Inventory 3389
Japan · 812 pages · 372 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Macassar, 24 October 173— From Macassar, 24 October 173— Friday appropriate congratulations on the upcoming circumcision, for which His Highness thanked me very kindly, declaring that he was uncommonly pleased to have been able to receive me on this occasion. Thereupon I returned home under the same ceremonial as upon my arrival, being simultaneously escorted to my residence by the imperial lords Arou Tinojong and Arou Lemo, assisted by the first interpreter Moentoe, who returned after taking some refreshment. Wednesday the 22nd, the Queen of Tello sent to inquire after my health and to request some trifles, which I gave along with her messenger. Thursday the 23rd, I had audience requested from the King of Boni for tomorrow for the ordinary commissioners to attend the circumcision of the young king or crown prince and to present the gift prepared for that purpose. Friday the 24th, the ordinary commissioners, the merchants Raket and Voll, departed for the court of Boni under the customary escort of horsemen, in order not only to attend on the Company's behalf the circumcision to be performed today, but also to present to the King, with an appropriate compliment of congratulations in that regard, the aforementioned gift, which I on my part had accompanied for that same purpose by some private gifts delivered into the hands of the under-interpreter Blij. The said commissioners, having taken their midday meal there, brought me a report toward evening of their completed commission, and that His Highness had thanked in the most friendly manner both for the observance of ancient custom in this matter and also for the gifts, and had moreover mandated them to bring to my knowledge that His Highness had honored the crown prince with the royal title of Arou Timoerong, and had appointed his second son Datoe Baringang as head over all the Panghoeloe Djoas or imperial officers, and his daughter Arou Madjang as head over the King's children, all of which was publicly announced in their presence to all those attending as soon as the circumcision was accomplished. Saturday the 25th, Sunday the 26th, nothing noteworthy occurred. Monday the 27th, upon the report made to me this morning by the Captain Commandant Petersz that three soldiers and a piper had been absent since yesterday evening, having made themselves guilty of, or at least being complicit in, the previously mentioned abduction and sale into slavery of two From Macassar, 24 October 173 From Macassar, 24 October anno 173— free natives, I not only immediately issued the necessary orders to search everywhere for them, but also to that end gave notice thereof to the respective courts of Boni, Goa, and Tello, announcing at the same time that for each person brought in, ten Spanish reals would be paid; which princes and princess sent word in reply that they would immediately give orders to track them down and hand them over to me upon apprehension. I also took this occasion to inquire of the King of Goa after the reason for the further reply, overdue until now, to the message delivered on my behalf by commissioners on the 3rd of August, and received in response that the feast of the circumcision of the Boni crown prince having detained the King, he hoped to send his commissioners one of these days, meanwhile requesting pardon for the delay until now. Tuesday the 28th. On account of the voluntary return of the four soldiers who had absented themselves the day before yesterday, having sent notice thereof to the respective courts of Boni, Goa, and Tello, the messengers brought me a report that the princes had expressed their gratitude for it and that the communication was very agreeable to them. Meanwhile, I also gave orders to the Maros Resident van Rossum, presently here, to immediately give instructions for the capture of a certain Company subject named Cassien living there, who was accused by the aforementioned four soldiers, and another fifth one who had no less a share in it, of being the transporter of the two free people and thus the primary instigator of the aforementioned sale of the same. Furthermore, I was told by a confidant, who had orders from me to investigate the state of affairs in Sedenring as much as possible, that everything in that region was still quiet since the action between the Datoe and Lamakawaroe, but that he had learned that the King of Boni had given orders in his inland states to all his subordinates to provide themselves with weapons and provisions in order to be ready to take the field at the first command. Wednesday the 29th. The King of Boni, with a complimentary greeting, sent to inquire after my health, and at the same time to make known that because Craeeng Sandra Boni was very ill, Craeeng Sapanang, mother of Craeeng Bellasarie, had requested him her
Dutch transcription
141 Van Macassaer Den 24. 8ber: 173 — Van Macasser den 24 8ber 173 — vrijdag geschikte gelukwensching over d'aanstaande besnijdenisse waar voor sijn hoogheid zeer vriendelijk bedankit hebbende met betuiging dat ongemeen verblijd was mij bij deese geleegentheijd te hebben mogen ontfangen to vertrok ik weder na huis onder het zelve ceremonieel als bij mijn komste teffens tot aan wijn wooning geconvooijeerd geworden zijnde door de keisheeren Arou Tinojongen arou Lemo g'assisteert van den eersten tolk Moentoe die na het nuttigen van eenig refraichement weeder te rugk eerden woensdlag den 23: ' lietde koningine van tello naar mijn welstand informeeren en om eenige kleenigheeden versoeken die ik aan haar zendeling meede gegeven Donderdag „ 23. Hebbe ik bij aen koning van bonij tegen morgen acces te laaten vraagen voor de gewoone gecommitteerdens omt atsisteeren bij de be„ snijdenisse van den jong koning of kaoon prnis en ter aanbieding van het te dien eijnde in gereedheid gebragte geschenk. 24. zijnde gewoone gecommitteerdend de kooplieden raket en voll onder het ge„ brunkelijk s pte van nuitens naar het hofe van bonij vertrocken ten eijnde bij de heden te volbrengene besuijden isse miet alleen sComp: wegen 't assitteeren maar ook aanden koning onder een gepast Compliment van gelukwensching dierwegens het voorm: geschenk aan te bieden dat ik mij nent wegen van eenige particuliere geschenken aan den ondertolk blij in handigt viel niets noteerens waardig voor Op het heeden morgen aan mij gedaan rapport door den Ca„ Mandag „ 27. pitain Commandant Petersz dat drie soldaaten en een pijper sig sedert gisteren avond g'absenteerd hadden sig schuldig gemaakt hebbende of ten minste meede plegtig zijnde aan de voorgenoemene roop en verkoop tot slaeven van twee ten selven eijnde hebbe doen verzellen gemelde gecommitteerdens het middag maal aldaar gehouden hebbende bragten mij tegen den avond rapport van hunne vol„ bragte Commissie en dat zijn hoogheijt so voor d'observantie van toude gebruik in deesen en soo meede voor de geschenken op het vriendelijkste bedankt mitsgaders haar inman dat gegeeven hadde mij ter kennisse te brengen dat zijn hoogheijd den kroonprins met de koninglijken titul van arou timoerong vereerd mitsg„s zijn twee zoon Datoe Baringang aangesteld hadde tot hoofd over able de Panghoeloe Djoas op rijks officieren en zijne dogter Arou Madjang tot hoofd over s konings kinderen welk een en ander in hunne tegenwoordigheid aan alle de bijweesende opentlijk was aangekundigt soo dra de betuijdenitse volbragt was Zaturdag den 25 2 zondag „ 26: ten vaije hebbe „ Van Macasser Den 24:' 8ber 173 Van Macasser den 24. october anno 173 — vrije Jnlanders hebbe ik niet alleen ten eersten de noodige bevalen gesteld om over al na deselve te soeken maer ook ten dien eijnde aan de respective hoven van bonij goa en Tello daar van kennisse doen geeven met aankundiging teffens dat voor ieder bij opbrenging tien spaanse reaalen soude worden betaeld welker vorsten en vorstin mij in ant„ woord lieten weeten daedelijk ordre te zullen stellen om deselve op te speuren en z mij bij agterhaeling over te leveren. ook hebbe ik teffens bij deese occasie bij den koning van gea laeten verneemen na de reden van het tot dus verre agtergebleeven nader antwoord op de boodschap mijnent wegen door gecommitteerdens op den 3. augustus gedaan en daar op tot bescheijd ontfangen dat het feest der besnijdenisse van den bonijs kroon panis den koning belet hebbende hij eerstdaags sijn gecommitteerdens hoopte te zullen zenden intusschen over het uitstel tot dus lange verschoning versoe„ Dingsdag den 28. Mits de vrijwillige te rug komst van de vier militairen dig zig eergisteren hebben geabsenteert gehad aan de respective hoven van bonij goa en tello daar van advertentie hebbende laeten doen bragten mij de boodschappers rapport dat de vorsten daar voor hunne dankbaarheijd betuigd hadden en die communicatie haar zeer aangenaam was. ondertusschen gaf ik teffens bevel aan den thans hier present zijnde maros resident van Rossum om ten eersten ordre te stellen tot bemagtiging van zekeren ginter woonagtig zijnde 'sComp: onderdaan cassien welke door de voorm: vier militairen en nog een vijfde die er geen minder deel aan heeft beschuldigt wierd den vervoerder van de twee vrije menschen en dus den eersten aanlegger van den voorgenoemden verkoop derselve te zijn wijders wierd mij door een vertrouwde en van mij last gehad hebbende om so veel mogelijk ondersoek te doen na de gesteldheid der zaaken op sedeenring gezegt dat alles om dien oird nog stel was zedert d'actie tusschen den datoe en lamakawaroe dog dat hij vernomen hadde dat de koning van bonij in sijn binne landse staaten ale zijne onderhoorige ordre gegeeven hadde sig van wape„ „nen en mondtkost te voorsien ten eijnde op het eerste bevel gereed te zijn in 't veld te verschijnen. Liet den koning van bonij onder een complement van Woensdag den 29. groete naar mijne welstand informeeren en teffens bekend maeken dat vermits Craeeng sandra bonij seer siek was craeing Sapa„ „nang moeder van craeeng Bellasarie hem versogt hadde haar den kende 127.
English
From Macasser the 24. 8ber: 1773 — From Macasser the 24 8ber: 173— Thursday the 35. nothing occurred. to be allowed to visit the same and to look after his sickness, which His Highness had granted her, which message I answered with merely a returned compliment. Friday the 1: October the King of Goa having requested access through his interpreter Borra for his commissioners, which I granted for tomorrow before noon, there appeared on Saturday, the 2. as such around ten o'clock the following dignitaries of the realm: the first Tomilalang the second Tomilalang Craing Bonto Matonko Craing Bonto Man Ngesoe Craing Bonto the second Shahbandar Glarang Manggasa Glarang Tombolo Glarang Tjamba and Glarang Samata. After preceding greetings and seated in orderly fashion, making known that they had been expressly sent by the King to bring a further answer to the message delivered to His Highness on my behalf on 3. August past by the usual commissioners, after which the second Shahbandar, according to the translation of the merchant Voll, who was expressly present for that purpose, spoke in this manner: That the collective dignitaries of the realm, having sat and consulted with the King up to three different times since my departure to Maros concerning the case in question, or rather the abduction of the soldier in question, they had found neither in any treaties nor in their own national laws any provision regarding the punishment set upon crimes of such a nature as this, as they did indeed with respect to others to which death or the confiscation of the perpetrator's property applied. That they, consequently being in the greatest perplexity as to what satisfaction to give in this matter, had resolved to take their refuge in me personally and to request an excuse in the humblest manner regarding what had occurred, and furthermore to leave the disposition concerning it to me. That nevertheless, upon their conquest by the Company, already having requested, obtained, and retained among other prerogatives at the conquest of Saboupo the right to rule over their subjects just as before and to punish evildoers, they would hope that concerning this they would not be curtailed in the future. Upon all of which I had the merchant Voll answer him: That having declared, upon the former offer to sentence the guilty person or the guilty persons to a monetary fine, that I could not be satisfied with that, I had consequently insisted upon a sufficient satisfaction. That although I was very well aware that in the treaties made between the Company and the realm of Goa no punishment was specified for the abduction of the Company's servants or subordinates, and that on the other hand the governance over their subjects was left to the King and the dignitaries of the realm, and consequently also generally to punish their misdeeds, I nevertheless was of the opinion in this matter that I could rightfully demand the extradition of the abductors or the abductor of the aforementioned soldier, or else that the same should be punitively punished in an exemplary manner in another way. That I, nevertheless, far from having any intention to curtail the King and the dignitaries of the realm in the prerogatives left and granted to them, or to diminish anything of the same, would on the contrary always maintain them therein, as they could not be unaware that since my arrival here I had made it my principal endeavor to cultivate more and more the good intelligence and friendship between the Company and its allies, and thus also especially with the court of Goa. That consequently, in the present case, I could indeed decide to leave it to the King and the dignitaries of the realm themselves to punish the perpetrators of the abduction of the soldier in question according to their national laws as they themselves would deem advisable; but that since it was necessary for the confirmation of mutual friendship to remove everything out of the way that could give rise to dispute or misunderstanding, I consequently would also expect that the court would bind itself in writing and thus in a solemn manner to surrender to the Company in the future all such persons who might make themselves guilty of the abduction, transport, or concealment of Company servants, in order to be put on trial by the same; and that I, enjoining them to inform the King of this, would expect further word at the earliest, in the firm presumption that His Highness as little as they would have anything against it. With which answer they not only outwardly showed, but nearly all together affirmed, to be pleased in the highest degree, I
Dutch transcription
