VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3445

Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3445_1330 view scan ↗

English

tithe; for your clarification I add hereto a translated copy of the Testament made by his late said Highness on the 29th of January 1759, from the contents of which it will appear to you that, besides those of which he has since made himself master, the remaining lands, islands and fields were acknowledged by himself to belong to the Company, or so far as the latter is concerned, were favorably exempted for his benefit from the payment of tithes, with the remarks placed alongside in the margin by Governor Blok, under condition of which that disposition, so far as the Company is concerned, was approved, while as proof that the king was satisfied therewith, and thus also agreed to the unlawful possession of various fields, a similar Dutch translation is stamped with the seal of the realm, so that no one can oppose it, for which reason I likewise hand over the last-mentioned to you to give the king and grandees of the realm sight thereof, in prevention of needless delays and evasions, which I nevertheless expect all too much, but which you will need to refute as much as possible, under 141 1209 under an added request that the king and grandees of the realm please appoint commissioners to proceed with those of the Company as soon as possible to the aforementioned lands and fields, in order to give the necessary notice of these matters to the inhabitants and residents, as well as the cultivators of the fields, to whom nevertheless complete freedom is left to remain in the places where they find themselves, or in the possession of the fields which they have received from the monarch for cultivation, provided payment of the tithe, and in so far as none are found which they might have stolen from the Company's subjects, of which kind there are many, regarding which a proper investigation can be made in due time. It will indeed not be strictly necessary to hold before the king and grandees of the realm that they ought to make a request to Their High Mights in Batavia in order to have the one and the other returned, but you may nevertheless express yourselves on that matter if it should be suitable, yet only as coming from yourselves and not at all as if you had any mandate thereto; thereto; showing them at the same time that the Governor and Council in this matter, being obliged to follow strictly the order of Their High Mights, cannot in your judgment help them nor leave anything of that which lawfully belongs to the Company outside Their esteemed qualification, but everything must be surrendered and the tithes will have to be paid. Furthermore, you will not only have to demand such number of 136 flintlocks as were loaned by the Company to the Court of Bonij, as appears from the Note handed to you herewith, but also need to insist that the well-known remaining debt be discharged without longer delay or evasions, with which the Regent and those whom it concerns have helped themselves for a long time and especially during my presence, in spite of so many serious assurances and promises, so that even the deceased monarch often complained about it. And finally that there be handed over again to the Company the standard formerly given to the deceased king when he was Datoe of Soping, and retained by him notwithstanding his abdication of 143 1211 of that kingdom. For the rest, you are also further instructed not only to complain most seriously about the renewed acts of violence committed on Maros by the Bonij Prince Doeeng Mand Jaroengie, who according to the incoming complaints has thought fit to make himself master in a brutal manner or openly rob from the negorij Camanjang four slaves and some goods belonging to the Parnakan Chinese Jntje Tarco, but also to demand a striking satisfaction and restitution of the stolen goods; as well as that he may yet be ordered, as happened repeatedly during the lifetime of the last deceased king, to evacuate the Company's provinces, with the notice: that he will otherwise be compelled thereto in a sensitive manner by the Company itself. Macasser the 28th of June 1775: was signed: P:s G:s van der Voort. underneath stood: Agrees was signed: H: B:s Hodenpijl. belong to the Company Translation of a certain Bugis writing drawn up by the king of Bonij, mentioning his last or ultimate will, and handed over by his Highness on the 10th of February 1759 to the Honorable and Worshipful Governor Blok, with a request to insert the same into the Company's papers in order to take effect after his death through the Company's protection. 1759 the 29th of January according to the Mohammedan chronology, the 21st day of the month Djoemadil auwal on Monday, I have resolved with myself and also to serve as my last will and desire, of all that which I received from my sister Matinroa Ritipoeloe E. in her lifetime, and also of that which fell to my share after her death, of which notice was given to the Honorable Company, which negorijen that I acquired during the lifetime of the queen are these following: Maroeson and Cabba belong as: Baringan, Amalie, Nanka, Pattiro, Maros, Cabba, as well as such peoples who are under Govia and are living in the said negorij Cabba, Siang, Sagerij, Calauwt, Boneratte, the plowmen who are on Bonthain, all which places, peoples etc.

Dutch transcription

tiende; ik voege tot uE: elucidatie hier nevens een trans„ „laat afschrift van het Testament doer wijlen zijn gem: Hoogheijd op den 29„e Januarij 1759: gemaakt;, uijt welker inhoud uE: sal geblijken, dat, behalven de geene waar van hij zig, zedert heeft meester gemaakt, de overige Landerijen, Eijlanden en velden door hem zelfs erkend geworden zijn, aan de Comp=e te behooren, of voor zo verre de laatste betreft, van het voldoen van tiende gunstig ten zijnen behoeve vrij gelaeten zijn, met de daar nevens in margine gestelde remarques„ van den Heer Gouverneur Blok, onder voorwaarde van dewelke, die dispositie voor zo verre de Comp=e be„ „treft, g'approbeert geworden is, terwijl ten blijke dat den koning daar in genoegen genomen, en dus ook de onwettige possessie van diverse velden, toegestamt heeft, een gelijk nederduijtsche translaat met het Rijks zegul bestempeld is, invoegen niemand zig daar tegen opposeeren kan, weshalven ik uE: het laast gem: insgelijks, nog inhandige om de koning en Rijks grooten daar van visie te geeven, ter preventie van noodeloose dilaijen en uijtvlugten, die ik des niet tegenstaande maar al te zeer verwagte, dog die uE: zo veel mogelijk zullen dienen te wederleggen, onder. 141 1209 onder een bijgevoegd versoek dat de koning en Rijksgroo„ „ten gecommitteerdens gelieven te benoemen, om zig, nevens die van de Compagnie ten allerspoedigsten na de voorsz: Landerijen en velden te begeeven, ten eijnde de bewoonders en opgezeetenen, mitsgaders de bewer„ „kers der velden, van het een en ander, de nodige kennisse te geeven, aan de welke nogthans volkomen vrijheijd gelaeten word om te blijven op de plaatsen daar zij zig bevinden, of in 't bezit der velden, die zij van den vorst ter bewerking hebben gekreegen, mits betaling der tiende, en voor zo verre 'er geen gevonden worden, die zij 's Comp„s onderdoenen mogten hebben ontvreemd, hoedanige en veele zijn, waar over in der tijd een behoorlijk ondersoek zal kunnen worden gedaan. Het sal wel juijst niet nodig zijn de koning en Rijks„ „grooten voor te houden, dat zij om het eenen ander te rug te hebben versoek behooren te doen, aan Haar Hoog Edelhedens te Batavia maar egter mo„ „gen uE: zig daar om wel uijt laeten als het te passe mogte komen, dog alleen als van uE. selfs voortkomen„ „de en geensints of uE: daar toe eenige inmandatis hadden; hadden; deselve teffens vertoonende dit den gouverneur en Raad hier omtrend gehouden zijnde d'ordre van Haar Hoog Edelhedens stipt t' agtervolgen, hun, buijten Hoog derselver g'eerde qualificatie uwes oordeels, niet helpen nog iets van het geene de Comp=e wettig toebehoord laeten kan, maar alles overgegeeven en de tiendens zullen dienden betaald te worden. voorts zullen uE: niet alleen meede moeten opeijsschen zodanige getal van 136. snaphaanen als door de Comp=e aan 't Hof van Bonij geleend zijn, blijkens de Notitie die uE: hier nevens word ter hand gesteld, maar ook dienen t' insteeren, dat de bewuste restand schuld worde afgelost, sonder langer dilaij of uijtvlugten, waar meede de Rijks„ le „bestierder en de geene die het zelve aangaat, zig geduu„ „rende een geruijmen tijd en voornamentlijk bij mijn aanweesen, in weerwil van zo veele serieuse verzee„ „keringen en beloften hebben beholpen, dat zelfs den over„ „leeden vorst, daar over, dikwils klagtig gevallen is. En Eijndelijk dat aan de Compagnie weeder overgegeeven worde, het vendel, wel eer aan den overleeden koning, als Datoe van soping geweest zijnde, gegeeven, en door den zelven aangehouden niet tegenstaande zijn afstand van 143 1211 van dat Rijk voor het overige werden uE: ook nog gelast, om niet alleen op het ernstigste te doleeren, over de op nieuw geplaegde ge„ „weldenarijen op Maros door den Bonijs Prins Doeeng Man„ „d Jaroengie, die volgens de ingekomene klagten heeft kun„ „nen goed vinden, zig op een brutale wijse meester te mae„ „ken of wel opentlijk van de Negorij Camanjang te rooven vier slaven en eenige goederen, toebehoorende den parnakan Chinees Jntje Tarco, maar ook daar over een eclatante satisfactie en restitutie van het geroofde te vorderen; mitsgaders dat den zelven als nog mag worden gelast, zo als meermaelen bij leeven van den Jongst overleeden koning geschied is, 'sComp„s Provintien t' ont„ „ruijmen, onder te kennen gave: dat hij daar toe an„ „dersints door de Compagnie zelve op een gevoelige wijse zal worden genoodsaakt. Macasser den 28„e Junij 1775: — /was geteekend:/ P:s G:s van der voort. /:onderstond:/ Accordeert /:was getekend:/ H: B:s Hodenpijl. „ren de Compagnie Translaat van zeeker Boeginees geschrift door den koning van Bonij op gesteld, zijne laetste of uijterste wille vermeldende, en door zijn Hoogheijd, op den 10„e februarij 1759: aan den wel Edele Achtbaere Heer Gouverneur Blok, overhandigt, met versoek van 't selve in 'sCompagnies papieren t' insereeren om na desselfs overlijden door 'sComp=s protectie stant te grijpen. 1759: den 29„e Januarij volgens de Mahometaanse tijd reeke„ „ning, den 21„e dag van de maand djoemadil auwal op maan„ „dag, heb ik bij mijn beslooten en teffens om te dienen tot mijn uijterste wille en begeerte, van alle het geene dat ik van mijn suster Matinroa Ritipoeloe E. bij haar leven gekreegen heb, en ook van het geen, dat mij na haar overlijden is te beurt gevallen, waar van aan d' E Comp„e is kennisse gegeeven, welke negorijen die ik bij 't leeven van de koningin heb verkreegen, zijn deeze volgende Maroeson Cabba gehoo„ als; Baringan, Amalie, Nanka, Pattiro, Maros, Cabba, als meede zodanige volkeren die onder Govia staan en op even gem: Negorij Cabba zijn woonende, siang, sagerij, Calauwt, Boneratte, de ploegers die op Bonthain zijn alle welke plaatsen, volkeren etc=a

NL-HaNA_1.04.02_3445_1335 view scan ↗

English

5 145 1213 also Balauwt and Boneaatte etc. the aforementioned Queen granted during my presence at the negorij Cassi. Furthermore, I declare that Calauwt and Boneratte cannot properly be given by me to my children, but the same must remain under whoever becomes King of Bonij, for the reason that those places were given to me. While I further make known herein the negorijen and places that I first obtained after the death of the Queen, namely Timoeroeng, Madjang, Pallong orang, Kera, Toea, Oegie, Tjietta, Lapadjoen, Talloenglatta-E, Thâ, to which end I hereby dispose as follows: The negorij Toea I bequeath to my daughter Rama, the negorij Tjitta to Seno, the negorij Madjang to Pakamma, the negorij Pallengorang to my son Lasarassa, the negorij Oegie to Lapalagoena, the negorij Keera to Lamakasaoe, the peoples of Takalara I give to my daughter Minda, while the negorijen Timoeroeng and Nanka shall fall to whoever shall have properly laid my dead body to rest in the earth. Concerning the paddy fields situated at Maros, they are Maros, see above. all fields at Parang setang, Pao-E, Pannaroekan, Sangalea, Manrimisie Lampo, Manrimisie tjaddie, Balosie, Lambe Lambe, Belang Belang, Sangaringang, Taraweang, on Siang and on Sagerie. 800 b. and Patjanogang seized from and Bonca during my lifetime, through the kindness of the Honorable Company, left untithed; but on the other hand, the fields that I have at the following negorijen, namely Batoe Maliepoeng, Kajoe sang-ngaja, Kassoearrang, Lalang Tedong, Barambang, Palla-E on Soeroedjierang, Bonto Matene, Sagerij, Pankadjene, Cabba, have always remained untithed. Yet these following negorijen have not been tithed by the Honorable Company for my sake, namely at the negorij Parang setang, Pao-E, Panoeroekang, Sangalea, Manrimisie Lompo, Manrimisie tjaddie, Balosie, Lambe Lambe, Belang Belang, Beta-ang, Bonto djolong, Sangiai-ngang, Paraweang, Patjommo; these above-mentioned belong under the province of Maros, and have also always been left untithed for my sake; but whoever comes into possession of the same after my death shall have to request that favor from the Honorable Company anew; in the province of Cabba, only those fields that are worked by the people of Timoeroeng remain untithed, the remaining being subject to the tithe, except Timporom agan, and in the province of Sagerij the negorij Timporon-ngan as well as the negorij Pao, situated on the east side of the negorij Patjinogang and worked by the people of Tjitta, the King having also seized Bonto Bonto sothitaij, all of which negorijen owe tithes, but during my lifetime were not tithed by the Honorable Company; furthermore, as said, the fields at Cabba and the Company 147 125 at Sagerie became, just as two islands have been granted to me for recreation, namely Poelo Laija and Poelo Coelambie. Poelo Calambie and Leija belong to the Company. NB: To demand back all the aforesaid negorijen and fields mentioned in the margin, besides the islands Boneratte, Calauwt, Calambie, and Leija. Note: have of old been ceded and are therefore not demanded back: at Maros: Batoe malipoe or Tallang mangape, Cassoearang, Cajoe sangaija, Calang tedong, Barambang, Palla-E on Soeroedjirang, and Bonto matene. at Siang: Calampang. the negorij Sagerie. Below stood: For the translation, was signed: G: Brugman; lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. The letter dated the 24th of this month and addressed to the Lord Resident, or in his absence to me and the interpreter Pietersen, was duly delivered to me yesterday morning by the Parnakang Chinese Jintje Tres, from which, having understood the esteemed order of the Right Honorable Lord Governor, I immediately made the same known to the interpreter Pietersen; and he at once had the five regents summoned, made the order known to them as well, and with them and their men proceeded to Daeng Manjarongie, to demand back the four slaves and further goods that were stolen from the aforementioned Parnackang Chinese at the negorij Camanjang by that Prince's men; arriving there, the interpreter sent an envoy to that Prince to make his arrival known, but that envoy was driven away by the Prince without being heard, with threats to murder him, whereupon the interpreter sent an envoy to Jenang Maros and Extract of a letter written by the Sergeant and Postholder at Maros, Jacob Albrecht Landorf, to the Assistant Interpreter at Macasser, Coenraad Jansz: Blij, dated 27th June 1775, to 149 1247 to request helpful assistance, but received as an answer that he did not want to interfere with that Prince for the reason that the same sided with the deposed Pongauwa; thereupon the interpreter took the five Regents to his assistance and asked them whether they thought it well that he, with the Honorable Company's subjects, should advance upon that Prince and demand an answer for his actions, but the Regents did not approve it, but rather sent another envoy to him first, whereupon that Prince gave as an answer that he was not accustomed to seeing the interpreter with so many armed men, and for that reason had driven the first envoy away, and answered regarding his actions that he indeed had the four head of slaves along with the stolen goods, but was not inclined to turn them over before he had received an envoy with positive orders from the King of Bonie, but promised the five regents to keep both the slaves and the goods for as long, and upon receiving an order from the King, to deliver the same without fail to the owner; to which end the Bonij Princes Arou Nanka and Tanrisolo, whom he had hastily summoned to his aid, bound themselves both as guarantors, 100

Dutch transcription

5 145 1213 ook balauwt en Boneaatte etc=a heeft de welm: koningin bij mijn aanweesen op de Negorij Cassi geschonken. voorts verklaar ik dat Calauwt en Boneratte door mij niet wel voeglijk aan mijne kinderen kan geeven maar dezelve onder de geene die koning van Bonij word moeten verblijven, om reeden, dat die plaetsen aan mij is gegeeven. Terwijl ik verder hier inne bekend stille de Negorijen en plaatsen die ik na de dood van de koningin eerst ver„ „kreegen hebbe, namentlijk Timoeroeng, Madjang, Pal„ „long orang, kera, Toea, oegie, Tjietta, Lapadjoen, Talloenglatta-E, Thâ, ten welken eijnde ik bij deesen disponeerende, als: De Negorij Toea, vermaak ik aan mijn dogter Rama, de Negorij Tjitta aan Seno, de Negorij Madjang aan Pakamma, de Negorij Pallengorang aan mijn zoon Lasarassa, de negorij oegie aan Lapalagoena, de negorij Keera aan Lamakasaoe, de volkeren van Takalara geef ik aan mijn dogter Minda, zullende de negorijen Timoeroeng en Nanka komen te vervallen aan den geenen die mijn dood Lichaam na behooren ter aarde zullen desteld hebben. Betreffende de padij velden geleegen te Maros zijn Maros zie hier vooren. alle velden op Parang setang, bao-E, Pannaroekan, sangalea, Manrimisie Lampo, Man„ „rimisie tjaddie, Balosie, Lambe, Lambe, belang belang„ san garingang, Tarawe„ op Siang. en op sagerie. 800. b. en Patjanogang meester gemaakt van en Bonca zijn bij mijn levenstijd door de goedheijd van d' E Comp„e onvertiend gelaaten, maar daar en tegen zijnde velden die op de volgende negorijen hebbe als Batoe Maliepoeng, kajoe san=ngaja„ kassoearrang, Lalang Tedong, Barambang, Palla: E: op soeroedjierang, Bonto Matene, sagerij, Pankadjene, Cabba geleegen waeren, altijd onvertiend gebleeven. dog deese ondervolgende negorijen zijn om mijn ent wille door dE Comp=e niet vertient, namentlijk op de negorij Parang setang, Pao- s, Panoeroekang, sangalea, Manrimisie Lompo, Man„ beta: ang Bonto djblong, rimisie tjaddie, Balosie, Lambe Lambe, Belang Belang, „angen Catjommo hooren, Beta=ang, Bonto djolong, sangiai-ngang, Paraweang, Patjommo; deese bovenstande gehooren onder de provintie Maros om mijnant wille meede altijd onvertiend gelaeten„ dog de geene die deselve na mijn dood in bezitting krijgt zal, om die gunst van d' E. Compagnie wederom moeten verzoeken; op de provintie Cabba blijft alleenig onvertiend zodanig velden die door 't volk van Timoeroeng be„ werkt worden, zijnde de resteerende tiende schuldig, behalven Timporom agan, en op de provintie sagerij de Negorij Timporon- ngan heeft de koning zig nog als meede de negorij Pao. gelegen aan de oostkant van de Bonto Bonto sothitaij negorij Patjinogang en door 't volk van Tjitta bewerkt word, alle welke negorijen tienden schuldig zijn, dog bij mijn leevens tijd van d' E: Compagnie niet zijn vertiend „de de Compagnie voorts ook nog als ge„ „zegt de velden op Cabba geworden. 147 125 op sagerie geworden, gelijk mij ook twee Eijlanden tot vermaak zijn Poelo Calambien Leija gehoren de Comp„e vergunt te weeten Poelo laija en Poelo Coelambie. NB: Alle de voorsz: negorijen en Nota van ouds zijn afgestaan en wor„ „den dus niet terug gevordert op maros. velden in margine genoemt, nevens de Batoe malipoe of Tallang mangape, Cassoearang, Cajoe sangaija, Calang tedong, Barambang, Palla-s op soeroe„ Eijlanden Boneratte, Calauwt, Ca„ „djirang en Bonto matene. op Siang Calampang„ „lambie, en Leija op t' eijsschen. de negorij Sagerie. /:onderstond / voor het translatie /was geteekend / G: Brug„ „man, /lager / Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. De missive gedag teekent op den 24„e deeses en geadresseert aan de Heer Resident of bij desselven absentie aan mij en den tolk Pietersen, is, mij door den Parnakang Chinees Jintje Tres gisteren morgen wel behandigt, waar uijt ik de g'Eerde ordre van Den wel Edelen Agtbaaren Heer gouverneur verstaan hebbende, deselve aan den tolk Pietersen inmediaat bekent gemaakt, en hij de vijf regenten aanstonds laeten roepen, haar luijden de ordre ook bekent gemaakt en met deselve en haar volk hem bij Daeng Manjarongie vervoegt; om de vier slaven en verdere goederen, die op de Negorij Ca„ „manjang, van den boven genoemden parnackang Chi„ „nees, door dien Prins sijn volk gestoolen sijn wederom te eijschen, aldaar komende, heeft den tolk een sen„ „deling bij dien Prins gesonden om sijn komst bekent te maaken, maar die sendeling wierd door den Prins, son„ „der aangehoort te sijn, weg gejaagt, met bedrijgen om denselven te vermoorden, waar op den tolk een sendeling na Jenang Maros gesonden en derselven Extract Missive door den ser„ „geant en Posthouder te Maros Jacob Albrecht Landorf, geschreeven aan den ondertolk te macasser Coenraad Iansz: Blij gedateert 27„e Iuni 1775. om. 149 1247 om behulpelijke handleijsting laaten versoeken, maar tot andwoord gekreegen, dat hij hem met dien prins niet be„ moeijen wilde uijt reede dat denzelven met den afgesetten Pon„ e „gauwa hield, daar op heeft de tolk de vijf Regenten ter hulp genomen en deselve gevraagt of het haar luijden goed dogt, dat hij met 's E Compagnies onderdaanen mogt op die Prins afgaan, en antwoord op sijn gedoentens afvragen, maar de Regenten het niet voor goed gekeurd, maar nog eerst een sendeling aan hem gesonden, waar op dien Prins tot ant„ „woord gaf, als dat hij niet gewent was den tolk met so veel gewapent volk te sien, en uijt die reede den eersten sendeling weg gejaagt, en op sijn doen antwoorde dat hij wel de vier Coppen slaven benevens de gestoolen goederen # hadde, maar niet geneegen was om deselve uijt te kee„ „ren, voor dat hij een sendeling met Positive ordre, van den koning van Bonie hadde gekreegen, maar aan de vijff regenten beloofde, so wel de slaven als goe„ „deren, so lang te houden, en bij ontfangen order van de koning, deselve sonder manquement aan den Eijgenaar uijt te leveren; ten dien eijnde hem de Bonisse Prinsen Arou Nanka en Tanrisolo, die hij schielijk tot sijn hulp heeft laaten roepen, haar beijde als borgen hebben verbonden, 1oo

NL-HaNA_1.04.02_3445_1340 view scan ↗

English

as the bearer of this will further communicate to your Honour orally. Beneath stood: Agrees. Was signed: H: B: Hodenpijl. 151 1219 Letter written by the Queen of Tanette to the Lord Governor at Macasser, reading as follows: Translation from the Bugis. After the customary compliments and greetings, I hereby expressly make known to the Lord Governor that I have duly received his letter from the hands of the emissary Niga, and have clearly and well understood the contents thereof, over which I rejoiced greatly, because I perceived therefrom the unceasing admonitions of the Lord Governor for my own good. However, I very humbly request to know wherein the violence was allegedly committed by Aroe Pantjana, and against whom, for without knowing that, I cannot as yet address Aroe Pantjana about it if he should happen to deny it, and I would then be unable to answer him, being unaware of the stolen goods that the Lord Governor desires I should order him, Aroe Pantjana. to order him to have all those stolen goods returned, or else to pay for them in cash, as it is also said that he has allegedly also stolen people; I therefore request to know whom he has then stolen, and by whom this was seen, for without knowing I cannot address him about that either, if he should deny it and I, as said, do not know how to answer or convince him. Beneath stood: For the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Sodenpijl. 153 1221 Translation of Bugis letter written by Datoe Sopping to the Lord Governor at Macasser, reading as follows: After customary greetings. I hereby make known to the Lord Governor that I have arrived here at the request of Aroe Poure, since he wished very much to speak with me. As soon as I arrived, Aroe Poure immediately came to me, making the request that the friendship between the three of us, namely the Honourable Company, Bonij, and Sopping, might be maintained firmly and unbreakably with one another, be it for good or for bad, as has been customary of old. Whereupon I intend to give the following as an answer, yet subject to the approval of the Lord Governor, namely: "How is it possible that we can renew our friendship with one another and maintain the same, since Bonij finds itself in troubled water, and Sopping on the contrary in pure and clear water, and that Bonij also showed us a path where Bonij indeed, but we Soppingers, due to our inability, cannot pass through?" Further. Furthermore, I also intend to inform Aroe Poure that a Soppinger named Laba-Eda has come from Wadjo to tell me that it was told to him by a certain Wadjorese, Poeanna Patje, that the Wadjorese have already become of one mind to ready their weapons to take back Tjinrana Bonij, and that Aroe Sonre therefore should now give orders to the Boniers, before matters go that far. That the Lord Governor has written a letter to my mother, the Queen of Tanette, I am highly rejoiced about; and since the Lord Governor desires that I should write and make known to my mother distinctly and clearly by a letter that all the stolen goods must be returned, I shall observe the order of the Lord Governor as soon as I return to Lampoko. Written at Oejoentana on Thursday the 29th of June Anno 1775. Beneath stood: For the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. 155 1223 Translation of a Bugis note, written by Aroe Poure to his brother, the former Poengawa named Lakasie, with the request to give his remarks and approval upon it, to serve as an answer to the message delivered some days ago at court by commissioners on behalf of the Lord Governor, sent in copy by the last mentioned to the Captain of the Malays, reading as follows: We, ignorant and mute slaves of your Right Honourable's brother, the recently deceased King, who in his lifetime always placed his hope and trust upon the Lord Governor to take to heart the best of us all, together most humbly request that the Lord Governor might not now separate from us that favour and goodness formerly shown to him, for we and. and those who are favorable to us, maintain in particular a firm trust and reliance upon the Lord Governor, as was also earnestly recommended to us by our said deceased King, to always seek after his death, as far as possible, to live in unity with the Honourable Company, however it may be. While we also know full well, and will never let slip from our memory, that we were together released from slavery through the help and goodness of the Honourable Company; and we also pray and wish that Heaven might still grant us to follow the same footsteps that our deceased King had with the Honourable Company in his lifetime. Beneath stood: For the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. 157 47 1225 Maccasser To the Right Honourable Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Celebes, etc., etc., etc. Right Honourable Sir, This serves to accompany the Lolo of Kallekoea, in order that he may truthfully make an oral report to your Right Honour of what happened to seven persons of his subordinates who went out to sea on the eighteenth of this month in a small prau badjalla to fish, and of whom he now brings six along, the seventh having been [illegible] by a pirate Massakiram.

