VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3406

Malabar · 274 pages · 115 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3406_0054 view scan ↗

English

329 Deacons and outside regents of the leper house have rendered account. The curator ad lites, secretaries of justice and orphanage board ad idem. Among the European military, 140 heads were sent from Ceylon. The brief muster of the military, artillerymen, and seafarers is sent over. The former of whom had been stationed at Cranganore and the latter mentioned at Chettua. The deacons of this place and outside regents of the aforementioned Lazarus House have, in the presence of two members of our assembly, publicly rendered account of the poor and leper funds administered by them during the past financial year, the received report of which is to be found with our resolution of 6 October aforementioned. The curator ad lites and the secretaries of justice and the orphanage board have also duly rendered account and balance of the funds administered by them, as appears from the reports inserted in our decision of 6 October, and the received reports regarding stamped paper sold, prepared, and remaining in arrears as of the last day of February and the last day of August of the past year have been incorporated into our decisions of 13 April and 6 October of the same year. The military, artillerymen, and seafarers stationed on this coast consist of a number of 767 heads, as appears from the accompanying general brief muster, namely: 539 Europeans, 107 natives, and 121 easterners. Among the Europeans is a number of 140 heads, both officers, non-commissioned officers, and common soldiers, who, according to the note by the first undersigned in a separate letter to your High Excellencies under date of 10 October of the past year, were requested from Ceylon and have since arrived, and who 330 How many deserters there have been. According to the order. The principal repairs to the fortifications will be described separately. Will be sent on occasion. who will also be sent back again as soon as they are demanded back and the circumstances of the times here change for the better. As appears from the accompanying list, there have been since 25 March of the past year until the last day of December recently past 8 European heads who deserted, though these are mostly foreign runaways who arrived among us along the way and subsequently left again. The pay books were inspected according to our decision of 5 December of the past year by specially appointed delegates, who having examined everything found it to be in order, and stated in their submitted report that the curator ad lites in that financial year accepted no estates of deceased servants, and that the collected and paid off pay accounts have been duly acquitted; the rolls of the latest general muster under the last day of July of the past year having been compared against these books, which will be sent to your High Excellencies by a future opportunity, and found to agree, as appears from the report inserted in our resolution of 29 July, alongside the report of the muster, in which it is recorded which salaried persons did not appear at the muster due to illness, but who nevertheless upon investigation were found to be effectively alive. As the fortifications will shortly be described by separate letters, we only note here that the traverse wall by which the so-called Commander's Bastion is cut off from the curtain between this bastion and the Gelderland Bastion 331 The traverse wall between the Commander's Bastion and that of Gelderland had cracked and subsided due to old age; the gate decayed; A wooden gate made in its place. Completed and executed, and the agreed sum paid off. The small house for the Council of Justice where executions were held also had to be repaired. The construction of the same and the whitewashing of the Company's buildings contracted out. Necessary outbuildings at the Boom Watch were necessary. Gelderland (such cut-offs as one has here from of old on almost all the bastions) was, due to old age, not only completely cracked and subsided, so that it had to be demolished and renewed, but also the gate in it for maintaining communication was completely crumbling and rotten. To have this rebuilt of stone, as in former times, would have cost a great deal, and therefore instead of that, a sufficient wooden gate has been placed, provided on both sides with projecting wings and studded all over, both on the sides and on top, with iron spikes, which was done by the master mate of the ship carpenters on contract for 260 ropias, which according to the resolution of 9 August of the past year were paid to him from the cash box. Concerning carpentry and repairs done to the Company's buildings, we have the honor to inform your High Excellencies that, since it was very necessary that a new mocquadon lodge, a new privy, and a room for the master baker were to be constructed at the Boom Watch, we contracted out these works and the whitewashing of the Company's buildings on that side for 180 ropias to the overseer of the armory, Andries van Eijk, who also completed and executed both properly, as appears from the report recorded in the resolution of 13 April of the past year, and upon which we resolved to have the agreed sum paid off. The small house destined for the Council of Justice when an execution was carried out, being completely dilapidated, the woodwork, principally the four columns upon which the roof rests towards the outside, being mostly rotten through length of time, rain, and wind, the repair thereof was assigned to the master mate.

Dutch transcription

329 Diaconen en buijten regenten van 't leproosen huis hebben reek: tie. de curator ad lites, secretarisser van Justitie en weeskamer ad idem onder de Europeese milit: zijn 140. koppen van Coilan gesonden. de koote sterkte van de militie arthilleristen en ree„ vaarende komt over. welken Eersten te Cranganoor en laast gem: tot Chettua is bescheijden geweest; De Diaconen deezer Steede gedaan van hunne adminittra, en Buijten Regenten van het voor„ „schreeven Lazarus Huijs, hebben ten overstaan van twee leeden onser vergadering, in het openbaar bewijs gedaan van de Arme en Leprose mid¬ „delen, geduurende het afgelopen boek„ „jaar door hen g'administreerd, en waar van het ingekomen Rapport te „vinden is, bij onse resolutie van den 6: october voormeld. De Curator Adlites en de secretarissen van Justitie en weeska„ „mer hebben meede behoorlijk reecke„ „ning bewijs en Reliqua gedaan van de gelden door hen g'administreert, blijkens de Rapporten in ons besluijt van den 6. 8ber: geinsereert en de in„ De Militairen, Arthille„ risten en zeevaarende ter deezer custe bescheijden bestaan in een getal van 767. koppen, blijkens de overkomende gene„ „rale korte sterkte als: 539 Europeesen 107. Jnlanders en 121. oostenlingen Onder de Europeesen is een getal van 140. koppen zo officieren, onder officieren als gemeene zoldaten, die volgens het geno„ „teerde door den eerstgeteekenden bij apparte missive aan uw Hoog Edelheedens onder dato den 10.:' 8ber: A:o pass=o van Ceijlon g'eijscht en ook 't zedert gekomen zijn, en „gekomene berigten wegens verkogt, aangemaakt en per restant gebleeven gestempelde papieren onder ultimo februarij en ultimo au„ „gustus anno passato zijn ingelijft in onse besluijten van den 13. ' april en 6. 8ber: desselven Jaars; „gekomene die 330 hioe veel desorteurs zijn geweest na de ordre de voornaamtte reparaties aan de fortificatien zullen apart be„ „schreeven werden. gelegenthiit werden gesonden. die men ook weder zal terug zenden, zo dra dezelve terug g'eijscht worden en de tyds instandigheedere hier ten goeden veran„ „deren; Deserteurs zijn blijkens overkomende lijst 'er zedert den 25. ' Maart anno passato tot ultimo december jongstleeden wel geweest. 8. - koppen Europeesen, dog het welk meest vreemde overloopers zijn, die gaande weg bij ons zijn aangekomen, en vervolgens weder heen gegaan De Zoldij Boeken zijn uijt wijsens ons besluijt van den 5. decemb=r de zoldij boeken zijn gevisiteert A„o pass=o door Expresse gecommitteerdens ge„ „visiteert, welke alles nagesien na behooren bevonden, mitsgaders bij hun ingedient Rapport opgegeven hebben, dat de Cura„ „tor Adlites in dat Boekjaar geene boedels van overleedene Dienaaren aan„ „vaart heeft, en dat de ingetrokke en af betaalde zoldij reekeningen behoorlijk zijn ge„ De Fortificatien per naasten bij aparte Letteren zullende beschreeven wor¬ „den, zo noteeren we hier eenelijk, dat de dwars muur, waar door de zo genaamde com„ „mandeurs Punt afgesneeden is, van de Gordijn tusschen deeze punt en de punt De voorname gedaane verbeteringen „quiteert; zijnde de Rollen van de jongste gene„ dezelve zullen bij een nader „raale Monstering onder ultimo Juij an„ „no pass=o teegens deeze boeken, die bij een nader gelegentheijd tot uw Hoog Edelheedens zullen werden verzonden, geconfronteert, en accordeerende bevonden; blijkens het Rapport in onze resolutie van den 29. ' Julij g'insereert, benevens het Rapport van de monsteringe, waar bij bekent staat, welke gegagieerdens mits ziekte bij de monsteringe niet verscheenen, dog welke egter bij ondersoek effectief in leven bevonden zijn. „quiteerd Gelderland aan 331 de dwars nuur tusschen des commandeurs punt en die van gelderland was door onder„ dom gescheurt en gesakt, de poort venst hek gemaakt. vervaardigt en verrigt: en de bedongene somma af betaalt. Het huijsje voor den raad van Justitie alwaar executie gehouden. werd heeft mede moeten woorden gerepareert. het aanmaaken van dezelve en het witten van 'sComp:s gebou„ „wen aan besteld. Noodige opstallen aan de bovmn Gelderland /: hoedanige afsnijdingen men hier van ouds op meest alle depunten heeft:/ door ouderdom, niet alleen geheel gescheurt en gesakt was, zo datze moest worden afge„ „brocken en vernieuwt, maar dat ook de poort in dezelve tot onderhouding der Commu„ „nicatie, ten eenemaal was vermolmt en verrot: om dit, gelijk eertijds wederom van steen te doen ophaalen, zoude vrij veel gekost hebben, en is hierom insteede van dien, gezet in derselver plaats is een houte een suffisante houte hek van bijde dezijden met uijtsteekende vleugels voorzien en over al zo op zijde als boven met ijsere pennen beslaagen, het geen door de Meesterknegt, der scheepstimmerlieden bij aanneeming voor 260. ropias is gedaan, die volgens Re„ „solutie van den 9. ' augustus anno pass=o aan hem uijt bassa zijn betaald. Timmeragie en Reparaties aan 'sCompagnies gebouwen gedaan, hebben wij de eere uw Hoog Edelheedens te bedee„ Het huijsje geschikt voor de Raad van Justitie, wanneer 'er executie gedaan werd, ten eenemaal vervallen, de houtwerken voornamentlijk de vier Colommen waar op het Dak na de buijten zijde rust, door langheijd van tijd, regen en wind, meest ver„ „rot zijnde heeft men de verhelpinge daar van opgedraagen aan den Meesterkoegt het aanmaaken van verscheide „ len dat vermits, het zeer noodzaakelijk „wagt, waaren noodzaakelijk. was, dat 'er een nieuwe mocquadons Logie, een nieuw privaat en een kamer voor de bakmeester aan de boomwagt wierd aan„ „gemaakt, wij het een en ander, en het witten van 'sCompagnies Gebouwen aan dien kant hebben aanbesteed voor rop:s 180. aan den opsienden der wapenkamer An„ „dries van Eijk, die het een en ander ook het een en ander is behoorlijk behoorlijk heeft vervaardigt en verrigt, blij„ „kens Rapport ter Resolutie van den 13. ' april A:o pass=o ingeschreeven, en wanneer wij beslooten hebben de bedonge somma telaaten afbetaalen; „len der

NL-HaNA_1.04.02_3406_0057 view scan ↗

English

cost. The stairs and the inner lofts of the flag tower were also contracted to the equipage supervisor Buijs, besides a supply of 150 lb. of nails. Bad condition of the timber yard. The repair of that 121. The shipwrights' master craftsman Paulus Kip, for a sum of 125 Ropias, which, as shown by our resolution of 25 April of the past year, were paid to him after the repair had been properly completed. The stairs and both inner lofts of the flag tower, renewed for reasons stated in the text, were also found in a bad condition, and their planks were found to be mostly all rotted and decayed by time, wherefore it was to be feared that, if it remained in that state any longer, someone might occasionally suffer an accident, particularly those who annually have to work thereon at the raising and lowering of the flagstaff, as well as those who occasionally have something to do or repair at the belfry standing thereon or the bell, or indeed the flagman, who daily has to climb up and down this tower more than once. To prevent this, and because that repair could also suffer no longer delay, the fixing thereof was assigned to the equipage supervisor Lourens Buijs, who was willing to perform that work for less than others, specifically for a sum of between 250 to 260 ropias, for which he believed he could perform the same, provided only that 150 lb. of nails were supplied to him on the Company's behalf; offering, upon completion thereof, to submit a specification of the true costs, just as he then, after the work was completed, presented at our aforementioned session of 25 April, the aforementioned specification amounting to 251. 15 ropias, which having cost 250, 24. 1. sum we have caused to be paid to him from the Cash, and caused to be written off in the trade books the 150 lb. of nails supplied for that purpose. The general workshop here, named the Timber Yard, which had already visibly fallen into disrepair for a long time, but on which nothing could be done because other repairs, yet more necessary than this one, had to take precedence, having now been examined by specially appointed commissioners, it appeared from the report submitted and inserted into the resolution of 25 April that the roof framing of three lodgings in the same was entirely rotted, collapsed, and decayed, as were the beams lying in those lodgings, that the front wall had deviated for a large part, and almost all doors and windows were decayed, so that it was necessary to put hands to work here if one did not wish to expose the timber yard to a total collapse, and since these buildings could not well be spared and, upon further delay, collapsing entirely, the restoration would have to cost a considerable sum; so we have approved at the aforementioned session to have the repair of all the aforementioned and other defects of the buildings standing therein carried out as soon as possible, and contracted that work to the master craftsman of the shipwrights, Paulus Kip, as the one who was willing to undertake it for the least, specifically for a sum of 850 ropias and a supply of 350 lb. of nails, with which repair he is currently still engaged. The double staircase, 18 steps high, by which one actually has to go to the secretariat, the council chamber, and its ante-room, was also entirely dilapidated and even dangerous to climb, and the entire side facade or side wall facing the street on that side, over a length of fully 434 feet, full of holes in most places and generally stripped of plasterwork, just as the lower rooms under the stoop on that side were in a bad condition; all of which defects for repair, in particular the bricklaying of a new staircase with a solid wooden railing, were likewise contracted to the aforementioned Paulus Kip for 460 ropias, as no one else would undertake that work.

Dutch transcription

332 gekost. de Grap en de binnen solders aan de vlagge tooren zijn, mede aan den Equipagie opsiender Buijs. „nevens een verstrekking van 150. lb: spijkers. slegte gesteltheijt van de houtthuijn. die verhelping haft 121. Cas der scheepstimmerlieden Paulus Kip, voor een somma van Ropias 125. , welke aan hem, na dat de reparatie nabehooren was volbragt, blijkens ons besluijt van den 25. April anno pass=o, zijn voldaan. De Trap en de beijde binnen solders vernieuwt, om reden in den text van de vlagge Toorn, zijn ook in eene slegte gesteldheijd en de planken daar van meest alle door den tijd verrot en vergaan bevon „den waar door te dugten was, dat zoo het langer in dien staat bleef de een of ander somtijds een ongeluk zoude kunnen krijgen, voornamentlijk, de geene die jaar„ „lijks aan het opsetten en nederhalen van de vlaggestok daarop werken moeten, als ook de geene, die aan het daar op staande klok huijsje, of de klokke Comtijds iets te verrig„ „ten ofte repareeren hebben, of wel de vlaggeman, die deezen toorn dagelijks meer dan eens moet op de afklimmen, ter voorkominge van dien, en om dat die reparatie dog ook geen langer uijtstel die vernieuwing was opgedragen lijden kon, heeft men de verhelpinge daar van opgedragen aan den Equipagie opsiender Lourens Buijs, die dat werk voor minder dan anderen wilde vervaar„ „digen, en wel voor een somma, van tusschen de 250. à 260. ropias, waar voor Hij meende, het zelve te kunnen verrigten, mits hem eenelijk daar toe 'sComp:s wegen verstrekt wierden 150. lb: spijkers; presenteerende na volbrenginge daar van inte leeveren een specificatie van het waare kostende, gelijk hij dan ook na dat het werk g'ab„ „solveert was, ten onser voormelde sittinge van den 25. ' april overgelegt heeft, devoor„ hebbende gekot 25 o, 24. 1. ben „ melde specificatie groot ropias 251. 15. , welke somma wij aan hem uijt Cassa hebben laten voldoen, en bij de negotie boeken doen afschrij„ „ven, de daar toe verstrekte 150. lb: spijkers; Het algemeene werk huijs hier, ge„ „naamt de Houtthuijn, dat al langen tijd sigtbaar vervallen is geweest, dog waar aan niets heeft kunnen werden gedaan, lijden om 333 de gebreeken door gecommit„ „teerdens opgenomen besluijt de verhelpinge te laaten geschieden. de verhelpinge daar van is insgelijks opgedragen aan gem: 5 kip voor 460 rop. slegte gesteldheid van de trap der lecretarije en eenige andere gebreeken meer. 't welk aan besteed is aan baar nog bezig is. om dat de andere reparaties nog al nood„ „zakelijken als deeze, hebben moeten voor„ „gaan, nu door Expresse gecommitteerdens g'Examineert zijnde, kwam bij het inge„ „levert Rapport ter Resolutie van den 25. april g'insereert, te blijken, dat het span „werk van drie logies in dezelve ten Eene„ „maal verrot, ingestort en vergaan was, als meede de balken in die logies leggende, dat de voormuur voor een groot gedeelte was afgeweeken, en meest alle deuren en vensters vergaan, zo dat hier noodzakelijk hand aan 't werk diende geslagen tewerden, wilde men de houtthuijn niet aan eene geheele instortinge Exponeeren, endewijl deeze opstallen niet wel konden werden gemist en bij langer uijtstel, ten Eenemaal komende intestorten, het herstel een aan„ „merkelijke somma zoude moeten kosten; zo hebben wij ter even gem: sitting goedge„ „vonden de verhelpinge van alle de voorm een andere gebreeken aande daar in staande opstallen ten Eersten telaaten geschieden, en dat werk aanbesteed aan den meesterknegt der scheepstimmerlieden Paulus Kip, als de geene die het voor 't minste aan„ „neemen wilde, en wel voor een somma Khip voor 850. ropias en waar van 850. ropias en verstrekkinge van 350. lb: spijkers, met welke reparatie den„ „selven thans nog bezig is; De dubbelde Trap Hoog 18. trappen waar„ meede men eijgentlijk na de secretarije, de raadkamer en dies voorzaal moet gaan, was ook ten eenemaal vervallen en zelfs ge„ „vaarlijk om te beklimmen, en de geheele zij gevel of zeijde muur aan de straat aan die kant, ter lengte van wel 434. voeten, op de meeste plaatsen vol met gaaten en doorgaans van het pleijster-werk ontblood, gelijk ook de onder vertrekken van de stoep aan die kant slegt gesteld waren; alle welke gebreeken ter verhelpinge, in zonder„ „heijd het metselen van een nieuwe trap met een massive houte leuninge; intge„ „lijks opgedragen zijn, aan gem: Paulus kip voor 460. ropias, alzo niemand, dat opstallen werk

NL-HaNA_1.04.02_3406_0059 view scan ↗

English

which amounts were paid to him. contracted out for 180 as the ordinary memorandum is transmitted. how much was presented as gifts insertion of the specification wished to take on the work for less, and paid to him after completion, as appears from the minute in our resolution of 29 June anno passato. Furthermore, as appears from our resolutions of 31 August and 6 October anno passato, a sum of 180 rupees was expended for some other small repairs, namely the re-roofing of the guardhouses, the making of a new wooden camp-bed in one of the military guardhouses, also the making of doors for two small powder magazines, item the repairing of the hearths and gutters around and near the blacksmith's shop; all according to the ordinary memorandum that is transmitted among the enclosures hereof; except for the last item, which repair, having only been done in October anno passato, is not recorded in that memorandum, which only shows, as usual, the carpentry and repairs done in the financial year 1773/4. Gifts presented since 25 March anno passato until the last day of December recently past amount to f 2906. -. 8. cost price, and f 3871. 1. -. retail price, and thus f 2638. 12. 8. cost price, and f 3491. 17. -. retail price more than last year's list, as appears from the following: Cost price / Retail price 1774. In the month of June, to the envoy of the king of Travancore, on meeting the Honourable and Worshipful Lord Governor - - - - - - f 148. 9. - / f 357. 4. 8. June, to the Rajadore of Mangatty, also presented as gifts - - - 92. 7. 8 / f 106. 16. - August, presented on behalf of Their Honours according to the secret letter written to Their High Mightinesses on 10 October of this year - - - 2549. 8. - / 3180. 9. - November, to the king of Travancore, on meeting the delegated political members, the junior merchants Samuel Constantin Saffin and Jan Lambertus van Spall - - - - - - - 74. -. - / 175. 6. 1 1/2 November, to the king of Cochin, as just mentioned, presented on meeting the delegates - - - 41. 16. - / 51. 5. - Total - - f 2906. -. 8 / f 3871. 1. - Presented in anno passato 267. 8. - / 379. 4. - Thus more f 2638. 1. 8 / f 3491. 17. -. Having arrived at the article of Ships and Vessels, we note that The ship Het Veldhoen arrived here from Ceylon on 22 November anno passato, and according to the request of those Ministers, took in at Calicoilan and Porca a quantity of 800,000 lb of pepper; and therewith returned from the last-mentioned residency to Galle on 16 December anno passato. Our vessel De Verwagting was dispatched from here to Ceylon on 25 October with a cargo of paddy, and returned here on 8 December, and currently serves for the transmission of these and the ordinary homeland papers to Ceylon. Regarding the 9970 lb of gun-carriage iron brought and delivered by the aforementioned ship Het Veldhoen, the Chief Administrator Willem Jacob van de Graaff has served with findings, which were incorporated in our resolution of 5 December anno passato, and whereby it appears that the officers delivered 191 lb short, and thus 41 1/2 lb short beyond the permitted write-off; which 41 1/2 lb we have had debited to the account of the ship's officers at retail price. On the vessel De Verwagting, since our description of 28 March anno passato, it has not been necessary to have any repairs done, and also no other provisions were made than those determined by the established regulations, inserted in the resolution of 15 January 1772. Among the lesser vessels belonging here, the town's water gamel required a repair; for when it was inspected and surveyed by special delegates, it was found that the keel as well as a large part of its ribs, has item