Van Macasser Den 24. 8ber: 1773 — Van Macasser den 24 8ber: 173— Donderdag den 35. is niets gepasseerd. den zelven te mogen gaan besoeken en in desselfs sickite op te passentgeen zijn hoogheid haar g'accordeert hadde welke boodschap met een enkel weder compliment beantwoord hebbe. vrijdag den 1: october de koning van goa door desselfs tolk borra acces hebbende laeten versoeken voor sijne gecommitteerdens 't geen ik tegen omorgen voor de middag g'accordeert hebbe do verscheenen des. Zaturdag „ 2. Als sodanig teegens tien uuren de volgende rijks grooten de eerste Tomilalang de tweede Tomilalang cranig Bonto matonko Eraing Bonto man ngesoe Craing Bonto de tweede sjabandhaar glarvang Manggasa glarrang Tombolo glarrang Tjamba en glarrang Samata. naar voor afgaande groete en in ordre genomen zitplaats te konnen geevende door den koning expres gesonden te zijn om nader Dat zij dierhalven in de grootste verleegentheijd zijnde hoedani„ „gen satisfactie in deesen te geeven beslooten hadden hunnen toevlugt tot mij zelve te neamen en nopens het gepasseerde op het nedrigsteetcus te versoeken mitsgaders verder over te laeten de dispositie daar omtrend. Dat sij nogtans bij haare overwining door de Comp: reets bij de verovering van saboupo versogten onder andere prerogativen verkreegen en behouden hebbende het regt om over hunne onder„ daanen even als bevoorend te regeeren en quaad dvenderen te straffe antwoord te brengen op de boodschap mijnent wegen den 3. augustus passabo door de gewoone gecomitteerdens aan zijn Hoogheid gedaan waar na den twee„ „„den sjabandhaar volgens de vertaeling van den koopman voll ten dien eijn. de expresselijk daar bij teegenwoordig sig in deeser voegen liet hooren. Dat de gesamentlijke rijkesgrooten met den konig zedent mijn vertrek naar maros tot drie verscheijden reijsen over het geval in quietti of wel de vervoering aan den bewisten militair gezeten en geraadpleegd hebbende zij nog bij eenige over een komsten nog bij hunne eigene slands wetten eenige bepaeling gevonden hadden nopens de straffe op misraeden van natuur als deese gesteld gelijk wel ten opsigte van andere daar op de dood of de berooring van s daeders goederen plaats hadden. antwoord verhoopen 125 127. Van Macasser den 24. 8ber: 1773. Van Macasser Den 24: October 173 — verhoopen willen dat sij daar omtrend voor het vervolg niet zouden worden verkout. op welk een en ander ik hem door den koopman voll deed antwoorden Dat ik op de voormaelige aanbieding om de schuldige op den schuldigen in een geld boele te verwijsen verklaard hebbende mij daar meede niet te vreeden te kunnen houden dien volgende op eene voldoende satisfactie hadde doen aandringen. Dat of schoon mij zeer wel bewust was dater bij d'over een komsten tusschen de maatschappij en het rijk van goa gemaakt geen straffe bepaald waare op het vervoeren van sComp: dienaeren of onderhoorige en dat naar en tegen aan den koning en rijksgrooten de regeering over haare onder„ daanen gelaeten was en gevolgelijk ook in't gemeen om derselver mis„ „daeden te straffen ik nogtand in deesen van gevoelen was met recht d'over„ „gave van de vervoerders of den vervoerder van meerm: militair te zullen kunnen vorderen dan wel dat deselve op een andere wijse exemplaer gestraeft wierde. Dat ik nugthans wel verre van eenige intentie te hebben om den koning en rijksgrooten in de haar gelaetene en g'accordeerde prerogativen te verkorten of van deselve iets te verminderen haar daar in ter Contrarie steeds maintineeren zoude gelijk hun niet onbekend konde zijn dat ik zedent mijn aankomst alhier mijne voornaame betragting gemaakt hadde om de goede intelligentie en vriendschap tusschen de compagnie en haere bondgenooten en dus ook insonderheijd met het hofs van goa meeren meer aan te kweeken. Datik dienvolgende in het tegenwoordige geval wel konde besliten om aan den koningen rijksgrooten zelfs over te laeten de schuldigen aan het vervoeren van den bewiste militair zodanig na haare lands wetten te straffen als zij zelve geraeden zouden vinden dog dat vermits het tot bevesting van d' onderlinge vriendschap noodsaekelijk waare alles it den weg te ruijmen wat verschil of mit verstand zoude kunnen baaren ik dien volgende als dan ook verwagten wilde dat het hof zig schriftelijk en dus op een plegtige wijse soude verbinden om voor het vervolg alle desulke die zig aan de opligting vervoering of verberging van sComp: dienaaren mogten schuldig maaken aan de comp: over te geeven ten eijnde door deselve te regt gesteld te worden en dat ik hun aemandeerende den koning hier van kennisse te geeven ten spoedigsten nader bescheid verwagten soude in het vast aenkbeeld dat zijn hoogheid so min als zij daar iets tegen zoude hebben. Met welk antwoord zij niet alleen voor t uiterlijk betoonden maar genoegsaam alle tesaamen betuigden ten hoogsten in haar schik te zijn ik
English
From Macasser, 24 October 173— From Macasser, 24 October 173— Sunday the 3rd: to me by the second Shahbandar, who was the principal speaker, thanking me most solemnly for that and indicating that they had abundant reasons to be convinced of my good disposition toward the realm of Goa, while they furthermore pledged to report what had been discussed to the king and to make His Highness's answer known to me shortly, whereupon, having taken a friendly leave, they departed. Nothing occurred. Monday the 4th: I issued to the king of Goa, in accordance with His Highness's request, two passes for two small vessels to fetch some small items from Bima. Tuesday the 5th: A certain subject of the king of Boni, seized by order of the prince Daing Mandjaroengie with the intention of selling him, having escaped by flight and fallen into my hands, I not only had him handed over to His Highness as proof of the conduct of Daing Mandjaroengie, but also requested that the actual thief, being a dependent of the Company who is staying with the aforesaid prince and named Geenda, might be delivered to the Company in order to be able to punish him according to his deserts, whereto the monarch, according to the report made by the assistant interpreter, had immediately given orders. Furthermore, I was informed by the chief interpreter that the king of Goa, together with the queen of Tallo who resides at Sambung, had departed yesterday evening by sea for Tallo to divert themselves there for a few days with fishing. After this, I learned from a certain confidant how, some days ago, discussions had been held at the court of Boni that Datoe Baringang was on the point of departing for Sedenreng with a large force to chastise the Datoe, and that the king had already given him orders to that effect, while he himself was also said to have expressed himself on the matter. Upon the received news and accompanying complaint from the Lomo of Siang on Wednesday the 6th: that the former Pongauwa had not only presumed to occupy the Company's or governor's house at Siang under the pretext of having permission to do so, and to hold a cockfight there, but that he also intended, and had indeed already begun, to erect a house in the neighboring settlement, I sent the Company's emissary Daing Mandjarecki to him to confront him with his improper conduct, and how bad consequences could easily arise from this regarding the Company's subjects, who had already stated that they would have to relocate; with the recommendation, therefore, not only to vacate the aforesaid dwelling and to refrain from building further From Macasser, 24 October 1773— From Macasser, 24 October 173— Thursday the 7th. Nothing occurred. a house, but also to cease the holding of cockfights and other such games. In the afternoon, the Resident of Saleyer, Vol, arrived here, accompanied by various native chiefs and the usual workforce. Friday the 8th. The aforementioned regents of Saleyer who arrived here appeared before me, with whom, however, nothing was negotiated, as they testified that all was well in their regencies, except, however, that the uncommonly raging children's disease was pressing extremely hard upon them and their subjects. The ordinary emissary Daing Mandjareki, having subsequently returned from Siang, reported to me how the former Pongauwa had answered him in response to my message: That he had moved into the governor's house because of the intended relocation of his own house, which was also already being torn down, and this after having given prior notice thereof to the Lomo of Siang, because he made no distinction between the Company and the king of Boni, trusting on the contrary that both would look after his well-being; that having presently fallen out of favor with the king his father, he had taken all his refuge with the governor, and that in case the latter would not grant him permission to remain at Siang, he would then be forced to join the enemies of Boni. To which Daing Mandjarckie indeed affirmed to have pointed out to him that he showed too much haste in this matter, and that the governor had no other intention than to prevent all difficulties that might arise between the Company's subjects and the Boniers, but that he received no further answer to this, adding, however, that the said Pongauwa appeared to be uncommonly dejected. The Lomo of Siang present here, being further questioned by me on this matter as to whether the former Pongauwa had given him notice, and having answered the same in the affirmative, under further affirmation that he and his subordinates had initially indeed been apprehensive that the started cockfighting game would give cause for further evil, but that since this had already been discontinued there was nothing to fear, all the more so because the former Pongauwa kept his people in good discipline, I therefore gave orders to the Resident of Maros to dispatch his emissary once again to the Pongauwa in order to make known to him in my name how very strange his answer to the message delivered to him had seemed to us, since I was as little aware that the king of Boni had engaged in hostilities with any allies as 1/31
Dutch transcription
Van Macasser Den 24: 8ber 173— Van Macasser Den 24. October 173 — zondag den 3: mij door den tweeden Sjabandhaer die voornamentlijk het woord voerde datra voor op het plegtigste bedankiende onder te kennen gave dat sij overvloedige redenen hadden van mijne goede geneijgdheijd tot het rijk van goa over„ „tuigd teweesen terwijl sij voorts toezegging deeden van het verhandelde aan den koning verslag te zullen doen en mij sijn hoogheds antwoord eerstdaags bekend tekomen maeken waar op z vriendelijk afscheid geno „men hebbende vertrocken. viel niets voor. Maandag „ 4: Hebbe rik aan den koning van goa conform sijn hoogheijds versoek twee passen afgegeeven voor twee kleene vaartuigen ter afhaal van eenige kleenigheeden van Bima. Dingsdag „ 5. zeeker onderdaan van den koning van bonij ter ordre van den pams Daing Mandjaroengie op gevat met intentie om hem te verkoopen door de vlugt ontkomen en in mijn handen geraakt zijnde hebbe ik denselven ten bewijse van 't gedrag van danig mandjaroengie niet alleen aan sijn hoogheid doen overgeeven maer ook laeten versoeken dat den wesent„ lijke drief zijnde een onderhoorige van de Comp: welke zig bij meermelte prins onthoud en genaamt is geenda aan de Comp: uitgeleverd mogte wor„ „den ten eijnde denselven na verdienste te kunnen straffen waar toe den vorst volgens het gedan rapport van den ondertolk blij aanstonds ordre hadde gegeeven. Doorts wieet mij door den opetelk berigt dat den koning van goa nevens de koninginne van tello die op shanig verblijt hout gisteren avond over zee natello waeren vertrocken om sig voor een paar dagen aldaar met visschen te di„ Hier na vernam ik ut zeeker vertrouweling hoe en reesvoor enige dagen aan het hof van bonij discoursen waaren gevoerd dat datoe Ba„ „ringang naar sedeenring stond te vertrekken met een groote machtom den datoe te kastijden en dat den koning hem daar toe reets ordre gegeeven hadde mitsgaders hij zelve zig daar over ook al uitgelaeten soude hebben. op d ontvangen tijding en bij gevoegde klagte door den lomo van siang woensdag den 6: dat den geweesen Pongauwa zig niet alleen hadde onderstaan on 's Comp: of gouverneurs woning te siang te betrecken onder voorgeeven daar toe permissie te hebben en aldaar een hanevegterij te houden maar hoe hij ook voornemens en dats reets begonnen was een huis in de daar naast gelegen negorij op te rechten hebbe ik sComp: zendeling Danig Man„ djarecki aan denselven gesonden om hem zijn onbehoorlijk gedoente voor te houden en hoe hier uit ligtelijk quaade gevolgen zoude kunnen ont„ staan omtrend sComp: onderdaanen welke reets voorgegeeven hadden tot verhuising te zullen moeten overgaan met recommandatie dierhalven om niet alleen even gem: wooning te ruimen en van het bouwen verteeren. voorts van Van Macasser den 24. 8ber 1773 — Van Macasser den 24. 8ber 173 — Donderdag den 7. viel niets voor van een huis af te zien maar ook het houden van hane vegterijen en andere diergelijke spellen te staaken In den middag arriveerden alhier den Saleijers resident vol verseld zijnde van diverse Jnlandsche hoofden en het gewoone werk volk. Vrijdag „ 8. zijn de opgemelde alhier aangekomene regenten van Saleijer bij mij verschee„ „nen met dewelke nogthans niets verhandeld is also deselve etuijgten dat alles in hunne regentschappen wel gesteld was behalven nogthans dat d'ongemaen woedende kinder ziekte hun en derselver onderdaanen ten uijterste swaar kwam te drucken. Den ordinairsen deling danig Mandjareki vervolgens van Siang terug gekeerd bragt mi tot apport hoeden geweesen Pongauwa hem op mijne bood„ schap ten antwoord hadde gegeeven. Dat s gouverneurs wooning hadde vertrokken mits de voorgenomen verplatzing van sijn eijgen huis t welk reets ook afgebroken wierden zulks na voor af aan den lomo van Siang daar van kennisse gegeeven te hebben ter zaake hij tusschen de Comp: en den koning van bonij geen on„ derscheid maekende in tegendeel vertrouwde dat die beijde sijn welweesen zouden betragten dat hij nogthans tegenwoordig uit de gratie van den koning zijnen vader geraakt allen zijn tvelugt tot den gouverneur hadde genomen en dat in gevalle deese hem niet accordeeren wilde op Siang te verblij„ ven hij dan genoodtsaakt zoude weesen zig bij de vijanden van bonij te begeeven. op het welke Danig Mandjarckie wel betuigde hem voorgehouden te hebben dat hij hier omtrend te veel haastigheijd betoonde n den gouverneur geen ander inzigt hadde dan om alle moeijelijkheijden die tusschen sComp: onderdaanen en de boniers konden ontstaan te prevenieeren dog daar op geen nader beshed te hebben gekreegen met bijvoeging egter dat den gem: songauwa ongemeen bedrucht scheen te zijn. De alhier aanweesende Lomo van siang hier op door mij nader onder„ „vraagd of den geweesen pongauwa hem communicatie gegeeven hadde en denselven sulkis met ja beantwoord hebbende onder verdere betuiging dat hij neevens zijne onderhoorige in 'teerst wel waaren bedicht geweest dat het aangeregte haanevegterij speloorsaake tot verder quaad zoude geeven dog dat mits zulks reets afgeschaft was er niets te vreesen waare te meer den gew: Pongauwa de zijne in een goede discipline hield so hebbe ik den Maros Residentordre gegeeven om desselfs zendelings andermal aan den Pongauwa af te vaardigen ten eijnde den selven uit mijn naam te kennen gegeeven hoe wij sijn antwoord op de hem gedaane boodschap zeer vreemd was voorgekomen vermits ik so min wiste dat de koning van bonij met Eenige bondgenooten in vijandschap was genomen als 1/31