Dutch transcription

soo als den overbrenger deeses aan uw E. mondelijk vorders zal communiceeren /:onderstond:/ Accordeert /was geteekend:/ H: B: Hodenpijl. 151 1219 geschrift geschreeven door de koninginne van Tanette, aan den Heer Gouverneur te Macasser, Luijdende aldus. Translaat Boegineese Na de ordinaire Complimenten en begroetingen zo maake bij deese Expresselijk aan den heer Gouver„ „neur bekend, dat ik desselfs brief uijt handen van den zendeling Niga, wel ontfangen, en den Jnhoud van dien duijdelijk en wel verstaan hebbende, waar over mij zeer verheugde, dewijl ik de onophoudelijk vermaningen ten mijnen eijgen beste, van den heere gouverneur daar uijt ontwaarde, edog versoeke zeer needrig te mogen weeten, waar in de geweld door aroe Pantjana zoude gepleegt zijn, en aan wie, want zonder, dat te weeten, kan ik als nog aroe Pantjana daar over niet onderhouden, wanneer hij zulx mogt komen te negeeren, en ik hem als dan niet kan antwoorden, alsoo van de geroofde goederen niet bewust ben, door den heer Gouver„ „neur begeerde: dat ik hem aroe Pantjana zoude ordonneeren. ordonneeren, om alle die geroofde goederen wederom doen restitueeren, dan wel anders in Contanten te voldoen, gelijk ook gezegt word, dat hij almeede menschen zou„ „de gerooft hebben, verzoeke dus te mogen weeten, wie hij dan gerooft heeft, en door wie zulx gezien is, want zonder te weeten kan ik hem ook daar over, niet onder„ „houden, zo hij zulx negeerde, en ik hem als gezegt niet weeten te antwoorden of overtuijgen. /onderstond / voor het translatie /was geteekend:/ G: Brugman. / Lager/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Sodenpijl. 153 1221 Translaat Boeginees brief geschreeven door Datoe sopping, aan den Heer Gouverneur te Macasser, luijdende aldus. Na gewoone Begroetingen Maake bij deese aan den Heer Gouverneur bekent, dat ik alhier ben gekomen, op het versoek van Aroe Poure, vermits hij mij zeer gaarne wilde spreeken, zo dra ik arriveerde quam terstond Aroe Poure bij mij versoek doende dat de vriendschap tusschen ons drie namentlijk D' E. Comp: Bonij en sopping met elkanderen standvattig en onverbreekelijk mogt onderhouden werden, het zij ten goede of ten quade zo als van ouds gebruijkelijk is. waar op ik van intentie ben, het volgende tot antwoord te geven, Egter onder goed keuring van den heer gou„ verneur, namentlijk; „ hoe is het mogelijk dat wij „onsen vriendschap met elkanderen kunnen ver„ „nieuwen en dezelve onderhouden, dewijl Bonij zig „ in troebel water bevind; en sopping in teegendeel „in suijver en kelder water, en dat ook Bonij ons een weg aan wees daar Bonij wel, dog wij soppingers om ons onvermogen niet kunnen door passeeren. Wijders. wijders ben ik ook voorneemens aroe Poure te verwittigen dat een soppinger genaamt Laba-Eda uijt wadjo mij heeft komen aanseggen dat hem door zeeker wadjorees Poeanna Patje, gezegt was, dat de wadjoreesen alreeds eens gesint zijn geworden, van hunne wapens in gereetheijd te brengen, om Tjinrana Bonij wederom te rug te neemen, en dat aroe sonre dier„ „halven thans ordre, aan de Boniers diene te geeven, voor en al eer dat die zaaken zo verre komt. Dat den heer gouverneur een brief aan mijn Moeder de koninginne van Tanette heeft geschreeven, daar over, ben ik ten hoogsten verheugt, en vermits den heer gouverneur begeerd, dat ik distinct en duijde„ „lijk bij een brief aan mijn moeder moest schrijven en te kenne geven, dat alle de geroofde goederen moet werden te rug gegeven, sal ik de ordre van den heer gouverneur observeeren, so dra ik weeder na Lam„ „poko zal te rug gaan. geschreeven op oejoentana op Donderdag den 29=e Junnij A„o 1775: — /onderstond/ door het translatie /was geteekend/ G: Brugman /Lager/ Accordeert /:was geteekend/ H: B: Hodenpijl. #5 1223 Translaat Boegineese briefje, geschreeven door Aroe Poure, aan zijn Broeder den gewee„ „sene Poengawa gen„t Lakasie, met versoek om daar op sijn remarque en approbatie te geven, om tot antwoord te strecken op de boodschap voor eenige dagen uijt naam van den Heer Gouverneur door gecommitteerdens ten hove gedaan sijnde, door den laast gem: in Copia gezon„ „den, aan den Capitain der maleijers, zuijdende als volgt. Wij, domme en stomme slaven van uwel Ed=e Agtb=s broeder, den Jongst overleedenen koning; e die in zijn leevens tijd zijn hoope en vertrou„ „wen op den hier gouverneur altoos gevestigt heeft, om onser aller beste te zullen behertigen; versoeken gesamentlijk seer nedrigst, dat den heer gouverneur die gunste en goedheijd voormaals aan den selven beweesen, thans van ons niet mogte doen separeeren, want wij en. en die geene die ons gunstig zijn, houden in 't bijsonder een vast vertrouwen en Heunsel op den heer gouverneur so als ons ook door gem: onsen over„ „leeden en koning ernstig is aan bevoolen, van al„ „toos na zijn dood, so als 't mogelijk is, met d'E Comp„e te zoeken in eenigheijd te leeven, het zij hoe 't is. Terwijl wij ook teffens wel weeten, en nooijt uijt onse geheugenis zullen laaten gaan, dat wij gesamentlijk door hulp en goedheijd van dE Comp„e uijt de slavernij ontslagen sijn geworden; en wij bidden en wenschen ook, dat den Hemel ons als nog wilde vergunnen, dezelve voet stappen te zullen volgen, die onsen overleedenen koning met dE Comp„e bij sijn leevenstijd gehad heeft. /onderstond:/ voor het translatie /was geteek:d/ G: Brugman. /lager / Accordeert /was geteekend / H: B: Hodenpijl. 157 47 1225 Maccasser Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Godofredus van der Voort, Gouverneur en Directeur deeser Celebes &c: &c: &c: Wel Edelen Agtbaaren Heer Deesen dient ten geleijde van den Lolo van Kalle„ „koea, om uw wel Edele Agtbaare na waarheijd mondelijk Rapport te kunnen doen, van 't geen # seven stux zijner onderhoorige, die op den ag„ „thienden deeser met een kleijne prauw badjalla, in zee waeren gegaan, om te visschen, is over koo„ „men, en waar van hij er thans ses meede overbrengt, zijnde den seevende door een zee schuijmer Massaki„ =ram.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1348 view scan ↗

English

named Massakiram, shot dead. Lolo comes across with the very same prahu with which those seven men went out fishing, and whose names are known on this list enclosed here. With which I take the liberty to call myself with due respect. Underneath stood: Honorable and Worshipful Sir. Lower: your Honorable and Worshipful's humble and faithful servant. Was signed: M.s van Rossum. In the margin: Maros the 30th of June Anno 1775. Lower: Agreed. Was signed: H. B. Hodenpijl. 159 1227 Account given by the Company's Regent of the Northern Province sagerie, the Lolo of kaloe koeang. The Deponent says that, 13 days ago now, seven of his subjects, as usual, in the morning, went out fishing with a prahu, and having come near a sandbank named Pakaloroang, were attacked by a prahu padjala, manned with six hands, among whom was one Masakierang, being a grandson of the former Pabitjara of Tanette, named Daing ma:nga.=nan, sent some years ago to the capital, who resides with Craeeng Limbang parang at Lipokasie; the remaining five being people of the said Macassar Prince Craing Limbang parang. That one of the said subjects named Latolle, having been shot dead with a blunderbuss, the other six jumped overboard, and three of them named Laseenke, I= Eella and Tappo, currently present here, presented by him, Lolo, had saved their lives by swimming to the vessels of other fishermen. had saved, but the others, also currently present, namely Padewa, sanboeng and Bakie, were fished out by the robbers, tied up, and conveyed with their vessel directly to Lipoekasie. That the first-named three, upon their arrival at sangerie, having reported their experience to him, Lolo, he had immediately gone in person, with some vessels and armed men, to the village Lipoekasie, belonging under the Kingdom of Tanette, and having arrived there, had himself announced to Aroe Sipoekasie, who at once, without having the cause of his coming inquired into, had him come to him, as he had immediately proceeded thither, finding Craing Limbang parang sitting with this father-in-law of his. That he, having made known to the same how the aforementioned three subjects had been abducted and brought here, had requested him to lend a helping hand, in order to recover those people and deliver them to him. That Craing Lipoekasie, having thereupon asked him, Lolo, whether there were also any who had knowledge thereof, and could testify to it, he. 161 1229 he had answered Yes thereto, and that he had also brought the companions of the abducted who had escaped, to be interrogated by Aroe Lipoekasie if he pleased. That these people, immediately presented hereupon, after being questioned by Aroe Lipoekasie as to who had abducted them, had given as answer Masakierang; adding that one of their companions was shot dead with a blunderbuss and that they had escaped by swimming to the fishermen. That Craing Lipokasie had thereupon said to his son-in-law Limbang parang that if those people were not restored again, there would then be trouble for the country and the village; That Aroe Lipoekasie and Limbang parang had subsequently promised him, Lolo, to satisfy him, and that the abducted persons would be sent to him, in such manner that he also received the same; however, concerning the deceased, Craing Lipoekasie had said that since he could not give another in his place, he would comply with the law concerning that, with the request that he, Lolo, would be pleased not to report this to the Honorable Company. That he, Lolo, had served in answer thereto that he would indeed not make a report of this matter if he only obtained the three, obtained, but if this were reported to the Honorable and Worshipful Sir by others, he could not answer for that. All of which aforementioned having been read to the Deponent, he declared the same to be the sincere truth and to be ready to confirm this under oath if required. Underneath stood: Thus related at Macasser, at the house of the second interpreter Coenraad Jansz. Blij and in the presence of the third interpreter Jacobus de Graaf, this first of July 1775. Was signed: with a small cross beside which was written, placed by Lolo of kaloekoeang. In the margin: In our presence. Signed: C.t S=n Blij and J=s de Graaff. Lower: Agreed. Signed: H. B. Hodenpijl. 163 1231 Translation of a Bugis note addressed to the Captain of the Malays Abdul Cadier and written by the former Ponggawa named Lakasie, reading as follows. After multiple embraces, I make known to my father that yesterday's letter contains the opinion or intention of Aroe Ponre and the Administrator of the Kingdom, some statements of the first-mentioned having been annulled by the Bonians; it shall be presented to the Lord Governor tomorrow. As also that I have told the Tomilalang to pay close attention to His Honor's words by the time they shall appear before the Lord Governor, in order to answer the same well, for he will certainly ask about the firearms, under the pretense of wanting to use the same in case of need, especially in these present times. As.

Dutch transcription

Massakiram genaamt, dood geschooten. Lolo komt met de Eijgenste Prauw over, daar die seeven man meede uijt visschen zijn geweest, en welkers naamen op dit hier neevens inleggende lijsje bekend staan. Waar meede de vrijheijd neeme mijn met schuldige Eerbied te noemen. /onderstond:/ Wel Edelen Agtbaaren Heere /lager/ uw welEdele Agtbaarens ootmoe„ „digen en Trouw schuldigen Dienaar: /was geteekend/ M„s van Rossum /:in margine/ Maros den 30„e Junij Anno 1775: — /lager / Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. 159 1227 's Compagnies Regent van de Noorder Provintie sagerie, den Lolo van kaloe koeang Relaas gedaan door den Den Relatant zegt, dat, nu 13: dagen geleeden, zeeven van zijn onderdaanen, na gewoonte, des morgens, met een praauw, uijt vissen gegaan en na bij een zantbank genaamt Pakaloroang gekomen zijnde, waaren g'attacqueert door een Praauw Padjala, bemand met ses koppen waar onder eenen Masakierang (:zijnde een kleinzoon van den geweesene Pabi„ „tjara van Tanette, met naame Daing ma:nga. =nan, voor eenige Jaaren, na de Hoofd plaats ver„ „sonden:) die zig bij Craeeng Limbang parang te Lipokasie onthoud; zijnde d' overige vijf volkeren van den gemelden Macassaerse Prins Craing Limbang parang. Dat eene der gedagte onderdaan genaamt Latolle, met een donderbus dood geschoten weesende, d' andere ses overboord gesprongen en drie daar van niet nae„ „men Laseenke, I= Eella en Tappo, alhier thans presenten, door hem Lolo verthoond, met swanmen na de vaartuijgen van andere vissers hun leeven hadden. hadden gesalveert, dog d' overige almeede thans present in naeme Padewa, sanboeng en Bakie, door de Roovers opgevischt gevleugeld en met hun vaartuijg direct na Lipoekasie vervoert waaren. Dat d' eerst genoemde drie, bij hun aankomst te sange„ „rie, aan hem Lolo hun weedervaaren gerapporteerd hebbende, hij zig, ten eersten in persoon, met eenige vaartuijgen en gewapende manschappen, na de negorij Lipoekasie, gehoorende onder het Rijk van Tanette, hadden begeeven, en aldaar aangekomen zijnde, zig laeten aanmelden bij Aroe Sipoekasie, die terstond (:zonder na de oorsaak van zijn komst te doen vragen:) hem hadde laeten bij zig komen, gelijk hij zig aan„ „stonds derwaarts hadde begeeven, vindende Craing Limbang parang, bij deesen zijnen schoon vader zitten. Dat hij aan denzelven te kennen gegeven hebbende, hoe voormelde drie onderdaenen geroofd en alhier ter houw waaren gekomen, verzogt hadde, hem de behulpsame hand te bieden, ten einde die men„ „schen te rug te bemagtigen en aan hem over te geeven, Dat Craing Lipoekasie, hem Lolo, daar op ge„ vraagd hebbende of 'er ook eenige waeren die daar van kennisse droegen, en zulks getuijgen konden, hij. 161 1229 hij daar op Ia: g'antwoord hadde en dat hij de mackers van de geroofde die ontkomen waaren, meede hadde gebragt, om door Aroe Lipoekasie des gelievende ondervraagd te werden. Dat deese lieden hier op, terstond verthoond na afvrage door Aroe Lipoekasie, wie haar lieden geroofd hadde„ ten antwoord hadden gegeeven Masakierang; onder bijvoeging, dat een van hunne maats met een don„ „derbus dood geschooten en zij met swemmen nade vissers ontvlugt waaren. Dat Craing Lipokasie hier op, tegen zijn schoon zoon Limbang parang hadde gezegt, dat wanneer die men„ „schen niet wederom gerestitueerd wierden, als dan 'er voor het Land en negorij swaerigheijd zoude weesen; Dat Aroe Lipoekasie en Limbang parang hem Lolo vervolgens hadden beloofd, te vreede te stellen, en hem de geroofde toegezonden zouden werden, in voegen hij deselve ook gekreegen hadde, dog omtrend den gesneuvelde, hadde Craing Lipoekasie gezegt, dat vermits hij geen andere in de plaats konde geeven, hij de wet daar omtrend zoude nakomen, met versoek dat hij Lolo daar van aan dE: Comp„e geen rapport geliefde te doen. dat hij Lolo daar op, tot antwoord hadde gediend wel geen rapport van deeze zaak te zullen doen, als hij de drie maar erlangde erlangde, dog wanneer zulks door andere aan den wel Edele Achtbaeren Heer bericht wierd, hij daar voor, niet konde instaan„ Alle het welke voorschreeven staat den Relatant voorgehouden zijnde, betuijgde hij, het zelve de oprechte waarheijd te weesen en bereijd te zijn zulks des gerequireerd wordende met eede te bevestigen. /:onderstond/ Aldus gerelateerd te Macasser, ten huijse van den ondertolk Coenraad Iansz:, Blij en ter pretentie van den derde tolk Jacobus de Graaf, deesen eersten Julij 1775. /was geteekend/ met een kruijtje waar bij geschreeven stond, gesteld bij Lolo van kaloekoeang, /in margine / ten onsen bij weesen /geteekend:/ C„t S=n Blij en J=s de Graaff. /lager / Accordeert /getekend/ H: B: Hodenpijl. 163 1231 Translaat Boegineese Briefje gerigt aan den Capitain der Ma„ „leijers Abdul Cadier en Geschree„ „ven door den geweesene Poengawa, genaamt Lakasie Luijdende als volgt. Na veelvuldige omhelsing Maake ik mijn vader bekent, dat de brief van gisteren, de meening of jntentie van aroe ponre in den Rijks be„ stierder vervat, zijnde eenige opgaven van den eerst genoemde, door de boniers vernietigt geworden; het sal morgen aan den heer gouverneur gepresenteert worden. Als meede dat ik ook den Tomilalang gezegt hebbe, om teegens den tijd dat zij bij den heer gouverneur zul„ „len verscheijnen, wel op zijn Edele woorden te moeten letten, om dezelve wel te antwoorden, want hij vast om de schiet geweeren, zal vragen, met voorgeven, om dezelve ook in nood te willen gebruijken, voornament„ „lijk in deese teegenwoordige tijd, Als.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1354 view scan ↗

English

As well as for the tithe of the northern provinces and also the islands, specifically Poelo Laija and Edelo Coelambie, but if the lord governor grants the aforementioned islands to them, as they will surely request, all my peoples who dwell upon them will be scattered hither and thither, because the Boniers will then say that the same has been granted to them, which previously was only granted by the Company to the recently deceased king Matienroa-rimalimon-ngang; for that reason, my children went there and took up their residence, yes even at the time when I fell into the disgrace of the aforementioned deceased king, they always, as mentioned before, maintained their residence there. At the same time, the regent said to me, I fear the reasons why we shall go inside tomorrow will still be offensive to us, because we took that matter very lightly, whereas our ancient custom requires. 165 1233 requires that when one has such weighty matters to request of the lord governor, the entire Bonijs court gathers together and presents itself inside to the lord governor /below stood/ for the translation /was signed/ G: Brugman /lower/ Agrees /signed/ H: B: Hodenpijl. Whereas it has pleased the Right Honorable Lord Governor to think fit to send as express commissioners the fiscal Raket and shahbandar Voll to His Highness the king of Bonij, who were commissioned to demand in the name of the said His Right Honorable from that Highness, among other things, 4 islands which the deceased king had obtained in fief from the Company, alongside some lands &c.: thus, pursuant to that order, all the grandees of the realm presented themselves to His Right Honorable, and in the name of the king, made the following requests, namely. First, that the lands lying in the Northern Provinces, as previously granted to the late deceased king, may be left untithed for so long; likewise the four islands, and with regard to the firearms, they likewise request to be allowed to retain them also for so long, until such time and while the land shall in some Translated petition presented by the Bonijse commissioners to the Lord Governor on the 4th of July 1775. measure. 165 1235 measure have come to rest, since they, because of the currently troubled situation, were in great need of them and could not well do without them for their own defense. All that with which the previous or deceased king was favored by His Right Honorable, they request that the same favor and use may not be withdrawn by Your Right Honorable, but favorably left to them. /below stood/ for the translation /was signed/ G: Brugman /lower/ Agrees /signed/ H: B: Hodenpijl. — Paulus Godofredus van der Voort. governor and director of this Coast of Celebes. Right Honorable Lord The undersigned steersman Ian Godlieb Draijer, with the pantjalling De Oppas, in the company of another native vessel having been sent by Your Right Honorable to bring a letter to the king of Boeton, and subsequently to cruise in the Strait of Boetong, according to the instructions handed to him for that purpose, respectfully takes the liberty to briefly report to Your Right Honorable by this of his experiences on that voyage. Having departed from here on the last of December 1774; I was overtaken on the first and second of January following by such a heavy storm that thereby, and by the hollow sea, a grapnel rope and the boat's towline broke to pieces, and a grapnel together with the boat were lost, without the one or the other To The Right Honorable Lord! again. 169 1237 being able to be recovered, and I was forced to seek the roads of Bonthijn, in order, if it were possible, to procure a small vessel there, and to repair the rigging that had suffered greatly from the storm, as I then, having arrived there at the roads on the 3rd of January, did, having the outer jib cut to pieces to patch the mizzen therewith. On the 7th of January, the emissary Daing Manjerekie came to me here, whom I assisted at his request with 6 lb of gunpowder, since he said he had received nothing at Maccasser but cartridges for the flintlocks, yet no powder for his rantakkas, after which he departed for Boelecomba, and I, having brought ballast and water aboard with a vessel hired for one rupee, also set sail from there on the 10th; and arrived on the 18th following at the roads of Boeton at grapnel. On the 19th, having been fetched along with the Company's letter and brought before the king, I disclosed my commission to him, but received no answer to it, His Highness saying that he first had to hold an assembly for that purpose; also we saw that day two vessels with European rigging, which also came to the roads the following day, and were found to be two pantjallings named De Baak and Dolfijn, and destined from Batavia to Ternaten.

