VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3437

Surat · 252 pages · 86 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3437_0236 view scan ↗

English

court of Poona, to dispatch the courtier Mhamet Aresp without delay to the Maratha ruler Madhavrao, with the presents for the prince and his grandees, in order to persuade His Highness, if possible, to establish a secret signal and grant the necessary passes. The matter here with the English and the Nawab concerning the outgoing toll, having been described in detail in our humble previous communication of 22 December 1771 and now concluded as mentioned at length in our resolution of the 15th of this month and in today's general letter, we hope will meet with the high approval of Your Right Excellencies, both because we were unable to delay the settlement of this affair until we could be honored with Your Excellencies' highly esteemed instructions thereon, to which our resolution of 3 February fully bears witness, and also primarily because the said dispute has been settled in accordance with fairness and in such a manner that the Company will henceforth pay no more than its exact obligation of 2½ percent; and although we regret that we shall now be unable to procure further for the said Company the small profit it was able to make annually on the tolls, it is nevertheless a great blessing that such a practice was never discovered, when it might possibly have cost more in fines than the profits made thereby ever amounted to, for which, now that the matter has been placed on this solid footing, there is nothing further to fear. Subsequently, humbly petitioning Your Right Excellencies, in accordance with your usual kindness, to accommodate us with the merchandise and necessities requested in the outgoing formal demand, and among these also primarily with the Japanese bar copper, as this frequently serves as a means for us to dispose of the other merchandise at better prices, we would have reached the end of this letter, had we been able to conceal the sorrow we feel at seeing ourselves publicly accused in a certain letter from the Governor and Council at Cochin of 31 March 1771 dispatched to Your Right Excellencies, an extract of which reached us with Your Excellencies' highly esteemed letter of 1 October following, as if we had intended to burden Your Right Excellencies with completely false citations, useless requests, and without reason, and had wrongly complained about the lack of an alleged document that was supposedly not worthy of mention, when we, in our secret respectful letter of 20 December 1769, requested that it might please Your Right Excellencies to instruct the aforementioned Mr. Senff to send us such written permission for the transfer of the spices from the inner lathe to the wharf, or rather to be permitted henceforth to unload the spices at the latter place alongside the other goods, as the town Governor was supposed to have granted to his honor, as appears from the postscript of a letter from the aforementioned Councillor Extraordinary Senff to Your Right Excellencies of 18 April 1766, since we made that request at that time out of necessity, with great cause, and solely to advance the Master's service. We consider this affair of such great importance, both for our honor and especially for the interests of the Honorable Company, that we find ourselves obliged to prove to Your Right Excellencies as briefly as possible that we made the aforementioned application in our cited letter of 20 December 1769 on good grounds, and that what was stated against it by the aforementioned Councillor Extraordinary Senff in the aforesaid Malabar letter—be it said with respect and reserving the esteem due to the rank held by his honor—is in every respect beside the truth. And making a beginning therewith, without commenting on the motives that may have moved the said Mr. Senff publicly to deny in the aforesaid Malabar letter ever having dispatched a secret letter under date 18 April 1766 to Your Right Excellencies, when the letter itself, with the aforementioned postscript beneath it under date 20 April, which rests in original at Your Right Excellencies' secretariat and of which the authentic copy is preserved in our secret chest, clearly demonstrates the contrary, Your Right Excellencies may please be informed: That when the Governor of this city, on 28 November 1769, saw fit to forbid us from unloading the spices at the wharf, and upon the inquiry made by the first-signatory as to what reasons there could be for such a procedure, since His Excellency himself in the year 1766, as well as the then Chief of the English, Mr. Hodges, had given solemn consent henceforth to be permitted to unload and store both the spices and all other merchandise at the wharf, subsequently declared never to have granted such permission, but that he had merely allowed it now and then for a single occasion to Mr. Senff; we necessarily had to take our recourse to