English
From Macasser the 24th October 1773 From Macasser the 24th October 173— as if a remonstrance to him concerning the moving out of the Company's residence without my prior knowledge and the erecting of a house could give any the slightest occasion to nourish such thoughts, all the more so since I would not have refused him the one or the other if he had informed me thereof, except however the keeping of a cock-fighter, from which troubles usually arose; but that at present, because this latter had also occurred more than once, I was well willing to permit him to proceed with the relocation of his house and in the meantime to remain in my residence, provided he came to guard against all disputes between the subjects and his people by keeping the latter in check. Saturday the 9th the King of Goa and the Queen of Tello, having returned from their pleasure trip, had me informed thereof. Sunday the 10th. Nothing occurred. Monday the 11th. Tuesday the 12th. On account of the lagging reply from the Goan court to the conference held with the grandees of the realm on the 2nd of August, having therefore sent to the King under the remonstrance that the impending departure of the last vessels to Batavia caused me to wait for it, an assistant interpreter brought me a report that His Highness had declared to have been prevented thus far from fulfilling the promise, but that he would soon send his grandees of the realm with the decision taken on my proposal. Wednesday the 13th. Nothing occurred, except that the license master Voll, having come to me, was able to report that the former Bonese Pongawa Lacasie, having been solicited both by the Mandharese Maradia of Ramboang and by the Adatoang or Datu of Sidenreng to come over to them, at least upon the offer made to him to grant him residence, had declined the one and the other, making known that he had as yet no reasons to distance himself from the Company and Boni, and even less to betake himself to them before and until the dispute between the Company and the Mandharese and that between Boni and Sidenreng should be settled, notwithstanding it was true that he was in disgrace with the King, his father. Thursday the 14th. Upon the report received this morning from the Captain Commandant Petersz that yesterday towards evening two soldiers were caught by the ordinary patrol in the Kampong Bugis, while two were in the first lontang drinking sagweer, I, after having given orders to punish them, sent the chief interpreter to the King of Boni in order to notify His Highness of this case, as well as the house in the lontang and the person who inhabits the same and gains his livelihood with the sale of that beverage, and to bring to his attention how little his subordinates cared about the orders given to them; and that I therefore, as a consequence of the strict prohibition against the sale of sagweer by the Bonese to the Company's common servants recently issued by His Highness, vide 23 August past, wished to expect that an exemplary punishment would now be inflicted upon the said wilful transgressor thereof, and I also had this specifically requested. Whereupon Brugman brought me as an answer that the King, far from immediately giving orders to have the guilty person brought before him after the indication of the house, had merely contented himself with asking the Tomilalang and Datu Baringang whether the person might also be known to them; who both having answered no thereto, His Highness had further said nothing other than that he would establish orders against it for the future, and those who might undertake such again would be punished, but that he at the same time, having been informed that the soldiers often came to force his subjects to tap sagweer for them, requested me to forbid them such. Which the chief interpreter had left unanswered, wherefore I nevertheless reproached him, since the Prince's pretext in this matter is so frivolous that it is to be wondered at how he can come forward with it, seeing that no soldiers dare presume to commit any the least molestation in the populous kampongs of the Buginese, as knowing well that they would immediately have to pay for it with their lives, which so often happens without cause if the Bonese can only find an opportunity for it, and also forms the principal reason why one must punish the common people so severely for wandering about thereabouts. I have also on this occasion sent Brugman to the Prince Datu Baringang upon the complaint of the postholder at Siang that the same did not want to pay the tithe of 1,000 bundles of paddy, which the same has nevertheless now promised, pretending not to have been unwilling thereto, but that such was an error of the guards. Friday
Dutch transcription
Van Macasser Den 24: 8ber: 1773 Van Macasser den 24:' 8ber 173— wals als hem eene voorhouding omtrent het betrecken buiten mijn voorweeten van s Comp: wooning en het oprechten van een huis eenige de minste aanleijding konde geeven om diergelijke gedagten te voeden temeer ik hem het een en ander niet zoude geweijgerd hebben wanneer hij mij daar in gekend hadde sehalven nogthans het houden van een hanevegter ij waar uit doorgans moeijelijkheeden ontstonden dog dat ik thans wijl dit laatste ook niet meer dan eens geschied was hem wel wilde vergunnen met de verplaatsing van zijn huis voort te vaaren en intusschen in mijn wooning te verblijven mits hij voor alle geschillen tusschen d'onderdaenen en sijn volk kwame te waeken door de laatste intoom te houden. Zaturdag den 9 dekoning van goa en de konniginne van Tello van hun spalraijse gereverteerd lieten mij daar van kennisse geeven niets voorgevallen Dingsdag „ 12. Mits hetagter blijvend antwoord van het goas hof op de conferentie den 2. hugus met de rijke grooten gehouden daar om bij den koning gesonden hebbende onder voorhouding dat het ophanden zijnde vertrek der laatste vaartuigen na batavia mij daar na deed wagten so bragt aen onder„ tolk blij mij tot rapport dat zijn hoogheid betuigd hadde tot dus verre Zondag: „ 10. ' Maandag „ 11:' op het heeden morgen ontfangen rapport van den Capitain Comman, Donderdag „ 14. „dant Petersz dat gisteren tegen den avond door de gewcoone pa„ trvuille twee militairen waaren geattrappeerd in de Campong bou„ gis terwijl 2 in de eerste lontang Laten zaqueer te drinken hebbe ik na gegeeven ordre om deselve af te straffen den oppertolk verhinderd te zijn geweest om aan de toe zegging te voldoen dog dat hij eerstdaags zijne rijksgrooten met het genomen beslut op mijn voorstel zenden soude viel niets voor dan dat den licentmeester voll bij mij gekomen sijnde woensdag den 13. wist te berigten dat den geweesen bonijs Pongauwa lacasie to wel door den Mandharees maradia van Rmmboeang als door den Adatoeang of datoe van sedeenring aangesogt zijnde om tot haar over te komen ten minste op de hem gedaane aanbieding om hem verblijk te zullen verleenen den een en ander afgeslagen hadde onder te kennen gave als nog geen redenen te hebben zig van de Compagnie en bonij te verwijderen en te minder om sig bij haar te vervoegen voor en al eer het geschil tusschen de Comp: en de Mandhareesen en dat tusschen bonij en bedeenring soude weesen verevend niet tegenstaande het waar was dat hij bij den koning sijn vader indisgratie stond. verhanderd naar 133 Van Macasser Den 24. 8ber: 173— Van Macasser den 24 8ber 173 — naar den koning van bonij gesonden ten eijnde sijn hoogheijd onder tekennen gave van dit geval nevens thus op tontang en de persoon die het selve bewoond mitsgaders sig met het verkoopen van dien drank erneerd onder het oog te brengen hoe weijnig zijne onderhoorige sig aan de haar gegeeven wordende ordres bekrunden en dat ik dierhalven als een gevolg van het door sijn hoogheijd nog jongst vide 23. augustus pass„o gedaane scherp verbod tegen het verkoopen van Saquera door de boniers aan sComp: gemeene dienaaren ver„ wagten wilde dat als nu een exemplaar straffe aan den ged: moetwillige overtreeder van dien soude gestatueerd worden en ik zulks ook wel speciaal versoeken liet waar op mij brugman tot antwoord bragt dat den koning wel verre van ten eersten ordre te geeven om na gedaane aan„ wijsing van het huijs aen schuldigen voor sig te doen brengen sigen kel vergenoegd hadde aan den Tomilalang en datoe Barni„ „gang te vragen of hun de persoon ook bekend mogte weesen die daar op beijde neen g'antwoord hebbende so hadde sijn hoogheid wijders niet anders getegt als dat hij daar tegen voor het vervolg ordre soude stellen en die sulks weeder mogte onderstaan gestraft souden worden dog dat hij teffens onderrigt dat de militairen sijndon„ „derdaanen dikiwils kwamen te dwingen om aan deselve saqueer te tappen mij liet versoeken om hun sulks te verbieden 't geen den oppertolk onbeantwoord gelaeten hadde waar over ik hem mogthands gerepro„ „heerd hebbe vermits svorsten voorgeeven in deesen so frivool is dat het te verwonderen sij hoe den selven er meede voor den dag kankomen „gemerkt geen militairen sig durven verstouten om eenig het minste molest in de volkuijse Campongs der boegineesen te pleegen als wel weetende dat z. het aanstonds met de dood zouden moeten bekoopen dat sodikewal als sonder oorsaake geschied alser de boniers maar gele„ gentheid toe kunnen vinden en ook de voorname reden uit maakt waarom men het gemeen over het swerven daar omstreeks so streng diend te Straffen. ook hebbe ik brugman bij deese geleegentheijd aan den Prins Datoe baringang gesonden op de klagte van den afscheepen te siang dat den selven de tiende van 1000 bossen padij niet wilde voldoen het welk den selven mogthans nu belooft heeft sig quaesie gelae„ „tende daar toe niet onwillig te zijn geweest maar dat sulks een abuis vande bewaekers was souden vrijdag 135
English
137. From Macasser the 24th October 1773 From Macasser the 24th October 1773. Friday the 15th. In view of the now completed circumcision and the promise of the Bonij regent mentioned under the date 20th April last, I sent the chief interpreter to the minister of state to urge him once again to discharge the Bonij national debt, which, however, was once again in vain, because he answered nothing else than that he would sit together on this matter at the earliest opportunity with the other grandees of the realm and do their best to discharge that arrear; nevertheless Brugman added how he subsequently, in accordance with the order also given to him, whereof further below, went to the King of Bonij, and the opportunity having arisen to call the Tomilalang, serving to have found the same with the regent, the prince asked him what he, Brugman, had done there, and after this was made known to him, the regent and Tomilalang came upstairs together upon that. That His Highness thereupon intimated that he had not had the regent called, but indeed the Tomilalang, whom he then immediately asked how much the debt still amounted to and what means they were employing or intended to put into effect in order to satisfy the same, and His Highness, upon their answer that they knew of nothing better to devise than to hold a collection among the collective Boniers, said that such had indeed been done long ago and therefore could not take place another time without oppressing the subjects, that for his part he was prepared to provide half himself if they would stand for the former, with the further addition of some remarks as if it was very well known to him that they had applied the collected monies to their own use, which, as well as the further statements, had been left unanswered by the regent. Furthermore, upon my complaint about the Matoua Waga at Siang, who, according to the report given to me, by the shipper of the tithed rice had outright refused to pay that duty to whoever might order him, except the King, the prince immediately gave orders to dispatch an emissary to the same at the earliest opportunity to order him to do so in the King's name, and furthermore requested that I would add one from the Company to take cognizance thereof. Upon which report I ordered the chief interpreter to provide such a servant to accompany Bonij's emissary. The Maros emissary Care Mandjareki returned from the north with a letter from the Maros resident Van Rossum, informing me how the former Pongauwa, on the message delivered to him on my behalf 139 From Macasser the 24th October 1773 — Macasser the 24th October 1773 — regarding the moving into the Governor's residence at Siang and the relocation of his house, expressed his most friendly thanks, but with regard to my remark about the answer given to the emissary sent to him beforehand, attested not to have expressed himself to the same as if he harbored any thoughts of going over to Bonij's enemies, and such had therefore been incorrectly reported by the latter, that he was very far from that, as knowing he would thereby make himself guilty of death, not even wanting to take refuge with the Mandharese, however easily he had the opportunity thereto, but placed his trust solely in the Company, and even lived in the hope of being received back into grace by the King his father through my intercession, while he in the meantime would take care that neither concerning him nor his subordinates would there be any reasons for complaint, nor any disputes arise between them and the Company's subjects, and furthermore strive to give proofs of his obedience and obligation to the Company. Subsequently, it was brought to my knowledge orally by Care Mandsarekie, pursuant to what was mentioned in the said letter, how Aroe Pantjan, son of the Queen of Tanette, had once again committed hostilities at Mandalle, not only having his people rob the subjects there of various trifles and even of some vessels, but also having established a cockfight there, while the bamboos from the forests were being violently chopped away without being in the least disturbed by the complaints on that account, on the contrary treating the complainants with insolence. After this, the King of Goa, through his interpreter Bora, inquired after my well-being and requested access for his commissioners against next Monday or otherwise such time as might be convenient for me, which I granted for before noon at nine o'clock. Sunday the 17th. In view of the complaints received yesterday by letter from the Maros resident, that the Bonij Matoa of Data wished to appropriate from the Company's subjects 58 paddy fields in the village of Data and 66 ditto in the village of Kalli Kalli belonging to the Lomo of Maros and the Androngoeroe Talinko, 50 fields of Intje Timor, and 23 fields also of the aforesaid Lomo at Banta Bantai, having already had the same staked out with bamboos under the pretext of having orders thereto, the first-mentioned from the Makkadantana and Tomilalang, and the other from Datoe Baringang, but also making threats to those who might dare to
Dutch transcription
