Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
made to Adatoeang of Sideenring, consists of these following words: The message by Sopping: We are sent expressly to Your Honour by the one who maintains law and justice within Sopping, and announce that we also received a letter from the Governor, the contents of which stated that the Governor would like us to meet together at Lampoko, and if Your Honour is so inclined, please choose a day for it, when he will also ensure to be there, but please make haste. Whereupon the Adatoeang of Tideenreeng answered that when he had spoken with the Chief Interpreter and the Captain Malay at Maccasser, he had replied at that time: as for myself, I am very inclined to observe the good counsel of the Governor, but as for the peoples of Sideenreeng, I cannot judge about them or force them thereto, nor persuade them to my view, but since the subordinate chiefs of Tideenreeng are currently sitting here with us, ask them yourselves. Whereupon the Rabitjara answered: let me first speak to the peoples of Tideenreeng about this, for I may not conceal such a thing from them, as we are not accustomed to go to Lampoko to settle any matters of state there, and we have also let our thoughts wander far and wide, but could not find that the Governor can order us to do anything, except Bonij alone. Whereupon Adatoeang answered: what reason does our King, meaning Datoe Sopping, have to want to let the Dutch settle our disputes and disagreements? Let our King rather summon me and Aroe Mario, and order Arou Mario to surrender what is mine that is under him, and I shall likewise do the same from my side; and if it should please our King to have the absent goods restored, such shall also be done. And regarding the territorial matters of Sideenring and Mario, as well as those of Sopping, we have no differences with one another, but Tideenreeng does with Arou Mario privately, for when any buffaloes, horses, or other goods of ours are stolen and transported to Mario, they will not surrender them again, and we are of equal rank, for the former is an ally of Bonij, and the latter to that of Sopping. Below stood: for the translation, was signed: Gt Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. Maccasser To the Honourable and Respected Lord Paulus Godofredus van der Poort Governor and Director of the Coast of Celebes. Honourable and Respected Lord, The envoys of Sumbawa, who had already departed from that place, not having arrived here to date, I duly received on the 8th of this month Your Honour's duplicate letter of the 19th of June, the reply to which is to be made at the first opportunity, and this letter serves solely to accompany a Malay letter written by Gusti Made Karang Assang to Your Honour, as well as two more ditto, namely one from the same and one from his brother Gusti Katta, to the undersigned, in which he announced the death of the Balinese ruler, as well as of his father Gusti Wajantaga, and the appointment of a certain Gusti Moera Madekarang Assang, grandson of the deceased ruler, as King of Great Balij, and that he had become King of Salimparang in place of his father; furthermore, that he cannot receive me earlier than the 1st of October, when both corpses will be burned, at which time the ceremonial funeral procession will come to an end, while the undersigned meanwhile awaits Your Honour's further orders regarding this. Lastly, the undersigned will not fail to demand from the King of Sumbauwa, who is expected here within a few days from Taliwang, the perpetrators in question, along with the stolen kris and its band; I hope to give Your Honour a report regarding this at the first opportunity. Wherewith I subscribe with the requisite respect. Below stood: Honourable and Respected Lord. Lower: Your Honour's dutiful servant, was signed: An Lecerf. In the margin: Sumbauwa the 22nd of July 1775. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. Translation of a Malay letter written by King Gustij Madde Karang Assang to the Governor at Maccasser, reading as follows: We make known to the Governor hereby that his father named Gustij Lanang Poete, as well as Gustij Moera Karang Assang, have both died, in whose first-mentioned place his grandson named Gustij Moera Made Karang Assang has been appointed. The reason why I make such known to my brother is because these two deceased kings had entered into an alliance with the present Governor-General, as well as the twelve Honourable Councilors of the Dutch Indies, and I also received a letter in this regard from the Governor-General through the hands of Commandant Alexander Le Corff along with a saddle as a gift, in which it is also mentioned to unite the land of Karang Assang and Salemparang with that of the Honourable Company, as well as when the land of Balij and Salemparang today
Dutch transcription
1313 gedaan, aan Adatoeang van Sideenring, bestaat in dese on„ „dervolgende woorden De boodschap door Sopping Wij zijn Expresselijk aan uEd„e gezonden, van dien geene welke regt en geregtigheid binnen sopping had haafd, en maaken bekend, dat wij ook een brief van den hier gouverneur ont„ „fangen hebben, welke inhoud behelsde dat den hier gouverneur gaarne zoude zien dat wij op Lampoko bij elkanderen quamen, en zo uEd„e daar toe genegen had zijt, zo gelieft maar een dag daar toe te verkiesen wanneer als dan ook maken zal daar te wesen, dog gelieft uEd„e zig te haasten waar op de Adatoeang van Tideenreeng tot antwoord gaf, dat wanneer hij met den oppertolk en den Capitain maleijer op Maccasser gesprooken hadde, hij te dier tijd tot antwoord gegeven, hen wat mijn perzoon aangaat, ik ben zeer geneegen om den goeden raad van den heer gouver„ „neur te observeeren, dog wat de volkeren van sideenreeng betoeft daar over kan ik niet van oordeelen of haar daar toe dwingen nog tot mijn Concept over te halen, maar vermits de onderhoorige hoofden van Tideenreeng thans hier bij ons zitten, zo vraagt hun lieden zelfs af„ waar op de Rabitjara ten antwoord gaf, laat ik eerst de volkeren van Tideenreeng daar over spreeken, want ik vermag voor hun lieden zulx niet verswijgen, alzo alzo wij niet gewoon zijn, op Lampoko te gaan, om aldaar eenige staatt saken afte doen, ook hebben wij wijd, en zijd, onse gedagten laten gaan dog niet kunnen vinden, dat den heer gouverneur ons tot iets kan ordonneeren als Bonij alleen waar op Adatoeang ten antwoord gaf, wat reeden heeft onsen koning meenende datoe sopping om onse geschillen en oneenigheeden door de hol„ „landers te willen laten afdoen, laat onsen koning liever mij, en Aroe Mario roepen en aan Arou Mario ordonneeren om de mijne welke onder hem is, overtegeven, als dan sal ik insgelijks van mijn kant zulks ook doen, en wanneer het onzen ko„ „ning mogt komen te behagen om de absente goe„ „deren te laten voldoen, zal zulx ook geschieden. En omtrend de Land zaken van sideenring en Mario gelijk ook die ook van sopping, hebben wij met elkanderen geen verschillen, maar wel Tideenreeng met Arou Ma„ „rio in 't particulier, want wanneer eenige buffels, paarden of meer anderen goederen van ons werden gestolen en na Mario vervoert. willen 1315 Aan willen z' dezelve niet weeder overgeven, en wij zijn even groot van qualiteijt, want de eerste is een bond„ „genoot van Bonij, en de laatste aan die van soping /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G„t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — 2 - Maccasser Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Poort Gouverneur en Directeur, ter Custe Celebes. Wel Edelen Agtbaaren Heer De gezanten van Sumbawa, welke bereeds van Costij vertrocken zijn, tot heeden alhier nog niet g'arriveerd, heb ik op den 8„e deeser behoorlijk ontfangen, uwel Edele Agtb: duplicaat brief van den 19„e Junij, tot welker reschribtie, bij eerste geleegendheid staat te geschieden, en deese alleenlijk gerigt, ten geleijde van Een Maleijdse brief geschreeven door gusti Ma„ „de karang assang; Aan uwel Edele Agtb: mits„ „gaders nog twee dito, als een van den zelven, en Een van zijn broeder Gusti Katta, aan den ondergetee„ „kende, waar bij denzelven bekend maakte 't over„ „leijden van den baleijsen vorst, als meede van zijn vader 1317 „vader Gusti wajantaga, mitsgaders de aanstelling van eenen Gusti Moera Madekarang assang kleijn zoon van den overleeden vorst, tot koning van groot balij, en dat hij in plaatse van zijn vader koning van salim„ parang geworden was; wijders, dat hij mijn niet eerder kan ontfangen, als met Primo october, wanneer de beijde lijken zullen verbrand worden, op welken teijd, de Cheremonieele Lijkstatie Een eijnde zult nee„ „men, Terwijl den ondergeteekende intusschen uwel Ede„ „le Agtb: nadere ordre hier omtrend afwagten. Laastelijk zal den ondergeteekende niet mankeeren van den koning van sum bauwa /:welke binnen eenige daagen van Taliwang alhier verwagt word:/ te reclameeren, de bewuste moordenaars, nevens de geroofde kris en dies band, ik hoope uwel Edele Agtb: hier omtrend, bij eerste geleegendheijd berigt te geeven. waar meede met de vereijschte Eerbied onderschrijven. /:onderstond:/ Wel Edelen Agtbaaren Heer /:lager:/ uwel Edele Agtb: trouwschuldige Dienaar /:was ge„ teekend:/ A=n Lecerf, /: ter zeijde:/ Sumbauwa den 22„e Julij 1775. /:Lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Transl: Maaken bij deesen aan den gouverneur bekend, dat desselfs vader genaamt Gustij Lanang Poete als meede Gustij Moera karang Assang beijde zijn komen te overlijden, alwaar in des eerst gemelde plaats zijn kleen zoon genaamt Gustij Moera Made karang assang benoemt is. De reedene waarom ik zulx aan mijne broeder bekend„ make, om dat deese twee overleedene koningen met den tegenwoordige gouverneur generaal in verbond waren getreeden, benevens de twaalf Edelheeren Raa„ „den van Nederlands Jndia, en hebbe daar ook een brief dierweegens van den gouverneur generaal uijt handen van den Commandant Alexander Le Corff met een zadel tot present ontfangen waar in ook ver„ „meld staat, om 't Land van karang Assang en salem„ „parang met die van d'E Comp„e in een te doen geworden, als meede wanneer 't land van Balij en salemparang Translaat Maleijdsche Brief geschreeven door Gustij Madde karang Assang koning, aan den heer Gouverneur te Maccasser luijdende als volgt heeden
English
if today or tomorrow anything should happen to be lacking, they would inform the Honourable Company thereof and assist us to the best of their ability, whether with matters of state or with vessels; and whenever we wished to send vessels with merchandise for trade under the Company's jurisdiction, they had to be provided with a proper pass or the signature of the king, so that they would then encounter no danger; thus read the contracts of the said late Highness with the Governor-General, but now another has currently been appointed in his place; the recently deceased king of Bali always had an inclination to live in friendship with the Honourable Company, for the reason that he saw from the letter of the Governor-General the affection that was shown to His Highness, so that we on our part promise that whenever we can do anything for the best here, one should freely give us notice thereof; and in case the Honourable Company is inclined to equip vessels for trade to Bali or Salemparang, it will be to our pleasure, and we shall also keep a watchful eye thereon so that no molestation shall occur. How matters currently stand with our contracts, which our deceased king made with the Governor-General and the further Honourable Lords Councillors of India, we do not know to this day, wherefore we now come to request the Governor-General to be willing to conclude another, new contract; and when the Governor-General and the Councillors of India shall grant this our request, we request that an ambassador be sent to renew the said contracts, since the old contract that was made by the deceased king with the Lord Governor-General is not being observed or complied with, as has become apparent from the fact that our recently deceased king had equipped two vessels, namely one to Samarang, whereof the nakhoda is named Labbe Palembang, and the one to Sourabaija named Intje Tamballe, for the purchase of a vessel to serve for the transport of rice and padi from Salemparang to Bali, because we were destitute of that grain, which was refused by the Governor of Samarang, as also by the Chief of Sourabaija, so that the emissaries thereby returned back again fruitlessly; for which reasons we can sufficiently observe therefrom that our concluded contract is not being observed, being now broken thereby, wherefore the king at present wished to have nothing to do with those contracts, for he is himself king in his land where none of his peers can rule him, and fears God to do and act in a matter that is not seemly; that when we are unhappy together, so are we also unhappy together, if it is then so, it will serve to my great joy. I send nothing as a sign of life, except only praying to God day and night that He may shower Your Right Honourable with His blessings. Written at the village of Salemparang, 4th day of the month of Jumada al-awwal on Sunday in the year 1189. Below stood: for the translation was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. Translation. The rupees that my brother has sent back again, I have duly received; but since you are inclined to come in person to Tandjong Karang, I am most highly obliged to you, but request for the present not to come there until the month of Rajab or September; the reason why I come to request a postponement from you is that our old father has passed away, as also Gusti Ngurah Karangasem, since we are not yet ready to be able to have them buried with the customary ceremony that is required for that purpose, for I myself desire to go in person to Tandjong Karang to make known to you that I have received a letter from Batavia with some gifts for the two deceased; but now his grandson, named Gusti Ngurah Made Karangasem, has stepped into his grandfather's place. Translation of a Malay letter written by Gusti Made Karangasem, king of Great Bali, to the Commandant at Bima, Alexander Lecers, reading as follows. I come now to ask my brother how it shall now go with our promise; is it now nullified, or shall it still be kept alive; and if it is kept alive, it is now time to send to our king to unite the three Company's lands into one; and at the same time to renew the contracts, in the same manner when Commandant Lecerff has handed over to me the present of a saddle that I received from Batavia as a present. I request, therefore, that if it pleases the Lord Governor-General and the Councillors of India, this be made known to all the Company's trading posts, for we have indeed spoken with each other several times at Tandjong Karang, from which you have sufficiently been able to perceive our sincerity, yet everything has been disregarded by you, for it appears from this that our recently deceased king had sent a vessel to Samarang and Sourabaija for the purchase of a small vessel to bring for the transport of padi from Salemparang to Bali, and it was refused by the Governor of Samarang as also the Chief of Sourabaija, so that the emissary of our recently deceased king returned back again fruitlessly.
Dutch transcription
1319 heeden of morgen iets mogte komen te manqueeren, dat z' aan d' E Comp„e daar van kennisse zouden geven, en ons na vermogen zullen assisteeren, 't zij met Lands zaaken, of vaerthuijgen, en wanneer wij vaarthuijgen onder 'sComp„s Jurisdictie met negotie wharen ten han„ „del wilden zenden, dezelve van behoorlijke passedulle of handteekening van den koning moesten voorsien wesen, dat als dan in geen perijkel zoude komen, zodanigluijd de Contracten van gemelde zijn overleeden Hoogheijd met de gouverneur generaal, dog dat nu thans weeder een ander is desselfs plaats benoemt is, door de Jongst overleedene koning van Balij altoos geneegentheijd ge„ „had heeft, om met dE Comp„e in vriendschap te leven, om reeden hij uijt den brief van den gouverneur gene„ „raal gezien heeft, de genegentheijd dewelke aan zijn Hoogheid is betoond, in voegen wij van onsen zijde belooven om wanneer wij hier iets ten beste kun„ „nen verrigten ons daar van maar vrijlijk kennisse zoude geven, en in gevalle dE Comp„e geneegen is, om vaarthuijgen ten handel na Balij of Salempa„ „rang uijt te rusten, zal ons zulx tot aangenaam„ „heijd strecken, en wij zullen ook daar op een wakend oog houden op dat 'er geene molest geschiede Hoedanig Hoedanig het thans niet onsen Contracten geleegen, dewelke ons overleedene koning met den gouverneur ge„ „neraal en de verdere Edele heeren Raden van Jn„ „dia gemaakt is, weeten wij tot heeden nog niet, daar wij thans aan den Gouverneur generaal komt te versoeken om een ander nieuwe Contracten te wil„ „len passeeren, en wanneer den gouverneur gene„ „raal en de raaden van Jndia zulx ons verzoek zal toestaan, zo verzoeken wij om een ambassadeur te willen zenden, om de gem: Contracten te vernieu„ „wen, also de oude Contract die door den overleedene koning met den heer gouverneur generaal zijn gemaakt niet werd nagekomen of geobserveert, gelijk gebleeken is dat onsen jongst overleeden ko„ „ning twee vaertuijgen uijt gerust hadde, te weeten een na Samarang waar van de anachoda ge„ „naamt is Labbe Palembang en die na sou„ „rabaija genaamt Jntje Tamballe tot inkoop van een vaarthuijg om te dienen ter overvoer van rijst en Padij van Salemparang na Balij, uijt hoofde wij van die korl ontbloot waren zulx door den Edelheer van Samarang geweijgerd is, gelijk ook het opperhoofd van Sourabaija, zo dat de zondelingen daar door vrugteloos weder terug gekeert 213 1321 gekeert zijn, om welke reedenen wij daar door genoeg„ „saam kunnen aanmerken, dat ons gemaakte Contract niet werd naar gekomen als thans daar door verbroken zijnde, over zulx de koning tegens woordig niets met die Contracten wilde bemoeijen, want hij is zelfs koning in zijn land daar geen van zijn even grooten hem kan re„ „geren, en voor Godt vreest om een zaak die niet betaamd is, te doen en handelen; dat wanneer wij te zamen on„ gelukkig is, so sijn wij ook te zamen ongelukkig, inge„ „valle het dan zo is, zal mij tot groote blijdschap streken. Ik zend niets tot een teken van leeven, dan alleen godt dog en nagt bidden, met zijne zegeningen uwel Ed: agtb: te willen overstroomen Geschreeven op de Negorij Salemparang 4=en „dag van de maend Ioemadil auwal op sondag in 't Jaar 1189. /:onderstond:/ voor het translatie /:was getee„ kend:/ G: Brugman /:lager:/ Accordeert /was geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Transl: 25 De Ropijen die mijn broeder wederom terug gezonden heeft, hebbe ik behoorlijk ontfangen, dog vermits uE: genegen zijt, om in perzoon op Tandjong karang te komen, ben ik uE: ten hoogsten verpligt, maar ver„ „soeke voor eerst daar niet te komen, tot in de maand Radjap of September, de reedenen waar omme uijt„ „stel van uE: kome versoeken, is, dat onsen ouden vader is komen te overlijden, zo meede Justie Moera ka„ „rang Asang, vermits wij nog niet klaar zijn om met de gewoonelijke Ceremonie die daar toe vereijscht te kunnen laten begraven, want ik verlange zelfs om in perzoon naar Tandjong karang te begeven, om uE: bekent te maken, dat ik een brief van Ba„ „tavia ontfangen heb met eenige geschenken voor de twee overleedenen; dog thans is desselfs kleijn zoon genaamt gustie Moera Maddekarang Assang in zijn groot vaders plaats opgetreeden. kome Translaat Maleijdsche Brief geschreeven door Gustie Made karang Asang koning van Groot Balij aan den Comman„ dant te Bima Alexander Lecers, luijdende als volgt. ik 245 25 1323. ik thans aan mijnen broeder te vragen, hoe dat nu met onsen belofte gaan zal; is het nu te niet, of zal ze nog levendig gehouden worden, en wanneer na levendig word gehouden, zo is het nu tijd om na onzen koning te zenden, om de drie 'sComp„s landen in een te doen geworden; en teffens de Contracten te vernieuwen, inselver voegen wan„ „neer de Commandant Lecerff het present van een zadel die ik van Batavia tot een present gekreegen heeft, mij ter hand hebben gesteld versoeke mij dierhalven dat den heer gouverneur ge„ „neraal en de Raaden van Jndia des behagende om alles 'sComp„s Comptoir zulx bekend te maken, want hebbe immers alverscheijde malen met elkanderen op Tandjong karang gesproken, waar uijt uE: ge„ „noegsaame onsen opregtigheid hebbe kunnen ont„ „waren, dog alles door uE: in den wind geslagen, want blijkt hier uijt, dat onsen Jongst overleeden koning een vaarthuijg na Samarang en sourabaija ter inkoop van een kleijn vaarthuijg gezonden hadde, om ter vervoering van Padij van Salemparang na Balij te brengen, en word door de Edel heer van Samarang geweijgert zo meede het opperhoofd van sourabaija, zo dat de zendeling van onsen Jongst overleedene koning vrugteloos weder terug gekeert
English
