Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
Further message from the shahbandar of Goa Voll. Sunday the 9th. had no other requests beyond what was contained in the letter brought along from the king and dignitaries of the realm, except only to be accommodated with a state parasol, for which the monarch had given them verbal instructions. As soon as I had arrived home, the second shahbandar of Goa appeared before me, in the king's name, making known how the king, having lent a sum of five hundred Spanish rixdollars to the two Chinese mentioned under the 5th of this month, had at the same time permitted them to sell on Goa the trade goods purchased with it, being mostly coarse Chinese wares, and to remain there for some time for that purpose; that His Highness requested that I would not take this amiss, nor punish those people, but rather grant them permission to remain there at least until the end of the year. I replied to this that the said Chinese were not to be excused, but that I would leave them unpunished for His Highness's sake, and was willing to consent to their stay, provided it were no longer than until the stipulated time and that they properly paid their head-money, as well as gave satisfaction to the Captain placed over them regarding the performance of the ordinary watches. Whereupon he took his leave and departed. In the afternoon, the former Bone punggawa Lacasie requested permission through me to pay a visit to the shahbandar Voll, which I granted. Monday. Nothing occurred. Monday the 10th. I had a private visit from the Lieutenant of the Butonese Captain Laut as envoy, who arrived here among the former ones, who handed me a short letter from his master and recommended himself to be allowed to approach more closely when opportunity offered. Furthermore, upon their expressed need, I had half a last of rice issued to the envoys themselves, beyond the usual provisions on the Company's behalf. And subsequently, concerning the visit paid by the former Bone punggawa to the shahbandar Voll, received such a report in writing as may be seen in the annexes. Further, in accordance with the request of the king of Bone, I had two passes issued to His Highness for the collection of 1000 bundles of new paddy from Maros, making known that however much this went against custom, I had nevertheless been willing to consent to it for this once, on account of the circumstance of the time, out of a singular esteem for his person. Tuesday the 11th. Through the second interpreter De Graaf, I had inquiries made after the health of the Butonese envoys present. Wednesday the 12th. The chief interpreter Brugman returned from Galesong and Polombangkeng after conducting the census. Furthermore, the king of Bone offered to me for perusal a letter written to His Highness by the court of Buton. Thursday the 13th. Nothing occurred. Friday the 14th. Nothing occurred. Saturday the 15th. The Butonese envoys present requested access to me, which I granted for next Monday morning. Sunday the 16th. I received a letter from Datu Soppeng, being the copy of a ditto written to his mother the queen of Tanete, containing his complaints about various acts of violence committed by Aru Pancana and Aru Pao Pao. Monday the 17th. The Butonese envoys, in accordance with the access granted to them, appeared before me this morning, and after some discussions about the outcome of the affairs of Muna and the submission of those of Kalisusu, having urged verbally upon the request made by missive of the king and dignitaries of the realm that the Buginese Lamama brought along by them might be appointed here as interpreter of Buton, complaining that the present interpreter Denoesoe allegedly treated the people in the campong too harshly, I pointed out to them that, the latter being unknown to me, I wished to be informed beforehand, prior to consenting to their request, what he had specifically committed, seeing that anyone was free to submit their grievances to me regarding mistreatment by others, but they knew not how to reply to this, other than that they had heard so on Buton and the king had therefore sent the other hither; wishing further to assert that the monarch was entitled thereto, the contrary of which I made known to them; after which they finally testified
Dutch transcription
65 1133 nader boodschap van goas den sabandhaar voll Zondag den 9=e versoeken te hebben, buijten het geen in de meede gebragte brief van den koning en Rijks grooten vervat stond, dan eenlijk om met een kipersol van staat te mogen worden gerieft, waar toe hun den vorst mondeling last hadde gegeeven. zo als ik thuijs gekomen was, verscheen de tweede sjabandhaer van goa bij mij, uijt 's konings naam, te kennen geevende, hoe hij aankoning over twee Chinuesen de twee Chineesen vermeld sub 5„e deeser een somma van vijfhonderd rijxd:t spaans geleend hebbende, deselve teffens gepermitteerd hadde, om de daar voor ingekogte negotie goederen, zijnde meest Chinase grove wharen, op goa te verkoopen, en ten dien eijnde aldaar eenigen tijd, te verblijven; dat zijn Hoogheijd verzogt dat zulks door mij niet kwalijk genomen, nog die menschen gestraft, maar haar zelfs vergunt mogte worden, ten minste tot het uijt eijnde van het Jaar aldaar te verblijven. ik diende daar op, dat de gemelde Chineesen niet te verschoonen waeren, dog dat ik haar om Hoogheijts wille ongestraft laeten zoude, en wel wilde bewil„ „ligen in haar verblijf, mits niet langer dan tot den gestipu„ „leerden tijd en dat zij hun hoofd geld na behooren kwamen te betaelen, mitsgaders den Capitain over haar gesteld, omtrend het doen der gewoone wagten genoege gaven. waar meede hij zijn afscheijd nam, en vertrok„ Des agtermiddags liet den geweesen Bonijs Pongauwa Lacasie, vitite door Lacasie aan mij versoeken om een visite te mogen afleggen bij den sjabandhaer gegeeven. voll, 't welk ik g'accordeerd hebbe. is niets voorgevallen. Maandag. en door de Luitmant van den Boutons Capitain Lauwt bij mij rijst aande gezanten afgegeven. door Lacasie aan de sa„ „band haar voll gedaan. twee passen om rijst aan Bonijs koning ver„ „laand. na het Boulonse gezan„ rctour van d' oppertolk Brief door't boutons Maandag den 10„e Hebbe ik een particulier visite gehad van den Lieutenant van Boutoms Capitain Lauwt als gezant, onder de voorige, alhier aan„ „gekomen die mij een brinfje van zijn meester overhandigde en zig recommandeerde om bij gelegentheijd natter te mogen komen. voorts hebbe ik aan de gezanten zelvs op hun betuijgd gebrek een half last rijst laeten afgeeven, buijten de gewoone verstrec„ „king 'sComp„s wegen. rapport, wegens de visite En vervolgens wegens de gedaene visite door den Bonijs geweesen Pongauwa, aan den sjaband haer voll, zodanig rapport in scrip„ „tis ontfangen als bij de bijlagen, is te beoogen. wijders hebbe ik Conform het versoek van den koning van Bonij, twee passen aan zijn Hoogheijd laeten afgeeven, ter afhaal van 1000: bossen nieuwe padij van Maros, onder te kennen gave, dat hoe zeer zulks tegen het gebruijk aanliep, ik daar inne voor ditmaal, mits de omstandigheijd van tijd, wel hadde willen Consenteeren. uijt een singulier agting voor desselfs perzoon. Dingsdag den 11„e Hebbe ik door den ondertolk de graaf na de wilstand van ten welstand vernomen d' aanweesende Boutonse gezanten laeten vragen. woensdag den 12„e Is den oppertolk Brugman van Glissong en Poelem„ „bankeeng gereverteerd, na het doen der ziel beschrijving. voorts liet den koning van Bonij, mij ter lecture aan„ hof aan dat van Bonij „bieden een aan zijn Hoogheijd geschreevene brief door het hof van Bouton ontfangen. Donderdag den 13„e viel niets voor vrijdag „ 14„e Saturdag „ 15„e lieten de aanweesende Boutonse gezanten acces bij mij versoeken, de boutonse gezanten acces toegezegt. het. 67 1135 het geen, tegen aanstaande maandag voor de middag, hebbe brief van Datoe Soping Aroe Pantjana. het versoek der Boutonse tolk aan te stellen af„ g'accordeerd. Hebbe ik een brief van Datoe Soping ontfangen, zijnde de Copia Zondag den 16„e van een dito aan zijn Moeder de koninginne van Tanette geschaen, vervatten de klagten over „ven behelsende zijne klagten over diverse geweldenarijen door Aroe Pantjana en Arou Pao Pao gepliegd. De Boutonse gezanten Conform het aan hun g'accordeerd aces, Maandag den 17=e deesen voor de middag bij mij verscheenen, en na eenige discoursen gezanten om een ander over den uijtslag der zaeken van woena en d' onderwerping „geslagen: van die van kalisoesoe, mondeling aangedrongen hebbende, op het bij missive van den koning en Rijksgrooten gedaane versoek, dat den door hun meede gebragte bouginees La„ „mama tot tolk van Bouton, alhier mogte worden aangesteld, klaegende dat den tegenwoordigen tolk denoesoe de volkeren in de Campong, te streng zoude handelen, zo hiel ik hun voor, dat het laatste mij onbekond zijnde, ik alvoorens in hun versoek te consenteeren gaerne g'informeerd wilde zijn, wat hij speciaal misdreeven hadde, gemerkt het een ieder vrijstond sijner beswaarnis„ „ser bij mij in te brengen over kwaede behandelingen van anderen, dog zij wisten daar op niets te repliceeren, dan dat zij zulks op Bouton hadden gehoord en den koning dierhalven den anderen hadde herwaarts gezonden; voorts willende beweeren dat den vorst daar toe geregtigt was, welker tegendeel ik haar te kennen gaf; waar na zij eijndelijk be„ „tuijgden .
English
Sent back to the king of Bonij. Discourse with the same about various matters. They stated that they were afraid to return home if this request should not be granted, to which I replied that I would write to the king about it, in token that they had properly fulfilled their commission, and that they thus did not need to be fearful; after which they took their leave. In the afternoon, with a complimentary greeting, I sent back the letter written by Bouton's prince to the king of Bonij, which had been offered to me by His Highness to read, for which he sent his thanks. Nothing occurred. Tuesday the 18th Wednesday the 19th Thursday the 20th The king of Goa requested access to me for himself and some grandees of the realm, which I granted for the coming Saturday morning. Access promised to the king of Goa. Friday the 21st nothing noteworthy occurred. Saturday the 22nd, at nine o'clock in the morning, the king of Goa appeared before me alongside a large number of grandees of the realm. After holding some discourse on various matters concerning the present state of affairs on Celebes, which, however, do not require to be mentioned in this document, he requested to speak to me alone. Whereupon, having entered my writing chamber with His Highness, accompanied solely by the shahbandar Voll, he indicated how, having learned from me that I intended to perform the collection of the tithes in the northern provinces in person, The same appears alongside some grandees of the realm. Regarding all evil undertakings of the Boniers. His warning. He had not been able to neglect paying me a special visit in order to warn me to be well on my guard and prudent against evil undertakings of the Boniers; that he had already conceived some fear in the past year, but had put his mind at ease because the old king was then still alive and had even departed with me to Maros, but that currently an extraordinary amount of murmuring was going on, and especially that they would attempt to prevent the collection of the tithes of the king's paddy and of others. My answer to that. In his promise. To this I had the prince answered that, considering his warning and advice as flowing from a pure and sincere affection for the Company and my person, I thanked him most kindly for it; that I nevertheless could by no means think that the Boniers would dare to undertake to attack me or commit any hostilities, or at least that I was not very apprehensive of it, but that I nonetheless trusted, in such an unexpected event, that His Highness would show himself to be a well-intentioned ally of the Company, just as it would always be for Goa, to assist me with some men if I required it. Which His Highness promised, intimating that he even intended, as soon as I had departed, to betake himself to one of his negorijs near Sodiang, in order to be closer at hand in case of need. Sunday the 23rd Nothing occurred, except that the regent of Bonij asked for access for himself and some grandees of the realm, The Bonij regent asks for access. Letter from Lacasie to the shahbandar Voll. Which I granted for next Tuesday, and that furthermore such a letter addressed to him by the former Pongauwa was delivered to me by the shahbandar Voll, as can be found with its translation among the appendices. Monday the 24th Nothing occurred. The grandees of the realm of Bonij appeared. To bring a further answer. They hand over the Soping banner. Tuesday the 25th Having appeared at my residence at half past nine this morning: the regent of Bonij, alongside the second Tomilalang, the electors Arou Timodjong and Arou Maadjang, together with the Glarrang of Bontualacq, and furthermore two grandees of Soping named Aroukajoe and Pabitjara Poeanna Boeba, and having taken their seats, the second Tomilalang indicated that they had been sent jointly to bring a further answer, both to the message delivered on my behalf by deputies to the court on June 28th past, and to the points concerning which I had since held a conference with them on the 4th of this month. And after they had in the first place handed over the banner, formerly presented by the Company to the late deceased king when he had been Datoe of Soping, with the intimation that they brought it in the presence of the commissioned grandees of the realm of Soping, I only had them thanked for it, and at the same time presented to them that it had in its time been given to the present
Dutch transcription
aan de koning van Bonij te rug gezonden. discours met den zelven over diverse zaken. betuijgden bevreest te zijn, om weeder na huijs te keeren wanneer dit versoek niet mogte worden ingewiltigt, daar ik nader op dien„ „de dat ik den koning daar over schrijven zoude, ten blijke dat zij kunnen last na behooren volbragt hadden, en zij dus niet behoeven bedugt te weezen; waar na zij hun afscheijd namen den brief van dit slof des nademiddags hebbe ik onder een Compliment van begroeting den brief van Boutons vorst aan den koning van Bonij geschree„ „ven, en mij, door zijn Hoogheijt ter lecture aangebooden, terug gezonden, die mij daar voor deed bedanken. Niets gepasseerd woensdag „ 19„e Donderdag „ 20„e Liet de koning van Goa voor hem en eenige Rijksgroo„ „ten acces bij mij versoeken het geen tegenstaande satur„ de koning van goa accis toegezegt. „dag voor de middag g'accordeerd hebbe. vrijdag den 21„e viel niets noteerens waardig voor Zaturdag den 22„' 's voor de middags, ten negen uuren verscheen de koning van goa„ nevens een groot getal Rijksgrooten bij mij, die na het houden van eenige discoursen over diverse zacken betreckelijk tot den tegenwoordigen toestand der zaeken op Celebes, welke nogthant niet vereijsschen in deesen gemeld te worden; versogt om mij alleen te mogen spreeken, waar op ik met zijn Hoogheijd, enkel verzeld van den sjabandhaar voll, in mijn schrijf vertrek, getreeden zijnde, so gof den zelven te kennen: hoe hij van mij vernomen hebbende dat ik g'intentioneerd was, de vertiening in de noorder provintien in persoon Dingsdag den 18„e „vens eenige rijksgroten. denzelven verschijnt ne„ te 69 1137 omtrend alle kwade onder„ „neemingen der Boniers. in zijn belofte Zondag den 23=e de bonijs rijks bestierder te doen, niet hadde mogen nalaten mij een expresse visite te geeve, desselfs waerschuwing ten eijnde mij te waarschuwen, wel op mijn hoede en voorzigtig te weesen, voor kwaede onderneemingen van de Boniers; dat hij al reets in het voorleeden Jaar, eenige vreese hadde opgevat; dog zig gerust gesteld, ter zaeke den ouden koning doenmaals nog in leeven geweest en zelfs met mij na Maros vertrocken was, dog dat'er thans ongemeen veel gemompeld wierd, en insonderheijd dat men de ver„ „tiening van 's konings Padij en van anderen zoude tragten te beletten. Jk liet den vorst hier op antwoorden, dat ik zijn waarschuwing mijn antwoord daar op en raad aanmerkende, als uijt een zuijvere en op rechte genegent„ „heijd tot de Comp„e en mijn persoon voortvloeijende, daar voor op het vriendelijkste bedankte; dat ik nogthans geensints konde d'en„ „ken dat de Boniers zouden derven onderstaan, om mij 't attacquee„ „ren of eenige vijandelijkheeden te pleegen, ten minste daar voor niet zeer bedugt was, dog dat ik egter, in zodanig onverhoopt geval, vertrouwde dat zijn Hoogheijt zoude betoonen, een welmeenend bondgenoot te zijn van de Comp:e gelijk deese steeds weesen zoude voor Goa, om mij zulks benodigende met eenig volk t' assisteeren, 't geen zijn Hoogheijd be„ „loofde, onder te kennen gave, dat hij zelfs voorneemens was, zo als ik vertrocken zoude weesen, sig na een zij„ „ner Negorijen omtrend sodiang te begeeven, om in Cas van nood nader bij der hand te weesen. Is niets gepasseerd, dan dat de Bonijs Rijks bestierder laat acces vragen voor brief van Lacasie aan den saband haar voll de rijks grooten van Bonij verscheenen. om nader antwoord te brengen. geven het sopings vendel over. voor hem en eenige Rijksgrooten acces bij mij liet vragen, het geen tegen aanstaande Dingsdag g'accordeerd hebbe, en dat voorts door den sjaband haar voll aan mij inhandigd wierd, sodanige brief door den geweesen Pongauwa, aan hem gerigt, als met dies translaat onder de bijlagen is te vinden: Dingsdag „ 25„e Deesen voor de middag ten half tien uuren aan mijne wooning verscheenen weesende, de Rijksbestierder van Bonij, nevens den tweede Tomilalang de kiesheeren Arou Timodjong en trou Maadjang, mitsgaders den Glarrang van Bontualacq, en voor'ts twee grooten van soping met naemen Aroukajoe en Pabitjara Poeanna Boeba, en door deselve zitplaats genomen zijnde, zo gaf den tweede Tomilalang te kennen dat zij gezamentlijk gezonden waeren, om nader antwoord te brengen, zo op de boodschap mijn intwegen door gecom„ mitteerdens op den 28„e Juni passato aan het hof gedaan als op de poincten, waar over ik zedert op den 4„e deeser, eene Conferentie met hun gehouden hadde En hier op door hun in d' eerste plaats overgegeeven zijnde, het vendel, wel eer aan wijlen den overleeden koning, als Datoe van soping gewenst zijnde, door de Comp:e geschonken, met te kennen gave, dat zij het zelve binnen bragten, ter presentie van gecommitteerde Rijks„ grooten van soping, zo liet ik hun, daar voor eenlijk bedanken, en teffens voor houden dat het in der tijd aan den Maandag den 24„e Niets voor gevallen tegenwoordigen.
English
document. Paddy fields would be handed over on the present date. Whereupon a Buginese document was produced by them, of the following content: "That the Honorable Company now comes again to demand all the paddy fields, as well as the 4 islands obtained on loan from the Honorable Company by our late King; we can in no way oppose the will and desire of the Honorable Company, the more so as our fear is that one would cause the Honorable Company and Boni to be separated from each other. "And regarding the firearms which our aforesaid late King had on loan, this is fully known to us, just as we shall therefore never let it slip from our memory; yet we very humbly request the Lord Governor, in case it may please the Lord Governor, to allow us still to retain them, so as not to see ourselves destitute thereof in time of need, while we hope by that benevolence to be able in time to demonstrate our faithful sincerity to the Honorable Company, of which, if we are allowed to retain them, use can be made of us, as was favored at that time to our repeatedly mentioned deceased King." They wish to bring the King to the inland areas. Their further declaration concerning the islands and paddy fields. "That the Lord Governor had supposedly learned from firm rumors that the Wajorese intended to take possession of Tjinrana again, so we shall therefore take our King to the inland areas, as our custom also entails, in order to be crowned there as an elected King, and having accomplished this, bring him back here again; and regarding the intention of the Wajorese, we will never permit them to take possession of Tjinrana again, unless they might have vanquished the Honorable Company and Boni." After the reading of this, I entered into discourse with them concerning the points mentioned therein and some other points, and they moreover made known: Firstly, with regard to the demanded islands and fields, "That the islands of Boneratte and Calauwt having been granted by the late Queen of Boni to her recently deceased brother, under the condition that they must remain attached to the crown of Boni, they therefore felt burdened to cede them, and that it was situated in the same manner with the fields on ten particular lands in the northern provinces, to be specified further by them, which they could therefore also not hand over, the less so as these had also belonged to the realm from of old; but that they were prepared and also intended to have the islands of Coelambie and Lai-a handed over, together with the fields on eighteen other negorijen, likewise to be pointed out by name by them, as soon as the one hundred days of mourning for the death of the King had passed." Secondly, "That with respect to the grievance lodged by me concerning Daceng Mandjaroengie, they had orders from the King to bring me word that he would not only be ordered, and if necessary constrained, to restitute the plundered goods, but also to evacuate the Company's provinces." Thirdly, "That with regard to the inland areas, they had no fear of the Wajorese, since they, knowing well that the Company and Boni still live in a brotherly friendship, would not easily undertake any hostilities; so that the rumors that they intended, or, as some would have it, had already taken possession of Tjinrana, consisted of pure untruths, while they for the rest affirmed that Boni placed its hope in this upon the Company." Fourthly, "They made known that, disagreements having arisen between the realms of Sideenring and Soupa, they had sent an envoy, Soeroe Laoedoe, to both those monarchs to inquire into the cause of their dispute, and at the same time to forbid them from committing hostilities; but that this envoy, returning, had reported that neither of the two wished to listen to that order, but they were already actually at war with each other." To all of which I had the following presented to them: Firstly, with respect to the islands of Boneratte and Calauwt, as well as to ten of the demanded lands and paddy fields, that those islands really belonged to the Company and were ceded by the same on loan to the Kings of Boni solely at their request, in order to keep their dancing girls on them, while among other things it became clearly evident from the testament of the deceased King made in the year 1759 that he had well known he had no free disposal over them.
