Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
125. 171 From Java's East Coast, the 31st of December 1774. in such a manner was well received by the same, as the enclosed report and receipt of the Bepattijs has been properly arranged, with elucidation regarding the special favor Their High Noble Excellencies have shown to the Honorable Respectable Lord Governor, the Regent, therein, according to the contents of the Most Honorable Lord Governor's writing to his honor, having urged him, in response to that highly venerated missive, to prepare the required proof signed by him and the Bepattijs concerning the receipt of those funds, which are enclosed herewith. Having expressed my most dutiful thanks for the distribution projected for Onoessa on behalf of the Madurese and Sumenep peoples, the provisions for those peoples would then consist of rice, dried fish or dingding, and salt, as was previously supplied to them from your honors' post, sent hither against their appointed time when they shall cross over. I still have a remainder of over two coiangs of green cadjang from the latest expedition here, of which I know of no distribution permitted to those auxiliary troops except upon prior qualification. Ammunition of war would be lacking here if the same should be deemed necessary on the vessels, such as one-pounder cannons and of lesser or greater caliber, with round and long [continued] From Java's East Coast, the 31st of December 1774. shot and canister shot, as no other cannons are at hand here than the 8 pieces of iron one-pounders for the four household prauw-mayangs, with a very small supply of round and long shot, as well as canister shot; whereas mortars of 4 inches with their grenades are sufficiently at hand. And up to 100 capable muskets could still be spared from here for that expedition, provided only that some barrels of live musket cartridges be sent for that purpose, as the supply thereof is small. Also expressing my humblest thanks for the favorably sent instructions for the commissioners regarding the boundary demarcation, etc., I hereby forward to Your Noble Respectables the general strength of all European and native servants present here today. And while I subscribe myself with the most due respect, beneath stood: Title, lower: Conclusion, was signed: H. Schophof, still lower: Conforms, was signed: P. Luzac, beneath stood: Conforms, signed: R. vander Burgh. Copy 127. 173 From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Copy of a separate missive written by the Commander in Sourabaija, Master Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, the 27th of August 1774. While I remain in expectation of learning of the good receipt of my submissive notifications by letters both of the 16th of July, with which the money for the Landraad on the part of the Ngabehi Dirmo Joedo was also forwarded via the mantri Wangsingronno, as further by my letters of the 2nd of this month, I meanwhile take the liberty also to present to Your Noble Respectables, by extract of his letter, the reports received from Oeloepampang, by which may Your Honor please favorably note that the work on the relocation continues to proceed quite blessedly with the continued presence and labor of the peoples. In response to which, as far as possible, the Resident's request, both regarding good sturdy prauw-mayangs and rigging for the transport of the artillery, will first be sought to be answered, although we are not well supplied with the latter. In the same letter, he also reports that on the 16th of this month the commissioners departed via Panaroekan for Adiago, to fulfill their instructions and commission concerning that part of the districts, from where Lieutenant Rijck has reported his arrival there, accompanied by the junior assistant Haak, and because of whose absence I would have let the Ensign Uttermole (as appears here) depart thither earlier, so that until the return of the Commander, Ensign Fisscher now being as good as recovered, I would, with the favorable approbation of Your Noble Respectables, [continued] From Java's East Coast, the 31st of December 1774. keep him here in the garrison, should the expedition to Noessa not take place this year, as is to be expected; for to remain campaigning there at a single camp with the present strength can well be entrusted to the good Sergeant Steenbergen. Whereon I shall await Your Noble Respectables' higher disposition and wiser judgment. The Prince of Madura, having gone for a few days to Campang for a hunting diversion, had his revenue for this year first paid out. Nevertheless, after the distribution of the good months, doits will again become scarce with us, regarding which I am imploring Your Noble Respectables' most favorable grace for a favorable addition of 1,000 ordinary Hollands of that copper coin. Herewith most obediently enclosing the list of names of the deceased for the month of July, having nothing further to impart worthy of Your Noble Respectables' highly honored attention, I have the honor to subscribe myself with deepest respect and obedience, beneath stood: Title, lower: Your Noble Respectables' entirely obedient and humble servant, was signed: P. Luzac, in the margin: that the above, lower: Conforms, was signed: J. R. vander Burgh. Copy
Dutch transcription
125. 171 van Iavas oostkust den 31. december 1774. zodanige wijse wel uitgekomen aan deselve als inleggende berigt en quitantie van de Bepattijs rigtig is toegelegd onder Elu„ cidatie wegens de bijsondere gratie haar hoog Edelheedens aan de Edele Achtbare heere gouverneur hem regent daar in be„ weesen na den inhoud van hoogst de Edele heere gouverneur schrijvens aan sijn Eenter beantwoording dier horg gevene„ rueerde missive met 't gerequireerde bewijs door hem en de Be„ pattijs geteekend over den ontfangst dierpeningen in gereedheid te brengen aangemaant hebbende dier hier ingeslooten overgaande voor de bedeeling der madureeten en sumanapse volkeren voor onoessa geprojecteerd mijn schuldigste dank betuigt hebbende zouden dan de mond behoeftens voor die volkeren in rijst drooge visch ofte dingding en zout bestaan soo als voor heen daar aan verstrekt is van â costi tegens hun bepaalde tijd datse sullen oversteeken herwaards gesonden wierden. groene cadjang hebbe nog ruim twee coiangs restant uit de Jongste Expeditie alhier waar van geen verstrekking weete te mogen doen aan die hulptroepen dan bij voorafgaande quali„ „ficatie ammunitie van oorlog sou hier ontbreeken als deselve op de vaartuigen geoordeelt werden benodigt te zijn als een ponder Canons en minder of meer van caliber met rond en lang Schip „ de deel van Iavas oostkust den 31 december 1774. scherp en druiven wijl hier geen andere canons aan hande zijn als de 8. p„s ijsere een ponders voor de vier huishoudende prauw„ omaiangs met een seer geringe voorraad van rond- en langscherp als meede druiven daar mortieren van 4 d=m met hun granaten genoegsaam aanhanden sijn en kunnen er nog wel 100 bekwaame snaphanen tot die Expeditie van hier gemist werden als maer eenige vaten scherpe snaphaan pattroonen daar toe versonden werden wijl dies voorraad gering is. mijn nedrigst dank segging mede betuigende voor de gunstig toegesonde Jnstructie voor de gecommitteerdens over de linietscheiding & van daar laate hier bij de gene„ raale sterkte van alle Europeesen en Jnlandsche dienaeren op heeden hier present vwel Ed: achtb: toekom en terwijl mij met verschuldigst ontsag noeme /:onderstond:/ Titul /:lager:/ slot /:was geteekend:/ h„r schophof /: nog lager:/ accordeert /:was geteekent/ P: Luzac /:onderstond:/ accordeerd/geteekend:/ R: vander Burgh, Copia 127. 173 van Iavas oostkust den 31. december 1774. Copia aparte missive door den gesaghebber te sourabaija M„r Pieter Luzac geschreeven aan den ondergeteekende gouverneur en Directeur van Iavas Noordoost kust gedateerd Sourabaija den 27. Augustus 1774. Daar ik in verwagting blijve te verneemen den goede ontfangst mijner submissie bedeelinge bij letteren soo van den 16. Julij, bij welke ook per den mantrie wangsingronno het geld voor den landraad voor af ten laaste van de Jngabeij Dirmo Joedo verselt geweest is als nader mijne letteren van den 2: deeser neeme ik intusschen de vrij„ heid uwelEd: achtb: ook aan te bieden bij Extract sijner briev de ontfangene berigte van oeloepampang bij dewelke hoogst deselve in gun„ tige attentie gelieve te neemen dat het werk tot de verhuising bij aan„ houdende verblijf en werksaamheijd der volkeren nog al gesegent voorgaat tot het welke na mogelijkheid des residents versoek soo omtrent goede stevige prauwmaijangs als takelagie tot vervoer van het geschut eerste sal tragten te beantwoorden schoon wij van het laatste niet wel voorsien sijn bij den selven briev meet hij ook dat op den 16: deeser d' gecommitteerdens over panaroekan na Adiago vertrokken sijn om aan hunne Jnstructie en commissie over dat gedeelte„ der districten te beantwoorden van waar de luitenant Rijck sijn arri„ „vement aldaar bedeelt heeft verselt van den Jonge assistent haak en om welkers absentie ik den vaandrig uttermole /: soo hier ver„ schijnt:/ met eerder derwaarts soude laten vertrekken dat tot retour van den Commandant den vaandrig Fisscher nu wel soo goed als herstelt sijnde soude ik onder gunstige approbatie van uw Ed: achtb: hier de deel van Iavas oostkust den 31. december 1774. hier in 't guarnisoen houden indien de Expeditie op noessa dit. jaar geen voortgang nam gelijk ten denken is want tot eenen enkel campement daar te blijven militeeren met de presente sterkte onder den braave sergeant steenbergen wel kan aanver„ trouwt blijven waar op ik uwel Ed:e achtb: hoger dispositie en wijser oordeel sal blijven in wagten de prins van Madura voor eenig dagen na Campang een tiffertissement ter jacht neemende heeft sijne revenue voor dit gaar eerst laten voldoen nogtand sullen de duiten na de uitdeeling der goede maanden bij ons weder schaand worden waar omtrent tot een gunstig toevoeging van 1'000 ord„s hollands dier kopere munt ik uwelEde achtb: hoegste gunstige gunste ben imploreerende Hier bij gehoorsaamst insluitende de naamlijst der overleedene voor de maand Juli geeve ik mij de Eere als oniets verders uwelEd: achtb: horg g'eerde attentie waardig te bedeelen hebbende met diepste Eerbied en gehoorsaamheid te onderschrijven /:onderstond:/ Titul /:lager uwelEd: achtb: gantsch gehoorsomo en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac /:inmargine:/ dat voorschr: /:lager:/ accordeert /:was geteekent:/ J: R: vanderBurigh Copia
English
129 175 From: Java's North-East Coast, 31 December 1774. Copy extract from the separate letter written by the Resident at Oeloepampang Hendrik Schophoff to the Sourabaija Commander Mr. Pieter Luzac on 16 August 1774. Your Right Honourable Sir, upon the hopefully good receipt of this, will have observed the low desertion rate among the working people, who still behave reasonably well in the continuation of the work at Banjoewangie, and according to a rough calculation will have finished by the end of this month the digging of the moat and the raising of the ground inside the fortress, if only they hold out this long and in all regards; thereafter, most of the work remains the domestic quarters, and clearing away the necessary wilderness standing too close to the fortress. Expressing my obliged thanks for the shared departure of the Passourouang Commandant Rijck to Adirogo, it serves for most dutiful communication that the commissioners appointed from here for that commission by Your Right Honourable Sir, previously mentioned, the Lieutenant Jacob Guttenberger and Assistant Faber, with the Ngabehi Poeroekoentsie, Great Mantri Smodirono, and some native locals knowledgeable of the land, have today taken their departure by sea to Panaroekan and subsequently intend to continue the journey from there overland to Adirogo, to whom I have handed over the instructions in original as received for the Passourouang Commandant Rijck and Adirogo's ditto Fisser to serve for their commission, in order that they may punctually regulate themselves in all parts insofar as their duties relate thereto, the remainder also being attached in a written annex to the last-mentioned letter. Regarding part From Java's North-East Coast, 31 December 1774. Regarding the formal relocation from here to Banjoewangie, it cannot commence before the first of October next, at which time 4 to 5 good cruising prahu-mayangs would be more useful to us here than the two pantjallangs belonging there, which do nothing but delay us with the loading and unloading of goods; once the prahu-mayangs are loaded and have sailed out of the river onto the roadstead, they can easily continue their voyage from here to Banjoewangie in the meantime and thus land there in the river, where our heavy ordnance for all certainty, the cooperage partly thus laid to prevent leakage during loading and unloading, as the rice bags through the initial transport and back-and-forth movement become so disturbed in a large quantity that losses would occur thereby; with prahu-mayangs, because they can tolerate little movement, the cooperage and rice should be transported, whereas the ordnance runs the risk during loading and unloading of being lost in the sea due to poor rigging according to the report of the quartermasters. Below stood: Agreed. Was signed: P. Luzac. Lower: Agreed. Was signed: J. R. van den Burgh. 131. 177 From Java's North-East Coast, 31 December 1774. Copy of a separate missive written by the Commander at Sourabaija Mr. Pieter Luzac to the undersigned Governor and Director of Java's North-East Coast, dated Sourabaija 6 September 1774. I can well assure Your Right Honourable Sir that my letters, both Company and private, are not delayed in and under my district, with respect to which I defer the further dispatch to the wiser judgment as to where to address it. I have had the honour to answer Your Right Honourable Sir's most honoured missive of 30 July by my submission of 2 August, and separately written further by my letter of 27 of the same month, to both of which I do not yet find myself honoured with a reply. In which letters I have already answered the item concerning the receipt for the money sent in favour of the Regent Wiro Goeno at Balemboangan, since I intended to answer the content of the highly venerated extract missive of Their High Noble Honours regarding the special grace shown to the Passarouang districts, as well as a dutiful report on the commission for the survey of Western Balemboangan upon the return of Lieutenant Rijke; meanwhile, I have had the special favour regarding Porong settled for this current financial year, as well as continuing the monthly supplies for Malang and part From Java's North-East Coast, 31 December 1774. and Antang to the European garrison. There is no lack of encouragement regarding the obligatory deliveries, and I hope to be confident that there will be little arrears left of the rice contingent at Sourabaija by the end of October next, regarding which my iterative reminders for the kadjang and oil have already been sent and newly repeated; however, the Pamacassang districts have suffered greatly since the death of the Regent with respect to the season. Upon the repeated request of Your Right Honourable Sir, I have therefore referred the Ngabehi at Bangil with his family by the ship Vlissingen to the Landraad, and no direct complaints have reached me against that Ngabehi, other than what the Passourouang Commandant Rijke [illegible]. Together with which, since my latest to Your Right Honourable Sir of the 27th, I have further received notifications from Oeloepampang, a copy of which enclosed herewith I have the honour to present most humbly to Your Right Honourable Sir, and to subscribe myself with the deepest esteem and respect. Below stood: Title. Lower: Your Right Honourable Sir's completely obedient and humble servant. Was signed: P. Luzac. In the margin: Date as above. Postscript: The Bupati Wiria Cesoano will depart from here next Friday on his own vessel. Below stood: Agreed. Was signed: J. R. van der Burgh. 4.
Dutch transcription
129 175 Van: Iavas ost hust den 31: december 174. Copia Extract uit de aparte brief geschreeven door den resident te oeloepampang Hendrik schophoff aan den Sourabaijas gesaghebber M„r Pieter Luzac den 16: augustus 1774. sal uwel Ed:e achtbare dan na een verhopentlijke goede ontvangst bij de„ selve het gering verloop der werks volkeren b'oogst hebben die hun nog tamelijk wel gedragen inde voorsetting van denn arbeid te Banjoewangie en na ruwe calculative tegen het einde van dese maand met het graven der gragt en aanbrengen van de grond binnen het fortres gedaan werk sullen krijgen als maar dus lang en alle standhouden, blijft daarna nog het meeste werk de huishouding, blijft en nodig weg te ruimen wil„ „dernissen te digte bij het fortres staande. voor het bedeelde vertrek van den Passourouangs Commandant Rijck na Adirogo mijn verpligte dank betuigende diend ter schuldigste Com„ „municatie dat de gecommitteerdens van hier tot die Commissie door uwel Ed: achtbare bij voorgaande benrand den licut Jacob guttenberger en adsistent Faber met den kopattij poeroekoentsie groot omantrie smodirono en eenige landkundige Jnlanders op heeden hun vertrek hebben genomen over see tot Panaroekan en vervolgens van daar over land de reise na adirogo meenen voortesetten, aan dewelke de Jnstructie so als deselve ontvangen voor den passourouangs Com„ „mandant rijck en adirogos dito Fisser gediend tot hun Commissie in Origineele heb voorhandigd om hun in alle deelen voor soo verre haar verrigting betrekking heeft daar na punctueelijk te kunnen regu„ „leeren en het verdere meede in laast gemelde missive annex in een schriftelijke bijlaage gevoegd zijnde. Aaangande deel Van Iavas oostkust den 31. december 1774. Aangaande de formeele verhuising van hier na kan joewangie kan voor primo actober eerstkomende geen begin neemen wanneer ons hier nog 4: a 5: goede kruisprauw maijangs beter van pas soude komen als de twee aldaar thuishorende pantjallangs daar ons niets anders als ophouden met den af en toescheep der goederen de prauw„ majangs eens geladen en de rivier uit op de rheede gekomen kunnense hun reise van hier Banjoewangie met een wel vervorderen in de tusschen tijden en so daar in de rivier aanlanden daar ons grof geschut voor alle seekerheid de vaartwerken gedeeltelijk so legt voor leckagie te verhoeden bij het uit en inladen als derijst sakken door het eerste vervoer en over ende weerwerken so on„ tramporeerd geraaken in een groote quantiteijt daar door soude met verliesen met prauwmajangs om dat weinig beweijning kunnen veelen diend vervoerd te worden als de vaatwerken en rijst daar het geschut gevaar loopt bij het laaden en lossen door de slegte takelagie volgens opgave der quartiermeesters in zee te verliesen /:onderstond:/ accordeerd. /:was geteekend P: Luzac: / lager/ accordeerd :/ was geteekend:/ I: R: vanden Burgh 131. 177 Van Iavas oostkust den 31. december 1774. Copia aparte missive door den gesaghebber te Coura„ baija m„r Pieter Luzai geschreven aan den onder„ geteekende gouverneur en directeur van Javas noord oostrust gedateerd sourabaija den 6: septemb„r Ao 1774. Mijne brieven soo compagnies als particulier aan uw Ed: achtb: kan ik wel verseekeren dat in en onder mijn district niet worde „aan opgehouden wethalve de verdere bestelling „ het hoog wijser oordeel gedefereert laate waar aan te koperen. Ik heb de Eere gehad uwelEd: achtb: hoogst g'eerde missive vande 30 Julij te beantwoorden bij mijne submissie van den 2. augustus en nader apart geschreeven bij mijne letteren van den 27. derselver maand op welke bij de ik mij nog niet geen antwoord vereend vinde Bij welke brieven ik bereeds beantwoord heb het articul omtrent de quitantie over het versonden geld ten faveur vonden reegent wiro goeno te Balemboangang daar ik het begrip van het oog „extract gevenereerde „ missive haar hoog Edelheedens over de bij sondere gratie de Passarouangse districten beweesen soo wel als een schuldig ver„ slag over de Commissie ter opneem van wester Balemboan„ gang bij retour van de leutenant rijke het een en ander als dan stond te beantwoorden intusschen dat ik het bijsonder faveur omtrent Porong en dit lopende boekjaar heb laten vereffenen soo wel als de maandelijksche verstrekkinge voor Malang en deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774. en antang aan de Europeesche besetting laten voortgang neemen het hapert aan geen aan spooringe tot de verplichte leverantie en ik hoop mij kloek te maaken dat aan het Contingent rijst te sourabaija onder ult„o 8ber aanstaande weinig meer agterstal over„ blijven sal daar omtrent de Cadjang en olie omijne iterativen aanmaninge bereeds sijn afgegaan en op nieuws herhaalde dog de pamacassangse districten hebben zedert den doot vande regent veel geleeden ten opsigte van het saisoen. Ik heb dan op herhaald requisit van uw Edele achtb den Jngabij te vangil met desselfs famillie per het schip vlissingen aan den landraad gerenvoijeert, en sijn mij voor dien jngebij geen directe klagten ingekomen anders als de Passorouangs Command: Rijke opgest Bij het welke seedert mijn jongste van den 27. aan uwelEd: achtb: nader ontvangen heb bedelinge van oeloepampang welkers Copia inclose deeses deEere heb uwel Ed: achtb: aller humbelste aan te bieden en mij met diepste achting en eerbied te onder„ schrijven /:onderstond:/ Titul /lager:/ uwelEdele achtbare gantsch gehoorsame en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P: Luzac /inmargine:/ dato voorsch: P: S: de Bepattij wiria Cesoano sal aanstaande vrijdrag per zijn eige vaartuig van hier ver„ trekken /:onderstond:/ accordeert /:was geteekend. / J: R: vander Burgh 4.