turned, so that the two gentlemen are the cause of having broken these contracts of ours that we made; for those aforementioned reasons we could also no longer observe them, because we are not the cause thereof. When Your Honour comes to us with goodness, we will also receive Your Honour with goodness and politeness, and in case Your Honour comes to us with evil intentions, we will also not receive Your Honour badly, provided we are not the cause of breaking our given words, for before God we are fearful of not keeping our word. At the bottom was written for the translation was signed G:t Brugman lower Agrees signed H: B: Hodenpijl: — Translation 257 1325 Translation of a Malay letter written by Gustie katto karang in the Negorij Pagasagang to the Commandant at Bima Alexander Lecerff, reading as follows. We hereby make known to Your Honour that I have dispatched my messenger named goeroe Mamma to the king Gustie waijang Taga with a letter dated the 23rd of the month Rabil ager, arriving there, the aforementioned Gustie waijang Taga turned out to be very seriously ill, for which reason my messenger could not obtain an audience, and after the course of two days, the same passed away, so that my messenger returned empty-handed; these are the reasons why I have not answered Your Honour's letter earlier, due to manifold business. I send nothing at present as a token of life, except only praying to God that He may pour His blessings upon Your Honour written in the Negorij Pagasangang the second day of the month Djoemadilauwal on Saturday in the Year 1189. At the bottom was written for the translation was signed G=t Brugman lower Agrees signed H: B: Hodenpijl. — Memorandum Memorandum for the assistant interpreter Coenraad Jansz: Blij and the Captain of the Moors Abdul Cadier, departing on a commission to sideenring and Soupa, in the company of the Bone lord Arou Timoodjong. The purpose of your dispatch appearing from the credential that has been handed to you, I recommend you to admonish both Datous of sedeenring and soepa in an amicable yet at the same time emphatic manner, to settle their mutual disputes with each other amicably without taking up arms, or if the latter should have already occurred, immediately to desist from all further hostilities, presenting to them not only the usual bad consequences of all wars, even for the victor, but also that further bad consequences could undoubtedly arise for them therefrom, since other princes could easily take part therein, with the recommendation therefore, whether in person or by sending deputies to the Company and Bonij, to submit their disputes in order to remove them from the way according to equity and justice and reconcile themselves with each other. Yet 1327 Yet to whoever among them might not wish to listen thereto, you will need to declare that the Company and Bonij, being ever inclined to care for the general peace and the prosperity of all allies, will not look indifferently upon the disobedience which the same comes to show in following its admonitions and orders based on the contracts, but that the same will, if necessary, force them to desist from all acts of violence. Besides this, you will have to present to Datoe sedeenring how, he having promised me through the chief interpreter and Captain of the Malays to settle his dispute with Datoe soping concerning the Negorij Mario, I had expected nothing else than that such would have already occurred. That, however, learning the contrary and how he now appears to show no inclination thereto, I therefore wish to have him admonished once again to that end, in order to prevent further alienation. That Datoe soping has been able to choose no other way to make an application thereto than to inform me of the matter, as being according to the contracts which dictate that the Company is in the first place the arbiter of disputes. Furthermore, also presenting to him in this matter the bad consequences that are bound to flow from a longer delay and if, on the contrary, the plundering by his people continues to persist, whenever the sopingers might might want to take revenge, since a dangerous war could arise therefrom for him, Datoe sedeenring, and the Company would then, alongside Bonij, support his opponent's party. For the rest, I recommend you to make all possible speed with everything, and in hope of a good outcome of your duties I shall await the report upon my presence in the north. At the bottom was written Macasser the 2nd of August 175. was signed P:s G:s van der Voort. lower Agrees signed H: B: Hodenpijl: — the
Dutch transcription
gekeert is, zo dat de twee heeren de oorsaak is dat deese onsen Contracten die wij gemaakt verbroken hebben, om die gem: redenen hebben wij ook daar in niet meer kunnen observeeren, want wij zijn, de oorsaak van dien niet. wanneer dat uE: bij ons met goedheijd kome zullen wij uE: ook met goet=en beleefheid ontfangen, en zo bij aldien dat uE: bij ons met quade intentie komen willen wij uE: ook niet quaat ontfangen, als wij maar de oorsaak niet sijn, van onsen gegevene woorden te verbreeken, want wij zijn voor god daar toe bevreest dat wij ons woord niet zouden houden. /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G:t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — Transt 257 1325 Translaat Maleijdsche Brief geschreeven door Gustie katto karang in de Negorij Pagasagang aan den Com„ „mandant te Bima Alexan„ „der Lecerff, Luijdende als volgt. zo maken bij deesen aan uEd„e bekend, dat mijn zende„ „ling genaamt goeroe Mamma na den koning Gus„ „tie waijang Taga met een brief gedateert den 23„e van de maand Rabil ager hebbe gedepecheert, aldaar ko„ „mende hij gem: Gustie waijang Taga zeer zwaar zick te zijn, om welke reden heeft mijn zendeling geen audian„ „tie kunnen krijgen, en na verloop van twee dagen, is den sel„ „ven komen te overlijden, zo dat mijn zendeling onverrig „ter zaake weder te rug is gekeert; dit zijn de reedenen waarom ik uEd„e brief niet eerder hebbe beantwoord, door veelvuldige bezigheeden. Jk sende thans niets tot een teeken van leeven, als alleen god biddende, dat hij zijn zegeningen, over u Ed„e willen storten geschreeven in de Negorij Pagasangang de tweeden dag van de maand Djoemadilauwal op sa„ „turdag in 't Jaar 1189. /:onderstond.:/: voor het trans„ „latie /:was geteekend:/ G=t Brugman /:lager: / Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Mem: Memorie voor den ondertost Coen„ „raad Iansz: Blij en den Capitain der Mooren Abdul Cadier, ver„ „treckende in Commissie naar si„ „deenring en Soupa, in gesel„ „schap van den Bonijskies heer Arou Timoodjong. Het oogmerk uwer afsending blijkende bij het Credenti„ „aal dat uw is in handigt, recommandeere ik uw om de beide Datous van sedeenring en soepa op eene minsame dog teffens nadruckelijke wijse te vermaanen, om hunne onder„ „linge geschillen, met den anderen in der minne bij te leggen sonder de wapenen op te vatten of bij aldien, dit laatste reets geschied mogte weesen, daedelijk van alle verdere vijandelijk heden afte zien, haar voorhoudende niet alleen de gewoone kwaede gevolgen van alle oorlogen zelfs voor den overwinnaar maar ook dat daar uijt voor haar ontwijffelbaar verdere kwaede gevolgen zouden kunnen ontstaan, vermits andere vorsten daar in ligt deel zouden kunnen neemen, onder aanraeding dierhal„ „ven, om het zij in persoon dan wel door het zenden van gecommitteerdens aan de Comp„e en Bonij, hunne geschillen op te geeven om na de billijkheijd en regtvaer„ „digheid uijt den weg te ruijmen en hun met den anderen ver„ „soenen. Dog 1327 Dog den geenen die daar na, niet mogte willen luijsteren zullen uwe dienen aan te zeggen, dat de Comp„e en Bonij als steeds genegen voor de algemeene ruste en den welvaart van alle bondgenooten te zorgen niet onverschillig zullen aansien de ongehoorsaam„ „heijd welken den zelve komt te betoonen in haare vermaaning en beveelen steunende op de Contracten op te volgen, maar deselve des noods hun wel zullen noodsaeken om van alle geweld. pleegingen af te zien Behalven dit zullen uw Datoe sedeenring moeten voorhouden hoe hij mij door den oppertolk en Capitain der Maleijers hebbende doen belooven om zijne kwesti met Datoe soping over de Negorij Mario aftemaeken ik niet anders verwagt hadde, of zulks zoude alreede weesen geschied. Dat ik egter het tegendeel verneemende en hoe hij thans daar toe geen genegentheijd schijnt te toonen, ik hem dier„ „halven nogmaals daar toe wil vermaand hebben ter voor„ „koming van verdere verwijdering. Dat Datoe soping geen anderen weg heeft kunnen kie„ „sen om daar toe aansoek te doen, dan mij, van de zaak ken„ „nisse te geeven, als zijnde volgens de Contracten die dictee„ „ren dat de Comp„e in d' eerste plaats, scheijdsman is van de geschillen. Iem wijders ook in desen voor houdende de quaade gevol„ „gen die 'er bij een langer uijtstel en dat daar en tegen de strooperijen van de zijnen blijven volharden, staan voort te vloeijen wanneer de sopingers revenge mogten mogten willen neemen vermits daar uijt een gevaarlij„ „ken oorlog voor hem Datoe sedeenring zoude kunnen ont„ „staan en de Compagnie als dan nevens Bonij zijn parthij zou„ „den ondersteunen. voor het overige, recommandeere ik uwe met het een en ander alle mogelijke spoed te maeken en sal in hoope van een goe„ „den uijtslag haerer verrigtinge het rapport bij mijn aan„ „weesen om de noord verwagten. /:onderstond:/ Macasser den 2„e Augustus 175. /was geteekend:/ P:s G„s van der Voort. / lager: /: Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — de
English
1329 Whereas reports have been received here that the realms of Sedeenring and Soepa have fallen into disagreements with one another, the Governor and Council, on behalf of the Dutch East India Company, together with the King and grandees of Bonij, have resolved to dispatch as express commissioners to the Adatouang of Sedeenring and Datoe Soepa the Company's second interpreter Blij and the Captain of the Moors, alongside the Bonij elector Arou Timoedjong, in order earnestly to admonish and warn them not to take up arms against one another, or, if such has already occurred, to lay them down, and to submit the cause of their disputes, whether in person or by sending distinguished commissioners, hither to the Company and Bonij, so that the same may be settled and reconciled amicably. Wherefore we expect that this will be complied with most promptly and without delay, while otherwise those who might be unwilling to heed this admonition will have to await the dire consequences that will arise therefrom for them. And And in order that these commissioners may be believed, we have handed them this deed, expecting that they shall be treated properly according to their dignity. Below stood: Macasser in Castle Rotterdam, 31 Iulij 1775. Was signed: P: G: van der Voort In the margin: impressed with the Company's seal in red wax Lower: By order of the Honourable, Worshipful Lord Governor and Council. Was signed: C:s Kraane, secretary Lower: Agrees. Signed: H: B: Hodenpijl. To 2 1331 To the Honourable, Worshipful Lord Paulus Godofredus vander Voort Governor and Director of this Coast of Celebes. Honourable, Worshipful Lord! In dutiful observance of Your Honour's highly esteemed written order, we do ourselves the honour of hereby rendering to Your Honour an account of what we have carried out in our commission to Soeppa and Tedeenring; and initially to report that we set sail from Macasser on the evening of Wednesday the 2nd of this month, and arrived in the afternoon of Sunday the 6th following at the village of Pare Pare, situated in the bay of Soreang, where we learned from the people of the village that Datoua Sedeenring intended to launch an attack against the people of Soepa on the following day; upon which intelligence we immediately departed thence for Soeppa, where we anchored towards evening, sending word through the Company's emissary Patjelang, alongside the emissary of Bonij named Laoedoe, to the Adatouang of Sedeenring and Aroe Soepa to make known that we had arrived there and were sent by the Lord Governor, who represents the Noble Company, and the King of Bonij, requesting to speak with one another tomorrow, and likewise that neither of them should undertake anything. Upon their return, these emissaries reported that both were very pleased with our arrival and would expect us tomorrow. On Monday the 7th, at around seven o'clock in the morning, we went to the Adatouang of Sideenring, and upon our appearance there we made known to him that we were sent by the Lord Governor, representing the Noble Company on this island of Celebes, and the King of Bonij, with an Instruction according to which the Adatouang of Sedeenring should conduct himself; to which the said Adatouang answered us that we should please wait a little, as his Pabitjaras were not yet all present and were still in their fortifications; however, his half-brother, named Dreeng Manappa, having arrived in the meantime, the said Adatouang requested us simply to have the Instruction read aloud to him, as the expected Pabitjaras were tarrying too long, which was immediately 365 1333 done by the Bonij emissary Laoedoe; whereupon we furthermore handed it over to them to read it themselves, and thereupon took our leave. Subsequently, we proceeded that same day to Soeppa: upon our arrival there, we likewise made known to Arou Soepa the reasons for our coming, while presenting the Instruction given to us, which was also read aloud to him by the Bonij emissary Laoedoe. We then asked Arou Soepa, together with his Pabitjaras present, whether they had well understood its contents, to which Arou Soeppa, appearing very delighted, answered yes, with humble expressions of gratitude both to the Lord Governor and to the King of Bonij, adding in substance: "Even if it were only by order of the King of Bonij, I am obliged to obey it, the more so now that the Lord Governor has sent me that order, and even if it were tomorrow or the day after tomorrow that my Lord and Master summons me, I am always ready to comply with it." Wherewith we took our leave and departed, betaking ourselves thus again to the Adatouang of Tideenring in order to receive an answer according to the intent of our commission. Upon
Dutch transcription
1329 Dewijl alhier berigten ontfangen sijn dat de Rijken sedeenring in soepa met elkanderen in on-eenighe„ „den geraakt zoude weesen zo hebben den gouverneur en Raad van wegen de Nederlandsche Oostjndische Comp„e ne„ „vens de koning en Rijksgrooten van Bonij beslooten aan de Adatouang van sedeenring en Datoe soepa, als expresse gecommitteerdens afte senden den tweede 'sComp„s tolk Blij en den Capitain der Mooren, mitsgaders de Bonijs kiesheer Arou Timoedjong, ten eijnde haar ernstig te vermaanen en te waarschuwen om geene wapenen tegens den anderen op te vatten, of zo zulks reets mogte geschied weesen, deselve needer te leggen, en d'oorsaeke van hunne on-eenigheden, het zij in persoon, dan wel door het senden van gecommitteer„ „dens van aansien, na herwaarts aan de Comp„e en Bonij op te geeven; om deselve in der minne bij te leggen en te verevenen. weshalven wij verwagten, dat daar aan ten spoe„ „digsten en prompt zal worden gedaan, zullende andersints de geene die onwillig mogte weesen, om na deese vermoening te luijsteren moeten afwagten de quaede gevolgen die daar uijt voor denzelven zullen ontstaan. En En op dat deese gecommitteerdens mogen gelooft wor„ „den, hebben wij hen deese acte ter hand gesteld en ver„ „wagting dat zij naar hunne waardigheijd behoor„ „lijk zullen worden behandeld. /:onderstond:/ Macasser in 't Casteel Rotterdam den 31„e „Iulij 1775. /:was geteekend:/ P: G: van der Voort /: ter zeijde:/ gedrukt met 'sComp„s zegul in roode bak /:lager:/ Ter ordonnantie van den wel Ed: Agtb: heer gou„ „verneur en Raad /:was geteekend:/ C:s Kraane secret=s /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. Aan 2 1331 Aan den wel Edele Agtbaeren Heer Paulus Godofredus vander Voort Gouverneur en Directeur deser Custe Celebes. Wel Edele Achtbaeren Heer! In schuldige observantie van uw wel Edele Achtbae„ „re hoog g'eerde schriftelijke ordre, geeven wij ons d'eere uw wel Edele Achtbaere bij deesen verslag te doen van het geene wij in onse Commissie na soeppa en Tedeenring hebben verrigt; en aanvanckelijk te melden, dat wij op woens„ „dag den 2„e deeser, 's avonds van Macasser onder zeijl ge„ „gaan, mitsgaders op sondag den 6„e daer aan, des nademid„ „dags, op de Negorij Pare Pare, leggende in de bogt van soreang g'arriveerd sijn, alwaar wij van de Negorijs volkeren vernaamen, dat Datoua sedeenring voor„ „nemens was, daags daar aan, een aanval tegens die van soepa te doen; op welke narigt wij terstond van daar # na Soeppa vertrocken, alwaar wij tegens den avond # ten anker kwamen, laetende door den Comp„s zendeling Patjelang nevens die van Bonij genaemd Laoedoe„ den - den Adatouang van sedeenring en Aroe Soepa bekend maeken, dat wij aldaar g'arriveerd en gezonden waren, door den heer gouverneur die d' Edele Comp„e representeerd, en den koning van Bonij; met versoek op morgen om met den anderen te mogen spreeken, als meede datze geen van beijde iets zoude onderneemen welke zendelingen met hun te rug komst rapporteerden dat z' beijde zeer verblijd wa„ „ren over onse komste, en ons op morgen zouden ver„ „wagten. Maandag den 7„e Smorgens omtrend seven uuren, zijn wij na den Ada„ „touang van sideenring gegaan, en bij onse verschijning. aldaar maekten w' aan denzelven bekend, dat wij door den heer gouverneur als representeerende d' Ed„e Comp„e te deeser Celebes en den koning van Bonij gezonden waaren, met een Jnstructie waar na den Adatouang van sedeenring zig zoude hebben te rigten; waar op gem: Adatouang ons ten antwoord gaf, dat wij een weijnig gelieven te wagten vermits zijne Pabitja„ „ras nog niet alle present en nog in hunne bentings waeren: dog desselfs halve broeder genaamd Dreeng Manappa intusschen gekomen weesende, zo verzogte # # geciteerde Adatouang ons, dat wij d' Jnstructie hem maar zoude laeten voorleesen, wijl de verwagt wordende Pabitjaras te lang weg bleven, 't geen ook terstond 365 1333 terstond door den Bonijse zendeling Laoedoe gedaan wesende, so gaven wij haar deselve nog daar en boven over„ om ze zelfs te lesen en namen daar op ons afscheijd. vervolgens hebben wij ons dien eijgenste dag na soeppa begeeven: bij onse komste aldaar gaven wij aan Arou soepa insgelijks te kennen, de reedenen van onse komst, ƒ onder aanbieding van de ons meede gegeevene Jnstructie, die hem door den Bonijse zendeling Laoedoe almeede voorgeleesen zijnde, vroegen wij Arou soepa nevens zijne presente Pabitjaras, of zij dies inhoud wel verstaan hadden, waar op Arou soeppa, zeer verhengd schijnende, Ja antwoorde: onder een oodmoedige dank„ „betuijging zo aan den heer gouverneur als den ko„ „ning van Bonij, 'er bijvoegende in substantie „ al was het alleen op ordre van den koning van Bonij, ik ben verpligt om dezelve te obedieeren, te meer dan nu, dat den heer gouverneur mij die ordre toe„ „gezonden heeft, en al was het morgen of overmorgen dat mijn heer en Meester, mij laet ontbieden, ik ben altoos bereijd om het na te komen. waar meede wij ons afscheijd namen en vertrocken, vervoegende ons, dus weder na den Aoatouang van Tideenring om na volgens d'intentie van onse Commissie antwoord te ontfangen Bij
English
Upon our arrival there, we were [received] by the Adatouang of Sedeenring, his half-brother the aforementioned Daeing Manappa, and some of the Pabitjaras. After having sat for a short time, we asked the Adatouang what answer he wished to give us. Whereupon, after a moment of silence and the shedding of some tears, he said: what shall I say, the will of my lord and Master must be done, and I am obliged to observe the same; ordering his people immediately to lay down their arms and to commit no more hostilities against those of Soeppa, having also caused a part of his people to depart. However, regarding his appearance at Macasser, he requested a postponement until the following day to provide his answer, because he first had to consult with his allies, namely Arou Boeloe ban-ngie on behalf of Soping, Arou Alitta, Arou Rappaang, Datoua sa witto, and without their advice could give no answer. Upon this, the Bone emissary Laoedoe said to the Adatouang of Sedeenring: we cannot grant you any postponement, since we must comply with the contents of our Instruction. To which statement the Adatouang of Sedeenring answered Laoedoe: since no postponement is granted to me, then simply say by when you wish me to depart; even if it were right now, I will do it, or do you wish that I should see to something else? Then, since the first undersigned saw that the much-mentioned Adatouang could not come to an agreement with the emissary Laoedoe, he deemed it best to consent to the requested postponement, provided that the Adatoeang would cause his men, who lay around the benting of Soeppa, to depart from there. To which the same replied: even if those men remain lying there, they dare not make the slightest hostile movement without my order; furthermore declaring that when Soepa opened the gates of its benting, the people of Soepa and his own would treat each other in all friendliness, as they were friends and kinsmen. With this we took our leave and departed to our vessels. About an hour thereafter, we went again, together with the emissary Patjilang, to the Adatouang of Sedeenring, in order to present to him the written order of Your Honorable Esteem regarding the disputes between him and the Datoua of Soping concerning the settlement Mario. Whereupon he served as an answer that it had already been presented to him in the name of Your Honorable Esteem by the chief interpreter Brugman and the Captain of the Malays Abdul Cadier that the aforementioned dispute would be amicably investigated and settled at the subordinate settlement of Soping named Lampoko; but that he had told the chief interpreter and the Malay Captain that he accepted that proposal only insofar as Datou Soping summoned him as a brother or as a private person to him, and that he, the Adatouang, was ready as such to comply with Soping's will, but by no means to speak about land matters, for the people of Sedeenring were not obliged to appear there at the call of the Datoua of Soping. Adding thereto that the chief interpreter had promised to come to Lampoko in person himself, or the Malay Captain, or a person of distinction, to hear the disputes there, which had not happened to this day. Furthermore, that Datou Soping had recently dispatched an emissary to him to make known that he had received a letter from Your Honorable Esteem to summon him, the Adatouang, to the settlement Lampoko. Whereupon he had asked that emissary whether the chief interpreter, or the Malay Captain, or another emissary of the Honorable Company had also arrived there, to which that emissary had answered him that he had seen no one there. Upon which the Pabitjaras had answered that they were not obliged to appear at the call of Soping, and thus could also not go to the settlement Lampoko to hold a meeting regarding land matters; that the Adatouang of Tideenring had further declared to that emissary that if the chief interpreter or the Malay Captain or someone else on behalf of the Honorable Company had arrived there, he possibly would not have failed to appear; but that since that time he had received no further news concerning that matter until now. Whereupon we asked the Adatouang of Tideenring again which place he thought would be best to hold the meeting for the settlement of the said disputes; but the same answered nothing other than that he now placed his trust in no one other than the Honorable Company and the Lord Governor alone, since with Bone he now had no more hope of life; as the recently deceased Bone monarch had been very angry with him for over two years, and all the evil that could possibly be laid to his charge was presented to the king. Of which it could serve as a living proof that the Bone Prince Arou Ngatacka alias Daeeng Ma Pata had arrived there two days before our arrival with 22 vessels manned by about 400 heads and well provided with munitions of war, pretending to have come with the prior knowledge of Bone, so that the Adatouang had come to the conception
Dutch transcription
