beveelen van den keijzer goede agt te geeven, geene vreemde volkoren in dat gewest te laaten rond swerven, ende verdagten te zien te apprehendeeren, om ter onderzoek herwaards tezenden, het Radeen Dipatti bekend buiten zijn ordres gedaan te hebbe, en hem daarover ter verantwoordinge zouden stellen. VwelEdelehe Agtb: kont volkoome verzekert zijn, dat op alles een zeer rauwkeurige „requart laatgeven, wat tot eenige prejuditie kan strekken zal den eerste adverteeren. diningrat, dat

NL-HaNA_1.04.02_3364_0055 view scan ↗

English

that the Rijksbestierder must know about it, if one may assume that this first minister in such a case will also not give the reasons for it to Your Right Honorable, and therefore Your Right Honorable will still have to inquire into this and that in such a manner that none of the courtiers acquires any knowledge of it. Extract from a letter written by the Surakarta chief Haalendorff to the undersigned, dated 11: March 1772: Upon Your Right Honorable Esteemed respected separate missive of the 3: current, I take the liberty with submission to serve you that I am having every investigation made to trace the alleged movements of the Emperor's and Pangerang's peoples. I hope shortly to give Your Right Honorable an exact report on everything, and have sent my confidant incognito for that purpose, who must wander through everything to see how matters stand in the region of Mankoenagara and among his own people. /:underneath was:/ Agrees /:was signed:/ J: R: vander Burgh. Just this moment I receive news that the Pangerang Dipattij Mankoenagara is plotting a betrayal with the old Raden Dipati Mankoprotjo and the Tommongong Oedonogawa, Regent of Banjermassing. I think also with the Tommongong Oevangbieang, Regent of Bagaleen, who in these days has been to the Prince's late in the evening up to three times. He also already has weapons collected for two thousand men in the land of Cadawan, and is having his people from the southern mountains assemble at the aforementioned Cadawan successively in groups of ten to twenty, so that I am not certain how the festival of Bazaas, which is to be celebrated tomorrow, will end. However, I am on my guard as much as possible to be able to offer all resistance, should it be necessary. Yesterday I visited the said Prince and could notice the cooling of his affection. He asked after Your Right Honorable's arrival, to which I replied that it would take another half a month or so. My confidant managed to tell me that the Prince was only waiting for Your Right Honorable; if he should not obtain the land that he had requested from Your Right Honorable, he would then try his utmost. He saw that the Company was abandoning him, and that everything the Sultan came to claim was granted. This my confidant has assured me, and told me that I could rely upon it. He is also one of the Prince's people, and all have sworn loyalty to him to assist him to the last man. Tomorrow, in Your Right Honorable's high name, I shall tell that Prince that Your Right Honorable will provide him with the requested negorijen upon your high arrival, merely to put him in other thoughts and in a good humor. I am of the opinion that treason is being forged against the Honorable Company at both courts. The report is that a Pangerang named Simojoudo has already absented himself from the Mataram court. Regarding the Emperor's good intentions toward the Honorable Company, Your Right Honorable can be assured! I have brought everything to the notice of the Rijksbestierder, who immediately thereupon made a report to His Majesty. The Emperor agrees to the request made by the Prince to Your Right Honorable, with which these people feign all loyalty to the utmost. /:underneath was:/ Titulair ordinair and /:was signed:/ F: L: V: Stralendorff /:in the margin:/ Surakarta the 13: March 1772: — Copy of a Missive written by the chief at Surakarta, Haalendorff, to the undersigned, dated 13: March 1772: Copy. In humble submission I take the liberty to report to Your Right Honorable High Worship that yesterday evening at half past six the Emperor let me know through the Raden Dipati that it would be well if I feigned having suffered a sudden attack of illness, so that His Majesty, being likewise sheltered, could remain in the dalem and not appear at the court, and would thus have a more fitting reason, since the second Resident was not present and it would not be proper to be led to the throne by a lieutenant as being of lower rank. I did so, found myself very unwell this morning, and immediately had the Adjutant request His Majesty to excuse me for not being able to attend upon His Majesty. I also had this made known directly to the Pangerang Dipattij, and the said Adjutant announced himself, whereupon the Prince had him asked what he came to do, and whether he had large or small orders to bring. The repeatedly mentioned Adjutant answered that he had to speak with the Prince in person, whereupon he, the Adjutant, had to enter, passing first through two ranks of pikes, and found the Prince only dancing tandak before his people, in the presence of his people, who were armed with carbines, From and To as before, dated 14: March 1772: blunderbusses

Dutch transcription

dat den Rijksbestierder er van weeten moet, als men vaststellen mag, dat dien eersten minister in zoo een geval ook de redenen daar van uwE: niet opgegeven zal, en daarom zal uwE: zig als nog na het een en ander moeten informeeren op eene wijze dat er niemand der hovelingen eenige kennisse van krijgd. Extract uit een brief door het soura„ cartasch opperhoofd Haalendorff aan den ondergetekende geschreeven d' dato 11: Maart 1772: Op hoog vwelEd: Agtb: gerespecteerde aparte missive van den 3: Courant, hebben met submissie de vrijheid te diene, dat alle ondersoekinge laat doen, tot na„ „speuring van de vermeende beweeginge van des keijzers en Pangerangs volkeren, hoope binnen korte vwelEd: Agtb: van alles een genauw rapporte doen, hebben daarvan mijne vertrouweling incognito ge„ „zonden, die alles moeten door wandelen hoe het inde landstreeke van Mankoenagara en selfs volkeren geleegen is, /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ J: R: vander Burgh zoo momentlijk bekoome teijding, dat de Pange„ „rang Dipattij Mankoenagara een verraad beraamt, met den ouden Raado Dipatsi Mankoprotjo, den Tommongong, oedonogawa, Regent van het Banjer„ massingsche, denke meede den Tommongong oevangbie„ ang Regent van de Bagaleen, die deezer daage tot drie maal laat in den avond bij den Prins heeft geweest, ook bereets voor twee duizent man wapens in het land Cadawan bij een heeft, en zijne volkeren, uit het suijder gebergte suksosiefelijk met Thien â Twintig, opgemelde Cada, wan doet bij een komen, zoo dat ik niet verzekert ben, het feest Bazaas dat morgen staad gevuure te werden, hoe het zelven zal afloopen, egter ben op mijne hoeden zoo veel mogelijk, om alle teegenstand, des van noode zijnde te konnen bieden. Gisteren ben bij gemelde Prins geweest, het hening„ te koelingheeden konde merken, hij heeft na vwelEdele Agtb: komst gevraagt, waar op geantwoord wel Een of ander halve maand zoude aanlopen, mijn vertrouweling heeft mij weeten te seggen, dat den Prins naar vwelEdele Agtb: maar wagten was, Copia Missive door het opperhoogd te souracarta van Hraalendorff aan den ondergetekende geschreeven de dato 13: Maart 1772: Copia zoo 67 69 zoo hij dat niet mogte bekome, het Land wat hij van vwelEdele Agtb gevraagd had, als dan zijn intteste best zoude probeeren, de Compagnie sag hij, dat hem verliet, en in alle het geene wat den sulthans quam te pretendeeren wierd toegestaan, dit heeft mijn ver„ trouweling mijn verzeekert, en dat ik daar staad op konde maaken, hij is meede Een van sprinse volkeren, en hebben hem alle trouw geswooren tot den laatsten man bij stand tedoen. zal dien Prins morgen uit hoog derzelver naam zeggen, dat vwelEdele Agtb: hem de, te versogte negorijen sult bezorgen, met hoog der selve aankomst, om hem maar in andere gedagten en Een goede luim te krijgen, ben van sentiment dat aan beide kooven verraad tegens de EComp: werd gesmeet, het rapport dat reeds een Pan„ gerang gen=t Simojoudo van het Madarmese hoff zig heeft geabsenteerd, op den keijzer zijne welmenentheid met de EComp: kont owelEdele Agtb: verzeekert zijn! hebbe den Rijksbestierder alles ter kennisse gegeven die daarop mediatelijk zijn Majesteit verslag gedaan heeft, den Keijzer accordeert in het verzoek van den Prins aan VwelEd: Agtb: waarmede deese in de uitter„ „ste laasten alle trouwe fineeren /:onderstond:/ Fi„ tul ordinair en /:was getekend:/ F: L: V: Stralen„ dorff /:in margine:/ Souracarta den 13: Maart 1772: — Jn neederige submissie gebruike de vrijheid vwel Ed: groot Agtb: te rapporteeren, dat den keijzer mijn door den Baade Dipattij gisteren avond ten half seeven lantwee„ ten dat het wel souden weesen, dat ik veijnsde Een schie„ „lijke overval gekreegen te hebben, dus zijn Majesteit meede onderdagt zoude in den dalm blijven, en niet op het last verschijnen, dus gepasselijke reeden meer zoude hebbe, vermits den tweede Resident niet present, en niet soude passer door Een luitenant als in minder Caracters op de troon geleijt te werden; zulks heb gedaan, mijn heeden morgen zeer onpasselijk bevonden, en zoo direct door den Adjudant aan zijn Majesteit laaten verzoeken, niet in staat tezijn, zijn majesteit te connen opwagten, zulx hebbe mede direct aan den Pangerang Dipattij laaten bekent stellen, gemelde zig laaten aandiene, waarop den Prins hem laat vraagen wat hij quam doen, of hij groote ofte kleine beveelen had te brengen, meergemelde Adjudant antwoorde den Prins noodwen„ „dig in perzoon had te spreken, waarop hij adjudant moeste, binnen koomen, en voor aff door twee rijen Pieken moeste passeeren, en vond den Prins alleenlijk voor zijn volk tandakken, in presentie van den Adju„ dant zijn volkeren, die gewaapent waare met Carabijne, Van en Aan als vooren de dato 14: Maart 1772: van donderbosse

NL-HaNA_1.04.02_3364_0057 view scan ↗

English

blunderbusses, and pistols, had their weapons loaded with live ammunition all together, the aforesaid adjutant, having delivered his message, who also made known that the prince would not come outside, the Prince answered that it was a sudden illness, and seemed to show regret about it, saying further that he would then not come inside, as the emperor did not appear upon the throne. The Pangerang Mankoningrat and the Pangerang Prabo with several Radens, the Raden Adipati, and the Tumenggungs Orangbiang, Mankoyuda, and Cokrokrodipuro have been at my house together; after having taken some refreshments, they went to the Paseban, the feast in so far properly celebrated; Right Honourable Sir, in humble confidence that Your Right Honourable will be pleased to take my made efforts in good part, I am day and night on my guard, in order not to be attacked with those entrusted to me, since I have been told that the prince sent six emissaries to Blambangan and also returned, with reports, in what manner the Europeans were killed there; this conduct of the Prince, whether true or not, makes me employ all caution, wishing that it all might be found devoid of truth. Having well received His Honour's respected separate letter of the 14th instant, with the enclosures, the sovereign's and the Prince's missives, I went this morning according to custom to the Court, presented it with compliments from Your Right Honourable to His Majesty, conversed with the sovereign about the spread rumour, that His Majesty would also come under suspicion if he did not inquire into it; His Highness assured me that the Honourable Company could firmly rely on him, whose child he was, and would also give proofs of his everlasting continued friendship, and have it accurately investigated, From and To as before dated 16 March 1772. My emissaries sent out to the Kedawung area, as well as to the emperor's Mangkunegaran lands, have not yet returned or no news has been received from there; closing with the greatest respect and deep reverence, underneath stood ordinary title and was signed F. L. V. Stralendorf, in margin Surakarta the 14th of March 1772. Postscript: after the closing of this, my native attendant Marto returns, whom I send herewith to Your Right Honourable to make a verbal report of his encounter. whether the story might prove true that some persons among his chiefs had gone so far, thus finding them to administer their punishment, but that it would not be good to execute it upon a recent deed, in order not to offend the Pangerang Adipati; His Highness would keep it well in mind, after the passage of a considerable time to find means to administer to them their deserved punishment for the accused matter; the emperor will according to highly revered etiquette give the Pangerang Adipati to understand the matter in good terms. Concerning the request of the Pangerang Adipati Mangkunegara regarding the villages Pa Tjarlan and Barmardeen to be allowed to hold them in lease, like the land Banyumas, His Majesty was also spoken to about it, that Your Right Honourable cared for the well-being of Java, and His Majesty also being a father over many subjects, being very much loved by His Highness, would not gladly see that in order to lease out a small number of lands to the Pangerang Adipati, to thereby expose the whole country to devastation, which is now almost in its full bloom as it was before; His Majesty declared that he would do so; upon the arrival of Your Right Honourable, it pleased His Majesty to say that the district Kamangantang was unknown to him, supposing that the Sultan might have such a denomination of a region under him, or that it was written in error. The sovereign will also dispatch a letter to Your Right Honourable as soon as possible. Yesterday afternoon I requested an audience with the Adipati Mangkunegara, which was granted to me by the dispatched adjutant in the afternoon at four o'clock, with surprise that my illness permitted me to appear there; the adjutant replied that there was a letter from Your Right Honourable with orders to deliver it in person to His Highness, as it is the Honourable Company's and Your Right Honourable's orders that its servants with its commands, sick or not, must always appear to observe given orders; at the appointed time I went to the Prince, with compliments from Your Right Honourable delivered the missive myself; because of the dark and rainy weather the Pangerang Adipati said I should turn home, as I was unwell; in this case he seemed to have some pity, and would examine the letter attentively and tomorrow his draft. This morning the Pangerang Adipati sent his son the Pangerang Prabo to my house, showed a letter in Javanese, addressed to Your Right Honourable, which he would dispatch with many expressions of thanks to Your Right Honourable to declare his well-meaning affection.

Dutch transcription

donderbotte, en pistoolen, hunne waapens gesaament„ „lijk met scherp heeft doen laaden, voors: adjudant zijn boodschap gedaan hebbende, die ook te kennen gaff dat den oorst niet buiten zoude koomen, ant„ woorde den Prins dat het Een schiegelijke siekte was, en daar zoo het scheen leet weesen overbetoonde, seg„ „gende verder dat hij dan niet zouden binne komen, alzoo den keijzer niet op den troon en quam Den Pangerang Mankoningrat en den Pangerang Prabo met verscheiden Radeens, het Raade Dipattij, ende Tommangans oerangbieang, Mankojouda, en Tjokko„ Crodiepoero zijn gesaamentlijk ten mijnen huise ge„ weest, naar iets genuttig te hebben, zijnse naar de Pasteerbaar gegaan het feest in zoo verre alles na behooren gevuurt; welEdele Agtb: Heer in onderdanige vertrouwe, dat vwelEd: Agtb: mijne gedaane pooginge ten goeden zult gelieven te neemen, ben dag en nagt op mijne hoede, om met mijne toevertrouwde niet over„ valle te werden, nademaal mijn gesegt is, dat den prins ses sendelinge naar Balemboangang gezonden en ook geretourneert, met rapporte, op wat Een wijs de Europeete daarom het leeven gebragt zijn, deese„ handelwijze van den Prins het zij waar ofte niet doet mijn alle voorsigtigheid in het werk stellen, wens„ te dat 't alles van d' waarheid ontbloot mogte be„ vonden werde. Hoog derzelve gerespecteerde aparte van den 14: Courant, met de inclosa 's vorsten en Prinse missive wel ont„ fangen, heeden morgen mijn naar usantie ten Hooven begeeven, onder Compliment van vwelEd: Agtb: aan zijn Majesteit overhandigt heb, den vorst over het gespar„ „geert gerugt onderhouden, dat zijn Majesteit meeden inverdenkinge zoude koome, als daar niet naar in„ formeerde, zijn Hoogheid verzeekerde mijn dat deEdele Comp: op hem vast Conde vertrouwen, / dies kind hij was:/ ook blijken zoude geeven van zijn althooze aanhou„ derde vriendschapp, en nauwkeurig laaten onderzoeken, Van en Aan als vooren de dato 16: Maart 1772: Mijne uitgezordene sendelinge naar het Cada„ wangse, als meede na 's keijsers Mankonagarase landen, zijn nog niet geretourneert ofte geen tijdinge daar van ontfangen sluijten met de meeste Eerbied en diep ontsag /:onderstond:/ Titul ordinair en was ge„ tekend :/ F: L: V: Stralendorf /:in margine:/ Sou„ racarta den 14: Maart 1772: P: S: na het sluiten deezes retourneert mijne inlandsche oppaster Morto„ die hier nevens tot vwelEd: Agtb: laat overgaan om Een mondeling verslag van zijne ontmoetinge Hedren. Mijne of het verhaal mogte bewaarheid worden, dat 'er eenige perzoone van zijne Hoofdens zoo verre sig te buijten gegaan te hebben, dus zoo bevindende hunne straffe te doen gewor„ den, maar dat het niet goed zouden zijn, op Een versedaad ter uitvoer te brengen, om den Pangerang Dippattij met voor het hoofd te stooten, zijn Hoogheid wel indagtigd zoude houden naar verloop van een geruijme tijd middel vinden, over beschuldigte zaake haar verdiende straff te doen geworden, den keijzer zal volgens hoog gevenereerde Ette„ „en den Pangerang Dipattij de zaake in goede termes verstaan geeven. Aangaande het verzoek van den Pangerang Dipattij Mankoenagara weegens de Negorijen Pa Tjarlan, en Bar„ mardeen dezelve in pagt te moogen hebben, gelijk het Land Banjamars, het zijn Majesteit meede daar over onderhouden, dat vwelEd: Agtb: het wel zijn van Iava be„ hertigde, en zijn Majesteit meede Een vader over veele onderdaane, door zijn Hoogheid zeer gemind wordende, niet gaarn zoude willen zien dat om Een klein getal van Landerijen aan den Pangerang Dipattij in pagt aftestaan, het geheel land daar door in verwoesting wilde bloot stellen die nu bij na in zijn volle fleur ge„ „lijk bevoorens geweest, zijn Majesteid betuigde zulks te doen, bij aankomst van vwelEd: Agtb: het district ka„ mangantang behaagde zijn Majesteit te seggen, hem onbekent te weezen, zijn voortaande dat den Subthan zoo Een bemaaninge van landstreek onder sig mog„ te hebben, of dan wel abuijs geschreeven. Den vorst zal meeden Eene brief ten Eerste aan vwelEd: Agtbaaren afvaardige, Gisteren middag heb audientie bij den Adipattij Man„ konagara verzogt, welke mijn door den uitgezonde„ re Adjudant des 's namiddags om vier uuren verleen„ den, met verwondering dat mijne ziekte toeliet daar te verscheijnen, Den Adjudant repliceerde Een brieff van vwelEd: Agtb: met last in persoon aan zijn Hoog„ heid te overhandigen, als zijnde E: Comp: en vwelEd: Agtb: ordres, dat haare Dienaaren met desselfs beveelen siek ofte niet altoos moeten peradeere, om gegeevene ordres te observeeren, op bestemde heijd hebbe mijn bij den Prins vervoegt, ondercompliment van UwelEd: Agtb: selfs mis„ siven overhandigt, vermits het donker en reegen agtig weeder zeijde den Pangorang Depattij ik raar huis zoude kieren, dewijl ik onpastelijk was, het scheen in dit geval Eenige deerinsse te hebben en den brief met adtentie soude naarzien en morgen zijn Concept de„ Heeden ogent Heeft den Pangerang Adipattij zijn zoon den Pangerang Probo tot mijnent gesonden, Een brief in het Javaanse vertoonde, denzelve ingerigt aan vwelEd: Agtb: zoude afsenden met veel dank betuiginge aan wwelEd: Agtb: voor de welmenende geneegentheid uit clareeren. zog selfs

NL-HaNA_1.04.02_3364_0059 view scan ↗

English

intended in his own letter, Pangerang Depattij let me know that he was a child of the Honorable Company, in which he would always place his trust, and that in the aforementioned letter he would show Your Right Honorable the assurance of his steadfastness. Your Right Honorable's letters seemed to have entirely changed that Prince's intentions, since Your Right Honorable's writing appeared very sincere to him, not doubting that Your Right Honorable would grant his request, which was made and promised by Mr. Beuman to the Noble Mr. Vos, and which he hopes to see fulfilled through Your Right Honorable. Pangerang Prabo also indicated that if Your Right Honorable took care of the daughter of the former Regent of Paccalorgang, a great friendship would be rendered. Right Honorable Sir, taking this in good part, I have properly informed myself regarding all matters, since the Administrator of the Realm, together with myself, is under obligation to the Honorable Company, and the most important matters must be handled by both of us; thus it could not be omitted to deliberate everything with him, which I also trust will happen for the best of the Honorable Company. According to a report just received, the rumor is that on the 24th of this month, the troops of my native attendant Morto, who comes to report to Your Right Honorable, were supposed to be camping at Lammira, which lies 2 hours from here. I do not know what to hold as true of this report. The informant relates that six days ago Copy of the account of the Javanese Morto, native attendant of the Chief at Souracarta, Fredrik Lodewijk van Sralendorff, given at Samarang on 16 March 1772: if the Mataram Court is not involved, it could not happen; if the aforementioned troops come to camp there, it is a certainty that the Prince and the Sultan are in agreement; they want to make me believe that it is aimed at the Emperor. I request Your Right Honorable that the Second Resident come over here at the earliest opportunity, as well as some gunners, who are lacking here in the garrison; it is very widely extended here, without a wall, everything uncertain, much artillery and no assistants. I hope further to serve Your Right Honorable in favorites, who with obedience calls himself, underneath stood: Ordinary Title, and was signed: F. L. v. Sralendorff. In the margin: Souracasta, 16 March 1772. Postscript: I very humbly request Your Right Honorable's orders, in case the Prince should happen to mislead me, that I may attack him with the Emperor's assistance, and also those Cramans found outside. as by he was sent out by the aforementioned Chief under the pretext of inspecting the bird's nest cliffs, to investigate whether men were being gathered and equipped for war in the lands of Pangerang Mancoenagara; That having arrived in the village of Simoedangang, located a good hour's walk from Sourocarta and belonging to the aforementioned Pangerang, after a stay of a few hours and subsequently also in the desas Katetang, Pasangrahan, Tabeang, Wongo, Sakarang, and Persimien, he had heard from the inhabitants and various other Javanese that on the mountains Kamoetoep and Pajoeang, close to each other and situated not far from the aforementioned Pangerang's land Cademan, under Pangerang Reijges, Bintoro, and Arom, the latter of whom the informant says is a son of Susuhunan Amancoerat II, together with the Radens Boentavan and Norsaden, already a number of 13,000 men had been assembled, with the intention of being sent in the month of Suro, being April, to Balemboangang for the assistance of the Honorable Company's enemies there, without further details. Underneath stood: The informant, was signed: W. Fredriksz., Qualified Clerk. Yesterday evening at half past 10 o'clock I had the honor to receive Your Right Honorable's esteemed letter of the previous day, with the copy of the letter from the First Resident of Soerakarta, Stralendorff, the contents of which appeared to me highly alarming. I immediately took measures to obtain reliable information about everything, and can for the present affirmatively assure you that Pangerang Aria Coestoemo Iudo is in his house, having sent confidants to him this morning who spoke with him personally, he being sickly, and I will immediately send him some butter and bread. In the Cadoe and Baggaleen, from which last-mentioned district I had 7 runaway slaves retrieved only the day before yesterday, everything is perfectly well and the paddy fields look very favorable. A brother of Indanagara, who is a mantri anum in Souracarta, has been here to kiss the feet of his father Danoeridja on the occasion of the Feast of Bezaar, according to Javanese custom. He departs again tomorrow for Solo, and I have no reason to suspect the Administrator of the Realm, any more than Copy of a letter written by the Chief at Jokjokarta, Ian Lapro, to the undersigned, dated 16 March 1772: I