Dutch transcription

Als ook om de thiende van de noorder provintien en teffens de Eijlanden, met naame Poelo Laija en Edelo Coelambie, maar so bij aldien den heer gouverneur de voornoemde Eij„ „landen haar lieden, so als zij seeker om versoeken zal toestaat, zullen alle mijn volkeren die daar op woonen gints en herwaards verstrooijt worden, want de Boniers zullen als dan zeggen, het zelve aan haarlieden vergunt te zijn, die alleenig voormaals aan den Jongst overleeden koning Matienroa-rimalimon-ngang door dE Comp„e vergunt is geworden, om die reeden, hebben mijn kin„ „deren zig daar heen begeeven en hunne verblijf plaats genoomen, Ia zelfs en ten tijde wanneer ik in de disgratie van gem: overleedene koning ben ge„ „raakt hebbe zij altoos gelijk vooren gemelt, aldaar hunne verblijft plaats gehouden. Teffens zegt den Rijx bestierder tegens mij, de reedenen waarom wij ons morgen na binnen zullen be„ „geeven vrees ik, dat voor ons nog aanstootelijk sal weesen, om reedenen wij die zaake zeer ligtvaardig hebben opgenoomen, terwijle het onse oud gebruijk vereijscht. 165 1233 vereijscht, dat wanneer min zulke gewigtige zaaken van den heer gouverneur te versoeken heeft, het geheele Bonijs hoff zig bij een vergaderd en binnen bij den Heer gouverneur vervoegd /onderstond/ voor het trans„ „latie /was geteekend/ G: Brugman /lager/ Accordeert /geteekend/ H: B: Hodenpijl. Nademaal het den wel Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur heeft gelieven goed te vinden als Expresse gecommitteerdens te zenden, den fiscaal Raket en sjabandhaar voll, bij zijn Hoogheijd den ko„ „ning van Bonij die gedemandeert waren, om uijt naam van welmelde zijn wel Edele Agtbaare van dien Hoogheijd op te Eijsschen, onder andere 4: Eijlanden, dewelke door den overleeden koning van dEComp„e, ter leen had verkreegen, nevens eenige Landerijen &c: zoo hebben ingevolge van dien Last, alle de Rijx grooten zig bij zijn wel Edele Agtbaare vervoegt, en uijt naam van den koning, de volgende verzoeken gedaan, Namentlijk. Eerstelijk, dat de Landerijen gelijk voor heen aan wijlen den over„ „leeden koning was toegestaan, leggende in de Noorder Pro„ „vintien; zoo lange onverthiend mogen gelaten werden, desgelijks de vier Eijlanden en wat de schiet geweeren betreft, versoeken zij desgelijks, meede zo lange te mogen behouden, tot tijd en wijle, het land eeniger Translaat versoek schrift door de Bonijse gecommitteerdens aan den Heer gouverneur overgegeven den 4=e Julij 1775. maaten. 165 1235 maaten in rust zal zijn gekomen, alsoo dezelve om de wille de thans troebelen toestand, zeer om dezelve benoodigt waaren en ze die niet wel om eijgen defentie ontbeeren konden. alle waar meede door zijn wel Edele Agtbaare, den voorigen of overleeden koning was begunstigt, versoeken zij lieden dat die dezelve gunste en gebruijk door uwel Edele Agtbaare niet moge werden ontrocken, maar gunstiglijk aan haar gelaten. /onderstond/ voor het translatie /was geteekend/ G: Brugman /lager / Accordeert /geteekend/ H: B: Hodenpijl. — Paulus Godofredus van der Voort. gouverneur en directeur deser Custe Celebes. wel Edele Agtbaaren Heer Den ondergeteekende stuurman Ian Godlieb Draijer, „ met de Pantjalling de oppas, in geselschap van nog een Jnlands vaartuijg door uwel Edele Agtbaare gezonden zijnde, om een brief aan den boetonse koning te brengen, en ver„ „volgens in straat Boetong te kruijsen, na luijd, de hem, ten dien eijnde ter hand gestelde Jnstructie, neemd reve„ „rentlijk de vrijheid uwel Edele Agtbaare kortelijk bij deese verslag te doen, van zijn wedervaaren, op die togt. op den laasten December 1774: van hier vertrokken zijnde; wierd ik op den eersten en tweeden Januarij, daar aan, van een zo swaaren storm beloopen, dat daar door, en door de holle zee, een dregge touw ende sleeper van de schuijt aan stukkend kwamen te breeken, en een daeg nevens de schuijt verlooren raakte, sonder dat het een, nog ander Aan Den wel Edele Agtbaaren Heer! weder. 169 1237 weeder te krijgen is geweest, en ik genoodsaakt geworden ben, de Bonthijnse rheede te soeken, om waare het mogelijk aldaar een kleen vaartuijg op te doen, en het tuijg dat door den storm veel geleeden had, te verhelpen, gelijk ik dan ook op den 3„e Januarij aldaar ter rheede gekomen zijnde, gedaan heb, latende de buijten kluijver aanstukkend snijder, om de basaan daar meede te lappen. Den 7„e Januarij kwam alhier bij mij den sendeling Daing Manjerekie, die ik op zijn versoek met 6: lb buskruijt adsisteerde, dewijl hij zijde op Maccasser niet anders als pat„ „troonen voor de snaphaanen, dog geen kruijt voor zijn rantakken ontfangen te hebben, waar na denselven naar Boelecomba vertrok, en ik met een voor een ropij inge„ „huurd vaartuijg, ballast en water aanboord gehaald hebbende, ging den 10„e meede van daar onderzeijl; en kwam den 18=e daar aan ten Boetonse rheede voor dreg. den 19„e ne„ „vens 't Comp„s brief afgehaalt, en bij den koning gebragt zijnde, op ende ik mijn last aan den selven, dog kreeg daar op geen bescheijd, seggende zijn Hoogheid eerst vergadering ten dien eijnde, te moeten houden; ook sagen wij dien dag, twee vaartuijgen met Europies tuij„ „gagie, die des anderen daags meede te rheede kwaamen, en bevonden werde twee Pantjallings genaamt de Baak en Dolfijn, en van Batavia naar Ternaten ge„ „destineerd.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1360 view scan ↗

English

destined to be, coming to seek refreshments there for their sick. On the morning of the 26th, coming ashore to Sergeant Stijnbag, and having asked him whether he did not know when I would receive an answer from the king to my commission, he said he had not yet heard anything about it, whereupon I sent the interpreters, who told me that the king was sick, to his Highness for that purpose. I did the same again on the 4th of February, after first having pointed out to them that I had already been waiting 15 days for an answer, and intended to send the Paduwackang to Maccasser, with the report that I could obtain no answer from his Highness, nor that they were willing to let Sergeant Stijnbag depart, although he had requested it several times. This had the consequence that, after making known to me that the emissaries had put the idea into the king's head that I did not need to concern myself with that matter, they brought as an answer from the king that his Highness would have me summoned after the lapse of two days, that he had been ill, and had only properly read the letter two days before. But having waited until the 8th, and seeing that nothing came of the king's promise, I had the emissary Daing Manjerekie come to me, and ordered him to get the Paduwackang ready to take a letter for the governor at Macasser to Bira or Boelecomiba, in which he also seemed to have no interest, as he told me he would return the following day without complying with it, letting us know that the king had summoned him; with which I had to be content. Meanwhile, on the 10th, four interpreters came to bring me the message that as soon as the king was somewhat better, he would have me come to him along with Stijnbag. I answered them that I was no longer served by their lies, that on the 4th they had already said that the king was better and would have me summoned, that I was only waiting for the Paduwackang to communicate the king's entire conduct to the governor at Maccasser, and intended to go cruising in the strait the following day. After this, at 10 o'clock in the evening, the Bone emissary came aboard my vessel with the paduwackang, and I asked him whether he came to fetch the letter for the governor, but he answered me that he had been sent to the strait by Daing Manjerekie to find out how matters stood there, from which I perceived most clearly that the emissaries were in agreement with the king. And seeing no opportunity to get a letter away, I had two sailors ask the aforementioned emissary the following day, being the 11th, why he had sent the Paduwakang to the strait. They brought us the answer that the emissary had said he did not know what the vessel was to do at Macasser, since he had nothing to send with it. That same day, Sergeant Stijnbag wrote to me that the Capitain Laut had sent a certain Radja Poene incognito to request me to come into the strait within one or two days, saying that two days before at least 100 prahus had appeared without them knowing what people it was, that they had thereupon all boarded the vessels to offer them battle, and only requested me to be an eyewitness to it, without my needing to interfere in it; that I should not bother about the king's trifles, but let him know through the interpreter that I had orders to cruise in the strait. This I also had done, after having first told the aforementioned Radja Poene himself that it had long been my intention to come into the strait, but that the king had detained me under all kinds of pretexts, and at the same time had his Highness notified that I intended to set sail that very night or the following day. Whereupon the king had me requested to be willing to wait a few more days, and his Highness having had that request made once again the following day, I asked the interpreters whether his Highness would then give me a decision within two days. But having received the answer that first all the grandees, who were mostly sick, had to assemble together, and that much time would pass with that, I told them that I was too well informed of the contrary to simply accept that lie, that they held meetings daily, yes, sometimes until night, and that I could wait no longer, just as I also weighed the grapnel and set sail at 12 o'clock. Having advanced into the strait on the 18th as far as the fleet of the Capitain Laut, and having gone ashore at his request on the island where he was situated alongside all the chiefs of the fleet and where they had assembled, he had Radja Poene ask me what I came to do there, and at the same time warn me to be on my guard, that there were at least 100 prahus in the strait to support the people of Woena. I had him answered that I had come to cruise there; as I then

Dutch transcription

gedestineerd te zijn, komende voor hunne sieken aldaar ver„ „versing soeken. Den 26„e 's morgens bij den sergeant Stijnbag aan de wal komende, en denselven gevraagd hebbende, of hij niet wist wanneer ik antwoord van den koning op mijn last zoude ontfange, zijde hij nog niets daar van te hebben gehoord, waar op ik de tolken die mij zijde: dat den koning siek was, ten dien eijnde na zijn Hoogheid sond; het geen ik den 4„e febr: nogmaals dede, na hun alvorens te hebben voorgehouden dat ik nu al 15: dagen op antwoord gewagt hadde, en van voor„ „nemen was de Paduwackang na Maccasser te zenden, met berigt dat ik van zijn Hoogheijd geen antwoord kon„ „de erlangen, nog dat men den sergeant stijnbag wilde laten vertrekken, hoe wel hij diverse maalen daarom had versogt, het geen van dat gevolg was, dat zij na mijn te kennen gegeven te hebben, dat de sendelingen den koning in het denkbeeld hadden gebragt dat ik mij met die zaak niet behoefde te bemoeijen, tot antwoord van den koning bragte, dat zijn Hoogheijd mij na verloop van twee dagen soude laeten roepen, dat hij ziek geweest was, en twee dagen bevoorens, den brief eerst regt geleesen hadde, dog tot den 8„e gewagt hebbende, en siende dat van 's konings belofte niets kwam, liet ik den sen„ „deling Daing Manjerekie bij mij komen, en gelaste hem, 471 1239 hem, de Paduwackang klaar te maken om een brief voor den heer gouverneur te Macasser na Bira of Boelecomiba te brengen, waar in deze ook geen zin, scheen te hebben, wijl hij mij seijde des anderen daags, wederom te zullen komen, sonder daar aan te voldoen, wij laatende weeten, dat den koning hem had laaten roepen; waar meede ik mij moest laten vergenoegen; terwijl den 10„e vier tolken mij kwamen boodschappen, dat den koning zo dra hij wat beter was mij nevens stijnbag bij hem zoude laaten komen, dien ik antwoorden, met hun leugens niet langer gedient te zijn, dat zij den 4„e albereeds ge„ „segt hadde, dat den koning beter was, en mij zoude laaten roepen, dat ik maar na de Paduwackang wagte, om het geheele gedrag van den koning den heer gouverneur te Maccasser te bedeelen, en van voornemens was des anderen daags in de straat te gaan kruijsen, waar na des avonds om 10: uuren den Bonisen sendeling met de paduwackang bij mij aan boord kwam, dien ik vroeg of hij de brief voor den heer gouverneur kwam haalen, dog hij antwoorde mij door Daing Manjerekie na straat gesonden te zijn om te vernemen hoe de zaaken al„ „daar stonden, waar uijt ik ten klaarsten bemerkten, dat de sendelingen het met den koning eens waaren, en. en geen kans siende, om een brief weg te krijgen, hiet ik des anderen daags zijnde den W„e ged: sendeling door twee mattroosen vragen, waarom hij de Paduwakang na straat hadde gesonde, die wij tot antwoord bragten, dat den sendeling gesegt had, niet te weeten wat het vaartuijg na Macasser zoude doen, wijl hij daar meede niets te zen„ „den had. Dien selfden dag schreef mij den sergeant stijn„ „bag, dat den Capitain Laut zeker radja zoene in Cog„ „nito had gesonden, om mij te versoeken binnen een â twee dagen in straat te komen, seggende dat twee dagen bevoorens wel 100: prauwen waren opgedaagd, sonder dat zij wisten wat volk het was, dat zij daar op alle in de vaartuijgen waaren gegaan, om haar slag te leve„ „ren, en mij eenelijk versogten oog getuijgen daar van te willen zijn, sonder dat ik mij daar meede zoude behoeven te bemoeijen; dat ik mij aan de beuselingen van den koning niet moest stooren, maar hem door den tolk laaten weeten, dat ik ordre had, om in straat te kruijsen, het geen ik ook na alvoorens aan ged=e radja Poene selfs te hebben getegt, al lange van Jntentie te zijn geweest, om in straat te komen, dog dat den ko„ „ning mij onder allerhande voorwendsels had opgehouden, liet doen, en zijn Hoogheid teffens aanzeggen, dien„ „selfde 173 1241 „selfde nagt of des anderen daags, nog onderzeijl te willen gaan; waar op den koning mij liet versoeken nog eenige daagen te willen wagten, en zijn Hoogheijd dat versoek des anderen daags nog eens hebbende laten doen, vroeg ik de tolken of zijn Hoogheijd mij dan binnen twee dagen bescheijd soude geven, dog tot antwoord gekreegen hebbende, dat eerst alle de grooten die meest ziek waren, bij malkanderen moesten komen, en dat daar meede veel tijd soude heen loopen, zijde ik haar van het tegendeel te wel g'infor„ „meerd te zijn, om die leugen maar zo aanteneemen, dat zij dagelijks, Ja, somtijds tot 's nagts vergadering hielde, en dat ik niet langer konde wagte, gelijk ik ook om 12: uuren den dreg ligte en onderzijl ging. Den 18„e instraat tot aan de vloot van den Capitain Laut gevorderd, en op versoek van denselven, op het Eijland daar hij zig nevens alle de hoofden der vloot bevond, en vergaderd waren, aan de wal gegaan zijnde, liet denselven, mij door Radja Poene vraagen wat ik daar kwam doen, en teffens waarschouwen om op mijn hoede te zijn, dat 'er wel 100: prauwen in straat waren, om het volk van woena te on„ „dersteunen, ik liet hem daar op antwoorden dat ik was gekomen om daar te kruijsen; gelijk ik dan t 2.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1364 view scan ↗

English

and therefore departed from there again on the 20th, and cruised back and forth until the 27th, when the son of the Capitain Laut coming from Boetong came to tell me that the vessel for the sergeant was ready, and he could depart, which made me resolve to turn the prow back toward Boetong, in order to give the sergeant a letter to take along for the Lord Governor, but having appeared there again on the 3rd of March, and coming to Stijnbag, I learned to my astonishment from the same that since my departure not the slightest preparation had yet been made for it. Having gone ashore again on the 19th of March, I learned from Sergeant Stijnbag that the proa in which he was to depart was virtually ready, and that two more vessels were being prepared for that purpose; the sergeant also had the king asked when he would be able to depart, but receiving no further answer in that regard, I went to the sergeant again on the 1st of April, asking him when he intended to depart, and having received in reply that he could not yet say so, but that he was counting on around the 20th of that month, I decided to go cruising in the strait again; as I also departed thither on the 4th, and cruised back and forth without encountering anything until the 21st, when I arrived back at the Boetong roadstead, and immediately went ashore to see whether Stijnbag had already departed, but finding the same still there, and learning from him that he was counting on not departing before the next new moon, I informed the king through two interpreters that having come out of the strait, and my appointed time having expired, I intended to undertake the voyage to Maccasser within eight to nine days, with the request that he be pleased to have the letter for the Lord Governor made ready by that time. On the 30th of April I went ashore again, and having requested an audience with the king for my departure, I learned from Sergeant Steijnbag that he was counting on not departing before the 20th of May, because according to him the waiting was solely for the Capitain Laut, who would only return with the full moon, and that the king would then satisfy his entire debt of slaves to the Company. On the 2nd of May, having been warned in the morning to hold myself in readiness to come to the king in the afternoon, I was fetched from the house of Stijnbag in the afternoon and brought to the king, to whom I said at once: that my appointed time had arrived, and I wanted to depart for Maccasser again, that I therefore came for my leave-taking, and hoped that His Highness would have a letter ready to take along; but His Highness told me that he had resolved with his court grandees to detain me, along with the emissaries and the sergeant, until Boeton was at peace, and when I protested against that, he continued that the Company having sent me there, he believed it was up to him to detain me until Boetong was at peace, that he would also write such to the Lord Governor at Maccasser, and that he believed it would not last much longer; having asked upon this whether I could not depart with the upcoming full moon, I received in reply that His Highness did not know whether it would take three or four days, or somewhat longer, which made me decide to stay, because I had heard that they intended to pay their entire debt of slaves to the Company, and if I did not want to depart by force, they might perhaps take the opportunity from that not to satisfy it, by pretending that they had not been able to gather vessels to transport the same, and had wanted to send some along with the sloop. On the 24th, the Capitain Laut arrived with his entire fleet about 100 vessels strong, amid continuous firing at the roadstead, and saluting me as they rowed past, I thanked him with 7 shots, after which on the 27th the entire fleet divided itself in two in the morning, and rowed towards each other in the afternoon, firing upon each other as they passed, and such having lasted from two in the afternoon until half past four in the afternoon, the entire fleet rowed three times around the pantjalling, discharging their guns each time, and being thanked by me with 7 shots. On the 29th, being the day that was appointed to let both Capitain Lauts make their entry, and for the attendance of which I had previously been requested, I went ashore at one o'clock in the afternoon to Sergeant Stijnbag, with whom I was fetched at two o'clock by two interpreters, and having arrived inside the gate of the Castle, was awaited by the king and realm's grandees and led onto a baruga, while at four o'clock the Capitain Lauts came up, each before a separate gate, which the priests closed before them when they wanted to enter, and which they first had to overcome by force, after which, having arrived inside on a square before the baruga and having requested to speak with the king, they were brought up to the king, who welcomed and complimented them along with all the realm's grandees. On the 8th of June, having arrived at the house of Steijnbag with the emissary Daeng Manjereki and the Bone emissary, the first asked me whether we should not now insist on our departure, since the Capitains Laut, for whom we had had to wait so long, had arrived and the slaves for the Company were ready, that the country was at peace, and they had nothing more to eat; I answered him that I had already twice, without having received an answer, asked for that reason

Dutch transcription

dan ook den 20„e weder van daar vertrok, en over en weder kruijsten tot den 27„e, wanneer de soon van den Capi„ „tain Lauwt van Boetong komende; mij kwam seggen dat het vaarthuijg voor den sergeant gereed was, en hij vertrekken konde, 't geen mij deid resolveeren den steven weder na Boetong te wenden, om den sergeant een brief aan den Heer Gouverneur mede te geven, dog den 3„e maart, daar weder voordoeg, en bij stijn„ „bag komende verstond ik tot mijn verwondering van denzelven, dat zedert mijn vertrek nog geen het min„ „ste toestel daar toe gemaakt was. Den 19„e Maart weder na de wal gegaan zijnde, vernam ik van den sergeant Stijnbag, dat de prauw daar hij meede soude vertrekken genoegsaam klaar was, en dat nog twee vaartuijgen; ten dien eijnde, in gereed„ „heijd wierden gebaagt, ook liet den sergeant den koning vragen, wanneer hij soude kunnen ver„ „trekken, dog geen nader bescheid dient wegen krij„ „gende, ging ik den 1=e April weder na den sergeant, hem vragende wanneer hij meende te vertrekken, en tot antwoord bekomen hebbende, dat hij zulx nog niet konde seggen, maar dat hij staat maakten tege. 175 1243 tegen den 20„e dier maand, besloot ik weder in straat te gaan kruijsen; zo als ik den 4„e ook daar na toe vertrok, en over en weder kruijste sonder iets te ontmoete tot den 21„e wanneer ik weeder op de boetongse rheede kwam, en mij terstond na de wal begaf, om te zien of stijn bag alvertrokken was, dog den„ „selven daar nog vindende, en van hem vernemende dat hij staat maakte niet voor het volgende nieuw ligt te vertrek„ „ken, liet ik den koning door twee tolken weeten, dat ik uijt straat gekomen, en mijn bepaalde tijd verstreeken zijnde, van voorneemen was binnen agt â negen dagen de reijse na Maccasser te onderneemen, met ver„ „soek om de brief voor den heer gouverneur tegen die tijd ingereedheid te willen laten brengen. Den 30„e april ging ik weder na de wal, en bij den ko„ „ning om mijn afscheid, audientie hebbende laeten versoeken, vernam ik van den sergeant steijnbag, dat hij staat maakte niet voor den 20„e meij te ver„ „trekken, wijl volgens zijn zeggen het wagten al„ „leen op de Capitain Lauwt was, die met de volle maar eerst te rug zoude komen, en dat den koning dan zijn geheele schuld van slaven aan de Comp„e soude voldoen. Den Den 2„e Maij des'smorgens gewaarschouwd zijnde, om mij gereed te houden, om des 's middags bij den koning te komen, wierd ik, des nademiddags van het huijs van stijnbag afgehaald en bij den koning gebragt, dien ik ten eerste zijde: dat mijn gestelde tijd verscheenen was, en weder na maccasser vertrekken wilde, dat ik daar„ „om, om mijn afscheid kwam, en hoopte dat zijn Hoogheid een brief suude klaar hebben, om meede te geven; dog zijn Hoogheijd voegde mij, toe, met zijn hofs groten beslooten te hebben, mij nevens de zende„ „lingen en den sergeant zo lang te houden tot Boeton in rust was, en toen ik daar tegen doleerde, vervolgde hij, dat de Comp„e mij daar gesonden hebbende, hij vermeende het aan hem te staan om mij zo lange te houden tot Boetong in rust was, dat hij zulx aan den heer Gou„ „verneur te maccasser mede zoude schrijven, en dat hij vermeende dat het niet lang meer duuren sonde; hier op gevraagd hebbende of ik niet met de aan„ „staande volle maan soude kunnen vertrekken, kreeg ik tot antwoord, dat zijn Hoogheid niet wist of het nog drie of vier dagen, dan wel wat langer soude aanlopen, 't geen mij deed besluijten om te blij„ „ven, ter zaake ik gehoord had, dat zij van intentie waren 177 1245 waren hun geheele schuld van slaven aan de Comp„e te betaalen, en zo ik niet geweld wilde vertrekken, daar uijt somtijds geleegentheijd mogte neemen, om daar aan, niet te voldoen, niet voorte wenden dat zij geen vaar„ „tuijgen om deselve over te voeren, bij een hadden kunnen krijgen, en eenige met de Chialoup hadden willen Krig meede geven. Den 24„e arriveerde de Capitain Lauwt met zijne gantsche vloot omtrend 100: vaartuijgen sterk, onder het stadig schieten ter rheede, en mij in het voor bij roeijen salueerende, bedankte ik han met 7: schooten, waar na den 27„e de gantsche vloot zig des morgens in twee verdeelde, en des nademiddags op elkander in roeijden, in het passeeren op elkander vuurende, en zulx van des smiddagsten twee tot 's nademiddags ten haff vijf uuren geduurd hebbende, roeijde de geheele vloot drie maalen om de pantjalling, telkens haar geschut los soude, en door mij met 7: schooten bedankt werdende. Den 29„e zijnde den dag die bepaald was, om de beijde Capitain Lauwts haar in treede te laaten doen, en tot welkers bij wooning men mij bevorens versogt versogt had, ging ik des 't middags om een uur na de wal den sergeant Stijnbag, met wien ik om twee uuren door twee tolken afgehaald, en binnen de poort van 't Casteel gekomen zijnde, door den koning en rijks grooten opgewagt en op een baroega gelijd wierd, terwijl om vier uuren de Capitain Lauwts na boven ieder voor een aparte poort kwamen, die de priesters toen zij binnen wilde komen voor haar slooten, en zij eerst met geweld moesten overwinnen, waar na zij binnen op een plijn voor de baroega gekomen zijnde, en versogt hebbende, den koning te mogen spree„ „ken, na boven bij den koning gebragt wierden, die haar nevens alle de rijks grooten verwelle komde en Com„ „plimenteerde Den 8„e Iunij met den sendeling Danig Manjerekie en den bonisen sendeling aan het huijs van Heynbag gekomen zijnde, vroeg mij, den eersten of wij nu niet op ons vertrek soude aandringen; alsoo de Ca„ „pitains Lauwt, daar wij zo lang na hadden moeten wagten, na gekomen en de slaaven voor de Comp„e gereed waren, dat het land in rust was, en zij niet meer te eeten hadden; Jk antwoorde hem, dat ik al twee maalen sonder antwoord gekreegen te hebben, daarom

NL-HaNA_1.04.02_3445_1369 view scan ↗

English

had requested on that account, and once more sent two interpreters with the aforementioned message to the king, who, together with the grandees of the realm, informed me the following day that I should not be anxious, as they had fixed my departure day after the passage of 9 days, or on the 18th. I was not a little delighted at this, as I also let the king know, but found myself deceived once again, for on the 20th an interpreter came to ask me to wait another 6 days, stating that the king and grandees of the realm excused themselves for not having been able to keep their word, because the chiefs were at discord among themselves, as a result of which two had already been dismissed, and that they had therefore had to tear into pieces the letter which had already been prepared. I thus saw myself forced to wait the requested 6 days more, which I did, until on the 25th an interpreter came to notify me to come to the king on the 27th to take my leave. I asked him whether the sergeant would also receive his dismissal, but received as an answer that he did not know. On the 26th the king sent me word that I would receive 30 Company slaves on board to transport, and that together with the sergeant and the emissaries I should come to take our leave the next day. When I went to the king the following day for that purpose, he told me that Boetong was now entirely at peace, and that he did not doubt that the Company would approve of his conduct in this matter and the detention of myself, and would be satisfied with it, because he had thereby obtained the opportunity to pay a part of his debt to the Company. On the 28th I received 30, and the following day another 10 slaves on board together with the Company letter, which I greeted upon receipt with 7 shots, and received with great difficulty from the emissary Daing Manjerekie, since he had presumed to style himself head of the expedition. I also weighed my grapnel that same day, set sail, and arrived here in the roadstead on the third of this month without any further encounter. Furthermore, having encountered no English or other foreign European nations during this voyage, I hope hereby to have complied with your Right Honorable's much-honored orders, and take the liberty, with all due respect, to call myself. Underneath stood: Right Honorable Sir. Lower down: Your Right Honorable's humble and faithful servant. Was signed: J: G: Draijer. In the margin: Maccasser the 12th July 1775. Lower: Agrees. Signed: J: B: hodenpijl. Translation of a Malay document written by the king and grandees of Boutong to the Right Honorable Lord Governor at Maccasser. After the customary greetings and compliments! We jointly make known to the Lord Governor that we have received the letter of His Right Honorable, together with that of the king of Bonij, with the requisite ceremony. After it had been reviewed, we understood its contents: that the Lord Governor therein desired that we should promptly settle our debt, and also that the sergeant exterpateur should be sent back. That we have not sent back the aforementioned sergeant at his proper time was caused by the evil or wicked actions of the Woenarese. We do not doubt in the least that the Lord Governor will be well informed of this, namely: that they have acted hostily against the court of Boutong, as a result of which the Company and the court of Bonij, through the dispatch of a sloop, had the matter investigated so that, the situation being such, through that dispatch of the Company and Bonij accompanied by the king of Boutang, they might instruct the Woenarese; so that, if those Woenarese would not listen to counsel, the requisite notice thereof might immediately be given to the Lord Governor, in order that the Company and Bonij might show their compassion by demonstrating the necessary assistance therein. Which promised assurance of goodwill and aid, for fear that the land of Bouthong might otherwise be ruined, we were jointly most delighted to hear. For which reason we, the king and all the grandees of the realm, pray to Heaven to grant His gracious blessing to the Company and Bonij, so that we may have hope and confidence to rely steadfastly upon them. Had we anticipated a bad outcome from the circumstances of Woena, we would not have failed to notify the Lord Governor thereof immediately. The cause was some discords between certain princes and princes' children of Boutong and those of Woena, which gave rise to the war on account of the stubbornness of Woena's king. Whereupon the king and grandees of the realm of Bouthoug jointly resolved to send His Highness of Bouthong's son, Capitain Lauwt, and Mantrie Babatoua with a force of people thither, in order to instruct and punish the Woenarese through a sensible correction, as a superior is entitled to do to his inferior, to teach them thereby to show the due respect to their superior. In case that embassy had not been able to compel them thereto, we would have been forced to proceed thither ourselves, and would have taken them along thither. For which reason we also detained the said sloop and emissaries, so that, if the war against Boutong had turned out badly, not to bring the Company and Bonij into disrepute, in order to display the power of the Company, whose equal is not to be found here. However, by the said Capitain Lauwt, under the Lord's blessing, the matter has been brought to a

