Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Java's East Coast the 31st December 1774 accompanied by some of their oldest land experts who rested a bit on the 22nd, and after the aforementioned lieutenant had shown us his credentials, we resolved jointly to let the required conference proceed on the 23rd, which occurred after the meeting of the commissioners of both sides; the commission was introduced by the first undersigned here, deliberated upon, and a decision was taken as appears from the annexed appendices under Letter B, to which I humbly take the liberty most respectfully to refer Your Right Honourable. On the 24th, further investigation was made by us into runaway eastern Balemboangers and such were found as are also known on the name list marked Letter E, annexed hereto; whereupon on the 25th we broke camp together from Djember and proceeded via Centong and Pradjakan to Panaroekan, where we arrived on the 26th; immediately an investigation was made into the boundary of the last-named district with Balemboangang, whereupon those of Panaroekan claimed this to be up to the river Ticus, but one of the oldest land experts of Balemboangang argued against this that in former times it had been up to Banjoe Landangan; therefore we resolved on the 27th to march to Calie Ticus, where we stayed on the 28th and 29th, and the boundary line was pointed out to the commissioners of both sides and investigated by them, finding that in very old times the aforementioned Banjoe Landangan had indeed served as a border marker between Balemboangang and Panaroekan, but that disputes have often arisen from this in the east monsoon because this Banjoe Landangan is a sort of swamp or marsh which always dries up in the east monsoon and also only runs inland for a quarter of an hour from the north beach and thus sort of loses itself; so, to prevent all disputes in the future, it was approved by the joint commissioners to confirm the decision taken in the conference held at Adirogo, subject to Your Right Honourable's most favourable approbation, and to determine the aforementioned river Ticus, as taking its source from the great mountain range of Rauw, as the boundary between Balemboangang and Panaroekan. Being at the aforementioned river Ticus, which is only a good half hour east of the aforementioned Banjoe Landangan, one could not have a proper view of the land and mountains, therefore it was approved on the 30th August to march to Cape Sundana or the so-called great mountain Telogo Woerong, in order to be able to take an ocular inspection of all mountains lying thereabouts, so as to form the map more accurately; stayed there on the 31st and the 1st September, and after performing this, the eastern Balemboang commissioners returned thither, and we to Calie Ticus on the 2nd, and on the 3rd to Panaroekan, where we arrived in the evening; on the 4th and 5th we remained there, compelled thereto for the resting of our horses and porters, and made a drawing of the Company's fortress here; this district of Panaroekan has only six small villages or hamlets, which together are counted at between 300 and 400 able-bodied men strong, produces no products except rice, for which there are currently between 70 to 80 jonk of rice fields at the main village of Panaroekan, and also supplies monthly the rations for the Company's garrison there against payment; furthermore, this small district lies in its length mostly east and west at a distance of approximately 5 miles, and in its breadth north and south only one and a half miles, having for its boundary in the east the aforementioned river Ticus, in the west where it borders the Besoekie area the small mountain Pitjarou, in the south against Pradjakan the valley called Jurang Bagos, and in the north the sea. This small fort here at Panaroekan and its small garrison, we must state, subject to Your Right Honourable's most favourable interpretation and highly wise judgement, to be very necessary, for the reason that it is very difficult in the east monsoon to reach Balemboangang with vessels, and it then often occurs
Dutch transcription
27 Van Iavas Oostkust den 31: December 1774 verzeld van eenige hunner oudste Landkundige die den 22:e wat iitrusten en naar opgemelde Lieutenant ons zijne credentia„ „len vertoondt hadt, beslooten wij gesamentlijk om op den 23: de vereischte conferentie te laten voortgang neemen 't welk geschieden naar de tezamen komst der weder zijdsche gecommit„ „teerdens, wierd de commissie door den eerst getekende in de„ „ze ter voordragt gebragt, daar over gedelibereerd en besluit genomen blijkens annexe bijlagen onder L=ra B: waar aan ootmoedig de vrijheid gebruijke uwel Edele achtbare eerbie„ „digst te renvoieeren. Den 24: wierd door ons nog onderzoek gedaan naar verloope„ „na oostelijke Balemboangers en bevonden zodanige als mede op het Naamlijstje gem: L: E bekend staan; desen annex; waar op wij den 25: van Djember gesamentlijk opbraaken en over Centong en Pradjakan ons begaven naar Pana„ „roekan, alwaar wij den 26: aankwaamen, aanstonds wierd onderzoek gedaan naar de grenscheidinge van Laast„ genoemde district met Balemboangang waar op die van Panaroekan voorgaven zulks te wezen tot de rivier Ficus dog een der oudste Landkundige van Balemboangang bragt daar tegen in die in voorige tijden te zijn geweest tot Banjoe Landangan dierhalven beslooten wij den 27: naar Calie Picus te marcheeren, alwaar wij den 28: en 29 verbleeven en wierdt de Limietscheiding aan de wederzijdsche gecommitteerdens aangeweesen en door dezelve onderzogt dat in heele oude tijden 't opgem: Banjoe Landangan wel eens tot grenspaal tusschen Balemboangang en Panaroekan hadde verstrekt dog dat daar veel tijds in de oostmousson disputen zijn door ontstaen uit reden dat dit Banjoe Landangan een zoort van Rawa of moerasch is, die in de oostmousson altoos uitdroogd en ook maar in 't geheel van heet noorderstrand ¼ uurs Landwaards in loopt en zig dus als verliest, zo wierd tot gereveniering van alle disputen in het toekomende door de gezamentlijke gecommitteer„ „dens goedgevonden om het beslootene in de tot Adirogo gehou„ dene conferentie /:onder uwel Ed: Achtbare groot gunstige approbatie :/ voor goed te keuren en de meergem: rivier Zicus 81. Van Iavas Oostkust den 31:' December 1774 Ticus /:als zijn oorsprong nemende uit het groot gebergte van Rauw:/ tot de grenscheidinge van Balemboangang met Pana„ „roekan vast te stellen Aan evengem: rivier Ticus zijnde (:het welk maar een groot halvuur beoosten het voorn: Banjoe Landangan is :/ konde men geen ordentelijk gezigt hebben van het Land en gebergtens derhalven wierd goedgevonden den 30: Augustus naar Caab sundana- of -den zo genaamde groten berg Telogo woerong te marcheeren, ten fine van alle daar omstreeks leggende g'bergtens oculaire inspectie te kunnen nemen, om dus eracter de kaart te formeeren, den 31: en 1: September bleeven aldaar vertoeven en naar verrigtinge van dien retour„ „neerden de oostersche Balemboangsche gecommitteerdens naar derwaards en wij naar Calie Ficus den 2: en den 3: naar Pana„ „roekan alwaar wij des avonds aankwamen, den 4 en 5: bleeven wij aldaar, des genoodsaakt ter uitrustingh van onse paarden en draagvolkeren en namen een tekening van sCompagnies fortres alhier; Dit district van Panaroekan heeft maar ses negorijties af geheugjes die met elkanderen tusschen de 3: en 400 koppen weer„ bare mannen sterk gerekend worden leverd geene producten uit als rijst waar toe op de hoofd negorij Panaroekan tans tusschen de 70: â 80 jonk rijstvelden zijn en leverd ook 'smaan„ delijks de randsoen voor sCompagnies bezetting aldaar tegens betaling, voorts legt dit districtje in zijn lengte meest oost en west in verheid circa 5: mijlen en in zijne breedte Noord en zuid maar een en een halv mijl, hebbende tot dies grenscheiding in 't oosten de meergem: rivier Ficus in 't westen waar het aan het Bezoekive stoot het bergje Pitjarou in 't zuiden tegens Pradjakan de valleij of Jurang Bagos ge„ „naamt en in het noorden de zee„ Dit fortje alhier tot Panaroekan en dies klijne bezetting dienen wij /:onder uwel Ed: achtbare groot gunstige welduidinge en Hoog wijzer oordeel:/ te stellen zeer noodzakelijk te weezen uit reeden het zeer dificiel vaed in de oostmousson met vaartuigen naar Balemboangang te koomen en het dan dikwerf 6 kom
English
From Java's East Coast, 31 December 1774 it often happens that one is obliged to use the overland route from here to Balemboangang, whether for conveying letters, cash, or other effects of the Honourable Company thither; secondly, to keep an eye on the conduct of the native chiefs who are to serve at Pradjakan, Centong, and Djember, and all those small places can also most conveniently deliver their future required contingents hither; and the districts of Pradjakan, Centong, and Djember, together with Panaroekan, are also jointly capable and sufficient to properly maintain this fortress at the last-mentioned place as it now stands—namely, properly enclosed with heavy teak palisades and the necessary dwellings therein—annually, with only very little expense to the Honourable Company; thirdly, this garrison, however small, will greatly deter all smuggling and illicit trade, for which this place was very notorious and flourished in earlier times before it came under the authority of the Honourable Company, indeed even serving as a refuge for many eastern illicit trade and pirate vessels. On 6 September, we resumed our march to the district of Pradjakan, where we also surveyed the boundary line of that small territory, its size, population, and extent, and found its main village, Pradjakan, to lie west and half south of Panaroekan at a distance of two miles, its boundary in the north between the last-named place being the valley named Jurang Bagos; in the south, where it adjoins Centong, the valley Jurang Chapie, and thus 3½ miles wide from south to north. However, in the east, where its boundaries are determined by the river Ficus and the beginning or foot of the mountain Rauw, it is somewhat wider; in the west, its limits are defined by the mountain Tambac Boijo and the aforementioned valley Jurang Chapie, where it also borders the Centong and Besoeki territories, so that in length, namely east and west, it encompasses a distance of 8 miles; and in this small territory of Pradjakan 83. 27 From Java's East Coast, 31 December 1774 only one small village is counted which, according to the statement of the chief currently serving there named Bappa Denam, together with the main village, is found to be 30 able-bodied men strong and populated in total by 90 souls, among whom the elderly people, unmarried women, and children are included, as appears from the return annexed hereto under letter D. This small territory yields some wax, long pepper, and a little rice, as stated in the aforementioned enclosure. The inhabitant here further sustains himself by planting cotton, but only sufficient for his own clothing; otherwise, no products are obtained here, cardamom is not found here at all; furthermore, this entire district is a wilderness full of mountains and vast valleys which likewise yield nothing, but are full of game such as deer and wild cattle. From here we marched to the territory of Centong, at whose main village of that name we arrived on the 7th and immediately began the survey and determination of its boundary line, and found this tract of land to extend mostly east and west in its length as much as 12 miles, bordering in the east on the Balemboang territory where the great mountain called Rauw serves as the boundary line, in such a manner that its eastern slope belongs to Balemboangang, and in the west it is reckoned to the Centong territory; and in the west it has as its boundary against Bezoeki and Probolingo the frequently mentioned valley Jurong Chapie or the mountain Hyang, also called Tjawang; furthermore, we found its main village, Centong, to lie 3½ miles or 7 hours west by south from Pradjakan, this tract of land bordering in the north on the Pradjakan territory where the aforementioned Jurong Chapie forms the boundary line, and in the south on the Djember territory, where it has the river Soegar to define its district. In this district, then, one currently also finds only 8 inhabited small villages, which together can provide a number of only 40 able-bodied men and is populated by 200 souls, small and great, young and old; and one has in this district altogether circa 15 jungk of rice fields, but
Dutch transcription
Van Iavas Oostkust den 31: December 1774 dikwerf gebeurt omen genoodsaakt is den Landweg van hier naar Balemboangang te gebruiken 't zij tot den overbreng van brieven contanten of andere 'sCompagnies effecten naar derwaards ten andere om een oog in het zijl te houden op het gedrag der Jnland„ „sche hoofden zo tot Pradjakan, centong: en Djember staan te fungee„ „ren en kunnen ook alle die plaatsies 't convenabelste hunne in't toekomende op te leggene contingenten naar herwaards leveren en zijn ook de districten, van Pradjakan Centong en Djember met Panaroe kan gesamentlijk magtig en in staat genoeg dit fortresse op Laastgem: plaats indiervoegen als het nu is, te weten ordentelijk met swaare Cajate houten palizaden om„ zet en de benodigde bewooningen daar in jaarlijks (: buiten eenige weinige onkosten voor de E: Compagnie :/ naar behoren te onder„ „houden ten derden zal die bezettinge hoe klijn ook grootelijks afiveeren alle sluik- en morshandel waar in deze plaats in vorige tijden Eer onder de magt van de E Compagnie is geweest zeer berugt was en gefloreerd heeft, Ja zelfs tot en schuilplaats verstrekt van veele oostersche ongepermitteerden handel en roofvaartuigen Den 6: September begaven wij ons weder op marsch, naar 't dis„ „trict Pradjakan, alwaar wij de grenscheidinge van dat Land„ „schappie, dies grootheid volkrijkheid en strekking ook op namen en bevonden derzelver hoofdnegorij Pradjakan van Panaroe„ „kan af te leggen west en halv zuide op de vrijheid van twee mijlen, zijnde de grenscheidinge daar van in't noorder tusschen Laastgenoemde plaats de valeij genaamt Jurang Bagos, in 't zuiden tusschen Centong waar aan het sloot, de valei Jurang chapie en dus 3½ mijlen zuid en Noord breedt, egter in't oosten alwaar dies grensen bepaald werden door de rivier Ficus en 't begin of voet van den berg Rauw valt het iets breeder; in't westen werden zijne limiten bepaald door den berg Tambac Boijo en opgemelde valei Jurang Chapie, daar het ook aan het centongsche en Besoekise stoot, zo dat het in de lengte te weten oost en west een verheid van 8 mijlen komt te beslaan, en teld men onder dit landschappie van Paadjakan 83. 27 van Iavas Oostkust den 31: December 1774 Pradjakan maar een negorijtje dat sig volgens opgave van het tans aldaar fungerende hoofd in name Bappa denam met de hoofd nego„ „rij is sterk bevindende 30: koppen weerbare mannenen in 't geheels bevolkt met 90 zielen waar onder de oude lieden ongetrouwde vrouwen en kinderen gerekend, blijkens daar van deze mede g'annexeerde opgave onder L: D: dit Landschapje leverd eenige wax lange peper en een weinig rijst uit bekende gesteld bij opgemelde bijlage Den inwoonder alhier geneert zig verder met het planten van Capas maar eeven tot eigen kleeding strekkende, anders vallen hier gene producten, Cardamom valt hier in 't geheel niet voorts is dit geheele district een Wildernis vol van bergen en schikkelijke vallijen die mede niets uit leveren dog vol van wilt als harte beesten en koebeesten zijn van hier marcheerden wij naar het Centongsche gebied op welkers hoofd negorij van dien naam wij den 7: aankwamen en aanstonds een begin maakte met den opneem en stellingen van dies Limiet scheidinge en bevonden deze Landstreek te strek„ „ken meest oost en west in zijne Lengte wel 12: mijlen, stootende in het oosten aan het Balemboangsche alwaar den grooten berg Rauw heet tot Limietscheidinge verstrekt en wel zodanig dat dies afhangende zijde in 't oosten tot Balemboangang gehoort, en in't westen die bij 't Centongsche gerekend word; en in het westen heeft het tot grenscheidinge tegens Bezoeki en Probolingo de meergem: valeij Jurong Chapie of den bergsjang ook wel T ja„ „wang genaamt, wijders bevonden wij dies hoof negorij Centong van Pradjakan af te leggen 3½ mijlen of 7: uuren west ten zuiden stootende deze Landstreek in 't woorden aan het Pradjakanse daar de evengem: Jurong Chapie de grenscheiding formeert, en in 't zuiden aan het Djembersche gebieft, daar het de rivier soegar tot bepaling van zijn district heeft. In dit district dan vindt men tans meede maar '8 bewoonde Negorijties die gesamentlijk maar een getal van 40: weerbare mannen kunnen in't leveren en wel door 200 zielen klein en groot jong en oud bevolkt is; en heeft men in dit district in 't geheel circa 15: Jank rijstvelden dog
English
From Java's East Coast the 31 December 1774 however, due to the depopulation of this land after the last rupture caused by uncommon mortalities and desertion, only about 4 Djonk thereof are cultivated. The desertion of its inhabitants seems to be caused by the continuous march up and down of the Company's servants and auxiliary troops who are stationed at Djember for guard duty, and the transport of provisions that must be brought daily from Besoeki to the last-mentioned place, and Centong, being located on the main road and so to speak halfway, everyone makes a halting place of it and stays overnight, whereby those people are always obliged, even though very good orders are issued against it, to furnish something for the refreshment of men and horses. This little district furthermore yields nothing other than some rice and a little wax, likewise stated by the head, the mantrie named Soeto Rereng, who has had the administration there until the present day, as appears from the appendix marked L: E:, and furthermore this region is now also a large wild wilderness, and especially towards the east, having otherwise in former times been very populous; its distance from Lamadjang is 13 miles directly southwest. On 8 September we continued our journey to Djember where we arrived at half past 11 in the forenoon, and on 9 ditto remained there until the 10th when we set out on our march across the negorijen of Palieran, Balong, and Dempoe to Sabrang, the main negorij of this district, where we arrived at 12 o'clock noon. This aforementioned region of Sabrang likewise extends mostly east and west along the South Sea, and in such a manner that to the east it borders against the Mannong mountains, whereby it is separated from the Balemboang district, and in the west up to the river Gittem, frequently called Calie Gantong by the native, which has its origin in the mountains Lamongan and Rebessec situated close to one another, which mountain also serves on the north side of this district and in the western part as the boundary between Sabrang, Probolingo, and Lamadjang, and thus these three lands meet together as in a triangle near this mountain Lamongan; furthermore, to the north against the Djember district it has as a boundary the aforementioned Allang Allang field named Gamelaar, to its south side the sea, and thus in its length east and west it covers circa 15 miles, against which, calculated on average, it will be three to three and a half miles wide; this little land currently still has sixteen inhabited negorijen which together are counted at a strength of 244 head of able-bodied men, though it may well be populated by 6 to 700, who all make their living planting mountain rice, which thrives better here than that which is planted on the paddy fields, for the reason that they do not have the water at their command or use as in other districts; on the contrary, they plant here somewhat more capas or tree cotton than in other places, from which they also have their convenience; wax is also gathered here, wherefore also the managing mantrie of this district, named Bappa Roman, declared that he could deliver of both these last-mentioned products annually to the Honorable Company such a quantity as appears on the appendix marked L: F. Having understood that some Cardamom was to be found in these districts, we made the most meticulous investigation and found nothing, however we were so far enlightened that in the heavy woods around the negorij Palieran there were said to have been some 8 or 10, but whatever effort was made, that small amount could not be discovered, and it is therefore maintained that those plants must have been destroyed by the hot burning of the woods or otherwise. Furthermore it serves for illumination that this district of Sabrang only assumed that name at the time of the second rupture of Balemboangan upon the arrival at that time of Maas Willes, at which time the main negorij of this district was still Renes, but because the Honorable Company found itself obliged
Dutch transcription
Van Iavas Oostkust den 31: December 1774 dog /:door de ontvoleking van dit Land naar de Laatste rupture veroorsaakt door ongemeene sterftens en verloping :/ werden omtrent maar 4: Djonk daar van bebouwt De verloping van dies bewoonders scheit veroorsaakt te zijn door de Continueele op en afmarsch van s Compagnies dienaren en hulphouten zo tot Djember ter wagthouding leggen en opvoer van provisie dat dagelijks van Besoeki na Laastgen: plaats gebragt moet werden, en Centong als aan den grooten weg en zo te zeggen op de helft is leggende alles daar een halt-plaats van maakt, en vermagt, waar door dan die menschen altoos ge„ noodzaakt zijn /:sere goede ordres daar tegen ook gesteld worden:/ iets tot ververding van menschen en paarden te fourneeren. Dit districtje leverd wijders anders niets uit als wat rijst en weinig wax, meede opgegeven door het hoofd den mantrie in name soeto rereng die aldaar tot heeden nog de bestiering ge„ hadt heeft blijkens bijlage gesign: L: E: en is voorders deze land„ „streek meede tans een groote woeste wildernisse en voornament„ „lijk naar 't oosten zijnde andersints in voorige tijden heel volk, „rijk dies afstand van Lamadjang is 13: mijlen regt zuidwest. Den 8: September Lette wij onse reise voort naar Djember al„ „waar wij ten half 12: uuren voormeld aankwamen, en den 9: d:o daar verbleeven tot den 10: dat wij ons opmars bega„ „ven over de negorijen van Palieran, Balong en Dempoe naar Sabrang de hoofd negorij van dit district alwaar wij smid„ dags ten 12: uuren aankwamen. Deze opgemelde Landstreek Sabrang strekt zig almede meest oost en west langs de zuider zee uit en dat wel in dier„ „voegen dat leet ten oosten tegens het gebergte Mannong aanstoot waar door 't van het Balemboangse werd afge„ „scheiden en in het westen tot aan de rivier gittem /: dikwerf bij den Inlander Calie gantong genaamt:/ die van de bergen Lamongan en Rebessec digt aan malkanderen leggende zijnen oorspronk heeft welken berg ook aan de Noord zijde van dit district en in 't westelijke deel tot de gaenscheidinge van sabrang met 85 van Iavas Oostkust den 31: December 1774 met Probolingo en Lamadjang is dienende en dus die drie Landschappen als in een drie hoek bij desen berg samongan zijn te samen Hoo„ „tende wijders heeft het in 't noorden tegens het Djembersche dis„ „trict aan tot Limietscheidinge 't meergemeld Allang Allang veldt gamelaar genaamt aan zijne zuidzijde der zee en komt het dus in zijne Lengte oost en west circa 15: mijlen te beslaan waaren tegen het eene door het andere gerekend drie â drie en een halv wijl zal breed zijn; Dit Landschappie heeft tans nog sestien bewoonde negorijen die te samen sterk worden gerekend 244: koppen weerbare mannen, egter door wel 6: â 700: zullen bevolkt zijn, die zig alle generen met het pelanten van berg rijst die hier beter voorkomt als die op de rijstvelden geplant word, uit reeden het water niet zo tot haar wil of gebruik hebben als in andere districten, in tegendeel plantenze hier wat meer capas of boomwol als op andere plaatsen, die daar ook heaar gerief van hebben, was valt hier mede waarom dan ook den derigerende mantrie van dit district in name Bappa Ro„ „man zig verklaarde van bijde deze Laastgen: producten Jaarlijks aan de E: Compagnie te kunnen leveren, zodanige quan„ „titeijt als op de bijlage get: L: F. komt te blijken verstaan hebbende dat in deze districten eenige Cardamom zoude vallen, hebben wij de allernauwkeurigste nazoeking gedaan en niets bevonden, egter wierden wij in zo verre g'illucideerd als dat er in de zwaare bosschagien omtrent de negorij Palie„ ran een stuk 8 of 10 zoude geweest zijn, maar wat moeite men heeft aangewend heeft men dat weinige niet kunnen ontdekken, en men derhalven sustineerd die planten door heet branden der bosschen als andersints moeten verdistrueerd weesen. Wijders diend nog ter illucidatie dat dit district van sa: „brang eerst die naam heeft aangenoomen ten tijde der tweede ruptuure van Balemboangang bij de toenmalige overkomst van Maas Willes, als wanneer nog de hoofd negorij van dit district Renes was, maar door dien de E: Compagnie zig verpligt
English