Dutch transcription

220 Hof van Poena, den Hofganger Mhamet Aresp aan den Marettas vorst chadurauw ten eersten „den afsenden, met de geschenken voor „ vorst en sijne grooten, ten einde sijne Hoogheijd tot het vaststel„ „len van een secreet seijn en het verlienen van de nodige passen, des mogelijk over te haalen De affaire alhier met de Engelschen en de Na„ „bab over den afgaanden Tholl bij onse meer geciteerde nedrige voorgaande van den 22 de„ „thans cember 1771 omstandig beschreeven ^ afgedaan sijnde soo als sulx bij ons besluijt van den 15: deeses, en bij de gemeene brieff van heeden breed„ „voerig vermeld word, hoopen wij dat Culij uur Hoog Edelheedens hooge goedkeuringe wegdra„ „gen sal, soo wel uijt hoofde we onvermoogens sijn geweest om de afdoening deeser saak te verwijlen, tot dat we daar in met Hoogst der „selver veel g'Eerde dispositie genuniberd sijn konden, waar van onse Resolutie van den 3 Febrij „ volkomen getuijgenisse draagd als wel meede voornamentlijk om dat het selve verschil na de billijkheijd en sodanig vereffend is dat de Comp„e voortaan niet meerder als haare Juijste ver„ pligtinge van 2½. procento sal betaalen, en schoon het ons leid doed dat we nu onvermogens sullen sijn, om deselve Comp„s het kleine voordeel dat sij Jaarlig op de Thollen heeft kunnen profitee „ren, verder te procureeren, soo is het egter Een groot geluk dat diergelijke handelwijse nooit is ontdekt geworden, als wanneer het mogelijk meerder aan boete soude hebben komen te kos„ ten als het daar bij geprofiteerde ooit bedraa„ „gen heeft, waar voor men, uw de saak op dee„ „sen vasten voet gebragt is, verders niets te dug„ ten heeft. Vervolgens uw Hoog Edelheedens nedrig sol„ liciteerende om ons agter volgens der selver ge„ wone goedheijt, met de by den afgaanden Formeelen Eysch gevraagde koopmanschappen en Febrij benod 221. benodigdheeden en daar onder meede voornamentlijk met het Japans staaffkoper alsoo ons sulx dik„ werf tot Een middel verstrekt om de andere koop manschappen voor betere prijsen van de hand te kunnen setten, te gerieven, souden wij hier meede ten eijnde deeses syn genadert, soo wij hadden kunnen ontveijnsen de droefheijd, welke gevoe„ „len van ons bij sekere missive van Gouver„ neur en raad te Cochim van den 31: Maart 1771: aan uw Hoog Edelheedens afgevaardigd, en waar van ons het Extract bij Hoogst dersel„ ver veel Geerde Letteren van den 1: october daar aan volgende toegekomen is, openbaar beschuldig te zien, als hadden wij uw Hoog Edel„ heedens met Gantsch verkeerde aanhalingen onnutte versoeken en sonder reeden willen vermoeije„ liken, en ons ten onrogte beswaard over het mis„ sen van Een preetens Document het welk niet waar„ „dig soude sin, dat er van gesprooken wuerd, Wanneer wij bij onse secreete eerbiedige missive van den 20 December 1769 verzoek deeden, dat het uw Hoog Edelhedens behagen mogte, om voorn heer seuff te gelasten, van aan ons te doen toekomen, sodanige schriftelijke permissie tot het overbren„ „gen der specerijen uijt de binnen Latthij na de werff of eigentlijk om voortaan de specerijen ter laatsge„ noemde plaats nevens de andere goederen te mogen lossen als den stads Gouverneur aan sijn Edele soude hebben verleend blykens het post scriptum van Eene missive van voormelde Hee„ „re Raad Extra ordinair serff aan uw Hoog Edelheeden van den 18 april 1766 daar wij het selve verzoek toenmaals hebben gedaan uit nood„ „sake, met veel grond en Eeniglijk ter bevor„ dering van sMeesters dienst Wij agter deese affaire van soo veele aangele„ gendheijd, so wel voor onse Eer als voornament„ „lik voor de belangens der E: Maatschappij. dat wij ons verpligt vinden uw Hoog Edelheedens Wanneer soo 222 soo kort doenlijk te prouveeren, dat wij de voor„ meede instantie bij geciteerde onse letteren van den 20: December 1769 op goede gronden gedaan hebben, en dat het daar tegen geposeerde van wel gem: Heere Raad Extra ordinair sensf bij voren gedagte Mallabaarse brieff :t sij met Eerbied en voorbehoudens de agting, welke men aan het door sijn wel Edele bekleed heb„ „bende Carecter verschuldigd is gesegd;/ alle sints besyden de waarheyd is Ende waar meede dan Een aanvang makende sonder ons uit te laeten over de motiven, wel „ke gem: heere senff mogen hebben bewoogen om bij voorsz Mallabaarse brief publicq „te ontkennen van ooit Een secreete missive onder dato 18 april 1766: aan uw Hoog Edel„ „hedens te hebben afgevaardigd, daar tog de missive selve met het daar onderstaande voornoemde post scriptum sub dato 20: april die ter secretarije van uw Hoog Edelheedens in origi„ „nale berustende is en van dewelke de auctenticque Copie in onse secreete kas bewaerd word het Con„ „trarie van dien sonneklaar aantoond soo gelieven uw Hoog Edelheeden g'informeerd te sijn Dat Wanneer deser stads Gouverneur op den 28: November 1769 goedvond, om ons het Los„ sen der specerijen aan de werff te verbieden, en op de door den Eerst getekenden gedaene afvraage, wat redenen tot sulk Een proce„ „duure hebben konde, daar sijn Eijcellentie selfs in Ao 1766 soo wel als den toenmaligen Cheff der Engelschen m„r sodges Een plegtige toestemmin„ „ge gegeeven had, om voortaen soo wel de specerij„ „en als alle de andere koopmanschappen aan de werff te mogen Lossen en opslaan, vervolgens verklaarde, nooijt Een diergelijke permissie te hebben verleend, maar dat sulx Eeniglijk nu en dan wel voor Een enkelde reise aan den heer Jenff„ had toegestaan; wij noodwendig onsen toevlugt die tot

NL-HaNA_1.04.02_3437_0239 view scan ↗

English

to the secret papers, as nothing else regarding this matter was to be found among the public resolutions than a simple note under the resolution of 6 May 1766: that the spices had to be transferred from the inner Latthij, and indeed in such separate missives as the late Mr. Senff dispatched alone and without the knowledge of the first undersigned, then serving as secunde, to Your High Excellencies, of which His Honour, upon his departure from here to the Mallabaar, had not left behind even a single minute for our necessary information, so that we would still be deprived of the same if Your High Excellencies had not been pleased to provide us with the authentic copies of these separate letters upon our urgent request. And that we, finding under these separate letters, and specifically under that of 18 April 1766, written by Mr. Senff after he had kept Your High Excellencies waiting extensively regarding his proceedings to obtain a new privilege to be allowed to unload the spices at the wharf, in a postscript dated 20 April aforesaid, the following wording: Finally, today the written permission from the city Governor followed, and on that basis being currently engaged in transferring the spices from the inner Latthij to the wharf, I could not fail to give notice thereof as glad tidings which I hope will serve to Your High Excellencies' satisfaction; must surely have thought it notorious that truly such a written consent or perwanna had been granted and actually existed, the more so because we could have no other guide in this, since the more-mentioned Mr. Senff had always handled this and several other matters so secretly, and outside the knowledge, much less any consent, of his secunde, the present Director, that nothing of the true state of this case had ever come to our knowledge, except only His Honour's oral statement that he had been obliged to spend 25000 Rupees to get the spices unloaded at the wharf. And under this assumption then, and under the presupposition of an indisputable right, the first undersigned sent word once more to the Nabab that if His Excellency should see fit now again to prevent the free use of a privilege that he himself had so solemnly granted to the Honourable Dutch Company, we would immediately address the English chief in this regard, and if we should also not succeed there, that we would then send the ships to another place without unloading a single piece of goods more; and we leave it to the judgment of Your High Excellencies how astonished we were to find when the Nabab immediately sent back word that we could do as we best saw fit, that he had never granted permission to unload the spices at the wharf for anything other than a single time, and this for the reasons Mr. Senff had submitted to him, the Nabab, namely that the same could not possibly be stored in the Lodge, as it was about to be repaired, and that he would also never tolerate that use be made thereof as a perpetual right. We indeed proceeded once again to search even all the secret papers, but being unable to find anything else, and consequently assuming rather that this written permission had mistakenly ended up among the papers of the aforementioned Mr. Senff than being able to believe that no such thing had ever been granted, we could do nothing else than respectfully request Your High Excellencies, in our frequently cited letter of 20 December 1769, to be pleased to order Mr. Senff to send this written permission to us at once, in order to be able to make the necessary use thereof in further incidents against the Nabab, whom the first undersigned had indeed for that time persuaded to give permission to unload the spices at the wharf through a gift of some large mirrors.