Dutch transcription

334 welke bedragen aan hem is voldaan. zijn aanbesteed voor 180 was de gewoone memorie komt over. hoeveel 'er verschonken is insertie van despecificatie werk voor minder wilde aanneemen, en na absolveeringe aan hem betaald, blijkens het aangetekende bij ons besluijt van den 29. ' Junij anno passato. Voorts is nog blijkens onse Resoluties eenige andere klijne reporaties van den 31. ' aug=o en 6: 8ber: anno pass=o, te koste gelegd eene somma van 180. rop=s weegens diverse klijne reparaties, als het verdekken derwagten, het maaken van een nieuwe brits in een der Militaire wagten, ook het maaken van deuren voor twee klijne kruijtkelders, item het repareeren der vuursteeden en Goo„ „ten, rondsom en bij de smits winkel; alles volgens de gewoone Memorie die daar van onder de bijlagen dezer overgaat; be„ „halven de laatste post welke reparatie eerst in 8ber: A:o pass=o gedaan zijnde, niet bekend staat, bij die memorie, die maar, als na gewoonte, aantoond. de timmeragies en re„ „paraties in 't boekjaar 177¾. gedaan. Verschonkene zedert den 25. Maart A:o passato tot den laatsten december J:o leeden bedraagt ƒ 2906. —. 8. in, en ƒ3871. 1. -. uijtkoops en dus ƒ2638. 12. 8. in, en ƒ3491. 17. -. uijtkoops, meerder als voorleeden jaar lijst. blijkens de ondervolgende uijtkoops Jnkoops 1774. in de maand Junij aan den afhendeling van den koning van Jaevancoor, bij ontmoe„ „ting van den wel Edelen groot Agtbaa„ „ren heen Gouverneur - - - - - - Junij aan den Ragiadoor van man„ „gattij als even verschonken - - - „ Augustus van wegens haar Edele verschonken volgens secreete missive geschreeven aan Haar Hoog Edelheed=s „ 2549. 8. . „3180: 9. den 10. 8ber: dezes jaars— — November, aan den koning van Goe„ „vancoor bij ontmoeting van de ge„ „committeerdens politicque leeden de onderkooplieden samuel Constan„ „tin saffin en Jan Lambertus van November aan den koning van cochim, als even gesegd, bij ontmoe„ „ting van de gecommitt:s verschenken„ 74. —. — 175. 6: 1½ Jeld - - ƒ 2906. — 8 ƒ 3871. 1. — 267. 8. - „ 379. 4. — in anno pass=o verschonken „ Dus meerder ƒ 2638. 1. 8. ƒ 3491. 17. —. Genadert zijnde tot het artikul van spall - - - - - - - „ 148:9: – „ 357. 4. 8. 92. 7. 8 ƒ 106. 16. —. — 41.: 16. –. „ 51. 5. 3 Maart Scheepen Het 335 arrivement van 't veldhoen van Colombo is den 16 xber: weterom ge„ retourneert met 800'000. lb: peper. de verwagting is ook met een lading neeij na Ceilon geweest thans diend dezelve ten over„ brang van de bataviase en patriase papieren. de stads water gamel heeft moeten werden gerepareert de verwagting heeft geen reparatie noodig gehad. welke minderheit hun op reek: gestelt is. de overheeden van 't veldhoen hebben eenig affuit ijser te min uijtgeleverd Scheepen en Vaartuijgen noteeren wij, dat Het schip Het veldhoen op den 22. ' November anno passato van ceilon hier is aangekomen, en volgens versoek dier Ministers, te Calicoilan en Porca ingenomen heeft een quan„ „titeijt van 800'000. lb: Peper; en daarmede den 16. ' december a:o pass=o, van laatst gemel„ „te residentie na gale is te rug gekeert. ons smalschip De verwagting, is den 25. ' octo„ „ber van hier na Ceijlon gedepecheert met een lading nelij, en den 8. ' decem„ „ber hier gereverteert, en dient thans ten overbreng van deeze, en de gewoone Patriase papieren na Ceijlon. Wegens de met het voorm: schip het veldhoen, aangebragte en uijtgeleverde 9970. lb: affuijt ijser Aan het smalschip De verwagting heeft men zedert onse beschrijving van den 28. Maart A:o passato niet noodig gehad, eenige reparatie te laaten doen, en ook gee„ „ne andere verstrekkingen als bepaald zijn bij het gemaakt reglement, ter resolutie van 15. Januarij 1772. g'insereert. Onder de mindere hier te huijshoorende vaar„ „tuijgen, heeft de stads water gamel eene re„ „paratie benodigt gehad; want toen dezelve door Expresse gecommitteerdens bezigtigt en gevisiteert wierd, is bevonden, dat de kiel zoo mede een groot gedeelte van desselfs inhouten, heeft de hoofd-administrateur Willem jacob van de Graaff gediend van bevinding, welke in ons besluijt van den 5. ' xber: A:o passo is ingelijft, en waar bij blijkt, dat de overhee„ „den 191. lb: tekort, en dus 41½. lb: boven de gepermitteerde afschrijving te min uijtge„ „levert hebben; welke 41½. lb: wij de scheeps overheeden, uijtkoops op reekening hebben laaten belasten. heeft item

NL-HaNA_1.04.02_3406_0061 view scan ↗

English

also that the bilge ceiling and a part of the compartment in the sternpost were mostly rotten and decayed; the report of that inspection served at our meeting of 29 July of the past year, when we resolved to have this vessel, which is so urgently needed here, repaired as soon as possible, as the same has already been restored to good condition, and according to the accompanying memorandum has cost 243. 16. 8 guilders. The correspondence with the other western offices has been maintained with all precision. The Ceylon ministers informed us by letter of 3 November of the past year that Your Right Excellencies had been pleased to notify them that you had instructed us to purchase two shiploads of rice for Ceylon; besides which the said ministers communicated to us that they had received news that rice in Bengal was fairly cheap, and that they would probably be able to purchase it there for less than 50 rixdollars the last, and therefore only requested for now that we purchase one shipload of rice for them and send it thither with the returning Malabar ship. We shall attempt to comply with that request as far as possible; but since it is not yet known how matters stand with the rice and its market to the north, we have not yet been able to give the said ministers any assurance of fulfillment, but in the meantime have placed a shipload of Malabar paddy at their disposal. If we can nevertheless succeed in purchasing rice for 50 rixdollars the last, we shall give preference to that in accordance with their request. Furthermore, the said ministers, by the aforementioned letter, requested from us a quantity of rupees, which they need there for various expenditures, offering ducatoons or Dutch ducats in exchange. But because the expected ship from Batavia is not yet here, and we therefore, due to our uncertainty about how trade will turn out, cannot determine what we can spare of the aforementioned requested coinages without our own inconvenience, we have informed the Ceylon ministers of this, whom we will nevertheless try to help as far as is possible for us regarding this matter. In our general letter of last year we respectfully brought to the notice of Your Right Excellencies under this heading that, upon receiving news that grains were scarce in Jaffanapatnam, we would also dispatch a quantity of 70 lasts of paddy thither; this paddy we dispatched with a native vessel belonging to the freeman Lourens Steijn, residing at Jaffanapatnam. Subsequently, we also found an opportunity to enter into an agreement with a private native merchant to deliver 85 lasts of Bengal rice to Jaffanapatnam with three native vessels at 120 rupees the last, net and clear, without deduction for spillage; all these grains set sail from here in the month of April of the past year with vessels provided with Company passes as having been hired for the service of the Honorable Company. But to our regret we subsequently had to learn that the native regent of Rammenadewaram refused the toll-free passage through the strait of Pamban to those vessels, and despite all representations made against this by the Tuticorin servants would not permit it. This was communicated to us by the said servants in a letter of 15 September following, with the further notification that they were finally forced to have the vessels return to Tuticorin and that

Dutch transcription

336 de Corespondentien werden onder houden. versoek gedaan om twee scheeps ladingen rijst in te koopen. men heeft de ministers in„ tusschen een scheeps lading nelij aangeboden. de ministers versoeken om ropijen, en ruijling aan ducatons of ducaaten. dgeeven. tragten te voldoen. „scheepslading in te koopen. item de kimwegeringe en een gedeelte van het vak in de agtersteeven meest verrot en vergaan waren; het berigt dier visitatie heeft gedient in onze bij eenkomste van den 29. ' Julij A:o pass=o, wanneer wij beslooten hebben, dit hier zo hoog benodigt vaartuijg, ten spoedigsten te laaten repareeren, gelijk het zelve ook al in een goeden staat hersteld is, en blijkens overkomende memorie gekost heeft ƒ 243. 16. 8. De Correspondentien met „de verdere westersche Comptoirent zijn met alle preciesheijd onderhouden, de Ceijlonse mi„ „nisters hebben ons bij missive van den 3. ' 9ber: de Cilons Ministers hebben anno pass=o bekent gemaakt, dat uw Hoog Edelheedens hen hadden gelieven te verwit„ „tigen, dat Hoog dezelve aan ons hadden opgedra„ „gen, om twee scheeps ladingen rijst voor Cei„ „lon intekopen, waar benevens gem: mi„ „nisters ons Communiceerden, dat ze tijding hadden ontvangen, dat de rijst in Bengale reedelijk goedkoop wal, en ze dus waarschijnelijk, daar van inkoop zouden kunnen doen voor min„ dog naderhand om maar een „der dan 50. rijxd=s het last, en maar versogten voor eerst een scheeps lading rijst, voor hen in„ „tekopen en derwaards tesenden, met het retourneerd mallabaars schip, aan men zal aan dat verzoek welk versoek, wij wel zoo veel mogelijk, zullen tragten te voldoen, dog vermits men nog niet weet, hoe het met de rijst en de markt derzelve, om de noord gesteld is, zo hebben wij de gemelte ministers dog men kan geen verzeekering nog geene verseekeringe kunnen geven tot de voldoening, dog Jntusschen een scheeps lading mallabaarse Nelij ter hunner dis„ „positie gesteld; indien wij egter kunnen slagen omtrend den Jnkoop van rijst voor 50. rijxd:s het last; zullen wij daar aan volgens hun versoek, de preferentie geven. Nog hebben wel gem: ministers„ bij voorsz: brief, van ons gevraagt een partij ropijen, die zij aldaar tot deeze en geene uijtgaven nodig hebben, met aanbieding, van ducatons reedelijk of 8 337 reden nog niet gerieven. voor Jaffanapatnam met landsche vaartuijgen verzonden. en zedert nog 85. lasten Beu„ „gaalse rijst. — „bieelen de vaartuijgen terug. de land regent van ramme„ „nadawaram weigert de vaar„ „tuijgen de thol vrije doortogt: of hollandse ducaaten in de plaats, dan dewijl het verwagt wordend schip van Batavia nog niet hier is, en we dus uijt onze„ men kan de Ministers om „kenheijd hoe den Handel afloopen zal, niet bepaalen kunnen, wat hij van voorsz: ge„ „vraagde munt specien buijten eijgen ongerief missen kunnen, zo hebben we dit de Ceijlonse ministers bedeelt, die we egter zo veel ons mogelijk is, ten aansien van dit ar„ „ticul zullen zien te helpen. Bij onze voorleeden jaarse Generaale missive hebben wij uw Hoog Edelheedens onder dit hoordeel eerbiedig ter kennisse ge„ „bragt, dat wij op bekomen tijdinge, dat de graanen te Jaffanapatnam schaars waa„ men heeft 70: lasten nely ren, ook een quantiteijt van 70. lasten Nelij zouden derwaarts bezorgen; deeze Nelij hebben wij versonden met een Jnlands vaar„ „tuijg van den te gaffenapatnam te huijs„ „hoorende vrijman Lourens steijn, ver„ volgens hebben wij nog gelegentheijd gevon„ „den, om met een particulier. Jnlands koopman een accoord aantegaan om 85. Lasten Ben„ „gaalse rijst, met drie jnlandse vaartuijgen, na Jaffanapatnam te besorgen tegens 120. ropias het last, vrij en zuijver uijt, zonder korting van spillagie; alle deeze graanen zijn in de maand April anno pass=o hier afgestooken met vaartuijgen, versien met 'sComp:s passen als ingehuurd tot Haar Edele dienst, dog tot ons leed„ „weesen hebben wij vervolgens moeten verneemen, dat den land regent van Rammenadewaaam de toll vrije door„ „togt door de engte van Pambe aan die vaartuijgen heeft geweijgert, en op alle daar tegens gedaane vertoogen der Tutucorijnse bediendens zulx niet wil„ „len toestaan, dit is ons door de gem: bediendens bij missive van den 15. ' Zep„ „tember daar aan bedeelt, onder verder te kennen gevinge, dat ze eijndelijk de Jutucorijnse bediendens ont„genoodzaakt zijn geweest, de vaartuijgen na Tutucorijn terug te doen komen en een dat ds.

NL-HaNA_1.04.02_3406_0063 view scan ↗

English

338 sold. The Surat ministers send four Maratha passes and four flags for two ships and two gurabs. They were obtained with great effort from the Maratha supreme prince. Ordered to let the Company's ships pass and repass freely and unhindered. They returned the same upon their departure. Delivered to the officers of the Veldhoen. The ministers will continue the transmission annually. How the ships must make use of these flags. that they, at the request of the heads of the Pariahs there, left the rice and paddy for the purchase prices for the service of the community; so that these grains came in very handy at Tuticorin, and the inhabitants there were all the better accommodated. The Surat Ministers sent us, under covering letter of the 10th of October of the past year, two Maratha passes for ships and two ditto for gurabs, along with four recognition flags, writing that after much effort they had obtained from the supreme prince of the Marathas the aforesaid passes or safe-conducts, and recognition flags, for all ships and vessels navigating under the Dutch flag; as well as an order to the head of his naval armada at Geria, wherein the same is commanded not to molest any Dutch ships, but to let them pass and repass freely, of which order the said ministers also sent us copies at the same time, with further notification that the aforesaid flag, upon encountering any of the Maratha vessels, must be hoisted from the foretop, and that they would continue with the transmission of passes and flags annually, if Your High Excellencies are pleased to be satisfied therewith. This Surat letter was already received by us on the 6th of November following, and we caused such a pass and flag to be handed to the officers of the ship 't Veldhoen, with an instruction for their guidance, whereby they are also ordered to return the pass and flag upon their departure from this coast, to be employed on other ships, just as the said officers, upon 339 The Foreign Nations, have come here. The same were sent to Quilon to be delivered to the Batavia ship. High Excellencies continue therewith. The edict for the expansion of free trade has been published. Cooperate toward a fortunate success. No change has occurred among the servants. Regarding their destination, mention was made in the separate letter. Nothing particular to report regarding the foreign nations. their departure from Porca, delivered the pass and flag to Resident Joussain, who, by our order, sent them to Quilon, to be delivered there by the chief to the ship we are expecting from Batavia, in which method we shall continue, if it pleases Your High Excellencies and you do not wish to order otherwise in that regard. The edict issued by Your High Excellencies for the expansion of private free navigation and trade has been duly published and posted here, and we, on our part, shall cooperate as best we can toward the fortunate success of the said arrangements, while the further esteemed orders relating thereto shall serve for our dutiful guidance and observance. Concerning the servants here on the coast, no change having occurred, we bring nothing forward under this heading that merits any special notice from Your High Excellencies, we will only note here that of the French, two ships have been here, named Le Lion and La Seine; the first coming from the Mauritius and destined for Goa, and the other from Pondicherry to Mahe, or rather actually to Mangalore, as is reported in the first signatory's separate letter of today.

Dutch transcription

338 verkogt. de souratse ministers zenden vier maratse pascen en vier vlaggen voor twee scheepen en twee goerabe. men heeft dezelve met veel moeijte van den marattase opperverst verkreegen. is gelast 'sComp:s schepen vrij en onverhindert te laaten passeeren en repasseeren. dezelve hebbense met hun vertrek wederom afgegeven. de overheeden van 't veldhoen afgegeven. de ministers zullen jaarlijks, met de oversending Continueeren. hoe descheepen zig van die vlaggen moeten tedienen. dat ze derijst en Nelij op het versoek van en derijst in Kelij werd aldaar de hoofden der Parriasser aldaar voor de Jnkoops prijsen hebben overgelaaten ten dienste van de gemeente; zo dat deze graanen op Jutucorijn nog heel wel van pas gekomen, en de ingesetenen aldaar, te beter zijn gerieft. De souratse Ministers hebben ons onder geleijde letteren van den 10. ' oc„ „tober a:o passato toegesonden twee Ma„ „rattase Pascen voor scheepen en twee ditos voor Goeraps, benevens vier vlag„ „gen van verkenninge, onder aan„ „schrijvens, datze na veel moeijte van den oppervorst der Marattas hadden verkregen de voormelte pascen ofte vrijgeleijden, en vlaggen van verken„ „ninge, voor alle scheepen en vaartuij„ „gen, navigeerende onder de Nederlandse vlagge; mitsgaders eene ordre op het het hoofd van desselvs zee armade hoofd van derzelver zee-armade te Geria, waar bij denselven bevolen word, om geene Nederlandse scheepen te moles„ „teeren, maar vrij passeeren en Repasseeren te laten, van welke ordre, gem: ministers ons ook teffens Copias hebben toegezonden, met nader bekentmaking, dat de voorm: vlag, bij ontmoeting van eenige der Marattase vaartuijgen, moet werden opgeheesen van de voortop, en datze Jaarlijks met de oversending van pascen en vlaggen zouden continueeren, indien uw Hoog Edelheedens daar in genoegen gelieven te neemen; Dese souratse missive is reets den 6. ' November daaraan, bij ons ontvangen, en wij hebben aan de overheeden zodanigen patco en vlagestaan van het schip 'J Veldhoen sodanigen Pas en vlagge ter hande doen stellen, met een ordonnantie ter hunner narigt; waar bij deselve ook gelast zijn, de Pas en vlagge, bij hun vertrek van deze kust weder af te geven, om g'emploijjeert te werden op andere scheepen, zo als dan ook gemelte overheeden de Pas en vlagge, om bij 8 339 De Vreemde Natien, is ons dezelve zijn na Coilan ge„ „sonden om aan het Batavias schip aftegeven. Hoog Edelh:s daar mede continueeren. het placcaat tot uit breiding van den vrijen handel is gepub„ „licert mede werken tot een gelukkig succes onder de Dienaren is geen verschanding voorgevallen. wegens hunne destinatie is mentie gemaakt bij de aparte briev. hier aangeweest. van de vrende natien valt niets bijsonders te melden. bij hun vertrek van Porca, aan den Resident Joussain hebben overhandigt, en die dezelve, ter onser ordre, na Coilan heeft gezonden, om aldaar door het opperhoofd afgegeven te werden, aan het schip dat wij van Ba„ „tavia te gemoet zien, bij welke methooe men zal het believen van Naar wij zullen blijven continueeren, indien het uw Hoog Edelheedens welgevallig is, en daar omtrent niet anders gelieven te ordonneeren. Het door uw Hoog Edelheedens g'Ema„ neert placcaat ter uijtbrijding van De Particuliere vrije vaart en Handel, is alhier behoorlijk gepu„ „bliceert en g'affigeerd, en wij zullen van onze zijde na vermogen meede werken tot men zal hier na vermogen het gelukkig succes der gemelde beschik„ „kingen, terwijl ons de verdere g'eerde or„ „dres daar toe betrekkelijk tot onze schul„ „dige narigt en observantie zullen laten strekken. De Dienaren hier ter kuste geen verschansinge voorgevallen zijnde, brengen wij eenelijk onder dit Hoofd-deel De Franschen hier dange„ twee fransche schepen zijn weest zijn twee scheepen genaamt Le Lion en La Saine; het eerste komende van de Mauritius en gedestineerd na Goa, en het ander van Pondicherij na Mahé, of wel eijgendlijk na Mangaloor ten tine als bij des eerstgeteekendens apparte brief van heden gemeld word. onder niets te voren gekoomen, het geen een bijsondere opmerking van uw Hoog Edelheedens meriteerd, alleen zullen wij hier noteeren, dat van Betreffende Betaeffende ter

NL-HaNA_1.04.02_3406_0065 view scan ↗

English

340 made a quick journey to Ceylon during the past rainy season, returned here. meanwhile performed his duties. From the widow Krouse comes a petition to Your Right Honourables, she gives reasons why her request is made to Your Right Honourables. son-in-law may be ordered to send her granddaughter here. to the knowledge of Your Right Honourables, that we have permitted the Second and Chief Administrator Willem Jacob van de Graaff, at his request, to make a quick journey during the rainy season to Ceylon for the transaction of his private affairs; whither he also departed before the setting in of the bad monsoon, and already returned here at the beginning of October last; the Chief Administration having meanwhile been performed and the Presidency of the Council of Justice in Civil matters held by the Merchant and Fiscal Reinier van Harn, and should Criminal incidents occur, the same entrusted to the Secretary of Policy Schutz, as appears from the record in the Resolution of 25 April of the past year. By the widow of the late Bookkeeper Johannes de Krouse, named Johanna Abrahamsz, a petition addressed to Your Right Honourables has been handed over to us, with a very humble plea that the same might be forwarded to Your Right Honourables, containing a request that her son-in-law, or deceased daughter's husband Pieter Lodewijk Fiers, may be ordered by Your Right Honourables to send the petitioner's granddaughter Johanna Libregta Sweers de Landas hither, along with the remittance of the inheritance of her late mother and further what was bequeathed to her by Testament in slaves and clothing, in order to be brought up by the petitioner according to the last will of her late daughter, since the said Fiers seems disinclined to let this little daughter go with her maternal inheritance, and the petitioner, being a needy widow unable to take the path of the Law, turns therefore to Your Right Honourables, and alongside her petition submits various annexes on which her request is founded; which papers we could not omit 341 to offer her petition to Your Right Honourables, good testimony. The pensioned men give thanks and request the continuation of their pension. The consumption The consumption in the last five years on average sold in the latest financial year 1 November 1772 A request is made for the satisfaction of the provisional requisition of merchandise. to offer to Your Right Honourables, as not being able to know whether it might not at some time please Your High Mighty to give some reflection to the request of the petitioner, in view of her inability to pursue her right, although the matter would otherwise belong to the ordinary judge; we can give this testimony of the said woman, that she has no means to pursue her right through the ordinary way, as also that she is of blameless life, and a good mother to her children. The Pensioners here on the coast thank Your Right Honourables for the enjoyment of their retirement pay, and humbly request its continuation; they consist of a number of 22 heads, according to the accompanying muster roll, among whom the Corporal Stoffel van den Branden and Sergeant Ulrich Sars, to whom, according to our resolutions of 6 and 28 October of the past year, in view of their many years of service, advanced age and physical infirmities, retirement pay was allocated by us, the one 10 guilders and the other 12 guilders a month. Our Provisional Requisition for Merchandise and necessities, resumed in Council and attached hereto, we request that it may kindly be fulfilled by Your Right Honourables; the same consists of the following articles, to wit: The consumption under date of December to the date of this, The remainder, New Requisition. in 4 years 1136¼. 2264. 2171. 150. 191. 388½. Merchandise: 5896. 25000. lb cloves 18873 7/8. 18727 7/8. 8234. 15000. lb nutmegs 8781 3/8. 7171 7/8. 10505. 25. suckels mace 21½. 27½. 5. 300000. lb Japanese copper in bars in 3 years 164868¾. 107156 7/8. 6000. canassers powder sugar 250. canassers candy sugar 2000. lb Dutch steel 2000. lb unground vermilion. Ulrich The 3