Bij onse aankomsten aldaar vorden w' bij den Ada„ „touang van sedeenring desselfs halve broeder de voorn: Daeing Manappa en eenige van de Pabitjaras, na een weijnig tijds gezeeten te hebben, vroegen wij den Adatouang af, wat voor antwoord hij ons wilde geeven, waar op hij na een poosje tijd stilswijgen en het uijtstorten van eenige traanen, zeijde wat zal ik zeggen de wille van mijn heer en Meester moet geschieden, en ik ben genoodsaakt dezelve te obser„ „veeren, ordonneerende terstond zijne volkeren om de wapenen nee„ „der te leggen, en geen vijandelijkheden meer, tegen die van soeppa te gebruijken, hebbende ook een gedeelte van zijne volkeren doen vertrekken. dog belangende zijn opkomst te Macasser, ver„ „zogt hij uijtstel tot des anderen daags om van antwoord te die„ „nen, wijl hij eerst met zijne bondgenooten, namentlijk Arou Boeloe ban-ngie van wegens Soping Arou Alitta Arou Rappaang Datoua sa witto, moeste raadplegen en zonder hun advijs, geen andwoord konde geeven, hier op heeft den bonijse zendeling Lroe„ „doe tegens den Adatouang van Tedeenring gezegd, wij kunnen aan u geen uijtstel verleenen vermits wij aan den inhoud van onse Jnstructie moeten voldoen, op welke gezegde den Adatouang van sedeenring Laoedoe antwoorde, ter„ „wijl mij geen uijtstel vergund word, zo zegt dan maar tegens wanneer gij hebben wilt dat ik vertrecken zal, al was 't nu aanstonds ik zal 't doen, of wilt gij hebben dat 267 1335 dat ik wat anders zien zoude. Dan vermits den eerst geteekende zag, dat den veel gewaag„ „de Adatouang met den zendeling Laoedoe niet konde over een komen, heeft hij best g'oordeeld om in het versogte uijtstel te bewilligen, mits dat den Adatoeang zijne manschappen, die romtom de benting van soeppa lagen # van daar zoude doen vertrecken. daar denselven op repli„ „ceerde: al blijven die manschappen leggen, zij durven buijten mijn bevel geen de minste beweeging van vijand„ „schap doen, onder verdere betuijging dat wanneer soepa de poorten van zijne benting open deed de volkeren van soepa en die van hem elkander in alle vriendelijkheijd bejegenen zouden, alzo zij vrienden en maagdschap waaren: hier meede namen w' onse afscheijd en ver„ „trocken, na onse vaartuijgen. omtrend een uur daer na, begaven wij ons benevens den zendeling Patjilang weeder na den Adatouang van sedeenring, ten eijnde aan denzelven voor te houden de schriftelijke ordre van uw wel Edele Achtbaere, ten opzigte der geschillen tusschen hem en den Datoua van Soping, omtrend de Negorij Mario, waar op hij tot antwoord diende, dat hem bereeds uijt naam van uw wel Edele Achtbaere door den oppertolk Brug„ „man en den Capitain der maleijers Abdul Cadier was voorgehouden, dat de voorsz: quasti op de onder„ „hoorige. onderhoorige negorij van soping genaamd Lampoko in der minne zoude onderzogt en afgemaakt worden; maar dat hij tegens den oppertolk en Capitain Malaijer hadde gezegt dien voorslag in zo verre aante neemen, mits Datou soping hem als een broeder dan wel als een particulier persoon bij zig ontbood, en dat hij Adatouang als zodanig gereed was sopings wille, op te volgen, maar geensints om over land zaeken te spreeken want de sedeenringers niet gehouden waaren op het roepen van den datoua van Soping aldaar te verscheijnen, voegende 'er bij dat den oppertolk belooft hadde zelfs in persoon of den Capitain maleijer dan wel een perzoon van aansien, op Lampoko te zullen komen, om daar de geschillen aan te hooren, 't geen tot heden toe niet waare geschied. voorts dat Datou soping onlangs een sendeling aan hem hadde afgevaerdigd, om bekend te maeken dat hij een brief van uw Wel Edele Achtb: had ontfangen, om hem Adatouang op de Negorij Lampoko t'ontbieden, waar op hij, aan dien zendeling gevraagd hadde, of den oppertolk, dan wel Capitain Maleijer of andere 'sComp„s zendeling aldaar meede gekomen waaren, zo had dien zendeling teegens hem g'antwoord nie„ „mand aldaar gezien te hebben, op 't welke de pabitja„ „ras hadden g'antwoord, dat zij niet gehouden waeren op het roepen van soping te verscheijnen, en dus ook niet op de Negorij Lampoko te kunnen gaan, om over land zaeken vergadering 1337 vergadering te houden: dat Adatouang van Tideenring tegens dien zendeling verders gedeclareerd hadde, indien den oppertolk of den Capitain maleijer dan wel iemand # anders 'sE Comp„s weegen aldaar waeren gekomen, hij mo„ „gelijk niet in gebreeke zoude zijn gebleeven te ver„ „scheijnen: dog dat hij zedert die tijd geen nadere tijding omtrend die zaak had bekomen als nu waar op wij weeder aan den Adatouang van Tideenring vroegen, welke plaats hij dagt best te weesen, om de bij een„ komste te houden ter afdoening der gemelde geschillen: dog den zelven antwoorde niet anders dan dat hij zijne vertrouwendheijd thans op niemand gesteld hadde, dan alleen op d'Ed„e Comp„e en den heer gouverneur, dewijl hij bij Bonij thans geen hoop van leeven meer hadde; alzo den Jongst overleeden Bonijs vorst al over de twee Jaeren op hem zeer toornig was geweest en alle kwaad, wat maar tot zijnen laste konde strecken, den koning voorgedragen wierd, waar van tot een levendige blijk konde strecken dat den Bonijs Prins Arou Ngatac„ „ka /alias:/ Daeeng Ma Pata twee dagen voor onse aankomst aldaar met 22: vaartuijgen bemand met omtrend 400: koppen en wel voorsien van ammuni„ „tie van oorlog, aldaar was aangekomen, voorgevende: met voor kennisse van Bonij gekomen te zijn, zo dat den Adatouang in een denkbeeld geraakt was
English
was that Arou Ngatacka had been sent there to settle the dispute, having by no means thought that he would act as an enemy, as had happened two days before our arrival, when Arou Ngatacka had put his people ashore, intending to bring them into Soepa to serve as assistance to Arou Soepa, but that the half-brother of him, the Adatouang, learning of this, had immediately made an attack on those people, whereby three were killed and 7 wounded on the side of Sideenring, and one dead and 6 wounded on the side of Arou Ngatacka, with the people of Arou Ngatacka moreover being chased back to their vessels by those of Tedeenring, on which account the Adatouang declared that he felt aggrieved that he was accused of having shown hostilities against Bone's children, adding once more that he placed his trust in no one else than solely in the Company and the lord Governor. After this, the Adatouang related to us how the envoy Laoedoe had previously come to investigate the dispute that had arisen at that time between Baajo and Batoe kiki; Batoe kiki had then addressed Sideenring, but Soepa had protested against it, pretending that Batoe kikie fell under the jurisdiction of Soepa, which dispute was then also settled amicably by Laoedoe at Pare Pare, since on that occasion he had asked what one should consider the people of Tideenring coming into Batoe kikie to be, and it having been answered thereupon by him, the Adatouang of Sedeenring, that they were subjects of Batoe kikie, the disputing parties had laid down their arms and were reconciled; but that after the lapse of two days, namely after the departure of messenger Laoedoe, a horse belonging to him, the Datou of Sideenring, having been stolen from the negorij Soreang and transported to Soepa, he had sent an envoy to Aroe Soepa to request its return, but Arou Soepa had refused to let the said envoy enter and had merely said he knew nothing of any horse, with which message the envoy having returned, he, the Adatouang, had thereupon departed with his force for Pare Pare and subsequently two days thereafter for Soupa, where he at once, without first speaking with the Aron, had engaged in skirmishing, which had been the first attack, and subsequently the second time on the 29th of the past month, after Laoedoe had arrived there again, and lastly against Aroe Ngatacka, so that it had been a great piece of good fortune for both of them that we had arrived there yesterday evening, since otherwise such would have happened again this day in order to bring an end to the matter then. Whereupon, when we asked the Adatouang how many dead and wounded he had suffered, he answered 15 dead and over 80 wounded. While we were still sitting there, some muskets and rantackangs were brought in from the other bentings, after which we took our leave and departed. The next day, being the 8th, in the forenoon, we again went to the Adatouang of Tideenring to ask him whether he intended to depart, for we dared not remain here any longer, as we had completed our commission; to which he answered yes, if not this evening, then at the very latest tomorrow, subsequently making known that he was very pleased with our arrival, as well as that those to whom he had appealed yesterday had come immediately, namely Arou Boulo Ba-ngi and associates, who requested us that they might also hear the instructions, to which we consented, having the said instructions read to them by Laoedoe, after which he answered us that he had nothing against it, making it known that those of Adja Tamparang, being five in alliance, whenever two of them had a dispute, the others were obliged to inform the disputing parties, and if that could not be done, they were then obliged to address the court of Bonij and submit the dispute there; but since they were too late and the commissioners of the Company had arrived here sooner, they were highly pleased and would therefore deliberate with one another about it. Whereupon we answered that we had not come to hold a council, but had been sent to fulfill the contents of our instructions. Subsequently we went again to Arousoepa to inform him that the Adatouang of Sideenring would depart from here by tomorrow morning; to which he answered that it was well. In the evening, the envoy of Arou Boelo ba-ngie came to us, making known that the three of them had sat together on the matter, requesting also to be allowed to send to Arou Soepa to inform him thereof, and further making known that the Datoe of Sedeenring had already departed. We again gave as an answer to that envoy that we persisted in our previous answer, and since the Datour of Sedeenring had already departed
Dutch transcription
was dat Arou Ngatacka aldaar was gezonden om de quasti te decideeren, geenzints gedagt hebbende, dat hij als een vijand zoude ageeren, zo als twee dagen voor onse aankomst ge„ „schied waare, wanneer Arou Ngatacka zijn volk aan Land gezet hadde, van meening dezelve in soepa te bren„ „gen om tot assistentie van Arou Soepa te dienen, dog dat de halve broeder van hem Adatouang zulks ver„ „neemende, aanstonds een aanval op dat volk hadde gedaan, waer door aan de zijde van sideenring drie gesneuveld en 7: gequets waaren, en aan de zijde van Arou Ngatacka, een dood en 6: gequetste, werdende nog daar en boven de vol-keren van Arou Ngatacka door die van Tedeenring tot aan hunne vaartuijgen verjaegt, weshalven den Adatouang betuijgde, zig zelven beswaerd te vinden, dat hem wierd na ge„ „geeven tegen Bonijs. kinderen vijandelijkheden be„ „toond te hebben. onder nogmalige bijvoeging op niemand anders zijn vertrouwen te stellen, dan alleen op dE Comp„e en den heer gouverneur Hier na verhaalde ons den Adatouang, hoe den sen„ „deling Laoedoe bevoorens gekomen zijnde, om de quasti„ doenmaals ontstaan tusschen Baajo en Batoe kiki t' onderzoeken Batoe kiki, zig toen bij sedeenring g'addresseerd, maar soepa daar tegen geprotesteerd hadde, voor geevende dat Batoe kikie onder soepa sorteerde 271 1339 sorteerde welke geschil dan ook door Laoedoe te bare Pare in der minne was afgemaakt, also hij bij die gelegentheijt gevraagd hebbende, waar voor men de volkeren van Tideenring in Batoe kikie komende, zoude moeten aanzien, en daar op door hem Ada„ „touang van sedeenring g'antwoord zijnde, voor onder„ „daanen van Batoe kikie; de twistende parthijen de wapenen neer gelegd hadden en verzoend waaren; dog dat na verloop van twee dagen, en wel na 't ver„ „trek van soeroe Laoedoe, een paard van hem Datouâ sideenring van de Negorij soreang gestolen en na soe„ „pa vervoerd zijnde, hij een zendeling na Aroe soepa gezonden hebbende, om het zelve te rug te versoeken, Arou Soepa gemelde zendeling niet hadde willen laeten binnen komen en enkel gezegt hadde, van geen Paard te weeten, met welke boodschap den zendeling te rug gekomen zijnde, zo was hij Adatouang daar op met zijn magt na Pare Pare vertrocken en ver„ „volgens twee dagen daar na, na soupa, alwaar hij ten eersten met den Aron, zonder alvoorens met denselven te spreeken, aan het schermutselen was geraekt, 't geen de eerste attacque was ge„ „weest, en vervolgens de tweede reijse op den 29„e der gepasseerde maand, nadat Laoedoe aldaar wee„ „der was aangekomen, en laatstelijk tegen Aroe Ngatacka, zo dat het een groot geluk voor hun beijde was. was geweest, dat wij gisteren avond aldaar g'arriveerd waaren, vermits zulk andersints deesen dag weeder zoude sijn gebeurd, om daar door een eijnde dan van de zaak te maken, Waar op wij den Adatouang vragende, hoe veel dooden en gequetsten hij hadde gekreegen, zo antwoorde hij 15: dooden en over de 80. gequetsten, terwijl wij daar nog zaten wierden er eenige geweeren en Rantackangs van d' andere bentings aangebragt waar na wij ons afscheijd namen en vertrocken. Des anderen dregs zijnde den 8„e 's voor de middags begaven wij weeder ons na den Adatouang van Tideenring om den zelven afte vragen of hij g'intentioneerd was te vertrecken, want dat wij alhier niet langer durfden verblijven ver„ „blijven, alzo wij onse Commissie volbragt hadden, waar op hij ten antwoord gaf van ja: zo niet van avond dan ten alder langste op morgen, vervolgens te kennen gee„ „vende: dat hij zeer verblijd was, over onse aankomst, als meede dat de geene daar hij zig gisteren op hadde be„ „roepen, zo op stonds gekomen waeren, namentlijk Arou Boulo Ba-ngi C: S: die ons verzogten d' Jnstructie meede te mogen hooren, dat wij toestemden, laetende gem: Jnstructie door Laoedoe hun voorleesen waar na hij ons ten antwoord gaf, daar tegen niets te hebben„ onder te kennen gave, dat die van Adja Tampa„ „rang met hun vijven in verbond zijnde, wanneer twee van 273 1341 van hen questi kregen de anderen gehouden waren de twistende parthijen te onderrigten en zulks niet kun„ „nende geschieden, z' dan verpligt waaren, zig aan het Hof van Bonij t'addresseeren, en aldaar de questi voor„ te dragen, dan vermits zij te laat en de gecommitteer„ „dens van dE Comp„e eerder hier gekomen waeren, zij sig ten hoogsten verblijden en dierhalven met malkan„ „deren daar over zouden raadpleegen. waar op wij ten antwoord gaven niet te zijn gekomen om vergadering te houden, maar gezonden te wesen om aan den inhoud van onse Instructie te voldaan. vervolgens begaven wij ons, weeder na Arousoepa om hem te communiceeren dat Adatouang van sideen„ „ring tegens morgen oohtend, van hier zoude vertrecken; waar op hij ten antwoord gaf dat het wel was Des avonds kwam bij ons den zendeling van Arou Boelo ba-ngie bekend maekende, datze met hun drien over de zaak hadden gezeeten, verzoekende ook bij Arou Soepa te mogen zenden, om denzelven daar van te verwittigen en verder te kennen gevende: dat Datoea sedeenring al vertrocken was. Wij hebben aan dien zendeling weeder tot antwoord ge„ „geeven dat wij bij ons voorig antwoord bleven persisteeren, en terwijl Datour sedeenring reets vertrocken was „
English
that he, Arou Boelo ban=ngie, likewise wished to depart tomorrow, that we further accepted all this for communication, and upon our return would make a proper report to the Lord Governor and Bonij. Wednesday the 9:th in the early morning, we went ashore to inquire whether the Adatouang of Tedeenring had already departed, and saw that he was preparing himself, as his people were setting fire to their huts that were in the bentings. After which we took our way to soupa. Having arrived there, we asked Arou soepa what he had to say, and when he would proceed to Macasser. To which he answered, as soon as he had put everything in order, and that he would then send to the Datoua of sedeenring to inquire when he also intended to depart for Macasser. Furthermore, we asked Arou soepa how many dead and wounded he had suffered, as well as to show us how many prominent bentings of Gedeenring there were, to which he replied to us that he had no more than 4 dead and 7 wounded, and that there were thirty prominent bentings in total, but generally speaking well seventy bentings, just as we also have seen. Where after we took our leave and departed for Pare Pare. On our return journey, we saw that the people of Boelo Ban=ngie were likewise gradually leaving that place. In the evening we departed from the negorij Pare Pare, and arrived here on the 10:th following. Wherewith, hoping to have fulfilled the order of Your Right Honorable to satisfaction, we declare with all due respect to be Wel Edele Achtbaere heer your Right Honorable's humble and faithful servant was signed C:t J:k Blij and some Malay characters beside which was written, this is the mark of Abdul Cadier at the side Maros the 12:th of August 1775: lower Agreed signed H: B: Hodenpijl: Translation of a Buginese Letter written by the Queen of Tanette, to the Right Honorable Lord Governor Compliments as customary My manifold greetings to my brother the Lord Governor, and I hereby make known that I am currently sending the Pabitjara of Tanette to His Honorable, to inquire of His Honorable how matters stand with my claim to the paddy fields located in maras together with the people of the same, since their ancestors have always cultivated the said paddy fields, of which your brother matinroa ri malimoengang was also aware, having already during His Highness's lifetime ordered the makadantana, together with the galarrang Bontoala and the Jannang maros, to investigate that claim when the tithing time should arrive, but that prince passed away before the commencement thereof. Written in Tanette on Thursday the 16:th of August 1775. under was written for the translation was signed G:t Brugman lower Agreed signed H: B: Hodenpijl. Maccasser To The Right Honorable Lord Paulus Gooofredus van den Voort Governor and Director of this Coast of Celebes etc: etc: Right Honorable Lord! I have the honor hereby most humbly to communicate to Your Right Honorable that I have sent out to collect the Honorable Company's tithe paddy, but on several negorijen received the answer that they did not wish to deliver anything until they had received orders from the King of Bone, as also on the Negorijen Parang setang, Panoeroekang and sangalea, it is alleged that Datoea Baringang has ordered not to give any rice or paddy, and if I wanted anything, that I had to seek it with the said Datoea Baringang in Maccasser. On On the negorij D'jawie Djawie, the widow Muller was tithed for two hundred bundles of paddy, but her people have flatly refused it, with the pretext that it had pleased His Right Honorable to grant the tithe to the widow, wherefore I would most humbly request honorable orders as to how I am to conduct myself in this matter. Herewith having obediently submitted myself beforehand to His Right Honorable's high protection, I have the honor to call myself with all respectful reverence. Wel Edelen Agtbaaren Heer His Right Honorable's much obliged and humble servant was signed Jacob Albregt Landorff in the margin Maros the 16:th of September 1775: lower signed H: B: Hodenpijl: To the Right Honorable Lord Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director at the Coast of Celebes. Maccasser Right Honorable Lord On the 9:th of May last I had the honor to receive Your Right Honorable's highly esteemed letter of the 17:th of April prior, to which I hereby serve a humble reply, initially beginning with Salimparang; I have not yet been able to execute the high order of the Honorable High Indian Government to this day, caused by the demise of both princes, of Greater Balij, and of salimparang, and thus it cannot take place until after the conclusion of the ceremonial funeral procession, or properly on the first of October next, at which time the present king Justi madekarang assang has determined he will await me there, all of which I have already to Your Right
Dutch transcription