87 From Java's East Coast, 31 December 1774. forced to leave that place by force of arms, its inhabitants fled to the other side of the river Mayang, on which Renes was, and Sabrang is now still situated, settling there, establishing a village, and giving its site the name of Sabrang, after which this district has borne the name until the present day. This above-mentioned old Renes, or currently being Sabrang, was in former times always subordinate to Poegar, but after the departure of the people of the latter place, which has remained uninhabited until the present day, it was counted with or under Sabrang. However, Major Colmond saw fit during his presence in these districts to allocate three villages of the Poegir area, namely Pagar, Banglee, and Tjermee, to the Lamadjang area, as well as the island of Noessa, and to let them sort under it, namely only the site of the village or the houses thereof without any land adjoining it, and this was ceded to the then Bangers Tommongong Djoijolono, who in those times held authority over the Lamadjang area. Whatever the intentions behind this may have been, we cannot fathom, all the more so because the site of the villages alone without any land adjoining them can be of not the slightest use, and it would also cause a pronounced disturbance in the border demarcation; therefore, we most respectfully refer this point to your Honorable Worships' far wiser judgment and very favorable approval. From Sabrang's main village we departed on the morning of the 11th and left for Batoe alloe, where we arrived in the forenoon at 9 o'clock. Having rested a little, we made a drawing there of the mountains and the cliffs lying around in the sea, as well as a bearing of the island of Noessa, and found its eastern point to lie southwest, estimated at 6 miles, from Batoe oeloe or the river Mayang. At the latter place lies the Company's picket of European and native soldiers in a proper, though constructed of bamboo, From Java's East Coast, 31 December 1774 bamboo, erected fortification against the enterprises or invasions of the Noesa people into these districts. This small fort and its garrison are for the present still very necessary here until Noessa shall one day be brought under subordination, at which time it can also very well be dispensed with, all the more so because through this fortification the bird cliffs around here cannot be protected from the plundering of the Noesa people or other pirates without defensible vessels, as the same lie south by east, fully a league of water away from Batoe oeloe. Being unable to finish this day because of the foggy weather, we remained staying there on the 12th and departed on the 13th from Batoe oeloe via the village of Dompoe to Pagrenden, where we arrived at one o'clock in the afternoon, and on the 14th proceeded via Poegar to Plindo. At the first-mentioned place, where the river Boedadong flows into the South Sea, there is a sheer sandy beach called Klatak by the native, where a small picket of native soldiers is also stationed. We found the river of Poegar or Bedadong at high tide to be so deep at its entrance that prau mayangs, but nothing larger, could sail in and out there, the water of that river being extraordinarily good for drinking. Here we took a bearing of Noessa's eastern point and found the same to lie south-southwest by south, estimated at 3 miles from this river. Arriving at Plindo, where a small guard of native soldiers is likewise holding post, we wished very much to take a true, accurate drawing here of the island of Noessa, but because it was very foggy weather and no sight of it could be obtained, we had to remain here overnight. This Plindo is a sheer or thorn-sandy spit of land that projects so far to the south that from here to the bay of Jurock or Lamien on the island of Noessa one can calculate a distance of only about one and a half leagues of water. Along the entire South Sea coast in these districts there are terrible surfs, even in calm weather, but up to Plindo 89. From Java's East Coast, 31 December 1774 Plindo it is always somewhat more moderate, and the embarkation of soldiers for the crossing can best take place here, especially at the turn of the monsoon, when, according to the testimony of everyone who has already been stationed there on guard for a long time, the sea is very calm and there is little or no surf here. On the 15th we marched to Gittem, where, likewise within a wooden palisade, the Company's European and native garrison lie on guard, both for the cover of Lamadjang and to keep an eye on the doings of the repeatedly mentioned Noesa people. The 16th of September was still very foggy, but the 17th was clear weather, at which time the drawing of Noessa was made and we inquired most accurately into the easiest places for landing there, and found that on the easternmost point of this island, namely on the north side, there was a sandy bay called Kammaal, which was indeed flat at the beach, but slightly inland again had very steep mountains, the approaches to which must be climbed through very narrow cliffs. Slightly to the west of this bay one has the village and harbor or bay of Proec, the entrance of which is flanked on both sides by two high mountains that the Noessa people have fortified with two batteries provided with some small pieces of cannon; it is otherwise wide enough for the entry of the Company's pantjallangs and smaller vessels, and although the Noesa people have also thrown up a fortification along the entire beach in that bay, the land there is somewhat flat and suitable for making a landing under cover of the artillery of the vessels. West of this bay one again has very steep mountains until one arrives at the place called Dadap, where one can indeed land with small vessels, but the shore is somewhat steeper to climb, and still slightly further west one finds another small place named Sadeng Potto where one can also anchor and
Dutch transcription
Wen 87 Van Iavas Oostkust den 31:' December 1774. verpligt vand die plaats door de wapenen te vervoeren, vlugten dies bewoonders naar de overkant van de rivier Maijang /:waar aan Renes was, en sabrang nu nog is geleegen:/ zig aldaar nederslaande een negorij op regten en desselfs plaats de naam van Sabrang ganen waar na tot heden toe dit district de naam gevoerd heeft. Dit boovengenoemde oude Renes of tans zijnde sabrang heeft in vorige tijden altijd onder Poegar gestaan dog na verloop dere volkeren van Laastgen: plaats /:dat tot heeden toe nog onbevolket is gebleeven :/ is heet bij sabrang of daar onder gerekend: Edog heeft het den heeer Majoor Colmond goedt gevonden bij zijn aanwesen in deze districten om drie negorijen van het Poe„ „girsche te weten Pagar, Banglee en Tjermee aan heet Lamad„ „jangsche zo mede het Eiland Noessa toe te wijzen en daar onder te laten Lasteeren te weeten alleenig de plaats der negorij of hui„ „sen van dezelve zonder eenig Land daar bij, en is dat afgestaan aan den toenmaligen Bangers tommongong Djoijolono, die in die tijden het gezag over 't Lamadjangsche heeeft gehadt wat daar egter de inzigten van zijn geweest kunnen wij niet doorgronden, te meer daar de plaats der negorijen alleen zonder eenig Land daar bij van geen de minste nut kan weesen en het ook een verbaalde troubelering in de Limietscheidinge zon maken dierhalven wij dit punct aan uwel Ed: achtb: hoog wijzer oordeel en groot gunstige approbatie eerbiedigst renvoieeren. van sabrangs hoofd negorij braken wij den 11:e Smorgens op en vertrokken naar Batoe alloe alwaar wij des voormiddags om 9 uuren aankwamen, wat gerust hebbende namen wij aldaar een tekening van de gebergtens en rondom in zee leg„ „gende klippen, als mede een peijling van het Eiland Noessa, en bevonden dies oostelijken hoek van batoe oeloe ofr de rivier Maijang afte leggen zuid west naar gissing 6: mijl, op laast„ gem: plaats segt 'sCompagnies brandwagt van Europeesche en Inlandsche krijgers in een ordentelijk /:schoon van bam„ boesen Van Javas Oostkust den 31:' December 1774 „boesen opgeregte sterkte tegens de onderneminge of invasies van de Noesaers op deze districten dit fortje en dies bezettelingen is alhier voor als nog zeer noodzakelijk, tot dat Noessa eens onder subordinatie zal gebragt zijn, als wanneer 't ook zeer wel te missen is, te meer daar men door deze sterkte de vogel„ „klippen van hier omstreeks voor 't rooren der voesaers of an„ „dere zeerovers zonder weerbare vaartuigen niet beschermt kunnen worden als leggende dezelve van Batoe oeloe zuiden ten oosten ruim een wijl waters af. Deesen dag niet kunnende klaar komen om het mistige weder bleeven aldaar den 12: vertoeven en vertrocken den 13: Batoe oeloe over de negorij Dompoe na Pagrenden daar wij des mid„ „dags ten een uur aankwamen en den 14: over Poegar naar Plindo ons begaven op eerstgen: plaats, alwaar de rivier Boedadong in de Zuidzee valt is een schier zandstrand door den Jnlander klatak genaamt, alwaar mede een brandwagtje legt van Inlandsche krijgers de rivier van Poegar of bedadong bevonden wij bij hoogwater aan dies ingang zo diep te weesen dat aldaar prauwmajangs dog grooter niet zoude kunnen uit en in vaaren, zijnde heet water van die rivier extra„ goedt om te drinken; hier pijlden wij Noessaas oostelijken hoek en bevonden dezelve van deze rivier af te leggen z: 8b: ten Z: naar gissing 3: mijlen op Plindo komende /:daar mede een wagtje van Inlandsche krijgers is posthoudende :/ wilden wij gaarne hier een regte accurate aftekening van het Eiland Noessa nemen dog door dien 't zeer mistig weer was en geen gezigt daar van konde bekoomen, moesten alhier blijven vernagten Dit Plindo is een schieren of dooren zand uithoek die zo verre na heet zuiden is uitsteekende dat men van hier tot aan de baaij van Jurock of Lamien op 't Eiland Noessa maar circa Een verheidt van anderhalv wijl waters kan reekenen. langs de geheele z: zee kust in deze districten staan verschik„ kelijke brandings al is het ook bij bedaard weer dog is die tot Plindo 89. Van Iavas Oostkust den 31:' December 1774 Plindo altoos iets gemodereerder, en kan alhier de inscheeping van krijgers ter overvaard het beste geschieden voornamentlijk in de kentering der mousson, als wanneer /:volgens getuigenis van een ider, zo daar bereeds lange tijden ter wagthouding hebben geleegen :/ de zee zeer stil en hier weinig of geen branding staat; den 15:' Marcheerden naar Gittem alwaar mede in eene van houte ompaggering s Compagnies Europeze en Inlandsche bezettelinge ter wagthouding leggen zo tot dekking van La„ madjang, als om een oog te houden over de gedoentens van meergem: roesaers Den 16: september was het nog al zeer mistig, dog den 17: klaar weer, als wanneer de tekening van Noessa wierd gemaakt, en door ons ten nauwkeurigste vernomen, naar de facielste plaatse tot de aanlanding aldaar en bevonden dat op de oostelijksten hoek van dit Eiland te weten aan de Noordzijde een zandbaaij was kammaal genaamt en die aan het strand wel vlak maar egter iets Landwaards in wederom zeer steil gebergte hadt, waar van de toegangen tusschen heel enge klippen door moet beklommen werden; iets bewesten deze baaij heeft men de negorij en haaren of baaij van proec welkers ingang ter weder zijde bezet is met twee hooge bergen die de Noessaers met twee batterijen voorzien met eenige stukkies canon heebben versterkt, is anders wijd genoeg ter in„ „vaart van s Compagnies pantjallangs en klijnder vaartuigen en schoon de roesaers langs de gantsche strand in die baaij mede eene sterkte opgeworpen hebben, is het land daar eenig„ „sints vlak en bekwaam om onder bedekking van heet geschut der vaartuigen een Landing te doen; beweste dezen baaij heeft men weder zeer stijl gebergte tot dat men aan de plaats ge„ naamt Dadap komt, daar wel kan aangeland worden met kleine vaartuigen dog de wal wat steilder is te be„ „klimmen, en nog iets westelijker vind men nog een plaatsje genaamd sadeng Potto daar men ook ankere en
English
From Java's East Coast, the 31st of December 1774. and one can land, but just like Dadap it is also steep to ascend; about one and a half hours to the west of this Dadap one arrives at the largest bay named Samie, where those islanders have also erected a fortification. Here is indeed a very good landing place for vessels and around it a flat beach, but somewhat inland surrounded everywhere with precipices which are also quite difficult to climb, although slightly more slanted than the two aforementioned; indeed, an armed warrior cannot ascend there without resting some four or five times. Outside this Samie one also has a place named Pernomo, where one can also land if necessary, but it is likewise very steep to climb, so that according to our opinion the aforementioned bay of Juroec and that of Lamie will be the best places for the main attacks, while one can cause a diversion at the other small places with some small craft, and also thereby attempt to prevent the escape of the head rebels there should they undertake such a thing. Furthermore, between the island of Noessa and the Javanese shore one has reasonably calm seas most of the time, and close to the northern shore of Noessa not the slightest surf, and the inhabitants of this island, if they so wish by day or night, can land with their small vessels at many places on the coast of Java in the creeks and bays of the mountains east of Batoe oeloe, without this being preventable from the landward side of Java as it is inaccessible due to the steep mountains and cliffs; however, they cannot penetrate further inland at such places either; nevertheless, they frequently attempt this and then go there to hunt, look for coconuts or some lagoe, and also the root gadong and wild sirih leaves; however, they cannot undertake those landings with large vessels or a force of people, which they have previously attempted far to the west, as near Prigie and other Witsen 93. From Java's East Coast, the 31st of December 1774 other small places situated thereabouts in the Sultan's land; however, nothing has been heard of that for a long time now. Furthermore, we shall still have the honor, under Your Right Honorable's great and favorable interpretation, to submit that the island of Noessa, upon subjugation now or later, will be best sorted under Lamadjang, lying, so to speak, before its sea coast or shores; for to have it sorted under Eastern or Western Balemboangang is not advisable, for the reason that the first-mentioned district is situated too far away, and under the last-mentioned is also not good, since those are all likewise newly subjugated lands and people, and besides that not powerful enough to keep that island in check; moreover, the nations around here appear to us to be too well attached not only to the Nusa people but also to the other sea rovers who have always roamed and maintained themselves there, from all nations and especially the ill-disposed Balinese. However, we shall further hereby, under Your Right Honorable's very favorable interpretation, take the liberty of respectfully bringing to attention our sentiments regarding this island, which we maintain to be the best: Namely, after its inhabitants have first been brought to subordination by the Company's arms, to then depopulate that entire island and, as far as is at all possible, to destroy it in such a manner by rooting out all fruit-bearing trees, ruining their talagas or water reservoirs, and filling in the wells, though with brackish water, so that no mortal will have any desire left to inhabit this cliffy, barren place, and then to have the Nusa people transported over to the Javanese shore, and specifically in the northernmost part of Lamadjang, where abundant villages and rice fields lie empty, and therefore they could sustain themselves there very well with the least concern, be placed, and be used to the greatest benefit of the Honorable Company, and hereby also Lamadjang would be strengthened to such an extent 1 From Java's East Coast, the 31st of December 1774. strengthened that it would then also come to form a good regency in its own right, the more so because the inhabitants of that Lamadjang are nowhere near as stubborn or warlike as the other Eastern or Western Palemboangers; and although I do not trust a native except with the greatest circumspection and constant careful attention to their actions and sentiments, I would safely dare to assume that the nation here in their present condition and calm will constantly endeavor to live well, the more so since one now already has all the evidence that they are applying themselves forcefully to agriculture; for during our presence here, a picul of white table rice costs no more than 15 Dutch stuivers here, and a so-called rangmat or 50 bundles of good paddy can currently be bought here for a rupee or thirty stuivers. However, it would not be a bad thing to maintain here at Lamadjang a small fort of palisades, as it is now, which can also be done without expense to the Honorable Company, with a European garrison of a sergeant, a corporal, one gunner, and 16 common soldiers for the time being, for the reason that, as mentioned before, one can approach the entrance or easily reach all those other small districts from here in all contingencies. Whereas, on the contrary, Noessa having once been conquered and the inhabitants there being allowed to remain upon fair promises of subordination to the Honorable Company, it is to be feared that those islanders under such circumstances will sooner or later let themselves be seduced again by such sea rovers as Juragan Jannie or others, and defect to them; for the prevention of which the Honorable Company would find itself obliged to maintain a fort there at all times with a garrison formidable enough to keep them in check; we say formidable enough, because, if it were not so, one would again suffer daily misfortunes there
Dutch transcription
van Javas Oostkust den 31:' December 1774. en aankoomen kan, maar is gelijk als Dadap mede steil om op te koomen, ten westen van dit Dadap circa anderhalv uur komt men aan de grootste Landbaaij genaamt samie alwaar die Eilanders mede een sterkte hebben opgeworpen hier is wel een zeer goede aankomst voor de vaartuigen en om saag een vlak strand, dog iets inhanding al om met steiltens die ook al moeilijk /:schoon een weinig schuinder als de twee voorn: / zijn om te beklimmen ja kan een gewapend krijger daar niet opkomen zonder een keer 4: of vijf te rusten; buiten dit samie heeeft men nog een plaatse Pernomo genaamt, daer men ook des noods wel aankomen kan, dog is mede al zeer stijl om te beklimmen zo dat volgens onse sustenue de voornoemde baaij van Juroec en die van Lamie de beste plaatsen zullen zijn tot de hoofd attacques, terwijl men door eenige klijn vaartuig op de andere plaatsies een diversie kan laten maaken, en ook daar door tragten te beletten de onvlugting der hoofd rebellen aldaar indien ze zulks mogten ondernemen. Voorts heeft men tusschen het Eiland Noessa en de Javasche wal meesten tijd redelijke stille zeën en digt aan de Noessasche Noorderwal geen de minste branding en kunnen de bewoon„ ders van dit Eiland zoo maar willen bij dag of nagt, met hunne klijne vaartuigjes op veele plaatsen van Iavas wal Landen in de kreeke en bogten van de gebergtens beoosten Batoe oeloe, zonder dat zulks van de Landzijde van Java„ als ontoegankelijk voor de steile gebergtens en klippen kan belet worden, dog kunnen zij ook op zulke plaatsen niet verder landwaards inkoomen, egter tendeeren zij zulks dikwerf en gaan dan daar Jager Clappers of wel eenige lagoe ook wel de wortel gadong en wilde sixie bladen zoe„ „ken, dog kunnen zij die landings met geen groote vaartui„ gen of magt van volk ondernemen dat zij voor heen wel eens geprobeerd hebben verre om de west als bij Prigie en andere Witsen 93. Van Javas Oostkust den 31:' December 1774 andere plaatsies daar omstreeks geleegen in 's sulthans landt egter heeft men daar tans in lang niet van vernoomen Wijders zullen wij nog de eere hebben onder uwelEd: achtbare groot gunstige welduidinge te dienen dat het eiland Noessa bij onderwerping heeden of morgen het best zal sor„ „teeren onder Lamadjang, als zo te zeggen, voor dies zee kust of stranden leggende; want om het onder ooster of wester Balemboangang te laten sorteeren einde niet raadzaam uit reeden het eerstgen: district op te verre afstand legt, en onder heet laastgemelde is ook niet goed dewijl dat alle mede nieuwe onderworpen Landen en lieden zijn, en buiten dien niet magtig genoeg, om dat eiland in dwang te houden boven dien de naties van heier omstreeks ons te wel verknogt voorkomt niet alleen aan de roesaers maar ook aan de ande„ „re aldaar altoos gesworven en huisgehouden heebbende zee schuij„ „mers aan alle naties en wel voornamentlijk de kwaadwil„ „lige baliers Dog zullen wij nader bij desen onder uwel Ed:e Achtbare zeer gunstige welduidinge de vrijheid gebruiken van reveren „telijk onder 't oog te brengen onse gevoelens omtrent dit eiland dat sustineere te beste te zijn. Naar alvorens dat dies jnwoonders eens door sCompagnies wapenen tot subordonnatie zullen gebragt zijn, om dan dat geheele Eiland te ontvolken en zoo veel maar immers doenelijk zodanig te verdistrueeren met alle vrugtdragen, de geboomtens uitteroeien haar Talagaas of waterbacken te verderven, putten /schoon brak van water / te dempen dat geen sterveling meer Lust zal hebben, dit klippigen on„ „vrugtbaar te bewoonen, en dan de Noesaers over aan de Iavasche wal laten brengen, en dat wel in heet woordelijk„ ste gedeelte van Lamadjang, daar overvloedig negorijen en rijst velden ledig leggen en dierhalven zig aldaar zeer wel zoude kunnen geneeren met de minste zorgen kun„ nen geplaatst en ten meeste nutte van de E: Maatschappij gebruikt worden, en hier door ook Lamadjang zodanig gesterkt 1 Van Iavas Oostkust den 31:' December 1774. gesterkt dat het als dan ook een goed regentschap op zig zelfs zoude komen uittemaken te meer daar de bewoonders van dat samadjang in verre na zo kalstarrig of oorlog niet zijn als de andere oostersche of westersche Palemboangers / en schoon„ ik niet als met de meeste omsigtigheid en gestadig nauwkeu„ „rige agtgeving op hare gedoentens en gevoelens een Inlander vertrouwe :/ zoude ik wel gerust durven veronderstellen dat de natie van hier in haaren tegenwoordige toestand en gerusten wel bestendig zullen tragten te leven, te meer daar men tans al de blijken heeft, zij zig als met geweld toe leggen op den Landbouw, want bij ons aanwesen alhier, komt een picol witte tafel rijst hier niet hoger als 15: stuivers hollands te staan, en een zo genoemde rangmat of 50: bossen goede padie kan en hier tans voor een roppij of dertig stuivers koppen. Edog zoude het niet kwaad zijn alhier tot Lamadjang een klijn fortje indiervoegen als heet nu is van pallizaden /:dat ook al buiten van d' E Comp:e kan geschieden:/ een Europeesche bezetting van een zergeant Een Corporaal hem bosschieter en 16: gemeene krijgers voor eerst te onderhouden, uit reeden zo als vooren gemeld men van hier den ingang of het facielote tot al die andere districtjes bij alle voorvallen kan naderen. Daar in teegendeel Noessa al eens overwonnen zijnde en den Jnwoonder aldaar /:op goede beloften van subor„ donnatie aan d' E: Compagnie:/ latende remoreeren is het te dugter, die omstandige Eilanders zig heeden of morgen weder door laastgelijke zee schuimers als Juragan Jannie of andere zullen laten verleiden en toevallen, tot wel„ „kers beletting de E: Compagnie zig verpligt zoude vinden, om altoos een fortje met dies bezetting formidabel genoeg tot het beduningen van dezelve aldaar te onder„ „houden, wij zeggen formidabel genoeg, om reeden zulks niet zijnde, men daar dan ook weder dagelijks onge„ lukken
English
93. From Java's East Coast, 31 December 1774: success was to be expected, and maintaining a garrison there we can regard as nothing other than a completely unnecessary burden for the Company, the more so because nothing is to be expected from that barren island from which those expenses could by far be recovered, and moreover one would then always be obliged to keep at least one vessel at hand here for the supply of rations, water, and other necessities for those garrison members. Finally, we take the liberty to submit further in all humility that the border delimitations named herein were given and indicated to us as such by the chiefs currently serving there, each of whom declared in particular that these were the true borders of their administered lands, while at the same time very humbly entreating that it may favorably please Your Right Honourable to let the same remain as such, nevertheless referring themselves in the most submissive manner to Your Right Honourable's wiser judgment and arrangements in this matter, as we gave those people the promise to submit this point most respectfully to Your Right Honourable, and that they meanwhile had to be content to await Your Right Honourable's highly esteemed approval, just as it was announced to those people that they would likewise have to observe orders if, according to highly esteemed approval or if interests should require it, all or some of those lands had to be incorporated into other regencies, or whether a separate chief should be left over each one in particular. Whereupon it was answered unanimously by the four of Pradjakan, Centang, Djember, and Sabrang that they would always conform to the Honorable Company's highly esteemed orders and complete pleasure. Here from Java's East Coast, 31 December 1774. Hoping herewith to have complied to some degree and according to our modest ability with Your Right Honourable's most venerable intentions, we take the liberty to subscribe ourselves with all distinguished high esteem in the most dutiful manner: Title, below: Your Right Honourable's very humble and entirely obedient servants, signed: A: van Rijck and J: A: Steenbergen, in the margin: Lamadjang, 20 September 1774, still lower stood: Furthermore, the undersigned set out on the march from Lamadjang, taking the route across the regency of Banger to Passourouang, where he arrived on 22 September accompanied by the assistant van Haak, experienced in engineering, below: Passourouang, 22 September 1774, signed: A: v: Rijck, below: Agrees, signed: I: R: van der Burgh. Statement 35. From Java's East Coast, 31 December 1774: Statement of the inhabited villages of Djember, given as such by the mantri So dito during our presence there, consisting of the following manpower: Names of the Villages, inhabited by heads: waga - - 12 Biteng - - - - 6 Pitjoro - - - 9 Calie ambot - - 12 Djoebong - - - - - - - - - - - - 26 Kamoening lor - - - - - - - - - - 18 Camoening Coelon - - - - - - - - - 17 Deember - - - - - - - - - - - - - 46 Pejagongan - - - - - - - - - - - - 6 Cannierie - - - - - - - - - - - - - 20 Iklieran - - - - - - - - - - - - - - 6 Karang Annum - - - - - - - - - - - 7 medadie - - - - - - - - - - - 9 Glondeng-an - - - - - - - - - - - 3 Pagambiaan - - - - - - - - - - 4 Kadaton - - - - - - - - - - - - - - 5 Tomnatan - - - - - - - - - - - - 18 Pakies - - - - - - - - - - - - 12 Palieran - - - - - - - - - 10 Patjaar - - - - - - - - - - - 5 DJompo - - - - - - - - - - - 6 Soetje - - - - - - - - - - - 2 Bomo - - - - - - - - - - 6 23 Villages together, inhabited by heads: 265 The from Java's East Coast, 31 December 1774. The abovementioned Mantri Sodito, head of Djember, declares to be able to deliver annually from his district to the Honorable Company: 1 picol of wax below: Djember, 14 August Anno 1774, signed: this is the mark of the mantri So dito, signed: A: van Rijck and Jan A:n Steenbergen. Combined 97. From Java's East Coast, 31 December 1774. Combined meeting held upon the highly venerable orders of the Right Honourable, Highly Esteemed Johannes Robbert van der Burgh, Governor and Director on and along Java's Northeast Coast, etc., etc., etc., by the undersigned concerning the proceedings of their commission regarding the determination of the borders between eastern and western Balemboangan at Adirogo. On Tuesday, 23 August 1774. After the orders of our highly praiseworthy rulers, namely the determination of the borders between eastern and western Balemboangan, were first presented to the assembled meeting by the Lieutenant and Commandant of Passourouang, Adriaan van Rijck, as head of the commission, it was first recorded and investigated with the patih, the other commissioners, and the oldest local experts of the first-mentioned district where and at what point in former ancient times the border delimitations of those territories had been; thereupon it was answered unanimously from that side that they began at the South Sea, and indeed near the so-called mountain Mannong, and thus had stretched northward over the mountains of Garahan, Raun, up to Tjadjong Combang, or the river Licus in the north. The indigenous western chiefs having been questioned concerning the same, they fully affirmed that it was indeed so, and that to such an extent that the territory of Sabrang adjoined Balemboangan in the east near the mountain Mannong, or on half of it, and the district of Djember adjoined, or likewise was on half of, the mountain