Dutch transcription
439 geschrift. Padij velden tegenwoordigen Daton zouden worden inhandigd. waar op door hun een bouginees geschrift voor den dag gebragt inhoud van het overgeven wierd, van den volgenden inhoud „ Dat D'E Compagnie alle de Padij velden gelijk meede de 4. Eijlan, omtrend' Eijlanden en „den door onsen Jongst verleeden koning van d'E Comp: ter leen „ verkreegen heeft, thans wederom komt op 't' eijsschen wij in „ geenen deele de wille en begeerte van d' E Comp„e kunnen „ vermogen tegen spreeken, te meer onse vreese is, „ dat men d' E: Compagnie en Bonij van elkander zoude „doen separeeren. „ En aangaande de schut geweeren welke gem: onsen over„ de schiet geweer „leeden koning ter leen gehad heeft, is bij ons ten vollen „ bekend, gelijk wij dienhalven ook nooijt uijt ons ge„ „heugen zal laten gaan, egter versoeken wij den „ Heer gouverneur zeer ootmoedig om ingevalle den „ Heer gouverneur gelieve te behoegen ons dezelve „als nog te mogen laeten behouden, om in tijd, wanneer „de zelve van doen heeft niet daar van ontbloot te „zien, terwijl wij hoopen door die goedgunstigheijd „ ons daar meede in der tijd onse getrouwen oprechtig„ „heijd aan d' E Comp:e te kunnen betoonen, waar „ van men bij behoud laeting, ons kunnen gebruijk „maeken, gelijk doenmaals aan onsen meermelde overleeden. willen den koning na de binnen landen brengen. hunne nadere verkla„ „ring omtrend d'eijlanden en badij velden. „ overleeden koning, was begunstigd geworden, dat den „ Heer Gouverneur bij vaste gerug zoude vernomen „hebben, dat de wadjoreesen van intentie waeren „om Tjinrana weederom in possessie te neamen, „ so sullen wij oversulx onsen koning gelijk ons „ gebruijk meede brengd, na de binnen landen voeren, „om aldaar als een verkooren koning te werden be„ „kroond, en na zulx verrigt te hebben weederom „herwaarts brengen, en omtrend het voorneemen „van de wadjoreesen, zullen wi 't nooijt permittee„ „ren, om Tjinrana weederom in possessie te laeten „neemen, ten waere ze d'E Comp:e en Bonij mogte „ overwonnen hebben. Na opleesing van het welke ik met hun over de daar bij vermelde en eenige andere poincten in discours ge„ „raekt weezende, gaven zij, daar en boven nog te kennen. P„r met opzigt tot d' op g'eijschte Eijlanden en velden „ Dat de Eijland en Boneratta en Calauwt door „de overleeden koningin van Bonij, aan haar Jongst „ ontslapen broeder, geschonken zijnde, onder „ voorwaarde: dat deselve aan de kroon van Bonij „ moeste gehegt blijven, zij zig over zulx beswaerd vonden. I3 1139 mand jaroengie in de binnen landen. „vonden daar van afstand te doen, en dat het met de velden „ op tien bijsondere Landerijen, in de noorder provintien door „ hun nader op te geeven inselver voegen gelegen was; die „zij overzulks ook niet konden overgeeven, te minder die „ almeede van ouds her, aan het Rijk gehoord hadden, dog „ dat zij d' Eijlanden Coelambie en Lai-a nevens „ de velden op agtien andere negorijen, insgelijks bij nae„ „me door hun aan te wijsen, bereijd en ook van in tentie „waeren, over te doen geeven, zo daa de honderd rouw „ dagen wegens het afsterven van den koning zouden „ verstreeken weesen. 2„o „ Dat zij ten opzigter van de, door mij gedaene doliantie en nopens Dreng „ over Daceng Mandjaroengie in last hadden van „ den koning om mij te boodschappen dat den zelven „ niet alleen zoude worden aangezegt en des noods „ geconstringeerd om de geroofde goederen, te restitu„ „eeren, maar ook om 'sComp=s provintien t' ontruijmen 3„e „ Dat zij ten aansien van de binnen landen geen de toisland der Baken „ beduchting hadden, voor de wadjoreesen vermits „ die wel weetende, dat de Comp:e en Bonij als nog in „ een broederlijke vriendschap leevende niet ligt „ eenige vijandelijkheden zouden onderneemen, invoegen ook de geruchten, dat z' van intentie zouden. „ oneenigheden tusschen sedeenring en soupa gireesen. mijn antwoord en Padij velden. „zouden weesen of zo zommige wilden Tjinrana reets in „bezit genomen zouden hebben in loutere onwaarheden be„ „stonden terwijl zij voor het overige betuijgden dat Bonij „ in deese zijne hoope op de Compagnie kwam te vestigen. 4„o „ gaven z: te kennen dat 'er oneenigheden ontstaan weesende „tusschen de Rijken van Sideenring en Soupa, zij eenen „ sendiling soeroe Laoedoe, aan die beide vorsten gezon„ „den hadden, om na d' oorsaeke van hunnen twest te ver„ „neemen en deselve teffens het pleegen van vijandelijk„ „heeden te verbieden, dog dat dien zendeling te rug „komende hadde gerapporteerd, dat geen van beide „ naar dat bevel wilde luijsteren maar zij met elkanderen „reets werkelijk in oorlog waeren. op alle het welke ik, hun het volgende died voorhouden aangande Eijlanden Eerstelijk met opzigt tot de Eijlanden Boneratte en Ca„ „lauwt zo meede tot tien van de op g'eijschte Landerijen en Padij velden, dat die Eijlanden werkelijk de Compagnie toebe„ „hoorden, en door deselve eenlijk aan de koningen van Bonij, ter leen waaren afgestaan, op hun versoek; ten eijnde op deselve hunne dansseressen te houden, terwijl on„ „der anderen duijdelijk uijt het in A:o 1759: gemaakte testa„ „ment van den overleeden koning kwam te blijken, dat den„ „selven wel geweeten hadde daar over geen vrije dispositie te.
English
1141 and over Mandjaroengie, as well as to have the dispute between Sedeenring and Soupa, for which no other reason could be given than that they had not lawfully belonged to him; and that as far as the fields were concerned, it was well known to me that some had of old been ceded in free ownership, which were also not being claimed, but indeed all others were, and that I would expect the surrender only of the latter. Second, that I could not grant their request to be allowed to keep the flintlocks regarding the firearms, the less so as I was unaware for what purpose they would be needed any longer, and that in such a case they could always be requested again; that I therefore still expected those firearms to be returned; but to this they declared frankly that they were not able to do so, since many of them were already missing and the remainder had been lent to various persons, upon which I again pointed out to them how they could then use them; to which they knew nothing to answer. Third, that I would expect without fail the fulfillment of the promise regarding Dring Kand Saroengie; since in the contrary case I would be compelled to secure satisfaction for myself against his evil deeds. Fourth, that the embassy sent by the court to Sedeenring and Soupa without the prior knowledge of the Company had been ill-conceived, since it belonged principally to Her Noble Court in their intention to bring the king to the interior, it belonged principally to the Company to have the right to send such an embassy; that I therefore deemed it most advisable to dispatch envoys from the Company and Boni thither anew, provided with such credentials and instructions as I should draw up as soon as possible, if only the court would decide to appoint one of the grandees to depart thither together with those of the Company, in order not only to inquire into the cause of that arisen dispute, which the grandees of the realm declare to be unknown to them, but also to firmly command the parties to lay down their arms and to come hither in person or else to send grandees of the realm to settle their disputes amicably. Fifth or lastly, that finding the departure of the king to the interior at the present time entirely inadvisable, I had to admonish the grandees of the realm collectively to abandon the intention to bring him thither, at least for the time being, or until an answer shall have been received from Their High Mightinesses to the communication to be made to them concerning his accession to the throne, on which account I also could not give my consent thereto, in so far. 1143 Statement obtained of the king's paddy fields that belong to the Company. To the Butonese envoys regarding the proposed embassy. in so far as such depended on me. Hereupon, it being declared by them that they would report on these matters, they took their leave and departed. After which I ordered the Captain of the Malays to request as soon as possible from the Administrator of the Realm a statement of the paddy fields which, according to the Boniers' statement, were subject to tithing and, on the other hand, had of old been free or ceded in ownership to the previous kings, which document was then indeed delivered to me in the afternoon by the same, and is to be found among the enclosures together with its translation. The Butonese envoys present, having appeared before me after having previously requested access on Wednesday the 26th, further request, promising an interpreter, having declared that they had come solely to wish me a good journey to the north, then requested under all kinds of pretexts that the Bonier Lamama, brought along with them, might nevertheless be appointed as interpreter in the campong of the Bugis instead of the interpreter Oenoesoe, even if it were only for a couple of days, since from that, in their opinion, it would appear that they had fulfilled the prince's command; which I promised in order to be rid of that solicitation. Furthermore, I sent the second interpreter Blij to the king of Boni to inquire which of the grandees of the realm His Highness would appoint to depart with commissioners of the Company to Sedeenring and Soupa, and when the same could be ready, since the matter required haste and I would gladly see it proceed as soon as possible; to which I received the answer that the elector Arou Timoedjong, together with the envoy Lavedoe, would be employed for that purpose, but that the prince would let me know further when they could depart, since the first-mentioned was not here. Access promised to Soppeng envoys. Requested of Boni's king for commissioners for the tithing. Compliment. However, in the afternoon His Highness let me know through the interpreter Moentoe that they would not be able to undertake the journey sooner than seven days from now. Thursday the 27th. Some envoys or emissaries of Datou Sopping having arrived here and having requested access to me, I granted this for the day after tomorrow. Subsequently I sent the chief interpreter Brugman to the king of Boni to give notice of my intended departure around the 3rd of August next for Maros and other northern provinces to carry out the tithing, with a request on that account to appoint commissioners on the part of Boni to accompany me, with further instructions to point out to the prince and likewise to the Administrator of the Realm, together with Aroe Poure and the second Tomilalang Arde Oedjong, in the friendliest manner, under a friendly compliment, that I would gladly have wished to have the opportunity to speak with them before my departure, but that my business did not permit me to do so.
Dutch transcription
1141 „ en over mandjaroengie. mitsgaders de twist tus„ „schen sedeenringen soupa te hebben, waar van geen andere reeden te geeven was, dan dat deselve hem niet wettig hadden behoord; en dat wat de vel„ „den betrof mij wel bekend waare, dat 'er eenige van ouds in vrijen eyjgendom waaren afgestaan, die ook niet wierden op„ „ge eijscht maar wel alle anderen en ik, alleen van de laatste d' overgave verwagten zoude. 2„a Dat ik hun versoek om de snaphaenen te mogen behouden, omtrund de geweeren niet konde inwilligen, te minder mij onbewust was, waar toe dezelve langer zouden benodigd zijn, en dat in zodanig geval, altoos weeder konden worden verzogt, dat ik dierhalven als nog zoude verwagten, dat die geweeren weeder gerestitueert wierden; dog hier toe betuijgden, ze rondelijk niet in staat te weesen, vermits 'er reets veele van absent en d' ove„ „rige aan deese en geenen geleend waaren, waar op ik hun weeder voorhield, hoe zij z' dan gebruijken konden; daar z' niets op wisten t' antwoorden 3„e Dat ik de nakoming van de belofte nopens Dring kan„ „d saroengie zonder faut zoude verwagten; vermits ik bij het tegendeel genoodsaekt zoude weesen, tegen zijne kwaede bedrijven, mij zelfs satisfactie te bezorgen. 4„o Dat de door het hof gedaene besending na sedeenring en soupa buijten voorkennisse van de Comp:e kwae„ „lijk begreepen was, also aan haar Edele wel voorna„ „mentlijk. in hun voorneemen om den koning na binnen landen te brengen. voornamentlijk Competeerde het rogt om zodanigen bezending te doen; dat ik dierhalven het geraedenste oordeelde om sendelin„ „gen van de Comp„e en Bonij derwaarts op nieuw afte vaardigen, met zodanigen Credentiaelen Jnstructie voorsien, als ik ten eersten soude ontwerpen, wanneer het hof maar besluijten wilde, daar toe een van de grooten te committeeren om met die van de Comp:e meede derwaarts te vertrecken, ten einde niet alleen na d' oorsaeke van die ontstaene twist te verneemen, die zij Rijksgrooten betuijgen, dat hun onbekend waar, maar ook om parthijen met nadruk te beveelen de wapenen neder te leggen en in persoon herwaarts te komen dan wel Rijks grooten te zenden, om hunne geschillen in der „minne afte doen. 5:e of Laetstelijk dat ik het vertrek van den koning naar de binnen landen in de tegenwoordige tijd geheel onge„ „raeden vindende, de Rijksgrooten gezamentlijk ver„ „maenen moest afte zien, van het voorneemen om den zelven derwaarts te brengen, ten minste voor eerst of dat 'er antwoord van Haar Hoog Edelhedens zoude weesen ontfangen, op de Communicatie aan hoog deselve te doen, van zijne komste tot den troon, weshalven ik daar toe ook mijn Consent niet geeven konde, voor zo. 1143 opgave erlangd van de padij velden des konings die de Comp:e gehooren. op de Boutonse gezanten gedaan omtrend den voorgehoude bezending zo verre zulks van mij dependeerde. „Hier op door hun betuijgd zijnde, van het een en ander rap„ „port te zullen doen, zo namen z' afscheijd en vertrocken Waar na ik den Capitain maleijer last gaf, om ten spoedig„ „sten bij den Rijksbestierder, een opgave te versoeken van de padij velden die na der Boniers op grve de vertiening subject en daar en tegen weeder van ouds vrij gewest of in eijgendom aan de voorige koningen afgestaen waaren, welk schrif„ „tuur mij, dan ook des nademiddags door den zelven wierd bezorgd en bij de bijlagen nevens dies translaet te vinden is. D' aanweesende Boutonse gezanten, na voor af verzogte acces bij woensdag den 26„e mij verscheenen, betuijgd hebbende, alleen gekomen te zijn, nader versoek toesegging om mij een goede reijse na de noord toe te wenschen zo verzogten tolk zij, vervolgens onder allerleij voorwendselen dat dog den door hun meede gebragte Bonier Lamama tot tolk in de Campong der Bougineesen mogte worden aangesteld in steede van den tolk oenoesoe, alzoude het maar voor een paar dagen zijn, vermits daar uijt, na hunne meening, zoude blijken dat zij aan 's vorsten last voldaan hadden, 't welk ik hebbe toegezegt, om van dat aansoek ontslagen te raken. voorts zond ik den tweede tolk Blij, naar den koning van Bonij, ten eijnde te verneemen, welke van de Rijksgrooten na sedenring en soupa zijn Hoogheijd benoemen zoude, om met gecommitteerdens van de Comp„e na sedeenring te vertrecken en wanneer den. acces aan sopingse zen„ „delingen toegezegt. Bij bonijs koning doen versoeken om gecommit„ Compliment den zelven in gereedheijd zoude kunnen weesen, vermits de zaak spoed vereijschende ik gaerne zoude zien, dat deselve ten eersten voortgang nam, waar op ik tot antwoord ontfing, dat den kies heer Arou Timoedjong nevens den sendeling Lavedoe, daar toe zoude worden g'emploijeerd, dog dat den vorst, mij, nader soude laeten wee„ „ten wanneer zij vertrecken konden, vermits den eerstgemelde niet hier was. Dog 's nademiddags liet zijn Hoogheijd mij door den tolk Moentoe weeten: dat sij niet eerder dan over zeven dagen de reijse zouden kunnen onderneemen. Donderdag den 27=e Eenige gezanten of zendelingen van Datou soping alhier g'arriveerd, acces bij mij hebbende laeten versoeken, hebbe ik zulks g'accordeerd tegen overmorgen. vervolgens hebbe ik den oppertolk Brugman na den koning # „teerdens tot de vertiening van Bonij gezonden, om kennisse te geeven, van mijn voorge„ „nomen vertrek tegen den 3„e Augustus aanstaande na Maros en verdere noorder provintien tot het doen der vertiening met versoek uijt dien hoofde om gecommitteerdens van Bonijs onder een vriendelijk wegen te benoemen ten eijnde mij te verzellen. met verdere last om den vorst en zo meede den Rijksbestierder nevens Aroe Poure en den tweeden Tomilalang Arde oedjong op de vriendelijkste wijse voor te houden, dat ik gaarne wenschte gelegentheijd te hebben, om voor mijn vertrek met hun te spreeken, maar dat mijne bezigheden mij zulks niet toelatende.
English
the nomination of commissioners was said. the north shall be summoned. answer to the compliment. dispute between sedeenring and soupa. permitting, I had to postpone the same until my return, when I hoped that they would pay me a separate visit; the more so as the matters to be transacted with them were solely aimed at promoting the prosperity of the realm, and in particular His Highness's personal interest. Whereupon Brugman brought me as an answer that His Highness had said he would appoint the elector Aroe Tjiena to assist me in the tithe collection, alongside the court interpreter Moentoe and one of the Androngoeroe Joas, and moreover had already ordered, and would further specify, that all the princes who were in the north must come hither as soon as possible, with the announcement that if they did not listen to this, and especially if they were to commit any hostilities regarding the tithe collection, the adverse consequences that might arise therefrom would be left to their own account and responsibility, and they would have to await the misfortunes to be expected from that for them. That it would furthermore be very pleasing to His Highness if it might suit me to pay a visit to me, and I accordingly only pleased to let this be known, in such manner as the Regent Aroe Poure and Tomilalang Aroe oedjong had also declared. While one and the other also let me know that they had heard indirectly that the cause of the dispute between the realms of Soupa and Sedeenring which had arisen was to be imputed to the former songauwa Lacasie, as he had incited the latter to attack the other. Friday the 28th nothing occurred in this matter worthy of noting down. Saturday the 29th. The present envoys of soping, consisting of the prince Arou oedjong Poeloe alongside the Pabitjaras Poeanna Boeba and Poeanna Tanri, alongside two lesser grandees and an envoy, conforming to the access granted the day before yesterday, having appeared before noon at my residence, handed me such a writing as can be found alongside its translation among the enclosures, further making known that their Datoe, upon the receipt of my letter regarding the dispute with the Adatouang of Sidenring, had proceeded to Lampoko, and having requested the said Adatouang to appear there as well, the latter had replied that he was not subject to the orders of the Honourable Company, but that in case he were ordered so on the part of Boni, he would then come; while they furthermore declared that the robberies by those of sedeenring still continued, and therewith requested advice as to how they should conduct themselves in this regard, as they dared to undertake nothing without the Company's approval. Whereupon I gave them as an answer that, in so far as they meant thereby the occasional robberies of this and that evildoer, it went without saying that such could be resisted by force, since for the rest prudence required avoiding all disagreements and especially an outright war; that for the rest I would still do my best to persuade the Adatouang to settle the mutual dispute with soping amicably; furthermore, I informed them that the standard formerly presented by the Company to the late king of Boni as Datoua of soping had been returned to me by the grandees of the realm, with orders to notify their master thereof, and that the same would be handed to him in due time with the customary practices; which they declared they would comply with, whereupon they took their leave and departed. Sunday the 30th. I sent the second interpreter Blij to the courts of goa and Tello to communicate my intention to depart for the northern provinces towards the 3rd of August next for the collection of the tithes, and that the management of affairs during my absence would be entrusted to the Honourable senior merchant and second in command, and also that I had appointed to third interpreter the person of Jacobus de Graaf, who went along with Blij to introduce himself; for all of which the prince and princess sent me their thanks, wishing me a happy journey and return in complete health. Furthermore, I had the chief interpreter Brugman present to the king of Boni for review the credential for the commissioners who are to depart on behalf of the Company and Boni for sedeenring and soupa, and at the same time to request.
Dutch transcription
79 4145 het benoemen van ge„ „gezegt. de noord zullen ontboden antwoord op het Compli„ geschil tusschen sedeenring toelatende, ik het zelve tot mijne terug komst moeste uijtstellen, wanneer ik verhoopen wilde, dat zij mij wel een aparte visite zou„ „den geeven; te meer de zaeken met hun te verhandelen alleen wae„ „ren streckende, tot bevordering van den welstand van het rijk„ en insonderheijd van zijn Hoogheijts personeel belang. waar op mij Brugman tot antwoord bragt, dat zijn Hoogheijt gezegt hadde, den kiesheer Aroe Tjiena te zullen benoemen, committeerdens toe„ om mij, in de vertiening t' assisteeren nevens den hof tolk Moentoe en een van d' Androngoeroe Joas, en daar en boven, reets ordre gesteld hadde en nog nader zoude stellen, dat alle en dat alle princen van de princen die zig om de noord bevonden ten spoedigsten worden. moesten herwaarts komen, onder aankundiging, dat zij daar na niet luijsterende en voor al wanneer zij omtrend de vertiening eenige hostiliteijten kwamen te pleegen de nadulige gevolgen welke daar uijt voortvloeijen mogten, voor hunne reekening en verandwoording zoude gelaeten worden, en zij moeten afwagten d' ongelucken, die daar uijt voor hun te verwagten waaren. Dat het zijn Hoogheijd wijders zeer aangenaam zoude weesen wanneer het mij gelegen mogte komen, een visite bij mij te „ment doen en ik dienvolgende sulx maar geliefde te laeten weeten invoegen de Regent Aroe Poure en Tomilalang Aroe oed jong meede hadden betuijgd. Terwijl de een en ander mij nog lieten weeten van ter zijden presente orsaak van het te hebben vernomen dat d' oorsaak van de quasti tusschen en soupa de. hun 'smeesters klagte over bedeenring met versoek om raad mijn antwoord de Rijken van Soupa en Tedeenring, gereesen aan de geweesen zon„ gauwa Lacasie, t' imputeeren was, also hij den laestgenoemde hadde opgestookt, om den anderen t' attacqueeren. vrijdag den 28„e viel niets voor in deesen waardig aan te teekenen. Zaturdag „ 29„e D'aanweesende sendeling van soping, bestaande in den prins visite van de sopingse Arou oedjong Poeloe nevens de Pabitjaras Poeanna Boeba en Poeanna Tanri, nevens twee mindere grooten en een sendelingen, Conformn het op eergisteren verleend acces, deesen leveren ingeschrift over. voor de middag aan mijn wooning verscheenen weesende, over„ „handigden, sij mij, zodanig geschrift als nevens dies trans„ „laat onder de bijlagen is te vinden, wijders te kennen geevende, hochun Datoe zig op den ontfangst van mijn schrijvens betreffende het geschil met den Adatourng van Sidemnring na Lampoko begeeen en gem: Adatouang hebbende laeten versoeken aldaar meede te verschijnen, denzelven daar op hadde laeten antwoorden, d' ordre van d' E Comp:e niet onderworpen te weesen, maar dat ingevalle hem zulks Bonijswegen wierd gelast, hij dan komen zoude, terwijl zij voorts betuijgden, dat de roverijen van die van sedeenring, nog al bleeven aanhouden, en daar bij om raad versogten, hoedanig zij zig, daar omtrend te ge„ „dragen hadden, wijl zij buijten 'sComp:s goedvinden niets derfden onderneemen. waar op ik hem ten antwoord gaf, dat voor zo verre zij daer meede bedoelden de enkelde roverijen van deese en geene kwaaddoenders, het van selfs sprak, dat de zodanige met geweld konden worden te keer gegaan, vermits voor het sendelingen. overige. 81 1147 te geven van d' ontfangst hoven van goa en Tello van mijn vertrek na Maros. het credentiaal voor de gecommitteerdens na aan Bonijs koning ge„ „zonden. overige de voorzigtigheijd vereijschte, om alle oneenigheden en voor al een volkomen oorlog te meijden, dat ik voor het overige, als nog mijn best zoude doen, om den Adatouang te disponeeren het onderling geschil met soping in der minne bij te leggen, voorts hun gelast denselven kennis gaf ik hun kennisse dat het vendel wel eer door de Comp„e aan van het vendel den overleeden koning van Bonij als Datoua van soping vereerd, door de Rijksgrooten aan mij was te rug gegeeven, met last hunnen meester daar van te verwittigen, en dat het zelve aan hem in der tijd met de gewoone gebruijkelijkheden zoude worden inhandigt; het geen zij, betuijgden, te zullen nakomen waar op z' hun afscheijd namen en vertrocken Hebbe ik den tweede tolk Blij, na de hoven van goa en Tello Zondag den 30„e gesonden, ter Communicatie van mijn voorneemen: om tegen Communicatie aan den den 3„e Augustus aanstaande na de noorder provintien te ver„ trecken tot het doen der vertiening en dat de maneance der zaeken, geduurende mijn absentie, aan den E: opperkoopman en secunde zouden worden opgedragen, mitsgaders dat ik tot derde tolk hadde aangesteld de persoon van Jacobus de Graaf„ die om zig te vertoocren, met Blij meede ging, voor welk een en ander, de vorst en vorstin mij lieten bedanken, on„ „der toewensching van een geluckige reijse en retour in volkomen gezondheijd. voorts liet ik door den oppertolk Brugenan den ko„ „ning van Bonij ter resumtie aanbieden het Credentiaal sedeenring en souppa voor de gecommitteerdens die van wegen de Comp„e en Bonij na sedeenring en soupa staan te vertrecken, en teffens versoeken.