Dutch transcription

223 tot de serdete papiren, alsoo bij ae publicque besluij„ „ten niets anders van deese affaire te vinden was als een simpele aantekening bij resolutie van den 6 Maij 1766: dat de specerijen uit de binnen Latthij overgebragt waeren neemen moesten, en wel tot sodane aparte missives als wijlen den heere serff, alleen en sonder meede weeten van den Eerst ondergetekenden als toenmaligen secumde ter dier tijd aan uw hoog Edelheedens afgevaer„ „digt heeft, en waar van sijn Edele bij sijn, vertrek van hier na de Mallabaar selfs geen eene minuut aan ons tot onse nodige informatie, hadde agterge„ laeten, soo als we van deselve ook nog gedestitueerd souden sijn, soo uw Hoog Ed„s ons de autenticque Co„ „pijen deeser aparte letteren niet op onse daer toe„ gedaene instantie hadden gelieven te doen toekomen En dat noij onder deese aparte Letteren en wel onder die van den 18 april 1766 door den Heer senff na dat uw hoog Edelheedens saer band„ voerig hadde opgewagt omtrend sijne verrigtin„ „gen ter verkrijging van Een nieuw voorregt, om de speierijen aan de werff te moogen ontlossen, bij post scriptum gedagtekend den 20 april voorm: ge„ schreeven, vindende de volgende bewoordingen Eindelijk is op heeden de schriftelijke permissie van den stads Gouverneur gevolgd, en op dat sun„ damint thans werkelijk beesig synde de specerijen uijt de binnen Latthij na de werff over te brengen soo heb ik niet kunnen nalaaten daar van nog bij deesen konnisse te geeven als Een blijde tijding die ik hoop dat uw hoog Edelheedens tot genoe„ „gen sal strekken immers notoir moesten denken dat er waaragtiglijk Eene diergelijk schrijftelijk consent of perwanna verleend, en in waere wee„ sen was te meer wijl we in deesen geen anderen Leijdsman hebben konden, door dien meer gedagten heere sensfo deese en meer andere saaken altoos der maten secreet, en buijten meede weeten veel minder dan Eenigen toestemming van sijnen secunde den presenten directeur getracteerd hadde dater nooit iets van den waeren toestand deeses gevals tot onse kennisse gekomen was, als Eeniglijk om het 224 het mondeling gesegde van sijn Edele dat hij 25000 Ropijen had moeten spendeeren, om de speierijen aan de werff gelost te krijgen. Ende in deese suppositie dan, en in de voor onderstellinge van een onwederspreklik regt liet den Eerst getekenden aan den Nabab andermael boodschappen, dat zoo sijn Excellentie konde goed„ vinden om thans weder te beletten het vrije ge„ bruijk van een voorregt dat hij selfs aan de Edele Nederlandsche Compagnie soo plegtig toegestaan had men zig immediaat daar om„ trend aan het Engelsch opperhoofd addresseeren soude, en soo men daar almeede niet slaegen mogte dat men dan de scheepen na Een andere plaats soude versenden sonder Een stuk goed meerder te lossen en wij laeten het aan het oordeel van uw hoog Edelheedens hoe verbaesd wij stonden op te zien wanneer de Nabab im„ mediaat liet te rug weeten dat wij konden doen na onse beste goed vinden, dat hij nooit anders als tot Een enkelde reijs permissie had verleend om d' pecorij aan de worsf te ontlossen, en suly om redenen den Heere senff„r hem nabab hadde voorgedraagen, dat deselve on„ mogelijk in de Loge konden worden geborgen, alsoo die stond gerepareert te worden, en dat hij ook nooijt soude gedoogen, dat daar van als van een altoos duirend regt gebruijk wierde gemaakt wij gingen wel andermaal aan het doorsoeken selfs van alle de secreete papieren dog niets anders kunnende vinden en dien volgens eerder onderstellende dat deese schrijftelijke permissie dikwerff, onder de papie„ „ren van wel gem: heere Cenff abusive was geraakt als te kunnen gelooven dat er nooijt diergelijken verleend was konden wij niets anders doen als uw hoog Edelhedens bij onse meergeciteerde brief van den 20: December 1769 Eerbiedig verzoeken, om den heer senff te willen gelasten van deese schrijftelijke per„ missie, ten Eersten aan ons te doen toekomen, ten Eijnde van deselve bij verdere voorvallen tegen den Nabab, die den Eerst getekenden voor datmaal wel tot het geeven van permissie om de speierijen aan de werff te ontlossen door Een present van eenige groote spiegels overgehaald hadde het nodige gebruik te 4 kunnen maaken— aan dus