Dutch transcription
93. Van Javas Oostkust den 31:' December 1774: lukken van te verwagten hadt, en zo een bezetting aldaar te onderhouden kunnen wij niet anders aanzien als een gansch onnodige Lastpost voor de Maatschappij, te meer daar men van dat onvrugtbaar Eiland niets te wagten heeft, waar uit die onkosten op verre na te vinden zouden zijn en men dan boven dien nog altoos verpligt zoude wezen ten minsten Een vaartuig hier aan handen te houden tot den toevoer van randsoenen water als andere nooddruft voor die besettelingen. Eindelijk wij de vrijheid gebruiken van nog in alle oot„ „moed te dienen dat de Limietscheidinge in desen benoemd ons dusdanig zijn opgegeven en aangetaond door de aldaar tans fungerende hoofden die een ider in het bizonder ver„ „klaarde de waarlijke grenscheidinge van heune administrae„ „rende Landen te zijn, teffens zeer nedrigst suppliceerende het uwel Ed: achtb: dog gunstiglijk gelieve te behagen, dezel„ „ve in diervoegen te laten berusten zig egter aller onderda„ „nigst refererende aan uwel Ed: Achtbare hoog wijzer oordeel en schikkinge in deesen, daar wij haar lieden de toe„ „zegging gaven van dit poinct uwel Ed: achtb: eerbiedigst voor te dragen, en zij zig intusschen 't moesten laten geval„ len, afte wagten uwel Ed: Achtbare hoog g'eerde approbatie gelijk haar lieden zulks wierd aangekondigd teffens te zullen moeten ordres observeeren, indien volgens hoog g'eerde goedkeuringe of de belangens 't zoude vereisschen En alle, dan wel eenige landen daar van bij andere re„ gentschappen moesten ingelijft worden dan wel over een ider in 't bizonder een apart hoofd te laten Waar op Een pariglijk door de vier van Pradjakan. Centang, Djember en Sabrang wierd g'antwoort van zig altoos te zullen schikken naar sE. Compagnies hoog g'eerde beveelen en volkomen wel behaagen Hier ee van Javas Oostkust den 31:' December 1774. Hier mede dan verhopende eenigermate en na ge„ „ring vermoogen aan uwelEd: Achtbare Hoogst gevene„ „reerde intentie te zullen hebben voldaan, zo gebruiken wij de Liberteit van met alle gedistingueerde hoog agting op het aller onbmiste ons te soucribeeren /:onderstond:/ Titul /lager:/ uwel Ed: Achtbares zeer onderdanige en gansch gehoorzame dienaaren /:was getekend:/ A: van Rijck en J: A: Steenbergen /:in margine:/ Lamadjang den 20:e September 1774 /nog lager stond:/ Wijders begaf zig den ondergeteekende van Lamadjang op marsch, de route ne„ „mende over het regentschap Banger naar Passourouang alwaar op den 22: September aanquam verseld van de in de genie ervaren adsistent van Haak /:onderstond:/ Passou„ „rouang den 22: September 1774 /:was getekend:/ A: v: Rijck /.onderstond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Hgave 35. Van Iavas Oostkust den 31: december 1774: Opgave der Djemberse Bewoonde Negorijen door den mantrie so dito bij ons aanwesen aldaar dusdanig opgegeven uijt volgende manschappen te bestaan Naamen Der Negorijen waga - - Biteng - - - - Pitjoro Calie ambot - om 23 Negorijen te zaemen Djoebong Kamoening lor - - - - - - - - - - „ 18 Camoening Coelon - - - - - - - - - „ 17 Deember - - - - - - - - - - - - - „ 46 Pejagongan - - - - - - - - - - - - – „ 6 Cannierie - - - - - - - - - - - - - „ 20 Iklieran - - - - - - - - - - - - - - - „ 6: Karang Annum - - - - - - - - - - - „ 7 medadie - - - - - - - - - - - „ 9 Glondeng=an - - - - - - - - - - - „ 3 Pagambiaan - - - - - - - - - - „ 4 Kadaton - - - - - - - - - - - - - - - „ 5 Tomnatan - - - - - - - - - - - - „ 18 Pakies - - - - - - - - - - - - „ 12. Palieran - - - - - - - - - „ 10 Patjaar - - - - - - - - - - - „ DJompo - - - - - - - - - - - „ 6 Soetje - - - - - - - - - - - „ 2 Bomo - - - - - - - - - - „ 6 bewoond met Coppen 265 bewoond met Coppen --- „ 12 „ 6 „ 9 ---„ 12 - - - - - – - - - - - - „ 26 Den . - - - - om 5 el van Iavas Oostkust den 31:' December 1774. Den Bovengem: Mantrie Sodito hooft van Djember verklaart van zijn district 'sjaars aan de E: Comp:e te kunnen Leveren Als 1: opicol waar /:onderstond:/ Djember den 14: August:s A„o 1774 /:was getekend:/ dit is 't merk van den mantrie So dito /:was ge„ „tekend:/ A: van Rijck en I:n A:n Steenbergen ecombineerde 97 Van Iavas Oost kust den 31: December 1774. Gecombineerde vergadering gehouden op hoog gevenereerde ordres van den Wel Ed: Groot Achtbaaren Heere Johannes Robbert van der Burgh gouverneur en Directeur op en langs Javaas Noord oost Cust &„a &„a &c„a Door de ondergeteeken„ dens noopens de verrigtingen hemmer Commis„ „sie omtrent de bepaaling der Limitten tus„ schen ooster en westersche Balemboangan te Adirogo Op Dingsdag den 23:' August: 1774 NNa alvoorens door den Luitenant en Passourouangs Comman„ dant Adriaan van Rijck Als Eerste in de Commissie aan de gezaementlijke vergadering was voorgesteld de ordres van onse hooglofflijke gebieders namentlijk de bepaeling der Limitten tusschen ooster en wester Balemboangan, so wierde voor Eerst opgenoomen en ondersogt bij den pattie verdere gecommitteer„ dens en oudste landkundige van 't Eerstgem: district waar en op wat Hoogte in voorige oude zijden de Limietscheijdinge van die Landschappen waeren geweest; daar op wierdt Een pa„ „riglijk van dien kant geantwoordt deselve aan de zuijder zee, en dat wel bij 't zoo genoemde gebergte Mannong waeren be„ gonnen en aldus noordwaert aan over de gebergtens van ga„ rahan, Raun, tot aan Tjadjong Combang, off de Rivier Licus in't woorder hadden gestrekt daar over 't zelve de Jnlandse westersche hoofden afgevraagt zijnde avoueerden volkoomen dat alzoo te zijn en dat wel zodanig dat het Landschap dabrang ten oosten, teegens 't Balem„ boangse bij den berg Mannong off op dies helft was aanstoo„ tende 't District Djember teegens off meede op de heelft van 't gebergte el
English
From Java's East Coast the 31st of December 1774 the Garagan, Centong, and Pradjigan mountains against the great mountain Raun and Panaroekan's boundary separation to be up to the river Ticus. This having thus been investigated and found, it was deemed good by the commissioners to hold this as resolved, and subject to the highly honored approval of the Right Honorable Governor and Director of this coast, the chiefs of eastern and western Balemboangan were repeatedly informed and notified in the Malay language that they must define themselves here accordingly and hold it as established, pending further confirmation and full approval of our highly praiseworthy supreme commander of this coast. Wherewith this conference coming to an end, this resolution was confirmed by the commissioners on both sides with their usual signatures, and initialed by us, and thus ratified. Thus done in the meeting, date as above, in fortress De Adirogo; was signed: A: van Rijck, F Guttenberger, I: A: Steenbergen, Samuel Faber, with a Javanese character Iurocontie sing-odirono, sodito, Roman, Soeto herreng, and oenam; underneath stood: Agrees; was signed: A: van Rijck. List of names. 99. Men From Java's East Coast the 31st of December 1774. List of names of such people of the Balemboang villages who escaped to the western part and are currently staying in the following villages, namely: At Panaroekan Bappa Compol with his wife and 1 child Hiop Tjoetjoong Rangit Nangap Timbroek calling kettot bedewang Noolo Bappa Lissus with his wife kettot genap Diman goebang Biaong sannem with 1 child the same gadok with 1 the same goenam Diea Leethie goebang caboer sentrok At Pratjigaan Bappa Caron with his wife the same Baerak with his wife the same Dimdim with his wife the same siappar with his wife the same Samie with his wife the same Deckol with his wife Tentinam with her husband Women Men At Centong Men Bappa Singir with 3 wives the same Bullos with 1 wife and 2 children the same mangie with 1 wife and 1 child the same moegan with 1 wife the same Lackar with 1 wife the same goenong with 1 child 1 woman Bioong Pollo At Loedjajar 1 man Bappa Bannang with a wife and 3 children At Bacallangang Wajong karrie with 1 wife Bappa Sanei Men Toest two different persons Toeot Bappa Loedot ampong baspa iedang Noolo Wongso Women 2, of whom the names are not known At Djember Men Bappa Abang Cabaijan with 1 wife roobo with 1 the same and 1 child Ajang with 1 the same Bindajoe with 1 the same and 1 child medie with 1 the same and 1 child Wooloe with 1 the same Pallang Lambia with 1 the same and 1 the same mong drie with 1 the same Bappa Dimon with 1 the same and 1 child Ider with 1 wife goeswiro with 1 the same Wattie with 1 the same and 1 child Sarioo with 1 the same From Java's East Coast the 31st of December 1774 gannang 101. From Java's East Coast the 31st of December 1774. Gannong with a wife Bappa Sraadie with a wife and 1 child Iajoen with a wife bappa Laban with a wife Ramanie Ladie with a wife goenam with a wife Eboe with a wife At Camoening village in Djember Pang-anten prono with a wife thie sellok with a wife the same Iaman with a wife girre goe with a wife gie Cattot with a wife the same Soero with a wife the same zoedin with a wife Bioong cahot with a husband Lambaaij serrang with a husband Bieong gie santon with a husband Nrie gadok with a husband the same soeto with a husband the same goedrak with a husband the same barrang with a husband the same zabar with a husband the same wakie with a husband Tro Wangso with a wife Bappa oerip with a wife and a child gie marreto with a wife and a child Men Men Women At Besoekie 15 men 5 women 5 children all reported by the emissary without knowing the names. Thus From Java's East Coast the 31st of December 1774: Thus, in the above-mentioned regions, of escaped Balemboang village people found, namely: 183 heads in total, being 26 heads in the districts of Panaroekan, namely: 13 men 10 women 3 children 13 heads in the districts of Pratjigan, of which: 7 men 6 women 35 heads in the Centong region, consisting of: 16 men 12 women and 7 children 74 heads in the Djember region, which are: 31 men 34 women 9 children 35 heads in the Besoeki region, namely: 15 men 15 women 5 children 183 heads as mentioned above: 82 men 77 women 24 children Djember the 24th of August Anno 1774; was signed: Adriaan van Rijck, Jacob Guttenberger, Samuel Faber, and Jan Adriaans Steenbergen; underneath stood: Agrees; was signed: An van Rijck. 103. Statement of the Pratjigan inhabited villages, reported by the mantri Pabenam during our presence there, consisting of the following manpower: Names of the villages, inhabited with heads: Praesigan, 24 Pager goenoeng, 6 2 villages together, inhabited with 30 heads. The above-mentioned mantri Pa Oenam, head of Prajigan, declares to be able to deliver annually from his district to the Honorable Company: 1 cojang of rice 2 picols of wax and 2 picols of long pepper. Pradjigan the 6th of September Anno 1774; was signed: this is the mark of the mantri Bappa oenam; signed: A: van Rijck and I: A: Steenbergen. From Java's East Coast the 31st of December 1774. From Java's East Coast the 31st of December 1774 Statement of the Centong inhabited villages, reported by the mantri Soeto reering during our presence there, consisting of the following manpower: Names of the villages, inhabited with heads: Centong, 7 Doekoe, 5 Pacalangan, 4 Lo Dja jaar, 3 Padassan, 5 Cotta, 3 Glindongan, 9 Tangaran, 4 8 villages together, inhabited with 40 heads. The above-mentioned mantri Soeto Reering, head of Centong, declares to be able to deliver annually from his district to the Honorable Company: 2 cojangs of rice and 1/2 picol of wax. Centong the 7th of September 1774; was signed: this is the mark of the mantri soeto rerreng; signed: A: van Rijck and I: A: Steenbergen.
Dutch transcription
Van Iavas Oostkust den 31:' December 1774 't gebergte garagan Centong en Pradjigan teegens den groote berg Raun en Panaroekans Liemiet scheidinge tot de Rivier Ti„ cus te sijn Dit dan aldus ondersogt en bevonden sijnde wierdt goed geoor„ „deelt door de gecommitteerdens dit dusdanig voor beslooten te hou„ den en onder Hoog geEerde Approbatie van den wel Ed: groot Achtb: Heere gouverneur en Directeur deeser Custe de Hoofde van 't oostersche westersche Balemboangan een en andermaal in de maleijdsche taele te verstaan gegeven en aangekondigt, zigh alhier dusdanig te moeten bepaelen en voor vast gestelt te houden tot naeder bekragtiging en volkoomen goedkeuring van onsen Hoog loffelijken Eersten gebieder deeser custe Waar meede dan deese Conferentie Een Eijnde neemende wierdt dit besluijt door de wederseijdse gecommitteerdens met haare gewoonelijke handteekening bekragtigt en bij ons gepara„ „pheert en dusdanig geratificeerd Aldus gedaan in de vergaederinge Dato voorsz: in fortres De Adirogo /:was geteekent:/ A: van Rijck, F Guttenberger, I: A: Steenbergen Samuel Faber, met een Javaansche letter Iurocontie sing-odirono, sodito, Roman, Soeto herreng en oenam /:onderstond:/ Accor„ deert /:was geteekend:/ A: van Rijck Naam Eijste 99. Mannen Van Iavas Oost kust den 31:' December 1774. Naam Lijste van zodanige Balemboangse Negoreijs volkeren, dewelke nae 't wester gedeelte ontweeken, en sig thans sijn onthoudende op de onder„ „volgende Negorijen, Namentlijk Te Panaroekan Bappa Compol met sijn vrouw en 1: kind Hiop Tjoetjoong Rangit Nangap Timbroek calling kettot bedewang Noolo Bappa Lissus met sijn vrouw kettot genap Diman goebang Biaong sannem met 1: kind d:o gadok goenam Diea Leethie goebang caboer sentrok „ 1 do Te Pratjigaan met sijn vrouw Bappa Caron d:o Baerak „ „ _o d:o Dimdim „ „ _o „ d:o siappar d. o Samie „ d:o Deckol Tentinam _o vrouwens Mannen de deel _o _o „ „ „ _o „ „ „ te Te Centong Mannen Bappa Singir. . met 3: vrouwen d. o Bullos. „ 1 vrouw en 2 kinderen d:o mangie. „ 1 „ en 1 kind d:o moegan. . „ 1 „ d:o Lackar. . „ 1 „ d:o goenong 1: vrouw Bioong Pollo „ 1: kind Te Loedjajar 1 man Bappa Bannang met een vrouw en 3: kinderen Te Bacallangang Wajong karrie met 1: vrouw Bappa Sanei Mannen Toest twee differente persoonen Toeot Bappa Loedot ampong baspa iedang Noolo Wongso vrouwen 2: waar van de naemens niet weeten Te Djember mannen Bappa Abang Cabaijan met 1: vrouw roobo - - - - - „ 1 d. o en 1: kind Ajang - - - - - „ 1 d:o Bindajoe - - - - „ 1 d. o en 1: kind medie - - - - - „ 1: d:o en 1: kind Wooloe Pallang Lambia - - - - „ 1 d:o en 1 _:o mong drie - - - - - - „ 1 d:o Bappa Dimon - - - - - „ 1 d:o en 1: kind Ider - - - - - - - - met 1. vrouw goeswiro - - - - - „ 1: _o Sarioo Wattie - - - - - „ 1 _:o en 1: kind - - - - - - „ 1: _o „ Van Javas Oostkust den 31:' December 1774 gannang 6 „ W. 101. Van Iavas oostkust den 31:' December 1774. met een vrouw Gannong „ en 1 kind Bappa Sraadie „ „ Iajoen . . . . „ „ bappa Laban. . „ „ Ramanie Ladie - - „ „ goenam. „ „ Eboe - - - „ „ Te Camoening negorij in 't Djember Pang=anten prono met een vrouw thie sellok. . . . „ „ d:o Iaman - - - - „ „ girre goe gie Cattot „ Soero. d:o zoedin Bioong cahot Lambaaij serrang Bieong gie santon Nrie gadok d:o soeto d:o goedrak d:o barrang d. o zabar d:o wakie - - - - - „ „ Tro Wangso - - . . met een vrouw Bappa oerip. . . met een vrouw en een kind gie marreto . . „ „ „ „ Mannen Mannen vrouwen de Besoekie 15: mannen alle door de sendeling opgegeven sonder de 5: vrouwen Naemens te weeten 5: kinderen Dus „ „ „ ee Van Iavas Oostkust den 31: December 1774: Dus in de omme Gemelde landstreeken van verloopen Ba„ „lemboangse negorijs volkeren bevonden te weeten 183: Coppen in 't geheel als 26: Copppen in de districten van Panaroekan, namentlijk 13: mannen 10: vrouwen 3: kinderen 13. Coppen in de districten van Pratjigan, waar van 7: mannen 6: vrouwen 35: Coppen in 't chentongse land, die bestaan in 16: mannen 12: vrouwens en 7: kinderen 74: Coppen in 't Djemberse landt die sijn 31: mannen 34. vrouwen 9 kinderen 35: Coppen in 't besoekise landt te weeten 15: mannen 15 vrouwen 5: kinderen 183 Coppen als voorsz: 82: Mannen 77 vrouwen 24: kinderen Deember den 24: August: A„o 1774: /:was geteekend:/ Adriaan van Rijck, Jacob Guttenberger, Samuel Faber en Jan Adriaans Steenbergen /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekent:/ A„n van Rijck opgave om 103. Opgave Der Trajiganse bewoonde Negorijen door den mantrie Pa benam bij ons Aanweesen aldaar dusdanig opgegeeven uijt volgende Manschappen te bestaan bewoond met Coppen Naamen der Negorijen Praesigan . Pager goenoeng 2: Negorijen te zaemen - - - - - - - bewoond met Coppen 30 Den bovengemelde mantrie Pa Oenam hooft van prajigan verklaart van zijn district 's jaars aan de E: Comp:e te kunnen leveren als 1 Cojang Rijst 2: picols waar en 2: picols Lange Peper Pradjigan den 6: september A:o 1774: /:was geteekent:/ dit is 't merk van den mantrie Bappa oenam /:geteekent:/ A: van Rijck en I: A: Steenbergen „ 24 - – – - – - - – – – Van Javas Oostkust den 31:' December 1774 opgave : eel Van Javas Oostkust den 31:' December 1774 Opgave der Eentongse bewoonde Negorijen door den mantrie Soeto. reering bij ons Aanweesen aldaar dusdanig opgegeeven uijt volgende manschappen te bestaan Bewoond met Coppen 3 9 7 „ 4 Bewoond met Coppen 40 Den Bovengemelde mantrie Soeto Reering hooft van Centong verklaart van sijn District 's jaars aan de E Comp:s te kunnen leveren als 2: Cojangs rijst en ½ picol maer „ 5 ---––„ 4 –– – – – „ 3 - - - - - – - – - . „ -–– – „ 7 „ „ Centong den 7:' September 1774: /:was geteekent:/ dit is 't merk van den mantrie soeto rerreng /:geteekent:/ A: van Rijck en I: A: Steenbergen Naemen der Negorijen Centong Doekoe Pacalangan - - Lo Dja jaar - - Padassan - - -- Cotta Glindongan - - In 8: Negorijen te zaemen Tangaran - - - - Opgave - - - — — - —
English
105. From Java's East Coast, the 31st of December 1774 Statement of the inhabited Sabrangese villages, thus given by the mantri Rooman in our presence there, consisting of the following men, as: Names of the Villages / Inhabited with Heads Gapek: 17 Doemet: 4 Dempok: 7 Petut: 4 Pagrinden: 47 Dirto: 11 Beleek: 10 Gloendang-an: 6 Petut Tjeleek: 3 Zelogo Sarie: 6 Sabrang: 60 Beloop: 13 Wangkis: 11 Gai-aam: 5 Djadjang: 30 Ketanon: 10 16 Villages together inhabited with Heads: 244 The above-mentioned mantri Rooman, head of Sabrang, declares to be able to deliver annually from his district to the Honorable Company: 1 picol wax and 1 picol cotton yarn Sabrang, the 10th of September 1774 was signed: this is the mark of the mantri Bappa Rooman signed: A:n van Rijck and J: A: Steenbergen. From Java's East Coast, the 31st of December 1774 107. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Copy of considerations upon the submitted report of the commissioners regarding their proceedings in the districts of lower or western Balemboangang, such as Panaroekan, Prajagan, Centon, Djember, and Sabrang, with the annexes relative thereto, dated Lamadjang the 20th of September 1774; item the report of the commissioners with their annexes addressed to the resident there, dated Oeloepampang the 30th of August 1774; most respectfully dedicated to the Right Honorable Johannes Robbert van den Burgh, Governor and Director on and along Java's North-East Coast, etc., etc. Right Honorable Sir, In obedient response to Your Right Honorable's respected orders by separate missive of the 14th of November 1774, to serve with considerations on the submitted report of the commissioners mentioned at the head hereof, as to how far the proposals of the commissioners could either be accepted or should be altered, I have the honor to submit most respectfully the following, with these humble remarks thereon, to Your Right Honorable's wiser judgment and correction: 1: To clear the roads inland from Balemboangang to Adirogo, and from there back again at suitable opportunities, and to make them fit for safe transport and passage. 2: Likewise to clear the Djember district of its wildernesses, and gradually to make it suitable for the cultivation of products such as the planting of rice, as far as the nature and condition of that district can bring it about. 3: Concerning the Company's strength at Adirogo, or properly Antirogo, the report of the commissioners seems acceptable enough to me so far; 109. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. nevertheless, adding my further considerations to it under correction, I would now be of the opinion that the Company ought to make itself strong in those districts as well; wherefore the post Lamadjang could be adopted as a main post in the western part, and thus reinforced and garrisoned by an officer, two sergeants, two corporals, a drummer, and thirty privates; from the artillery, a gunner and two gunner's mates; and a surgeon's mate; and where the products of Djember, Sabrang, and its subordinate villages could be delivered, when the small fort Panaroekan would then fall completely into disuse; and this for the following reasons: Firstly, because Lamadjang, considered as the key to Balemboangang, can be regarded from there quite as easily and expeditiously as from Panaroekan for sending reinforcements, provided the roads inland are made suitable for it. Secondly, because in troubled times the native is not so readily afforded an opportunity to retreat inland to his hiding places and to harvest. Thirdly, because being in the vicinity of the newly subjugated western districts, it can keep a closer eye on their movements and activities than Panaroekan. Fourthly, that with respect to the products from those small districts, they can be delivered there with less burden to the native, and brought down from there to Passarouang. And finally, for the reason that Lamadjang has appeared to me most necessary and useful to be designated as a main post, in case those western places such as Djember, Sabrang, Poeger, Bangle, and Tjirmee, and Noessa added thereto, could be brought under one regency; whereas Centong and Pradjagan ought to be left to themselves, as they are completely separated from those western places by heavy valleys and rivers, have also from old times always been on their own, and are still so inclined, under the protection of the Company. Whereas Centong and Pradjagan, situated closest under Panaroekan
Dutch transcription
105. Van Iavas Oostkust den 31. December 1774 Opgave Der Sabrangse bewoonde Negorijen door den Mantrie Booman bij ons aanweesen aldaar dusdanig opgegegeven uijt volgende manschappen te bestaan als Naemen der Negorijen Bewoond met Coppen Gapek - - - Doemet Dempok petut - - - - pagrinden- - Dirto . Beleek 16: Negorijen te zaemen . Gloendang=an - - - - - - - „ 6 petut Tjeleek - – – – – – – – „ 3 Zelogo Sarie - - - - - - - „ 6 Sabrang - - - - - - - - - - - - „ 60 Beloop - - - - - – – – – „ 13 Wangkis - - - - - - - - „ 11 Gai=aam - - - - - - - - - - „ 5. Djadjang - - - - - - - - - - - „ 30 ketanon - - - - - – – – – –„ 10 17 „ 4 bewoond met Coppen 244: – ––„ „ 7 -- ---–„ 4 -- - - „ 47 -- - -„ 11 - - - – – – – – „ 10 Den 9 de deel — -- - — -- – – – — Den bovengemelde mantrie Rooman hooft van Sabrang verklaart van sijn District 's jaars aan de E: Comp: te kunnen leveren als 1: picol waax en 1 picol Catoen gaaren Sabrang den 10: September 1774 /:was geteekent:/ dit is 't merk van den mantrie Bappa Rooman /:geteekent:/ A:n van Rijck en I: A: Steenbergen. van Javas oostkust den 31: December 1774 107. Van Iavas oostkust Den 31: December 1774. Copia consideratien op het ingediend berigt van gecommitteerdens nopens hunne verrigtinge in de districten van het neder of westelijk Balemboangang als Pa„ naroekan Prajagan Centon djember en Sabrang met de bijlagen daar toe relatief gedagteekend zamatjang den 20. September 1774. item het berigt van gecommitteerdens met derselver Bijla„ „gen gerigt aan de resident aldaar gedagteekend oeloepampang den 30. Augustus 1774. eerbiedigst opgedragen Aan den wel Edelen Achtbaaren Heer Iohannes Robbert van den Burgh Gouverneur en Directeur op en langs Iavas Noord oost kust k: h: h: Wel Edele Achtbaare Heere Ter gehoorsame beantwoording aan uwel Ed: Achtb: ge„ respecteerde beveelen bij aparte Missive van den 14: Novemb:r 1774. deel Decemb:r 1774. Iavas oostkust Den 31:' Van 1774. om op het ingediend rapport van gecommitteerdens in hoofde deeses gemeld te dienen van consideratien in hoe verre de voorstellen de gecommitteerdens al - of niet soude kunnen werde geamplecteerd dan wel dienen te worden gealtereert soo hebbe de Eere bij deese geringe aanmerkinge op deselve uwel Edele 8 Agtb: hoog wijser oordeel en correctie Eerbiedigst op te dragen het navolgende 1: om de weegen Landwaarts in van Balemboangang na Adirogo en van daar weder derwaarts bij be„ kwaame gelegentheijden te suiveren en te bekwaamen tot een vijlige Transport en opassagie 2: soo ook het D Jambersche district van haare woes„ teneijen te suiveren en langsamer hand tot de voor„ teling der Producten als planting van rijst soo veel de natuur en gesteltheid van dat district het kan te wege brengen te bekwamen. 3: omtrent Compagnie sterkte te adirogo op eigent„ lijk Antirogo mij soo verre wel aanneemelijk voorkomt 1 109 o 1774 Javas oost Cust Den 31: Decemb: 174. Van voorkomt het rapport der gecommitteerdens nogtans bij het selve mijne nadere overweginge onder correctie daar bij voege dat ik nu van oordeel sijn soude dat de compagnie sig ook indie districte diende sterk te maken waarom de opost Pamatjang voor een hooft post in het wester gedeelte souden kunnen aangenoomen werden en dus versterkt en beset door een officier, twee sergeants twee corporaals een Tamboer en Dertig ge„ meene van de arthillerij Een cannonier en Twee Bosschieters en Een ondermeester en alwaar de producten van Djember Sabrang en sijn onderhoorige negorijen soude kunnen geleeverd worden wanneer dan het fortse Panaroekan geheel komt te vervallen en wel om de navolgende reedenen: Ten Eersten om dat lamadjang als de sleutel van Balemboangang geconsidereert van daar wel zoo faziel en spoedig als van Panaroekan tot secours versending kan aange„ „merkt worde mits de weegen Landwaarts in daar toe bekwaam worden Ten Tweede om dat bij Troubelen tijden den Jnlander soo spoedig geen geleegentheid verschaft word 174 deel Van Iavas oostkust den 31. December 1774. word om hun na hunne onderschuilhoeke landwaarts in te kunnen retireeren en oestelen ten derde om dat het selve in de nabijheid van de nieuwe onderworpene wester districte hunne gangen en gedoentens nader bij in 't oog kan houden dan wel Panaroekan ook ten vierde dat ten opzigte der producten uit die dis„ trictjes daar tot minder Last van de Inlander kun„ nen gelevert en van daar beneden na Passarcuang afgebragt worden en Eindelijk om reeden dat Pa„ omatjang tot een hoofd post mij voorgekomen is noodsakelijkst en nuttigst te sijn aangemerkt in der tijd die wetterse plaatsjes als Desember Sabrang Poeger Bangle en Tjirmee en noessa daar bij gevoegt onder een regentschap soude kunnen werde gebragt daar lentong en Pradjagan op hun selve diende gelaten te worden als geheel van die wester„ sche plaatsjes door swaare valijen en rivieren afgescheiden ook van oude tijd altoos op hun sselve sijn geweest en daar toe als nog inclineeren onder de oprotectie van de Compagnie. Daar centong en Pradjagan, als digst onder Sanaroekan gelegen