Dutch transcription

179 1247 daarom hadde laten versoeken, en sond wederom twee tol„ „ken met voorm: boodschap na den koning, die mij ne„ vens de rijksgrooten des anderen daags liet weeten, dat ik niet ongerust moest weesen, dat zij mijn ver„ „trek dag na verloop van 9: dagen of op den 18„e bepaald hadden; Hier over verheugde ik mij niet weijnig, zo als ik ook den koning liet weeten, dog vond mij al„ „weder bedrogen, want den 20„e kwam mij een tolk versoeken, van nog 6: dagen te wagten, zeggen„ „de dat den koning en Rijksgroten zig lieten verexcus„ „seeren, dat zij haar woord niet hadden kunnen hou„ den, om dat de hoofden oneenig onder elkander wa„ „ren, waar door al twee waren afgeset en dat zij, daar door de brief, die al bereeds klaar was geweest weder hadden moeten aanstukkend scheuren, ik zag mij dus wel genoodzaakt de versogte 6: dagen nog te wagten, gelijk ik ook deed, toen op den 25„e een tolk mij kwam aanseggen, om den 27„e bij den koning te komen, om mijn afscheid te ontfangen, ik vroeg deese of den sergeant mede zijn afscheid soude krijgen, dog kreegen tot antwoord dat hij zulx niet wist. Den 26„e liet mij den koning boodschappen, dat ik 30:e Comp„s slaven aan boord soude krijgen om over over te voeren en nevens den sergeant, en de sendelingen des anderen daags te gelijk ons afscheid moest komen ont„ „fangen, gelijk ik dan ook des anderen daags ten dien eijnde na den koning gegaan zijnde, den selven mij seijde dat Boetong nu geheel in oust was, dat hij niet twijffelde of de Comp„e soude zijn, gehouden ge„ „drag in deese en het aanhouden van mijn goedkeuren, en daar meede te vreede zijn, om dat hij daar door ge„ leegentheid gekreegen had om een gedeelte van zijn debet aan de Comp„e te voldoen Den 28„e kreeg ik 30., en 's daags daar aan nog 10: slaven nevens 'sComp„s brief aan boord, dien ik bij den ontfangst met 7: schoten begroete, en met veel moeijten van den sendeling Daing Manjerekie ontving, alzo die zig hadde aangematigt zig hoofd van de Expeditie te noemen; ook ligte ik dien selfden dag mijn dreg, en ging onder zijl, en kwam den derden deser sonder eenige verdere ontmoeting hier ter rheede. voorts geduurende deze togt geene Engelschen of an„ „dere vreemde Europesche natien ontmoet hebbende, verhoop ik hier meede aan uwel Edele Agtbaare veel gehonoreerde beveelen te hebben voldaan, en neeme de vrijheijd, mij met alle verschuldigde Eerbied te tot 1249 te noemen. - /:onderstond:/ wel Edele Agtbaaren Heer. /:lager:/ uwel Edele Agtbaaren ootmoedigen en Trouwschuldigen Dienaar /:was geteekend:/ J: G: Draijer /:in margine:/ Maccasser den 12„e Julij 1775: — /lager / Accordeert /geteekend:/ J: B: hodenpijl. — Translaat maleijds geschrift geschreeven door den koning en Rijksgrooten van Boutong, aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Gouverneur, tot Ma„ casser. Nade ordinaire groete en Complimenten! Soo maaken wij gesamentlijk den heer gouver„ „neur bekent, dat wij den brief van zijn wel Edelen Agtbaaren, nevens die van den koning van Bonij, met de vereijschte Ceremonie ontfangen hebben; na dezelve geresumeerd was, hebben wij, den inhoud daar van verstaan, dat den Heer gouverneur daar in begeerde, dat wij ons schult, schielijk koomen te voldoen, als meede dat men den zergeant Exter„ „pateur, zoude te rug zenden. Dat wij den gem: zergeant, op zijn behoorlijke tijd niet hebben te rug gesonden, is veroorsaakt door de slegte of quade gedoentens van de woenareesen, twijffele geensints of den heer gouverneur, sal daar 183 1251 daar van wel geinformeert zijn, namentlijk: dat zij haar vijandelijk teegen het hoff van Boutong hebben aangesteld, waar door de Comp„e en het hof van Bonij, door de zending van Een Chialoup na de zaak hebben laeten ondersoeken, om die, / dus geleegen zijnde :/ door die bezen„ ding van de Comp„e en Bonij verseld van den koning van Boutang de woenareesen te onderrigten, om wanneer die woenareesen na den raad niet luijsteren willende, daar van ten eerste de vereijschte kennisse aan den heer gouverneur te laaten geven, op dat, de Comp: en bonij de meede dogentheijd mogte betoonen, daar„ „inne de nodige adsistentie te bewijsen, welke beloofde verseekering van geneegentheijd en hulpe, uijt vreese dat het Land van Bouthong niet mogt komen te bederven, wij gezamentlijk hoogst verblijd waren, te verstaan uijt dien hoofde wij koning en gesamentlijk Rijksgrooten, den Hemel aanbidde, om zijnen genadigen zeegen, aan de Comp:e en Bonij te verleenen, op dat wij hoope en vertrouwen hebben omstand vastig op dezelve te mogen verlaaten Ingevalle wij ons van de omstandigheeden van woe„ „na eene quade uijtkomst hadde voorgesteld, zo zouden wij niet gemanqueert hebben, daar van ten eersten den heer gouverneur te verwittigen. De. De oorzaak is geweest Eenige oneenigheeden, met zommige Princen en Princen. kinderen van Boutong, en die van woena; waar door aanleijding tot den oorlog is gegeven: vermits woenas koning halstarrigheijd, waar op den koning en Rijksgrooten van Bouthoug gezamentlijk geresolveerd hebben, om zijn Hoog„ heijds Bouthong zoon Capitain Lauwt, en Mantrie babatoua onder magt van volk, derwaarts te zen„ „den, ten eijnde de woenareesen door een gevoelige Correctie te onderrigten, en te straffen gelijk de meerder aan zijn minder; bevoegt zij te doen, om haar daar door te leeren aan zijne meerder, de verschuldige Eerbied te bewijsen; ingevalle, die ambasade, haar daar toe niet hadde konnen dwingen, zouden wij genoodzaakt zijn geweest, om zelfs daar na toe te begeeven, en meede derwaards genomen hebben, om welke reeden wij ook gedagte Chialoep en zendelingen hebben op gehouden, so indien den oorlog, teegen Boutong, mogten qualijk uijtgevallen zijn, om de Comp„e en Bonij tot geen kleijn agting te brengen, ten eijnde, de magt van de Comp„e, wiens weder gade, alhier niet is, te doen zien. Edog de zaak is door gemelde Capitain Lauwt onder 't heeren zegen tot een

NL-HaNA_1.04.02_3445_1375 view scan ↗

English

105 1253 brought to a desired conclusion, just as the Woenarese have also already submitted to Boutong and, according to their obligation, have placed themselves under Boutong. Having nothing to send as a token of life except manifold greetings. Below stood: Written on the land of Boutong on the twentieth day of the month Rabil achir in the year 1189, according to our calculation the 26th of June 1775. For the translation was signed: G: Brugman Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. — Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honorable Worshipful Sir and Sirs! Anno 1774: The 27th of March. Departed from Maccasser The 1st of April. Arrived at Bouthong Summoned to His Highness; after paying compliments, I delivered the Honorable Company's recognition monies. After the letter was read, I held out to His Highness with serious arguments that I was once again delivering these monies to His Highness, yet under this condition: in case His Highness were to deceive me again this year, as happened in many previous years, that the Honorable Company had no intention of handing over the said monies straight away the coming year, but of withholding them until the extirpation was fully accomplished to proper satisfaction, To the Right Honorable Worshipful Sir The Right Honorable Worshipful Sir; Daily Register of the undersigned: The 2nd ditto 187 1255 and satisfaction, and that His Highness could be firmly assured of that. Whereupon His Highness sat quietly for nearly a quarter of an hour without giving me any answer. Whereupon His Highness was asked for the cannons and the ship's boat, to send the same without fail to the Honorable Company this year, and to satisfy at least the greater part of the Honorable Company's slaves this year; whereupon not a single word of answer was obtained. Whereupon finally, after sitting quietly for a long time, I requested His Highness to dispatch me at least in 8 to 10 days to the islands, since there are presently still westerly winds, and not to hold me up as in the past year. Whereupon finally, after sitting quietly for a long time, His Highness replied that in the coming days he would hold a meeting about it with his Councillors, and then let me know at once when I could depart for the islands. Furthermore, I found a Mandarese prahu here that was trading in linens without the Honorable Company's marks. I therefore requested His Highness that the said prahu might depart, since such trade is contrary to the Contract. Whereupon, after proper honors, I took my leave of His Highness. The The 2nd of April. The said prahu departed, into the straits toward the Moluccas. The 11th ditto. His Highness came down to inspect the prahus that were to be prepared for war against Kalisoesoe, whereupon, on his return, I requested His Highness that I might gladly know when I could depart for the islands. Whereupon His Highness turned around and asked the interpreter whether the prahu was not yet ready, to which I myself replied to His Highness that I had already loaded my goods, but that I was only awaiting orders from His Highness to depart. Whereupon His Highness replied that he would see tomorrow or the day after tomorrow and would then have me called; whereupon His Highness took his leave of me and I thanked him with proper honors. The 14th ditto. One of the Amboinese going to the Bazaar to buy something, finding there wild nutmegs for sale, whereupon he took 3 pieces away to show them to me. Coming home, I opened one of them to see of what nature it was, and found the same very good in taste and smell. The 109 1257 Summoned to His Highness; after paying compliments, the 15th of April, I requested His Highness once again not to deceive me this year, but to bring me to places where such species of trees are actually found, for I was now convinced that the same species of trees must firmly and certainly be on the land of Boutong, since his subjects were selling them publicly at the Bazaar. Whereupon His Highness replied very angrily that his subjects had purchased them from Amboinese and Bandanese vessels that had passed by here, to use for medicine. Whereupon I replied back to His Highness that such was an impossible thing, for no Amboinese or Bandanese subject, nor burgher, much less an Honorable Company's servant, would dare to carry on such trade. Whereupon His Highness, being very embarrassed with the matter, said to me that the people who had come with me from Maccasser had themselves bought nuts there to use for medicine. Whereupon His Highness asked me whether I still kept the nuts, that he would gladly

Dutch transcription

105 1253 een gewenschte uijtvoer gebragt, gelijk zij woenareesen, ook reeds, bij Boutong tot submissie gekomen sijn, en volgens haar gehoudenis zig onder Boutong hebben gesteld: Niets tot een teeken van Leeven te senden, hebbende, als een mee„ „nigvuldige groete: /onderstond / geschreeven op het land van Boutong den Twintigste dag van de maand Rabil achir in het Jaar 1189. volgens ons bereekening den 26„e Junij 1775. voor het translatie /was geteekend/ G: Brugman /lager / Accordeert /geteekend/ H: B: Hodenpijl. — Paulus Godofredus van der Voort gouverneur en Directeur deser Custe Celebes. wel Edelen Agtbaaren Heer en Heeren! A„o 1774: den 27„e Maart. van Maccasser vertrokken „ 1„e April op Bouthong g'arriveert bij zijn Hoogheijdt ontboden, na gedaanen Compliment, hebbe's E Comp„s recognitie penningen overgelevert, na den brief gelesen zijnde, hebbe aan zijn Hoogheijt met ernstige reeden voorgehouden, dat ik deese penningen nogmaals aan zijn Hoog„ „heijt overleverde, edog met deese Conditie, bij aldien zijn Hoog„ „heijt, mij dit Jaar, wederom misleijde, als in veele voorgaande Jaaren geschied, dat de E Comp: met aanstaande jaar, deselve penningen niet van sins was, om ten eersten over te geven, maar deselve in te houden, tot de Extirpatie ten vollen na behooren, Aan den wel Edelen Agtbaren Heer Den wel Edelen Agtbaaren Heer; Dag Register van den onder geteekende: „ 2„e d„o 187 1255 en genoegen volbragt was, en dat zijn Hoogheijdt daar van vast konde verseekert weesen. Waar op zijn Hoogheijdt bij na een quartier uur lang still geseten, zonder mij eenige antwoord te geeven. waar op aan zijn Hoogheijdt gevraagt, om de Canons, en den scheeps boot, om dezelve zonder mancqueeren, aan de E. Comp„e dit Jaar over te zenden, en 's E: Comp„s slaaven ten minsten de grootste helft dit Jaar te voldoen; waar op geen eenen woort antwoordt bekomen waar op eijndelijk na lang still zitten en zijn Hoogheijt versogt om mij ten minsten in 8 â 10: dagen te depecheeren na de Eijlanden, terwijlen thans nog weste winden, en mij niet op houden als voorleeden jaar. waar op Eijndelijk na lang still zitten, zijn Hoogheijdt repliceerde, dat hij eerst daags, met zijne Raaden, daar over vergadering zoude houden en mij dan met eenen laaten weeten, wanneer dat ik vertrekken konde, na de Eijlanden, nog hebbe een mandareesen prauw alhier gevonden, den„ „welken negotie dreef met Lijwaaten, zonder sE: Comp=s mercken, hebbe, dierhalven aan zijn Hoogheijds versogt, dat denselven prauw vertrekken mogte, terwijlen zulke negotie tegens 't Contract strijdende waar op na be„ „hoorlijk honeur van zijn Hoogheijdt mijn afscheijdt genomen. den den 2„e April is denselven prauw vertrokken, straat waarts in na de mollu'tkas „ 11„e d„o quam zijn Hoogheijdt om laag, om de prauwen te besien, welke zouden klaar gemaakt worden ten oorlog na kalisoesoe, waar op in 't wederom keeren, aan zijn Hoogheijdt verzogt, dat ik graag weeten mogte, wan„ „neer dat ik vertrekken konde, na de Eijlanden, waar op zijn Hoogheijdt hem omkeerende en aan den tolk vroeg of den prouw nog niet klaar was, waar op ik zelfs aan zijn Hoogheijdt repliceerde: dat mijn goed al ingelaaden hadde, maar dat ik maar op ordres verwagte van zijn Hoogheijdt, om te vertrekken, waar op zijn Hoogheijdt repliceerde, dat hij morgen of overmorgen zoude zien, en mij dan laeten roepen waar op zijn Hoogheijdt van mij afscheijdt genomen en hem met behoorlijk honeur bedankt hebbe. den 14„e d„o Een van de Amboineesen na den Bazaar toegaande, om iets te koopen, vindende aldaar, mannetjes nooten, om te verkopen, waar op hij 3 p„s wegnee„ „mende om mij deselve te toonen, te huijs komende, hebbe een daar van geopent, om te zien van wat aart„ en hebbe deselve heel goet van smaak en reuk gevonden. den. 109 1257 bij zijn Hoogheijdt ontboden; na gedaan en Compliment den 15„e April hebbe aan zijn Hoogheijdt, nogmaals versogt, om mij dit jaar niet te misleijden, maar mij brengen ter plaatsen. daar weesentlijk zulke soort van boomen ge„ „vonden worden, want dat ik thans overtuijgt was, dat deselve soort van boomen vast en seeker op 't landt van boutong zijn moesten, terwijlen zijn onderdaanen deselve openbaar op den Bazaar verkog„ „ten, waar op zijn Hoogheijt heel graanstoorig repliceerde, dat zijn onderdaanen deselve van Am„ „boineesen en Bandaneese vaarthuijgen, dewelke al„ „hier gepasseerd ingekogt, om voor medicijn te ge„ „bruijken. waar op aan zijn Hoogheijdt, wederom gerepliceert: dat zulks een onmogelijke saak, want dat geen Amboinees of Bandaneesen on„ „derdaan, nog burger, nog veel weijniger een 'sE Comp„s Dienaar, hem onderstaan mogte, om zulke ne„ „gotie te drijven. waar op zijn Hoogheijdt heel verleegen met de saak zijnde, tegens mij zeggende, dat 't volk welk met mij van maccasser gekomen, zelfs nooten aldaar gekogt, om, tot medicijn te ge„ „bruijken. waar op zijn Hoogheijdt, aan mij, vroeg of ik de nooten nog bewaart hadde, dat hij dezelve gaarne.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1380 view scan ↗

English

would gladly like to see, and acting very naive and perturbed, whereupon I took the same out of my pocket and showed them to him, whereupon His Highness requested me to be allowed to keep the same to use as medicine, thinking thereby to consign the matter to oblivion, with the request that I would indeed say nothing of it to my lords and masters; whereupon it was replied again to His Highness that if the same kind of trees were not found on his land, why His Highness needed to be fearful, but that this gave even more suspicion that there must be something; and because His Highness once again urgently requested me to be allowed to keep the nuts, I deemed it not worth the trouble to cause him even more anxiety, but nevertheless not forgetting my duty, and having committed this to paper, since two years ago I had the honor to present the same kind of nuts to Your Excellencies and Worships, having received the same from a native under the testimony that they grew on the land of Boutong. Whereupon His Highness was further requested to allow me to go to Kalisoesoe this year, to which His Highness replied that this was an impossible matter, but upon my return from the islands, then His Highness would go along himself and bring me there. I also earnestly urged His Highness to think of the Honorable Company's slaves, and to order the interpreter that I might have the freedom to go anywhere I wished to be, to which His Highness replied that he had given the necessary orders for that purpose. Whereupon, after paying proper respects to His Highness, I took my leave. Departed from Boutong; paid to the mandoor: rd:s 1: 12:— the 16th of April. Arrived at Wanchie Wanchie, whereupon the interpreter was sent to the Radja to make my arrival known to him and to request people to make a forest excursion and to prepare a prauw to bring me to Kaijdoepa: the 20th ditto. Made a forest excursion there across the negorij Wanchie Kadopi, Ballio, and stayed the night there: the 25th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij Battoeno, Lasio, and stayed the night there: the 26th ditto. In the morning further into the forest across the negorij Battoa, Wacha, Worabie, and returning home in the evening: the 27th ditto. Returning home, paid to the people: rd:s 2: 24:— Whereupon the interpreter was sent once more to the Radja and requested a prauw in order to be able to depart for Caijdoepa. Departed from Wanchie Wanchie: the 1st of May. Arrived at Caijdoepa, whereupon the interpreter was sent to the Radja to make my arrival known to him and requested an audience: the 2nd ditto. Summoned before the Radja; after compliments were paid, I requested people from him to make a forest excursion and to prepare a prauw to bring me to Tongharoe, and not to delay me as long as last year, to which he replied that he would have a prauw made ready shortly; whereupon, after paying proper respects to His Highness, I took my leave: the 5th ditto. Made a forest excursion across the negorij Zeelon, Dobbe Wouwatinde, and stayed the night at Dewed: the 8th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij Sampo Touga, Kadele, and returned home again in the evening; paid to the people: rd:s 1: 42:— the 9th ditto. Departed from Caijdoepa: the 10th ditto. Arrived at Tongharoe, whereupon the interpreter was sent to the Radja to have my arrival made known to him and to request people to make a forest excursion and to make a prauw ready to bring me to Binoncko: the 20th of May. Made a forest excursion across the negorij Thimo, Lacole, Locho, and stayed the night at Kajange: the 27th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij Kawallie, Batoa, Wacha, and in the evening returned home again across the negorij Thomia; paid to the people: rd:s 1: 42:— the 28th ditto. Departed from Tongharoe: the 31st ditto. Arrived at Binonko, whereupon the interpreter was sent to the head of the negorij to make my arrival known to him and to request people to make a forest excursion: the 2nd of June. Made a forest excursion across the negorij Ballohidoa, Roekowang, and stayed the night there: the 4th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij La Kiokio, Wattoeawa, Walljes, Ballo Jndi, and stayed the night there: the 5th ditto. In the morning further into the forest across the negorij Watopitopi, Leijxi, Tommotortoe, Kanamobassa, Wakoedoelapi, and stayed the night at Goenon: the 6th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij Dawataggo, Wietou, Labombo Oiko, and returned home again in the evening; paid to the people: rd:s 2: 24:— the 7th of June. Made a forest excursion on the islands Lintea Lange and Lintea Gibolo; returning home in the evening, paid the people: rd:s 1: 12:— the 11th ditto. Made a forest excursion on the islands Lintea and Rota Rota; returned home again in the evening; paid to the people: rd:s —: 30:— the 15th ditto. Departed from Binonko and returned in the evening to Pongharoe, whereupon the interpreter was sent to the Radja, requesting him for a prauw to be able to depart immediately for Caijdoepa: the 18th ditto. Departed from Tongharoe: the 19th ditto. Returned to Caijdoepa, whereupon the interpreter was sent to the Radja to have my return made known to him, and requested people to make a forest excursion and to prepare a prauw to bring me to Wanchie Wanchie: the 20th ditto. Made a forest excursion across the negorij Dewancka, Mantikola, and stayed the night there: the 30th ditto. In the morning further into the forest, across the negorij Jammerakka, and returning home in the evening, paid to the people: rd:s 1: 42:— the 1st of July. The 5th

Dutch transcription

„gaarne zien wilde, en hem daar bij regt onnosel onstel„ „lende, waar op deselve uijt mijn sak haalende, en hem getoont waar op zijn Hoogheijdt aan mij versogt om deselve te mogen houden om tot medicijn te gebruijken, denkende daar bij de saak in vergeetenheijdt te brengen, met versoek dat ik ja aan mijn heeren en meesters daar niets van zeggen mogte waar op aan zijn Hoogheijdt wederom gerepliceert bij aldien van deselve soort van boomen, op zijn Landt niet gevonden worden, waerom dat zijn Hoogheijdt hoefde bevreest te weesen maar dat zulks nog meer agterdagt gaf, dat iets weesen moeste en om dat zijn Hoogheijdt nogmaals instantie aan mij versogt om de nooten te mogen houden, zo hebbe der pijne niet waardig geoordeilt, om hem, nog meer ongerustheijdt aan te brengen; maar dog mijn pligt niet vergeetende, en zulks ten pampier gebragt terwijlen over twee Jaaren de Eer gehad hebbe, om van deselve soort van nooten aan uwE: en Agtb: te presenteeren; deselve van een Jnlander gekreegen, order betuijgenis dat deselve op 't landt van Boutong groeijden. waar op nog aan zijn Hoogheijdt versogt, om dit Jaar, mij na kalisoesoe te laaten gaan, waar op zijn Hoog„ „heijdt repliceerde, dat zulks een onmogelijke saak, maar 19t 1259 maar bij mijn te rugkomst van de Eijlanden, dan zoude zijn Hoogheijdt zelfs meede gaan en mij aldaar brengen. nog hebbe zijn Hoogheijdt ernstig voorgehouden om aan 's E Comp„s slaaven te denken, en aan den tolk last geven, dat ik vrijheijdt mogte hebben, om over alte mogen gaan, daar ik maar weesen wilde, waar op zijn Hoogheijdt re„ „pliceerde, dat hij de nodige ordres daar toe gegeven hadde. waar op na behoorlijk honeur van zijn Hoogheijt mijn afscheijdt genomen. vertrokken van boutong, aan den mandhoor uijt„ den 16„e april gegeven - - - - - - - - - - - - rd:s 1: 12:— op wanchie wanchie gearriveert, waar op den tolk „ 20„e d„o na het Raadja gesonden, hem mijn arriviment be„ „kent te maaken en om volck te versoeken, om een boschtogt te doen, en een prauw klaar te maaken, om mij na Kaijdoepa te brengen. aldaar een bosch togt gedaan over de negorij wanchie „ 25„e d„o kadopi, Ballio, en aldaar overnagt. 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij „ 26„e d„o Battoeno, Lasio en aldaar overnagt. 's morgens verder boschwaarts in over de negorij „ 27„e d„o Battoa, wacha, worabie, en 's avonds te huijs komende komende, aan het volk uijt gegeven . . . rd„s 2: 24: — waar op den tolk nogmaals na het Raadja gezon„ „den, en om een prauw versogt, om te mogen vertrek„ „ken na Caijdoepa den 1„e Maij vertrokken van wanchie wanchie: op Caijdoepa g'arriveert, waar op den tolk na het Raad ja gesonden, hem mijn arrivement bekent te maaken en versogt om audientie. bij het Raadja ontboden, na gedaan en Compliment, hebbe aan hem versagt om volk om een bosch togt te doen, en een prauw klaar te maaken, om mij na Tongharoe te brengen, en mij niet zo lange op hou„ „den als voorleeden Jaar, waar op hij gerepliceert dat hij eerstdaags een prauw zoude laaten in gereedheijd brengen, waar op na behoorlijk honeur van zijn Hoogheijdt mijn afscheijt genoemen. do 9„e d„o „ 10„' d„o „ 18„ „ d„o een bosch tot gedaan over de negorij zeelon, Dobbe wouwatinde, en op dewed overnagt. 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij Sampo touga, kadele en 's avonds wederom te huijs gekomen aan het volk uijtgegeven rd=s 1: 42: vertrokken van Caijdoepa do den „ 2„e d„o 5„e 8„ 193 1261 op Ionghanoe gearriveert, waar op den tolk na den 20„e Maij het Raadja gezonden, hem mijn arrivement laten bekent maaken en om volk te versoeken, om een bosch„ „togt te doen, en een prouw klaar te maken om mij na binoncko te brengen een bosch togt gedaan over de negorij Thimo, Lacole, Locho, „ 27„e d„o en op kajange overnagt 's morgens verder bosch waarts in, over de negorij, kawallie „ 28„e d„o Batoa, wacha, en 's avonds over de negorij Thomia wederom te huijs gekomen; aan het volk uijtgegeven r=s 1: 42:— van Iongharoe vertrokken. ge op Binonko g'arriveert, waar op den tolk na het „ 2„' Junij hoofd van de negorij gezonden, hem mijn arrivement bekent te maaken, en om volk te versoeken, om een boschtogt te doen. _o „ een boschtogt gedaan, over de negorij Ballohidoa, „ 4„e Roekowang, en aldaar overnagt do 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij „ 5„e La kiokio, wattoeawa, walljes, Ballo jndi, en al„ daar overnagt 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij watopitopi, „ 6„e d„o Leijxi, Tommotortoe, kanamobassa, wakoedoelapi, - - - - - - - - - - „ 31„e d„o _o en d„o den 7„e Junij „ 11„' d„o „ 15„ d„o „ 20„e d„o op Caijdoepa geretourneert, waar op den tolk na het Raadja gezonden, hem mijn retour laten bekent maaken en versogt om volk om een boschtogt te doen, en een prauw klaar te maaken, om mij na wanchie wanchie „ 19„e d„o van Iongharoe vertrokken. te brengen. een boschtogt gedaan, over de negorij dewancka, man„ „tikola, en aldaar overnagt. 1„e Iulij 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij Jamme„ „rakka, in 's avonds te huijs komende, aan het volk op de Eijlanden Lintea Lange, en Lintea gibolo een boschtogt gedaan, 's avonds te huijs komende, 't volk gegeven rd„s 1: 12:— gegeeven - – – – - – – – - - - rd„s 1: 42: — d„o „ 30„e d„o van Binonko vertrokken en 's avonds op Pongharoe gere„ „tourneert, waar op den tolk na het Raadja gezonden, hem laten versoeken, om een prouw, om ten eersten na Caijdoe„ „pa te kunnen vertrekken. — een boschtogt gedaan, op de Eijlanden Lintea en Rota Rota, 's avonds wederom te huijs gekomen, aan het volk gegee„ „ven. - - - - - - - - - - -. . rd„s —: 30: — en op goenon overnagt. 's morgens verder boschwaarts in, over de negorij Dawataggo, wietou, Labombo oiko, en 's avonds wederom te huijs gekomen, aan het volk gegeeven - - - rd„s 2: 24:— den 5„