Dutch transcription

340 in de gepasseerde regentijd een springtogt na Ceilon gedaan hier terug gekomen. tusschen desselfs bediening waar „genomen. van de weduwe Krouse komt een request aan Haar Hoog Edelh:s over dezelve geeft redenen waarom haar versoek aan Haar Hoog besprooken is. schoonzoon mag werden g'ordon„ „neert om haar klijn dog ter herwaarde te zenden. ter kennisse van uw Hoog Edelheedens, dat wij aan den secunde en Hoofd-administra„ den secunde van de Graaffhuft teur Willem Jacob van de Graaff, op zijn versoek gepermitteerd hebben, in den Regen„ tijd, een springtogt, tot verrigting zijner particuliere affaires na Ceijlon te doen; werwaarts denselven dan ook voor het inbre„ „ken van de quaade mousson is vertrokken is in 't begin van Hber: weder en reets in het begin van October jongstlee„ „den weder hier terug gekomen; zijnde intusschen de Hoofd-administratie waar„ genoomen en het Presidium in den Raad van Justitie in het Civiele bekleed door den den fiscal van starn heeft in, koopman en fiscaal Reinier van Harn, en indien 'er Crimineele voorvallen mogten komen, dezelve opgedragen aan den secretarij van politie schutz, blijkens het aangetekende ter Resolutie van den 25. ' april A:o passato. Door de weduwe van wijlen den Boekhouder Johannes de Krouse, in naame Johanna Abrahamsz: is aan ons overgegeven een Request aan uw Hoog Edelheedens gerigt, met zeer ootmoedige beede, dat het zelve aan uw Hoog Edelheedens mogt werden versonden, houdende versoek, dat haar waarbij verzoek doed dat haar schoonzoon, of overleden Dogters man P Pieter Lodewijk Fiers door uw Hoog Edel„ „heedens mag werden g'ordonneert, der suppliante klein dogter Johanna Libreg„ „ta sweers de Landas herwaards te senden, met overmaking van de Erffenisse harer over„ „leeden moeder en verder haar bij Testament met het geen haar bij festament besproken slaven en klederagie, ten eijnde bij de suppliante opgevoed te werden, na volgens de uijterste wille van haar overlee„ „den dogter, alzo gem: Fiers dit dogtertje en met haar moederlijk Erfdeel ongenegen schijnd te laten volgen, en de supp=te als eene behoeftige weduwe den weg van Regten niet kunnende inslaan, zig daar Edelheedens is voordraagende omme tot uw Hoog Edelheedens wend, en nevens haar Request aanbied diverse bijlagen, waar op haar versoek gegrond is; welke papieren wij niet hebben mogen net nalaten 8 341 om haar request Heer Houg Edelheed:s te offerieren, goed getuijgenis de gegagieerdens bedanken en verzoeken om continua„ tie van hun gagement gageert. den vertier den vertien in de gedecoop van laatste vijf jaaren door den anderen 't jongst boek„ ggeslagen 1 1e Netr 172 men versoekt om de voldoening van de provisioneele Eijsch van coopmanschappen. men heft mit mogen nalasten nalaten, aan uw Hoog Edelheedens te of„ „fereeren, als niet kunnende weeten, of het hoog dezelve somtijds niet behagen mogte op het verzoek van de suppliante, mits haar onvermogen om haar regt te vervolgens, eenige Refelxie te slaan, schoon de zaak wel anders tot den ordinairen regter behoorde; wij kunnen van deze de gem: vrouw draagten vrouw dit getuijgenisse geven, datze geen vermogen heeft om haar regt door den ordinairen weg te vervolgen, zo meede dat zij van een onbesprooken Leven, en een Goede moeder van haare kinderen is. De Gegagieerdens hier ter kuste bedanken uw Hoog Edelheedens voor het genot hunner rust-gagie, en ver„ „soeken ootmoedig om de continuatie, de„ „zelve bestaan in een getal van 22. koppen, blijkens de overkomende Naam-rolle, waar onder den Corporaal een Capa en kopant, en stoffel van den Branden en sergeant in 4: paren 1136¼. 2264. – 2171. - 150. – 191. 388. ½. —. Koopmanschappen 5896. — 25000. - lb: garioffel Nagulen 18873. 7/8. 18727 7/8. 8234. -15000. - lb: Nooten muschaaten 8781 3/8. 7171 7/8. 10505. -. 25. – „ soekels foelij of Macis 21½. 27½ 5. — -. 300000. — „ kooper Japans in staaven —— 6000. – Cannassers Zuijker poeder 250. _=o zuijker Candij 2000. lb: staal Hollands. 2000. – „ vermilioen ongemaalen. in 3. jarn 164868. ¾. 107156. 7/8. —. — Eijsch van Coopmanschap„ „pen, en benodigtheeden, verzoeken wij„ dat door uw Hoog Edelheedens, goed„ „heijd mag werden voldaan; dezelve be„ „staat in de volgende articulen teweeten. den vertier Het restant nieuwen onder dato Eijsch. zber: tot dato dezes dezes ulrich sars, aan welke uijtwijsens onze besluijten van den 6:=de en 28. ' october A=o passato, mits hunne langjaarige diensten, hogen ouderdom en lichamelijke gebreken, door ons rust-gagie is toegelegt, den eenen ƒ 10. -. –. en den ander ƒ12. —: —. smaands. Onsen in Raade geresumeerden en hier nevens gevoegden Provisioneelen Ulrich Den „ 3. „

NL-HaNA_1.04.02_3406_0067 view scan ↗

English

342 The consumption of in the consumption the last five years, during the latest book on average September of this since primo below reckoned Year 1773/4. in 3 years in 4 years 10. — the consumption: the remainder New 50000. – lb: sappanwood 8000: — cubeb or tailed pepper 6. – leagers Cape white wine. 2. –. ditto Cape red wine. 25. – arrack api 40. – cases genever 5. — ditto brandy. Warehouse Requirements 500. — single bundles or 25000 pieces rotan 200. – pieces glass panes of 7. and 9. inches 200 — glass panes 9. 11. 5000. - lb: welding iron nails 400. — ditto thick double 200. - single 1000:— thin single Provisions - 100. – bottles sack wine 2. — half aams olive oil 6. ditto ditto linseed oil 2. – firkins butter 1. aam Dutch vinegar 1. – cask Dutch meat 1. –. Dutch bacon 500. –. lb: lamp cotton. Printed Books 10. – pieces Grammars 10. –. Youthful Pranks 3. — Examples of Divine Truths by A: Hellenbroek —. lb: 583. — 538. — 96. — 199. 3752½ 326. — 381. 421. 69. — 135. — 14 4/5. 20½. 18½ 18. — in 4 years 2. — 104. — 631. 1439½ 20½ 14. 1 7/8. 17. 3. — in 3 years 2. — 21¼ 29¾. 26 1/4. 37½: 35 1/15 4. 84. 6. –. pieces Communion booklets 20. — A.B.C. booklets = 24. —. A.B.C. boards. Writing and Bookbinding Tools 36. – reams large format paper 40. - reams small format paper in 4 years — 3/0 — 1/20. — 1/40. —½: ream Imperial paper —.— 10. — 20. - 15. reams pattern paper 7. – 8. – 2. 6. -. pieces penknives —¼. 1 3/8. —/6 1½. lb: cut red earth and pencil 93. 92. - 10. - 80. bundles quill barrels. 3. 3 4. pieces sharpening stones 17¾ 10. - lb: copperas 6½ 20. - Gum Miscellaneous Paints 5. - lb: Prussian blue —¼ 5 3/8. 30. - verdigris 300. - small barrels blacking 92¼ 1000. lb: white lead for the armory. 25. pieces Dutch drum cords 10 50. Dutch drum skins 12. - drum hoops drum hoops 12. for the smith's shop 29152½ 28927. - 5259 2/4. 30000. . . lb: iron assorted, for consumption in the household, as. 12000. lb: gun carriage 10000. square 5. quarters 67. 63. - 19½ 80. - lb: gallnuts last five years on average in 3 years consumed 3¼. 42. 5. — 1 4/5. 2. 1. — 5: — Requisition. reckoned. the consumption in the 4. ditto 19 19. 20. 20— 6. — book year 178/4 this. course of the latest date the the consumption of the whole remaining below Requisition 11½ —. 4. — — 22. — 15. 4. 10. 6. 6. 5 . — 1. 2. — — 3¾. — — 1. — ¼. 1. — ¾. 27½ - - 1¼ / f 2 —. 1¾ 19. — ditto 4. in 3 years 4. — 2. — 74. 25. — 106. — 25½. 10.— 3 2. 11. 1. 11. — 343 the consumption in the the consumption the remainder New last five years during under date on average the latest book this reckoned in 4 years 21. 11. 1/5 6. — 25. — 13 1/18. in 2 years the consumption in the last five years on average reckoned the consumption during period of this 2000. lb: scrap 3000. 1. inch 3000. ¾. 12. – sheets tinplate 50. — tubs smithing coal 6. — lb: refined borax 2. – pieces aam files 6. – polishing discs 6. — steel knives coopers 4. - draw knives 4. — straight cutting knives ditto 4. – cutting iron with taps. for the equipment yard 11. 3. —. pieces grapnels from 300. lb: to 100. lb: 5. — 6. — standing lanterns 4. – hides of buoy leather 6. — pieces broad sailcloth Dutch 20. —. rolls gray cloth ditto 25. –. rolls sailcloth ditto 10. – casks Dutch resin 1. — 2. - 4. — pieces whole-hour glasses 9. 4. —. half-hour glasses 4. —. old sails, urgently needed 6. — —½ 8. – casks pitch 1 4/5. 2. - 2 1/20. 2. - pieces bolt-rope truffs 6¼. 4½ —. - 8. — pieces Dutch lines assorted 5. - 5. - 3. ½. 8. - lead lines 1½ 2¼. 3. – hides pump leather 1. - 2. — pieces azimuth compasses 1. – Dutch hawser of 9. inches — 10 2/5. 23 6 /00 — 6. ½ 12. - 10½ 5 1/10 — 2. — 2. — 3¼ 2¾. 1¼. 4. ditto 3. — 8. —. 2. — 35. — 20. — 32. — 15 4/5. 21 1/5 19 — 3 ½ 97. 102. — 14.— 163. 20. — 34. 1. 10. — 1654. - 4000. lb: whole leagers 1124. - 2000. - half ditto whole aams 673 1500. —. 1500. — half ditto Various medicines and oils, according to the catalogue drawn up and signed by the head surgeon of the hospital Louis Quintin Martinsaat. 1. pieces Dutch hawser of 7. inches 10. - iron hawsers 200. - lb: soot 5. - 2. -. pieces tin lamp trimmers 5. 25. – casks tar 25. – pieces tar brushes 40. - lb: Dutch sail twine 6. – pieces sailmaker's palms 16. ballast shovels 74 100. lb: chalk 1½ pieces old junk, urgently needed 2. - grindstones For the Cooper's shop 3450. 9000. lb: hoop iron assorted there- 6928:— 6150. of remainder New consumed Where- the 9 of 1772. 23. 8 3/00 6. — - 2. — 2. — 2. 4. 4. — 2. — 2. — 1 9/10. 10 6. in 3 years 4. 5 1/8. 1 4/5. —. 1.— —. — 1. 1. — 1. 2. — 1.— 3 - 3. 11 in 4 years Requisition in 2 years 1. — 4½ 1 —. — 30 1/5. 3. — 40. — —¾. 2.— 1. — 3. ditto 2. 4 Requisition: 344 Examined Adriaan Pootvliet Wherewith we have the honor to remain with the utmost respect and high esteem signed below: Right Honorable, Highly Respected, Vast-Ruling Lords, and Well Honorable Lords, Your Right Honors' humble and obedient servants signed: A:n Moens, W:m J:o van de Graaff, I: H: Medeler, R: v: Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, and C: G: Seijffer in the margin Cochin the first of January 1775. lower: P.S. After this was already prepared to be closed, we found ourselves yesterday evening upon the arrival of the ship Zeeduijn honored with the receipt of Your Right Honors' general rescript dated the last of September anno passato, with all the enclosures mentioned on the register, to which we shall answer with respect upon the return of the aforesaid vessel Zeeduijn; meanwhile we are very pleased with the receipt of a good portion Agreed. of the requisitioned trade goods, whereby we are enabled to continue trade, and which we do not doubt shall soon be sold with good profits. H Schutz Secretary - the

Dutch transcription

342 Den vertier van in den vertier de laatste vijf jeaaren, geduurende derongst boek door den anderen 7ber: es dezes zedert p=mo onder geslagen Jaar 177¾. in 3. jaaren in 4. Jaaren 10. — den vertiep: het restent Nieuwe 50000. – lb: sapanhout 8000: — „ Rubebe of staart peper 6. – leggers Caabse witte wijn. 2. –. d=o Caabse Roode wijn. 25. – „ Arak Apij 40. – kelders genever 5. — d=o Brande wijn. Pakhuijs Behoeftens 500. — Enk: bossen of 25000 tuks Rotting- 200. – p:s Glaaze ruijten van 7. en 9. d=m 200 — „ glaase ruijten „ 9. „ 11 . „ 5000. - lb: spijkers las ijzers 400. — „ d=o dikke dubbelde 200. - „ „ Enkelde 1000:— „ „ dunne Enkelde Provisien - 100. – bottels zeek wijn 2. — halve aamen olijven olij 6. d=o d=o Lijnzaat olij 2. – vaaten Booter 1. aam Azijn hollands 1. – vat vlees hollands 1. –. „ speck hollands 500. –. lb: Lamp Cattoen. Gedrukte Boeken 10. – p„s Letter konsten 10. –. „ Grappen der Jeugd 3. — „ voorbeelden der goddelijke waarheeden door A: sellenbroek —. lb: 583. — „ 538. — 96. — 199. 3752½ 326. — 381. 421. 69. — 135. — 14 /5. 20½. 18½ 18. — in 4. jaaren 2. — 104. — 631. 1439½ 20½ 14. 1 7/8. 17. 3. — in 3. jaaren 2. — 21¼ 29¾. 26 1/4. 37½: 35 1/½5 4. 84. 6. –. p:s Nagt maal boekjes 20. — „ A: B: C: boekjes = 24. —. „ A: B: C: bordjes. schrijf en Boekebinders Gereedschappen 36. – riemen groot formaat papier 40. - riemen klein formaat papier in 4. jaaren — 3/0 — 1/20. — 1/40. —½: riem Jmperiaal papier —.— 10. — 20. - 15. riemen Pattroon papier 7. – 8. – 2. 6. -. p=s pennemessen —¼. 1 3/8. —/6 1½. lb: gesneede rood aarde en potlood 93. 92. - 10. - 80. bossen penne schagten. 3. 3 4. p„s slijp steentjes 17¾ 10. - lb: kooperrood 6½ 20. - „ Gom Verwen Diverse 5. - lb: Berlijns Blaauw —¼ 5 3/8. 30. - „ spaans groen 300. - tonnetjes swartzel 92¼ 1000. lb: Lood wit voor de wapenkamer. 25. p:s Trom lijnen hollands 10 50. „ Grom vellen hollands 12. - „ trom reepen Jrom hoepen 12. „ voor de smits winkel 29152½ 28927. - 5259 2/4. 30000. . . lb: ijser in zoort, tot comtumptie in de Huijshouding, als. 12000. lb: affuijts 10000. „ vierkant 5. quartiers 67. 63. - 19½ 80. - lb: galnooten laatste vijf jaaren door den anderen in 3. Jaren verte 3¼. 42. 5. — 1 4/5. 2. 1. — 5: — Eijsch. geslaagen. den vertier in de 4. „ do 19 19. 20. 20— 6. — boekjaan 178/4 zes. loop van t jongst dato de den wortien van het hele euwer onder Eijsch „ 11½ —. 4. — „— 22. — 15. 4. 10. 6. 6. 5 . — „ 1. 2. — — 3¾. — — 1. — ¼. 1. — ¾. 27½ - - 1¼ / ƒ 2 —. 1¾ 19. — „ „ d=o „ 4. „ n 3. Jaaren 4. — 2. — 74. 25. — 106. — 25½. 10.— 3 „ 2. „ 11. „ 1. „ 11. — 343 den vertien in de den vertier het Restant Meuwen laatste vijf jaaren geduurende onder dato door den anderen te euyst oek deres a geslagen in 4. Jaaren 21. 11. 1/5 6. — 25. — 13 1/18. in 2. Jaren den virties in de laatste vijf jaaren door den anderen geslaagen den vertier geduurende traam 1t rak„ dezes 2000. lb: Lomp 3000. „ 1. d=ms 3000. „ ¾. „ 12. – blaaden blick 50. — hoeden smee koolen 6. — lb: minea Borax 2. – p:s aam vijlen 6. – „ god schijven 6. — „ staal messen kuijpers 4. - „ Holmessen 4. — „ snij messen regte _=o 4. – „ snij ijzeal met tappen. voor d' Equipagie werff 11. 3. —. p:s dreggen van 300. lb: tot 100. lb: 5. — 6. — „ stand lanthaarns 4. – Huijden Boeijleer 6. — stuks Breed lverdoek hollands 20. —. Rollen grauw doek _=o 25. –. rollen zeijl doek _=o 10. – vaten Harpuijs hollands 1. — 2. - 4. — p:s Hteele uurs glaasen 9. 4. —. „ Halve uurs glaasen 4. —. „ oude zeijlen, hoog noodig 6. — —½ 8. – vaten Zick 1 4/5. 2. - 2 1/20. 2. - p:s Lijk troffen 6¼. 4½ —. - 8. — p„s Lijnen hollands in zoort 5. - 5. - 3. ½. 8. - „ lood lijnen 1½ 2¼. 3. – huijden Pompleer 1. - 2. — p=s Pijl Compassen 1. – „ Reep hollands van 9. d=m — 10 2/5. 23 6 /o0 — 6. ½ 12. - 10½ 5 1/10 —„„ 2. — 2. — 3¼ 2¾. 1¼. „ 4. d=o 3. — 8. —. 2. — 35. — 20. — 32. — 15%/%. 21 1/5 19 — 3 ½ 97. 102. — 14.— 163. 20. — 34. 1. 10. — 1654. - 4000. lb: heele leggers 1124. - 2000. - „ halve _=o „ heele aams 673 „ 1500. —. 1500. — „ halve d=o Diverse Medicamenten en olijteijten, vol„ „gent Cathalogue door den opperchi„ „rurgijn van het Hospitaal Louis quintin Martinsaat opgemaakt en ondergeteekend. 1. p„s Reep hollands van 7. d=m 10. - „ ijzer trossen 200. - lb: Roeth 5. - 2. -. p:s Blicke slonsjes 5. 25. – vaaten Theer 25. – p„s Gheer quasten 40. - lb: zeijlgaaren hollands 6. – p„s zeijl plaaten 16. „ Ballast schoppen 74 100. lb: kreijt 1½ p:s oud jouw, hoog noodig 2. - „ slijp steenen Voor de Kuijpers winkel 3450. 9000. lb: Htoep ijser in zoort daar„ 6928:— 6150. van ot e tant Nieuwer verte Waar de 9 an A 72. 23. 8 3/00 6. — - 2. — 2. — 2. 4. 4. — 2. — 2. — 1 9/10. 10 6. in 3 jaaren „ 4. „ 5 1/8. 1 4/5. —. 1.— —. — 1. 1. — 1. 2. — 1.— 3 - „ 3. „ 11„ in 4 jaaren Eijsch in 2. jaaren 1. — 4½ 1 —. — 30 1/5. 3. — 40. — „ —¾. 2.— 1. — „ 3. d=o. 2. „ 4 Eijsch: 344 Nagezien Adriaan Pootrliek Waarmede ons de here geven van met de uijterste Eerbied en hoog achtinge te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijdgebiedende Heere, en Wel Edele Heeren= uw Hoog Edelheedens onderdanige en Gehoorzaame Dienaaren /was getekend:/ A:n Moens, W:m J:o van de Graafp, I: H: Medeler, R: v: Harn, S: C: Saffin, J: L: van spall, A: R: Schutz. en C G: Seijffer /:Jnmargine / Cochim den Eersten Januarij 1775. /lager:/ P: S: Na dat dezen reets inge„ „reedheijd was, om tesluijten, vonden wij ons gisteren avond bij opdaging van het schip Zeeduijn vereert, in den ontvangst van uw Hoog Edelheedens generaale rescrip„ „tie in dato laatsten 7ber: anno passato, met alle de bijlagen op het register vermelt, waar op wij in eerbied zullen antwoorden, met de terug keeringe van voorsz: bodem Zeeduijn, intusschen zijn wij zeer verblijd met den ontvangst van een goed deel GAccordeert. der gerequireerde Handel whaaren, waar door wij in staat gesteld zijn om den handel tekunnen voortsetten, en welke wij niet twijffelen, of zullen spoedig met goede advancen gedebiteert zijn. H Schutz Secret:s - der

NL-HaNA_1.04.02_3406_0072 view scan ↗

English

No 2. 345 Copy Batavia To his High Honor The High Noble, Right Honorable Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General The Honorable Lords Councillors of Netherlands India High Noble, Right Honorable Far-commanding Lord, Honorable Lords. Some time ago, a certain Roman Priest related to me (after I had first been obliged to promise him to keep his name secret) that he had understood from a Priest in Goa, who has some access to the Government there, how two Priests who arrived in Goa from Lisbon had related there that at the time of their departure, deliberations and consultations were being held at the Court of Portugal to re-establish themselves in India; and that it had been decided to first demand back this city, as having been conquered after peace had been made. That same Priest also said that this had likewise been communicated to him by another Priest from Coromandel. He was also able to tell me that the Portuguese were inquiring carefully into the condition and strength of this city, especially into our Militia. It was also heard that somewhat more reinforcements of personnel had come out for Goa than usual, and at that time more Portuguese were also roaming about here than usual. Yet I heard at the same time that it is nothing new when one hears the Portuguese spoken of here in that manner, since there are many old Portuguese families here who, being inwardly attached to the Portuguese Nation, always flatter themselves that this place will once again fall into the hands of the Portuguese. Yet at that very same time, the rumor also went that the Portuguese actually wished to undertake something against the Marathas, since the Marathas continually cause trouble for the Portuguese and even overpowered one of their frigates last year. Since then, a private ship from Portugal also arrived here in the roads, on which was a passenger, Bishop Noronha, who had to go to Goa and was to have a hand in Government affairs there next to the first in command or the governor. He did not come ashore here, nor did he display any mark of distinction; yet when the ship had passed Calicut, he had the flag flown from the main topmast. This Bishop, as I have since learned, was formerly an ordinary Priest who, having wandered about in India for a considerable time and having played a singular role during the last siege of Pondicherry, subsequently returned to Europe, was thereupon recommended to Portugal by the French, and, having known how to ingratiate himself very well in Lisbon, was appointed there as a Bishop in partibus. Yet the aforesaid Priest related to me some time thereafter that the Portuguese are indeed pregnant with designs to re-establish themselves in India; that they even have Ceylon in mind, and are in correspondence with the Candian Court. He added that the Court of Candia, dissatisfied with the Dutch, was inclined to call back one European Power or another, and among them also the Portuguese, to serve as a counterweight against the Dutch, just as the Court had done when it called us in against the Portuguese. And I now recall how, a short time before, a certain Captain of an English ship related here that the Candian Court had also addressed itself to the Nawab Muhammad Ali to that end, which I then also communicated in private to the Lord Governor of Ceylon, Falck. The aforesaid Priest was now recently also able to tell me these further details: namely, that the said Bishop was to have special and important commissions, that he had been ashore at Barcelor or Mangalore (two places one must pass on the way from here to Goa),