137. Van Macasser den 24: 8ber 1773 Van Maccassen den 24. 8ber 173. Vrijdag den 15:' Mits de than volbragte besuijdenisse en de toezegging van bonij rijks be„ stierder vermeld onder dato 20. april pass„o hebbe ik den oppertolk aan den staats minsters gesonden om hem alweder tot aflegging vande bonijse rijkschuld aan te maanen dat egter nogmaals vrugteloos is geweest vermits den selven niet anders g'antwoord hadde dan daar over ten eersten te sullen sitten met d'overige rijksgrooten en hun best te doen om dat agter stal afteleggen nogthans voegde brugman en bij hoe hij sig vervolgens Conform achem al meede gegeeven ordre waar van hier onder nader bij den koning van bonij vervoegd en ter geleegentheijd gegeeven laast om den Tomilalang teroepen gediend hebbende den selve bij den rijksbestienrder te hebben gevonden aen vorst hem hadde gevraagt wat hij brugman aldaar gedaan hadde en na dat hem sulks bekend gemaakt, was den Rijks„ bestierder en tomilalang daar op tegelijk boven gekomen waaren. Dat zijn hoogheid hier op onder te kennen gave den rijks bestiender niet te hebben laaten roepen maar wel den tomilalang haar weijder egter aanstonds hadde afgevraagd hoe veel de schulde nog bedvoeg en welke middelen sij waaren aanwendende of meenden in 'twerk te stellen om deselve te voldoen en zijn hoogheijd op hun antwoord dat z niets beter wisten uit te donken dan een collecte te doen onder de gesamentlijke boniers gezegt hadde dat sulks immers rees voor lange geschied was en dierhalven niet andermaal konde plaats hebben sonder donderdaanen te drucken dat hij sijns aandeels bereijd was de helfte zelfs op te brengen wanneer zij voor 't voorige instonden onder verdere bijvoeging van eenige remarques als of hem zeer wel bekend was dat 'z' de ingevorderde penn: tot eijgen gebruikt hadden aangelegt 't welk so wel als het verder gesegde door den rijksbestiender onbeantwoord was gelaeten. voorts hadde den vorst op mijne klagte voor den Matoua waga te siang die volgens het mij gegeeven bericht door den afscheeper van de vertiende rijsten sadij rond bij uit geweijgerd hadde die geregtig„ heijd te betaelen wie het hem ook beveelen mogte behalven den koning aanstonds ordre gegeeven om ten eersten een zendeling aan den selven af te vaardigen ten eijnde hem sulks uit skonings naam te ordonneeren en wijders versogt dat ik er een van de Comp: wilde bijvoegen om daar van kennitse teneemen. op welk bericht ik den oppertolk gelast hebbe een sodanig bediende aan bonijs zendeling meede te geeven. reventeerde den maros zendeling Care Mandjareki van de noord met een brief van den maros resident van Rossum mij berichtende hoe den geweesen Pongauwa op de aan den selven mijnent wegen gedaane bomins boodschap 139 Van Macasser den 24: 8ber 1773 — Macasser den 24. 8ber 1773— Lan boodschap raakende het betrecken van s gouverneurs wooning te siang en het verplaatsen van desselfs huis op het vriendelijkst bedankt dog ten opsigte van mijne aanmerking over het antwoord aan den hem bevoo„ „rens gesonden zendeling gegeeven betuijgd hadde sig aan den selven niet te hebben uitgelaaten als of hij eenige gedagten k wam te maaken zig bij bonijs vijanden te begeeven en zulks dierhalven door deese vere„ kerd gerapporteerd geworden was dat hij wel verre daar van daan als weetende sig daar door dood schuldig te sullen maaken net eens toevlugt soude willen neemen tot de mandhaareesen hoe gemackelijk hij daar toe gelegentheijd hadde maar alleen op de Comp sijn vertrouwen stelde en selve in hoope leefde om door mijne voor spraak bij den koning zijnen vader weder in genade aangenomen te worden terwijl hij inmiddens sorge soude dragen dat er over hem so min als over sijn onderhoorige redenen van klag, en nog eenige verschillen tusschen en sComp: onderdaanen kwamen te vallen en voorts tragten bewijsen te geeven van sijn gehoorsaamheijd en verpligting aan de Compagnie vervolgend wierd mij door care Mandsarekie ingevolge het aangehalde bij gem: brief nog mondeling ter kennisse gebragt hoe aroe Pantjan zoon vande koninginne van tanette alweder een hostiliteijten op mandalle hadde gepleegd d'onderdaanen aldaar niet alleen door zijn volk van deese en geene kleenigheeden en zelfs van eenige vaartui„ „gen doende berooven maar ook een haare vegterij aldaar opgerecht hebbende terwijl de bamboesen uit de bosschen met geweld wierden weg gekapt sonder sig aan de klagten dierwegens het minste te sertooren de klagers in tegendeel nog met brutaliteijten bejegenende Hier na liet den koning van goa door desselfs tolk bora naar mijne welstand informeeren teegens aanstaande mandag of anders zodanigen tijd als het mij convenieeren mogte acces vraagen voor desselfs gecommitteerdens 't geen ik tegens des voordemiddagt ten onegen uuren g'accordeerd hebben Mits d' opgisteren bij brieve van den maros resident ontfangene klagten zondag den 17. dat den bonijs matoa van data van sComp: onderdaanen 58 padij velden op de negorij data en 66 dito op de negorij kalli kalli toebehoorende den lomo van maros en den androngoeroe Talinko 50 velden van Jntje Timor en 23 velden almeede van evengem: zomo te banta bantai sig wilden toe eijgenen deselve met alleen reets met bamboesen hebbende doen afsteeken onder voorgave daar toe ordre te hebben den eerstgem: van den makkadantana en Tomilalang en den anderen van datoe Ba„ „ringang maar ook beareijging doende om die geene welke onderstaan mogte op
English
From Macasser the 24. 8ber: 1773— From Macasser The 24. 8ber: A:o 1773 might plow the aforementioned fields, would have them murdered, I have this morning sent to the king of bonij to lodge the most serious complaint about that affair, with my added request that his highness would immediately bring order against these insolent actions, or that in default thereof I would be compelled to make use of other means to maintain the Company's subjects in the possession of their properties, and to teach his subjects, who did not shrink from appealing to the aforementioned court grandees in committing the utmost injustices, to unlearn such behavior; whereupon I received as an answer through brugman that the prince made it known how he still recalled that there had already been murmuring about the aforesaid fields, and especially those of Jntje Timor, and claims had been made upon the same by the people of Boni at the time when his highness, still being crown prince, had lived in the Campong Baroe; requesting me, since he himself intended to depart to the north within a few days, to send someone along with His Highness at that time in order to investigate the aforesaid disputes and settle them with the Maros resident. After which the same was also instructed by me to inform the queen of Tanette of the complaints received by me yesterday concerning the insolent actions of her son Aroe Pantjana, with the request to forbid him such actions in the strongest terms and to oppose him in his evil ways, in case she would not like to see me demonstrate my sensitivity to this in such a manner that his appetite for it would forever perish, or at least the opportunity would be taken away from him; having brought report that her highness expressed her regret in this regard and made it known that she had not heard the least bit about it, but that she would immediately send the former regent of loewoe, as the only one of her grandees whom she had with her, to aroe pantjana for the aforesaid purpose. Thus I sent him once more to the king in order to bring to his highness's attention that, far from being able to consider myself satisfied with his aforesaid answer or consenting to his proposal to send someone on my behalf along to the north for an investigation into the disputes concerning the aforementioned fields, I expected that his highness would not demand such procedures of me. That I had lodged a complaint with him concerning the insolent action of his subjects, who, although the fields themselves yesterday lawful 141 From Macasser the 24. 8ber: 1773— From Macasser The 24. 8ber A:o 173 — might plow the aforementioned fields, would have them murdered, I have this morning sent to the king of bonij to lodge the most serious complaint about that affair, with my added request that his highness would immediately bring order against these insolent actions, or that in default thereof I would be compelled to make use of other means to maintain the Company's subjects in the possession of their properties, and to teach his subjects, who did not shrink from appealing to the aforementioned court grandees in committing the utmost injustices, to unlearn such behavior; whereupon I received as an answer through brugman that the prince made it known how he still recalled that there had already been murmuring about the aforesaid fields, and especially those of Jntje Timor, and claims had been made upon the same by the people of Boni at the time when his highness, still being crown prince, had lived in the Campong Baroe; requesting me, since he himself intended to depart to the north within a few days, to send someone along with His Highness at that time in order to investigate the aforesaid disputes and settle them with the Maros resident. After which the same was also instructed by me to inform the queen of Tanette of the complaints received by me yesterday concerning the insolent actions of her son Aroe Pantjana, with the request to forbid him such actions in the strongest terms and to oppose him in his evil ways, in case she would not like to see me demonstrate my sensitivity in such a manner that his appetite for it would forever perish, or at least the opportunity would be taken away from him; having brought report that her highness expressed her regret in this regard and made it known that she had not heard the least bit about it, but that she would immediately send the former regent of loewoe, as the only one of her grandees whom she had with her, to aroe pantjana for the aforesaid purpose. Thus I sent him once more to the king in order to bring to his highness's attention that, far from being able to consider myself satisfied with his aforesaid answer or consenting to his proposal to send someone on my behalf along to the north for an investigation into the disputes concerning the aforementioned fields, I expected that his highness would not demand such procedures of me. That I had lodged a complaint with him concerning the insolent action of his subjects, who, although the fields themselves yesterday lawful 141
Dutch transcription
van Macasser den 24. 8ber: 1773— Van Macasser Den 24. 8ber: A:o 1773 mogte de gem: velden te beploegen te zullen laeten vermoorden hebbe ik hee„ den morgen na den koning van bonij gesonden om over dat gedoente op 't ernstigste te doleeren mij bijgevoegd versoek dat zijn hoogheijd tegen deese brutale gedoentens ten eerste ordre wilde stellen of dat ik bij gebreeke van dien genootsaakt soude weesen tmij van andere middelen te bedienen om scomp: onderdaanen in de possessie van hunne goederen te maintineeren en zijne onderdaanen die met schroomden zig op de voorm: hofsgrooten te beroepen in het pleegen van d' uitterste on„ regtvaardigtheeden sulke gedoentens te verleeren waar op ik door brugman ten antwoord ontfing dat den vorst onder te kennen gave hoe hem nog voorstond dat er reets over de voorsz: velden en insonderheid die van Jntje Timor al ge„ „mompeld en pretensie op deselve door de boniers was gemaakt ten tijde zijn hoogheijd nog k roon prins zijnde in de Campong Baroe gewoond hadde mij liet versoeken om vermits hij zelfs voorneemens was binnen weijnig dagen na de noord te verstrecken als dan iemand met zijn Hoogheijdsmeede te geeven ten eijnde na de voorsz: geschillen ondersoek en deselve met de Maros resident af te maaken. waar na den selven als teffens door mij gelast omde konin„ ginne van Tanette ter kennisje te geeven van de bij mij op gisteren ontvangen klagten over de brutale bedrijven van haar zoon droe Pantjana met versoek om den selven diergelijke gedoentens op het ernstigste te verbieden en hem in sijn quaade gangen tegen te gaan ingevalle zij niet gaarne zien wilde dat ik daar mijne gevoe„ digheijd indiervoegen kwam te toonen dat hem den lust daar toe voor ltoos wel vergaan of de gelegentheijd ten minste benomen soude worden berigt gebragt hebbende dat haar hoogheid dierwegens haar leedweesen betuigt en te kennen gegeeven hadde daar van niets het minste vernomen te hebben dog dat z ten eerste den gew: rijks„ bestierder van loewoe als d'eenigste haarer grooten die zij bij zig hadde aan aroe pantjana ten eijnde voorsz: zoude afzenden. zo hebbe ik hem andermaal naar den koning gesonden ten eijnde sijn hoogheid onder het oog te brengen dat ik wel verre van wij over desselfs voorschreeven antwoord voldaan te kunnen houden of te bewilligen in desselfs voorstel om iemand mijnent vegen na de noord meede te geeven tot een ondersoek over de ge„ schillen omtrend de opgem: velden verwagten wilde dat zijn hoogheijd mij diergelijke proceduures niet vergen soude. Dat ik bij denselven hadde laeten doleeren over het brutaal bedrijk zijner onderdaanen die ofschoon de velden hun zelfs gisteren wettig 141 van Macasser den 24. 8ber: 1773— Van Macasser Den 24. 8ber A:o 173 — mogte de gem: velden te beploegen te zullen laeten vermoorden hebbe ik hee„ den morgen na den koning van bonij gesonden om over dat gedoente op 't ernstigste te doleeren mij bijgevoegd versoek dat zijn hoogheijd tegen deese brutale gedoentens ten eerste ordre wilde stellen of dat ik bij gebreek van dien genootsaakt soude weesen mij van andere middelen te bedienen om scomp: onderdaanen in de possessie van hunne goederen te maintineeren en zijne onderdaanen die met schroomden zig op de voorm: hofsgrooten te beroepen in het pleegen van d' uitterste on„ regtvaardigtheeden sulke gedoentens te verleeren waar op ik door brugman ten antwoord ontfing dat den vorst onder te kennen gave hoe hem nog voorstond dat er reets over de voorsz: velden en insonderheid die van Jntje Timor al ge„ „mompeld en pretensie op deselve door de boniers was gemaakt ten tijde zijn hoogheijd nog k roon prins zijnde in de Campong Baroe gewoond hadde mij liet versoeken om vermits hij zelfs voorneemens was binnen weijnig dagen na de noord te verstrecken als dan ieman met zijn Hoogheijds meede te geeven ten eijnde na de voorsz: geschillen ondersoeken deselve met de Maros resident af te maaken. waar na den selven als teffens door mij gelast omde konin„ ginne van Tanette ter kennitse te geeven van de bij mij op gisteren ontvangen klagten over de brutale bedrijven van haar zoon Aroe Pantjana met versoek om den selven diergelijke gedoentens op het ernstigste te verbieden en hem in sijn quaade gangen tegen te gaan ingevalle zij niet gaarne zien wilde dat ik daar mijne gevoe„ ligheijd in diervoegen kwam te toonen dat hem den lust daar toe voor altoos wel vergaan of de gelegentheijd ten minste benomen soude worden berigt gebragt hebbende dat haar hoogheid dierwegens haar leedweesen betuigt en te kennen gegeeven hadde daar van niets het minste vernomen te hebben dog dat 'z ten eerste aen gew: rijks„ bestierder van loewoe als d' eenigste haarer grooten die zij bij zig hadde aan aroe pantjana ten eijnde voorsz: zoude afzenden. zo hebbe ik hem andermaal naar den koning gesonden ten eijnde sijn hoogheid onder het oog te brengen dat ik wel verre van mij over desselfs voorschreeven antwoord voldaan te kunnen houden of te bewilligen in desselfs voorstel om iemand mijnent wegen na de noord meede te geeven tot een ondersoek over de ge„ schillen omtrend de opgem: velden verwagten wilde dat zijn hoogheijd mij diergelijke proceduures niet vergen soude. Dat ik bij den selven hadde laeten doleeren over het brutaal bedrijf zijner onderdaanen die ofschoon de velden hun zelfs gisteren wettig 141