NL-HaNA_1.04.02_3437_0241 view scan ↗

English

Thus Your Right Honourables see that we, far from wishing to trouble the same with completely erroneous citations, useless requests, and without reason, as Mr. Senff is pleased to entitle this our appeal in the frequently cited Mallabaer letter of 11 March 1711, have done nothing other than what necessity and our duty required of us; and no one could ever have thought otherwise than that such a written permission did in fact exist, if one only examines with the requisite attention all the separate letters that the aforementioned Mr. Senff dispatched to Your Right Honourables concerning this subject from 31 December 1764 to 15 April 1767. For His Honour, informing Your Right Honourables in his separate letter of 31 December 1764 that he was busy transferring the establishment permanently from the lodge to the wharf, and that he had made very great progress with it, further expresses himself thus: all merchandise is also stored here, namely the wharf, with the exception of the spices; and if I have the permission to also have them transferred from the inner Latthij where they were customed, which may perhaps take place before the closing of this letter, then I hope to have overcome the greatest obstacles; and subsequently, in his separate missive of 6 January 1765, he reports the following: having at this moment obtained permission to have all the spices transferred from the Latthij in the city to the wharf, I cannot fail to inform Your Right Honourables of this as a matter of the utmost importance that has cost so much trouble, and so on. His Honour detailing further at length in his separate letter of 19 May 1765 that the permission mentioned in his last-mentioned missive had been revoked through the actions of Mr. Hodges, adding that if it were permitted to him, he would rather send the ships back unloaded and sell the merchandise in other places than bring it into the city under the power of the English, one hears him first speak thus in his subsequent separate letter of 15 December 1765: Regarding the intended objective of concentrating the entire establishment of the Company here on the wharf, I can inform Your Right Honourables with great pleasure that the same is as good as achieved, now that the business of the unloading has taken such a good turn as I shall have the honour to report below; for this was the only thing that caused me grave concern, and yet now having succeeded so well in my efforts regarding this that I do not believe the storing and sheltering of the merchandise here on the wharf will meet with any further opposition, I also live in the hope that it will serve to the satisfaction of Your Right Honourables that, through the blessing of God, I have succeeded in bringing this important work, so highly necessary for the Company's interests, this far. And after he had subsequently described in detail the manner in which this affair was concluded, as well as an expenditure of Rop.s 25000, His Honour writes in his repeatedly cited separate letter of 18 April 1766 that he would get the spices onto the wharf, etc., as something based on valid privileges and which, having become a privilege anew, can no longer be contested in the future; and below this he then adds the aforementioned postscript dated the 20th of that same month, in these words: finally, today the written permission of the City Governor has arrived, and being now actually busy on that foundation transferring the spices from the inner Latthij to the wharf, I could not fail to give notice of it herewith as joyful news which I hope that Your Right Honourables

Dutch transcription

225 Dus sin uw Hoog Edelheedens dat wij verre van hoogst deselve, door gansch verkeerde aanhalingen, onmit„ „te versoeken en sonder reeden soo als den Heer senff„r deese onse instantie by de meer aangehaalde chal„ „labaarse brieff van den 11 Maart 1711 gelieft te tituleeren te hebben willen vermoeijelijken, niets anders hebben gedaan, als het geen de noodsake„ „lijkheijd en onsen pligt van ons vorderde, en niemand soude ooit anders hebben kunnen denken of er was sodanigen schrijftelijken permissie in waere weesen, wanneer men maar Eens met de vereijsch„ „te attentie nagaet alle de aparte brieven die den voor„ „mel den Heer Ienff over dit onderwerp sedert den 31 December 1764: tot den 15 april 1767: aan uw hoog Edelheedens afgevaerdigd heeft, want sijn wel Edele uw Hoog Edelheedens bij sijne aparte brief van den „ was 31: December 1764 bedeelende dat beesig„ om den om„ „slag uit de logie na de werff, voor altoos over te brengen en dat daar meede seer verre gevordert was Laat sig aldus verder uijt, alle koopmanschappen werden hier /:de werff namentlijk:/ ook op geslaagen Excepto de specerijen en soo ik het gelijk heb die se sijn wel Edele hier na bij sijne aparte brief van den 19 Maij 1765 breedvoerig dtetailteerende dat de bij sijne laatstgemelde missive vermelde per„ „missie door het bedrijft van m„r Hodges inge„ „trokken was, met bijvoeging Dat soo het hem geper„ mitteerd wierd hy liever de scheepen ongelost te rug senden, en de koopmanschappen op andere plaetsen verkoopen soude, dan deselve in de stad onder de magt der Engelschen te brengen laet sig bij sijnen laatste meede te mogen laeten overbrengen, uit de binnen Latthij daer se verthold sijn, gelijk mogelijk nog voor het sluiten deeses geschieden sal dan hoop ik de grootste obstaculen overwonnen te hebben, en meld vervolgens bij sijne aparte chissivos van den 6 Janua„ „rij 1765 het volgende, op dit ogenblik permissie er„ langd hebbende alle de specerijen uijt de Latthij in de stad na de werff te moogen laaten verbrengen, soo kan ik niet nalaten uw Hoog Edelheedens daer van kennisse te geeven als Een saeke van de uyter„ „ste aangelegentheijd die soo veel moeite gekost heeft en z. laatste daer 226 daar op volgende aparten brief van den 15 December 1765 Eerst aldus hooren Nopens het bedoelke oogmerk om den gantschen omslag van de Comp„e hier op de werff bij den te keij „gen, kan ik uw Hoog Edelheedens met veel verge„ noegen ter kennisse brengen, dat het selve soo goed als bereikt is, nu het werk van den ontlos sulk Een goede keer heeft genomen als ik de Eer sal hebben, hier agter te melden, want dit is het Eenigste geweest, dat mij Een swaer hoofd ge„ „maekt heeft en egter nu in mijne pogingen daer omtrend soo wel geslaegd synde dat ik niet ge„ „loofd dat het op slaen en bergen der koop„ „manschappen hier op de werff verder Eenigen tegenstand ontmoeten sal, soo leef ik ook in hoope, dat het uw Hoog Edelheedens tot ge„ „noegen sal strekken, dat het mij door den zeegen Gods gelukt is dit aangeleegen en voor 'sComp„s beslangen soo hoog noodig werk ƒ soo verre te brengen. En na dat vervolgens aldaar al verder de wijze op welke deese affaire afgedaan was soo wel als Eene spendatie van Rop„s 25000: omstandig beschree„ „ven hadde, soo schrijfd sin wel Edele bij sijne te meermaale geciteerde aparte Letteren van den 18 april 1766: dat de specerijen op de werff krygen soude enz: als iets dat op bondi„ „ge voorregten stemnde en het welke op het nieuw tot Een voorregt geworden sijnde inden aan„ staanden niet meer kan tegen gesproken„ worden en laat daar onder dan het voor verhaelde post scriptum gedagtekend den 20: dier selver maand volgen, in deese bewoordin„ „gen, Eindelijk is op heeden de schriftelijke per „missie van den staads Gouverneur gevoegd, en op dat fundament thans werkelik beesig sijnde de specerijen uyt de binnen Latthij na de werf te laaten overbrengen soo heb ik niet kunnen nalaeten daar van nog bij deesen kennisse te geeven, als Een blijde tijding die ik hoop dat uw 6n Hoog