English
The King of Goa has wished us a safe journey. The credential returned and again after it had been sealed. The Bone emissaries who are bound for Sidenreng cannot assist with the tithing. to request if it were possible to assign to me for the tithing, alongside the elector Arou Tjiena, the Gallarrang of Bontuala. For the first part, the monarch had his thanks conveyed to me, stating that he would present the credential to the grandees of the realm and deliver it back to me, as well as send further word concerning the Gallarrang of Bontuala. Monday the 31st The King of Goa inquired after my well-being and furthermore wished me a successful journey to the north, for all of which I sent my thanks to His Highness. Furthermore, the Bone interpreter Moentoe brought back to me the credential for the commissioners who are to depart for Sidenreng and Suppa, conveying that it was approved; and the King further requested an audience for the second Tumilalang, which was granted for tomorrow. Tuesday the 1st of August The Bone Tumilalang, having appeared this forenoon in accordance with the granted audience, handed over to me the credential for the commissioners who are to depart for Suppa and Sidenreng, conveying not only that it had been approved by the King and the grandees of the realm, but also that the emissaries from Bone were already prepared to depart, but that His Highness had stated he could not assign the Gallarrang of Bontuala to me for the tithing, since he had been entrusted with the supervision over the workmen at the grave or tomb of the deceased monarch. I had thanks conveyed to the monarch for the return of the aforementioned document, and requested that the commissioners might come to me in order to receive the credential together with those of the Company; and furthermore to inform him that I considered the excuse concerning the Gallarrang of Bontuala to be sufficient and had no objection to raise against it. Wednesday the 2nd The King of Bone having requested an audience for Arou Timoedjong, and this having been granted, and he having appeared before me this afternoon together with the emissary Laoedoe, I had the credential and the instruction drawn up for them presented to them in the presence of the junior interpreter Blij and the Captain of the Moors, insofar as the latter instruction concerns them. Thereupon I wished the said grandee of the realm good success and a safe journey, informing him that the aforementioned interpreter Blij and the Captain of the Moors would depart immediately, so that they might govern themselves accordingly; in such manner they also undertook the journey this evening alongside those of the Company. Thursday the 3rd I departed at half past four in the morning for Maros to conduct the tithing, which, insofar as that province is concerned, I settled on Friday the 4th with all the chiefs collectively. When asked by me on that occasion, according to custom, whether they had anything to say, all declared they had nothing. After they had departed, the former Ponggawa Lacasie, who had followed me, requested an audience, which was granted. Having appeared, he offered to assist me with the tithing, or rather to accompany me everywhere in person, indicating that he feared hostile encounters; but I thanked him, pointing out that I could not imagine anyone would attempt to insult me. On the other hand, I accepted his offer to provide me with two or three of his trusted men, for whom the Bone people had respect. Saturday the 5th to Sunday the 13th During this time, nothing occurred either in Maros or in Makassar worthy of being noted here, other than that the second interpreter Blij and the Captain of the Moors returned from their commission on the 12th, giving me an oral report of their experiences. Monday the 14th The King of Goa sent, through his interpreter Fonda and some other people, a soldier from the garrison to the Honorable Senior Merchant. This soldier, pretending to have been intoxicated, had gone astray and ended up in Goa, with the request that his offense might be pardoned for this once; which was promised by His Honor, the man being confined indoors. Tuesday the 15th The King of Goa again sent his interpreters Fonda and Borra to the Honorable Senior Merchant to announce that a short time ago, about eighteen days since, a subject of his had gone missing, who, according to the report His Highness had received thereof, was said to have been offered for sale to the burgher Loets or his wife, commonly called Nonje Manilha, with the request to investigate the matter, which His Honor promised to do. Wednesday
Dutch transcription
goas koning laat wij een goede rijse wenschen. het Credentiaal te rug en nogmaals na dat het gezegeld was. de bonijse zendelingen die na Gedeenring staan kan niet bij de vertiening assisteeren. versoeken om zo het doenlijk was mij, nevens de kiesheer Arou Tjiena, in de vertiening meede te geeven den glarrang van Bon„ „tuala, voor het eerste liet den vorst mij bedanken, en zeggen dat hij het Credentiaal aan de Rijks grooten vertoonen en mij weeder bezorgen mitsgaders nader bescheijd laeten zeggen zoude omtrend den Glarrang van Bontuala. Maandag den 31„e Liet den koning van goa, na mijne welstand verneemen en nog nader een geluckige reijse, naar de noord, toewenschen, voor welk een en ander, ik zijn Hoogheijd hebbe laeten bedanken. voorts wierd mij door den Bonijs tolk Moentoe weeder te rug gebragt het Credentiaal voor de gecommitteerdens, die na sedeen„ „ring en Soupa, staan te vertrecken, onder te kennen gave: dat het wel was en voorts liet den koning, acces versoeken, voor den tweeden Tomilalang het geen g'accordeerd hebben tegen morgen. Dingsdag den 1„e Augustus De Bonijs Tomilalang, Conform het g'accordeerde acces, deesen voormiddag verscheenen zijnde, overhandigde denselven mij het Credentiaal voor de gecommitteerdens die na soupa en sideenring staan te vertrecken, onder te kennen te vertrecken zijn gerud. gave: niet alleen dat het zelve door den koning en Rijksgroo„ „ten was goed gekeurd, maar ook de sendelingen van Bonij reets gereed waeren, dog dat zijn Hoogheijd betuijgd hadde den glarrang Bontuala mij den glarrang van Bontuala, niet te kunnen toevoegen in de vertiening, vermits aan denzelven het opzigt was gedemandeerd over de werklieden, aan het graf of de tombe van den overleeden vorst. Jk liet den vorst voor de terug zen„ „ding der voorm: acte bedanken en versoeken dat de gecommitteerdens. ontfangen. 83 1149 aan de bonijse gecom„ de Comp:e vertrocken en ik na Maros de vertiening geregu„ „leerd. „casie om mij in de vertiening te verzellen afgeslagen. gecommitteerdens, mogten bij mij komen, om hun nevens die van de Comp„e het Coedentiaal t' inhandigen en voorts weeten; dat ik het excus omtrend den Glaraang van Bontuala, voor voldoende aanmerkende, daar tegen niets konde inbrengen. De koning van Bonij voor Arou Timoed jong acces, hebbende woensdag den 2„e laeten versoeken, en zulks g'accordeerd mitsgaders denzelven mitteerdens. deesen namiddag, nevens de sendeling Laoedoe, bij mij, ver„ „scheenen weesende, liet ik hun, in presentie van den onder„ tolk Blij en Capitain der Mooren het Credentiaal en de d' Jnstructie voorgehouden Jnstructie voor hun ingesteld, voorhouden, in zo verre de laatste hun aangaat, waar na ik gem: Rijks groot een goed succes en geluckige reijse toewenschte, onder te kennen gave dat voorm: Tolk Blij en Capitain der Mooren ten eersten vertrecken zoude, ze zijn nevens die van om zig daar na te reguleeren in voegen deselve deesen avond ook de reijse ondernomen hebben. Ben ik des morgens ten half vijf uuren na Maros vertrocken, Donderdag den 3„e om de vertiening te doen; dewelke ik zo verre die provintie aangaat, op Met de gezamentlijke hoofden hebbe gereguleerd, dewelke door mij bij die gelegentheijd, na gewoonte afgevraagd of z' iets te zeggen hadden, alle betuijgden van Veen Na dat deselve vertrocken waeren, liet der geweesen d'aanbieding van la„ Pongauwa Lacasie, die mij gevolgd was, om acces ver„ „soeken 't geen g'accordeerd en hij verscheenen zijnde, presenteerde denzelven mij om de vertiening meede te vrijdag den 4„e doen. de tolk Blij C: s: van sedeenring geretourneert zeker militair, die ab„ gebragt. dat een onderdaan van doen dan wel mij over al in persoon te versellen, te kennen gee„ „vende dat hij bedugt was, voor kwaede ontmoetingen, dog ik bedank„ „te hem, onder vertooning, dat ik niet denken konde, dat mij iemand zoude tragten te beledigen, dog daar en tegen accep„ „teerde ik, zijne aanbieding om mij, twee â drie zijner ver„ „trouwelingen meede te geeven voor welke de Boniers ontzag hadden. Zaturdag den 5„e in deesen tijd is zo min op Maros als op Macasser iets Zondag „ 13„e gepasseerd waardig om in deesen genoteerd te worden dan dat den tweede tolk Blij en Capitain der Mooren den 12„e van hun Commissie te rug kwamen mij enondeling van hun wereder„ „vaeren verslag doende. Maandag den 14„e Liet den koning van goa, door zijn tolk Fonda en eenig an„ „sent was van goate aug„ der volk, bij den E: opperkoopman brengen een militair uijt 't guarnisoen, die voorgeevende beschonken te zijn geweest, aan het dwaelen geraekt, en op goa was ter houw gekomen, met versoek dat zijn misdrijf voor dit maal mogt worden gepardonneerd; het geen door zijn E: is toegezegt, denzelve enzel binnen ge„ bannen zijnde. Dingsdag den 15„e zond den koning van goa, zijne tolken Fonda en Borra, goas koning toegezegt weder bij den E: opperkoopman ter bekendmaeking dat weijnig ƒ ƒ hen sal vernomen worden tijd of wel agtien dagen geleeden een onderdaan, van hem, was absent geraakt, die na de bericht, welke zijn Hoogheijd, daar van hadde gekreegen zoude te koop gebragt zijn, bij den burger Loets of desselfs huijsvrouw (: in de wandeling genaamd:/ Nonje Manilha, met versoek om daar na onder„ „soek te doen het geen zijn E: belooft heeft. woensdag.
English
8 1151 Wednesday the 16th informed him that the alleged buyer denied the purchase. Promised the Boutonese interpreters the return of a bottle of saguweer. Nothing of importance occurred. From Friday the 18th until Sunday the 20th Nothing occurred. The King of Goa having sent his interpreters again, to ask the Honorable Senior Merchant for an answer concerning his missing subject, mentioned sub the day before yesterday, His Honor had the reply served that, having called Nonje Manilha before him, she had said that she indeed had bought a slave, but that this had been a long time ago, and had already occurred before the departure of the last vessels to Batavia, with one of which she had sent the same. Thursday the 17th Monday the 21st an envoy from the present Boutonese ambassadors came to inform the Honorable Senior Merchant that one of the servants of the Farmer of strong liquors had taken a bottle of saguweer from one of their people, which they had ordered to be fetched from the Campong of the Buginese, with the request to be informed whether the Farmer was entitled to do so, whereupon it was answered by His Honor that he would give orders to return the aforementioned bottle. Nothing occurred except that on the first mentioned day I received a note from the Queen of Tanette, whereupon I let Her Highness know that I would send her an answer by an envoy. Received a note from Tanette's Queen. Tuesday the 22nd Wednesday the 23rd Thursday the 24th Friday the 25th Being at Labackang, I sent an envoy to the Queen of Tanette to inform her that I had received her letter too late to grant what was requested therein, but that I hoped to speak to her in person, requesting therefore that she pay me a visit at Mandellij, whither I intend to depart toward the 30th of this month; adding that I also wished to converse with Her Highness about some matters of importance. Had Her Highness invited to a visit at Mandallij. Saturday the 26th nothing occurred. Sunday the 27th The envoy sent by me to the Queen of Tanette returned, with the answer that Her Highness had promised to come to me at Mandellij. That she promises. Monday the 28th and Tuesday the 29th Nothing remarkable occurred. Further answer to the inquiry of Goa's King after his subject. The King of Goa having again reminded the Honorable Second through his interpreters of the message delivered concerning His Highness's subject, who was supposedly bought by the wife of the burgher Loets, alias Nonje Manilha, His Honor had it answered that she denied the purchase, or pretended that the slave bought by her was not the same one who had gone missing so recently, requesting nonetheless to please have patience until my return from the north, when His Honor would inform me of it in order to be able to have a further investigation conducted in that regard. Wednesday the 30th Thursday the 31st and Friday the 1st of September, nothing unusual occurred, except that the Queen of Tanette arrived at Mandallij, where I was staying, and gave notice of her arrival, for which communication having expressed my thanks, I sent an envoy to welcome Her Highness with the request to pay me a visit tomorrow morning. The Queen of Tanette arrived at Mandallij. 87 1153 Saturday the 2nd The Queen of Tanette appeared before me, with whom, after some discourse exchanged on indifferent matters, I conversed at length in the most emphatic, yet at the same time as gentle as possible terms, regarding the discord between her children and particularly regarding the excesses of those who stayed on Tanette, both toward their own subjects and others, admonishing Her Highness to take timely precautions against the further progress of that evil and the calamities that were otherwise naturally to be expected therefrom, to the ruin of her country and misfortune for her person and family, all of which I placed before her eyes at the same time, which she declared to be the truth, giving assurances that she would keep my advice and admonition in mind and comply with it. Visit from and discourse with her about the bad conduct of her children. Her promise. The requested inquiry into her claim on paddy fields postponed also. After which I pointed out to her how the late receipt of her letter after my departure from Maros had been the reason that no inquiry could be made this time regarding her claim on various paddy fields, that I would appoint experts for that purpose whenever she would likewise merely name someone for it and send them to me, which she accepted, expressing her gratitude for it at the same time.
Dutch transcription
8 1151 woensdag den 16=e hem berigt dat de pre„ ontkende. Aan de Toutouse tolken „zorging van een fles Haar Hoogheijt tot een visite niets van belang voorgevallen De koning van Goa zijne tolken weder gezonden hebbende, om Donderdag „ 17=e den E: opperkoopman antwoord te vragen omtrend sijn absint ge„sente koopster de koop raekte onderdaan, vermeld sub eergisteren, heeft zijn E: daar op laeten dienen, dat hij Nonje Manilha, bij zig hebbende laeten roepen, zij gezegt hadde wel een slaaf gekogt te hebben, maar dat zulks al een lange tijd geleeden waare, en reets voor het vertrek van de laatste vaartuijgen na Batavia ge„ weest was, met een van dewelke zij denzelven verzonden hadde Niets gepasseerd kwam een sendeling van d' aanweesende Boutouse gezanten Maandag „ 21„e den E: opperkoopman bekend maeken dat een der Dienaren toegezegt de te rug be„ van de Pagter der sterke dranken van een van hun volk Paguweer een fles met saguweer hadde afgenomen, welke zij uijt de Campong der Bougineesen hadde laeten hallen, met versoek, om daar omtrend g'informeerd te worden of den P agter daar toe geregtigt was, waar op door zijn E: tot bescheijd gegeeven is, dat hij ordre zoude stellen om de ge„ „melde fles te rug te geeven. Niets gepasseerd van dat ik ten eerst gem: dage een briefje Dingsdag den 22:' van de koningen van Tanette ontfing, waar op ik haar Hoog woensdag „ 23„e „heijd liet weeten dat ik haar door een sendeling antwoord zoude zenden Donderdag „ 24„e een briefje van Tanets koningin ontfangen. Vrijdag den 25„e Hebbe ik, op Labackang zijnde, een sendeling gezonden aan de koninginne van Tanitte, ter bekendmaeking dat ik opmandallij laten nodigen vrijdag den 18„e tot 3ondag „ 20„e haar. .. . . . . nader antwoord op de in„ „formatie van goas koning na zijn onderdaan. Donderdag den 31„een Vrijdag de koninginne van Tanette op mandallij g'arriveerd. haar brief, te laat ontfangen hadde, om het daar bij versogte te accordeeren, dog dat ik haar zelfs mondeling hoopte te spree„ „ken, met versoek dierhalven om mij op Mandellij, verwaarts ik tegen den 30„e deeser meene te vertrecken, een visite te geeven; onder bijvoeging, dat ik haar Hoogheijd ook over ee„ „nige zaeken van belang wenschte t' onderhouden. Zaturdag den 26: is niets voorgevallen „ 27„' Reverteerde den sendeling door mij na de koninginne zondag dat zij toezegt van Tanette gezonden, met antwoord dat haar Hoogheijd belooft hadde, op Mandellij bij mij te zullen komen. Maandag den 28„e en niets merkwaardigs voorgevallen. Dingsdag „ 29„e woenddag „ 30:e De koning van Goa door zijne tolken aan den E: secunde, weeder hebbende doen endagtigen, de gedaene boodschap over zijn Hoogheijts onderdaan, die door de vrouw van den burger Loets /:alias:/ Nonje Manilha, zoude gekogt weesen, zo heeft zijn E:, daar op doen antwoorden dat zij den koop negeerde, of voor gaf dat de door haar gekogte slaaf, de„ „zelve niet waare die zo kort vermits was, met versoek nogthans om geduld te willen hebben, tot mijne te rug komst van de noord, wanneer zijn E: mij daar van ken„ „nitse geeven zoude, ten eijnde dierwegens nader on„ „derzoek te kunnen laeten doen. „ 1„e September, niets sonderlings gepasseerd, dan dat de konin„ „ginne 87 1153 visite van en discour met haar over het quaad haar pretentie op Padij koninginne van Tanette, op Mandellij arriveerde, alwaar ik mij bevond, en van haar komste deed kennisse geeven voor welke Com„ „municatie ik bedankt hebbende, zond ik een sendeling, om haar Hoogheijd te verwelle komen met versoek om mij, morgen ochtend een visite te geeven. verscheen de koninginne van Tanette, bij mij, die ik na eenige ge„zaturdag den 2„e „wisselde discoursen, over onverschillige zaeken in de nadrucke„ „lijkste, dog teffens zo zagt mogelijke bewoordigen in het breede gedrag harer kinderen. onderhield over de twee spalt tusschen haare kinderen en in het bijsonder over de buijten spoorigheden van de geene die zig op Tanette onthielden, so omtrend d'eijgen onderdaenen als anderen, Haar Hoogheijd vermaenende, om in tijds te voorsien tegen den verderen voortgang van dat kwaad en d'onheijlen die daar uijt andersints natoir te wagten waaren, tot bederf van haar land en ongeluk voor haar persoon en famille, welk een en ander, ik haar haar belofte te gelijk voor oogen stelde,'t geen zij betuijgde de waarheijd te weesen, verseekering doende, dat zij mijnen raad en vermaening in gedagten houden en nakomen zoude waar na ik haar voorhield, hoe de laete ontfangst van haar 't versogte ondersoek na brief na mijn vertrek van Maros oorsaeke geweest zijnde, velden uijtgesteld. dat omtrend haar pretentie op diverse padij velden, geen ondersoek ditmaal hadde kunnen gedaan worden, ik daar toe des kundige Committeeren zoude, wanneer zij daar toe insgelijks maar iemand wilde benoemen, en bij mij zenden, het geen zij aannam, daar voor te gelijk dank betuij„ gende. ook.