Dutch transcription

selfs schrijvens beoogt, den Pangerang De pattij aan mij„ liet weeten dat hij Een kind van DEComp: was, waar of hij altoos zoude vertrouwen, welke hij meer gemelde missive vwelEd: Agtb: verseekeringe van zijne standvas„ tigheid zoude bethoone vwelEd: Agtb: Letteren scheenen dien Prins ten Eenemaale van Concept verandert te hebben, vermits vwelEd: Agtb: schrijvens zeer opregt hem voor quame niet twijffelende off vwelEd: Agtb: zoude in zijn verzoek doen geworden, het welke door de Heer Beuman aan den Edele Heer vos gedaan, en beloofd, met naargeko„ men, door vwelEd: Agtb: verhoolte vervult tesien, den Pangerang Prabo liet meede blijke als vwelEd: Agtb: in het zorge vande dogter van den voormalige Regent van Paccalorgang groote vriendschap zoude geschieden. WelEdele Agtb: Heer in het gunstig welduiden, heb na alle zaake mijn weldoen informeeren, vermits den Rijksbestierder, beneevens mijn bij DEComp: onder verbonden en door ons beide de gewigtigste zaaken moeten verhandeld worden zoo het niet konne afweesen met dien alles te over„ leggen, dat ik ook vertrouwe ten besten des E: Maar„ schappij zal geschieden. Zoo momentlijk bekomen Rapport het gerugt is, dat op den 24: dezer de volkeren was van mijn inlandse oppasser Morto welEd: Agtb: rapport komt te doen, op Lammi„ ra dat 2: uuren hier van daan legt zouden Campeeren, weet niet wat van deeze aanbrenginge voor Egt zal houden, Den relatant verhaald, dat hij nu ses dagen geleeden Copia Relaas van den Javaan Morto Jnlands oppaster van het opperhoofd te souracarta Fredrik Lodewijk van Sralendorff, gedaan te Samarang den 16: Maart 1772: als het madarmette Hoff niet in het spel is soude het niet konde geschieden, zoo de volkeren gem: daar koomen campeeren is het een vaste saak dat den Prins met den sulthan eens zijn, men wil mijn doen gelooven dat het op den keijzer gemunt is, Verzoeke owelEd: Agtb: dat den tweede Resident per Eerste herwaards zal overkoomen, als meede Eenige Bosschieters, die hier in het guarnisoen koomen te mankeeren, het is hier zeer wijt uitgestrekt, zonder muur, alles onseker, veel geschut en geen handlanger, verkoopen per nadere vwelEd: Agtb: in favorietis te diene die sig met obidientie noemen /:onderstond:/ Titul ordinair en /:was getekend:/ F: L: v: Sralendorff /:in margine :/ Souracasta den 16: Maart 1772: P: S: Insteeren zeer humbel vwelEd: Agtb: beveelen zoo mijn den Prins mogte koomen te misleijden dat ik denzelve met 's keijzers bijstand mag attaqueeren, en die buijten bevindende Cramans. als door door opgemelde opperhoofd intgezonden was geworden om onder voorgeven van de vogelnesjes klippen te gaan opneemen, te onderzoeken off in de Landen van den Pangerang Mancoenagara volk bij een gebragt en ten oorlog uitgerst wierd; Dat hij in de Negorij Simoedangang, geleegen ruim een uur gaans van Sourocarta, en opgemelden pan„ gerang toebehoorende, aangekomen zijnde, na Eenige uuren verblijf en zoo vervolgens ook op de desas kate„ tang Pasangrahan, Tabeang, wongo, Sakarang en Persimien van de Jnwoonders, en verscheide andere Ja„ vaenen had hooren zeggen, dat op de bergen kamoetoep en Pajoeang digt bij elkander en niet verre van des gemelden pangerang land Cademan geleegen, onder de pangerang Reijges, Bintoro, en Arom /:wel laatste den relatant zegd, dat hen zoon van soesoehoenang Amancoerat de tweede zoude zijn :/ nevens de Radeens Boentavan en Norsaden, bereets een aantal van 13000: koppen bij een verzameld waaren, ten zinde inde maand soero, zijnde April naar Balemboangang gezonden te worden ter adsistentie van 's EComp=s vijanden aldaar zonder meer /:onderstond :/ den Relatanteant /: was„ „getekend:/ W:r Fredriksz: g: Clercq. Gisteren avond te half 11: uuren had ik d' Eer welEdele Agtb: gevenereerde van daags bevoorens te recipi„ geren, met de Copia der brief van den Soerakartas Eerste Resident Stralendorff, welker inhoud mij ten hoogsten bedenkelijk is voorgekomen, ik hebbe ter„ „stont middelen in 't werk gesteld om secure naricht„ van alles te krijgen, en kan voor het teegenwoordige affirmatief verzeekeren Pangerang Aria Coestoe„ mo Iudo in zijn huis is, hebbende heeden morgen nog vertrouwelingen bij hem gezonden die hem zelfs gesproken hebben, zijnde hij ziekelijk, en ik zal hem terstont nog boter en brood zenden. inde Cadoe en Baggaleen, van welk laastgemeld district nogh Eergister 7: weggeloope slaaven hebbe laaten haalen, is alles volmaakt wel en staan de padij velden zeer voordeelig, Een broeder van Indanagara die te sou„ racarta mantrie Anum is, is hier geweest, om bij geleegenheid van 't faest Bezaar zijn vader Danoe„ ridjas voeten te kussen, nader Javaanen usantie, hij vertrekt morgen weeder na Polo, en hebbe geen reeden den rijksbestierder te verderken, zoo min als Copia Missive door het opperhoofd te Jokjokarta Ian Lapro aan den ondergetekende geschreeven de dato 16: Maart 1772: k

NL-HaNA_1.04.02_3364_0061 view scan ↗

English

I believe that Tommongong Arong Binang, who has always excelled above many others in loyalty to the Company, would involve himself in any treason. I have made absolutely nothing known to any Javanese, and I shall pursue my inquiries in the most covert manner with my own people, and dutifully render a faithful account of everything to Your Honourable Worship, being able in the meantime to give the most pleasant assurances of the Sultan's goodwill toward the Company; wishing not to delay this a single moment, I declare in haste, with the most respectful sentiments, to be, below stood, ordinary title, and was signed, Jantappo, in the margin, Djokjocarta, the 16th of March 1772. Postscript: The feast Bezaar was celebrated yesterday; severe fevers prevented me from attending the same, wherefore I had Captain Vermeer act in my place; the Crown Prince and all the court grandees were nevertheless at my house and entertained themselves extraordinarily. Below stood, Agreed, was signed, J. R. van der Burgh. Copy of the dispatch written by the undersigned to the chief at Souracarta, van Straalendorf, dated 14 March 1772. The contents of your separate letter of yesterday, received today before noon, have surprised me to the utmost, all the more because I thought I could rely on your assurance that the reports I have successively supplied to you, and from which it could be gathered that Pangerang Mancoenagara had no good intentions, did not merit any belief and that everything was quiet and peaceful. By letter of the 24th of February last, I specifically wrote to you not to acquiesce in what is related in Solo, but to investigate everything through your own emissaries, and if necessary to speak to the Prince himself. By that of the 3rd of this month I urged that further, adding that you had to inform yourself about one thing and another in such a manner that none of the courtiers received any knowledge of it, and yet you have again engaged first with the Prime Minister, in a matter that may be of the utmost consequence. I send you herewith a letter for the Emperor and one for Pangerang Mancoenagara, copies of which accompany this for your reflection, with orders to deliver the same directly in person, and not only to examine the Soesoehoenang further in my name concerning the rumors being spread, and at the same time to present to him what detrimental consequences the execution thereof may have if His Highness does not immediately take precautions against it, but also to give the Pangerang to understand in covert terms that we are informed of his intention, and that if he goes astray again the Company will certainly abandon him to his fate and completely withdraw from him. Since the letters, due to the absence of the translator Boltze, have been translated by someone upon whom I cannot fully rely, you should also make this known beforehand to prevent discontent that might otherwise sometimes arise from an error. I am very anxious to know how the feast Bazaar passed off, how the Pangerang conducted himself, and whether he gave any sign of his displeasure, while I praise your precaution to be able to offer resistance in case of necessity, for which purpose I have also already ordered 25 common soldiers and a sergeant from here to depart today, tomorrow, and the day after tomorrow in small parties of 5 men at a time, so as not to attract notice. The non-commissioned officers who, besides the aforementioned sergeant, will command those men, must immediately be sent back here. I also expect to know immediately how the Prince is currently disposed toward Mancoenagara, and whether he is very inclined to cede the requested villages to him. The reports in your previous letter of the 13th of this month, namely that Pangerang Mancoenagara was plotting a treason, being not only sufficiently confirmed by that of the 14th and the account given here by the native Morto, but it also being very probable from this that disaffected grandees of both courts are implicated in it, this must serve to redouble your zeal and attention to get to the bottom of the matter, and to discover further what their intention and plan is. I am very anxious to know what occurred at the delivery of my letters sent to you the day before yesterday to the Emperor and Prince, in order thereafter to devise the best measures that present themselves, and in the meantime I deem it necessary to advise the Prince to gather his men together under chiefs, upon which attention must be paid for the present. To the same as above, dated 16 March 1772. Expecting that you will proceed with the utmost circumspection in everything and attempt to obtain good information, I remain after greetings, below stood, Your good friend, was signed, J. R. van der Burgh, in the margin, Samarang, the 14th of March 1772.

Dutch transcription

79 ik gelove, den voor de Comp: in trouw boven veele andere altoos uitgeblonken hebbende Tommongong Arong Binang, zig in eenig verraad zoude Heeken. ik hebbe volstrekt aan geen een Javaan iets laaten blijken, en zal mijne perquisitien op de bedekste wijze met mijn eige volk poursuiveeren, en Schuld pligtig van alles aan vwelEd: Agtb: trouw berigt geeven kunnende in tusschen van de welmenendheid van den sulthan voor DEComp: de alleraangenaamste assuran„ ces geeven deeze geen ogenblik willende ophouden, betuig in haast met de respectueuste gevoelens te zijn /:onderstond:/ Titul ordinair /:en was geteekend:/ Iantappo /:in margine:/ Djokjocarta den 16: Maart 1712:, P: S: het feest Bezaar is gister gevierd, zwaare koorssen hebben mij belet hetzelve bij tewoonen, weshalven Cap=n vermehr in mijn plaats heb laaten fungeeren de kroonprins en alle hofgrooten zijn egter ten mijnen huise geweest en hebben hun Extra gediverteerd. /:onderstond:/ Accordeert /:was„ „getekend:/ J R: van der Burgh. Copia Missive door den ondergeteken„ „de geschreeven aan het opperhoofd te soura„ carta van Straalendorf de dato 14: Maart 1772: Den inhoud vver aparte van gisteren woord heden voordemiddag ontvangen, heeft mij ten uittersten ge„ surpreneerd, te meer dewijl ik op uwE: verzeekering, dat de berigten die ik uw E: successive gesuppediteert hebbe, en waar uit op temaken was, dat Pangerang Mancoenagara niet veel goeds in 't zin hadd, geen ge„ looff meriteerden en alles stil en gerust was, gemeend - heb mij te mogen verlaaten. Bij brief van den 24: februarij J: L: heb ik vwE: speciaal aangeschreeven, om niet te berusten in het geen men te solo verhaald, maar door eigen sen„ delingen alles te onderzoeken, en des nodig den vorst zelfs te spreeken; Bij die van den 3: deezer heb ik daarop nader aangedrongen, met bijvoeging dat UE: zig na het een en ander moest informeeren op een wijze dat niemand des kovelingen er eenige ken„ „nisse van kreeg, en even wel heeft uuE: zig weder met den Rijksbestierder het eerst ingelaten, in een zaak die van de uiterste gevolgen kan zijn. Ik zende uwE: hiernevens een brief voorden keij„ zer en een voor Pangerang Mancoenagara /: wel„ kers Copijen tot UE speculatie deezen verzelle:/ met last om dezelve direct in perzoon te bestellen, en niet alleen den soesoehoenang nader uit mijn naam over de gespargeerd wordende gerugten te onder- en teffens- voor- te houden van wat nadeelige de uitvoering daar van kan zijn, indien zijn No Hoogheid 6 Hoogheid daar tegen niet aanstonds voorziet, maar ook den Pangerang in bedekte termen te verstaan te geven, dat men van zijn voornemen is geinfors„ meerd, en dat als hij eens weder uitspad de Comp: hem zekerlijk aan zijn lot overlaaten, en zig zijner geheel onttrekken zal. De brieven, mits de absentie van den Translateur Boltze door iemand overgezet zijnde waarop ik mij niet ten vollen verlaaten mag, diend onE: zulks voor af ook te kennen te geven ter voorkoming van ongenoegen dat somtijds uit een abuis anders zoude kunnen ontstaan. Ik verlange zeer te weeten hoe het feest Bazaar is afgeloopen, in hoe zig den pangerang gedraagen en of hij ook wel eenige blijk van zijn ongenoegen gegeven heeft, terwijl ik prijze uwE: voorzorge om in cas van noodzakelijkheid tegenstand te kunnen bieden, waartoe ik ook bereeds 25: gemeene militairen en een sergeant van hier heb laten Commandeeren om heden, morgen en overmorgen met kleene par„ tijtjes van 5: man te gelijk, om geen oog te geeven te ver„ trekken. De onderoppecieren die buiten voorm: sergeant dat volk gebieden zullen, moeten ten eersten herwaarts te rug gezonden worden. Jk wegte ook ten eersten teweeten hoe den vorst tans omtrent Mancoenagara gezind, en of hij wel zeer gene„ „gen is de gevraagde Negorijen aan hem aftestaan. De berigten bij vwE: voorige van den 13: dezer, dat namentlijk Pangerang Mancoenagara, een verraad beraamde, bij die van den 14: en het hier gegeven Relaas door den Jnlander Morto niet alleen genoegzaam geconfirmeerd wordende, maar daar ii't ook met veel waarschijnlijk op temaaken zijnde, dater kwalijk ge„ zinde groote van beide de hoven mede gemelteerd zijn, zal dit uwe iver en attentie dienen te verdubbelen, om agter het wezentlijke der zaak te komen, en nader te ontdekken wat haar voornemen en ontwerp is. Ik verlange zeer teweeten, wat bij de overgave mijner UwE: eergisteren toegezonden brieven aan den keijzer en Prins voorgevallen is, om daarna ook wij„ ders de best voorkomende mantregulen te beraamen, en ik omde intusschen noodzakelijk den vorst aan te raaden, zijne volkeren bij een te verzamelen, onder /:waarop voor altans moet gelet worden:/ Hoofden Aan als vooren de dato 16: Maart Jk: verwagting dat UE met de uitterste circumspectie in alles zult te werk gaan, en tragten goede infor„ matien te bekomen, blijve ik naar groete /:onderstond/ uwE: Goedevriend /:was getekend:/ J: R: vander Burgh /:in margine Samarang den 14: maard 1772:— van 1772:— 81

NL-HaNA_1.04.02_3364_0063 view scan ↗

English

85 of proven courage and loyalty, in order to deter the ill-disposed, or to be able to confront them directly should they undertake anything; as well as to occupy the roads everywhere, both from Solo to Cademan and the places where they gather their people, as well as those in the Emperor's districts, which they must use to find a passage eastwards or on the south side to Balemboangang, so that they do not make themselves masters of one or another district where they could maintain themselves for a long time. After greetings, I remain, Your Honour's Good Friend, signed, I: R: vander Burgh. In the margin: Samarang, the 16th of March 1772. Lower down: P.S. I also expect to learn from Your Honour who the chiefs actually are of the peoples already gathered according to the account of Morto, as they are not known here by their names. The muster roll of the sergeant and 25 privates who have already departed for Costij accompanies this, while it serves for Your Honour's information that the other non-commissioned officers who have escorted them are expected back here shortly. If it is deemed necessary to suspend the Commission for the survey of the lands, Your Honour must act communicatively in this matter with the chief Lapro, and subsequently dispatch the necessary orders to the Commissioners. Copy of a letter written by the undersigned to the chief at Dtjoejocarta, Ian Lapro, dated 14 March 1772: The contents of the enclosed letter received earlier today from Souracarta from the chief Straalendorff, dated the 13th of this month, appeared to me of such great importance that I judge it necessary to inform Your Honour of it, and to order you, without the knowledge of any of the courtiers, to have other trusted persons investigate what the truth of the matter actually is and whether it is true that a certain Pangerang Simojoudo has absented himself from the Sultan's Court, and whether some evil plan is also being forged by one or another at Costij, which is not entirely improbable, in so far as one may maintain that the Regent of Banjoemars will undertake nothing of that nature without the knowledge or foreknowledge of his father Danoeredja. I await a speedy reply to this and remain, after greetings, Your Honour's Good Friend, signed, J: R: van der Burgh. In the margin: Samarang, the 14th of March 1772. Lower down: P.S. If the matter is true, and Oerang Bienong is also involved in it, Your Honour had better be mindful in good time of the safety of the Commissioners in the Bagaleen. Copy To 85 To the same as before, dated 16 March 1772: The news supplied to Your Honour in mine of yesterday, that Pangerang Mancoenagara is forging an evil plan, and that many grandees are said to belong to his following, being not only sufficiently confirmed by the enclosed reports received since, but from which it can even be gathered with much probability that discontented subjects of the Sultan are also among them, this should serve to redouble Your Honour's zealous attention to get to the bottom of the matter, who is all involved in it, and who actually, as they are unknown here by name, the chiefs are of the peoples already gathered according to the account of the orderly Morto, as well as to discover further what their plan and design is. When Your Honour knows this, and you see no reasons to suspect the Sultan of being involved in this, as I have none, but rather think that the ill-disposed have it in for the Emperor, the Sultan, and the Company alike, I deem it utterly necessary to inform the Prince of everything directly or in person, and to advise him, for his own safety, to devise at once such measures as appear useful to him to thwart the wicked designs of those common enemies, or to oppose them with sufficient force, while at the same time it may well be indicated indirectly that it does not appear unhelpful to occupy with force the roads and entrances running through his lands which the assembled mob could use to find a passage eastwards or to the south to Balemboangang, in order to prevent them from finding a hiding place where they could maintain themselves for a long time. I also long to know how the market feast at Costij ended, and whether anything out of the ordinary occurred there, and remain, after greetings, Your Honour's Good Friend, signed, S: P: van der Burgh. In the margin: Samarang, the 16th of March 1772. Lower down: P.S. Your Honour should deliver the enclosed to the Commissioners at the first opportunity. If it appears useful to suspend the Commission for the survey of the lands, Your Honour must confer with the chief Straalendorff about it and subsequently dispatch the necessary orders to the Commissioners. Below: Agreed, signed, I: R: vander Burgh. Received