was, hij Arou Boelo ban=ngie meede tegens morgen geliefde te vertrecken, dat wij het een en ander ver„ „der voor Communicatie aanneemen, en bij onse terug komsten een behoorlijk rapport aan den heer gouver„ „neur en Bonij doen zouden. woensdag den 9:e in den vroegen morgen, begaven wij ons aan land om te verneemen of Adatouang van Tedeenring al vertrocken was, en zagen dat hij zig gereed maakte, alzo zijne volkeren hunne hutjes die in de bentings waeren in de brand staken. waar na wij onse weg na soupa namen, daar gekomen zijnde, zo vroegen wij Arou soepa wat hij te zeggen hadde, en wanneer hij zig na Macasser zoude begeeven! daar hij op ant„ „woorde, zo dra hij alles in ordre zoude gebragt heb„ „ben, en dat hij, als dan, na den Datoua van sedeen„ „ring, zoude zenden om te verneemen wanneer hij meede na Macasser meende te vertrecken. wijders vroegen wij Arou soepa, hoe veel dooden en gequetsten hij hadde gekreegen, als meede te willen laeten zien hoe veele voornaeme bentings er van Gedeenring waeren, waar op hij ons ten ant„ „woord gaf, dat hij niet meer aan dood en gehad dan 4. en 7: gequetsten dat 'er in 't geheel dertig voorname dog in 't generaal genomen wel seventig bentings waeren, zo als wij ook gezien hebben. Waar 27 1343 Transl: waar na mij ons afscheijd namen en na Pare Pare ver„ „trooken in onse te rug reijse zagen wij, dat de volkeren van Boelo Ban=ngie meede algaande weg die plaetse verlieten, 's avonds zijn wij van de negorij Pare Pare vertrocken, en den 10„e daar aan alhier g'arriveerd. waar meede verhopende aan de ordre van uw wel Edele Achtb: na genoegen te hebben voldaan, betuijgen wij met alle schuldige eerbied te zijn /:onderstond:/ Wel Edele Acht„ „baere heer /:lager:/ uw wel Edele Achtb: onderdanige en trouwschuldige Dienaar /:was geteekend:/ C„t J„k Blij en een maleijtse Caracters waar bij stond geschreeven, dit is het merk van Abdul Cadier /:ter zeijde:/ Maros den 12„e Augustus 1775: — /lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — Translaat Bougineese Brief geschreeven door d' koningin van Tanette, aan den Wel Edelen Agtbaeren heer Gouverneur Compliment na gewoonte Mijn veelvuldige groet aan mijn broeder den Heer gouverneur en maake bij deeze bekend, dat ik thans aan zijn Ed: Agtb: afzend den Pabitjara van Tanette, om van zijn Ed: Agtb: te verneemen, hoedanig dat met mijn pretensie der padij velden geleegen, te maras benevens de volkeren van dezelve gesteld is vermits hunne voor ou„ „ders de ged„e padij velden altijd bewerkt hebben, waar van uw broeder matinroa ri malimoengang meede bewust was, hebbende bereeds bij zijn hoog„ „heijds leevens tijd den makadantana, benevens den galarrang Bontoala en den Jannang maros gelast heeft, wanneer dat de verthie„ „nings. 277 1345 Aan. „nings- tijd zoude weesen, die pretensie te onderzoe„ „ken, dog dien vorst, is voor't aangaan van dien ko„ „men te overlijden. Geschreeven te Tanette op Donderdag den 16„e au„ gustus 1775. — /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G„t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Maccasser Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Gooofredus van den Voort Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes etc: etc: Wel Edelen Agtbaaren Heer! Ik hebbe de Eere sijn wel Edelen Agtbaaren hier door seer needrigst te communiceeren, dat ik om 1E Compagnies verthiende Padij, om deselve in te vragen uijtgesonden hebbe, maar op verscheijde negorijen tot andwoord gekreegen, dat sij luijden niet eerder iets wilden afleveren, voor dat sij ordre van den koning van Bone ontfangen hadden, als ook op de Negorijen Parang setang, Panoe„ „roekang en sangalea, word voor gegeven, dat Datoea Baringang sal belast hebben geen Rijst of Padij te geven, en als ik wat hebben wilde, dat ik het bij den gemelden Datoea Barin„ „gang op Maccasser moest soeken. op 1347 Op de negorij D'jawie Djawie, is de weduwe Mul„ „ler voor twee hondert bossen Padij verthient, maar haar volk hebben het volstrekt geweijgert, met voorgeven, dat het sijn wel Edelen Agtbaaren gelieft hadde, de verthiende aan de weduwe te schenken, dies„ „halven wilde seer nedrigst versoeken, om g'Eerde or„ „dre, hoe mij in deese saak sal te gedragen hebben. Hier meede mij bevoorens in sijn wel Edelen Agtbaa„ „ren hooge Protectie gehoors amst onderworpen hebbende, hebbe de eere mij met alle eersienlijke eerbied te noemen. /:onderstond:/ Wel Edelen Agtbaaren Heer /:lager:/ sijn wel Edelen Agtbaaren veel verschuldigden en onderdanigen Dienaar /:was geteekend:/ Jacob Albregt Landorff /:in margine:/ Maros den 16:e September 1775: - /:lager :/ geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — Aan Maccasser Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en Directeur ter Custe Celebes. Wel Edelen Agtbaaren Heer Op den 9„e Meij J: L: heb ik de Eer gehad te ontfangen uwel Edele Agtb: veel g'agte letteren van den 17„e April bevoorens, op dewelke ik bij deesen in needrig antwoord. dienende, aan„ „vankelijk beginnende met Salimparang; heb ik aan 't hoog bevel der Edele hooge Indiasche Regeering tot heeden nog niet kunnen ter uijtvoer brengen, ver„ „oorzaakt door 't afsterven der beijde vorsten, van groot Balij, en van salimparang, en dus niet eerder zal kunnen geschieden als na het eijndigen der Ceremo„ „nieele lijkstatie, of eijgentlijk met primo october aanstaande, op welken tijd den teegenswoordigen ko„ „ning Justi madekarang assang, bepaald heeft, mij aldaar zal afwagten, dit alles heb ik bereeds uwel Aan den Wel Edelen Agtbaaren Heer Edele
English
Honorable and Respected Sirs, communication was given by my humble letter of 22 July, to the contents of which I humbly refer. Furthermore, on the 10th of the past month, the envoys of Sumbauwa arrived here from Maccasser, accompanied by your Honorable and Respected Sirs' letter of 19 June of the current year. I have duly debited the realm of Sumbawa in my cash account for the sum of 1250 Dutch rixdollars, which they took up over there. I also did not fail to urge the king most strongly to depart for Maccasser. His Highness has firmly promised me that he will depart within this year, having already purchased a vessel for his transport, so I firmly trust that this prince will now fulfill his obligation. And regarding the vessel in question belonging to the king of Salimparang, which has been retained by the Sumbawarese, I held up to the king and his realm's grandees in serious terms their bad and punishable behavior, while demanding satisfaction, which they have also promised me to pay. With regard to the murder committed by the Wadjorese upon some Malays belonging to Tanjong karang, I have investigated and inquired as much as possible. The king and the realm's grandees together have informed me that the aforementioned Malays stayed along Sumbawa's coast for some time, committing acts of piracy, and that several of his subjects, who were sailing along the shore in small vessels for provisions, were attacked by that pirate and had everything taken away, indeed to such an extent that no small vessels dared to show themselves along the shore anymore. Therefore, His Highness, because of the numerous complaints made by his subjects, had been forced to send some people from the villages with vessels along the coast to hinder and oppose them if possible, until finally, meeting this aforementioned pirate near the settlement of Betang, they recognized them to be pirates by the vessel and rigging, which is made differently from the ordinary native vessels, and thus cunningly lured the Nakhoda ashore and killed him. However, since to this day no complaints in this regard have come from Salimparang, notwithstanding that several letters from Gusti Indekarang Assang have already been received here in which not the slightest mention is made of it, I have, under the favorable approval of your Honorable and Respected Sirs, provisionally let this matter rest as it is, until such time as I myself arrive at Tanjong karang to investigate further. Nevertheless, I have notified the king and his realm's grandees that in case these statements of theirs should be found to be to the contrary, they can expect damages, and the perpetrators will, without connivance, receive such consequences. The young king of Tambora, having arrived here safely together with his realm's grandees on 13 March under your Honorable and Respected Sirs' letter of 19 January of the current year, I did not fail to investigate what the former king still claims from the realm. All the grandees together unanimously declared that they have handed over everything that he could rightfully claim from the land. It is true that several slaves are still roaming about on Tambora; they have retained them because the said deposed king left 3600 rixdollars in debts, which the land of Tambora had to pay to Bima's king, and to this day 1600 rixdollars still remain in arrears, for which reason they rightfully believe they ought to retain the aforementioned slaves to perform service for the land. Furthermore, since the confirmation of this young prince, everything is currently still in a good and peaceful state, while the undersigned will not fail, in accordance with your Honorable and Respected Sirs' honored order, to ensure the continuation of this carefully. The king of Dompo, whose envoys arrived here safely on the 17th thereafter under your Honorable and Respected Sirs' letter of 2 April, will depart for your parts in the coming month, and I report herewith that this prince thus far lives in good harmony with his grandees, as do the other kings of Sangar and Pekat, of whom there is nothing to note. And thus passing on to the land of Bima, which is also in a good condition under the supervision of the Regent Turelie Dongo, who is having the young prince raised and instructed in all praiseworthy exercises. All the realm's grandees together have informed me that they will send envoys to the capital of the Indies in the coming month, in order to pay their respects to His High Nobility the Governor-General according to ancient custom. Here
Dutch transcription
281 1349 Edele Agtb: bij mijn nedrige letteren van den 22„e Julij Com„ municatie gegeven, en aan welkers inhoud ik ootmoe„ „dig refereeren. Wijders is op den 10„e der gepasseerde maand alhier van Mac„ „casser g'arriveerd, de gezanten van Sumbauwa, onder uwel Edele Agtb: geleijde letteren van den 19„e Junij a„o stantij„ ik heb behoorlijk bij mijn Cassa reecq: 't Rijk van sum„ „bawa gedebiteerd de somma van rd„s 1250: hollands, die zij lieden â Costij hebben opgenoomen, ook heb ik niet gemankeerd den koning op het kragtigste aangedrongen, dat hij na Maccasser vertrek, zijn Hoogheijd heeft mijn vast beloofd nog in deesen Jaar te zullen vertrekken heb„ „bende ook bereeds tot zijn transport Een vaarthuijg ge„ „kogt, dus ik vast vertrouwe dat dien vorst thans aan zijn gehoudenisse zal nakoomen; en omtrend het bewuste vaarthuijg van den koning van Salimparang, welke door de sumbawareesen agter gehouden is, heb ik den koning en zijne Rijksgrooten in Ernstige termen hun slegt en straf waardig gedrag, voorgehouden, teffens voldoening geEijscht, mij ook belooft hebben te zullen betaalen; Ten aanzien van de gepleegde moord door de wadjoree„ „sen gedaan, aan Eenige op Tanjong karang te huijs„ „hoorende maleijers, heb ik zo veel moogelijk nagevorst en onderzoek gedaan, den koning ende gezament„ „lijke Rijksgrooten hebben mij te keun en gegeven, dat voorn: Maleijers zig eenigen tijd langs sumbawas kust hebben opgehouden, met 't pleegen van seeroverijen, en en verscheijd van zijn onderdaan en die om leevens middelen met kleij„ „ne vaarthuijgen langs de wal vaarende door dien roover zijn geattac„ „queerd en alles weggenoomen, ja zodanig dat'er geen vaarthuijgjes meer langs deselve durve verthoonen, dus zijn hoogheid, om de meenigvul„ „dige klagten door zijn onderdaanen gedaan, genoodzaakt was geweest, eenige Campongs volkeren met vaarthuijgen langs de kust te moeten zenden, om waere het moogelijk, deselve te beletten en tegen te gaan, tot eijndelijk, dat zij deesen voorn: roover bij de nego„ „rij betang ontmoetende, aan 't vaarthuijg en zijlagie /:welke afzonderlijk gemaakt is, dan de ordinaire Inlands vaarthuijgen:/ gekend wierde Roovers te zeijn, dus op een Listige wijse den Nacho„ „da aan de wal gelokt, en om het leeven gebragt, Dan vermits tot heeden dog geene klagten dierweegens van sa„ „limparang gekomen, niet teegenstaande 'er al verscheijde brie„ „ven van gusti indekarang Assang alhier zijn ontfange, daar in geen de minste mentie werd gemaakt, heb ik deese zaak on„ „der gunstige goedkuringe van uwel Edele Agtb: bij provisie zoda„ „nig laate berusten, tot tijd en wijle ik zelfs op Tanjong karang komt, om nader te onderzoeken, egter den koning en desselfs Rijko„ „ grooten aangezegd, dat ingevalle deese hunne gezegdens Contra„ „rie mogte gevonden werden, zij voorschaade kunnen wagten mits„ „gaders de daaders zonder Conniventie, zoon na werken zullen erlangen. Den jong koning van Tambora nevens desselfs Rijksgroo„ „ten op den 13„e Maart, onder uwel Edele Agtb: geleijde letteren van den 19„e Januarij anno stantij alhier behouden g'arriveerd zijnde, heb ik niet gemankeerd onderzoek te doen van het geen den geweesen koning nog van 't Rijk komt af te vorderen, de 2 1351 de gezamentlijke grooten, hebben een paariglijk verklaard, datse alles hebben overgegeven, wat hij van 't Land met regt konde Eijsschen, wel is waar, dat 'er nog verscheijde slaaven op Tambora rondswerven, deselve hebbense behouden, vermits den gem: af„ „gezetten koning 3600: rd=s aan schulden heeft nagelaaten, die het land van Tambora aan bimas koning heeft moete betaalen, en tot heeden nog ad„s 1600: ten agteren blijft, waar omme zij met regt vermeenen, de voorn: slaaven te moeten behouden om 's lands dienst te doen. wijders zijn thans zeedert de bevestiging van deesen Jong vorst, alles nog in Een goede vreedzaam, Terwijl den ondergeteekende niet zal mankeeren, na volgens uwel Edele Agtb: geEerde ordre, tot de Continuatie in deesen zorgvuldig te maaken. Den koning van Dompo, welker gezanten, onder geleijde letteren van uwel Edele Agtb: van den 2„e April op den 17„e daar aan, alhier behouden g'arriveerd zijnde, zal in den aanstaande maand Costijwaards vertrekken, en melden hier bij, dat deesen vorst tot dus verre met zijn grooten in Een goede harmonie leeven, als wel de andere konin„ „gen van Sangar, en Pekat, van dewelke niets te noteeren vallende, en dus overgaande het Land van Bima, welke meede in Een goede toestand is, onder toezigt van den Regent Turelie Dongo, die den Jong vorst in alle prij„ „zelijke oeffeninge laat optrekken, en onderwijzen, De gezamentlijke Rijksgrooten hebben mij te kennen gegeven, datze gezanten in den aanstaande maand naar Jndias hoofdplaats zullen zenden, ten eijnde volgens oude gewoonte hunne pligt afte leggen bij zijn Hoog Edelheid den heer gouverneur generaal. Hier
English
Having hereby communicated all the matters of this opposite shore to Your Right Honourable, in the hope that all my actions taken herein may carry Your Right Honourable's favorable approval, and thus proceeding to the Post here, on account of whose inadequacy I hereby take the liberty to present to Your Right Honourable a plan for a New post, having 3 points on it, very capable of defense with a dwelling for the Resident, sergeant, and Corporals, all being able to lodge therein; furthermore, the same can be placed Three hundred paces further southwards from this post, close to the River bank in order to obtain fresh water in time of Need, which one cannot have in this one, as Your Right Honourable will be pleased to see from the drawing; wherefore I request, in case Your Right Honourable should approve the making of a New post, to kindly send me 2 masons, with as many bricks as Your Right Honourable shall judge to be enough, while the lime and woodwork needed for it can well be found here. Wherewith I close this, having commended Your Right Honourable's precious person, alongside the Company's weighty interests, into the safe keeping of God, I subscribe with all Respect. Beneath stood: Right Honourable Sir. Lower: Your Right Honourable's Dutiful Servant. Was signed: A: Lecerf. In the margin: Bima In the Company's fortress the 7th of September 1775: Lower: Agrees. Signed: H: B: Hodenpijl. To 287 1353 Bima To the ensign Alexander Lecerf, Commandant there Valiant, pious, Discreet. Although I have already seen from your letter of the 22nd of July past that besides the king of Great Balij, Salemparang's ruler Gusti Waijantaga had also passed away, I nevertheless remained uncertain as to who specifically are the persons that have succeeded the one and the other, until the receipt of your further letter of the 7th of this month, and reports received therewith from others, according to which the grandson of the last-mentioned, named Gusti Moera Made Karang Assang, has been appointed as king of Great Balij in the place of the first-mentioned, and Gusti Made Karang Assang as king of Salemparang, to which latter I then dispatch such a letter in reply to his letter as you may see from the Copy annexed hereto, wherefore I expect that you, in conformity with his intention, will attempt as soon as possible to speak with him regarding the entering into a Contract with this Realm and that of Great Balij, and employ everything possible for that purpose, according to what was formerly given to you in mandates, of which I still wish a good success. Furthermore, I hope that the king of Sumbauwa will finally come hither this Year without fail, and likewise the Young king of Dompo, and I simultaneously expect the prompt settlement for the vessel in question that the Sumbawarese have withheld and misappropriated, which can subsequently be offered to the reigning king of Salemparang, while with regard to the massacre reported earlier of some Malays belonging to Tanjong Karang, I shall await further notice, in the confidence that you will conduct a careful investigation into it; on the other hand, I am quite content that you let the claim of the former king of Tambora take its course, the more so as he no longer makes any move concerning it himself. It has further been pleasing to me to learn of the peaceful state of affairs with regard to the other allies, which I wish may remain permanent. Concerning the plan sent to me for the renovation or relocation of the fort, I cannot give any authorization without the orders of Their High Excellencies, who must first be informed by as accurate an estimate of the costs as possible, which cannot be calculated here from the plan; wherefore I order you to report this to me, as well as whether the lime over there can be obtained without expense to the Company, and how many bricks you would actually need from here, of which a thousand comes to cost 3¾ rd. Wherewith, after greetings, I remain. Beneath stood: Your good friend. Was signed: P: G:o van der Voort. In the margin: Moccasser in Castle Rotterdam the 22nd of Sept: 1775. Lower: Agrees. Signed: H: B: Hodenpijl. To 1355. To the king of Salemparang Gusti Made Karang Assang After the customary preamble. I have duly received Your Highness's letter of the 4th of the month Jumada al-Awwal in the Year 1189, in which Your Highness informs me of your election as king of Salemparang in the place of the deceased Gusti Waijantaga: I congratulate Your Highness wholeheartedly on this account, wishing that this may serve the welfare of the country and peoples of Salemparang and the further increase and confirmation of the friendship with the Noble Company, which is still fully inclined, to that end, to conclude a Contract with Your Highness and likewise with the king of Great Balij, whereby all such reasons for complaints will be prevented, as Your Highness adduces with regard to the vessels sent to Samarang and Sourobaija, because the Contract was at that time not yet fully concluded, and therefore from that...
Dutch transcription
Hier meede alle het zaakelijkheeden van deesen overwal uwel Edele Agtb: te hebben gecommuniceerd, in hoope, dat alle mijne behandelingen in deesen gedaan Eene gunstige goedkeuringe van uwel Edele Agtb: mogen wegdraagen, en dus overstappende tot den Post alhier, door welker onbequaamheijd, ik bij deesen de vrijheijd gebruijken uwel Edele Agtb: aan te bieden, Een plan tot een Nieuwe post, zijnde met 3. punten daar aan, zeer bequaam tot defensie met Een wooning voor den Resident, sergeant, en Corporaals, kunnende alle in logeeren, voorts kan deselve gezet werden Drie hondert schreeden zuijdwaards verder van deese post, digt aan de Revier kant om in tijd van Nood zoet waater te krijgen, daar men in deese niet kan hebben, gelijk uwel Edele Agtb: uijt de afteekening, des gelie„ „vende zal kunnen zien, weshalven verzoeke indien uwel Edele Agtb: 't mogte goedkeuren om Een Nieuwe post te ma„ „ken, mij 2. metzelaars gelieve toe te zenden, met zo veel met zelsteenen als uwel Edele Agtb: zal oordeelen genoeg te zijn, terwijl de kalk en houd werken dat daar toe noodig zijnde alhier wel kan gevonden werden. waar meede deese sluijte na uwel Edele Agtb: dier„ „baare perzoon nevens 'sComp„s swaarwigtige belan„ „gens, in de vijlige hoede godes aanbevoolen hebbende, onderschrijve ik met alle Eerbied. /:onderstond:/ wel Edelen Agtbaeren Heer /:lager:/ uwel Edele Agtbaare Trouw„ „schuldige Dienaar /:was geteekend:/ A: Lecerf, /in margine:/ Bima In 't Comp„s vesting den 7„e September 1775:— /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl„ Aan 287 1353 Bima Aan den vendrig Alexander Lecerf, Commandant aldaar Manhafte, vroome, Discreete. Schoon ik uijt uwen brief van den 22„e Julij passato, reets hebbe gesien, dat behalven den koning van Groot Ba„ „lij ook overleeden was, salemparangs vorst gusti waijan„ „taga, ben ik nogthans in het onseekere gebleeven, wie eijgentlijk de persoon zijn die de een en ander zijn opge„ „volgd, tot op den ontfangst van uE: nader schrijven van den 7„e deeser, en daar bij ontfangene berichten van an„ „deren volgens welke de kleen zoon van den laast gemel„ „de met name Gusti Moera Made karang Assang, in des eerst gemelde plaats tot koning van groot Balij en gusti Made karang Assang tot koning van Sa„ „lemparang zijn benoemd, aan welken laatsten ik dan in antwoord van desselfs brief zodanig schrijvens laat afgaan als uE: geblijken kan, bij de deesen bij gevoegde Copia des ik verwagte dat uE Conform desselfs voor„ „neemen ten spoedigsten met denzelven zal tragten te spreeken, over het aangaan van een Contract met dit Rijk, en dat van groot Balij, en daar toe alles wat mogelijk mogelijk zij, aan wenden, na het uE: voormaals inmandatis ge„ „geevene waar van ik als nog een goed succes wensche voorts hoope ik dat den koning van Sumbauwa eijndelijk dit Jaar sonder faut tal herwaarts komen en zo meede den Jongen koning van Dompo en verwagte teffens de prompte voldoening voor het bewuste vaartuijg dat de sumbauwareesen agter gehouden en verduijsterd hebben, die vervolgens aan de regeerende koning van salemparang kan worden aangeboden, terwijl ik met op„ „zigt tot de bevoorens dat een moord opgegeeve massacre van eenige Maleijers te Tanjong karang thuijs hoorende, nader bericht zal te gemoet zien, in vertrouwen dat uE: daar na een naauw„ „keurig ondersoek sal doen daar en tegen mag ik wel lijden dat uE: de pretensie van den geweesen koning van Tambora, maar op zijn beloop laat te meer hij daar over zelfs geen be„ „weeging meer, komt te maeken. Het is mij wijders aangenaam geweest de vreedige gesteldheijd der zaeken met opzigt tot de overige bondgenooten te verneemen, die ik wensche: dat bestendig mag blijven. Aangaande het mij gezondene plan tot vernieuwing of verplaet„ „sing van het fort kan ik geen qualificatie geeven, buijten ordre van Haar Hoog Edelhedens, die alvoorens dienen te worden g'in for„ „meerd van een zo na mogelijke nette begrooting van de kosten, welke alhier uijt het plan niet kunnen worden bereekend, wes hal„ „ven ik uE: gelaste om mij zulks op te geeven, zo meede of de kalk ginter buijten lasten van de Comp„e te bekomen is, en hoe veel metselstee„ „nen uE: van hier wel zoude benodigt hebben waar van het duijsend op 3¾ rd„ te staan komt. waar meede na groete blijve /:onderstond:/ uE: goede vriend /:was geteek:/ P: G:o van der Voort, /in margine:/ Moccasser in 't Casteel, Rotterdam den 22„e Sept: 1775. /:lager:/ Accordeert /:geteek:d/ H: B: Hodenpijl. Aan 1355. Aan den koning van Salemparang Gusti Made karang Assang Na gewoone voorreeden. Ik hebbe zeer wel ontfangen uw Hoogheijts brief van den 4„e der maand djoemadil-auwal in het Jaar 1189. waar bij uw Hoogheijd mij bedeld desselfs verkiesing tot koning van Salemparang in plaats van den overleedenen Gusti waijantaga: ik vergelucke uw Hoogheijd dierwegens van herten, wenschende: dat zulks strecken mag tot welweesen van het land ende volkeren van Salemparang en tot ver„ „der vermeerdering en bevestiging van de vriendschap met d' Edele Compagnie die als nog volkomen genegen is, ten dien eijnde met uw Hoogheijd en zo meede met de koning van Groot Balij, een Contract te sluijten, waar door alle zodanige redenen van klagten, zullen voorgekomen worden, als uw Hoogheijd bij brengt met opzigt tot de gesondene vaartuijgen na samarang en sourobaija, vermits het Contract doenmaals nog niet volkomen gesloten is geweest, en daar van oversulx op.