NL-HaNA_1.04.02_3445_1385 view scan ↗

English

The interpreter requested provisions, given to him . . . . . . . . . . . . . rd.s 2: 24:— Been to the Raja and took my leave. And . . . the 9th of July Departed to Caijdoepa, and in the evening returned to Wanchie Wanchie, whereupon sent the interpreter to the Raja, had him informed of my return, and requested people to make a forest trip and to prepare a proa to bring me to Boutong. . . the 10th of the same month Made a forest trip on the island of Kapotta, returning home in the evening, given to the people rd.s 1: 12:— . . the 18th of the same month Made a forest trip across the land of Wanchie, and spent the night at Wemeou . . the 20th of the same month In the morning further into the forest, and spent the night at the settlement Lea . . the 21st of the same month In the morning further into the forest, and returning home in the evening, given to the people . . . . . . rd.s 2: 24: — . . the 22nd of the same month Been to the Raja and took my leave - - - . . the 28th of the same month Departed from Wanchie Wanchie - - - - - . . the 29th of the same month Returned to Boutong, whereupon sent the interpreter to His Highness, had him informed of my return and requested an audience . . the 30th of the same month Summoned to His Highness, after paying compliments, duly reported regarding my activities on the islands and that I now requested permission to go to the strait, in order to inspect the land of Boutong. Whereupon it was replied to me that such was an impossible matter at present, because the people of Woena and Kalisoesoe were roaming all around, and some misfortune might happen to me, and that I had to have patience this year, but that next year they would see to bringing their enemies into obedience, whereupon, seeing my hands tied, I presented to him with earnest reasons that His Highness could be assured of receiving no recognition moneys next year except after proper inspection, and that I certainly did not intend to go to the land of Woena, but to the land of Boutong, but received no answer, whereupon reminded them to think in good time about the Honourable Company's slaves. Whereupon it was replied to me that such was their greatest care this year. Whereupon furthermore requested that the cannons and the ship's boat be sent without fail to the Honourable Company, but received no answer to that, whereupon once again requested not to detain me as long this year as last year. Whereupon, after paying proper respects, took my leave from His Highness. . . the 9th of August 1765. Sent 2 interpreters to His Highness, with the request that in case His Highness was hesitant to let me go by sea to the strait, I requested to be allowed to go on foot overland, through the mountains. . . the 20th of August The interpreters, returning, say that His Highness would first hold a meeting about it and then let me know, because such had never yet been customary on Boutong . . the 21st of the same month Four interpreters arrived, sent by His Highness, saying that I should get ready to go to the strait, as His Highness had considered my reasons and had reviewed the Honourable Company's letter once more, and that he would send two proas along with me for assistance. . . the 10th of September Four interpreters arrived again, sent by His Highness, to say that I had to wait until Captain Laut had departed with the entire force to Woena, and that I could then depart; on the 26th Captain Laut departed . . the 20th of the same month Departed from Boutong . . the 1st of October Made a forest trip on Kammelanta, and returning in the evening, departed. . . the 2nd of the same month Made a forest trip on Wattoe Mattobbe and spent the night at Kasjambi . . the 3rd of October In the morning further into the forest, across Kabola, Kobancko and spent the night there. Whereupon the interpreter, calling me aside alone, said to me that he had no orders to bring me so far, for I was now in the land of Coepea and not far from Kalisoesoe any more, and if any misfortune might happen to me, he was powerless to help me, whereupon, seeing my hands tied, I turned back and went on board and departed. . . the 4th of the same month Went on board and departed on the 5th of the same month. Made a forest trip on Loebo Loebo and, returning in the evening, departed. . . the 6th of the same month Made a forest trip on Boengij and Cassaboe, and departed again in the evening. . . the 7th of the same month Arrived at Siompo, and made a forest trip there, and spent the night at the settlement Bibini Pada. . . the 8th of the same month In the morning further into the forest, and returning home, immediately departed. . . the 9th of the same month Arrived at Kade Toeang, and made a forest trip there, and going to the ship, immediately departed . . the 10th of the same month Returned to Bouton, and sent the interpreter to His Highness, had him informed of my return, and that I, with the upcoming new month, might. . the 11th of the same month

Dutch transcription

195 1263 den tolk versogt om leevens middelen aan hem gegeeven. . . . . . . . . . . . . . rd„s 2: 24:— bij het Raadja geweest en afscheijd genomen. en . . . den 9„e Iulij vertrokken aan Caijdoepa, en 's avonds op wanchie wan„ „ 10„e d„o „chie geretourneert waar op den tolk na het Raadja ge„ zonden, hem mijn retour laeten bekent maaken, en ver„ „sogt om volk om een boschtogt te doen een prauw klaar te maaken, om mij na Boutong te brengen. een boschtogt gedaan, op 't Eijlandt kapotta, 's avonds „ 18„e d„o wederom te huijs komende, aan het volk gegeven rd„s 1: 12:— een boschtogt gedaan, over 't landt van wanchie, en op „ 20„e d„o wemeou over nagt 's morgens verder boschwaarts in, en op de negorij Lea „ 21„e d„o over nagt do 's morgens verder boschwaarts in, en 's avonds te huijs „ 22„e d„o komende aan het volk gegeeven. . . . . . rd„s 2: 24: — bij het raadja geweest en afscheijdt genomen - - - „ 28„e d„o - do e vertrokken van wanchie wanchie - - - - - „ 29„e d„o op boutong geretourneert, waar op den tolk na zijn „ 30„e Hoogheijdt gezonden, hem mijn retour laeten bekent maaken en versogt om audientie bij zijn Hoogheijd ontboden, na gedaanen Compliment, „ 9„e Augustus hebbe behoorlijk gerapporteert aangaande mijn ver„ „rigtingen 1 verrigtingen op de Eijlanden en dat ik thans versogt om na de straat te mogen gaan, om op 't landt van Boutong te mogen visiteeren. waar op mijn gerepliceert, dat zulks thans een onmogelijke saak, want dat 't volk van woe„ „na, en kalisoesoe, over al heromme stroopten, en mij zomtijds een ongeluk mogt overkomen, en dat ik dit Jaar moeste patientie hebben, maar aanstaande Jaar, dat zij zien zouden, om haare vijanden ter ge„ hoorsaamheijdt te brengen, waar op mijn hand ge„ „bonden ziende, hem met ernstige Reeden voorgehouden, dat zijn Hoogheijdt konde verseekert weesen, met aanstaande Jaar geen recognitie penningen te ontfangen, dan na behoorlijke visitatie, en dat ik immers op 't Landt van woena niet gaan wonde, maar op 't landt van boutong, maar kreeg geen antwoord, waar op hun indagtig gemaakt, om vroegtijdig aan 'sE Comp:s, slaa„ „ven te denken. waar op mijn gerepliceert, dat zulks dit Jaar haar grootste zorg was. waar op nog versogt om de Canons en den scheeps boot, zonder mancqueeren, aan de E Comp„s over te zenden, maar geen antwoord, daar op bekomen waar op nog „maals versogt om mij dit Jaar niet zo lang op houden als voorleeden Iaar. waar op na behoorlijk honeur van zijn Hoogheijt mijn afscheijdt genomen. den 197 1765. „ 1„' october hebbe 2: tolken na zijn Hoogheijt gezonden, met ver„ den 20„e Augustus „zoek bij aldien zijn Hoogheijt lange was, om mij over zee te laaten gaan na de straat, dat ik versogt, om te voet over landt te mogen gaan, door 't gebergte heenen. de tolken wederom komende zeggen, dat zijn Hoogheijdt, „ 21„e d„o eerst daar over vergadering zoude houden, en mij dan laeten weeten, want dat zulks nog noijt geen gebruijk was geweest op Boutong quamen vier tolken van zijn Hoogheijt gezonden, met „ 10„e septemb:r te zeggen dat ik mij zoude klaar maaken om na de straat te gaan, terwijl zijn Hoogheijt mijne reeden overlegt en 's E Comp„s brief nogmaals nage„ „zien hadde en dat hij mij twee prauwen zoude meede geven, tot adsistentie. quamen wederom vier tolken van zijn Hoogheijt „ 20„e d„o gezonden, niet te zeggen dat ik wagten moest tot den Capitain Lauwt met de heele magt vertrokken was, na woena, dat ik dan vertrekken konde; den 26„e is den Capitain Lauwt vertrokken vertrokken van Boutong op kammelanta een bosch togt gedaan, en 's avends „ 2„e d„o wederom komende vertrokken. den .. - - op wattoe mattobbe een boschtogt gedaan en op kas„ den 3„e october jambi overnagt 's morgens verder boschwaarts in, over kabola, kobancko en aldaar overnagt. waar op den tolk mij alleen roepende en zegte tegens mij, dat hij geen ordres hadde, om mij zo ver te brengen, want dat ik thans op 't landt van Coepea en niet ver meer van kalisoesoe af was en bij aldien mij een ongeluk mogt overkomen, dat hij buijten magt was, om mij te kunnen helpen, waar op mijn hand gebonden ziende, ben wederom gekeert en 5„ d„o na boord gegaan en vertrokken. „ 6„e d„o op Loebo Loebo een boschtogt gedaan en 's avonds wederom komende vertrokken. op Boengij, en Cassaboe een bosh togt gedaan, en 's avonds wederom vertrokken. op siompo aangekomen, en aldaar een boschtogt ge„ „daan, en op de negorij Bibini pada overnagt. 's morgens verder boschwaarts in, en te huijs komende ten eersten vertrokken. op kade toeang g'arriveert, en aldaar een boschtogt gedaan, en na boord toe gaande ten eersten vertrokken op Bouthon geretourneert, en den tolk na zijn Hoog„ 11„e „heijdt gezonden, hem mijn retour laeten bekent maaken, en dat ik met aanstaande nieuwe maand, d„o 10„e d„o 9„e„ „ 87 d„o 7„e d„o „ 4„ d„o mogte.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1389 view scan ↗

English

might depart for Maccasser, then there would still be a chance to transport the Honourable Company's slaves to Batavia; and expended on the people: 2: 24:— rixdollars; to the interpreter: 1: 12: — rixdollars. The 23rd of October, the Chinese Ke-Incko, coming from Ternaten, anchored here in the roads to take in water and wood. The 25th ditto, departed again, intending to go to Batavia. The 26th ditto, His Highness came down to inspect the prows that were to go to Maccasser. Whereupon I requested to speak with His Highness. Having come before His Highness, I requested him not to detain me so long, but to dispatch me to Maccasser this month, since the west monsoon was at hand and I could do nothing more here on behalf of the Honourable Company, while they were at war with Woena and Kalisoesoe, and there was still time now to transport the Honourable Company's slaves to Batavia. Whereupon His Highness replied that he could not yet assure me of that, since the entire force of Bouthong was at war in Woena, and there was as yet no outcome of matters, nor did he have a single slave in stock for the Honourable Company. The 2nd of November, sent 2 interpreters to His Highness again, in order to know when I would depart, since the west monsoon was at hand and no work at all was being done on the prows anymore. The 3rd of November, His Highness came down to personally inspect some prows that were still to be prepared for war. Whereupon I requested to speak with His Highness. Having come before him, I immediately insisted on my departure, whereupon His Highness gave me to understand that he was in the greatest anxiety in the world, since he continually kept the Honourable Company's letter in his memory, and that he could not let me depart without slaves, for his force on Woena had not achieved anything more than setting fire to some small settlements, but had not yet reached the main settlement; but that he hoped, if the matter did not soon change, that he would go there himself with the greatest force, and if he were successful, that he would let me depart for Maccasser with the first good wind in the coming year, and deliver the full number of slaves, in order to be cleared of the debt if possible. Whereupon he further said to me that I should merely prepare a letter to send to Your Right Honourable, and that he would also prepare a letter to send with the anachoda Bappa Soeboe, who was presently ready to depart for Maccasser. Whereupon I replied to His Highness that I could not walk across the sea if His Highness did not give me a prow, and that I wished to be held blameless, but that His Highness would have to answer for this to the Honourable Company, for I and my subordinates no longer had money or provisions. Whereupon His Highness replied that nothing grew on his land but stones, and that I was now a Bouthonger and therefore had to be content. The 11th of November, wrote a letter to Your Right Honourable with the anachoda Bappa Soeboe. The 12th of December, His Highness came down again and worked with all might on the prows, to further equip them for war. The 21st ditto, the Chinese Captain of Ternaten arrived here from Batavia to take in water and wood, with his own pantjallang named Zeepaard. Anno 1775. The 2nd of January, he departed again for Ternaten. The 3rd ditto, sent 2 interpreters to His Highness again, with the request that the prows might meanwhile be made ready, and not to wait until the last hour, for I had requested this several times, but always to the same effect. The 15th ditto, His Highness sent word to me again that he would take care of that, and that I should not be uneasy, for he was more uneasy about it than I, since he could not gather any men together; but that he had now sent out his own son with some mantris to gather the people together. The 5th of January, taking a walk, I noticed two Mandarese and three Bugis prows that were trading in linens without the Honourable Company's mark and opium. I thereupon informed His Highness of this, and that they had to depart immediately, but received no answer. The 18th ditto, the envoy from Bonij arrived here, together with the Honourable Company's emissary Dain Manjarekie, with whom I received a letter from Your Right Honourable, along with subsistence money and rice for me and my subordinates, whereupon the prows immediately departed. The 19th ditto, the pantjallang De Oppas arrived here, with which I received two more letters from Your Right Honourable. Whereupon I summoned two interpreters, and had them request an audience, together with the mate Draijer. Ditto, summoned before His Highness together with the mate Draijer. After paying our compliments, the mate presented his commission, after the letters had been read.

Dutch transcription

199 1267 mogte na maccasser vertrekken, dan zoude nog kans zijn om sE Comp„s slaaven na Batavia te kunnen ver„ „voeren, en aan het volk uijtgegeven. . . . rd„s 2: 24:— aan den tolk - - _„o - - - - - „ 1: 12: — is den Chinees ke- Jncko van Ternaten komende, den 23„e october alhier ter rheede geanckert, om water en hout te haalen. wederom vertrokken, de wil hebbende na Batavia - - - - „ 25„e d„o is zijn Hoogheijt om laag gekomen, om de prauwen „ 26„' d„o te bezien, welke naar Maccasser zoude gaan. waar op ik verzogt om zijn Hoogheijdt te mogen spree„ „ken, bij zijn Hoogheijt gekomen zijnde, hebbe aan hem verzogt om mij niet zo lang op te houden, maar in deese maand na maccasser te depecheeren, terwijlen de west maison voorhanden in alhier van sE Comp„s wegen niets meer doen konde, terwijlen met woena en kalisoesoe in oorlog zijnde, en thans nog tijd was, om 1E Comp„s slaaven te kunnen na Batavia vervoeren. waar op zijn Hoogheijt repliceerde, dat hij mij daar van nog niet verseekeren konde, terwijlen de heele magt van Bouthong na woena ten oorlog, en nog geen uijtslag van saaken, ook nog geen een slaaf voor de EComp„ in voorraad hadde hebbe wederom 2: tolken na zijn Hoogheijt gezonden, „ 2„e November om te mogen weeten wanneer dat ik vertrekken zoude zoude, terwijlen de west Maison voorhanden, en dat aan de prauwen in 't geheel geen werk meer gedaan word. den 3„e November quam zijn Hoogheijt na beneeden, om zelfs meede op sigt te neemen, aan eenige prauwen, welke nog zouden klaar gemaakt worden ten oorlog waar op ik versogt, om zijn Hoogheijt te mogen spreeken bij hem gekomen zijnde hebbe ten eersten om mijn vertrek aangehouden, waar op zijn Hoogheijt, aan mij omtrent te verstaan gegee„ „van dat hij in de grootste ongerustheijt van de waereld was, terwijlen steeds sE Comp:s brief in zijn memorie hadde en dat hij mij niet konde vertrekken laeten zonder slaaven, want dat zijn magt op woena, nog niet meer geproviteert als eenige kleijne negorij in den brand gestooken, maar tot de hoofd negorij nog niet gekomen maar dat hij hoopte bij aldien de saak niet haast veranderde, dat hij zelfs met de grootste magt zoude daar na toe gaan, en bij aldien hij gelukkig was, dat hij mij in 't aanstaande jaar„ met den eersten goeden wind zoude laeten ver„ trekken na maccasser, en 't getal slaaven allemaal afte leggen, om van de schuld queijt te weesen bij mogelijkheijt waar op nog tegens mij zegt, als dat ik maar een brief moeste klaar maaken om aan uw E: Agtb: te zenden, en dat hij meede een brief zoude 2ot 1269 zoude klaar maken om met den anachoda Bappa soeboe dewelke tans gereed lag om te vertrekken na Maccasser. waar op aan zijn Hoogheijdt gerepliceert, dat ik de voet over zee niet gaan konde, bij aldien zijn Hoogheijt mij geen prauw en gaf, en dat ik buijten ver„ „antwoording weesen wilde maar dat zijn Hoogheijt zulks bij de E: Comp„e verantwoorden moeste, want dat ik en mijn onderhoorigen geen geld en geen leevens middelen meer en hadden. waar op zijn Hoogheijt repliceerde, dat op zijn lant niets als steenen groeijden en dat ik thans een Bouthouder en dierhalven moeste te vreeden weesen. een brief geschreeven, aan uwE: Agtb: met den anachoda den 11„e November Bappa Soeboe is zijn Hoogheijt wederom na beneeden gekomen en „ 12„e December „ met alle magt aan prauwen gewerckt, om nog ten oorlog toe te rusten. is den Capitain Chinees van Ternaten alhier van Ba„ „ 21„e d„o „tavia aangekomen, om water en hout te haalen, met zijn eijgen Pantjallang te zeepaard Ao 1775. is hij wederom vertrokken na Tornaten. - - - - - den 2„e Januarij „hebbe wederom 2: tolken na zijn Hoogheijt gezon„ „ 3„e d„o „den, net versoek dat de prauwen dog intusschen mogten klaar gemaakt worden, en niet wagten tot op 't laatste uur, want dat ik tot verscheijden rijsen toe hadde versogt, maar even 't zelfde. maar zijn „ 15„e zijn Hoogheijt liet mij wederom zeggen, dat hij daar voor zorge zoude dragen en dat ik maar niet ongerust wesen zoude, want dat hij meer ongerust daar over was als ik, terwijlen hij geen volk bij mal„ „kanderen krijgen konde; maar dat hij thans zijn eij„ „gen zoon met eenige mantries had de uijtgesonden, om 't volk bij malkanderen te soeken den 5„e Ianuarij Een wandelinge doende, zo hebbe twee mandhareesen en drie bougineesen prauwen ontwaard welke met Lijwaaten zonder sE Comp„e merk en amphioen ne„ „gotie dreeven, hebbe daar op zijn Hoogheijt zulks laeten weeten, en dat zij ten eersten vertrekken moesten, maar kreeg geen antwoord is den afgezant van Bonij, benevens VE Comp„s sendeling Dain manjarekie alhier aangekomen, waar meede een brief van uw E: Agtb: ontfangen, benevens kost= =geld en reijst voor mij en mijn onderhoorigen, waar op ten eersten de prauwen vertrokken zijn. is de pantjallang de oppas alhier g'arriveert, waar # meede nog twee missiven van uwE: Agtb: ontfangen. waar op twee tolken laeten roepen, en laeten meede versoeken om audientie, benevens den stuurman Draijer. bij zijn Hoogheijt ontboden benevens den stuurman Draijer, na gedaanen Compliment, zo heeft den stuur„ „man zijn Commissie voorgebragt, na dat de brieven 19„e d„o 18„' d„o gelesen d„o d„o „

NL-HaNA_1.04.02_3445_1393 view scan ↗

English

having been read, but having received no answer on a single point, whereupon I also presented my commission to His Highness with very earnest arguments, namely that I have sent requests to His Highness several times to get the prahus ready, but to this day have not seen the slightest movement, and that His Highness ought to take Your Honorable Company's letter, now sent over, into serious consideration, and that I now once again requested to be dispatched as soon as possible, even if I could only reach Bonthain, in order to at least be able to give some news to Your Honors regarding the situation on Woena, for I have not heard the least bit about Wadjoese having come to their aid, other than that Wadjoese, Mandharese, and Bugis do indeed live on Woena in large numbers; I also asked His Highness about this, but received no answer, just as the mate did not either, other than that he would convene a meeting shortly and would then summon us, whereupon, seeing ourselves compelled, we took our leave with proper honors. On the 21st of January, the pantjallang De Dolphijn, the commander Jan Lodewijks, and the pantjallang De Braak, the commander Hermanus Meijer, anchored here in the roads to take in water and wood, coming from Batavia, destined for Ternate. On the 29th of January, the pantjallangs departed again after they had taken in water, wood, and refreshments. On the 1st of February, I summoned two interpreters and had His Highness informed that I had sent requests to His Highness several times, and had recently spoken to His Highness in person, but still did not see the slightest movement, and that His Highness could be assured that at the first opportunity I would depart for Maccasser with a Macassar prahu that had arrived here with the mate; I did this merely to threaten him, but received no answer. On the 3rd of the same month, I sent two interpreters to His Highness again, with the request that I would like to have an answer. Four interpreters from His Highness came and had me told that his clerk had fallen ill and that he had therefore not yet properly understood the letter, but as soon as he recovered, he would hold a meeting about it and then let me know, for he was himself so uneasy that, if it were possible, he would go to Maccasser with me himself, because his Councilors would not listen to him at all, and that tomorrow they would make a beginning with working on the prahus. 1783 On the 7th of February, I summoned two interpreters again and had His Highness informed that three days ago His Highness had let me know that a beginning would be made on the prahus to get them ready, but that to this day I had not yet seen the slightest movement, and that I was therefore compelled to send a letter to Maccasser immediately and report the bad conduct toward the Honorable Company's servants to Your Honors, for here one had to make requests two or three times just to obtain a resolution. In the evening, four interpreters came again to say that His Highness would hold a meeting tomorrow or the day after tomorrow, because he could not do it with just two or three Councilors alone. Whereupon I had His Highness informed again, asking why His Highness had reported an untruth to me by sending word three days ago that work on the prahus would begin, and that it was not fitting for a king to deal in untruths. On the 8th of the same month, four interpreters came, through whom His Highness conveyed that he would summon me along with the mate shortly, and would then give me a firm resolution, as he was currently indisposed. On the 9th of February, in the evening, Radja Boeree came to me incognito from Captain Lauwt, sent from the army, to tell me that I should ask the mate whether he could come cruise in the strait with the pantjallang, for the reason that the day before yesterday about 100 prahus appeared to assist the Radja of Woena, and that he himself had to go reconnoiter with two prahus, but not knowing for sure what people they were, though presuming they must be people from Kalisoesoe and Tomboenko, and that they had therefore immediately abandoned their benting and returned to their prahus with their whole force, intending to give battle at the first opportunity, and that he would like to see the mate come nearby there, merely to be an eyewitness, but not to help him; whereupon I informed the mate of this by a note, and left it to his own judgment what he thought, for he ought to know this himself, and I had no business meddling in it. On the 13th of the same month, the pantjallang De Oppas went to cruise toward the strait.