Dutch transcription

85 van beproefde dapperheid en trouw, ten einde de kwa„ „lijk gezonde afteschrikken, of iets ondernemende direct het hoofd te kunnen bieden; mitsgaders de wegen alomme te bezetten, zoo wel van solo naar Cademan ende plaatzen daar zij hun volk bij een brengen, als die in 'skeijzers districten, waarvan zij zig moeten bedienen om oostwaards dan wel aan de suidkant een doortogt naar Balemboangang te vinden ten einde zij zeg geen meester maaken van het een of ander district doar zij zig lange zoude kunnen mainctineeren. C Jk blijve na Groete /:onderstond:/ uw E: Goede vriend /:was getekend:/ I: R: vander Burgh /:in margine:/ La„ „marang den 16: Maart 1772 /:lager:/ P: S: Jk ver„ wagte ook van VwE: te weeten, wie eigentlijk de hoofden zijn, der volgens het Relaas van Morto reds bij een verza„ „melde volkeren als volgens haare naamen hier niet bekend zijnde De narmrolle van de bereets naar Costij vertrokken sergeant en 25: gemeene verzeld deezen, terwijl tot uwE: narigt diend dat de verdere onder officieren die hun hebben geconvoseerd hier ten eersten te rug worden verwagt. Als het nodig geoordeelt word de Commissie ten op„ neem der landen te staaken, moet uwE: deswegen met 't opperhoofd Lapro Communicatief te werk gaan, en vervolgens de nodige ordre aan de Commissianten Ex„ pediceren. Den inhoud van de nevensgaande heden voordemiddag van souracarta ontvangen brief van het opperhoofd Araa„ „lendorf de dato 13: dezer, is mij van zoo veel belang voor„ gekomen dat ik noodig oordeele vwE: er van kennisse te geven, en te gelasten, om zonder voorweten van iemand der hovelingen door andere vertrouwde te laten onder„ zoeken wat eigentlijk van de zaak en of het waar is, dat zekeren Pangerang Simojoudo zig van 's sultans Hoff heeft geabsenteerd, mitsgaders te Costij ook eenig kwaud voorneemen door den een of ander word gesmeed, het geene niet geheel onwaarschijnlijk is, voorzo verre men mag sustineeren dat de Regent van Banjoemars niets van die natuur zonder weeten ofte voorkennisse van zijn vader Danoeredja ondernemen zal Ik verwagte hierop spoedig antwoord en blijve naar Groete /:onderstond:/ uwE: Goede vriend /:was getekend:/ J: R: van der Burgh /:in margine:/ Samarang den 14: Maart 1772. /:lager :/ P: S: als de zaak waar, en oerang Bie„ nong er mede gemelteerd is, mag uwE: wel in tijds op de veijligheid der Commissianten in de Bagaleen verdagt Copia Missive door den onderge„ tekende geschreeven aan het opper„ hoofd te Dtjoejocarta Ian Lapro de dato 14: Maart 1772: Copia Aan O zijn. ƒ 85 Aan als voren, de dato 16: Maart 1772: De VuE: bij de mijne van gisteren gesuppediteerde tijding, dat Pangerang Mancoenagara een kward voor„ nemen smeed, en veele grooten onder zijn aanhang zouden gehooren, bij de sedert ontvangen deezen bijgevoegde berigten, niet alleen genoegzaam geconfirmeerd wordende, maar daarint zelfs met veel waarschijnlijkheid op te maaken zijnde, dat er ook misnoegde onderhoorige van den sulthan onder sorteeren, zal dit uwE: ieveren attentie dienen te verdubbelen, om agter het wezentlijke derzaak te komen, wier er al in betrokken is, en wie eigentlijk /: als volgens de naamen hier onbekend:/ de hoofden, der blijkens het relaas van den oppaster Morto, reeds bij een verzamelde volkeren zijn, mits„ „gaders nader te outdekken wat haar voornemen en ontwerp is. Als uwE: dit weet, en denzelven geene reedenen voor„ komen om den sulthan te suspecteeren dat hij hier inne is gemelleerd, gelijk ik die niet hebbe, maar eer denke dat de kwaalijk gezonden het tegen den keijzer, den sulthan en de Comp: teffens hebben, agte ik het ten uittersten noodzakelijk den vorst direct of in perzoon van alles kennisse te geven, en hem aan te raaden om tot zijne eigen vijligheid ten eersten zulke mid„ „delen te beraamen als hem dienstig voorkomen om de boose voornemens dier algemeene vijanden te vereij„ delen, of hen met toerijkende magt tegen te gaan, terwijl teffens als van ter zijde wel mag te kennen gegeven worden, dat 't niet ondienstig voorkomt, de wegen en toegangen die door zijn landen loopen en waar van den te zaamen gerotten hoop, zig zoude kunnen bedienen om oostwaards of wel om de zuid een door„ togt naar Balemboangang tevinden, met magt te bezetten, om voortekomen dat zij geen schuilnest vinden daarzij zigh lange zouden kunnen mainstineeren. Ik verlange ook te weeten hoe het fast Bazaar te Costij afgelopen, en of daarop niets buiten gewoons voorgevallen is, en blijve naar groete /:onderstond:/ uwE: Goede vriend /:was getekend:/ S: P: van der Burgh, /:inmargine :/ Samarang den 16: Maart 1772: /:lager:/ P: S: de nevensgaande aan de Commitsianten, diend VwE: bij eerste occagie te bezorgen. Als het dienstig voorkomt de Commissie ten opneem der landen te staaken, moet unE: het opperhoofd straa„ „lendorff daarover onderhouden en vervolgens de nodige ordre aan de Commissianten expedieeren. /:onderstond:/ /Accordeert:/ was getekend:/ I: R: vander Burgh, delen Ontvangen

NL-HaNA_1.04.02_3364_0065 view scan ↗

English

Received from the Pangerang Adipattij Mangkoenagara, written to the Noble Lord Governor and Director of this Coast, Johannes Robbert van der Burgh: at Samarang the 15th of January, in the year 1772: After the customary preamble: Having duly received Brother’s very kind letter, I shall serve herewith in humble answer that I heartily thank Your Right Honorable Sir for your cordial best wishes for this New Year expressed to me. As far as my well-being is concerned, Brother can well imagine that it would be in a better state if I were so fortunate as to obtain the Batoe Bendoro once again. It is true that I bear it according to God’s disposition and the advice given by the Company, but this does not take away from the fact that I remain distressed in my heart regarding it, and must see that the Sultan, as king, has dared to take upon himself the deprivation of a man from his beloved wife. In the meantime, I earnestly request Brother to be willing to arrange for me that the Emperor should grant me the 2 negorijs Pandgerban and Pamarden, in the manner of Banjoemaas, which the Resident has already long promised me to do, as well as that I might obtain the district Kamagettan from him in lease, in order to maintain my children from its additional revenues. I also inform Brother that during the troubles in Paccalongang I took as booty a daughter of the regent there at the time, now named Pangerang Natta Coehoema at the Sultan's court, by the name of Radeen Malia, whom I handed over to the Sultan at his request, with the promise that he would give me 200 Spanish dollars for her annually. But for 8 years I have received nothing, which is why I also request Brother’s assistance in this matter. Thanking Brother furthermore most cordially for the case of gin and 24 bottles of red wine, all of which was most agreeable to me. Underneath: Translated by me. Signed: C. P. Boltze, Jr. Extract from a letter written by the undersigned to the Resident at Souracarta, Van Straalendorff, dated the 16th of January 1772: Herewith an extract from a letter from Pangerang Mancoenagara, on which Your Honor will please provide me privately with a report, and whether there might be an occasion to help him with his request. The Prince requests of me sidearms according to the sample handed over to Your Honor. Extract from a letter written by the Resident at Souracarta, Van Straalendorff, to the undersigned, dated the 19th of January 1772: Regarding the request of the Pangerang Adipattij Mankonagara concerning the 2 negorijs Pandjelan and Pamorden, as well as the district Kamagetten, I serve in humble obedience that said Prince already requested it in Beuman’s time, and also gave me to understand on an occasion to convey it to the Emperor. Thereupon His Highness replied that the Pangerang Adipattij Mankonagara was a never-satisfied person, that he had already been granted so much above the number of lands, and was appointed Governor of the Banjamassian territory, which also yielded something, and that he could now add nothing more for him; that His Majesty had more children to provide for, was almost ashamed to be Emperor and not be able to maintain his own children according to their status. I am of the opinion that if Your Right Honorable Sir asks the Monarch to grant the aforementioned lands to the Prince, it will upset him very much. His Highness is indeed a good-natured monarch, but refusing this request at times might be unpleasant to Your Right Honorable Sir. It is characteristic of the Prince always to ask one thing and another of the Noble Lord Governor. Extract from a letter written by the Resident at Djoejocarta, Jan Lapro, to the undersigned, dated the 9th of February 1772: Giving humble thanks for the dispatch of the papers relative to the rebel Dakit, I shall report regarding what was mentioned in the letter of the Pangerang Adipattij Mankoenagara that Pangerang Notto Koessomo indeed resides at this court, living at Magierij, whose daughter is in the kraton; but whatever conventions that Prince might have made with the Sultan regarding this, I profess to be ignorant of. Underneath: Agreed. Signed: J. R. van der Burgh. Extract from a letter written by the Resident at Djoejocarta, Jan Lapro, to the undersigned, dated the 26th of February 1772: While for consideration this is accompanied by an extract from a letter from Pangerang Mancoenagara, in order to elucidate to me how the matter actually stands with his claim mentioned therein, which I have not yet received. No. 3 7.

Dutch transcription

Ontfangen van den Pangerang Adipattij Mang„ koenagara, gesz: aan de Edele Heer Gouverneur en Directeur deezer kuste, Iohannes Robbert van der Burgh: op Samarang den 15: Januari Ao 1772: Na gewone voorreeden Broeders zeer vriendelijke brieff wel ontfangen hebbende, zal ik bij deeze daarop in nedrig antwoord dienen dat ik vwelEd: Groot Agtb: hartelijk bedanke voor desselfs gul„ hartige zege wensch tot dit nieuwe Jaar aan mij gedaan, wat mijn welstant betreft zoo kan Broeder wel denke„ dat die in een betere staat zou weezen, als ik zo ge„ lukkig was, de Batoe Bendoro wederom te krijgen, 't is waar ik het mij na Godes schikking en 'sComp=s ge„ „gevene raad gedragen, dog dit neemt niet weg, dat ik deswegens nog in gemoede aangedaan blijve en sien moet, dat den sulthan als koning heeft durven op sig neemen Een man van sijn geliefde vrouw te bezogen. Intusschen verzoeke ik Broeder seer, voor mij te willen bewerken, dat mij de kijzer de 2: Negorijen Pand„ „gerban en Pamarden overliet, invoegen als Banjoemaas, het geen mij reets lange het opperhoofd beloofd heeft te zullen doen, als mede dat ik het district kamagettan van hem in pagt mogt krijgen ten eijnde van dies Diernevens een Extract uit een brief van Pangerang Man„ coenagara, waarop UwE: mij in het particulier eens ge„ lieve te dienen van berigt, en of er occagie zoude zijn hem met zijn verzoek te helpen, Den vorst verzoek mij om zijdgeweeren na het vwE: overhandigde monster„ xtract uit een brief, door den onderge„ teekende geschreeven aan het opperhoofd te souracarta van Straalendorf geda„ teerd den 16: Januarij 1772: — meerdere provenuen mijne kinderen te onderhouden. Ook maake ik Broeder bekent, dat ik in de Pacca„ longangse strubbelinge een dogter van den doenmalige regent aldaar /: nu aan 's sulthans hof Pangerang NattaCoehoema genaamt, heb buijt gemaakt :/ met Name Radeen Malia, die ik aan den sulthan op zijn verzoek overgaff; met belofte mij jaarlijks daar voor 200: p=s te zullen geven, dog sedert 8: jaaren, heb ik niets genoten, weshalven ik ook in dit stuk broeders hulpe versoeke Bedankende Broeder voor 't overige aller har„ telijkst voor de kelder genever en 24: bottels Roode wijn, welk een en ander mij ten hoogste aange„ naam is geweest . /:onderstond. /. getranslateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze I:n meerdere het . 0 Extract uit een Brief door het opperhoofd te souracarta van Straalendorff aan den ondergeteekende geschreeven, ged=t den 19: Januari 1772: — Het verzoek van den Pangerang adipattij Mankora„ „garra wegens de 2: negorijen Pandjelan en Pamorden als meeden het district kamagetten, diene in onderdaanig„ heit dat gemelden Prins bij Beumans tijden, daarom verzogt, als moeden aan mijn, bij een gelegenheid den keijzer te verstaan gegeeven, daarop zijn Hoogheid and„ woorden dat de Pangerang Adipattij Mankoragara Een onvergenoegter was, dat hem alzoo veel boven het getal der landen, bijgezet en Gouverneur van het Ban„ Jamassiesche gesteld, dat ook alwoat op bragten, en dat hij hem nu niets meer bijkonden setten, zijn Ma„ „jesteit meer kinderen te versorgen had, bijna beschaumt keijzer te weezen, en zijn Eigenkinderen volgens Caracter niet te mainteneeren, ben van sentiment als vwel Edele Groot Agtb: den oorst omgemelde landen ver„ zoekt aan den Prins over te laaten zeer zal ontstellen, zijn Hoogheid is wel een goedaardige vorst, dog dit verzoek somtijds revoeseerende zouden vwelEdele Groot Agtb: onaangenaam weesen, het is den Prins eijgen altoos het voor de toezending der papieren relatief tot den Cra„ man Dakit nedrig dankzeggende, zal ik omtrent 't gementioneerde in de brief van den Pangerang De pattij mankoenagara melden, aan dit hofp zig wel onthoud den pangerang Notto koessomo, wonende te magierij, wiens dogter indecraton is, dog wat Conventies dien Prins met den sulthan daaromtrent mogt gemaakt hebben, beting ik te ignoreeren. /:onderstond:/ Accordeerd :/ was getekend /. J: B: van der Burgh. Extract uit een Brief, door het opperhoofd te DJoojocarta Ian Lapro aan den ondergetekende geschreeven gedateerd den 26: februarij 1772:— Terwijl ter over speculatie deezen verzeld, een Exc tract uit een Brief van Pangerang Mancoenagara, ten einde mij te elucideeren hoe het met zijn daarbij vermelde pretentie eigentlijk gelegen is — Extract uit een Brief, door het opper„ hoofd te Djoejocarta Jan Capro aan den ondergetekenden geschreeven geda„ „teerd den 9: Februarij 1772: een en andere van den Edele Heer Gouverneur te vrangen het geen ik nog niet ontfangen hebbe. Non 3 7.

NL-HaNA_1.04.02_3364_0067 view scan ↗

English

94 To Pangeran Adipati Mangkunegara I had the pleasure of properly receiving the friendly letter recently sent to me by Your Highness, but I was prevented from answering it, first by severe illnesses and subsequently by the absence of my translator; yet, having not only conveyed my apologies orally on that account, but also repeating the same herewith, I do not doubt that Your Highness will be satisfied therewith. That Your Highness has conducted yourself according to God's dispensations and the Company's advice given with true sincerity is commendable, and that a pleasant, quiet tranquility is far to be preferred over inconveniences and daily worries is also so true that I deem it not necessary to demonstrate this further to Your Honour; yet, that in the tranquility which Your Highness now enjoys with so much praise, your pleasure would be greater if the Ratu Bendara shared in it, I can well believe; but since monarchs, kings, and princes as well as other men must adapt themselves to God's will, without which nothing occurs, I hope that Your Highness will also submit thereto, and, as hitherto, bear with manly courage the sorrow caused to Your Highness by the absence of the Ratu, until the Company, which is not accustomed to abandon anyone who puts trust in it, finds an opportunity to alleviate it. If Your Highness meanwhile continues to rely on the Company and places as much trust in us as I am inclined and also intend on all occasions to promote your pleasure, I shall further employ all that is possible to bring about with the Susuhunan that he leaves to Your Honour the two settlements of Panjerlan and Pamardin in the same manner as Banyumas, as well as the lease of the district of Ramagetan; and I have reason to flatter myself that this will indeed succeed upon my upcoming arrival in Solo. My assistance being ready for Your Highness in all matters, I shall also, upon my arrival in Yogyakarta, investigate the matter concerning the daughter of the former Regent of Pekalongan and, if possible, settle it most advantageously. The commission that Your Honour had entrusted to the Adipati here for the procurement of 20 pieces of silk patolas I have taken upon myself, and with his emissaries who were recently here I have already sent off 10 pieces, while I have requisitioned the remainder from Batavia, as not being provided with them here, and shall send them to Your Highness upon receipt, expecting that they will be agreeable. Having presented my compliments to Your Highness, I remain with high esteem. Semarang, 14 March 1772. 93 The most affectionate letter which Brother was pleased to send me with the mantri Warganaya I have properly received, but the absence of my translator, who has also departed for the survey of the lands in Kedu and Bagelen, has until today prevented me from answering it; for which reason I request a kind pardon. For the agreeable present of 100 tompos of scented rice I express my highest gratitude to Your Highness, and in the hope that the two blades for Your Majesty and the kain sambagis for the Ratu, which the chief of Straalendorff will undoubtedly have duly delivered with my compliments, as well as the 75 straight cutlasses also sent since, will be to your satisfaction, I promise Brother to send the 75 still missing from the required number of 150 cutlasses, as well as some more sambagis for the Ratu, as soon as I am provided with them. Furthermore, on this occasion I cannot refrain from informing Your Highness that news has unexpectedly reached me that at present at Brother's court certain prominent persons are said to be occupying themselves with devising schemes whereby the tranquility of Your Highness, and also of your faithful subjects, would be entirely disturbed. To the Susuhunan I take too great an interest in that which concerns Java in general, and Your Majesty for the furtherance of your pleasure in particular, to conceal this news from you, the more so because, in order to respond to Your Highness's goodwill, I find myself even obliged to advise Your Highness to have the most rigorous investigation made into this nefarious scheme, in order to thwart and frustrate it at its inception while there still appears to be time, through such means as shall appear most expedient to Your Majesty. And whereas Pangeran Adipati Mangkunegara has requested me to bring about with Your Highness that Brother leave to him the settlements of Panjerlan and Pamarden in the manner of Banyumas, and cede to him in lease the district of Kamagewan, I also cannot refrain from requesting Your Majesty to consent thereto and thus oblige me to you by favouring the said Pangeran. After my most obedient compliments to Your Highness, and from my wife also to the Ratu, I remain with cordial greetings with esteem. Beneath was written: Semarang, 14 March 1772. And underneath: Agrees. Was signed: J. R. van der Burgh.

Dutch transcription

94 Aan Pangerang Adepattij Mancoenagara Ik heb het genoegen gehad de door onE: Hoogheid mij laast gezonden vriendelijke brief wel te ontvangen, maar ik ben eerst door zwaare ziektens, en vervolgens door de absentie van mijn Translateur verhinderd gewor„ „den daarop te antwoorden; dog deswegen niet allen mondeling mijn excuus hebbende laaten maaken, maar dat bij deezen ook herhalende, twijffele ik niet of vw Hoogheid zal daarin genoegen neemen. Dat vor Hoogheid zig na Godes schikkingen en 'sComp:s /: met waar welmenen theid:/ gegeven raad gedragen hebt is prijsselijk en dat eene aangenaame stille rust, verre te prefereeren is, boven ongemakken en dagelijksche zorge is ook zoo waar dat ik niets nodig oordeele zulks vwE: nader te betoogen; dog dat in de rust die vwr Hoogheid tans met zoo veel lof geniet, desselfs genoegen grooter zoude weezen, wanneer de Ratoe Bendoro er indeelde kan ik welgelooven; maar dewijl vorsten, koningen en Princen zoo wel als andere menschen zig moeten schikken na Gods wille, zonder dewelke niets geschied, hoop ik dat vw Hoogheid zig daaraan ook zal onderwerpen, en gelijk tot dus verre met eene mannelijke kloek„ moedigheid draagen het leed dat de afwezendheid van de Ratoe vwh: verwekt, tot dat de Compagnie, die niet gewoon is iemand die op haar vertrouwd, te verlaaten, gelegenheid krijge dat te verzagten. Als owr Hoogheid onderwijle zig op de Comp: blijft verlaten, en zoo veel vertrouwen in wij steld, als ik gene„ „gen en ook bij alle gelegenheden voornemens ben des„ selfs genoegen te bevorderen zal ik verder al wat mogelijk is aanwenden, om bij den soesoehoenang te bewerken dat die de twee negorijen Pandjerlan en Pamardin, op dezelve wijs als Banjoemaas aan UwE: overlaat, als mede het district Ramagetan in pagt; en ik heb reden mij te flatteeren dat zulks bij mijn aanstaande komst te solo ook wel rensteeren zal Mijne hulpe in alles voor vw Hoogheid bereid zijnde, zal ik ook bij mijn komst te Djoejocarta, de zaak rakende de dogter van den voormaligen Regent van Paccalongang onderzoeken, en zoo het mij mo„ gelijk is ten voordeeligste afmaken. De Commissie die vwE: den adepattij alhier opgedragen hadt terbezorging van 20: p:s zijden pathoolen heb ik op mij genomen, en met desselfs jongst hier geweest zijnde sendelingen bereeds ook 10: p=s afgezonden, terwijl ik de overige als daar van met voorzien van Batavia geeischt hebbe en na ontvangst vwr Hoogheid toezenden zal, in verwagting dat aangenaam zullen zijn. Na mijn Compliment aan uw Hoogheid afgelegd hebbende, blijve ik met veel agting. Samarang den 14: Maart 1772: niet S 93 De allertoegenegentste brief die Broeder mij met den mantri wargo Noijo heeft gelieven te zenden heb ik wel ontvangen, maar de afwezendheid van mijn translateur die mede ten opneem van de Landen in de Cadoe en Bagaleen vertrokken is, heeft mij totheeden verhinderd daarop te antwoorden; weswegens ik eene vriendelijke verschooning verzoek. Voor 't aangenaame present van 100: Tompos Braswange„ beting ik vw Hoogheid ten hoogsten dank, en in hope dat de twee klingen voor vor Majesteit, ende Kaijeen sambagies voor de Ratoe, die 't opperhoofd van straa„ lendooff ongetwijfeld, onder mijn Compliment behoor„ „lijk zal hebben bezorgd, zoo wel, als de zedert ook af„ gezonden 75: regte houwers, na genoegen zullen zijn, beloove ik Broeder de nog mancqueerende 75: aan 't ge„ „requireerde getal van 150: houwers, en ook nog eenige sembages voor de Ratoe te zullen zenden zoo draa, als ik w maar van worde voorzien. Wijders kan ik bij deeze gelegenheid niet nalaten owr Hoogheid kennisse te geeven, dat mij op het onver„ „wagst tijding is toegekomen, dat tans aan Broeders Hoff enige voornaame perzoonen haar borig zouden houden, met ontwerpen te maaken, waar door de rust van vwr Hoogheid, en ook van desselfs getrouwe onderdanen geheelen al zoude worden gestoort. Jk Aan Den Soesoehoenang neem te veel deel in het geene Java in 't gemeen, en ver Majesteit tot bevordering van deszelfs genoegen in het bizonder betreft, dat ik deeze tijding voor denzel„ ve zoude verbergen, te meer daar ik om aan vw Hoog„ heids welmenendheid te beantwoorden mij zelfs verpligt vinde vw Hoogheid te mogen raaden, na dit heelloos ontwerp de nauwkeurigste navorsing te laaten doen„ ten einde het nu het nog tijd schijnt in zijn geboorte tegen te gaan en te verijdelen door zulke middelen als vor Majesteit het dienstigste voorkomen zal En Dewijl Pangerang Adepattij Mancoenagara, mij verzogt heeft bij vw Hoogheid te willen bewerken, dat Broeder aan hem de Negorijen Pandjerlan en Pa„ marden overliet, invoegen als Banjoemars, en in pagt afstond het district kamage wan, zoo kan ik ook met nalaten vwr Majesteid te verzoeken om daarin te bewilligen en dus mij aan denzelve te verpligten, door gem: Pangerang te favoriseeren. Na mijn gehoorsaamst Compliment aan vw Hoog„ heid en van mijn huisvrouw ook aan de Ratoe, blijve ik na hartelijke groete met agting. /:onderstond:/ Samarang den 14: Maart 1772: /: en daaronder Accordeert /:was getekend:/ I: R: van der Burgh, neem op in