English
There also arrived here the court interpreter of Bonij, Passeere, informing me on behalf of his master the king that the Wadjorese had sent envoys to Macasser to condole the court on the death of the old prince, for which I conveyed my thanks. Sunday the 3rd, nothing happened. Monday the 4th, I departed from Mandalle early in the morning, and after having stayed overnight on Sabouton, Tuesday the 5th, I returned to Macasser at seven o'clock in the evening, finding everything in good order. Wednesday the 6th, the present envoys from Bouton sent to inquire after my health, offering congratulations on my return. Furthermore, the elector of Bonij, Arou Tsiena, appeared before me, whom I kindly thanked for his assistance. In the evening, after requesting an audience beforehand, the former pongauwa of Bonij, Lacasie, appeared before me; after holding some inconsequential conversation, he requested to depart for Siang, which I granted, expressing my gratitude for the persons assigned to assist me in collecting the tithes. Thursday the 7th, I notified the courts of Bonij, Goa, and Tello of my return from the north, informing the king of Bonij that the collection of tithes had ended without the slightest difficulty, and expressing gratitude for the measures taken, including the summoning of the princes of Bonij who had previously been there, as well as the assignment of the elector Arou Tjiena as commissioner, which I let His Highness know had given me great satisfaction. From Friday the 8th to Tuesday the 12th, nothing noteworthy occurred. Wednesday the 13th, the Queen of Tello, having sent me her customary interpreter, Carre Mang-ase, alongside a certain Pandjai, informed me that she had appointed the latter as co-interpreter due to the advancing age of the former, and requested that he be recognized as such; I granted this and, as usual, had it recorded at the secretariat. Furthermore, I was informed that a fire broke out in Goa this past night, by which seven houses were reduced to ashes. Thursday the 14th, nothing occurred. Friday the 15th, I sent the third interpreter, De Graaf, to the King of Goa to request that His Highness send me some persons who could testify that his subject, last mentioned under the 30th ultimo, went missing only after the departure of the last vessels to Batavia on 16 July, and was sought at Nooje Manilha, and also to send the seller, Sawale; to which the prince let me know he would send a reply. Furthermore, the present envoys from Bouton informed me that the prince of Bonij had invited them to the feast to be held on the occasion of the conclusion of the hundred days of mourning for the late deceased king, which I approved. Hereafter, the aforementioned former pongauwa requested an audience with me, which I granted for tomorrow afternoon. Saturday the 16th, I sent the chief interpreter, Brugman, to the King of Bonij to inquire whether the Adatouang of Sedeenring and Arou Soupa had already arrived, in order to settle their mutual dispute amicably, and also whether it would now suit His Highness, according to his promise, to pay me a visit before my departure for Maros, with the request that he come only with the regent, Madanrang, and the second Tomilalang. On the first point, Brugman brought me the answer that Arou Soupa had already arrived, but the Adatouang of Sedeenring had not yet; as soon as the latter also appeared, His Highness would give notice thereof. Regarding the second point, His Highness himself desired to wait upon me, but requested to know when it would be convenient for me to receive him. Furthermore, the King of Goa sent his interpreter with a reply to my message of yesterday, stating that His Highness could not send me the seller of his subject, because he was staying with Aroe Mampoe, requesting nevertheless that
Dutch transcription
de wadjoreesen hebben het bonijs hof den rouw doen beklagen over 's konings afsterven. Lacasie g'accordeert we„ „trecken. Donderdag den 7„e de vorsten verwittigt en aan Bonij van de ook arriveerde alhier den Bonijs-hof- tolk Passeere mij uijt naam van zijn meester de koning berichtende, dat de wad soreesen sendeling na Macasser hadden gesonden, om het hof te Condoleeren over het afsterven van den ouden vorst, waar voor ik hebbe laeten bedanken Zondag den 3„e is niets gepasseerd Maandag „ 4„e Ben ik in d' vroegen morgen van Mandellij vertrocken, en na, des den gouverneur van man„ nagts op Sabouton verbleeven te zijn des „dalle vertrocken. Dingsdag den 5„e 's avonds ten zeven uuren op Macasser te rug gekomen vin„ en op macasser gereverteert „dende alles zeer wel. woensdag den 6„e Laeten d' aanweesende gezanten van Bouton onder een Compliment Compliment van de bou„ van geluk wensching over mijn terug komst, na mijn welstand „tonde gezanten. verneemen. tot de vertiening bedankt. de bonijs gecommiteerde, voorts verscheen den kiesheer van Bonij Arou Tsiena bij mij, die ik voor zijn assistentie vriendelijk hebbe bedankt, wijders verscheen des avonds na voor af versogt acces, bij mij „der na Siang te ver„ den geweesen bonijs Pongauwa Lacasie, die mij na het houden van eenige onverschillige discoursen verzogt werder aa Siang te vertrecken 't geen ik accordeerde onder dankzegging voor de mij ter assistentie in de vertiening toegevoegde persoonen. Hebbe ik aan de Hoven van Bonij, goa en Tello van van mijn te rug komst mijn retour van de noord doen kennisse geeven, onder be„ „deeling van Bonijs koning dat de vertiening zonder eenige de minste moeijelijkheden afgeloopen was, en dank betuijging voor de gestelde ordre, tot op ontbod van de Bonijse Princen, die zig uijtslag der vertiening onder dank betuijging daar. 1155 een nieuwe tolk van bij den koning in for„ „matie gevraagd om„ „trend zijn absenten on„ „derd aan. daar bevoorens bevonden hadden, mitsgaders de toevoeging van de kiesheer Arou Tjiena als gecommitteerde die ik zijn Hoogheijd liet weeten, dat mij veel genoegen hadde gegeeven. is niets noteerens waardig voorgevallen... . . De Koninginne van Tello mij nevens haeren gewoonen woensdag „ 13„e tolk Carre Mang-ase gezonden hebbende, eenen Pandjai Tello benoemt met Communicatie, dat zij denzelven mits de toeneemende ouderdom, van den eersten, tot meede tolk hadde aangesteld en versoek dat denselven dierhalven als zodanig mogte worden erkend, zo hebbe ik zulks g'accordeerd en daar van na gewoonte aanteekening doen houden ter secretarij. voorts wierd mij bedeelde, dat 'er deesen gepasseerde nagt brand brand in goa in goa geweest was, waar door seven huijsen en d' assche gelegt waaren. Hebbe ik den derde tolk de graaf na den koning van goa vrijdag „ 15„' gezonden, om te versoeken dat zijn Hoogheijd mij eenige per„ „soonen toesenden zoude, die getuijgen konden, dat zijn on„ derdaan laast vermeld sub 30„e passato, eerst na het vertrek der laatste vaartuijgen na Batavia zijnde geweest, den 16„e Julij, was absent geraakt en aan Nooje Manilha verzogt, en voorts ook den verkooper sawale waar op mij dien vorst weeten liet, antwoord te zullen zeiden. wijders lieten d' aanweesende gezanten van Bouton mij viel niets voor - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Donderdag den 14„e vrijdag den 8„e tot Dingsdag „ 12„e kennisse. de Boutonse gezanten op een bonijs festijn g'in„ „viteert. toegezegt Arou soupa reets opge„ „komen dog den datoe van sedeenring niet. visite aan mij te geven. antwoord van goas ko„ „ning nopens sijn onderdaan. kennisse geeven, dat Bonijs vorst hun hadde doen inviteeren op het te houden fistijn ter gelegentheijd van de gepasseerde hon„ „derd rouw dagen over wijlen den overleeden koning, 't welk ik g'accordeerd hebbe. de gen: bongauwa acces Hier na liet den geweesen Pongauwa acces bij mij vragen 't geene tegen morgen na de middag toegezegt hebbe Zaturdag den 16„e Hebbe ik den oppertolk Brugman, na den koning van Bonij gezonden, om te verneemen of de Adatouang van Sedeenringen Arou soupa reets waeren g'arriveerd, ten eijnde hun onderling geschil in der minne te kunnen afmaeken en zo meede of het zijn Hoogheijd nu geleegen mogt komen, mij, na volgens desselfs gedaene toezegging, voor mijn vertrek na Maros, een visite te geeven, met versoek als dan eenlijk te komen met den Rijks„ „bestierder, Madanrang en den tweeden Tomilalang, op welk„ eerste poinct Brugman, mij, tot antwoord bragt dat Arou soepa reets was opgekomen, dog den Adatouang van se„ „deenring, nog niet, dat zo dra den laatsten meede zoude ver„ Bonijskoning belooft en scheenen weesen, zijn Hoogheijd daar van kennisse zoude geeven„ en omtrend het tweede dat zijn Hoogheijt zelfs verlangende, mij te komen op wagten, maar verzogt te weeten, wanneer het mij gelegen zoude komen, hem, t' ontfangen. voorts zond den koning van goa desselfs tolk met antwoord op mijne boodschap van gisteren dat zijn Hoogheijd, mij, de verkooper van zijn onderdaan niet konde toezenden, vermits hij zig bij Aroe Mampoe onthield, met versoek nogthans dat.
English
that further inquiry into the matter might be conducted, upon which it was reported to me by the chief interpreter that he had already sent someone to Arou Mampoe, but the latter had declared not to know where he was, so I have made this known to the ruler, nevertheless with the promise that I would do my best to help him. In the afternoon, the former Pongauwa Lacasie appeared before me at the request of the Bonian, accompanied by Arou Theeko, Arou Tha, and Daeeng Masona, announcing: that he wished to hand over a certain deed granted in the year 1705 to the widow of a certain sjeh Joseph, named Care koentoe, who had been the grandmother of his deceased wife Aroe Kajoe, being the mother of the aforementioned Arou Theeko, rightly named La oempoe, to the last-named as the nearest descendant of Care Koentoe, since he had fathered no children with that woman, Arou Theeko's mother, with a request not only for my consent thereto, but also that a record thereof might be kept, further recommending Arou Theeko and the rest of the family of Care koentoe into the Company's protection: which requests I granted, the copy of that deed being found among the appendices, the original being engraved on a silver plate, but solely in Dutch. Furthermore, he requested that, since everything was quiet here at present and nothing seemed to be feared in the interior either, he might make a trip to Lagoesie with his wife in order to pay a visit to her children and other family residing there, promising that if anything of note should come to his attention, he would report it to me as soon as possible, and further indicating how much he desired the opportunity to demonstrate his loyalty to the Company, as his late father, the deceased king, had been permitted to do, while at the same time offering, whenever the Company desired, to attack the enemies of the Company and Bonij, especially to recapture the Company's overrun post at Bwool and bring the rebels to reason. To which last offer I replied that, since Bwool fell under the government of Ternaten, and I was moreover ignorant of the present state of affairs there, I could not make use of his offer, but that, considering it a proof of his attachment to the Company, I would inform Their High Noble Excellencies thereof in accordance with his request; that I could further now agree to his departure for Lagoussie, considering the reports that everything was very quiet in the interior, and the Wadjorese had even sent an embassy to the court of Bonij to offer condolences over the demise of the king, his father, which he said was the truth, adding that the Madanrang, or Kingdom's General, who resides in Wadjo on behalf of Bonij, had likewise come up for the aforementioned purpose, and had handed over all the regalia in his keeping to the present ruler according to custom, while he otherwise expressed thanks for the consent granted to him, took his leave, and departed. It being reported to me afterwards by the chief interpreter how complaints had reached him that Craeeng Barombong, by means of some people from the settlement Mandai lying in the territory of Goa, had caused various water buffaloes and other goods to be seized both from the Company's subjects living there and from the Bonians and Makassarese, namely: from the subjects, 20 water buffaloes, a kris, an assegai, and a parang; from the Bonians, also twenty water buffaloes; and from the Makassarese, 12 water buffaloes; and this on the grounds that a few days ago one of his horses was stolen, even though the same had been found by his envoys with a son of the glarrang Todiang and brought back from there. I have therefore ordered that official to lodge the most serious complaint about this with the king of Goa, and to point out the unreasonableness and unfairness of Craceng Barombong's actions, with the warning that, should such happen again, I would take satisfaction myself by meeting force with force. The aforementioned chief interpreter, this morning for the aforementioned purpose, Sunday the 17th, with
Dutch transcription
gt 1159. „gauwa aanteekening gehouden van zeekere acte. hij beveeld de familie van zeeker prister in 'sComp:s protectie. dat na de zaak verder ondersoek mogte worden gedaan, waar op mij door den oppertolk, gerapporteerd zijnde, dat hij bij Arou Mampoe reets gezonden, dog deese betuijgd hadde niet te weeten waar den selven was, zo hebbe ik den vorst zulks doen bekend maeken, met belofte nog thans dat ik mijn best zoude doen, om hem te helpen. Des nademiddags verscheenden geweesen Pongauwa Lacasie op versoek van den bon„ bij mij, verzeld van Arou Theeko, Arou Tha en Daeeng„ Masona, te kennen geevende: dat hij zeekere acte in den Jaare 1705. aan de weduwe van eenen sjeh Joseph ver„ „leend; met name Care koentoe, die geweest was de groot„ „moeder van zijn overleeden vrouw Aroe Kajoe, zijnde de moeder van opgem: Arou Theeko, ten regte genaamd La oempoe, aan den laast gemelde als de naaste afstam„ „meling van Care Koentoe wilde overgeeven, vermits hij, bij die vrouw, Arou Theekos moeder, geen kinderen had„ „de verwekt, met versoek om daar toe niet alleen mijn Con„ „sent maar ook dat daar van aanteekening mogte worden gehouden; Arou Theeko en de verdere famille van Care koen toe verder in 'sComp„s protectie beveelende: wel„ „ke versoeken ik g'accordeerd hebbe, zijnde de Copij dier acte onder de bijlagen te vinden, het origineel gegraveerd weesende, op de silveren plaat dog enkel in het neder„ „duijtsch. voorts versogt hij wij om vermits thans alles hier stil was, hem g'accordeert een keer na Lagoessie te doen. bied aan om zig tot ver„ „der bemagtiging van Bevool te laten gebruijken. hem belooft daar van kennisse te zullen geven. Confirmeert de besending door de wadjoreesen aan het hof van Bonij was, en 'er in de binnen landen ook niets te dugten scheen, ne„ „vens sijn vrouw, een kier na Lagoesie te doen, ten eijnde haare daar woonagtige kinderen en verdere famille een bezoek te gee„ „ven, onder belofte, zo hem iets van aanmerking mogte voorko„ „men, mij zulks ten aller spoedigsten te zullen berichten, en wijders te kennen geevende, hoe hij gaarne wenschte de nade gele„ „gentheijd om zijn trouw voor de Comp:e te kunnen betoonen, zo als wijlen zijn vader den overlieden koning hadde mogen gebeu„ „ren, terwijl hij te gelijk aanbood, om, wanneer de Comp:e zulks begeerde de vijanden van de Comp„e en Bonij t' attacqueeren, insonderheijd om 'sComp„s overrompelde past te Bwool wee„ „der te bemagtigen en d' oproerigen tot reden te brengen. op welk laatste ik diende dat, vermits Bwool onder het gouvernement Ternaten sorteerde, en ik buijten des van de tegenwoordigen toestand der zaeken, aldaar onkundig was, ik van zijn aanbieding geen gebruijk konde moe„ ken dat ik deselve nogthans aanmerkende als een bewijs van zijne aankleeving tot de Comp:e daar van Conform zijn versoek aan Haar Hoog Edelhedens kennisse zoude geeven; dat ik wijders als nu in zijn vertrek na La„ „goussie wel konde bewilligen, geconsidereerd de tijdingen dat alles in de binnen landen zeer stil was, en de wadjoree„ „sen zelfs een bezending hadden gedaan aan het Bonijs hof om den rouw te beklaegen, over het afsterven van den koning zijnen vader, het geen hij zeijde, de waarheijd te weesen er 1161 op de klagte over Craeng Barombong over t'af„ „neemen van buffels van 's Comp:s onderdanen. 'er bij voegende dat ook de Madanrang of Rijks-veld hier die van wegen Bonij in wadjo resideert insgelijks ten voorsz: eijnde opge„ „komen was, en alle de onder zijn berusting zijnde rijksornamen„ „ten na het gebruijk aan den presenten vorst overhandigd hadde, terwijl hij voor 't overige voor het hem verleende Consent dank betuijgende, zijn afscheijd nam en vertrok: Mij hier na door den oppertolk gerapporteerd zijnde, hoe hem klagte te vooren gekomen waeren, dat Craeeng Barombong door eenig volk van de negorij Mandai leggende in het gebied van goa zo wel van 'sComp„s aldaar woonagtige onderdaenen als van de Boniers en Macassaeren verscheijde buffens en andere goederen hadde laeten afneemen, namentlijk: van d' onderdaen en 20: buffels, een kris, een assegaij en een parang van de Boniers meede twintig buffels, en van de Macassaeren 12: buffels en zulks ter oorsaeke 'er eenige da„ „gen geleeden, een zijner paerden gestoolen was, of schoon 't selve door zijne zendelingen, bij een zoon van den glarrang Todiang gevon„ „den zijnde, ook van daar te rug gebragt was. zo hebbe ik dien bediende gelast, om daar over bij den koning van goa, op het aller ernstigste te doleeren en d' onredelijkheijd en onbillijk„ „heijd van Craceng Barombongs gedoentens aan te toonen met voorhouding dat ik, zulx weeder gebeurende, selfs sa„ „tisfactie zoude neemen, door geweld met geweld, te keer te gaan. voorm: oppertolk zig deesen morgen ten eijnde voorsz: zondag den 17=e bij.
English
tion demanded. Complaint about threats made by Arou Pantjana against the Company's subjects, as well as about the plundering of their goods. having presented himself to the king of Goa and executed his order, he reported to me in the afternoon that His Highness, having declared that he was no less astonished than displeased at the conduct of Craeng Barombong, would dispatch the shahbandar together with Craeng Bonto to him and demand back what had been robbed, as well as give me notice thereof upon receipt of the same. Furthermore, there arrived here the sulewattang of Craeng Catene and the Matoa of Lokaij to make known that Arou Pantjana, just after my departure from Mandalle, which was on the 4th of this month, had sent a certain Daeng Parangi to the said Matoa of Lokaij with a message containing that, if he saw to it that a certain subject—whom during my presence there I had caught in the act of intending to commit theft and who, moreover, according to his own testimony had already made himself guilty thereof, had caused to be seized and put in irons—were returned, all would be well, but that otherwise much evil was to be expected for him from it, with other such threatening words besides; and also that a certain Maradia Talengoro, being a nephew of Arou Beloe who stays at Pantjana, had plundered and robbed the goods of various subjects, which he pretended belonged to him, and had caused the same to be transported to Pantjana, requesting my assistance regarding both matters, which I promised them, with orders to be on their guard against all evil undertakings of Arou Pantjana, and also to notify Craeng Catene of this in my name; whereupon I immediately dispatched the emissary Patjilang to Arou Pantjana to warn him against such threats as he had made with regard to the captured thief—who is far more a subject of the Company than a Tanetterese—and especially to take careful heed against the execution thereof, if he did not wish to experience my grave displeasure and expose himself to greater misfortunes than he might inflict upon others; and furthermore to demand restitution of the stolen goods, pointing out that the claim made by Arou Beloe upon the owners had already long since been found unfounded and rejected. Pursuant to the promise made by the king of Boni to pay me a visit, I had His Highness invited for a private visit the day after tomorrow through the second interpreter Blij, whom I at the same time ordered to propose to the prince that he appear only with the Makadantana, the Madanrang or Arou Poure, the second Tomilalang, and one or two other grandees, and no more. Upon his return, he brought me word that the prince had agreed to this, except with regard to the Makadantana, as he would not be able to come due to indisposition. Tuesday the 19th. Nothing occurred. Wednesday the 20th. Around ten o'clock in the forenoon, the king of Boni having appeared before me, he brought along, besides the Regent Arou Poure and the second Tomilalang Arou Oedjong, such a large number of grandees of the realm that I was thereby put in an awkward position regarding the matters that I had intended to negotiate with the prince and the two first-named ministers, the more so as I could not well go into a separate room with them without danger that my dwelling and furniture would be ruined by the large number of bodyguards that they and the other courtiers had brought along, or that other misfortunes might arise. But having to accommodate myself to the circumstances, I made known that, as the grandees of the realm had promised to deliberate upon the affairs of the realm after the conclusion of the days of mourning, I had therefore requested them to come to me to learn whether they would still send an embassy to Batavia this year, or by what time, in order to communicate to Their Right Excellencies the demise of the late old prince and the accession of the present king to the throne; and furthermore, that as they had also promised me before my departure to the north that they would surrender the islands of Coelambie and Leija, together with the paddy fields in eighteen distinct places in the northern provinces, which during the last part of the life of His late Highness had remained untithed, I now desired to know when it would suit them to appoint commissioners for that purpose, so that the Company might also do so, in order that this surrender might take effect. With respect to which points Arou Poure, speaking on their behalf, replied that they would not be able to send an embassy this year, and not earlier than in October of the coming year, as the season was already too far advanced to get everything ready, requesting that I might inform Their Right Excellencies of this in my letters and excuse them, which I promised to do. On the other matter, he indicated that the commission for the surrender of the islands and lands could proceed next Saturday; but upon this, being asked by me how he understood that surrender and what he thought ought then to be done by the commissioners, he replied:
Dutch transcription
„tie g'eijscht. klagte over gedane be„ „dreijgingen door Arou Pantjana aan'tComp:t onderdaenen. zomeede ov en tes plun„ „deren hunner goederen. bij goas koning satifie, bij den koning van goa, vervoegd, en zijnen last uijtgevoerd hebben„ „de, bragt den zelven mij des middags tot rapport dat zijn Hoogheijd betuijgd hebbende, over het gedrag van Craeng Barombong niet minder verworderd als misnoegd te weesen, den sjabandhaar ne„ „vens Craceng Bonto aan den zelven zoude afvaardigen en het geroofde doen te rug vorderen mitsgaders bij ontfangst van dien„ mij, daar van kennisse doen geeven. voorts arriveerde alhier de soelewattang van Caaeeng Ca„ „tene den Matoua van Lokaij E: ter bekendmaeking dat Arou Pantjana, even na mijn vertrek van Mandalij dat gewuest is den 4„e deeser, eenen Daeeng Parangi bij gemelde Matoua Lokaij E: gezonden hadde, met een boodschap behelsende, dat wanneer bij besorgde dat zeekeren onderdaan, die ik bij mijn aanweesen aldaar als op de heete daad betrapte dieverij te willen pleegen en daar en boven zig volgens eijgen getuij„ „genis daar aan reets schuldig gemaakt hebbende, doen oppac„ „ken en in de ketting hebbe laten klinken, te rug gegeeven wierd, het dan wel zoude weesen, dog dat daar uijt anders voor hem veel kwaad te wagten waare, met andere diergelijke dreijgende bewoordingen meer zo meede dat zeekeren ma„ radia Talengoro, zijnde een Neef van Arou Beloe, die zig te Pantjana onthoud de goederen geplunderd en geroofd hadde, van diverse onderdaenen, welke hij oor gaf, dat hem toebehoorden en deselve na Pantjana doen vervoeren. g 1163 „zonden niet weder bedreij„ doen vorderen. de koning van Bonij C: s: g'unviteert. vervoeren; versoekende omtrend het een en onder mijne adjude die ik, hun, hebbe toegezegt met bevel om tegen alle kwaede onderneemingen van Aroe Pantjana op hun hoede te weesen en zulx Craeng Catene meede uijt mijn naam aan te zeggen waar op ik ten eersten den sendeling Patjilang te gelijk hem een zendeling ge„ na Arou Pantjana hebbe afgezonden, om den zelven te „ ging. waarschuwven zig voor diergelijke bedreijgingen, als hij, met op sigt tot den opgevatten dief, die veel eer een onderdaan van de Comp:e dan Tanetterees is, en voor al voor d' uijtvoering van dien zorgvuldig te wagten, zo hij mijn ernstig misnoe„ „gen niet wilde ondervinden en zig zelve exponeeren aan graoter onheijlen, dan hij anderen zoude mogen toebrengen, en het groofde te rug en om voorts restitutie t' eijsschen van de geroofde goede„ „ren, onder voorhouding dat de pretentie door Arou Be„ „loe, op d' eijgenaeren gemaakt als bereets voor lange ongefundeerd bevonden, en ontzegt was. Na volgens de gedaene toezegging van den koning van Bonij, Maandag den 18„e om mij een bezoek te geeven, hebbe ik zijn Hoogheijt tot een appart visite tegen overmorgen doen miniteeren, door den tweeden tolk Blij, die ik teffens gelaste den vorst voor te stellen, om alleen te verschijnen met den Makadantana, de Madanrang of Arou Poure de tweede Tomi„ „lalang en nog een of twee grooten zonder meer. den„ zelven te rug komende zo bragt hij mij berigt, dat den vorst. hij verschijnt met een „grooten. haar gevraagd wanneer er een gezandschap na Batavia zoude gaan. vorst het een en ander toegezegt hadde, behalven ten op zigt van den Makadantana vermits die door indispositie niet zoude kunnen komen. Dingsdag den 19„e Niets gepasseerd. woensdag „ 20„' omtrend ten tien uuren, voor de middag bij mij verscheenen ongemeen getal hofd „ weesende, de koning van Bonij, bragt den zelven behalven den Regent Aroe Poure en den tweeden Tomilalang Aroe oedjong, een zo groot getal van Rijksgrooten meede, dat ik daar door in verleegentheijd geraakte om de zaeken, die ik voorgenomen hadde, met den vorst en de beide eerst genoem„ „de ministers te verhandelen, te meer ik niet wel met haar in een apart vertrek konde gaan, sonder gevaar, dat mijn wooning en meubilen door het groot getal van lijfvolk dat zij en d' overige hovelingen meede hadden gebragt, zoude worden geruineerd of wel andere onheijlen ont„ „staan, dog mij na den tijd moetende schicken, gaf ik te kennen dat de Rijks grooten beloofd hebbende, om na het eyndigen der rouw dagen over de zaeken van het Rijk te zullen raadpbergen, ik haar, dierhalven bij mij verzogt hadde om te verneemen of zij nog deesen Jaare, dan wel tegen welken tijd een gezandschap na Batavia zou„ „den zenden, ten eijnde het overlijden van wijlen den ouden vorst en de komste van den tegenwoordige koning tot gt 1165 „teerdens zouden benoe„ over te geeven: het gezandschap kan niet gaan voor october van van gecommitteerdens tot overgave van d' eij„ „landen enz: tot den troon aan Haar Hoog Edelhedens te communi, wanneer zij gecommit„ „ceeren, en voorts dat zij mij voor mijn vertrek na de noord men om de eijlanden almeede hebbende toegezegt, d' Eijlanden Coelambie en Leija nevens de Padij velden op agtien bijsondere plaatsen, in de noorder provintien, die geduurende de laatste leevens tid van wijlen zijn Hoogheijd, waaren onvertiend geblee„ „ven, zouden doen overgeeven, ik als nu begeerde te weeten, wanneer het hun gelegen zouden komen daar toe gecom„ mitteerdens te benoemen, om zulks ook 's Comp„s wagen te doen, ten eijnde die overgave gevolg mogte hebben Ten op zigte van welke poincten Aroe Poure als het woord voerende, ten antwoord gaf, dat zij geen gezandschap 't aanstaande Jaar dit Jaar en niet vroeger dan in october, van het toekomende zouden kunnen zenden, also de tijd reets te verre inge„ „schoten was, om alles in gereedheijd te brengen, versoeken„ „de dat ik zulx bij mijne brieven aan Haar Hoog Edel„ „hedens bedeelen en hun verschoonen mogte, het welk ik toezeijde, op het andere gaf hij te kennen, dat de Commissie tot overgave van d' Eijlanden en Landerij en discours over het zenden aanstaande zaturdag konde voortgaan, dog hier op, door mij gevraagd zijnde, hoedanig hij die overgave begreep en wat hij meende dat 'er als dan door de gecommitteer„ „dens zouden dienen gedaan te worden zo antwoorde hij