Dutch transcription

203 1271 gelesen zijnde, maar op geen eenen poinct antwoord bekomen, waar op meede mijne Commissie aangaande aan zijn Hoogheijt met heel ernstige reeden voorgebragt namentlijk dat ik tot verscheijden reijsen toe, bij zijn Hoogheijt laeten versoeken, om de prauwen klaar te maaken maar tot heeden toe nog de minste beweginge niet gezien, en dat zijn Hoogheijt VE Comp:s brief thans overgezonden, wel ernstig in overweging moeste neemen, en dat ik thans nogmaals verzogt, om hoe eerder hoe liever, te depecheeren, al zoude ik ook maar Bonthain kunnen bezeijlen, om ten minsten eenige tijding aan uwE: Agtb: te kunnen geven. van den toestand op woena, want dat wadjoreesen, haar zouden te hulpe gekomen zijn hebbe nog 't minste niet daar van ge„ „hoord, als dat wel op woena, wadjoreesen, mnandhareesen en boegineesen, woonagtig zijn, in grooten aantal, hebbe zulks zijn Hoogheijt ook gevraagt, maar hebbe geen antwoord beko„ „men zo wel als den stuurman ook niet, als dat hij eerstdaags vergadering zoude beleggen, en ons dan zal laeten roepen, waar op ons genoodsaakt ziende om met behoorlijk honeur onse afscheijdt te neemen. is de Pantjallang de Dolphijn, den gesaghebber Jan Lo„ den 21„e Januarij „dewijks, en de Pantjallang de Braak den gezaghebber Hermanus meijer alhier ter rheede geanckert, om water en hout in te neemen, komende van Batavia gedestineert gedestineert na Ternaten den 29„e Januarij zijn de Pantjallangs wederom vertrokken na dat zij water, en hout en verversching ingenoemen hadden. 1„e februarij hebbe twee tolken laeten roepen, en zijn Hoogheijt laeten zeggen, dat ik tot verscheijden reijsen toe aan zijn Hoogheijt laeten versoeken, en zijn Hoogheijt laats zelfs mondelijks gesprooken, maar de minste beweging nog niet ziende, en dat zijn Hoogheijt konde verseekert weesen, om met de eerste occasie, met een macassaarse prauw welke met den stuur„ „man alhier gekomen zoude vertrekken na maccasser, hebbe zulks gedaan om hem maar te dreijgen, maar hebbe geen antwoord bekomen. nogmaals twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden, met ver„ „soek dat ik gaarne antwoord wille hebben. quam en vier tolken van zijn Hoogheijt en liet mij zeggen, dat zijn schrijver ziek was geworden en dat hij dierhalven den brief nog niet regt begreepen hadde maar als hij wederom beter, dat hij daar over zoude vergadering houden en mij dan laeten weeten, want dat hij zelfs zo ongerust was, dat bij aldien het mogelijk hij zelfs met mij zoude na maccasser gaan want dat zijne Raaden, in't geheel na hem niet luijsteren wilden, en dat zij morgen een begint zouden maaken, om aan de prau„ „wen te werken. 3„e d„o den d tot 1783 wederom twee tolken laeten roepen, en zijn hoogheijt baeten den 7„e februarij zeggen, dat voor drie dagen zijn Hoogheijt mij heeft laeten wer„ „ten dat een begurt zoude gemaakt worden aande prauwen, om klaar te maaken maar dat ik tot heeden toe de minste be„ „weging nog niet gezien hadde en dat ik dierhalven genoodsaakt was, om ten eersten een brief na maccasser te zenden, en 't slegte gedrag, omtrent 1E Comp„s Dienaaren, aan uw E: Agtb: te berigten, want dat men alhier, wel 2 â 3. maalen moeste versoeken om resolutie te krijgen 's avonds qua„ „men vier tolken wederom met te zeggen, dat zijn Hoog„ „heijt morgen of overmorgen zoude vergadering houden, want dat hij dat met 2: â 3: Raaden alleen niet doen konde. waar op aan zijn Hoogheijt wederom laeten zeggen, waerom zijn Hoogheijt mij dan met der onwaarheijt berigt hadde, met te laeten zeggen voor drie dragen te beginnen aan de prauwen, en dat zulks voor een koning niet paste, met onwaarheijdt om te gaan. quamen vier tolken, waar meede zij Hoogheijt liet zeggen; „ 8„e d„o e dat hij mij eerstdaags benevens den stuurman zouden doe„ „ten roepen, en mij dan een vaste resolutie geven terwijlen hij thans onpasselijk. den den 13„e d„o den 9„e Februarij 's avonds komt den raadja Boeree bij mij in Cognite van den Capitain Lauwt, uijt het leger gesonden, om mij te zeggen, dat ik den stuurman zoude vraagen, of hij met de Pan„ „tjallang niet konde in de straat komen kruijssen, om reeden dat voorgisteren omtrent de 100: paauwan zijn komen op daagen, om 't Raadja van woena te adsisteeren, en dat hij zelfs met twee prauwen heeft moeten gaan, recognosceeren, maar niet vast weetende wat voor volkeren, maar pre„ „sumeerende, dat 't volkeren van kalisoesoe, en Tomboen„ „ko zijn moesten en dat zij dierhalven, haar benting ten eersten verlaaten hebben, en met de heele magt na haare prauwen gekeert, van sins zijnde met de eerste occasie haar slag te leveren, en dat hij gaarne zien zoude, dat den stuurmaan aldaar omtrent quam, om maar oog getuijgen kunnen afgeven maar niet om hem te helpen waar op den stuurman zulks hebbe laeten weeten door een Billet, en hem zelfs te raaden gege„ „ven, wat hij dagte, want dat hij zulks zelfs moeste weeten, en dat ik mij daar meede niet te bemoeijen hadde is de Pantjallang de oppas gaan kruijtsen na de straat. den

NL-HaNA_1.04.02_3445_1397 view scan ↗

English

the 24th of February the ship Vlissingen anchored here in the roadstead to fetch water, commanded by the skipper Pleun van der Kuijl, bound for Ternate. the 1st of March the pantchiallang Den Oppas returned here to the roadstead from the strait, whereupon the helmsman was immediately asked how many prahus he had seen, to which he replied not a single one, from which it could well be understood that this was merely a staged deception. the 2nd ditto again sent two interpreters to His Highness, and had him asked that I wished to know when I could depart, because now was the finest opportunity to sail to Maccasser while daily north and north-easterly winds were blowing, or whether I was otherwise forced to depart with another vessel. the 3rd ditto the interpreters came back to say that I should not be uneasy, for His Highness would come down next Monday and have the prahus prepared in order to let me depart this month, to which I replied to them that I was well used to these Boetoen tunes or lies, and whether His Highness came there himself or not, provided he only gave the necessary orders for it. the 6th of March the pantchiallang De Bombo Moeda anchored here in the roadstead, on which was the Chinese Onjinko, coming from Batavia, intending to go to Ternate. the 15th ditto departed again. the 16th ditto again sent two interpreters to His Highness, and once more had him asked that I wished to know when I could depart, while now the east monsoon was beginning and the prahus still stood high and dry on the shore and they worked on them one day, and for 2 to 3 days again not a single man was to be seen; and that His Highness had first promised me to let me depart with the month of February, as I had also reported to Your Honorable Worships, and that all of this now turned out to be lies; also afterwards firmly promised to let me depart in this month, and that it was now already full moon and still not a single prahu was in the water, and whether His Highness did not esteem the Honorable Company's letter at all, as it indeed seemed. the 17th of March three interpreters came back to say that he could not assure me of it, and that he was king in his land, and that he did not wish to be commanded. the 20th ditto I learned secretly that I could not depart sooner than when the Captain Laut with the entire force from Woena should have returned here, and that this would likely happen in 13 or 20 days. the 26th ditto two Mandarese prahus arrived, which came from Passir and traded in opium, linens, and gold dust, and also brought 10 slaves to His Highness; whereupon I immediately had two interpreters called and had His Highness informed that these prahus had to depart at once. the 27th ditto they departed again. the 31st ditto wrote a letter to Your Honorable Worships. the 15th of April I again sent two interpreters to His Highness to say whether His Highness had entirely forgotten me, that month after month was passing and still seeing no movement toward my departure; in the evening four interpreters came back from His Highness to say that I should not be uneasy, for he was more uneasy about it than I, because he could not get any people together. the 20th ditto the 2nd of May the 9th ditto the helmsman was summoned to His Highness because he had requested to depart, whereupon once again a letter was prepared to inform Your Honorable Worships that peace had been made on Woena; the helmsman, returning home, said to me that I had to bring the letter to Maccasser myself, because the king kept him here as well as me, and that we would depart together. the 15th of May I again sent two interpreters to His Highness and had him told that it was now about full moon, and that I did not yet see the slightest movement to depart, and that I and my subordinates had no more money and no more provisions, and that His Highness would have to answer for this to the Honorable Company, for keeping me here so long while the extirpation this year could impossibly take place anymore, and that I wished to know when I could depart. Once more wrote a letter to Your Honorable Worships. the 26th ditto the Captain Laut arrived here with the entire force from Woena, bringing with him over 300 slaves. the 29th ditto he was welcomed with great state by His Highness, to which I and the helmsman were also summoned, to witness the same. the 1st of June sent two interpreters to His Highness, and had a request made for my departure, because I and my subordinates had no more money and no more provisions, and that the Captain Laut had now arrived here and had brought enough slaves along if they were minded to pay off everything; but received for an answer that they first had to hold a council about it. the 9th ditto once more sent two interpreters to His Highness, and requested my departure. the 10th ditto two interpreters came back to say that I would depart in 9 days. the 20th ditto two interpreters came back, sent by His Highness, to say that I should not take it amiss that it was now one day past the promise to depart, and that His Highness was very ashamed, but the reason was that the two great mantris had been dismissed and others chosen in their place, and therefore the letter had been torn to pieces, and that he now had to prepare another one; but that I would definitely depart next Monday the 26th. the 27th ditto summoned to His Highness; after compliments had been paid, I first put to His Highness for what

Dutch transcription

247 1235 is 't schip vlissingen alhier ter rheede geanckert, om water den 24„e februarij te haalen gecommandeert door den schipper Pleun van der kuijl gedestineert na Ternaten. d„o is de Pantjallang den oppas, wederom uijt de straat alhier „ 1„' maart dd ter rheede gekomen, waar op den eersten aan den stuurman gevraagt hoe veel Prauwen dat hij gezien hadde waar op hij wij repliceerde geen eenen konde dierhalven wel be„ „grijpen, dat zulks maar een gemaakt blindwerk was. wederom twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden, en hem „ 2„e d„o laeten vraagen, dat ik gaarne weeten wilde wanneer dat ik vertrekken konde, want dat thans de schoonste kans was om maccasser te bezeijlen terwijlen dagelijks noord en noord-oostelijke winden waeijden, of dat ik anders genoodsaakt was om met een ander vaarthuijg te vertrekken quamen set tolken wederom niet te zeggen dat ik „ 3„e d„o niet ongerust weesen zoude want dat zijn Hoogheijt op aanstaande maandag zoude om laeg komen, en de prauwen laeten klaar maaken, om mij in deese maand te laaten vertrekken waar op aan haar gerepliceert dat ik deese boenthouse deuntjes of leugens wel wederom vertrokken - - - - – – - - - - - - - „ 27„e gewent den 6„e Maart „ 15„ d„o wederom vertrokken „ 16„e d„o wederom twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden, en nog„ „maals laeten vraagen dat ik gaarne weeten wilde, wan„ „neer dat ik vertrekken konde terweijl 'er thans de oost maison beginnende ende prauwen nog hoog en droog op den wal stonden en een dog daer aen werkten, en in 2 â 3: daegen wederom geen een man ziende en dat zijn Hoog„ „heijd mij eerst beloof hadde om met de maand februarij te laeten vertrekken gelijk ook zulks aan uw E: Agtb: berigt hadde en dat zulks thans allemaal op leugens uijtquam, ook naderhand vast belooft hadde om in deese maand mij laeten vertrokken, en dat thans reeds volle maand, en nog geen eenen prauw in 't water, en of zijn Hoogheijt sE Comp„s brief in 't geheel niet estimeerde zo 't wel leijkende gewent en of zijn Hoogheijt daar zelfs quam of niet bij aldien hij maar de nodige ordres daar toe gaf. is de Pantjallang de Bombo moeda alhier ter rhede gean„ „kert waar op den Chinees onjinko, komende van Batavia, de wil hebbende na Ternaten. den. - 209 1277 „ 31„e d„o quamen drie tolken wederom niet te zeggen, dat hij mij daar van den 17„e Maart niet verseekeren konde, en dat hij koning op zijn Landt was, en dat hij niet wilde gecommandeert wesen. hebbe onder de hand vernomen, als dat ik niet eerder vertrekken „ 20„' d„o konde, voor dat den Capitain Lauwt met de heele magt van woena, alhier zoude wederom gekomen zijn, en dat zulx in 13: of 20: daagen wel geschieden zoude. komende twee mandareesen prauwen binnen dewelke van Pas„ „ 26„e d„o „sen komende en met amphioen Lijwaaten en stof goud ne„ „gotie dreeven, ook 10: slaaven aan zijn Hoogheijt gebragt. waar op ten eersten twee tolken laeten roepen en zijn Hoog„ „heijt laeten weeten dat deese prauwen ten eersten vertrekken mogten. zijn zij vertrokken. een brief geschreeven aan uwE: Agtb. hebbe wederom twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden „ 15„e April niet te zeggen of zijn Hoogheijt mij in 't geheel vergee„ „ten hadde dat maand in en maand uijtliep, en nog geen beweginge ziende tot mijn vertrek 's avonds quamen vier tolken wederom van zijn Hoogheijt met te zeggen dat ik niet ongerust weesen zoude want dat hij meer ongerust daar over was als ik, want hij konde geen volk bij malkanderen kreijgen „ 20„e d„o den - - - den 2„e Maij 9„e d„o word den Stuurman bij zijn Hoogheijt ontboden, om dat hij verzogt hadde om te vertrekken. waar op nogmaals een brief klaar gemaakt, om uwE: Agtb: te berigten dat den vreede gemaakt op woena den Stuurman wederom te huijs komende zegte tegens mij dat ik den brief zelfs moeste na maccasser brengen want dat den koning hem hier died hou„ „den zo wel als mij ook, en dat wij te gelijk samen zouden ver„ trekken. hebbe wederom twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden en hem laeten zeggen, dat het thans omtrent volle maend, en dat ik de minste beweginge nog niet ziende, om te vertrekken en dat ik en mijn onderhoorigen, geen geld, en geen levens middelen meer hadden en dat zijn Hoogheijt zulks bij de E Comp„e verantwoorden moeste, om mij zo lange hier te houden terwijlen de Extierpatie dit Jaar, onmogelijk meer konde geschieden en dat ik graag weeten wilde, wanneer dat ik vertrekken konde den 15:' maij nogmaals een brief geschreeven aan uwE: Agtb: 26„' d„o is den Capitain Lauwt alhier aangekomen met de heele magt van woena, meede brengende over de 300: slaaven. 29„' d„o is hij met groote statie ingehaalt bij zijn Hoogheijt, waar bij ik in den stuurman meede ontboden, om 't zelve mede aan te zien. den „ „ - 211 1279 twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden, en laten versoeken den 1„e Junij om mijn vertrek, want dat ik en mijn onderhoorigen geen geld en geen levens middelen meer hadden en dat thans den Capitain Lauwt alhier aangekomen en slaaven genoeg mee„ „de gebragt hadde bij aldien zij van sins zijnde om altemaal af te leggen, maar kreeg ten antwoord; dat zij eerst moesten daar over vergadering houden. nogmaals twee tolken na zijn Hoogheijt gezonden, en versogt „ 9„e d„o om mijn vertrek quamen twee tolken wederom, niet te zeggen dat ik in 9: „ 10„e d„o dagen vertrekken zoude. „ 20„e d„o quamen twee tolken wederom van zijn Hoogheijt ge„ „zonden, niet te zeggen, dat ik niet qualijk zoude nee„ „men, dat thans een dag over de beloften om te vertrekken en dat zijn Hoogheijt heil beschaamt was maar de oorsaak zijnde dat de twee groote mantris afgezet en andere in haar plaats verkosen, en dierhalven den brief aan stukken gemaakt, en dat hij thans een anderen moeste klaar maaken. maar dat ik aanstaande maandag den 26„e vast zoude vertrekken. bij zijn Hoogheijt ontboden na gedaanen Compliment „ 27„e d„o hebbe zijn Hoogheijt voor eerste voorgehouden, om wat voor

NL-HaNA_1.04.02_3445_1402 view scan ↗

English

the reason why he had kept me here for so long, while the extirpation could no longer possibly take place this year, to which His Highness replied that this was the fault of the war on Woena, and had he allowed me to depart, the Honorable Company might at times have sent more people with vessels here, but that peace had now been made, and everything was at rest except for Kalisoesoe, and that he was now dispatching me with 99 slaves for the Honorable Company, and that he would send the remaining 14 next year with Captain Lauwt in order to make a new contract again. To which I replied to him again why not all of them now according to promises made, because I had reported such to Your Honorable Nobilities, and that His Highness was now dealing in lies, since enough slaves from the land of Woena had indeed been brought here, but it seemed as if they did not wish to be rid of the debt, to which he replied again that they were not lost, but as good as preserved. Furthermore, I pointed out to His Highness that on several occasions, according to my commission, I had demanded the cannons lying at Wamijo, Bone Bone, and on Caijdoepa, but never received any answer, other than that he had written such in the 219 1281 the 30th of June ditto letter, and that I now wanted to know an answer, to which His Highness replied that everything from the Company's ships or sloops wrecked here belonged to him, according to ancient contracts with the Honorable Company, and therefore he wished to make a new contract next year, since the old one had fallen into oblivion. I did not wish to speak of the ship's boat, since I showed it to the mate Draijer, who declared it unserviceable because the Boutonese had ruined it and taken out all the iron bolts, nails, and seat planks, and that he saw no chance of bringing it across the sea. Whereupon, after paying proper respect to His Highness, I took my leave, paid another 1 rixdollar and 12 stivers to the mandor, and departed from Boutong. Returned to Maccasser. Below stood: Your Honorable and Worshipfuls' very obedient and duty-bound servant. Was signed: J. C. Sembach. In the margin: Maccasser, the 6th of July 1775. Lower: Agreed. Signed: H. B. Hodenpijl. Translation. 6th ditto The King, Regent, grandees, and all other Councillors at Bouton hereby make known to the Honorable Company, the Lord Governor and Council, how they have endeavored with great effort for so many years to pay their debt in slaves to the Honorable Company, but that such could not take place; since only now, for the first time on this occasion, they have been able to obtain and send a number of one hundred minus one heads (apart from the 13 pieces that were sent back unaccepted last year, which they will also send over on another occasion). This has then been the reason why the sergeant was detained here for over a season's time, awaiting the prompt fulfillment of those promises. For which reason the King, Regent, grandees, and all other Councillors have now, with perfect, pure, and upright hearts, resolved and thought fit to let the King's youngest brother, being Radja Labalawa, After customary compliments Translation of a Malay Letter by the King and Grandees of Bouton to the Honorable and Worshipful Lord Governor and Council at Macasser. accompanied 241 1283 accompanied by Mantrij Dalta, four pangalasangs, two interpreters, and their further retinue, depart on 2 vessels in order to appear before and visit the greatness and the most renowned assembly of the Honorable Company, the Lord Governor and Council at Oedjong Pandang, and also to demonstrate the greatest respect and mutual love on account of brotherhood and friendship, especially the duty and service that has always been customary among the ancients, as well as to convey and escort the sergeant and his companions, item the Company's slaves mentioned above. Furthermore, regarding the aforementioned slaves, 40 pieces of them have been placed on the Company's sloop, which was not done intentionally, but indeed due to a lack of vessels, requesting forgiveness and pardon in that regard, as we considered it to be the same as if they were placed on a Boutonese vessel. Further, we also give notice of the difficulty difficulty we encounter from the subjects of Calesoesoe, over which I, the King, Regent, and grandees are very uneasy; but, God willing, we shall apply ourselves with all our power to confer and deliberate in what manner it will be most profitable to bring their people to reason. We also make known that the inhabitants in Campong Bouton collectively have requested most earnestly of the King that the present interpreter may be dismissed from his office, as they can no longer endure his bad conduct and extravagant behavior, as well as practices that were never in use, for which reason Lamama is going thither along with the envoys to be appointed as interpreter in his place. Further, we have nothing noteworthy to add to this, other than our manifold greetings, and wishes for prosperity and long life always in eternity. End 217 1285 End of this true content. Written in the land of Bouton on the 27th day of the month of Sabang, on Monday after the flight of the prophet Mahometh 1186. Below stood: For the translation, was signed: G.t Brugman. Lower: Translation. Agreed. Signed: H. B. Hodenpijl.

Dutch transcription

voor reeden hij mij zo lange hier gehouden heeft, terwijlen thans dit Jaar de Exticrpatie onmogelijk meer konde geschie„ „den, waar op zijn Hoogheijt repliceerde, dat zulks den oor„ „log op woena schuld was, en bij aldien hij mij hadde laeten ver„ „trekken, zo zonder zomtijds de E Comp„e nog meer volk met vaarthuijgen hier na toe gezonden hebben, maar dat thans den vreede gemaakt, en alles in rust behalven kalisoe„ „soe, en thans mij depecheeren met 99: slaven voor de E Comp„s en dat hij de 14: resteerende, aanstaande Jaar met den Capitain Lauwt zoude meede zenden om wederom een nieuw Contract te maaken. waar op hem wederom gerepliceert waar om thans niet allemaal volgens gedaane beloften, want dat ik zulks aan uw E: Agtb: berigt hadde, en dat zijn Hoogheijt thans niet leugens bestond, terwijlen dog slaven genoeg van 't lant van Woena, hier gebragt waeren, maar 't leijkte wel of zij van de schuld niet wilden afzijn, waar op hij wederom repliceerde, dat deselven niet verbooren, maar zo goed als bewaart zijnde nog hebbe zijn Hoogheijt voorgehouden dat ik tot verscheijden reijsen toe volgens mijn Commissie de Canons welke op wamijo„ Bone Bone en op Caijdoepa leggende g'eijscht hadde maar noijt geen antwoord bekomen, als dat hij zulks in den 219 1281 . . . . . . den 30„e Junij do den brief geschreeven en dat ik thans antwoord weeten wilde, waar op zijn Hoogheijdt repliceerde dat alle't geen van sComp„s scheepen of Chialoupen alhier verongelukte hem toequam, volgens aloude Contracten met de E Comp„e en dier„ „halven aanstaande jaar een nieuw Contract wilde maaken, terwijlen 't oude in vergetenheijdt geraakt. van den scheepsboot hebbe niet willen spreeken, terwijlen ik denzelven aan den stuurman Draijer getoond welke denzelven voor onbequaam verklaarde terwijlen de Bou„ thouders denzelven, getramponeert en alle de ijsere bouten, en speijker, met de zitt planken daar uijt gehaalt en dat hij geen kans ziende om denzelven over zee te brengen. waar op na behoorlijk honeur van zijn Hoogheijt mijn afscheijdt genomen aan den mandoor nog uijtgegeven rd„s 1: 12:— van Boutong vertrokken. op maccasser geretourneert- /:onderstond:/ uwE: en Agtbaaren zeer gehoorzaamen en trouwschuldigen Dienaar /:was geteekend:/ J: C: Sembach. /:in margine:/ Maccasser den 6„e Julij 1775: — /lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Translaat. - . - . - - „ 6„ d„o Maaken den koning, Rijksbestierder, grooten en alle verdere Raaden te Bouton bij deesen aan d' Ed. Comp:e den heer Gou„ „verneur en Raad bekend, hoe dat z' hunne schuld in slaeven aan d'E Comp„e zedert zo veele jaeren lang met veele moeijte hebben getragt te voldoen, dog zulks niet heeft kunnen ge„ „schieden; wijl als nu, eerst bij deezen gelegentheijd, hebben mogen verkrijgen om een getal van hondert min een koppen te zenden, (: behalven de 13. stux die voorleeden jaar ongeaccepteerd te rug zijn gesonden, dewelke bij andere occassie almeede zullen overzenden:) dit is dan de reeden geweest, waarom den zergeant alhier over een saijsoen des tijds is opgehouden, ter afwagting van de prompte voldoening dier beloften, was halven den ko„ „ning, Rijksbestierder, grooten en alle verdere Raaden thans met volmaakte, suijvere en oprechte harten geresolveerd en goed gevonden hebben, de Jongste broe„ „der van den koning, zijnde Radja Labalawa, Na gewone Complimenten Translaat Maleijdsche Brief door den koning en Rijksgroten van Bou„ „ton aan den Edelen Achtbaeren Heer Gouverneur en Raad te Macasser. verseld 241 1283 verseld met Mantrij Dalta, vier pangalasangs twee tolken en haar verdere gevolg, op 2: vaartuijgen te laeten vertrecken, ten eijnde te verschijnen en te be„ „soeken de grootheijd en de zeer beroemde vergadering van dE Comp„e, den heer gouverneur en Raad t'oedjong Pandang, teffens om te betoonen, de grootste eerbied en liefde tot elkanderen van wegen de broeder en vriend„ „schap, voornamentlijk: de pligt en bedieninge die bij oude lieden altoos in gebruijk is geweest, zo meede om den zergeant en zijne medgezellen item 's Comp„s slaeven hier boven vermeld, over te brengen en te geleijden. voorts aangaande de opgem: slaeven 40. stux daar van zijn geplaats op 'sComp„s Chaloup, het welke niet uijt voordagt gedaan hebben; maar wel door gebrek van vaartuijg, versoe„ „kende daar omtrend vergiffenisse en ver„ „schooning, als meijnende mij zulks het zelfde te weesen of z' op een boutons vaar„ „tuijg geplaats waaren. verder geeven wij almeede kennisse van de moeijelijkheijd „ moeijelijkheijd die wij ontmoeten van de onder„ „daenen van Calesoesoe waar over mij koning, Rijksbestierder en grooten zeer ongerust zijn:/ /dog als 't god behaagd/ zullen wij ons bevlijti„ „gen, met alle vermogen t' overleggen en te beraad„ „slaegen, op welk wijze 't profijtelijkste zal wesen om haar lieden tot reden te kunnen brengen. Ook maken wij nog bekend dat de Jnwoonders in Campong Bouton, gesamentlijk aan den koning zeer laeten versoeken dat den tegenswoordige tolk van zijne bediening mag worden afgezet, wijl ze niet langer kunnen verdragen, zijne quaede han„ „delwijze en buijten spoorig gedrag mitsgaders gedoentens die nooijt in gebruijk sijn geweest, gaan„ „de dierhalven met de gezanten meede na derwaarts Lamama, om in desselfs plaats als tolk aange„ „steld te worden. wijders hebben mij niets naamwaardig hier bij te voegen: als onse veel voudige groetenissen, en wenschen van welvaart en lang leeven altoos in Eeuwigheijd, Eijnde 217 1285 Eijnde van deese waare inhoud. — geschreeven op 't Land van Bouton op den 27„e dag van de maand Sabang op Maandag na de vlugt van de propheet Mahometh 1186: /:onderstond:/ voor het trans„ „latie /:was geteekend:/ G:t Brugman /:Lager:/ Translaat. Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. —