English
138. From Java's North-East Coast, 31 December 1774. situated, could transport their few products from there to the beach at Panaroekan or Besoeki and even ship them out in the vessels which then, at convenient times, could be planned there for the embarkation thereof. Because Panaroekan, seen from behind upon closer consideration, does not appear to me to be of such importance as Lamadjang in times of rupture in Balemboang, which is why Panaroekan, leased in the manner of Besoeki, these two small places could suffice with the addition of a faithful native under the name of Ingebij who would have to look after the Company's arriving and departing commandos and letters, and his share, as in the future when everything has been brought to peace and order, a separate arrangement over districts will be required and partly assigned, because from the side of the beaches no misfortune is to be expected so quickly that it cannot be timely provided for from Sourabaija, Passorouang and Balemboangang, where shipping and cruising are also kept in motion throughout the entire year From Java's East Coast, the 31st December 1774. to prevent the smuggling trade, as one can always sail from Sourabaija to Balemboangang within thirteen days at the most, even in the heart of the east monsoon, because due to the stretch of the lands and mountains the monsoon does not have so much force in the course hither and thither, as was proven during the journey of the undersigned, who completed it in eight days thither and eight days hither in the heart of the west monsoon. 4: Concerning the fugitive eastern Balemboangers discovered by the commissioners during their commission, who have settled in the western districts, they could be referred back to their land in an amicable manner, but if not inclined thereto, they should also not be forced to do so. 5: For the clearly cited reasons of the commissioners, it would appear to me that Dengorij, Poeger, Bongle and Tsume must remain under the old Renes, nicknamed Sabrang. 6: Their statement regarding the island Noessa 103. From Java's East Coast, 31 December 1774. where about how best brought under subordination has already been presented in a previous remonstrance, appears very acceptable to me, for the reason that the island in itself can bring no benefit to the Company, only the few bird cliff islands thereabout being leased by the Company, which however are accurately listed in the report of the commissioners; and one should try to make access to the same from the side of Batoe Oeloe easy and secure, which places, after the subordination of the aforesaid island, could well be investigated closely in order to provide means and counsel for protection against any attempts by foreign nations and pirates, who seem to be concerned only with the aforementioned bird cliffs. 7: The boundary division having then been agreed upon from both sides with satisfaction, it would, in my humble opinion, be serviceable that at that place, on the Company's behalf, a boundary post were placed as a marker and subsequently, after obtaining approval, were inserted and accepted into the deed of obligation on behalf of the Balemboang From Java's East Coast, 31 December 1774. Balemboang regent. 8: Concerning the submitted list and present state of eastern Balemboangang surveyed by the commissioners, I find nothing to remark upon, except only that I would deem it necessary that such a survey should take place annually in the driest months for the first four years, in order thereby to be able simultaneously to check very accurately whether any settling by foreign nations were discovered. With which I have the honour to subscribe myself with deepest dutiful obedience and respect. was written below: Right Honourable Sirs, lower: Your Right Honourable's humble servant, was signed: P.r Luzac, in the margin: Sourabaija the 29 November Anno 1774, below: Agrees, signed: R: van der Burgh. Copy 315. From Java's North-East Coast, 31 December 1774. Copy of a separate letter written by the Commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's North-East Coast, dated Sourabaija, the 3rd June 1774. With respectful and most obedient notification that the Pangerang Regent at Madura, during which time I had the honour to receive Your Right Honourable's revered both circular separate and separate letter, both of the 7th May, spent some days here and will have returned home to Madura again via Grissee, I most humbly request excuse for the belated answering thereof, and have the honour at present to serve on the same: That upon receipt of the circular speaking of the crop, I simultaneously sent out my most earnest exhortations to the respective residents and regents of the subordinate offices to provide in time for the collection of rice, and that I, for my part, shall pay the utmost possible attention to the same, so that from what thus far, by God's goodness, stands favourably
Dutch transcription
138. Van IavasoostCust Den 31:' December 174. geleegen hunne weinige producten van daar soude kunne afvoere na de strand onder Panaroekan of Besoeki en selfs afscheepen in de vaartuigen welke dan ter be„ kwamen tijden daar ter in scheep van deselve soude kunnen worde geprojecteerd. want Panaroekan nm van agteren beschouwt bij nadere overweginge mij van soo een gewigte niet voorkomt als lamadjang bij tijd van rupture in het Balemboangsche waarom Panaroekan op de wijse als Besoeki verpacht deese twee plaatsjes soude kunnen volstaan onder toevoe„ ging van een getrouw Jnlander onder den naam van Jn„ gebij die voor compagnies af en aankomende Comman„ „dos en brieven soude omoeten sorgen en sijn aandeel als in het vervolg wanneer alles in rust en onder sal sijn gebragt over districten een apparte schikking sal vereischt en ten deel worde toe gekent want van de kant der stranden soo spoedig geen onheil te verwachten is of het Man van sourabaija Passorouang en Balembo angang bij tijds voorsien werden daar ook devaart en kruissing het geheel jaar in beweeging gehouden word deel Van Javas oostkust den 31. word ter weering van de smokkel handel daar men ook in het haartje van de oostmousson altoos van sourabaija in uitterlijke dertien dagen na Balemboangang kan seilen want door de strekking der landen en gebergte„ heeft de mousson soo veel kragt in de cours herwaarts en derwaarts met gelijk gebleeken is bij de rijse van den ondergeteekende die deselve in agt dagen derwaarts ƒ. en agt dagen herwaarts volbragt heeft in het hartje van de westmousson. 4: over de door de gecommitteerdens in hunne commissie ontdekte verloopene oostelijke Balemboangers die hun in de westelijke districte hebben neer geset soude deselve op een minnelik wijse na hun land kun„ „nen verweesen worden dog daar toe et inclineerende ook niet tot het selve dienen gedwongen teworden. 5: om de duidelijk aangehaalde reedenen der gecom„ „omitteerdens soude het mij voorkomen dat dengorij Poeger Bongle en Tsume onder het oude Renes bij genaamt Sabrang moet blijven sorteeren. Noessa 6: Hunre op gave omtrent het Eiland December 1774. waar 103. Javas Oostkust Den 31: Decembr 174. Van waar over hoedanig best onder suboudinatie gebragt bereeds bij voorige vertoog is voorgedragen komt omij seer aanneemelijk voor om reedenen het eiland op sig selve geen voordeel aan de Compagnie kan toebrengen sijnde alleen de weinige voogel klijpen daar omstreek door de compagnie verpacht welke egter bij het rapport der gecommitteerdens net sijn opgegeeven en omen de toegang tot deselve van de kant van Batoe oeloe soude moe„ ten trachten gemakkelijk te maken en te secureeren welke plaatsen na sibordinatie van voorsz Eiland wel eens nauwkeurig konde ondersogt worden ten eijnde middel en raad te schaffen tot bevijliging voor eenige aansoek van vreemde oatien en seerovers, dewelke het alleen schijnt te doen sijn om voormelde vogel klippen. 7 de bimiatschijding dan van weder sijde met genoege getroffen sijnde soude het na mijn gering oordeel diens„ „tig sijn dat op die oplaats en comp: wegen een schijde paal tot een teeken gesteld wierd en bij vervolg na bekomen approbatie in de acte verband van wegen de Balemboangs de deel Van Iavasoost kust den 31. December 1774. Balemboangs regent geinsereert en aangenomen wierd. 8: over de ingediende lijst en Presente staat van het oostersche balemboangang door de gecommitteerds opgenomen vinde ik niets aantemerken als alleen dat sodanig een opneem sjaarlijks in de droogste - maanden te geschieden voor de eerste vier Iaren wel soude nodig oordeelen om daar bij nauwkeurigst tefpens te kunnen nagaan of ook eenige innetteling van vreemde natien ontaekt wierd. Bij het welke ik mij de Eere geeve met diepe schul„ digste gehoorsaamheijd en ontsagt te onderschrijven. /:onderstond:/ wel Edele Agtbaare heere /:lager:/ uwel Edelens achtb: onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P„r Luzac /in margine:/ Sourabaija den 29 no„ vember Ao 1774. /onderstond:/ Accordeert /:geteekend:/ R: van der Burgh. Copia 315. Van Iavas oost Cust den 31. December 1774. Copia aparte missive door den gesaghebber te Sourabaija M„r Pieter Euzac geschreeven aan den ondergeteekende gouverneur en directeur van Iavas woord oostkiust gedateerd sourabaija den 3: Junij 1774. Onder Eerbiedige en gehoorsaameste bedeeling dat den pangerang regent te Madura in welke tijd ik de Eere had te ontvangen uwelEd: Achtb: gevenereerde soo circu„ lair apart als aparte mitsive bijde van den 7: meij alhier eenige dagen heeft door gebragt en om weder over grissee te Madura sal sijn thuis gekeert soo ver soeke ootmoedigst excuse over derselver tardative be„ antwoording en hebbe de Eere thans op deselver te dienen Dat ik bij ontvangst der circulaire spreekende over het gewasch de respective residenten en regente„ der subalterne Comptoiren mijne ernstigste aanspoo„ „ringen om in tijds te sorgen voor den Jnsaam van rijst teffens heb laten afgaan en dat ik van mijn kant allermogelijkste attentie omtrent het selve sal vestigen op dat uit het door godes goedheid dus verre voordeelig staande deel
English
standing crop Company's Contingent is collected early. I have brought Your Honourable Worships' favourable qualification to the knowledge of the Regent of Sumanap regarding the dispatch of a Javanese vessel with rigging to a certain Matja-Pait at Macasser, as well as informed the Captain of the Chinese Hang Boeijko to what extent he is licensed to send his two barques and one sloop with rice to Malacca, of which shipment he now desists on account of the small quantity to load those small keels; and at the same time, by extract of the same missive through the Passourouang Commandant, I have let the brave Regent there know of Your Honourable Worships' intentions, which are as favourable to him as they are salutary for the districts. The preparing and maintaining of each at least 100 to 150 good warriors under prominent chiefs, though at the same time competent vessels for their transport so as to be able to cross over at the first order to the rendezvous to be named later, having also been instructed by me to the Pangerang of From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Madura — 337. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Madura and the Regent of Sumanap, we have received the reply from those Regents that the highly revered orders of Your Honourable Worships would be complied with and were already being held in readiness by them until further much-respected orders from Your Honourable Worships. Nevertheless, subject to correction, I understand that the Easterners to be employed for this purpose will need to be taken from the companies at Oeloepampang, unless it should please Your Honourable Worships to qualify me to order the Passorouang Commandant to recruit from the regencies of Passorouang, Banger, Bangil, Besoekie and Samatjang as many effective Easterners as shall be found necessary for that expedition. The Master Carpenter Klaas de Egter being now about to cross over to Balemboangan, I have already given orders that the battoors shall be shipped thither under good chiefs according to the division last proposed by me, while I shall not fail to make use of the good season, in which I hope everything will for the most part have been concluded, and to take care that the same is not wasted, so that before my departure for Batavia I may see everything completed in that order, to have the honour of waiting upon their High Nobilities and Your Honourable Worships humbly with it, before which I should not gladly leave home. I have written to the Resident there concerning Your Honourable Worships' favourably granted qualification for the stipulated provisions by full extract thereof, and I am still awaiting his statement regarding the prices for the generally required fish, dingding and salt. With the departure of the pantjalling De Bestendigheid, all extraordinary allowances under the name of the cruising fleet now cease, and that I have further come around to the opinion of employing there permanently for the first two to three years, or preferably as a guard ship, an able, well-armed though light vessel of slightly smaller calibre than the Johannes Cornelis, I shall have the honour to advance, subject to correction, that these expenses would be incurred for that time From Java's East Coast, the 31st of December 1774. so that, as long as our position there is not yet secure and regulated, just as one still has no clarity from the side of Tjembrana, a display can be made before the eyes of our neighbours, and upon discerning any hostile movements from that side, then combined with the cruising vessels as their leader, to see ourselves immediately in a position to offer resistance to an initial uprising that will give them a severe blow; for I am of the conviction that certain of the Balinese petty princes, scheming and conspiring with the pirates of and around that quarter, may be enabled to assemble a quantity of vessels, often of large calibre, and thus, composed together with their sampans into a well-equipped small fleet, could often unexpectedly risk an incursion into our seas there, against which our four cruising prau-mayangs could do nothing. Yet, joined with and having at their head a well-armed light pantjalling, this could contribute much, whereas the Johannes Cornelis and the Petronella, although sailing back and forth well enough, have long journeys in the east monsoon to be able to serve as relief in the event of an incident; for that our neighbour Bali is still lying in wait and lurking upon our actions, I must firmly maintain as long as some of the Balemboangan rebels still hide among them, as the reports indicate to us with certainty. Wherefore my further reflections in that regard have also been given merely as problematic, with a view to a guard ship there for the first two years. That I was very much mistaken regarding the age of the present pantjallings here, I beg excuse; however, with good reason I can mention that the same, sailing up and down in these seas of Balemboangan, these small keels become worn out ahead of time, and that I do not believe one will be able to employ these for another two years with success, although I hope for the contrary, and for their maintenance according to the scope of the equipage goods I shall as much as possible direct my most dutiful attention. From Java's East Coast, the 31st of December 1774.
Dutch transcription
staande gewas Compagnies Contingent vroegtyjdig inge„ samelt word. Ik heb den Sumanaps regent ter versending van een Javaans op aande tuig aan seekere Matja-Pait te Macasser uwel Ed: achtb: gunstige qualificatie ter kennisse gebragt soo wel als dat ik den capitein der Chineese hang Boeijko heb verwittigt in hoe verre het hem gelicentieert is sijn twee Barquen en ben sloep met rijst na Malacia te senden van welke versending hij den nnu afziet om de wille van de ge„ ringe quantiteit ter belading van die kieltjes en heb ik teffens bij Extract der selver missive door den passou„ rouangs Commandant den brave regent aldaar vwelEdele achtb: soo gunstige intentie voor hem als heil saam voor de districten laaten weeten. De ingereedheid brenging en houding ieder ten minste 100 a 150 goede krijgers onder voorname hoofden dog teffens bekwaame vaartuigen tot derselver transport om op de eerst ordre te kunnen oversteeken na de nader te be„ „noemen rendevous door mij teffens den pangerang te Van Iavas oostkust den 31. december 1774. Madura — 337. Van Javas oost cust Den 31: December 174. Madura en den regent van sumanap opgedragen sijnde soo hebben wij die regenten geantwoord dat aan de hoog gevenereerde beveelen van uwelEd: achtb: soude beantwoord worden en door hun bereeds ingereedheid gehouden wierden tot nadere veel gerespecteerde ordre van uwelEd Achtb: nogtans begrijp ik onder correctie dat de daar toe te emploijeeren oosterlingen uit de compagnien te oeloe„ pampang sullen dienen genomen te worden ten sij het 4: uw Ed:e achtb: behaagde omij te qualificeeren om den pas„ sorouangs Commandant te ordonneeren uit de regent„ schappen Passorouangs Banger bangil Besoekie en Samatjang soo veel effective oosterlingen aan te wer„ ven als tot die Expeditie sal benodigt worden bevonden. De Baas Timmerman klaas de Egter dan na Ba„ lemboangang staande overtegaan heb ik bereeds ordres gesteld dat de Battoors na de door mij laast voor gedrage verdeeling onder goede hoofden derwaarts afgescheept sullen worden terwijl ik niet ingebreeken sal blijve de goede tijd waar in alles verhoope voor het grootste gedeelte sijn beslag sal genomen hebben maar te neemen de deel neemen en te sorger dat deselve niet verspielt word op dat ik voor mijn vertrek na Batavia alles in die ordre mag sien vervaardigt om de Eere te hebben haar hoog Edelheedens en uwel Ed: achtb: daar meede needrigs op de wachten voor het welk ik niet gaarn eerder van huis soude gaan, Den resident aldaar heb ik uwelEd: achtb: gunstig verleende qualificatie tot de bepaalde verstrekkinge bij volleedige Extract der selver aangeschreeven en ben ik sijn opgave omtrent de prijse voor het in het algemeen benoodigde vis Diigding en zout nog te gemoed ziende Met vertrek van de Pantjalling De Bestendigheid alle Extra ordinair verstrekkinge onder de naam aan de kruisvloot nu cesseerende blijvt en dat dat ik nader in het gevoele gekomen ben om aldaar permanent voor de eerste twee adrie Jaeren in emploij te laten of Liefst voor uitlegger en bekwaam wel gear„ „meerde doch licht vaartuig iets kleinder van caliber dan de Johannes Cornelis sal ik de eere hebben onder correctie te advanceeren dat die onkosten voor die tijde Van Iavas oostcust den 31. December 1774. zoude 119. Iavas oos kust den 31. Van Decemb=r 1774. soude gemaakt worde om soo lange onse seet aldaar nog niet zeeker en geregult is gelijk men van de kant van Tjembrana nog geen uitsluitsel heeft voor het oog onser na„ buuren een vertooning te maaken en van die kant eenige vijandelijke beweegingen bespeurende als dan geconjungeert met de kreis vaartuigen als aanvoerder van deselve ons aanstonds in staat gestelt te sien voor een eerste oploop tegenstant te bieden die hun een ge„ „voelige neep geeven want ik ben in die verbeelding dat deese en geene der Balische vorstjes konkelende en te samen spannende met de zeerovers van en omtrent die oort sij in staat kunne gebragt worden een quanti„ teijt vaartuigen dikwerf van groote Caliber bij een te en brengen en dus te samen gesteld met hunne Sampangs in een wel toe geruste vlootse dikwerf onverwacht in onse seen aldaar een uitval konde woogen waar tegen onse vier kruisprauwmaijangs niets soude vermogen. dog geinsungeert en tot hun hoofd hebbende een wel ge„ 1 12 armeerde ligte pantjallang veel soude kunnen Contri„ bueeren daar de Johannes Cornelis ende Petronella voor soo deel voor soo verre wel af en aanvaarende egter in de oost mousson lange togten hebbende om tot secours bij toe val van het een en ander te kunnen dienen want dat onse nabuur Balij nog op sijn luimen legt en loert op onse verrigtinge moet ik vast stellen soo lange er nog van de rebellen der balemboangers onder hun schuijlen gelijk de rapporten ons met seekerheijd opgeven weshalven ook mijne nadere bedenkingen daar om„ trent ook maar problematicq is opgegeeven ten suptte van een uitlegger aldaar voor de eerste twee Jaaren dat ik mij omtrent de ouderdom der presente opantjallings alhier seer misgist heb verbidde ik excuus egter kan ik op fundament in een ik aanhaalen dat deselve in deese seen van Balemboangang op en neer va„ „ende die kieltjes voor de tijd afgevaaren raaken en dat ik niet geloofd omen deese nog twee Jaeren met succes sal kunnen emploijeeren waar meede ik egter het te„ gendeel verhoope en voor dies onderhoud na de strekking van de Equipagie goederen soo veel als het mogelijk is mijn schuldigst: attentantie vestigen sal Van Iavas oost ust den 31. December 1774. van
English
323. Java's East Coast, the 31st of December 1774. Since no dispatch to Noessa from our side or from Adirogo has taken place for a long time, it will appear to Your Honorable Worships from the extract of the Oeloepampang communication that the dispatch to Batoe Oeloe, attempted once and again, has now failed once more and is held to be almost impracticable. For those vessels always encounter a difficulty at the latitude of the south point of Goenoeng Ikan, which they must first double if they wish to arrive at Caajagan, from whence the passage to Noessa is rendered so difficult, and the turning of the monsoon, whether in the month of March or April, October or November, is held to be the most peaceful for large and small vessels to double the south point. Thus I have written to the resident to suspend for the time being any further attempt thither. That I cannot as yet have the honor hereby to wait most respectfully upon Your Honorable Worships with the promised instructions for the commissioners in the committee for determining the borders between Eastern and Western Balemboangang and the accurate survey of the lands, Java's East Coast, the 31st of December 1774. I flatter myself that the reasons to be cited will merit Your Honorable Worships' most favorable consideration. On the one hand, because the daily incoming reports inform me that the heavy rains persisting in the mountains still render the rivers and roads impassable for transit. On the other hand, because I am still awaiting from Resident Schophof his statement and reply as to how and who from that side can be employed in the same without hindrance, and without causing any deficiency or delay to the relocation and the construction of the forts, for which the presence of the Pattijs will indeed still be required. And thirdly, because the second in the commission, Ensign Fisscher, still lies sick and weak here, though not without hope of a speedy recovery. And whereas I have had the honor to inform Your Honorable Worships concerning this officer in my private letter, and that I have in the meantime left the Lamadjang postholder Steenbergen in his place in command at Adirogo, and again in his place to camp there a capable sergeant, I therefore most humbly request Your Honorable Worships' further approval of these arrangements. For the recently appointed regent over Eastern Balembaangang, 123. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Wiro Goeno, and his two Bepattijs, I shall then in due course cause a proper deed of obligation to be executed, and I have also written to the resident regarding the arrangement to leave the cotta in the charge of the Bepattij. And according to what Hang Boeijko has reported in that regard concerning the account of the lease of Balemboangang, Lamatjang, Malang, and Antang, I have the honor hereby most obediently to inform Your Honorable Worships, namely that from the Balemboang district during the past year there was picked twice: once 33 katjes, once 24 katjes; in the Malang district once: 8 katjes; Lamadjang once: 4½; yet the places of picking themselves are unknown to the lessee. The expenses for the same in the past year for the crew and charter of a vessel amount more or less to three hundred Spanish Rds. Expressing my most humble thanks for the highly favorable disposition of Their High Excellencies concerning the so-called Western part of Balemboangang toward the exemption from all contributions and burdens for a period of three years, that is for 1774, 1775, 1776, as well as for the permission granted to the Pangerang of Madura to settle his previous year's arrears of cadjang in cash at 40 Dutch Rds. per coijang, which has also already been paid by His Highness; I shall, given that the cadjang in the Sumanap and Pamacatsang districts has not turned out so well, apply as much care and attention as possible in order to comply with the highly esteemed requisition of Their High Excellencies. December 1774. From Java's East Coast, the 31st of The mantrie Dirma Goedo not having yet paid his moneys imposed upon him for payment by the Landraad, I shall dun him for it and upon receipt remit it to that College, to which I also already addressed the vessels and goods of Wiero Croino by my letters of the 20th of May. Lastly, the old former regent of Candiri, Wiro Dioudso, who arrived here some time ago to visit his family, has made a request to me to make a short trip to Batavia on the occasion of some vessel or other heading thither, so I await Your Honorable Worships' further most favorable qualification on this matter. I have the honor to remain with the deepest esteem and respect, underneath stood: Titul, lower: Your Honorable Worships' wholly obedient and humble servant, was signed: P:l Luzac in the margin: date as above, lower: Agrees, signed: I: R vander Burgh. Copy. 125. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Copy Extract of a separate letter written by the Junior Merchant Hendrik Schophof, Resident at Oeloepampang, to the Commander, Mr. Pieter Luzac at Sourabaija, dated the 2nd of May 1774. Dutifully, though not without regret, I have the honor to communicate to Your Honorable Worship that the two cruising prau mayangs dispatched from here to Batoe Oeloe on the 9th ultimo returned on the 29th past, disabled, with the loss of their rigging, and completely leaking, with the crew stationed thereon exhausted and sickly. With the general report from the same that, due to the heavy south-easterly winds, it had been impossible, though they had made every effort to that end, to double the south point. I therefore most respectfully request Your Honorable Worship's esteemed order whether, once they are repaired and equipped again, I may have it attempted once more with those two vessels, since upon my own judgment, according to the sailors' report, it seems too dangerous to me to allow it to be undertaken.