English
From Makassar the 24th of October 1773 From Makassar the 24th of October 1773 lawfully belonged, as they could not be their own judges, they were obliged to address his highness, and that I accordingly had requested again that his highness, without the least delay, would send orders to them commanding them to surrender immediately all the fields, not a single one excepted, to those who had already been in possession of them for a very long time, while his highness remained free, for the rest, if he should see fit, to inquire into the grounds of the claims made by his people to those fields or a part thereof, while I would always show myself ready to grant justice to his people in case of any lawful demands and sufficient demonstration of the same. Upon which further message the prince also let me know that he had to agree to the fairness of my request and was pleased to learn of my willingness to hear the claims that might be made by his people, while he had immediately given orders to the tomilalang, inquiring whether the action of his people had occurred with his prior knowledge or order, though he pretended to be ignorant of it, to send an envoy to Maros in order immediately to return the marked fields and to have his people themselves remove the bamboos and poles used for that purpose, further requesting me to send along an envoy on my behalf in order to see these orders of his carried out. Meanwhile Brugman also reported to me that his highness, having asked him whether I would send along one of the interpreters when he was to depart for the noorakart to investigate the aforementioned questions more closely, he had replied to him that he could not say. In accordance with what was agreed the day before yesterday, having been granted audience as commissioners on behalf of the king of Goa, there appeared before me the following grandees of the realm, namely: the first Tomilalang the second Tomilalang Craeng Catapang the first sjahbandar Craeng Bonto the second sjahbandar the gallarangs Mangasa Tombolo Tjamba Samatha and Patjinongang, 143 From Makassar the 24th of October 1773 From Makassar the 24th of October 1773 they testified that they were expressly sent by the king to express their dutiful gratitude that I had wished to let them retain the prerogatives granted to them upon their conquest by the Company through the Lord Admiral and Commander-in-Chief Speelman (H:E:M:), to govern their subjects according to the laws of their country and consequently also to punish criminals in accordance therewith, that they were exceedingly joyful and pleased about this and could not refrain from expressing such, and how for that reason, along with their wives and children, they reconciled themselves for the rest to their impoverished condition in complete peace and contentment. However, regarding what further concerned my proposal, they once again took the liberty to request to be excused from the surrender of those who might be guilty of abducting the Company's servants, and that it might instead be granted to them to punish such persons themselves as a deterrent to others, which would then be done with the utmost severity, upon which they believed the Company would receive sufficient satisfaction. To this I had Merchant Voll reply to them that, having first to remark that I had previously left it to the king and grandees of the realm to punish the guilty abductors of the soldier in question themselves in the case at issue, on the condition that in the future such criminals would be handed over for the aforementioned purpose, and since this matter remained intact following the request now made previously, I must now ask, before declaring myself on the matter, what that punishment would consist of; and upon being served by them with the reply that it would consist of the rampassen or the confiscation of all the goods and possessions of the criminals, as well as their banishment forever from the country, I then gave them to know: that, as a token of my true affection for the kingdom of Goa and for the promotion of its prosperity, as well as for the forging of mutual friendship with the Company, now taking a further step, I was willing to consent to the said request, but that since it was necessary that the Company should obtain assurance that in unforeseen cases of that nature the punishment would actually be carried out, it consequently followed naturally that they had to bind themselves thereto, and especially that the banishment would be executed in such a manner that the criminals would never obtain the opportunity to return secretly to the country afterwards. Of all of which they declared that they would make a report to the king. soldier would 141
Dutch transcription
Van Macasser den 24. october 1773 Van Macasser Den 24 october 173 — wettig mogte gehooren immers hun eijgen regter niet mogende weesen verpligt waeren sig bij sijn hoogheijd 't addresseeren en ik de dien vol„ „gende als nog versoeken liet dat zijn Hoogheijd zonder het minste uitstel ordre aan deselve wilde afvaardigen om hun te gelasten alle de velden geen enkelde uitgezondert daedelijk over te geeven aan die geene welke de„ „selve reets een zeer langen tijd impossessie hadden gehad terwijl het zijn hoog„ heijd vrijstond sig voor 't overige so hij sulkis mogte goed vinden na den grond van de door hun voorgewende pretendien op die velden dan wel een gedeelte derselve 't informeeren terwijl ik mij altoos gereed soude toonen om de zijnen ingevalle van eenige wettige eijsschen en een voldoende aantooning van deselve regt te verschaffen. op welke nadere boodschap den vorst omij dan ook weeten liet dat hij de billijkheijd mijner begeerte moeste toestemmen en verblijd was meijne bereidwilligheijd te verneemen om de pretensien die er door de zijnen mogten gemaakt wierden aan te hooren terwijl hij aanstonds aan den tomilalang onder afvrage of het gedoente der zijne melt sijn voorkennisse of ordre mogte geschied weesen dog die zig daar omtrend ignorant hield ordre gegeeven hadde een zendeling na Maros te zenden ten eijnde de afgestookene velden daedelijk te rug te geeven en de bamboesen en stocken daar toe gebruiket door de zijne zelfs weder te doen wegnemen mij wijdens laetende versoeken om een zendeling mijnen twege meede te geeven ten eijnde dese sijne beveelen te sien uit voeren. ondertuschen berechte mij brugman teffens dat zijn hoogheijd hem gevraagd hebbende of ik niemand van de tolken soude meede geeven wanneer den selven na de noorakart kwam te vertrecken om de voorm: questien nader te onder„ soeken hij daar op geantwoord hadde sulks niet te kunnen zeggen. B. conform het op eergisteren g'accordeert was acces als gecommitteerdens van wegen den koning van goa bij mij verscheenen sijnde de vol„ „gende rijktgrooten als. d'eerste Tomilalang de tweede Tomilalang Craceng Catapang d'eerste siabandhaar caaeeng bonto de tweede spabandhaar de glarvangs Mangasa Tombolo Tjamba Samatha en te Patjinongang, 143 van Macasser den 24. 8ber: 173— Van Macasser Den 24. 8ber 1773 — zo betuijgden deselve door den koning expres gesonden tewesen om haare verpligte dankbaarheijd te betuigen dat ik haar wel hadde willen laeten behouden de prerogativen hun bij denselver overwinning door de compa„ „gnie door den heere admiraal en veld overste Speelman /: H: E M: :/ vergund om hunne onderdaanen na haare slands wetten te regeeren en dien volgende ook de misdadigers Conform deselve te straffen dat zij daar over ten uitersten verheugd en verblijd met hadden mo„ „gen nalaten sulks te betuijgen en hoe zij uit dien hoofde ook in een volkomen ruste en vergenoeging nevens hunne vrouwen en kinderen sig hun armoedigen toestand voor het overige waaren getroostende. Dog dat wat verders mijn voorstel aanbelangdte hij nogmaals de vrij„ „heid kwamen gebruiken te versoeken om van d' overgave der sulke die sig aan het vervaeren van sComp: dienaaren schuldig mogten maaken verschoont en haar daar en tegen g'accordeerd mogte worden de zoda„ „nnge selve ot een afschrik van anderen te straffen t geen dan met de uitterste strengheijd geschieden zoude wanneer 2 vermeenden dat de comp: een voldoende satisfactie zoude erlangen. Jk liet hun hier op door den koopman voll antwoorden dat ik voor af moetende aanmerken dat ik aan den koning en rijksgrooten bevorens overgelaten hebbende om de schuldige vervoerders van den bewusten militair op wel in't geval in quetti zelfs te straffen onder voorwaarde dat zodanige misdadigers in den aanstaande ten voorsz: eijnde zoude overgeven worden, deese zaak mits het thans abvoorens gedaan wor„ „dend versoek in sijn geheel bleef thans alvoorens mij daar op te verklaaren vragen moeste waar in die straffe bestaan soude en daar op door haar gediend weesende in het rampassen op de beroovinge van alle de goederen en besittingen der misaaedigers mitsgaders derselver bannissement voor altoos van het land so gaf ik hun vervolgens te kennen. Htoe, ten bewijse van mijne waare sucht voor het gaf goas rijse en ter bevordering van dies welstand mitsgaders tot aanbinding van d'onderlinge vrindschap met de Comp: als nu nog een verdere stap doende in het gemelde versoek wel consenteeren wilde dog dat vermits het noodsaekelijk waare dat de comp: verseekering kwame 'terlangen dat in onverhoopte gevallen van dien aard de straffe werkelijk uitgevoerd soude worden het dien volgende van selve prak dat zij sig daar toe dienden te verbinden en insonderheijd dat het ba„ „nissement in dier voegen wierde uitgevoerd dat de misdlaedigers nimmer gelegentheid kunnen erlangen naderhand stil in het land te rug tekomen. van welk een en ander zij betuijgden aan den koning rapport te militair zullen 141
English
From Macasser the 24th of October 1773 From Macasser the 24th of October 1773 Wednesday would do and bring me further answer, after which they took their leave and departed. After this there came to me an envoy of the King of Bonij named Soera Parangie, having orders to command that monarch's subjects at Maros to immediately surrender various paddy fields which they had unlawfully wished to appropriate, according to the entry noted under the 17th of this month, and to refrain from causing the Company's subordinates any trouble; thus I ordered the Company's envoy Patjelang to accompany him and to ensure that this is properly carried out, while also giving him a letter for the resident. Tuesday the 19th nothing occurred. 20th Toward noon the King of Goa sent me a message by his envoy Jalalie, who was accompanied by the interpreters Borra Naga and Jonda, containing in substance: That His Highness, together with all the grandees of the realm, expressed his thanks for the permission so kindly granted to them, in accordance with the report made to him by the latter on the day of the recent conference, to remain judges over their subjects as a result of the prerogatives left to them; and that if such crimes as took place concerning the soldier in question should be committed again, they would not fail to punish the guilty according to their laws by confiscation and banishment, as well as to give due notice thereof to the Company. Whereupon I instructed the said envoys to answer the king that His Highness did not seem to have understood the intention, or at least this promise was far from sufficient, but that written proof thereof ought to be given in accordance with the proposal made by me to the grandees of the realm; but that, in order to prevent unnecessary messages, I would send him such a draft so that it might be reviewed by him and subsequently drawn up in proper form, signed, and sealed. Which they undertook to report to the monarch. Thereupon the envoy Patjelang returned from the northern province, bringing a letter from the resident at Maros, Van Rossum, from which, as well as from the report of the said envoy, it appeared that the surrender of all the fields under the villages of Datha and Bontha Banthai by the Bonians to the owners had taken effect, and that His Bonian Highness's envoy Soera Parangie had moreover strictly forbidden his subjects to cause those of the Company the least trouble on this account. On the other hand, to the Bonian envoy Tamalalang, who had orders from the Tomilalang in the King's name to depart for Desiang in order to order the Matoua Waga to pay his due tithe according to the entry under the 15th of this month, I sent along the aforementioned Company envoy Patjelang, in order to see that the aforementioned order is properly executed. Thursday the 21st The King of Bonij gave me notice toward noon through his courtier Moentoe that he intends to depart for the north this evening in order to amuse himself for a few days with fishing, adding that, as a consequence of my promise made some time ago that I would gladly come there for a day as well, he would let me know when everything was prepared and invite me at the same time; so I had His Highness thanked and wished him much diversion, and that whenever I could manage it I would come keep His Highness company for a single day, but that for the present I could not guarantee it on account of many duties. Thereupon His Highness set out on his journey in the evening. Friday the 22nd As a consequence of my answer given to the envoys of the King of Goa to His Highness's message of the day before yesterday, I sent the under-interpreter Blij this afternoon with a draft agreement in the Macassar language to the monarch, requesting him to review it, so that if His Highness should be willing to sign and seal such an act, it might subsequently be drawn up in proper form; to which I received in answer that His Highness would speak about it with his councilors, but that as far as he was concerned, he judged it, as a matter that was settled, not necessary to mention what occurred regarding the Glaarang Sonkolo and Cranig Borrisallo. Saturday the 23rd Nothing occurred. Below stood: Agrees. Was signed: F. Is. Voll, sworn clerk. P. Bietrig J. C. de Jongstenk Read Revised Secret. Japan Anno 1773 6 A. A. 150 Batavia To His Honour The High Noble, Right Honourable Worshipful Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General Together with The Right Honourable Lords Councilors Of the Dutch Indies High Noble Worshipful Lord And Right Honourable Lords We must once again hereby inform Your Right Honourable Worships with regret that, regarding the orders given for the increase of bar copper, not A.