English
B33 179 From the East Coast of Java, 31 December 1774. Copy of a separate letter written by the Resident at Oeloepampang, Hendrik Schophof, to the Commander at Sourabaya, Mr. Pieter Luzac, dated the aforesaid ultimo August 1774. This most dutiful reply serves in response to Your Right Honourable’s much-honoured letter of the 8th of this month, which was only delivered here late on the 27th of this month via Panaroekan, stating that the Petronella, as well as the Johannes Cornelis on the 23rd of this month with their cargo of rice and the more frequently mentioned small keel, having been unloaded with all possible dispatch, the latter is returned herewith; the second, however, still having to hold a cargo of rice for some days until they have storerooms ready to unload at Banjoewangie. In accordance with Your Right Honourable’s esteemed intention, I shall detain the last-mentioned vessel until the relocation, for which there is little prospect before October because of the only setback in the buildings, or because that is progressing somewhat slowly. In the meantime, however, we can already have a portion of the goods transported thither from here, in order to be finished all the more quickly then, as the fortification in itself will be completely finished within a few days, and a garrison is to be stationed therein of 20 European and 40 native soldiers, over whom I have commended the command to Ensign Kregel until Lieutenant Guttenberger has returned from his commission. Regarding From the East Coast of Java, 31 December 1774. According to your calculation, I think we are well supplied with rice, both for servants and labourers, for the period of another three months; therefore, I request that no rice be sent hither before the month of November, when we are once settled at Banjoewangie. Regarding the Pamekesan labourers, according to the testimony of Ensign Kregel and master builder D'Ester, they conduct themselves praisefully in their work, as do all the others from the East Hook. Not the slightest movement by Gusti Moerah has been perceived, neither by water nor by land, and once the turn of the monsoon has arrived, I shall again have two mayang proas attempt to steer around the South Hook toward Batoe Oeloe. The commissioners commenced their journey from here to Adirogo on the 16th of this month, as I had the honour dutifully to inform Your Right Honourable in the line of duty. Concerning the bricking up of a powder magazine in each of the fortresses by the master builder D'Ester, and submitting the statement of what is required for it and the costs, I have received no extract from His Honour the Governor’s letter. This cannot well be submitted by Master De Ester, because the bricks must be transported with proas from here to Banjoewangie from the ruined buildings, both 135. 181 From the East Coast of Java, 31 December 1774. for the powder magazines and the brick foundations of the buildings and floors. The lime is burned by labourers within their daily wage, and the woodwork for it must also be worked by the carpenters, and masons must be paid on the same footing. However, I will have him draw up an estimate regarding the amount and send it to Your Right Honourable in due course, since in my previous letter I stated the price of the dingding and dried fish, purchasing at 8 Dutch oortjes per 100 lb, and have also already obtained authorization by Your Right Honourable’s honoured letter dated the 11th of this month to purchase the necessities for the labourers in such a manner. Lastly, having dutifully submitted to Your Right Honourable the general muster roll, I subscribe myself with the greatest veneration, below stood Title, lower was the closing, was signed, Hendrik Schophoff, still lower, agrees, was signed, Pieter Luzac, lower, agrees, was signed, J. R. van der Burgh. Second section From the East Coast of Java, 31 December 1774. Copy of a separate missive written by the Commander at Sourabaya, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java’s Northeast Coast, dated Sourabaya, 27 September 1774. I would have suspended the reply to Your Right Honourable’s honoured missive of 16 September, duly received by me on the 21st, until I could have fully answered regarding the commission to the west of Balemboangan upon the arrival of Lieutenant van Rijck, whom, having already returned from it several days ago, I am daily expecting here; thus, preferably to avoid frequent displeasure, this serves most obediently. And thus reassuring for me was the receipt of my letters of 2 and 27, likewise 6 September, concerning the money delivered to the Balemboangan Regent Wiro Goeno. Furthermore, by a full extract of Your Right Honourable’s missive, I have written further to the Resident there concerning the estimate from the Master Carpenter De Ester regarding the costs for the stone powder magazines in each of the small forts, and provided it for his information regarding submitting the result of the commission for determining the boundaries between Eastern and Western Balemboangan on his part. As well as still during this good season the lands of the Eastern district there placed under the Regent in the manner as
Dutch transcription
B33 179 Van Javas oostkust den 31 december 1774. Copia a copia apart briev geschreeven door den resident te oeloepampang H„k schophof aan den gesaghebb: te Courab: pn: Pieter Luzac dato voorsch: ulto augustus 1774. de Den schuldigste rescriptie dient op uw el Ed. achtb: veel gehonoreerde van den 8. deeser die eerst den 27: deeser laat alhier over Panaroeka„ aangebragt dat de Petronella soo wel als de Johannes Cornelis den 23. deeser met hun lading rijst en meer gemeld kieltje met alle mogelijke spoed ontladen sijnde dat bij desen wederom retour„ „neert 't tweede egter nog eenige dagen Lading rijst moetende inhouden tot te vangoewangie Bergingen voor hebben te ont„ laden sal ik aan laast gemeld Bodempje ingevolge uwel Ed„s achtb g'eerde intentie aanhouden tot de verhuising daar voor october weinig uitsigt toe hebben om de eenigste tegen spoed in de gebouwen of dat wat langsaam voortgaat kunnen wij dog intusschen van hier al een gedeelte goederen derwaarts laten transporteeren om als dan soo veel te spoediger gedaan te hebben wijl de vesting voor sig selven binne korte dagen geheel klaar raakt en een besetting daar in staat geplaats te werden van 20 Europeese en 40. Jnlandsche militairen waar over aan vaandrig kreegel het Commando heb aanbevoolen tot dat den lieutenant Guttenberger van sijn Commissie geretoumeert is de deel Van Iavas oostkust den 31: december 1774. is na uuwe calculatie denke wel van rijst bevoorraad te sijn soo voor dienaaren als werks volkeren nog voor den tijd van drie maanden dus versoeke voor de maand november geen rijst mag herwaards gesonde werden wanneer te Banjoewangie eens geseeten sijn Aangaande de pamacassangse werks volkeren gedragen hun volgens getuigenis van vaandrig kregel en baas D Ester loffe„ „lijk in den arbeid soo wel als alle anderen uit den oosthoek van gusti moeras beweeging bespeurt omen zoo min te water als de lande niet het minste en sal dan de kenter tijd eens aangekomen is wederom het door twee prauw maijangs laten probeeren de zuidhoek om te steevenen na Batoe oeloe De gecommitteerdens hebben van hier den 16 deeser hun reise nna Adirogo aangenoomen als de Eere heb gehad op dienstatiur aan uw welEd: achtb: schuldplichtig te bedeelen. over het opmetselen in de fortretsen ider een knut huis door die baas D' Ester het daar toe benodigde en te bekostigen op te geeven hebbe geen Extract uit sEdele heer gouverneur schrijven ontvangen het geene niet wel met doorden Baas De Exter kan opgegeeven werden vermits men de metsel steeren van hier na Banjoenangie met prauwen uit de afgevalle gebouwen moet laten transporteeren soo wel voor 135. 181 Van Iavas oostkcust den 31. december 1774. voor de kruit maguasijnen als onder metselen der gebouwen en floeren de kalk door volkeren in haar dagloon werd gebrand als meede door de timmerlieden de houtwerken daar toe moeten bewerkt werden en metselaars op gelijke voet dienen betaald te werden sal door den selven dog een opgave omtrent het bedrage„ laten doen en vwel Edele achtb: bij nader toeschikken daar ik in oijn voorgaande de prijs van het dingding en droge visch heb opgeeven tegens 8. ord„s hollands de 100 lb: inkoopen en ook al reeds bij uwelEd: achtb: gevener eerde letteren in dato den 11. deeser qualificatie op erlangd heb sedanig voor de werkes volkeren het benoodigde in te koopen. Laastelijk vwelEd:e achtb: nlose de generaale sterkte schuld„ pligtig aangeboden hebbende noeme omij met de meeste ve„ neratie /:onderstond:/ Titul /:lager :/ slot / was geteekend:/ H„k Schophoff /:nog lager:/ accordeert /:was geteekent:/ P:r Luzac /:lager:/ accordeert /: was geteekent:/ J: R: vander Burgh de deel van Iavas oostkust den 31. december 1774. Copia aparte missive door den gesaghebber te soura„ baija m„r Pieter Luzac geschreeven aan den onder„ geteekende gouverneur en Directeur van Iavas Noord oostkust gedateerd Sourabaija den 27. September 1774. De beantwoording vwelEd: achtb: gevenereerde missive van den 16: september bij mij op den 21: wel ontvangen soude ik gesur„ cheert hebben tot wijl ik volledig had kunnen beantwoorden de commissie om de west van Balemboangang bij kompt van den luitenant van Rijck die van deselve bereeds over Eenige dagen geretourneerd dagelijks hier ben verwagtende dus liefst ter ont„ wijking dikwerf van ongenoege bij deese gehoorsaamst diene. En dus gerust stellende voor mij was de ontfangst mijner brieven van 2. en 27. item 6: September omtrent het geld afge„ geven aan de Balemboangs regent wiro goeno, wijders heb ik den resident aldaar bij volledig Extract uwelEd: achtb: missive over de opgave van den Bas Timmerman De Exter omtrent het bekostigende voor de steene kunidhuisen in ieder diekfortjes nader aangeschreeven en tot zijn narigt laten dienen omtrent den uitslag der Commissie ter bepaaling van de limiten tusschen ooster en wester Balemboangang van sijn kant op te geven. soo wel als nog bij deese goede tijd de landen van het oosterpche district aldaar onder den regent gesteld in omanier als
English
From Java's East Coast, 31 December 1774. to have surveyed as before, in order to be able to supply a distinct report to our high masters concerning one thing and another before the outbreak of the west monsoon, so I have furthermore instructed him, if possible, to send one or two proas around the south to Batoe oeloe during the change of the monsoon, and to serve as clarification that indeed in this autumn the intended expedition to Noessa will apparently come to nothing. Since my latest distribution over that district, I have received no further reports from there, which leads me to think that all is still well under God's blessing and that the relocation is being pursued with the utmost possible speed. To the Passarouang Commandant I have assigned the matter concerning the dalem at Banger, as well as to the Resident at Quissee the investigation into the dispute of Lamongang with the Sourabaija regents, by extract according to the further contents of your Right Honourable missive, just as I have also detained Ensign Fisscher of the military here in the garrison and left Sergeant Steenbergen at Adirogo in his place. The first regent here alone gives reason to doubt whether his share of the contingent rice will be in on time; nevertheless, I am hot on his heels. He is a slow and lazy man, and for that reason such a bupati was proposed from whom I have little help to expect. Nonetheless, I take the liberty of soliciting your Right Honourable's favour to send two ships to the East Hook to collect rice for Batavia, because the ship that is currently underway, Willem de Vijfde, as I hear from other quarters, I would let take in its cargo at Quissee, and then I request a ship for Sourabaija to load around mid-October, when I hope to see to it that a cargo will be ready for it. The Pamacassang regent is continuously being urged to do his duty. Wiero Cesoemo was summoned here yesterday with his proof, which I hope he may answer to; but Wangsingrono, who went by land, has not yet arrived here, and the latter I shall also keep under close supervision. Having respectfully accepted the arrival of the ingabehi at Bangil for advice, I have the honour to subscribe myself with deep respect, /below was written:/ Title /lower/ Your Right Honourable's most obedient and humble servant /was signed:/ P. Luzac /in the margin:/ date as above. Copy From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy attached by and to the same, dated as just above. Sourabaija, 4 October 1774. The Lieutenant and Passarouang Commandant van Uijke, with the assistant Van Haak, who already together with Ensign Dijkman continued their journey to Samarang last Saturday, arrived here last Wednesday evening, and the following day presented a written report on his commission in Lower Balambangan, which I have the honour to submit in the original to your Right Honourable's highly wise judgment, wherein mention is made of the swearing to such points by the headmen of the aforementioned western districts, namely Bappa Sotereering over Centong, Sodito over Djember, Paroman over Sabaan, Paoenam over Paajagan, sworn before me and promised to be fulfilled, which I flatter myself will meet with your Right Honourable's esteemed approval, after which I allowed the headmen to return home. And as the Resident of Eastern Balambangan has supplied me with his letter a similar written report on the proceedings and ratification on that side, so I also take the liberty to submit the same to your Right Honourable in the form as it is found in the original, including also annexed an estimate of the expenses for the powder magazine and for the forts, and a name list of the Balambanganers still residing in the western part, regarding all of which I shall await your Right Honourable's most revered disposition and orders. And since Ensign Hierop gives me notice at this very moment of the weak and sickly state of the old man, the worthy bupati Maax Aria, and that he is not out of danger, I also take the liberty of bringing to your Right Honourable's attention the letter which I dispatched today to His Highness concerning this matter, and in the meantime wrote the necessary instructions to the Commandant to avoid all disorder that might be stirred up in such cases of death, which I hope will meet with your Right Honourable's favourable approval. Meanwhile awaiting your further disposition, I have the honour to subscribe myself with deep respect, /below was written/ Title /lower/ Your Right Honourable's most obedient and humble servant /was signed/ P. Luzac /in the margin:/ date as above. Item, attached hereto is a letter from the Pamacassang regent containing a request for the relocation of his dalem. /below was written:/ Agreed /signed/ J. R. van der Burgh.
Dutch transcription
177 183 Van Iavas oostkust den 31. december 174. als vooren te laaten opneemen om over het een en ander onse hooge gebieders nog voor de doorbraake der mestmousson een distinct rapport te kunnen suppediteeren soo heb ik hem verders om een a twee prauwen om de zuid na Batoe oeloe te senden in de ken„ tertijd des mogelijk ook opgedragen en tot Elucidatie laten strekken dat dog in dit na Jaar van de voorgenome Efpe„ ditie op Noessa na apparentie niet worden sal seedert mijne Jongste bedeelinge over dat district heb ik van daar geen nadere berigte ontvangen het geen mij doet denken dat alles nog onder gods zegen wel is en men met de verhuising allermogelijkste spoed betract. Den passorouangs Commandant heb ik het articul omtrent de dalm te Banger opgedragen so wel als den resident te quissee het ondersoek over het verschil van lamongang met de sourabaij asche regenten bij extract uw elEd:e achtb: mitsive naderselver in houd gelijk ik dan meede de vaandrig Fisscher der millitering alhier in het guarnisoen heb aangehouden en den Cergeant steenbergen te Adirogo in desselfs plaats gelaaten De eerste regent alhier alleen geeft redenen van twijffelen of zijn aandeel Contingen rijst wel op sijn tijt sal binnen hebben nogtans zit ik hem op de hielen het is een traag en vadsig d deel van Iavat oostkust den 31. december 1774. vadsig man soo ook daarom sodanig een Bepattij voorgedragen van wien ik weinig hulpen te wagten heb niet te min neeme ik de vrijheijd uwel Ed: achtb gunste te solliciteeren om nade„ oosthoek twee scheepen aan te leggen ter afhaal van rijst voor watavia want 't schip t welk actueel onder weg is willemde vijfde soo als van ter sijde verneem soude ik sijn lading te quissee laten inneemen en dan versoek ik om een schip voor sourabaija ter lading tegen medio october wanneer ik hoope te sorgen dat daar voor een lading sijn sal, den pamacassang regent werden sonder ophouden tot sijn pligt aangemaant wiero Cesoemo is gistere met sijn bewijs hier op gedaagt waar aan ik hoope dat hij beantwoorden mag dog wangsingro„ no over land gegaan is hier nog niet gearriveerd en welke laatste ik ook onder goede toesigt sal houden daar ik de aankomst van de Jngabeij te Bangil voor advies in Eerbied aangenomen hebbende mij de Eere geeve met diep ontsag te onderschrijven /onderstond:/ Titul /lager/ uw el Edele achtb: gantsch gehoorsame en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ P=r Luzac /in margine/ dato voorschr: @ Copia 139- 185 van Iavas oostkust den 31. December 1774. Copia adjdam door en aan als even gedateerd Sourabaija den 4. october 1774. De luitenant en Passarouangs Commandant van uijke met den ad„ sistent van haak die ook bereeds nevens de vaandrig Dijkman hunne reise na samarang op gepasseerde Saturdag hebben voor 't getel op gepasseerde woensdag avond alhier gearriveerd en des andere„ daags verslag in scriptis over sijne Commissie in't beneden balemb. wij aangeboden heeft welke ik de eere heb sodanig als deselve in ori„ ginale is uwel Ed: achtb: hoog wijser, oordeel antebieden waar bij gewoag„ is de beeediging van sodanige poincten door de voor hoofdjes van op„ gemelde westersche districten met name Bappa sotereering over Centong sodito over djember Paroman over sabaan Paoenam over paajagan voor mij beswooren een belooft na te komen als ik mij flatteere dat uw Ed achtb: g'eerde approbatie sal weg dragen na het welke ik de hoofde weder thuns heb laten keeren en gelijk de resid:t van het oostersche balemboangang mij bij sijn brieve gesuppediteert heeft een gelijke verslag in sriptis over de verrigtinge en ratifa„ catie van die kant so neeme ik almeede de vrijheid deselve uwel Edele achtb ook aantebieden indiervoege als deselve is bevindende in originale daar onder ook annex een Calculatie over het bekostigende aan de kruithuis en voor bij de forten en een name lyst over de nog in het westersche gedeelte hun ophouden de de deel van Javas oostkust den 31 december 1774. de Balembrangers over welke een en ander ik uwel Ed achtb: hoogst gevenereerde dispositie en ordres sal blijven mniwacten en dewijl de vaandrig Hierop mij so momentlijk kennis geeft van de swakke n siekelijke staat van den oude man de braave bepattij Maax aria en dat deselve niet buiten gevaar is soo neeme ik almeede de vrijmoedigheijd uwelEd: achtb onder hoog te brengen den brief welke ik daar over huiden aan sijn hoogheid heb afgevaardigt en intusschen den Commandant het nodige aangeschreev en ter vermijding van alle dis ordre 't welk bij dusdanige sterf gevalle soude kunnen verwekt worden t welk ik hoope dat uw elEd. achtb gunstige approbatie sal weg dragen intusschen in„ warhtende hoogst derselver nadere dispositie geeve ik mij de eere met diepe Eerbied te onderschrijven /onderstond/ titul /(lager/ uw elde achtb: gansch gehoorsame een onderdanige dienaar /was geteek: P: Luzac /:inmargine :/ dato voorsch it bij deese gaat nog verselt een brief van pamacas„ sangs regent inhoudende versoek tot verplaatsing van sijn dalm /onderstond:/ accordeerd / geteekend/ J R: van der Burgh.
English
141. 187 Java's East Coast the 31 December 1774 From Copy of a copy of a Javanese missive written by the Commander of Surabaya Mr. Pieter Leuzac to the Pangeran Tjakradiningrat at Madura the 4 October 1774 Since I have learned indirectly that the brave Adipati Mas Aria is very ill and his recovery is doubted, I take the liberty to remind Your Highness of the requirements in such an unexpected event of death, namely that His Highness, assisted by two of his commissioners along with the Commandant at Bangkalan, Mierop, and to which I also let the translator proceed, should properly have his estate and possessed goods, both movable and immovable, listed and inventoried, and to have sealed and preserved that which can be sealed, in order to be enabled thereby to render proper account of the same to the Company or to the Honorable Governor under the offer of an oath; and I let the translator proceed all the more in case the old gentleman, as I think he might well be inclined, should wish to dispose of his bequeathed goods in writing; I shall also await Your Highness's opinion Java's East Coast the 31 December 1774 in such a case, as to whom one might choose in his place upon his death; I think that Raden Dewakusuma or Projonagoro would be best suited for it, yet my choice falls on the first mentioned above; was undersigned: Surabaya, date as above; was signed: P: Leuzac; lower: agrees; was signed: J: F: Buze; was undersigned: Agrees; was signed: J: R: van der Burgh Copy 143. 189 From Java's East Coast the 31 December 1774 Copy of a separate missive written by the Commander at Surabaya Mr. Pieter Leuzac to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Surabaya the 14 October 1774 I had the honor to receive Your Honorable's separate letter of the 8th of October, to whose obedient reply I respectfully submit: That I have written to the Bangkalan Commandant Mierop as will appear to Your Honorable by the extract of my letter from him herewith, and have sent the translator thither; with regard to the estate, I thought it proper, following the precedent in such a death of note and according to the instructions of Your Honorable's separate missive of the 2 April 1772 in the case of the death of the first Regent at Gresik, contained in these words: if his estate is of any importance, Your Honor shall have it inventoried in the presence of two commissioners and the next of kin of the deceased; and with respect to the nomination for Java's East Coast the 31st December 1774 Bupati, I took the liberty to mention those two persons whom the old Mas Aria himself had given up to me as the most suitable and most useful for the Company before him, the first being Dewa Kusuma, a son of the Panembahan (late memory), and the second Raden Projonagoro, though I do not know if he belongs to the family of the Panembahan; which nomination I thought proper with this aim, because in such an event, usually for the maintenance of the greatest peace and satisfaction of the common people, another is immediately placed by the Prince in his stead, subject to the highly favorable approval of Their High Mightinesses and Your Honorable; yet if I have been too hasty in one or the other, or have not acted according to the intention, I request some favorable consideration, as regarding such occurrences, whether concerning the Prince or Bupati or lesser Regents, not the least trace of instruction on how to conduct myself is to be found among the separate matters here, which, had it been noted, could have served much as my guideline and reassurance. What His Highness answered me in his letter, I take the liberty to present to Your Honorable in a copy of His Highness's missive, and dutifully advise that the old gentleman's illness is out of danger 145. 191 From Java's East Coast the 31 December 1774 and on the mend; nevertheless, His Honor had a written disposition concerning his estate upon death drafted on the occasion that the translator was present there. As to the reasons whether such a relocation might burden the native, I am having the required investigation conducted at Pamekasan, and upon receiving an answer, I shall have the honor to present it most respectfully to Your Honorable. Regarding the dispute between the Regent of Surabaya and that of Lamongan concerning the village Sukobindu, I have received a Javanese document from the Resident of Gresik, to whom Your Honorable's venerated orders had assigned the investigation; but as that paper appeared insufficient to me, I have written to the Resident to have the commissioners provide a separate sworn statement regarding its contents, from which will appear the decision regarding the same, under which Regency it has appeared to them after the aforementioned investigation that the village Sukobindu belongs, in order then to be able to assign the same to the owner upon the highly favorable approval of Your Honorable; was undersigned: conclusion and title; lower: Your Honorable's completely obedient and humble servant; was signed: P: Leuzac; in the margin: date as above; was undersigned: Agrees; was signed: J: R: van der Burgh Copy
Dutch transcription
141. 187 Iavas oostkust Den 31 december 1714 Van Copia â Copia Javanse missive, geschreven door den sourabaijas gezaghebber M:r Pie„ ter Luzal, aan den pangerang Sitja„ diningrat te Madura den 4 october 1774 vermits ik van ter zijde verneme dat den braven adipattij Maas Aria zeer slegt ziek is en men aan de herstelling twyffeld zoo neem ik de vrijheid uw Hoogheid in dagtig te maken de ver„ „eischtens bij zodanig onverhoopt toeval van overlijden, noodsakelijk dat zijn Hoogheid door twee zijner gecommitteerdens geadsisteerd met de Commandant te Bancallang Mierop, en waar toe ik ook den translateur laat overgaan, desselfs nalatenschap en be„ „zittende goederen, zo roerende als onroerende behoorlijk laat bekend stellen en opneemen, en 't geen versegeld kan worden te laten ver„ „segelen en bewaaren, om daar door in staat gesteld te worden de compagnie of wel den achtbaaren Heer Gouverneur over het zelve behoorlijk verantwoording te kunnen doen onder aan bod van Een Eed, en laat ik te meer de translateur over„ „gaan om ingevalle de oude heer bij geschrift, zo ik denke wel genegen te zullen zijn, over zijne natelatene goede„ ven wilde disponeeren ook zal ik uw Hoogheids gevoelen in deel Van Javas Oostkust den 31 december 1774 iu zoo een geval te gemoed zien, wie in desselfs plaats bij overlyden wel zoude kiesen ik denk dat na deen Dewakoe„ soemo of wel projonagara hem het best daak toe schik„ ken zoude dog op de Eerste hier vooren aangehaald valt mijn keuse /:onderstond:/ sourabaija dato voorschreven /:was gete„ kend :/ P: Luzal /:lager: /: accordeerd /:was getekend :/ I: F: Buze /:onderstond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia 143. 189 Van Iavas oostkust den 31 december 1774 Copia aparte misseve door den ge„ Zaghebber te sourabaija M:r Pieter Leezac geschreeven aan den ondergetee„ kende Gouverneur en directeur van Javas Noord oostkust gedateerd soura„ baija den 14 october 1774 Ik heb de eere gehad te ontvangen uwel Ed:e Achtb: apar„ te letteren van den 8:' october tot welkers gehoorzaame rescrip„ tie Eersbiedig diene Dat ik den Bancallangs Commandant Mierop zo„ danige als bij Extract mijner brief van hem vw: wel Ed=e Acht„ baare bij deeze zal onder het oog komen, heb aangeschreeven, en de translateur derwaards gezonden opzigtelijk tot de natuten„ schap heb ik goed gedagt in navolging van het voorbeeld by zodanig sterf gevalle van naam en na het voorschrift van vwel Ed=e Achtb=re aparte missive van den 2 April 1772. in het geval bij het overleeden van den Eerste regent te grissie in deeze woorden begreepen dan wel zijn nala„ tenschap van eenig belang is zal VWE: ten overstaan van twee gecommitteerdens en des overledene na bestaande dienen te laten Jnventarisseeren, en ten opzigte de voordragt tot Bepattij de deel Van Iavas oostkust den 31:' december 1774 Bepattij heb ik de vrijheid gebruikt die twee perzoonen aan te haalen welke de oude Maas Aria zelve mij als de geschikste en nuttigste voor de Comp=e voor hem had opgegeven zijnde de Eerste Dewa Cesoemo een zoon van de Panembahan /:L: M:/ en den tweeden Radeen Prod„ Jondgarra, dog weet ik niet of wel de familie van de Pa„ nembahan gehoort, welke voordragt ik met dit oogmerk heb goed gedagt, om dat bij zodanige voorval men gemeenlijk tot behartiging van de meeste rurt en genoege van het gemoen terstont door de prins Een andere in zijn plaats word ge„ steld op hoog gunstige approbatie van Haar Hoog Edelens en vwel Ed:e Achtb:re dog omtrent het Een en ander precapa„ tant geweest of na de intentie met gehandeld versoeke enige gunstige consideratie, dat omtrent zodanige evene„ mente, het zij omtrent de prins of Bepattij dan wel minder regenten geen de munste bewijs van Jnstructie hoedanig mij te verhoude, bij de aparte zaaken alhier te vin„ den is, waar mede gemineeert veel tot mijn richtsnoer en gerust stelling zoude kunnen dienen wat of zijn Hoogheid mij op zijn brief antwoord neem ik de vrijheid bij Copia hoogst zijner missive vwel Ed:e Achtb:re onder het oog te brengen en schuldpigtig te adviseeren, dat de oude Heer zijn ziekte buiten gevaar en 145. 191 Van Iavas Oostkust den 1 dcmber 174 en aan de beterhand is, nogthans heeft zin Ed:e een schriftelijke dispositie over zijn nalatenschap bij overlijden laten concipi„ „eeren bij gelegentheid dat de translateur daar present was. Na de redenen of zodanige verplaatzing den Jnlan„ der met beswaaren kan, Laat ik het verieschte ondersoek te pama„ cassang doen en daar over bij bekomene antwoord de eere zal hebben vwel Ed:e Achtb:re Eerbiedigst onder het oog te brengen, Over het verschil tusschen sourabaijas regent en die van La„ „mongang ten serette de negorij soekobindo heb ik van den grissees re„ „sident aan wien ter ondersoek welEd:e Achtb:re gevenereerde ordres had opgedragen een Javaans geschrift ontfangen; dog wijl dat papier mij als niet voldoende is voorgekomen, heb ik den resident aangeschree„ „ven om de gecommitteerdens over dezelver in houd een apart beledigde verklaaring te laaten opgeven, bij dewelke komt te blijken de de„ cisee over het selve onder wat Regentschap na voorschreven ondersoek hun is voorgekomen, dat de negorij soekobindo is gehoor„ „rende om het zelver dan aan de Eigenaar op hoog gunstige appro„ „batie van vwelEd=e Achtb:re te kunnen toeeigenen /:onderstond:/ slot en Titul /:lager:/ w Ed:e Achtb:re gansch gehoorsaame en onderdanige dienaar /:was getekend:/ P: Lazac /:in margine dato voorschreeven /:onderstond:/ Accordeert: /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia deel