Dutch transcription

N„o 2. 345 Copia Batavia Aan zijn Hoog Edelheijds Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Petrus Albertus van der Parra Gouverneur Generaal De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer, Wel Edele Heeren. over eenigen tijd verhaalde mij zeker Rooms Priester (na dat ik htem alvoorens had moeten belooven zijn naam te zullen secreteeren, / dat hij van een Qriester te Goa, die daar bij de Regeeringe eenigen ingang heeft zoude verstaan hebben, Hoe twee Priesters uijt Lissabon te Apart Goa Benevens En 8 346 Goa ge-arriveerd, daar zouden verhaald hebben, dat er bij Hun vertrek, aan het Hoff van Portugal deliberaties, en raad sla= „gen gehouden wierden, om zig weder in Jndien te herstellen; en dat er beslooten was, om eerst deze stad terug te eijsschen, als veroverd, na de gemaakte vreede: die zelfde Priester zijde ook, dat Htem zulks door een ander Priester van Cormandel insgelijks bedeelt was; ook wist wij mij te zeggen, dat de por„ „tugeezen zig nauwkeurig informeerden na de gesteldheijd en sterkte van deze stad; inzonderheijd na onze Militie ook hoor„ „de men dat er wat meer ontzet van volk voor goa was uijt= „gekomen, als ordinair; en te dier tijd dwaalden hier ook meer Portugeezen als ordinair; dog ik hoorde toen teffens, dat het niets nieuws is, als men hier op die wijze van de Portugeezen hoord spreeken, alzo hier veele oude Portugeeze families zijn, die de Portugeeze Natie innerlijk toegedaan zijnd, zig altoos vlijen, dat deze plaats nog eens weder in der Portugeezen han„ „den komen zal; dog ter dier zelver tijd, ging de spraak ook, dat de Portugeeze, eijgentlijk iets tegen de Marhettas wil„ „den onderneemen; alzo de Marhettas de Portugeezen, bij Con= „tionuatie overlast aandoen, en verleden Jaar zelfs nog een van Hunne fregatten overmeesterd hebben; ook quam en 't zedert een particulier schip uijt Portugal hier ter rheese waar op als passagier was, de Bisschop Norinha, die na Goa, moest en daar naast de eerste of den gouverneur, de handen in de Regerings zaken zoude hebben; Hij is hier niet aan de wal geweest, en had ook geen teken van dis= „tinctie, dog doe 't schip Calicut gepasseerd is, liet wij de vlag van de groote top waaijen: deze Bisschop zo als ik 't zedert vernomen hebbe, is eertijds geweest ordinair Priester, die 'tzedert een geruijmen tijd in Jndien rond gesworven, en bij de laatste belegeringe van Londicherij, een zonderlinge rol gespeeld hebbende 't zedert na Europa gekeerd, vervolgens door de franse aan Portugal gerecommandeert, en zig in Lissabon zeer wel hebbende weeten te insinueeren, daar tot Bisschap in partibus aangesteld is. Dog voorsz: Priester verhaalde mij eenigen tijd daar na dat de portugeezen, effectiev met desseijnen van zig in Jndien te herstellen zwanger gaan; dat zee zelfs Cijlon in 't oog hebben, en met het Candiase Hoff in Correspondentie zijn; Mij voegde en bij dat het Htoff van Candia onvergenoegt op de Hollanders geneijgt was om de een of andere Europeeze Mogendheijd, en onder die ook de Portugeezen weder interoepen, om die tot een evenwigt te doen strekken tegen de Hollanders, Ge= „lijk het Hoff gedaan heeft, toen het ons tegen de portugee= „zen inriep, en ik herinnere mij tans, hoe een wijnig tijds bevoorens zeker Capitain van een Engels scheepse, hier verhaalde, dat het Candiase Hoff, zig, ten dien eijnde, ook bij den Nabab Mahomet Alij zoude geaddresseert heb= „ben, het geen ik toen ook in 't particulier aan de Heer Cijlons gouverneur Valck bedeelt hebbe: voorsz: prie „ster wist mij nu laatst nog deze nadere bijzonderhee= „den te zeggen, namentlijk, dat gemelde Bisschop bij zon= „dere en aangelegene Commissies zoude hebben, dat Hij op Barssaloor of Mangaloor (twee plaatsen die men passeeren moet van hier na Goa / aan de wal geweest vernomen en &

NL-HaNA_1.04.02_3406_0074 view scan ↗

English

and had spoken there with the notorious Nabab Nider Alijchan; likewise, that in this year a letter for the ministry at Goa was brought from the Candian Court by a Macao ship that lay in the Colombo roadstead; that with the ships that recently departed from Goa for Portugal, the state and the strength of the Company on Ceylon and this Coast, as far as this could have been investigated, was sent off; that also recently more people than usual were indeed sent out for Goa, with orders not to employ them gently, or rather not to fatigue them, but to let them rest until further orders; and finally, that a new governor for Goa is expected with several ships and militia, although no one could tell me on what foundation Portugal would dare to undertake such a thing and expose its Brazil, nor with whom Portugal would be allied. However, I have been able to notice that the Portuguese who arrive and depart here have this time been more swollen with pride than usual; but the aforesaid same priest was also able to tell me that from his correspondence with his colleagues on the Coromandel Coast he could perceive that, although the English use all caution regarding the Dutch, they nevertheless also strive, under the name of their Nabab, to settle as close to Ceylon and to become master of the pearl banks as is in any way possible and can be suitably done. When I first heard about the Portuguese concerning the city of Cochin and at the same time learned that this is nothing new but circulates here repeatedly, it was considered by me as such. But when it was related to me that the Candian Court had addressed itself to the Portuguese, I then communicated this and that to the Governor of Ceylon, from whom, on 21 May last past, I obtained the accompanying copy of a letter written to Batavia, also with communication of some circumstances that sufficiently agreed with what I had heard here. And since it now appears all too true that the Candian Court is not well-disposed toward the Dutch, I judged it necessary to give notice of this and that, via Surat, Bassora, and Aleppo, both in original and duplicate, to Mr. van der Hoop, First Advocate of the Company, in order to bring it to the attention where it belongs, under cover of private merchants, my correspondents in Amsterdam, in order to prevent as much as possible all suspicion in the opening of that packet. I understand very well that the Portuguese will undertake nothing against us, unless their interests should allow them to break with us openly; I also take all the trouble in the world and spare no expense to learn by all possible means what is going on at Goa, and above all about the answer or orders from Portugal, although the presently set-in bad monsoon

Dutch transcription

347 en daar net den berugten Nabab Nider Alijchan, zouden gesprooken hebben, zo mede dat in dit Jaar, van het Can= „diase Hoff met een Maccauws schip dat op de Colombose rheede gelegen heeft, een briev voor het Ministerie te Goa zoude aangebragt zijn; dat met de Jongst vertrokkene scheepen van goa, na Portugal was afgezonden, de staat en de sterkte van de Comp: op Cijlon, en deze Cust, zoo verre zulx had kunnen nagegaan werden; dat er ook onlangs in der daat meer volk als anders, voor Goa uijtgezonden is; met last, om het zag niet te gebruijken, of eijgendlijk niet te fatigeeren, maar te laten uijt rusten, tot nader order, en eijndelijk, dat er een nieuw gou= „verneur voor Goa met eenige scheepen en Militie ver= „wagt word, schoon men mij niet wist te zeggen, op welk fundament, Portugal zo iets zoude durven ondernee „ men, en zijne Brasilie exponeeren, nog ook niet, met wien Portugal G'allieert zoude zijn Egter hebbe ik kunnen merken, dat de Portu= „geezen, die hier af en aankomen, ditmaal meer als ordinair van hoogmoed opgeswollen zijn geweest; dog voorsz: zelfde priester wist mij ook te zeggen, dat hij uijt de Correspondentie met zijn Collegas op de Cormandelse Cust, merken kon, dat schoon de Engel= „se alle menagement omtrend de Hollanders gebruijken, egter ook betragten, om onder de nam van Hunnen Nabab, zo na bij Cijlon tenestelen, en meester van de paarl banken teworden, als maar eenig zinds moge= „lijk is, en voegelijk geschieden kan. soen ik het eerste van de Portugeezen nopens de stad Cochim hoorde en teffens vernam, dat zulks niets nieuws is maar hier telkens roulleerd, zo wierd zulx bij mijn zo= „danig ook geconsidereerd. Maar toen men mij verhaalde, dat het Candiase Hoff zig aan de Portugeezen geaddresseert had, zo hebbe ik daar op, het een en ander aan de Heer gouverneur van Cijlon be= „deelt, van wien ik den 21: Meij J:o leeden de nevensgaande Copia briev na Batavia geschreeven, erlangde, met Com= „municatie ook van eenige omstandigheeden, die genoeg= „zaam over een quamen, met het geen ik hier gehoord had. En dewijl het nu maar al tewaar schijnt te zijn, dat het Candiase Hoff, niet goed Nederlands is, zo hebbe ik nodig geoordeelt, over suratta, Bassora en Aleppo zo in origineel als duplicaat van het een en ander Kennis tegeven aan den Heer van der Hoop Eerste Advocaat van de Comp: om het zelve ter kennisse tebrengen daar het behoord, onder Couvert van particuliere kooplieden, mij= „ne Correspondenten in Amsterdam, om zo veel mo= „gelijk alle verdenkinge in het openen van dat pakket= „se voortekomen. Jk begrijpe zeer wel, dat de Portugeezen niets tegens ons zullen onderneemen, of Hunne belangens zouden moeten toelaten, dat ze met ons opentlijk breeken; ik doe ook alle moeijte des werelds en ontzie geen kosten, om door alle mogelijke middelen tevernee= „men, wat er te Goa omgaat, en voor al na 't antwoord ofde onder uijt Portugal, schoon de tans ingevallene quade Toen mousson

NL-HaNA_1.04.02_3406_0075 view scan ↗

English

monsoon cuts off the ordinary correspondence by sea and, because of the turmoil of the Nabab Aider Alijchan, the overland roads are mostly closed; however, I was recently further assured that a priest who is said to have brought a letter from Candia to Goa died shortly after his arrival in Goa; whom I think to be the priest Silveira, who carried off the first letter from Candia, of which mention is made in the aforesaid copy of the Batavia letter, because Governor Falck writes to me privately that the priest Silveira, who had carried off the letter, has not returned. It will certainly only depend on whether the Portuguese dare to act upon that hint or not; but supposing that this is not yet judged advisable by them, there is nevertheless no doubt that they will keep the Candian Court in tow, and meanwhile not lose sight of this object, in case an opportune time might yet arise. It is and remains certain, therefore, that the Candian Court is discontented, is lying in wait again, and in the meantime puts on the fox's skin against us. But if the Portuguese wished to undertake anything substantial, they cannot, in my opinion, do much harm of importance to Ceylon for the present, as that island is reasonably provided with militia and fortifications, unless they were to make an extraordinary armament, which would nevertheless cause a sensation in Europe, even if under the pretense that they wished to undertake something against the Marhettas. But if they indeed have Ceylon in their sights, they will surely still remember, when they formerly still possessed Ceylon and finally the capital Colombo, what succor and provisions they could then obtain from neighboring Cochim, just as Ceylon also experienced this in the recent war with the Candians regarding money, native militia, and provisions; thus the Malabar, formerly a burdensome post but no longer so, is not out of consideration for neighboring Ceylon. But our garrison is so weak that if anything serious were undertaken against us, and the town is not timely reinforced here and there at its weakest points, with which I am currently busy as much as I can, we might be surprised and overpowered before we could give notice of it or obtain assistance from elsewhere; so that whoever wants Ceylon might easily take a chance on this town first, before he attacked Ceylon, in order to facilitate that enterprise through the possession of Cochim; for if Cochim is in the hands of the enemy, then that place is as dangerous to Ceylon as it is otherwise useful to it. I mentioned hereinbefore that Bishop Noronha, before he arrived in Goa, met the Nabab Aider Alijchan; who knows whether he did not confer with this powerful and fortunate conqueror to make an alliance and jointly undertake something; it has also been reported to me here, which however requires further confirmation, that gifts from Portugal are said to have been brought for this Nabab: all this being so, it may well also relate to his

Dutch transcription

348 mousson de ordinair Correspondentie over zee afsuijd en wee= „gens de woelinge van den Nabab Aider Alijchan, de wegen over land meest geslooten zijn; egter is mij nu Jongst nader verzekerd, dat een priester, dewelke een briev uijt Candia„ te Goa zoude aangebragt hebben, kort na zijne aankom „ste te Goa overleeden is; dewelke ik denke de Qriester sil „veira te zijn, die de eerste briev uijt Candia weggebragt heeft, waar van bij voorsz: Copia Batavias briev gemeld word, om dat de Heer gouverneur Jalck mij particulier schrijft, dat de priester silveira die de briev weggebragt had, niet weder gekomen is. Het zal er zekerlijk maar op aankomen, of de Portugeezen aan dat zijntje trekken durven of niet; dog gesteld, dat zulks bij hun nog niet raadsaam ge-oordeelt word, zo is er egter geen twijffel aan, of ze zullen 't Can= „diase Hoff op sleeptouw houden, en intusschen dit object niet uijt het oog verliezen, of er ook eens een tijd toe mogt gebooren worden, het is en blijft dus zeker dat 't Candi„ „ase Hoff onvergenoegt is, weder op zijn luijmen legt en intussen het vossevel tegen ons aandoet: dog indien de Portugeezen iets wezentlijks wilden onderneemen, zo kunnenze mijns bedunkens Cijlon voor eerst niet veel quaad van belang doen, alzo dat Eijland, tame „lijk van Militie en sterktens voorzien is, of ze zouden een extra ordinair uijtrustinge moeten doen die tog in Europa opzien zoude baaren, schoon ook onder de naam datze tegen de Marhettas iets wilden onderneemen; dog als ze het effectief op Cijlon gemunt hebben, dan zullen zij zig nog wel herinneren, toen ze bevoorens Cijlon en op het laatst de Hoofdplaats Colombo nog bezaten wat se= „cours en provisien zij toen van 't nabijgelegen Cochim kon= „den krijgen gelijk Cijlon dit ook in den Jongsten oorlog met de Candianen omtrend geld, inlandse Militie en provisien ondervonden heeft; dus is de Mallabaar (wel eer een last post dog nu niet meer /. voor 't na bijgelegene Cijlon niet buijten Consideratie; dog ons guarnisoen is zo swak dat als er iets met ernst tegen ons ondernomen wierd en de stad hier en daar aan zijn swakste niet in tijds ver= „sterkt word, / waarmeede ik tans zo veel ik kan bezig ben wij zouden kunnen overvallen en overmeesterd wor= „den een wij er kennisse van konden geven of assistentie van elders erlangen; zo dat de geene die Cijlon hebben wild, ligtelijk eerst een kansje op deze stad zoude kunnen waagen, alvoorens Hij Cijlon aandeed, om die ondernee „ minge door het bezit van Cochim te faciliteeren; want als Cochim in de handen van de vijand is dan is die plaats zo gevaarlijk voor Cijlon, als zij er anders nuttig voor is. Hier vooren hebbe gemeld dat de Bisschop Norin „ha alvoorens Hij ste Goa gekomen is, den Nabab Aider Alijchan ontmoet heeft; wie weet of Mij dezen geweldi= „gen en gelukkigen Conquerant niet onderhouden heeft, om een alliantie temaken, en gezamentlijk iets te on= „derneemen; ook is mij hier berigt, 't geen egter nader Confirmatie vereijscht, dat er geschenken van Portugal voor dezen Nabab zouden aangebragt zijn: dit een en ander zo zijnde, kan ook wel betrekkinge hebben op zij de 2

NL-HaNA_1.04.02_3406_0076 view scan ↗

English

the Marathas, because the Marathas continually harass both the Portuguese and the Nawab; however, in critical times one cannot pay close enough attention to everything, and I report this because, in the event that the Portuguese wished to undertake something against us with this Nawab, he could be of extraordinary use to them in that matter, being presently our nearest neighbor to the north, and who, even at the time of writing this, is still stirring up unrest and seeking to expand further, without anyone being able to oppose him in this, although the Nawab himself has not yet arrived in person, which I nevertheless would have liked to see; for if, after his victory, he had come to Calicut as in the year 1766, and as was also the general rumor here, then I would have seized my chance to discover his present disposition towards us, although I nevertheless recently obtained a natural and convenient opportunity to write to him, to which I daily await an answer, whereupon I shall seek to keep him engaged in conversation, especially at present, to see whether he might perhaps be found willing, if trouble should flare up with the Portuguese, to create a diversion, although I do not promise myself much good from him, as he is too cunning to be sounded out without noticing it, and besides, he seemingly appears to be offended that the Company did not immediately make use of his offers in the year 1766. Now I present here what has occurred with the Nawab Haidar Ali Khan since my last separate dispatch of 28 March last, in which I informed Your High Excellencies how and through a certain Moorish chief of Chavakkad named Nydroos Kutty, an attempt had been made in the name of the Nawab to demand a sum of money from the petty king of Cranganore, and that this petty king had conducted himself more prudently in this regard than the King of Cochin, and had given me timely notice thereof, and having excepted that, standing under the special supremacy of the Company, he could do nothing in that regard without the prior knowledge of the Company, I had since heard nothing further about it. However, recent experience has shown me that this petty king has by no means acted in good faith, but has employed wicked tricks, schemed with the Zamorin, exposed his petty realm to the greatest danger, and now, being in distress at last, has sought to save himself through the protection of the Company, expecting that the Company, after he had ruined his own affairs, would take up the armor for him; seeing that this demand was made upon a previous promise which this petty king, without the prior knowledge of the Company, had already made to the Nawab in the year 1766, undoubtedly to remove the displeasure he had already given the Nawab, since at that time he had provided his petty realm as a gathering place for the Zamorin, who had also been driven out at that time, and through which the Zamorin had the opportunity to restore himself on account of the descent of the Marathas and the resulting crossing of the Nawab; just as the Company also lodged a protest at that time with that petty king concerning his conduct with the Zamorin; at least it has become apparent that the Nawab has not forgotten this, and has now had him addressed on the matter; regarding which, however, I have tried on the one hand to maintain the protection over this petty king and not leave that realm as a prey to the Nawab, and on the other hand to give the Nawab no reason for displeasure as if I wished to hinder him in his objectives, although it has caused me some care and trouble to keep the middle course between these two extremes and at the same time maintain the respect of the Company. While the troops of Haidar Ali Khan were still in the Zamorin's territory, the King of Kottayam seized his chance and invaded with his force the realm of Kadathanad, already conquered by the Nawab, where he cut down about 500 of the Nawab's people and put the rest to flight, whereupon the fleeing King Zamorin, with a large number of his Nairs who still remained with him, went to Kottayam; the Nawab, having received intelligence of all this, sent reinforcements from Mysore to Kottayam, but met with brave resistance there; however, having obtained several thousand Cannanore Moors from Ali Raja and a large number of Nairs from the King of Kadathanad (his tributary who had remained faithful to him) as assistance, he quickly reconquered the petty realm of Kadathanad and subsequently attacked Kottayam on the north side, while some troops having marched thither from Calicut attacked it on the south; whereby the allied kings of Kottayam, Zamorin, and Kadathanad were pressed too hard, and seeing no chance to maintain themselves, took flight into the mountains and left the Kottayam realm to the Nawab, who at once became complete master of it and hotly pursued the fled kings; the King Zamorin retired to the south and intended to proceed to Travancore, of which he sent me notice with the request that, if he should come to Cranganore for that purpose, free passage would then be granted to him; but I had the Resident of Chetwai remind him of the difficulties that were bound to befall the King of Cranganore if he took his flight through the realm of that king, in the hope that he would rather undertake his flight over water. Meanwhile, on 10 April, the army commander Chandra Rao sent 4 armed sepoys and 4 Moors with shield and sword with a letter to the King of Cranganore, and demanded