English
to consult further, as well as regarding the planting of the Company's flag at Soreang. he, with the utmost harshness, that those of Boni would order the inhabitants, both on the Islands and the Lands, to depart from there; and whatever effort I made to convince them of the unreasonableness of his reply, by demonstrating that the Company's intention was by no means to cause anyone any disadvantage, but that everything would be left in the same state as it was until such time as they should have written about this to Their High Nobilities, at the same time pointing out to them that indeed their own customs and those of all Celebes princes dictated that goods lent to someone had to be returned after his death without demand to the owner, and the Company therefore did nothing more in this matter than follow that custom, while no one would suffer any loss or disadvantage from it, all was in vain to dispose them to accept my proposal to merely send commissioners from both sides to the aforementioned Islands and Lands in order to inform the inhabitants that, since the one and the other had been lent to the deceased king, the same had now reverted to the Company upon his demise, but that everyone could remain in the free possession of their livestock and goods without suffering any disadvantage thereby, while on the contrary they would be protected by the Company if necessary. The only thing, however, that I obtained after much back-and-forth talking was a promise that they would deliberate further on that matter and send me an answer, as also to my further proposal made on behalf of Their High Nobilities to plant a token of the king's sovereignty and at the same time a flag of the Company in the bay of Soreang. 99 1167 Promise of the king to command the unwilling payers of tithes to do so, and once again maintained regarding the surrender of the lands and Islands. Regarding which I pointed out to them that I had intended to propose this to the deceased king, but his illness and death had prevented it, and I otherwise held myself assured that it would already have taken place, since His Highness had previously asked Governor Sinkelaar himself to place a post of the Company there, and consequently such a token would even serve to the benefit of the Realm, since by this means it could be prevented that enemies or false friends wishing to engage with foreigners, the latter would not dare to intrude there. But everything I brought forward in this matter was also of no avail. After this, I made known to His Highness that I had again received complaints from the sergeant at Maros that various Bonians were unwilling to pay the tithe of Rice and Paddy, pretending that this had been forbidden to them by Datou Baringang, for which reason requesting that orders might be given for the payment, which Arou Poure promised, adding to it: that he could not understand who might be unwilling to do so, unless it were regarding the Paddy on the eighteen known negorijen, which being so, was the fault of the realm's grandees, because the overseers had not yet been given notice of the demand. Thursday the 21st, I sent the chief interpreter Brugman to the king of Boni, not only to remind His Highness and the Madanrang of their promise to send an emissary along to Maros in order to order the unwilling payers of tithes to do so, but also to urge upon them once again how my demand for the surrender to the Company of the known Islands and Lands, being founded on equity, could indeed be granted without the least disadvantage to anyone, and that this being done would demonstrate how much I first and second point. audience granted to commissioners of Boni, who give notice that the Islands and Lands would not be surrendered according to my proposal. was concerned for His Highness's interests, and that I therefore wished to request the king once more to take the same into consideration. Whereupon I received as a report that the king and Madanrang indeed expressed their willingness to send an emissary to Maros, but had added at the same time that they could not imagine that any of the Bonians would be unwilling to pay their tithe, unless it were only the overseers of His Highness's fields, to whom no order for that payment had yet been given. That furthermore my proposal regarding the Islands and Lands indeed appeared to them as a token of goodwill, but that they could do nothing in that regard without the consent of the other grandees of the Realm, with whom consultation would accordingly be held and an answer subsequently sent to me. Friday the 22nd, the king of Boni having asked through me for an audience for commissioners, and the same having been granted for Saturday the 23rd, these appeared before noon at my residence, the second tomilalang Arou Oedjong, elector Arou Timoedjong, and the glarrang of Bontualacq, who after being seated made known on behalf of His Highness and the other grandees how they were still well disposed and ready to send commissioners
Dutch transcription
„der raadpleegen zo ook over het planten van 't Comp:s vlog op so„ „reang. hij, met de uijterste barsheijd dat die van Bonij d'opgezeetenen, zo op d' Eijlanden als Landerijen zouden aanzeggen; om van daar te moeten optreeden; en wat moeijte ik ook deed, om hun van d' onredelijkheijd van dat zijn replicq t' overtuijgen, door aan te toonen dat 's Comp„s intentie geensints was, iemand eenig nadeel toe te brengen, maar dat alles in die zelven staat zoude gelaeten worden, als het was tot tijd en wijlen zij daar over aan Haar Hoog Edelhedens zoude hebben geschreeven hun te gelijk voorhou„ „dende dat immers hunne eijgen gebruijken en die van alle selebese vorsten meede bragten, dat goederen aan iemand geleent na desselfs overlijden, sonder aanmaning aan den eijgenaar moesten te rug gegeeven worden en de Comp:e dier„ halven in deesen niets deed dan dat gebruijk na te volgen ter„ „wijl niemand daar bij eenige schade of nadeel kwam te lijden, alles was te vergeefs om haar te disponeeren mijn voorstel aan te neemen van eenlijk gecommitteerdens van weeder zijden nade voorsz: Eijlanden en Landerijen te zenden ten eijnde de bewoonders kennisse te geeven, dat vermits d' een en ander aan den overleeden koning waaren geleend deselve thans mits zijn afsterven weder aan de Comp„e waaren vervallen, dog dat een ieder konde blijven in het vrije bezit hunner „have en goederen, zonder daar door eenig nadeel te lijden ter„ „wijl zij in tegendeel des nodig door de Comp=e zoude worden ge„ protogeert. het eenigste nogthans dat ik na veel over en weeder zij zullen daar over na„ practen verkreeg was, eene toezegging dat zij over die zaak na„ „der zouden raadpleegen en mij antwoord laeten toekomen, ge„ „lijk ook op mijn nader gedaan voorstel uijt naam van Haar Hoog Edelhedens om in de bogt van soreang een teeken van 't ko„ „nings heerschappij en te gelijk een vlag van de Comp: te planten waar. 99 1167 belofte van den koning om de onwilligen betaal„ „ders van tiende zulks te beveelen. en nogmaals onderhouden „rijen en Eijlanden. waar omtrend ik haar voorhield dat ik zulx voorneemens geweest was, aan den overleeden koning te proponeeren dog zijne ziekte en afsterven zulks belet hadde en ik mij andersints verseekerd hield, dat reets zoude weesen geschied. wijl zijn Hoogheijt voormaals aan den Heer Gouverneur Sinkelaar zelfs verzogt hadde, er een post van de Comp„e te leggen en gevolgelijk zodanig teeken zelfs ten voordeel van het Rijk zoude dienen, vermits daar door zoude kunnen worden voorgekomen, dat de vijanden of schijn vrienden zig met vreemdelingen willende en gageeren, de laaste daar niet zouden derven indringen. dog alles wat ik in deesen voortbragt, konde ook niet helpen. Hier na gaf ik aan zijn Hoogheijd te kennen weeder klagte van den sergeant te Maros ontfangen te hebben, dat deese en geene Boniers onwillig waeren, de tiende Rijst en Padij te vol„ „doen, voorgeevende dat het hun door Datou Baringang was ver„ „boden, uijt dien hoofde versoekende dat tot de voldoening ordre mogte worden gesteld, het geen Arou Poure beloofde er bijvoe„ „gende: dat hij niet begrijpen konde wie onwillig daar toe mogte weesen, of het moeste van de Padij weesen, op de bewuste agtien negorijen het geen zo zijnde, der Rijks grooten schuld was wijl d' opzigters van d' opeijssching, nog geen kennisse waare gegeeven. Hebbe ik den oppertolk Brugman gezonden, na den koning van Donderdag den 21=e Bonij, om zijn Hoogheijd en den Madanrang niet alleen te hem het laatste doen herinneren derselver toezegging om een sendeling na Maros meede te geeven, ten einde d'onwillige betaalders van tiende zulks over de overgave der lande„ te gelasten, maar deselve ook nogmaals voor te houden, hoe mij„ „nen eijsch tot weeder overgave, van de Comp:e van de bewuste Eij„ „landen en Landerijen op de billijkheijd steunende immers son„ „der het minste nadeel voor iemand konde worden ingewilligt ja dat zulks geschiedende daar uijt geblijken zoude hoe zeer ik eerste. en tweede poinct acces toegezagt van bo„ die kennis geven dat de Eijlanden en Landerijen ik voor zijn Hoogheijds belangen g'importeerd was, en dat ik dierhalven als nog den koning wilde verzogt hebben, het zelve in aanmerking te neemen. zijn antwoord op het Waar op ik tot rapport ontving dat de koning en Madan„ „rang wel hunne bereijd willigheijd tot het senden van een sendeling na Maros betuijgd dog er teffens bijge„ „voegd hadden niet te kunnen denken dat 'er eenige van de Boniers onwillig zoude weesen hunne tiende te voldoen, ten waare alleen d' opzigters van zijn Hoogheijts velden, aan dewelke nog geen ordre tot die voldoening gegeeven was. Dat wijders mijn voorstel omtrend de Eijlanden en Lande„ „rijen hun wijders wel voorkwam als een blijk van wel„ „meenentheijd dog dat zij, daar omtrend niets doen konden, buijten toestemming van de overige Rijks grooten met de welke overzulks zoude worden geraadpleegd en mij vervolgens antwoord gezonden. vrijdag den 22„e De koning van Bonij, acces bij mij, laeten vragen voor ge„ „rijs gecommitteerdens committeerdens en zulks g'accordeerd hebbende zijn„ „de tegen Zaturdag den 23„e zo verscheenen deesen voor de middag, aan mijne woo„ ning den tweeden tomilalang Arou oedjong, kies heer niet na mijn voorstel Arou Timoedjong, en den glarrang van Bontualacq, zoude worden overgegeven. die na genomen zitplaats uijt naam van zijn Hoog„ „heijd en de verdere grooten te kennen gaven, hoe deselve als nog wel genegen en bereid waaren ge„ =Committeerd=s
English
to 1169 the commission not Boni's unreasonable to appoint commissioners, in order to notify the inhabitants of the aforementioned eighteen negorijs to pay the tithe of the king's paddy; but also at the same time and furthermore also the inhabitants of the islands Coclambie and Leijia to move from there, since both were ceded back to the Company. Upon which message I presented to the grandees of the realm that all their answered that would proceed. although it seemed as if the court itself sought to break the bond of friendship with the Company, I nevertheless, in view of the affection which Her Honorable had shown for the same from of old, and remained inclined to show even further, would indeed take care not to take the first step whereby any estrangement might arise, and that I therefore could not allow the commission to proceed, but would give notice of everything to Their High Mightinesses, adding that under the presentation of their actions I had expected nothing else than that my proposal and demand would have been granted, the more so as I had declared myself all too clearly how this, far from turning to anyone's disadvantage, would even have served to the benefit of the king. Their answer contained nothing other than that they, having been sent with that message, would make report of what I had said, although during the further discourse held with them on this chapter they made it sufficiently evident that they deemed what I said reasonable. on the proposal to plant the Company's flag on soreang. they promise to send me their decision. the same will not be granted. reasonable even to the extent that they indicated that for their part they would gladly consent to my request. they bring no report Furthermore, being asked by me whether they had not received orders to bring me an answer regarding the proposal made the day before yesterday to plant a Company's flag on soreang, they declared no, promising to tell the king and the grandees of the realm that I had inquired after it, after which they took their leave and departed. thereafter inquire into. In the afternoon, I sent the chief interpreter again to the king in order to ask for the last-mentioned answer, which servant reported to me upon his return how the Madanrang had told him that the king and the grandees of the realm had intended to inform me this afternoon of the decision they had taken in that regard, but that, it having become too late for that, they would send the glarrang of Bontualacq to me next Monday for that purpose. Whereupon he, Brugman, having inquired after that decision, had been told by the said Madanrang that the grandees of the realm had consulted with each other in that regard, 103 1171 from Goa's king concerning Aron pantjana on messages consulted with each other, but had found difficulty in consenting to my proposal, the more so as Arou soupa, having been heard on the matter, had requested that, since Bonij had always permitted its lesser allies to follow their own laws and customs, soupa might still continue to enjoy that privilege, and therefore the placement of a flagpole on Parre Pare should be excused. Furthermore, the king of goa had his interpreter Zouda inquire once again how matters stood with his second message his subject absent subject who had apparently been bought by Noirje Manilha; whereupon I informed that monarch that I had made every possible effort to obtain the same, but in vain, since the present female buyer, as well as her husband the burgher Loets, flatly and firmly denied the purchase, and the thief was absent and could not be traced. Also the emissary Paljelang, sent by me to Arou Pantjana, returned with the report that this prince had acknowledged sending someone to Matara Lakas for his subject, but by no means with threats; that, now informed of the reason for his arrest, he could have nothing against it, since the evildoers must the Fabitjara of Tanette comes to inquire when the investigation into the paddy fields will proceed. glarrang of bontualacq and the Boutonese envoys on soreang no flag can must be punished. Yet concerning the Maradia Talengore, the same had excused himself, saying that he knew nothing further of the matter than what had been brought to his attention by the Company's emissary Nao, with whom he had also discussed the matter, who nevertheless denied what was charged against him. Sunday the 24th, the Pabitjara of Tanette appeared before me on behalf of the queen to inquire when the investigation concerning Her Highness's claim to some which his mistress claims. paddy fields in the northern province could be carried out; thus I deferred him for two or three days, indicating that I would then give a definitive answer. access promised to the Furthermore, upon the requests made for that purpose on behalf of the king of Bonij, I granted access to the glarrang Bontualacq for tomorrow morning, and also to the present Boutonese envoys. The glarrang of bontualacq having therefore appeared this morning, the first-mentioned reported that and having made known to me the decision of the grandees of the realm regarding my proposal to place a flag on Soreang in the exact same manner as had been done by the chief interpreter, adding that the king and the grandees of the realm requested me not to take it ill that they could not consent to it; I replied thereto that I be planted. Monday the 25th the
Dutch transcription
tot 1169 de Commissie niet boniers onredelijke gecommitteerdens te benoemen, ten eijnde d' opgezeete„ „nen op de bewuste agtien negorijen aan te zeggen, om van 's konings Padij de tiende te voldoen; maar ook te gelijk en voorts ook de bewoonders van d' Eijlanden Coclambie en Leijia, om van daar te verhuijsen vermits het een en ander, weder aan de Compagnie wierd afgestaan Op welke boodschap ik de rijksgrooten voorhield, dat al hun g'antwoord dat „hoewel het scheen als of het Hof den band van vriend„ zoude voortgaan. „schap met de Compagnie zelve zogt te verbreeken, ik nogthans uijt hoofde van de genegentheijd die haar Edele voor het zelve van ouds afbetoond hadde, en nog verder gezint bleef te betoonen mij wel wagten zoude, den eersten stap te doen, waar door eenige verwijdering konde ontstaan, en dat ik dierhalven de Commissie geen voortgang konde laeten neemen, maar Haar Hoog Edelhedens van alles kennisse zoude geeven onder onder vertoning van der bijvoeging van niet anders te hebben verwagt, als dat handelingen mijn voorstel en eijsch zoude zijn ingewilligt, te meer ik mij, maar al te duijdelijk hadde verklaard, hoe zulks wel verre van tot iemands nadeel te zullen gedijen, zelfs ten voordeele zoude hebben gestrekt van den koning: hun antwoord behelsde niets andersdan, dat zij, met die boodschap gezonden zijnde, van mijn ge„ „zegde rapport zoude doen. schoon zij nogthans onder het met hun verder gehouden discours over dit Chapiter, genoeg deeden blijken, dat zij, het door mij gezegde billykten op het voorstel tot het plan„ „ten van 's Comp=s vlag op soreang. zij beloven mij hun besluijt te laten toekomen. het zelve zal niet worden ingewilligt. billijkten in zo verre zelfs dat zij te kennen gaven, voor hun aandeel gaarne in mijne begeerte te zullen bewilligen. zij brengen geen rapport Voorts door mij gevraagd zijnde, of zij geen last had„ „den gekreegen mij bescheijd te brengen, op de eergis„ „teren gedaene propositie tot het planten van een 't Comp„s vlag op soreang, betuijgden zij nen: onder belofte aan de koning en Rijksgrooten te zullen zeggen, dat daar na door mij gevraagd was, waar na, zij hun afscheijd namen en vertrocken. daar na doen infor„ Des nade middags, zond ik den oppertolk, al weeder na den koning ten eijnde omtrend het laast gemelde bescheijd te vragen, welken bediende mij bij te rug komst rapporteerde hoe den Madanrang, hem gezegt hadde, dat de koning en Rijks grooten voorneemens waeren geweest, mij van het be„ sluijt, 't welk zij dierwegens genomen hadden, deesen middag kennisse te geeven, dog dat het daar toe te laat geworden zijnde, zij den glarrang van Bontualacq ten dien eijnde aanstaande maandag bij mij zouden zenden. Waar op hij Brugman, zig naar dat besluijt hebbende g'informeerd, zo was hem, door gemelde Madanrang gezegt dat de Rijksgrooten, dierwegens met „meeren. 103 1171 van goas koning over Aron pantjana op boodschappen met elkanderen geraadpleegd, dog swaerigheijd gevonden hadden, in mijn propositie te bewilligen, te meer Arou soupa, daar op gehoord, verzogt hadde, dat vermits Bonij zijne mindere bondgenooten altoos toegelaten had„ „de hunne eijgen wetten en gebruijken te volgen, soupa daar van, als nog mogte blijven gaudeeren, en oversulks het plaatsen, van een vlaggemast op Parre Pare g'excu„ „seerd worden. Wijders liet den koning van goa door zijn tolk zouda andermalige boodschap alweeder verneemen, hoe het gelegen was, met zijn zijn onderdaan absent geraakte onderdaan die apparent door Noirje # Manilha, was gekogt; waar op ik dien vorst liet weeten alle mogelijke moeijte gedaan te hebben, om denzelven magtig te worden, dog vrugteloos wijl de presente koopster, zo wel, als haar man den bur„ „ger Loets, de koopfort et ferme ontkenden, en de dief ab„ „sent en niet op te speuren was. ook reverteerde den sendeling Paljelang door mij gesn gehekt antwoord van den na Arou Pantjana net bericht dat dien prins de hem gezonden bekend hadde, bij Matara Lakas: te hebben gesonden om zijn onderdaan, maar geensints met dreijgementen. dat hij nu van reden van desselfs opligting onderrigt, daar tegen niets hebben konde, vermits de quaad doenders moeten de Fabitjara van Tanette komt verneemen wan„ „neer het onderzoek na de padij verden sonhiert sal voortgaan. glarrang van bontua„ lacq en de boutonse gezanter op sordang geen vlag kan moesten gestraft worden, Dog omtrend den Maradia Talengore hadde den selven zig ontschuldigd, dat hij van de zaak niets verder wist als hem door sComp„s sendeling Nao ter kennisse gebragt was, waar over hij den zelven ook onderhouden hadde, die nogthans het hem, ten laste gelegde ontkende zondag den 24„e de de Pabitjara van Tanotte, uijt naam van de koningin„ ne, bij mij verscheenen, om te verneemen wanneer het onder„ „soek. omtrend Haar Hoogheijds pretensie op eenige die zijn mesteres pre„ padij velden, in de noorder provintie zoude kunnen worden gedaan; zo hebbe ik hem, twee a drie dagen uijtgesteld, onder te kennen gave als dan positief bischeijd te zullen geeven. acces toegezlegt aan den Voorts hebbe ik, op de daar toegedane versoeken, uijt naam van den koning van Bonij, aan den glarrang Bontu„ „alacq, accos toegesigt, dagen morgen en ook aan de aanwee„ „sende boutonse gezanten. Den glarrang van bontualacq desen morgen dierhalven den eerstgem: berigt dat verscheenen, en mij het besluijt der Rijksgrooten op mijn voor„ „stel tot het plaatsen van een vlag op Soreang in silver voegen, als door den oppertolk geschied is bekend gemaakt hebbende, onder bij voeging, tot de koning en Rijksgpooten mij lieten versoeken niet qualijk te neemen dat zij daar in, niet bewilligen konde; zo diende ik daar op, dat ik geplant worden. Maandag den 25„e het
English
105 1173 to settle the tenth part of the paddy. Conversation with the Glarang about various matters. State of the Court, and his declaration regarding it. Postponement of the reception of the Bouton envoys until tomorrow. Tuesday the 26th. Promised them various small items, but did not answer their question regarding the interpreter. Told them they could depart with the change of the monsoon, but that it was still too early for the Commissioners for Extirpation. Wednesday the 27th. The Pabitjara of Tanette sent home again, with orders to return in three weeks. accepting the aforementioned answer for communication, and stating that I would inform Their High Mightinesses thereof as well as regarding what had been negotiated concerning the islands and lands, and that I furthermore left it to the king to give orders as to whether to satisfy the tenth part of the paddy on the negorijs in question or not, since in the first case I would give orders for its receipt, which otherwise would not need to happen; furthermore ordering him to impart this to His Highness, as he also promised. After this, having entered once again into conversation with him about all these subjects, he declared among other things that Arou Poure and Datoe Baringang dealt with almost all occurring matters alone, with just the two of them and two or three others, so that not even the Regent of the Realm, let alone the other Grandees, were heard, from which it resulted that affairs were handled very confusedly in many respects, and so little regard was paid to the Company. After having waited here in vain for the envoys of Bouton until eleven o'clock, I had them informed that they should come tomorrow, as I could not receive them at present. The envoys of Bouton having appeared before me this morning, they requested to be supplied with some small items for the repair of their vessels, which I promised them. But on the other hand, to their question whether the interpreter provisionally appointed by me in the Campong Bouton upon their solicitation would continue in that function, I replied that, having fulfilled even more than their wish to appoint him thereto for only one or two days, I could not express myself further on the matter. I also served them in response to their further question as to when I intended to dispatch them alongside the Commissioners for the extirpation of spices, that they could depart as soon as the season would permit it, but that it was not yet time for the Commissioners, since the extirpation usually only began in February or March, and it would therefore be early enough if they undertook the journey towards that time. Although they insisted very strongly upon departing at the same time as them, under the pretext that the king would take it very ill if they returned alone, I nevertheless persisted in what I had said, promising, however, to mention this in the letter to the king and grandees of the realm, which seemed to satisfy them, for which reason they also requested it. The Pabitjara of Tanette, mentioned under the 24th of this month, having appeared before me once again, I ordered him to return home and to announce to his mistress the Queen, with my regards, that it was impossible for me at present to proceed with the Commission of inquiry regarding the paddy fields, as the last vessels were due to depart for Batavia before long, and I was thus prevented therein, besides my own business, because I could not spare the chief interpreter, nor the other interpreters, to depart for Maros; but that I nevertheless requested Her Highness to send him directly thither in three weeks, when I would also order the chief interpreter to do so. 107 1175 And promised the Queen assistance in recovering some embezzled gold works. Thursday the 28th. The Bouton envoys request further to depart at the same time as the extirpators. Furthermore, my assistance having been requested by him in the name of the Queen for the recovery of a considerable quantity of gold works, which the son of the Lieutenant of the Malays, Intje Sadulla, named Padjara, had managed to obtain from Her Highness in a fraudulent manner and had pawned here and there, I not only promised this, but also that, if possible, I would see that everything was returned. Furthermore, the envoys of Bouton once again requested an audience with me, which I postponed due to lack of time. Having sent the chief interpreter to the envoys of Bouton to inquire into the reason for the audience requested by them yesterday, he reported to me upon his return that they had been very downhearted since their last visit because I had informed them that I would not let the extirpators depart at the same time as them, and that they had intended to solicit this once again, just as they now instructed him, Brugman, to do on their behalf. To which he had answered that after the departure of the vessels to...