Dutch transcription
e7. Van Macasser Den 24. 8ber: 1773— Van Macasser Den 24: 8ber: 173 — woensdag„ zullen doen en mij nader antwoord te brengen waar na 2 hun afscheijd namen en vertrocken. Hier na bij mij gekomen weesende een zendeling van den koning van bonij in naeme Soera Parangie last hebbende om des vorsten onderdaanen op maros de daedelijke overgave te beveelen van diverse padij velden welke sij hun onwettig hadden willen toe eijgenen na het aangetee„ „kende onder den 17. deeser en om sig te wagten sComp: onderhoorige eenige moeijelijkheeden aan te doen soo hebbe ik sComp: zendeling Patjelang gelast den selven te versellen en te letten dat hier aan behoor„ „lijk voldaan worde terwijl hem teffens een brief aan den resident is meede gegeeven. 20:e Tegen den middag liet den koning van goa rmij door sijn sendeling jalalie die verseld was van de tolken borra naga en Jonda een boodschap brengen in Substantie behelsende. „ Dat zijn hoogheijd mij nevens de gesamentlijke rijks grooten deed „ bedanken voor het hun conform der laastgem: aan hem gedaan „ rapport ten dage der Jongst conferentie so genegentlijk vergunde „ om alseen gevolg van de haar gelaatene prerogatiersen regters over „haare onderdaanen te mogen blijven en dat sij ingevalle Dingsdag den 19:' is niets gepasseerd er wederom sodanige misdaeden gals omtrend den bewusten militair plaats gehad heeft mogten gepleegd worden niet in gebreke souden blijven de schuldigen na hunne wetten door rampassen en een ba„ „nissement te straffen mitsgaders daar van aan de compagnie be„ hoorlijk kennisse te geeven waar op ik gemelden zendelingen lastgaf aen koning 't antwoorden dat zijn hoogheijd d'intentie niet scheen begreepen te hebben ten minste deese toezegging in verre na niet voldoende was maar daar van. schriftelijk bewijs diende te worden gegeven over een komstig den voorslag door mij aan de rijksgrooten gedaan dog dat ik ter voorkoming van onnodige boodschappen den selven een zodanig schuiftuurtje soude laeten toekomen ten eijnde door hem gere„ simeerd en vervolgens in forma gebragt geteekent en gezeguld te kunnen worden. 't geen zij aannamen aen vorst te zullen rapporteeren. vervolgens reverte van de noorder provintie den sendeling Pat„ „jelang meede brengende een brief van den resident te Maros van Rossum blijkens dewelke en so meede volgens het rapport van gem: sendeling, d' overgave van alle de velden onder de negorijen Datha en bontha banthai aoor de boniers aan d eijgenaaren ea gevolg 1 Van Maccasser den 24. 8ber 1773 — Van Macasser Den 24. 8ber: 1773 — gevolg genomen en dat zijn bonijs hoogheijds zendeling Soera Paran„ gie desselfs onderdaanen daar en boven wel ernstig verboden hadde die van de comp: deesent weegen de minste moeijelijkheeden aen te doen. waaren tegen ik aan den bonijs zendeling Tamalalang door den Tomilalang uit skonings naam bevel hebbende om na desiang te vertrecken ten eijnde den matoua waga te ordonneeren sijne verschuldigde tiende te voldoen na het aangeteekende onder den 15. deeser den voorm: scomp: sendeling patjelang hebbe meede gegeeven ten eijnde te sien dat voorm: last behoorlijk uitgevoerd worde. Donderdag den 21. den koning van bonij omij tegen den middag door desselfs wolk Moentoe kennisse hebbende laeten geeven voorneemend te zijn deesen avond na de noord te vertrecken ten eijnde sig eenige dagen met vischen te diverteeren met bijvoeging dat hij als een gevolg van mijne voor eenigen tijd geleeden gedaene toezegging om daar ook wel voor een dagjen te willen komen mij soudelaeten weeten wanneer alles in gereedheijd soude weesen gebragt en mij te gelijk het inviteeren so hebbe ik zijn hoogheid laeten bedanken en veel divertissement doen toewenschen en dat wanneer ik het immer konde bij brengen voor een enkelen dag zijn hoogheid geselschap soude komen houden dog dat ik sulks voor als nog Opgeleezen niet verseekeren konde ter saake van veele bezigheeden. voorts heeft zijn hoogheijd sig des avonds op reijse begeeven. Als een gevolg van mijn antwoord aan de sendelingen van den vrijdag den 22. koning van goa op sijn hoogheijts bootschap van eergisteren gegeeven hebbe ik heden nademiddag den ondertolk blij met een concopt verbandschrift in de macassaarse taele aen den vorst gesonden met versoek het selve te willen resumeeren ten eijnde wanneer zijn hoogheijd bereijd mogte weesen sodanigen acte te teekenen en te zegelen als aan vervolgens in forma teworden Jngerigt waar op ik ten antwoord ontfing dat sijn hoogheids daar over met de zijnen spreeken soude dog dat hij voor so verre hem betrof daar bij als een saak die afgedaan was oordeel„ „de niet nodig te weesen van het gepasseerde omtrend den glaa„ rang sonkolo en cranig borrisallo gewag te maeken. Js niets gepasseerd /:onderstond:/ Accordeert /: was, Zaturdag „ 23. geteekend:/ F: I=s voll gesw: Clercq: P. Bietrig JC„ de Jongstenk net Nagezien E Secreet. Japan A„o 1773 6 A. A. 150 Batavia Aan Zijn Edelheijd Den Hoog Edele Gestrenge Groot Agtbaaren Heere Witnis Albertus van der Parra Gouverneur Generaal Beneevens De wel Edele Heeren Raaden Van Neederlands India Hoog Edele Groot Agtbaare Heer En Wel Edele Heeren Wij moeten weederom bij deesen uwel Edele groot Agtbaarheedens met leedweesen bedeelen, aan de geberde beveelen ter vermeerdering van staafkooper niet A.
English
could not be fulfilled; although the first undersigned made every possible effort in Edo and offered the proposal to the chief interpreter, in accordance with the honored authorization of Your Right Honourable's letter dated 18 June 1771. But all in vain, as this interpreter answered me that all attempts and petitions were in vain, and that one had to await this with patience until such time as this should be made known. We have likewise made every effort during the trading season to comply with the honored orders of Your Right Honourables, but all fruitlessly, as the interpreters made us believe it would appear ridiculous to the government of Nangazackij to request something that could not be transported, because the ships were properly laden. So that this year we have had to be content with the stipulated 9000 chests, and the remainder from the past year of 3700, besides the 700 picols for private account, or 13400 chests together. Very respectfully requesting that the last-mentioned 700 chests or picols, which were purchased at 120 lb for ƒ60:—:—, may be favorably accepted by Your Right Honourables on that same footing, and after their delivery the proceeds thereof may be paid to the undersigned from the Honorable Company's treasury. We have likewise not neglected to inform the Japanese of the great trouble and unsparing expense which Your Right Honourables are undertaking to obtain the Persian horse still lacking from the demand, for His Imperial Majesty: with which they were satisfied. However, at the presentation of the Nangazackij gifts, the Imperial Japan at the Factory Nangazackij, the 22 November Imperial Steward Sacquemon not only very strongly requested the same from us next year, but also to fulfill the demand completely. Whereupon we answered His Honour that we shall inform Your Right Honourables of the same. The interpreters would have us understand that, if the Persian horse is brought, something good might possibly come of it. But on those interpreters and their sayings there is no sure reliance. Wherewith we take the liberty to conclude this, humbly begging that you may be pleased to confirm our conducted behavior with your approval, and favorably overlook our committed omissions that might occur, and be assured that we have with sincerity to the best of our knowledge accomplished and executed everything that served the master's interest. Your Right Honourable's obedient servants A.W. Blauw V. Armenault. Right Honourable Sir and Honorable Sirs Wherewith, after wishing Heaven's richest blessings, both upon Your Right Honourable's persons and families, as well as upon your highly laudable and illustrious government, we shall always be with the deepest respect. Anno 1773. Malacca Secret Anno 1773 To His Honour, The Right Honourable Sir Petrus Albertus Van der Parra Governor-General The Honorable Severe Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honourable Widely-Ruling Sir and Honorable Severe Sirs Whereas with the English Company ships that were here and destined for China, namely the Royal Charlotte, Captain Clements, the Osterley, Captain Cook, besides
Dutch transcription
152 niet heeft kunnen werden voldaan; schoon den Eerstgeteekenden in Tedo alle devoiren, so veel moo „gelijk in't werk gesteld heeft, en den oppertolk de aanbiedinge aan de hand heeft gegeeven, volgens geEerde qualificatie van uw Hoog Edele groot Agtb„r brieff in dato 18„' Junij 1771. dog alles te ver„ „geefs, wijl hij taalsman mij antwoorde, alle poo„ „ginge, en verzoek schriften te vergeefs waaren, en met zulks met gedult moest afwagten, tot tijden wijle zulks zoude werden te kennen gegeeven. wij hebben meede alle moeijte in de Negotie tijd aangewend om aan de geberde ordres van uw Hoog Edele groot Agtb:s te voldoen, dog alles vrugteloos„ wijl de solken ons wijs maakten, het de Regeering van Nangazackij bespottelijk zoude voorkoomen iets te verzoeken het welk niet zoude vervoerd kunnen wer„ „den, wijl de scheepen ordentelijk gelaade waaren. — zoo dat mij desen jare hebben moeten vergen oegen met de bepaalde 9000 kistjes, en het restant van den gepasseerde Jaare van 3700, neevens de 700 picols voor particuliere reekening off 13400. kistjes te saamen. verzoekende zeer Eerbiedig de laast gem: roo kistjes of picols â 120 lb voor ƒ60:—:—: zijn ingekogt, door uw Hoog Edele Groot Agtb:s goedgunstiglijk, op die selve voet geaccepteert, en na dies uijtleevering het provenus van dien aan de onderteekenaars uijt'sE Compagn:s Cassa voldaan mag werden. wij hebben meede niet nagelaaten de Japan„ „ders te bedeelen, de groote moeijte, en geen ontziende kosten welke uw Hoog Edele groot Agtb„s in 't werk zijn stellende ter bemagtiging van het aan den Eijsch nog mancqueerende Persiaans Paard, voor zijn keijzerlijke Majesteijt: waar meede zij zig te zree„ de hebben gehouden. Egter bij het presenteeren der Nangazaekijsche geschenken, heeft ons den keijzer„ met A. „lijke 154 Japan ten Comptoire Nanga„ Zackij den 22„' Novemb:r „lijke Rentmeester Sacquemon ons niet alleen deselve seer sterk verzogt aanstaande Jaar neevens den Eijsch volkoomen te voldoen. Waarop wij zijn Ed: geantwoord hebben uw Hoog Edele groot Agtb: 't selvet zullen bedeelen. De tolken willen ons wel eenigsints in begripbren„ „gen, bij aldien 't persiaans Iaard aangebragt word, moogelijk daar wel iets goeds uijt zoude kunnen voort„ „haar gesegdens „koomen. dog op die taalslieden, „ is niet seeker te vertrou„ wen. Waarmeede wij de vrijheijd neemen deese te be„ sluijten, met needrigst te smeeken ons gehoudene gedrag, met derselver goedkeuringe gelieve te be„ „kragtigen, en ons begaane omissien die noogte voorkoomen gunstiglijk te passeeren, en verzeekert te weesen dat wij met opregtheijd na beste weeten alles volbragt en uijtgevoerd hebben, 't welk tot 's meesters interest was dienende. AW Blan Uw Hoog Edele Groot Agtbaarheedens gehoorzaame Dienaaren V: Armenauts. Hoog Edele Groot Agtbaare Heer En Wel Edele Heeren Waarmeede naar toebidding van 's Heemels Rijk„ ste zeegeningen, soo over uw Hoog Edele groot Agtb„s Persoonen en familien, als desselfs hoog Loffelijke en Luijsterrijke Regiering, met het diepst ontzag altoos zullen zijn 6 Waar A:o 1773. A. N. Malacca Secreet Ao 1773 A. 155 Aan zijn Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaren Heere Petrus Albertus Van der Parra Gouverneur Generaal De wel Edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edelen Groot Agtbaren wijdgebied heere en Wel Edele Gestrenge Heeren Naardemaal met de hier aangeweest en voor china gedestineerde Engelsche Compagnies scheepen als, de Roijal charlotte capitein Clements, de ousthart capiteijn Cook„ Benevens
English