English
no notice could be given at the Company's offices, as will happen once it is completed; for which the Commander at Bina received orders in the name of His High Nobility the Lord Governor-General and the Lords Councilors of the Netherlands Indies; but since he has not yet been able to carry out anything owing to the decease of both monarchs, I have commanded him to repair now to your Highness and subsequently to the king of Greater Balij and to make the necessary proposals to that end, wherefore I request your Highness to be pleased to effect that this matter receives its full conclusion, being able to assure your Highness that nothing but advantage for both realms is to be expected therefrom, which I trust your Highness will indeed understand yourself, the more so as the Dutch Company strives for nothing more than to promote the welfare of its friends and allies, which I once again wish that your Highness may experience, and in addition enjoy a peaceful and happy reign. Below stood: Written at Macasser in Castle Rotterdam the 22nd of September Anno 1775. Was signed: S: G: van der Voort. Below stood: for the translation, signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. — Translation. 289 89 1357 Translation of a Buginese letter written by the former Bonian Poengauwa Lakasie to the Captain of the Malays here. My friendly greetings to you both, as also to your son Apala, I make known to you hereby and please communicate this to the lord governor: that Arou tha told me that when the king of Bonij was recently with the lord governor, the Madarang, Datou Baringan, and the Anrong goeroe of the king's children, named Arou madjang, joined each other, and the Madanrang had said, the Dutch are very grasping, but I pray God that I may take care that as long as I live, they shall not take anything, even the breadth of a hair, from me: whereupon Datou Baringan had answered him that he must keep his word and remain steadfast in what he had just said, because the Dutch would certainly not willingly want to abandon the Bonians, on account of which saying I am very afraid that in the course of time they will become much bolder, thinking that the Company cannot cannot do without them, which could cause much evil and bring about the ruin of the country of Bonij, wherefore I give the lord governor notice thereof, with the request that his Honorable Worship may be pleased to make such timely provision therein as may serve the welfare of Bonij, so that their conduct may ultimately not turn out to the disadvantage of the country of Bonij, the more so because I and the Bonians are not of that opinion. I further request that you please tell the chief interpreter that Caraeng Simbang, who was married to the daughter of a certain Arou Bonto Rioe, but is now separated from her, took a horse from his parents-in-law with him to Maros; that when I had him asked for it again, I received the reply that he had neither bought the horse nor received it as a present, so I cannot understand why Caraeng Simbang did not send the said horse to me, since I am related to the said Arou Bonto Rioe, and if the chief interpreter should not be able to effect that I get the said horse back, then please give notice of this to the lord governor as well. Below stood: Written on the 26th of September 1775. Lower: for the translation, was signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. — Translation. 291 1359 Translation of a Buginese letter written by the former Bonian Poengauwa Lakasie to the Captain of the Malays here. My greetings to you, my father, and I request that you please communicate these my own words to the lord governor, namely that his Honorable Worship should, as far as possible, not concede much to the Bonians with regard to their words to the Honorable Company, but oppose their conduct according to his ability, because the laws of the land of Bonij entail that they can do or carry out nothing unless they have first agreed with each other, and that I assure his Honorable Worship that as long as I live, none of my closest kin will dare to attempt to break the bonds of friendship between the Honorable Company and Bonij, for even if we were ten brothers, we could still not equal in close bond the brotherly friendship that exists between the Company and Bonij. Furthermore. - Furthermore I make known to you that Arou Timoodjong and Soero mangarantjang came to me yesterday and demanded from me the muskets in question, but that I gave them in reply what his Honorable Worship had told me in that regard, wherefore please ask the lord governor what further answer I shall give them if they come for them again, for if they should press me for them a second time and would not let me leave, it would be difficult for me to be able to continue my journey. Further I very humbly request that I may be permitted to buy free the former companion of a certain Lamattja, named Mareje, who is currently in the long chain. Below stood: Written on the 8th of October Anno 1775. Lower: for the translation, was signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: HodenPijl. Read out Johannes Lijnslager Sworn clerk Examined GWesnneer Sworn clerk Secret Letter Register Received from Timor Since 1st October until the last of December 1775. A 3
Dutch transcription
op 's Comp„s Comptoiren geen kennisse heeft kunnen ge„ „geeven worden, zo als geschieden zal zo daa het zelve zal wee„ „sen voltrocken; waar toe den Commandant te Bina uijt naam van zijn Hoog Edelheijd den Heere gouverneur generaal en de Heeren Raeden van Nederlands Jndia ordre gekregen heeft; dog denzelven mits het overlijden van de beijde vorsten nog niets hebbende kunnen uijtvoeren, hebbe ik hem bevoolen, om zig als nu bij uw Hoogheijd en vervolgens bij de koning van groot Balij te begeeven ende nodige voorstellen ten dien eijnde te doen, weshalven ik uw Hoogheijd versoeke om te willen be„ „werken, dat die zaak zijn volkomen beslag erlange, uw Hoog„ „heijd kunnende verzeekeren dat daar uijt niets dan voordeel voor beijde de Rijken te wagten zij, het geen ik vertrouwe dat uw Hoog heijd zelfs wel zal begrijpen, te meer de Nederland„ „sche Compagnie niets meer betragt dan het welweesen van haere vrienden en bondgenooten te bevorderen,'t welk ik nogmaals wensche dat uw Hoogheijd sal ondervinden en daar benevens genieten een vreedsame en geluckige Re„ „geering. /:onderstond:/ Geschreeven te Macasser Jn't Casteel Rotterdam den 22„e September A„o 1775. /:was geteek:d/ §: G: van der Voort /: onderstond/ voor het translatie /:getek:/ G„t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteek:/ H: B: Hodenpijl. — Transl. 289 89 1357 Translaat van Een Boegi„ „neese brief geschreeven, door de geweese bonijse Poengauwa Lakasie, aan den Capitain der maleijers alhier Mijn vriendelijke groet aan uE: beijde, zo meede aan uE zoon Apala, make uE. bij deese bekend en gelieft zulks aan den heer gouverneur, te Communiceeren: dat Arou tha mij gezegt heeft, dat toen koning van Bonij Jongst bij den heer gouverneur is geweest, den Madarang, datou Baringan, en den Anrong goeroe der konings kinderen, genaamt Arou madjang, zig bij malkan„ „deren vervoegd, en den madanrang gezegt hadde, de Hollanders zijn zeer inhaalig, maar ik bidde god, zorge te mogen dragen dat zo lange ik leeve, zij mij niets al was het de breedte van een hair van mijn zullen afneemen: waar op Datou Baringan hem had gant„ „woord, dat hij zijn woord moeste houden en stand„ „vastig blijven; in 't geen hij zo even gezegt had, want dat de hollanders dog niet gaarne de boniers sou„ „de willen verlaaten, om welk gezegde ik zeer be„ „vreest ben, dat z' in 't vervolg van tijd veel Hout„ „moediger zullen worden, denkende dat d'Comp: haar niet niet kan missen, 't geen veel quaads veroorzaaken, en het bederf van 't land van Bonij soude kunnen te weeg baen„ „gen, dier halven geef ik den heer gouverneur daar van kennis, met verzoek dat zijn wel Ed: Agtb: daar inne bij tijds zodanige voorsiening gelieven te doen, als tot wel weesen van Bonij kan strekken, op dan hun gedrag ten laatsten niet ten nadeel van het land van Bonij kome uijt te vallen, te meer om dat ik en de boniers, niet van dat gevoelen zijn. Nog verzoeke dat uw den oppertolk gelieft te zeggen, dat Ca„ „raeng Simbang, die getrouwt is geweest, met de dogter van Eenen Arou Bonto Rioe, dog thans van haar gesepareerd, Een paard van zijn vrouwsouders na Maros, heeft meede genomen; dat ik het zelve hem weeder latende vragen, tot antwoord be„ „komen heb, dat hij het paerd niet gekogt, nog ook niet tot pre„ „sent had gekreegen, ik kan dus niet begrijpen, waarom Ca„ „raeng simbang het gem: paard mij niet heeft toegezonden, dewijl ik met gem: arou Bonto Rioe, vermaagschapben, en indien den oppertolk niet mogt kunnen bewerken, dat ik ged„e paard wederom krijge, zo gelieft uw den heer gouverneur daar van meede kennis te geven /:onderstond:/ Geschreeven op den 26„e September 1775: /:lager:/ voor het translatie /:was geteek:/ G:t Brugman /:lager:/ Accordeert /was ge„ „teekend:/ H: B: Hodenpijl: —. Transl. 291 1359 Translaat van Een Boe„ „gineese Brief, geschreeven door den geweese Bonijse Poengauwa Lakasie, aan den Capitain der Maleijers alhier Mijn groet aan uw mijn vader, en verzoeke dat uw den heer gouverneur deese mijne eijgen woorden gelieft te communiceeren, namentlijk dat zijn Ed: Agtb:, zo veel mogelijk de boniers, ten aan„ „zien van hun woorden aan d E Comp:e, niet veel moet toegeeven maar hun doen en laten na vermogen tegen gaan, want dat de Lands wetten van bonij meede brengen dat z' niets kunnen doen of uijtvoeren, ten zij, dat z' Eerst met malkanderen zijn over een ge„ „komen, en dat ik zijn Ed: agtb: verzeekere dat zo lang, als ik leeve, geene van mijne naast bestaande zullen durven onderneemen, om de banden van vriendschap tusschen d'E Comp„e en bonij, te verbreeken want al waaren wij ook met ons thien gebroeders zo zouden wij ons in nauwe verbintenis nog niet kunnen ge„ „lijk stellen met de broederlijke vriendschap, die tusschen d'Comp: en bonij plaats heeft. voorts. - Voorts make ik uE: bekend dat Arou Timoodjong en soero mangarantjang, gisteren bij mij zijn geweest, en van mij afgevorderd hebben, de bewuste ge„ „weeren, maar dat ik haar lieden ten antwoord heb gegeven, het geen dat zijn Ed: Agtb: mij ten dien opzigte had gezegt, weshalven uw den hier gouverneur gelieft te vragen wat ik haarlieden verder voor antwoord zal gewen, als zij daarom nader komen, want indien z' voor de tweede reijze, bij mij, daar om mogte aan houden, en mij niet wilden laten vertrekken, zo zoude het voor mij bezwaarlijk vallen, om mijne reijze te kunnen vervolgen. wijders verzoeke ik zeer ootmoedigst dat mij mag werden vergunt, de geweesene macker van Eenen Lamattja, genaamt Mareje die thans in de lange ketting is, vrij te moogen kopen. /:onderstond:/ Geschreeven op den 8„e october Anno 1775: /:lager:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G:t Brugman, /:lager:/ Accor„ „deert /:geteekend:/ H: B: HodenPijl. Opgeleezen Johannes Lijnslager Gekri: klerk Nagezien GWesnneer Gezu kl: Secreete Brief J=r Ontvangen van Timor Zed. p=o 8ber. tot Ult. Xber. 1775. A 3
English
1361 test To His Right Honorable Excellency, the High, Noble, Great, and Venerable, Far-Ruling Lord Petrus Albertus van den Sarra Governor-General and The Honorable Councilors of the Dutch Indies. High, Noble, Great, and Venerable, Far-Ruling Lord and Honorable Lords, Having carefully examined the various reports that have been successively submitted for the honored notice of Your Right Honorables from the beginning up until the time of my predecessor Cornabe regarding the island of Sumba, I found that these reports rested for the most part on loose grounds and also originated from simple folk who had little or no foresight as to matters that, if properly managed, could notably advance the Company's trade. Many of them were based merely on hearsay, which caused them to contradict each other so severely that it must have been extremely difficult for Your Right Honorables to determine anything with certainty about the matter. For this reason, the humble undersigned, driven by a desire to increase the profits of the Company if possible, deemed it not unserviceable to have an accurate investigation conducted of the aforementioned island. For the execution thereof, he judged no one more capable than the scribe Tekenborgh, whom I outfitted for that destination at my own expense in the month of October of last year in order not to burden the Company with any unqualified expenses. He returned from there this past January and submitted such a report as I have the honor to present herewith to Your Right Honorables, with the humble 1363 assurance that it squares in all respects with the pure truth. Therefore, he ventures most submissively to beseech Your Right Honorables to take what is proposed therein into serious consideration, and to furnish the humble undersigned with such orders as Your Right Honorables shall deem most serviceable for the greatest well-being of the Company. And in the event that Your Right Honorables should approve the proposal for an expedition thither, in which the most frugal management will be observed, then I most submissively pray Your Right Honorables for the fulfillment of what is stated on the accompanying requisition. The pantjalling mentioned therein could simultaneously serve to cruise at the island of Solor in the months of May and June, for such reasons as are cited at length in the general letter currently being dispatched, to which I most humbly refer myself, while I have the high honor to remain with the greatest veneration, as in duty bound, High, Noble, Great, and Venerable, Far-Ruling Lord, and Honorable Lords, Your Right Honorables' most obedient servant, signed, B: W: Fockens. In the margin: Kupang on Timor, the 14th of September 1715. Special Remarks concerning the island of Sumba, drawn up by order of the Merchant and Chief of these regions, Mr. B: W: Fockens, by me, the undersigned scribe, and submitted for His Honor's consideration. Honorable Sir, Regarding my proceedings during the commission entrusted to me by Your Honor and the Council, via Savu to the island named in the heading, whither I departed on the 24th of October of the previous year and returned again on the 7th of January of this year, I refer myself submissively to the extensive journal or day-register kept on that journey, which I have already had the honor to present to Your Honor. Thus, without any further introduction other than a sincere assurance that I have employed all my attention and the most accurate information possible 1365 to satisfy what was required of me, I proceed directly to the observations that I have to make concerning this island. In the first place, I shall provide a superficial description of the condition of the country, its inhabitants, poor discipline, and how they earn their livelihood. Secondly, what manner of persons some of the flag-bearing regents are, who are recognized as such by the Company, and the breach of their treaties. Thirdly, the condition or nature of trade among these islanders, their correspondence with the Makassarese, Bimans, and Endenese. Fourthly, the only possible means, in my judgment, by which trade could be drawn entirely to the Company's subordinate merchants on Timor, which would truly increase the profits of this office, both in leases and in the sale of trade goods. Therein also appear two empty propositions, subject to wiser judgment: a: on a small scale, to drive the Makassarese and other foreign smugglers out of those regions, and to punish the apostate allies and other ill-disposed persons who are situated most conveniently to be overcome; or rather b: on this island of great importance to the Company, to effect once and for all a reform as highly necessary as it is desirable, to submit its inhabitants entirely under the Company's obedience in their existing trade, whereby one would be assured of this island and the commerce thither would notably increase, since our traders would be able to go there without fear; likewise, to place the resulting advantages for the Company on a firm footing, which one could henceforth enjoy in tranquility, demonstrating how this may best be accomplished and the absolute excess profits that one could expect from such
Dutch transcription
1361 test Aan zijn Hoog Edelheijd. m. Den Hoog Edelen Groot Achtb:r wijdgebiedende Heere Petrus Albertus van den Sarra Gouverneur Generaal Beneevens De Wel Edele Heeren Raa„ den van Nederlands Jndia Hoog Edele Groot Achtbare Wijdgebiedende Heere En Wel Edele Heeren De verschillende berigten van het begin af tot mijn predecesseur Cornabe zijn tijd toe successive van het Eijlandt Sumba aan uw Hoog Edelheedens ter g'eerde kennis gebragt met attentie hebbende nagegaen zoo bevonde dat die rapportes meest alle oplosse gronden gronden steunden ook van eenvoudige lieden waren in„ „gekomen die weijnig of geen voor uitzigt hadden van zaken, wanneer wel aangelegt, sE Comp:s handel mer„ „kelijk konden bevorderen ook veele daar van op en „kel horen zeggen fondeerden, waarom die malkan„ „deren zodanig Contrarieerden, dat het voor uw Hoog Edelheedens ten uyjtersten moeijelijk moeste vallen iets zeekers daar omtrend te bepalen, weshalven den needrigen teekenaar gedreeven door een zugt om waare het mogelijk de voordeelen van dE maatschappij te doen acresseeren het niet ondienstig g'oordeelt heeft een nauwkeurige onderzoek van voorm: Eijland te laten doen, tot welker uitvoering niemand bekwamer oordeelde, als den schriba at Tekenborgh, die om dE Comp„e op geene ongequa„ lificeerde onkosten te Jagen, voor mijne reeke„ „ning in de maand october onno vergangen der„ „waarts heb uitgerust, van waar deselve in Janu„ „arij Jongstleeden is geretourneert en zodanige Rap„ port heeft onderhandigt als de eere heb uw hoog Edelheedens hier neevens aan te bieden, met ootmoe dige 1363 dige verzeekering dat het zelve in alle opzigten met de zuijvere waarheijd quadreerd, waarom hij zig durft verstouten uw hoog Edelheedens op het aller submiste te smeeken, het daar bij gepropo„ neerde in ernstige overweeging te willen neemen mitsgaders den nedrigen teekenaar met zodanige ordres munieeren, als uw Hoog Edelheedens tot het meeste wel zijn van dE Comp„e het dienstigste zullen oordeelen te behooren en ingevalle uw hoog Edelheedens de voorslag tot Eene Expeditie derwaarts, /:waar bij de zuinigste in rigting zal betragt wor„ den : mogten amploiteeren dan bidde uw Hoog Edelheedens aller onderdanigst om de voldoening van het geene op ne„ „vens gaanden Eijsch bekend staet: konnende de daar bij vermelde pantjalling te gelijk dienen om in de maanden maij en Junij ten Eijlande solor te kruijssen, om zodanige reedenen als bij de thans afgaende gemeene letteren in 't breede zijn aange haalt, waar aan mij op het ootmoedigste gerefereert houde, ter de Hooge „wijl d' hapr eere heb met de grootste veneratie plichtschuldig te zijn /onderstond:/ Hoog Edele groot achtbare wijd gebiedende Heer, en wel Edele Heeren, /lager / van uw Hoog Edelheedens, den aller gehoorsaamsten Dienaar /:was geteekendt / B: W: Fockens, /in margine /Coepang op Timor, den 14: September 1715— Spetiale Remarcques, be„ treffende het Eijland Sumba, ter ordre van den Koopman en opper„ „hoofd in dese gewesten den Heer B: W: Fockens, bij mij onderge„ „teekende scriba geformeert, en ter speculatie van zijn Ed: over„ „gegeeven— Edele Heer! Aangaande mijne verrigtingen, in de door uw Ed: en den Raad mij aen vertrouwde commissie over savo na het in den Hoofde genoemde Eijland /werw:s jk den 24: 8ber a p:o vertrokken en weeder den 7: Jann:s deses Jaars, gereserteert ben : refoerere mij subis, aen het op die togt gehouden Eyten„ „se Joumaal, of dag-register dat ik bereeds de Eere gehad hebbe uw Edele te presenteeren dus zonder Eenige verdere Jnleidinge als Eene opregte verzeekering dat alle mijne attentie, en zoo na mooglijk naukeurige informatien, g'em„ ploijeert 1365 plooijeert hebbe ter voldooninge, aen het van mij gevorderde, direct overgaa, tot de aanmerkingen die ik over dit Eilanat te maken hebbe, In de Eerste plaatse, zal ik Eene oppervlak„ „kige beschrijvinge doen, van de gesteldheijd des Discipline lands, Hare inwoonders, slegte ixceiptiere, en Waar meede deselve Haer Erneeren Ten 2:de Hoedanige, of wat perzoonen, som „mige der vlagroerende, bij DE: Comp:e daer voor Er„ „kend wordende, regenten zijn, ende verbreeking Haren verbonden. Ten 3: de Hoedanigheijd, of natuur der Negotie bij dese Eilanders, stare Correspondentie met de maccassaren, Bimaneesen, en Endeneesen Ten 4: de Eenigste moogelijke middelen /mijnes Cragtens / waar door de negotie, geheel aen Comp:s onderhoorige traficqjuanten op timor /:dat werkelijk dewinsten van dit Comptoir zoo inde pagten als den sleet van Handelwaren, zoude doen arcresseeren:/ konde getrokken worden, Daer in dan ook voorkomen, twee Leedige propositien, met onder onderwerpinge aan wijser gevoelen â: om in 't kleijn de maccassaren, en andere vreemde smokkelaars uit die contrijen te verdrijven, en de afgevallene bondgenoten en andere qualijk gezin den die het gemakkelijste geleegen zyn om over„ meestert te worden te straffen dan wel b: om op dit voor dE Comp„e van veel belang zijnde Eiland, Eens voor al, Eene zoo Hoognodige als wenschelijke reformeste maken, dies inwoon„ ders, in den Handeel daar zijnde, onder Comp=s gehoorzaemheid geheel te submitteeren, waer door men van dit Eiland verzoekert zoude zyn, ende traficque derwaarts, merkelijk moeste accies„ „soeren, dewijle onse handelaars daar zonder scroom zouden kunnen gaan, Jtem de voordeelen voor d E Comp„e hier uit Resulteerende, op Een vaste voet gebragt daar men dan voortoen, met gerustheid van zoude kunnen Jouisseeren, met aantooninge hoe sulx best te werkstelligen ende absolute overwoinsten, die men zig van zooda nig
English
1367 such an undertaking could promise, and even assuming that one might not fully achieve the objective in everything, it could be important enough to doubly outweigh and compensate for the expenses that the Company would incur on such an expedition. Regarding the first article, note that this island has many beautiful plains between its high mountains, being traversed by several large and smaller rivers; that it seems very fertile in itself; for although on the one hand, due to the laziness of these inhabitants, and on the other hand, due to their continuous wars, the lands mostly lie uncultivated, one nevertheless sees the luxuriance of nature in places where a few of the most prominent people have them tilled for the production of paddy, katjang, and jagung, while the greatest part of the people there live on root crops and tree fruits, which former are to be found in abundance on all sides. The excessive laziness of these people deprives them not only of most human capacities, for they are generally dull, stupid, and cowardly, but also of their necessary bodily needs; this is the cause of the robbing and stealing to which they are very much given, and from which most of their wars arise. Out of fear of being robbed by others, one does not want to plant a cotton garden, which in a few villages that live more peacefully constitutes the greatest wealth, the land there being very fertile with little effort, much less would they apply themselves to the breeding of cattle, of which such a blessed abundance is to be found on other islands in these regions; they therefore solely exert themselves to steal the little cattle and provisions from one another as best they can, following now this party, then that, which they think will maintain supremacy; for through the poor 1369 discipline, of which scarcely a shadow is to be found in the mere name of raja obtained through a greater wealth in slaves and cattle, for such are the majority, and from which originate so manifold villages on Sumba, which having formed a party, since they never lack a following, tear themselves away from others, though their legitimate chiefs, go and seek out a place at will, and establish a village there, where in time it goes just the same when another more wealthy person raises himself against him, or a more powerful one overwhelms and swallows it up. The chiefs there have not the least authority or respect over a savage multitude, for Sumba is very populous, and that is very much the cause of their licentiousness, added to the scarcity of provisions which makes them commit whatever is preposterous. The village of Lewa, situated inland, is said to count 6,000 souls alone. One may say that no orders dare to be given by such regents to their unruly so-called subjects; they may be satisfied if they can obtain anything from them through entreaties, for everyone plays the master, one adheres to this party, another to that, as long as it seems good to them and they see advantage in it. Thus several regents, to whom the governance otherwise of old rightly belongs, are indeed forced to look on with tolerance while either their own people work themselves up into chiefs of a party and break away, or others, though strangers, who merely have the aforementioned wealth, force themselves into the regency. Just as, to come to the second article set forth above, several of those usurpers manage to obtain an unlawful possession of such regentships, as were named to me among others under the so-called Company's 1371 allies, Lackar of Manjielie and Gallang of Mallollo, who, passing over the rajas who essentially have the right thereto, as one finds them named in previous old letters concerning Sumba, and of whom the heirs are still present in both these places and were listed to me, namely in Manjielie a certain Tanga, alias Kioeka Kadjoeko, and in Mallo a certain Sia, have managed to obtain the regentship. Gallang, at the time that Mr. van der Burg formerly made the inspection, having had more boldness, came to the beach with a few of his followers, while the others kept themselves hidden in fear, and this man, under the pretext that he was the closest relative and nephew of the deceased raja, of which Mr. van der Burg could have no other proofs than his assertion, and due to his short stay, not even going inside the villages, could not properly inform himself, was appointed as regent and taken into alliance with the Company, receiving a flag and rattan cane; whereas he, as well as Lackar, are nothing other than fugitives from Cambera, who settled in both villages in earlier days, gathered a following, and set themselves up as chief of a particular kampong, being also recognized as nothing more than such, since, as the other Sumbanese themselves say, they only have the name of raja of such a village with the Company, without being able to contribute anything, so that not only do the other chiefs of kampongs, or the rightful claimants of these two villages, not care at all about these usurpers, but they themselves do not have anything to command over the small group of people of their own kampong if it does not enter their heads to obey; from that originally stems the labyrinth into which Gallang of Mallollo, who also bears the name of raja with the Company, but has not the least authority in that village, saw himself brought on this occasion.