NL-HaNA_1.04.02_3364_0069 view scan ↗

English

Copy of the Letter from Lieutenant Heinrich to the Commander at Sourabaija Herewith I have the honor to most obediently inform Your Honorable Esteemed that on the 12th of this month I marched with a detachment of 600 heads to Cradjagan, of which Ensign de Chateauvieux with 200 heads, both Europeans and natives, went thither via Cradenang, and I with 400 heads went via Erva. On the 12th I camped halfway to Proa and on the 13th marched thither, where I found the lamps in this village still burning, and well over as much dried meat, fish, etcetera, as could sustain Bajoe for half a month, which was to be transported thither. What my men could not carry with them, I had burned and destroyed; around 50 horses were captured and several pikes seized. On the 13th at 10 o'clock at night my patrols discovered enemy forces, which they attacked and repulsed, just as I set out with my entire corps to support them. My Malays captured one of the enemy's men, with kris and pike, who provided me with great clarification, as he knows the true state of affairs in Bajoe as well as regarding Balie. I turned him over to Resident Schophoff for further interrogation, from whom Your Honorable Esteemed will receive further reports. One European private was wounded in the arm, and one European private drowned, as shown by the enclosed declaration, as these passages are nearly impassable. On the 14th I advanced to Cradjagan and burned and destroyed everything there. The enemies had stored many provisions on the other side of the river, where Ensign de Chateauvieux was stationed one hour away, but could not get through due to the swamp. Thus I had 50 Madurese swim across and search for some small vessels that were hidden there and transport troops across with them, where a large warehouse of paddy was found, as well as opium, textiles, carpenters' tools; I had everything seized and destroyed. More than 50 buffalo carts were burned, and in Proa with Cradjagan 200 dwellings; likewise I also had Jallimanik burned. Your Honorable Esteemed can firmly believe that this expedition has caused the enemy great detriment. On the 16th I set out again from Cradjagan, and in three marches returned and arrived at Oeloepampang on the 18th of this month. Furthermore, I hereby make known to Your Honorable Esteemed my particular opinion on the state of affairs, that I fear Balie will successively be drawn into a war if we do not quench the fire where it is still glowing. Therefore I propose to Your Honorable Esteemed and request a reinforcement of Europeans of 80 to 100 heads, another 300 Madurese and 400 coolies. As soon as I have conducted the other expedition to Campirang, it is best to advance on Bajoe, and not to attack before everything is properly stationed and entrenched, and to bring no heavy artillery along except two one-pounder cannons, and when everything is entrenched, I ought to have 3 to 4 brass cannons of 3 to 4 lb caliber, and the 8-inch mortar here is sufficient, and then Bajoe will fall into our hands. Since my last writing, the company of Malays under Captain Waijahan Boejong with 112 heads arrived here; 4 drowned, 1 was left behind sick at Besoeki, and 1 went missing; likewise 70 Pamekasan men have arrived here. Wherewith I remain with due high esteem and very humble respect, underneath stood title, lower down, Your Honorable Esteemed's entirely humble and dutiful servant, was signed, J. G. W. Heinrich. In the margin: Oeloepanpan the 19th of February 1772. Underneath stood: agreed, was signed, P. Luzoen; below that: also agreed, signed, S. R. van der Burgh. With respectful reference to my humble latest separate letter of the 18th of March past, I have the honor, High Noble Severe Great Honorable Lord and Noble Lords: To His High Nobility, the High Noble Great Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, together with the Noble Lords Councillors of the Dutch Indies. Batavia

Dutch transcription

95 Copia Missive vanden Luitenant Heinrich, aan den Gezaghebber te Sourabaija Sij dezen hebbe de Eere vnelEdele Agtb: gehoor„ „saamst temelden, dat ik op den 12: dezer met Een Detachement van 600: koppen ben gemarcheert na Crad„ Jagan, waarvan den vaendrig de Chateau vieux met 200: koppen zoo Europeesen als Jnlanders derwaarts over Cradenang en ik met 400: koppen over Erva gegaan, den 12: hebbe ik de halve weg na Proa gecampeert en den 13: derwaarts gemarcheert, alwaar ik de lampen in deeze Negorij nog branden vond, en wel ruim zoo veel din„ „ding, vis &=a, dat voorBajoe voor een halve maand te leven was, als welkes derwaarts zoude getranspor„ teerd worden, wat mijn volk niet konde meede nemen hebbe ik laten verbranden en vermelen, inde 50: paar„ den zijn opgevangen en verscheiden pieken prijs ge„ maakt, den 13: snagts om 10: uuren ontdekten mijne pattrouillien vijandelijke volkeren, die zij attacqueerde en terug hebben geslagen, zoo als ik met mijn heelen Corps ofbrak om haar tesouteneren, mijne maleiers hebben eenen van vijands volk gevangen, met krisen piek, dewelke mij tot grote elucidatie verstrekt; de„ wijlen hij den waren staat van Bajoe als ook wegens Balie weet, ik hebbe denzelve tot verdere examinatie aan den Rendent Schophoff overgegeven waar van vwelEdele Agtb: verdere berigten zal ontfangen, een ge„ meene europees is door den arm gequetst, en een gemeene Europees, is verdronken, blijkens bijleggende verklaring, terwijlen die passagien bij na onpasteerlijk, den 14: Een ik na Cradjagan gerukt en alles aldaar verbrand en vermelt de vijanden hadden op d'andere kant van de revier veele levensmiddelen geborgen, waar de vaandrig de Chateauvieur een uur van daarge„ posteerd stond, maar niet door de moeratte konde bij komen, zoo hebbe ik 50: Madureese laten overswenmen, en Eenige kleine vaartuigen die daar verborgen waren opsoeken en daar meede volk oversetten, waar een groot magoszijn van Padie gevonden word, van het gelijken am„ phioen, kleedjes, timmermans gereedschappen alles hebbe ik prijs gegeven en vernielen laten, meer als 50: buffels karren zijn verbrand, en Proa met Coadjagan 200: woningen, van het gelijken hebbe ik jallimanik ook verbranden laaten, vwelEdele Agtb: kan vast geloven dat dese expeditie den vijand tot grooten radeel ver„ strekt, den 16=e ben ik van Cradjagan wederom opgebrooken, en in drie marssen retour tot Oeloe„ pampang g'arriveert als den 18=e dezer Nog geeve bij deezen aan vwel Edele Agtb: mijn bijzonder gevoelen tekennen over den staat der zaken, dat ik bedugt ben dat Balie in een oorlog zal succes„ aan nagezien sive getrokken worden, wanneer wij het vuur niet blutten daar het nog glimt, dierhalve pro„ „poneere ik aan VwelEd: Agtb: en versoeke om ver„ sterking van Europeete van 80: tot 100: koppen, nog 300: madureesen en 400: battoors in zoo dra ik die andere expeditie na Campirang gedaan, is het beste na kajoe op te rukken, en niet eerder t'attacqueeren, als dat alles nabehoren geposteert en verschanst staat, ook geene sware arthillerie mede voeren behalven twee een ponder Canons en wanneer alles verschant zoo diene ik 3: â 4: metale Cannonnen te hebben van 3: à 4: lb: Caliber, en die hier zijnde 8: duims mortia is toerijkend ge„ noeg, en als dan zal Bajoe in onze houden komen. Sedert mijn laaste schrijven is de Compagnie Maleiers van den Capitain waijahan Boejong met 112: koppen hier g'arriveert, 4: zijn verdronken 1: op Besoeki ziek te rug gelaten en 1: tesoek geraakt, van 's gelijken zijn 70: Pamacattangers hier aange„ Waarmede met verschuldigde hoogagting en zeer nedrige respect verblijve /:onderstond:/ titul:/ /:lager :/ vwelEdele Agtb: gansch onderdanige en Pligt schuldigen Dienaar /:was getekend:/ J: G: W: Heinrich /:in margine:/ Oeloepanpan den 19: febr: 1772: /:onderstond:/ accordeerd:/ was get:/ P: Luzoen; /:daaronder :/ voort Accoord / getekend/ S: R: van der Burgh. Onder eerbiedige refert, tot mijne onderdanige Iongste apparte van den 18 maart passato, geeve ik mij de Eere Hoog Edelen Gestrengen Groot Agtbaren Heer en WelEdele Heeren: Aan zyn Hoog Edelheid, D Hoog Edelen Groot Agtbaren Heere. Petrus Albertus van der Parra„ Gouverneur Generaal, nevens de welEdele Heeren Raden van Ne„ „derlands Indie. Batavia uiver komen. Reij Cant. — D

NL-HaNA_1.04.02_3364_0071 view scan ↗

English

Java's East Coast the 1st of April 1772. To offer herewith to Your High Noblenesses the messages and reports that have since reached me regarding the evil intentions with which Pangerang Mancoenagara was supposedly pregnant, while it seems it may be deduced therefrom that the matter was stated with exaggeration in the beginning, and it appears that he still keeps quiet, has brought no people under arms and also would not have detached anyone to Balemboangang, as well as outwardly behaving quite contentedly again, though that nevertheless something is brewing, or must have brewed, appears no less likely to me, as his intriguing conduct gives rise to speculation whether he might not even have had the first rumors circulated himself, in order beforehand to see the countenance to be maintained, and to arouse some timidity, while I am strengthened in my opinion by the behavior of Pangerang Aria Coessoemo Iudo, who is a son of the Sultan's brother Pangerang Rongo, who died before or at his accession, and who is said to have been once or twice in secret from Djocsocarta to Soeracarta with Mancoenagara, but in his intention to withdraw entirely from the Court was prevented by the Sultan's resolute decision to secure his person, as soon as the resident Lapro gave notice to the prince of the Pangerang's evil intention, so that Your High Noblenesses will ascertain this matter, and what I have in the meantime written to the residents, from the accompanying letters and accounts under Letters A. and B. I have, partly on the assurance of the resident Straalendorff that the Emperor had shown himself inclined to cede the negorijs Landjerla and Samardin requested by Pangerang Mancoenagara, and partly to gain time to discover his true intentions, to foil them if possible, or to bring him to better thoughts, and because from his first letter to me nothing else can be deduced than whether the district of Kamagettan, belonging also to the Emperor, promised him my requested help in obtaining it, as well as flattered with a good outcome, and from his answer under Letter C. it appears that he relies thereon, but now that the Emperor by his latest letter, also passing under Letter C., postpones declaring himself on the matter before my arrival at Souracurta, and it has subsequently appeared to me that Kamagetten is subject to the Sultan, I fear that the former will with difficulty, and the latter not at all, be brought to the cession; and truly the Emperor's later statement to the resident Straalendorff, that Pangerang Mancoenagara, being already formidable now, would double his forces through the obtaining of those districts, is very well-founded, but since he, through being indulged from time to time and given more than had been promised to him at his rise, is not accustomed to being refused, and is already too powerful even to be intimidated, he will also need to be accommodated in one thing or another, wherefore I most respectfully request to be permitted to know how, upon my arrival at the courts in this matter, I shall have to conduct myself in accordance with the intention of Your High Noblenesses. In the Balemboang region, through the increasing illnesses and mortality of the Europeans, and the desertion of the native auxiliary troops, our force diminishes from day to day, and that, on the other hand, things are by no means so poor with the rebels as has now been reported from there for some time, but that they even on the 20th of March attacked the cotta on all corners with a considerable number of people, appears both from the Enclosures Letters D. and E. and from the fact that they must already have received help from Baly, under Gustij Moera of Tjimbranie, who is said to be a vassal of Guttij Agong at Mongoey, notwithstanding that the reports received virtually at the same time from the Balemboangang region dictated that the Balinese, having been driven with their vessels by our cruisers into a river or cove on the Balinese shore, were kept so enclosed that not one was able to come out, and their landing could also well be prevented. The Corps of Samarang Dragoons, at departure from here 48 select heads strong in the first rank, was on the 19th of March already reduced to 16, and these almost all sick, and with the infantry it was just as lamentably situated, since of the 70 heads in the expedition only a mere 50 healthy men were left, and among the garrison of Oeloepampang and Cotta not 25 were able to take the field, to which, however, there have since been added the 40 soldiers whom I gathered here with much trouble in the beginning of March and detached thither for the relief of the Dragoons, but now I am not able to send off a single soldier more before I shall have received relief from Your High Noblenesses after the arrival of the ships from the fatherland at the main settlement, nor any artillerymen beyond one gunner and two assistants departed a few days ago, but since the embarrassment is no less great on that account, I request Your High Noblenesses most urgently for some gunners and bombardiers. The commander Luzat has further urged the prompt assembly of the Madurese, Paimanappers, and Pamacassangers, and I have also exhorted the Pangerang and Regents thereto through my direct writing; while I am of the opinion that the present circumstances do not permit waiting any longer, but necessity now demands that as soon as the fixed number of 2000 heads of such troops has arrived in the Balemboang region, and the force with Europeans and sepoys shall be plus or minus 2500 heads strong, to act offensively again, both to allow the rebels no time to strengthen themselves further, and most especially to make use of the aforementioned auxiliary troops before they become despondent through illnesses and hardships and [illegible]

Dutch transcription

39 2 Jawas oost Cust den 1. April 1772. Iava's oostCust den 1 April 1772 uwer Hoog Edelheeden hier nevens aan te bieden de berigten en rapporten, die my zeedert toegekomen zyn, wegens de kwaade voorneemens waar meede Pangerang ManCoenagara zoude bezwangerd gaan, terwijl daar uijt schijnt te mogen werden opgemaakt, dat de zaak in den beginne by opaggeratie is opgegeven, en blijkt dat hy nog stil houd, geen Volk in de wapens gebragt en ook niet naar Balemboangang zoude gede„ „tacheerd hebben, mitsgaders hem uijterlyk weder wel te vreeden aansteld, dog dat 'er egter iets broeid, of gebroeid moet hebben, komt mij niet minder waarschynlijk voor, als zyjne intrequante conduites speculatie baaren, of hy niet wel zelfs de eerste gerugten heeft laten spargeeren, ten eynde alvorens de te houdene Contenance te zien, en wat timiditeid te verwekken, Terwijl ik in mijne Sustenue gesterkt worde door het gedrag van Pange„ „rang Aria Coessoemo Iudo, die een zoon is, van Sulthans, alvoor, ofte by zijn opkomst overleeden broeder pangerang Rongo en die een en andereaal in Hilte van Djocsocarta naar Soeracarta by Mancoenagara zoude geweest zyn, dog in zyn voorneemen om zig geheel van 't Hloff te verwyderen belet geworden is, door sulthans cordate Resolutie, om zig van zyn perzoon te verzeekere, zo dra het opperhoofd Lapro den vorst van PPangerangs quade intentie, kennisse gaff, invoegen uw hoog Edelheeden dit een en ander, en wat ik de opperhoofden, intusschen aangeschreven hebbe, consteeren zal bij de onder L=r A. en B. overgaande brieven en relaazen. Ik heb eensdeels op de verzeekering van het opperhoofd straalendolf, dat den keijzer zig genegen getoond had, de door Pangerang Manjoenagara gevraagde Negorijen Landjerla„ en samardin afte staan, en anderendeels om tijd te winnen, ter ontdekking van zijne waare voorneemens, die was het mogelyk te verijdelen, of hem tot betere gedagten te brengen, en wyl uijt zijn eerste brief aan my, niet anders kan werd„ opgemaakt, of het district kamagettan, gehoord ook den keijzer hem mijne verzogte hulpe ter bekoming beloofd, mitsgaders met een goeden uijtslag geflatteerd, en by zijn andwoord onder L„a C. blikt, dat hij zig daar op verlaat, maar nu de keijzer by zyn Iongste brief ook onder L„a C. over„ „gaande, uijtsteld, zig daar over te verklaren voor mijne komst te souracurta en my van agteren gebleeken is, dat kamagetten den sulthan onderhorig is, vreese ik, dat den eersten bezwaarlyk, en den laatsten in het geheel niet tot den afstand zal te brengen zijn; en waarlyk der keijsers laater gezegde aan het opperhoofd Straalendorff, dat Pangerang Mancoe„ „nagara nu al gedugt zynde, zijne kragten door de bekoming dier Landschappen zoude verdubbelen, is zeer gegrond, maar dewyjl hy, door hem van tyd tot tyd te vieren, en meer te geeven, dan hem by zyn opkomst was beloofd, niet gewoon is afgeweezen te worde, en zelfs alreede te magtig is om zig te laten afschricken, zal hij ook in het een of ander dienen te worden geliefd, waarom ik Eerbiedigst Ik verzoeke d 104 Iavas oost Cust de 1. April 1772. Iavas oostcust den 1 april 1772 verzoeke te mogen weeten, hoe ik mij, by mijne komst aan de hoven in dezen overeenkomende met de intentie Uwer Hoog Edelheeden zal te gedragen hebben. In het Balemboangsche verminderd, door de toenemende siektens en sterfte der Europeers, en het verloopen. der Inland„ „sche hulptroupen, onze magt van dag tot dag en dat het daar en tegen met de Rebellen gansch zo slegt niet gesteld is, als men van daar nu alweeder eenigen tijd opgegeeven heeft, maar zy zelfs den 20 maart met een aanzienlyk getal volks; de Cotta aan alle hoeken geattecqueerd hebben, blykt zo wel uijt de Bijlagen L. Den E. als dat zy reeds hulpe van Baly, onder Gustij Moera van Tjimbranie, dat een vassaal van Guttij Agong te Mongoey gezegd word te zyn, moeten bekomen hebben niet tegestaande, de genoegzaam te gelyk uyt het Balem„ „boangangsche ontvange berigte dicteerden, dat de baliers met hunne vaartuigen door onze kruijssers in een rivier of inham op de Balysche wal gejaagd zijnde, zodanig ingesloten gehoud wierden, dat 'er geen een in staat was beijten te komen, en hun ook het landen wel konde worden belet. Het Corps Samarangsche Dragonders bij vertrek van hier sterk 48 uijtgeleezen koppen primo plan, was 19 maart reeds„ t op 16 verminderd, en deze nog meett alle ziek, en met de jnfanterie was het eeven zo beklagelyk gesteld, alzo van de 70 koppen in expeditie nog maar sterk, slegt 50. man gezond, en er onder de bezettelinge van ou„ „loepampang en Cotta geen 25 in staat waaren te velde te gaan, dog waar bij zeedert nog gekomen zijn, de 40 Melitari, die ik in het begin van Maart hier met veel moeijte bij een verzameld, en ter aflossing van de Dragonders derwaards gedetacheerd hebbe, maar nu den ik ook niet in staat een enkeld militair meer afte zenden, voor dat ik na aankomst der Baren ter hoofd plaatze, ontzet van uw hoog Edelheeden zal bekomen hebben, ook geene Arthilleristen, boven een Cano„ „nier en twee handlangers voor weynige dage vertrokken, dan vermits de verleegendheid daarom niet minder groot is, verzoek ik uwer hoog Edelheeden zeer in ptantig, om eenige Canoniers en Butschieters. De gezaghebber Luzat heeft nader op de spoedige by eenbrenging der Madureeschen, Paimanappers en Pamacas„ „sangers aangedragen en ik heb Pangerang en Regenten door mijn direct schrijvens ook daar toe aangemaand; Terwijl ik van gevoelen dan, dat de presente omstandigheeden niet toelaten langer te wagten, maar de noodzakelijkheid thans vorderd, om zo ras het bepaalde getal van 2000 koppen sulx troupen in het Balemdoangsche aangekomen, en de magt met Euro„ „piers en ootterliegen plus minnus 2500 koppen zal sterkzyjn, weeder offensive te ageeren, zo om de Rebellen geen tyd te laten zig verder te versterken, als en wel voornamentlyk om zig te bedienen van de opgem=de hulptroupe, voor dat zy door ziektens en ongemakken mismoedig worden en een „ loopampang avertie

NL-HaNA_1.04.02_3364_0073 view scan ↗

English

103 Java's East Coast, the 1. April 1772 developing an aversion to the unhealthy Balemboangang, most of them desert, I shall therefore hesitate no longer, but both for the aforementioned reasons and the uncertainty of when Your High Nobilities will be able to send European soldiers hither, grant Lieutenant Heinrich authorization to proceed with the expedition, under this special condition however, if he, together with the officers accompanying him, after a preliminary, accurate investigation of the enemies' actual condition and strength, deems the Company's force sufficient for their subjugation. I hope that Your High Nobilities will be pleased to approve my intention in this matter, while I take the liberty with the greatest submission and respect to call myself, underneath stood, High Noble, Severe, Highly Honorable Lord and Right Noble Lord, lower, Your High Nobilities' most humble and most obliged servant, was signed, J. R. van der Burgh, in the margin, Samarang primo April 1772. P.S. I also have the honor to present to Your High Nobilities, under Lit. I, an account from the sailor Matthijs Alberts, who arrived here today, who, having been stranded on Baly with a Balemboang cruising prahu Mayang, was sent hither by Gustij Moera Djambi at Baly Badong, with a letter, the translation of which under Lit. G accompanies this, and because he asks me for some powder and lead, item a golden pondok, and seems to intend to retain the vessel itself with the remaining crew until he receives that, I request Your High Nobilities' authorization, and at the same time to be allowed to know how much powder and lead I shall send him. One after the other I have received your separate letters of the 16th and 17th of this month, and alongside the latter also a letter from Pangerang Mancoenagara, added hereto in copy translation for your speculation and information, and according to which one would have to conclude that he is not ill-disposed, but the contrary being probable from other circumstances, this must, as I already wrote in my most recent of the 16th of this month, to which to my surprise I have not yet received an answer, redouble your attention to get to the bottom of the matter. The expressions of goodwill made by the Emperor are pleasing to me, but I am surprised that you do not report to me whether the ruler is putting himself in a state of defense or not. The Chief Lapro not only assures me, as the enclosed extracts from his letters show, of the Sultan's good thoughts regarding the Company and that all is in quiet rest and peace in Djocjocarta, but also reports to me that the Crown Prince was present in person at the bazaar festival at his house and Pangerang Aria Koeljoema dudio is actually ill. Copy of a letter from the undersigned to the Soeracarta Chief Straalendorff, dated Samarang, the 20th of March 1772. Java's East Coast, the 1. April 1772 Copy 105 Java's East Coast, the 1. April 1772. Java's East Coast, the 1. April 1772. The Pangerang Mancoenagara, as appears from the extract letter previously sent to you, has requested of me that the Emperor lease to him the villages of Paudjerlan and Pamarden in the same manner as Baijoemaas, that is in my view as wedono, and the district of Kamagettan, and not as you erroneously call it Kamangentang. I cannot think that he would ask for land from the Sultan, and therefore you must inquire further into that district, or otherwise sound out the Pangerang indirectly as to what he actually means. It might well be that some of the Sultan's grandees are colluding with the Prince, but that this ruler should agree with him does not appear likely to me, as their mutual hatred is too great to be thus quietly reconciled. I would sooner believe that this hatred and his unruliness are great enough even to make an attempt against the Emperor, in the hope that if it succeeds, he would be better able to take revenge on the Sultan; but whatever the case may be, the greatest attention and vigilance remains recommended to you. While on your question whether, if the Prince misleads you, shortly after the dispatch of my most recent letter of yesterday, I received your separate letter of the 19th of this month, in reply to which, being very fearful that the Prince's assurances are not sincere and well-meaning, to attack him with the Emperor's assistance, it serves that you should rather try to persuade the ruler alone to do so, and above all beware of being the sole or the first aggressor, but being attacked, to repel force with force, and for that purpose both to request the ruler's help and in the opposite case, that is if the Pangerang attacks the Emperor, to render it to the latter. The Second Resident of Rhyn left yesterday, and a cannoneer along with three gunners have also already departed for Cotty, while I have also sent you 1000 lb of gunpowder, and await word as to what further you lack. The commissioners in Bagaleen and Kadoe complain terribly about quibbles and opposition from the Emperor's chiefs, and also about their sluggishness; against both of these, you must try to have the Administrator of the Realm provide a remedy. After greetings, I remain, underneath stood, Your good friend, was signed, J. R. van der Burgh. Ad idem, dated the 21st of this month.