From Malacca The 2 September Anno 1775 From Malacca The 2 September Anno 1775 the Kent Captain Thomson, the Ponsborne Captain Hough, had some difficulties concerning the salute, so I considered it my duty to inform Your High Excellencies of this. That all the aforementioned captains unanimously protested, because according to Your High Excellencies' orders they were answered upon their arrival with two shots fewer from this fortress, which protest they all handed over to me in writing upon their departure from here, which I take the liberty of offering in original to Your High Excellencies, their reasoning being such that the English and Dutch Companies were equal, and therefore ought to treat each other equally, that such was considered among their people, for, they added, whenever one of the Dutch Company's ships arrived either in Madras or anywhere else in their establishments, it was always answered by their forts with an equal number of shots. To this I replied to them that this was not the case with us, but the forts were regarded as belonging to the Sovereigns of the country, being the High and Mighty Lords States General whose flag was therefore also planted on the Castle. This last was answered by the first-named Captain Clements by saying it was not the flag of the Netherlands State, since that was red with the arms of the Generality in it, and that he regarded the flag flying here as the common flag both for the Dutch Company and private merchants, and thus a dishonour to the English Company if not answered with an equal number of shots. That I refuted by saying it was very clearly the flag of the Netherlands State and recognized as such by all nations, thus that proposition greatly surprised me and I considered it nothing other than a far-fetched, puerile excuse, and how could one also establish an equality between a fort and a ship; that I acknowledged an English and a Dutch Company ship to be equal, and one could reasonably demand an equal number of shots from such, and that if a Company ship were lying in the roads, there would be no difficulty in answering with as many shots, but for the present I could not do otherwise than behave according to Your High Excellencies' orders, which were very strict in that regard. To which all answered by saying that I must not take it amiss if 157 159 From Malacca The 2 September 1775. From Malacca The 2 September 1775. if they left these roads without a salute, adding a compliment alongside this, thanking me very much for all the conveniences enjoyed, and that it should not be taken in bad part, but that they had positive orders from their superiors in England not to salute unless answered with an equal number of shots; that they had been well aware they would not be answered with an equal number of shots upon their arrival, but nevertheless had done so out of respect for the flag; thus they all left without a salute, some by night like Captain John Cook and Samuel Hough, but the others by day. These aforementioned captains handled it to some extent in a polite manner, but one Captain John Rogers commanding the English Company ship Stormont, while indeed saluting properly upon his arrival, departed from these roads without a salute the following day in the evening around six o'clock without having expressed himself about anything. Whereas according to reports in the coming month of December two of the above-mentioned Company ships Two of those ships, being the one named Le Marquis de Castries Captain Winslow, and the other Le Duc de Praslin Captain Chinard, departed without salute from these roads, the reasons there The French ships that were here I wished to treat regarding the salute like private vessels, but they also protested against that, maintaining that such could not be so understood, as they held a pass from their East India Company, it being clearly stated therein that they were considered Company ships, which Your High Excellencies if you please will further be able to see from the annexed translated pass, for which reasons then, in hopes of Your High Excellencies' high approval, I regarded the same as such in giving the salute. are to pass this strait again to Madras, so it is my humble supplication to be allowed to obtain Your High Excellencies' orders, the sooner the better, as to how I shall have to conduct myself upon their appearance, and if they persist in refusing the customary salute, these from
Dutch transcription
Van Malacca Den 2. September Ao 1775— Van Malacca Den 2:' SeptemberAo 173 de kent capitein Thomson, de Posbome Capiten Houges, beni„ „ge moeijelijkheeden over het salut hebbe gehadt soo vermeende pligtschuldig te weesen uw hoog Edelheedens sulks te bedeelen Dat door alle die opgenoemde capiteinen eenpaariglijk is geprotesteert, weegens dat sij volgens uw Hoog Edelheedens ordres bij hun aankomst met twee schooten minder van deese fortresse sijn bedankt geworden welke protestatie sij bij hun vertrek van hier alle mij in Scriptis hebbe overgegeeven, die de vrijheijt neemen in origineele uw hoog Edelheedens aan te bieden, zijnde hun raisonnemente dusdanig als dat de Engelsche en hollandsche Compagnie eguaal waaren, dierhalve elkander equaal diende te behandelen, dat het soodanige bij hun lieden wierdt geconsidereert, want voegde sij daar bij so wanneer een der hollandsche Compagnies Scheepen 't sij in madras, of ergens elders in hunne etablissement quam, altoos door hun forten met gelijke schooten bedankt wierden, hier op hunne gerepliceert, dat dusdanig bij ons niet was maar de forten aangemerkt wierden als toebehoorende de Souvereijnen van de lande, zijnde de Hoog Mogende heeren staaten generaal wiens vlagge daar om ook op het Casteel was geplant dit laast wierdt door den eerstgenoemde Capi„ teijn clements b'antwoordt met te seggen, het de vlagge van den Nee„ „derlandsche staat niet te sijn, naar demaal die roodt was met het waapen van de generaliteiter in dat hij die vlag welke hier woeij aanmerkte als de gemeene vlag soo wel voor de hollandsche Compa„ „gnie als particuliere coopluiden, en dus een dit honneur voor den engelschen Compagnie te sijn, indien niet met gelijke schooten bedankt wierden dat refuteerde met te seggen, het wel duidelijk de vlagge van de nederlandsche staat te sijn en daar voor bij alle natien erkent dus mij die stelling seer verwonderde en het niet anders als een vergesogte puerile uitvlugt aanmerkende, en hoe men ook een equaliteijt konde stellen tusschen een fort en een schip dat erkende een engelsche en hollandsche Compagnies schip equaal te sijn, men daar van billijk gelijke schooten konde eijsschen, en dat bij aldien, er een Compagnies schip ter rheede lag, geen swaarigheijt soude maaken met eeven veel schooten te bedanken, dog voor het tegens„ woordigs niet anders konde doen dan mij volgens uw hoog Edelheedens ordres te gedraagen, die daar omtrent seer stipt waaren het geene alle bantwoorde met te seggen, dat dan niet te seggen dat dan nat qualijk moeste neemen het indien 157 159 Van Malacca Den 2:' September 1773. — Van Malacca Den 2:' September 172: — indien sonder salut deeser rheede verlieten, voegende een Com„ pliment daar nevens sij mij seer bedankte voor alle de genootene geriefelijkheeden en het niet moest ten quade duijden, maar dat Sij van hun superieuren in engelandt positive ordres hadden niet te salueeren indien niet met gelijke schooten bedankt wier„ „den, dat het hun wel bewust was geweest, sij bij hun aankomst met geen gelijke schooten soude bedankt worden, dog dat niet te min uijt agting voor de vlag het gedaan hadde zijnde dus alle eenige bij nagt als capitein sohn Cook, en Samuel Hough dog de overige bij dag sonder salut vertrocken. Dese opgenoemde capiteijnen hebbe het eenige maaten nog al op eene polite wijse getracteert, dog eene capitein Iohan Rogers voerende het engelse Comp: schip: Stormont, heeft wel bij sijn aankomst behoorlijk gesalueert, dog is des andere daags ovonds circa ses uuren over niets sig uitgelaaten hebbende, sonder salut van deese rheede vertrocken. Naar dien om volgens de berigten inde aanstaande maand December twee van de bovengemelde Compagnies scheepen Twee dier scheepen zijnde de eene genoemt Lemarquis Cas„ praslin „tries Capiteijn winslou, en het andere Leduc ^ de Capitein Chinard, zijn sonder salut van dese rheede vertrocken de reedenen daar De hier geweest zijnde Fransche scheepen hebbe wille tracteeren nopens het salut gelijk particulieren, dog sij hebbe daar meede teegens geprotesteert alsoo sustineerde, dat dusdanig niet konde begreepen worden, vermids een passe van hun oostindische Compagnie waare, hebbende daar duidelijken bekendt staat dat sij als compagnies scheepen geconsidereert wierden, het welke uw hoog Edelheedens /:des gelievende :/: nader uit de hier neevens gaande translaat passe sullen kunne boogen, om welke reedenen dan in hoope van uw hoog Edelheedens hooge goedkeuring deselve met het geeven van salut als dusdanig aangemerkt hebbe„ dese engte weeder naar Madras staan te passeeren, soo is mijne needrige supplicatie uw Hoog Edelheedens ordres ho eerder hoe beeter te moogen erlangen, hoedanig bij dies verschijning, ver„ alkijning, en soo blijve persisteeren bij het weijgeren van het ge„ woone salut sal hebbe te gedraagen, dese van
English
From Malacca, the 2nd of September 1773 From Malacca, the 2nd of September 1773 to be considered, since they departed at the same time with an English Company ship which, as I have respectfully informed your Right Excellencies above, left the roadstead without saluting the flag. As they sometimes believe they must be subject to less than the English, I have, in accordance with your Right Excellencies' orders, had their names noted down in order to make them repair that insult done to the flag upon their reappearance here, and otherwise not to admit them here, unless your Right Excellencies should order this otherwise. Here in the strait nothing unusual has occurred worthy of your Right Excellencies' attention, everything remaining to this day in complete tranquility. The English have been obliged to leave Atchien, so that they no longer possess any strongholds in these regions; nonetheless, this strait is still heavily frequented by their private ships, especially to Atchien, Queda, Salangoor, and Riouw, to this last-mentioned place most heavily of all. According to reports received here from Riouw, the grandson of Radja Soleiman named Radja Abdul Jalil, being the legitimate heir to the crown of Johoor and Pahang, has died at the age of 14 years, not without strong suspicion that his end was hastened. Now only a single brother of his remains, being a youth of 13 years who is also at Riouw under the power of Daeng Camboja, so it is greatly feared whether he will be left alive for long. As the old prince of Pera has recently died, there arises a well-founded hope that a reduction in the price of tin will be obtained, the more so since the currently reigning king, after having given notice of his accession to the throne, has simultaneously requested that someone might be sent to renew the contract with the Honorable Company, with the promise that, as far as it is in his power, he would endeavor to satisfy the Honorable Company regarding the price of tin. Whereupon it was resolved to appoint to that commission the merchant and fiscal Werndlij, as having been there previously, who is to undertake the journey thither shortly, it being our duty to further inform your Right Excellencies in our general rescription From Malacca, the 2nd of September 1773 From Malacca, the 2nd of September 1773 rescription of the outcome of that commission, as we hope to satisfaction. Wherewith I subscribe with all respect and reverence, High Noble, Right Honorable, Wide-Ruling Lords, and Right Noble, Stern Lords, lower: your Right Excellencies' humble and very obedient servant, in margin: Malacca, in the Castle, the 2nd of September 1773. was signed: Jan Evans. The Directors of the East India Company, pursuant to their decree of the 13th of August and 6th of September 1769, permit Messrs. Admirault and eldest son, merchants at La Rochelle, charterers of the ship Le Brisson, of the size of approximately 700 tons, commanded by Mr. Bertrand, bound for Isle de France or Mauritius and China, to let the said ship depart from La Rochelle for the place of its destination, and to navigate in all seas, and to trade on all coasts and in all places beyond the Cape of Good Hope, in the French establishments, whether those of foreigners or in the harbors and states of the princes of the country. The said ship shall enjoy the same privileges and prerogatives as are granted to the ships of the Company; to that end, passports shall be delivered to him freely and without any expenses by the Councils or Chief Agents of the French establishments upon the first request of the aforesaid captain, so that he might sail as a Company ship, and the Councils and Chief Agents shall be obliged to grant all help and assistance to the aforesaid captain, without having the power to prevent or detain him in his navigation under any pretext whatsoever. Done at Paris in the Hotel of the East India Company, the 26th of May 1772. underneath: De Merdaroy, Risteau, Ste. Catharine, on behalf of the Company. was signed: Costar; to the side stood the seal of the undermentioned Minister; lower: inspected / was signed: De Boynes; underneath: Thus translated by me, was signed: Daniel Wm. De Neufville. Writer 1 From Malacca, the 2nd of September 1773 Examined J. As. de Jongh delivered Secret Anno 1773 Java's East Coast A. To His High Excellency, The High Noble, Stern, Right Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, and the Right Noble Lords Councilors of the Dutch Indies, etc., etc., etc. High Noble, Stern, Right Honorable Lord, Right Noble Lords! The same kramats who, according to what was respectfully communicated to your Right Excellencies in my separate letters of the 18th of March 1772, were then staying in the southern mountains and seemed pregnant with evil intentions, having appeared again not long ago with some people, divided into two parties and invaded the princes' lands, but were immediately opposed and defeated by some of the Emperor's troops, with many being killed, some taken prisoner, and the remainder
Dutch transcription