Dutch transcription

349 de Marattas om dat de Marattas zo wel de Portugeezen als den Nabab geduurig in 't hair zitten; dog in Critece tijden kan men niet genoeg op alles agt geven, en ik melde dit, om dat ingevalle de Portugeezen met dezen Nabab iets tegen ons wilden onderneemen, Hij Hun daar in onge „meen van nut zoude kunnen zijn, als zijnde tans onze naaste buurman om de Noord, en die tot onder 't schrijven dezes, nog even zeer woeld en zig verder zoekt uijttebrijden, zonder dat men hem daar in kan tegen gaan schoon de Nabab zelfs nog niet in perzoon afgekomen is, 't geen ik egter gaarne gezien had; want indien hij na zijne over- „winninge te Calicut gekomen was gelijk A:o 1766: en zo als ook hier t algemeen gerugt was, dan zoude ik mijn kans waargenomen hebben, om zijne tegenswoor= „dige gezindheijd omtrend ons te ontdekken, schoon ik egter onlangs een natuurlijke en gevoegelijke gele= „gentheijd gekreegen hebbe, om aan htem te schrijven, waar op ik dagelijks antwoord verwagte, als wanneer ik hem zal zoeken aan de praat te houden, inzonderheijd tans, of wij zig somtijds ook mogt laten vinden, om als 't stondje met de Portugeezen eens beet, een diversie te maken, schoon ik mij niet veel goeds van hem beloove, alzo Mij Aeslim is om gepolst teworden zonder 't tevoelen, en buij= „sen des Rijmelijk schijnd gemogueert te zijn dat de Comp: in het Jaar 1766: van zijn aanbiedinge niet ten eersten gebruijkt gemaakt heeft. Nu laate ik hier volgen 't geen met den Nabab Aider AlijChan is voorgevallen 't zedert mijn laatste aparte van den 28: Maart J:o leeden waar bij ik uw Hoog Edelheed:s bedeelde hoe en door zeeker moorsch Hoofd van Chawacatty genaamt Nydroos Koettij, op naam van den nabab tentamen was gedaan, om van het Koningje van Cranganoor een stuk geld te eysschen, en dat dit koningje zig hier omtrent voorzigtiger als den koning van Cochim gedragen, en my in tijds daar van kennis gegeven, mitsgaders g'Exipieerd hebbende, dat hy onder de speciale oppermagt van de Comp: staande, daar omtrent niets zonder voorken„ „nisse van de Comp: doen kon, ik t seedert daar van ook niets vernomen had. dog nu onlaags heeft my de ondervinding doen zien, dat dit koningje allange niet ter goeder trouw gehandelt, maar zig van slegte streeken bediend, met den sammoryn gekonkeld, zijn Rijkje aan het grootste gevaar g'expo„ „neerd, en nu op het laatst in noo zynde zig daar uijt heeft zoeken te redden met de Protectie van de Comp:, en begrip dat de Comp:, na dat hij zyn zaak verbrad had, voor hem het harnko zoude aantrekken; nademaal die aanmaanige is geschied op een vorige belofte, dit koningje buyten voor„ „kennisse van de Comp: al int jaar 1766 aan de Nabab gedaan heeft, ongetwyfeld om het ongenoegen weg teneemen dat hy twey den Nabak al gegeven heeft, vermits hy te dier tyd zyn Rykje tot een versamelplaats gegeven had, voor den sammoryn, die als toen, ook verdreeven was, en waar door hoe den 350 den Jammoryen pelegentheyd gehad hieft, om zig, weegens de afkom¬ van de Marattas, ende daardoor veroorzaakte overtogt van den Nabab zig weeder te herstellen; gelyk de Comp daarom ook te dier tyd, by dat koningje wegens zyn gehouden gedaag met den Sammoryn heeft laten protesteeren, ten minsten het is gebleeken, darde nabat dit niet vergeeten, en hem daar over nu heeft laten aanspreeken; waaromtrent ik egter getragt hebben, aan de een zyde de Protectii over dit Koningje te soutineeren, en dat rijkje niet ten prooye van den nabab te laten, en aan de andere zyde den nabat geen reeden, van ongenoegen te geven, als of ik hem in zyn oogmerken wilde hinderlyk zyn, schoon het my wat zorge en moeyte gebaa hueft, om tusschen die twee uyttersten den middelweg tehoude en tegelyk het respect van de Comp: te maintineeren. Terwys de Trouppen dan van Aider Alichan, nog in het sammoryas waaren, namn de koning van Cotteaste zyn Kans waar en viel met zyn magt in het reeds door den Nabab veroverd Ryk van Soddagamala, waar by hy omtrent 500: van S'matals volk ter neden sabelde, en de overige de vlugt deed nieemen, waar op de Vligtende Koning van Sammoryn met een groot getal van zyn nog by hem geble¬ „vene Nairos, zig na Cottealte begaff; de Nabob van dit een en ander kennis gekreegen hebbende, zond versterking uyt het Maisoerse naCotteatte, dog vond hier dapperen tegenstand; maar eenige duyzende Cannanoorse mooren van Ady Ragia, en een groot getal Narossen van den Koning van Cadatenado, /:zynen hem trouw gebleevene tributair:/ tot assistentie bekomen hebbende, heroverde hy, schielyk het Rykje van Coddagamala, en laste vervolgens het Cotteattese aan de noord zyde aan, terwyl eenige trouppes van Calicoet derwaarts gebrakken zynde, het ten zuijde atsacqueerden; waar door de samen gevoegde Koningen van Colkatta, Semimoryn, en Caddagamaba, het te erg kreegen, en geen kans ziende zig te mainti„ „neeren, de vlugt namen inde gebergten, en het Cottrattese Ryk aan den nabab overlieten, die daar van ten eersten volkomen meester wierd, ende gevlugte Koningen heet vervolgen: de Koning van Sammoryn retireerde na de zuyd, en, was van meening zig na het Trevancoorse te begeeven, waar van hy my kennisse liet geeven, met versoek om wanneer hy ten dien eynde op Cranganoor mogte komen, als dan aan hem een Vrye passage te verleenen; dog ik liet hem door den Resident van Chertuca herinneren, de moeyelykheeden die den Cranganoorsen koning daar door stond over te komen in dien hy zyn vlugt door 't ryk van dien koning nam, in hoop dat hy liever zyn vlugt over waten zoude begrypen. Jntusschen zond het Leger Hoofd Chiander Rayer den 10 april 4 gewapende Sipais, en 4 mooren met schild- en Zwaard met een briev aan den koning van Cranganoor, en tegenstand eyschte

NL-HaNA_1.04.02_3406_0078 view scan ↗

English

demanded, thereby, contribution from him for the nabob, and that in an imperious manner, from which circumstance I sought an occasion to enter into correspondence with the nabob, so I first had the resident of Cranganore write to the army commander, and represent therein, that the petty king of Cranganore has stood under the special sovereignty of the Company ever since the year 1717, and from that time onward has in no way been dependent on the Zamorin empire, that he consequently, through the overthrow of the Zamorin empire, is not, or cannot be, subject to any contribution under any semblance of right, but that if this contribution was demanded on account of the lands that that petty king still possesses in the Zamorin territory, the Company has nothing against it; but that the Company finds it improper that he, the army commander, could have decided to send armed men across the Company's lands to the court of Cranganore, under the pretext of having letters to deliver, that he, the army commander, can well understand that such is contrary to the respect and existing friendship between the Company and his master the Nabob, that one informs him of this matter, and does not doubt that he would give orders that henceforth no more armed men shall enter the Company's territory. An olah of this content having been dispatched by the said resident to the army commander on 17 April, he received an answer to it on the 27th, containing that he had indeed sent some men to the king of Cranganore to demand contribution for his master the nabob, because he had no orders to exempt that king from contribution; that if the said king is protected by the Company, one ought to represent such to the nabob, that he, the army commander, meanwhile cannot cease the execution of his orders without contrary orders being presented to him; but that because the said resident had written to him about it, he would give knowledge thereof to the nabob, and as for the sending of armed men through the districts of the Dutch Company, he did not know that any difficulty resided therein, since the Dutch Company and the nabob live in good friendship. Therefore I myself wrote to the nabob on 5 May, and sent that letter to Chettua, with orders to the resident there to have it delivered by a trusted person to the nabob's army commander, for further conveyance to the nabob, whom one thought would then come somewhat more to this side, or near Calicut; but that letter bearer, coming between Ponnani and Calicut, met there the army commander of the nabob, who, mentioning that the nabob was at his place of residence at Seringapatam, took delivery of that letter with much politeness, and promised to provide for its prompt and secure delivery; giving at the same time to this letter bearer a written receipt for the reception of the letter, which was of the following content. When Your Excellency's commander in the field recently punished the Zamorin, who was already conquered by Your Excellency in the year 1766, on account of his disobedience, and Your Excellency subsequently also drove off his remaining enemies, we firmly thought that Your Excellency would afterwards have come in person to Calicut, just as in the year 1766, which we would gladly have seen, because we then, just as at that time, would have had Your Excellency complimented, and conversed about some matters, which we must now postpone until the opportunity for it presents itself; yet meanwhile we hereby congratulate Your Excellency on your recent victory over Your Excellency's further enemies, and hope that Your Excellency's arms may always be accompanied by continuous victories. Yet, as recently something occurred regarding a vassal of the Company, and we must conclude, from the assurances that Your Excellency gave in the year 1766 of your good disposition and goodwill towards the Dutch, that this occurred either without Your Excellency's direct orders, or through a misunderstanding of Your Excellency's servants, we have deemed it necessary to elucidate Your Excellency regarding this, the more so because the resident of Cranganore, who also wrote to Your Excellency's commander in the field about it, may not have stated the matter clearly enough. We refer specifically to the petty king of Cranganore, a prince who indeed bears the name and title of king, yet is not sovereign, but ever since the year 1717 has been a subject of the Dutch Company, though solely with respect to his petty realm at Cranganore, situated virtually under our fortress of Cranganore, and only 1/2 hour in length and breadth: from this petty king Your Excellency's army commander has demanded a considerable contribution, and to collect it, sent armed men through the Company's lands to the court of Cranganore; we have indeed, through the resident of our fortress of Cranganore, let Your Excellency's aforesaid army commander know how matters stand with the petty king, and that he ever since the year 1717 has had nothing more in common with the Zamorin empire, whereby that prince, by a lawful peace treaty, directly under the Dutch

Dutch transcription

351 eyschten daary, van hem Contributie voor den nabab, en dat wil op een meesteragtigen trant, uyt welke omstandigheyd ik aanleyding zogt om met den nabab in Corespondentie te komen, dus het ik eerst door den Cranganoorsen resident aan het Legerhoofd schryven, en dra by vertoonen, „ dat het koningje van Crangan van al 't seedert 't Jaa „ 1717: onder de speciale opperheedschripgje, van de Comp: gestaan „heeft en van die tijd af aan, in geenen deele afhangelyk geweest is, van het kimorynse Ryk, dat hy derhalven door de over„ „keeringe van hiet Sammorynse Ryk; onder geen Schyn van „ eenig regt, subject is, , of kan zyn, aan eenige Contributi „bog dat indien die Contributie gevraagt wierd, van wegens de „landen dat dat koningse nog in het Sammorynse bezit, „de Comp: daartegens niets heeft; dog dat de Comp: ongevoegelijk „wind, dat hy Leger Hoofd heeft kunnen besluiten, om ge„ „wapend volk, over t Comp: Landen, naar het stoff van Cranganoor te zenden, onder voorgeeven, brieven, in bestelling „te hebben, dat hy legen Hoofd wel kan begaypen, dat zulks stryjdig is, tegens de agting en subsisteerende vriendschap „tusschen de Comp: in deszelvs meester den Nabab, dat men „hem van deze zaak imformeerd, en niet twyffeld, of „hy zoude ordre stellen, dat voortaan geen gewapend volk „meer op sComp:s territoir komt. Een Baar van dezen inhoud door den gemelde Resident, aan het Legen Hoofd op den 17 April afgevaardigt zynde, ontfing hy den 27 daar aan antwoord, behelsende „ Dat hy wel eenig volk na den koning van Cranganoor „gezonden had, om Contributie te eysschen voor zyn „meester den nabab, dewyl hy geen order had, om vie „dien koning van Contributie te excuseeren /: dat in dien „gedagte koning van de Comp: geprotegeerd word, men aan „den nabab zulks dient te vertoonen, dat hy Leger Hoofd „ intusschen met de uytvoeringe zyne order niet kan „ophouden, zonder dat aan hem Contrarie ordres vertoond „worden; dog dat dewyl gemelde Resident, aan hem daar „over geschreeden had, hy aan den nabab daar van kennisse zoude & wat betueft „geven, en het zenden van gewapend volk door de districten „ van de Hollandsche Comp:; hy niet wist dat daar in eenige „zwarigheijd resideerd, dewijl de Hollands Comp:, in de „nabab in goede vriendschap leeven. Dus schrief ik den 5 maij zelfs aan den nabab, en zond die briev na Chettua, met last aan den Resident aldaar om dezelve door een vertrouwt persoon aan snabals leger hoofd te bestellen, ter verdere bezorginge aan den nabab, die men meende, toen wel wat meer na deze kant, of omtrent Colleatte zoude komden; dog die brieve drager tusschen Pananij en salvcoet komende, ontmoette daar het Leger Hoofd van den nabab, dewelke onder te kennen gevinge, dat den nabab, in zijne Residentie plaats te Serengapatnam was, die zynde briev 352 briev met veel beleefdheyd overnam, en beloofde, daar aanssprede en sicuure bestellinge te zullen bezorgen; gevende teffens aan dezen brierdrager een schriftelijke quittantie, van de receptie van den briev, die van de volgende inhoud was. Ten uwEiscellenties veed overste den Sammoryn /:die A„o 1786, reeds door uw Exellentie overwonnen is :/ onlangs wegens deszelvs ongehoorzaamheyd gestraft, en UW„ Exellentie vervolgens deszelvs overige vyanden, ook ver„ „dreeven heeft, zoo dagten wy vast dat uwExellentie daar na in persoon op Calicoet zoude gekomen zyn gelyk in het Jaar 1766, het geen wy gaarne gezien hadden, om dat wy dan uw Escellentie even als te dier tijd zoude hebben laten, Complimentieren, en over eenige zaken onderhouden, het geen wy nu moeten uytstellen, tot dat zig daar toe de geleegendheyd zal opdoen; egter feliciteeren wy uw Exellentie intusschen, by deezen, met deszelves Jongste over„ „winninge op uw Edellenties verdere vijanden, in hoog dat uw Eellentie Wapenen altoas met gedurige overwinninge mogen verzeld gaan Dog dewije er onlangs iets geschied is omtrent een vesal van de Comp:, en wy uit verseekeringe, die uw Eellentie A„o 1766 van deszelve goede geneygdheyd en welmeenentheyd omtrent de Hollanders gedaan heeft, besluyten moeten, dat zulx geschied is of buyten Uw Vellenties directe order, of door misverstand van Uw Exell: bediendens, zoo hebben wy nodig g'oordeeld, uw Exillentie daar omtrent te elucideeren, temeer de resident van Cranganoor die aan UwEdelentie veld overste, ook daar over geschreeven heeft, mogelyk die zaak niet duydelyk genoeg zal hebben opgegeven wy doelen eigentlyk op 't koningje van Caan„ „ganoor, een voistje, die wel den naam en titul van koning voerd, dog niet souverain, maar al tsedert den Jaare 1717, een onderhoorige van de Hollandse Comp: is, dag alleen met opzegt tot zyn Rykje te Cranganoor, genoegsaam geleegen onder onse fortresse Cranganoor, en maar ta uur lang en breed: van dit Koningje heeft uw Excellenties legerhoofd begeerd, een aanmerkelyke Contributie en om de „zelve optehalen, gewopende volkeren, door SComp: Landen aan het Hoff van Cranganoor gezonden; wy hebben wel door den Resident van onse fortresse stanganoor, aan voorn: uw Exellenties legerhoofd laten weeten, hoe het met het Koningje gelegen is, en dat hy al tseedert Ao 1717 niets gemeens meer heeft met het Sammorynse Rijk, waar door die vorst by een wettig vreedenstractaat, direct onder de te heeft Holandse

NL-HaNA_1.04.02_3406_0080 view scan ↗

English

under the Company's jurisdiction, and that this petty king therefore could not be made subject to any contribution with respect to the petty kingdom of Cranganoor; but that as regards the lands which this petty prince might possess in the Sammoryn district, we have already given him to understand that he must come to an understanding regarding this with Your Excellency's minister, on the understanding that the contribution is also demanded on account of the lands in the Sammoryn district, and not with respect to the petty kingdom of Cranganoor; but Your Excellency's Commander-in-Chief answered to the aforementioned Resident that he has no order from Your Excellency to liberate the king of Cranganoor from contribution, without however saying positively that he has orders from Your Excellency to burden this petty king with contribution with respect to the petty kingdom of Cranganoor; that he, the army commander, would however write about this to Your Excellency: and as regards the sending of armed troops over and into the Company's lands, that he does not think there is anything improper in that, in consideration of the friendship between Your Excellency and the Dutch Company. Your Excellency, who is a wise prince, surely knows better that the sending of armed troops indeed takes place in the land of enemies, but not in the land of friends, just as we, as friends of Your Excellency, have therefore not meddled with the Sammoryn, nor paid any heed to his solicitations, since Your Excellency had him driven away again for his disobedience, so that we hold ourselves assured that the one and the other happened through a misunderstanding and without Your Excellency's orders, and therefore inform Your Excellency of this herewith, requesting and trusting that Your Excellency will now be pleased to issue the necessary orders that the formulated pretension, namely on the petty kingdom of Cranganoor, cease; and that no armed troops be sent into our lands anymore, through which friendship will remain sincere and permanent, to which we on our part have contributed everything, and will also show further proof thereof, should anything be of service to Your Excellency here, and you should be pleased to charge us with it. Furthermore, we wish that Your Excellency's days of life may be multiplied, and blessed with prosperity, honor, and wealth. And in order that this letter might not go astray, but come into Your Excellency's hands, we have sent the same to the aforementioned army commander, to have it surely delivered to the place where Your Excellency might presently be. Since then it was learned that the Nabab had indeed been around Cotterste, but had departed again quickly to Seringapatnam, on account of received news that four principal gunpowder magazines of this, his capital, had blown up into the air, whereby many thousands of people lost their lives, and very great damage was supposedly caused to the city. Meanwhile, the king of Cochim had previously received an Ola from the Nabab, whereby he was enjoined under heavy threats not only to take all possible care that the kings of Sammoryn, Cottatte, and Coddagamala could obtain no passage to the south, but even to do everything in his power to overtake them and send them to Paliacaschery under penalty of severe accountability in the contrary case. But since news came in from all sides that the aforementioned princes were retreating to the south, and the Sammoryn specifically intended to come into Cranganoor, I recommended to the Chettua and Cranganoor Residents to make the Payenchery Nairs and the Cranganoor petty king understand what consequences the flight of the Sammoryn through the lands of the former and those of the latter could have. But on 6 May, I unexpectedly received news that the king of Sammorin along with 48 to 50 men as well as women of his family, and a retinue of about 2000 armed, and one may well say resolved, indeed desperate Nairs, had fought their way through the Nabab's troops, and subsequently arrived at Poelicarro, from there, not along the river, but through the Payenchery territory to the pagoda of Triporatty and subsequently via Paponetty, directly fled to the kingdom of Cranganoor near the Pagoda Romage, into a vacant palace there of the Cranganoor ruler, while the king of Cranganoor, under pretense, had his palace closed, as if he did not want to meddle in anything, believing that this domestic remedy could keep him out of notice: thus I had the Cranganoor Resident point out to the kings of Sammoryn and of Cranganoor, the former the insecurity in which he was, and the latter the danger in which his kingdom was of being overrun by the Nabab's troops: but all admonitions availed nothing; the king remained there with his family and armed Nairs of about 2000, yet could also not easily find a way to flee further; for to the north he could not go, on account of the Nabab's forces; and to the south, both the Travancore and Cochin troops had occupied all passages, and given strict orders to by all means

Dutch transcription

353 Arland s Comp: is gesteld, en dat det koningje derhalven geen Contributie kon subjlt gemaakt worden, ten opzigte van het Cranganoorse Rykje; maar dat wat aanbelangd de Landen, die dit vorstje in het Sammorijnse district mogt bezitten, wy denzelven reeds hebben te verstaan gegeven, dat hy zig der„ „wegens met uw Exellenties minister moet verstaen in begrip dat ook de Contributie uyt hoofde van de landen in het Sammorynse district, en niet ten opzigte van het Cranganoorsa Rykje word gereyscht; dog uwEdellenties Veldoverste heeft daar op aan voorm: Resident ge-antwoord, dat hy geen order van UwEdeellentie heeft, om het koninge van Cranganoor van Contributie te libereeren, zonder egter positief te zeggen, dat hy ordre van uw Exellentien heeft, om dit koningje ten opzigte van het Cranganoorse Rykje met Contributie te belasten; dat hy legenhoofd egter daar over, aan Uw Edellentien zouden schryven: en wat aangaat het zenden van gewapende volkeren, over en in sComp: landen; dat hy niet denkt, dat daar iets ongerymds insteekt, uyt aanmerkinge van de vriendschap tusschen Uw Exellentie en de Hollandse Comp:: Uww Exellentie die een verstandig vorst is, weet „immers beeter dat het zenden van gewapend volk, wel plaats „ heeft in het land dee onvrienden, maar niet in het Land van „ Vrienden, gelyk als vrienden van uw Exellentie ons daarom „ ook met den sammoryn niet gemelleerd, nog op zyne aanzoekinge agt gegeven hebben, 'tseedert uw Ecellentie „ hem over zyn ongehoorzaamheid, weder heeft laten ver„ „„dryven, zoo dat wy ons verseekert houden, dat het „ een en ander door misverstand, en buyten uw Exellentie „ ordre geschied is, en derhalven uwExellentie, hier van „ by deeze kennisse geven, niet versoek en vertrouwen, dat UWw Exellentie nu de nodige ordre zal gelieve te stellen, dat de „ geformeerde presentie, te weeten op het franganoors Rykje, „ cesseere; en dat geene gewapende volkeren, meer in onse „Landen werden gezonden, de Vriendschap zal hier door „ opregt en bestendig blijven, waar toe wij van onse zijde, „ alles gecontribueerd hebben, en daar van ook nader „ blyken zullen toonen, indien hier iets van UwExellentie. „ dienst mogt zyn, en dns daar meede gelievde te belasten. Voorts wenschen wy dat uw Exellenties levensdagen ver„ „meenig vuldigt, en met voorspoed, eere, en ryzoom, gezee„ „gend mogen worden. En op dat deeze Briev niet mogt Absent raaken, maar in uwEsallentis handen komen, zoo hebbe wy dezelve aan voorsz: „Legerhoofd gezonden, om dezelve tog sicuur tebezorgen, ter immers plaatse 354 „ plaatse alwaar uw Edaellentie zig tans mogt bevinden. 'tzeedert vernom men dat de Nabab wel om en weer te Cotterste geweest, dog weder schielyk na Seringapatnam vertrokken was, wegens bekome tyding, dat vier voorname Kruyt- maguasynen van deeze zyne Hoofdplaatse waren in de luyt gesprongen, waar door veele duyzenden van Menschen om het leeven geraakt, en zeer groote schade aan de stad zoude veroorzaakt hebben. Jnmiddels had den koning van Cochim bevoorens een Ola van den Nabab ontfangen, waar by hy onder zwaare dreygementen gerecommandeert wierd, om niet alleen allen mogelyk zorge tedragen, dat de Koningen van Sammoryn Cottatte en Coddagamala geen passage na de zuyd konde erlangen, maar zelfs alles in het werk te stellen, om Hen te agterhaalen, en na Paliacaschery tezenden op poene van groote verantwoording in Contrarie geval Dan dewyl van alle kanten tydingen inkwam, dat de Voorm: vorsten nadezuyd zig retireerden, in den Sammorge speciaal voorneemens was, in het Cranganoorse, te komen, zoo recomandeerde ik de Chettuase en Cranganoorsen Residenten, om de Payenchery Nairos, en het Cranganoors Koningje tedoen begrypen, van wat gevoeg de vlugt van den Sammoryn, door de Landen van den eersten, en die van den tweeden, zouden kunnen zyn. Dog den 6 maij krg is op het onverwagte tydinge, dat de koning van Sammorin nevens nog 48=a 50: zoo mannen als vrouwen van deszelvs familien, en een gevolg van omtrent 2000: Gewapende, en men mag wil zeggen geresolveerde Ja disperate nairos, door het volk van den Nabab zig hein geslagen, en vervolgens op Poelicarro aangekomen van daar, niet langs de Rivier, maar door het Payencheryse na de pagood van Triporatty en vervolgens over Paponetty, direct na het Rykje van Cranganoor by de Pagood Romage, in een aldaar ledig staande paleys, van den Crangen wordes de vlugt genomen had, terwyl de koning van Cranganoor, Guanswys zyn Zaleijs liet sluyten, even als of hy zig nergens meede willen bemoeyen, in begrijp, dat hem dit huys-middeltje buyten remarqua zoude kunnen houden: dus liet ik door den Cranganoorsen Resident, de koningen van Sammoryn en van Cranganoor vertoonen, de eerste de onveyligheyd waar in hy, en den tweede hetgevaar, waar in zyn Rykje was, om door de trouppes van den Nabab overstroomt te worden: maar alle vermaningen heelpen niets; de koning bleef met zyn familie en gewapende nairossen van omtrent 2000: - aldaar dog kon ook zoo gemakkelyk geen weg vinden, om verders te vlugten; want na de noord kan hy niet, om de Nababse; en om de zuyd, hadden zoo wel de Trevancoorse als Cochimse volkeren alle passagies bezet, en stricke ordres gegeven, om dog