Dutch transcription

103 Iavas oost Cust den 1. April 1772 aversie tegens het ongezonde Balem boangang krygende, meest verloop, Jk zal dan ook nu niet langer draalen, maar zo om de voorm: reedenen, als de onzeekerheid wanneer Uwer hoog Edelheeden in staat zullen weezen Europeesche Militairen her„ „waards te zenden, den Luytenant Heinrich qualificatie geven, om de expeditie door te zetten, onder deeze Speciaale bepaling egter, indien hy met zyne by hebbende officieren, na een voor afte gaen naauwkeurig onderzoek van de vijanden wezendlijke toestaad en sterkte, sComp:s magt ter hunner overmeestering toereykende oordeeld. Ik hoope dat uwer hoog Edelheede myn voorneemen hier toe zullen gelieven te approbeeren, terwyl ik de vryheid gebruijkt met de meeste onderdanighijd en Eerbied mij te noemen /:onderstond/ Hoog Edel gestr: Groot Agtb: Heer en welEdele Hleer . / lager/ uwer hoog Edel„ „heeden oodmoedigte en aller verpligtshe Dienaar /was getekend/ I. R. van der Burgh /in margine/ Samarang primo april 1772 P. S. Ik heb de eere uw hoog Edelheede ook nog, onder L„a I. aan te bied, een Relaas van den heede hier aangekomen matroos Matthijs Alberts, die met een Balemboangsche kruys praeuw Mayang op Baly gettrand zynde, door Gustij Moera Djambi te Baly Badong, met een Brief, welkes Translaat onder L„a G. deezen verzeld, herwaards gezonden is, en dewyl hy my om wat kruijd en Lood, item een gouden pondok verzoek en het Vaartuig zelfs met de overige Manschappen zolange tot hy dat ontvangt, schynt te willen aanhouden, verzoeke ik uw hoogEdelheden qualificatie, en teffens te moogen weeten, hoe veel kruy den Loot ik hen zende zal. Na den andere heb ik ontvangen uwe aparte van den 16 en 17 deeze en nevens de laatte ook een brief van Pangerang Mancoenagara, in Copia translaat deezen tot uwE speculatie en narigt bijgevoegd, en volgens dewelke men zoude moeten opmaken, dat hy niets quaads gezued is, dogegter het Contrarie uijt andere omstandigheeden waarscheijnliyk zijnde, moet dit, gelijk ik al bij mijne Jongste van den 16 deezer aangetchr:, dan waar op ik tot myn verwondering nog geen andwoord ontvangen hebbe, uwe attentie verdubbelen om agter het weezendlyke der zaak te komen. — De betuiginge van welmeenendheid die den keijzer gedaan heeft, zyn mijn aangenaam, maar ik verwondere wij, dat uur my niet meld, of den vorst zig in staat van tegenweer steld of niet. Het opperhoofd Lapro verzeekerd my niet alleen, invoegen de neevensleggende Extracten uijt Copia Brief van den ondergetekende aan het Soura cartas opperhoofd Straalen. „dorff gedateerd Samarang den 20 Maart 1772. Iavas oost Cust den 1. April 1772 Copia t zyne 105 Javas oost cust den 1. April 1772. Iavas oost cust den 1. April 1772. zijne Brieven aantoonen, van Sulthans goede gedagten omtrend de Comp: en dat te Djoosocarta alles in stillen rust en vreede is, maar meld my ook, dat de kroonprins nog in perzoon op het feest Bazaar aan zyn huijs geweest en Pangerang Ariai Coeljoema dudio axtueel ziekis. De Pangerang Mancoenagara, heeft my blykens het uwE by vorige toegezonden Extract brief, verzogt, dat de keyzer hem de negorije Paudjerlan en Pamarden invoegen als Baijoemaas, dat is na myn gedagte als wedono, en het district kama„ „gettan /: in niet zo als uE het abutie noemt kamangentang:/ in pagt overliet. Ik kan niet denken, dat hy land van de Sulthan zoude vrage en daarom moet uE zig naar dat district vader informeeren, of anders den Pangerang van ter zijde poltzen wat hij eijgentlijk meend,. blet zoude wel kunnen zijn dat er eenige van des sultans proten„ met den Prins Heulen, maar dat die vorst met hem eens zoude zyn komt my niet apparent voor, dewyl hunne laatte groot tegens elkander is, om dus in stilte te verzoenen. Ik zoude eer gelooven dat die haat en zyne ondrukbaarheid groot genoege, om zelfs een aanslag op den keyzer te maaken, in hoope dat als die gelukt hy te beter in staat zoude weezen, zig op de sulthan te wreeken; dog wat 'er ook van zy, is en blyft uwE de meeste attentie en waakzaamheid aangerecommandeerd, terwyl op uE vrage om als den Prins uuE misleid, hem kort na de afzending myner Iongste van gitteren, heb ik ontvangen uwE aparte van den 19 deezer waar op is, dat ik zeer bedugt weezende, dat der princen betuiginge niet opregt en welmeenend zyn, waar eer gelove met keyzers bijstand te attacqueeren, diend dat uwE liever den vorst alleen daar toe moet tragten te persucadeeren, en zig voor al wagten van alleen of de eerste aggresseur te zyn, dog geattacqueerd wordende geweld met geweld te keeren en daar toe zo wel- des vorsten hulpe te versoeken als die in het tegen overgestelde; dat is als den Pangerang den keijzer aan„ „tast aan den laatsten te bewijzen. Den tweede Resident van Bhyn is gisteren en Een Canonier nevens drie Bosscheeters zijn meede reeds na cotty vertrocken, terwyl ik uwE ook toegezonden hebbe 1000 lb buskruyt, mitsgaders wagte te weeten wat UE verder manqueerd. De Commissianten in de Bagaleen en kadoe klagen schrickelyk over hairkloveryen en tegenstribbelinge van skey„ „sers hoofden en ook over hunne traagheid, tegen het een en ander, moet UE door de Ryxbesteerder tragte te latenvoorzien Ik Eelyve na groete /:onderstond:/ UE goede vriend /:was geteekend:/ I. R. van der Burgh Adidem gedateerd de 21 deezer. met dat

NL-HaNA_1.04.02_3364_0075 view scan ↗

English

Java's East Coast, 1 April 1772. Java's East Coast, 1 April 1772. that he avails himself thereof in order to gain time, Your Honour must likewise not acquiesce in this. If, as was my opinion, each prince covers his own territory, this can surely for the present, or until one sees what turn the matter takes, take place without an agreement between the two. I hope that Your Honour's report by your letters of the 13th and 16th instant, namely that the Emperor assented to the request of Mancoenagara concerning the villages in question, was not given too hastily, for by the prince's letter accompanying this in copy, it seems that he still reserves this to himself. On the basis of those first reports I gave the Prince great hope, and if that does not now succeed, while he otherwise wished to accommodate himself, that will cause new difficulties. Your Honour must also carefully guard against promising him anything without my knowledge, and above all not the daughter of the former Regent of Paccalongang, whom he did not even ask for, but indeed the 200 Spanish reals that the Sultan had promised him annually for her, but is said not to have paid in eight years. That the Sultan, upon the first report of Pangeran Aria Koesoemo Yado's ill will, had not only him, but even also his wife and children seized and imprisoned, has been communicated to Your Honour by Chief Lapro. I do not doubt that Your Honour will directly have given notice thereof to the Emperor, and if it can happen peacefully, the Prince may well be advised to act in like manner; for if he leaves the ill-intentioned time and freedom to absent themselves from his court, the consequences will be disagreeable. Wherewith, after greetings, I remain, Your Honour's good friend, was signed: J. R. van der Burg. Below stood: Agrees, was signed: J. R. van der Burgh. Extract from a letter from the Captain and First Resident at Soeracarta, Frederik Lodewyk van Stralendorf, to the undersigned, dated 26 March 1772. With much submission I have received Your Right Honourable's separate letters of the 20th and 21st current, together with enclosed copy translation of the Emperor and extracts from Pangeran Mancoenagara and from Chief Lapro, for which I offer my most humble thanks. Your Right Honourable may rest assured that I shall employ all means, as I have already put into operation, to arrive at the truth of the matter, sparing no expense therein. The Emperor keeps good guard, and has several pickets posted by night outside this place on the heights of Sebres, being the passage to the Mataram, Cadewangen, and Laroh, who must pay close attention to everything. From my emissaries to the Pranaraga, Wirosobbo, and Cadiri districts, there to investigate all that can be found in that region regarding the ill-disposed, I have as yet no news; they departed from here on the 28th of the past month. Chief Lapro has given me notice of the arrest of Pangeran Aria Koesoemo Yoedo, of which I have given notice to Raden Adipati Sasradiningrat to inform the Emperor; that the chiefs from here should have plotted an evil design with Pangeran Adipati cannot yet be proved; thus it is that the Emperor cannot yet have them arrested, before he has properly investigated the matter, whether these people are guilty thereof; I cannot well believe it of Tumenggung Oerangbieang, as he has always shown himself to be a faithful servant in the most distressing times of war. Four days ago I discovered a great falsehood; it had been firmly stated to me that Joso Panauwang, the favourite of Pangeran Adipati, had already departed for Balamboangan with 200 armed men. Of this saying I gave notice to Raden Adipati Sasradiningrat with the request to direct the Mantjanagara chiefs of Pranaraga, Cadiri, and Wirosobbo as quickly as possible, if the said Joso Panauwang should arrive with so many people intending to pass through the lands towards the Malang region or its surroundings, not to let him through, to oppose him, and to make him turn back again. Of this report I wished first to be assured of the authenticity before I brought it to Your Right Honourable's knowledge; after careful investigation I have found that it is devoid of truth, for the said Joso Panauwang is at his houses, and has not set foot from here, also being under oath to the Honourable Company and also having proof thereof; that now in his old age and good rest he should oppose the Honourable Company cannot well be believed.

Dutch transcription

102 Iavas oost Cust den 1. April 1772. Iavas oostCust den 1 April 1772. dat hy zig daar van bediend, om tyd te winnen, uwE over„ „zulx daar in ook niet berusten moet. - Als gelyk myn meening was ieder vorst zyn eygen land dekt, kan dat immers voor eerst, of tot men Liet wat keer de zaak neemen, geschieden, zonder overeenkomst tusschen beide. Ik hoop niet dat uE berigt zy brieven van den 13en 16 dezer, dat namelyk den keyzer bewilligde in het verzoek van Manroe„ „nagara, om de bewuste Negorijen, te voorbearig gegeven is, immiers by des vorsten deezen in Copia verzellende brief, schijnt dat hy zulx nog aan zig reserveerd. Ik heb op fuudament van die eerste berigten den Prins groote Hoop gegeven, en als dat nu niet retisseere, zal als hy anders zig wilde schicken dat nieuw moeyelikheede geen. ook moet UE zig zoogvuldig wagten van hem iets buyten myn weeten te beloven en voor al niet de dogter van den geweezen Paccalongangs Regent, die hy zelfs niet eens gevraagd heeft, maar wel de 200 pp„s reaalen die den sulthan hem sjaarlyks voor haar beloofd dog in agt Iaaren niet betaald zoude hebben, Dat den sulthan op het eerste Berigt van Pangerang Aria Coedoema Tados- quaad gezendheid niet alleen hem, waar zelfs ook zyn vrouw en kindere heeft laten op vatten en gevangen zetten, is uwr door het opperhoofd zapro dieert bedeeld. ik twyffele niet of uwE zult den keyzer daar van Het veel submissie zeb ontvangen uwelEd agtb: apartens van den 20 en 21 Courant neevens in Clasa Copia Translaat van den keijzer en Extracten van den pange„ „rang Mancoenagara en van het opperhoofd Lapro daar voor myn zeer needrige dankbetuiging; UwelEd Agtb: kond zyn verzeekerd houden, dat alle middelen zal aanwenden, zo als reeds heb ik het werk gesteld, Extract uyt een Brief van den Capitain en eerste Resident te Soeracarta frederik Lodewyk van Stralendorf aan den ondergeteekende, gedateerd den 26 Maart direct hebben kennisse gegeeven en als het in het vrieedelyke getcheeden kan, mag den vorst wel aangeraaden worde, in zelfdoo„ „voegen te handeli: want als hy de qualijk geintentioneerde tijd en vrijheid laat, zig van zyn hoff absent te maaken zullen de gevolge onaangenamen zyn. waar meede na groete blyve /onderstond/ uw E goede vriend /: wat geteekend I. R. v. der Burg /onderstond:/ Accordeert /was getekend:/ I. R. van der Burgh. direct 1712. e 109 Javas oost cust den 1 April 1772: Iavas oost Cust den 1: April 1772. om agter het waare van de zaak te komen, daar aan geen kotten en spaar. Den keyzer houd goede wagt, laat, verscheyden Pioguets by den nagt uijtzetten, buyten deeze plaats op de hoogte van sebres, zynde depassagie naar de Mattesse, Cadewangen Laro, die op alles goede agt moeten geeven. Myne sendelinge naar het Pranaragesche, wier obsobbede en Cadierische, daar alles te onderzoeken wat men en dat gewest van quaad gezinden vinden, heb nog geene tijding, zy zyn den 28 der Iongst verweekende maand van hier vertrocken. Het opperhoofd Lapro heeft mijn kennis gegeeven van het arresteeren der Pangerang Aria kosoumo zoudo, daar van hebben aan het Radeen Dipatty Pasfra Diningrat kennisse gedaan om den keyzer te verwettige, de hoofdens zo van hier met den Pangerang Dipattij een kwaad oogmerk zoude gesmeet hebben, kan men nog niet bewyzen; zo is 't dat de keijzer hun nog niet kan doen arresteeren, voor al eer de zaake regt onderzogt hebbe, of zij lieden, daar aan schuldig zijn, kan het van den Tommongong oe„ „rangbieang niet wel geloven, hy althoos in de benauw„ „ste oorlogttijde een trouw Dienaar betoond heeft te weere, vleeden over vier dagen ontwaarden een groote on„ „waarheid, hat was, my voor vatt getegt dat Joso Pa„ „rauwang de lieveling van den Pangerang Dipatty reeds met 200 gewapende Manne naar Balemboan„ „gang waaren vertrokken van dit gezegde heb aan den Radeen Depatty Saffia Denengrat kennis gegeeven met verzoek ten alles poedigste aan de Mantjonagarasche, Hoofde van Pranaraga, Cadirie en werosobbo te gelatten als gemelde hoso Panauwang met zo veele volkeren; aankwam om door de landen naar het Malansche of daar omttreek te willen passeeren, niet door te laten hem daar tegen aan te kanten en weder te rug te doen keeren, van dit rapport wilde ik voor af van de egtheid verzekert weezn, eer ik uwelEd agtb: ter kennisse bragt, na naauwkeurig onderzoek heb bevonde, dat van de waar„ „heid ontbloot zij, want gemelde Jos Panauwang is tot zijne bluijzen, en heeft geen voet hier van daar geweest, meede onder Eede van d EComp: staande, en ook een bewijs daar van heeft, nu op zyne oude daagen en goede rust tegens d'E Comp:e aante kanten, kan niet wel geloofd worden, meede ook

NL-HaNA_1.04.02_3364_0077 view scan ↗

English

114 Java's East Coast the 1. April 1772. Java's East Coast the 1. April 1712 also came to me the day after, to ask for some pocket money, which he often does; the prince has no more than his ordinary people here, no evil suspicion is perceived, so this makes me hope that all great rumors, after an exact investigation, will be found devoid of all truth and, dissipating like smoke, will be nothing other than a rabble's invention. To Your Right Honorable's letter of the 16th I have answered in mine of the 19th; today I have spoken again with His Majesty about Panjerlan, Pamorde, which His Highness in his letter indicated he wished to speak about upon the arrival of Your Right Honorable at the court; that Your Right Honorable trusted in His Highness, giving good hope to the unquiet Pangerang Depatty Mankonagarra. His Majesty was pleased to say, the reason that I wished to consult beforehand with the Noble Lord Governor about this, is that the Pangerang Depatty is already so formidable at present, and now to obtain yet another such large district in addition, this would double his forces, and not only this Pornet, but subsequently more again; about this the Emperor would gladly confer beforehand with Your Right Honorable. Samagettan, this district belongs to the Sultan; it lies at the foot of Mount Lawo towards the Pranarogo area; the Pangerang Dipatty formerly had the said district in lease from the Sultan; upon the taking away of Ratoe Bendoro, this district was also taken back; he requests to be allowed to obtain it again in lease from Your Right Honorable, from which it appears that his anger at the Sultan is somewhat diminished; concerning the daughter of the former Regent of Paccalongang, I have said nothing about that to the Prince, who is also unaware of it, but only wished to bring it to the knowledge of Your Right Honorable; I have seen Pangerang Prabo, who expressed that if Your Right Honorable could manage it, much friendship would be done to the Pangerang Depatty; to which I answered, not doubting that Your Right Honorable would endeavor to meet the Pangerang Dipatty in everything that was possible, and that 143 Java's East Coast the 1. April 1772. From Java's East Coast the 1: April 1772. one could firmly rely upon it. I shall not fail to effect with the Emperor that His Highness again issues exact orders to his Eastern Mantjoenagara Regents to occupy all passages to Malang, so that no people can come to that region; those lands on the south side, through which one can also come to the said Malang and Balemboangang, are under the Sultan, such as the district of Rawo, bordering directly on it. /at the bottom was/ Agreed /:was signed:/ I: R: van den Burgh. I have duly received your separate letters of the 16: 18: and 19: of this month, the last one yesterday evening, and taking satisfaction in the manner in which you have carried out your inquiries to discover the conspiracy in question, I await the result thereof with great longing, and at the same time not only is the repeated assurance that you give of the Sultan's goodwill toward and concerning the Company agreeable to me, but I consider the apprehension of Pangerang Aria Coessoemo Iudo as proof thereof. When the translator Boltze, whom I cannot spare at present and have therefore recalled from his commission, arrives here, I shall write to the monarch; the said Pangerang being likely to have knowledge of who else has a part in the planned treason, and where their objectives tend, you should persuade the monarch, in case he does not confess the matter voluntarily, to persuade him thereto by harsh means. I hope that a speedy recovery from the fever will fully enable you to make all necessary searches and do whatever ought to be done under these circumstances. Copy of a letter from the undersigned to the Djocjocarta resident Lapro, dated Samarang the 21:st March 1772. Copy of a letter