161 Van Malacca Den 2„ September 173: — Van Malacca Den 2„e' Septembr 1730. van denke te weesen door dien te gelijker tijt met een Engelsche compagnies schip vertrockene sijn, die gelijk uw hoog Edel„ heedens hier boven Eerbiedig hebbe bedeelt, sonder salut des„ rheede basse verlaatenden sij lieden Somwijle vermeene met minder te moete sijn dan de engelsche, hebbe volgens uw hoog Edel„ heedens ordres hun naamen laaten aanteekenen omme bij weder verschijning alhier hun die hoon de vlag aangedaan, te doen re„ pareeren en anders alhier miet te atmitteeren, ten sij uw hoog Edelhee„ dens dit andersints mogte beveelen, Hier in straat is niets sonderlings voorgevalle waardig uw hoog Edelheedens attentie sijnde alles tot heede nog in eene volkome rust. De engelschen sijn verpligt geweest atchien te moete verlaten, dus sij in deese gewesten geene vaastigheeden meer hebben, dog „niet te min wordt deese straat door hun particuliere scheepen nog stork gefrequenteert, bijsonderlijk tot Atchien, queda, Slangenoor, en Riouw naar deese laaste genoemde plaatse wel het allersterkste Volgens hier ingekomene berigten van Biouw is de kleijn Soon van Radja Saleman genaamt Radja Abdul Jarie zijnde de wettig erfgenaam der kroone van Iohoor en Sahang in den ouderdom van 14. Jaaren overleeden, niet sonder sterk vermoeden dat sijn eijnde verhaast is, nu is nog eenelijk en broeder van hem overig, sijnde een jongeling van 13 Jaaren die meede tot riouw onder de magt van dain Cambodia is, dus seer ge„ vreest wordt of wel lange bij het leeve sal gelaten worde, Alsoo den oude vorst van Pera nu onlangs is overlee„ leeden, doet er sig eene gegronde hoop op, dat eene prijs verminde„ „ring van thin sal verkreegen worden, te meer dewijl dethans regeerende de koning na kennisse gegeeven te hebbe, sijner komst, tot de Throon te gelijk versogt heeft iemand t mogte gesonden worden om het Contract met dE Compagnie te vernieuwen, onder toesegging dat soo veel in sijn vermoogen is d: E: Compagnie omtrent de prijs van het thin soude tragte genoege te geeven, Waar op geresolveerde is tot die Commissie te be„ noemen den coopman en fiscaal werndlij, als daar meerder geweest zijnde die binne korte de reijse naar derwaarts.: staat aan te neemen, uw hoog Edel„ heedens nader pligt schuldig bij onse generaale zijnd. rescriptie 163 Van Malacca Den 2. September 1773 — Van Malacca Den 2:' September 1733 — rescriptie den uitslag dier Commissie /: soo verhoope naar genoegen :/ zullend bedeelen, Waar meede met alle Eerbiedt en ontsag teekene /:onderstond:/ Hoog Edelen Groot Agtbaren Wijdgebiedende Heere, en Wel Edele: Gestrenge Heeren /:lager:/ uw Hoog Edelens onderdanige en zeer Gehoorzame Dienaar /:in Margine:/ Malacca In 't Casteel Den 2: September 1773. /:was geteekent:/ Ian Evans, De Directeurs van de Oost Indische Compagnie, ingevolgen van hun besluijt van den 13. augustus en 6: Septb:r 1769, staan toe aan M:o Admijrauld ex fils aine kooplieden te Rochel, be„ vragters van 't schip De brisson, ter grote van circa 700 Tonnen gecommandeert door den Heere Bertand gedestineert naar L: Bsleete france of Mauritius en china het gemelde schip van Rochel te laten vertrekken naar de plaats. zijner distinatie, en te vaaren in allen zeen, en te negocieeren op alle kusten en in alle plaatsen voor bij de caap de goede hoop, in de franeche etablissementen zijnde indie van vreemdelingen of in de havens en slaaten der Princen van 't land. Het gemelde schip sal deselve privilegien en voorregten ge„ „nieten, als aan de scheepen van de Compagnie is toegestaan, tot dien eijnde sal hem vrij en sonder eenige onkosten geleeverd werden Paspoorten door de Raaden of Edreste Eerste Agente van de fransche Etablissementen op de Eerste requisitie van voorgemelde capitein op dat hij als een Com„ pagnies schip soude kunnen vaaren, en zullen de Raaden en Eerste agente verpligt zijn om alle hulp en bijstant aan voormelde Capitein te verleenen sonder vermogen vermogen om onder wat pretext hem te verhinderen of op te houden in sijn scheepvaart, Gedaan de parijs in 't stotel van de oostindische Com„ pagnie den 26 Maij 1772. /:onderstond:/ De Mer Daroij Risteau S:te Catharine van wegens de compagnie /:was geteekend:/ Costar ter zeijde stond het cachet van de ondergemelde Minister /:lager :/ gezien / was geteekend:/ De Boijnez /:onderstond:/ Aldus Getranslateert Door mij /:was geteekent:/ Daniel Wm De Neufville, Witer 1 Van Malacca den 2. September 1773 Nagezien J As de Jongerent opgelaten Secreet A„o 1773 Javas oost Cust A. Aan zijn Hoog Edelheed, Den hoog Edelen Gestr: Groot Agtbaren Heere Putrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal, ende Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India &„ a &: &c: Hoog Edelen Gestr: Groot Agt: Heere Wel Edele Heeren! Dezelvde Cramans die navolgens het uw Hoog Edelheden eerbie„ dig bedeelde bij mijn aparte letteren van den 18:' Maart 172. haar toen in het suider gebergte opheelden en met kwade voornemens scheenen beswangert te gaan, niet lang gelieden weder met eenig volk te voorschen gekomen zijnde hebben in twee partijen verdeeld der vorsten landen geinvadeerd, maar direct door eenige van 's keisers troupen tegen gegaan en geslagen, mitsg:s veele gesneuveld eenige gevangen genomen ende 165 E overige E
English
From Java's East Coast, the 12th of November 1773. — From Java's East Coast, the 12th of November 1773 — the rest having been scattered, the Emperor, and likewise Pangeran Mangkunegara, of his own accord sent me some of the prisoners who were subsequently overtaken, so that they may be dealt with according to Your High Excellencies' pleasure, being the following persons with their wives and children, who call themselves or are known to be descendants of the notorious Surapati, namely: Sikkatte, who held the title of panembahan and was wounded in the action at the conquest of Malang, of which his right hand and his body bear marks in multiple places, and who has since resided in the Sultan's territory, yet denies being descended from the Malang lineage. Nyai Sikkatte, along with the wives of the aforementioned Sikkatte, besides the former's son named Toppong. Toppo. Eko Joyo, whose father, according to his statement, was a bekkel in Malang and Antang, and who himself lost three toes of his right foot in an action against the Company. Eko Funo. Towongso. Kyai Roggo, besides Nyai Hongho, his wife. Kyai Tadal, and Nyai Jebo, his wife, with her son named Jebo. Together 12 persons, whom I take the liberty to send to the headquarters at Your High Excellencies' disposal with the ship 't Huis te Boede. The Balambangan chief rebel Bappa Larat still sitting detained here, I take the liberty to renew my humble request made in a separate letter of the 25th of August last, and thus to request to know what it may please Your High Excellencies should be done with him, he being a wicked fellow who, under correction, I believe has doubly deserved an exemplary punishment as a deterrent to others. And whereas successively four women, a daughter, and a brother named Bappa Tandan of the fellow, yet still roaming, chief rebel Bappa Endo have also been overtaken in Balambangan and sent on to Surabaya, I request Your High Excellencies' qualification 162 From Java's East Coast, the 18th of November 1773. — From Java's East Coast, the 12th of November 1773. — qualification to be permitted to send these persons, as well as other wicked fellows who might meanwhile still be overtaken, alongside such detainees at the local Landraad who are accused with high probability of murder, smuggling of opium, and theft, but cannot be convicted, with the ships expected on this coast to Banda, in order to be relegated to the island of Rosengain. The Balambangan reports containing nothing that currently merits communication to Your High Excellencies, I take the liberty, with deep reverence, to call myself with the highest esteem. Underneath stood: High Noble, Severe, and Highly Esteemed Lord, and Noble Lords. Lower: Your High Excellencies' entirely humble and obedient servant. Was signed: J. R. van der Burgh. In the margin: Semarang, the 12th of November 1773. Beneath that: P.S. Receiving today from Surakarta a letter from the Emperor for Your High Excellencies, I take the liberty to forward the same herewith. Translation Translation of a Javanese letter written by the Susuhunan Pakubuwana Senapati Ingalaga Abdul Rahman Sayidin Panatagama of Surakarta, to His High Excellency the Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, besides the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies, residing at Batavia, presented on the 21st of November 1773. After the usual preamble: Further, I have received in very good order Your High Excellencies' highly esteemed letter and understood therefrom that Your High Excellencies have pleased to congratulate me on the birth of my young son, for which I express my heartfelt gratitude, as well as for the generous blessings that Your High Excellencies were pleased to bestow upon this young child; likewise, I have received in very good order the pleasant presents that Your High Excellencies 169 From Java's East Coast, the 12th of November 1773. — were pleased to send me as a token of Your High Excellencies' true affection, consisting of 1 piece of blue velvet, two pieces of crimson red velvet, 1 piece of silver mohur, 6 pieces of fine mulmuls, 1 piece of blue cloth, 3 tolas of attar of roses, 3 cases of rose water of 50 bottles each, and 5 pieces of guinees, being 2 of 25 cubits and 3 pieces fine, for which likewise I cannot fail to express my heartfelt gratitude; everything that lies upon my heart is stated herein. Written on Wednesday, the 26th of the month Ruwah in the year Alip 1699, the 10th of November 1773. Underneath stood: Translated by me, was signed: Is. Gordijn, Translator. J. D. Bartingh. End. Examined: J. A. de Jonghe. Read aloud.
Dutch transcription
Van Iavas oostkust Den 12:' November 173. — Van Iavas oostkust Den 12 9br 173 — overige uit een verstrooid zijnde, heeft den keiser en zoo ook pantgerang Mancoenagara uit eigen motioen van de gevangenen en zedert agter„ „haalde my gesonden, om daarmeede naar uwer Hoog Edelheden goed„ vinden te handelen de ondervolgende persoonen met hunne wijven en kinderen die zig noemen of gekend worden voor afstammelin„ „gen van den berugten Soera pattij te weeten. actie bij de verovering van Malang ge„ „kwest geraakt is / waar van zijn regter„ „hand en zyjn lichaam op meer plaatsen teekens dragen:/ en die zig zedert in s sullhans gebied opgehouden heeft, dog ontkent uit het Malangsche afte stammen. Nije Sikkatte en bij de wijven van opgemelde Siekatte, na„ vens des eersten zoon genaamt Toppong Toppo Ecko Joijo, wiens vader volgens zijn opgave geweest, zoude zijn Bekkel in 't Malang en Antangsche en die zelfs in een actie tegen de Comp: drie teenen van zyn regtervoet verloren heeft. Sikkatti die de naam van panembahan gevoerd heeft, en in de Elko Foeno, Tou wongso Kie Roggo nevens Njie Hongho zijn wyj kei Tadal, en Njie Iebo zijn wijf, met haar zoon genaamt Febo te zamen 12. personen die ik de vrijheid gebruike ter dispositie uwer Hoog Edelheeden met het schip 't Huis te Boede na de hoofdplaats te zenden, Den Balembrangangs hoofd debel Bappa Larat, hier nog ge„ desineerd settende gebruik ik de vrijheid mijne nedrige instantie by aparte van den 25:' aug:o Jongstleeden te renoveeren en dus te versoeken om te mogen weten was Hoogst deselven behaagt, dat met hem zal wor„ den gedaan als zijnde het een slegte knaap die ik /: onder Correctie ver„ meene dat wel dubbeld eene Exemplaire voorstaffe ter afschrik van an„ „dere heeft verdient. En dewijl successive in het Balemboangsche ook nog agterhaald mitsg:s na sourabaija opgesonden zijn, vier vrouwen een dogter en een broeder genaamt Bappa Tandan van den meede dog nog swer„ „rende hoofrebel Bapa Endo versoeke ik uwer Hoog Edelheden Ecko qualificatie 162 Van Iavas oost cust Den 18. Nvembr 173. — Van Javas oostkust Den 1:'9ber 173. — qualificatie om deese personen zo wel als andere slegte knappen die intusschen nog mogten worden agterhaald nevens zulke gedi„ tineerdens bij den landraad alhier die met veel waarscheinelijk„ heid beschuldigt werden van moord sluikerijen in amsioen en divery dog niet te overtuigen zijn met de op dese kust verwagt wordende scheepen naar Banda te mogen versenden, ten einde op het eiland Rosingain gerelegeert te worden. De Balemboangshe berigten mits inhoudende dat tans be„ delinge aan uwer Hoog Edelheeden meriteert, gebruik ik de vrijheid in diepe eerbied mij met de meeste hoog agting te noemen. /:onderstond:/ Hoog Edelen Gestrenge Groot Agtb: Heere en wel Edele Heeren /: lager:/ uwer Hoog Edelheden gansch onderda„ „nige en gehoorsame dienaar /:was geteekend/ I: R: van der Burgh /:in margine:/ Samarang den 12:' Novemb„r 173. /:daar onder:/ P: S: heden van Souracarta ontvangende een brief van den Keiser voor uwE Hoog Edelheeden gebreik ik de vryheid de„ „selve in dese over te zenden. Translaat Wijders hebbe ne uw hoog Edelheedens hoog g'agte missive seer wel ontfangen en daar uit verstaan dat uw hoog Edelheedens mij hebben gelieven te filicateeren met de geboorten van mijn Jonge zoon, waar voor myn hertgrondige dankbaarheid betuig, soo meede voor de gulhertige zeegen wenschen die uw Hoog Edelheid over dit Jong kind hebben gelieve te doen, soo meede hebben ik seer wel ontfangen de aangenaame presenten die uw Hoog Edelheedens mij tot een teekken van hoogst desselfs waare geneegentheid hebben Translaat Javaanse brief gesz: don den soesechoenang Pacoeboeana Senapat„ „tij Ingalaga Abdul Rachman Saji„ „din Panatagama van Soerakarta, Aan zijn hoog Edelheid den Heere Petrus Albertiu en ai Parra. Gouverneur Generaal Beneevens. De wel Edele Heeren Raaden van Neder„ „lands India, Resideerende tot Bata„ „via aangeb: Den 21:' 9ber 1773. Na Gewoone Voor Reeden. gelieven 169 Van Iavas oostkust den 12: 9ber 173. — gelieven toe te zenden bestaande in 1. p.:s blaauw fleuwel, twee p„s Carmo zijn oode fluwel, 1 stuk silver mhoor, 0. p„s sijne malle mallen, 1. p:s blaauw laaken, 3. tolo etter van roose, 3. kas„ „se roose water van 50. flesseider, en 5. p:s guinees, als 2. van 25. Caal, en 3. p=s sijne waar voor meede niet kan af zijn mijn hertgrondige dankbaarheid te betuige, al wat op mijn herte legt staat in deesen vermelt. gesz: op woensdag den 26: van de maand Rowas 't Jaar Mlipl 1699. den 10: 9ber 173. /: onderstond / Getranslateert door mi /:was geteekend:/ I:s Gordijn Translat=r JD Bartingh Eijnde Nagezien J: Aij de Jongrent Op geleze