Dutch transcription
105 1173 om de vertiende padij te vol„ discours met den glarang over diverse zaken. 9 toestand van het Hof „tons gezanten tot morgen: hun diverse klenigheden „selver vrage omtrend het gemelde antwoord voor Communicatie aaneemende, daar van zo wel als ten aansien van het verhandelde omtrend d' Eijlanden en Landerijen, aan Haar Hoog Edelhedens zoude kennisse geeven, en aan den koning overgelaten, dat ik voorts, aan den koning overliet, om ordre te stellen; tot „ doen of niet voldoening van de vertiende Padij op de bewuste negorijen of wel niet. vermits ik in het eerste geval tot dies ontfangst bevel zoude geeven, dat anders niet behoefde te geschieden; hem voorts beveelende zulks aan zijn Hoogheijd te bedeelen: zo als hij ook toezeijde, waar na ik met den selven nogmaals over alle deese onderwerpen in discours geraakt zijnde, zo betuijgde hij onder anderen dat Arou Poure en Datoe Baringang genoegsaam alle voorko„ en zijn betuijging ver den „mende zaeken, alleen, met hun beiden en nog twee of drie an„ „deren verhandelden, zo dat zelfs den Rijks bestierder, zo min als d' overige Grooten gehoord wierden. waar uijt voortvloeijde dat het in veele opzigten zeer verward toeging. en 'er omtrend de Compagnie zo weijnig reguard wierd geslagen. Hier na op de gezanten van Bouton tot Elf uuren te de receptie van de Bou„ vergeefs gewagt hebbende, zo liet ik hun aanseggen dat z: uijtgesteld. morgen zouden komen, also ik haar thans niet konde ont„ „fangen. De gezanten van Bouton deesen voor de middag, bij mij verscheenen Dingsdag den 26=e zijnde, zo verzogten deselve met eenige kleenigheden te worden toegezegt. gerieft, tot reparatie van hunne vaartuijgen, 't welk ik hebbe toegezegt, dog daar en tegen gaf ik, op hunne vrage of dog niet g'antwoord op der„ den door mij op hunne sollicitatie provisioneel aangestelde den tolk. tolk in de Campong Bouton, in die functie zoude blijven Continueeren, ten antwoord dat ik, zelfs meer als aan hunne begeerte. der mousson. „anten tot d'Extirpatie nog te vroeg was. Woensdag den 27=e de Pabitjara van Tanette over drie weeken weder begeerte, ten eijnde denzelven maar voor een â twee dagen daar toe te benoemen, voldaan hebbende, mij daar over niet verder verklaaren hun gezegt dat z' vertrecken ook diende ik op hunne verdere vrage, wanneer ik hun nevens de konden met het doorbreeken Commissianten tot extirpatie van specerijen dagte te depecheeren; dat zij vertrecken konden, zo dra het saisoen zulks zoude permit„ „teeren, dog dat het voor de Commissianten nog geen tijd was vermits dog het voor de Commissi„ d' extirpatie gewoonlijk eerst in februarij of maart zijn begin nam, en het oversulx vroeg genoeg zoude wesen, wanner zij, te„ „gen die tijd de reijse ondernamen. dien schoon zij 'er zeer op bleeven staan om te gelijk met deselve te vertrecken, onder voorwend„ „sel dat den koning het zeer kwalijk zoude neemen ingevalle zij, alleen te rug kwamen, bleef ik nogthans bij mijn gezegde „persisteeren, met toezegging nogthans om daar van bij den brief aan den koning en Rijks grooten mentie te maaken, het geen hun scheen te voldoen, weshalven zij zulx ook versogten De Pabitjara van Tanette, vermeld sub 24=e deeser andermaal na huijs gezonden met lat bij mij verscheenen weesende, hebbe ik, hem gelast na huijs te keeren en zijn meesterisse de koningin onder groete mijnent wegen aan te kundigen, dat het mij thans onmogelijk was, de Commissie tot onderzoek, nopens de Padij velden voortgang te doen neemen; also de laatste vaartuijgen eerlange na Batavia stonden te vertrecken en ik dus behalven door eigen bezigheden, daar inne belet werd, vermits ik den oppertolk zo min als d' andere tolken konde missen, om na Maros te vertrecken; dog dat ik haar Hoogheijd nogthans liet versoeken, hem, over drie weeken direct na derwaarts te zenden, wanneer ik den oppertolk zulks meede gelasten zoude voorts. konde. te komen. 107 1175 assistentie tot te rugerlan„ vliemnde goud werken. de Boutonse gezanten de extirpateurs te gelijk voorts door denzelven uijt naam van de koninginne mijne en de koningine toegezigt hulpe verzogt zijnde, tot te rug erlanging van een naam „ ging van eenige waar ont„ „waardige parthij goudwerken, die de zoon van den Lieute„ „nant der Maleijer Jntje Sadulla, in name Padjara, op een bedriegelijke wijse van Haar Hoogheijd, hadde weeten inhanden te krijgen en door denselven, hier en daar verpand waeren, zo hebbe ik zulks niet alleen toegezegt maar ook dat ik des mogelijk alles weeder bezorgende zoude Wijders lieten de gezanten van Bouton, alweeder acces, bij mij, vragen dat ik mits gebrek aan tijd uijtgesteld hebbe. D' oppertolk bij de gezanten van Bouton gezonden heb„ Donderdag den 28=e ƒ „bende, om na d' oorsaak te verneemen van het door verzoeken nader om met hun op gisteren verzogt acces, zo bragt denzelven te vertrekken. mij bij te rug komst tot rapport, dat zij zedert hunne laatste visite zeer mismoedig waeren geweest, ter zaeke ik hun te kennen gegeeven hadde, de extirpateurs niet te gelijk met hun te zullen laeten vertrecken en dat zij voorneemens geweest waeren, het zelve nogmaals te besolliciteeren, gelijk zij als nu hem Brugman e opdroegen het zelve hunnentwegen te doen. die daar op hadde gediend, dat 'er na het vertrek der vaartuijgen na.
English
Friday the 29th to nothing happened. Thursday 5 October: Friday 6: Arrived here under their chiefs, the usual Saleyerese workmen, and furthermore arrived from Siang the former Pongauwa Lacasie, who at the same time requested access to me, which I granted for tomorrow morning. Saturday the 7th: The former Bonese Pongauwa, having appeared at my residence at ten o'clock in the forenoon, made known his intention to undertake the journey to Lagoesie or Pamana this coming Monday, requesting at the same time to know what he should say upon an apparent meeting with the Adatouang of Sedeenring regarding his dispute with Arou Soupa. Whereupon I instructed him to admonish the same on my behalf to come hither, in order that the difference could be settled through the mediation of the Company and Bonij, with the assurance that there was nothing for him to fear; to which I added that Datou Soupa had already appeared here and that the aforementioned Adatouang was thus awaited. He informed me, however, that Datou Soupa had not come up for that purpose, but rather to attend the feast on the occasion of the past hundredth day of mourning over the demise of the King of Bonij, to which the dignitaries of the realm had invited him, and that he having also departed again, it was not to be thought that he would come a second time without a further summons, and therefore the Adatouang of Sedeenring just as little, in case the latter were not at the same time called on behalf of the Company. For which reason it was thought by Pongauwa that a further mission ought to take place on behalf of the Company and Bonij, to set a certain appointed day for the one and the other to be here, as custom dictated. Furthermore, he also made known how his sister, the wife of Datou Beengo, had recounted the day before yesterday that Arou Toura, who is married to the mother of the present King of Bonij, was attempting to set himself up as Datou Beengo and to depose the other; to which end he had managed to obtain a tjap from the Madanrang Arou Poure and a promise to be escorted to Beengo by an envoy from the court, and that his aforementioned sister upon that news had ordered assistance to be requested from the Datou of Soping in order to prevent this. What had given rise to this was that Arou Toura had been appointed Datou of Beengo by the brother of the present Queen of Tanette known in the King's papers under the name of the mad Duke, having been King of Bonij for some time, although the Queen of Bonij Matinroa Ritipoeloe had immediately deposed him again and had chosen the present Datou in his place, who also could not be deposed except by the inhabitants of Beengo. Wherefore he, Pongauwa, declared he feared that great unrest could arise from this; for which reason he had thought he ought to give me notice thereof. For which having thanked him, and having spoken about some other matters, he took his leave and departed. Sunday the 8th: By order of the King of Goa, the twenty buffaloes taken by Craeeng Barombong, or by his order, from the Company's subjects, were brought back to the chief interpreter, for which I had that prince thanked, as well as for the communication made to me at the same time that Craeeng Bellasarie, mother of the King of Goa banished to Ceylon, intended to solicit my permission to be allowed to depart again for Bima; with the notification that His Highness judged this to be detrimental to the welfare of the realm, besides that I would have to expect many difficulties from it, on which account he at the same time had me requested not to consent thereto. Monday the 9th: It was reported to me by the Captain of the Malays that Craeeng Bellasarie had let him know that she had made a request to the King of Bonij to go again to the other shore, or else to Bima, and that that prince had replied thereto that he had requested it of me during his recent visit; with a request on that account to him, the Captain, to be pleased to remind me of the same, but that he had merely returned the answer to her that she should address herself to the chief interpreter, as he did not dare to presume to do so. Furthermore, the King of Goa sent to me again regarding his absent subject, but I instructed the interpreter his master.
Dutch transcription
Vrijdag den 29„e tot is niets gepasseerd. Donderdag „ 5=e 8ber: vrijdag „ 6.:e Arriveerde hier onder hunne hoofden, de gewoone saleijereese werklieden en voorts kwam van Siang den geweesen Pongauwa Lacasie, die te gelijk acces, bij mij, deed versoeken 't welk tegen morgen voor de middag g'accordeerd hebbe Zaturdag den 7=e De geweesen Bonijs Pongauwa, ten tien uuren des voormiddags aan mijne wooning verscheenen zijnde, zo gaf hij te kennen: voorneemens te zijn, aanstaande maandag, de reijse na Lagoesie of Pamana aan te neemen, versoekende tef„ „fens te mogen weeten, wat hij bij apparente ont„ „moeting van den Adatouang van sedeenring zou„ „de zeggen, nopens desselfs quasti met Arou soupa, waar op ik, hem, gelaste denzelven mijnent wegen aantemanen, om herwaarts te komen, ten eijnde dat different door mediatie van de Comp„e en Bonij konde worden bij gelegt, onder verzeekering dat 'er voor hem, niets te vreesen was; waar bij ik voegde dat Datou soupa bereets hier verscheenen was en 'er dus opgemelde Adatouang na Batavia nog tijds genoeg zoude weesen, om mij ander„ maal een visite te geeven. gewagt. 109 1177 gewagt wierd, dog hij berigte mij, dat Datou soupa ten dien eijnde niet waare opgekomen, maar wel, om het festijn bij te woonen wegens de gepasseerde honderdste rouwdagen over het afsterven van den koning van Bonij, waar toe hem de rijksgrooten, hadden doen nodi„ „gen, en dat hij ook weeder vertrocken zijnde, het niet te denken waare: dat hij andermaal komen zoude, sonder nader op ontbod en dierhalven ook also min den Adatou„ „ang van sedeenring, ingevalle deesen, niet te gelijk van wegen de Comp=e wierd geroepen, weshalven bij Pon„ „gauwa vermeend; dat 'er een nader bezending, van we„ „gen de Comp„e en Bonij diende te geschieden, om den een en anderen een seekeren bepaalden dag te stellen, van hier te moeten zijn, zo als het gebruijk meede bragt Voorts gaf hij, nog te kennen: hoe zijne zuster de vrouw van Datou Beengo, heen eergisteren hadde verhaald, dat Arou Toura, die gehuwd is met de moe„ „der van den tegenwoordigen koning van Bonij zig als Datou Beengo, tragtede op te werpen, en den anderen te verstooten; ten welken eijnde hij van den Madanrang Arou Poure een sjap hadde weeten te krijgen en toezegging om door een sende„ „ling van het hof naar Beengo te worden begeleijd, begeleijd, mitsgaders dat gem: zijne zuster op die tij„ „ding den Datou van Soping, om assistentie hadde lasten versoeken, ten eijnde sulks te verhoeden Het geen hier toe aan leijding hadde gegeeven was dat Arou Toura door de broeder van de tegenwoordige koninginne van Tanette /: bij 's konings papieren bekend, onder de naam van den dollen Hertog:/ als eenige tijd koning van Bonij ge„ „weest zijnde :/ tot Datoe van Beengo was aangesteld, schoon hem de koninginne van Bonij Matinroa Ritipoeloe 8. al aanstonds weeder afgezet, en den presenten Datoe in desselfs plaats verkooren hadde, die ook niet konde worden afgezet dan door d' Jnwoonders van Beengo, thoon hij Pongauwa betuijgde te vreesen, dat hier uijt groote onlusten konde ontstaan. uijt welken hoofde hij gedagt hadde, mij, daar van kennisse te moeten geeven. Waar voor ik hem bedankt, en nog over eenige andere zoeken gesprooken hebbende, zo nam hij afscheid en vertrok. zondag den 8=e wierden ter ordre van den koning van goa„ bij den oppertolk te rug gebragt de twintig buffels door Craeeng Barombong, of ter zijner # 1179 zijner ordre van 's Comp=s onderdaanen afgenoomen, waar voor ik dien vorst, zo wel, hebbe doen bedanken, als voor het mij teffens bedeelde dat Craeeng Bellasarie, moeder van de na Ceijlon verbannen koning van goa, g'inten„ „tioneerd was, mijne permissie te besolliciteeren, om werder na Bima te mogen vertrecken; met te kennen gave hoe zijn Hoogheijd zulks voor den welstand van het Rijk nadeelig oordeelde, behalven dat ik 'er veele moeijelijk„ „heden van te wagten hebben zoude, weshalven hij mij, te gelijk versoeken liet om daar in niet toe te stemmen. wierd mij door den Capitain der maleijers gerapporteerd Maandag den 9=e hoe Craeeng Bellasarie, hem hadde doen weeten weeten bij den koning van Bonij, versoek gedaan te hebben, om weeder na d' overwal, of wel na Bima te gaan, en dat door dien vorst daar op gediend was, mij bij zijn Jongste binnen komst daar om versogt te hebben; met ver„ „soek uijt dien hoofde aan hem Capitain, om mij het zelve te willen indagtig maeken, dog dat hij haar en„ „kel ten antwoord hadde laaten geeven, dat zij haar bij den oppertolk moeste addresseeren, terwijl hij zig niet onderstaan durfde zulks te doen. Voorts zond den koning van goa, alweeder bij mij, om zij„ „nen absente onderdaan, dog ik gaf den tolk last zijn meester.