Dutch transcription

114 Iavas oost Cus de 1. April 1772. Javas Oost Cust den 1. April 1712 ook daags daar na by myn geweest, om eenig zak geld te vragen, dat hy dikmaalen doet; Den prins heeft niet meer als zyn ordinaire volkeren, hier, men baspierit geen quaat vermoeden, Dus doet myn hoopen dat alle groten gerugten naar een exact onderzoek van alle waarheede versteeke zulle werde en als en rook verdrymen niet anders dan een kramans uijtstrooyzel zal weere. Op uwelEd Agtb: van den 16 hebbe in de mijne van den 19 beandwoord heeden heb zyne Majesteid nogmaals onderhouden over Panserlan, Pamorde dat zyn Hoogheid in deszelfs brief te kennen gaf, met de komst van uwelEd agtb: ten slooven daar over te spreeken, dat uwelEd Agtb: op zyn Hoogheid vertrouwde, ongerust aan den Pangerang Depatty Mankonagarra goede hoope geee„ zyn Majesteed behaagden te zegge, de reedene dat ik met de Edelen Heer Gouverneeve voor aff, daar over wilde raadpleege, tegenwoordig den Pangerang Depatty al zo bedugt, nu nog zo een groot Landschap daar by te bekoomen, dit zyne kragte zoude verdubbelen en niet deeze Pornet alleen, maar in het vervolg alweeder meer, over deezes wilde den keyzer gaarn vooraf met uwelEdele agtbare handelen. Samagettan dit district behoort den Sulthan, het legt ten votten den berg Lawo naar het Pranaragsche, gemeld district heeft de Pangerang Dipatty voor deezen van den sulthan in pagt gehad, met het afneemen van de Ratoe Bendoro, ook dit district wederge„ „nomen, verzoekt het, van uwelEd agtb: weeder in pagt te moge bekomen, waar uyt komt te blyken dat zyne quaadheid op den Sulthan eenigzints is verminderd, over de Dogter van den bevorens geweezene Regent te Paccalongang daar van heb aan den Prins niets gezegt, ook onkundig daar van, maar alleen aan uwelEd Agtb: willen ter kennisse brengen, ik gezien van den Pangerang Prabo, die zig uytliet, als uwelEd Agtb: het kotten bewerken, den Pangerang Depatty veele vriendschap zoude geschieden, daar op ik andwoorden niet tuyffelende of uwelEd Agtb: zouden tragten, den Pangerang Dipatty alles wat mogelijk te gemoed zoude komen, en daar 7/88 le O meer 143 Javas oost Cust den 1. April 1772. Van Iavas oost Cust den 1: April 1772. op vast konde vertrouwen zal niet in gebreeke blyven van by den key„ „zer te bewerk dat zijn Hoogheid nogmaals Exaate ordres aan zyn Oostersche Mantjoenagarasche Regenten af doet gaan, om alle Passagien naar Malang te bezetten, dat geen volkeren, naar die streek konnen koom die aan de zuydzeijden Lande, daar men ook naar gemelde Malang en Balemboangang konnen komen staan onder de sulthan, als het Landschap Rawo, daar naast aangren„ „senden. /onderstond/ Accordeert /: was getekend:/ I: R: van den Burgh. Ik heb uwE: aparte van den 16: 18: en 19: deezer, de Laatste gisteren avond, wel ontvangen, en genoegen nemende in de wijze op dewelke uwE: dezelvs perquesitien, om agter het bewuste ver„ „raad te komen, hebt te werk gesteld, wagte ik met groot ver„ langen den uijtslag daar van af, en is mij teffens niet alleen aangenaam de herhaalde verseekering die uwE: van des sulthans welmenendheid, voor en omtrend de Compagnie geeft, maar ik houde de opvatting van Pangerang Aria Coessoemo Iudo, als Een bewijs daar van - Als den Translateur Boltze, die ik thans niet ontbeeren kan, en daarom uit Commissie opgeroepen hebbe, hier is, zal ik den vorst schrijven, opgemelden Pangerang waarschijnelijk kennisse draagende wie al deel in het ont„ worpen verraard heeft, en waar henen hunne oogmerken. strekken, diend uwE: den vorst over te haalen om indien hij niet vrijwillig de zaak bekend, hem door harde middelen daar toe te persuadeeren. Jk hoope dat Eene spoedige herstelling van de koortze uwEd: tot het doen van alle nodige rechergie, en wat in dese omstandigheden diend gedaan, ten vollen in staat stellen zal. Copia Briev van den onder„ geteekende Aan het Djocjocartas opperhoofd Lapro, gedateerd Samarang den 21:e Maart Copia brief Wat 1772

NL-HaNA_1.04.02_3364_0079 view scan ↗

English

From Java's North-East Coast, the 1st of April 1772 From Java's North-East Coast, the 1st of April 1772. What rumors are circulating in Souracarta concerning the Mataram crown prince appears from the enclosed extract of a letter from the Resident Straalendorf dated the 17th of this month, while in an earlier letter of the preceding day he gives the reasons that make him apprehensive that even the Sultan, or perhaps his entrusted ministers who act in the ruler's name, might be in league with Mancoenagara; and regarding that, your Honor should conduct the most meticulous investigation. The small boat for the Sultan I will have brought to Djipan. The proof that your Honor cites for this is not valid in this case; the artillery was and remained the Company's, and this small vessel is a present for the ruler. The Commissioners in the Bagaleen and Cadoe complain in writing about hairsplitting and obstructions, now from this side and then from that side, and also about the sluggishness of the ruler's emissaries. If other matters do not advise against it, your Honor must endeavor through the Prime Minister to have this provided for by order. A few days ago I wrote to Pangerang Mancoenagara. His answer, enclosed herewith in copy, contains assurances of goodwill and attachment to the Company, upon which, however, I do not rely without conviction. What he states therein yet again regarding the daughter of the former Regent of Paccalongang should also be investigated by your Honor on this occasion. With which, after greetings, I remain, underneath was written: Your Honor's good friend, signed: J. R. van der Burgh. Regarding the same, dated the 24th of March 1772: With reference to my latest of the 21st, this serves in reply to your Honor's separate letter of the 22nd of this month, that I expect further reports from your Honor by the first opportunity as to whether the circulated reports concerning the evil designs of Pangerang Mancoenagara and his adherence deserve credit, in order to then be able to shape my further measures accordingly. If Pangerang Coesoemo Iudo can be further convicted of being a follower of the aforementioned prince, I believe it is not only advisable for his punishment and as a deterrent to others, but that the ruler's safety itself depends upon his being handed over to the Company for banishment to Ceilon. With which, after greetings, I remain, underneath was written: Your Honor's good friend, signed: J. R. van der Burgh. Underneath was written: Agrees. Signed: J. R. van der Burgh. Copy of a letter from the Resident of Djocjocarta, Jan Lapro, to the undersigned, dated the 19th of March 1772. I have just come from the Sultan, where, upon discovering the ill-disposition of Pangerang Aria Coessoemo Iudo, which first came to my ears this night, I went thither, and the ruler has had the goodness to have the said prince, along with his wife and children, arrested immediately and imprisoned in the so-called zoen joro. The audience was most amicable, and the Sultan gave me satisfactory proof and declarations of his attachment to the Honorable Company. Radeen Rongo has orders to hold himself ready to depart for Martjanagares at the first command. Of the further rumors regarding Mankoenagara, I have not yet heard anything further. Exhausted by the fever, I am unable to be more detailed, and will only add here that, as far as is known to us to this day, no others of the Sultan's grandees participate in the disputed conspiracy. As soon as I feel any relief, I shall dutifully write to your Honor in detail. Therefore, permit me to break off this letter, with the declaration of the greatest veneration, always to be.

Dutch transcription

115 Van Iavas oost Cust den 1. April 1772 Van Javasoost Cust den 1. April 1772. Wat gerugten 'erte souracarta lopen van Mattarmsche kroonprins, blijkt bij inleggend Extract uit Een briev van het opperhoofd Straalendorf de dato 17: dezer, terwijl hij bij een vroegere van 's daags bevoorens de reden op-geeft, die hem doen ¶ het met Mancoenagara eens zoude zijn, het kunnen beducht zijn, dat zelfs den Sulthans, ook wel zijn beruste staets dienaaren, die uijt vorsten naam ageeren weezen en daar na zal uwE: het nauwkeurigste onderzoek die„ nen te doen, Het schuijtje voor den sulthan, zal ik naar djipan laaten brengen het bewijs dat uwE: daar toe allegueerd valideerd. in deesen niet, het geschut was en bleef Compagnies, en dit vaartuigje is een present voor den vorst. De Commisianten in de Bagaleen en Cadoe klagen schriftelijk over hair kloverijen en tegenstribbelingen dan van dese en dan van geene zijde, en ook over de traagheid der vorsten sendelingen, als andere zaaken het niet afraaden moet uwE: tragten door den Rijksbestierder daar in te lasten voorzien Ik heb voor Eenige dagen aan Pangerang Mancoe„ nagara geschreeven, zijn antwoord in Copia deesen bij ge„ voegd „ behelds verseekeringen van welmenendheid en attachement aan de Compagnie, doch waar op ik zonder overtuiging niet fieere. Het geene hij daar bij alweder van de dochter van Paccalongangsch geweesen Regent Waar meede naar groete blijve /:onderstond:/ uwE: goede vriend Ondert refert tot mijn jongste van den 21: diend op uw E: aparte van den 22: dezer, dat ik per Eersten nadere berigten van uwE: ver„ wagten van de gespargeerde berigten, omtrend de kwaade dessei„ nen van Pangerang Mancoenagara, en zijn aanhang geloof meriteerd, om dan daar na ook mijne verdere maatregulen te kunnen Schoeijen,. Als Pangerang Coesoemo Iudo nader kan wor„ den overtuigd van Een aanhangeling van opgemelden prins te zijn, meen ik dat het niet alleen raadsaam is hem ter straffe en andere afschrift, maar dat zelvs vorsten vei„ „ligheid er aan gelegenlegd, dat hij aan de Compagnie ter verbaning naar Ceilon worde overgegeven; Adidem Gedateerd den 24 opgeeft diend uwE: bij deese geleegentheid ook te onderzoeken waar mede naar groete blijve /:onderstond:/ uw E: goede vriend: /was geteekend:/ I: R: van der Burgh, opgeeft was Maart 1772:; Van Iavas oost Cust den Van Iavas oost cust den /was geteekend:/ I: R: van Der Burgh. /onderstond/ Accordeerd /was geteekend/ I: R: van Der Burgh zoo koome van den sulthan, alwaar op Converie van Pangerang Aria Coessoemo Iudo quaadgezindheid, mij deese nagt Eerst ter ooren gekoomen, ben na toegeweest, en de vorst heeft de goedheid gehad, gezegde prins met zijn vrouw en kinderen terstont te laaten opvatten, en in de zoo genaamde zoen joro gevangen te zetten, de audentie is aller minzaamt ge weest, en den sulthan heeft van zijn attachement voor d'E: Comp: mij de satesfactie preuve en betuigingen gegeeven, Radeen Rongo heeft ordre zich gereet te houden, om op Eerste ordre na Martjanagares te ververtrekken, van de verdere geruchten omtrent Mankoenagara hebbe noch niet nader vernoemen, afge„ „buijten „mat door de koortse, ben ik „ staat & omstandiger te weezen zul„ „dende Eenlijk hier noch bijvoegen, dat zoo verre ons tot heeden be„ wust is, geene andere van sulthan groote in de bewriste conspiratie participeeren, zoo dra Eenige verligting gevoele zal uwel Edele Agtb: schuldpligting omstandig schrijven, vergun mij dierhalven deese aftebreeken onder betuiging meeste veneratie altoos te Copia Briev van het opperhoofd Djocjo carta Jan Lapro Aan den ondergeteekende, gedateerd den 19:e Maart 1772. zullen 117

NL-HaNA_1.04.02_3364_0081 view scan ↗

English

119 From Java's East Coast, 1 April 1772. From Java's East Coast, 1 April 1772. shall be. Below was written: Ordinary title. Was signed: Jan Lapro. In the margin was written: Djocjocarta, 19 March 1772. P.S. Mr. Stralendorff gives immediate notice of the apprehension of Pang. Coessoemo Iudo. Extract from a letter from the just-mentioned chief to the undersigned, dated 22 March, Anno 1772. Before I report in this submission the reasons that moved me to complaints about Pangerang Aria Coessoemo Iudo, I shall trace the matter from somewhat further back. On the night between 22 and 23 February last, 16 of my slaves having run away, I immediately sent various native attendants inland to search for them, and one of them returned on the 25th, and reported to me having learned that the said Prince had absented himself in secret from the court. I sent directly to the prime minister to inquire about it, and had my own people investigate it as well, and learned that the said Pangerang was in his residence. Having since received your Right Honorable's revered letters with the copy of the letter from Mr. Stralendorff, I again had inquiries made after Coessoemo Iudo, and sent someone to him under pretext with some merchandise, of which he bought a piece of chintz. Later I sent the Surabayan Ingabey Derpowongso directly to him to inquire after his health. He sent word that he was ailing severely, and requested some butter and bread, which I sent to him. Since then, on the 18th of this month, one of my emissaries returned again, who reported to me that close to Pasar Koripan, near Surakarta, he had met Coessoemo Iudo, very poorly dressed, having with him only a panakawan with a small boy, and also that he had learned from villagers that the prince had been with the Surakarta pangerang Mankanagara, who was said to have ordered him to return back here again, but to hold himself in readiness with the upcoming new moon of Suro to go from here in secret to Cadoeang, where he would receive 50 armed Javanese on horseback under his command. The night thereafter, I received a report from a fellow of Coessoemo Judo, whom I have bribed, that the said prince had already been away from home for 5 days, and was now making preparations to go on a journey. All this made me resolve to go speak to the Sultan himself, and try to persuade him to forestall that Pangerang in his evil designs and have him apprehended. When the day before yesterday Danoeridja came to my house, he was able to tell me that some emissaries of Tumenggung Sindoeradja had seen Pangerang Coessoemo Judo at the village of Sawel near Solo, and had obtained almost identical reports of his designs as my people. This strengthened me even more in the intention to speak to the ruler, so I requested an audience, and precisely at noon the ruler sent to fetch me. After I had related to him in substance the foregoing, the Sultan said, I truly believe that to be true, for Coessoemo Judo has already tried to absent himself twice, and each time was fortunately brought back. He makes himself unworthy of my favor, and I will ensure that he will not be able to do any harm. And without it being necessary for me to ask the ruler for it, he gave orders of his own accord to Raden Ronggo and Sindoeridja to immediately send the court mantris with the court messengers Mangun Rono and Mangun Iudo to the residence of that Pangerang, to apprehend him and lock him in the roenjoro, and to bring his wife and children into the kraton. While this was taking place, I remained alone with Danoeridja with the ruler, and then I related to him the matters mentioned in the report of the attendant Morto. The Sultan declared that he did not know any of the Pangerangs nor Radens mentioned therein, and said that neither his nor the Emperor's Mankanagaran lands could supply even 3, let alone 13000 armed men; that he did not believe, however, that such a large number of people would be assembled together; nevertheless, he deemed it utmost necessary to nip all movements in the bud, and if Mankoenagara was ill-disposed, then to resist him immediately with all vigor. For which reason he deemed it advisable that the Company's forces be held in readiness so that, if Raden Ronggo, who in the meantime had come back inside with Sindoeridja, might not be strong enough to turn back the rebels, he could be assisted with coastal peoples and Europeans. He ordered Raden Ronggo to hold himself in readiness to depart for the Mancanagaras upon first orders, and instructed Danoeridja and Sindoeridja to send out spies to obtain reliable information regarding the rumors that had been spread. Then the Sultan said further to me, the Honorable Company, the Emperor, and I are of one heart and one mind, and who is there on Java who could thus do us any harm with hope of a good outcome. Mankoenagara can never have fortune or blessing, since he wishes to break his sworn oath. I, for my part, will always remain faithful to the Company. I praised him highly in that intention, and after he had iteratively assured me that he would have a good watch kept and good garrisons placed on the roads, I took my leave and returned home. Yesterday evening my emissary Ongo Troeno returning from the southern mountain range Cadoeang, Laro etc. To the same, dated 26 March 1772: 124

Dutch transcription

119 Van Iava oost Cust den 1. April 1772. Van Iavas oost Cust den 1. April 1772. zullen zijn /onderstond:/ Titul ordinair /:was geteekend:/ Ian Lapro /:ter zeijde stond/ Djocjora carta den 19: Maart 172 / P: S:) de Heer Stralendorff geeve ter stont van het op„ vatten van Pang: coessoemo Iudo kennis Extract uijt Een Briev van Even gemelde opperhoofd, Aan den ondergeteekende gedateerd. 22: Maart A„o 1772. Per ik bij dese submisse de reedenen melde, die mij tot klaehten over Pangerang Aria Coessoema Iudo gemort „reerd hebben, zal ik de zaak van wat hooger ophaalen. Snachts tusschen den 22: en 23: februarij p=o 16: p=s slaven van mij weg geloopen zijnde, zoud ik terstond diverse inland„ „sche oppassers Landwaarts in om hen op te zoeken een dezelve retourneerd den 25:, en bericht mij vernoomen te hebben, gezegde Prins zich in stelte van 't hof geabsenteerd had zond direct na de rijksbestierder, om daar na te inquireeren, en liet door mij hige volk zulk meede navorschen, en vernaam dien Pangerang in zijn wooning was, seederd ontfangen hebbende uwel Edele Agtbare gevene reede Letteren met de Copia brief van de Heer Stralendorf, Liet ik weeder navorsching doen na coessoems Sudo, en zond quarswijze iemant bij hem met Eenige koopwaaren, waar van hij Een stuk Chits kogt, naderland zond ik direct de Surabassa Jngabeij Der powongso bij hem, om na zijn wel stand te verneemen, hij liet weeten zeer te sukkelen, en om wat bo„ ter en brood verzoeken, 't welk hem toezond seederd retourneerd den 18 deezer weder ben mijner uijtgezonden, die mij rapporteerde digt bij passer koripan, na bij Sourakarta, coessomo Iudo ont„ hebbe moet zeer slecht gekleed, en Eenlijk een Panacawang met heen kleijne Iongen bij zich hebbende, als meede dat hij van Negorijs volk vernoomen had, de prins bij den sourakartas pangerang Mankanagara was geweest, die hem zoude gelast hebben weeder herwaarts terug te keeren, doch zich gereet te moeten houden met het aanstaande ligt soero, in stilte van hier naar Cadoeang te gaan, alwaar hij 50 gewaapende Iavaanen te paarde onder zijn gezag zoude krijgen, 'snagts daar op, kreeg ik van eerzige vent van Coessoemo Judo, die ik heb omgekogt, berigt, dien prins reel 5: dagen van huis was geweest, en thans praparatien maakte, om op rieze te gaan. dit alles deed mij de resolutie neemen der Sulthan zelfs te gaan spreeken, en hem trachten te persuadeeren, dien Pangerang in zijne quade dessienen voor„ te koomen en hem te laaten opvatten, wanneer toen Eergister Danoeridja ten mijnen huize quam, wist deese mij te ver„ haalen dat Eenige uitgezondene van Tommongong SindoeRadja Pangerang 6 de Van Iavas oost Cust den 1: April 1772 Van Iavas oost Cust den 1. April 1712 Pangerang Coessoemo judo op de negorij zaewel bij solo gezien, en van zijn dessienen, een bij nagelijkluidens bericht als mijn volk gekreegen Hadden, dit sterkte mij nogh meer inde intentie om den vorst te spreeken, dis liet ik andentie verzoeken en net op de middag liet de vorst mij afhaalen, Na dat ik hem in substantie het vorst voorenstaande ver„ haldhad, haed zeide den sulthan ik gelove wel zulks waar is, want Coessoemo Judo, heeft al twee keeren ziech zoeken te absenteeren, en is telkens gelukkig te rug gekregen, hij maakt zich mijn goed„ doen onwaardig, en ik zal zorgen hij geen quaad zal kunnen doen en zonder dat nodigh was, ik de vorst er om verzoekt, gaf hij uit eige motiven aan Radeen Rongo, en sindoeridja ordre, de dalms mantries met de Hofbodens mangoen Rono en Mangoen= Iudo, terstont naar de wooning van dien Pangerang te zenden, hem op te vatten en in de roenjoro te sluten, en zijn vrouw en kinderen in de craton te brengen: terwijl dit geschiedde, bleef ik met Danoeridja alleen bij de vorst, en toen verhaalde ik hem het gementioneerde in het relaas van den opparsser Morto. den Sulthan betuig degeene Pangerangs noch Radeens daar in genoemd te kennen, en zeide zijne, nochte keizers Mantjanagara's laat geen 3. staasten 13000 gewapende Manschappen zoude kun„ nen afwieren; dat hij echter niet geloofde, zoon groote ge„ tal volk zoude bij een verzaameld weezen; Echter ten hoogsten nodig achte alle beweegingen in de geboorte te smooren, en Sisterevond mijn uitgezondene ongo Troeno, uijt het zuider gebregte cadoeang, Laro N=a reverteerende, neem Adidem gedateerd den 26:e Maart 1772: indien Mankoenagara quaad gezind was, hem dan terstont met alle vigeur te moeten te keer gaan weshalven hij raad„ „zaam oordeelde d's Comp: volk gereed hield, omme Jndien Radeen Rongo, die intusschen met sindoeridja weder was binnen gekoomen, niet strektenoeg mogt weezen de Rebellen te keeren, hem met strandvolkeren en Europeezen te adsis„ teeren, hij gaf radeen Rongo onder zich gereet te moeten houden, om op Eerst order na de Mandjanagaras te vertrek„ zen, en gelaster danoeridja en sindoeridja spions uit te zenden, om zeekere naricht der verspreede geruchten te krijgen; toen zeide den sulthan verder teegens mij, d'E Comp: heeft met zien den keizer en mij Een hart en een zijn en wie is 'er op Java die ons dus met Hoop van goeden uitslag Eenigleet kan doen. Mankoenagara kan nooit geluk noch zeegen hebben alzoo hij zijn gedaane Eed wil verbreeken, ik voor mij zal mij altoos trouw aan de Comp: houden ik prees hem ten hoogsten in dat voorneemen, en na hij mij itarative verzeekerd had goede wagt te zullen laten houden en goede bezetting op de weegen naam ik mijn afscheid en keerde naar huis. indien ik 124

NL-HaNA_1.04.02_3364_0083 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 1st of April 1772. From Java's East Coast the 1st of April 1772. I take the liberty to pass him on under this cover to Your Right Honorable, with the humble request to take a statement from him. His statements, upon which I trust one can rely, differ vastly from the spread reports. He only mentions that two Radens named Dijaijadiningrat and Resso Diepo reside on the Koetoek mountain, and act there as santris and sorcerers, with 20 to 30 men coming to them daily, though unarmed, and returning in the evening to their residence in Cadoeang. In Laro he has perceived nothing that resembles evil, but has learned from people of various villages that Pangerang Aria Caessoemo Joedo was said to have absented himself from the court. At the Passer Manjar belonging to Pangerang Timor, brother of Pangerang Mankoenagara, he lingered a whole morning, but also perceived nothing bad. All this makes me presume the spread rumors are fictitious and untrue, which is also verified by the attached Javanese document, for which I humbly request a translation, being a statement of the spies sent out by Danoeridja on the sultan's orders, who returned this morning and also discovered nothing that would resemble an assembly of warriors. Thus I will still make every effort to obtain information about Pangerang Coessoemo Judo's former intentions, since indeed all reports on his subject are unanimous. The best part is that his apprehension has foiled everything. To assume for certain that he had evil in mind, I cannot yet do, since in other cases I have more often encountered almost universal rumors that the outcome did not substantiate. Copy of statement by the native orderly Ongo Troeno of Djokjocarta at Samarang the 29th of March 1772. The declarant states that he was sent by the gentleman Lapro to the Larose Kadoeang and the Koetoek mountains, in order to learn incognito whether the rumor was true that some enemies were staying there. He had then proceeded from Djokjo via the villages of Poelo Watoe, Repedan, and Manjaram, at which places he had always stayed overnight, directly to the aforesaid mountain range and conducted the most thorough investigation, but had perceived nothing bad there, but rather that the inhabitants were living in good peace. The only thing he had discovered was that two so-called sorcerers resided there, named Raden Djaningrat and Raden Sodipo, who, however, had already lived there for some years, and had only occupied themselves with cultivating rice fields. These men had indeed wanted to teach the commoners, of whom 20 to 30 heads had come to them daily, some magic tricks to make oneself invulnerable, etc., and had also supplied them with remedies for illnesses, but when put to the test their sorceries as well as the curing of illnesses had been of no effect, for which reason the commoners had mocked them and placed not the slightest faith in them, while he had also heard in various places that the Pangerang Soemo Joedo had absented himself from Djokjocarta; without more. Below stood: known to me. Was signed: C. P. Boltze Stard. At the side stood a certain cross, next to which was written: placed by the Javanese Ongo Troeno. Copy of statement made by the messenger Tjokro Dirono, sent by the Regent Danoeridja to the Kadoeang, received at Samarang the 29th of March 1772. From Java's East Coast the 1st of April 1772. The declarant states that he proceeded from Djokjo directly to Tambaijat and subsequently to the desa Sono, on the boundary of Kadoeang, and stayed the night with the Soera Kerto; that leaving there again early in the morning, he arrived at the Kadoeang desa Poetjoek and was lodged there with the Loera Wiro Noijo, who asked him, the declarant, whether he belonged under Djokjo, and whether he could not say how matters stood with Pangerang Soemo Ioedo, especially since the rumor went that the said pangerang had departed from Djokjokarta. The declarant had answered to this that he had not heard the least bit of that matter, as he had not been present at the so-called feast Garebeg, asking meanwhile further of the abovementioned Wiro Noijo, if it was truly so that Pangerang Soemo Ioedo had been disobedient, what then his Raden Tumenggung there