NL-HaNA_1.04.02_3406_0082 view scan ↗

English

not to let the King Sammoryn pass. The Sammoryn therefore staying with his Nairs in the Cranganore territory, the Nabob's forces at Chawacatty made preparations to cross over. In the meantime, I had Fort Cranganore somewhat reinforced with a detachment of 24 Sepoys, who, added to the 12 Malays whom I had already stationed there beforehand on account of the insolence of the Chawacatty Moors, thus made, excluding the non-commissioned officers, 36 men above the established number for Cranganore. However, on 11 May the Sammoryn resolved to depart from Cranganore to the north, and set out on his journey that very same day, leaving, however, in the Cranganore palace the Queen and the Princesses, who on that same day also secretly obtained passage across the river to the south. While the Sammoryn had departed, further news arrived that the Nabob's forces at Chawacatty intended to cross the river and search for the Sammoryn. The army commander of the Nabob, who was present there, also wrote me an ola, thereby giving notice of the Sammoryn's flight to Cranganore, and that he had taken all his treasures with him, adding that it was not well done that a hiding place was granted to the Nabob's enemies, citing for the future as an example the recent case of the French Governors, with a request to have the King, together with the ladies and his entire family, seized and sent to him, the army commander, along with all their treasures, further adding that otherwise, if he were to cross over with his forces to search for him, difficulties would arise therefrom. Likewise, the Moorish chief Aydroos Koertij wrote to the Northern Residents, as well as to the Payencherys, that the troops of the Nabob were about to cross over, and that in such a manner as if great difficulties and heavy bloodshed were about to occur. On that occasion, I daily received letter upon letter from the Residents, message upon message from the King of Cochin, and all sorts of alarming news from the country from confidants whom I had recently taken into service under the name of Lascars and stationed everywhere to keep watch on the movements of the Nabob's forces. Whereupon I prescribed to the Residents what was necessary, both privately and on behalf of the Company, as to how they should conduct themselves, as well in case the troops of the Nabob should effectively attempt to penetrate by force, as in other cases which I thought might occur, so that they could immediately conduct themselves according to the circumstances. But my principal recommendation was to proceed in everything with discretion and composure, to show no embarrassment, much less any fear, but to appeal to the friendship between us and the Nabob, and the assurances which the latter had so solemnly given in the year 1766, as something upon which the Company had peacefully relied throughout all that time until the present day; but in case of an actual incursion into our land, to persist absolutely in stating that they would not permit such a thing, but would resist it as an enterprise directly contrary to friendship, under protest against the consequences thereof. Upon the rumor that the Nabob's troops were in motion to cross into the district of Chettua and subsequently march towards Cranganore, I thought that the Sammoryn would return and arrive at Cranganore. But I learned that, having arrived near the so-called 18½ villages, he had put to sea there with his princes in two almadies or native vessels that were lying there, without anyone knowing where, though it was later understood that His Highness and his princes, with about 100 Nairs, had landed at Chetallij, in the land of Travancore, between Porka and Mancoorde, virtually against the will and pleasure of the guards, who had twice repelled the vessels, but being unable to prevent the landing the third time, had arrested the fleeing King and his princes; all of which was further confirmed by a letter from Porka, dated 15 May last. Meanwhile, I dispatched my answer to the army commander, pointing out to him the groundlessness of his assumption that the Company had granted the Sammoryn a place of residence at Cranganore, as well as that we had not the slightest knowledge that the Sammoryn had brought along and hidden treasures; but if such could be demonstrated, the Company would provide the necessary assistance in the investigation thereof, just as had been offered in the year 1766 in a nearly similar case, and that his crossing over was not necessary. The Nabob's forces meanwhile crossed the Chawacatty River onto Poelicarro, whereupon the Resident made inquiries regarding this, but they returned again to the opposite side without committing any harassment. On 14 May the army commander again sent a letter for me, though properly speaking to the Resident of Chettua to be forwarded to me, on which occasion he informed the Resident verbally that he had not yet received any answer to his previous ola; that although the Nabob's order was to search for the Sammoryn wherever he might be, he had nevertheless, out of respect for the Company, not marched through the Company's land until now, but now requested that 10 ordinary persons and a chief over them be attached to him, in order to march alongside them to Cranganore.

Dutch transcription

355 den Koning Pammoryn niet te laten passeeren. De sammnoryn dus met zyn natrossen en het Cranganoorse verblijvende maakte de Nababse op Chawacatty preperatie, om over te komen, Intusschen liet ik het fort Cranganoor eenigsints versterken, met een ditactement van 24 Sipais, dewelke, ge„ „voegd bij de 12 malayere, die ik reeds bevorens om de willen van de stoutheyd dir Chawacatse mooren, daar geplaatst had, dus buyten de onderofficiers 36 man boven het bepaalde getal voor Cranganoa, uytmaakten. dog den 11 may resolveerde de Sammoryn, om van Cranganoor nade noord te vertreken, en nam ook dan zelfden dag de reijsen aan, latende egter in't Cranganoors paleijs, de koninginne en de Princesse, dewelke dien zelfden dag ook nog heymelyk passage over de Riveir na de zuyd erlangden. Terwyl de Sammoryen vertrokken was, quam nadere tydinge dat snababs volk op Chawacattij voorneemens was de Rivier te passeeren, en den sammoryn op te zaaken, ook schreef het legerhoofd van den nabab, die daar present was aan my een Ola, gevende daar by kennisse van des Cammoryns vlugt na Cranganoor, en dat hy alle zyne schatten mede genomen had, met byvoeginge dat het niet wel gedaan was, dat aan dies Nabals vyanden schuijlplaats wierd vergunt, brengende in't verschiet tot een voorbeeld by, het Jongste geval van de frans Gouverneurs, miet versoek om de koning Jnsgelyks whreef het moors hoofd aydroos koerstij, aan de Noordse Residenten, zoo meede aan de Payencherys, dat de trouppen van de nabab standen overtetrecken, en dat op eene wijse als of ergrate moeyelykheeden, en zware bloedstortinge stonden te geschieden, by die geleegendheyd kreeg ik dagelyks briev op briev van de Residenten, boodschap op boodschap van den koning van Cochem, en allerley misselyke tydingen uijt het land, van vertrouwelingen, die ik onder de naam van Lascoryns, dezer dagen, in dienstgenomen, en over al geplaatst had, om op de beweeginge van 's Nababs volk te hetben, waar op ik de Residenten het nodige voorschreef, zoo particulier als 'sComps wegen hoeze zig te gedragen hadden, zoo wel ingevalle de Trouppes van den nabab effectief met geweld. wilde indringen, als in andere gevallen, die ik meende dat zouden kunnen exteeren, om zig na mate van de omstandig„ „heeden, ten eersten daar na te kunnen gedaagen; dog myne voornaamste Recommandatie was, om in alles met beschen„ „dentheyd en bedaardheyd tewerk te gaan, geen verleegentheyd veel min eenige vreese te betoonen, maar zig te beroepen, op de nevens de Dameen, en zyne gantsche familie te laten opvatten en aan hem Legen Hoofd tezenden, benevens alle hunne schatten, onder verdere byvoeginge, dat anders wanneer hy met zyn magt overgaan om den zelven optwatsen, daar door moeyelykheden ontstaan zouden nevens Vriendschap 356 Iaamdschap tessen ons, onder nabab, ende verseekeringe die de laatste daar van int Jaar 1746: zoo pligtig gegeven heeft, als iets waar op de Comp: zig in alle dien tyd, tot heeden toe, ook gerust verlaten heeft, dog in Cas van werkelyke indrin„ „ginge in ons land, daar by absolut te blyven persisteeren, dat zy zulks niet zouden toestaan, maar aanwerken als een onderneeminge die direct tegen de Vriendschap stryd, onder protestatie tegen de gevolgen daar van Op het gerugt dat snababs trouppen in beweginge waren, om in het district van Chettua overte komen, en ver„ „volgens naar Cranganoor te marcheeren, dagte ik, dat den Sammoryn weder zoude terug keeren, in op Caanganoor Komen, maar ik vernam, dat hy omtrent de zod genaamde 18½ dorpen gekomen zynde, aldaar met twee Almedias of inlandse vaartuygen, die daar lagen, zig met zyn Princen inzee had begeeven, zonder dat mn wist werwaards, dog naderhaad verstond men dat zyn Htrogheyd, en zyn Pamcen, met omtrent 100 nairossen waren aangeland op Chetallij, in het Land van Trevancoor, tusschen Porka, en Mancoorde, genoegsaam tegens wil in dank der waghed die de vaartuygen tot twee malen toe, terug gestoten, dog voor de derdemaal de Landing niet kunnende beletten, den Vlugten den Koning en zyn Princen g'arresteerd hadden; welk een en ander nader geconfirmeerd wierd by een brief van Porka, gedateerd 15 may Jleeden. ondertusschen liet ik myn andwoord afgaan, aan het Leger hoofd, hem voorhoudende de ongefundeertheyjd van zyn suskinue als of de Comp: aan den sammoryn verblyf plaats op Cranganoor te had vergunt, zoo meede dat men geen de minste kennisse draayd, dat de sammorijn, schatten mede gebragt en geborgen heeft, dog indien zulks konde werden aangetoond, de Comp: in het ondersoek daar van de nodige hulpe bewysen zoude, gelyk zulks Ao 1766 ins een omtrent gelykstandig geval aangeboden was, en dat zyn overkomst niet nodig was. de Nababse volkeren quamen middelerwyl de Chawacat „tyse Rivier over op Poelicarro, waarop de Resident der„ „wegens informatie het neemen, dog zy keerden weder te„ rug nade overkant zonder eenige molesten te pleegen. den 14 may zond het Legerhoofd weder een briev voor mij dog eygentlyk aan den Resident van Chettua, om aan my verder te bezorgen, by welke geleegentheyd, hy aan den Resident mondeling hiet weeten, dat hy nog geen antwoord op zyn vorige ola had ontfangen, dat hoewel de ordre van den nabab was, om den sammoryn op te zoeken, waar hy zig ook bevinden magt, hij evenstel uyt agting voor de Compt: tot nog tre, met door 'sComp: Land was heen getogen, dog nu versogt om 10: gemeene Persoonen, en een hoofd over dezelven aan hem toete voegen, ten eynde nevens hen de march na briev Cranganoor

NL-HaNA_1.04.02_3406_0084 view scan ↗

English

to undertake against Cranganoor, under the assurance that he would give orders that not a single leaf of the trees on the Company's territory should be harmed, adding that the Zamorin had taken with him much cash and 1000 firearms, about which he, the Army Commander, intended to address the King of Cranganoor, as well as for the debt that the Zamorin owed to the Nabab; and that he was to undertake the march thither the following day. All of which the Resident here answered in accordance with the recommendation he had already received from me, and thus diverted him from the intended march across the Company's territory. The letter addressed to me (containing essentially a communication of his intention to march through the Company's land to Cranganoor, with the request that no hindrance be caused to his journey, and that the fled princes might be detained until his arrival at Cranganoor, etc.) was answered at once, intimating that he, the Army Commander, had already been informed in the previous answer of the Company's neutral intention regarding the Zamorin; that this prince was also no longer at Cranganoor; and that if he, the Army Commander, knew for certain that any treasures or goods of the said king were hidden at Cranganoor, he might then send some persons thither, though unarmed, to point them out, and that the Company's men would then also be sent along to attend that investigation. However, that it would, on the contrary, be entirely improper if we provided men to escort the troops of the Nabab across the Company's territory; that neutral lands must remain exempt from such things, and in this case all the more so, since the Nabab, in the year 1766, with his personal presence here on the coast, had given that assurance to the Company, and that one cannot believe the Nabab would act contrary to his given word. While this ola was being dispatched, I received word from Chettua that the Resident on 15 May, next to our post Poelicarro, had seen a Nabab flag waving, as a sign that the army was about to march thither; that he, the Resident, had gone personally to the Army Commander and, after having raised the necessary objections against it, had protested against this march, upon which that flag was then removed again. On the 17th thereafter, I received another missive from the Nabab's army commander, in which he by way of grievance makes known that the Zamorin princes and subjects, along with their goods that had retreated to and were hidden on the Company's district, had not been handed over to him, and that having orders from his master to search for them and seize them in whatever district they might find themselves, as well as to demand from the King of Cranganoor one lakh rupees and four elephants, he therefore could not make that expedition to Cranganoor without military forces; yet at the same time assured that no molestations would be committed on the Company's territory by his men, and that as soon as he had received the money and accomplished the Nabab's business there, he would depart again, for the rest referring to what the bearer of the said letter would say. At the same time, the Moorish chief Aydroos Koetty wrote both to the Resident of Paponetty and to some inhabitants there to buy up and get ready rice, provisions, horse beans, butter, etc., as the Nabab's army was about to arrive there. He also wrote to the Moorish mosque there as a warning that all the Moors must gather armed in the mosque at Paponetty; likewise, some merchants at Cranganoor received similar notifications from the aforesaid Aydroos Koetty. The King of Cranganoor, thus becoming fearful, had the Resident asked for advice, who replied thereto that he could remain safely in his country, provided he truthfully reported what goods and treasures of the Zamorin were hidden in his lands and were still to be found, upon which he declared that he had not hidden the least thing belonging to that prince there. Yet because I had already experienced that no reliance can be placed on the most solemn assurances of this petty king, I further recommended to the Cranganoor Resident to investigate through all possible means whether any goods or Zamorin people might be found in the Cranganoor territory, which then also had the result that, although no goods were discovered, it was nevertheless observed that as many as 200 to 300 armed Nairs were scattered throughout the Cranganoor territory. His Cranganoor Highness, being asked the reason for these actions of his, and why he, at the very time I was busy appeasing the Nabab's people over his Highness's previous offenses, gave new reasons for displeasure to the same, sought to excuse himself by pretending that those Nairs until now had not been able to find a safe flight, but that he would now cause them to leave, which he also did; yet certainly not so much to act according to my advice and abandon the side of the Zamorin, as because those Nairs could now no longer find a hiding place in the Cranganoor territory, since the Nabab's forces were already on the approach. Furthermore, I recommended to the Paponetty Resident that he should notify the Moors residing in the Company's conquest that they should merely behave as loyal inhabitants and remain quiet and peaceful in their houses, without heeding the writing of Aydroos Koetty. Meanwhile, the letter of the said Army Commander was also answered, but and

Dutch transcription

357 saanganoor te onderneemen, onder verseekeringe dat hy ordre stellen zouden, dat geen blad van de laam op sComp: territoir wierd beschadigt, met byvoeginge, dat de Pmmoryn veele Contanten, in 1000: geweiren met zig genomen had, waar over hij LegenHoofd den Crangano onsen koning meende aan te spreken zoo wel als voer de schuld die den Sammoryn aan den nabab ten agteren staat; en dat hy des anderen daags, de march der„ „waorts stond te onderneemen, alle het welke de Resident hier b'antwoorden, overeenkomstig met de Recommandatie die hy van my reeds had, en dus hem van de voorgenomen optagt over sComp: Territoir diverteerde „de Briev aan my gerigt (:behelsende Hoofdzaakelyk, eene Commanicatie van zyn voorneemen, om door sComp: grond na Cranganoor te trekken, met versoek dat hem geen hinder„ „nisse in zyne reise mogt werden toegebragt, en dat de gevlugen vorsten aangehouden mogte werden, tot zyn komste op Cranganoor inz: / wierd ten eersten beantwoord, onder te kennen gevinge, dat hy Legerhoofd bij het vorig ant„ „woord al g'informeerd is van sComp: onzydige in ten „tie, omtrent den sammoryn, dat die vorst ook niet meer op Cranganoor was, en dat indien hy Legerhoofd vast wist, dat eenige schatten of goederen van gem: koning, op Cranganoor geborgen zyn, hy dan eenige Persoonen, dog ongewapend, derwaarts konde zenden, om aan wyzing daar van tedoen, dat meyn dan 'sComp:s volk mede zoude zenden om dat ondersrek by te woonen; dog dat het daar in tegen gantsch ongevoegelyk zoude zyn, indien wy volk mede gaven om de trouppen van den nabab over 'sComp: grond gebied te geleyden dat neutrale Landen daar van moeten blyven verschoont, en indap geval te eerder, wyl de nabab, Ao 1766, met zyn personeel aanweezen alhier te kuste die verseekering aan de Comp: toke had gedaan, en dat men niet kan gelooven, dat de Nabab tegens zijn gegeven woord zoude handelen. Termyt deze ola was afgezonden kreegik van Chettua berigt, dat den Resident op den 15 may, naast onse post Poelicarro een Nababse vlag had zien uytwaagen, tot een teken dat het Leger derwaarts stond op te marchieren, dat hy Resident per stneelyk by het Legerhoofd was gegaan, en na het nodige daar tegen ingebragt te hebben, geprotesteerd had, tegen dezen opsogt, dog dat daar op dien vlag toen weder weg ge„ „nomen was den 17 daar aan ontfing ik een andere missive van Snababs legerhoofd, waar by hij doleerender wyze te kennen geeft, dat de Sammorynse vorsten en onderdanen, neevens hunne goederen die op sComp: Landstreek geweeken en geborgen zin, aan hem niet waren afgegeven, endat hij order van zyn meester hebbende, om hun op te zoeken, en opte vatten, in wat landstreek zy zyg ook mogte bevinden daar mitsgaders 358 mitsgaders van den koning van Cranganoor een Lak ropgen, en Vier Elephanten te vorderen, hoe dierhalven die togt na Crange „noor zonder militie niet doen konde, dog teffens versee „kerde, dat op sComp: territoir door de zyne, geen molesten zouden werden gepleegd, en dat zoo dra hy het geld on „fangen en malabs zaken aldaar verrigt had, weder terui vertrekken zoude; voor het overige zig gedragende, aan het zeggen van den brenger van gemelde briev terzelver tyd schreef het moors Hoofd Nydroos Koette zoo aan den Resident van Laparnetty, als aan eenige inwoonde aldaar, om Ryjst, Wanders, paardeboonen, Boter enz: opte kopen en ingereedheyd te brengen, also snabaks leger daar stond aan te „komen, ook schauf hy aan de moorse mosquee, aldaar ter Waarschouwing dat alle de mooren zig gewapend inde mosquee op Laponetty moesten verzamelen, insgelyks krege eenige koopleden op Caanganoor van voorsz: Aijdroos zoetbij diergelijke aanschryvinge De koning van Cranganoar, dus bevreest wordende, liet den Resident om raad vragen, du daar op diende, dat hy mae gerust in zyn Land Konde blyven, mits zuyver opgevende wat voor goederen en schatten van den Sammoryn, in zyne banden geborgen, en nog te vinden zyn, waar op hy be„ „tuygde niets het minsten van dien vorst aldaar te hebben geborgen Mee dewylik rees ondervonden had, dat op de Kaagtigste versekringen van dit koningje geen staat temaken is, zoo recommandeerde ik den Cranganoorse Resident nader, om door alle mogelyke wegen na te vorsschen, of er ook goederen of sammorynse volkeren in het tie Cranganoorse te vinden mogte zyn, het geen dan ook van datgevolg was, dat hoe wel er geene goederen ontdikt wierden, men egter ont„ swaarde, dat nog wel 2=a 300: gewopende namossen in het Caanganoonse verspreyd waaren. Jyn Cranganoorse Hct. de reeden gevraagt zynde van dit zyn gedoenten en waarom hy terzelven tyd, dat ik bezig was om de nababse te vreden te stellen, over zyn st=sts vorige misdayven, nog nieuwe reeden van mis„ „noegen aan denzelven gaf, tragt zig te verschoogen, met voortewenden dat die Narossen tot duslange geen veyjlige vlugt hadden kunnen vinden, dog dat hy dezelve nu zoude doen vertrekken, gelyk hy ook daed, dog zeekerlyk niet zoo zeer, om zig na mynen raad te gedragen, in de zyde van den Sammoryn te verlaten, als wel om dat die namossen als nu in't Caanganoorse geen langer schuylplaats konde vinden, dewyl de nababs, reeds en aantogt waren. Voorts Recommandeerde ik den Paponetyse resident, dat hy de Mooren in sComp Conquest woonagtig, zoude aankundigen dat zy zig maar als trouwen ingezetene zouden gedragen en stil en gerust in hun huysen blyven, zonder zig aan het schryven van Nydroos Koetty te Hooren Intrschen wierd de briev van gem: segn Hoofd, mede bantroord Maar en

NL-HaNA_1.04.02_3406_0086 view scan ↗

English

and therewith gave further assurance that neither the Sammorijn nor his family is within the territory of Cranganoor; that with regard to his request, made orally by the bearer of the letter, namely to conduct an investigation into the goods of the Sammorijn that might be concealed in the Company's district, the Company is inclined to agree to it, provided that people, but unarmed, be sent to point them out properly, in accordance with what has already been offered, but that regarding the contribution of the king of Cranganoor, I had now already repeatedly given to understand that that king is no sovereign prince, but a subordinate of the Company; yet that if that petty king should effectively have promised any money to the nabab, one is willing to tolerate that he satisfy the nabab regarding that made promise. Furthermore, I sent to Cranganoor 20 Sepais and 10 Lascorijns, together with the tree-counter Stolsenberg, who, on account of his many years' presence on this Coast, being acquainted with the country and the language, knows rather well how to deal with the Mallabaars, in order to attend the investigation on behalf of the Company; and I ordered the northern Residents to join to those men, each in his own district, the interpreter along with another Lascoryn from each Residency, and that they, the Residents, should communicate with each other in that matter, and take care that the Nabab's men, where they pointed things out, were granted access and were not treated rudely; that upon the discovery of goods about which there was doubt, an investigation should be made concerning them as to whom they belonged. Shortly after dispatching the letter to the army commander, I received news from Chettua that a Nabab cavalryman and about 100 armed Mooren, having crossed the river and arrived on the Company's territory, had subsequently continued their march to Cranganoor, and that 200 armed Mooren were also approaching on the other side via Jnemaka; that the Resident of Chittua had thereupon sent the interpreter to the army commander, who lay with his army on the other side of Poelucarro, to ask why he had marched armed troops onto the Company's territory; that the army commander had answered to this that he knew nothing of it and had given no order for it, but that the Mooren of the detachment that was sent via Jnemaka had possibly of their own accord crossed the river, and had thus continued the march; that since they had already passed through, he took it upon himself to have them punished in the most rigorous manner if they should cause the least harm on the Company's territory. Meanwhile, that detachment marched through the conquest of Paponetty, without offending anyone in person or property, to Cranganoor: however, a Labbaar, a non-commissioned officer, and 6 common Sipais arrived in advance with an oral message on behalf of the nabab to the king, in order to demand from His Highness 100,000 rup:s and two elephants, under the threat that if the one and the other were not delivered forthwith, the army of the nabab would forthwith come upon Cranganoor to further compel him thereto. The Crangenoor Resident sent his interpreter to the said Labbaar to announce to them that the Company could not tolerate that so many armed troops came into a land that stands under the Company's protection, to which an Ajaly Marcaar—who, since the said Labbaar had gone northwards again from Cranganoor, exercised authority in his place—served as an answer that he had come to receive money from the king of Cranganoor, which he had already promised to the nabab in 1766, but had not paid to date; that the armed troops consisted of only 50 to 60 men; that the Company would please be content with it, as the Company indeed did during the Travancore war, when the Tillawa, or Travancore's first minister, had come into the Cranganoor area with a fairly considerable force, had collected contribution, and had passed through that territory to the north; by which this Moor actually referred to the case that is described by separate missive from here to Your High Excellencies, under date 24 July 1762 (from this one can see how bad examples are not forgotten); that for the rest he would take care that his troops cause not the least inconvenience to the Company's subjects. While the Resident of Cranganoor was receiving this message, the Nabab troops arrived at Cranganoor gradually and in smaller numbers. Thus one saw that the king of Cranganoor had long since promised the claimed contribution to the Nabab without the prior knowledge of the Company, but had not fulfilled it, which, since the Nabab then departed from this Coast, remained ongoing in this manner; and it is thus very probable that this petty king at that time promised a sum of money to the Nabab in order to satisfy him, because he then not only received the previously expelled Sammoryn family at his court and had them stay there, but also, even against all representations and protests of the Hon. Company, tolerated that the Sammorin assembled his scattered Nairoes there [illegible]