Dutch transcription
323. Iavas oostkust den 31. December 1774. Van van onse kant of van adirogo geen besendinge na Noessa over lange plaats gevonden hebbende sal het uwel Ed: achtb: uit Extract der oeloepampangs bedeeling te vooren komen dat de afsending ona Batoe oeloe een en andermaal getenteert nu weeder mislukt en voor bij na ondoenelijk gehouden word want die vaartuigen altoos een swarigheijd ontmoeten op de hoogte van de Zuidhoek van de goenoeng gkan welke zij eerst te boven moeten willen zij te Caajagan aankomen van waarde togt na noessa soo difficreel, met word gesteld ende kente„ ring van de mousson het sij inde maand maart of april october of november de Zuidhoek te boven te komen voor groote en kleine vaartuigen het paisibelste worde gehouden dus ik den resident aangeschreeven heb om een nader tentamen derwaards te provisie te surcheeren. Dat ik bij deese voor als nog de eere niet kan hebben uwelEd: Achtb: eerbiedigst op te wachten met de beloofde instructie voor de gecommitteerdens in de Commissie ter bepaaling vande grensen tusschen ooster en de deel Javas oostkust den 31. December 1774. Van en wester Balemboangang en accurate opneem der landen 4 1 sullen de aantehalene redenen uwelEd: achtb: gunstigste consideratie flatteer ik mij omeriteeren eensdeels om dat de dagelijks inkomende rapporten mij opgeven dat de tot nog aangehoudene sware regens in het gebergte de rivieren en weegen voor als nog de passagie onbruikbaar maaken anderdeels om dat ik nog van de resident schophoff ben verwagtende sijne opgave en antwoord hoedanig en wie van de kant tot het selve sonder kinder sal kunnen werden g'emploijeert en sonder dat men toe kor doe of verlet toe„ brengen ior de verhuising en de Extructie der forten tot het welke de preesentie der Pattijs nog wel sal benoodigt sijn, en ten derde om dat de tweede in de commissie de vaandrig Fisscher tot nog alhier siek en smaak legt dog niet sonder hoope van een spoedige herstelling en wijl ik vwel Ed: achtb: over den officier de eere gehad heb te bedeelen bij mijn particuliere en dat ik den lamadjangs posthouder steenbergen soo lange in desselfs plaats te admiogo in het Commando heb gelaten en wederom te gitten in derselver oplaats om daar te campeeren een bekwaam sergeant soo versoeke ootmoedigst over die schikkinge uw Ed„le achtb: nadere approbatie voor den Jongst aangestelde regent over ooster Balembaan„ gang 123. Van Javas oostcust den 31 December 174. gang wiro goeno en sijne beide Bepattijs sal ik dan bij ge„ legentheijd een behoorlijke acte van verband laten passeeren en heb ik ook de schikking omtrent de cotta onder den Be„ pattij te laten berusten den resident aangeschreeven, en na het geen Hang Boeijko ten dien reguarde komt op te geven over de reekening der pacht van Balemboangang lamatjang Malang en Antang heb ik de eene bij deese uwelEd: achtb: gehoorsaamst te bedeelen namentlijk als uit Balemboang„ sche voor het gepasseerde Jaar tweemaal geplukt een 33. katjes eens 24. katjes in het Malangsde eenmaal 8: katjes Samat„ Jang eenmaal 4½ dig de plaatse der plukking op sig selve sijn hen pagter onbekent de kosten tot het selve in het gepasseerde Jaar voor het volk een vaartuige in huur beloopen min of meer op drie honderd rd„s spaans voor de hoog gunstige dis„ positie hunner hoog Edelheedens over het soo genaamde was„ telijke gedeelte van Balemboangang tot onthef van alle contributien en lasten voor drie Jaaren tijds dat is voor 1774, 1775, 1776 soo wel als voor aen pangerang te Madura de vergunning sijner voorjaarige agterstal van cadjang noet contanten te voldoen tegen 40 rd„s holland. de coijang en het welk ook bereeds door sijn hoogheid is voldaan mijn ootmoe„ digst dank betuigende soo sal ik aangesien de Cadjang inde sumanapsehe en pamacatsangsche districten soo wel niet geslagen is soo veel borgen en attentie aanwenden als mogelijk is ten einde aan het oog g'eerde requisit van haar hoog deel December 1774. — Van Iavas oostkust den 31: hoog Ed„s te kunnen voldoen. De mantrie Dirma goedo sijn peningen bij den land raad hem opgelegt ter betaaling nog niet voldaan hebbende sal ik hem daar over aanmaanen en bij ontfangst remitteeren aan dat Collegie aan het welke ik ook bereeds de vaartuigen en goederen van wiero Croino bij mijne letteren vanden 20 meij heb geaddresseerd Laastelijk nog de oude regent voor heen van candiri wiro di„ oudso voor eenige tijd ter visite van sijn famillie alhier aange„ komen heeft mij versoek gedaan om bij geleegentheid van een of andere vaartuig derwaarts een springtogje na Batavia te doen dus hier op nader uwelEd: achtb: gunstigste quali„ ficatie blijve in wachten. Ik heb de eere met diepste achting en Eerbied te verblijven /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed: achtb: gantsch gehoor„ saame en onderdanige dienaar /:wat geteekend:/ P:l Lizac /:in margine:/ dato voorschreeven /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ I: R vander Burgh, Copia 125. Van Iavas oost cust den 3: December 174 Copia Extract aparte missive geschreeven door den ondercoopman Hendrik Schophof resident te oeloepampang aan den gesag„ hebben M„r Pieter Luzac te Sourabaija dato 2: meij 1774. Schuld opligtig dog niet sonder leedweesen heb ik de Eere uwel Ed: achtb: te Communiceeren, dat de tweeop den 9' passato van hier na Batse oeloe gedepecheerde kruisprauw maijangs den 29 Jongst haveloos niet verlies van haar Tungagie en ten eenemaal lek met de daar op geplaatste volkeren afgemat en siekielijk te rug gekome sijn met algemeen berigt van de„ selve door de sware zuid ootte winden ondoenelijk was geweest daar toe alle pogingen hadden aangewend, de Zuidhoek te boven te komen versoeke dan eerbiedigst om uw Ed:s Achtb: g'eerde ordre of zulks andermaal met die twee vaartuigen nase wederom hersteld en Equipeert 4 sijn mag laten probeeren daar het mij op eigen goed„ vinden na der zeelieden opgavi te gevaarlijk voorkomt te laten onderneemen Nader deel
English
From Java's East Coast, 31 December 1774. Extract of a separate letter written by and to the same as above on 12 May 1774. Regarding the collection of all teak timber from Gunung Ikan for Banyuwangi, required both for palisades for the fortress and for building timbers for the dwellings, gates, and bridges, I believe that within a period of 20 days sufficient quantities will have been brought to their location without hindrance. Upon departure from here, the pantchiallang De Johannes Cornelis will be allowed to carry another cargo of long building timbers to Banyuwangi. That vessel is no longer required here until the relocation takes place with the entire establishment, though no time can yet be set for it. I shall therefore take the liberty of making a further request, and I believe that by 1 July next a beginning can be made with the construction of the fortress, if only the carpentry work can make steady progress, in order to erect the buildings all at once in proper form. In the meantime, there will also be enough work for all the laborers, of whom I currently have 120 men in service, in clearing away the heavy unhewn trees and other wilderness near and where the fort is to be placed. By that time of 1 July, I then request that arrangements be made for the 200 Battoors with their headmen to be here. Further 127. From Java's East Coast, 31 December 1774. Further extract from the same letter. A pantchiallang of the size of De Johannes Cornelis can be of as little use here as an outpost vessel as it is for cruising, because it is too large and heavy, whereas a lighter vessel of 5 to 6 lasts, strongly built and well equipped, would be far more useful both for cruising against the pirates and otherwise. Up to now I have received no news in response to my letter to Gusti Ngurah at Jembrana, nor can I at present discover the least sign from that side, as everything is quiet without a single vessel or anything from Jembrana having shown itself near or around the strait for a long time. The Jembrana people have also always been accustomed to coming down by sea and by land annually around the west monsoon across from Banyuwangi to hunt deer, and in the spring during the months of March and April to make sugar in abundance there from the aren palm trees; yet they have completely abandoned both activities, without anyone being able to discover what one should conclude with certainty from this silence. Whether it is out of fear of the capture of Banyuwangi or because of some evil design, time will best show us, and vigilance against the latter must indeed remain our greatest care and occupation. With the equal distribution of the households among the headmen, one ought to proceed slowly, in order to prevent grievances unnoticed, and in the event of an increase in population or the death of any headmen, then come to the aid of the weak. Whether one will be able to finish both forts before the onset of the west monsoon, I cannot in any way guarantee, as we lack the labor force for it. Clearing away the heavy wilderness takes almost as much effort as all the other work, and no beginning can be made on the small fort beyond Pakem before Banyuwangi is finished. I take the liberty most humbly to request Your Right Honorable's favorable recommendation to the Honorable, Valiant, Highly Esteemed Governor to obtain authorization to have a brick-and-mortar powder magazine built both at Banyuwangi and in the smaller fortress beyond Pakem for storing those dangerous combustible materials, so that we may remain out of danger in the event of an unexpected fire or otherwise. Agrees. It was signed: P. Luzac. Lower: Agrees. Signed: J. R. van der Burgh. Copy 129. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy of a separate missive written by the Commander at Surabaya, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Surabaya, 21 June 1774. With the most obedient presentation of the enclosed detailed report concerning the expedition against the island of Nusa, sent with the Pasuruan letter of the 8th, it will appear to Your Right Honorable that it does not differ much from the previous considerations as well as my own regarding the matter. Ensign Fisser, who begins to improve daily, having also been presented with this here, likewise agrees with it and with his previous statement. Wherefore the general desire is solely that, upon obtaining authorization from Their High Mightinesses, the same be carried into effect, adding only whether our pantchiallangs De Johannes Cornelis and Petronella will be employed for this expedition, and whether one or two well-equipped, sturdy barques from Batavia would not be highly necessary for it, besides the Juwana or Rembang prahu mayangs, and that all preparations for it be ready by the month of October, so that with the end of that month and November, when the seas around the South are judged to be the calmest, it may be dispatched and executed, in order to avoid being hindered before the circumstances described in the said letter.
Dutch transcription
Van Iavas oost cust den 31. December 1774. Extract aparte Brief door en aan als even ge„ schreeven den 12. meij 1774. Aaangande de vergadering van alle Jati houten van de goenang Jkan voor Banjoewangie soo tot palisaden voor het fortres als bouwhouten der wooningen poorten en bruggen benoodigt meene dat binnen tijd van 20 dagen toerijkende op haar plaats sonder verhindering sulle gebragt sijn sal de pantjallang De Johannes Cornelis bij vertrek van hier een lading van lange bouwhouten nog laten naar Banjoewangie meede neemen is dat vaartuigen verder hier niet benoodigt voor dat de verhui„ sing eens met den geheele omslag geschied egter nog geen tijd in kan gestelde werden sal ik dan daarom eens de vrij„ heid gebruiken nader versoek te doen en meen ik dattegens op„s Julij aanstaande met de Extructie van het fortaes een aan„ vang kan gemaakt werden als de Timmeragie maar voort„ „gang kan houden om de gebouwen dan met eenste gelijk in forma te stellen daar ook nog tusschen op gemelde tijd arbeid genoeg voor alle werk volkeren die tans van 120 koppen in dienst heb sullen vinden het sware ongekapte geboomte en andere wildernissen bij en waar het forth geplaatst moet werden weg te nuimen tegens welke tijd van p=mo Julij dan versoeke het gelieve te schikken de 200 Battoors met haare hoofden hier te zijn. Nader H 127. Van Iavas oost cust den 31: December 174 — Nader Extract uit de zelve Brief Een pantjallang van groote als De Johannes Cornelis kan hier soo min voor uitlegger als ter bekruissing van mit sijn wijl te groot en swaar is daar een ligter van 5: a 6: lasten sterk van gebouw en wel g' Equipeert soo op de roovers te kruissen als andersints vrij muttiger sou sijn. Tot nog toe hebbe geen narigt op omijn schrijven van gusti Moera te Tjembranie erbangt en kan ik van die bijde thans ook niet minste ontdekken als alles stil sijnde sonder een eenig vaartuige ofte iets sig van Tjimbranie bij of om straat in lange heeft laate sien daar de Tjembranische volkeren ook altoos sijn gewoon geweest sjaarlijks als tegen de west mousson aftekomen over see en te lande tegens Ban Joewangie over op de harte Beesten te gaagen en in het voorJaar in de maanden maart en april daar in meenigte suiker van de Jager boomen te maaken datse uit geheel hebbe laten berusten in beiden sonder daar iem and te kunnen ontdekken wat men nu uit deese stilligheid voor het seekerste moet op maken het sij uit vreese voor de buit van Banjoewangie van eenige kwade toeleg sal de tijd ons het best leeren ende maaksaamheid voor het laatste wel de grootte sorge en besigheid daar tegen dienen te blijven Met de gelykstandige verdeeling der huis gesinnen onder de hoofden dient men om ongemerkt de missvoegens voor te komen de deel Van Iavas oostkust den 31: December 174. — komen soo langsaam te werk te gaan bij vermeerdering van volk ofte sterf geval van eenige hoofde aan de swakke dan te hulp te komen of men met beijde forten voor de deurbraak van de west mousson sou kunne kunne klaar raaken kan ik geensints voor instaan wijl de magt van volk ons daar toe ontbreek om de sware wilder„ nissen weg te ruimen neemt bij na soo veel moeijte als het ge„ heele ander werk en kan met het kleine foatjen bezinden pak„ kun geen begin gemaakt werden voor dat men te Banjoe„ wangie klaar heeft. gebruike ik de vrijheid uwelEd: achtb ootmoedigste te versoeken om een gunste voorschrijving aen den welEd: gestr: gr: achtb: heere gouverneur tot erlanging van qualificatie om een bruit magazijn van kalk en steen soo te Banjoewangie als in het mintere fortres besinden pakkum te laten aanbouwen tot bere„ ging van die gevaarlijke Brandstoffen of daar door bij on„ verhoedse brand als andersints bijiten gevaar te blijven (onderkend:/ Accordeert /:was geteekend:/ P: Zuzac /lager:/ Accordeert /:geteekend:/ J: R: van der Burgh. Copie 129. Van Iavasoostcust den 31. December 1774 Copia aparte missive door den gesaghebber te Sourabaija M„r Pieter Luzac geschreeven aan den ondergeteekende gouverneur en directeur van Iavas noord oost kust gedateerd souva„ baija den 21. Junij: 1774. Bij gehoorsaamste aanbieding van inelose nadere opgave over de Expeditie tegen het eiland noessa bij Passourouangsche brief van den 8. sal uwel Ed: achtbare te voren komen dat de selve met de voorige en ook mijne consideratien daar omtrent niet veel verschillende sijn so ook den vaandrig Fisser /:die dagelijks begint te beteren:/ alhier voorgehouden daar meede en met sijne voorige opgave confurmeert weshalven het algemeen verlangen eenelijk is, om bij bekomen qualificatie van haar hoog Edelheedens het selve ten effecten te laaten brengen eenelijk daar bij voegende of wel onse pantjallangs de Johannes cornelis ende Petronella tot deese expeditie te emploieeren sullen sijn, en of net een of twee wel toe geruste stevige Barque van Batavia tot het salve niet hoogst benodigde soude sijn buiten de Joanasche of aembangsche porauw majangs en dat alle de preparatien tot het selve tegen de maand october in gereedheid sijn om met het eindigen van die maand en november, wanneer de zeen om de Zuid het kalmste worden g'oordeeld te zijn te kunnen expedieeren en volvoeren om voor het bij den selve brief bedeelde geval geerteerd deel te
English
at Bangil I have summoned the ingebai from there to this place, pending further highly esteemed orders from your Right Honourable. While, in accordance with your highly esteemed request, I at the same time submit a draft instruction, drawn up according to my best knowledge for the commissioners appointed to the commission for the survey of the Balamboang lands, which, when approved by you, Right Honourable, could then be employed according to circumstances and the letters of the Balamboang resident Schophof, and by which that commission could be allowed to proceed in the coming months of July and August. Furthermore, having nothing worthy of communicating to your highly esteemed attention, I have the honour to subscribe myself with profound respect. Below stood: Title. Lower: Your Right Honourable's most obedient and humble servant. Was signed: P: Luzac. In the margin: date as above. Lower: Agreed. Was signed: I: R: vander Burgh. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy. 131. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy of a copy of a private letter written by the Lieutenant and Commander at Passourouang, Adriaan van Rijck, to the Authority at Sourabaija, Mr Pieter Luzac, dated 8 June Anno 1774. In further humble reply to your Right Honourable's much esteemed private letter of the 4th of this month, it serves to state that, in my opinion, the manner of carrying out the expedition to Noessa is subject to no change due to the delay, except only that the east monsoon, whose winds again stir up the seas in those regions terribly, makes it nearly impossible—except on occasions of calm—for vessels to round the southeast of Java, let alone reach Noessa itself, as has recently been shown by the two cruising vessels sent thither from Oeloepampang. For, supposing that through the long wait those islanders have found themselves somewhat reinforced by others, that will surely not ward off the Honourable Company's force previously projected for it, namely two sufficient and well-armed Company pantjallings, on which some three-pounder cannons can be mounted, along with some hand mortars; and these vessels must be well provisioned and supplied with drinking water, and manned with some good sailors and on each 12 soldiers. Furthermore, six good, well-built Joana, Rambang, and Latsum prau-mayangs, because the best and most weatherly of that sort of craft are found there, and none of them are available here in these districts; each of them to be manned with only one good European sailor and 9 to 10 Javanese ditto, armed with one or two one-pounder light cannons. And these small vessels being thus able to appear before Plindo, where the embarkation must take place, one ought to arrange by that time to be ready from this landward side with some 40 to 50 well-trained soldiers, and I propose some 600 warriors from these districts under the Tumenggungs of Passourouang, Banger, and Bangil. With that, this force together, I think, under God's precious blessing, will be sufficient to subjugate those stubborn islanders; and if one wished to proceed even more securely, one could add the brave Poelang Jiwa of Sumanap with some 200 men of his nation in their own vessels. For from these districts I see at present no chance of getting 10 men of true eastern warriors together, whereas on the contrary the people of Passourouang, Banger, and Bangil burn with zeal to carry out that undertaking, of whose good success I do not doubt in the least. Yet in case, for the aforementioned reasons of wind and sea, one could not succeed in getting our little fleet thither, it should be postponed until the coming month of September or October, when, at the turn of the monsoon, those seas are found to be most moderate and the winds generally subside. Regarding the further requirements of ammunition or provisions, I refer to my previous statement. Hoping hereby to have fulfilled your Right Honourable's much esteemed intention, I take the liberty of subscribing myself with all high esteem. Below stood: Was signed: A: van Rijck. Agreed. Was signed: Below stood: J: R: van der Burgh. Copy. 135. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy of a private letter written by the Authority at Sourabaija, Mr Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 30 June 1774. Since sending off my submissive communications by letters of 3, 7, and 21 June, I have received today letters from Oeloepampang, extracts of which I most obediently submit to your Right Honourable's highly esteemed attention; from the first of which appears the Resident's provided explanation regarding the manner and time when vessels are deemed able to pass the southern cape from there with success, and that the rendezvous point of our troops at Caadjagen is held to be impossible, so that from there one would have to steer directly south to Noessa, where from our side the rendezvous point would have to take place at Blindo. For which reason, subject to your Right Honourable's wiser judgment and approval, I intended to have prepared in advance at Gittem, as the outpost of the aforementioned Blindo, a storehouse for provisions and ammunition, which I would then dispatch there successively by detachments.