NL-HaNA_1.04.02_3445_1408 view scan ↗

English

Translation of a Malay Letter written by the Capitain Laut at Bouton to the Honorable and Respected Lord Governor at Maccasser. After the customary compliments. The Capitain Laut sends a lieutenant named Laradie who arrives together with Daing Mandjareki, in order to submit and make known before the respected Lord Governor, alongside this letter, how his intention and trust have always rested upon the Company and the Lord Governor, just like his deceased ancestors, whom Your Honorable Company out of charity and favor accepted as servants and friends. To that end praying most urgently to the lord governor to help him with 200 flintlocks and 20 pikols of gunpowder; and in case such is granted, to have the kindness to determine their price, in order, if it please God, to be paid in the coming year, wherever the lord governor may be pleased to order, whether at Oedjong Pandang or at Batavia. But if it should be permitted and proper, he requests the same at such price as the Boniers purchased it for, and that it may be handed over to that Lieutenant, whereas if the same must be requested from Batavia, he, the Lieutenant, can in the meantime remain there waiting for it until about the middle of the western season. Furthermore there is nothing as a token of friendship but the manifold greetings in eternal prosperity, and long life; be so good as to consider it as a single tree leaf that is useless. End of this true content. Written in the land of Bouton on the 30th day of the month Rabikhoulachir on Thursday in the year after the flight of the prophet Mahomet 1186. Below stood: for the translation: was signed: Gt Brugman. Lower: In agreement: signed: H: B: Hodenpijl. Account given by the Company's ordinary envoy Daeng Mandjarekie concerning his experiences with the king of Bouthon Etc: The Deponent declares that upon their arrival at Bouton they immediately had given notice to the prince that they had brought along a letter from the Lord Governor at Macasser and one from the king of Bonij for His Highness. That six days after their arrival the king had the said letter brought off board with the required honors. That the letter having been read, the Deponent had informed the king that he was expressly sent both to inquire after the state of affairs of Woena, and to investigate whether any foreign peoples, namely Wadjorese and Mandharese, had arrived there to assist the Woenarese, because His Respected Honor and the king of Bonij had heard such indirectly, as well as that the Deponent should also betake himself thither, whenever His Highness might find such advisable. That the king had answered to this that he was very pleased that the Right Honorable Respected Lord Governor alongside the king of Bonij, upon the news of the disputes that had arisen between those of Bouthon and those of Woena, had sent envoys to inquire after the state of affairs; and that His Majesty had further said to the Deponent that he did not need to depart for Woena, as His Majesty considered the affair of Woena as mere child's play, and that the Capitain Laut was the one who had gotten into a dispute with the inhabitants there, and had gone thither to bring those people to reason. That the Deponent, because he was not satisfied with the answer of the king, and also could obtain no true disclosure of matters, in silence and without prior knowledge of the Bouton prince, had sent the Deponent's brother Daengmangimbarrie with one Lasoba, being a companion of the Bonij envoy, who also had to act as interpreter, to Woena to the aforementioned Capitain Laut, in order to obtain some information there regarding the state of affairs, and at the same time to investigate whether any foreign peoples had also arrived to assist the aforesaid, because the Deponent and the Bonij envoy had not been permitted by the king to be able to depart in person for Woena. That upon the return of the aforementioned envoys they had reported to him, the Deponent, that Capitain Laut had given as an answer that there were as of yet no foreign people to assist the Woenarese, and the Wadjorese and Mandharese present there could not be regarded as helpers of the same, since such persons had already settled there to live long ago; as well as that with respect to the discords he was no longer making any difficulty, since over forty negorijen had already been conquered, with the loss of few men on his side, on which account he no longer doubted complete victory, and further that he would attempt to bring the land of Woena into rest and peace again; but that rumors had reached him, Capitain Laut, that those of Toboeko were not only intending to assist those of Woena, but had already actually approached a certain negorij, Lohia, with one hundred vessels; which rumors being found true, the aforementioned Capitain Laut would then have the Deponent requested to come over with the Company's pantjallang. That after the lapse of a few days, the Capitain Laut had sent a trusted messenger to the Deponent, to make known that the repeatedly mentioned Capitain Laut, upon his arrival at Lohia, found no Toboenkoese there

Dutch transcription

Translaat Maleijdsche Brief geschreeven door den Capitain Lauwt te Bouton aan den Ede„ „len Achtbaeren Heer Gouver„ „neur te Maccasser. Na gewone Complimenten. Den Capitain Lauwt, zend een lieutenant genaamd Laradie met Daing Mandjareki overkomt, om nevens deeze brief, voor de agtbaere Heer Gouverneur open te leggen en bekend te maeken, hoe dat zijne intentie en ver„ „trouwentheijd altoos is, op de Comp„e en den Heer gouver„ „neur gelijk als zijne afgestorvene voor onders, welke V'Ed=e Comp„e uijt weldood en gunste als dienaars en vrienden aangenomen heeft. ten dien Eijnde biddende zeer instan„ „tig aan den heer gouverneur om hem te helpen met 200: stux snaphaenen en 20: pikols buspoeder; en bij aldien zulx geconsenteerd word, de goedheijd te hebben dies prijs te bepaelen, om als 't god behaegd in 't toe„ „komende Jaar voldaan te worden, waar den heer gouverneur maar gelieft te ordonneeren, 't zij op 219 1287 op oedjong Pandang of te Batavia, dog zot g'oor„ „loft en behoeglijk mogte weezen, versoekt hij, het zelve voorsdanige prijs als het de Boniers hebben ingekogt, en dat het aan dien Lieutenant mag worden overgegeeven, terwijl indien het zelve van Batavia moet gevraagd worden hij Lieutenant intusschen daar na kan blijven wagten tot omtrend de helfte van de wester saisoen, voorts is 'er niets tot teeken van vriendschap als de veelvondige groete in Eeuwigheijd welvaart, en lang leeve, weest zo goed het aan te merken, als een enkel„ „de boom blad die onnut is eijnde van deezen waeren in houd. geschreeven in 't land van Bouton op den 30„e dag van de maand Rabikhoulachir op donderdag in 't Jaar na de vlugt van de propheet Mahomet 1186. /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G„t Brugman /:Lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. Den Relatant verklaard dat z' bij hun aankomst te Bouton ten Eersten aan den vorst hadden laten kenwis geeven, Een Brief van den Heer Gouverneur te macasser en Een van den koning van Bonij voor zijn Hoogheid te hebben meede gebragt. Dat den koning ses dagen na hunne aankomst gem: brief met de vereijschte honneur van boord hadde laten afhalen. Dat de brief geleezen zijnde den Relatant aan den koning te kennen hadde gegeven, Expres gezonden te zijn, om, zo wel na den toestand der zaken van woena te verneemen, als om te Jnquireeren of 'er eenige vreemde volkeren, namentlijk wadjoreesen en mandhareesen tot hulp der woenareesen aldaar waaren aangekomen, om reeden zijn Ed: agtb: en den koning van Bonij zulks van ter zijden hadden gehoort, als meede dat den Relatant zig ook Relaas gedaan door 'sComp„s or„ „dinaire zendeling Daeng Mandjare„ „kie wegens, zijn weedervaaren bij den koning van Bouthon Etc: na 224 1289 na derwaards moeste begeeven, wanneer zijn Hoogheijt zulx geraaden mogte vinden. Dat den koning hier op had g'antwoord, zeer verheugd te zijn, dat den wel Edelen Agtb: heer gouverneur nevens den koning van Bonij op de tijding der ontstaane geschillen tusschen die van Bouthon en die van woena; zendelingen hadden gezonden om na den toestand der zaken te ver„ „neemen, en dat zijn Majesteit verders tegens den Re„ „latant had gezigt, dat hij niet na woena behoeft te „vertrecken, wijl zijn majesteit het geval van woena maar als een kinderspel aanmerkende, den Capitain Laut die geene was die met de Jnwoonders aldaar ver„ „schil hadde gekreegen, en derwaarts was gegaan om haar lieden tot reeden te brengen. Dat den Relatant, om reeden hij met het antwoord van den koning niet te vreeden zijnde, ook geen regte opening van zaaken konde bekomen, in stilte en sonder voor kennis van den Boutonsen vorst, des Relatants broeder Daengmangimbarrie met eenen Lasoba„ zijnde Een meede macker van den bonijse zende„ „ling, die teffens als Tolk moeste ageeren, na Woena bij den voorn: Capitain Lant hadde gezonden, om al„ „daar eenig narigt wegens den toestand van zaken te erlangen, en teffens te inquireeren of 'er ook eenige vreemde volkeren tot hulp van de voorsz: waaren aangekoomen, ter oorzake dat den Relatant en den den Bonijs zendeling door den koning niet was toegelaten om in perzoon na woena te konnen vertrecken. Dat bij de terug komst der voorn: zendelingen zij aan hem Relatant hadden gerapporteert, dat Capitain Laut tot ant„ „woord had gegeven, dat 'ir tot nog toe geen vreemd volk tot hulp der woenareesen waaren, en de aldaar zijnde wadjoreesen en mandhareesen voor geen hulpers van dezelve konde aangezien worden, alzo de zulke zig albereeds voor langen hier niet 'er woon hebben ter neder gezet, mitsgaders dat hij ten opzigte van de onEenigheeden geen zwaarigheid meer was makende, alzo er bereeds over de veertig negorijen overwonnen waaren, met verlies van weijnig volk aan zijne zijde, weshalven hij aan de volkome overwinning niet meer en twijfelde, en voorts dat hij het land van woena weeder zoude tragten in Rust en vreede te brengen; dog dat hem Capitain Laut gerugten waaren voorgekomen dat die van Toboeko niet alleen voornemens zoude zijn die van woena te adsisteeren, maar reeds werkelijk met hondert vaarthuijgen waren genadert aan zekere negorij Lokia; welke gerugten waar bevonden wordende, zo zoude welm: Capitain Laut den Relatant doen verzoeken om met 'sComp„s pantjallang over te komen. Dat na verloop van eenige dagen, den Capitain Laut bij den relatant Een vertrouwd zendeling had gezonden, om bekend te maken, dat meerm: Capitain Laut, bij zijne aankomst te Lohia, hij aldaar geene Toboenko„ „reesen

NL-HaNA_1.04.02_3445_1413 view scan ↗

English

was found to be untrue. That the Relatant, nevertheless, still feeling uneasy because he could not obtain permission from the king to depart for Woena, had sent the aforementioned Daeng Manginbarrie again for the second time to Captain Laut, to inquire more closely into the reality of the matter. That said Daeng Manginbarrie, upon his return, reported to the Relatant that Captain Laut had told him that there were no further difficulties, since the negorij Lohia had been conquered, and he thereby saw his wish fulfilled, as well as that the grandees of Woena had already been to him, Captain Laut, to humble themselves, having also brought along and surrendered their regalia, while the king of Woena was also due to do the same in person in two days' time. That the King of Bouton had, at a certain time, summoned the Relatant to him, and given to understand that His Highness, for no other reasons, had been unwilling to give him permission to depart for Woena, regarding the affair of Woena as merely child's play, than because His Majesty feared that upon our appearance there, the Woenarese would immediately lay down their weapons and humble themselves, whereby they would afterward become all the more arrogant, and thus care little more for Bouton, since they would surely say, we have after all asked no pardon from Bouton, but rather from the Honourable Company and Boni, wherefore one would then live continually in dispute and discord with them; in order now to prevent this, and because it had therefore been judged best to chastise them as their own subjects who had risen up and rebelled against their lawful king, which had had the consequence that Almighty God had assisted those of Bouton and it had been granted to them to overcome those rebels and bring them to submission, just as they, now assured of the victory, had restored everything to peace. That His Highness had now chosen the much-mentioned Captain Laut as king of Woena, and had appointed his brother as king or chief of Tiworo, but that a dark cloud still hung over them, due to the conduct of those of the island of Kallingsoesoe, who had sinned not only against Bouton, but also against the Honourable Company, for the reason that three vessels or sloops having been wrecked there, their goods had been plundered or robbed by them, about which His Majesty had sent an embassy thither, to demand back all that had been plundered or robbed, but that the envoys having arrived there, those of Kallingsoesoe had given no answer, other than merely by pointing and drawing their hands over their clewangs or long parangs. Furthermore, the Relatant says that Captain Laut had also charged him to report to the Lord Governor how, after he had conquered Woena, but was still staying there, three vessels or proas paduakangs, on each of which a prince was present as an envoy, had been sent by the chief of the aforementioned island to him, Captain Laut, with the request to pardon them and that he would please not take the trouble to cross over to them, declaring in the most submissive manner their willingness to submit to such punishment as the Woenarese had undergone, but that he, having replied thereto that he could not declare himself on that request, had advised those envoys to return immediately to their dwelling place, and to ensure that all the robbed and plundered goods of the aforementioned three vessels were collected together and brought to Bouton. That awaiting the outcome of this, he would confer with the king whether to proceed with the voyage to Kallingsoesoe or not, wherefore he was not yet certain of the latter, but that in case that enterprise should proceed, he requested the Lord Governor to send Daeng Mandjarekie along with the Boni envoy Soba thither again, in order to be present thereat. Subscript: Thus related at Macasser on the 8th of July, in the year 1775: was signed with some Malay characters, beside which was written this is the signature of Daingsandjarekie, in the margin: in our presence, signed: G:t Brugman chief interpreter and C:t P:n Blij under-interpreter, below: Agrees, signed: H: B: Slodenpijl. — 227 1295 On Sunday the 9th of July, in the year 1775. in the morning, there came to me, License Master Voll, the former Punggawa Poeanna Latanro, and verbally made known the following; requesting therewith to inform the Lord Governor further of the same. Firstly, that the Bonians are collectively minded to bring the young king of Boni to the interior. Secondly, that they were not of the intention to restore all the demanded paddy fields and islands to the Honourable Company, before and until they shall have sent to Batavia, to request the same from Their High Mightinesses. Thirdly, that they do not the also demanded firearms

Dutch transcription

223 1291 onwaar was bevonden. Dat den Relatant, des niet te min, zig nog ongerust bevin„ „dende om dat hij van den koning, geen verlof tot vertrek na woena, konde obtineeren, de voorn: Daeng man gin„ „baraie weeder voor de tweede reijze na Capitain Laut had gezonden, om nader na 't weezentlijke der zaken te informeeren. Dat gem: Daeng Mangim barrie bij zijn te rug komst, den Relatant berigte hadde, dat Capitain Laut tegens hem had gezegt dat 'er geene zwaarigheijd meerder was, vermits de negorij Lohia overwonnen, en hij daar door zijn wensch vervult zag, als meede dat de Rijks grooten van woena bereeds bij hem Capitain Laut waaren geweest om hun te verootmoedigen, hebbende hunne Rijks ornamenten teffens meede gebragt en overgegeven, terwijl den koning van woena zulx over twee dagen in perzoon meede stond te doen. Dat den Bouthousen vorst, op Een zeekere tijd den Relatant bij zig, hadde laten ontbieden, en te kennen gegeven, dat zijn Hoogheid hem om geen andere redenen, geen verlof had willen geeven, om, na woena te ver„ „trekken, en het geval van woena maar slegts voor Een kinder spel agtende, als om dat zijn majesteit bedugt was, dat bij onse verscheijning aldaar, de woe„ „nareesen ten eersten de wapenen zoude needer leggen Toboenkoreesen hadden aangetroffen, en dus het gerugt en en verootmoedigen, waar door zij naderhand als dan te Hout„ „moediger zoude worden, dus weijnig meer om Bouthon geven, vermits z' zeekerlijk zouden zeggen, wij hebben immers aan Bouton om geen Pardon verzogt, maar wel aan d' EComp„e en Bonij weshalven men dan geduurig met haarlieden in twist en oneenigheid zoude leeven; om dit nu voor te komen, en dat daar om best g'oordeeld was, hun, als eijgen onderdaan die tegen hun wettigen koning opgestaan en gerebelleerd hadden, te kastijden, 't geen van dat gevolg was geweest, dat den Almogende God, die van Bouthon hadde bijgestaan en het haar hadde mogen gebeuren, die Rebellen te verstaan, en tot submissie te brengen, zo als zij thans van de overwinning verzekert alle weeder in ruste hadden gebragt. Dat zijn Hoogheijd den veelm: Capitain Laut thans tot koning van woena, verkooren en zijn broeder tot koning ofte hoofd van Tiworo, hadden benoemt, dat 'er egter nog een donkere lugt over hen hing, door het gedaag van dien van 't Eijland Kallingsoesoe, dewelke niet alleen tegen Bouthan, maar ook teegen d' Ed„e Comp:e gezondigt hadden, om reeden 'er drie vaartuijgen of Chialoupen al„ „daar verongelukt weesende de goederen van dezelve door hun geplunderd ofte geroofd waaren, waar over zijn majisteit Een bezending na derwaards gedaan hadden, ter 225 1293 ter op eijssching van alle het geplunderde ofte geroofde dog dat de sendelingen aldaar gekomen zijnde, die van kal„ „lingsoesoe, geen antwoord hadden gegeven, als alleen met 't wijsen en strijken van de hand over hunne klewangs ofte lange Parrings. voorts zegt den Relatant dat den Capitain Laut, hem meede gelast hadde, om den heer gouverneur te rapporteeren, hoe, na dat hij woena overwonnen, dog zig daar nog onthouden hadde, drie vaartuijgen of prauw paduakangs op ieder van dewelke, zig een prins als gezant bevond, door het hoofd van meerm: Eijland aan hem Capitain Laut gezonden waaren, met verzoek om hun te pardonneeren en dat hij de moeijte niet geliefde te doen om bij haar over te komen, betuijgende op het onderdanigste zig te willen onderwerpen, aan sodanigen straffe als de woenaree„ „sen hadden ondergaan, dog dat hij daar op hebbende doen antwoorden, hoe hij zig op dat verzoek niet verklaaren konde, die gezanten geraden hadde om ten Eersten na hun woon„ „plaats te rug te keeren, en te bezorgen dat alle de geroofde en ge„ „plunderde goederen van vooren gem: drie vaartuijgen bij Een ver„ „zamelt en te boeton gebragt wierden. Dat den uijtslag hier van wordende afgewagt, hij met den koning zoude overleggen, om de reijze na kallingsoesoe voortgang te doen neemen, ofte niet, weshalven hij van het laatste. laatste nog niet verzeekert waare, dog dat ingevalle die onder„ „neeming voortgang mogte hebben, hij den heer gouverneur deed verzoeken, om hem Daeng mandjarekie nevens den Bo„ „nijs zendeling soba weeder derwaarts te zenden, ten eijnde daar bij tegenwoordig te kunnen weesen. /:onderstond:/ Aldus gerelateerd tot Macasser den 8„e Julij A„o 1775: /:was geteekend:/ met eenige maleijtse Caracters, waar bij geschreeven stond dit is het hanteekening van Daingsan„ „djarekie, /:in margine:/ ten ons en bijweezen /:geteekend:/ g„t Brugman oppertolk en C„t P=n Blij ondertolk /:lager / Accordeert /:geteekend:/ H: B: Slodenpijl. — 227 1295 Op Zondag den 9„e Iulij A„o 175. des morgens is bij mij Licent„ „meester voll gekomen, den geweesene Poengauwa Poeanna Latanro, en heeft mondelings bekent ge„ „maakt het ondervolgende; daar bij versoekende, om 't zelve aan den Heer Gouver„ „neur, nader te verwittigen. Eerstelijk, dat de Bonier gesamentlijk van sints zijn, om den Jongen koning van Bonij, na de binnen landen te brengen. sweedens dat zij niet van Jntentie waren om alle de geEijschte padij velden en Eijlanden aan dE Comp„e te restitueeren, voor en al eer, zij, na Batavia zul„ „len hebben gezonden, om, dezelve aan Haar Hoog Edelheeden te versoeken. Derdens dat zij de meede g'Eijschte geweeren niet

NL-HaNA_1.04.02_3445_1418 view scan ↗

English

would not surrender, but will ask to buy the same. Fourthly, regarding the war between Sidenreng and Soppeng, or any disturbances that have arisen between these rulers, they sent their ordinary envoy Laoedoe thither in order to summon the parties to lay down their arms and make peace with one another, but that they had refused to give heed thereto. Fifthly, that the disputes between Intje Treo and Daeng Man-joeroe-ngie had arisen concerning a female person and two of her children, whom the said Treo claimed as his slave woman, and who had been detained by the aforementioned Daeng Man-joeroe-ngie for the reasons that upon the arrival of the aforementioned Daeng Man-joeroe-ngie in the land of Maros, she had gone to him herself with her two children to make that matter known and at the same time to request help and assistance, and that upon examination by the said Daeng Man-joeroe-ngie it was found that she was not a slave of Treo, but indeed a Bonian from Pattiro, so that he had not, according to Treo's claim, taken her by force from his place, that she had indeed been married to one of Treo's boys, but that she had already previously procreated those two children with a Macassar man; underneath stood: Agrees; was signed: H: B: Hodenpijl. Translation. Written by Paduca Sultan Kaimoedien Raja Bouthon to Paduca Seri Sultan Djalaloedien, King of Boni. Translation of a Malay Letter. After preceding manifold compliments, the King of Bouthon makes known hereby to Your Highness that he has duly received the letter from Your Highness, along with the flintlock gun sent therewith, from the hands of Your Highness's envoys, who arrived here with the envoy of the Honorable Company, and had them received with the required honors, from the contents of which I have perceived with joy the constant continuance of the brotherly friendship between the lands of Boni and Bouthon, and likewise that we were exceedingly pleased that Your Highness had taken to heart the sad condition of the land of Bouthon; but since we found no difficulty in that regard at that time, we also gave no notice thereof to Your Highness and the Honorable Company. And concerning the history of Woena, I must make known to Your Highness hereby that the King of Woena, after having had some dispute with the Princes of Bouthon, being a close relative of the same, puffed himself up with such pride that he would no longer acknowledge his superiors, but on the contrary sinned grievously against them, as he has also shown evidence thereof; for which reason we, being no longer able to bear the doings of the Woenarese, have jointly thought fit to send our grandson the Captain Laut together with his brother, adding thereto the mantri Baboto along with his retinue, provisionally to Woena for the restraint of the same, and in case they should encounter difficulties there, we would then depart thither with our force; for which reason we also detained both envoys here for so long, so that if more difficulties should arise in the meantime, we would proceed with them to Woena. As we did not wish to expose the respect of the Honorable Company and Boni thereto, but Captain Laut, under God's blessing, has brought the King of Woena so far to reason that they have now submitted to Bouthon and have returned to their former duty, as well as paid the fine imposed upon them. Furthermore, regarding our remaining debt to the Honorable Company of up to 113 slaves, we have delivered ninety-nine heads to our envoys, the Raja Labalawa accompanied by the mantri Dethe, who are now departing with the sergeant for Macassar, to serve towards the satisfaction of our aforesaid debt to the Company; the remaining fourteen head will, in the coming year, if no difficulty should happen to occur in the land of Bouthon, likewise be sent to Macassar with the envoys to both the Honorable Company and Boni, having subsequently mentioned all that occurred in this. Sending herewith to Your Highness, as a token of life, two Bouthonese garments. Written in the land of Bouthon on the 27th day of the month Rabbil Achier in the year 1189, named Dal Achier. Underneath stood: For the translation; was signed: G:t Brugman; lower: signed: H: B: Hodenpijl. Copy. Copy Translation of a Bugis document, written by Datu Soppeng to his Mother the Queen of Tanette; and sent in duplicate to the Lord Governor, reading as follows: I make expressly known hereby to Your Highness, my mother, the acts of violence that have been done to me and my people, without having previously told me anything of the reason, robbing me and them of their goods, whereas our custom and agreement has always been not to commit between the two of us such acts of violence before and until we have first met with each other to judge the matter on its merits; therefore my request to Your Highness is that all the goods taken by force from me and my people may be restored to me again, as it would fall too heavily upon me to have to endure it if they are not restored to me again, which consist of the following: Firstly, my subjects in the negorij Lalolang, lying in the Province of Tanette, named Monno with her four children. La Emmie