NL-HaNA_1.04.02_3437_0243 view scan ↗

English

will serve to Your High Nobles' satisfaction. We gladly leave it to the judgment of the entire impartial world whether everyone along with us ought not to have determined that indeed such a written permission had truly been granted and was in actual existence, to henceforth unload spices as well as the other merchandise on the wharf as a privilege that could no longer be contradicted in the future. All the more when one takes into consideration that Mr. Senff, in answer to Your High Nobles' missives of 14 and 28 August 1766, by which Your High Nobles demanded from his Honor the motives that had moved him to proceed in this matter to an expenditure of money to Mr. Hodges, with the added declaration that Their Honors are in the surest expectation that henceforth the cargoes of incoming ships, including spices among them, shall be unloaded on the wharf and that no change can be made therein, as an irrefutable privilege resting on unassailable proofs, etc., assured Their Honors by his letter of 15 April 1767 that thereby—what else indeed than the granted written permission—is conceded to the Company as a privilege, something that in fact had never before been a customary privilege; that a freedom, hitherto self-assumed and only in isolated cases granted, has now been changed into an established privilege that no one can overturn again; that the Company thereby enjoys a benefit that cannot be paid for, and so forth; in such manner that this is to be found more circumstantially in the aforementioned separate letters, to which we take the liberty further to refer. And thus, with our urgent request to Your High Nobles to order the said Mr. Senff to let us receive this written permission, we have looked after the Company's utmost interest. And although we have remarked here before that we would not gladly enter into the motives that may have moved the Councillor Extraordinary Senff, His Excellency, publicly to maintain that among all his secret letters written from Souratte to Your High Nobles not a single one is to be found dated 18 April, when nevertheless that missive itself and the postscript also signed under it place the untruth of this representation in the clear light of day, yet our own honor does not permit that we leave unanswered the allegations and accusations, as touching as they are untrue, set down by Mr. Senff in the repeatedly cited Malabar writing, however much our inclination may otherwise tend to let the dead rest, not to rake up their faults, and as Christians to forgive the wrongs they may have done us or sought to do us, and to bury them together under the earth in the pool of oblivion. And whereas the said Mr. Senff in the aforementioned Malabar missive indicates that a written permission for this unloading can serve no purpose in favor of the Company's interests or its privileges; that such permission is requested not by the Director, but by the Company's brokers by means of a brief note upon which the Governor ordinarily places as an apostille an order to his Naib or deputy to let the unloading proceed according to custom, which brief note also remains kept by the Nabab himself; that this happens yearly upon the arrival of each ship or ships; and that his Honor subsequently draws from this the detrimental accusation that we have made entirely erroneous citations and no less useless requests in order to trouble Your High Nobles without reason, as well as having unjustly complained about the lack of a pretended document which would hardly be worthy of being spoken of; we shall therefore, in the hope of Your High Nobles' most favorable interpretation, briefly examine the aforesaid representation, from the demonstration of whose groundlessness the untruth of the aforementioned reckless accusation will then automatically follow as clear as day.