Dutch transcription

123 Van Iavas oost Cust den 1. April 1772 Van Iavas oost Cust den 1. April 1712. ik de vrijheid hem onder geleede deezes tot uwel Edele Agtbare te laten overgaan, met ootmoedig verzoek van hem een relaas te laten afnemen, zijn gezegdens, waar op vertrouwe te kunnen staat maaken, differeeren heemels breette van de uitgestrooide berietten, hij meld eenlijk dat twee Radeens genaamd Dijaija„ diningrat, en Resso Diepo, hem op de Berg koetoek ophouden, en als santries en doeters aldaar fungeeren, komende daagelijks 20: a. 30 man bij hem doch ongewapend, en gaan 's avonds wee der na hun woonplaats in Cadoeang en Laro heeft hij niets dat na quaad gelijkt ontwaard, doch van verscheide Negorijs vol„ kerenvernoomen Pangerang Aria Caessoemo sudo „zich van t hof zoude geabsenteerd hebben op de Passer Man„ Jar behoorende Pangerang Timor, broeder van Pangerang Mankoenagara, heeft hij een geheele voormiddag vertoefd doch meede niets quaads vernoomen. dit alles doet mij voor onderstellen de uijtstrooide geruchten gefungeerd en onwaar zijn, zulks werd ook verifieerd door annex Ja„ vaars geschrift waaraan ootmoedig Translaat verzoeke, zijnde een Reelaas der door Danoeridja op sulthans ordre uijtgezondene spions, die heiden ochtend gereverteerd zijn, en meede niets ontdekt hebben dat na verzaameling van krijgs volkeren zoude gelijken Du zal ik noch alles arnwenden om van Iange Den Relatant verhald, hij door de Hee Lapro na het Larose kadoeansa en het gebrechte koetoek gesonden was, ten Eijnde in cognito te verneemen, of het gerugt waar was, dat sig aldaar Eenige vijanden op- Hielden, hij had sig dan van Djokjo over de Negorijen Poelo watoe, Repedan en Manjaram, op welke plaatzen hij althoos over nagt bergte had, direct na het voorsz: gewnslit begeeven en het nau„ keurigste ondersoek gedaan, dog had niets quaads aldaar Copia Relaas door den Inlands oppasser ongo Troeno van Djok jocarta op Samarang den 29: Maart 1772. rang Coessoemo Judos geweezene voorneemens naricht te krijgen, dewijl doch alle berichten op zijn supt eenparig zijn. het beste is zijn opvatting alles verijdeld heeft om zeeker te poseeren hij quaad in 't zin zoude gehaad hebben, kan ik noch niet doen, dewijl mij in andere gevallen meer bij na algemeene uitstrooijsels zijn voorgekomen die de „uitkomst niet bewaarheid heeft, rang vernoomen 125 Van Iavas oost Cust den 1. April 1772. vernoomen maar wel dat de ingesetenen in goede rust leefden= Het Eenigste dat hij ontdekt had, was geweest, en zig aldaar twee zoo genaamde soover doeters ophielden gem: Radeen Djaningrat en Radeen Sodipo die Echter alreets Eenige Jaaren daar gewoont, en zig alleen met het bewer„ „ken van Rijst velden bemoeijt hadden, deese hadden de gemeentens waar van dagelijks 20 â 30 Coppen by hem waaren gekomen wel Eenige toover kunsjes van zig hart te kunnen maaken N=a, willen Leeren, ook geneesmid„ delen voor ziektens aan haar verstrekt, dog wanneer het op de proef was aangekoomen waaren hunne toove„ „rijen als ook het geneesen van ziektens van geen Effect geweest, wesweegens haar de gemeentens bespot hadden, en geen het minste gelooff aan ze sloegen, terwijl hij ook op de verscheijde plaatsen gehoort had, dat sig den Pangerang sonno Joedo van Djok Jocarta g'absenteert had; zon„ der meer /:onderstond:/ in kennisse van mij /:was geteekend:/ C: P: Boltze Stard /: ter zeijde stond/ zeekere kruijsje, waar bij gesz: was:/ gesteld door den Iavaan ongo Troeno; Den Relatant verhaalt, dat hij sig van Djokjo direct na Tambaijat en volgens na de Desja sono, op de Limitschijding van kadoean begeeven, en vernagt had bij den soera kerto dito dat hij sogtens vroeg van daar weeder vertrekkende, op de kadoeanse Dessa Poetjoek gekomen en aldaar aan ge geert was bij den Loera wiro Noijo, die hem relatant ge„ vragt had of hij onder Djok Jo sorteerde, en of hij niet konde zeggen, hoe het met den pangerang soemo Ioedo gesteld was, te meer het gerugt liep gem: pangerang sig van Djokjokarta verwijdert had„ Den Relatant had hier op geantwoord, niets het minste van die zaak gehoort te hebben, alsoo hij niet op zo gen: fast grabak was present geweest, vragende in„ tusschen alverder aan bovengem: wiro Noijo, als het waarlijk zo was, dat den pang: soemo Ioedo onge„ hoorsaam was geweest, wat dog zijn Radeen Tom: Copia Relaas gedaan door den Ryksbestierder Danoeridja na het kadoeanse uijtgesondene zendeling Tjokro Dirono ont„ fangen te samarang den 29:e Maart 1772, Van Iavas oost Cust den 1. April 1772. Copia daar

NL-HaNA_1.04.02_3364_0085 view scan ↗

English

From Java's East Coast, the 1st of April 1772. From Java's East Coast, the 1st of April 1772. thereof, whereupon Wiro Nijo replied that the Raden Tom: was not yet inclined to undertake anything, and everyone was still in possession of his goods. Hereupon the informant had departed from there to the village of Pasido and had stayed overnight there with the Lurah Wongso Nita, who had questioned him in the very same terms as the aforementioned Wiro Noijo, but the informant had likewise answered as above, that nothing concerning Soemo Soeto had come to his ears, whereupon Wongso Niti had related to him that recently some people from Pranaraga had arrived at his place via Souracarta, who had said there that the common folk at that court were in rapid commotion because the Pang: Soemo Joedo had fled from Djockjo and had arrived in Soeracarta, but he, Wongso Niti, had given them as an answer that it were best to remain silent, since such talk was not fitting for humble folk. Early in the morning the informant had departed again past the desa Sempol to the village of Doho, where the Lurah Soeta Soeda also asked him for news of the Pang: Soemo Ioedo, but he had also answered him in the aforementioned manner, as knowing nothing, and although he had not failed to conduct inquiries at the desas Adivodjo and Dekka situated close to Kadoean Semboegan and Laro, he had been unable to perceive anything improper there. Only it was related by the Lurah Singo Troeno at Dikka that he had recently come from the Koetoegan mountains, but had also noticed nothing amiss there, except that in the desa Padjoeman there were 2 dukuns named Raden Resso Dipo and Ama Doelha, who had already lived there for 4 years, but did nothing other than cultivate rice fields, and although they had wanted to teach the common folk some sorcery, they had always been mocked for it, and people no longer believed them, the folk thereabouts furthermore keeping entirely peaceful, without more. Below stood: translated by me. Was signed: C B: Boltze F:r. Below stood: Agrees. Was signed: I: R: van der Burgh. Copy Copy Translation of a Javanese Letter written by the Susuhunan at Soeracarta, to the Right Honourable Governor and Director of this Coast Johannes Robbert van der Burgh, received at Samarang the 20th of March 1772; From Java's East Coast, the 1st of April 1772. Having duly received Your Right Honourable's highly esteemed letter in reply to my previous one sent via the Ingabehi Tjokro Mongollosen Martrie Wargo Noijo, I have seen from it that Brother had already sent 2 blades for me to the chief, which, together with the sambagies and 76 cutlasses, have also been duly handed over to me, and for which I and the Ratu give heartfelt thanks; however, the sambagies which I requested for the Ratu in my last letter, for the making of skirts, the Ratu still looks forward to receiving. For the communication given regarding the activities of some of the prominent persons at the court here, who were said to be forging a sinister plot, I give my highest thanks. Brother please just be patient, and trust that on my part there will be no failure to investigate those matters as much as possible, and then to provide Brother with a report. Regarding that which was requested in Brother's letter concerning the desas for the Pangeran Mangkunegara, it is best that this remain postponed until Brother's arrival here, when we shall deliberate further upon it. Herewith I inform Brother that on the 12th of March I elevated my son named Raden Mas Djuebal to Pangeran, and on the 22nd thereafter I shall have him married to the daughter of my sister who is married to Puspo Diningrat, named Raden Adjang Lenting. Remaining furthermore, after greetings from me and the Ratu, with all respect, End, written at Surakarta on the 15th of the month Besar 1697, or the 19th of March 1772. Below stood: translated by me. Was signed: C: P: Boltze I:r. Copy Translation of a Javanese Letter written by the Pangeran Adipati Mangkunegara at Soerakarta, to the Right Honourable Governor and Director of this Coast, received at Samarang the 18th of March 1772; Having received with great joy Your Right Honourable's letter, and from it also seen with pleasure the promise to reflect upon my request upon Your Right Honourable's arrival here, while I express my true gratitude both for Your Right Honourable's good care and for God's benevolence, and now no longer doubt that Your Right Honourable will bring this about for me. Having at the same time gathered from Your Honourable's letter that the Company and Your Right Honourable would most prefer to see me remain in peace and quiet repose, I shall not only observe this, but also always thank God and the Company for that pleasant provision. I am very much embarrassed that Your Honourable has taken upon himself the commission from me regarding the 20 cindes silk patolas which I requested from the Patih,

Dutch transcription

Van Iavas oost Cust den 1 April 1772. Van Iavas oost Cust den 1. april 1772. daar van zijnde, waar op wiero Nijo repliceerende dat den Radeen Tom: nog niet van sints was iets te on„ „derneemen, en een ieder nog in het besit van sijne goe„ deren was, Hier op was den Relatant van daar vertrokken na de Negorij Pasido en had aldaar overmagt bij den Loera wougso Nita, die hem ineve die termen als den voorsz: wiro Noijo gevraagt had, dog den Relatant had meede als bove geantwoord, dat hem niets van soemo soeto ter ooren geko„ men was, waar op hem wongso Niti verhaald had, dat kortelijk Eenige van pranaraga over souracarta bij hem waaren aangekomen die aldaar gesegt hadden dat de gemeentens aan dat hoff in rappen roer waren, om dat den Pang: soemo Joedo van Djockjo gevlugt en te soeracarta was aangekomen, dog hij wongso Niti had hem ter antwoord gegeeven, dat het best ware stille te kwijgen also sulke reedenen voor geene geringe menschen pasten. Des morgens vroeg was den Relatant weder vertrokken voor de Desja Sempol na de Negorij Doho alwaar hem den Loera soeta ^mede naar tijding van den Pang: Soemo Ioedo — soedo ^ vroeg, dog had hem ook in voegen voorsz: geandwoord, als van niets wee„ ten, en hoe wel hij het ook aan geene ondervraging op de Desjaas Adivodjo en Dekka digt bij kadoean semboegan en Laro geleegen, had laten manqueeren, had hij niets onbehoorlijks aldaar kunnen ver„ neemen, Eenelijk was door den Loera Sin„ go Troeno te Dikka, verhaalt, dat hij Jongst van het gebregte koetoegan gekomen was, dog meede aldaar niets onwaard had als dat zig op de dessa Padjoeman 2. doekons be„ vonden gen:t Radeen Resso Dipo en Ama¬ Doelha, die reets 4: Iaaren aldaar gewoont hadden, dog niets anders deeden als Rijstvel„ den te bewerken, en alschoon sij de ge„ meentens wel Eenige Toverijen hadden Soeda willen 127 129 Van Iavas oost Cust den 1. april 1772 willen leeren, waren zij daar meede altoos bespot geworden, en men haar geen geloof meer toedroeg houdende sig voorts de volkeren daar omstreeks alle gerust, zonder meer /onderstond/ ge translaeteert door mij /was geteekend/ C B: Boltze F:r /onderstond/ Accordeerd /was geteekend/ I: R: van der Burgh; Copia Uwel Ed: groot Agtb:s hoog g'Eerde missive in ant„ woord op mijne vorige per den Jngabij Tjokro Mongollosen martrie wargo Noijo gesonden wel ontfangen hebbende, hebbe ik daar uit gesien dat Broeder bereeds 2: klingen voor mijn aan het opperhoofd gesonden hadden, die mij benevens de sam„ bagies en 76: Houwers ook wel ter hand gesteld zijn, en waar voor ik, en de Ratoe hert-grondig dank zegge, doch de sambagies, die ik bij mijn Laaste brief voor de Ratoe verzogt hebbe, tot het maeken van Rokken, blyft de Ratoe nog te gemoet zien. door de gegevene Communicatie wegens de besigheeden van Eenige der voornaamste aan 't hoff alhier, die een Heilloos ontwerp soude smeeden, zegge ik ten hoogsten dank Broeder gelie ve maar geduldig te wiezen, en te vertrouwen, dat aan mij Copia Translaat Javaanse Brief gesz: door den soesoehoe„ nang te soeracarta, Aan den Heer Gouverneur en Directeur deser zuste Iohannes Robbert van der Burgh, ontfangen te Samarang den 20:e Maart 172; Van Iavas oost Cust den 1. april 1772. niet 43 Van Javas oost Cust den 1:e April 1772; van Iavas oost Cust den 1:e April A„o 1772; niet manqueeren zal, om zoo veel het moogelijk is die zaa„ ken te ondersoeken, en als dan aan Broeder berigt te geeven; Het versogte bij Broeders briev aangaande de dessaas voor den Pangerang Mancae Nagarra, is het best dat sulks blijve uijtgesteld tot broeder komste alhier, wan„ neer wij daar over nader zullen besoigneeren, Bij deese bedeele ik Broeder dat ik den 12: Maart mijn zoon genaamt Radeen Maas Djoebal verheeven hebbe tot pangerang, en zal den zelven op den 22:e daar aan doen trouwen met de Dochter mijner /:met Poespo Diningrat gehuwelijkte /:zuster genaamd Radeen Adjang Lenting. Verblijvende voorst na groote van mij, en Ratoe met alle agting, Eijnde, gesz: te sora carta op den 15 der maand Bassaar 1697:, off den 19: Maart 1772, /:onderstond :/ getranslateert door mij /:was geteekend / C: P: Boltze I„r Met veel blijdschap ontvangen hebbende uwel Ed: groot Agtb: missive, en daar uijt ook met genoegen gesien de belofte, om bij uw Ed: g:t Agtb: aankomst alhier op mijn verzoek te zullen Reflecteeren, Terwijl ik zo wel voor uwel Ed: g:t agtb: goede zorge als ook voor godes goedertierendheid mijne ware dankbaar„ heijt betuijge, en thans niet meer twijfele of uwel Ed: g„t Agtb: zal dit voor mij bewerken uit leven uwel Ed: Briev: teffens ontwaard heb„ bende dat de Comp:e en uwel Ed: g:t Agtb: liefst zag ik in vreede, en stille Rust blijve, zal ik sulks niet al„ leen observeeren, maar ook gode en de comp: voor die aangename procure althoos dank betuigen, ik ben zeer beschaamt dat uwel Ed: de commissie van mij aangaande de 20 Tjindies /:zijden patholen:/ die ik aan de Pattij heb verzogt op ziech zelvs genoo„ Copia Translaat Iavaanse Brief gesz: door den pangerang Adi= pattij Mancoenagara te soeracar„ te, Aan den heer gouverneur en Direc„ „teur deezer custe, ontfangen te sa„ marang den 18:' Maart 1772:, verte men

NL-HaNA_1.04.02_3364_0088 view scan ↗

English

From Java's East Coast the 1: April 1772; one has, whereof I have already received 10 pieces from the chief; for I have indeed demanded the same for payment, but not for nothing from the Pattij, yet he has addressed himself to Your Right Honorable regarding this, and thereby made me somewhat fainthearted; I have nevertheless made my thoughts regarding this known to the chief /:was below:/ End translated by me /:was signed:/ C: P: Boltze F:r /: Lower:/ Short note from the Pangerang to the Lord Governor Concerning the Daughter of the former Paccalongang Regent named Radeen Marlia, Your Right Honorable should know that when the Sultan had the same demanded of me through one of his court female servants named ombok Adjang Toemanggong; he had also given her cash, for which I was to let that female person go, but I answered that servant that I was as little accustomed to selling that woman as other people, whereupon the aforementioned court woman replied, that I must not regard that cash as purchase money for that daughter, but rather as funds that I was to enjoy annually out of the beach revenues of the Sultan, so I have let the aforementioned Paccolongang daughter go /:was below / translated by me /:was signed I: R: van der Burgh, C: P: Boetze F:r /:was below / Agrees /was signed:/ Early this morning, the quartermaster Nieuwenhuisen arrives by a prahu mayang from the Strait of Bali, to serve me with a report, that on the 8: three small pantjallangs had come down from the southeast close under the Balinese shore, as far as the height of Pakken, had positioned themselves in a small river on the Balinese shore, where he had also discovered a number of very small vessels, which had been closely watched by our cruisers, yesterday had come out of the river towards our prahu mayangs, and given fire from their swivel guns at ours, and were immediately received in such a manner, that they with all haste again took flight into the said river, and were followed by ours as close under the Balinese shore as had been practicable, where they also Extract from a Letter from the Resident Schophoff to the Commander at Sourabaija Mr. Pieter Luzac dated Oeloe Panpang the 12: March 1772; From Java's East Coast the 1: April 1772, discovered 133. From Java's East Coast the 1: April 1772; from Java's East Coast the 1: April 1772: had discovered over forty pandoks, full of people, who had posted themselves on the beach with pikes and firearms and fired upon ours, thus remaining enclosed in the mouth of the river by two of our pantjallangs and ditto prahu mayangs, and I have immediately sent two hand mortars with some more one-pounder pieces to the cruising vessels with two corporals, twelve common soldiers, a gunner, a cannoneer, and fifty well-armed natives, and a number of hand grenades and fireballs, to demolish their audacious vessels or to make them move from the beach there, they carry flags of white, blue, and red linen, however divided in narrow stripes. Wherewith I enjoy the honor to be with the highest esteem and respect /:was below:/ Title :/ Lower Your Right Honorable's very submissive servant /:was signed:/ H:k Schophoff /: in margin:/ Oeloepanpang the 12: March Anno 1772. / still lower:/ P: S: I have also sent off the requisition conforming with this by ordinary letters I have ordered quartermaster van Nieuwenhuizen to do his utmost to try to capture live men from the vessels, or from the Balinese shore, in order to discover therefrom what their posting and vessels intend With sufficient prospect of accomplishing further happy success of the Expedition, I have had the honor to be provided upon receipt with Your Right Honorable's highly venerated orders dated the 3: March, together with duplicate letter of the 25: February past, as well as Extracts, both from Their High Mightinesses and from the Right Honorable Lord Governor and Director of this Coast, and it serves particularly to satisfaction, the project of 2000 Natives; as which force is also necessary, in consideration of the divided posts, after riper consultation and deliberation with all the officers and having confronted with the incoming Extract from a Letter from Lieutenant Heinrich, to the aforementioned commander Luzac dated Oeloe Pampang the 15: March 1772. to undertake, however their landing on this shore can indeed be prevented according to the statement of the aforementioned quartermaster /:was below:/ Agrees /: was signed:/ P: Luzac,