English
From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy extract from the private letter written to the ensign and commander at Bancallang, Pieter Mier, on the date 4 October 1774, by the commander Mr. Pieter Luzac at Sourabaija. The translator whom I send across herewith with the letter to His Highness, will, Your Honor and that translator, solely at the request and requisition of His Highness, be commissioned for the inventorying of his estate in such an event, and for the passing of a will in case of necessity, which, being thus performed according to oath and duty, will have to be accounted for, and in such cases to keep an eye on the conduct of His Highness and especially that of his minnons, so that nothing is alienated or withheld from us. Below stood: Agrees. Was signed: P=r Luzac. Copy. 193 47 147 From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy translation of a Javanese letter written by the Pangerang Setja Diningrat, regent at Madura, to the Sourabaija commander Mr. P:r Luzac, presented at Samarang on 14 December 1774. Having received my father's letter via the translator in very good order and understood from its contents that Your Right Honorable not only reminded me to attend to the illness of my old patih Maas Aria Mantjanagarra, but also sent the aforementioned translator hither in order to take an inventory of all his goods, provided that this was of his own free will; I therefore serve in friendly reply hereto that I shall not fail to accommodate myself in every part to Maas Aria's own liking in this matter, and it would be exceedingly well done if the old man, of which he does not appear to be averse, made a will. Regarding Your Right Honorable's question as to whom I might consider suitable to succeed in his place today or tomorrow, I cannot yet give a satisfactory answer thereto, as to all appearances I still believe that his illness is indeed curable, and I also see that he is noticeably beginning to improve. Supposing he remained in that sickly state, I would nevertheless most gladly see that he remained my patih as long as there was still life in him. In like manner I cannot yet conform with the proposal made by Your Right Honorable to nominate and bring forward my uncle, the Raden Pandjie Dewa Coessoema, to succeed in the unexpected event of the demise of the said Maas Aria, for it has never been the custom in Madura to have an uncle of the regent as patih. Finally, I also request Your Right Honorable to permit my aunt, the Raden Ajoe of the first Sourabaija Regent Pandjie Djaijeng Rono, to make a short trip hither, as I have not seen her in a long time. Below stood: Written at Madura on the 4th of the month of Saban 1700. Lower: Translated by me, was signed: C: P: Boltze, translator. Below stood: Agrees. Was signed: J: R: van der Burgh. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy. 147 195 From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy separate dispatch written by the commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 22 October 1774. Just as the notification of the Resident Schophoff by his letter of the 14th was delivered to me at this moment, speaking in respect of the relocation and the buildings there, how far they have progressed, I have the honor to present a copy thereof to Your Right Honorable's highly respected attention, from which it will appear to Your Honor that the formal relocation to the main post Banjoewangie is now about to be completed; but that with the second small fort, for which everything has nevertheless been made ready for completion, a start is to be made once the relocation to Banjoewangie has taken place; also that the regent's choice has fallen on erecting his dalem close under the lodge; and would thus already have progressed further if the illness of the master De Ester had not caused some hindrance. Nevertheless, I must infer from the resident's writings that the main matter of the relocation from Oeloepampang thither with the Company's servants and effects is to be effected with the upcoming new moon or towards the end of this month, and with the remainder will probably find occupation until December; and after learning the actual state and location of the regent's dalem, I shall ascertain whether necessity will still entail that an outpost and an entrenched benting be placed and completed there, which, being situated under the Company's cannon, would appear to me to be unnecessary, which, however, I most respectfully defer to Your Right Honorable's far wiser judgment. And as I had the honor to report in my submission of 14 October that I had written to the resident at Grisse to have a sworn statement given separately regarding the contents of the submitted Javanese document by the commissioners concerning the dispute between Sourabaija and Lamongan, by which became apparent the decision under which regency, according to the aforesaid investigation, it appeared to them that the negorij Soekoebindo belongs; they have, however, served in answer hereto as contained in the enclosed original letter to me, which having the honor to present, I also most obediently give notice that upon the investigation into the radens or difficulty at
Dutch transcription
Van Iavas Oostkust Den 31 December 1774 „opia Extract uijt de particuliere brieff ge„ schreeven aan den vandrig en Command:r te Ban„ Callang Pieter Mier op dato 4 october 1774. door gezaghebber M:r Pieter Luzac te sourabaija De Translateur die ik bij deeze met den brief aan zijn Hoogheid laat overgaan, zal VW E: en die Translateur, niets op versoek en requisit van zijn Hoogheid gecommitteerd tot de opschrijving van der zelver goederen in zoo een gevalle, en tot het passeeren van Een Testament ingevalle van noodzakelijkheid, 't welk dus verrigt werdende na hed en plicht zal moeten verantwoord en in zodanige gevallen wel 't oog te laaten gaan over de behandelinge van zijn Hoogheid en inzonderheid die zijner minnons, op dat voor ons niet vervreemt of agter gehouden worden /:onderstond:/ Ac„ cordeert /:was getekend:/ P=r Luzac Copia 193 47 147 Van Iavas Oostkust den 31 December 1774 Copia Translaat Javansche brief geschreven door den pangerang Setja diningaat regent te madura, aan den sourabaij gezag„ hebber M:r P:r Liezac, vertoont te sama„ rang den 14:' december 1774 Mijns vaders brief per den Translateur zeer wel ontfangen en uit dies inhoud verstaan hebbende, dat vwel Ed:e Achtb:re mij niet alleen in geheugen bragt om de ziekte van mijn oude pipattij Maas„ Aria Mantjanagarra te letten, maar ook eve genoemde Trans„ „lateur herwaards zond ten einde alle desselfs goederen op te schrij„ „ven nogtans dat zulks met zijn ijge wille was; Ik diene dan bij deeze daar op in vrindelijk antwoord dat ik niet manquee„ ren zal mij in allen deele na Maas Arias ijge goedvinden in deezen te schekken en hiet zoude ten hoogsten wel gedaan zijn bij aldien den oude man /:waar van hij niet avers scheint te weezen :/ Een Testam:t maakte Wat vw Ed:e Achtb:re vraage betreft, wie ik wel zoude oor„ deelen om heeden of morgen in desselfs plaats te kunnen suc„ cedeeren, zoo kan ik op dezelve nog geen voldoend antwoord geven, alzoo ik na alle ogen schijn nog geloov dat zijne ziek„ te nog wel geneesbaar is, en ik ook zie hij merkelijk be„ gint te beteeren; Ik veronderstelle Eens hij bleev in die ziekelijk deel ziekelijke staat zoo zoude ik nogtans ten hoogste gaarne zien dat hij mijn papattij bleev zoo lang als er, nog leeven in was. Ingelijken voegen kan ik mijn ook nog niet confrontee„ ren met vwel Ed:e Achtb:re gedaane voorstel om bij overhoopt overlijden van gemelde Maas Aria mijnen oom den radeen Pandjie Dewa Coessoema in desselfs successie voor te dragen en te doen optreeden want het is nooit te Madura geen gebruik geweest dat men Een oom van den regent tot pepatty gehad heeft Eindelijk verzoeke ik uw Ed:e Achtb:re nog om mijn moei de radeen aijoe van den Eerste sourabaijas Regent Pandjie Djaijeng Rono te permitteere zij Een springtogtje na her„ waards doet alzoo ik haar in lange tijd niet gezien heb /:onderstond:/ geschreeven te Madura den 4:' der maand Saban 1700 /:lager:/ getranslateerd door mij 1: was ge tekend :/ C: P: Boltze translateur /:onderstond:/ Ac„ cordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Van Javas Oostkust den 31 december 1774 opia 147 195 Van Javas Oostkust Den 31: december 1774 Copia aparte misseve door den gezag„ hebben te sourabaija M:r Pieter Luzac geschreeven aan den onder„ getekende gouverneur en direc„ teur van Javas Noord oostkust ge„ dateerd sourabaija den 22:' october 1774 zoo op het moment mij aangebragt werdende de bedeeling van den resident schophoff bij zijn briev van den 14 spreeken„ de ten adspecte van de verhuising en de gebouwen aldaar hoe verre gevorderd zoo hebbe de Eere der zelver Copia uwel Ed:e Achtb:re hoog g'eerde attentie aan te bieden dewelke hoogst den zelve zal te vooren komen dat de formeele verhui„ sing na de hoofd post Banjoewangie nu staat voleindt te worden; dog dat men met het tweede fortje waar toe egter alles in gereedheid gebragt is ter voltoijing west aanvangt staat te neemen wanneer de verhuising na Banjoewangie zal geschied zijn ook dat de regent zijn verkiezieng om digt onder de logie zijn dalm opterigten gevallen is; en zoude dus bereeds al verder gevordert zijn indien met de baas De Ester zijn ziekte Eenige ver„ hindering had toegebragt nogtans moet ik op maken uit des residents schrijvers dat de hoofd zaake van de deel Van Javas oostkust den 31 december 1774 de verhuising van oeloepampang derwaards met 's Comp:s dienaaren en Effecten met het nieuw legt aanstaande dan wel onder ult:o deeser staat g'effectueerd te worden en met het overige nog wel tot de cember zijn occupatien zal vinden en zal ik na den verneemen de Effective stant en naamen van des regents dalm ofde noodzakelijkheid het nog zal meede brengen dat daar Een gezantschap en een benting ongrave geplaatst en voltoort werde het geen mij als onder het geschuit van de compagnie gesitueert als den onnodigt zoude voor komen het welk egter aan vwelEd:e Achtb:re hoog wij„ ser oordeelt Eerbiedigst gedefereert laate En gelijk ik de eere gehad heb bij mij submissie van den 14 october te rapporteeren dat ik den resident te grisse had geschreeven om over het ingedient Javans papier door den gecommitteerdens ten suffette der verschil tusschen sourabaija en Lamongangs apart te laaten geven Een b'eedigten verklaaring over der selver Jnhoud, bij dewelke kwam te blijkende dicrisie onder wat regentschap na voorschreeven ondersoek hun is voorgekomen dat de negorij soekoebindo is gehoorende dog hebben hier op in antwoord gediend zodanig als in Closa deezes iorigeneele brief aan mij intoudt welk de eere hebbende aan te beiden taffens gehoorsaamst kennisse geeve, dat op het ondersoek na de radenen of defficulteit ter
English
Bt 197 From Java's East Coast, 31 December 1774 concerning the relocation of the regent's dalem at Pamacassang, I have not been able to discover anything other than the regent stating that the present dalem is said to be very unhealthy, as the previous regent and several others died in that dalem, as did the present regent's little son; thus the regent has renewed his urgent request to me for the relocation of that dalem, raising not the slightest difficulties as to whether this would be a burden on the people, which I also cannot perceive. The regent of Sumanap, as well as the ingebij at Bangil, having presented themselves here, have also both returned home. Having otherwise nothing worthy to impart to Your Honorable Worships' esteemed attention, I have the honor to subscribe myself with requisite respect and obedience. Below stood: Title. Lower: Your Honorable Worship's entirely obedient and humble servant. Was signed: P:s Luzac. In the margin: Date as above. Below stood: Agrees. Was signed: J: R: van der Burgh. Copy From Java's East Coast, 31 December 1774 May I then further very reverently serve, in response to the Honorable Lord Governor's highly revered extract letter, that on the 22nd ultimo I sent with my respectful [letter] a calculation of the two powder magazines prepared by master Exter, with the commission papers concerning the boundaries between Eastern and Western Balemboangang, as found under the raden tommongang Wirogoeno, one and the other hoping may have been received to satisfaction. And regarding the regent, he has chosen his residence across from the Company's main post at Banjoewangie, where he is busy constructing his dwelling in order to move thither at the same time as us, as he absolutely remains of the opinion to keep his seat close to the Company's fortress, whither the move is to take place entirely within a month; the buildings alone will have delayed it for a long time, and the indisposition of master Exter for about a month has likewise caused some delay; although within a month there will be sufficient living shelter and space for all the Company's goods. Copy extract from the separate letter written by the resident at Deloepampgang, Hendrik Schophoff, to the commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, on 14 October 1774. 153. 199 From Java's East Coast, 31 December 1774. will; but there one will not get the further construction of the bell house, post, bridges, and powder magazine finished before the end of December, and only after that can a beginning be made with the small fort beside Packum, as that place is spacious and clean, and all the timbers, both for palisades and buildings, can be brought over before starting with the erection and building, since they will no longer need so much time, and because of the high, dry ground during the rainy season; all timber work can be chopped in sufficient quantity and dried or brought to the beach, the transport in the [illegible] season falling easily thither, just as the artillery in the rainy season must be dragged thither out of the cotta on a certain kind of hollowed-out trees, and the further ammunition of war can be transported on the carts. Below stood: Agrees. Was signed: P: Luzac. Below stood: Agrees. Was signed: J: R: van der Burgh. Copy 17: From Java's East Coast, 31 December 1774 Copy of a separate letter written by the commander at Sourabaya, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 17 November 1774. While presenting the name list of the deceased servants in the eastern corner of Java through the month of October, and since the dispatch of my letters and enclosures of 14 and 22 October, I have solely to impart obediently to Your Honorable Worship's esteemed attention that, after investigation into the reports that recently reached me that a certain kind of mice had appeared in the Passourouang and Bangil districts, which are said to have caused considerable damage to the inhabitants in those fields, it came before me, and was also reported by the regents, that the same also appeared in the Bangil [fields] and now also in the Sourabaija fields, which is why I exhorted them to apply the closest attention to discover their origin and cause, and to employ the best means for their eradication; nevertheless, I hope by the end of November that the regents for this year will have answered 155. 201 From Java's East Coast, 31 December 1774 to their obligation; at least it will then only be due to the first regent if something remains in arrears. I have the honor to subscribe myself with deep obedience. Below stood: Title. Lower: Your Honorable Worship's entirely obedient and humble servant. Was signed: P:s Luzac. In the margin stood: Date as above. Below stood: Agrees. Was signed: J: R: van der Burgh. Copy of a separate letter written by the Sourabaija commander, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 30 November 1774. I had the honor to receive Your Honorable Worship's highest esteemed separate letter of 14 November, in most obedient reply to which I respectfully serve with my humble remarks.
Dutch transcription
Bt 197 Van Iavas oostkust Den 31 December 1774 ter verplaatzing van des regents dalm te Pamacassang ik niet anders heb kunnen ontdekken, dan dat de regent opgeeft dat dat die presente dalm zeer ongezond zoude zijn, zijnde de voorige regent en meer andere in dien dalm en ook des presente regents zoontje in dezelve gestorven, dus de regent zijn instandig ver„ zoek tot verplaatzing van dien dalm bij mij gerenoveert heeft opperende daar bij geen de minste zwaarigheeden of zulks tot Last van het volk zoude zijn 'te geen ik ook niet kan bespeuren De regent van sumanap zoo wel als de Jngebij te Bargel hier hun vertoont hebbende zijn ook bij den weder thuis gekeert overigens niets wwEd:e Achtb:re g'eerde attentie waardig te be„ deelen hebbende zoo geeve mij de Eere met vereischte Eerbied en gehoorsaamheid te onderschrijven /: onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed:e Achtb:re gantsche gehoorzaame en onderdanige dienaar /:was getekend:/ P:s Luzac /:in margine:/ dato voorschree„ ven /:onderstond:/ Accordeert:/ was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia tei deel Van Javas Oostkust den 31 december 1714 Dal ik dan wyders zeer reverentelijk dienen op 's Edel Heer gouver„ neurs veel gevenereerde Extracts missive dat bij mijm Eerbiedige den 22 passato Een calculatie der twee kruijthiisen door baas Ex„ ter opgemaakt verzonden, met de commissie papieren over de simiten tusschen ooster en wester Balemboangang beneffens bevonden onder den radeen tommongang wirogoeno 't een en an„ der verhopende na genoegen mag ontvange zijn In aangaande den regent hooft zijn verblijf gekoosen over 's companies hooft post te Banjoewangie alwaar aan de opbou„ wing van zijn wooning doende is met ons te gelijk derwaards te verhuisen, wijl absoluut van sentiment blijft digte bij 'scom„ pagnies vesting zijn ziet te houden, werwaards de verhuijsing bin„ nen een maand geheld en al staat te geschieden, de gebouwen door Eenelijk zal lange hebben teegen gehouden en dat de in dispositie bij een maand lang van den baas de Efter almede eenige ver„ traaging heeft veroorzaakte alhoewel daar binnen een maand genoegzaame lijfberging en voor alle 's Compagnies goederen hebben Copia Extract uijt de aparte brief geschro„ ven door den resident te deloe pamppang Hendrik Schophoff aan den gezaghebber te sourabaija M:r Pieter Luzac den 14 october 1774 zal 153. 199 Van Iavas oostkust den 31 december 1774. zal, men daar de verdere boune van klokke huis poost, bruggen en kruithuis voor ultimo December geen gedaan werk kreygen en daar na eerst een begin met het fortjen bezeiden packum, daar die plaats ruim, schoon zynde en alle houten zoo voor pallizaden als gebou„ wen kunnen overgebragt werden eer begin met zetten en bouwen maken, daar zo lange sabeid niet meer nodig hebben en om de hooge drooge gronde het reegen saisoen alle houtwerken op de genoeg Jkan gekapt en aan strand gedroogd of gebragt zijn den overwaart in de kontertijd ligt derwaards vallende als ook het geschuit in de regentid uijt cotta op zekere zoort van uijtgeholde boomen dienen derwaards gesleept en de verdere ammunitie van oorlog op de karren kunnen overgevoerd werden /:onderstond:/ accordeerd /:was getekend :/ P: Luzac /:onderstond:/ accordeerd /: was ge„ tekend :/ I: R: van der Burgh Copia hebben el 17: Van Javas oostkust Den 31 December 1714 Copia Aparte missive door den gezaghebber te Sourabaya M:r Pieter Luzac geschre„ „ven aan den ondergetekende gouverneur en Directeur van Javas Noord oostkust gedateerd sourabaija den 17:e November 1774 onder aanbeiding van den naamlijst der overledene dienaren in den oosthoek van Java door de maand october en sedert depeche mijner brieven en bijlagen van den 14 en 22 october heb ik eenelijk uw: Ed:e achtb:r g'eerde attentie waardig gehoorzament te bedeelen, dat na onderzoek op de mij nu korte tyd geleeden ingekomen raport„ ten dat in het Passourouangsche en Bangelsche districten zig zouden vertoont hebber zeeker zoort munsen; welke aan die velden mergelyke schade aan de ingesetenen zoude toegebragt hebben my was te vooren gekoomen en ook door de regenten gerapporteerd dat dezelve hun ook vertoonde in het Bangil„ sche en nu ook in de sourabaijasche velden waarom ik hun aan„ gemaand heb de nieuwkeurigste attentie aan te wenden, om der zel„ ve oorsprokk en oorsaak te ontdekken en de leste middelen tot uijtroeming aantewenden niet te min verloop ik onder ultimo November dat de regenten voor dit Jaar aan hunne verpligting zullen 155. 201 Van Javas oostkust den 31 december 1774 zullen beantwoord hebben ten minste zal het dan alleen aan de eerste regeert haperen zo daar wat agterstallig blijft Ik het de eere mij met diepe gehoorzaamheid te onderschrij„ ven /:onderstond:/ titul /:lager:/ uwel Edele Achtbare gansch gehoorzame en onderdanige dienaar: /: was getekend :/ P:s Luzal /:in margine stond:/ dato voorschreeven /:onderstond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: Van der Burgh Copia aparte missive door den sourabaija gezaghebber M:r Pieter Luzac geschree„ ven aan den ondergetekende gouverneur en Directeur van Javas Noord oostkust gedateerd sourabaija den 30e November 1774 Ik hadt de eere te ontvangen uwel Edel Achtbare hoogste ge„ „Eerde apate missive van den 14 November tot welkers ge„ hoorzaamste rescribtie ik eerbiedig diene van mij nedrige aanmerkingen 4 de deel
English
From Java's East Coast, 31 December 1774. Remarks on the submitted report of the commissioners concerning their activities regarding the boundaries between Eastern and Western Balemboangang, whose displaced persons from there in the western districts and peoples recorded by the commissioners were to be persuaded through friendly means, but not forced or coerced by harsh measures, to return to their country. I have communicated by extract of Your Honorable Worships' missive the highly respected orders of the same to the resident at Oeloepampang, as well as to the first-named, Resident Schophoff, concerning the relocation, the construction of the projected fortification near Packum, the erection of a stone powder magazine at Banjoewangie and at Packum according to the specifications of the master carpenter Claas De Efter, as well as the choice of the regent's residence there nearby under the cannon of the Company's main fortification. In the manner described above, I have also written to the regent of Pamacassang regarding Your Honorable Worships' favorable approval for the relocation of his dalem, provided there is no reason for objection or concern of whatever nature against it. Furthermore, subject to Your Honorable Worships' highly esteemed favor, I intend, after the end of the fast, to have the regent of Lamongang come here with some of the oldest and most native inhabitants, so that by him as well as those of Sourabaija, in my presence, they may state upon what they base their right and settle the same in their manner under my supervision, whereof I shall have the honor to serve Your Honorable Worships with the dutiful report. The old gentleman, Bepattij Maas Aria, continues, as I understand, at the Botarkand, and I have the honor to present to Your Honorable Worships the original of the prince's letter to me, whose cited request concerning His Highness's mother, Pandjie Djaijengrana, has already long and also immediately been fulfilled; however, I refused to let her go upon her request alone without that of His Highness. I have delivered the letter from Your Honorable Worships to the regents, had it read out loud, and pressed it urgently upon their consciences, so that they have solemnly promised me to settle their contingent for this year by the end of December, for which I can now also stand surety; for Your Honorable Worships will kindly observe from the monthly papers that very little will remain in arrears, so that regarding rice from the East Coast, everyone will then have fulfilled their obligation. However, concerning the other products such as cadjang, oil, and cotton yarn, no matter how repeatedly and most seriously admonished and urged, there will still be a few arrears in the collection of which I shall continuously urge them, if possible, to have them settled before the onset of the east monsoon or by the end of February. Should we find ourselves gratified by Your Honorable Worships with the private purchase of 400 coiaangs of rice at 30 Dutch rix-dollars including charges per coiang, or more precisely at twenty-five Dutch rix-dollars net cash excluding charges, we would remain most grateful to Your Honorable Worships and undertake to collect and deliver the same by the aforementioned time of the end of March. Wherewith I have the honor to subscribe myself with deep obedience: underneath was written: title; lower down: Your Honorable Worships' most obedient and humble servant; was signed: P:r Luzac; in the margin: Sourabaija, date as above; underneath was written: Agrees; was signed: I: R: van der Burgh. Copy. From Java's East Coast, 31 December 1774. Copy of a separate missive written by the Commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Sourabaija, 10 December 1774. Since my latest letters of 30 November, nothing has occurred to me worthy of being communicated to Your Honorable Worships' high attention, until yesterday when the communication from Balemboangang was received with the resident's letter, an extract of which I have the honor to present to Your Honorable Worships, in which Your Honorable Worships may kindly observe that the resident, regent, and Company servants, with all Company effects, have moved and settled from Oeloepampang to Banjoewangie; that they are busy having the abandoned fortifications at Oeloepampang leveled, and that, progressing as rapidly as possible with the second small fort and other buildings, they nevertheless did not expect to be finished before the end of December; wherewith I then have the honor to congratulate Your Honorable Worships and most respectfully wish for their progress, with a lasting, peaceful settlement in those regions; having only to add hereto a list of names of the deceased, I have the honor to subscribe myself with deep respect: underneath was written: title; lower down: Your Honorable Worships' most obedient and humble servant; was signed: P:r Luzac; in the margin: date as above; underneath was written: Agrees; was signed: I: R: van der Burgh. Copy of an extract from the separate letter written by Resident Hendrik Schophoff at Banjoewangie to the Commander at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, 26 November 1774. Regarding the choice of the regent, it remains as I had the honor to communicate in mine of the 14th and 25th of the previous month, who departed with me on the evening of the 20th of this month from Oeloepampang and arrived here safely the following day, taking up residence in his own house built in front of the forward face.