Dutch transcription
te Bangil heb ik den ingabij van daar herwaards ontboden tot nader hoog g'eerde ordres van uwelE: achtbare. Terwijl nia hoogst derselver g'eerde begeerde teffens aanbiede een consept Jnstructie voor de gecommitteerdens geprojecteerd in de commissie tot den opneem van de kalemboangsche Landen na mijn beste kennisse opgegeeven welke wij uwelEdele achtb: 1 geapprobeerd als dan na de gelegentheid en schrijvens van den Balamboangangs resident schophof soude kunnen emploieeren en na deselve in de omaande Juli en augustus die Commissie laten voortgang neemen. wijders hoog derselver g'eerde attentie niets waardig te be„ deelen hebbende soo geeve mij de eere met diepe eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed: achtb: gansch gehoorsame en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac /:in margine / dato voorschreeven /:lager / Accordeerd /:was geteekend:/ I: R: vander Burgh. Van Iavas oostkust den 31. December 1774. Copia. # 131. Javas ostcust den 31:' December 174 — Van Copia a copia aparte brief geschreeven door den Lieutenant en commandant te Passourou„ „ang Adriaan van Rijck Aan den r Gezaghebber te Sourabaija M„r Pieter Luzac indato 8. Junij Ao 1774. Der verdere ootmoedige rescriptie van uwelEde achtbare veel g'eerde aparte missive van den 4. deeser diene dat de wijse om de Expeditie op Noessa volgens mijn dunkens door de tardance geene verandering onder heevig is als alleen dat de oostmousson, welkers winden de zeen in die geweste alweder schrikkelijk doen moeden en het bijna en niet als bij stille occagie van dien doenlijk is voor de vaar„ tuigen den Z: O. van Java om te geraaken laat staan tot moessa selfs te koomen so als last gebleeken aan de twee kruisvaartuigen van oeloepampang naar derwaards gesonden want ik stelle eens door het lange wagten die Eilanders sig wat door andere verstrekt zagen dat zal immers niet afweeren sE compagnies magt voor heen daar bereeds toe geprojecteerd namentlijk twee sufficante en wel g'armeerde Compagnies pantjallings, waar op maar Eenige drie op onder Canons kunnen geplaats de deel Javas oostkust den 31: Decemb:r 174. Van E geplaatst worden met eenige handmortiers, en dienen deese bodems wel geproviandeerd en van drink water voorsien te worden en bemandt met eenige goede mattroosen en op ieder 12. militairen voorts k. goede wel op geboede Jo„ anasche rambangsche en latsumsche oprauwmajangs uit reeden aldaar de beste en inelbeseilste van dat zoort vaartuigen vallen en men daar van hier in deese districten geen aan handen heeft ider van dien maar bemaand met een goed eur„ „pees mattroos en 9: a 10. Javansche dito g'armeerd met een of twee Een oponder Cannonetjes en die kieltjes dus voor Plindo daar de overscheeping moet geschieden kunnende verscheinen zoude men tegen dat tyt stip moeten maken van deese land zijde paraat te weesen met een 40 a 50. goede gedresseerde militairen en stel ik een 600 man krijgers uit deese districten onder de Tommongongs van Passourouangs Banger en Bangil daar bij sal die magt gesamentlijk denk ik onder godes dierbare zegen sufficieerende genoeg zijn tot het doen subor„ donneeren van die halsterrige eilanders en wilde men nog zekerder gaan soo zoude men den braven Poelang Iwa van sumanap met een 200 koppen van zijn 133 Van Iavas oost ust den 31: December 174. — zijn natie in haar eigen vaartuigen daar kunnen bijvoe„ „gen want uit deese districten sie ik voor het tegenwoordige geen kans om 10 koppen opregte oostersche krijgers bij mal„ kanderen te krijgen daar in teegendeel van Passourouan„ „gers Banger en Bangilsche volkeren als van iever bran„ den om die onderneeming ter uitvoer te brengen aan welkers goed succes ik gansch niet twijffel. Dog in kas men door de voor aangehaalde reedenen van wind en meer niet konde reusseuren met onse vlootje derwaarts te geraaken so diend het te tandeeren tot in de maand september of october aanstaande als wanneer men in de kentering van de mousson die zeen het moderaatste bevind ende winden sig 41 doorgame Leggen omtrent het verdere beno„ „ digde van ammunitie of proviandt houde ik mij gerefereerd aan mijne voormalige opgave. Hier meede verhoopende aan uwelEd: achtbare de deel Van Iavas oostkust den 31: December 1774. Achtbare veel geerde intentie te zullen hebben voldaan is het de vrijheijd ge„ bruijke van met alle hoog agting 8 mij te souscribeeren /: onderstond:/ 2 /:was geteekend.:/ H: van Rijck Accordeerd /:was geteekend/ /:onderstond:/ J: R: van der Burgh. Copia 135 Van Javas oost kust Den 31. December 174. Copia aparte missive door den gesaghebber te sourabaija M„r Pieter Luzac geschree„ ven aan den ondergeteekende gouverneur en directeur van Iavas noord oostkust gedateerd Sourabaija den 30. Junij 1774. sedert dat ik de eene hae mijne submissie bedeelinge bij letteren van den 3: 7. en 21. Juni te laten afgaan ont„ „fang ik op huiden brieven van oeloepampang waar van de Extracten vwelEd:e achtb: hoog g'eerde attentie gehoorsaamst aanbiede uit welke eerste voorkomt des re„ sidents gegeeve Elucidatie omtrent de wijse en tijd wan„ „neer de vaartuigen met succes den suidhoek van daar geoordeeld word te kunnen passeeren en dat de versamel plaats onser troupen te Caadjagen voor onmogelijk word gehouden dus van daar direct om de zuid na Noessa soude moeten steevenen alwaar van onse kant de versamelt „plaats te Blindo soude moeten geschieden weshalven ik voor„ nemens was bij inmachting van uwelEd: achtb wijser oordeel en approbatie in voorraad te gittem als de voor post van opgemelte Blindo te laten in gereedheid brengen een voorraad schuur van mondkost en ammunitie welke als dan suxcessieff bij Commandos daar soude laten deel
English
From Java's East Coast the 31st of December 1774. brought forward, or frequently as is everyone's longing and expectation, whether it might please Your High Honours that the expedition may be executed and completed between the months of September and October. Furthermore, in his letter there appears the verbal reply conveyed by a message from Gustij Moera at Tijembrana, which, however, cannot be relied upon very much either, except to keep an eye on things and to be on our guard concerning the movements and doings of those Gustijs on Balij. The people or Battoors projected for the work in the Balemboang district on the new construction, under capable and foremost chiefs from both Quissee and Pamacassing here, have already been shipped thither, of whose arrival I daily await the reports, as well as that the Master Carpenter De Exter will have arrived there, having already departed from here by sea before the middle of this month. Furthermore, I can deduce nothing from his communication other than that, as far as possible, all diligence and haste are being applied to the work there, which will accomplish much upon the arrival of the people. With the enclosed papers, which I take the liberty to submit to Your Honourable's particular attention as proof of how inattentive and ignorant the regents are with regard to their interests and duty, I have, on the occasion of the regents requesting me to survey their rice fields, sent Translator Buze and the mantri Wangsing Rono as commissioners (the latter being expert and diligent, whom I intend to place at Your Honourable's disposal at the first opportunity in order to favour him with the patent of Patih in place of this old and ignorant Soro Nogoro), so that they, through the pantigis and Tuwowos, may have the rice fields and their crops surveyed everywhere and submit a written report thereof, like the one annexed here, against which the statement of the regents in their sealed papers, also enclosed here, upon the closest confrontation, largely differs. For which reason I am also obliged to be engaged in the gathering of the crop itself and keep a close eye on their actions, as will be easiest for me to do according to their further list concerning the distribution for completing their contingent, by encouraging those who remain in default to meet their imposed quota. Wherewith, flattering myself in some measure with Your Honourable's highly esteemed approval and satisfaction, I remain with the deepest esteem and respect, was undersigned: Title, lower: Your Honourable's entirely obedient and humble servant, was signed: P.s Luzac, in the margin: date as above, lower: Agrees, was signed: R. vanderBurgh. Copy Java's East Coast the 31st of December 1774. Java's East Coast the 31st of December 1774. Copy Extract from the separate letter written by the Junior Merchant and Resident at Oeloepampang Hendrik Schophof to the Authority Luzac at Sourabaija dated the 22nd of June 1774. Serving as the most humble reply to Your Honourable's letter of the 4th of this month, received only on the 19th, that as far as I am enlightened, it also seems most convenient to me to get around the South Cape from here to Vorsia with all kinds of vessels, and to make the round trip during the transition period of the months of March and April, whereas against the west monsoon the return voyage up to the latitude of Balie Badong is indeed easy, but from there to here it is reported to be dangerous, as at Cradjagang there is no place where a gathering of vessels can safely take place, on account of the numerous reefs and rocks that protrude there, accompanied by an ever-constant heavy sea, for an embarkation of soldiers; so that everything would have to be embarked from here, and the South Cape having once been safely reached, the gathering thereof, as I am informed, ought to take place at Painassen or Poeger. From Java's East Coast the 31st of December 1774. Further Extract I can obtain here as much dried fish and dingding as is needed, and indeed more, the hundred pounds of each sort for eight Dutch oortjes throughout. The gathering of the timbers has still had a fairly good progress, whereas on the other hand the carpentry work, both due to the illness of soldier Ruthger and the lack of overseers for the native carpenters, after I had a number of 50 hands out of work for a period of 19 days, has in my opinion made very slow progress, so that I am looking forward very much to the arrival of the Samarang Master Carpenter De Exter. Meanwhile, 44 hands are kept busy clearing the wilderness at Banjoewangie, which is believed will provide sufficient space for the time being, and once things are clear there, to make a beginning south of Pakkum as well, for which, however, no time can be determined in advance, except according to the capability of the labourers who are to be received from the Eastern Promontory, which can be accomplished with these men, who are encouraged to the labour with the utmost and most unremitting attention, and everything that can be done and performed to expedite matters is being carried out.
Dutch transcription
Van Iavas oost kust den 31. December 1774. laten op voeren of dikwerf soo als ieders verlange en uit sien is het hun hoog Edelheedens mogte behagen tusschen de maand september en october dat die Expeditie mog„ ten ter Executie gelegt en volvoert worden wijders komt bij sijn brief ook te vooren het mondelingse antwoord bij boodschap van gustij Moera te Tijembrana waar waar op egter ook weinig staat te maaken is aan eenelijk een ook in het sijl te houden en op onse hoede te sijn om„ trent de beweeginge en gedoentens van die gustijs te Balij De tot het werk in het Balemboangsche bij den nieuwe opbouw geprojecteerde volkeren of Battoors onder bekwa„ „me en eerste hoofde soo van hier quissee als pamacassing sijn bereeds derwaards afgescheept van welkers arrivement ik dagelijks de rapporten blijve in wachten soo wiel als dat de Baas Timmerman de Efter aldaar sal sijn aangeko„ men voor medio deeser bereeds van hier over see vertrokken is wijders kan ik uit sijn bedeelinge niet anders opmaken als dat na mogelijkheijd aldaar met het werk alle vlijt en spoed word aangewendt het welk bij aankomst der volkeren veel sal te weege brengen. Bij mielose papieren welke ik de vrijheijd neeme vwelEd: 4. 137 Van Iavas oost cust den 31 December 1774. uwel Ed: Achtb: bij sondere attentie op te dragen ten blijke hoe in attent en onkundig de regenten ten opsigte van hunne belangens en plicht sijn heb ik ter gelegentheid dat de regenten mij versogte hunne rijst velden op te neemen den Translateur Buze en den mantrie wangsing Rono (:welke laaste als expert en ijverig sijnde ik bij eerste ter dispositie van uwelEd achtb: meene afte laaten gaan ten fine hem te favoriseeren met het bewijs van Pattij in plaats van deese oude en onkundige soro Nogoro / als gecommit„ „teerdens meede gegeeven ten fine door de pantigies en Touwowos de rijst velden en derselver gewasch aller bfacts te laten opneemen en daar van in te dienen schriftelijk rapport gelijk dese annex tegen dewelke die der regenten hun opgave bij hunne verzegulde papieren almeede hier gein„ „closeert nauwk enrigst Confronteerende veel al komen te differeeren waarom ik dan ook genoodsaakt ben tot den Jnsaam van het gewas selve beesig te zijn en hun van na bij laat op de handen sien gelijk bij hunne nadere lyst over de verdeeling tot accompleteering hunner contingent. mij aller facielst te doen sal sijn bij aan spooringen aandie geene die ingebreeken blijve hun opgelegde quotum te voldoen. waar de deel Van waar meede flatteerende omij Eeniger omate met uwel Edele Achtb: hoog g'eerde approbatie en genoege neeming met diepste agting en Eerbied verblijve /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed: achtb: gantsch gehoorsame en onderdanige Dienaar /:was ge„ teekend:/ P:s Luzac /:in margine. /: dato als even /:lager:/ Accordeert /: was geteekend:/ R: vanderBurgh. „opia Iavasoostkust den 31. December 1774. gt. 139 Van Iavas oostkust den 31. december 172. Copia Extract uit de aparte missive geschreeven door den ondercoopman en resident te oe„ loepampang: Hendrik Schophof aan den gesaghebber Luzac te sourabaija dato 22. Junij 1774. Ten nedrigst rescriptie op vwel Ed: achtb: van den 4. deeser den 19 eerst ontvangen dienende dat voor soo verre g'Elucideert ben mij ook het gevoeglijkste voorkomt om van hier na vor„ sia met allerhande soort van vaartuigen de suidhoek om te komen de heen ende weer aheijse te krijgen in de ken„ tertijd van de maanden maart en april is daar die tegens de mest maison de te rug reise wel tot de hoogte van Balie badon„ gemakkelijk: sijnde maar vandaar na herwaards als dan ge„ vaarlijk word opgegeeven daar te cradjagang geen plaats is ƒ waar versameling van vaartuigen buiten gevaar om de mee„ onigvuldige reeven en klippen die daar in steeken verselt van 1 immer duurende swaare see een in scheeping van militairen geschiede kan dat alles van hier sou moeten scheep gaan ende Zuid hoek dan eens gelukkig aangekomen sijnde de ver„ gadering daar van gelijk geinformeert ben te painassen ofte poeger zou dienen te geschieden Nader deel Van Javas oostcust den 31. December 1774. Naden Extract Drooge visch en dingding kan ik hier soo veel en wel meer als benoodigt de honderd ponden van ieder zoort voor agt ord„s hollands geduurende magtig werden T versamelen der houtwerken als nnog een tamelijke goede voortgang gehad hebbende daar het timmerwerp in tegen soo door de siekte van soldaat Ruthger en ontbreekende opsigters der Jnlandsche Timmerlieden na het getal van 50 koppen op19 een tijdlang uit werk gehad hebbe mog een seer trage voort„ „gang na mijn meening heeft dus seer verlangende ben na de komst van den samarangs baas Timmerman De Exter en werden er gedurende 44. coppen tot het weg ruimen der wildernissen te Banjoewangie besig gehouden die wel een genoeg„ „same rumte dan voor eerst meent men te sullen maaken en na men daar eens klarigheijd heeft bezuiden pakkum almeede een begin te maaken waar in egter geen tijd voor af bepaalt kan werden dan na de doenelijkheijd der werks volkeren die men uit den oosthoek staat te ontvangen kan afgedaan werden bij deese die met de meeste ingelijkste attentie tot den arbeid geannimeerd werden en al wat werden tot spoedmaking kan besagt en verrigt werden laat
English
From Java's Northeast Coast, 31 December 1774. I spare no effort or care, as the sooner the better I gladly wish to bring an end to the matter as well as dutifully fulfill the revered intentions of my high superiors. Below stood: agrees, was signed: P:r Luzac. Copy. Extract of a separate letter written by the aforementioned Schophoff to the Commander Luzac, dated the last of June: Dutifully I come to inform your Honor that my envoy Bappa Lalis returned here on the 23rd of this month from Bali Badong via Tjambranie, solely with a verbal message from the Tjenbranic prince Gusti Moera in response to my letter. This Gusti excused himself in friendly terms from being able to comply with my demand, however willing he might be, as he is a vassal of Gusti Agong at Memoeij who had forbidden him to answer my letter, with Gusti Agong adding that the Balemboangers had crossed over of their own accord and could likewise depart again. If I may then give any credence to the further accounts of the aforementioned envoy, that message of Gusti Moera is accompanied by the interest he has found together with Gusti Agong at Memoeij in selling the fled Balemboangers into slavery. He wishes to assure me that already more than three-fourths of them have been sold and transported, and they continue to do so as long as they can find buyers for a low price. Below stood: agrees, was signed: P. Luzac. Lower: agrees, was signed: J. A. vander Burgh. Copy. From Java's Northeast Coast, 31 December 1774. Copy of a separate letter written by the Commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 15 July 1774. In order that I reply to your Honor's most revered letter of 30 June regarding my thoughts on the expedition against the island of Moessa, I take the most humble liberty of presenting obediently my considerations on this matter put to paper, subject to correction and wiser judgment. I am by no means apprehensive, should their High Excellencies' highly revered authorization for it be received this year, as is generally most desired here, that with God's assistance it could be carried into execution in the months of October and November of this year. For this, however, not being stocked here, there should be sent from Samarang 30 barrels of live musket cartridges, 300 flints, various sorts of flag bunting, and some axes according to the statement of the administrator Van der Niepoort, which are not in stock here nor can be made, whereas the remainder specified in the statement can be provided from here. From Java's Northeast Coast, 31 December 1774. Except for the goods mentioned above, I most obediently request that we may be accommodated from there, whereupon I, dutiful on my part, will take care that everything is ready and in stock early. And should I be honored with an early communication and authorization, I would issue orders that a suitable storehouse be prepared at Gittem, in order to gradually bring and prepare there from now on by commandos the provisions and whatever is in stock here, just as I have already written to the resident at Oeloepampang to report to me at the earliest opportunity what else might be needed there. Thus I believe that, brought together in the months of August and September, it will also be fully sufficient to let the expedition proceed. And should your Honor still deem it necessary to use the Madurese for this, regarding whose reputation and nature when they are on the Javanese shore I cannot say much, one would have to engage them, although the general opinion of both Resident Schophoff, Rijke, and Fasscher is that they do more harm than good. However, it will beforehand be of the utmost necessity that the East Hook is reinforced by your Honor's favorable disposition with at least 200 military men. From Java's Northeast Coast, 31 December 1774. All the more so as most of those who are still here are indeed suitable for garrison duty, but are old and infirm, and some, no matter how much they are refused and offered a good promotion, nevertheless persist in requesting their discharge. With which reinforcement I most humbly request that, in place of the unworthy Ensign Uittermole, we may be favored with another capable officer. One will then have to manage with the Joh:s Cornelis, which vessel I expect daily, and the Petronella, although I have no great expectations that they will hold up against that voyage around the south. Concerning the new construction or removal, as well as the arrival of the master carpenter Klaas de Efter and the factors sent thither, I have not yet received any further communication from Resident Schophoff, for which I am nevertheless very anxious. Yet I do not doubt their arrival there and their continuous diligence and speed in the work, with which I firmly trust that the relocation will be accomplished in this favorable monsoon. Thus, according to the statement of the master De Efter, I have informed myself concerning the gunpowder houses and their expenses.
Dutch transcription
1. 345. Van Iavasoost ust den 31: December 174. laat ik geen moeijte en sorge toe onaangewend daar ik hoe eerder hoe liever selfs een einde gaanne van saak soo wel als aan mijne hooge gebieders gevenereerde intentie schuld„ pligtigste te voldoen /onderstond /: acordeert /:was geteek:d/ P:r Luzac: Copia Extract apart missive door voor„ melde schophoff aan den gesaghebber Luzac dato ulto Juni gesz: Schuldpligtig kome uw elEd: achtb: kennis geeven dat mijn sendeling Bappa lalis den 23 deeser van Balie Badong over Tjambranie alhier te rug gekomen is eenelijk met Een mondelingse boodschap van den Tjen„ branische vorst gusti Moera op mijn briev dat dien gusti sig onder vriendelijke termen ontschuldigt had aan mijn requisit met vermogte te voldoen hoe genegen daar toe was als een vasaal van gusti Agong te Mo„ „ moeij zijnde hem verboden had op mijn brief te ant„ woorden onder bij voeging van gusti agong dat de Ba„ lemboangers uit hun eijge waaren overgekomen ook soodanig wederom konden heen gaan soo ik dan aan de verdere de deel Van Javasoostust den 31. december 174. verdere verhaalen van opgemelde zendeling eenig gelooft mag geeven is die boodschap van gusti Moera naar geventd verseld van sijn interest die hij met gusti agang te Memoeij in het verkoopen der overgevlugte Balemboangers tot slaven gevonden heeft mij wil verseekeren dat alreeds meer dan drie vierde paart daar van verkogt en vervoert sijn en daar nog blijven Continueeren als maar kopers daar toe voor een geringe prijs kunne vinden /:onderstond:/ accordeert /:was geteekend:/. P: Leizac /lager:/: Acondeert /:was geteekend/ J: A: vander Burgh. Copia 143. Van Javas oost cust Den 31. Decembr 174. Copia aparte missive door den gesaghebber te Sourabaija M:r Pieter Luzac geschree„ ven aan den ondergeteekende gouverneur en directeur van Iavas Noord oost kust gedateerd sourabaija den 15 Julij 1774. Op dat ik aan uwel Ed achtb hoogst gevenereerde missive van den 30. Junij beantwoorde ten opsigte mijner gedagten over de Expeditie tegen het Eiland moessa oneem ik ootmoedigst de vrijheijd bij deese mijne consideratien omtrent het selve ter opapier gebragt onder correctie en wijser oordeel gehoorsaamst aan te bieden en ben ik geensints beducht soo haar hoog Edelheedens hoog gevenereerde qualificatie tot het selve dit Jaar gelijk al„ hier in het algemeen hoogst verlangt wordt mogte inkomen of onder godes bijstant soude het in de maande october en no„ vamler deses jaars kunnen ter uitvoer gebragt worden tot het welke egter alhier niet bevoorraad sijnde van samarang soude dienen gesonden te worden 30 vaten scharpe snaphagn pattroonen 300. vuursteenen diverse soort vlagge doek en eenige bijlen volgens opgave van den administrateur van der Niepoort. dat hier niet voorraad afte aan te maaken is daar het overige volgens de opgave gespecificeert van hier kan de deel Van Iavas oostkrust den 31. december 1724. kan voorsien worden wethalven niet hier vooren aangehaalde goederen gehoorsaamst in steere dat gerieft mag worden van cotti wanneer ik oplich schuldig van mijn kant Jonge sal dat alles vroegtijdig ingereedheid en bij voorraad is en soo ik mij met een vroegtijdige bedeeling en qualificatie mogte vereert vinden soo soude ordres stellen dat te gittem een bekwaame voorraad huis in gereedheid gebragt wierd om van nu aan bij Commandos peua peu de provisien en wat alhier bij voorraad is daar te lanten in gereedheid brengen gelijk ik den resident te oeloepampang ook al heb aange„ schreeven om mij bij eerste op te greven wat aldaar nog mogte benoodigt sijn en dus meen ik dat het selve in de maand augustus en september bij een gebragt ook volk omen bestant sal sijn om de Expeditie voortgang te laten neemen en oor„ deelde uwelEd: achtb: nog noodsakelijk de madureesen daar toe vorgen omtrent welkens rom en aard wanneer sij op de Javasche wal sijn ik niet veel seggen mag soo soude men deselve moeten aanneemen daar even wel het algemeene gevoele soo vande resident schophof Rijke en Fasscher is dat sij meer kmaad dan goed doen dog sal het voor af van de uitterste noodsake„ lijkheid sijn in tegen dat de oosthoek door uwelEd„s Achtb: gunstige . 145. Van Iavas oostkust den 21 December 1774. gunstige toeschikking ten minste met 200 koppen militaire word versterkt te meer daar de meeste die er nu nog sijn nog wel bestant in guarnisoen dog oud en gebrekkig sijn en eenige die hoe seer hun afgeweese en met een goede verbetering gepaart onogtans om hunne verlossing aanhouden en bij mel„ ke versterking ootmoedigst versoeke dat in plaats vanden onwaardige vaandrig uittermole met een ander konnet af„ ficier mag werden begunstigt men sal het dan met de Joh„s Cornelis welke kieltje ik dagelijks te gemoed sie ende petronella moetenssien schoon ik er geen goede verwagting van heb dat deselve tegen die tour om de zuid sullen bestant zijn. omtrent den nieuwen opbouw of verhuising als aankomst van de baas timmerman klaas de Efter en derwaarts ver„ sonden vattoors heb ik van den resident schophoff nog geen nadere bedeeling ingekraegen waar na egter seer verlangende nogtans niet twijffele aan hunlieden komst aldaar en aan„ houdende vlijt en spoed tot het werk met het welk ik zeeker vertrouw dat in deese goede mousson de verhuising zijn be„ slag sal genomen hebben soo heb ik mij na de opgave van de waar De Erter omtrent de kuuithuisen derselver ongelden geinformeert deel
English
From Java's East Coast, 31 December 1774. Informed, as the question regarding the price of the fish bought there in dingding has been answered by the resident in his recently sent copy of a letter, namely 100 pounds of each sort for eight rd:s Dutch; there being no regulation or order concerning cruising here in the eastern corner, I have in that regard conducted myself up to the present day according to the custom previously introduced, which fleet is usually dispatched for cruising only once a year in the spring, and that for the duration of two months, wherefore I have also taken the liberty, in our recent collective, most humbly to solicit Your Right Honorable's wiser disposition and order in that regard, respectfully citing that this was previously always dealt with separately by the commander. The commission for determining the borders between eastern and western Balemboangang and surveying the districts that are included under the latter, I would allow to proceed as soon as the assistant Haak has arrived here, but for which the ensign fisscher, who nevertheless improves and gains strength daily, still finds himself powerless and too weak to carry out the same, in whose place I then most respectfully propose to Your Right Honorable 147. From Java's East Coast, 31 December 1774. propose the ensign Mierop or else the postholder at Lamadjang, steenbergen, who currently holds the command at adirogo, regarding which, however, I shall first await Your Right Honorable's highly esteemed approval. The favor so graciously granted by Their High Mightinesses regarding the Balembrang lease money amounting to 600 Spanish rd:s, I have caused to be remitted on the same occasion when the quartermaster Boonsaak departed thither with Your Right Honorable's missive to the regent there; thus, if the regents here continue with their delivery as they do today, I hope to have well over a shipload brought into readiness by the month of September, and they have made me promises, regarding which I daily keep a watchful eye, that their contingent will be fulfilled by ultimo October, while at quissee the delivery likewise proceeds satisfactorily, so that a second shipload can be in stock there by September. The money of dirmo Joedo for the land council I take the liberty herewith to have accompanied by the mantris wansingrono and wiero Cesoemo, who are to depart from here tomorrow to present their persons before Your Right Honorable, in order to favor one of the two From Java's East Coast, 31 December 1774. favor with a certificate of Pattij of the first regent, in place of the old and moreover incapable Bepattij soeronogoro here, for I can accomplish nothing with him, of which I have given notice to the regents here, who for the same propose the second-mentioned wirio Cesoemo; but as that person appears to me to promise just as little to meet expectations as soeronogoro, I had also inclined toward the first-named wangsingrono, who in the collection of the contingent of the past year also fulfilled it satisfactorily, but among them is not esteemed but hated because he is very faithful and zealous in bringing their doings and sluggishness to light, wherefore I propose the persons to Your Right Honorable's most highly revered disposition. The case communicated by letter from Passourouang dated 8 June concerning a murder which is said to have occurred by order of the Jngebij at Bangil and by the radens Predoco Djojo meroeto, DJohar, and soerodidjojo, I have investigated here most closely, but as the wife of the deceased man herself admits in vain that she can produce no witnesses and her complaint is based solely on hearsay, I have 149. From Java's East Coast, 38 December 1774. allowed the aforesaid Radens to return home again, and detained the Bangil Jngabij Poespanagara and the female complainant here until further highly esteemed orders from Your Right Honorable, as there is not the slightest foundation upon which I could accuse them before the land council, but it appears in all respects that the husband of that woman was found dead before the house where madat or opium is sold and smoked, with two kris wounds to the chest, without the perpetrator or any witness to this incident having come forward to date; nevertheless, I have ordered the Passourouang commander van rijke to conduct the closest investigation into it, and to detain that woman in Patsorouang in the meantime. And I make bold once again to submit to Your Right Honorable's most favorable consideration the original letter from the Pamacassang regent, in order that he may be permitted to settle his arrears of cadjang from the year 1773 in cash; and as he makes promises to fulfill his full contingent for this year, I add my most respectful recommendation to his request for obtaining that special favor, wherein he also indicates the reasons for his inability on account of a bad harvest of the past From Java's East Coast, 31 December 1774. past year, and I have lastly to enclose herewith a name list of the deceased in the eastern corner for the month of June, wherewith I subscribe myself with the deepest esteem and respect, titled below, Your Right Honorable's utterly obedient, humble servant, was signed, P: Luzac, in the margin, date aforesaid, below, agrees, was signed, J: R: van der burgh, copy.