Dutch transcription
1367 nig Eene onderneeming zoude kunnen beloven en schoon genoomen, men in allen als Eens niet volkomen het oogmerk berijkte important genoeg konde zijn, om de kosten die de Comp=e bij zodanigen expeditie, zoude komen te doen, dubbel op te weegen, en te vergoeden omtrend Het Eerste artikel Notoe „re dat dit Eiland veele schoone vlaktens, tus „sen zijne Hoge gebergtens heeft, zijnde door „sneeden, van verscheide grote en klijndere revieren; dat het in zig zelve, zeer vrugt„ „baar schijnt; want schoon aen de Eene kant door de luijheijd deser inwoonders, en aan de an„ „dere zeijde, door Hunne gedurige oorlogen de landen meest al, onbebouwtleggen, zoo ziet men egter, de weeligheid der natuur, op plaatsen, die enkelde van de voornaemste, tot het voortbrengen van padij Catjang en Jagon, laten bearbeiden, leevende het groot„ „ste gros aldaar van aard en boom vrug„ ten „ten, welke Eerste alle zijds, in overvloet te vinden, is de overgegeeven luijheijd van dit volk beroofd Haer niet alleen van de meeste menschelijke ver„ „mogens, want het zijn doorgaans d'offe, domme lafchartige, maar ook van Hare noodmendige lighaams behoeften; dit is de oorzaek, van het rooven in steelen, waar zij zeer aen overgege„ „geeven zijn, en daar Hunne meeste oorloogen ni't ontslaen; den een wil, uit vreese, van den ande„ „ren beroofd te worden, geen capastuin beplan„ ten /:dat op enkelde negorijen, die vreediger leeven, de grootste rijkdom uitmaakt: zijnde het land daar inne met geringe moeite zeer vrugt„ baar :/: veel min dat zij zig zouden toeleggen tot het aanqueeken van vee, daar zoo Een gezeegen„ den overvloed van te vinden is, op andere Eilan„ „den in deese Contreijen; zij beijveren zig dus Ee„ „nelijk maar, om ter best, Elkanderen het wei„ nige vee en leevens middelen te ontvreemden; dan deese dan geene partij te volgen, die zij den „ken de overmagt behouden zal: want door de slegte 1369 slegte discipliene, daar pas een schaduwe van te vinden zij in de enkelde naam van raadjab verkreegen, door een meerder vermogen in sla„ vin en vee, pwant zoodanige zijn de meeste en daar uit zoo veel vuldige negorijen op zumba, die zig Een partij gemaakt hebben„ „de, dewijl Hun nooijt aanhang ontbreekt, zig van andere, schoon Hunne wettige hoofden, af„ scheuren, een plaats na willekeur gaan op zoeken: en aldaar een negorij oprigten, daar het dan in der tijd net zoo meede gaat, wan„ „neer zig weeder een ander vermogender, te„ „gen hem opwerpt, of dat Eene magtiger het overweldigt en inslokt:/ De Hoofden hebben aldaar met de minste authoriteit, of ontzag over Eene moeste meenigte, /:want zum„ „ba is zeer volkrijk, en dat is wel veel de oor„ zaek van Hare losbondigheijd, daar bij genoo„ „men de schaarsheid van leeven smiddelen die haer alwat ongerijmt is, doet bestaan / de negorij Leewa landwaarts in geleegen, wil men dat dat alleen wel 6000 koppen teld, geene ordres durven door zoodanige regenten, aen Hunne weerbarstige zoogenaamde onderdanen, mag men zeggen werden gegeven zij mogen iets te vreeden weesen als met verzoeken ijts van Haer krijgen kunnen; want een ijder speelt den baas, die kleeft deese partij, de onder een on„ „dere aen, zoo lange het haar goed dunkt; en zij Er voordeel bij zien; dus zijn verscheide regenten, die met regt anders van al oude tijden de regeringe toe komt, wel genoodzaekt met goede oogen aen te zien, dat of van haer Eigene, zig tot hoofden van een partij opwer„ ken, en afscheuren, of dat andere schoon vreem„ „de, die maar het voor verhaalde vermoogen hebben, zig tot het regentschap indringen; ge„ lijk om tot het 2=de Hier voren gestelde artickel te komen, verscheide van die geweldenaars Eene onregtmatige possessie van zoodanige regent„ schappen weeten te verkrijgen, zoo als mij onder anderen opgenoemd zijn, onder de zoogenoemde Comp:s 1371 Comp:s Bondgenooten, Lackar van Manjielie en Gallang van Mallollo, die met voor bij gaan, van de mesentlijk regt daar toe hebbende raadjas, gelijk men die in voorgaande oude brieven over zumba genoemd vind, en van welke de erven op beide deese plaatsen nog inwesen en mij op gegeeven zijn /:als op Manjielie Eenen tanga /:alias:/ Kioeka Kadjoeko, en op Mallo Eenen Sia:/ Het regentschap hebben weeten te verkrijgen, Gallang, ten tijde dat de Heer van der Burg derm:s de visietie gedaan heeft, den welken meerder Hardiesse gehad hebbende, met weiniga van zijn aanhang, aan strand gekomen is, terwijl de andere in't vreese zig schuijl Hielden, en desen onder voorgave dat hij de naaste, en neeff van den overleeden raadja was, /daar de heer van der Burg geen andere bewijsen van konde hebben, als zijn voorgeeven, en door zijn kort vertoeven, nog dat zelfs binnen de Negorijen niet quam, zig ten regten onmooglijk konde informeeren/ Tot tot regent is aengestelt, en in bondgenoodschap der Comp„e genomen, ontfangende vlag en rotting: daar hij zoo wel als Laikar niet anders als vlugtelingen van Cambera zijn, in vroeger dagen zig in de beide negorijen meeer gezeth, aanhang gemaakt en zig tot hoofd van een bijzzondere Campong= hebben op geworpen, wor„ „dende ook niet meer als voor zoodanig erkent, de„ „wijle zij alleen zoo als de andere sumbaneesen zelfs zeggen de naam van radja zoodaniger Ne„ „gorij bij dE Comp„e hebben, zonder ijts in te kun„ „nen brengen, alzoo niet alleen de andere hoofden van Campongs, of de regte pretendenten, van dese twee Negorijen zig die uzurpateurs, ge„ „heel niet bekreunen, maar zij zelfs, over het geringe hoopje volks van Hare Eigen Campong, niets te gebieden hebben, als het dese niet in 't hoofd komt te gehoorzamen; daar uit is oor„ spronkelijk het Labirent waar in zig gallang van Mallollo, die bij de Comp„e ook de naam van raadja draagt, dog op die negorij geen het min„ „ste gezag heeft bij deese geleegentheijd gebragt zag
English
saw, because he had, on his own authority without the consent of the other chiefs of Mallolloo, requested the Company's assistance against those of Bate Capedo, with whom he, as was proved afterwards in accordance with what was recorded in the daily register, had already been reconciled for 4 years; and when it came to the point that the others said to him, if you have a desire to wage war with someone who does you no molest and have asked the Company's assistance against him, then you must carry it out alone as well; and the outcome has verified that even his own campong's people, who would have numbered some 200 men, would neither help nor obey him; how can these so-called regents now, who bear only the name of such negorijen without having the right thereto any more than any authority, enter into alliances with the Company: they promise something that is not in their power, and represent something that they are not, and it is well to be conceived that the same will be the case with all the negorijen that on zumba zumba were taken into the Company's alliance by Mr. van der Burg, if it is not even worse with them; for if one considers the custom of zumba to always employ their oldest and trusted slaves as emissaries, without exposing their own persons, being inherently very fearful, I would dare establish, from what occurred to me there and the known circumstances that accompanied this contracting and appointing of regents by Mr. van den Burgh during his visit to zumba, that not a single real regent appeared before him in person; and who would have properly informed His Honour, who merely arrived at the beaches and departed again; for otherwise, if the actual rajas holding authority had sworn loyalty, they would have conducted themselves more circumspectly in complying with the articles of the contract, and not all be alliance-breakers; for that all those those Company's allies, up to and including Laikar of Manjielie, in the same manner as Mallollo, must be regarded as alliance and oath-breakers is all too well known and clearly to be seen from my journal, without my needing to recite every article thereof in this; Lackar of Manjielie has this advantage: that he sweeps his path the cleanest on the surface by appearing a few times at Coepang pursuant to the contract, and now and then delivers a small present and receives the return gift, and that from the other regents, who they say cannot cross over for lack of vessels, one can seldom learn anything to his detriment; but the abuse that this man makes of this advantage is greater and has a more detrimental influence on Sumbanese affairs than is thought; he comes now and then, when it suits his purpose, either to slander this or that person whom he envies, as is evident from the disparagement of those of Mallollo, and to look after his own interest, but if it only remained at that, since such does not always have influence here; no, he goes further, boasts of going to Coepang whenever he wishes, threatens everyone who does not dance to his piping with the punishments of the Company, and frightens such people off, who knows by what inventions and bugbears he terrifies them, from following their inclinations and, as would often happen, as in former times, as the old papers on zumba show, placing themselves under the Company's protection and requesting its help against oppressors by whom they are subjugated; were this not so, and were he in earnest to keep faith with the Company, how easy would it be for him, since he has enough influence over several prominent, nay most negorijen on zumba, as they are mostly related to one another, and even plays the master over some, such as waijeloe and taboendo, although large negorijen, always acting as friend and advocate for for the so-called Sumbanese tyrant, the one of batecapedo, which name Laikar deserves with greater right; how easy, I say, would it be for him to bring all these into a firm and faithful alliance with the Company, and in general to give the affairs of zumba a better aspect and place them on a more advantageous footing; but no, then he would not be able to make himself so feared among his countrymen, and his interest would then also suffer damage; for keeping no more oath and faith than the other negorijen that bear only the name of ally, he intrigues, as well as others, with the Macassars etc. and admits them to trade, instead of trading with the Company's subordinate traders who arrive there and, without being able to obtain trade or sell their goods, must depart again just as at the other negorijen, likewise delivering the country's products to foreigners. This being so, that all contracts have been entered into either by illegitimate rajas or by emissaries, mostly slaves, because as said, out of an excessive distrust they do not risk themselves, how can such alliances ever endure, or the others consider themselves obliged to answer to the promises made by such subjects. This they also know very well themselves; but even assuming that a legitimate raja presently swears to such a contract in person, it will avail nothing, and one never has anything good to expect from it, much less that one may ever rely upon their faith, so long as no thorough reform takes place in the present bridled government and strict subordination is introduced; for just as the regents may enter into the alliance today and swear their promises, even if they do not break it themselves tomorrow, their subjects will do so and go their old arbitrary way, without such chiefs having the audacity to punish them
Dutch transcription
1373 zag, dewijle hij op Eigen authoriteit, zonder toe stemming der andere hoofden van Mallolloo Comp„s hulpe verzogt hadde tegen die van Bate Capedo, waar hij, gelijk naderhand bewesen wierdt, conform het genoteerde bij dag register, reeds 4ja „ren meede was verzoent, en toen het tot stuk van zaken quam dat de andere tegen hem zeiden, hebt gij lust tot oorlogen met ijmand die uw geen molest doet en daar tegen Comp„s hulpe gevraagt voort zulij dan alleen ook uit; ende uitkomste heeft bewaarheid dat zelfs zijn Eigen Campongs volkeren, dat groot een 200 man zoude geweest zijn, hem niet hebben willen hel„ „pen of gehoorzaamen; hoe kunnen nu deese zoo genaamde regenten, die van zulke Negorijen al „leen de naam dragen, zonder het regt daar toe zoo min als Eenig gesag te hebben, verbon„ „den met dE Comp„e aan gaan: zij beloven ijts, dat niet in haare magt is, en vertoonen ijts, dat ze niet zijn, en is wel te denken dat zulx Even Eens zal geschappen zijn, met al de negorijen, die op zumba zumba, door de Heer van der Burg in Comp„e bond„ genootschap genomen zijn, zoo het nog al niet Ex„ „ger daar meede gestelt is, want als men nagaat de gewoonte van zumba, om hare oudste en ver„ trouwde slaven, altijd als zendelingens te Emploij„ „eeren, zonder Haer Eigen Corpus, fals uit de Na„ „tuure zeer vreesagtig zijnde, / te Exponeeren, ik zoude wel durven: vaststellen, uit het geene mij, aldaar voorgekoomen is, ende bekende omstandigheeden, die dit Contracteeren en aan stel„ „len van regenten door de Heer van den Burgh, bij zijne visiete op zumba, verzelt hebben, dat geen Een wesentlijke regent, in perzoon voor hem verscheenen is, en wie zoude zijn Ed: dog / die aan de stranden maar zoo quaam, en weder vertrok, daar van ten regten geinformeert hebben:/ vant anders, indien de Eigentlijke ge„ zag hebbende raadjas, trouwe geswooren hadden, zonden zij zig, in het nakomen van de artiec„ „kelen bij Contract, om zigtiger gedragen; en alle geen verbond breekers zijn, want dat alle die 1375 die Comp„s bondgenoten tot Laikar van Manjielie in Clusieve, inselver voegen, met Mallollo als verbond en Eed breekers, moeten aangemerkt worden, is te over bekent, en bij mijn Journaal duijdelijk te zien, dan dat ik ijder artickel daar van in desen behoeve te recisteeren; dit heeft Lackar van Manjielie voor uit, dat hij zijn „het baan voor in 't interlijke 't schoonste veegt, met Enkelde keeren op Coepang te verschenen, ingevol„ „ge contract en nu en dan, een geschenkje leevert en het Contra ontfangt en dat men van de ande„ „de regenten die /:zeggenze :/ in't gebrek aen vaartui„ „gen, niet kunnen overkoomen, zelden ijts ten laste van Hem kan verneemen, maar het misbruikt dat desen van dit voordeel maakt, is grooter; en heeft nadeeliger invlood op de zumbaneese zaken, als men denkt; hij komt nu en dan, als 't stem in zijn kraam te passa komt 't zij om den Een en anderen die hij nijdig is swart te ma„ „ken /:gelijk bleijkt aan 't bekladden van die van Malcollo:/ en zijn Eigin intrest te beharti gen ƒ gen, maar bleeff, het daar nog bij, dewijle sulx hier altijd geen invlood heeft; neen hij gaat verder, draaft daar op door, dat na Coepang gaat, wanneer wil, dreigt een ijder die met na zijn pijpen danssen, met de straffen der Comp„e en schrikt zulke menschen /: wie weet al niet, door wat uit vindingen, en bullebakken slijze avoors maakt:/ af, om hare neigingen te volgen, en gelijk dikwils gebeuren zoude, zoo als in vroe„ ger tijd, in't wijsens de oude papieren over zumba protexie in Comp„e pirtrxx zig te begeeven, en haare hul„ pe, tegen geweldenaars, van wie zij onderdrukt worden, te verzoeken; was dit zoo niet, en was het hem Ernst, dE Comp„e trouwe te houden, hoe ligt zoude het stem vallen, verscheide voor„ name, vijnt Ja de meeste Negorijen op zumba„ daar stij /: gelijk ze meest alle onder elkander W: vermaagschapt zijn:/ook uit dien hoofde, in vloks genoeg op heeft, ja zelfs over sommige, als waije„ „loe en taboendo, schoon groote Negorijen, den baas speelt, altijds vrind en belang neemenden voor 1377 voor den zoo genaamde sumbaneesin dwingeland, die van batecapedo /:welke naam, Laikar met meerder regt verdient:/ hoe gemaklyk her zegge, zoude Het Hem zijn, dese alle, in Een vast en trouw verbond, met de Comp„e te treeden, en in 't generaal de zaken van zumba„ Een beeteren aanschouw te geven, en op een voorde„ „liger voet te brengen, maar noen, dan zoude Hij zig, zoo gedugt, bij zijne landgenoten niet kunnen maken, en zyn intrest zoude dan nadeel lijden ook lijen want niet meerder Eed en trouwe houdende, als de andere negorijen, die de enkelde naam van bond-genoot dragen; konkelt hij, zoo wel als andere, met de mac„ Cassaren &=a en admitteerd deselve, in steede van met Comp:s onderhoorige traficquanton„ die daar komen, / en zonder negotie te kun„ „nen krijgen of het hare te verkopen, zoo wel als op de andere negorijen, weeder moeten vertrekken:/ te handelen, leeverende al meede slandsproductens aan vreemde Het Het dus gesteld zijnde, dat alle Contracten; of door de onwettige raadjes of door zendelingen, /meest tijds slaven:/ zijn aangegaan, alzoo ze als gezegt, door Een overgegeeven wantrouwen Hun zelfs niet wagen, hoe kunnen dan zulke verbonden, ooijt stand houden, of de andere zig verpligt agten, aan de beloften, door 8 sulke subjecten gedaan, te beantwoorden. dit weeten zij ook zelfs zeer wel, maar schoon genoomen, een wettig raadja besweert, voor tegenwoordig inperzoon zoodanigen Contract, niets zal het baten, en men Heeft nooijt ijts Goeds daar van te wagten, veel min, dat men zig ooijt op haar vertrouwen mag, zoo lange ^ er geen brgaar reforme in de tegenswoordige tomelose Regeeringe komt, en Eene stipte subordonna„ „tie ingevoert woord, want zoo als nu de regenten mogen heeden in 't verbond treeden en Hare beloften besweeren, zoo zij het selfs morgen niet verbreeken, doen het haere onder„ „danen, en gaan haar oude gang, na willekeur„ zonder dat zulke hoofden de hardiesse hebben Stun
English
1379 To prevent them from doing so, and consequently, as local products, to treat the 3rd article, consisting of all that has been learned thereof from old and recent reports, and of which sandalwood, as people maintain that almost all the heavy forest inland consists of that scented bark, concerning which I have been accurately enough informed by a Savunese who has been on Sumba for many years; and the slaves, if one could once be the full and sole master of them, would be very important, being traded to the Macassars by everyone who has even a little, who navigate there year in, year out with a number of as many as 30 to 40 prahus; dragging along, above all, a great multitude of slaves, and on the other hand supplying Sumba abundantly and at a better price than our traders can give (for indeed, especially in these times, rarely does a vessel dare to go thither to trade, and doing so returns fruitfully empty-handed) with their linens and other merchandise. These smugglers have managed to entangle themselves so well through their trade on Sumba that they freely enter, are sought after, and are supplied with everything at all settlements, when they, in the latter part of the west monsoon, cross over from Manggarai to Pulau Pasir, situated south of Roti, and procure a large quantity of sea cucumbers there as well as on Selvera, situated right behind Sumba. Furthermore, returning with the onset of the east monsoon, they then visit the settlements situated to the east. This is so clearly known, and has been dealt with in the successive letters concerning Sumba sent to Their High Nobilities even in the previous governance, that it is unnecessary for me to elaborate further on this matter; likewise that the Endenese and Bimanese maintain correspondence, especially with the Sumbanese settlements that are situated across the land of Ende and closer to Sape Strait. 1381 Indeed, one even finds in old papers that in earlier years, when they were at war on Sumba, some settlements that were not capable, or wished to bend others under their obedience, requested auxiliary troops from Ende and the Larantuka Portuguese, who then always fished in troubled waters. I have also been assured that the settlements situated along and before Sape Strait, and among them principally Memboro, still maintain a close correspondence to this day with those of Bima, are mutually intermarried, supply people yearly or upon necessity, and are also said to be more civilized than the remaining Sumbanese, and several speak the Malay language. Having arrived at the 4th article proposed in the heading hereof: what means would be the only possible ones to cause the trade there to present a more advantageous aspect for us, and to carry it into execution either on a small scale with lesser expense or on a large scale with vigor. Thus I ought to elaborate a little, according to my humble judgment, concerning the importance of this island for the Company. The same is, as is known, situated before Sape Strait, stretching along the coast of Ende or the land of Flores, where the passage is, whether in front of or around the back of Sumba, along which the smuggling vessels of the Macassars arrive yearly in the nearer situated regions of Solor and behind Timor, up to the land of Belu (the only trading places that our petty traders still frequent). That this increasing navigation of the Macassars daily becomes of a more detrimental aspect is more than well enough known, and experience teaches what a disadvantageous influence it has on the trade of this office and Company interests; to say nothing of the disadvantageous consequences if they should ever become united with our competitors, the Portuguese in these regions, and to the 132 neighborhood of the spice-producing provinces (for which reason alone this establishment is held by Their High Nobilities to be necessary) should penetrate, when the smuggling trade could not be shut off. What harm does the navigation of the Macassars not do to our trade; would one indeed exaggerate, estimating their number at 100 vessels, which arrive yearly at Sumba and Alor, Solor, and behind the land toward Belu? Does one not hear that they provide these places with all kinds of white and blue linens, flintlocks, gunpowder, etc.; dragging all products away from there; and are our traders not deterred, partly because they often equip and finance vessels which, without profits, having acquired nothing or little, return; and on the other hand, who are afraid of encountering these Macassar pirates? This navigation being along the island of Sumba, and when they pass inside between this and Ende, always coming within reach, indeed, what is more, finding on Sumba their general rendezvous or nesting place, how desirable it would be that Their High Nobilities could resolve to send us a well-sailing pantjalang, which can run in everywhere close inshore and even into most rivers on Sumba; well-mounted and manned with some soldiers, burghers, and Mardijkers from here, it could be sent thither in the months of November, December, and January with the turning of the west monsoon to cruise, when everything that was accustomed to come there to the island or passed through the aforesaid passage would fly into the candle. Meanwhile, also from here, whether in the east monsoon in the months of March, April, and May, or else in the west monsoon early in October, 4 to 5 private prahus could be used to embark 7 to 800 Timorese, Rotinese, and Savunese men, assisted by some burghers and Mardijkers, and unawares [illegible] the best situated settlements, the apostate Company allies, and other ill-disposed persons
Dutch transcription