Dutch transcription
an Javas oostkust Den 31 December 1714:— aanmerkingen op het ingediend rapport van gecommitteerden over hunne verrigtingen, wegens de Limiten tusschen ooster en wester Balemboangang welkers verlopene van daar in de westersche districten en door gecommitteerdens opgenomen volkeren om door vriendelyke weegen gepersuadeerd maar niet door hadde middelen of dwang genoodsaakt te worden en haar land te rug te keren ik den resident te oeloe„ pampang zo wel als dat ik den Eerstgenoemde den resident schophoff bij Extract uwel Edele Achtbares mis„ sive heb gedeeld Hoogst Dewoelver gerespecteerde bevae„ len als over de verhuising de Extructie van de geprojec„ teerde sterkte bij Packum de opbouwing van een steene kruithuis te Banjoewangie en te Packum na de bepa„ ling van den timmer Baab Claas De Efter als mede over de keuse des regents woning aldaar na bij onder het geschut van 's compagnie hoofd sterkte invoegen voor„ schreeven heb ik den Pamacassangs regent ook aangeschree„ ven uwelEd:e Achtbare gunstige approbatie tot verplaat„ zing van zijn dalm mits geen reden van bezwaar of den„ king hoe g genaamd daar tegen is, zo ben ik wijders voorneemens onder hoog g'eerde weldiiding van uwel Ed:e Achtb:re om na het eindigen der vasten den Lamongangs regents met Eenige der oudste en landkindigste herwaards te laten koomen om door 157 203 Van Javas oostkust Den 31:' December 1774. door hem zo wel al die van sourabaija ten mijnen presen„ tie optegeven waar op zij hun regt gronden en het zelve onder mijn opsigt op hunne wijze te laten vereffenen waar van ik de eere zal hebben uwelEde achtb:re het schuldplig tig rapporten te dienen de oude heer bepattij Maas Aria Continueerd zo als verneeme aan de botarkand en hebbe ik de eere uwel Ed:e Achtb:re aante bieden de orgineele van 's princen brief aan mij welkers aangehaalde verzoek om Hoogst desselfs moeder pandjie Djaijengrana bereets lange en ook terstond voldaan is dog heb ik geweigerd dezelve te laten gaan op haar verzoek alleen zonder die van zijn Hoogheijd Ik heb de regenten den brief van uwel Ed:e achtb=re ter hand gesteld laten voorlezen en na drukkelijk op hun ge„ „moed gegeven zo dat zijn mij heiliglijk beloofd hebben hun contingent voor dit Jaar onder ultimo december te zullen vereffenen waar voor ik dan nu ook boogstaan kan want uwel Ed:e Achtb:re bij de maandelijksche papieren zal gelieven te beoogen dat daar weinig meer aan ten agteren zal zijn zo dat de oosthoek omtrent de rijst, als dan ider aan hunne verpligting zal voldaan hebben, dog omtrent de andere producten als cadjang olie en Catoen garen, hoe zeer ook iteratibelijk op het serieuste vermaand en aangedron„ gen zullen nog eenige weijnige agterstallen zijn tot Jnsaam van deel Van Iavas oostkust Den 31 December 1774 van 't welke ik hun onophoudelijke zal aanmanen om was het mogelijk voor de doorbrake der oost mansson of onder ultimo februarij dezelve voldaan te hebben zo wij ons mogten gegratificeerd zien van uwel Ed:e achtb:re met de inkoop particulier van 400 coiaangs rijst tegen 30 rd:s hollands met de ongelden de coiang dan wel bepaal„ delijk het naaste tegen vijf entwintig rd=s hollands son„ der ongelden berekend suiver geld zo zouder wij uwel Ed:e achtb:re hoogst dankbaar blijven en aanneemen deselve tegen voorschreeven tijd van onder ultimo Maart bij een te brengen en te bezorgen. waar meede ik mij de eede geve met diepe gehoorsaamheid te ondeschrijven /: ondestond :/ titul /. lager:/ uwelEd:e Achtb:re gansch gehoorzaame en onderdanige dienaar /:was getekend P:r Luzac /:in marginie:/ sourabaija dat voorschreeven /:onderstond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia R5g 205 Van Javas oostkust Den 31 December 1774 Copia aparte missive door den gezag„ Ehebber te Sourabaija M:r Pieter Luzac geschreeven aan den ondergete„ tende Gouverneur en Directeur van Iava's Noord oostkust, gedateerd sou„ rabaija den 10:e December 1774 Sedert mijn Jongste letteren van den 30:e November mij niets ter bedelinge uwel Ed:e achtb:re hooge attentie waardig te bedee„ len voorgekomen, dan nu opgesteren de bedelinge van Balem boangang bij des resident brief ontfangen, welkers Extract ik de Eere heb uwel Ed:e achtbaare aan te bieden bij dewelke uwelEd: achtb:re gunstige gelieve te beoogen dat de resident regent en Compagnie dienaren met alle Compagnies Effecten van van oeloepampang na Banjoewangie verhuist en geseten waren, dat men bezig is de agtergelaten sterktens te oeloepampang te laten slegten en met het tweede fortje als andere gebouwen hoe spoedig ook voortgang nemende egter niet voor ultimo December meende te kunnen klaar koomen; waar mede ik dan de eere heb uwel Ed:e achtb:re te congratiuleeren en derzelver voortgang bij een standhou„ dende geruste zeet in die geweeste op het Eerbiedigste toe te wenschen; eenelijk hier dan nog bij te voegen hebbende deel Van Javas oostkust Den 31 december 1774 hebbende een naam lyst der overleedene, zo geve mij de eere met diepe Eerbied te onderschrijen: /: onderstond:/ titul /:lagerstond:/ uwel Edele Achtbare gansch= gehoorzame en onderdanige dienaar /:was getekend:/ P:r Luzac. /: in mar„ gine:/ dato voorschreeven /:onderstond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia Extract uijt de aparte brief door den resident Hendrik Schophoff te Banjoewangie geschreeven aan den gezag hebben te sourabaija M:r Pieter Luzac den 26 9ber: 1774 Aan gaande des regents keuse blijft zo als de eere heb gehad bij mijne van den 14 en 25 der voorige maand te bedeelen, die met mij den 20 deeser 's avonds van oeloepampang ver„ trokken en 's daags daar aan alhier mede behouden aange„ komen is zijn intrek in zelfs woning opgebouwt voor het Front 9
English
From Java's East Coast, 31 December 1774 front of our fortress with its rear dalem abutting the river to the north and west, situated no further from the fortress, such that it lies well covered by our artillery to the south and north-east, and thus is sheltered at the rear against the river by the dalem, this being his choice; for which reason he deemed no European guard to be needed. I shall further, upon the completion of our forts, take the entire state of Balemboang into further consideration, and respectfully submit my views on whatever I deem or find still necessary to be done for the peaceful establishment of the Honorable Company in this province, as may be useful in the course of time. The relocation hither having taken place as previously cited, one cannot, however, look upon the building work here as finished, with whatever haste and diligence this labor be pursued before the end of the coming month of December, although everything is being brought into such a state of strength that one can be assured of its durability for many years. No expense and effort need be spared, except only that the roofs on the buildings, being made of bamboo because no other materials were at hand to be used, will have to be renewed every five to six years. Underneath stood: Agreed. Was signed: P: Luzac. Underneath stood: Agreed. Was signed: J: R: van der Burgh. Copy From Java's East Coast, 31 December 1774 Copy of a separate missive written by the Senior Merchant and Surabaya Commander Mr. Pieter Luzac to the undersigned Governor and Director of Java's Northeast Coast, dated Surabaya, 17 December 1774. Humbly awaiting Your Right Honorable's revered orders on my various dispatched letters, I have the honor to bring further to Your Right Honorable's high attention: That the regent of Malang is complaining about his patih and would gladly see the Malanger Bappa Sebo appointed in his place; regarding which my opinion is that Malang, being as yet of so widespread an administration, could well suffice with one under-patih, and the old Bapa Sebo, a common Malanger regarded among those peoples as a holy man, is by no means suited for the same and had best remain at Samarang under good supervision, because that fellow has quite some influence and following among the Malangers, though he is merely a common subject who has occupied himself with harvesting the bird cliffs there, whereby he instills many superstitious practices among those peoples; on which account I shall detain both of them here until Your Right Honorable's highly esteemed further reply. Secondly, I have the honor to present for Your Right Honorable's highly esteemed disposition an original Balinese palm-leaf letter brought here by two emissaries of Gusti Badong, the contents of which acknowledge the receipt of my letter written to him over a year ago, requesting a kris scabbard of kayu pelet and the purchase of a perahu mayang, sending along with it a little Balinese boy as a gift; regarding which I likewise await His Highest orders for authorization to purchase a perahu mayang for that Gusti. And thirdly, the Pangeran at Madura has informed me that the Raden Ayu Balemboangan there, sister of the regent of that district, had again requested and prepared herself to undertake the journey thither, on the grounds that her mother was said to be very gravely ill there; however, I informed His Highness that the said Raden Ayu should postpone her departure until I had received authorization from the Governor and Director of this coast to grant the license. Awaiting Your Right Honorable's learned disposition on all these matters, I have the honor to subscribe myself with all respect, Underneath stood: Title. Lower: Your Right Honorable's entirely obedient and humble servant. Was signed: P:r Luzac. In the margin: Date as above. Underneath stood: Agreed. Was signed: J: R: van der Burgh. Copy of a translation of a Balinese letter written by King Gusti Ngurah Jambe of Bali Badong to the Commander Mr. Pieter Luzac at Surabaya, exhibited at Samarang on 23 December 1774. I have received Your Honor's missive via Encik Ismail in very good order, and serve in reply thereto that I am sending herewith my emissaries Bappa Munggu and Bappa Mangku with a letter and a slave boy as a gift to Your Honor. I request Your Honor to procure for me a piece of kayu pelet rendit wood at its cost price, in order to have kris scabbards made from it, because I have heard that the above-mentioned pelet rendit is plentiful at Besuki. I also request Your Honor for a perahu mayang, and to send the same hither with an emissary. Underneath stood: Translated by me. Was signed: C: P: Boltze Jr. Copy of a translation of a Javanese letter written by the Tumenggung Katanegara of Malang to the Senior Merchant and Commander of this Eastern Salient, Mr. Pieter Luzac, exhibited at Samarang on 23 December 1774. Your Right Honorable having required Bappa Sebo and the patih Wiro Yudo, both are proceeding thither; certainly I have, regarding the last-named, on account of his
Dutch transcription
161 207 Van Javas oostkust den 31 december 1774 front van ons fortres met zijn agter dalm: ten noorden en westen aan de rivier stotende niet verder van het fortres ge„ legen zodanig dat wel door ons geschut bezuiden en Noord oosten gedekt legt, en dus van agteren tegen de rivier aan„ lopende dalm beschut is zijn verkiesing zijnde; daarom vermeend geen Europeese wagt benodigt te hebben zal ik dan wijders bij voltooijing onser forten de geheele Balemboangsche staat in nadere overweging nemen en van consideratie eerbiedig dienen wat vermeene of bevinde nog be nodigd gedaan te worden tot een geruste zeet voor d' E com„ pagnie in deeze provintie bij vervolg van tyden dienstig zynde De verhuising na herwaards als vooren aangehald geschied is, kamer egter hier geen gedaan werk met het bouwen aan„ zien, met wat spoed en vlijt dien arbeid werd voorgezet voor het einde van de maand December aanstaande wijl alles inzodanige staat van sterkte werd gebragt dat men zig voor lange Jaaren van duur daar van kan versekeren geene kosten en moeite behoeft aangewend te worden be„ halven enelyk de dakken op de gebouwen van bamboensen zynde wijl geen andere stoffe daartoe aan handen zijn te gebruiken geweest, om de vijf â ses Jaaren zullen moe„ ten vernieuwt worden /:onderstond:/ accordeerd / was geteken:/ P: Luzac /:onder„ stond:/ Accordeerd /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Copia 20 eel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 Copia aparte missive door den opper„ koopman en sourabaijasche gezag. hebber M:r Pieter Luzac geschree„ ven aan den ondergetekende Gouver„ neur en Directeur van Javas Noord oostkust gedateerd sourabaija den 17:' december 1774 Bij nedrige inwachting welEd: Achtb=rs gevenereerde ordres op mijne diverse afgezonden Letteren geeve ik mij de eere uwel Ed:e Achtb:s hooge attentie waardig nader te bedeelen Dat de Malangs regent over zijn pattij is klagende en den Malanger Bappa Sebo gaarn in zyn plaats zag aangesteld, waar omtrent mijn gevoele is dat het Malangse als nog van zoo wijt uit gebreid bestier met zijne onder een Bepattij wel zoude kunnen vol„ staan, en de oude Bapa sebo een gemeene Malan„ ger onder die volkeren als een Heilige aangemerkt tot het zelve zig geenzints schikt en best te sama„ rang onder goede toezigt bleef want die knaap al vrij wat prouvoir en aanhang onder den Malanger heeft daar hij even wel maar een gemeen subject is, die zig opge houden heeft met de vogel klippe aldaar te plukken waar 163: 209 Van Iavas oostkust den 31 december 1744 waar bij hij veele superstitiense gedoentens onder die volkeren in boezemt weshalven hun, beide zoo lange hier zal aan houden tot vwel Ed:e Achtb=rs hoog g'eerde nadere rescriptie Ten Tweede geeve ik mij de eere vwel Ed:e Achtb=re hoog g'eerde dispositie aan te beiden een orgineelen balijse ola met twee van gustij Badong zijne zendelinge hier aangebragt welkers inhoud dicteert de ontfangst van mijn brief ruim een Jaar geleden hem toegeschreeven het verzoek om een kris scheede kajoe pelet en de inkoop van een prauwmaiang daar bij zendende een Balys Jongetje tot present over het welk ik almede Hoogst der zelver beveelen blijve inwachten ter qua„ lificatie tot de inkoop van een prauwmaiang voor die gusti En ten derden heeft mij de Pangerang te Madura te kennen gegeven dat de Radeen Aijde Balemboangang aldaar suster van de regent van dat district op nieuws verzogt en zig geveerd gemaakt had om de rijze derwaarts aantenemen; uit redenen dat haar moeder aldaar zeer slegt ziek zoude leggen dog heb ik zijn hoogheid te kennen gegeven dat die Radeen Ayoe haar vertrek zoude uitstellen tot wijl ik tot te verleene Licentie quali„ ficatie van den Heere gouverneur en directeur deser kuste de kken deel Van Iavas oostkust den 31:' december 174 kuste had ontvangen over welk een en ander dan uwel Ed:e Achtb:re gelerde dispositie inwactinge ik mij de eere geeve met alle Eerbied te onderschrijven /:onderstond:/ Titul /:lager:/ uwel Ed:e Achtb:re gantsch gehoorzaame en onderdanige dienaer /:was getekend:/ P:r Luzac /:in marginie:/ dato voorschreeven /:onderstond:/ accordeerd /:was getekend :/ I: R: van der Burgh Copia Translaat balyse brief gesch: door den koning gustij Moera d Jambij van Balij Badong aan den gezaghebber M=r Pieter Luzac te sourabaija vertoont te samarang den 23 december 1774 Ik heb vwel Ed:e Missive per Jntje Semahil zeer wel ontvangen en diene daar op in antwoord dat ik bij deeze mijne zendelingen Bappa Moenggoe en Bappa Mangkoe met een brief en een slave Jonge tot pre sent aan uwelEd:e laate overgaan. k 165. 233 Van Iavas oostkust den 31 december 1774 Jk verzoeke vwel Ed:e om mij een stukje kaijoe„ pellet Rendithout voor dies kostende te bezorgen om krisse scheede daar van te laaten maaken, dewijl ik gehoord heb dat het boven gemelde pellet: Rendit veel te besoekee valt ook verzoeke ik wwel Ed:e om een prauwmaiang en dezelve met een zendelinge na herwaards te zenden /:onderstond:/: getrans„ lateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze F:r Copia Translaat Javanze brief ge„ schreeven door den Tommongang Cata Nagakra van Malang aan den op„ perkoopman en gezaghebber dee„ zer oosthoek M:r Pieter Luzac verthoond te samarang den 23 decem„ ber 1774 uwel Ed:e Achtb:e Bappa Sebo en den pepattij Wiro Joedo gerequireert hebbende, gaan dezelve bijde na derwaards over; zekerlijk heb ik mij over den laast gemelde weegens zijn ang
English
From Java's East Coast, 31 December 1774 his stubbornness and disobedience to the Commander and is not aggrieved without reason, since I have summoned him four times, but he has not come. Indeed, I even had him called by the sergeant, but he did not heed that either, nor is he at all able to get along with the patih Singo Djoijo and other mantris. I therefore request Your Right Honorable that Bappa Sebo may step forward as patih in Wiro Joedoe's place. And since I have not been to Your Right Honorable for a long time, I earnestly request that I may undertake a short trip to Sourabaija in order to hand over the cash in person, namely as much as I currently have in the treasury, as I will see to finding the shortfall in Sourabaija. Below stood: translated by me; was signed: C. P. Boltze, sworn translator; below stood: Agreed; was signed: J. R. van der Burgh. Copy. 167. 213. From Java's East Coast, 31 December 1774 Copy of a separate missive written by the undersigned Governor at Samarang to the Junior Merchant and Administrator at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, on 30 June 1774. Hereby intending to reply to your separate letters of 3 and 21 June with their enclosures, I must, in order to speak first of what is presently the principal point regarding the Balemboang affairs—the expedition against the island of Noessa—declare that I can by no means conform with your opinion that two well-equipped, strong barques from Batavia would be urgently required for this, and that I therefore do not intend to embrace such an expensive measure, especially toward autumn, because if the undertaking cannot proceed before October and November, such small keels would probably then have to remain on this coast for the entire west monsoon; it appears to me considerably more economical and also easier to follow the latest plan of the Passourouang Commandant Van Rijke, and accordingly to make use of the Company's pantchiallangs De Petronella and De Johannes Cornelis, both of which have recently been properly fitted out here, except that the Johannes Cornelis still needs to be calked, From Java's East Coast, 31 December 1774 calked, which was not done here because it can take effect at Sourabaija with less trouble and just as quickly and just as economically as here or at Rembang; and if to this are added the vessels which the pangeran of Madura and the regent of Sumanap have promised to provide for the transport of the warriors required from them, as well as the regents of Sourabaija, Grissee, Lamongang, Sidajoe, and Pamacassang providing the further needed proa-mayangs, which will be at most 6 to 8 vessels and which could even be taken from the ordinary cruisers, and both are well armed, for which there is still ample time, there will be no lack of vessels and those of Lassum, Rembang, and Ioana may well be dispensed with; for although I shall endeavor to provide you with as much assistance as may be possible for me, that will nevertheless prove somewhat difficult with respect to the vessels, especially if it runs somewhat late in the season, as I at least fear it will run, considering that up to now I have not the slightest news of any reinforcement of European warriors. And since the aforementioned Commandant Van Reijke, according to his letter to you of 8 June, saw no chance of gathering any eastern warriors, but the regents of Passourouang, Barger, and Bangiel are each burning to 169. 215. From Java's East Coast, 31 December 1774 to carry out the undertaking against Noessa with their own men, it will also not be necessary to hire men from the other side for this purpose, the more so because one may now also count on 300 good Madurese and Sumanap warriors, and perhaps by the time they are required some eastern soldiers from the Balemboang area may be spared to be employed as well, if you only take care that the Madurese and Sumanap men come with good, strong vessels, and that the others are also provided with them as much as possible in the manner aforesaid, and that the one as well as the other are provided with the further necessities of provisions, ammunition, and whatever else is required; for which purpose I shall expect to know from you in reply to this what is actually lacking for this in the Eastern Salient and to what extent one can presently adhere to the previous year's statement in that regard. The master carpenter Klaas De Exter and the battoors projected for Balemboangang will, I trust, have already departed thither, and such haste will be made with the construction of the new fortifications that even the relocation from Oeloe Pampang may still take effect before the end of the present east monsoon, while I in the meantime
Dutch transcription
Van Iavas oostkust den 31 december 1774 zijn koppig en ongehoorsaamheid aan den Commandant en des niet zonder redenen beswaart, alzoo ik hem vier maal ont„ boden heb, dog hij is niet gekomen Ja zelfs heb ik hem door den zegiant laten roepen maar heeft zig daar mede niet aangestoort, kunnende hij ook gantsch niet met den pepattij singo Djoijo ende andere mantries accordeeren: Jk ver„ zoek vwel Ed=le Achtb=re dierhalven, dat Bappa sebo in wiro Joedoes plaats als pepattij mag optreeden En nadien ik lange niet bij vwel Ed=e Achtb=re geweest ben verzoeke ik zeer, dat ik mij voor een springtogtje na sourabaija mag begeven ten einde de contanten zelfs te kunnen overhandigen, te weten van zo veel als ik thans in Cas heb zullende ik de manqueerende wel te sourabaija zien op te doen /:onderstond:/ getranslateerd door mij /:was getekend:/ C: P: Boltze I=n /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ J: R: van der Burgh Copia 167. 213. Van Iavas oostkust Den 31: december 1774 Copia aparte missive geschreeven door den ondergetekende gouverneur te samarang aan den onderkoopman en gezaghebber te sourabaija M=r Pieter Luzac den 30:e Juni 1714 Bij dezen zullende beantwoorden uwEl aparte brieven van den 3. en 21:e Juni met dies bijlagen moet ik, om van het thans, met betrekking tot de Balemboangsche zaken voor„ naamste poinct de expeditie tegen het eiland Noessa het eerste te spreeken betuigen mij geensint te kunnen confi„ nueeren met uwE: sustenur dat daar toe twee wel toege„ ruste sterige barquen van Batavia zoude hoogst benodigd zijn en dat ik daarom dat voor al tegen het najaar /:om dat als niet voor October en November de ondeneming voortgang hebben kan zulke kieltjes waarscheinelijk vervolgens de gantsche west mousson op deese kust zoude moeten blijven:/ zoo kostbaar middel ook niet denke te amplecteeren het mij vrij menagieusser en ook facieler voortkomt te volgen het Jongste project van den Passourouangs commandant van Rijke en overzulks gebruike te maken van 's compagnies pantjallangs De Petronella en De Johannes Cornelis die hier nu onlangs beide behoorlijk zijn voorzien geworden be„ halven dat de Johannes Cornelis nog diend te worden ge„ calvaat :/ :/ de deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 calvaat, dat hier niet geschied is oms dat zulks te sourabaija met minder moeite, en wel zo spoedig en eeven menagieus als hier of te Rembang effect sosteeren kan; en als daar bij ge„ voegd worden de vaartuigen dewelke enden pangerang van Madura en den regent van Sumanap beloofd hebben tot transport der van hun gerequireerde krijgers te zullen four„ meeren, mitsgaders de regenten van sourabaija grissee La„ mongang sidajoe Pamacassang de verder benodigde prauw„ majangs dat op zijn hoogst 6 â 8 stuks wezen zal, en dewelke zelfs wel uit de ordinaire kruissers zullens kunnen genomen worden bezorgen en een en ander wel wor„ den g'armeerd daar nu nog ruir tijd toe is zal het aan gene vaartuigen manqueeren van Lassum, Rembang en Ioana wel te stellen zijn; want of schoon ik tragten zal uw E: zo veel assistentie als mij mogelijk wesen zal te bezorgen zal dat egter omtrent de vaartuigen wat difficiel vallen voor al als het wat laat in de tijd loopt, gelijk het ten minsten ik vreese; loopen zal ge„ merkt ik mits het agter nog geen het minste narigt van eenig renfort aan Europesche krijgers hebbe En dewijl voorm: Commandant van Reijke volgens zijn brief aan uwE: van den 8 Juni geen kans zag eenige ooster sche krijgers bij een te krijgen, maar de regenten van Pas„ sourouang, Barger en Bangiel als van ieder branden om 169 215 Van Iavas oostkust den 31 december 1744 om met de hunne de onderneming tegen Noessa uittervoeren zal het ook niet nodig zijn daar toe over walders in dienst te neemen te meer men nu ook op 300. goede madureesche en sumanapsche krijgers rekenen mag, en misschien tegen de tijd dat worden gerequireerd wel eenige oostersche militairen uit het Balemboangsche zullen te missen zijn om mede te worden g'emploieerd als uwE: maar zorge draagd dat de madureesen en sumanappers met goede sterige vaartuigs komen, en dat de andere in voegen voor„ meld daar mede zo veel mogelijk mitsgaders den een zo wel als den andere van het verder nodige aan provisie ammunitie en weesmeer worden voorzien waar toe ik in antwoord dezes van uw E: verwagte zal te we„ ten wat actueel daar toe in den oosthoek manqueerd en in hoeverre men zig tans aan de voorjjarige opga„ ve daar omtrent houden kan De baas Timmerman Klaas De Exter en de voor Balemboangang geprojecteerde battoors zullen zo ik vertrouwe reets derwaards vertrokken zijn en met de Extructien der nieuwe sterktens zo veel spoed gemaakt worden dat zelfs de verhusing van oeloe pampang ook nog voor het einde der presente oost„ mousson gevolg hebben kan zullende ik intusschen van d de deel den