Dutch transcription

niet willen overgeeven, maar dezelve te koop zul„ „len verzoeken. vierdens, omtrend den oorlog tusschen Tideenrengen soeppa, of wel eenige tusschen deese vorsten ontstaane # # onlusten, hebben zij haar ordinair sendeling Laoedoe der„ „waards gezonden, ten eijnde parthijen aan te zeggen, om de wapenen needer te leggen, en vreede met mal„ „kanderen te maken, maar dat zij, daar aan geen gehoor hadden willen geven. vijfdens, dat de geschillen tusschen Jntje Tres en Daeeng Man-joeroe-ngie, waaren ontstaan, wegens een vrouws persoon en twee van haar kinderen, die gem: Treo hem toeeijgende als zijn slavin, en door voorm: Daeeng Man. joeroe-ngin was aangehouden om reedenen zij bij aankomst van meer gem: Daeeng Man-joeroe-ngin op 't Land van Maros zelfs bij hem was gegaan met haar twee kinderen om die zaake bekent te maaken, en teffens om hulp en bijstand te versoeken, en dat bij ondersoek van op gem: Daeeng Man-joeroe-ngie bevonden was, dat zij geen slavin van Treo maar wel een bonier van 1297 van Pattiro waare, zo dat hij haar niet volgens Treos voorgeven met geweld van zijn plaats hadde weggenoomen dat hij wel met eene van Treos Jonge getrouwt was. dog zij die twee kinderen albevorens bij een Macassaar hadde ge„ procreert; /:onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ Translaat. H: B: Hodenpijl. — geschreeven door Paduca sulthan kaimoedien Radja Bouthon aan Paduca Sierij sulthan Djalaloedien koning van Bonij. Translaat Maleijtsche Brief Na voor afgaande meenigvuldige Complimenten. zo maakt, den koning van Bouthon aan uw Hoogheijt bij deese bekend, dat hij desselfs brief benevens de daar bij gesondene snaphaan, behoorlijk, uijthanden van uw Hoogheijt zen„ „delingen, die met de zendeling van d'E Comp„e alhier zijn aan„ „gekomen, ontfangen en met de vereijscht honeur heeft la„ „ten inhaalen, uijt welkers inhoud met vreugde ontwaard hebbe, de bestendige aanhouding der broederlijk vriendschap tusschen het Land van Bonij en Bouthon, zo meede dat wij ten hoogsten verblijd zijn geweest, dat uw Hoog„ „heijt den zig droevigen toestand van 't Land van Bouthon hadde aangetrocken, dog vermits wij geen zwaarigheijt te dier tijd daar omtrent vonden, hebben wij daar omtrend ook geen kennisse aan uw Hoogheijt en dE Comp„e te late geven. En 231 1299 S En belangende het Historiaal van woena, moet ik uw Hoogheijt, bij deesen bekend maken, dat den koning van woena, na dat denzelven eenig verschil hadde gekreegen met de Princen van Bouthon, /:zijnde een naast bestaande van den„ „zelven, :/ zig zelven zodanig heeft verhoogmoedigt dat hij zijn meerdere niet meer heeft willen kennen, maar in teegendeel tegen dezelve grovelijk gezondigt, zo als denzelven ook blijken daar van getoont, heeft, om welke reeden wij als niet langer kunnende verdragen de gedoentens van de woenareesen, gezamentlijk goedgevonden hebben onsen kleijn zoor den Capitain Laut nevens desselfs broeder, onder toevoe„ „ging van den mantrie Baboto nevens dies gevolg bij pao„ „visie ter beteugeling van denzelve na woena te zenden, en ingeval zijlieden aldaar zwaarigheijt mogten ont„ „moeten, wij als dan met onse magt na derwaarts zoude vertrekken, om welke reeden wij ook de beijde zendelinge zo lange alhier hebben aangehouden, ten eijnde indien 'er in„ „tusschen meerder zwaarigheijt mogte opkomen, ons niet haar vervolgens na woena te begeeven. Also wij het respect van d'E Comp„e en Bonij daar aan niet wilden exponeeren, dog dat Capitann Laut den koning van woena onder Godes zegen zo verre tot reeden heeft gebragt, dat z' thans zig aan Bouthon hebben onderwapen en en tot hunnen voorigen pligt; zijn weeder gekeert, als meede de aan hun opgelegde straf hebben voldaan voorts, omtrent onse restant schuld aan dE Comp:e tot 113: stuks sla„ „ven, hebben wij aan onsen afgezanten den Radja Labalawa ver„ „zeld van den mantrie Dethe die thans met den zergeant na macasser vertrekt, negen en negentig koppen overgegeven om te strekken tot voldoening van onse voorsz: Debet aan de Comp„e zullende de resteerende veerthien stuks in 't aanstaande jaar, indien 'er geen zwaarigheijt op 't land van Bouthon mogte komen voor te vallen, almeede met de gezanten zo aan d E Comp:e als Bonij, na macasser gezonden werden, hebbende vervolgens alle 't voorgevallene in deesen vermeld.- zendende hier nevens aan Uw Hoogheijt tot een teeken van leeven twee Bouthonse kleedtjes: Geschreeven op 't Land van Bonthon op den 27„e dag der maand Rabbil Achiea in 't jaar 1189 gen„t Dal Achier. /:onderstond:/ voor het translatie /:was ge„ teekend:/ G„t Brugman /:Lager: /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Copia. 6 1301. Copia Translaat Boeginees geschrift, geschreeven door Datoe Sopping, aan desselfs Moeder de Coninginne van Tanette; en in afschrift aan den heer Gou„ „verneur toegesonden, Luijdende als volgt. Maake bij deesen aan uw Hoogheijd, mijne moeder Expres bekent, de gedoentens die mijn, en mijn volkeren met ge„ „weld sijn aangedaan, sonder mijn iets alvoorens van de reeden te hebben gezegt, van mijn en hunlieders goederen te berooven, daar ons gebruijk en accoord altoos is geweest, om niet tusschen ons beijde, zulke gedoentens van geweldenarijen te pleegen, voor en al eer wij eerst met elkanderen, bij een zijn gekomen, om de zaake na verdiensten te vonnissen, dierhalven is mijn versoek aan uw Hoogheijd, dat alle de met geweld van mijn en mijn vol„ „keren afgenoomene goederen, mij wederom mogen werden ge„ „restitueert, terwijl 't mij te swaar soude vallen, te moeten verdragen, indien 't mij niet mogten wederom werden geres„ „titueert, die in de ondervolgende bestaan. Eerstelijk mijn onderdaane op de negorij Lalolang, leggende in de Proventie Tanette, genaamd Monno met haar vier kinderen. La Emmie

NL-HaNA_1.04.02_3445_1424 view scan ↗

English

La. Emmie Sjamming with her child Labalanda La Saradda Lasoekkoeroe with his wife La- Eesa Laoemoe To-ampel, who was murdered at the village of Tjenacko Another six from the village of Lalolang who were detained by Paoe. I- dooleeng La-oba La- Salee Three of my slaves, from the village of Manhawa Ambo La-ooure and his entire family, who are still living, with Poeanna Alaang Lakama I-s Boera, with his brother, also still living with Poeanna Alaang, As well as another two from the aforementioned village of Lalolang, who had already been sold to the Europeans, and whom we redeemed for 65 Spanish rix-dollars before we could get them back. La- Eetja, whom we also had to redeem for 16 Spanish rix-dollars, Batjo, I have also bought back again for 24 Spanish rix-dollars. 235 1303 Bought back Ambo Rabiea, who was condemned to a fine by Daeeng Pasompa for 8 Spanish rix-dollars My foster child named La- tjaleenga was condemned to a fine of 48 rix-dollars. I. Lalampe condemned as above for 12 rix-dollars Jndo Mamoe for 88 rix-dollars Jndo Ompo. I. Pawiedoe, likewise condemned to a fine, without knowing how much. Lapakkie as above Lasoekkoeroe — There is also a slave of mine, whom at the time Madociela was ill, I gave to the Tabi-E or doctor named Lawanne, who treated him, for his trouble, whom they have also detained. A buffalo that I bought for 8 rix-dollars Your Highness is also well aware that we may not detain each other's goods except with mutual prior knowledge. And I also perceive that everything which my uncle Matienroa Rimoessoena instituted and concluded is now being violated, wherefore I am also compelled at present to seek what is mine, that is the inheritances of the Lady Dampang, consisting of 100 head of women; 8 excluding their children counted As well as 70 head of house slaves of Aroe Patojo Riaja, which have fallen to me alone since those slaves belonged exclusively to my father. My brother Poeanna Lapaoe requested of me upon meeting that, whenever I might obtain an audience with Her Highness, I should speak about a female person named I-o Djadie, who has been lent into Her Highness's service for so long, to please return her now to the owner. Below stood: for the translation: was signed: G: Brugman Lower: Agreed, signed: H: B: Hodenpijl. — Translation. 1305 Translation of a Bugis document written by the former Poengauwa Poeanna Latanao to the Malay Captain Abdul Cadier, to make the contents thereof fully understood by the License Master, and subsequently to inform the Lord Governor through the same, as follows below. That the assembled Bonians gathered together yesterday to consult regarding the disputes and disagreements between Sideenreng and Soepa, as the Mandanrang and Datoe Baringang were inclined to have Datoe Soeppa assist therein. Whereupon the Madanrang, alias Aroe Poonre, asked the assembled Bonians whether we shall notify the Dutch of this matter or not, to which Datoe Barengang replied in the negative, for if we shall have given them notice thereof, they will think that we are capable of nothing without their help, and we shall thus be entirely contemptible to them. The Regent and Gallarang Bontoala answered to this that we cannot undertake a war without the prior knowledge and consent of the Honorable Company, and that such is our custom. The Madanrang replied that if we shall have informed the Company thereof, and it refused us, what then. The Makadontana answered thereto that if the Honorable Company did not wish to consent to us therein, we shall be obliged to refrain from it, and also that they cannot undertake a war unless you three brothers are of one mind among yourselves, and when the Bonians see that they are of one mind for war, only then will they steadfastly take to the field and take up arms manfully; for they have seen from Poeanna Latanro how manfully he has fought for the land of Bonij. The Madanrang answered again, it is very true what you say there, but the King of Bonij cannot yet show any favor to anyone without having first shown his sincerity to him. And secondly, why the Bonians particularly wanted to advise the Governor here is concerning the demanded paddy fields, islands, and flintlocks, yet to this day it cannot be discovered what answer they will give to it, since the Madanrang alone will answer thereto according to his own judgment. Further.

Dutch transcription

La. Emmie sjamming met haar kind Labalanda La saradda Lasoekkoeroe met zijn wijf La- Eesa Laoemoe To-ampel, die vermoord is geworden op de negorij Tjenacko nog ses van de negorij Lalolang die door Paoe zijn aange„ „houden. I= dooleeng La=oba La- Salee drie van mijn slaven, van de negorij Manhawa Ambo La=ooure en zijn gantsche familie, die thans nog in weesen is, bij Poeanna alaang Lakama I=s Boera, met zijn broeder almeede nog inweesen bij Poe= =anna Alaang, Als ook nog twee van gem: negorij Lalolang, die bereets al bij de Europeesen is verkogt geworden, en door ons uijt gelost voor 65. rd. spaans, eer wijse hebben kunnen we„ „der krijgen. La= Eetja, die wij ook almeede hebben moeten uijttotsen voor 16: rijxd„s spaans, Batjo, hebbe meede ook weederom voor 24. rd„s spaars ingekogt. 235 1303 ingekogt Ambo rabiea, die is in de boete gecondemneert door Daeeng Pasompa voor 8: rijxd=s spaans Mijn opvoedding gen=t La- tjaleenga is voor 48 rd„s in de boete gecondemneert. I. Lalampe voor rd„s 12: als boven gecondemneert Jndo mamoe „ „ 88: rijxd„s _„ ompo. I. Pawiedoe, almeede in de boete gecondemneert, sonder te weeten hoe veel. Lapakkie als boven Lasoekkoeroe — Daar is ook een slaaf van mijn, die ik ten tijde doen Madociela ziek is geweest, aan den Tabi-E: of doeter gen„t Lawanne, die over hem gepractiseert heeft geschonken hebbe, voor zijne moeijte, die hebben ze ook aangehouden. Een Buffel die ik voor 8= rd„s gekagt heeft uw Hoogheijt is ook wel bekent dat wij van malkanderen, geen goederen mogen aanhouden, dan met weder zijdse voor kennisse. En ik bespeure ook, dat alle het geen mijn ooen Matien„ „roa Rimoessoena ingesteld en afgemaakt heeft, nu verbrooken word, dierhalven ben ik ook genoodsaak thans de mijne te soeken, dat is de Nalatenschappen van de vrouw dampang, bestaande in 100: koppen vrouwen; „ 8: buijten „ buijten hunne kinderen gereekent Als ook 70: koppen huijs slaaven van Aroe Patojo Riaja, die mijn alleen te beurt is gevallen vermits die slaven al„ „leenig mijn vader toegehoort hebben. Mijn broeder Poeanna Lapaoe heeft bij ontmoeting teegens mij versogt, dat wanneer ik Haar Hoogheijd mogte te spree„ „ken krijgen, soude zeggen, van een vrouws persoon gen„t J=o Djadie die door haar Hoogheijd, dus lange ten dienste ge„ „leend is, thans wederom aan de eijgenaar gelieft aftegeeven. /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G: Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl. — Translaat. 1305 Translaat Boeginees geschrift geschreeven door den gewesenen Poengauwa Poeanna Latanao aan den Capitain Maleijer Abdul Cadier om den Jnhoud daar van aan den Licentmeester voll te verstaan te geeven en vervolgens door den zelven aan den heer gouver„ „neur te verwittigen, deese onder„ „volgende. Dat de gesamentlijke Boniers gisteren bij een zijn ver„ „gadert geweest, omtrent de geschillen en oneenigheeden tusschen sideenreng en soepa te raadpleegen vermits de Mandanrang en Datoe Baringang, geweegen waren om Datoe soeppa daar in te laaten assisteeren. waar op de Madanrang /:alias:/ Aroe Poonre aan de ge„ „samentlijke boniers vraage of wij die zaake aan de hollan„ „ders zal verwittigen dan wel niet, waar op Datoe Ba„ „rengang ten antwoord gaf, van neen, want indien wij aan denzelven daar van kennisse zal hebben gegeven, zullen sij denken dat wij tot niets instaat ben zonder haar hulpe„ en wij dus ten eenemaal veragtelijk bij haar lieden weesen. Den Den Rijksbestierder en gallarang Bontoala hier op antwoorde, dat wij geen oorlog kunnen aanleggen zonder voorkennisse en toestemming van d' E Comp„e en dat dusdanig onse gebruijk is. Den Madanrang repliceert dat wanneer wij de Comp„e daar van zal hebben gezegt, en hij ons weijgerde, wat dan. Den Makadontana antwoorde daar op indien dE: Comp„e, ons daar in niet wilde consenteeren zal wij verpligt wesen zulx na te laten, als ook datse geen oorlog kunnen aan„ „leggen sonder dat gij lieden onder malkanderen drie ge„ „broeders eens gezind zijn, en wanneer als de Boniers siet datse eens gezint zijn tot den oorlog, zullen zij als dan eerst hun volhardende ten streijd begeeven, en de wapenen man moedig aanvatten; want van Poeanna Latanro hebben ze gezien hoe manmoedig dat hij voor 't Land van Bonij heeft ge„ streeden. Den Madanrang wederom antwoorde het is wel waer, het geen uw: daar zegt, maar den koning van Bonij kan nu nog geen gunst bewijsen aan iemand doen, zonder al„ „voorens zijn opregtigheid aan hem betoond te hebben. En tweedens waarom de Boniers Expres raden hier gou„ „verneur wilde gaan, is om de geEijste padij veldens, Eijlan„ „den en snaphaanen, dog kan tot heeden toe nog niet ag„ „ter komen, wat sij daar op tot antwoord zal geven, ver„ „mits den Madanrang alleenig volgens zijn goed dunken daar op zal antwoorden. wijders.

NL-HaNA_1.04.02_3445_1429 view scan ↗

English

1307 Furthermore, I also request that what is stated below be accurately conveyed to the governor, that the governor please not grant the request of the Bonians to assist Datoe soepa in war, for if the governor should allow them to proceed thither in assistance of Datoe soepa, the Honourable Company will undoubtedly subsequently fall into great embarrassment, because if Datoe Tideenring should learn that the Bonians are coming to the aid of the repeatedly mentioned Datoe soepa against him, he will surely also take the Wadjorese to his side and call upon friends from both sides to help him, and then the war will expand to such an extent that the Honourable Company would fall into great trouble and embarrassment, and this being so, the Wadjorese will then obtain their wish and will to take possession of Tjinrana Bonij again without striking a blow, and one will then have much difficulty in restoring peace to the matter. Therefore, I wish that the governor please consider this matter prudently while it is not yet of such great consequence, before the smouldering fire bursts into flames and one will not be able to extinguish it without great effort, for I know no one else who can better settle this matter than the governor. At the same time, I request the governor to be allowed to purchase two small barrels of fine gunpowder, as well as a drum and 80 cartridge pouches, and also 40 flintlocks for repair, for which I will pay the master the labour costs thereof, all of which serve for my own use. I would gladly have come to the governor in person for the requested goods, but since I now intended to depart for the north, I shall, if possible, be present here in time when the governor wishes to depart for Maros, in order to accompany his Honour thither, and if I should not enjoy the fortune of being here at that time, we shall then present ourselves to the governor in the aforementioned province of Maros. And I also hope to show my sincere affection to the Honourable Company just as my father, the recently deceased king of Bonij, showed to the same, at the time when he still lived at the Campong Baroe and was under the authority of Governor Arrewijn. Below stood: for the translation, was signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. 1309 That the Honourable Company now comes to reclaim all the paddy fields, as well as the 4 islands, which our recently deceased king obtained on loan from the Honourable Company, we can and may in no way speak against the will and desire of the Honourable Company, all the more because our fear is that it would cause the Honourable Company and Bonij to separate from each other. And concerning the firearms which our aforementioned deceased king had on loan, this is fully known to us, just as we shall therefore never let it slip from our memory; nevertheless, we very humbly request the governor, in case it pleases the governor, that we may still be permitted to keep them, so as not to find ourselves stripped thereof in times when they are needed, while we hope through that benevolence to be able to show our faithfulness and sincerity to the Honourable Company in due time, of which, if permitted to retain them, we can make use, just as was granted at that time to our aforementioned deceased king. That the governor should have learned from reliable rumours that the Wadjorese intended to take possession of Tsinrana again, we shall therefore take our king to the inland areas, as is our custom, to be crowned there as a chosen king, and after having accomplished this, to bring him back hither again; and regarding the intention of the Wadjorese, we will never permit Tjinrana to be taken into possession again, unless they should have conquered the Honourable Company and Bonij. Below stood: for the translation, was signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl. 3 24 1311 The paddy fields situated both under the Province of Maros and the further Provinces lying to the North have always remained exempt from tithes, namely in the Province of Maros, the following negorijs: However, these negorijs listed below, as far as the paddy of the recently deceased king of Bonij is concerned, have also always been exempt from tithes: The negorijs Parang setang Pro-a Panoeroekang sangalea Manrimisie Lompo ditto Isadie Balosie Lambe Lambe Belang Belang Batoe Malipoeng kadjoe sanga-E kassoearrang Lalang Tedong Barambang Palla-b. and Bonto Matene betaang Bonto d'jolong sangirigang Taraweang Patjomo The Province of Barrasa, where the negorij Cabba has always remained exempt, and the rest are all subject to tithes. The Province of Siang, the negorij Palampang alone has been left exempt from it, the rest are all likewise subject to tithes. The Province of sagerie, the negorij Sangerie has also always remained exempt from tithes, and the rest are all subject to tithes, as well as the 2 islands, namely Poelo: Laia and Poelo koelambie, which belong to the Honourable Company. Below stood: for the translation, was signed: G:t Brugman. Lower: Agrees, signed: H: B: Hodenpijl.

Dutch transcription

1307 wijders versoeke ik ook het geen hier onder vermeld staan accuraat aan den heer gouverneur te zeggen, dat de heer gouverneur dog de boniers haar versoek niet en consenteert om Datoe soepa ten oorlog te assisteeren, want indien den heer gouverneur zulx zal toelaaten, om haar ter assisten„ „tie van Datoe soepa na derwaards te begeeven, zal d'E Comp„e ongetwijffeld naderhand in de groote verleegentheid rarken, want als Datoe Tideenring zulx mogte verneemen dat de bo„ „niers meermelde Datoe soepa tegen hem te hulpe komt, # zal hij vast de wadjoreesen aan zijn zijde ook neemen en van weder zeijdse vrienden ieder van haar meede te hulp roepen, en dan zal den oorlog zoodaanig vergroo„ „ten dat dE Comp„e daar in een groote moeijte en verleegent„ „heijd raakte, en dus zijnde zal de wadjoreesen als dan hunne sin en wil verkrijgen, om Tjinrana Bonij zonder een slag of stoot wederom in poscessie te neemen, en men als dan veel swarigheijd zal hebben, om de saa„ „ke wederom in rust te brengen, dierhalven wenschte ik wel dat den heer gouverneur deeze zaake voorsigtig gelieve te overweegen terwijl het nu nog niet zo groot van aangeleegentheid is, eer dat de langsmeulende vuur in de vlam raakt en men het zelve sonder veel moeijte niet zal kunnen uijt blussen. want ik weet niemand anders die beeter deeze zaake kan stillen dan den heer gouverneur Tesfens. Teffens versoeke ik den heer gouverneur om twee vaatjes feijne buskruijt te koop te mogen hebben, als meede een trom en 80: pattroontasten, als ook 40: snaphaanen ter reparatie waar voor ik 't makeloon van dien aan den baas sal voldoen. die alle tot mijn eijgen gebruijk strekt. Jk zoude gaarne om het versogte goederen in persoon bij den heer gouverneur gekomen hebben, maar dat nu van intentie was, na de noord te vertrekken en zal bij tijds wan„ „neer den heer gouverneur na Maros wilde vertrekken, zo 't mogelijk is te maken, hier present te weesen, ten eijnde zijn wel Edele agtb: naar derwaards beglijden, en zo bij aldien ik het geluk niet mogte genieten alhier in die tijd te weesen, als dan wij op de voorm: proventie Maros bij den heer gouverneur zal vertoonen. En ik hoope ook mijn op regte genegentheid te betoonen aan dE Comp„e zo als mijn vader de Jongste overleeden koning van Bonij aan den zelven betoond heeft, ten tijde doen hij nog op de Campong Baroe woonde en onder het gebied van den heer gouverneur Arrewijn is geweest. /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G:t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — Dat #t 1309. Dat sEComp: alle de Padij veldens gelijk meede de 4: Eij„ „landen door onsen Jongst overleeden koning van d'E Comp„e ter leen verkreegen heeft en thans wederom komt op te Eijs„ „schen wij in geenen deele de wille en begeerte van d'E Comp„e kunnen en vermogen tegen spreeken, te meer onse vreese is, dat met d'E Comp: en Bonij van elkander zoude doen separeeren. En aangaande de schiet geweeren welke door gen: onsen overleden koning ter leen gehad heeft, is bij ons ten vollen bekend, gelijk wij dierhalven ook nooijt uijt ons geheu„ „gen zal laaten gaan, egter versoeke wij den hier gouver„ „neur zeer ootmoedig om in gevalle den heer gouverneur gelieve te behagen ons dezelve als nog te mogen laten be„ „houden, om in tijd wanneer het zelve van doen heeft niet daar van ontbloot te zien, terwijl wij hoopen door die goed gunstigheijd ons daar meede in der tijd onse getrouw en opregtigheid aan dE Comp:e te kunnen betoonen, waar van men bij behoudlaeting, ons kunnen gebruijk nae„ „ken, gelijk doenmaals aan onsen meerm: overleeden koning was begunstigd geworden. Dat den heer gouverneur bij vaste gerugt zoude ver„ „nomen hebben: dat de wad soreesen van intentie waeren om Tsinrana wederom in posessie te willen neemen so sullen wij overzulx onsen koning gelijk ons ge„ „bruijkt meede brengt na de binnen landen voeren. om om aldaar als een verkooren koning te werden bekroort, en na zulx verrigt te hebben wederom herwaards te brengen, en omtrent het voorneemen van de wadjoreesen zullen wij 't nooijt permitteeren, om Tjinrana wederom in Posessie te laten neemen, ten waare ze dE Comp: en Bonij mogte overwonnen hebben /:onderstond:/ voor het translatie:/ /:was geteekend:/ G„t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — 3 24 1311 De Padij velden soo onder de Proventie Maros, als de verdere om de Noord leggende Proventien zijn, altoos vrij van thiende gebleeven, namentlijk op de Proventie Maros, de volgende Negorijen Edog deese onderstaande Negorijen, zijn zo verre des Jongst overleeden koning van Bonijs padij betreft althoos meede vrij van thiende geweest De Negorijen Parang setang Pro-a Panoeroekang sangalea Manrimisie Lompo _„o Isadie Balosie Lambe Lambe Belang Belang Batoe Malipoeng kadjoe sanga-E kassoearrang Lalang Tedong Barambang Palla-b. en Bonto Matene. bet: betaang Bonto d'jolong sangirigang Taraweang Patjomo De Provintie Barrasa, op de Negorij althoos vrij is gebleeven, en de overige zijn alle thiende schuldig de Provintie Siang de Negorij Palampang alleen daar van vrij gelaten, de rest zijn alle mede hindschuldig de Provintie sagerie de Negorij meede altoos vrij van thiende gebleeven, en de overige zijn alle thiende subject gelijk de 2: Eijlanden namentlijk Poelo: Laia en Poelo koelam„ „bie dewelke d'E Comp„e toebe„ /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteekend:/ G„t Brugman /:lager:/ Accordeert /:geteekend:/ H: B: Hodenpijl: — De Sangerie Cabba, „hoort.

← previousnext →