Dutch transcription

133 Van Iavas oost Cust den 1: April 1772; men heeft, waar van ik bereeds, 10 p„s van het opper„ „hoofd heb ontvangen; want dezelve hebbe ik wel voor betaaling, maar niet om zons van de Pattij geeijscht, dog die heeft sig aan uwel Ed: g„t Agtb: daar omtrend„ geaddresseert, en mij des Eenigsints klijn Hartig ge„ maakt; Jk heb egter mijn gedagten des weegens aan het opperhoofd te kennen gegeeven /:onderstond:/ Eijnde getranslateerd door mij /:was geteekend:/ C: P: Boltze F:r /: Lager:/ Cartabelletje van den Pan„ gerang aan den Heer gouverneur Aangaande de Dochter van den geweese Pacca„ longangs Regent genaamd Radeen Marlia, diend uwel Ed: g:t Agtb: te weeten dat wanneer den sulthan deselve van mij liet Eijsschen door eene zijner dalms dienaresse in naame ombok Adjang Toe„ manggong; had hij deselve contanten meede gegee„ ven, waar voor ik die vrouws persoon zoude laa„ „ten volgen, dog ik antwoorde aan die dienaresse dat ik zoo min die vrouw als andere menschen gewend was te verkoopen, waar op meerm: Dalms vrouw repli„ ceerde, dat ik die contanten niet moet aanmerken als kooppenningen voor die dogter, maar wel als gelden die ik 's Jaarlijks uijt de strant gelden van den sulthan zoude te ge„ nieten hebben, des ik meerm: Paccolongangse dogter heb laa„ ten volgen /:onderstond / getranslateerd door mij /:was geteekend I: R: van der Burgh, c P: Boetze F„r /:onderstond / Accordeerd /was geteekend:/ Heeden morgen vroeg tijdig, komt den quar„ tiermeester Nieuwen huisen per Een Rauwmajang uit straat Balie, mij van Rapport dienen, als dat den 8: drie klijne Pantjallangs van 't suid oosten digt onder de Baliese wal waren komen afsakken, tot op de hoogte van Pakken, hun in Een Riviertje op de Ba„ lise wal hadden geplaast, alwaar nog Een parthij zeer kleine vaartuigjes ontdekt had, dewelke door onse kruis„ „sers digte bij in 't oog gehouden waaren gisteren uit de revier op onse prauwmajangs waren afgekomen, en vuur uit hunne bassen op de onse gegeven, ter stond zodani„ „ge gerecipieert waren, datze met alle haast wederom de vlugt in gemelde rivier hadden genomen, en door d' onse zoo digt onder de Baliese wal gevolgt waren als doenelijk was geweest, aldaar teffens ruim veertig pandokken Extract uijt Een Briev van den Resident schophoff aan den gezaghebber te sou„ rabaija M:r Pieter Luzac ge„ dateerd oeloe panpang den 12:' Maert 1772; Van Iavas oost Cust den 1:' April 1772, ontdekt 133. Van Javas oost Cust den 1:' April 1772; van Iavas oost Cust den 1:' April 1772: ontdekt hadden, vol van volkeren, die hun opstrand met pieken en schiet geweer gepasteert ende gevuurt hadden op de onse, blijvende dus door twee onser pantjallangs en d:o Rauwmajangs in de mand van de Revier ingeslooten en heb ik terstond twee hand mozstiers met nog Eenige Een ponders stukkjes, na de kruijsvaartuigen met twee Corporaals twaalf gemeene soldaten, Een canoronier, Een bosschieter en vijftig wel gewapende Inlanders, en Een parthij handgranaten en lugtballen gezonden, om hunne stoute vaartuigen te demoljeren ofse van strand aldaar doen verhuisen, zij voeren vlaggen van witte, blauw en rood Linnen, egter in smalle Streepjes verdeelt. waar meede de Eere geniet met de meeste Hoog ag„ „ting en Eerbied te zijn /:onderstond:/ Titul :/ Lager uwel Ed: Agtb: zeer submissie dienaar /:was geteekend:/ H:k Schophoff /: in margiene:/ oeloepanpang den 12: Maart A„o 1772. / nog Lager:/ P: S: ik heb den Eijsch con„ form. met deese teffens bij gemeene letteren afgesonden quartiermeester van Nieuwenhuizen hebbe aan„ „bevolen zijn uitterste an te wenden om levende mannen van de vaartuigen, of van de Baliese wal zien magtig te werden, om daar uijt t'ontdekken wat hun postering en vaartuigen willens zijn In genoegsame voor-uijtzigt tot voltrekking van verdere gelukkige succes van d' Expeditie, hebbe d' Eere gehad uit uw Ed: Achtb: hoog gevenereerde ordre gedat: van den 3: Maart beneevens Duplicaat brief van den 25: februarij passato benevens Ex„ tracte, zoo van Hunne Hoog Edelheedens als van den welEd: Groot Agtb: Heer Gouverneur en Directeur desZ custe bij ontvangst v'ersien, en bij sondert gerijkt tot satisfactie, het project van 2000 Inlanders; als welke magt ook nodig is, in consideratie van de verdeelde posten, na rijper overleg en overweging met al„ de officiers en geconfronteert hebbende met d' ingeko„ Extract uijt Een Briev van den Luitenant Heinrich, Aan voorm: gezaghebber Luzac geda„ teerd oeloe pampang den 15: Maart te ondernemen, egter zal hun het landen volgens opga „ve van voormeld quartiermeester op deese wal wel kun„ „men belet worden /:onderstond:/ Accordeerd /: was ge„ teekend:/ P: Luzac, te mene 1772.

NL-HaNA_1.04.02_3364_0090 view scan ↗

English

13 13 From Java's East Coast the 1st of April 1772, From Java's East Coast the 1st of April 1772. general reports also agreeing with the opinion of Resident Schophoff, namely, when the weather permits, as it is already beginning to calm down, to march up with the entire Company's force near Songon, where I shall remain encamped until 500 men or somewhat stronger, as far as our force extends, have a defensive benteng, and on the whole not act offensively for so long. In the meantime, I shall have clearing cut toward the left flank, up to their sortie, where I shall again have an entrenchment made which will be defended by 600 men. Then I shall march with the remaining force, which must remain the strongest, toward the right flank, which must be cut through with great difficulty up to their sortie, where I shall again have an entrenchment placed. An officer commands at each post, and the Europeans are divided into three, but with the distinction that at the posts where our artillery is, the most Europeans must be placed, to cover the artillery, etc. I also have the honor to give Your Honors herewith a further elucidation of the apprehension and grounds regarding Bali, because according to incoming reports from our cruisers, three gontings are anchored under the Balinese shore opposite Pakkum, before a river in this part of the straits, carrying to the eye half-pounder cannons and about 100 men are encamped ashore, equipped with muskets and pikes, carrying among the troop ashore a banner which is blue at the top, white in the middle, and red at the bottom. Thus, upon this report, I thought it proper with Resident Schophoff to send an expedition there immediately, and we have sufficiently armed two pantjallangs with four prau mayangs, manned with Europeans and natives, and further provided with artillery and munitions of war. The success thereof I shall impart to Your Honors upon their return. The entire detachment of Europeans from Samarang is most urgently needed here, on account of daily sickness and mortality. I doubt whether 25 Europeans who are capable of serving in the field can be drawn from Oeloe Pampang and Cotta, etc. In the meantime, it is also necessary, due to the demise of the artillerymen in the expedition, as they are now strong only 1 extraordinary lieutenant, 1 extraordinary fireworker, and two gunners, no more, I herewith very humbly request Your Honors for 1 bombardier, 3 gunners, and 6 gun crew. Likewise, from the medical staff, only the surgeon Smidt at Oeloe Pampang and the mate Zon at Cotta are still alive. I very humbly request Your Honors for two surgeons. Straits Extract 139 From Java's East Coast the 1st of April 1772, From Java's East Coast the 1st of April anno 1772. Extract from a letter from Resident Schophoff to the aforementioned Authority Luzac, dated Oeloepampang the 15th of March 1772; the aforesaid being in readiness, I received the enclosed copy of a missive from Quartermaster Nieuwenhuijsen from the Straits of Bali, regarding his encounter, and on the accompanying palm-leaf a letter written by Gusti Moera of Tjimbranie, and the reply to that quartermaster and Gusti Moera, after the matter was previously presented to Lieutenant Henrich, the other officers, the Tommongon Saxanagara, and other chiefs, and everyone agreed with me that this Gusti only feigned his desire to be a friend of the Company, since this morning two men who left Bajoe two days ago reported that recently eight Balinese with cloths and cotton yarns from Tsimbrana had come to Bajoe to sell, belonging to Bajoe, yet they did not know what they had secretly traded with the chiefs; that he wanted to be a friend of the Company because his vessels, according to verbal With this, we could not fail to give Your Honor the requisite knowledge thereof, Copy Copy Written by Quartermaster Jan van Nieuwenhuijsen, lying anchored at Sambrana, to the Resident at Oeloepanpang, Hendrik Schophoff, dated 14 March 1772: namely report of the gunner Michiel Maralje, who is also well knowledgeable in seafaring, that they are so enclosed by our men in a small bay that not a single one would be able to get out; thus it has been decided, if that Gusti does not surrender his vessels as a security of his loyalty, which in due time will then be returned to him again, to destroy them completely or bring them in. They also want to assure me that the three gontings must be Mandharese vessels that have recently arrived at Bali from the southwest. Below stood: Agreed, was signed: S: Luzac. report as

Dutch transcription

13 13 van Javas oost Cust den 1:e April 1772, Van Javas oost Cust den 1:e April 1772. mene berigten ook over Eenkomende met gevoelen van den Resident Schophoff, namentlijk bij doen„ „lijk weer, zoo als het Reets begint te bedaren, met de geheele Comp:s magt op te marcheeren bij son„ gon, alwaar ik zoo lange gecampeert blijve tot 500 man of wat sterker zoo verre onse magt verstrekt, he„ „ne defensive benting hebben, en in het geheele zoo lan„ ge niet offensive ageeren, Jntusschen laate ik door kap„ „pen na de Linkerflanke, tot in haren uitval, alwaar ik weederom Eene verschantsing sal laten maaken dewelke door 600 man gedefendeerd worden, als dan marcheere ik met d' overige magt, dewelke het sterkste blijven moet na de regter vlanke, het welke met groote moeijlijkheid moet door gekapt worden tot in haren uitval, alwaar ik wederom Eene verschan„ „sing laat setten, op Elken posten commandeert Een officier, en de Europeese werden in dréën verdeelt, dog met dat onderscheid, dat op de posten waar onse Ar„ „ttillerija de meeste Europeesen zijn moeten, tot dek„ king van het geschut &=a Nog hebbe de eere uwel Ed: Agtb: hier nevens Eene nadre„ „Elucidatie te geeven van de bedugting en grond reden weegens Balie, want volgens ingekomene rappor„ ten van onse kruijssers zijn onder den baliesen wal Pakkum teegens over, voor Een rivier Disfeit der straat drie gontings geankert, voerende op het gezigt halff ponders Canons en staan aan Land gecampeerd, omtrent 100: man versien met geweer pieken voerende onder den troup aan Land Eene vane, dewelke boven blauw in de mid den wit en onder rood, zoo hebbe ik op dit rapport met den Resident Schophoff voor goed gevonden aan„ stonds Eene Expeditie daar op te zenden, en wij heb„ „bem twee pantjallangs met vier prauwmajangs toe„ rijkend gewapend bemand met Europeesen en Jnlanders en daar bij met geschut en oorlogs amunitien voorsien de successe daar van zal ik bij retour aan uwEd: Agtb: bedeelen: Het geheele detachement Europeese van samarang is hier hoogst noodzakelijk, weegens dagelijkse ziekte en sterfte, sta in twiffele of tot oeloe panpong en Cotta 25: Euroopese uijt te trekken, dewelke be kwaam zijn in velde te dienen &=a Intusschen is nog noodzakelijk, door het afster „ven van d' Arthelleristen in d' Expeditie, als zijnde nog sterk, 1: Extra ordinair Luitenant, 1: Extra ordinaire vuurwerken en twee Canoniers zonder meer, verzoeke hier neevens uw Ed: Agtb: zeer Nedrig om 1: bombardier, 3 Canoniers en 6: bosschieters, van 'sgelijken zijn nog maars in 't leven van de Chirurgie op oeloe pampang de Chirurgus smidt en op Cotta de ondermeester zon, versoeke zeer ootmoedig aan uw Ed: Agtb: om twee meesters, straat Extract 139 van Javas oost Cust den 1:e april 1772, van Javasoost cust den 1:e April A„o 172 Extract uijt Een briev: van den Resi„ dent schophoff Aan meergem: gezag„ „hebber Luzac gedateerd oeloepampang den 15: Maart 1772; voormelde in gereedheid zijnde, ontving ik inleggende Copia missive van den quartiermeester Nieuwenhuijsen uijt straat Balie, weegens zijne ontmoeting, en op bij leg„ gende orlas geschreeven brievje door gusti Moera, van Tjimbranie, en antwoord aan dien quartiermeester, en gusti Moera na alvoorens de zaak aan Luitenant Henrich, de verdere officieren den Tommongon Saxa„ nagara en verdere hoofden geproduceert, was en ieder met mij van gevoelen, zig dien gunstix Eenlijk veijnsdewijl heeden morgen nog twee mans perzoonen voor twee dagen uijt Bajoe gegaan, dat er kortelings agt baliers met kleedjes en catoene garens van Tsimbrana „komen 'thuijs gehoorende in Bajoe waaren „ verkoopen Egter winsten niet watse heijmelyk met de Hoofden verhandelt hadden, een vriend van de Comp:e te wil„ „len zijn, om dat zijne vaartuijgen volgens mondelings Bij deesen hebben wij niet mogen Nalaten uEdelen de verEischte kennis daar van te geeven, Copia Copia Geschreeven door den quartiermees„ ter Jan van Nieuwenhuijsen, Leggende g'ankert op Sambra na Aan den Resident 't oeloe„ panpang Hend„k Schophoff sub dato 14: Maart 1772: nam:t berigt van den bosschieter Michiel Maralje, die de zeevart meede wel kundig is zoodanig door de onse in Een kleine baija ingeslooten leggen geen Enkeld in staat zou zijn uijt te komen zodanig beslooten is aan dien gusti zijne vaartuigen niet tot verzee„ kering van zijn trouw wil overgeeven die hem in der tijd als dan wederom te rug zullen bezorgt wer„ „den dezelve tot de grond te verdelgen of op te brengen men wil mij ook verseekering, dat de drie gontings Mandharuse vartuigen zulle zijn Iongst van de zuijd west na Balie aangekoomen zijn, /:on„ derstond:/ Accordeerd /:was geteekend :/ S: Luzac, berigt als

NL-HaNA_1.04.02_3364_0092 view scan ↗

English

141 From Java's East Coast the 1st April 1772 that on the 11th in the morning, with the coming of day, we anchored before the encamped people on the land of Balie, upon which I ordered the firing of a cannon shot, as well as the hoisting of our Company flag in order to get one of their vessels to come aboard with us, which was in vain, whereupon I took the boldness to have an emissary go to their people twice, and the third time sent an indigenous letter, stating that if they were a friend of the Honorable Company, that they please give proof of it, which was not possible. The head gusti Moera lets us know that he was no enemy; our fleet lies close inshore, at half a pounder shot from the shore. Herewith I have once more to report to Your Honor that they lie encamped with five hundred armed men, among which are fourteen vessels, small and large, of which three are mounted with two swivel guns. Please give some instructions herewith concerning which I can guide myself, while I await from Your Honor and remain with high esteem, underneath stood: ending, was signed: Ian van Nieuwenhuijsen, lower: Agrees, was signed: H.k Schophoff. In view of Your Honor's letter of yesterday regarding the encounter against the Balinese encamped on that shore, with the vessels they have with them, I have duly received the letter from the gusti Moera written on an ola; since all their actions at this time not only appear suspicious to me, but also several indications have confirmed that they wish to undertake something with these rebels against the Company, I have deemed it best, as this gusti now sees himself trapped there by our vessels and therefore seeks long pretexts to extricate himself from this situation, after having first delivered this Javanese letter to the same, containing that this gusti with his people shall have to depart on foot overland homewards immediately, and give over all vessels, both large and small, to our fleet as an assurance of his goodwill, or at least of observing neutrality toward the Company, with a categorical answer and surrender of the vessels; Your Honor shall solely remain waiting, failing which, to destroy all the vessels that do not surrender willingly. However, the attack must be conducted with so much caution and prudence that our vessels run no danger of running aground; for the execution of which and for the reinforcement of Your Honor's fleet, Ensign De Chateauvieux is going over with a sergeant and six soldiers, in order to consider and devise with that officer what is best and most suitable for that enterprise. Underneath stood: ending, was signed: H. Schophoff, lower: Agrees, was signed: H. Schophoff, lower: Agrees, was signed: P. Luzac, underneath stood: Agrees, was signed: J. R. v. der Burgh. Copy. Written by the undersigned to the aforementioned quartermaster under date 15 March 1772. From Java's East Coast the 1st April 1772. Copy. 143 From Java's East Coast the 1st April 1772. From Java's East Coast the 1st April 1772. Copy of a copy letter from the Resident Schophoff to the Commander Luzac at Sourabaija. Enclosed I have the honor to present to Your Right Honorable a copy of the letter from the Ensigns Guttenberger, Ienigen and Chateauvieux, received today in the afternoon around four o'clock from Cotta, from which you may please observe how the rebels attacked that small fort this morning; and immediately upon his arrival here, I interrogated the defector mentioned therein regarding the strength of the rebels who had been before Cotta; thus the same relates that they had consisted of 200 Balinese, 200 Centong and Djember people, and the remainder from Bajoe where they had gathered, yet not knowing what strength came from Bajoe, because he had only come over alone from Sentong two days ago to look for his brother Waijhan, not having known better than that he was in Bajoe, and this morning had been sent by the rebel chiefs from behind the Lamabang, an hour away from Cotta, to warn the Pattang people that they were too close to visit in their village, and had first unknowingly met his brother Waijhan at Pattang and joined him. Wherewith I take the liberty, with due respect and high esteem, to call myself, underneath stood: Title, lower: Your Right Honorable's submissive servant, in the margin: Oeloepampang the 20th March 1772.

Dutch transcription

141 Van Javas oost Cust den 1:e april 1772 als dat wij den 11: des smorgens, met het aan„ koomen van den dag, zijn g'ankert voor de gecampeer „de volkeeren, op het land van Balie, waar op ik het Lossen van Een Canon schoot, beneevens het heissen van onse 'sComp: vlag om Een van hunne vaartuigen bij ons aan boord te krijgen, het welke te vergeefs was, waar onder hebbe ik mijn stoutigheid genomen Een zendeling twee maal bij haar luij laten gaan en de derde maal Een Jnlandse briev toegesonden, bij aldien dat zij een vriend was van d'E Comp: dat zij Een bewijs gelievde te geven het is niet mo„ gelijk - Het hoofd gusti Moera laat ons weeten dat hij geen vijand en was, onse floot legt kort onder de wal, bij Een Halff ponder schoot van de wal. bij deese heb ik uwel Ed: nogmaals te berigten als dat zij leggen gecompeert met vijffhonderd gewapende mannen, waar onder veertien vaartuijgen klijn en groot waar van drie gemonteerd met twee Bassen. met deese gelieft Eenige kennisse te geeven. omtrend daar meede ik mij kan rigten, terwijl ik van uwel Ed: verwagte en verblijve met hoog agting /:onderstond:/ slot /:was geteekend/ Ian van Nieuwenhuijsen /:lager:/ Accordeerd /:was geteekend:/ H=k Schophoff Bij uwEd:e missive van gesterren zelfs ont„ moeting teegens de Baliers op die wal gecampeerd, met hun bij hebbende vaartuigen, b'oogt, heb ik de missi„ ve van den gusti Moera op Een ola geschreven wel ontfangen, diend, mij alle haare gedoentens in de„ „se tijd niet alleen suspect voorkomen ook al Eenige blijken geconfirmeert hebben, iets met dee se rebellen teegen de Comp: willen onderneemen, heb ik best geoordeelt, wijl dien gusti zig nu aldaar door onse vaartuigen bekneld ziende, dus lange uitvlugten zoekt zig uit dien stuk te ont„ warren na alvoorens aan deselve deese Javaanse brief overhandigt te hebben, behelsende, dat zig dien gusti met zijne volkeren opstaande voet overland thuijs waarts zal hebben te begeeven, en alle vaar„ „tuigen zoo groot als kleen tot verzekering van zijn wel menendheid, ofte ten minsten de nutrali„ Copia Geschreeven door den ondergeteekende aan voorm: quar„ tiermeester sub dato 15: Maart Van Javas oost Cust den 1:' april 1772: Copia teijt 1772. 143 van Javas oost Cust den 1: april 1772, Van Javas oost Cust den 1: april 1772, „teit observeerd voor de Comp: aan onse vloot te geven met Een Catagorisch antwoord, en overgave der vaartuigen, uwEd: Eenelijk zal blijven in wag„ „ten bij faute van dien, de vaartuigen alle te vernie„ tigen die hun niet goed willig overgeven, Egter met zoo veel om- en voorsigtigheid met d' aanvaal geschieden, dat onse vaartuigen geen gevaar van te stranden lopen tot welkers uitvoer nog tot verster„ „king van uw Ed: vloot overgaande, den vendrig De Chateauvieux met Een zergeant en ses zol„ daten en met dien officier het beste te overweegen en beramen wat tot die onderneming 't beste en gevoeg lijkst is /onderstond :/ slot /:was geteekend:/ H: Schop„ ^ /rlager/ Accordenrt /: was get: / H. schephoff hoff /:Lager:/ Accordeert:/ was geteekend/ P: Luzac /onderstond:/ Accordeerd:/ was geteekend:/ J: R: v: der Burgh, Copia a Copia briev van den Resident Schophoff Aan den gesaghebber Euzac te Sourabaija, Inclose heb ik de eere uwel Edele Achtbare aan te bieden copia missive van de vendrigs gutten „berger, Ienigen en chatte auvieux, heeden na de mid„ waar meede de vrijheijd gebruijke met ver¬ schuldigde Eerbied en hoog agting te noemen /onderstond / Titul /: lager/ uwelEdele Acht„ baare submissie dienaar /inmargine/ oel oepam„ pang den 20 Maart 1772:, dag de klok Circa vier uuren uit Cotta ontfangen waar uit gelieft te b'oogen hoe de rebellen heeden oytend dat fortjen hebben aangedaan, en heb ik den daar bij genoemde overloper na sijn aankomst alhier terstond ondervraagt, na de sterkte der rebellen voor Cotta geweest, soo retateert den selve uit 200. baliers 200. Centongse en Djemberse vol„ keren bestaan, hadden, en d'overige uit bajoe alwaarse hun versamelt hadden gehad, egter niet te weeten hoe sterkte uit basoe waren, wijl hij eerst voor twee dagen alleenig van sentong was overgekomen, om zijn broeder waijhan op te toeken niet beter geweeten had i: Bajoe te sijn, heeden mor„ gen door de rebellische hoofden van agter de Lamabang een uurtje van Cosia voor af was gesonden geweest, aan de Pattangse volkeren te waarschouwen, dat te na bij waaren om te in hare negorij te besoeken, sijn broeder waijhan te lattang eerst buiten weten ontmoet tig te den selve vervoegt had„. dag Copia O

← previousnext →