English
Tuesday the 10th to Thursday the 12th to tell the master that I had taken all pains in vain to obtain it, and that I was sorry I could not help him, but that it might possibly appear in due time if I could get hold of the seller, who was not yet to be traced. Nothing happened. Friday the 13th It was reported to me by the chief interpreter that the Boni prince Trouseempa, having been with him to request that the subjects to the north might, according to ancient custom, be ordered to supply their fish traps for the fishing expedition that the king intended to undertake, he had answered him that he must address himself to me for that purpose, since such could not happen otherwise, all the more because I had to give orders to that effect to the Resident at Maros. The second Tomilalang had also made a request to him, Beugman, to press some vessels of the Company's subjects for the aforementioned reason, to which a similar answer was given by him. Saturday the 14th: nothing occurred. Sunday the 15th: The King of Boni had me informed that His Highness intended to go out fishing for three or four days, for which communication I had thanks returned. Monday the 16th: The Bouton envoys present having sent a request, with greetings, for some rice, the same was promised by me to them and also sent to them immediately. Tuesday the 17th and Wednesday the 18th: nothing occurred. 113 1181 Register of the enclosures belonging to the separate letter and the daily journal of Castle Rotterdam, dispatched the 20th of October, Anno 1775: Column Folio: Translation of a Buginese note written by the former Pongauwa Lacasie to the License Master Voll, without date: 117 Ditto from and to as above: 119 Letter from the Governor to the King and Grandees of Sumbawa, dated 16th June 1775: 122 Translation of a Malay letter written by the King and Grandees of Sumbawa to the King of Boni, dated the 5th day of the month of Saphaar in the year 1182: 124 Ditto Buginese letter written by the present King of Boni to the King of Sumbawa, without date: 125 Letter from the Governor to the Ensign Commandant at Bima, Alexander Lecerf, dated 19th June 1775: 127 Translation of a Buginese letter by the Poenlipoe 2nd or Datu of Soppeng to the Governor, dated the 16th day of the month of Rabbil achir in the year 1789: 130 Letter from the Governor to the Queen of Tanette, dated 22nd June 1775: 135 Ditto as above to the Datu of Soppeng, dated 23rd June 1775: 137 Memorandum for the merchants Josias Raket and Jan Hendrik Voll on their mission to the court of Boni, dated 28th June 1775: 139 Copy translation of the will of the late King of Boni made in Anno 1759, with the remarks of the Governor Blok concerning the islands belonging to the Company: 144 Extract. Folio: Extract of a letter written by the Sergeant and Postholder at Maros, Jacob Albrecht Landorf, to the Assistant Interpreter Coenraad Jansz. Blij, dated 27th June 1775: 148 Translation of a Buginese letter written by the Queen of Tanette to the Governor, without date: 151 Ditto ditto ditto written by the Datu of Soppeng to as above, dated the 29th June of this year: 153 Ditto ditto note written by Aroe Pouri to his brother, the former Poengawa named Lakasie, without date: 155 Letter from the Maros Resident Matthijs van Rossum to the Governor, dated 30th June 1775: 157 Account given by the Company's Regent of the Northern Province of Segeri, the Lolo of Kalukuang, dated the first of July 1775: 159 Translation of a Buginese note to the Captain of the Malays, Abdul Cadier, written by the former Pongauwa Lakasie, without date: 163 Ditto petition presented by the Boni commissioners to the Governor, 4th July 1775: 166 Report of the mate Jan Godlieb Draijer concerning his experiences during his mission to Bouton, dated 12th July 1775: 166 Translation of a Malay letter written by the King and Grandees of Boutong to the Governor, dated 26th June 1775: 182 Journal of the Commissioner, Sergeant Johan Christoffel Steijnbag, concerning the spice extirpation at Bouton from the 27th of March 1774 to the 6th of July of this year: 186 Translation of a Malay letter by the King and Grandees of Bouton to the Governor and Council, dated the 27th of the month of Sabang 1186: 2144 Ditto written by the Captain Laut at Bouton to as above, dated the 30th of the month of Rabihhoulachier 1186: 218 Please turn over. Ditto ditto
Dutch transcription
Dingsdag den 10„e tot Donderdag „ 12„e meester te zeggen: dat ik te vergeefs alle moeijte gedaan hadde om hem magtig te worden, en het mij leed deed hem niet te kunnen helpen, dog dat hij mogelijk in der tijd wel te voorschijn zoude komen, als ik den verkooper in handen konde krijgen, die nog niet op te speuren was. niets gepasseerd wierd mij door den oppertolk gerapporteerd dat den Bonijs Prinsitrou seempa, bij hem geweest zijnde, om te versoeken dat d' onderdae„ „nen om de noord, naar het oude gebruijk, mogte worden g'ordonneerd hunne seroos te geeven tot de visserij die den koning voorneemens was te doen, hij daar op gediend hadde, dat den zelven zig ten dien eijnde bij mij moest addresseeren, vermits sulks buij„ „ten des niet geschieden konde, te minder ik daar toe ordre diende te geeven aan den Resident te Maros. ook hadde den tweeden tomilalang hem Beugman doen versoeken om uijt hoofde voorsz: eenige vaartuijgen van 'sComp=s onderdaanen te pressen, waar op door denzelven een gelijk luijdend antwoord gegeeven was. zaturdag den 14=e niets voorgevallen Zondag „ 15=e Liet de koning van Bonij mij Communiceeren dat zijn Hoogheijd. voorneemens was voor een dag drie vier uijt vissen te gaan voor welke Communicatie ik hebbe doen bedanken. Maandag den 16=e D' aanweesende Boutonse gezanten onder groete om wat rijst hebbende laeten versoeken, ik het zelve door mij toegezegt en hun ook ten eersten toegezonden Dingsdag den 17=e en woensdag „ 18=e viel niets voor vrijdag „ 13„e 113 1181 tot d' apparte Brief en het dag Regis„ „ter des Casteels Rotterdam, afge„ „sonden, den 20=e october Anno 1775: Register der Bijlaegen gehoorende Translaat bouginees briefje geschreeven door den geweesen Pongauwa Lacasie aan den Licentmeester voll son „ Col: der datum - - - - - - - - - - - - 117 „ van en aan als even - - - - - - - - - - 119 _„o brief van den Heer Gouverneur aan den koning en Rijksgrooten van Sumbauwa de dato 16„e Juni 1775. . . . 122 Translaat maleijtse brief geschreeven door den koning en Rijksgrooten. van sumbauwa aan den koning van Bonij gedateert 5=de dag der maand saphaar 124 in het Jaar 1182. - - - - _„o boegineese brief geschreeven door den presenten koning van Bonij aan den koning van sumbau„ „wa sonder datum - - - - - - - - - - 125. brief van den Heer Gouverneur aan den vaendrig Commandant te bima Alexander Lecerf de dato 19=e Junij 1775. . - - - - - - - - - - - - - 127. Translaat Boegeneese brief door den Poenlipoe 2. of Datoe soppeng aan den heer gouverneur gedateert 16=e dag der maand Rabbil achir in 't Jaar 1789- 130 brief van den heer gouverneur aan den koninginne van Tanette de dato 22e Juni 1775. . . . . . . . . . 135. „ als boven aan den Datoe van Sopping, de dato 23„e Juni 1775. 137 Memorie voor de kooplieden Josias Raket en Jan Hendrik voll in hunne Commissie naar het hoff van Bonij ged=t 28=e Junij 1775. 139 Copia Translaat testament van den overleden koning van Bonij in A=o 1759 gemaakt, met d' aan„ „merkingen van den Heer gouverneur Blok wegens d' eijlanden die de Comp=e gehooren. . . . . . . . . . . . . . - 144. Extract. fol: Extract missive geschreeven door den sergeant en Posthouder te maros Jacob Albrecht Landorf, aan den ondertolk Coenraad Iansz: Blij ged=t 27=e Juni 1775. - 148 Translaat boegineese brief geschreeven door de koninginne van Tanette aan den Heer gouverneur sonder datum . . . 151 _=o _„o _„o geschreeven door Datoe sopping aan als boven ged=t den 29=e Junij deses Jaars - – – – – – . – – . 153 _=o _„o briefje geschreeven. door Aroe Pouri, aan zijn broeder dan geweesene Poengawa gen=t Lakasie son„ . . . . . . . . . . . . -. 155. „der datum .. brief van den maros resident Matthijs van Rossum, aan den Heer gou„ verneur de dato 30=e Junij 1775. - - - - - - - 157. Relaas gedaan door den 'sComp=s Regent van de Noorder Provintie Sagerie de Lolo van kaloekoeang de dato eersten Julij 1775. - - - - - - - - - - - - - - - - 159 Translaat boegineese briefje aan den Capitain der maleijers Abdul Cadier, geschreeven door den geweesene Pon„ „gauwa Lakasie sonder datum - - - - - - 163 _„o versoek schrift door de bonijse gecommitteerdens aan den heer gouverneur overgegeven den 4=e Julij 1775. - —. 166 Rapport van den stuurman Ian Godlieb Draijer wegens deselfs weder vaarende in zijne Commissie na Boeton de dato 12=e Julij 1775. - - - - - - - - 166 Translaat maleijdse brief geschreeven door den koning en Rijks grooten van Boutong aan den Heer gouverneur ged=t 26=e Junij 1775. . - - - - - - - - 182 Dagregister van den Commissiant den sergeant Johan Christoffel steijn „bag wegens de specerij Extirpatie te Bou„ „ton van den 27=e maart 1774. tot den 6=e Julij deses Jaars . - - - - - – – – – 186 Translaat maleijdsche brief door den koning en Rijksgrooten van Bouton, aan den heer gouverneur en Raad de dato 27„e van de maand sabang 1186. – 2144 „ geschreeven door den Capitain Lauwt te Bouton als boven de dato 30„e van de maand Rabihhoulachier 1186. . . . 218 verte. _„o _„o
English
115 183 Copy of the account by the first Company emissary returned from Bouton, Paeng Mandjarekie, concerning his experiences on his commission further on - folio 220 Report from the License Master Voll concerning the information given to him by the former Pongauwa Poeanna Latauro, dated 9 July - 227 Translation of a Malay letter written by the king of Bouton to the king of Bonij, dated the 27th day of the month of Rabbil Achier 1189 - 230 Copy translation of a Bugis writing, written by Datoe Soppang to his mother, the queen of Tanette, without date - 233 Translation of a Bugis writing written by the aforementioned Pongauwa Poeanna Latauro to Captain of the Malays Abdul Cadier, without date - 237 Petition from the king and grandees of Bonij to the Governor, without date - 241 Note concerning the paddy fields in the Northern Provinces that remained untithed always or during the lifetime of the king of Bonij - 243 Message delivered by Sopping to the Adatoeang of Sidenreng and submitted to the Governor - 245 Letter from Ensign-Commandant Lecerf to the Governor, dated 22 July 1775 - 246 Translation of a Malay letter written by Gustij Madde Karang Assang to the Governor, the 4th day of the month of Joemadil Auwal in the year 1189 - 250 Ditto letter written by the same to the Commandant at Bima A. Lecerf, without date - 254 Ditto written by Gustie Katto Karang in the settlement of Pagasagang to the same as above, the second day of the month of Djoemadil Auwal in the year 1189 - 257 Turn over. Memorandum for Deputy Translator Coenraad Jansz Blij and Captain of the Moors Abdul Cadier, departing on a commission to Sidenreng and Suppa, dated 2 August 1775 - 258 Credentials for the aforementioned Deputy Translator Blij and the Captain of the Moors, together with the Bonian elector Arou Timoedjong, dated 31 July 1775 - 261 Report from the aforementioned Blij and associates concerning their experiences on the commission, dated 12 August 1775 - 263 Translation of a Bugis letter written by the queen of Tanette to the Governor, dated 16 August last - 276 Letter from the Sergeant and Postholder at Maros, Jacob Albregt Landorf, to the Governor, dated 16 September last - 278 Letter from Ensign-Commandant at Bima A. Lecerf to the Governor, dated 7 September of this year - 280 Letter from the Governor to the aforementioned Lecerf, dated 22 September last - 285 Letter from the Governor to the king of Salemparang, dated 22 September last - 287 Translation of a Bugis letter written by the former Poengauwa Lakasie to Captain of the Malays Abdul Cadier, dated 26 September last - 289 Translation of a Bugis letter written by the same as above to Captain of the Malays Abdul Cadier, dated 8 October 1775 - 291 Turn over. 117 1185 Translation of a certain Bugis writing written by the former Pongawa Lacasie to the License Master Voll and further presented to the Honorable Governor, reading as follows: After the customary greetings: I expressly make known to my brother by this that these following words, according to hearsay, are the last will and desire of His Highness of Bonij, which he is said to have uttered on Friday the 3rd of the month of Rabil Achier in the year 1789, when the king of Goa was visiting him, reading as follows: "I have placed my trust over my children and grandchildren in none other than you alone, meaning the king of Goa, in order that, when it might please Heaven to take me from this world, you shall look after and support their well-being, though the wrongdoers or those who sin against the laws, you need not fear to reject such persons, but on the other hand to be helpful to those who abide by the laws and obey them. I also make known to you that your slave Boeboe shall succeed in my place after my death, and Labaloso shall act as guardian over the same; but in the event that the Bonians refuse to acknowledge him or recognize him as such, I hope that you will not reject him, but on the contrary will have compassion for him and take him under your protection." Which conduct of His Highness appears very incomprehensible to me, and therefore it serves to inform you and subsequently the Governor of everything; keeping myself at the same time outside of all these matters, for my part, I expect goodness and mercy from no one other than the Honorable Company, in whom I have also always placed my trust; and that I was advised by His Highness to remain faithful always to none other than the Honorable Company, and if none of my brothers wish to comply with this as well, I alone shall observe and carry out the good counsel and will of His Highness. Underneath stood: For the translation, was signed: G. Brugman Lower: Agrees, was signed: P. B. Godenpijl Translation
Dutch transcription
115 183 Copia relaas door den van Bouton gereverteerde eerste 'sComp. s sende„ fol: „ling Paeng Mandjarekie wegens zijn weder„ „varen in desselfs Commissie naderwaarts - – 220 Rapport van den Licentmeester voll wegens het hem gegeven berigt door den geweesene Pongauwa Poeanna Latan„ Translaat Maleijtsche brief geschreeven door den koning van Bouton aan die van Bonij ged=t 27=e dag der maand Rabbil Achier 1189. - - - - - - 230 Copia Translaat boeginees geschrift, geschreeven door Datoe soppang aan desselfs moeder de koninginne van Tanette sonder datum - - - - - - - - - 233 Translaat Boeginees geschrift geschreeven door den gem: Pongauwa Poeanna Latauro aan den Capitain Maleijer Abdul Cadier sonder datum - - 237 versoek schrift van den koning en Rijksgrooten van Bonij, aan den Heer gouverneur sonder datum - - - - - - 241 Notitie wegens de Padij velden in de Noorder provintien die altoos of geduurende het leven van den ko„ „ning van Bonij onvertiend zijn gebleven 243 boodschaap door sopping gedaan, aan Adatoeang van Sidlenring en aan den heer gouverneur overgegeven - 245 brief van den vaendrig Commandant Lecerf aan den heer gou„ „verneur de dato 22„e Julij 1775: - - : 246 Translaat maleijdsche brief geschreeven door Gustij Madde karang Assang aan den heer gou„ „verneur, den 4=e dag van de maand Joemadil auwal in't Jaar 1189. . 250 d„o brief geschreeven door als even aan den Commandant te Bima A=o. Lecerf „ Geschreeven door Gustie Katto karang in de negorij Pagasagang aan als boven den tweeden dag van de maand Djoemadil auwal in't Jaar 1189. 257 „ro, de dato 9=e Julij - - - - - - - - - - 227 sonder datum - - - - - - - - - - - 254 _„o — verte. „o _„o Memorie voor den ondertolk Coenraad Iansz: Blij en den Capitain den Mooren Abdul Cadier, vertreckende, in Commissie naar Tideenring en souppa„ ged„t 2=e Augustus 1775. . . . . . . . . . 258 Credentiaal voorgemelden ondertolk Blij en den Capitain der mooren, mitsgaders de Bonijs kiesheer Arou Timoed jong ged=t 31. Julij, 1775. . . . 261 Rapport van de boven gem: Blij C:S: wegens hun wedervaren in de Commissie ged=t 12=' aug=s 1775. 263 Translaat Bougineese brief geschreeven door de koningin van Tanette, aan den Heer gouverneur 276 de dato 16=e aug=s JL: brief van den sergeant en Posthouder te Maros Jacob Albregt Landorf, aan den heer gouverneur 278 de dato 16=e september J:L: brief van den vaendrig Commandant te Bima A=t Lecerf, aan den heer gouverneur, de dato 7=e sep„ „tember deses Jaars - - - - - - - - - - - - 280 brief van den heer gouverneur aan gem: Lecerf ged=t 22=e september Il:. . . . . . - . 285 brief van den heer gouverneur aan den koning van Salemparang gedateert 22=e september Jl:. . - - - - - - - . - 287 Translaat bougineese brief geschreeven door de geweese Poengauwa Lakasie aan den Capitain der maleijers Abdul Cadier de dato 26=e september J2: 289 Translaat bougineese brief geschreeven door als boven aan den Capitain der Maleijers Abdus Cadier de dato 8=e october 1775. - - - - - 291. verte. 117 1185 „nees geschrift geschreven door den geweesen Pongawa Lacasie aan den Licentmeester voll en verder ter vertoning gebragt aan den welEdelen Agtbaren Heer Gouverneur Luijdende aldus Translaat zeekere boegi„ Na gewoone begroeting Maake bij diese expres aan mijn broeder bekent, dat deese ondervolgende woorden /:volgens hoore zeggen/ de uijterste wille en begeerte is van zijn Hoogheid bonij, dewelke hij op vrijdag: den 3=e van de maand Rabil achier in't Jaar 1789. wanneer den koning van Goa bij hem ter visite was, aan denselven soude hebben uijtgelaten luijdende aldus. „ Ik hebbe niemand anders, over mijne kind en kinds „kinderen mijne vertrouwentheijd gesteld dan alleen „ op uw /:menende den koning van goa:/ om, wanneer „ den Hemel mogt kome te behagen mij uijt dese wereld „ te haalen, hunner welweesen te betragten en onder„ „steuren, dog de quaad doenders of die teegen de wetten son„ „digen niet behoeve te vreesen de zulke te verwerpen, „ dog daar en tegen behulpsaam te weesen aan de geenen „ die zig aan de wetten gedragen en gehoorsamen. „ ook maake uwe bekend dat uwen slaaf boeboe „ na mijn overlijden in mijn plaats sal optreeden en „en Labaloso als voogd over dezelve ageeren, dog zo wanneer „de Boniers him niet wilde weeten of daar voor erkennen, „hoope dan dat uwe hem niet verworpen sal, maar in „tegendeel met denzelven mede lijden sult hebben en „ onder uE: protectie te neemen. welke gedoenten van zijn Hoogheid mij zeer onbegrijpe„ „lijk voorkomt, en dierhalven diene ik van alles aan uwE: en vervolgen den Heer gouverneur kennisse te geeven; mij teffens buijten alle deese zaakelijkheeden houdende want ik voor mijn aandeel van niemand Goeds en genade verwagte. dan alleen van d'Ed: Comp: op wien ook steeds mijn vertrouwentheid hebbe gevestigt; en dat mij van zijn Hoogheid is aangeraden om niemand anders als d'E Comp:e altoos getrouw te blijven en indien geene van mijne broede„ „ren zulx meede willen nakomen, ik dan alleen den goeden Raad en wille van zijn Hoogheijd sal observeeren en nako„ „men. /:onderstond:/ voor het translatie /:was getekend:/ G: Brugman /:lager / Accordeert /was get„t/ P: B: Godenpijl Translaat
English
Translation of a Bugis letter written by the former Poengauwa Lacasie to the shahbandar in order to be presented further to the Honourable and Respected Lord Governor, reading as follows. After I had summoned the makadantana, Tomilalang malolo, Aroe Ponre, and Datoe Baringan together, and having met, I told them that three days after the decease of our king, we Bone people collectively ought to request an audience with the Lord Governor, in order to bring in the crown prince aroe Timoeroeng and present him, at the same time declaring that the said aroe Timoeroeng is the person whom the deceased king appointed as his successor, and to request the maintenance of the Lord Governor so that this may be upheld, as well as that the Lord Governor may be pleased to give notice hereof to His High Nobility at Batavia. Aroe Ponre and Datoe Baringan replied to this, what custom entails we shall do, and otherwise not; the makadantana answering to this, this is indeed the custom which your brother Lacasie has proposed to us to do. Whereupon aroe Ponre replied again, we have indeed sent aroe Patjiro to give notice of the death of the king and that aroe Timoeroeng has been named as his successor, and secondly, we have already made this known to the shahbandar as commissioner for the mourning lamentations; then Datoe Baringang says, let us part from one another and proceed together to aroe Palacka and ask her sentiment about this, as she might desire. The next day I sent my son aroe Tha to the regent to inquire whether my proposal of yesterday is acceptable or not, for these matters do not concern me; however, I cannot omit to remind them of their duty to look after the welfare of the country and the king. To which the Makadantana answered, I indeed already told your brother aroe Ponre yesterday that your proposal is the custom, namely to request an audience from the Lord Governor for all of us, in order to give notice of the death of our king, and at the same time to bring in his successor for presentation; however, since yesterday I have not yet received an answer from both your brothers. Furthermore, yesterday evening I had the daily register of matinroa Rinagawoelang opened and saw from it that when Tonisombaija passed away, notice was immediately given thereof to the Lord Governor by two commissioners, and after the lapse of fourteen days, the Bone people collectively brought the said matinroa rinagawoelang inside for presentation, and at the same time gave notice that the aforesaid matinroa rinagawoelang had been appointed as their king, and therefore they collectively came to request the Lord Governor and the Honourable Company to be pleased to recognize him as such. Furthermore, I sent to the makadantana for the second time in order to have him told that he should indeed remind my brothers to be willing to comply with what we are accustomed to do. I must also mention here that datoe Baringang has sent an envoy to Goa, and those of Goa in turn to him; however, as they whispered into each other's ear, I have not been able to find out about it to this day. Likewise, an envoy of Goa's king has been to aroe Palacka to ask her to return and to reside within Goa again; but the Young king is said to have said to that: I am now bereft of a father, and if Aroe Palacka were to move from here to reside within Goa again, I would be entirely deprived of father and mother. Below stood: For the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B Hodenpijl. To. I have duly received the letter from your Highness and the grandees of the realm from the hands of your envoys, but I was utterly astonished at its contents; for whereas I firmly thought that my son, after many admonitions and warnings to fulfill his duty, would firmly have undertaken the journey hither this year, I cannot understand how the treatment of the subjects could have prevented this; and if there are some grandees who do not conduct themselves as is fitting, nothing could surely be better for my son than to come up himself in order that we might deliberate thereon. The Commander of Bima has meanwhile written to me that my son had subsequently said he was willing, but that he lacked a suitable vessel, which the grandees of the realm had not provided; whether this is with or without their fault is unknown to me, but I have authorized the Commander to offer my son the Company's ship prahu for his transport, expecting that he will now no longer delay in fulfilling his obligation; otherwise being obliged to conclude that he does not wish to look after his own welfare, since the Company has now exercised patience long enough, and will await no further frivolous pretexts. After the usual preamble. To the king and grandees of the realm of sumbauwa. I therefore wish my son and the grandees of the realm to be furthermore admonished and advised not to postpone his coming any longer. We have not been able to satisfy the requested Three Thousand Rixdollars as we are not sufficiently provided therewith; but nevertheless we have had One Thousand Spanish dollars delivered to the envoys, in the hope that these will be repaid again soon. Written at Macasser in Castle Rotterdam, the 16th of June 1775. Below stood: For the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. Translation.
Dutch transcription
119 1187 Translaat boeginees brief ge„ „schreven door den geweesene Poen„ „gauwa Lacasie aan den siabandh: voll om verder te vertoonen aan den Wel Edele agtbaare Heer Gouver„ „neur, Luijdende aldus. Na dat ik, den makadantana, Tomilalang malolo, Aroe„ Ponre en Datoe Baringan gezamentlijk hebbe laten ver„ „soeken en bij een gekomen zijnde, so hebbe haarl: gesegt, dat na drie dagens overlijden van onsen koning, dienen wij gesamentlijke Boniers acces aan den Heer Gouverneur laaten verzoeken, ten eijnde den kroon Prins aroe Ti„ „moeroeng binnen te brengen en hem te vertoonen teffens te verklaaren dat gem: aroe Timoeroeng den persoon is die den overleden koning tot zijn successeur heeft be„ „noemt, en maintenue van den Heer gouverneur te verzoeken dat deselve mogt gestand blijven, mitsgaders dat den Heer Gouverneur hier van kennisse aan zijn Hoog Edelheijd te Batavia gelieve te geven. Repliceerende hier op Aroe Poure en Datoe Barin„ „gan, 't geen de gewoonte meede brengd zullen wij doen, en anders ook niet den makadantana hier op antwoor„ „dende dit zijn immers de gewoonte 't geen uwE: broeder Lacasie ons heeft voorgeslagen te doen. waar op aroe Ponre weder repliceerde, wij hebben immers aroe Patjiro gesonden om van 't overlijden van Hler den koning en dat aroe Timoeroeng tot zijne successeur is de„ „noemd geworden kennisse te geven, en ten tweede, wij hebben den tjabandhaar als gecommitteerd tot 't rouw beklag, zulks ook al bekent gemaakt, vervolgens zegt Datoe Baringang laa„ „ten wij van malkanderen scheijden en bij aroe Palacka ons gesamentlijk begeeven en haar sentiment hier over versoeke hoedanig zij begeerde. Des anderen daags sond ik mijn zoon aroe Tha na den rijksbe„ „stierder om te verneemen of mijn voorslag van gisteren aan„ „neemelijk is, dan niet, want die zaaken gaat mij niet aan„ egter kan ik zulks ook niet nalaaten haar en pligt te herinneren om tot welweesen van 't Land en den koning te betragten. ook welke den Makadantana antwoorde ik hebbe immers al gisteren tegens uw baoeder aroe Poure gezegt, dat de aanaading uE: de gewoonte is, namentlijk van den Heer gouverneur voor ons alle acces te laaten versoeken, ten eijnde kennisse te gee„ „ven van de dood van onsen koning, en zijne successeur teffens ter vertooning meede binnen te brengen, egter hebbe sedert gisteren nog geen bescheijt van uwe beijde broeders ontfangen. Wijders hebbe ik gisteren avond de dag register van matinroa Rinagawoelang laten opslaan en daar uijt gesien, dat wanneer Tonisombaija is komen te overlijden aanstonds door twee gecommitteerdens aan den Heer gouverneur daar van kennisse is gegeeven, en na verloop van verthien dagen, hebben de gesamentlijke boniers gem: matinroa rinagawoelang ter vertooning binnen gebragt, en te gelijk keunis. 121 1489 kennis gegeeven dat voorsz: matinroa rinagawoelang tot haren koning was benoemt, en dierhalven zij gesamentlijk den hier gouverneur en dE: Comp„e kwamen verzoeken dezelve daar te willen erkennen. Voorts sond ik voor de tweede maal bij den makadantana ten eijnde hem te laten seggen, dat hij dog mijne broeders soude herinneren voor 't geen wij gewoon zijn te doen, te willen nakomen. ook moet ik hier melden, dat datoe Baringang ein sende„ „ling na goa heeft gesonden, en die van goa wederom aan hem gedaan, egter wijlze malkanderen in 't oor luijsterden hebbe, daar tot heeden niet kunnen agter komen. soo meede een sendeling van Goas koning bij aroe Palacka geweest om haar tot te rugkeeren en weeder binnen Goa ter woon te versoeken, dog den Jongen koning daar op soude gesegt hebben, ik ben thans van vader berooft, en wanneer Aroe Palacka haar van hier binnen goa weder ter woon mogt begeeven, zo ben ik ten eenemaal van vader en moeder ontbloot. /:onderstond:/ voor het translatie /:was geteek:/ g: Brugman /lager/ Accordeert /was getee„ kend / H: B Bodenpijl. — Aan. Jk hebbe den brief van uw Hoogheijd en Rijks grooten wel ont„ „fangen uijthanden van derzelver gezanten dog ben over dies in houd ten uijtersten verwonderd geweest: want daar ik vast gedagt hadde dat mijn zoon na veele vermaeningen en waarschuwingen om zijnen pligt na te komen dit jaar vastelyk de reijse na herwaarts zoude hebben ondernomen zo kan ik niet begrijpen hoe de behande„ „ling der onderdaenen, sulks heeft kuneren beletten: en zijn 'er eenige grooten die zig niet gedragen gelijk het betaemd konde er voor mijn zoon immers niets beter weesen dan om zelfs op te komen ten eijnde wij daar over te raadpleegen Den Bimas Commandant heeft mij ondertusschen geschree„ „ven dat mijn zoon naderhand gezegt hadde wel te willen dog dat hem een bekwaem vaartuijg manqueerde, 't welk de Rijksgrooten niet hadden bezorgt; of dit met of zonder hunne schuld zij, is mij onbekend, maar ik hebbe den Commandant gequalificeerd om mijn zoon 's Comp=s schep praauw tot desselfs transport aan te bieden, inverwagting dat denzelven nu niet langer tardeeren zal zijne gehoudenisse na te komen; bij het tegendeel zullende moeten vast stellen dat hij zijn eigen welweesen niet wil betragten, vermits de Compagnie nu lange genoeg geduld g'oeffend heeft, en geene frivoole voorwendselen meerder zal afwagten. Na gewoone voorreeden Aan den koning en Rijksgrooten van sumbauwa Ik. 189 1191 Jk wil dierhalven mijn zoon en Rijksgrooten als nog ver„ „maand en geraeden hebben om zijne komste niet langer uijt te stellen. De verzogte Drie Duijsend Rijksdaalders hebben wij niet kun„ „nen voldoen alzo wij daar van niet genoeg voorsien zijn dog des niet te min Eenduijsend spaans aan de gezanten laeten afgeeven in hoope dat dezelve weeder spoedig zullen worden voldaan. Geschreeven te Macasser in 't Casteel Rotterdam den 16„e Juni: 1775: — /onderstond:/ voor het translatie /was geteekend/ G: Brugman /lager / Accordeert /was get:d / H: B: Hodenpijl. Translaat.