English
From Java's East Coast, the 31st of December 1774 Requesting authorization from Their High Nobilities for the erection of a stone powder magazine in each of the two small forts, and expecting from Your Honour not only what shall be needed for this purpose in stone, lime, and other materials according to the statement of the aforementioned d'Exter, but also the previously requested information as to what price the dried fish and salt purchased there will cost. As with the patrolling against the pirates in the Eastern Corner, just as was prescribed around this time and by general letter of the 18th of June, which ought to be continued throughout the entire east monsoon, with the cruisers sailing east as far as Caub Sundana and along the Balinese coast keeping the pirates out of the fairway, this will greatly hinder them from colluding with the petty Balinese rulers to undertake something together against Balemboangang, which, because they have already let better opportunities for this pass by than the one currently presenting itself, does not seem very likely to me; it is nevertheless possible, but then a single guard ship, whether a barque, a sloop, a pantjallang, or a lighter is employed for the purpose, will be just as little able to resist as to prevent landing with small vessels at all suitable places along the entire coast. From Java's East Coast, the 31st of December 1774 vessels; and for that reason I consider it best to have Bali observed from afar as much as possible with the cruising prahus, and on land itself, in accordance with the intention of the Resident Schophoff, according to his letter to Your Honour of the 12th of May last, to be vigilant and constantly as much on one's guard as possible, as well as to arrange it so that one of the pantjallangs stationed at Sourabaija alternately remains there for some time during its departures and arrivals to make some show of force; while it is a proven truth that, in spite of the vessels that have hitherto been stationed practically without interruption in the Balemboangang seas, the arrivals and departures from Bali as well as Noessa could just as little be prevented. The commission for determining the borders between Eastern and Western Balemboangang and the survey of the districts included under the latter must not be needlessly delayed, but should proceed as soon as it can possibly be done, according to my instructions and the directive drafted for the commissioners, while for this purpose the assistant Van Haak, experienced in engineering, is crossing over there today on the pantjallang the Johannes Corlenis to assist the commissioners in making charts and drawings, with which he From Java's East Coast, the 31st of December 1774 must subsequently return hither without delay in order to be further arranged and drawn up cleanly here. In order to accommodate the Balemboangang regent Wiro Goenoe and enable him to maintain himself in his dignity, it having pleased Their High Nobilities to grant him, as a token of favour and special grace for the period of three years reckoned from the first of January past, the lease or the revenues of the bird's nest cliffs as far as the borders of his territory extend, I hereby give Your Honour notice thereof for your information, and that consequently there must be paid out to him provisionally for the present year, from the one thousand Spanish reals for which the collection in the districts of Balemboangang, Lamadjang, and Malang is currently leased, six hundred Spanish reals without the slightest deduction, because, calculating according to the old statement of the lessee's collection in 1773, I estimate that in quiet, peaceful times Balemboangang alone participates for more than three-fifths in that lease; the aforementioned 600 Spanish reals must be counted out to him in cash, and a proper receipt of this payment must be granted by him and his two patihs, and that From Java's East Coast, the 31st of December 1774 subsequently to me, as well as delivering to the said regent at the first opportunity the letter enclosed herein for the same. Awaiting the fulfillment of your promise with regard to the collection of rice, Your Honour should in the meantime inform me how much, according to Your Honour's calculation, will arrive at Sourabaija before mid-October, or in time to be shipped off to the capital before the onset of the west winds. The old regent of Cadirie, Wiero Deridjo, not falling under the jurisdiction of the Company, I cannot grant permission for a short journey to Batavia, and the fine imposed on the mantri Derino Joedo must be collected from him. According to what appears in the letter from the Passaurouang commander to Your Honour dated the 8th of June, the Bangil ingebij Poespanagara having made himself guilty of ordering, and the radens Predosto, Djoijomeroets, Djohaz, and Soerodiedoijo of committing murder, I do not doubt that Your Honour will have already investigated that matter more closely yourself and will send those found guilty or appearing suspect, along with the documents charging them, hither to the local land council to be tried, while in such a case proper care must be taken of their property; I
Dutch transcription
Van Iavas oostkust den 31 december 1774 van Hunne Hoog Edelheden qualificatie versoeken tot het optrekken van een steen kruithuis in ider der twee fortjes en van uwE verwagten niet alleen wat daar toe na de opgave van voorm: d' Exter aansteen kalk en weesmeer, nodig wesen zal maar ook de bij voorige gevraagde informatie op wat prijs de daar in gekogt wordende vis dingding en het zout komt te staan Als met de bekruissing tegen de zeerovers in den oosthoek eeven als om deezen ooikt en bij gemeene let„ teren van den 18 Juni aangeschreeven is dat diend te ge„ scheeden gecontinueerd worde geduurende de gantsche oostmousson en de kruissers om de oost tot caub sun„ dana en onder de Balijsche wal lopende de roovers uijt het vaarwater houden zal hun zulks veel belet„ ten om met de Balijsche vorstjes te konkekenen met het te zamen iets tegen Balemboangang te ondernemen dat mij om dat zij al betere gelegentheid daar toe hebben laten voorbijgaan dan die zig tans opdoet niet zeer waarschemelijk voorkomt het is egter mogelijk maar dan zal ook een enkele uitlegger onderschillig of daar toe een buarcq een sloop een pantjallang dan wel een ligter gedruckt word heneeven zo min kunnen re„ sisteeren als langs de gantsche kust beletten het lan„ den op alle daar toe bekwaame plaatzen met kleine vaartuigen 177. 217 171 Van Iavas oostkust den 31 december 1774 vaartuigen; en om die reden agte ik het best om met de kruid„ prauneen van verre zo veel doenlijk is Balij te laten obser„ veeren en te lande zelfs overeenkomende met het voornemen vanden resident schophoff, volgens zijn brief aan uw E: van den 12 Mei Jongstleden waaksaam een steeds zoo veel moge„ lijk op zijn hoede te zijn mitsgaders het zo te schikken dat eene van de te sourabaija bescheiden pantjallangs zig beurt„ ling bij af en aanvaard daar wat op houde om eenige ver„ toning te maken; terwijl het een bewezen waarheid is dat in weer wil van de vaartuigen die men dus verre genoegsaam zonder interruptie in de Balemboangsche zeen heeft gehad de aan en afvaard even min van Bali als Noessa heeft kunnen worden belet De commissie ter bepaling der grensen tusschen ooster en wester Balemboangang en op neem der districten die onder het laatste begreepen worden moet niet nodeloos uitgesteld worden maar ook al ten Eersten als geschieden kan voortgang hebben na mijn voorschrijvens en de voor de gecommitteerden ontworpen Jnstructie terwijl daar toe heden met de pantjallang de Johannes Corlenis derwaarts overvaard den in de genie ervaeren assistent van Haak om de gecommitteerden behulpsaam te zijn in het maaken van karten en tekeningen waar mede hij de deel kleine Van Javanse Oostkust den 31 december 1774 hij om verder hier in ordre en in het net gebragt te worden vervolgens herwaards zonder ophouden te rug komen moet om den Balemoangs regent wiro goenoe te gemoed te komen en in staat te stellen zig in zijne waardigheid te kunnen maincteneeren door hunne Hoog Edelheden goed gevonden zynde hem als een blijk van gunst en be sondre gratie voor den tyd van drie Jaaren getekend van primo Januarij passato overte laten de pagt ofte de imkomsten der vogelnest klippen zo verre zijn gebieds. gaensen strekken, geve ik uwE: daar van bij dezen tot nadigt kennisse, en dat dien volgende aan hem bij provisie voor het presentie Jaar van de Een duisend spaan„ se realen waar door den Inzaam in de districten van Balemboangang, Lamadjang en Malang tant is ver„ pagt zal moeten worden uitgekeerd ses honderd spaanse realen zonder de minste afkorting wijl ik na de auwe opgave van des pagters Inzaam in 1773. Calculeerende stelle dat in geruste vreedige tijden Balemboangang alleen voor ruim drie vijfde in die pagt partuipeerd moetende opgem: 600: spaanse realen hem in kon„ tant geteld en door hem en zijne beide bepattyjs een behoorlijk bewijs van dies ontvangst verleend en dat . 219 Van Iavas Oostkust den 31: december 1774 dat vervolgens mij mitsgaders nu bij eerste gelegentheid aan gemelde regent bezorgd worden de hier inne beggende brief voor den selven De vervulling uwer belofte met opzigt tot den Intzaam van rijst te gemoed ziende diend uwE: mij intusschen te infor„ meeren hoe veel er na uwE: calculatie te sourabaija zal in„ komen voor medio october of zo tijdig om voor de doorbrake der weste winden naar de hoofd plaats te worden afgescheept Den ouden regent van Cadirie wiero Deridjo niet on„ der de Compagnie sorteerende, kan ik ook gaen permissie tot Een springtogtje naar Batavia verleenen en van den mantria Derino Joedo moet de hem opgelegde boete in„ gevorderd worden Na het gene voorkomt bij brief van den Passaurou„ angs commandat aan uwE: de dato 8 Juni den Ban„ gils Ingebij Poespanagara zig aan lastgeving tot en de radeens Predosto Djoijomeroets Djohaz en Soero „diedoijo aan begane moord schuldig gemaakt hebbende twijffele ik niet of uwE: zal zelfs die zaak reeds na„ der onderzogt hebben en die schuldig bevonden worden of suspect voorkomen met de stukken ten haren lasten herwaards overzenden aan de land raad alhier om te kogt gestald te worden terwijl in zulks een geval voor hunne goe„ deren behoorlijk zorge diend gedragen te worden; Ik 11 de deel
English
Java's East Coast, 31 December 1774 From I remain, after greetings, your good friend, signed: J. R. van der Burgh. In the margin: Samarang, 30 June 1774. Copy of a separate letter written by and to the same, dated Samarang, 30 July 1774. Your separate letters of 30 June, as well as 15 and 16 July, have been duly delivered to me one after the other, along with various enclosures, including your considerations regarding the planned expedition against the island of Noessa. However, with reference to the enclosed extract of the respected separate missive of Their High Mightinesses dated 19 July last, I cannot explain myself further on this matter than has already been done in previous successive dispatches, until Their High Mightinesses shall be pleased to provide me with European troops and the authorization for that undertaking, at which time I shall also send the specified requirements for it. In the meantime, No. 221 From Java's East Coast, 31 December 1774 the appointed commission for determining the borders between Eastern and Western Balemboangang and surveying the lands thereabouts may proceed, and either Ensign Mierop or Sergeant Steenbergen may be employed for this purpose, which I leave to your discretion. The oral reply from Gusti Moera at Tjembranie to Resident Schophoff, according to the latter's letter of the end of June, stating that he, Gusti Moera, being a vassal of Gusti Agong, was not permitted to write, deserves little credit. But if it is also true that both of these Gustis are selling the Balambangans who sought refuge with them as slaves, it is also not apparent that they will find any support there in any undertaking against Balemboangang. Regarding the forwarding of my letter to Balemboangang's regent, Wiero Goeno, along with the sum granted to him from the proceeds of the lease on the bird's nests, I await by the next opportunity the proof of receipt of the money by the said regent and his two patihs, as requested in my separate letter of 30 June last. And I hereby instruct you, in accordance with the authorization of Their High Mightinesses enclosed herewith, to satisfy the regents of Passouroang, Bangil, and Banger—under proper receipts, which must also be sent to me—for the rice, buffaloes, and From Java's East Coast, 31 December 1774 and cattle that, according to their statements and the writing of the Passaurouang commander Adriaan van Rijck in his letters to you of 23 March and 4 April of this year, they have supplied to the European garrison in those districts since the conquest of Malang and Antang in 1767, after deducting what has already been offset against their contingents, while such provisioning may henceforth be charged directly to the Company, and the requirements for the future must be specified to me for determination. And since Their High Mightinesses, upon my proposal, have also been pleased to exempt Passourouang's regent Nitinagara from all contributions for the district of Porong, just as with Malang, until the end of December 1775, and thus also to remit the 28 coyans of rice that this regent still owes for that district for the years 1772 and 1773, I hereby give you notice thereof so that the matter may be settled and carried out during the current financial year. The regents must continually be urged to deliver the rice and whatever else they owe, and I am pleased that your efforts to that end seem to bear fruit, and it will give me even greater satisfaction 177 223 From Java's East Coast, 31 December 1774 if they fulfill their promises and settle everything before the end of October, and provided that the vessels which I shall send on to Sourabaija and Grissie as far as possible, along with the Ternate vessel that is still to arrive at your port, are promptly loaded with rice and other dry products. And consenting to the dismissal of the deceased regent's patih, Soronogoro, I have appointed from the two candidates proposed in his place the mantri Wirio Cesoemo as patih, because he seems to be acting as such already, and moreover, the other, Wans Ingrono, is a person of no good reputation. The accusation against Bangil's ngabehi Poespanagara and the radens Predosto Djoijo, Meroetoe, D'Johar, and Soerodie Djoijo regarding the murder of the Javanese Tronoa Sarie appearing to me sufficient to examine the accused, and at the same time to investigate the matter—both as to why he, the ngabehi, concealed that murder and did not immediately report it as and where it was proper, and what truth there is in what also appears in the letter from Passourouang dated 8 June regarding the poor conduct of the said Poespanagara—all this must also take place; and in the meantime, the repeatedly mentioned ngabehi must be detained at Sourabaija, and the radens summoned thither once more and remanded together with the wife of the murdered man to the landraad here. The From Java's East Coast, 31 December 1774 Since dried fish and dendeng, which cost the Company 5 stuivers in Indies money or thereabouts per pound in Sourabaija, can be obtained in the Balemboangan region for 8 rixdollars per 100 pounds according to the statement of Resident Schophoff, the dispatch thereof thither must be dispensed with, and the procurement of as much as is needed for rations remains recommended to the said resident. I remain, after greetings, your good friend, signed: J. R. van der Burgh. In the margin stood: Samarang, 30 July 1774. Copy
Dutch transcription
Iavas oostkust den 31 december 1774 Van Ik blyve naar goete /:onderstond:/ uwE: goedenvriend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine:/ sa„ marang den 30:e Iuni 1774 Copia aparte brieff geschreeven door en aan als eeven, gedateerd Samarang den 30 Juli 1774 Bij mij zijn na den anderen wel besteld uw E: aparte brie„ ven van den 30 Juni item 15 en 16 Juli nevens diverse bij lagen daar onder uwE: consideratien tot de voorgenomen Ex„ piditie tegen het eeland Noessa dog waar over ik mij on„ der refert tot inleggend extract Hunner Hoog Edelhee„ den gerespecteerde aparte missive van den 19 Juli jongst leden niet nader verklaaren kan als al bij vorige successive is geschied voor dat Hoog dezelven mij met Europesche krijgens en qualificatie tot die onderneming zul len hebben gelieven te voorzien, wanneer ik ook de op ge„ geven benodigheeden daar toe zenden zal; kunnende in„ „tusschen N 221 Van Iavas oostkust den 31 december 1774 tusschen de gedecerneerde commissie tot de bepaling der grensen tusschen ooster en wester Balemboangang en opneem der landen daar omtrent voortgang hebben, en daar toe mede g'emploieerd wor„ den of den vandrig Mierop of den zergeant steenbergen dat ik aan uwE: gedefereerd late Het mondilinge antwoord van gusti Moera te Tjembra„ nie aan den resident schophoff volgens deeze zijn brief van ultimo: Juni, dat hij gusti Moera een rasaal van gusti Agong zijnde niet vermogt schrijven verdiend weinig geloof maar als het teffens, waar is dat deeze bijde Gustijs de bij huw schuilplaats gezogt hebbende Balemboangers voor sla„ ven verkoopen is het ook niet apparent dat zij bij eenige onderneming tegen Balemboangang daar hang vinden zullen De voortzending van mijn brief aan Balemboangangs regent wiero goeno met de hem uit het rendement der pagt, op de vogelnesjes toegelegde zie ik het bij mijn apar„ te van den 30 Juni J: L: gerequireerde bewijs wegens den ontvangst der penningen van gem: regent en zijn bijde be„ pattij bij naaste te gemoed, en demandere uwE: bij dzen om conform de qualificatie Hunner Hoog Edelheeden hier nevens aan de regenten van Passouroang Bangil en Banger onder behoorlijke quitantien die mij almede dienen toegezonden te worden te voldoen de rijst buffels en de deel Van Iavas oostkust den 31 December 1774 en koebesten die zij na hunne opgaven en volgens schrijven van den Passaurouaags commandant Adriaan van Rijck bij zijn brieven aan uw E: van den 23:e Maart en 4: April deeses Jaars sedert de verovering van Malang en Antang in 1767 aan de Europesche bezetting in dier dis„ tricten hebben vertreckt na aftrek van het geene daar op uijt de contingenten reeds is gevalideerd terwijl die versterkking voortaan direct ten Lasten der Maat„ schappije kan geschieden en mij de benodigdheid tot een bepaling voor het vervolg moet opgegeven worden En dewijl Hunne Hoog Edelheden ook op mijn voordragt Passourouangs regent Nitinagara van alle contributie voor het district Porong even als Malang tot ultimo december 1775 hebben gelieven vaij te spreeken en dus ook te remitteeren den 28 Corangs rijst die dezen regent wegens dat district voor 1772 en 1773 articul nog ten agteren staat geve ik uw E: daar van bij dezen almede kennisse ten einde het een en ander nog in het lopende boekjaar vereffent worde en gevolg neme De regenten moeten onophoudelyk tot de Leverantie van rijst en wat zij meer schuldig zijn worden aangespoord terwijl het mij aangenaam is dat uw E: pogingen daar toe van vrugt scheinen te zijn en nog meer genoe„ gen 177 223 Van Iavasoostkust den 31 december 1774 gen geven zal als zij aan hunne beloften en alles voor ultimo october voldoen mitsgaders de scheepenen die ik bij mogelijkheid na sourabaija en grissie voortzenden zal, met de Tarnaats vaar„ der die bij uwE: nog staat aante gieren spoedig met rijst en andere drooge producten beladen worden En in de dinictie van desecesten regents bepattij soronogoro bewilligende heb ik van de twee daar toe voorgedragene in zijn plaats tot bepattij aange„ steld den mantrie wirio cesoemo om dat de reets als zodanige scheint te ageeren en booven dien den andere, of wans ingro„ no een perzoon van geen goede reputatie is De beschuldiging ten Lasten van Bangils jngabeij Poes„ panagara en de rateens Predosto Djoijo meroetoe D' Johar en soerodie djoijo wegens het vermoorden van den Javaan Tro„ noa Sarie mij voldoende voorkomende om de aangeklaagde te hooren, en de zaak mitsgaders teffens te onderzoeken zo wel waarom hij Jngabeij die moord verzweegen en er niet di„ rect kennisse van gegeven heeft zo en waar het behoorde als wat er is van het geene ook omtrent de slegte di„ rectie van hem Poespanagara voor komt bij brief van Passourouang de dato 8 Juni zal dat een en ander ook nog moeten geschieden om on intusschen de Jngabeij meermeld te sourabaija moeten aangehouden mitsgaders de radeens andermaal derwaards ontboden en met de vrouw van den vermoorden herwaards aan den landraad gerenvorieerd te worden De d deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 De drooge vis en Dingding die te sourabaija de compagnie kost 5 stuivers Jndische geld of daar omtrent perlb in 't Balemboangsche na de opgave van den re„ sident schophoff voor rd:s 8. de 100 lb: te bekomen zijn de moet de verzending daar van derwaards geexcuseerd en den inkoop zo veel tot de randzoenen nodig is hem resident aanbevoolen blijven Ik blyve na groete /:onderstond:/ na E goede vrind /: was getekend: /: I: R: van der Burgh (:in margine stond:/ Samarang den 30:' Juli 1774 Copia
English