Dutch transcription
Van Iavas oostkust den 31. December 1774. geinformeert daar de vrage op wat prijse de daar ingekogt wordende vis in dingding komt te staan door den resident bij sijn jongste afgesonden copia brief beantwoord is na „mentlijk de 100 ponden van ieder soort voor agt rd„s holl:s omtrent de bekruissing hier in den oosthoek geen re„ glement of ordre leggende heb ik mij ten dien op sigte tot heeden gedraage na de gewoonte voor heen ingevoert, welke vlootse gemeenelijk maar eens sjaars in het voor Jaar ter kruissing is aangelegt en dat geduurende voor twee maan„ den waarom ik dan ook de vrijheid genomen heb bij onse Jongste gemeene uwel Ed: achtb: hoog wijser schikking en ordre daar omtrent ootmoedigst te besolliciteeren bij eerbiedige aanhaling dat sulks voor heen altoos bij de gesaghebber en apart is behandelt geworden. De Commissie ter bepaaling der grensen tusschen oosteren wester Balemboangang en opneem der districten die onder het laatste begreepen worden soude ik dan boe draa de assis„ tent Haak alhier sal sijn gearriveert laaten voortgang neemen dog tot het welke de vaandig fisscher die egter dagelijks betert en toeneemt nog kragteloos en te zwak zig bevindt om het zelve te volvoeren in wiensplaats dan uwelEd: achtb: enbidigst voordraage 147. Van Iavasoostkust den 31. December 1774. voordrage den vaandrig Mier op dan wel de posthouder te La„ „madjang steenbergen die tan het Commando te adirogo houdt over het welk ik egter eerst uw Ed:e achtb: hoog g'eerde appuoba„ tie sal blijven in machten. Het soo gunstig door haar hoog Edelheedens toegelegde faveur in de Balembrangsche pacht pen„ „ningen met 600. rd„s Spaansch heb ik ter selver geleegentheid dat de quartiermeester Boonsaak derwaarts vertrok met uwelEd„e achtb: missive aan de regent aldaar laten remitteeren; zoo indien de regenten alhier blijven voortvaaren met hunne leverantie als heeden hoop ik tegen de maand september ruim een scheeps lading ingereedheijd te brungen en hebben sij mij beloften gedaan tot het welk ik dagelijks argus oogen in het seil houde dat tegen ult„o october hun Con„ „tingent sal voldaan sijn daar te quissee meede de leverantie nagenoege voortgaat soo dat voor een tweede scheeps Eaa„ ding tegen september aldaar in voorraad sijn kan Het geld van dirmo Joedo voor den landraad neeme ik bij deese de vrijheid te laten vergesellen per de mantries wansingrono en wiero Cesoenro die op morgen van hier. staan te vertrekken om hun persoonen voor uwel Ed:e achtb: te presenteeren ten einde een van beijde te begunstigen G O de deel Van Iavas oost cust den 31. December 1774. begunstigen met een bewijs van Pattij van de eerste regent inplaats van den ouden en dog onbekiwame Bepattij soero„ nogoro alhier want ik met hem niet kan aanvangen waar van ik de regenten alhier kennisse gegeeven heb die tot het selve voordragen den tweede gemelde wirio Cesoemo dog wijl die persoon mij soo weinig als soeronogoro aan de verwagting te beantwoorden voor komt te belooven soo had ik mijn ook laten gaan op den eerst genoemde wangsin grono die bij de jnsaam van het Contingent des voorleeden jaars ook daar aan met genoege voldaan heeft dog bij hun met geacht maar gehaat om dat hij omtrent hunne gedoentens en traagheid aan het dagligt te brengen seer getrouw en ijverig is weshalve ik bij de persoonen aan uwel Ed: achtb: hoogst geveneueerde dispositie voordrage. De bij brief van Passourouang dato 8. Junij bedeelde geval omtrend een moord welke uit last van de Jngebij to Bangil en door de radeene Predoco Djojo meroeto DJohar en soero didjojo zoude geschiet sijn heb ik alhier ten naauwst onder„ sogt dog wijl de vrouw van den overleeden man zelfs voor geefs dat geen getuigen weet aan te brengen en eenelijk haar klagte is steunende op hooren zeggen soo heb ik voorsch 1 149. Van Iavas oostkcust den 38 december 1774. voorsch: Radeens weder thuis laaten keeren en de Bangies Jngabij Poespanagara en de vrouw aanklagter alhier aan„ gehouden tot nadere hoog g'eerde beveelen van uwel Ed: achtb: wijl er geen de minste fondament is op dewelke ik hun aande landraad soude kunnen beklagen maar in alle opsigte voorkomt dat die man van die vrouw voor het huis alwaar men omadat af amphiden verkoopt en schuift dood bevonden is met twee kusetsuur op de borst sonder dat de dader of eenig getuige over dit geval tot nog te voorschijn is gekomen egter heb ik de passourouangs Commandant van rijke last gegeven daar na het nauwste ondersoek te doen en die vrouw soo lange te Patsorouang aan te houden. En vrijmoedige mij andermaal uwelEd: achtb: gunstigst consideratie op te dragen de origineele brief vanden Pamacassangs regent ten einde te moge werde gelicenti„ eert, sijn agterstal Cadjang vanden Jaare 1773 in Contante te mogen vereffenen en wijl hij beloften doet voor dit Jaar sijn volle Contingent te sullen voldaan soo vroeg ik bij sijn versoek mijn Eerbiedigst voordragt tot obtenue van die bijsondere gunste daar bij de reedenen van sijn onmagt ook te kennen geeft weegens een slegt gewas van den voorleede de deel Van Iavas oostkust den 31. December 1774. voorleede Jaar en heb ik laastelijk de eene deese te incloseeren met een naam lijst der overleedene inden oosthoek voor de maand Juni waar meede mij met diepst achting en eerbied onderschrijve /:onderstond:/ Titul /lager / uwel Ed: achtb: gantsch gehoorsame onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac /in margine/ dato voorsch: /onderstond:/ accordeert /was geteekend/J: R: van der burgh Copia
English
153. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Copy of a separate missive written by the commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's North-East Coast, dated Sourabaija, the 16th of July 1774. Shortly after the dispatch of my submission yesterday, I received the distribution of Oeloepampang, which is enclosed herewith and most obediently offered to Your Right Honourable Honour via the mantri Wang Singrono, mentioned in my letter dispatched yesterday, the 15th, who also carries with him the 125 Dutch rijksdaalders imposed as payment for the landraad on the mantri or ingabehi Dirmojoedo. And the second person cited in my letter of yesterday, named Wiro Cesoemo, chose to remain here in the presence of the old regent and the first regent, to whom I then made known that the aforementioned Wang Singrono departed today. However, part from Java's East Coast, the 31st of December 1774. that I had nevertheless proposed both persons. As the reasons for the latter's stay, the first regent submitted that he required him for supervision on account of the current severance, while the first-mentioned would be absent. Wherewith I take the honour to remain, with deep respect, beneath stood: title, lower: Your Right Honourable Honour's fully obedient and humble servant, was signed: P:r Luzac, in the margin: date as above, beneath stood: Agreed, was signed: J: R: van der Burgh. Copy 153. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Copy of a separate letter written by the junior merchant and resident at Oeloepampang, Hendrik Schophoff, to the commander of Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, on the 9th of July 1774. In most dutiful reply to Your Right Honourable Honour's always venerated letter of the 14th ultimo, this serves to report that the Grisse, Sedajoe, and Lamongan bators, under their chiefs and mentioned in the granted pass, arrived at Banjoewangie from Lawoewarang overland on the 28th ultimo, claiming they could not proceed further with their journey by sea, except for five of the Grisse first regent and one of the Lamongan people who deserted at Besoekie. Thus, 74 heads of bators arrived under the aforementioned chiefs. And the 35 heads of Sourabaija bators under their chiefs from the second regent all arrived safely at Banjoewangie from Lawoewarang overland as aforesaid on the 5th of this month, with the report that those of the first regent were nearby. Thus expressing my most humble gratitude for the favourable dispatch of the aforementioned people. Furthermore, this serves for most dutiful communication of the arrival here part From Java's East Coast, the 31st of December 1774. here on the 4th of this month of the master carpenter Claas de Exter, with whom I proceeded to Banjoewangie on the 5th thereafter, and there handed over to him all matters with appurtenances, both for the construction of the fortress and buildings, along with the plans for him to carry out, just as that master carpenter has also accepted and taken upon himself to execute the same, with the addition of the carpenter Ruitser and four of the most capable Europeans as mandoors, where the same is to make a start on the construction within a few days, as the palisade works are already prepared to be set, and in the meantime work on the buildings is being continued by the 51 native carpenters. It thus appears that everything will make good progress, provided that once the bators who have arrived from the East Hook and those who are still to arrive are gathered, their allotted portion of digging the moat and bringing earth into the fort can be assigned, and with the 70 Palembang bators present there being put to bringing up and erecting the palisade, while the seven native smiths there will also be sufficient to continuously repair the 155. From Java's East Coast, the 31st of December 1774. to continuously repair the tools and to make anew whatever else is needed. In the meantime, 20 carpenters and 50 bators remain at work on the Goenong Ikan, the former to fell the trees and timbers, and the latter to bring to the beach those that might still be lacking at Banjoewangie and what is required for the smaller fort south of Pakkum. Aside from and besides the proas of private owners and crews that are constantly used for the transport of timber, I have therefore taken the liberty to provide Your Right Honourable Honour with a specific statement of the aforementioned working people. You will kindly be pleased to deduce from this all that can be accomplished, provided they are continuously spurred on with discretion by their chiefs and overseers, all of which I continuously recommend to them, for which reason I frequently proceed in haste to the Goenong Ikan and Banjoewangie. Quartermaster Nieuwenhuisen, having delivered the second loaded coyangs of rice, departs again herewith freely with his vessel to your parts. Finally, in response to the previously honoured request, I inform Your Right Honourable Honour that according to the part From Java's East Coast, the 31st of December 1774. the indirect statement, the retinue of the regent and his mother will consist of 62 heads of servants, both men and women. Wherewith I take the liberty to call myself with due respect, beneath stood: was signed: H:k Schophoff, in the margin: date as above, lower: P.S. Herewith I most respectfully inform Your Right Honourable Honour that after this was prepared, from Passourouang, under the supervision of the mantri Nollo Troeno aboard a native vessel according to the letter of the 22nd ultimo from Commander Adriaan van Rijck, 61 heads of Balamboangers, both men, women, and children, were safely brought here and have been handed over to the regent for the repopulation of the villages in this place, beneath stood: Agreed, was signed: P: Luzac, lower: Agreed, signed: J: R: van den Burgh. Copy
Dutch transcription
153. Van Iavas oostkcust Den 3. December 174. Copia aparte Missive door den gesag„ hebber te Sourabaija M:r Pieter Luzac geschreeven aan den on„ dergeteekende gouverneur en Directeur van Javas Noord oostkust gedateerd Sourabaija den 16: Julij 1774. kort. na depeche mijner submissi op gisteren ontvang ik de bedeeling van oeloepampang inclose deeses uwelEd:s Achtbare gehoorsaamst aanbiedende per den mantrie wang singrono vermeld bij mijn brief op gisteren den 15. afgegaan, die ook bij sig heeft de 125. rd„s hollands voor den land raad den mantrie of Jngabij Dirmojoedo opgelegd der betaling en heeft de tweede persoon in mijn brief van gisteren aangehaald met name wiro„ Cesoemo verkoosen hier te blijven in preesentie van den ouden regent en den Eerste regent die ik dan te kennen gegeeven heb dat wang„ singrono voormeld op heeden vertrok, dog dat deel van Iavas oost kust den 21. december 174. dat ik bijde persoonen egter voorgedragen hadt, de reederen van de laaste sijn verblijf gaf de Eerste regent voor dat hem van wegen de huidigen zeveran„ tie tot toesigt benodigd hadde, terwijl den Eerstgemelde afwesig soude sijn. waar meede mij de Eere gene met diepe Eerbied te verblijven /:onderstond:/ titul /lager:/ uwel Edele Achtbare gansch gehoorsame en ondere„ „danige dienaar /:was geteekend:/ P:r Luzac /:in margine:/ dato voorschreeven /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ I: R: van der Burgh. Copia 153. Van Iavas oostkust den 31. december 1774. Copia a copia aparte brief geschreeven door den onderkoopman en resident te oeloepampang Hendrik Schophoff aan den Sourabaijs gesaghebber M„r Pieter Luzac den 9: Julij 1774. Der schuldigste rescriptie op uwel Ed:e achtb: altoos gevenereerde van den 14. passato diend dat de grisseesche sidajoesche en lamongangsche battoors onder hare hoofden bij verleende pas gementioneerd den 28 passato te Banjoewangie van Lawoewarang overland wijse voorgeven hun reise over see niet verder hebben kunnen vervorderen sijn aange„ komen / excepto vijf van den guissees eerste regent en een van de lamongangers op Besoekie sijn gedrost dus 74. koppen battoors onder opgemelde hoofde aangekomen en sijn de 35. koppen sourabaijasche battoors onder hunne hoofden van den tweede regent alle wel op den 5. deeser te Banjoe„ wangie en lawoervarang als voormelde overland aange„ komen met berigt dat die van den eerste regent nabij waren dus mijn needrigst dankbetuigende voor de gunstige toeschikking van opgenoemde volkeren. verder diend ter schuldigste Communicatie de aankomst alhier deel Van Iavas oostkrust den 31. december 174. alhier op den 4. deeser van den baas timmerman Claas de Exter met wien den 5. daaraan omij naar Banjoewangie hebbe geeven en aldaar de geheele belangens met ab en de pendentie so tot de Extructie van het fortres en gebouwen met de planen aan denselven ter uitvoer te brengen over„ gegeeven so als dien baas timmerman het selve ter uit„ 1 voer te brengen ook heeft over en aangenomen onderbij „voeging van den timmerman ruitser met nog vier de bekwaamste Europeesen als omandoors alwaar den selven binnen korten dage een vaanarig et de Extructie staat te maaken wijl de opaalwerken reeds in gereedheid sijn om te setten en intusschen door de 51. koppen jnlandsche tim„ „merlieden aan de gebouwen werd voordgewerkt laat het sig dus aansien alles in goede voortgang sal hebben als maar voor eerst de uit aen oosthoek aangekomen battoors met die onog staan aantekomen versameld sijn hun bescheiden portie uit graven der gragt en aanbrengen van de grond in het forth aangeweesen kan worden met de daar sijnde 70. koppen palembrangsche battoors tot het paale aanbrengen en rigten ook sal te stellen sijn mitsgaders deseven Jnlandscho smeeden aldaar ook toerijkende sullen sijn de gereedschappen bij 155. Iavas oost Cust den 31. december 174. Van bij continuatie te verbeteren en waar het een of het ander nog nieuwe benoodigd aantemaaken blijven intusschen nog 20. timmerlieden en 50 battoors op de goenong Ikan in het werk de eerste de boomen en houtwerken te kappen en de laatste naar strand te brengen die te Banjoewangie nog mogten ontbreeken en het benoodigde voor het omindere forts be„ zuiden Pakkum buiten en behalven de prauwen van ruim eijgen en volkeren die geduurig tot de overvoer van hou„ ten gebruikt werden heb ik dus aan de vrijheijd gebruikt uwel Edele achtbare vooren staande warks volkeren spe„ cificq op te geeven wel zult gelieven daar uit nategaan al wat verrigt kan werden als maar geduurende met bescheidendheijd werden aangespoord door haar hoofden en opsigters alle het welke ik aan deselve bij Continuatie aanbe„ veelen mij dikwils om die willen in spoed naar de goenong Ikan en Banjoewangie begeeve Den quartiermeester nieuwenhuisen de tweede ingehadt hebbende coijangs rijst afgeleverd vertrekt bij desen wederom verij met zijn vaartuig naderwaards laastelijk geeve uwelEdele achtbare op het bevoorens g'eerde requisit kennis dat volgens de deel Van Iavas oostkcust den 31. december 1774. de zijdelingsche opgave de suite van den regent en sijne moe„ „der in 62. koppen vatte bediendens so mannen als vrouwen sal bestaan waar meede vrijheijd gebruike mij met verschuldigd ontsag te noemen. /:onderstond:/ was geteekend:/ H:k khophoff /:in margine/ dato voorsch /: lager :/ P: S: hier meede geeve uwel Edele achtbare eerbiedigst kennis dat na dese in gereedheid gebragt van Passourouang onder opsigt van den mantrie Nollo Troeno oper Jnlands vaartuig vol„ „gens brief van den 22. passato vanden commandant Adriaan van Rijck ontvangen 61. koppen Balemboan„ „gers so mannen als vrouwen en kinderen alhier wel aangebragt zijn en ter bevoeking op de negorijen te plaatse aan den regent zijn overgegeeven /:onderstond:/ Accordeerd /:was geteekend:/ L: Luzac /:lager:/ Accordeerd /:geteekend: / R: van den Burgh. ƒ: Copia
English
From Java's East Coast the 31st December 1774. Copy of a separate missive written by the authority in Sourabaija Mr. Pieter Luzac to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija the 2nd August 1774. Since my humble report, of which the latest was dated the 16th of July, not having had the honor of being favored with your Honorable Worship's ever-venerated orders, I therefore dutifully take the liberty hereby to report further what is most worthy of your attention, and firstly the reports received from Balemboangang according to the enclosed copy of a letter from there, adding the original annexes thereto, and the letter from the regent addressed to your Honorable Worship, serving as proof of receipt for the 600 Spanish rixdollars provided through your most particular favorable attention from the lease monies of that district. Furthermore, it will appear to your Honorable Worship from the letter of the resident that progress is visibly being made with the work, where they seem to hope for the relocation in the month of October at the latest; however, the desertion of the laborers is an annoying matter, about which I am currently conferring with the Samacatsang regent in order to have the full number replaced. Furthermore, I find nothing to remark on his letter, except in case the expedition to Noessa should proceed, regarding which provisions for three vessels will then indeed be the principal point, since all the ammunition for that expedition ought to be gathered at Plindo, and those vessels would only serve for the transport of our troops around the south to Plindo. However, in case the expedition should not proceed this year, I shall and do consider it most necessary that in the month of November it should once again be attempted to dispatch from there two well-armed and equipped cruising proas around the south to Batoe oeloe, for such will indeed be the main point by which one will be enabled to prevent those islanders from fetching provisions from the Javanese coast, and thereby frequently accomplish a great deal. From our meager domestic supply, we have also furnished what was most urgently required by the requisition from there for the buildings, and now the last of 500 lb of nails has been delivered, for which we most humbly beg your Honorable Worship to be pleased to send a favorable compensation for use here in the household at some suitable opportunity. Now, furthermore, let it serve as a most obedient report that the assistant van Haak departed for Passourouang last Thursday with such orders to the commandant there, according to his instruction, to carry out his commission with respect to the new conquests around the west. And although Ensign Fisser is indeed improving in health from day to day, to achieve which he also takes recreation on foot, he nevertheless finds himself too weak to submit himself so quickly again to fatigues after so severe an illness. For which reason I have found myself compelled to place the station master Steenbergen, a very capable and experienced man, as second in the commission with Lieutenant van Rijck, instead of Ensign Fisser, who nevertheless hopes to be sufficiently recovered in strength in the month of September to take over his post at Adirogo again. And the resident at Oeloepampang was also written to in good time to ensure that the delegates from there, together with the bupati and the most knowledgeable and suitable chiefs, proceed to Adirogo in order to deliberate and carry out their commission together, so that I now hope to learn of and effect a desired outcome this month, in accordance with the highly venerated intention. Among other things, there is also enclosed herewith his letter to your Honorable Worship, the Bangers regent, submitting his request for the relocation of his dalem. And since, according to my report from there made at Samarang in the year 1771, the former governor Vos replied orally to this that if there were no significant obstacles to the general interest in it, it might well happen, I have preferred to ask your Honorable Worship for further authorization regarding it, because I also find nothing detrimental in that request, in order to grant him that relocation. On the other hand, however, I must bring to your Honorable Worship's attention the true conduct of the Lamongan regent regarding his repeated requests. Requests regarding which I take the liberty most obediently to present his letters and my replies to your Honorable Worship, for I have conferred here repeatedly in the friendliest manner with both the old man and the first regent concerning that pretended relinquishment of the rice fields belonging to that settlement, and tried in vain to persuade him, the regent, to that end; for which reason I am indeed compelled to leave that matter to your Honorable Worship's wiser judgment and decision. The prince remains behind for this time with his annual revenue up to now, which is a single setback, since the distribution of the good months is at hand again and our treasury would thus not be sufficient for the same. On the other hand, however, your Honorable Worship will gather from the monthly papers that the gathering of the harvest is proceeding reasonably well, so that I and Grissee hope to have in stock in our warehouses enough for two shiploads by the end of this month, if one continues zealously as before with the delivery, toward which I will apply whatever is possible, and to that end I most humbly request that the recently departed thither
Dutch transcription