Dutch transcription

359 en daar bij nadere verseekeringe gegeven dat nog den Sammori nog zyne familie op de Landstreek van Cranganoor zig bevind„ dat wat aanbelangd deszelvs versoek per den brenger van den briev mondeling gedaan, namentlyk om na de goederen van den Sammorijn, die in s Comp: destrict geborgen mogten zijn, ondersoek te doen, de Comp: geneegen is, daar in toete stemmen, mits er Lieden dog ongewapend gezonden wierd om behoorlyke aanwyzinge daar van te doen, overeenkon stig met het geen men reeds heeft aangebooden, dog da ik nopens de Contributie van den koning van Cranganoor nu al eens en andermaal had te verstaan gegeven, dat die koning geen souverain vorst, maar een onderhoorige van de Comp: is, dog dat indien dat koningje effectief eenig geld aan den nabab beloovd mogt hebben, men wel toltereeren wil, dat hij den nabab omtrent die gedane belofte genoegen geevt. Voorts zond ik na Cranganoor, 20 Sepais, en 10. Lasco„ „rijns beneevens den Boomteller Stolsenberg, die wegens deszelvs langjarig aanweesen op deze Cust Land-en. taal-kundig zynde, met de mallabaaren nog al tamelyk weet om te gaan, om het ondersoek sComp: wegen by te„ „woonen, en ik gaf de noordse Residenten Last, om by die manschap, een ider in zyn destrict, te voegen, den tolk met nog een Lascoryn van idere Rresidentie, en dat zy Residenten met malkanderen in die zaak Communicatie moesten gaan, en zorge dragen, dat de Natabse, waar zy aanwyzing deeden, toegang kreegen, en niet brutaal gehandeld wierden; dat bij ontdekking van goederen waar omtrent men twyffel „agtig was, derwegens ondersoeek moeste gedaan worden wie dezelve toebehoorde kort na het depecheeren van de briev aan het Leger hoofd, erlangde ik tyding van Chettua, dat een Ruyter Nahabe en omtrent 100: gewapende mooren, de Reivier gepasseerd en op sComp: Landstreek gekomen zynde, vervolgens de march voortgezet hadden na Cranganaar, en dat 200: gewapende mooren aan de overzyde over Jnemaka ook in aantogt waaren; dat den Resident van Chittua daar op den tolk na het Legerhoofd die aan de overzyde van Poe„ „Lucarro met zyn Leger lag, gezonden had, om te vragen waarom hy gewapend volk, op sComp: grondgebied died trekken; dat het Legerhoofd daar op ten antwoord had gegeven, dat hy daar niet van wist, en geen ordre toe gegeven had, maar dat de mooren van het detachement dat ooer Jnemaka was afgezonden, mogelyk uyt zig zelve, over de Rivier gegaan, en also, de march hadden voortgezet, dat hy, nize reeds doorgetrokken waaren agter op zig nam, dezelve op het regourenste te zullen laten straffen, indien zy het minste nadeel op sComp: Residenten grond 360 grond gebied mogten veroorzaaken. Jntusschen marchierde dat de tachement, door het Conquest Saponetty, zonder emand in persoon of goederen te beleedigen na Cranganoor: dog een Labbaar een onderofficiers en 6: gemeene Sipais, quamen voog af met een mondelinge brodschap van wegens den nabab, aan den koning om van zyn H ts de vorderen 100'000 rap:s in twee Elephanken „onder bedryginge, dat indien het aen en ander niet ten eersten bezorgd wierd, het Leger van den nabab ten eersten op Cranganoor zoude komen zoude, om hem daar toe nader te verpligten de Crangenoorse Resident zond deszelvs tolk na gem: sabbaar, en het hun aankundigen dat de Comp: niet konde gedagen, dat zoo veel gewapend volk quam, op een Land dat onder sComp: protectie staat, waar op eenen Ajaly Marcaar p die vermits gem: Lakdaar weder van Cranganoor noordwaards was gegaan, in zyn plaats het gezag voerde :/ tot antwoord diende dat hy gekomen was omgeld van den koning van Cranganoar te ontfangen twelk hy al in 1766 aan den nabab beloovd, dog tot nog toe niet betaald had, dat het gewapend volk maar bestond uyt 50 âa 60: man, dat de Comp=en t zig geleevde telaten welgevallen, gelyk de Comp: wel gedaan heeft, ten tyden van den Taevancoorsen oorlog warneer den Tillawa of s Tawancoors eerste minuiter met een vry Const„ „denabler magt, in het Cranganoorse was gekomen, Contributie had gebreeven, en door dat landschap na de noord gepasseerd was, waar meede deze moor eygentlijk doelde, op het geval dat beschreeven is, by apparte missive van hier aan Uw Hoog Edelheedens, onder dato den 24 Iuli 1762, /: hier uijt kan men zien, hoe quade voorbeelden niet vergeeten worden:/ dat hy voor 't overige zorge dragen zoude, dat deszelvs „volk geen de minste overlast aan sComp: onderdaane toebrenge. Verwijt de Resident van Cranganoor deze boodschap krug, quamen de nababse trouppen algaande weg en minder getal op Cranganoor. dus zag men, dat den koning van Cranganoor de gepretendeerde werdende Contributie allange buijten voorkennisse van de Comp:, aan den Nabab beloovd, dog niet voldaan had, het welk, vermits den nabab toen van deze Cust vertrok, zoo is blyven voortlopen, en het is dus zeer waarschynelyk, dat dit koningje als doen een somme gelds aan den Nabab beloovd heeft, om dezelve te vreeden te stellen, om dat hy toen niet alleen de voormaals verdreevene Sammorynse familie aan zyjn Htoff ontfangen, en verblijf doen houden, maar ook zelfs tegen alle vertogen, en protestaties van dEComp: getollereerd heeft, dat den sammorin, daar, zyn verstrooyde Nairossen vergaderde, van het den Crange„ lngena

NL-HaNA_1.04.02_3406_0088 view scan ↗

English

361 marched up to Cranganore's court, and invaded the Zamorin's realm, recently conquered by the Nabab; to which insults he has now added a new one, by keeping the Zamorin's Nairs hidden in his country almost up to the final hour when the Nabab's troops advanced toward Cranganore, whereby the Nabab's men naturally had to recall the previous occurrences, and at the same time form the notion that they would be attacked again from Cranganore. All this I caused to be represented and made known to His Highness through the Resident of Cranganore, as I have since done once more in a closer and more significant manner, namely: that His Highness by these actions had so embittered the Nabab's forces that they could not be moved from showing their resentment over it; that he is thus himself the cause of his present predicament; and that the Company, however inclined to protect its own, nevertheless cannot always make good the evil actions of its subjects, nor take up arms over them. The King found himself in the utmost perplexity and requested to come to Cochin, which in these circumstances I did not approve of, and therefore through the Resident of Cranganore had him diverted from that intention and informed that he would do best to remain at his court and settle matters regarding his given promise as best he could. Yet because the King of Cochin and the Paliath Achan had offered the Cranganore ruler to act as mediators therein, I gave the King of Cochin indirectly to understand that I could not give my consent to the payment of tribute, because he is a vassal of the Company, but that I would not oppose the giving of a present in compensation for what this petty king has promised to the Nabab. Thus I also wrote to the Resident of Cranganore that, since the Cochin ruler and Paliath Achan were inclined to work toward an accommodation between the Cranganore ruler and the Nabab's people, he did not need to oppose it, but could look upon it with indulgence, as it was better that the Cranganore King furnish money without our knowledge, or at least without our open consent, in order not to appear to let our right over the little realm of Cranganore slip away and give the Nabab once and for all the liberty to subject the realm of Cranganore to tribute at his pleasure; the more so since the Army Commander has until now not declared whether 362 whether this money is demanded as a tribute from the Cranganore realm, or as promised money, or indeed on account of some Cranganore lands situated within the Zamorin's territory. The King thus in these circumstances left his court and went without any prior notice to Chenotta to the Paliath Achan, from where, upon the admonition of the Paliath Achan, he returned again to his court; but on the way, and once again without prior notice, he departed northwards to the Nabab's Army Commander, who was then encamped on the other side of Poodicaro with another 300 horsemen and 1000 foot soldiers. The King was initially received coldly, but after some days the agreement was struck, and the King bound himself there in writing to give 50000 rupees in two installments and 3 elephants to the Nabab, after which he received permission to depart, and also on 29 May returned to his court at Cranganore. Meanwhile, people of the Nabab had arrived at Cranganore to carry out the agreed-upon and consented-to investigation into the Zamorin's treasures and goods, in which ours joined them. The investigation began in Cranganore, and so forth up into the district of the Payenchery Nair at Chettua. Now and then disputes occurred between our customs officer and the Nabab's people, because the latter sometimes wanted to designate weapons and copperware found with some people as Zamorin's goods; wherefore I ordered the customs officer Stolsenberg to announce to the Nabab's servants that the Company had indeed permitted the investigation into the Zamorin's goods, in the expectation that they would conduct themselves therein in a suitable and proper manner, and that if they would not be reasonable, he, Stolsenberg, could no longer attend the commission and had to separate from them, and that he, Stolsenberg, must also do so for good in case it went too far. The customs officer complying with this order, the Nabab's servants became much more manageable, and after the investigation was completed (by which it appeared that the Zamorin had not concealed his treasures there), the Army Commander, both through the Resident of Chettua and the customs officer, had me thanked in the most friendly manner for the assistance I had rendered him in the service of the Nabab, with the declaration that in these circumstances, regarding my conduct and direction, he had the utmost reason for satisfaction, and also would not fail to report the same to his master, the Nabab. After this, the Army Commander sent a request to the Resident of Chettua to send the Payencherys to him, in order to speak with them about the Payenchery estates situated in the Zamorin's territory, whereupon two

Dutch transcription

361 Franganoors Hoff opgetrokken, in weder in het door den Nabab tigen veroverde Sammorynse Ryk gevallen is, by welke belee„ „digingen hy nu weder, eene nieuwe gevoegd heeft, met de Sammorynse Nairos verschoolen in zyn land te houden en genoegsaam tot het laatste uur, dat het volk van den ten nabab na het Cranganoonse aanrukte, waar doorde die van den Nabab als van zelfs, zig het voormaals gebruaden moesten herinneren, en teffens in het denkbeeld komen, als of ze uyt het Caanganvorse weder zoude werden besprongen. depen en ander lier ik zyn Hoogh„d door den Caanganoorsen Resident voorhouden en te verstaan geven, gelyk ik 't zedert nog eens nader en significanter gedaan hebbe, nament „lyk dat zyn H=ts door deze bedryven de Nababse zodanig had verbetterd, dat dezelve niet te beweegen zyn geweest, van zig daar over niet gevoelig te toonen dat hy dus zelfs de oorzaak van zyn tegenwoordig laberent is; en dat de Comp:, hoe genuegen ook om de haare te beschermen, egter de quade bedryven van de hare niet altoos goedmaaken, nog daar over het Harnas aantrekken kan. De koning bevand zig inde uytterste verlegentheyd en versogt na Cochim te komen, hetgeen ik in die omstandigheid niet goed vond, en daarom hem door den Cranganoorsen Rresident, van dat voorneemen heet diverteeren, en aankundigen, dat hy best zoude doen, aan Zyn Htoff te blyven, en omtrent zyne gedane belofte het te schikken zoo goed hy kon Dan dewyl de koning van Cochim, en den Zalgetter, den Cran„ „ganoorder aangeboden hadden, om als mediateurs daar by te ageeren, zoo gaf ik den Cochimsen Koning van ter zyde te kennen, dat ik myne toestemming tot het betaalen van Contributie niet konde geven, om dat hy een vasal van de Comp: is, dog dat ik mij niet zoude stellen tegen het geven van een geschenk, in recompens van het geen dit koningje, aan den nabab beloove heeft, dus schreef ik ook aan den Cranganoorsen resident dat vermits de Cochinder en paljetter geneegen waaren te werken, tot een vergelyk, tusschen de Cranganoorder ende Nababse, hy zig daar tegen niet behoevde te stellen, maar zulx als oogluykende kon aansien, dewyl het beter was dat de Cranganoorse koning geld fourneerd buyten ons weeten, of ten minsten buijten onse opentlyke toestemming, om niet te schynen van ons regt op het ganga„ „noorse Rykje te laten slippen, enden nabab eens vooral vryheyd te geven, om het Cranganoorse ryk onder Contributie te stellen na welgevallen, temeer, het Legerhoofd tot nog toe, niet gedeclareerd heeft, liet of 362 of dit geld als een Contributie van het franganoonse ryk, of als beloovd geld, dan wel wegens eenige Cranganoorse Landen in het Sammorynse geleegen gevorderd word de koning verliet dus in deze omstandigheyd zyn Htoff en begaf zig zonder eenige voorkennisse na Chenotta by den paljetter, van waar hij op de vermaning van den paljetes weder na zyn Htoff terug keerden, dog onderwagts, en alweeder buyten voorkennisse noordwaards, na het nababse Leger hoofd vertrok, die doen aan de overkant van Podicarro niet nog 300: ruyters, en 1000: man voetvolk gecampeerd lag; de Koning wierd eerst Koel onthaald, dog na eenige dagen wierd het accoord getroffen, ende koning verband zig daar bij geschrifte, om 50000: rop: en twee termijnen, en 3 Elephant aan den nabab te zullen geven, waar na hy vryheyd krug omte vertrekken. en ook den 29 Mayj weder op Cranginoor aan zyn stoff quam. Jntusschen waren en lieden van den nabal te Cranganoor gekomden, om de gepaekendeerde en g'accordeerde ondersoeking na de sammorynse schatten en goederen te doen, waar by zig de onse voegden; het ondersoek begon in het Cranga„ „noorse, en zoo voorts, tot in het district van Layenchery naird te Chettua: nu en dan vielen 'er wel eens disputen voor, met onsen Boomtetter, en het volk van den Nabab, om dat de laatste, somtyds geweinen en koperwenken, die by sommig Menschen gevonden wierden, als sammorynse goederen wilde aanmerken, waarom ik den Bromteller Stolsenberg ordergaff om de bediendens van den nabab aante kundigen, dat de Comp: het ondersoek na de Sammorynse goederen, wel heeft toegestaan, is verwagtinge dat ze zig daar in geschikt en behoorlijk zouden gedragen, of en dat indien zy niet reedelyken wilde zyn, hy Htoesenberg niet langer de Commissie konde bywoonen, en van hen scheyden moeste, en dat hy Stolsenberg zulks ook voor goed moeste doen, ingevalle het te erg ging den Boomteller aan deze ordre voldoende, zoo wierden Snabals bedienden vry handelbaarder, en na dat het ondersoek gedaan was (:waar by bleek dat den Sammoryn zyn schatten daar niet geborgen had :/ liet het Legenhoofd my, zoo door den Resident van Chittua, als den Boomteller op het vraendelijkste bedanken, voor de hulpe die ik hem ten dienst van den nabal beweesen had, onder betuyginge dat hy in deze omstandigheeden, nopens myne gehouden directie de uytterste reeden van vergenoeginge had, en ook niet manqueeren zouden zyn miester den nabab daar van verslag te doen Hier na lit het Legerhoofd aan den Resident van Chittua versoeken, om de Payencherys eens by hem tezenden, om met hun te spreeken over de Payencheryse Landgoederen, in het sammorynse geleegen waar op menschen twee

NL-HaNA_1.04.02_3406_0090 view scan ↗

English

two of the aforementioned family having gone to him, it was agreed to pay henceforth to the Nabob the customary duties of those lands which they had previously paid to the Zamorin, without any contributions or money being demanded from them; as proof that they had previously promised nothing. Meanwhile most of the Nabob's forces returned again from Cranganore to Chowghat. There remained behind specifically at the Court 12 sepoys and 2 pattamares, who unceasingly urged the king to satisfy the promised cash and elephants, the latter of which were sent off these days, but not yet the cash. And it is not to be thought, according to the nature of the Malabars, among whom the proverb "time gained is much gained," and especially in monetary matters, is a general rule, that now that the danger has turned away from him again, he will so easily proceed to the payment, unless the fire is again brought very close to his shins, and he is again threatened by actual movements. For he has these days again requested of me to come to me in the city, and to deliver him from that payment, whereupon, instead of answering his request in principle, I told him the truth plainly and reminded him, among other things, that through his intrigues and base conduct he has rightly deserved that the Company withdraw its hands from him. So I now only hope that no difficulties may occur again on account of his reluctance in paying his obligation. It is true, he has nothing of his own, but the Cranganore pagoda still has a fair amount, and as I am informed, it will assist the king in case he sees no chance of escaping this dance, for which there is little appearance, since he is still threatened daily with a second visit. I am also very anxious for an answer from the Nabob to my letter written to him, although the matter about which I wrote has already proceeded as aforesaid. I am generally assured that the answer cannot well be here yet at this time, owing to the distance and difficulty of the roads, since the messages of the Nabob's servants also remain away just as long. If the answer remains away yet longer, however, I should almost have to doubt whether the Nabob will be willing to answer at all, unless my letter might have been intercepted by the roaming parties to the north, and for which reason I have recently, for greater certainty, dispatched the duplicate thereof, for which I also obtained an accidental opportunity. For the Jew Isaac Surion, known to the Nabob and his generals Souvraets, and in the year 1766 also employed by us with the Nabob, having informed me that he intended to depart for Calicut, where he has his dwelling, warehouse, and trade, in order to look after his affairs there, I gave him a letter to deliver to the Nabob's Governor at Calicut named Srinivasa Rao, first army commander of the Nabob around these regions, and brother of the Chowghat army commander, serving solely as an escort for the duplicate for the Nabob, to be forwarded further by him, but in which at the same time complaint is made to this army commander about the appearance of the Nabob's troops under his brother Sardar Rao in the Company's territory, which letter read as follows: However much I have also wished that your Noble Master, the Nabob, had recently come to Calicut, as in the year 1766, because I would then, just as at that time, have had His Excellency congratulated, and at the same time conferred about certain matters which I do not doubt would have been highly agreeable to His Excellency, His Excellency has nevertheless to our regret not come down, and we must therefore postpone such until a good opportunity presents itself for that purpose, for which we long very much. But as in the meantime, with the little King of Cranganore, who is a vassal of the Company, something has occurred in the name of the Nabob, we have, on account of the friendship that exists between the Dutch Company and your Noble Master, given His Excellency notice thereof by a letter; but because His Excellency is so far from here, and that letter could also easily have gone astray under the circumstances of these times, I have judged it necessary to prepare another letter of the very same contents, which I now send to your Honour with the Jew Isaac Surion, with the request to deliver the same securely and promptly to His Excellency. But since then, near and upon the Company's territory, disorderly acts are again being committed that may be of evil consequence, and are undoubtedly practiced through the cunning of some ill-disposed persons, as Isaac Surion will relate to your Honour in more detail, it is my request that your Honour be pleased to give such orders to Chowghat that no more improper acts be committed which conflict with the friendship and the trust between the Nabob and the Company; for ever since His Excellency in the year 1766 gave the Company such strong assurances of his friendship, the Company has also rested quietly upon that trust, and therefore did not wish to interfere at all with the Zamorin, notwithstanding his being a vassal