1379 Hun sulx te beletten, in gevolge dan ook als lands producten, om het 3=de ortickel te verhandelen, bestaande in al het geene men daar van bij oude en latere berigten, is te weeten gekoomen, en waar van het zandel „hout, gelijk men wiel dat meest al het swa„ „re boschaedje landwaart in, uijt die reuk bast bestaat, daar ik nauwkeurig genoeg door Een savones, die lange Jaren op zumba geweest is, van geinformeert ben, en de sla„ „ven als men daar eensten vollen alleen mees„ ter van konde zijn, zeer important zoude weesen, door Een ijgelijk, die maar wat heeft aan de maccassaren verhandelt word, dewelke daar Jaar in Jaar uit wel met een getal van 30: a 40: praeuwen navigeerende; voor al een grote meenigte slaven meede sleepen en daaren tegen sumba overvloedig en beeter koop als onse handelaars, het geven kunnen /:waar van vooral in Jmmers, voor alju deese tijden zelder een vaartuig aerw:s durft ter negotie gaan, en zulx aldoende vrugteloos retourneert:/ van zijn Lijnwaten en andere koopmanschappen voor„ zion, hebbende deese smokkelaars, zig door hare negotie op zumba zoodanig weeten in te wik kelen, dat zij op alle negorijen vrijelijk komen, gezogt, en van alles voorzien worden, wan„ neer zij in het laast der west mousson, van manjielie na poeloe passier, agter rottij, om de zuijd geleegen, oversteken, en aldaar Een grote quantiteit triepangs op doen, zoo wel als op selvera, digt agter sumba geleegen. voorts, met het door komen der oostmous„ „son retourneeren, als dan de beoosten gelee„ „gen Negorijen bezoeken, dit is zoo duijde„ „lijk bekend, en bij de successieve, zelfs al in de voorgaande beins afgegaene brieven over zumba aan haer hoog Edelheedens verhan„ „delt, dat het onnodig is mij deswegen, ver „der uit te breeden gelijk meede, dat de Ende„ „neesen en bimaneesen Correspondentie houden, voor al met de sumbaneese Negorijen, die over het land van Ende, En en digter na straat Sappie 1381 sappie geleegen zijn; zelfs vind men immers bij oude papieren dat invroegere Jaren, wan„ „neer ze op zumba in oorlog waren, zommi„ „ge Negorijen die niet bestand, of die andere onder haare gehoorsaamheid wilden, ^ doen buijgen, stulp troepen van Ende, ende laren„ „toekse portugeesen verzogten, die dan altijd introebel water visten, ook is mij verzee„ „kort, dat de Negorijen, langs voor straat Sappie geleegen, en daar onder voornament„ lijk Moubore met die van Bima, ten Suij „digen dage nog, Eene nauwe Correspondentie hebben aan elkander over en weeder ver„ maegschappen, Jaarlijks of bij benodigtheid volk leeveren, ook beschaafder zouden zijn als de overige sumbaneesen, en verscheijde, de maleijdse tale spreeken. Genadeert zijnde tot het 4=de in den Hoofde deses voorgestelde artieckel welke middelen de Eenigst mooglijke zou dens zijn, om de Negotie aldaar voor ons van een voordeeliger aanschoum te doen zijn en om die in't klijne met geringere om om slag of wel in't groot, met vigour, ter uijtvoer te brengen zoo diene ik mij, een wenig uit te breiden volgens gering oordeel, over de aangeleegen„ heid, van dit Eiland voor de Comp=e Het zelve is, gelijk men weet geleegen voorstaat sappie, zig strekkende, langs de Cust van Ende of het land van floris, daer de passage, het zij voor over of agter om sumba is, waar langs de smokkel vaartuij „gen der maccassaren in de nader geleegen Con„ treijen van solor en agter Timor, tot het land van Beloe, /de Eenigste Handilplaatsen, die onse smal handelaars, nog frequenteeren:/ Iaarlijx komen; dat deese toeneemende vaart der maccassaren daaglijx van Nadeeliger aan„ „schouw noord, is meer als liefbekend, en wat na deeligen invlood, deselve op de Negotie van dit Comptoir en Comp„e intrest heeft, leerd de andervinding; geswijge de nadeelige gevol„ gen, als zij het Eens met onse Competiteuren, de portugeesen in deese Contreijen, Een 6 wierden, en tot de 132 de nabuurschap „ der specerij gewonde provincien /daar om alleen dit Etablissement, bij haer hoog Edelheedens voor noodzakelijk gehouden word doordrong wanneer den smorkel handel niet te sluiten zoude zijn; wat een nadeel doet de voort der maccassaren niet aan onse nego„ „tie, zoude men het wel vergroten, hun getal op 100 vaartuijgen bepalende, die op zumba ende alor solor, en agter het land na beloe Jaarlijx komen, Hoord men niet, dat zij dese plaatsen van allerleij zoort witte en blauwe ƒ lijmwaten, snaphanen, kruijd &=a voorzien; van daar„ alle praduiten meede sleepen: en woorden onse hande „laars niet afgeschrikt, bensdeels om dat zij dikwils vaartuijgen uitrusten en bekostigen, die zonder voordeelen; niets of weinig opge„ 2 „daan hebbende, retourneeren; en ten anderen, die Bang zijn, voor de Eencontre van deese mac„ ƒ „cassaarse roovers — Langs het Eyland sumba deese vaart zijnde en als zij binnen dit en Ende doorgaan altijd In het bereik komen, Ja wat meer is, op zumba Hun Gene„ vous „raal rendeaarl of nestelplaats vindende, wat was het wenschelijk, dat Haer Hoog Edelheedens besluijten konden Een wel bezeilde pantjallang, die over„ „aldigt onder de wal, en zelfs de meeste rivieren op sumba, inloopen kan, ons toe te zenden, wel gemonteert en met Eenige militairen, burgers en mardijkers van hier bemand, zoudie die in de maanden 9ber: ijber en Jann met het Kenteren derwest mousson kunnen derw:s gezonden wor„ den, om te kruijssen wanneer al wat daar op het Eiland gewoon was te komen, of de voorn: pas„ „sage door ging in de kaars zoude vliegen, in„ tusschen zoude ook van hier het zij in de oost mousson in de maanden maart, april en meij dan wel in de west mousson vroeg tijdig in 8ber: 4: a 5: particuliere praauwen kunnen gebruijk worden om 7: â 300: man Timooreesen, Rottinee„ „sen en Javoneesen, gerssisteerd van Eenige bur„ gers en mardijkers in te scheepen en onverhoeds de best geleegenste Negorijen, de afgevallene Comp„s bondgenoten en andere qualijk gezinde te
English
to surprise, such as Cannatan, which, besides smaller ones, has a large river, into which even large vessels can approach without hesitation along cotton gardens; this negorij, situated on a mountain, is nevertheless very easy to reach. Capoendo has a larger river than that of Coepang, into which one can approach with prahus along a few flats up to a grove of toddy-palm trees, where the negorij is situated on a small elevation. Sambopreen lies barely a cannon shot from the beach; likewise the best situated for a swift surprise attack, behind which further inland lies the large negorij Leewa. Mauboro lies down here, close to the beach, has a good river, but one must enter at high water, and is not situated high at all. In short, all negorijen on the north and west side, seaward as far as Codie and past Manucacca, are so situated that one could easily surprise them there, which negorijen, and Manjielie come within reach, yes, what is more, finding on Zumba their general rendezvous or nesting place, how desirable it would be if Their High Excellencies could decide to send us a well-sailing pantjallang, which can everywhere keep close to the shore and even enter most of the rivers on Sumba, well-mounted and manned with some soldiers, burghers, and Mardijkers from here, which could be sent thither in the months of November, December, and January with the turning of the west monsoon to cruise, whereupon all that was accustomed to come to the island or pass through the aforementioned passage would fly into the flame. Meanwhile, from here, either in the east monsoon in the months of March, April, and May, or in the west monsoon early in October, 4 to 5 private prahus could also be used to embark 2 to 300 Timorese, Rotinese, and Savunese men, assisted by some burghers and Mardijkers, and unexpectedly attack the best-situated negorijen, the apostate Company allies, and other ill-disposed to surprise, such as Cannatan, which, besides smaller ones, has a large river, into which even large vessels can approach without hesitation along cotton gardens; this negorij, situated on a mountain, is nevertheless very easy to reach. Capoendo has a larger river than that of Coepang, into which one can approach with prahus along a few flats up to a grove of toddy-palm trees, where the negorij is situated on a small elevation. Sambopreen lies barely a cannon shot from the beach; likewise the best situated for a swift surprise attack, behind which further inland lies the large negorij Leewa. Mauboro lies down here, close to the beach, has a good river, but one must enter at high water, and is not situated high at all. In short, all negorijen on the north and west side, seaward as far as Codie and past Manucacca, are so situated that one could easily surprise them there, which negorijen, and Manjielie with Mallollo on the return journey, in passing, one would also pay a visit, punishing them by surprise attack for their apostasy and urging them to greater loyalty and the fulfillment of their promises. Many would undoubtedly take example from this and come of their own accord to beg for protection, whereupon one could bind them under stronger obligations; and on the other hand, learning that their friends, the Macassars and others, had their passage cut off and were severely battered, they would come very willingly to offer to buy their necessities from our traders, and in return deliver to us their local products, with which they otherwise would not know what to do, especially if that pantjallang, for a year or two in succession, purged the waters there of all smugglers. Then our traders could likewise sail thither with peace of mind to trade, and one would soon see how advantageous the sale of merchandise and the import of products for this office would become. One might even flatter oneself that through an advantageous coup, undertaken unexpectedly with the above-mentioned number of men, and the capture of Macassar pirates, who would surely fly into the flame, would not only make good the expenses of a pantjallang for this office and the necessary costs of ammunition and provisions for this expedition, but that even a sweet profit could remain for the Company, beyond the expectation of the good consequences that one might hope for from this undertaking. That, however, in my judgment, could be even more important and put once and for all on a firm footing if, pursuant to the second clause of my proposal, one could resolve to tackle Zumba in real earnest, and once and for all secure oneself there by conducting a formidable expedition thither with some 4000 Company allies, all together delivering a certain number that ought more or less to be equalized, and all at once assisted by a competent number of burghers and Mardijkers to maintain balance and respect among this force. For if this is not the case, that one can hold the various auxiliary troops of the allies in check one by the other, those who consider themselves the furthest behind immediately bolt, obeying no commands either of their rajas nor of others, as I have experienced more than I liked in the Sumbanese expedition, see the daily register, and nearly became the victim of the affair. The regents of Savu and Rotti, having a multitude of vessels, would have to serve for the transport of their auxiliary troops, and sufficient time in advance of this expedition, without them actually needing to know where
Dutch transcription
1385 te overrompelen, zoo als Cannatan, heeft buiten klijndere een groote rivier, daer in zelfs grote vaartuijgen, onbe„ schroomt kunnen naderen, langs Capastuijnen, leggende dese negorij, op Een berg, Egter, zeer wel bij te komen. Capoendo, heeft een grooter revier als die van Coepang, daar in men met praauwen naderen kan langs Enkelde vlak„ „tens tot bij Een mammer van toeaks boomen, daar men de negorij op Een klijne Hoogte heeft. Sambopreen Pas Een Canonschoot van strand; al mede het best geleegen, tot Een spoedige over rompeling, waar agter meer landwaats in de groote negorij leewa ligt. Mauboro hier beneeden legt, dig't aanstrandt, heeft een goede rlevier, maar men moet bij hoog water binnen komen, is geheel niet hoog geleegen; En fin, alle negorijen om de nood en west, zijde strandewaarts tot codie en voor bij manucacca, zijn zoodanig geleegen, dat men ze daar wel Eens verrassen kan, welke negorijen /:en manjielie met In het bereik komen, Ja wat meer is, op zumba Hun Gene„ vous „raal renderaard of nestelplaats vindende, wat was het wenschelijk, dat Haer Hoog Edelheedens besluijten konden Een wel bezeilde pantjallang, die over„ „aldigt onder de wal, en zelfs de meeste rivieren op sumba, inloopen kan, ons toe te zenden, wel gemonteert en met Eenige militairen, burgers en mardijkers van hier bemand, zoudie die in de maanden 9ber: ijber en Jann met het Kenteren derwest mousson kunnen derw:s gezonden wor„ den, om te kruijssen wanneer al wat daar op het Eiland gewoon was te komen, of de voorn: pas„ „sage door ging in de kaars zoude vliegen, in„ tusschen zoude ook van hier het zij in de oost mousson in de maanden maart, april en meij dan wel in de west mousson vroegtijdig in 8ber: 4: a 5: particuliere praauwen kunnen gebruijk worden om 7: â 300: man Timooreesen, Rottinee„ „sen en Javoneesen, geassisteerd van Eenige bur„ gers en mardijkers in te scheepen en onverhoeds de best geleegenste oxegorijen, de afgevallene Comp:s bondgenoten en andere qualijk gezinde te 6 1385 te overrompelen, zoo als Cannatan, heeft buiten klijndere een groote rivier, daer in zelfs grote vaartuijgen, onbe„ schroomt kunnen naderen, langs Capastuijnen, leggende dese negorij, op Een berg, Egter zeer wel bij te komen. Capoendo, heeft een grooter revier als die van Coepang, daar in men met praauwen naderen kan langs Enkelde vlak„ „tens tot bij Een mammer van toeaks boomen, daar men de negorij op Een klijne Hoogte heeft. Sambopreen Pas Een Canonschoot van strand; al mede het best geleegen, tot Een spoedige over rompeling, waar agter meer landwaats in de groote negorij leewa ligt. Maubovo hier beneeden legt, dig't aan strandt, heeft een goede Clevier, maar men moet bij hoog water binnen komen, is geheel niet hoog geleegen; En fin, alle negorijen om de nood en west, zijde stran dewaarts tot codie en voor bij manucacca„ zijn zoodanig geleegen, dat men ze daar wel Eens verrassen kan, welke negorijen /:en manjielie met met mallollo in het te rug keeren, em passant:/ men dan ook Eene visiete geeven zoude, bij over rompeling haer straffende over haere afval„ ligheid, en haar tot meer der trouwe en nakoming harer beloften aen te sporen, veele zouden on„ twijfelbaar zig hier aen spiegelen, en uit zig zel„ „ve Protegie komen bidden, wanneer men Haer onder sterkere verpligtingen, zoude kunnen verbinden en aan de andere zijde verneemende dat Hare vrienden, de Maccassaren en anderen, de pas, afgesneden was, en gevoelig gehaevent wierden, zouden zij zeer gewillig, ten offerkomen, om haere benodigtheeden van onse trafiquan „ten te kopen, en daar tegen hare lands produi „ten, waar meede zij dog geen intweg weeten zou „den, aan ons te leeveren voor al, wanneer die Pantjalling, en Jaar oftwee, na den andere, het vaarwater daar van alle smokkelaars zuijver „de, dan zouden onse traficquanten gelijker stand met gerustheijd derw„s ten Handel vaeren en men zoude in 't korte zien, Hoe voordeelig den 1387 den Cleet van Handelwaren, en den aanbreng van produiten, voor dit Comptoir, woorden zou„ „de men mogte zig zelfs flatteeren, dat door Eene voordeelige Coup, met het bovengen: getal manschappen onverhoeds onder nomen, ende buijtmaking van maccassaarse zeer overs die zeeker in de kaars zouden vliegen niet alleen zoude goed maken de lasten van Een Pantjallang voor dit Comptoir ende nodige kosten van amunitie en proviandt voor dese Expeditie maar dat zelfs, Een zoet voordeel voor dE Comp„e zoude kunnen overbe„ „houden worden buijten de verwagting der goede gevolgen, die men van deese onderneeming, zig zoude mogen behopen Dat egter mijnes oor„ deels, nog importanter konde zyn en Eens voor al, op Een vasten voet gebragt worden als men Jngevolge het 2=de lit van mijn voorstel konde besluijten, zumba met regten Ernst aan te lasten, en Eens voor al, zig daar daar van te verzeekeren door Eene formiaable Eypedi„ „tie derw:s te doen met Een 4000: man Comp:s bondge„ „noten alle met elkander Een zeeker getal leeve„ „rende, dat min of meer Equaliseeren moeste, en al telffens met Een bequaam getal burgers en mardijkers g'assisteerdt worden om het Even „wigt, en ontzag onder deese magtte houden want dit niet zijnde dat men de verschillende hulptroepen, der bondgenoten de Eene door den anderen in teugel kan houden spatten die gee„ „ne, welke zig de moeste agter te zijn aanstonds ui't geene Commandos nog van hunne raadjas nog van andere, gehoorzamende, gelijk ik meer als lief, inde sumbaneese togt /:vide dag register onder vonden heb, en bij na de dupe van de Historie zoude geweest zijn— De regenten van Javo en rottij, een meenigte vaartuijgen hebbende zouden tot transport van Hunne Hulptroepen moeten dienen, en ge„ „noegzame tijd te vooren tot deese togt, zonder dat zij Eigentlijk behoefden te weeten, waar Heer
English
must be prepared to collect their provisions etc. and to hold themselves ready, and for the Timorese peoples, citizens, and Mardijkers, all private proas of the Coupanese traders here would have to be pressed, which together would be sufficient to embark this number, and then also to store the necessary provisions, ammunition, etc. The assistance of a pantjallang mentioned earlier would also be necessary. The expedition would commence in the west monsoon early in 8ber, setting course close along the land of Ende. One detachment would proceed to the north side, and the lower detachment to the northwest side of Zumba, where the first would launch an attack on Capoendo and Cannatan, and the second surprise the village of Moubovo, after the accomplishment of which the force from Capoendo would advance inland toward Leewa, and that from Monboro could march eastward along the beach toward the villages of Sambopreen and Cadessan, which can offer little resistance, while the vessels would follow behind. In order to be close at hand, a portion of them could lie in the most suitable and nearest river of Cannatan, while the other portion would come to lie in the river Cenbero, below the beach of Bate Capedoe, and then with the entire force first invest Leewa and thereafter Bate Capedoe. These, even if offering some resistance, would soon fall short when their access to drinking water was cut off, just as all the villages on Sumba, although established high upon mountains, must obtain all their water from the rivers flowing along these mountains, which in the dry monsoon must at times be fetched from quite a distance, and by this means could most suitably be compelled. Should it happen, after all, that one encountered strong strongholds or villages inland that were not easy to approach or overpower, nor where one could cut off their access, yet what could a well-resolved body of 4000 men, sufficiently provided with powder and lead, not achieve against the so very fearful Sumbanese, unaccustomed to gunfire, who, armed with nothing but assegais and shields, would either soon surrender or by the hundreds take faint-hearted flight and fall in multitude into our hands? Some might offer stubborn resistance, as there are many examples that the most faint-hearted in extreme danger, like mad and raving men, have no regard for their own lives. But supposing one could not subdue one or two of the strongest villages inland, the objective with Sumba would nevertheless be achieved once all villages along the beaches were brought under the Company's obedience, just as along the southwest and west sides one would likewise have to pay a visit to the villages of Kodie as far as beyond Manucaica, Carera, Taboendo, Selamata, Waijeloe, and Manjielie. And if then at the same time the Macassars were kept away by the cruising of the pantjallang, then those inland would of their own accord be forced, in order to obtain their sustenance, to follow the example of the others and come under the Company's obedience. Everything succeeding according to wish, for which purpose one would also employ as many Sumbanese Mardijkers as are to be found here, and other persons who have previously been to Simba for trade and are knowledgeable of the country, it would then be highly necessary that all the villages be almost half depopulated. For the multitude of inhabitants, in no way to be governed by their chiefs, is the cause that there can be no subordination. Several small villages, which hardly deserve the name, and mostly belong to those who have torn themselves away from the others, ought to be united with the nearest and most suitable villages and submitted thereto. These would then be divided into proper kampongs, and as far as possible the rightful radjas restored, or the most capable selected, and these ought to be assigned a second or regent of the realm, who, if the radja resided in a village inland, ought to lodge at the nearest and most suitable beach. In like manner, tomagonns must be appointed over all the kampongs, who nevertheless directly obeyed all the orders of their lawful radja. Then, although the villages will be more extensive and larger, as the same over the entire island, instead of so many, and of which some, as said, do not deserve the name, could remain limited to a number of 30, the orders could be better maintained. Two to three interpreters ought to be stationed at the best-situated villages close to the beach, who could then keep an eye on everyone's conduct, and the slightest misstep, from the radja down to the least person, would be seen. The Honourable Company would then know with whom it had made an alliance, and whom it had to call to account in case of transgression, just as their succession to the regency would also have to be confirmed by the Company. This is the only means by which this most savage race can be kept in check and brought to proper discipline, and Zumba can become of great importance, while one would oblige them to abandon their established pomalies or superstitions, as is also stated in outgoing letters to Batavia dated 22 7ber 1754 and 8ber that they supposedly have when cutting sandalwood. However, I have been informed by the Cavonese Bola, who was for a long time at Waijeloe, where shortly behind it a large sandalwood forest extends to beyond Taboendo, and who was ransomed again for gold by the people of Seba. In
Dutch transcription