157 Van Iavas oostCust den 31: december 174. Copia Sparte missive door den gesaghebber te Sourabaija M„r Pieter Luzac geschreeven aan den ondergeteekende gouverneur en Direc„ „teur: van Javas Noord oostkust Gedateerd sou„ „rabaija Den 2: Augustus 1774. Zedert mijne submissie bedeeling waar van de Jongste geweese is van den 16. Julij mij niet hebbende mogen vereerd vinden met uwel Ed„s achtbares altoos geveneneerde ordres so geeve mij „de eere verder het geen hoogst derselver attentie waardig is schuldpligtig bij deesen te adviseeren, en Eerstelijk wel de berigten ontvangen van Balemboangang na inclose copia brief van daar beneevens de bijlagen in originaale daarweevens voegende en de brief van den regent aan uwel Ed. achtbare spreekende ten bewijsen van ontvangst over denen door hoogst desselfs bisondere gunstige attentie besorgde 600 rd„s spaans uit de pagt penningen van dat district wijders sal uit de brief van den resident uwel Edele achtbare te vooren koomen dat men blijkbaar vorderd met het werk daar men uitterlijk inde maand october de verhuising scheijnt te verhoopen dog het verloop den werkvolkeren deel Van Iavas oostkust den 31. December 1774. werkvolkeren is een verdrietige saake waar over ik tans de Samacatsangs regent onderhouden om het geheel getal te laten remplaceeren. wijders op sijn brief niets aan te merken vinde dan in„ gevalle de Expeditie op noessa mogte voortgang hebben waaromtrent de provisie voor drie vaartuigen als dan het voornaamste poinct wel sal sijn wijl de ammunitie voor die expeditie te Plindo alle soude dienen bij een bragt te worden en die vaartuigen eenelijk tot transport onser troupen om de zuid na Plindo soude dienen egter inge„ „valle de expeditie dit Jaar geen voortgang mogte hebben sal en vinde ik het oogst noodsaakelijk dat in demaand november den weder eens geprobeerd worde om van daar twee wel g'armeerde en toegeruste kruisprauwmaij„ jangs om de zuid na Batoe oeloe afgedepecheerd werden want sulks wel het hooft poinct sal sijn waar door men in staat sal gesteld sijn die Eil anders het haalen van mondbehoeftens van de Jaavase wal te beletten, en daar door dikwerf veel te weegste brengen. wij hebben uit onse geringe huishoudelijke voorraad ook verstrekt 't geen bij kestaa Eijschge van daar tot de gebouwen hoogst 159. Van Iavas oostkust den 31. December 1774. hoogst nooisakelijk geweest is en nu het laatste van 500 lb spijkers is afgegeven waar voor wij uwel Ed. achtbare ootmoedigst bidden om een gunstige vergoeding bij de eene of andere bekwame gelegendheijd ter emploij alhier voor de huishouding te willen toeschikken Nu wijders ter gehoorsamst rapport laat dienen dat de adsistent van Haak gepasseerde Donderdag na Passourou„ ang is vertrokken met sodanige ordres aan den Comman„ dant aldaar uitwijzens sijn instructie om sijne Commissie ten adspecte der nieuwe conquetten om de west te vol„ voeren en alhoewel de vaandrig fisser van dag tot dag in gebondheid wel is toeneemende tot verkrijging van het welke hij ook een uitspanning te voet neemt egter vind hij sig te swak om op so een swaare aanstoot sig weder tot fatiques bo spoedig te geven weshalven ik mij genoodsaakt gevonden heb de posthouder steenbergen een seer bekwaam en ervaren maar als tweede in de Commissie met den lieutenant van rijck te plaatsen insteede van den vaandrig fesser die egter verhoogt in de maand september genoegsaam tot kragte te zijn om sijn post te adirogo weder overtenemen En deel van Iavas oostkust den 31. december 174. En is den resident te oeloepampang ook al vroegtijdig aan„ 9 geschreeven te sorgen dat de gecommitteerdens van daar met den bepattij en kundigste als wel geschikte hoofden hun na adirogo begeeven ten einde dupair met den anderen hunne commissie te beraamen en volvoeren so dat ik onu verhoope in deese maand daar van een gewenschte uit„ slag en beantwoording aan de hoog gevenereerde intentie te verneemen en te effectueeren. onder anderen nog komt bij deesen sijn brief aan uwel Ed: achtb: de Bargers regent sijn versoek om verplaat„ sing van sijn dalm op het submissie voor tedragen en wijl bij mijn rapport van daar in a:o 1771. te samarang gedaan daar op mondelings g'antwoord is door den geweesen heer gouverneur vos dat so daar geen merkelijke aanstotelijk„ heeden voor de algemeene saak in gelegen was het wel mogte geschieden soo heb ik Lievst daar over uw elEd: achtbare nadere qualificatie willen afvragen om dat ik omtrent dat versoek ook niets schadelijks vinde enten einde han die verplaatsing te accordeeren dog integen moet ik uwelEd. achtb: onder het oog brengen het waelagtig gedaag van den lamongangs regent bij zijn Eerhaalde versoeken. 161. Van Iavas oostkust den 31. December 1774. versoeken waaromtrent ik de vrijheid gebruike sijne brie„ ven en mijn antwoorden uwel Edele achtbare gehoorsaamst aan te bieden want ik alhier als een en andermaal op het vriendelijkste so den oude man als Eerste regent over die gepretexeerde afstand der rijst velden bij die negorij gehoorende heb onderhouden en te vergeefs 1 getragt hem regent daar toe over te haalen weshalven ik wel genoodsaakt ben die saake aan uwelEd:e achtbare hoog wijser oordeel en beslissing over te geeven. De prin blijft voor ditmaal met sijn Jaarlijksche revenue tot nog te rug 't geen een enkel aanhal wijl de goede maanden weder uittedeelen op handen is en onse kassa dus tot het selve niet toerijkende soude zijn dog in„ tegen sal uwelEd: achtb: bij de maandelijksche papieren ont„ neuren dat de jnsaam van de oogst redelijk voorspoedig gaat so dat ik en grissee tegen ultimo deeser verhoope voor twee scheepen lading in onse pakhuisen in voor„ „raad te hebben so men als vooren bij de leverantie ieverig blijft Continueeren maar toe ik sal wat mogelijk is aanwende en ten dien sufette versoek ik ootmoedigste de Jongst derw:s vertrokken deel
English
From Java's east coast the 31st of December 1734. departed mantri Wangsingrono or Monnin to grant a favorable and gracious return in which humble expectation I have the honor to recommend myself and to subscribe with the deepest respect. Below stood: Title. Lower: Your Right Honorable entirely obedient and humble servant. Signed: P: Luzac. In the margin: date aforesaid. Below stood: Agreed. Signed: J: R: vander Burgh. Copy. 147 163 From Java's east coast the 31st of December 1774. Copy of a Javanese letter written by the senior merchant and administrator at Sourabaija Mr. Pieter Luzac to the Tommongong Soijo Sentikio regent at Samarang. Since Your Honor has repeatedly requested me to be permitted to keep the rice fields of the village of Soekoekendoe measuring two jongs, I cannot permit Your Honor, for the reason that I have ascertained from truth so far that the said rice fields have never ever belonged under Lamoengang, but indeed and always have run under Sourabaija, thus I now recommend to Your Honor by this most sincerely that Your Honor shall surrender the said rice fields and leave them under its jurisdiction, as it also previously belonged under. I shall meanwhile await the restitution and gladly see that in the future no more such complaints from Your Honor come to my ears, with which I remain in expectation. Below stood: Sourabaija the 5th of July in the year 1774. Signed: L: Luzai. Lower: agreed. Signed: I: F: Buse sworn junior. Answer. The part. From Java's east coast the 31st of December 1774. Answer of the regent at Lamongang to the administrator Mr. P: Luzac at Sourabaija received the 15th of July. Your Right Honorable's highly venerated orders by letter having been well received, this serves as a humble answer, for the reason that I dare to use the liberty to address Your Right Honorable about it, because the village of Salatoong at my appointment as regent here was thus requested of me by the common people, to be permitted to keep the said village because it belongs under Lamoengang, so with the request of the common people I presented it to my grandfather Tjondronogoro and requested to be permitted to keep the same, which village my grandfather Tjondronogoro completely transferred to me, at the handing over of which it was refused by the patih of Sourabaija to hand it over, whereupon I gave further notice of this to my grandfather Tjondronogoro, from which this difference arose. Furthermore I take the liberty to let Your Right Honorable's subject and the very oldest from here pass into the disposition of Your Right Honorable, so that Your Right Honorable can investigate further. Below stood: translated by me. Signed: J: F: Buse sworn translator. Lower: agreed. Signed: I: F: Buse sworn translator. Copy. 119 165 From Java's east coast the 31st of December 1774. Copy of a Javanese letter to the regent at Lamoengang written by the administrator Mr. Pr. Luzac under the date of the 18th of July 1774. From your letter it does not appear to me on what your dispute is actually grounded, namely the rice field, but indeed that the village of Salatong was ceded to you by the old regent at his request, which is also not demanded, but remains with Your Honor, but in no way those rice fields that belong to the district of Sourabaija and also ought to remain under it, wherefore I should prefer to see, since Your Honor has now made requests repeatedly and the regent is not inclined to cede the same to Your Honor, that Your Honor desists from this and urges it no longer, unless Your Honor wished to present his pretended right to the honorable lord governor to obtain the same. Below stood: date aforesaid. Signed: Pr. Luzai. Lower: agreed. Signed: J: F: Buse sworn translator. The part. From Java's east coast the 31st of December 1774. Answer from the Tommongong aforementioned received at Sourabaija the 2nd of July 1774. Your Right Honorable's highly venerated missive has reached me well, and from it I gathered Your Right Honorable's higher orders that the village of Salatoong must remain under Lamoengang and its rice fields under Sourabaija, with Your Right Honorable's favorable indulgence, not regarding the village of Salatong, but indeed regarding the rice fields, from which the debates arise, for the reason that I solely await Your Right Honorable's favor to be allowed to hold the village of Salatoong with their rice fields under Lamoengang, and the difference can only be settled by Your Right Honorable without addressing the higher authority, because I consider Your Right Honorable's higher person as good as the honorable lord governor himself at Samarang, and if my uncle the regent at Sourabaija wishes to address the higher authority, I am also prepared to follow him, knowing well that we are subjects of the Company, and if Your Right Honorable desires to be clarified regarding the aforementioned village and rice fields, then may it please Your Right Honorable to send an emissary to inspect how the land territory lies, remaining in expectation of Your Right Honorable's orders. Below stood: translated by me. Signed: J: F: Buse sworn translator. Lower: agreed. Signed: J: F: Buse. Copy.
Dutch transcription
Van Iavas oost kust den 31. december 1734. vertrokken mantrie wangsingrono dan wel Monnin een gunstig en gratieus retour te willen verleenen in welke nedrige verwagting ik mij de Eere geeve aan te beveelen en met diepst Eerbied te onder„ schrijven /. onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Edele ƒ achtbare gantsch gehoorsaame en onderdanige di„ naar /:was geteekend:/: P: Luzac /in margine:/ dato voorschreeven /:onderstond:/ Accordeerd /:was geteekend:/ J: R: vander Burgh Copia : 147 163 Iavas oost kust den 31. december 1774. Van Copia Javaanse Brief geschreeven door den opper„ koopman en gesaghebber te sourabaija M„r Pieter Luzac aan den Tommongong soijo sentikio re„ „gent te Samarang. vermits vw E: mij meermalen om versogt hebben te mogen houden de rijst velden van de negorij soekoekendoe groot Twee jongs soo kan ik uu E: niet permitteeren om reden ik om bij waar na soo verre ontwaart hebbe dat gemelde rijst velden nooit ofte ooit onder lamoengang heeft ge„ ofte staan maar wel en altoos onder sourabaija heeft ge„ loopen soo recommandeere ik vinE nu bij deesen op het sinceerste dat viE den gemelde rijst valden sal afstaan doen en onder zijne resort te laaten. soo als ook bevoorens onder gehoort heeft ok sal intusschen de restitueering verwagten en gaarn sien dat in het vervolg met meer met sulke klachten van uwE: ter ooven koomen waar meede verblijve in verwachting /onderstond:/ Sourabaija den 5. Julij Ao 1774. / was geteekend:/ L: Luzai /:lager / accordeerd /:was geteekend:/ I: F: Buse gesw: J:r Antwoord de deel van Iavas oost kust den 31. december 1774 Antwoord van den regent te Lamongang aan den gesag„ hebber m„r P„o Luzac te Sourabaija ontvangen den 15 Juli uwel Ed:e achtb: hoog gevenereerde ordres bij letteren wel ontfangen dienende deese tot nedrige antwoord om reeden ik de vrijheid durven gebruiken aan uwel Ed:e achtb: daar over te bedeelen. om dat de negorij salatoong bij mijne aanstelling als re„ „gent alhier door de gemeene man sodanig aan mij versogt gehad hebben om deselve negorij te mogen houden om dat . onder lamoerigang sorteeren soo heb ik deselve met versoek van de gemeene man aan mijn groot vader Tjondronopero voorgedragen en versocht om deselve te mogen houden wel„ „ke negorij mijn groot vader Tjondronogoro mij ten eene„ „maal heb overgelaten bij welkers afgeeving door den patin „gies van sourabaija is geweigert geworden om deselve afte„ „geeven toen heb ik verders daar op aan mijn groot vader Tjondronogoro nader kennisse gegeeven welkers ver„ schillende zodanig is voortgesprooten. verders neeme ik de vrijheid uwel Ed: achtb: onderdaan en de allen oudste van hier in de dispositie van uwel Ed: achtb: te laten overgaan om dat uwelEd: achtb: nader kan ondertoeken /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was geteekend:/ J: F: Buse gesw: Trans„ latur /:lager:/ accordeert /:was getekend:/ I: F: Buse getw: Translateur Copia 119 165 Van Iavas oostcust den 31. december 1774. Copia Javaanse brief aan den regent te Lamoengang geschreeven door den gesaghebber M„r P„r e Luzac sub dato 18. Julij 1774. Bij uwwen brief mij niet voorkomende het geen waar over vwE disput eigentlijk gegrond is namentlijk het rijstveld maar wel dat de negorij salatong vuE door den oude regent op sijn versoek was afgestaan 't geen ook niet werd ge„ vraagt omaar aan uu E verblyft omaar geen sints die rijst „velden die tot districte van Sourabaija gehoore en daar onder ook gehooren te blijven weshalve ik Liefst sien sal dat daar uuE nu een en andermaal versoekt gedaan heb de regent niet genegen is het selve uw E: aftestaan vwE daar van afsiet en niet meer om aanhoud ten sij uwE sijn gepretendeerd recht de agtbaren haer gouverneur wilde voordragen tot obtenue van het selve /:onderstond:/ dato voorschr:. /: was geteekend:/ P„r Luzai /:lager:/ acordeert /:was geteekend:/ J: F: Buse gesw: Translateur. de deel van Iavas oostkust. den 31. december 1774: Antwoord van den Tommongong voormeld ontvangen te Sourabaija den 2: Julij 1774. uwel Ed:e achtb: hoog gevenereerde, missive is mij wel geworden, en daar uit ontwaart, uwel Ed: achtb: hogenr beveelen de negorij salatoong onder lamoengang en sijne rijst velden onder sourabaija moete„ blijven berusten onder gunstig welduiden van uwel Ed:e achtb: met over de negorij salatong maar wel over rijst velden die de de batten voortspruit om reeden ik alleen van uwelEd: achtb: gunst afwachtende om de negorij salatoong met hun rijst velden onder lamoengang te mogen forteeren in de verschilling alleen door uwelEd: achtb: kan g'effent worden sonder aan de hooger hand te addresseeren om dat uwel Ed: achtb: hooger persoon achte ik soo goed als de Edele heer gouverneur selvs te Samarang en soo mijn oom den regent te sourabaija aan de koeger hand wil addresseeren ben ik ook bereid hem te volgen wel weetende dat wij onderdaanen van dE Comp: zijn en soo uwel Ed: achtb: klaarden gediend te weesen van de meerm: negorij en rijst velden soo gelieft uwelEd: achtb: een sendeling te senden om te besigtigen hoedanig de grond gebied leggen blijvende in verwachting van uwelEd: achtb: ordres /:onderstond:/ getranslateerd: oor mij /:was geteekend:/ J: F: Buse gesw: Translateur /:lager:/ accordeert /:was geteekend:/ J: F: Buse. Copia
English
From the east coast of Java, 31 December 1774. Copy of a copy of a private letter written by the resident at Oeloepampang Hendrik Schophoff to the Surabaya Commander, Master Pieter Luzac, dated 28 July 1774. In dutiful reply to Your Right Honourable and Much Esteemed letter of the 5th of this month, delivered safely to me upon the arrival here of Quartermaster Boonzak with his cargo of rice and iron, stating that Master de Exter arrived here on the 4th of this month, of which I informed Your Right Honourable in my respectful letter of the 9th thereafter, as well as the arrival at Banyuwangi of the batoors, first from Gresik, Sedayu and Lamongan, and subsequently the Surabayans from the second regent, as well as those from the first ditto, all safely and according to their accompanying letter, without any of them going missing en route. And from the Pamakasan people, on the 20th of this month, 25 of the 30 batoors arrived at Banyuwangi by praus according to the accompanying letters, under the pretext of those chiefs that 5 men had deserted on the way; however, according to the report by Lieutenant Guttenberger of Banyuwangi, 24 men of the first-mentioned batoors have already run away. Regarding Gusti Moera's activities at Jembrana, I shall have them observed as well as possible, though such cannot well be entrusted to any Balambangan people, in order to avoid all intrigues between these and the Jembrana people; for that purpose, people must be sought from other nations, who are also very scarce here. The dispatch of the praus from here around the south to Nusa will, based on previous years, still be too premature in the month of October, because experience has shown that in that month the southeast winds blow the hardest and most persistently of the year. An attempt should be made when the monsoon change begins in the month of November, in order to gain any hope of a safe journey. Nor do I see any chance of cutting off Janie's path between Bali and Nusa, since no vessels can be sent out to sea east of Bali, where that robber constantly plies back and forth to the south. The extra requisitions of 4 February last are enclosed herewith in copy according to Your Right Honourable's esteemed request, noted in the margin with what has been received and what has remained unfulfilled; the nails for doors, windows, bridges, gates, and lath nails should be, the first sort at least 2,000, and those for the gates and bridges 1,600, and of the last-mentioned I also calculate 1,600. However, what has not been received and remains unfulfilled among the items requisitioned for the household and vessels can indeed be checked against the requisition there as to what is fulfilled and unfulfilled. From all appearances in the still blessed progress of the work, I believe we shall at the latest succeed with the formal move from here to Banyuwangi in the beginning of October, because Balambangan laborers still present themselves daily seeking to work for wages. At the beginning of this month I have again gathered 30 men, of whom I made no mention in my previous letter, who are being used exclusively to clear the wilderness at the site south of Pakem for the smaller fort and its surroundings, who will have a sufficiently extensive site cleared by the end of August, as the wilderness there consists of much smaller large trees than at Banyuwangi. Pursuant to the further orders concerning the commissioners appointed for the border demarcation, with the native chiefs for assistance, I shall dutifully conduct myself, although I cannot well spare Faber from the overdue paperwork, on which he works day and night to bring it to an end, as he is the only one who can assist me therein. Recently, the Pasuruan Commander Rijck sent over another three Balambangan men, with the message that they were the last to be found there. It will then be best to send them here successively from the western districts to be assigned under the weak chiefs, as I recommended to the regent and bupatis to distribute the previous ones, which I think is the intention of our high authorities, so that they will thereby be placed on an equal footing, if only some reliance can be placed on the reports given to me concerning the people from here who have taken refuge and are still staying at Panarukan, Besuki, and in the western part of Balambangan, once they have all arrived here, as otherwise taking away some chiefs to place under other people might easily cause confusion through their desertion. Furthermore, the bag of money marked W for the regent, sent to me by Quartermaster Boonzak, has been safely delivered, so that in such manner
Dutch transcription
p 121. 167. Van Iavas oostkust den 31:' december 1774. Copia a copia aparte brief geschreeven door den resident te oeloepampang H=k Schophoff aan den sourabaijasche gesaghebber m„r Pieter Luzac in dato 28. Julij 1774. op vwel Ed:e achtb: veel gevenereerde letteren van den 5. deeser mij bij arrive alhier van quartiermeester Boonzak met zijn Lading rijst en ijzer wel aangebragt schuldpligtig antwoordende dat den Baas de Exter den 4. deeser alhier aangekomen bij mijne eerbiedige van den 9. daar na vwel Ed:e achtb: bedeelt hebbe als meede de arrive te Banjoewangie der Batt:s eerst van grissae Tidaijoe en lamongang en vervolgens de sourabaijers van den Tweede regent soo als die van den eerste dito alle behouden en luid hun geleide briev sonder een hun onder weegens geabsenteerd en sijn van de pamacassangers den 20 deeser meede van de 30. volgens geleide letteren 25. Battoors te Banjoewangie ten houw gekomen ome prau„ wen onder voorgeeven dier hoofden 5 koppen onderweegs waren gedrost dog sijn van eerstgenoemde Battoors volgens bedeeling door luitenant guttenberger van Ban Joewan„ gie alreeds 24: koppen weg geloopen. omtrent „ de deel Van Iavas oostkust den 31. december 1774. omtrent gustij Moera te Tjembranie sijn gedoentens sal goed als doenlijk is laten observeeren dog aan geene Balem„ ibrangers sulks wel te vertrouwen sijnde om alle konkelarijen te vermijden tusschen deese en Tjembranise volkeren daar toe uit andere natien dienen gesogt te worden die hier ook alweinig sijn te vinden. De afsending der prauwen van hier om de Luid na Noessa sal de maand october na voorgaande Jaaren genomen nog te vroegtijdig sijn om dat men heeft ondervonden in die maand de zuid ooste winden selfs het haardste en aan„ houdendste van het jaar waijen de kentering eerst in de maand November begint sou dienen gebrobeert te werden om eenige hoop van een behoude reis te kreijgen is sie ik ook geen kans om Janie de pat tusschen Balie en Noetsa afte snijden mits men geene vaartuigen beoosten Balie in zee kan zenden alwaar dien roover altoos op af en toe vaart om de zuid derwaarts heeft. Het Extra Eisschen van den 4. febr: laastleeden in Copia hier bij volgens uwelEd: achtb: g'eerde requisit overgaande in margine genoteert van 't geen daar op ontvangen en onvoldaan sijnde gebleeven dienende spijkers voor duuren vensters 123. 169 Van Iavas oostkust den 31. December 1774. vensters bruggen poorten en laat spijkers te sijn het eerste soort wel 2/o en die voor die poorten en bruggen 1/6 en van laast genoemde meede 1/6 calculeere dog het niet ontvangen en onvoldaane voor de huishouding en vaartuigen g'eischt kan immers op den eisch aldaar nagegaan werden wat voldaan en onvoldaan is Na alle aanschouw in de als nog gesegende voortgang met den arbeid sal men ten hoogsten meen ik in den beginne van october met den formeele verhuising van hier na Ban„ Joewangie reusseuren door dat sig nog dagelijks Balemboang„ sche werk volkeren op doen die voorloon soeken te arbeiden heb ik met den beginne van deese maand ook 30 koppen op nieuw bij een gebragt waar van nog geen melding in mijn voorige heb gedaan die gebruikt werden om de plaats eenelijk bezuiden pakkum voor het mindere forth bij en om op te ruimen van de wildernissen die tegens ult„o augustus een genoegsame uitgebreide plaats sullen schoon hebben wijlde wildernissen daar veel geringer in groot geboomte vallen dan te Banjoewangie. Ingevolge de nadere ordre over deese gecommitteerdens tot de linietscheijding benoemd met de Jnlandsche hoofde ter adsistentie „ deel adsistentie mij schuldpligtig sullende gedraagen alhoewer Faber niet wel te mitsen hebb van het veragterde Expeditie werk waar aan dog en nagt arbeide om daar meede eens een einde te hebben mij daar in de eenigste is tot hulpe te kunnen dienen jongst heeft den passorouangs Commandant Rijck nog drie koppen Balemboangers overgesonden onder bedeeling het de laatste van daar te vinden waaren sal dan best zijn successief nog herwaards te zendene uit de westersche discric„ „ten onder de swakke hoofden aftegeven soo als met de voorige den regent en Bepattijs heb aan gerecommandeert te verdeelen onse hooge gebieders intentie te sijn denkie dat de„ selve daar door dan ingelijkheid sullen gesteld werden als maar eenige staat mag maaken op de berigten die men mij wil geeven van de nog te Panaroekan Besoeki en in het wester gedeelte van Palemboangang hun onthou„ dende van hier uitgeweeke volkeren eens alle herw:s zijn overgekomen dat anders door het wegnemen van Eenige hoofden onder anderen te stellen volkeren ligtelijk verwarringe souveroirsaaken door verloop van deselve. wijders is mij door quartiermeester Boonsak de toegesonde zak met geld gemerkt w: voor den regent wel besorgt dat op van Javas oostkust den 31. december 1774. zodanige