179 225 Java's East Coast the 31 December 1774 From Copy of a separate missive written by the undersigned Governor to the Commander Luzac at Sourabaija the 16th September 1774 Having duly received your separate letters of the 2nd and 27 August, also 6th September, with their enclosures, among them a receipt regarding the delivery to the Balemboangang regent Wiro Goeno of the share allocated to him from the lease of the birds' nest cliffs to the amount of six hundred Spanish reals, serves in reply thereto, and first to the last one, that I do not know how to reconcile, but find devoid of all truth, Your statement: I have had the honor to reply to Your missive of the 30 July by mine of the 2 August, since that same letter of the 2nd August begins: Since my communication of the 16th July having not been honored with Your orders; and if You had not yet received them then, how then is it possible that they could have been answered, and how is it furthermore possible that in this season a letter which was dispatched from here on the evening of the 30th July could have been delivered at Sourabaija before the 2nd August, and thus From Java's East Coast the 21 December 1774 thus within three days and nights? I shall not expand further on this, but leave the absurdity inherent in Your position to Your own reflection, and expect that henceforth more attention and consideration will be paid to my letters, and especially to the orders of Their High Excellencies sent to You in my aforementioned letter of the 30th July. That they were progressing with the construction of the small forts in the Balemboang district is agreeable, and it must above all be strived for that the relocation takes full effect before the onset of the upcoming west monsoon; meanwhile I continue to await the specification, demanded long ago, though, as I must gather from the writing of the Resident Schophoff by letter of the end of August, only recently requested by You from the master carpenter D'Exter, of what is needed and calculated to be required for a stone powder magazine in each of those small forts. Awaiting the outcome of the Commission for the determination of the boundaries between Eastern and Western Balemboangang and the exact survey of the lands along there, after the return of the commissioners, together with the promised reply to the extract of the missive of Their High Excellencies of the 19 July, I may well allow that, 187 227 From Java's East Coast the 31 December 1774 that if it is deemed necessary, advisable, and practicable, in the turning period of the monsoon or the month of November, a couple of prahus be sent around the south to Batoe Oeloe in order to prevent the supply of provisions from Java to Noessa as much as possible; since in this autumn, to all appearances, nothing will come of the planned expedition to Noessa yet. To the request of Banger's regent for the relocation of his dalem may now well be consented, provided the common man in that district is not burdened by it; and in order to decide in fairness the dispute between the regents of Sourabaija and Lamongang over the village of Soekoebendo and its rice fields, You must have two regents from the nearest districts, under oath, trace and investigate under which jurisdiction, either of Sourabaija or of Lamongang, that village and lands have belonged from ancient times, and reassign the same thereto, without paying regard to past donations from the one regent to the other, since they have no power to dispose of the Company's lands in that manner. If it can be managed without an officer at Adirogo, I concur with Your proposal to retain the Ensign Fissela at Sourabaija and to entrust the command at Adirogo to From Java's East Coast the 31 December 1774 to Sergeant Steenbergen, who according to Your statement would be very capable for it. I hope to see verified Your prediction that the Sourabaija rice contingent for this year would be fully delivered and settled before the end of October; PamaCassang's regent must be continually urged to settle his arrears and turned away until the autumn with his request to pay in cash what he cannot deliver; while Soumanap's regent will return shortly to his regency, and today to Sourabaija the new regent Wijereocesoemo and beside him the mantri Wangsingrono, which latter must be kept under good surveillance. The Ngabehi at Bangil, having arrived here with the ship Vlissingen, will also, if found innocent of that which is charged against him, return at the earliest opportunity. Wherewith, after greetings, I remain /:at the bottom was written:/ Your good friend /:was signed:/ J: R: van der Burgh /:in the margin:/ Samarang the 16th September 1774 Copy 82
Dutch transcription
179 225 Iavas oostkust den 31 December 174 Van Copia aparte missive geschreeven door den ondergetekend gouverneur aan den gezaghebber Luzac te soura„ baija den 16:e September 1774 Naden anderen mij wel geworden zijnde uwE: aparte brieven van den 2en 27 Augustus item 6:e September, met dies bijlagen daar onder een bewijs wegens de afgave aan den Balemboan„ gangs regent wiro Goeno, van het hem toegelegde aan„ deel uijt de pagt der vogelnest klippen ten bedraagen van ses Honderd spaansche reaalen diend op dezelve in ant„ woord en wel op de Laatste eerst dat ik niet weete te huis te brengen maar ontblood van alle waarheid vinde uw E: gezegde ik heb de Eere gehad uwE: missive van den 30 Iuli te beantwoorden bij de mijne van den 2 August: alzo die zelvde brief van den 2:e Augustus begind sedert mijne bedelinge van den 16:e Juli mij niet hebbende mogen vereerd vinden met uwE: ordres en indien uwE: die toen nog niet ontvangen hadt, hoe is het dan mogelijk dat op dezelve zoude geantwoord zijn en hoe is het boovendien mogelijk dat in dit saijsoen een brief die van hier den 30=e Iuli des avonds afgezonden is voor den 2e Augustus en dus dedeel Van Iavas oostkust den 21 december 1774 dus binnen drie etmaalen te sourabaija kan weezen aange„ bragt Ik zal hier over niet order iewijden, maar het onge„ reinde dat in uwE positie steekt aan uwE: eigen overweegen overlaten en verwagten dat voortaan op mij brieven en inzonderheid op de ordres Hunner Hoog Edelheeden uwE: in opgemelde de mijne van den 30. e Juli toegezon„ den meer agt en reflectie zal geslagen worden Dat men met de extructie der fortjes in het Balem„ boangsche vrtrek vorderde is aangenaam moetende voor al getragt worden dat de verhuising voor de doorbraake der aanstaande west mousson ten vollen effect sorteere blijvende ik intusschen te gemoete zien de al voor lange gevorderde dog zo als ik uit het schrijven van den resident schophoff bij brief van ultimo Augustus moet opma„ ken door uwE: nu onlangs eerst gerequireerde opgave van den baas timmerman D' Exter wat benodigd is en na calculatie zal komen te korten een steen kruit„ huisje in ider dier fortjes Den uitslag der Commissie ter bepaling der Limi„ ten tusschen ooster en wester Balemboangang en Exacte opneem der landen daar langs len na de te rug komst der gecommitteerden nevens het beloofde antwoord op het extract der missive Hunner Hoog Edelheeden van den 19 Juli te gemoet ziende mag ik wel lyden dat 187 227 Van Iavas Oostkust den 31 december 1774 dat als het noodzakelijk raadzaam en doenlijk g'oordeelt word in de kentertijd der moussou of de maand November een paar prauwen om de zuid na Batoe oeloe gezonden worden ten einde den toevoer van leevens middelen van Java naar Noessa zo veel mogelijk mag zijn te beletten; also dog in dit na Jaar van de voorgenomen Expeditie op Noessa na ap„ parentie nog niet worden zal In het versoek van Bangers regent ter verplaatzing van zijn dalm mag nu wel, niets de gemeene man in dat dis„ trict er niet door worden, en om het verschil tusschen de regenten van sourabaija en Lamoengang, over de negorij soe„ koebendo en dies rijstvelden in billykheijd te beslissen zal uwE: door twee regenten uit de na bij gelegendste distric„ ten, onder Eede moeten laten nagaan en onderzoeken onder welk ressort of van sourabaija of van Lamongang die negoryj en landen van ouds af hebben gehoord en dezelve daar weder aan mogen toewijzen zonder reflec„ tie te slaan op afgegaane gifte van den eenen regent aan den ander alzo zij geen magt hebben om op die wijze over 's Com„ pagnies laden te disponeeren Als het te Adirogo zonder officier te stellen is Con firmeere ik mij met uwE: voorsteld om den vandrig Fissela te sourabaija aan te houden en het gezagte Aderogo op deel Van Javas oostkust Den 31 December 1774 optedragen aan den sergiant Steenbergen die daartoe na uwE: opgave zeer bekwaam zoude zijn Ik hoope bewaarheid te zien uwE: voorspelling dat het sou„ rabaijasche rijst Contingent voor dit Jaar voor ultimo oc„ tober ten volle zoude ingekomen en vereffent wezen moe„ tende PamaCassangs regent on ophoudelijk tot de voldoening zijner agterstallen aangespoord en tot in het na Jaar afge„ wezen worden met zijn versoek om het geene hij niet op„ brengen kan met contanten te voldoen; terwijl suma„ naps regent eerstdaags na zijn regentschap, en heeden naar sourabaija te rug keeren den nieuwen bepattij wije reocesoemo en nevens hem den mantrie Wangsingrono welke Laatste onder goed toezigt moet gehouden worden den Jngabeij te Bangil met het schip vlissingen hier aangekomen zal ook onschuldig bevonden wordende aan het geene hem ten lasten word gelegd ten eersten te rug keeren waar mede na groete blyve /:onderstond:/ uwE: goe„ den varend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine:/ Samarang den 16:e September 1774 Copia 82
English
13. 229 From Java's East Coast, the 31st of December 1774. While deferring for the present the further or more complete reply to your Honor's separate letters of the 27th of September and 4th of October and their enclosures, I merely express herewith my wish that the illness of the bupati of Madura, Maas Aria, may have no evil consequences. I approve, however, that your Honor has given the necessary orders in writing to Bangkalan's Commander to prevent disorder in the unhoped-for event of the passing of that honest old bupati, trusting that this will dictate keeping everyone quiet and calm and not offending anyone, about which I cannot judge before your Honor, as was proper and must still be done, reports to me the recommended measures and sends a copy of your Honor's writing to the said ensign. But on the contrary, I find your Honor's writing to the pangeran regarding the estate and the nomination of two persons for bupati without my prior knowledge, or without your Honor informing me who De wocoesoemo and Projonagara actually are, rather precipitant, and I cannot confirm it, Copy of a separate letter written by the undersigned Governor to the Commander Luzac, the 8th of October 1774. From Java's East Coast, the 31st of December 1774, because I do not know on what grounds one should interfere further with the estate other than seeing to it that nothing is stolen from it, but that everything goes to the heirs; and I deem it absolutely unadvisable to elect as bupati one of the deceased panembahan's sons, the pangeran's uncles, since that can have many bad consequences. And for that reason I expect that when Maas Aria departs this temporal life, the pangeran himself, with your Honor's foreknowledge, will nominate to me two persons of good reputation who are not related to him by blood, in order to elect one of them as bupati. Regarding the request of Pamekasan's regent for the relocation of his dalem, I cannot grant it before your Honor has an investigation made and reports to me whether there are any objections against it, and whether such a relocation will not burden the native population. After greetings, I remain, below stood, your Honor's good friend, was signed, J. R. van der Burgh, in the margin stood, Semarang, the 8th of October 1774. Copy. No. 231 From Java's East Coast, the 31st of December 1774. Your Honor's separate letters of the 27th of September, 4th, 14th, and 22nd of October have been duly delivered in succession, and I have also duly received alongside them the report and its enclosures from the commissioners who determined the boundaries between Eastern and Western Balambangan, and surveyed the western districts of Jember, Panarukan, Prajekan, Sentong, and Sabrang. But that report not being supported by your Honor's considerations as to how far the proposals of the commissioners could or could not be adopted, or rather ought to be altered, I shall await these from your Honor by the next opportunity, and thereafter defer my reply as well as making any proposal regarding one thing or another to Their High Noble Lordships; the Balambangan people, however, who have settled in the just-mentioned districts and, according to the nominal roll drawn up by the commissioners, consist of 82 men, 77 women, and 24 children, may meanwhile be persuaded by friendly means, but must not be forced by harsh measures or compulsion to return to their country, for if not inclined thereto, Copy of a separate missive by the same as above-written, dated Semarang, the 14th of November 1774. From Java's East Coast, the 31st of December 1774, it is to be feared that instead of seeking out their old dwelling places again, they will abscond elsewhere and take refuge with others, and thus be lost entirely. The relocation from Ulu Pampang to Banyuwangi with all its equipment will, I trust, following the letter from the Resident Schophoff dated the 14th of October last, have already taken place, and subsequently no time will be lost with the construction of the projected fortification near Pakem; and allowing that, as it appears, they had already begun building a stone storehouse at Banyuwangi, I give my permission to also construct such a secure storage place for gunpowder in the fortification at Pakem, provided that in everything economy is observed as much as possible, and that no more is spent than the master carpenter Claas D'Exter estimates in his calculation, namely for the powder house at Banyuwangi 200 rixdollars and 20 stivers, and at Pakem 170 rixdollars and 19 1/5 stivers. The Regent Wiro Guno can and may follow his choice and build his residence nearby under the cannons of the Company's main fortification, in which case it will be just as little necessary to post an express detachment of European and native soldiers with him as
Dutch transcription
13. 229 Van Iavas oostkust den 31 december 174. Het nadere of vollediger antwoord op uwE: aparte van den 27:e September en 4. october en dies bijlaagen voor als nog uitstel„ lende is bij dezen maar dat ik wensche de ziekte van den be„ pattij te Madura Maas Aria van geen kwaade gevolgen weezen mag, Ik approbeere egter dat uw E: van Bancal„ langs Commandant het nodige aangeschreeven hebt ter ver„ mijding van dis ordre bij het onverhoopte overlijden van dien ou„ den braaven bepattij in vertrouwen dat dat zal dicteeren om een ieder stil en gerust te doen zijn en niemand te offenlee„ ken waar over ik niet oordeelen kan voor dat uwE: mij gelijk hadt behooren en nog moet geschieden de aanbevoolen matregulen opgeeft en Copia van uwE: schrijven aan gemelden vandrig send. Maar daar entegen vinde ik uwE: schrijven aan den pangerang opzigtelyk tot de nalatenschap en de voordragt van twee perzoonen tot bepattij zon„ zonder mijn voorkennisse of dat uwE: mij opgeeft wie De wocoesoemo en Projonagara eigentlijk is vrij precipitant en kan en mij niet mede confirmeeren opia aparte brief geschreeven door den ondergeteekende gouverneur aan den gezag hebber Luzac den 8: 8ber: 1774 om le de deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 om dat ik niet weet uit welken hoofde men zig verder met de nalatenschap zoude bemoeien als met zorge te dragen dat er niets van ontvreemde worde, maar alles aan de Erfgenamen kome en ik absoluut niet raadzaam agt eene van der overleden panembahans zoon des pan„ gerangs ooms tot bepattij te verkiesicsen, wijl dat veele kwaade gevolgen hebben kan, en om die reeden verwagt ik dat als Maas Aria het tijdelyke komt af te leggen de pangerang zelfs met uwE: voorweeten mij twee perzoonen van goede reputatie en die hem in den bloeder niet bestaan zal voordraagen om een hunner tot bepat„ tij te verkiesing In het verzoek van Pamacassangs regent ter ver„ „plaatzing van zijn dalen kan ik niet bewilligen voor dat uwE: laat onderzoeken en mij opgeeft of er geene beden„ „kingen tegen zijn en off zodanige verplaatzing den Jnlan„ „der nie bezwaaren zal Ik blijve naar groete /:onderstond:/ uwE: goeden vriend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in marginistond:/ Samarang den 8:e october 1774 opia N5 231 Van Iavas oostkust den 31 December 1774 Alj zijn na den anderen wel besteld uwE: aparte brieven van den 27 September 4, 14 en 22 october en ik heb daar nevens ook wel ontvangen het rapport en dies bijlagen van de gecommitteerded die de liniten tusschen ooster en wester Balemboangang bepaaad, mitsgader de wester districten Djember, Pana„ roekan Pradjakancentong en Sabrang opgenomen hebben maar dat rapport niet gesterkt zijnde met uwE conside„ ratien in hoeverrer de voorstellen der gecommitteerden al of niet zoude kunnen worden g'amplecteerd dan wel die„ nen te worden g'altereerd, zal ik die per naasten nog van uwE: verwagten en daar na zo wel mijn antwoord als ook uitstellen eenige voordragt omtrent het een of andere Hunne Hoog Edelheden te doen; mogende egter intusschen de Ba„ lemboangers, die haar in even gemelde districten hebben nedergeset en volgens de door de gecommitteerden opgemaakte naamlijst bestaan in 82 mans 77 vrouwen en 24 kinderen wel door vriendelijke weegen gepersuadeerd maar niet door harde middelen of dwang genoodzaakt worden na haar land te rug te keeren want daar toe niet in„ op ia aparte missive door den aan als voorgeschreeven gedateert samarang den 14 November 1774 „ Clineerende de deel Van Javas oostkust Den 31 December 1774 „clineerende is het te vreesen dat zijn instede van hunne oude woonplaats weder opte zoeken na elders verlopen en bij andere toevlugt nemen zullen en men hun zo geheel ver„ liesen zal De verhuising van oeloe pampang naar Banjoer„ wangie met al den omslag zal vertrouwe ik ingevolge schrij„ ven van den resident schophoff de dato 14 october Jongst leden al volg hebben gehad en vervolgens geen tijd verzuimd worden met de extructie van de geprojecteerde sterk„ te bij Packum, en passeerende dat men reeds zo het schennt met den opbouw van een steen kamthuisje te Banjoewangie begonnen was geve ik mijn toestem„ ming om ook een dus zeekere bergplaats voor buis„ kruit in de sterkte te Packum te Extruceeren mits in alles de zuinigheijd zo veel mogelijk betragt en niet meer bekortigd worde dan den timmerbaas Claas D' Exter bij zijn calculatie komt te stellen te weeten voor het kruithuis te Banjoewangie rd=s 200: 20. — en te Packum rd:s 170: 19 /5 De regent wiero goenoe kan en mag zijn keuse volgen en zijn woning na bij onder het geschut van 's Compagnies hoofdsterkte opbouwen wanneer het eeven zo min nodig zal wezen expres een Commando Eu„ ropesche en Jnlandsche krijgers bij hem te plaatzen als B
English
From Java's East Coast, 31 December 1774 to throw up a benting for their residence, but Oeloepampang and Cotta must, after everything that could serve for defense has been removed and taken away from them, be placed under subordinate, good native chiefs, in conformity with what has already been written and determined previously. If, as Your Honour says, there is no reason for objection or hesitation of any kind against it, I am quite willing that the Regent of Pamekasan be permitted to transfer his dalem; but the investigation by the Regents of Grissee, as to which district—either Sourabaija or Larmongang—the negorij Soekoebendo has of old belonged, being not in the least satisfactory, Your Honour will need to assign another commission for that inquiry to the Grissee Resident Domis and some knowledgeable natives of more judgment and knowledge than the Grissee Regents show to possess in this matter, whilst the Regents who dispute the possession of this negorij with one another must also themselves state upon what they ground their right. Now that the illness of the Madurese bepattij Maas Aria has had no bad consequences and he has recovered from it again, I consider it unnecessary to express my thoughts regarding another bepattij upon the demise of this old, honest man, but rather to From Java's East Coast, 31 December 1774. confer with the Pangerang in person on that subject at a convenient opportunity and time, the more so because the Prince himself does not seem inclined to choose another as long as Maas Aria lives, and is just as little disposed as I find it advisable to defer to Your Honour's proposal to take one of his uncles for that purpose; but as the translated copy of the Prince's letter regarding that subject appears to me obscure and rather incomprehensible, I shall expect by the next occasion from Your Honour the original Javanese letter itself in order to be translated here further, and at the same time information whether and what reasons there are that his request in that same letter to let his mother Pandjie Djaijengrono make a short journey from Sourabaija to Madura cannot be granted. My letter of 3 April 1772—stating that if the now deceased former first regent at Grissee Tinto Ridjo has any outstanding matters or debts with the Company, which however does not appear here or from the books and therefore needs to be reported by Your Honour by the next occasion, or if his estate is of any importance, Your Honour will need to have the same inventoried in the presence of two commissioners, the Administrator van der Niepoort and Translator Helmond, and the deceased's next of kin, and moreover to have the remainder distributed among the heirs From Java's East Coast, 31 December 1774 by priests according to Javanese laws and custom—contains thus, taken in its context and not arbitrarily shortened, nothing that conflicts with what was said in my latest separate letter of 8 October past: that I found Your Honour's letter to the Pangerang regarding the estate of the aforementioned bepattij Maas Aria rather precipitant, because I do not know on what grounds one should interfere with the estate, uncalled and unrequested, beyond taking care that nothing of it is embezzled, but that everything comes to the heirs; the less so when one considers that the former, having himself been a Regent, could have debts and arrears with the Company for which one had to provide, but that on the contrary the latter, as bepattij, has nothing directly outstanding or to account for with the Company. Which I cite and note here solely to show how arbitrarily one often seeks to distort the sense and meaning through abbreviation and interprets the words wrongly; and this being so, and being thereby unable to foresee what matters and how they may occur, I am also not in a position to prescribe to Your Honour everything necessary by instruction. With great pleasure I have perceived from the monthly papers that the Regents of Grissee, Sidaijoe, and Lamongang had fulfilled their rice contingents, but on the other hand it is not edifying that those of Sourabaija, contrary to duty, promise, and word, are again lagging behind; they, as also happens in the enclosed letter, as well as all the other Regents in the Eastern Salient who have not yet fully fulfilled their obligated deliveries, must be urged thereto by Your Honour with emphasis and seriousness, under presentation of the unpleasant consequences that the unwilling have to expect in order to set an example, those of Sourabaija, Passourouang, Banger, and Bangil having above all to take care that the rice which they still owe is delivered into the Company's warehouses at the latest before the coming New Year. And since private rice will apparently have to be purchased for the Company in the coming spring, Your Honour should in the meantime inform me how much and at what price can be collected and provided in the Eastern Salient before the month of March 1775. After greetings, I remain, was signed, Your Honour's good friend, was signed, I. R. van der Burgh, in the margin stood: Samarang, 14 November 1774.
Dutch transcription