Dutch transcription

227 Hoog Edelheedens tot genoegen sal strekken „gaern aan het Zal wij geeven het „ ordeel van de geheele oppartijdige waereld, of met een ieder met ons soude hebben moe„ ten vast stellen, dat er waerlijk sodanige schrijftelijke permissie om voortaen de specerijen so wel als de ove„ rige koopmanschappen op de werff als een voor„ „regt dat in den aanstaende niet meerder gecontra„ diceert worden kon verleend en in waaren weesen was, te meer wanneer men in aanschouw neemt, dat den Heere sneff in antwoord op uw hoog Edel„ heeden missives van den 14 en 28 Augustus 1766: bij dewelke uw Hoog Edelheeden sijn Ed: de motiven afvorderden, welke hem hadden gepermoveert om in deese affaire tot Een spendatie van penningen aan m„r Hodges over te gaan, met bij gevoegde declaratie dat hoogst deselve in die sekerste ver„ wagting zijn, dat in het vervolg de ladingen der aankomende scheepen, daar onder ook de spe„ „cerijen begreepen op dewerff sullen gelast en daar in geene verandering kunnen worden gemaakt, als Een bondig voorregt steunende op o„ ommraakbaare bewijsen enz Hoogst deselve bij sijnen brief van den 15 april 1767: versekerd dat daar door wat tog anders als de verleende schrijftelijke permissie aan de Comp„e als een voorregt toegestaan is, iets dat in der daed nooit bevoorens Een gebruijkelijk voornegt is geweest dat Eene van selvs aan„ gematigde en bij enkelde gevallen toegestaene vrij„ „heijd, nu in Een vast voorregt verandert is dat niemand wederom verstooten kan dat de Comp hier door een genot heeft, dat niet betaaldt worden kan en wat dies meer is invoegen dit Een en ander bij de opgemelde aparte brieven waar aan wij de vrijheijd neemen ons verder te refereeren omstandi„ „ger te vinden is, en dus hebben wij dan met onse instantie bij uw Hoog Edelheeden, om welgemelden heere Ieuff„s te gelasten van ons deese schriftelijke permis„ sie te laeten toekomen 's Comp„s meeste interest behar„ tigd, en of schoon we hier vorens al hebben gere„ „marqueert dat ons niet gaern souden intlaeten over de motiven welke den Heere Raed Extra ordinair sensf„r /: S: G:) kunnen hebben bewoogen, om publiq staende te houden dat er onder alle sijne secreete brieven uyt onwraakpare tael souratte le 228 souratte aan uw Hoog Edelheedens geschreeven geen Een tevinden is gedateerd 18 april daar tog die mi sive selve, en het daar onder meede getekende post scriptum de onwaarheijd van deese voordragt in het klaere dagligt steld soo laet onse eigene Eer niet toe dat wij de bi het meer aangehaalde Malla„ baars schryvens door den Heere Ienff„r ter nedergie„ stelde soo touchante als onwaeragtige aanhalingen en beschuldigingen, onbeantwoord laeten hoe seer onse inclinatie sig ook aan dersints strekken mag om de dooden te laten rusten haere gebree„ ken niet op te haelen, en de verongelijkingen die sij ons mogen gedaan hebben of tragten te doen als Christenen te vergeeven, en met haer onder de Aande in den poel der vergeterheijd te begraven En vermits den wel gem: Heere Ieuffr bij voor Mallabaarse missive te kennen geeft dat een schrijftelijke permissie tot deesen ontlos, in fa„ veure van sComp„s belangen of de selver voorreg ten tot niets dienen kan dat diergelijken permis„ „sie verzogt word niet door den directeur, maar door sComp„s makelaars bij een briefje waar op de Gouverneur ordinair voor apostil steld, Eene ordre op sijn Nail of stedehouder, om den ontlos le volgens gewoonte voortgang te laeten neemen, en week briefjen ook by den nabab selfs in bewaering blijft, dat dit Jaarlijks Jabij aankomst van ieder schip of scheepen geschiedt en dat sijn wel Edele aan vervolgens daar uijt deese nadeelige beschul„ diging opmaakt aat, we gantsch verkeerde aan„ halingen, en niet minder onnutte versoeken om uw Hoog Edelheeden sonder reeden te vermoeijgelij„ ken gedaan mitsgaders ons ten onregten be„ swaerd hebben over het missen van een pretens Document en het welk naauwelijks waardig soude sijn dat er van gesprooken werd soo zullen we in hoope van uw hoog Edelheeden groot gunstig welduijden de voornoemde voordragt met Eenwoord onderzoeken uijt de betoging van welkers ongegrondheijd dan middag klaer de onwaerheijd der voormelde reukeloose beschuldi„ ging van selfs volgen zal de Om 2

NL-HaNA_1.04.02_3437_0245 view scan ↗

English

In order to do this in good order, we must first inform Your High Excellencies according to the truth that it has been a constant custom here in Souratte, possibly as long as the Honourable Company has traded here, that as soon as one or more of the Company's ships appear in the roadstead, the director notifies the brokers of this, and they make it known by a small note through one of their servants to the Nabab, with the request that His Excellency may grant permission for the captain to come ashore with his boat's crew and passengers, and that the ships may be discharged, which note, after the Nabab has kindly endorsed it with fiat, is then brought to the Naib of the city, wherewith this ceremony (for it is nothing else) is ended. After which we leave it deferred to the judgment of the entire sensible world whether anyone of sound mind can accept or understand such a customary consent under the description which Mr. Senff gives of it to Your High Excellencies in the aforesaid postscript, signed by His Honour's own hand, of 20 April under his letter of 18 ditto; for His Honour calls it there a written permission from the city Governor, on the basis of which the spices were brought over to the wharf, joyful tidings, and in the letter itself something that can no longer be contradicted in the future. And whether one could ever with any justice expect of Mr. Councillor Extraordinary Senff, as a man of judgment and one who knew the Souratte affairs so well and must even have been convinced that no ratable privilege was ever granted to the Honourable Company that was not signed by the granter's own hand, whether the Mogol himself, the Grand Chancellor, or the respective Governors of the places, and duly confirmed with his seal—yea, whose proceedings have tended to such particular satisfaction to our high superiors in the Fatherland—that His Honour, for obtaining a consent which occurs annually, yea upon the arrival of every ship or ships and would scarcely be worthy of being spoken of, would charge 25000 rupees to the account of the Honourable Company, and that His Honour would have wished to describe such a pretended document, as he now calls it, previously as an absolute privilege, which has never been a customary privilege, which no one can overturn again, and whereby the Company has an enjoyment that is priceless, as appears from His Honour's letters repeatedly cited here before. The contrary is just as true as it appears crystal clear from all that has been advanced: that we have never troubled Your High Excellencies with useless requests and without reason in this matter, much less that we should have wrongfully complained about the absence of a pretended document that was scarcely worth the trouble of being spoken of. And accordingly, firmly trusting that the equity known to Your High Excellencies will always acquit us in this, it pains us particularly to have to conclude, from what was set down by the aforesaid Mr. Senff in the repeatedly mentioned Malabar letter of 31 March 1771, that this city Governor spoke the truth when His Excellency let the first undersigned know that he had never granted permission for the discharging of the spices other than for a single voyage, and that a written permission to discharge the spices as well as the other merchandise henceforth at the wharf, as a perpetual privilege, was never granted to Mr. Senff. And this causes us the greatest sorrow, now that we have brought together all the servants, with the sole exception of the dispenser, whom we must still leave in the Lodge for the sake of the returns, at the wharf in very good, habitable houses and rooms—a work which Mr. Senff, in his mentioned separate letters, also very erroneously presented to Your High Excellencies as having been sufficiently completed at the time, whereas the transfer of this directorship made on 2 December 1768 by His Honour to the first undersigned shows completely that everything was in decay and that he left virtually not a single good dwelling behind, and we flattered ourselves that as soon as we obtained the permission to also examine and pack the returns there, we would be able to inhabit this wharf henceforth as a lawfully acquired right, as a separate district, with all our trade goods. Meanwhile, hoping that we shall never again encounter any hindrance in the discharging of the spices at the said wharf, with assurances that in such an unexpected event, which may happen to us daily now that the Governor of Bombay, Hodges, through whose influence Mr. Senff was supposed to have obtained this right, has also passed away, we shall not fail to maintain the Company's old privileges to the utmost of our ability, we take the liberty to end this and to remain with the deepest respect. Was signed: High Noble, Great Honourable, Far-Ruling Lord and Noble Lords, Lower: Your High Excellencies' very obedient and faithful servants. Was signed: M. I: Bosman, A: I: Huijshem. In the margin: Souratte, 14 April 1772. Agreed. By the First Clerk.