Dutch transcription

363 twee van gem: familie, bij hem gegaan zynde, overeengekomen zynde, om voortaan aan den nabab de gewoonlyke geregtig„ „heeden van die Landen opte brengen, die zy bevorens aanden Cammoryn hebben opgebragt, zonder hun eenige Contributien of geld afteeyschen; ten bewyse dat deze bevorens niets beloovd hebben Jntusschen kierden de meste Nabasje volkeren weder van Cran„ Iganoor na Chawacattij terug, agter bleven en expres aan het Hoff 12 Sipais en 2 pattariesen, die den koning onophoudelyk aan„ „maanden, ter voldoening van de beloovde Contanten en Elephanten, welke laatste dezer dagen wee afgezonden zyn, dog nog niet de Contanten, en het is na den aard der mal „labaaren by wie het spreekwoord, tyd gewonnen veel gewonnen enzonderheyd ingeld zaken een algemeene regul is, niet te denken, dat nu de raede weder van hem afgekeert is, hy zoo ligt tot de betalinge treeden zal, indien hem niet alwader het vuur, zeer na aan de scheenen gebragt, en hy door werkelyke mouvementen weder gedreygd word also hy my dezer dagen, alweder versogt heeft, om by my in de stad te komen, en hem van die betalinge te bevryden, waar op ik hun insterda van op zyn versoek ten prin„ „cipalen te antwoorden, eens vandecq de waarheyd gezegd en onder andere herinneed hebben, dat hy door zyn ge¬ „ Konkel en gemeene sonduites, terigt verdiend heeft dat de Comp: de handen van hun aftrekke dus hoope nu maar, dat er wedergeen moeyelykheeden mogen voorvallen wegens zyn vraagheyd, in't betalen van zyn Obligatie, tis waar hy heeft van zig zelve wel niets, dog de pranganoonse pagood heeft nog al wat en zoo als ik ge-informeerd ben, zal de koning helpen, ingevalle hy geen kans ziet, om dezen dans te ontspringen waar toe weynig apparentie is, also hy nog dagelyks met een tweede visite gedreygd word. ook verlange ik zeer na antwoord van den nabab op myn briev, aan hun geschreeven alhoe wel de zaak waar over ik geschreeven hebbe, reeds zyn voortgang als voorsz gehad heeft: men verseekert my in't algemeen, dat het andwoord in deze tyd nog niet wel„ hier kan zyn, wegens de verheyd en moeyjelykheyd der wegen„ also de boodschappen van snabals bediendens, ook wel zoo langs uytblyven: in dien het antwoord agter nog langer uytblyvt, zoude ik haast moeten twyffelen, of den nabab wel zal willen antwoorden, ten waare myn briev door de stropende parthijen, omde noord mogt ende kaars gevlagen zyn, en waarom ik onlangs ten overvloede daar van het duplicaat hebben laten afgaan, waar toe ik ook eene toevallige geleegendheijd Kreeg. Want den Jood Isaak Surion bekent by den rabab en deszeles dat genevaals 364 Souvraets en Ao 176: ok dor ons bij den nasab gebruykt, my te kennen gegeven hebbende, dat hy na Calicoet meende te vertrekken alwaar hy zyn woon- pakhuys en negotie heeft, ten eynde daar na zyn zaken te gaan zien, zoo gaf ik hem een briev ter bestelling meede, aan den nababsin GGouverneur op salicoet genaamt Priniwaza Rayer, eerste legenhoofd van den Nabas om deze Contryen, en broeder van het Cha„ „wacatsen Legerhoofd, dienende eenlijk ten geleijde van het duplicaat voor den nabab, om door hem verder voortgezonden teworden, dog waar by ook teffens aan dit legenhoofd ge„ doleerd word, over de verscheyjninge vandes nababs trouppen onder deszelve Brunder Sander Rayer io ' Comp: territoir, welke briev aldus luijde Hoe zier ik ook verlangd hebbe, dat uw Edel meester den nabab, onlangs te Calicoet zoude gekomen zyn; gelyk ƒ in't Jaar 1766, om dat ik dan even als te dier tijd ook zyn Exellentie zoude hebben laten filiciteeren, en teffens onder houden over zeekere zaken die ik niet twyffele of zy zoude zyn Exellentie ten hoogsten aangenaam geweest zyn, zoo is egter zyn Exellentie tot ons leedweesen niet afgekomen, en moet derhalven zulks uytstellen tot zig een goede geleegendheyd daar toe zal opdoen, waar na zeer verlangen, dog dewyl er intusschen met het Koningje van Cranganoor die een „ vasal van de Comp is, op den naam van den nabab iets voorgevallen is, zoo hebben wy, uyt hoofde van de vriendschap, die er tusschen de Hollandse Comp: en UwEdele meester is, zyn Exillentie daar van met een briev kennisse gegeven, maar dewyl zyn Exillentie zoo verre van hier is, en ook die briev in deze Beit tyds omstandigheiden rigtelyk zoude kunnen absent geraakt zijn, zoo hebbe ik nodig g'oordeeld nog een briev van dierzeloden inhoud te vervaardigen, dewelke ik met den Jood Isaak Surion nu aan uw Edele afzende spoedigen met versoek om dezelve tog Sicuur aan zyn Exelentie te bezorgen; maar dewyl en sedert alweder by en op sComp: territoir, onordentelijkheeden geplegd & worden, die van quade gevolgen kunnen zyn, en ongetwyfeld door de List van eenige quaad gezinde gepractiseerd worden gelyk Isaak Surion uw Edele nader verhaln zal zoo is myn versoek, dat uw Edele zodanige ordres na Chairacatty gelieve te stellen, dat er geen onhebbe„ „lykheeden meer gepleegd worden, dewelke stryden tegen de vriendschap, en het vertrouwen, tusschen den nabab, en de Comp:, want sedert dat zyn Exellentig in 't Jaar 1766: de Comp: zulke kragtige verseekeringen van zyne vriendschap gedaan heeft, zoo heeft de Comp: ook gerust daarop vortrouwd, en daarom zig in 't geheel met den Sammoryn niet willen bemaeijen, niet tegenstaande vasal zyn

NL-HaNA_1.04.02_3406_0092 view scan ↗

English

his Master the Company has caused sufficient application to be made for that purpose. Of all these matters I have also informed your Honour's brother Sandara Rayara. I hope that your Honour may be in good health, and if there is anything here at your Honour's service, please inform me of it, as it will be my pleasure to do your Honour a service, and to hear of your Honour's well-being. I have also instructed this Jew, Izaak Surion, that if he should speak with the Calicut Governor, he should then, on occasion and in discourse, make him understand what unpleasantries and strange movements have taken place in the Nabob's name on the Company's territory from Cranganore to Chettua, at a time when the Company peacefully relies upon the strong assurances given in the year 1766 by the Nabob of his particular esteem for the Dutch Company; and that for that reason, upon his arrival at Calicut, I had intended, following the example of the year 1766, to have his Excellency greeted there once again; yet with the recommendation to be cautious in his answers, and not to express himself in any particulars, no matter how much the Calicut Governor might seek to sound him out, under the pretext of not being instructed thereon, but being well assured of the Company's particular affection and esteem for the Nabob. However, because the said Surion was also employed with the Nabob at Calicut in the year 1766, and it might easily happen that the Calicut Governor would converse with him concerning the transactions of that time, and in perspective make a proposal as to whether the Company might not still be inclined to engage itself further with the Nabob, I have ordered him, according to the measure of the conversation, to answer in general terms: that he did not know such, but indeed that he had repeatedly heard me speak with much esteem of the Nabob, and had also been able to notice that during my administration I had always thought and hoped that his Excellency would once again come to Calicut, just as if I had something particular in mind thereby. Now I only wished to know what the Nabob's further designs are; I have indeed recommended the Jew Isaak Surion to inform himself thereof as much as possible, and I still do so daily through all other channels I can find; but I have not yet obtained any report from Surion, except only that he has passed Chawacatty, and I also do not believe that I will so easily discover the Nabob's designs for the present, as he keeps his designs secret even from his army commanders until they must be executed; he also keeps all the roads, and even the mouths of his subjects, closed everywhere, so that no one dares to speak of war matters. The general opinion, however, is that it will concern Travancore at the beginning of the good monsoon, for which it will possibly be taken as a pretext that Travancore tolerates or gives refuge to the Zamorin King, since it is known that the Zamorin, after Travancore was informed of his arrival from Cherthala, under the name of being in disguise, was conveyed further southward, without anyone knowing to what place. For however much it may conflict with humanity and the law of nations to surrender a persecuted and fleeing person into the hands of an enemy with whom there is neither mercy nor compassion, the Nabob nevertheless understands this entirely differently, and regards those who harbor his enemies as his enemies, wherever he may come; and he is very embittered against the Zamorin because he shamefully treated and drove away the Nabob's emissaries, who had come some time ago to collect tribute; while Travancore meanwhile also well understands that if the Zamorin could be restored, he would still be a bulwark between him and the Nabob, all the more since the Crown Prince still remains in the Zamorin's territory, assisted by some remaining Nairs whom the Nabob has not yet been able to expel from the forests and mountains. At least, however much Travancore has wished to conceal his embarrassment and apprehension in this regard from me, he has nevertheless in these days finally addressed himself to me about it, though still from afar. For when he heard of the movements which the Nabob's men were making at Chawacatty, and that they were already in the Cranganore area as aforesaid, he had his northern places inspected under the supervision of Lanoy, who had formerly deserted from us to him, in the company of a Sarvadhikari, and provided with men, ammunition, and provisions; after which the aforesaid Sarvadhikari came to me on the 6th of the current month to speak with me on behalf of his master. After he had first made much of the friendship that resides between his master and the Company, and of the trust his master has in the Company by virtue of the existing contract, he reminded me of what had recently occurred to the north with the Nabob, the state of our militia, and the monarchical and violent designs of the Nabob Hyder Ali Khan, pointing out to me at the same time how far the undertakings of the Nabobs currently extend, as has recently been shown with the Nabob Muhammad Ali, who has brought under his dominion not only the Thever, but also the Company's old and powerful ally, the King of Tanjore; asking me at the same time whether the Company at all

Dutch transcription

365 zyn H„r de Comp daar toe genoeg aansoek heeft laten doen. Van alle deze zaken hebbe ik ook uwEdele Broeder Sandara Rayara Kennisse gegeven. Ik hoop dat uw Edele gezond mag zyn, en indien hier iets van uw Edele dienst mogt zyn, zoo versoek my zulks te bedeelen, also het my aangenaam zal zyn uwEd plaisier te doen, en uw Edelen welstand te verneemen dezen Jood Izaak Curion hebbe ik ook geinstrueerd, om als hy den falupetsen Gouverneur mogt spreeken hem dan by geleegendheyd en discoursive te doen begrijpen, welke onaangenaamheiden en Vreemde bewegingen uytsnababe naam op sComp Territoir van Cranganoor tot Chettua toe„ voorgevallen zyn, in een tyd, dat de Comp: zig gerustelyk verlaat op de kragtige verseekeringen int jaar 1766 door den Nabab gedaan, van zyne byzondere agting voor de Holland „se Comp:, en dat ik oak daarom zijn zyn aankomst op Calicoet gemeend had, na het voorbeeld van het Jaar 1766: zyn Excellentie daar waeder te laten begroeten, egter met recom „mandatie, om voorzegtig in zyn antwoorden te zyn, en zig in geene byzonderheeden uyttelaten, hoe zeer de Calicoeksen Gouverneur hem ook mogt zaeken te polsen, onder voor„ „geven van daar niet op geinstrueerd, maar wel ver„ „seekert te zyn, van 's Comp: byzondere genegentheyd en agtinge voor den nabab, dog om dat de t Surion Ao 1766. meede by den nabab te salicaet is gebruykt, en het ligtelyk zoude Kunnen gebeuren, dat de Calicoetsen Gouverneur hem over het verhandelde van dien tyd zoude onderhouden; en in 't verschiet een voorslag doen, of de Comp. nag niet geneegen zouden zyn, om zig met den nabab nader te engageeren, zoo hebbe ik hem gelast na mate van het gesprek, in generaale termen te antwoorden, dat hy ( zulks niet wist, maar wel dat hy my telkens met veel agtinge van den nab heeft haren spreeken, en ook kunnen bemerken, dat ik gedurende myn bistier altoos gedagt en gehoopt hebbe, dat zyn Exellentie wil eens weder te Calecoet zoude komen, even als of ik daar meede iets bezonders voor had. Nu wenschte ik maar te weeten wat snababs verdere oogmerken zijn, ik hetbe den Jood Isaak Circon wel gerecommandeert, om zig daar na zoo veel mogelyk te informeeren, en dat die ik nog dagelijks, door alle andere Canalen ik maar vinden kan; dog hebbe nog geen narigt van Surion erlangd, als eenelyjk dat hy Chawa„ „catty gepasseerd is, engelove ook niet dat ik voor eerst zoo ligt agter Snababs oogmerken Komen zal, alzoo hy zyne dessainen zelvs voor zyn Leger hoofden zoo lange verborgen houd, tot dat dezelve moeten uytgevoerd werden, ook houd hy over al de wegen en zelfs de monden„ van zyn ingeteekenen gesloten, also niemand van oorlogs Ao. 1766 zaken 366 zaken spanken durved: het algemen gevoelen is agter, dat het Trevancoor met het begin van de goede mousson gelden zal waar toe mogelyk tot pretext genomen zal worden, dat Trevancoor den Cammorynsen Koning, duld, of schuyplaats geert, vermit het bekent is dat den sam¬ „moryn, van Chertallen nadat Trevancoos van zyn aankom geinformeerd was, onder de naam van het ontslijt te zyn, verder zuydwaards gevoerd is, zonder dat men weet waar ter plaatse, want hoe zeer het ook tegen de menschelykheyd en het regt der volkeren stryd, een vervolg en vlugtend mensch, in handen van een Vyand overtegeven, by wien geen genade nog barm hartighyd is, zoo begrypt dan nabab dit egter geheel anders, en merkt de geene die zyne vyand herberg geven als zyne vyanden aan, waar hy ook kom dat hy zier verbitterd is, op den Sammoryn omdat hy, snakal zendelingen die over eenige tyd gekomen waren, om Contribute te halen, smadelyk behandelt en weg gejaagd heeft terwyl Trevancoor intusschen ook wil begrypt dat als de sammoryn te herstellen mogt zijn, en dan nog een voor „muur tusschen hem, en den nabab us, temeer, zigde kroo „prins nog in het Sammorynse Ophoud, g'assisteerd me eenige bygebleevene Nairassen, die de nabab uyt de bosschen en gebergten, nog niet heeft kunnen verdryven. Ten minsten hiae zeer Frevan voor zyn verleegendheyd, en be„ „dugting ten dezen voor mij heeft willen ontoynesen, zoo heft hy egter dezen dagen, ayndelyk zig daar voer byj my g'adresseerd, dog nog ook van verre Want toen hij hoorde van de beweegingen, die de nababje op Chawacattij maakten, en dat ze als voorsz: al in het Cranganoons waren, liet hy zyne noordelyke plaatsen; onder opzigt van den by huem van ons wel eer gedeserteerde Lanoij ingeselschap van een sarwadicaricaren examineeren, en met volk, Aumotie, en provisie voorsien, na welks voorsz: sar„ „wadicaricaaren den 6. e Courant by my quam, om van wegens zyn muster met my te spreeken. Na dat hy alvoorens zien groot had opgegeven, van de Vriendschap, die tusschen zyn muster, en de Comp: resideert, en van het vertrouwen dat zyn meester op de Comp: heeft, uijt hoofde van het leggend Contract, zoo herinnende hy my, het Jongst gepasseerde om de noord met de nabab, bestaat van onse Militie, de Monarchale en geweldadige desseinen van den nabab Aijder Alichan, mij teffens vertoonende, hoe verre tans de onderneemingen van de nababs gaan, gelyk nog onlangs geblieken is, met den nabab Mahomed Aly die niet alleen den Theuver maar sComp: oude en magtige Bondgenoot den Koning van Tansjouw onder zyne staaten gebragt heeft, my met een vragende, of de Comp: ten allen

NL-HaNA_1.04.02_3406_0094 view scan ↗

English

367 could look upon all these things with indifference: I would have liked to give him separate answers to the one and the other, if the circumstances of the times had permitted such, but I kept quiet and answered in general terms that the Company, living in peace and friendship with all powers and having no knowledge to the contrary, therefore, although indeed always on its guard, has no suspicion of anyone, asking him at the same time whether his master then had reason to fear any hostile attacks at present, to which he also answered no, but that it is always good to take the necessary precautions in time, as his master is doing now, although his King has placed his confidence entirely in the Company; but because I well know that that will be the great matter over which I shall have to grapple with Travancore if he should once effectively be attacked, I now merely passed over it and replied simply that his king did very well to take the necessary precautions, and that the Company is also accustomed to do so, but he added to that, that this latter has also been apparent to his master because work is currently being done on the improvement of the city, but that it is not enough to have a strong fortress, but that there ought also to be people to assist allies in case of need, and that it would be very good if the Company strengthened our northern outposts and stationed strong posts all over that side to prevent the intrusion of foreigners; but I stood up, gave him a friendly smile, and patted him gently on the shoulders, saying that the Company well knew what it had to do; whereupon I offered him and the Regiador of Mangatty, who had come along, as a gift on behalf of the Company: 4 pieces of armozine 6 @ of red cloth 2 lb of mace 2 lb of nutmeg, and 3 lb of cloves With which he departed satisfied. I need not remind Your Right Excellencies of the precarious circumstances in which the Company can fall here, if the Nabob should actually march against Travancore, as much on account of the Nabob as on account of Travancore; these considerations were sufficiently explained to Your Right Excellencies from here at the first arrival of the Nabob, and Your Right Excellencies have also not failed to write what was necessary regarding this, so that it would be indiscreet if I were to demand of Your Right Excellencies, who are far away and not present here, to instruct me specifically 368 what I precisely will have to do in every occurring circumstance, since the intention of Your Right Excellencies tends toward observing neutrality by all possibilities, meanwhile seeing that the Company's interests make progress, furthermore keeping a watchful eye, and when it comes down to it, while maintaining the Company's reputation, choosing the lesser of two evils, and not aspiring to any coup, much less allowing any change in matters of importance to take place, except upon grounds of certainty. I shall not lose sight of this either, but handle matters with prudence and deliberation as circumstances shall require, and in such a case put all oars to the side that I have, to keep our little ship out of danger as long as possible; but cases can exist which one could not have foreseen beforehand, also times and circumstances can change in such a way that matters take on an entirely different appearance than before, so I trust that Your Right Excellencies will please remember how wretched the state of our garrison is, which I described in my last separate letter as it truly is, as witnessed by those who meanwhile pass away; and therefore I request Your Right Excellencies to please assist us as much as possible with some militia, and at the same time to furnish me with Your High Excellencies' further and wise orders. From my separate letter of the 28th of March last, or rather from the resolution of the 26th of November 1773 cited therein, it appears that one was to hasten the demolition of the so-called square platform, and the erection of a small outwork for the defense of the undefended faces of the bastions Holland and Gelderland, and to have the moat around the city deepened, and to restore the dilapidated glacis with the earth coming from it, as well as to have a plan prepared of how the line of the outer moat in front of the salient line called the Galjoen ought to be reinforced with a parapet, in so far as this defect can be accomplished with little expense; thus I have the good fortune to be able to inform Your Right Excellencies that the small work between the bastions Gelderland and Holland, having been as good as finished these days, the city is thus on that side no longer exposed as before; as well as that the engineer De Graaff has already prepared the design of how the inner side of the aforesaid outer moat ought to be reinforced, which I, for a better understanding of it, have caused him to indicate with red dotted lines on the plan of the city, beneath which the profile thereof is drawn, which plan is attached hereto, to which is also added a draft of how that work should be made.

Dutch transcription

367 alle de dingen met onverschilligheyd kon aansien: Jk zoude hem op het een en ander wel afzonderlyke antwoorden hebben willen geven, indien de tyds omstandigheeden zulks hadden toegelaten, dog ik hield my tranquil en antwoorde en Generaale termen, dat de Comp: in vreede en vriendschap met alle mogendheeden leedende, en van t Contrarie van kennis dragende, dus ook schoon wel altoos op haar hoede zynde, geen kwaad vermoede op imand heeft vragende hem teffens of zyn meeste dan reeden had om tans voor eenige vyandelyke aanvallen bedugt te zyn waar op hy ook antwoorde van nien, maar dat het altoos goed is intyds de nodige voorzorge te gebruyken gelyk zyn meester nu doed, schoon zyn Koning deszelvs vertrouwen, ten eenemaal op de Comp: gesteld heeft, dog omdat ik wel weet dat dat de groote zaak zal zyn, waar over ik met Trevansoor zal moeten Kathalsen, als hij eens effectief mogt overvallen worden, zoo praakse ik nu daar maar overheen, en replceerde eenvoudig dat zyn koning zeer wel deed, de nodige voorzorge te gebruyken, en dat de Comp: zulks ook gewoon is te doen, dog hy voegde daar op dat dit laaste zyn muester ook gebleeken is, omdat en tans aan de verbaetering van de stad ge-arbeyd word, dog dat he met genoeg is een sterke vesting te hebben, maar dat er ook Volk diende te zyn, om Bondgenoten en Cas van nood te Assisteeren en dat het zeer god zoude zyn, en den de Comp: onse noordse bryten posten versterkt en aan die kant over al sterk posten Leyde, om den endrang van vreemde te beletten; dog stond op, Lagte hem eens vriendelyk toe, en klapte hem zagtjens op de Schouders, zeggende dat de Comp: wel wist, wat haar te doen stond; waar op ik hem ende Ragiadoor van mangatty die meede gekomen was, van wegens de Comp tot geschenk aanbood 4 Stux Armozynen 6 @ rood laaken 2 lb Loely 2 „ noten, en 3 „ nagulen Waar meede hy vergenoegd heen ging. Jk behoeve uw Hoog Edelheedens niet tekerinneren, in welke zorgelyke omstandigheeden de Comp: hier valen kan, wanneer den nabab eens werkelyk tegen Trevancoor mogt optrekken zoo om de wille van den nabab, als om de wille van Trevancoor„ die bedenkingen zyn uw Hoog Edelheedens van hier by de eerste afkomst van den nabab, genoeg vertaand, en uw HoogEdelheedens hebben ook niet gemanqueerd, omdaar omtrent het nodige aante schryven, zoo dat het onbescheyden zoude zyn, indien ik van Uw Hoog Edelheedens, die van verre en hier niet tegenwoor „dig zyn, zoude vergen, om my specificq te Intrueeren wat 368 wat ik by ale voorvallende geleegendheyd Just zal moeten doen also de intentie van Uw Hoog Edelheedens doar heem Strekt, om by alle mogelykheyd de neutraliteyt te beffenen, intusschen Se Comp:s belangen haar voortgang te daen hebben, voorts een gaa oog int zyl te houden, en als het 'er op aankomt met behoud van Comp: reputatie, uyt twee kwaade het beste te kiesen, en geen Coup te ambieeren, veel min verandering inzaaken van gewigt te laten plaats hebben, als op gronden van zeekerheijd. Jk zal dit ook niet uyt het vog verliede maar met voorzegtigheyd en overleg, de zaaken be„ „handelen zoo als om de omstandigheeden zullen veren sf en in zoo een geval alle riemen te boord leggen, die ik hebbe, om ons scheepje, zoo lang het mogelyk is, buijten gevaar te houden, sog daar kunnen gevallen exteeren, die men bevoorens niet heeft kunnen voorsien, ook kunnen de tyden en omstandigheeden wel zodanig veranderen, dat de zaaken een geheel andere gedaante, als bevoorens krygen, dus vertrouwe dat Uw HoogEdelheedens zig zullen gelieve te herin „ren, hoe bedroeft het met ons guarnisoen gesteld is, het geen by myn laast apparte beschreeven hebbe, zoo als het Waarlyk is, gezuyge van de geene die intusschen gaande weg sterven; en derhalven versoeke ik uw Hoog Edelheeden om ons tog zoo veel mogelyk met eenige militie te assih „teeren, en my teffens met Hoogstdekzelver nader en wyse ordre te manieeren. By myn aparte van den 28 maart JLeeden, of eygentlyk per de daarby geciteerde Resolutie van den 26 november 1773 blykt dat men het slegten van het zogenaamde vierkant plat, en het opwerpen van een klyn buyten werkje ter defensie van de onbestreekene faces, der Punten Holland en Gelderland zoude verhaasten, ende gragt rondom de stad doen uyt„ „diepen, en met de daar van Komende aarde de vervallene Glaseij hetstellen zoo meede een plan doen vervaardigens hoedanig de Linie van de voorgragt, voor de uytsprin„ heft „gende Linie genaamt het Galjoen ^ met een borstweeringe te versterken zoude zyn, voor zoo verre dit defect, met Klyne kosten geschieden Kan, zoo hebbe het geluk uw„ „ Hoog Edelheedens te mogen bedeelen, dat het werkje tusschen de Dunten Gelderland en Holland, dezer dagen zoo goed als klaar gekomen zynde, de stad dus aan die zyde niet meer g'exponeerd is, als bevoorens, zoo meede dat de Jngenieur de Graaff het ontwerp ook al vervaardigd heeft hoedanig de binnen zyde der voorsz: voorgragt, behoord te worden versterkt, het gaen ik hem tot beeter begrip daar van, met roode gestepte lynen hebbe doen brengen op het plan van de stad, waar onder het profic daar van uytgetrak „ken is, welk plan hier nevens gaat, waarby teffens gevoegd is een Conept, hoedanig dat werk dient gemaakt de te tig

← previousnext →