lb7. 233 Van Javas oostkust den 31 december 174 om eene benting tot hun verblijf op te werpen maar oeloe„ pampang en Cotta moeten na dat alles wat tot deffensie die„ nen kon er uit en afgenomen zal weesen worden gesteld onder subatterne goede Jnlandsche hoofden conform het gee„ ne bij voorige reeds aangeschreeven en bepaald is Als er gelijk uwE: zegt, geen reden van bezwaar of be„ denking hoe genaamd tegen is mag ik wel lijden dat den Pamacassangs regent gepermitteerd worde zyn dalm te overplaatzen; maar het onderzoek der regenten van gris„ se onder welk district of van sourabaija of van Lar„ mongang de negorij soekoebendo van ouds heeft gehoord, in het minste niet voldoende zal uwE: een andere com„ missie tot dat onderzoek dienen te decerneeren op den guissees resident Domis en eenige Landkundige Jnlanders van meer oordeel en kennis als de grisseesche regenten in deze zaak tonen te bezitten terwijl de regenten die elkander de bezitting dezer negorij betwisten, ook zelfs opgeven moeten waar op zijn hun regt gronden Nu de ziekte van den Madurees bepattij Maas Ania geen kwaat gevolg gehad heeft en hij daar van weder hersteld is agte ik het niet nodig mijne gedagten om„ trent een ander bepattij bij afsterven van dezen cou„ den braven man te zeggen maar wel om bij gelee„ „gendheid de deel Van Javas oostkust den 31 december 1774. gendheijd en tijd den pangerang in perzoon daar over eens te onderhouden te meer wijl de prins zelfs niet scheint te melineeren om zoo lange Maas Aria Leefd een ander te ver„ kiesing en eeven min als ik het raadsaam vinde genegen is te defereeren aan uwE: voorstel om den zyner ooms daar toe te nemen, dan het copia translaat van des princen brief over dat supct: mij duister en vrij overstaanbaar voorkomende zal ik bij naaste van uwE: verwagten, de orgineele Javaansche brief zelfs om hier nader getrak„ lateerd te worden en teffens informatie of en welke re„ denen er zijn dat in zijn versoek bij die zelfde brief om zijne moeder Pandjie Djaijengrono van sourabaija en springtogtje naar madura te laten doen niet kan bewilligd worden Mijn schrijven van den 3: April 1772. - als den nu over„ „leden bevorens gewezen eerste regent te grissee Tinto Ridjo eenige uitstaande zaaken of schulden bij de com„ pagnie heeft dat egter hier of bij de boeken niet blijkt en daarom per naasten door uwE: diend te worden opgegeven dan wel zijne nalatenschap van eenig belang is zal uwE: dezelve ten overstaan van twee gecommitteerdens den admi„ nistrateur van der Niepoort en translateur Helmond en des overledenes naast bestaande dienen te laten in ver„ tariseeren, mitsgaders het overschietende onder de Erfgenaam naamen 189 Van Iavas oostkust den 31 December 1774 namen verdeelen door priesters na de Javansche westen en het gebruik= houd dus in zijn zamenhang genomen en niet wille keurig verkort niets in dat strijd tegen het gezegde bij mij Jongste aparte van den 8 october passato = dat ik uwE: schrijvens aan den pangerang opzigtelijk tot de nalatenschap van meer gemelde bepattij Maars Aria vrij pracipitant vond, om dat ik niet weet uit welken hoofde men zig /:ongeroepen en ongevergd:/ verder met de nalatenschap zoude bemoeien als met zorger te dra„ gen dat er niets van ontvreemd worde maar alles aan de Erf„ genamen kome te minder als men considdereerd dat de eerste zelfs regent geweest zijnde schulden en agterstallen bij de compagnie konde hebben waar voor men moest zorgen maar dat daarentegen den laatsten als bepattij niets direct met de compagnie uitstaande of te verantwoorden heeft 't geene ik hier eenelijk aanhaale en noteere om te doen zien, hoe eigendunkelijk men dikwils door verkorting de zin en meening tragt te verdraijen en de woorden ver„ keerd interpaeteerd, en dit zo zijnde en daar bij niet kunnen„ de voorzien welke zaaken en hoe exteeren kunnen ben ik ook niet in staat uwE: omtrent alles het nodige bij instructie voor te schrijven Met veel genoegen heb ik uit de maandelijksche . papieren ontwaard dat de regenten van grissee sidaijoe en over„ d deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 en Lamongang hunne rijst contingenten hadden voldaan maar daar en tegen niet stigtende dat die van sourabaija tegen pligt belofte en woord aan weder agterlijk blijven moeten zij gelyk ook bij de inleggende brief geschied zo mede alle de overige regenten in den Oosthoek die aan hunne ver pligt leverantie nog niet ten vollen hebben voldaan met nadruk en ernst daar toe door uwE: worden aangespoord onder voorhouding van de onaangename gevolgen die de onwillige om een exempel te statueeren te wagten hebben moetende die van sourabaija Passourouang Banger en Bangil voor al zorge dragen, dat de rijst die zij nog schuldig zijn uytterlijk voor nieuw Jaar aanstaande in 's com„ pagnies pakhuisen geleverd worde En dewijl er apparent in het aanstaande voor Jaar rijst voor de Compagnie particulier zal moeten worde ingekogt diend uwE mij intusschen op te geven hoeveel en tegen wat prijs in den oosthoek voor de maand Maart 175 zal bij een te brengen en te zorgen zijn Ik blijve naar groete /:onderstond:/ uwE goeden vriend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /: in marginestond:/ Samarang den 14 November 1774 opra
English
191 235 From Java's East Coast the 31 December 1774 Copy of a separate missive written by the undersigned Governor at Samarang to the Senior Merchant and Authority at Sourabaija, Mr. Pieter Luzac, the 23 December 1774. After the dispatch of my latest separate letter to your Honor of 14 November, your Honor's letters of 17 and 30 November, 10 and 17 December, with their enclosures, having been well delivered to me, I note in reply my wish and expectation that the field mice, which according to the first letter had appeared in the districts of Sourabaya, Passouuruang, Banger, and Bangil without having done further damage to the crops, will have already disappeared, since nothing further appears in your Honor's later reports regarding this matter. The report of the commissioners who determined the borders between Eastern and Western Balemboangang and surveyed the special districts in the latter, along with your Honor's considerations thereon, which are due to depart for Batavia shortly, we must await the approval of Their High Excellencies thereon, as well as regarding the expedition to be made to Noessa, which I nonetheless trust will proceed in March or April next, provided only that the the part From Java's East Coast the 31 December 1774 the arriving ships bring some military personnel. That in the Balemboang region the relocation from Oeloepampang and Cotta to Banjoewangie had taken effect with the Company's servants, effects, and further equipment, along with the Regent Wiero Goeno, was agreeable to me, not doubting that the forts at Oeloepampang and Cotta will since have been demolished and, in contrast, the buildings in the new fort at Banjoewangie are completed solid and strong, and that as soon as possible work will also be taken in hand on the fort near Pakkum to get the work done quickly and to relieve the Company of the costs which it has had to bear for so long already and still has to bear for the craftsmen and battoors; whereafter I shall also await the considerations promised by the Resident Schophoff in his letter of 26 November last as to what will further need to be done to secure a tranquil seat for the Company there and thereabouts. Still awaiting the settlement of the dispute between the Regents of Sourabaija and Lamongang concerning the negorij Soekoebendo, and intending to express my views later regarding the purchase of rice by the Company if it becomes necessary; the Radeen Aijoe, widow of the late 3: 237 From Java's East Coast the 31 December 1774 the Panembahan of Madura, must anew be entirely dissuaded from her intention to cross over to Balemboangang, since Their High Excellencies, as appears from the enclosed extract from Their High Excellencies' much respected missive of 26 April 1774, judge the presence of this woman there, at least for the present, not advisable. In order to keep Gustij Moera Djambi of Balij Badong in a good humor, or at least to give no cause for offense, I authorize your Honor to accommodate him, not outside the expense of the Company, with the requested caijoe pelhet, the rendit, and a prauw maiang, but above all no larger vessel. Being of the same mind as your Honor that Malang's Regent Cartanagara can manage well with one Bepattij, Singo Djoijo, who appears in his letter as second Bepattij, shall have to continue serving alone as such, and it will be best to send Wiro Joedo, together with Bappa Sebo, hither, which regarding the latter may even be done in custody, if he is essentially such a subject as he is described in your Honor's latest letter of the 17th of this month. After greetings, I remain, was signed, your Honor's good friend, was signed, J. R. van der Burgh, in the margin: date as above, lower: P.S. The monthly papers of the part From Java's East Coast the 31 December 1774 Before reading: G. V. VenMeer of Balemboangang, and among them the once and for all required monthly strength of the native military personnel, are still expected here, while I also await to learn how far they have progressed there with the overdue trade work, and also still awaiting the receipts, already required in the separate letter of 30 July, of the Regents of Passohouang, Banger, and Bangil for the paid rice, buffaloes, and cattle which they have supplied since 1767 to the Company's garrison at Malang, together with a statement of the necessities that henceforth will need to be provided monthly directly at the expense of the Company. Below stood: Agrees. Was signed: J. R. van der Burgh. For the collation: de Elwijk 195. the part Secret Incoming Letter Book 2nd Volume of 1775 Second volume Received Secret Letters and Enclosures from Banda From 1 May to the last day of September 1775. Checked for the Junior Merchant Weijerman A. Register of the Secret Letters and Enclosures received from Banda. From 1 May to the last day of September 1775. Missive from the Governor Pelters to Their High Excellencies dated 26 August 1775. Page 1. A letter answered in the margin by the Governor from the Waijers Resident Candop dated 14 August 1775. Page 29. A report from the Fiscal Verspijck regarding the Javanese rebels and the remaining other bandits on Rosingain. Page 43. Three extracts, written one after the other, from the letters of the Waijers Resident Candop dated 26, 28, and 29 July 1775, containing some accusations laid against the Rosingain postholder; and refuted by him, the postholder. Page 46. of Page 1. ƒ x 239 Batavia. of Secret Letters and Enclosures from Banda From the first of May to the last day of September 1775. To His High Excellency, The High Noble, Wide-Ruling Lord Petrus Albertus van der Parra, Governor-General, Together with The Honorable, Highly Respected Lords Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Wide-Ruling Lord and Honorable, Highly Respected Lords, Through the manifold tokens of favor fully convinced of your High Excellencies' concern over the increasingly worrisome condition of this costly
Dutch transcription
191 235 Van Javas oostkust den 31 December 1734 Copia aparte Missive geschreeven door den ondergeteekende Gouverneur te samarang, dan den opperkoopman en gezaghebber te sourabaija M=r Pieter Luzac den 23 xber: 1774 Na d' afzending mijner Jongste aparte aan vwE: van den 14:' November bij my wel aangebragt zynde uwE: brieven van den 17 en 30 November 10=e en 17=e december met dies Bijlagen noteere ik daar op in antwoord mijn wenscht en verwagting dat de veldmuisen die volgens de eerste brief zig in de districten van sourabaya Passouuruang, Banger en Bangil vertoond hadden zonder verdere schade aan het gewasch te hebben ges„ daan reeds zullen verdweenen zijn om dat bij uwE: Latere ad„ „vijsen des wegens niets nader voorkomt Het rapport der gecommitteerden die de grensen tus„ schen ooster en wester Balemboangang bepaald en de bezondere districten in het laatste opgenomen hebben nevens uwE: con„ sideratien daar op eerstdaags naar Batavia staande af„ te gaan moeten wij het goedvinden Hunner Hoog Edelhe„ den daar op zoo wel blijven in wagten als tot de te doene Expeditie op Noessa die ik egter vertrouwe dat in Maart of april aanstaande voortgang hebben zal als maar d de deel Van Iavas oostkust den 31 december 1774 de uitkomende scheepen eenige militairen komen aan te brengen Dat in het Balemboangsche de verhuising van oe„ loepampang en Cotta naar Banjoewangie met 's compa„ gnies dienaaren effecten en verder omslag nevens den regent wiero Goeno effect gesorteerd hadt was mij aangenaam niet twijffelende of de sterktens oeloe pampang en te cotta zul„ len sedert gedomolieert en daar en tegen de gebouwen in de nieuwe sterkte te Banjoewangie segt en sterk geabsol„ veerd weezen mitsgaders zoo dra mogelijk ook onder han„ den genomen worden de sterkte bij Pakkum om haast gedaan werk te krijgen en de Maatschappij te ontlaasten van de kosten die zij nu al zoo lange en nog te dra„ gen heeft van de ambagtslieden en Battoors; waar na ik dan ook zal te gamoete zien de door den resident schophoff bij zijn brief van den 26 November Jongst leeden beloofde consideratien wat verder zal dienen te worden gedaan tot een geruste zeet voor de compagnie daar en daar omstreeks De afdoening van het geschil tusschen de regenten van sourabaija en Lamongang over de negorij soekoebendo nog te gemoed ziende en over de inkoop van rijst van de com„ pagnie zoo het nodig word mij in het vervolg zullende verklaaren; moet de Radeen Aijoe weduwe van wijlen den 3: 237 Van Javas Oostkust den 31 December 1774 den panembahan van Madura de novo geheel gediverteerd worden van haar voornemen om naar Balemboangang over te gaan, alzoo Hunne Hoog Edelheden, blijkens inleggend Extract uit Hoogst Derzelver veel gerespecteerde missive van den 26„e April 1774. de tegenwoordigheid van deeze vrouw aldaar, ten minsten nog voor eerst niet raadsaam oordeelen Om Gustij Moera Djambi van Balij Badong in een goeden Luim te houden ten minste geen reden van offen„ sie te geven, qualificeerenk vwE: om hem niets buiten Lasten van de compagnie te gerieven met het verzogte caijoe pel„ het Rendit en een prauw maiang dog voor al geen grooter vaartiig Met uwE: van gedagten zijnde dat Malangs regent Car„ tanagara het met een Bepattij wel stellen kan zal sin„ go Djoijo (: die bij zijn briev als tweede Bepattij voor komt:/: als zodanig allene moeten blijven fungeeren en het best weezen wiro Joedo nevens Bappa Sebo her„ waards te zenden dat zelfs van den Laatsten wel.- in verzekering mag zijn, als Hij wesentlyk zodanig een subject is als hij bij uwE: jongste van den 17: dee„ ser schreeven word Ik blijve naar groete /:onderstond:/ uwE: goeden vriend /:was getekend:/ I: R: van der Burgh /:in margine :/ dato voorschreven /:lager :/ P: S: D: Maandelijksche papieren van oe deel Van Javas oostkust den 31 december 1774 Voor het opleezen G: V: VenMeer van Balemboangang en daar onder de eens voor altijd gerequireerde maandelijksche sterkte den Jnlandsche militairen word hier nog te gemoed gezien terwijl ik ook wagte te vernemen hoe verre men daar met het ag„ ter stallige Negotie werk gevorderd is en mede nog te ge„ moete ziede al bij aparte van den 30 Juli gerequi„ reerde quitantien van de regenten van passohouang Banger en Bangil de voor de betaalde rijst Bussels en koebeesten die zij sedert 1767 aan 's compagnies bezet„ ting te Malang hebben geleverd nevens eene opgave van het benodigde dat voortaan maandelyks direct ten Lasten van de Maatschappij zal dienen te worden verstrekt /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ I: R: van der Burgh Voor het Nazie de Elwijk 195. de aeel Secreet Inkomend Briefbock 2 Deel van 1775 Tweede deel Ontvangene Dicrete Brief en Bijlagen van Banda Zid. p:o Mai tot ult:o 7ber 1775. Nagizien voor den onderk: Weijerman A. egister der Secreete rief en Bijlagen ontvangen Banda. Zed. p:o Mai tot ult. 7ber 1775. Missive van den heer Gouv. Pelters, Aan Hunne Hoog Edelenden ged. 26. aug. s 1775. .. Een Inmargine door den Gouv. beandwoorde brief van den waijers resident Candop gedateerd 14. Aug=s 1775. — - - - - - - - - - „ 29 Een Berijt van de Fiscaal verspijck nopens de Javaan„ „sche ubellen en de overgebleevene andere banditen op Rosingam. . . . - - . „ 43 Drie Extracten, agter den anderen geschreeven, uit de brieven van den waijers Resident Candop ged: 26 28. en 29. Iulij 1775. houdende eenige beschuldigingen den Rosingains posthouder ten Laste gelegd; en door hem posthouder wederleyd „ 46. van Zag. 1. ƒ x 239 Batavia. van Secrete Brief en Bijlagers Banda Zed. primo Mai tot ultimo Jber. 1775. — Aan sijn Hoog Edelheijt Den Hoog Edelen wijdgebiedende Heere Petrus Albertus van der Tarva Gouverneur- Generaal Benevens De wel Edele Groot Agtbare Heeren Raden van Nederlands Jndia Hoog Edele Wijdgebiedende Heer En Wel Edele Groot Agtbaren Heeren Door de valderhande gunst bewijsingen ten vollen overtuijgst van uw Hoog Edelheeden aandoenning over de toenemende sorgelijke toestant van dit dier
English
precious interests, so it was also all the more desirable that the silently approaching ruin of country and people could be prevented by sufficient resources, coupled with all conceivable human vigilance, or, to speak more properly, be directly and powerfully supported by the Noble and Highly Honorable Gentlemen Mayors, in order that, with the hoped-for cessation of the volcano and thus also with the ending of the ruins caused by its very activity, a notable change for the better might be firmly established in the principal parts. Meanwhile, affairs from all sides remain just as desperate, the increase of burdens unavoidable, the growth of profits uncertain, and the interests of the Company in general of such a desperate aspect, that without a prompt, sufficient relief force of men, authorized and sent by Your High Mightinesses, there will ultimately remain neither counsel nor means for salvation. From Banda Neijra, the 26th of August 1775. 241. From Banda Neyra, the 26th of August 1775. What can it avail to be surrounded with many castles, forts, redoubts, and batteries; what can it help to lack neither artillery, nor ordnance stores, nor troops, nor powder and lead: when the principal instruments for both must be missed, I mean men, needed to the highest degree, and yet missing to the uttermost extreme, which creates the greatest danger, and from which the greatest inconveniences must be expected. For had I only touched upon this superficially in the general description, I must all the less neglect to bring clearly to light the inconveniences attached thereto, by the following specification. Nassauw is mounted with 8 heavy cannons, contains the provision magazine, etc., and yet the main guard consists only of 1 officer 1 sergeant 2 corporals 2 pipers and drummers, and 7 privates. Of these, the sentries are reduced by day to 4 and by night to 6, or half as many as are required for a sufficient garrison. Belgica Mounts 48 cannons of various types, is the storehouse of the gunpowder, and in total is manned with 1 officer 1 non-commissioned officer 1 drummer, and 7 privates. Of these, one sentry is on duty by day at the lower bastion near the bell, and with its withdrawal, two by night on the upper works. Since this mountain castle is not provided with any ditch, From Banda Neijra, the 26th of August 1775. 243. From Banda Neijra, the 26th of August 1775. although with Your High Mightinesses' permission it could be made at little cost, a bold native or slave can easily climb the lower points, stripped of men, with a small stick or bamboo pole, and disable all the cannon placed there without any of the sentries on the upper posts being able to see or hear what is being carried out below, following what happened in the year 1764, when it was found that the cartridges had been removed from the loaded cannon in the lower forts, the powder taken out, and the paper scattered everywhere, without ever having discovered by whom and in what manner it had happened. And although that guarding for a long series of years might not have been arranged otherwise, as if to say that no apartment was ever made near or around the gate of the lower bastion for the shelter of some military men, what shall I nevertheless order, but that before long a solid tiled lean-to be constructed at that place, in order to have the lower fort watched by night as well, even if I should have to use some faithful native servants until such a noteworthy defect can be rearranged in another, more secure manner. De Voorsigtigheijt Has 16 cannons of 18, 12, and [illegible] lb caliber, but no more personnel than: 1 corporal 2 soldiers 1 gunner, furthermore, by day and by night only a single sentry; consequently, in accordance with the dispatch concerning the resolution of 28 March 1767. And as for the distressing incident mentioned above regarding the theft From Banda Neijra, the 26th of August 1775. 245. From Banda Neijra, the 26th of August 1775. of the cartridges from the heavy artillery. But let me not weary Your High Mightinesses' attention with pointing out the condition of the remaining fortifications; let me declare here in one line the notorious precariousness regarding the uncommonly weakened garrison, and how besides the three capital batteries: Hollandia and Overen, Reverque and Poelorhun, Waijer and Rosingain, De Morgenster and Den Briel, Laoetange and Lacquooij, which altogether are mounted with fully 200 pieces of cannon, they contain over the whole only 120 common soldiers, who, moreover, because of their dispersal in any unexpected event, can supply only a very deficient detachment, as recently was the case with soldiers sent to Rosingue; during the writing of this, I had to grant Captain Crassauw permission to leave the men at Castle Nassauw on guard without relief. 7.
Dutch transcription
dierbare oonynest, soo was het aan ook des te wen„ schelijken dat de stik aannadeerende ondergang van landen volk door voldoenende hulp middelen ge„ paart met alle te bedenkene menschelijke sorgdra„ gentheeden konden geprevenieert op om eijgentlijken te spreeke door de Edele Hoog agtbare heeren Ma„ Jores direct soo kragtaadig onderstunt worden omme bij Een te hoopene stilstand van den vuurberg en ous ook met ophoudinge der ruinense ii't werk selven van dien, inde voornaemste gedeeltens Eene „merkelijke verandering ten goeden vast te mogen stellen onderwijlen blijvende saken van alle kanten even desperaat de vermeerdering der lasten onver„ mijdelijk, het toeneemen der winsten onseeker, ende belangens der maatschappij in 't generaal van sulken desperaten aanschouw, dat sonder een sporedig, toe„ rijkend en door uw Hoog Edelheedens g'adroneer„ „de noodwindig ontret van manschappen, ten laet„ sten nog raad nog middel tot reddinge sal restenen Van Banda Neijra den 26: Aug=s 1775—. wat # 241. VVan Banda Neyra den 26: aug=s 1775. Wat kan het aan baaten met veele casteelen forten redonten en batterijen omringst te zijn. wat kan het helpen nog aan geschut nog aan artillerijs goe„ deren nog aan tropenen nog aan kruyst en lood ijts te ontbreeken: daar de voornaemste admini„ „len tot het een en ander moeten gemist worden ik meen manschappen tot bij den hoogsten benoodigt en egter in bij den uijtersten manqueerende huizen rendeert de grootsten gevaarlijkheijt en hier uijt moeten de grootste inconvenienten verwagt worden want hadde ik sulks inde gemeene be„ schrijving oppervlakking aangehaald nog minder mag ik nalaten de daar aan verknogte ongelegentheeden alhier klaar den in het ligt te stellen door de te volgene specialisatie Nassauw is gemonteerd met ag p„s swaare canons bevat de provisie maguazijn &=a en egter bestaat de hoofd„ wagt allerlijk in't Een 1: offecier 1: sergeant 2 Corporaals 2 pyper en tamboers en 7 gemeene van deese sijnde schildewagten overdag tot 4 en bij nogte tot 6 ingetrocken off halff soo veel als bij Een toerijkend guarnisoen benodigst sijn Belgier Voerst 48 p„s Canons in soorten, is de bewaar plaatse van het buskryt, en in het geheel bemanst met 1: offecier 1 onderofferiers 1 tamboor en 7 gemeene Daar van een schiedwagt sdaags op het onder bolwerk bij de klok, en met dies intreckinge snagts twee op de boven werken Dewijl nu dit berg Casteels van geen gragt Van Banda Neijra den 26: aug=s 1775— voor 243. Van Banda Noijra den 26: aug=s 1775- voorzien is schoon onder uw Hoog Edelheedens verloffe met weijnig kosten temaken soo kan Een stoutmoedige inlanden off slaaff de van volk ontblote beneden punten met een klijne stok ofte bamboes Jaer gemakkelijk beklin men en al het daar geplaatste Canon onbe„ quaam maken sonder dat Eene der schild„ wagten op de boven posten sien nog hooren kan watter beneden uitgevoerd noord, na het g'egteerde mnanno 1164 toen men bevonden ge„ had heeft de cardoes uyt het geladen schut inde beneden fortren gehaald het kruijst uijt genomen en het papier aller weegens ver„ strooijt te zijn geweest sonder ooyt te hebben ontdekt door wie en op wat manier het geschiet was. En ofte schoon die bewakinge sedert Een lange reeks van Jaeren niet anders geschikt soude geweest syn quasie om resten datten nooijt Eenig appertement bij off omtrend de paart poort van het beneden bolmerk tot lijkberging van Eenige militairen gemaakt wat sal ik egter bee„ len laat als in het geheel met eerstraags op die plaatste een hegt pannen affdak vervaardi„ gen, ten eijnde ook bij nagte het onder fortres te doen bemoaken, al soude ik heeten Eenige ge„ trouwe inlandse domestigen moesten gebruiken tot soo lange sulken aanmarken waardigen de„ fest op Eene andere semnre wijze kan worden herschikt de voorsigtigheijt Heeft 16 Canons van 18. 12 en lb Calibes maar aan volk niet meer als. 1 Corporaal 2: soldaaten 1 busschuten voorts en over aag en sdragts maar een enkel„ „de schildwagt bijgevolge mitte versondene het ter resolatie van 28 maart 1767: verhandelde En wat het hun boven vermelt gelijk stan„ dige verdrietig voorval in het besteden Van Banda Neijra den 26: aug=o 175- der 245. van Banda Neijra den 26 aug=s 1775— der werdoese uijt het swaar geschut Maar laat ik uw Hoog Edelheedens aandagt niet verveelen met de aan„ te wijzene naar gesteltenisse der verdere vastigheeden laat ik hier met een regel verklaaren de notoire bedenkelykheijt omtrend het ongemeen verswakte quar nnsoen, en hoe behalven de drie Capitale beukerijen Hollandia en oreren reverque en poelorhun Waijer en rosingain de morgenstin en denter laoetange en lacquooij Drie mot haer aller met ruijm 200 p„s Canons ge„ monteers sijn, over het geheel maar 120 gemeen mili„ tairen bewatten dewelke daar te boven door hunne verdeeltheijt by Eenig onverwagt voorval Een zeer gebreeken detachement konnen uijtleveren gelyk onlangs met waere tot solaaten na rosingue hebbende ik onder het schrijven deses den erpitain Crassauw moeten inwilligen om het volk ten Cas„ tede Nassauw sonder affwesseling op de wagt te laten 7.