Dutch transcription

229 om dit in een goede ordre te doen, moeten wij uw Hloog Edelheeden voor af na waarheijd in formeeren dat het hier in souratte Eene Constante gewoonte, mo„ gelijk soo lange als d' E: Comp„e alhier haeren han„ „del heeft gedreeven geweest is, dat soo ras er Een of meer van sComp„s scheepen ter rheede verschijnen den directeur daar van aan de makelaars ken„ „nisse geeft en dat die door een harer dien aa„ „nen by een briefjen daar van aan den Nabab de weete doen, met verzoek dat syjn Excellentie permissie moge geeven dat den schipper met sijn schuijts volk en passagiers aan de wal komen mag, ende scheepen ontlost worden mogen, en welk briefjen dan na dat den Nabab het be„ „niglijk met fiat beschreeven heeft, by den Naio der stad gebragt word en waar meede dan deese Ceremonie, (want anders is het niet geindigd is Waar na Wij aan het oordeel van de geheele verstandige waereld gedefereert laaten of iemand van gesonde sinnen Een sodanige gewo „ne toestemminge kan aanneemen of begrijpen onder de beschrijving welke de heer sensper bij het voorseijde door sijn Ed eigenhandig geteekend post elle schriptum van den 20: april onder desselfs missive van 18 dito aan uw Hoog Edelheedens van geeft, want sijn wel Ed„e noemd het daar een schrijftelijke per„ „missie van den stads Gouverneur op welkers fun„ dament de specerijen na de werff, wierden overge„ bragt eene blijde tijding en by de missive selve iets dat in den aanstaende niet meerder kan wor„ den tegengesprooken en of men van den Heere Raad Extra ordinair Jensfe / S: G:/ acs Een man van oordeel en die de souratse sacken soo wel kende en selfs overtuijgd moeste zijn dat er nooijt Ee„ nig ratabol voorregt aan d' E Comp„e is ver„ land Geworden dat niet door den verleender t sij aen mogel selfs den rijg Caniellier of de resp„e Gouverneurs der plaatsen eigenhandig gete kend en met sijnen zegul enig bekragtigd was Jae welkers varrigtingen aan onse hooge supe„ rieuren in het Vaderland tot soo Een byzonder onder vergenoegen 230 vergenoegen hebben gestrekt immermeer met Eenig regt verwagten kon dat sijn wel Edele voor het verkrijgen Eener toestemminge die jaarlijks Ja bij de aankomst van ieder schip of scheepen geschied en nauwlij waardig soude sijn dat er van gesproo„ ken wierdt 25000: ropijen ten laste van d: E Comp„e brengen soude en dat sijn Ed een diergelijk pree„ tens document soo als het thans noemd bevorens als Een bondig voorregt dat ek nooijt Een ge„ bruijkelijk voorregt is geweest, dat niemand weder om verstooten kan en waar door de Comp„e een genot heeft dat onbetaelbaar is blykens sijn wel Ed„s hier voorens te meermalen aangehaelde missives soude hebben willen beschryven het teegen„ deel is Eeven soo waeragtig als het uijt al het g'avanceerde sonneklaar geblijkt, aat wij uw hoog Edelheedens nooijt met onnutte versoeken en sonder reeden in deese affaire lastig gevallen sijn, veel min dat wij ons ten onregte souden, heb„ „ben beswaard over het misson van een preetens de„ „cument dat nauwelijx der moeijte waardig was dat er van gesprooken wierdt. En dien volgens aan vastelik vertrouwende dat de uw Hoog Edelheeden bekende aequiteyt ons in dee„ sen altoos vrijspreeken sal, soo smert het ons„ bizonder in desoetas vrij spreken sal, soo bomt het ons ^bijsonders uijt het door den voorm Heere Senff„ ter nedergestelde bij de te meermaalen gemelde Mallabaarse missive van den 31 Maart 1771 te moeten opmaeken dat deese stads Gouverneur de waerheijd Gesprooken heeft, wanneer syn Ey„ Cellentie aan den Eerst ondergeteekenden liet weeten dat hij tot den ontlos der specerijen nooijt anders als voor Een enkelde reise per„ missie hadde verleend, en dat er nooit een schrijfte„ lijke permissie om de speierijen so wel als de ande„ „re koopmanschappen voortoen aan de werff te ont„ lossen, als Een altoos duirend voornigt aan den ten dit baand opes het geoots verdriet, nu uE: alle de heer Ienff verleend geworden is dienaaren den Eenigen dispensier uijtgezondert, die we om de wille van de retouren des nog in de Logie dat laeten lin N ten 23: laeten moeten, op de werff in seer goede be„ woonbaere huijsen en kamers by een gebragt hebben, een werk dat den Heere seuffr by sijne gemelde aparte brieven uw Hoog Edelheedens meede seer verkeerdelyk als des tijds genoeg„ saem volbragt heeft voorgedraegen, tonende het op den 2' December 1768 door sijn Edele aan den Eerst get: gedaene transport deeser directie volkomen aen dat alles in verval en genoegzaem geen Eene goede wooning agter„ „gelaeten heeft, en wij ons flatteerden om soo ras we de permissie om aldaar meede de rethou„ „ren temorgen basaaren en afpakken souden heb„ „ben g'obtineerd op deesen werff, als Een afgezondert district, met alle onse negotie Goederen voortaen als een wettig verkreegen regt te sullen kunnen habiteeren Ondertusschen verhopende dat wij in den ont„ los der specerijen aan ged„e werff, nooijt wederom eenige verhindering ontmoeten sullen onder verse„ keringen dat wij in sodaenen onderhoopten gevalle dat ons dagelijx overkomen kan, nw den Heere Bombaijs Gouverneur Hodges, door welkers in de „fluentie den Heere senffr dit regt soude hebben ver„ „kreegen meede overleeden is, niet sullen na laeten na uijterste vermogen 'sComp„s oude privilegien staende te houden, neemen wij de vrijheijd deesen te Eindigen en met den diepsten Eerbied te verblijven /:onderstond/ Hoog Edelen Groot Agtbaeren wijd gebieden den Heere en wel Edele Heeren /lager:/ uwer Hoog Edelheedens seer gehoor„ „saeme en trouw schuldige. Dienaeren /was ge„ „teekend/ M. I: Bosman A: I: Huijshem /in margine / Souratte den 14:=de April 1772- accordeerd. los „ S: door Egklerk.