1369 steen geprepareert worden om haere proviand &=a te verzamelen en zig gereed te houden en voor de timoreese volkeren Burgers en mardijkers zouden alle particuliere praauwen van de Cou„ Paneesen Handelaars alhier geprest moeten worden dat met Elkander genoegzaam toerij„ „kende zoude zijn, om dit getal, in te schee„ „pen, en dan nog de nodige proviand ammunitie &„a te bergen ook zoude de Hulpe van Eene hier voren gewaagde pantjallang, nodig zijn, de Expeditie zoude in de west mousson vroegtijdig in 8ber: Een begin neemen, en Coms zetten digt„ „langs het land van ende, Een gedeelte zoude zig na de noord kant, en het onder gedeelte nade noord west zijde, van zumba begeeven alwaar de Eerste, op Capoendo en Cannatan zouden los gaan en de tweede de Negorij mou„ „bovo overrompelen, na welkers verrigtinge de magt van Capoendo, landwaarts in zoude „ rukken na Leewa, en die van Monboro oost„ „waarts de Negorijen sambopreen en Cadessan Langs langs strand geleegen konden op trekken die niet veel weeder stand beiden kunnen ter„ wijl de vaartuijgen, agter opvolgen zouden, en om digt bij de hand te zijn, Een gedeelte daar van, in de bequaamste en naastgeleegenste rivier van Cannatan konden leggen, terwijl het ander gedeelte, in de rivies Cenbero, benee„ „den het strand van bate Capedoe zoude komen leggen, en dan met de geheele magt Eerst leewa en daar na bate Capedoe insluijten, die schoon al Eenige wederstand biedende, dog wel haast te kort zouden schieten wanneer Hinde pas, tot het drink„ water, afgesneden wierd, gelijk alle de negorijen op sumba schoon Hoog op bergen gerestigt alle hun water, uit de langs dese gebergtens Heer vlie„ „tende revieren /:dat in de droge mousson bij Com„ „anige, al steel vergehaalt moet worden hebben. moeten en door dit artieckel, het bequaamste gednoongen kunnen worden wilde het ongelukt dan allens, dat men binnen slands sterke nestel „plaatsen of negorijen aan trop, die niet wel 1391 te genaken ofte overmeesteren waeren, nog daer men Hun de pas niet afsnijden konde trouwens wat zoude een wel geresolveerde Hoop van 4000: man genoegzaam van kruijd en Lood voorzien, al niet kunnen uitvoeren, tegens de zoo zeer bevreesde en 't vuur ongewoone simbaneesen die niet anders als met assegaaijen en schield gewapent, of zig spoedig zouden overgeeven of bij honderden, lap„l „hertig de vlugt neemen en bij meenigte, in onse slanden vallen Eenige mogten Hartnekkigen weerstand bieden zoo als men meer Exempelen heeft dat de bloohartigste in het uiterste ge„ vaar als dol en rasende, Haer Eigen leeven niet agten maar genoomen men kon al Een op„ twee, der sterkste negorijen binnen 'slands niet onerwildigen, egter zoude men het oogmerk met sumba bereijken, alle negorijen langs de stranden onder Comp:s gehoorsaamheid gebragt zijnde, gelijk men langs de zuijd west, en west kant de Negorijen kodie tot voor bij manucaica, Carera Taboendo Selamata Selemata waijeloe en manjielie, insgelijx een bezoek moeste genen en als dan teffens, door het kruijs„ „sen der pantjallang de maccassaren geweert wierden dan zouden die binnen slands, van zelve genoodzaekt zijn om Haren lyftogt te verkrijgen de anderen Haer voorbeeld te volgen, en onder Comp„s gehoorzaam„ „heijd komen Alles na wensch slagende waar toe men meede Emploijeeren zoude zoo veel sumbaneese maardij„ „kers als hier te vinden zijn, en andere bevorens. op simba ter negotie geweest, en het land daer kundig zijnde perzoonen dan zoude het Hoogst nodig zijn, dat alle de negorijen, bij na de Helft ontvolkt wierden /want de meenigte inwoonders Jn geenen deele, door Hare hoofden te regeeren, is oorzaekt dat er geen subordonatie ken zijn verscheide kleijne negorijen die daar van pas de naam verdienen, en meest van die geene zijn wel„ „ke Htaer van de andere hebben afgescheurt moesten met de naast geleegenste en bequaam„ ste negorijen verbenigd, en daar aan gesubmit„ teerd 1393 „teerd worden, dese zouden als dan, in behoorlijke„ Campongs verdeelt zijn, en zoo veel mooglijk de regte raadjas Htersteet, of de bequaemste uytgekoten worden en die moesten een tweede of rijx bestierder werden toegevoegt, den welken zoo het raadja, in Eene negorij landwaarts resideerde aan het naaste en bequaamste strand, diende te logeeren gelijk over alle de Campongs tommagoms aangesteld moeten wor „den, die egter alle de ordre van Hunnen wetti„ „gen raadja, direct obedieerden dan zoude, schoon de negorijen uitgestrekter, en groter zullen zijn gelijk deselve over het geheele Eiland, in stee „de van zoo veele, en waar van Eenige gelijk gezegt de naam niet verdienen, op Een getal van 30: kunnen bepaelt blijven de ordres beter gehand haeft worden 2: a 3- tolken moesten op de best geleegenste negorijen, digt bij strand geplaatst worden, die zou„ den dan, het oog op Een ijder zijn gedrag kun„ „nen houden, en de minste buiten stap, van het raadja raadja af, tot de minste toe zoude gezien wor„ den dE: Comp„e wist dan met weeze verbond gemak had, en wie ze bij overtreedinge, aen„ spreeken moeste, gelijk Hunne opvolging in het regentschap door de Comp„e ook zoude moeten geconfirmeert worden Dit is het Eenigste middel waar door dese moeste land aard in teugel en behoor„ lijke discipliemekan gebragt worden en zumba, van veel belang worden kan terwijl menze verpligten zou Hunne gemaakte Pomalies, of bij gelovigheid te abandoneeren zoo als bij afgaande brieven na Batavia, in dato 22: 7ber: 1754: en 8ber: ook gezegt word dat zij bij het kappen van zandelhout hebben zouden en dat ik egter geinformeert ben, van den Cavonees bola, die lange op Waijeloe waar kort agter zig Een groot sandelbos tot voor bij taboendo strekt geweest en voor goud door die van seba weeder uit gelost is. In
English
1395 consists of nothing other than a political trick, since to him and his comrades, while still present there, the damaging of sandalwood trees, even withered ones, was strictly forbidden, and some of them, being curious, asking about the origin of this pemalie, were told by the Sumbanese that their ancestors, seeing how eagerly this sandalwood was sought after, first by arriving merchants and later after some of them had come to the Company, and well foreseeing what inconveniences and trouble would result for them from this, in order to prevent this, had resolved to pretend that their ancestors had been transformed into these trees, and thus made a great fuss and rumor about it so that the Dutch would not force them to have to fell them, and that this superstition in later times also found acceptance among many, which which story appears to me entirely probable, when I confront with it the ancient papers and outgoing Batavian letters at the beginning of this and in the preceding century, from which one clearly sees that on Sumba sandalwood was felled and must have been transported by private individuals, especially that the servants contracting with the Sumbanese not only always stipulated the delivery of sandalwood for the Company, but such was also accepted by the regents, and that on Maccollo 100 trunks had also actually been felled for the Company, consequently that this pemalie or superstition must be a frivolous invention, with one or another purpose in mind, in later times, for otherwise such must have taken place always, just as it does now. When therefore this woodcutting, once in right earnest after they have first been disciplined, is imposed upon them, and they in the course of time will enjoy the benefits thereof, 1397 will enjoy, it is very conceivable that they will be grateful for that little coercion suffered in the beginning, and just like the other inhabitants in sandalwood-producing places, make it their main business to cut it with zeal, and trade it to our traders for their necessary requirements of linens, etc. What an important advantage may one not then promise oneself therefrom for the Company; that island, boasting from ancient times of the name of the great sandalwood forest, will yield just as much—being almost as large as Timor—as one can presently gather together from all these regions, of which the Portuguese still get most into their hands; the slaves, through the populousness of this large island, will also be a prominent article, not to mention the other additional products of tortoise-shell, birds' nests, trepang, etc., and the sale of Company linens will then be no less important; also this lazy, uncivilized people will become more industrious and manageable, the first through the benefits that they will enjoy from their labor, and the other through intercourse with our people, who will then have their principal trading place on Sumba, whereby, and because the regents or their emissaries from all negorijen will then appear annually at Coepang, either with the vessels that come there to trade, or others that one sends to fetch them, one will find occasion, as well as through the interpreters, to encourage them to the necessary construction of vessels; the example, and even the help, of their neighbors, the Savunese, who as well as the Rottinese would more frequently navigate to Sumba, will certainly enable them to do so, as well as further encourage them, just as these do, to cultivate their beautiful and naturally fertile lands with zeal and to place their principal 1399 principal wealth therein, besides the raising of livestock, whereby in time Sumba might possibly become of so much importance that the Company resolves to establish a settlement there, for which suitable places are at hand, and one will then be able to obtain more accurate reports thereof through our interpreters, who will dare to go and come across the entire island without danger; but before and until this so necessary reform takes place on the island of Sumba, nothing good is ever to be hoped for from it; for the fear of the peoples, which they will pretend on all occasions—were it only really so far with it that they became more manageable through that feeling—is the cause that one cannot enter into any negotiations with them, and their falseness and fickleness cause that before they are disciplined and taught better manners, one will never be able to trust them on any treaties: wherefore it will also by no means be advisable—considering that alongside all these bad qualities this people is also very murderous—before and until anything has been undertaken with deliberation, to place interpreters there—since one would be as good as none on this large island—as for the present one would sacrifice these people sacrifice thereto. In conclusion of this, the signatory adds hereto that if it might please Their High Nobilities, upon Your Honour's proposal, to embrace one of these suggested propositions, and that consequently something will be undertaken on Sumba, he offers his humble person, in addition to others who will be charged with the execution thereof, to be employed herein as well, and furthermore, hoping to have satisfied Your Honour's desire, has the honor to remain with true high esteem— was underwritten Noble Sir lower Your Honour's serviceable and obedient Servant was signed I. d. Terenborgh, Sworn Scribe in margin Coepang on Timor the 15th of August 1775. Petition
Dutch transcription
1395 in niet anders, als een staatkundige streek be„ staat, alzoo aan hem in zyne makkers: daar nog aanwesig het beschadigen van zan„ del boomen, Ja zelfs van verdorde, scherp verbooden zijnde, en Eenige van Hun, nieuwv gievig, na de oorspronk deser posmalie vra„ „gonde, van de sumbaneesen verhaalt is, dat hare voor ouders, ziende Hoe greetig dit zandel„ hout, Eerst door aankomende Negotianten en naderhand, dat Eenige van Hun bij dE Comp„s gekoomen waren, gezogt wierd, en zij wel voorziende, wat ongemakken en moeijte voor haer daar uitvolgen zoude ter voorko„ „aning van dien besloten hadden voor te greven dat Hare voor onders in deeze boomen ver„ „andert waren, en dus daar van Een grooten op hep, en gerugts gemaakt hebben op dat de hollanders haer niet dwingen zouden die te moeten kappen, en dat deese bijgeloovigheid in latertijden bij veele ook ingang gevonden heeft welk Welk verhaal mij alle zints waarschijnelijk voorkomt, als ik daar teegen Confronteere, de aloude papieren en afgaan de Bataviase brie „ven in het begin van dese en in de voorgaende benis waar uit men duidelijk ziet, dat op Zumba het zandelthoud gekapt, en door parti„ „culieren moet vervoert zijn spetiaal, dat de bediendens met de sumbaneesen Contracteerende niet alleen altijd, het leveren van sandelhout voor de Comp„e bedongen hebben, maar sulx door de regenten ook aangenoomen is, en dat er op maccollo, ook wesentlijk 100 stammen, voor de Comp„e gekapt waren gevolgelijk, dat deese pomalie of bijgeloovigheid Eene frivoole uit„ vindinge moet zijn, om Het Een of ander in sigt, bij latere tijden want anders moeste zulx van altijd, zoo als nu plaats gehad hebben, Wanneer dierhalven, dese Houtkapperij, Eens met regten Ernst na dat zij alvorens gekort weekt zullen zijn Hun word op gelegt, en zij in vervolg van tijd, de voordeelen daar van zullen 1397 zullen genieten is het wel zeer denkelyk, dat zij zig die weinig Eerst in den aan beginne geleede„ „ne dwang zullen bedanken, en zoo als de andere inwoonders op zandel gevende plaatsen, Haer Hoofd werk Er van maken zulx met ijver te koppen, en aan onse Handelaars voor Haere nodige behoeftens, van Lijnwaaten &=a te ver„ „handelen Wat mag men zig dan daar van voor de Comp„s net Een important voordeel beloven dat van oude tijden met de naam van het grote zan„ delbos pronkende Eiland, zal wel zoo veel uitlee „veren /:beij na zoo groot zijnde als timor:/ als men uit alle dese Contrijen /:daar nog de portugeese„ het meeste van inde handen komt :/ tegenwoordig kan bij Elkander zamelen; de slaaven, door de volk rijkheid van dit grote Eiland, zal meede Een voornoem artickel wesen, geswijge de daar nog bij komende andere produiten, van Caret voogelnesjes, triepangs; &=a en den verthier van Comp„s lijnwaten, zal dan niets minder impor Important zijn, ook zal dit Luije ongecinilie„ „seerde volk nijveriger en hand zamer worden, het Eerste door de voordeelen die zij van ha„ „ren arbeid zullen genieten, en het andere, door de Conversatie met de onse, die Haere voor„ naamste standelplaatse als dan op zumba zullen hebben waar door, en dewijle dan van alle negorijen sjaarlijks de regenten of hare zendelingen, het zij met de vaartuijgen die daer ter negotie komen, of andere, die min tot haer afhaling zend, op Coepang zullen verchijnen, zoo zal men occasie vinden, gelijk ook door de tolkens, haer aan te spooren tot de nodige aan bouws van vaartuijgen, het voorbield, V 1 en zelfs de hulpe, van haere nabuuren, de savoneesen die zoo wel als rottineesen, de vaart na sumba meerder frequenteeren zouden, zal haer daar toe wel in staat stellen, als meede nog hun aan„ moedigen, om zoo als deese met ijver hare schoone, en uit de natuur vrugtbare landen, te bebouwen en daar in, nevens het aanqueeken van vee haar voor„ naamste 1399 naamste rijkdom te stellen, waar door mogelijk in der tijd zumba wel van zoo veel belang konde worden, dat dE Comp„e resolveert, aldaar een Etablisse„ „ment op te regten, waar toe bequame plaatsen aan ran„ „den zijn, en men als dan, door onse tolken, die zonder gewaar op het geheele Eiland zullen duwen gaan en komen, derwegens nauwkeuriger berigt zal kunnen krijgen, dog voor en aller, dese zoo noodzake„ 1 lijke reforme op het Eyland zumba geschied, is Er nooijt met goede, ijts van te hopen; want de vreese der volkeren die ze bij alle geleegent „heeden zullen voorwenden /waare het daar meede wesentlijk maar zoo verre dat zij door het ge„ „voel Handelbaarder wierden:/ is oorzaek, dat men in geene onderhandelingen met haer treeden kan, en hare vaesheid en wispeltuurigheid maekt dat men voor zij getuigtigt en beeter manie„ ren geleert zijn, nooijt op Eenige verbonden haer zal mogen vertrouwen: daar om het ook geenzintsraad zaam zal zijn /:gemerkt bij alle dese slegte hoedanig „heden dit volk ook zeer moord dadig is:/ voor en al„ „ler ijts, met nadank is ondernomen tolken /:dewijle Een zoo veel als geen op dit grote Eiland wesen soude:/ aldaar te plaatsen, alzoo voor sstands, dese menschen daar daar aan sacrafieeren zoude Tot slot deses voegt den teekenaar hier bij dat als het Hun Hoog Edelheedens, op uw Edele voor„ dragt behagen mogte Eene van deese voorgestelde propositien te amplecteeren, en dat Erdien volgens p ijts op zumba ondernomen zal worden hij zijn gering perzoon aanbied, om nevens andere die tot de uitvoering daar van gechargeert zul „len worden ook hier inne te werden geEm„ ploijbert, en overigens verhopende aan ums Edele begeerte te hebben voldaan, zig de Eere geeft met ware hoopagtinge te blijven— /onderstond/ Edele Heer /:lager:/ uw Edele dienst„ „vaardigen en gehoorzamen Dienaar /was. ^Gezworen Scriba „geteekendt :/ I„ d„ Terenborgh /:in marginne/ Coepang op timor den 15:=e augustus 1775— Petitie
English
1401 Petition of what would be needed for the expedition to Sumba 24 Private soldiers 30 Lasts of rice 6 Half-leaguers of arrack 1 Competent bombardier 2 Pieces of mortars of 6 lb with 100 Bombs 1 Bundle of Dutch match-cord 10 Kegs of gunpowder of 50 lb each 1 Well-equipped and outfitted pantjalling 3000 Pieces of gunflints Koepang on Timor, the 14th of September 1775. was signed: B: W: Fockens Examined Read aloud Johanes Linistager Collated H Ghermeer Sworn clerk 1403 To His Honour The High Noble Rigorous Right Honourable Lord Petrus Albertus vander Parra Governor-General Together with The Noble Rigorous Lords Councillors of the Netherlands Indies High Noble Right Honourable Lord Noble Rigorous Lords In respectful reply to Your High Noble Right Honours' most esteemed secret letters, dated 19 June past, we have the honour to report that the gifts mentioned therein, due to the unfortunate and most grievous failure of the ship Blijdenburg to arrive, have been received and delivered by half per the Stavenisse, with which the Japanese, so it appeared, showed themselves somewhat content, though they inquired strongly after the requested Persian horse, the reason for which was told to them as appears from the Daily Register dated 22 August, as well as regarding the ray skins and taffachelasses. It is once again with regret that we find ourselves compelled to bring to Your High Honours' notice the lack of success regarding the honoured orders. We have on all occasions endeavoured to place the slackened trade on a better footing, and specifically concerning the increase of bar copper, to convince them of the languishing and completely deteriorating state of the navigation and trade of the Honourable Company in these so perilous waters, by placing before their eyes 1407 the so great damages which the Honourable Company had suffered through the loss of its ships in so few years, and now again through the non-appearance of the ship Blijdenburg, which would make it impossible for the Honourable Company to keep the navigation and trade with this empire going any longer if no improvement could be hoped for, for which reason the only remedy could still be that the Honourable Company might export more bar copper, renewing to them the motives and considerations in earlier matters, and lastly sent over to Your High Honours in the dispatched secret letter of 3 November 1772; but all these arguments were in vain, and of the least effect, as they answered us that they could do nothing in this matter, but must await the time when such would be told to us, which, according to their statements, was clearly made known to us at the last increase of copper in the year 1768, so that this year we have again had to content ourselves with the stipulated 1405 9000 chests of bar copper, of which now by this vessel are passing over 6000 chests alongside the 700 chests for private account, or together 6700 chests of bar copper, requesting most humbly that the last-mentioned 700 chests or piculs of 120 lb, which were bought for f 60:-:-, may be favourably accepted by Your High Noble Right Honours on the same footing, and after delivery thereof the proceeds from it may be paid to the signatories hereof out of the Company's treasury. Wherewith we take the liberty to conclude this, humbly praying that it may please you to confirm our conduct with your approval, and favourably to overlook our committed omissions that might appear, and to be assured that we have with sincerity, to the best of our knowledge, accomplished and executed everything that was serving the Master's interest. 1407 These are the wishes and fervent prayers of those who, with all deep respect and due reverence, subscribe themselves to be, High Noble Right Honourable Lord, Noble Rigorous Lords, Your High Noble Right Honourable and Noble Rigorous Humble and most obedient servants, V: Armenault Anbeith Japan, at the Factory Nagasaki, the 27th of October 1775.
Dutch transcription
1401 Petitie van het geene Tot de Expeditie naar Sumba beno„ „digt zoude zijn 24: Gemeene Militairen 30: Lasten Rijst 6: halve Leggers: Arrak 1: Bekwaam Bombardier :2: p:s Mortieren â: 6: lb met 100 „ Bomben 1 kip Lonth hollands 10: Vaatjes: Buskruijt â 50: lb ieder :1: wel g'equipeerde en gemonteerde Pantjalling 6 3000: P=s vuursteenen Koepang op Timor den 14:=de September 1775— /:was Geteekendt:/ B: W: Fockens — Nagezien opgeleezen ijn Johanes Linistager. Gestoblerk H Ghermeer Gezw: kl: 1407 dienende, dit zijn de wenschen en vierige .P 1403 Aan zijn Edelheid Den Hoog Edele Gestreng Groot Agtbren Heer Petrus Albertus vander Parra Gouverneur Generaal Benevens De WelEdele Gestrenge Heeren Raaden „P van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtbaren Heer WelEdele Gestrenge Heeren In Eerbiedige Antwoord op UW Ed: Groot Agtbaarhedens zeer ge„ fo Eerde secreete letteren, dato 19 Iunij Pass:o hebben „ —. En hebben wij de Eer te melden dat de geschenken daarin vermeld, door 't ongeluckig en zeer smertelijk agter blijven van 't schip Blij„ „denburg voor de helft P„r Stauenisse zijn ontfangen en afgegeven, waarmede de Japanders zo het toe scheen; sig eenigsints vergenoegd toonden, dog vernamen sterk na het ge„ „ Eijschte Persiaanse Paard, waarvan haar de reden blijkens Dag=Register dato 22 Aug„s gesegd hebben, als mede om„ „trent de Roggevellen en Taffachelassen Het is wederom met leedwesen dat wij ons genootsaakt vinden, in het niet Reusseeren, der geEerde bevelen, Uwel Hoog Edelheedens ter Kennis te brengen, wij bij alle gelegentheden getragt hebben, den verflaauwden Handel op een leeteren voet te verkrijgen, en wel omtrent het vermeerderen van Staafkooper, haarliede den quijnende, en ten eenemale in 't verval rakende staat, van de vaart en Handel der E. Compagnie, op dit zo gevaarlijk vaarwater, te overreden, met haar voor oogen 1407 dienende, dit zijn de wenschen en vierige tal du t Edthiede te stellen, de zo groote schadens, welke DE. Compagnie, door het verliezen haarer schepen, in zo korte Iaren, en nu wederom, door het niet komen opdagen van het schip Blij„ „denburg geleden hadde, 't welk DE. Comp„en onmogelijk soude zijn, om de vaart en handel langer op dit Rijk gaande te Kunnen houden, bij aldien 'er geen beeterschap te hopen was, dieshalven het eenigste middel nog konde zijn, DE. Compagnie meerder staafkooper mogte vervoeren, haarlieden de motiven en Consideratien hernieuwt in vroegere Saken, en laast in de afgegane Secreete brief van den 3 November 1772, aan UW: Hoog Edel„ „hedens overgesonden, dog alle deze beweeg„ „redenen zijn te vergeefs, en van de minste uijtwerkinge, wijl sij lieden ons antwoor„ „den, daarin niets te kunnen doen, maar afwagten de tijd, ons sulks soude gesegt worden, Volgens haar gesegdens, bij de laaste vermeerdering van Kooper in A„o 1768. aan ons duijdelijk te kennen gegeven so dat wij ons dit Iaar alweder te vreede hebben moeten houden met de bepaalde 9000 d 1. 1405 - 9000 kistjes staafkooper, van dewelke thans met dezen bodem overgaat 6000 Kistjes nevens de 700 kistjes voor Par„ „ticuliere Rekening of te samen 6700 Kistjes staafkooper, versoekende zeer nedrig de laast gemelde 700 kistjes of Picols â 120 lb die voor ƒ 60:—:- zijn In gekogt door UW. Hoog Edele Groot Agtbaarhedens goetgunstiglijk op deselve voet geaccepteerd, En na dies uijt levering 't Provenu daarvan aan de Onderteekenaars deses uijt s: Comp„s Cassa voldaan mag worden Waarmede wij de vrijheid nemen deze te besluijten met nedrigst te smeeken, ons gehoudene gedrag met derselver goed keuringe gelieve te bekragtigen, En ons begaane missie die mogten voorkomen, goetgunstiglijk te Passeeren, en verseekerd te wesen, dat wij met opregtheid na beste weeten alles volbragt, en uijt gevoerd hebben, 't welk tot s' meesters Interest was dienende 1407 Comptoire Cachij ctober 1775. dienende, dit zijn de wenschen en vierige bede van die sig met alle diepe Eerbied en verschuldigd ontsag tekenen te zijn Hoog Edelen Groot Agtbaren Heer WelEdele Gestrenge Heeren UW: Hoog Edele Groot Agtba„ „re en WelEdele Gestrenges Onderdanige en zeer Gehoorsame Dienaaren V: Armenault Anbeith. En 9000 kistjes staafkooper, van thans met dezen bodem over Kistjes nevens de 700 Kistjes „ticuliere Rekening of te san Zistjes staafkooper, versoe„ nedrig de laast gemelde 700½ Picols â 120 lb die voor ƒ 60: gekogt door UW. Hoog Ed Agtbaarhedens goetgunst deselve voet geaccepteerd,E uijt levering 't Provenu de Onderteekenaars deses uijt A voldaan mag worden Waarmede wij de nemen deze te besluijten te smeeken, ons gehouden met derselver goed Keuring te bekragtigen, En ons be missie die mogten goetgunstiglijk te Sa en verseekerd te wesen, met opregtheid na beste alles volbragt, en uijt ge 't welk tot s' meesters Inte 1407 dienende, dit zijn de wenschen en vierige bede van die sig met alle diepe Eerbied en verschuldigd ontsag tekenen te zijn Hoog Edelen Groot Agtbaren Heer WelEdele Gestrenge Heeren UW: Hoog Edele Groot Agtba„ „re en WelEdele Gestrenges Onderdanige en zeer Gehoorsame Dienaaren V: Armenauls Iapan ten Comptoire Nangazackij den 27 October 1775. Anbeith. En 't welk tot s'meesters Inte welk tot s' meesters Ante