English
to let continue until such time as the men lying in the hospital shall have recovered. Of no less concern is the point separately concerning the Park Keepers. It is they who will no longer be able to bear the heavily pressing, chained vicissitudes according to what the general description mostly contains; but for a clearer comprehension of this, it will be permitted to me ex officio, without disguise and without reservation, to argue here that they are on the verge of turning to utter despair if the energetic support granted by Your Right Honorables, consisting solely in the price increase of mace, is declined unconditionally further away. In my separate letter of the 19th of August 1772, I had demonstrated on unassailable grounds a wretched general decline, accumulated since the year 1740, of more than 194,753 rixdollars. From Banda Neira, the 26th of August 1775. From Banda Neira, the 26th of August 1775. By secret missive of the 15th of August 1773, a new deterioration was pointed out by me of 12,420 rixdollars in less received spice monies and the loss of slaves. By separate letter of the 28th of August 1774 was demonstrated a still further decline of 11,125 rixdollars on the three just-mentioned articles, adding the new debts of 14,000 rixdollars for 328 purchased slaves. And continuing this weighty matter here, one must look: Firstly, at the less received nutmeg money to the sum of more than 2,000 rixdollars; Secondly, at the loss of 161 slaves, which by purchase cost 6,400 rixdollars; Thirdly, at new debts of 5,720 rixdollars for 143 purchased slaves. And From Banda Neira, the 26th of August 1775. And these three items, to the amount of 14,005 rixdollars, added to the deficit of the two preceding years, one then finds a new outstanding balance to the sum of 51,580 rixdollars, among which 16,845 rixdollars must be noted as new debts and 34,705 rixdollars as actual losses. Considering this great deterioration alone, the incidental inability to liquidate the interest to be paid with the spice monies presses them much more sorely; indeed, an indisputable shortfall of the remaining land produce for the maintenance of slaves and the provision of their own bodily necessities causes all to complain and lament without ceasing, as well as to sigh day and night for the desired moment when the proposal granted from the Fatherland by Your Right Honorables shall be made known to them, especially considering that besides the aforesaid heart-rending From Banda Neira, the 26th of August 1775. rending hardships, the impoverished park keeper can hardly collect as much through borrowing to maintain solely the nutmeg kitchens in good condition, while their dwelling houses and fences must be left without repairs, no matter how necessary. So that this favorable consent is and remains the great matter upon which everything depends, for the good on the one hand and reciprocally to the detriment on the other side, notwithstanding that it must hitherto still be considered a singular favor that Your Right Honorables are pleased to let the rice continue at the civil price of 20 rixdollars per last, for the reason that the impoverished park managers thereby enjoy this advantage, that of the received 30 pounds per head per month they distribute only 20 pounds, and exchange the remaining 10 pounds with the native for 20 pounds of sago, in addition to some small household necessities, and this traffic at the same time From Banda Neira, the 26th of August 1775. time has the beneficial effect that the inhabitants of the lower class are satisfactorily provided with rice at 35 to 38 rixdollars per last; and since the rice sellers collectively make not the least complaint about small profits nor about deficient sales, it is likewise most advantageous for the Company in the event that the Javanese traders have shown no desire to make use of the advantageous offers tendered here, the more so as I would not have been able to devise any possibility to dispose of their import without great loss at the payment of the 50 rixdollars determined by Your Right Honorables, in a rice region where white rice is sold at no more than 45 rixdollars the last. I suppose, therefore, that the absence of the Javanese traders, besides what has just been stated regarding the general unhindered trade, will encourage the Bandanese to undertake the import of new rice in large From Banda Neira, the 26th of August 1775. large quantities, principally if through the powerful ordinance of Your Right Honorables the prices in eastern Java are determined not to be too dear specifically for Banda, and that the Bandanese may be provided as soon as possible; for far from making any reliance here on the advance of funds by the park keepers, I shall now, that my stay has been extended in such gracious terms, very gladly provide assistance, in no way as a copartner, but at the customary interest of 3/8 percent per month; indeed, I shall double my means in this regard with all cordiality, it being a pity that the enterprise of this year, for these reasons, should fail. I therefore pray Your Right Honorables to suspend the previous year's orders to the Lord Governor of Java, at least until such time as the desired outcome of this enterprise can be known, and in such case I make bold to add here the humble supplication, in case of need
Dutch transcription
laten continueeren totter tijd dat de in het hos„ pitaal leggende manschappen sonden sijn herstelt Van geene mindere bekommernis is het po„ mit de Perkeniers aff sonderlijk betreffende deese sijn het die de swaar drukkende aan Een ge„ schakelde wisselvalligheeden niet langer sullen konnen torffen na het geene de gemeene beschrij ving ter meerendeele contineert, maar tot wel„ kers klaardere bevatting het mij sal vergunt sijn amptschalven sonder bewimpeling en sor„ der agterhoudentheijt alhier te arqueeren dat sij lieden tot de uyjterste wan hoop staan over te helben wanneer het door uw hoog Edelheedens toegestemde kragtaadige support alleenlyk in de prijs verhoging van de foelie leggende ongeslooten vader heen gedeclineert word. In mijne aparte letteren van den 19 augustus 1772 hadde ik op onbackbare gronden vertoogd, Eene sedert het jaar 1740 misselijk opgeklommene algemeene agter uit te ring van ruijm 194753 id=s Van Banda Neijra den 26 aug=s 1775 — Ter 1 ƒ 247. van Banda Neyna den 26:' aug=s 1775 Ter seireete missive van den 15 aug:s 1773 was door mij aangeweesen Eene nieuwe veragtering van 1 12420 rd=s aen minder ontfangene specerijen gelden en het verlies van slaven Bij aparte brief van den 28 augs 1714: mint gedemontteert Eene nog nadere terugteering van 11125 rd„s op arie ton so Even genoemde articulen bijgevoegd de nieuwe schulden van 14000: rd„s over 1 328: ingekogte slaven, En drie gewigtigde materie alhier vervolgende moet gestaroogst worden Eerstelijk op het mindere ontfangen notengeld ter somme is van ruim 2000: ad„s Sweedens op het verlies van 161 slaven drie inkoops hebben belooven 6400: rd=s derdens op nieuwe schulden a 5720: rd„s over 143 aangekogte Slaven En Van Bandaseyjra den 26 Aug=s 1775— En dese drie posten ten emporte van 14005 rd=s g'addeert by het nadeelige van de twee voor app„ gegane Jaeren dan bevunt men een nieuw saldo ten agteren ter somma van 51580 rd:s daar onder„ 16845 rd=s als nieuwe schulden en 34705 rd=s. als wesentlijke verliesen moeten worden aenge„ merkt Deeze groote veragtering alleen beschouwt, is het accessoir onvermogen om met de speierijen gelden de te betalene renten te liquideeren drukt haer nog veel gewoeligen ja Eene onbetwist bare te kort schieting der overige lands pro„ ruiten tot onderhout van slaven en het bezor„ gen van eijge lighaams benodigtheeden doet alle klagen en kermen sonder ophouden mitsgaders dagt en nagt sugter na het gewenscht oogen„ blik, dat de uijt het patria toegestemde voor dragt uwer hoog Edelheedens haer lieden sal worden verwittigt, temeer nog in Considera„ tie genoomen dat behalven de voorsg hert roerende 154 249 van Banda Neijra den 26 Aug=s 1775— roerende ongelegentheeden, de onbemiddelde perke„ nier naauwlyks soo veel met leenen konnen ver gaaren om alleenlyk de nooten combuyzen in goede staat te onderhouden moetende hunne woonhuijsen en bepaggeringe sonder reparatien schoon nog soo noodwondig gelaten worden soo dat die favorabele toestemming de gro„ te saak is en blijft daar alles van affhangel ten goeden aan de Eenekant Eeerg recipraque ten nadeele aan de andere syde mits tegenstaende het aus verre nog voor Eene singuliere gunst moet geconsidereert woorde dat uw hoog Edel„ heedens de rijst op de oivile prijs van 20 rd=s perlait geliefen te laten continueeren ter sake de slegt bemiddelde pak beheerders hier door dit voordeel genieten datse van de ontfangene 30 lb: per kop smaands maar 20 lb ronddeelen en de overige 10 lb. bij den inlander voor 20 lb: sagoe venruylen, beneevens nog Eenige klijne huysselijke benodigtheeden en dese trogten heeft teffen Van Banda Noyra den 26=' aug=s 175 — teffens het voordeelige intwerksel dat de ingestorne van de aer de classe van ryst tegens 35 â 38 rd=s per last ten genoegen voorzien worden, daar nu de gesamentlijke ryjst verkoopers nog over geringe winsten nog over gebreekige vertier het minst be„ klag doen soo is het voor de Compagnie meede avantagiensten in 't gevallen dat de Javase hande„ laars geen lust betoond hebbe van de heer aangebodene voordeelige aanbiedinge gebruikt temaken te meer ik geene mogelijkheijt soude heb„ ben konnen bedenken omme haer lieden aanbreng bij betalinge van de door uw hoog Eds bepaalde 50 rd„s sonder groot verlies van de hand te sette in Een Lyst strip, dat de witte rijst niet bo„ ven al 45 rd:s het last verdebiteerd wordt. Ik supponeere dierhalven dat het agter blijven van de Javase trassiquanten beneevens het geene soo even wegens de algemeene onbelemmerde ver„ tier geprofereert is de Bandasen sal aan„ moedigen om te aan te brengene nieuwe ryst in groten 251 van Banda Neijra den 26 Aug=s 1775 — groten quantiteyten te begryppen ten principalen als door de vermogende ordonnantie uwer hoog Edel„ heedens de prijken ter Eerste Java bepaaldelyk voor Banda met al te duur ingesteldt, en dat de Bandaneesen ten spoedigsten mogen voorzien worden want verre van hier Eenige staath maken op het verschot van gelden door de perkeniers soo sal ik nu dat mijn verblijft in sulke gratiense be„ woordigen verlengd is seer gaarne bystand pres teeren geen sints als meede participant maar tee gens de ordentelijke intrest van 3/8 ten hon„ dert smaends Ja ik sal mijne vermogens hier omtrend met alle hertelijkheijt verdubbelen sun„ de dat de onderneeming van dit Jaar aan dese redenen dat ik. uw hoog Edelheeden bidde de voorjarige beveelen aan den heer Javas Gouverneurs te surcheeren, mines tot soo lange aen gewenscht uitslag van deese onderneeming sal konnen bedeelt worden, en in sulken geval verstoute mij heer bij te voegen de demoedigen supplicatien omme der noods
English
From Banda Neira the 26th of August 1775 if necessary, to permit a single vessel with the most cargo space to make a direct voyage to Java around the month of October in the very same manner that Your High Noble Lords were pleased to grant in favor of the Javanese traders. Permit me further, High Noble Lords, to remark that in case of the price increase for mace, all present temporal favors may safely be revoked and rearranged on the former footing without this being able to cause any new movement, grievance, or lawful objection; for, through that price increase, the currently so desperate circumstances of the perkeniers are not only poised to acquire a favorable outlook immediately, but must also gradually turn into advantageous prospects according to the degree that the Almighty pleases to bless them with marked harvests. In support of all this, I present the following calculation: The deliveries of mace, after deduction of the tithe, being determined at 600 suckels or 102,000 lb., amount in money at 12 stuivers per pound to a capital of rd:s 25,500:-:-. As of ult:o August 1775, the loans were 280,000 rd:s, thus in one year at interest the sum of rd:s 12,600:-:-. Which, being deducted from the mace money, leaves a remaining amount of rd:s 12,900:-:-. If the rice is now charged at 30 rd:s instead of twenty rd:s, they would have to pay more on 400 lasts, rd:s 4,000:-:-. And remaining over from the mace money after this is the sum of rd:s 8,900:-:-. So that this surplus, added to the nutmeg money as well as the other local products, could for the present very conveniently cover all other payments for slave expenses, personal upkeep, and improvement of the lands; and, without dwelling much upon the certain probability of a progressive recovery amid the terrifying fury of the volcano, the conclusion is thus drawn that the major matter concerning the impoverished perkeniers would be completely settled by the price increase of the mace. Yet, if it is also certain that the perkeniers are restored in that manner, and if it is beyond all dispute that they can claim no greater favor from the Sovereign, it is no less clear that the Company's servants are in no way benefited thereby; on the contrary, they would be doubly unfortunate if Your High Noble Lords' compassion over their sad existence were not coupled with a generous concession to let them enjoy, without exclusion, the required rice for their households at the current price of 20 rd:s. This precious favor would also obligate them to perform the master's service with redoubled zeal and accuracy. Herein consists my most humble petition, and I would by no means presume to make this repetition if any other means outside the Company's assistance could be devised and successfully realized for the improvement of all circumstances in this impoverished conquest. Regarding the recommendations concerning the prohibited trade in the southwestern regions, I refer most respectfully to what is dealt with in the general letter. While looking with particular regard upon the subjects nominated for Your High Noble Lords' precious favor, death has already made another arrangement regarding Koutenberg, and, as I fear, Stageman will not last long either, for his fatal chest ailment necessitates the humble request that a capable clerk, who can also successfully assume the duties of trade bookkeeper, be employed for that purpose. It is also for these reasons that I ask Your High Noble Lords' pardon for my intercessions of last year, which were by no means an intentional violation of the instructions from the Fatherland, but stemmed primarily from an intertwined interest of the Company in the good qualities of those two subjects. Furthermore, always remaining attentive to the strictly commanded intelligence whenever anything of the English enterprise might be heard, as a sequel to what the Governor of Ternate communicated in detail by letter of the 20th of November 1774, I must remark in my own words upon what is treated in the secret letter of the Governor of Ambon, dated 10 October of the same year, that the singular statement of the Mandarese Sabdoe mentioned therein provides a very weak argument for proving that a quantity of nutmegs was disposed of two years ago by the people of Kilmuri, as he did not see this in person but heard it told by another; and whereas all accounts of that nature with reference to Banda have thus far consisted of unproven assertions without anyone having been able to prove a single attempt in accordance with the requirement of law, I firmly trust that Your High Noble Lords will be all the more pleased to give credence to my sincere assurances that all conceivable vigilance by water and by land is maintained to render such smuggling impossible in these regions. The thread of my humble response to Your High Noble Lords' highly esteemed separate letter of the 24th of November 1774 having thus ended, there remains one more point to expand upon, having as its subject the bloody incident on the island of Rosengain, though detailed extensively in the general descriptions, yet under the same
Dutch transcription
Van Banda eijra den 26: aug=s 1775 — noods een enkeld vaartuijg van de meeste ruijmte tegens de maand october direct na Java te mogen laten reijs vorderen op die selffde manier als uw hoog Ed:s tot faveure der Javase handelaars hadden gelieven toe te staan vergunt mij hoog Edele heeren verders nog temo gen remarqueeren dat bij smees der prijs verhoging van de foelie alle de tegenswoordige temporeele gunsten gerustelijk mogen ingetrocken en op den voormoligen voet herschikt worden sonder hier meede Eenig nieuw monvement beklag rogts gemo„ te konnen veroorsaeken want daar op die prijs verhoging de tans soo desperaat geschapene omstandigheeden der perkeniers een goed aspect al aanstonds staen te bekomen niet alleen maar ook al gaande weg in voordeelige voor in't sigten moeten veranderen na mate aat den allerhoogsten haer met getekende gewassen gelieve te begenadigen soo allegueere tot Een te ander de onder staende bereijkening De leveranten van foelie na afftrek van de thiende #. 253 Van Banda Neyra den 26: aug=o 1775 — thiende op 600 soekels bepaald sijnde 102000 lb: — somment in gelde tegens 12 stuijvers het pond Een Capitaal van - - - rd:s 25500: —: — onder ult: ang 1775 sijn de beleeningen groot geweest 280000 rd„s ous in Een Jaer tegen op aan renten de somma van - - - rd„s 12600: —: Dewelke van het foelie geld affgetrocke, dan res„ lant een bedraagen van rds 12900: —: Indien nu d' rijst in steede van twintig rd:s beeekenes word tegens 30 rd:s soo souden sylieden op 400 lasten meerder moeten betaald rd„s 4000:— En hier op van het foelie geld nog over schie te de somma van rd„s 8900: —: Invoegen dit snoplus gevoegd bij het nooten geld bene„ vens de verdere lands productie hier meede voor Eerst alle de overige betalingen van slaven ongel„ „den selfs onderhoud en verbeetering der landerigen seere Commodius koomen gevonden worden en sonder veel op tehaalen van de sekere apparentie tot Een toeneement herstee bij de appreemende woede van den Van Banda Neijra den 26= aug=s 1775— den vuurberg word de comlapie aldus genomen dat de grote saak met betrecking tot den verarm den per„ komers door de prijs verhoging der foelie een volkomen beslag soude erlangd hebben Maar is het aan ook seeker dat de per„ keniers op die wijse geretablisseert worde en is het buyte alle contestatie datse geen gro„ ter gunst bewijsing van den landsheer konnen pretendeeren het is niet minder somenklaar 'sComp:s dienaaren daar bij opgeender hande ma„ mere te worden gebenefibert ter Contrarie sonder deselve dubbelt ongelukig sijn indien uw hoog Edelheedens meedoogen over haer droevig bestaan niet gepaart was van eene eldelmoedige Coniessie om haer niet uijt sluijten van alle an„ dere de benodigde ryst voor hunne huijs gesin „nen na en tegenwoordige prijs van 20: rd=s te laten genieten in dese dier baare gunst soude haer dan oost verpligten smeesteren dienst met Eene verdubbelde lust ende occuratesse waar te neemen. Hunne #Z 255 Van Banda Neijra den 26 aug=s 1775— Hunne bestaat mijne allernedrigste supplicatie Een ik soude mij tot dien herhaaling geensints mogen verstou ten indien Eenig ander middel buyten 'sComp:s bystant tot verbeetering van aller omstandigheeden in dit verarmde conquest konde uytgedagt, en met suices bewerkstelligst worde Wegens het gerecommandeerde met betrec„ E kinge tot den verbooden handel in de zuyd weeten veraaken refereire mij eerbiedigst aan het verhan„ relde in de gemeene brief terwijl niet sonderlinge aanschouw op de uw hoog Ed:s dierbaere gunste voorgedragene subjecte de dood omtrend kon tenberg bereets Eene andere schicking gemaekt heeft, en na ik vreese sal stagemeen het ook met lange make want sman rodelijke borst quaae hupp noodwendig gemaakt het de moedige verzoek om Een bequaame pennist der den ik van negotie overdrager komende waarneem met Een daar toe met suicos kan gebruykt worden het is aan ook om deese redenen redenen dat ik uw hoog Ed„s verschoning versoeke overmijne voorjarige interiessiers geensints door Eene opsettelike overtreeding van de pa„ triase beveelen maar uijt een ter primipa „len inge winkeld belang van de Compe inde goede hoedanigheeden van dien twee subjecten voorts atters sullend blijven op de zoo hoog aan bevolene kennis gering wanneer yts van het tentamen der Engelschen mogte nooden ver„ nomen als Eene sequeele van het geene den heer Ternaats Gouverneur bij oiulaire missive van den 20 9ber 1774: nader bedeeld hulp soo moet op het verhandelde in de secreete brief van den heer Ambons Gouverneur, geda„ teerd 10 october des ejgensten Jaers met mijnen woorden aanmerken dat het daar bij gemelte singuliere valettel van den mandarees sabdoe Een zeer swak orgament in 't levert tot accre„ diteeringe door het volk van killemoerij twee Jaeren geleeden een quantiteijt nooten te syn Van Banda Neijna den 26: aug=s 1775— ongedaen 257 van Bandae Veijra den 26: aug=o 1775 — ongedaan als hebbende sulks in perzoon niet ge„ zien maar door Eenen anderen hooren vertellen, en daar te ons verre alle historialen van die nateur met refert tot banda bestaen hebben in onbewesene dienden sonder selve maar een en kust tentamen na vereysch van regte te hebbe konnen probeeren soo vertrouwe vastelijk dat uw hoog Edelheedens des te meerder ingang sullen gelieven te verleenen aen mijne hertelij „ke versekeringen en te water en te lande alle te bedenken oplettensheeden te worden onderhou„ den omme dusaanige sluijkerije in dip Contregen on iit voerlyk te maken Hier meede affgeloopen sijnde den draad mij ner onderdanige rescriptie op uw hoog Ed=s veel g'agte apartte missive van den 24: 9b vo14 soo resteerd nog een poinit ter uijtbrydinge, en heeft tot een onderwerp het sanglante voorval„ „len eylande rosingen in de gemeene beschrijvin gen wel breedvoerig gedetrilleert egter onder deserde
English
the same of some speculative circumstances to be reported here. Thus, going back to the year 1769, all the measures taken at that time against an alleged familiar intercourse between the wives and children of the Balambangan rebels brought over with the ship Overnes, and the state prisoners residing here, or to speak more distinctly, with the Pangerang Boeminata and his attached family, after what Your High Honours were pleased to fully approve under a further prohibition against all conversation of that nature. Upon this [illegible] I remained for a long time free from further troublesome notes of that kind, until upon the information of my own domestics regarding the resumed secret visits, I reported not a moment in proposing that the From Banda Neijra, the 26th of August 1775— Javanese women aforesaid likewise be relocated elsewhere, which was Poulo Ay, where the remoteness would not permit them to converse further with one another; and yet, through the intriguing manner of acting of that Boeminata, it has repeatedly occurred that some of these women were transported over to Neijra in a clandestine manner with the spice orembaais. The good outcome of these discoveries was in 1773 joined by Boeminata's direct requests to be allowed to see some of the separated men and women as his own blood relations once more before his death, for he was then mortally ill. In respect of the men I made little difficulty to grant the man's entreaty for a couple of days, but regarding the women not at all; on the contrary, I doubled the former restrictions, without having been able to prevent hereby that some out of the crowd, during busy work and under pretext of illness, came over among the ordinary rowers with the Rosengain orembaais. But Boeminata, not content with this, tended a few months before the cited incident on Rosengain to put the finishing touch to the work, partly through his own further lamentations and partly through the intercession of others, that his nephews Radeen Maas Samar, Toeras, and Bassil might be transferred from Rosengain to Neijra, being as yet only youths of whom one could suspect no evil. The urgency with which this request was pursued from all sides was too From Banda Neijra, the 26th of August 1775: — serious not to be taken with some suspicion, to such an extent that I myself, being curious to view those three lads in person, ordered the postholder of Rosengain to bring them along upon his next crossing, the more so because it was only now declared that they were Boeminata's own brother's children. Having thereupon found at the first sight of those so-called youths that they could pass for robust men, I gave strict orders not only to make them remain in the quarters, but also to ensure that they were not found absent against the usual sleeping time at the roll call. It deserves a particular remark that so shortly after those concurrent solicitations the treason was carried out on the island, and the more I came to consider in their connection all the preceding events, the more I was strengthened in the presumption that the aforesaid Boeminata had foreknowledge of such a godless attempt. Indeed, my suspicion was doubled by the additional informative assurances: Firstly, That the chief rebel Aria Praboe Tjoko, who died in irons at Batavia, was an own brother of Boeminata. Secondly, That the eldest son of Boeminata, named Soewaja, is in a sinister manner married to Radeen Atjeeng Soepati. Thirdly, That Boeminata's youngest son, named Banka, in that very same manner took to wife Radeen Atjeeng Timo, both daughters of the Aria Praboe Tjoko, and begotten with his lawful wife Radeen Aijoe Praboe. From Banda Neijra, the 26th of August 1775 — On the foundation of all these concerns communicated to the Political Council, joined by the daily reports of the rebels and murderers still wandering about, I have, for the general tranquility and to prevent new misfortunes, deemed it safest to have the aforesaid Boeminata and his son Soewaja reside in two separate apartments at Castle Nassau, and to keep them there segregated under lock and key until the receipt of Your High Honours' disposition; for whereas the other state exiles conduct themselves quietly and well, it is solely over Boeminata and his kind that I here privately make emphatic complaint and respectfully request that they be sent to a place where the apprehension of colluding with all kinds of natives is less, and the peace of mind concerning his stay can be considered greater than under the jurisdiction of Banda; adding to the further support of his necessary removal that he, Boeminata, having acted for many years as a native doctor, is through such general access completely informed of the state and condition of most inhabitants; That having obtained among the quarters people a particular esteem and an attached familiarity, he has repeatedly been threatened by me with being sent elsewhere; and that he, without permission, sent his middle son last year with the Nakhoda Aboe Kipping to Ceram, without having returned to this day. For the rest, I would have heartily wished to be able to conclude this unpleasant account here, but the strange conduct of the Waijer resident From Banda Neijra, the 26th of August 1775 —
Dutch transcription
deselve van eenige alhier te melden speculative om standigheeden Dus ter uijtreedende tot het Jaer 1769 alle greere voor af de tommaals genomene maert regelen tegens eene gesuppliceerde gemeensame ommegang tusschen de vrouwen en kinderen der met het schip overnes aangebrak palmboang„ „se rebellen, ende alhier remooreerende staet gevangen off om distinter te spreeke met den pangerang Boeminrata en sijne aanhoorige familie, na het geene uw hoog Ed:s ten vol„ len hebben gelieven te approbeeren onder een nader verbort tegens alle consersatie van die natuur op deze mijn bleef ik een geruijmen tijd be„ vrija van meer den lastinge soortgelijke aantee kingen aan op de informatin mijnet eijge do„ eige mestingen nopens de her vatte geheijm visi„ ter melde ik geen moment int stellen om de Van Banda Neijra den 26: aug=s 1775— ja H. 259 Van Banda Neyra den 26: aug=s 1775— Javaanse vrouwen voor: insgelyken na elders te verplaetsen synen geeweest Poeloe aij daer de affgelegentheijt niet mogte toelaten ver„ der heen met malkanderen te Converseeren en egter is door de intrignant handel wijse van dien Boeminaten te meermalen gebouw dat sommige van deese vrouwloch op een Clandestine maniere met de specerij orenbaeijs na Na Neijra overgevoerd zyn geworden der goe den uitslag van deese konklaringen, wierd in 1773 gevoegel van Boebinatas directe ver soeken, om Eenige der verdeelde mans en vrau„ noe mans en vrouwe als Eygen bloedvrieuden voor zyn dood nog Eens te mogen sien want hij was toen doedsiek ten opsigter van de rigten maakte ik wynig swarigheyt aen smans gesmeek voor Een paar dagien te voldoen, maar omtrend de neemen in het geheel niet ter Contrarie soo verdubdelde ik de vorige laat geringen sonder hier mede „ meede te hebben koomen belitten dat Eenige uit den hoop by druk werk en onder pretegt van sukte onder de gewoone roeyers met de re„ singainse orembaaijs overgekomen waren Maar Bominata hiermeede met ver„ genoegt tendeerde wynige maanden voor het op Rosingain geyteerde geval de laetste hand aen het werk te slaan deel door eijge nadere lamen taten enduls door voorspraek van andere dat syn neeven Radeen Maas samar „ Toeras en „ Bassil van Rosingnien na Neijra mogten ver„ plaat worde als sijnde nog maar Jonge lingen van dewelke men mits quaeds soude konnen vermoeden Den aandrang waar meede dit verzoek van alle kanten wierd doorgeset was al te Van Banda Neijra den 26: aug=s 1775: — Ernstig 2 263. Van Banda Neyna den 26: aug=s 1775— Ernstig om met Eenige eergwaar te moete opvatten tot soo verre dat ik selve nieuwe gerng die drie knaapen in perzoon te beschouwen der posthou der van Rosmain ordonneerde by nadere over komste deselve meede te brengen temeer men nu Eerst rendement verklaarde haer te sijn eijge broedert kinderen van Boemimnata daarop het Eerste gefyt van dien soge„ naamde Jongelingen bevonden hebbende dat se voor robuste maas konden doorgaan steld ik stipte ordre om haer in het quar tier te doen verblyven niet alleen waer ook sorge te dragen datse tegen de gewoone sla„ pensteijt by het opleese aer rolle niet absent bevonden wierden Het verdient Eene sondarlinge op„ merking soo kort op die tegamen lopende solluntiten het verraed te eijlande te sijn vol„ bragt, en hoe meer ik al het voor off ge„ gane in dies 't zaamen hang quan te over„ weegen overweegen hoe meerder ik gesterkt wierd in de vermoedinge dat meerm Boemita van sulken goddelos attentaat voorko„ „men gehad heeft Ja mijn verdenking mogte verdubbeld worden op de daar bij gekomen in formatire versekeringen Eerstelijk Dat den op Batavia in de boeijen voorlede„ „ne hoofdrebel aria praboe Tjoko Een Eijge broeder van Boemmata gewast is Tweedens Dat de oudste zoon van Boeminata na„ ment soewaja op Eene smnistrie pijn ge„ tourneert is met Radeen aljeeng soepal derdens Jongst zoon genaemt Dat bominate Banka op die eygenste moniere tot sijn wijffgenoomen heeft Radeen atjeeng Timo bij de dogters van den aria praboe Tjoko en ver„ wekt bij sijne egter vrouw Radeen aijoe praboe Van Banda Neijna den 26: aug=s 1775 — op 2 E 263. Van Banda eijra den 26: aug=s 1775: — Op fundament van alle dese der politicquen raed meede gedeelde bekenkelykheeden gevoegst by de da„ gelijkse rapporten der nog rond swervende rebelle en moordenaars hebbe voor de algemeene ruste en ter preventie van nieuwe onkeylen het seker, „de geoordeeld voorsg Boeminata en zijn zoon Soemaja ter Casteele Nassauw in twee by zondere appartementen te laten verblijven en aldaar buyten avier gesuccedeert te houden tot den ont„ vangst uwer Hoog Edelheeden dispositie want daer de orengs bomnelingen van staat, haer stil en wel gedrage soo is het alleenlijk over Boeminata en zijne soort dat ik alhier in het particuliere met nadruk kla„ ge en Eerbiedige verzoek haer lieden te ver zonden na Eene plaatze daar de bedugtinge voor gekonkel met aller huurte soorten van inlanders minder, ende gerustheijdt over zyn verblyft grotie kan g'agt worde als onder onder het resfort van banda accedeerende tot meer derer stavme van desselfs noodwondig deloge„ ment dat hij Boeminata sedert veele Jaeren voor in lands aoctor g'ageert hebbende door sul ke algemeen acces van de staet ende gele„ gentheydt der meeste ingesetene volkomen onderregt is Dat hy onder het quartiert volk Eene bijsonde„ „re: estine en daar aan verkogte vertrouwelijk„ heijt verkreegen hebbende door mij te meerma„ „le met versending na elders gedruijgd is gevende en dat hy zijn middelde soon in het vergingen Jaer sonder verloff met den nachoda aboekip„ ping na Ceram verzonden heeft sonder tot heden toe te zijn gereverteert Voor het overige hadde ik wel hertelijk gewenscht dit onaangename historiaal hier meede te moogen Eijndigen, maar de wonder „bare handelwijze van den waijersen resident van Banda eijra den 26: aug:s 1715 —