NL-HaNA_1.04.02_3437_0248 view scan ↗

English

Note 23: must have left, brought together in very good habitable houses and rooms on the wharf, a work that the Lord Seuffr in the mentioned separate letters also very erroneously presented to your High Nobilities as accomplished by the company at that time, showing that the transfer made on 2 December 1768 by His Nobility to the first-mentioned completely shows to this Directorate that everything in [illegible] left virtually not a single good dwelling behind, and we flattered ourselves that as soon as we had obtained permission to also bazaar and unpack the goods there, we would henceforth be able to inhabit this wharf, as a separate district, with all our merchandise as a legally acquired [illegible]. Meanwhile hoping that we shall never again encounter any hindrance in the unloading of the spices at the said wharf, under assurances that in such an unhoped-for event, which could happen to us daily now that the Lord Bombay Governor Hodges, through whose influence the Lord Senffr was said to have obtained this right, has also died, we shall not fail to maintain the Company's old privileges to the utmost of our ability, we take the liberty to end this and to remain with the deepest respect. Below stood: High Noble, Right Honorable, Widely Commanding Sirs and Right Noble Sirs. Lower: Your High Nobilities' very obedient and dutifully faithful servants. Was signed: M. I. Bosman, A. I. Huijshen. In the margin: Souratte the 14th of April 1772. Agrees: N. P. Dook, Clerk. Johannes Sintager Checked

Dutch transcription

Nte 23:„ laeten moeten, op de werff in seer goede woonbaere huijsen en kamers by een gebr„ hebben, een werk dat den Heere seuffr by gemelde aparte brieven uw Hoog Edelheed meede seer verkeerdelik als des tijdrs ge saem volbragt heeft voorgedraegen, tone het op den 2 December 1768 door sijn Ed aan den Eerst get: gedaene transport dees directie volkomen aen dat alles in ver genoegzaem geen Eene goede wooning ag „gelaeten heeft, en wij ons flatteerden om ras we de permissie om aldaar meede de „ren temorgen basaaren en afpakken soude „ben g'obtineerd op deesen werff, als afgezondert district, met alle onse neg Goederen voortaen als een wettig verkreegen te sullen kunnen habiteeren Onder tusschen verhopende dat wij in los der specerijen aan ged„e werff, nooijt wederom eenige verhindering ontmoeten sullen onder verse„ keringen dat wy in sodaenen onderhoopten gevalle dat ons dagelijx overkomen kan, nu den Heere Bombaijs Gouverneur Hodges, door welkers in „fluentie den Heere senffr dit regt soude hebben ver„ „kreegen meede overleeden is, niet sullen na laeten na uijterste vermogen 'sComp„s oude privilegien staende te houden, neemen wij de vrijheijd deesen te Eindigen en met den diepsten Eerbied te verblijven /:onderstond/ Hoog Edelen Groot Agtbaeren wijd gebieden den Heere en wel Edele Heeren /lager:/ uwer Hoog Edelheedens seer gehoor„ „saeme en trouw schuldige. Dienaeren /was ge„ „teekend/ M. I: Bosman A: I: Huijshen /in marginne/ Souratte den 14:=de April 1772— accordeerd. N„ P: dook Egklek. Johannes Sintager Nagezien

← previous