English
Thus I make known by this to Your Highness that I am now sending to Macasser Mackal Samadde Damoeng Poeloet, Daeng Poengawa, Ranga Iutal, Radeng Mackal and Damoeng Samang to appear before Your Highness and represent my person there, and I request Your Highness, in case they might make any mistake there, to be pleased to instruct them therein, as I have placed my trust in Your Highness and the Honorable Company. I request Your Highness kindly to send me, against payment, a pair of copper ganrangs, and I am sending herewith, as a token of life, a male slave, whom I request may be kindly accepted. Was written at Sumbauwa on the 5th day of the month Saphar in the year 1182. Underneath stood, for the translation, was signed G: Brugman. Below, agrees, was signed H: B: Hodenpijl. Compliments as customary. Translation of a Malay letter written by the King and grandees of the realm of Sumbauwa to the King of Bonij. Translation. 125 1193 Translation of a Buginese letter written by the present King of Bonij to the King of Sumbauwa. After the ordinary compliments, I hereby make known that we have received your letter from the hands of your envoys, and that they arrived here before the decease of our King, but that we were not able to have the opportunity to admit them to an audience with our King, because we did nothing else than attend to our deceased King in his severe illness, His Majesty having also fallen asleep in the Lord on the 6th day of the month Rabiel Achier on Monday evening at two o'clock. Regarding your request to be allowed to have a pair of copper ganaang against payment, we cannot, due to our manifold occupations, accommodate you with the same for the present; but as soon as the customary funeral services of His Majesty shall be finished, we shall endeavor to help you to them; nevertheless, you may also do your best to procure such a pair. Underneath stood, for the translation, was signed G: Brugman. Below, agrees, was signed H: B: Hodenpijl. Bina. Bima To the Ensign Alexander Lecerff, Commandant there. Valiant, Pious, Discreet! Having had to postpone until now the answering of your letters of the 9th and 21st ultimo due to the lack of an earlier opportunity, it now serves in response thereto that, regarding the murder committed by the Wadjorese on Sumbauwa upon the Nachoda and some of the crew of a certain vessel belonging at Tanjong Karang, I not only judge it necessary and expedient with you to urge the King and the grandees of the realm that the murderers be taken into custody immediately and handed over to the Company, without first waiting for Gusti Waijantaga to make a complaint about that atrocious deed, but also that you will immediately be able to offer the kris and further plundered goods, which you obtain, to Justiwaijantaga as a token of the Company's esteem, 127 1195 esteem, with the communication that the perpetrators will receive their just deserts, so that you, in accordance with the tenor of my previous letter, will at the same time have to endeavor to obtain satisfaction for him for the vessel in question which was withheld by the Sumbawarese, confronting them in serious terms with their bad and punishable conduct and how they themselves have given cause for new unrest with that prince or the land of Salemparang, which must always be considered extremely dangerous for Sumbauwa, as experience, not long ago, has shown only too well; adding further that they have thereby earned the Company's displeasure no less, but that it is trusted that they will carefully guard themselves against such steps in the future and will now, with respect to the aforementioned murderers, show proofs of sincerity in order to wipe out their previous offense. Meanwhile, you will be able to gather from what has been said that my intention still is to have you cross over to Salemparang, even though the King of Great Balij has died, considering that another will probably already have been appointed in his place, wherefore you will be able to inquire about this with Gusti Waijantaga, and whether he still abides by his intention to send his son along, in order then to proceed thither with him; with him, but if he should no longer be inclined to do so, it seems to me that it would not be advisable for you to go alone, unless you could first obtain some assurance of being well received on Great Balij, which might best be attempted by sending a trusted person to the present King to give notice of the Company's objective and how you are charged with that commission; or else by writing a short letter directly to him to inquire whether your arrival might be agreeable to him; whereupon you can propose the matter to that prince as well as execute what was given to you in instructions. Meanwhile, I had hoped that the Company's subject Carre Tololo Oesoe would already have been able to depart for Sumbauwa to assist you in this, but up to now he has not been able to get ready; but considering that I had mainly wanted to employ him because of his influence with the deceased King, and such is now no longer applicable, you will not need to wait for him, but will have to do everything that, according to the circumstances of time and matters, can be considered useful and expedient for achieving the intended objective, which I once again most earnestly recommend to you. Furthermore, I let this serve as an escort for the returning Sumbawarese envoys, who profess ignorance of the aforementioned vessel as well as of any unrest or divisions between the King and the grandees of the realm, and
Dutch transcription
Zo maake bij deese aan uw Hoogheit bekend, dat ik thans na macasser zende Mackal samadde Damoeng Poeloet, Daeng Poengawa, Ranga Iutal, Radeng Mackal en Da„ „moeng samang om voor uw Hoogheijt te verscheijnen en mijn perzoon aldaar te representeeren, en ik verzoek uw Hoogheijt in„ „dien z' aldaar eenige fout mogt doen, haar daar in te willen on„ „derrigten alzo ik mijn vertrouwen op uw Hoogheijd en d' Ed Comp:e gesteld hebbe. Ik versoek uw Hoogheijt mij voor betaling gelieft toe te zen„ „den Een paar Copere ganrangs, en zinde hier neevens tot een teeken van leeven Een mansslaaf die ik verzoeke dat genegentlijk mag werden g'accepteert /onderstond/ Geschreeven te sumbauwa op den 5:e dag der maand Saphar in 't Jaar 1182: — /onderstond/ voor het translatie /:was geteekend:/ G: Brugman /lager/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl: Compliment na gewoonte Translaat Maleijtse Brieff geschreeven door den koning en Rijks„ grooten van sumbauwa aan den Koning van Bonij. Translaat. 125 1193 Translaat Boegineese Brieff geschreeven door den presenten koning van Bonij, aan den koning van sumbauwa Na de ordinaire Compliment zo maak bij deese bekend dat wij uw brief uijt handen van derzelver gezanten ontfangen hebbe en dat dezelve voor 't overleijden van onsen koning alhier zijn g'arriveert dog dat wij de geleegentheijt niet hebben kunnen, haar lieden ter gehoor bij onsen koning te admitteeren, vermits wij niet anders gedaan hebben als onsen overleedenen koning in zijne zwaare ziekte op te passen, zijnde zijn majisteit ook op den 6=e dag der maand Rabiel achier op mandag avond ten twee uuren in den heere ontslapen. Belongende uw verzoek om Een paar kopere ganaang voor betaling te mogen hebben, kunnen wij door onse veelvuldige beezigheeden, voor 't teegenswoordige uw niet, dezelve gerieven, dog zodra als de gewoonlijke lijk diensten van zijn majesteit zullen afgelopen weesen zullen wij uw daar aan tragten te helpen des niet te min kan uw mee„ „de zijn best doen, om zo een paar te bemagtigen /onderstond/ voor het translatie /was geteekend:/ g: Brugman /lager / Accordeert /was getekend/ H: B: Hodenpijl Bina. Bima Aan den vendrig Alexander Lecerff Commandant, aldaar Manhafte, Vroome, Discreete! De beantwoording uwer brieven van den 9. en 21. passato, door ontstentenisse van vroegere gelegentheijd tot hier toe hebbende moeten uijtstellen. zo diend thans daar op, dat ik ten ansien van de gepleegde moord door de wadjoreesen op sumbauwa aan den Nachoda en eeni„ „ge van d' Equipagie van zeeker vaartuijg op Tanjong karang thuijs hoorende met uE: niet alleen nodig en dienstig oordeele om bij den koning en de Rijksgrooten aan te dringen dat de moordenaars ten eersten in verseekering genomen en aan de Compagnie overgegee„ ven worden sonder alvoorens afte wagten dat Gusti waijantaga over die gruwelijke daad komt tlagtig te vallen, maar ook de kris en verdere geroofde goederen, die uE: erlangende ten eersten aan Justiwaijantaga sal kunnen aanbieden tot een blijk van 't Compagnies agting 127 1195 agting onder Communicatie dat de daaders loon na werken zullen erlangen, invoegen uE: den zelven na luijd mijner voorige te gelijk voldoening sal moeten tragten te bezorgen voor het bewuste vaartuijg dat door de sumbauwareesen agter gehouden is, deselve in ernstige termen hun slegt en strafwaardig gedoente voorhoudende en hoe zij zelfs aan„ „leijding hebben gegeeven tot nieuwe onlusten met dien vorst of wel het land van Salemparang, 't welk voor sumbauwa steeds ten uijtersten gevaarlijk moet worden g'acht gelijk de ondervinding, nog niet lange geleeden, maar alte zeer heeft doen zien: onder verdere bijvoeging dat zij daar door 's Comp=s misnoegen niet minder hebben verdiend, dog dat men vertrouwt dat zij zig voor diergelijke stappen in den aanstaande zorgvuldig wagten en met opzigte tot de voorm: moordenaars thans blijken zullen toonen van oprechtheijd om hun voorig misdrijs uijt te wissen. ondertusschen zal uE: uijt het gezegde kunnen opmae„ „ken dat mijne intentie als nog is om uE: na salempa„ „rang te doen oversteeken of schoon de koning van groot Balij overleeden zij, gemarkt 'er waarschijnlijk reets een ander in zijn plaats zal weesen benoemd, weshalven uE: zig daar na bij Gusti waijantaga zal kunnen informeeren en of hij als nog bij zijn voorneemen blijft om zijn zoon meede te geeven, ten eijnde zig als dan met. met den zelven derwaarts te begeeven, dog zo hij daar toe niet meer g'inclineerd mogte zijn, dunkt mij dat het voor uE: niet geraden zoude weesen alleen te gaan ten waare uE: alvoorens eenige verseekering konde erlangen om op groot Balij wel ontfangen te worden, het geen mogelijk best zal te beproeven weesen door het senden van een vertrouwde aan den presente koning om aan 's Comp„s oogmerk kennisse te geeven en hoe uE: met die Commissie belast zijt; dan wel door den zelven direct een briefje te schrijven en te verneemen of uE: komst hem welgevallig mogte weesen: wanneer uE: dien vorst de zaak kan voorslaan mitsgaders het uE: inmandatis ge„ „geeven ter uijt voer stellen: ondertusschen hadde ik gehoopt dat 's Comp=s onderdaan Carre Tololo oesoe reets na sumbau„ „wa zoude hebben kunnen vertrecken om uE: in deesen 't assisteeren, dog hij heeft tot hier toe niet in gereedheijd kunnen komen dan gemerkt ik hem wel voornamentlijk hadden willen emploijeeren uijt hoofde van zijn ingang bij den overleeden koning en zulks als nu vervallen is, zal uE: na hem niet behoeven te wagten, maar alles moeten doen wat na de omstandigheijd van tijd en zaeken nuttig en dienstig kan worden g'acht ter bereiking van het bedoelde oogmerk dat ik uE: nogmaals op het ernstigste aanbeveele. voorts laete ik deesen dienen ten geleijde van de te rugkeerende sumbau„ „wareese gesanten die van het hier vooren gem: vaartuijg zoo wel ignorantie pretendeeren als van eenige onlusten of verdeelt heden tusschen den koning en Rijks grooten en
English
and made promises to bring the same hither as soon as possible, whereto I still expect that Your Honour will also use all endeavors, adding hereto in conclusion that to the same upon their request, instead of three thousand rds that the king requested on loan, one thousand Rds in specie have been issued, for which Your Honour may debit the Realm in his specification, in order to be recovered again at the first opportunity upon the delivery of sappanwood or otherwise, wherewith after greetings I remain, was signed below, Your Honour's good friend, was signed, P: G: van der Voort, in the margin, Macasser, In the Castle Rotterdam, the 19th of June 1775, lower, Agrees, was signed, H: B: Hodenpijl. Translation of a Bugis Letter written by the PoenlipoeE or Datu Soppeng, To the Honourable Governor and Director of this Coast of Celebes, reading as follows: After the customary Compliments. This expressly serves to make known to the Lord Governor and Council that a Cousin of mine named Daeng Padoenie, whom I have appointed as overseer and to represent my person in the negorij Lalolang, has a female slave who is married to a slave of Poeanna Alang, being a panghoeloe djoa of Aroe Pantjana, which said Poeanna Alang had his slave summoned to him, but that the said slave, being fearful of his master, had not wished to go with the said messenger, whereupon the messenger said to Daeng Padoenie, I dare not tie the arms of that lad while he is in your house, but rather let him go with me, so that I may bring him further to my master, but since the said lad was not bound, he took the opportunity underway to take flight, as he indeed did, and took refuge with Arou Paopao, and was detained by him, whereupon the owner of the said slave had him reclaimed, but received as answer that he bought that lad for 22 rixdollars, without saying from whom, for which reason Poeanna Alang had the wife of the said slave fetched away, being the slave of the aforesaid Daeng Padoenie, whereupon Daeng Padoenie, being compelled if he wished to have his female slave back again, paid Poeanna Alang 22 rds, and after payment of the said money, Daeng Padoenie received his slave back again. And furthermore there are two or three slaves of the Inhabitants of the negorij Lalolang who have taken their refuge with Aroe Pantjana, and who are detained by him without him wishing to return those runaway slaves back to the owner, which runaways continually came into the negorij Lalolang and commit all kinds of violence against the Inhabitants of the said negorij, and according to our law and customs one may not detain slaves or goods of one another, unless we are in discord, yet however I do not know to this day that we are in dispute with each other. As also my plantation of Coconut Trees which I inherited from my aunt Arou Tjinrabole standing in the negorij Biraro, as well as my durian forests in the negorij Ammasan-ngan, which the subjects of Arou Pantjana have forbidden my people, whom I have appointed as overseers, from harvesting the fruits thereof, of which Captain Daeng Masikki is aware that such belonged to me, and with respect to the aforementioned Coconut trees, Arou Pantjana arrogates dominion over them, so that I may profit nothing from them, although it is too minor to trouble the Lord Governor with, yet because I fear that I might regret it later, I have made it known in this. And when the peoples of Lalolang are also fined, as well as those of Tjenack, nothing is told to me of it, which I have not been able to bear any longer, yet because I fear the Lord Governor, I have not wanted to make any commotion over it for the time being; furthermore and particularly with respect to the peoples of the rich woman Dampang, belonging under the Realm's peoples of Patodjo, being a female slave of mine, and if the Lord Governor would not be of assistance to me in this, I shall never obtain them. Likewise there is also a prince of Soppeng named Poeanna Madjoe, who is accused and convicted of having committed incest with his daughter, and whom one wished to punish with death according to the law, yet in the meantime he has taken his refuge with Arou Pantjana, wherefore I informed my mother the Queen of Tanette thereof, but Her Highness did not wish to concern herself with it. Written in the Negorij Lampoko on the 16th day of the month of Rabi' al-Akhir in the Year 1189, named Djin, being the year 1775. Beneath was written, For the translation, was signed, G. Brugman, lower, Agrees, was signed, H: B: Hodenpijl. To the Queen of Tanette. After the usual preamble: Whereas I have recently, out of a pure and sincere affection, both earnestly and emphatically admonished and advised Your Highness not only to oppose and prevent the evil actions of Aroe Pantjana and his faction, but also to provide satisfaction to those whom they have treated so violently and robbed of their belongings; I had hoped that this would have been of good success and that no further complaints on that account would have come before me; but to my heartfelt regret and with no less indignation, I have had to experience the contrary, having again received news of several illicit and exceedingly punishable deeds.
Dutch transcription
129 119/5 en beloften hebben gedaan om denzelven ten spoedigsten herwaarts te brengen waar toe ik als nog verwagte dat uE: ook alle de voiren sal aanwenden, ten besluijte hier bij voegende dat aan deselve op haar versoek in steede van drie duijsend rd=s die den koning terleen verzogt heeft een duijsend Rd=s spaars zijn afgegeeven, waar voor u E: het Rijk bij zijne specificatie kan debiteeren ten zijnde bij eerste gelegentheijd bij leverantie van sappanhout of an„ „dersints weeder ingepalmt te worden waar meede na groote blijve /onderstond/ uE: goede vriend / was geteekend/ P: G: van der voort, /in margine / Macasser Jn't Casteel Rotterdam den 19. Junij 1775. /lager/Accordeert /was getekend/ H: B: Hodenpijl. Translaat Boegineese Brief geschreeven door den PoenlipoeE of Datoe sopping, Aan den wel Edelen Agtbaaren Heer Gouver„ „neur en Directeur deeser Custe Celebes, luijdende aldus Na de ordinaire Compliment Deese dient Expresselijk om aan den Heer Gouverneur en Raad bekent te maken, dat een Neef van mijn genaamt Daceng Padoenie, als op zigter en om mijn persoon te representeeren in de negorij Lalolang, aangesteld hebbe, deese een slavin heeft, die getrouwt is, met een slaaf van Poeanna Alang, zijnde een panghoeloe djoa van Aroe Pantjana, welke Poeanna Alang gem: zijn slaaf heeft bij zig laten roepen, dog dat gen=e slaaf als bevreest zijnde geweest, voor zijnen meester niet met gem: zendeling meede had willen gaan, waar op de zendeling tegens daeeng Padoenie had gezegt, ik durf die Jonge niet vleugelen, terwijl hij op u huijs is, maar laat hem liever met mijn meede gaan, op dat ik hem verder na mijn meester kan brengen, maar vermits gem: Jonge niet gebonden is geweest, zo heeft denzelven onderweegs de gelegentheijd waargenomen, om de vlugt te neemen zo als hij ook zulx gedaan heeft, ende toe„ „vlugt 131 1199 toevlugt na Arou paopao genomen, en door hem aan„ gehouden waar op de eijgenaar van gem: slaaf denzelven heeft laten reclameeren, maar tot antwoord had gekree„ „gen dat hij die Jonge gekogt heeft, voor rijksd=s 22. zonder te zeggen van wie, om welke reeden heeft Poe„ „anna Alang de vrouw van gem: slaaf laten afhalen, zijnde de slaven van voorsz: Daeng Padoenie, waar op Daeeng Padoenie als genoodzaakt zijnde geweest, wilde hij zijn slavin wederom hebben, aan Poeanna Alang te betaalen rd=s 22: en na afbetaling van ged=e geld, heeft Daeeng Padoeni weeder zijn slaven te rug gekreegen. En nog zijn 'er twee â drie slaven der Jnwoonders van de negorij Lalolang, die hunnen toevlugt bij Aroe Pantjana hebben genomen, en die door hem is aange„ „houden, zonder dat hij dezelve aan de eijgenaar dien weg gelopene slaven weeder wilde te rug geeven, welkers vlugtelingen geduurig in de negorij Lalo„ „lang quamen, en aan de Inwoonders van gem: negorij allerleij geweld pleegen, en volgens onse wet en gebruijkelijkheeden vermag men geen slaven ofte goederen van den eene of van den anderen aan„ „houden, ten zij, dat men in oneenigheijd zijn, dog egter weet ik tot heeden niet dat wij met elkanderen in twist zijn. Gelijk Gelijk ook mijn plantagie van Clappus Boomen die ik g'Erfft hebbe, van mijn muij Arou Tjinrabole„ staande op de negorij Biraro als meede mijn doerians bosschen op de negorij Ammasan-ngan, die de onderdaa„ „nen van Arou Pantjana verbooden heeft, dat mijn volk, die ik als toezienders gesteld hebbe, de vrugten van dezelve niet moesten afneemen, 't geen de Capitain Daeeng Masikki bewust is, dat zulx mij toequam, en ten opzigte der voorn: Clappus boomen zo matigd Arou Pantjana zig de heerschappij over dezelve, zo dat ik niets daar van mag profiteeren. schoon het gering zij, om daar meede den heer Gouverneur te ver„ „moeijelijken, dog dewijl ik bevreest ben, dat het zelve mij naderhand mogte berouwen, hebbe ik zulx in dezen bekend gesteld. En wanneer ook de volkeren van Lalolang in de boete word geslagen, zo meede die van Tjenack, zo werden mij niets daar van gezegt, dat ik niet meer heb kunnen verdragen, dog dewijl ik voor den Heer gouverneur bevreest ben, heb ik daar over, voor als nog geen, beweeging willen maaken; voorts nog en wel ten opzigte der volkeren van de rijke vrouw Dampang, gehoorende onder de Rijksvolkeren van Patodjo, zijnde een slavin van mij, en wanneer den Heer Gouverneur mij hier inne niet behulp„ „zaam. 133 1201 „behulpzaam wilde weesen, zal ik dezelve nooijt verkrijgen. Insgelijks ook is 'er een prins van sopping genaamt Poe„ „anna Madjoe, die beschuldigt en overtuijgd is bloed schande„ met zijn dogter bedreeven te hebben, en die men navolgens de wet met de dood wilde straffen, dog intusschen heeft hij zijn toevlugt na Arou Pantjana genomen, dier„ „halven heb ik zulx aan mijn moeder de koninginne van Panette verwittigt, dog dat haar Hoogheijdt daar meede niet had willen bekrennen. Geschreeven op de Negorij Lampoko den 16=e dag der maand Rabbil achir in 't Jaar 1189: gen=t D jin zijnde 't jaar 1775: -. /:onderstond:/ voor het translatie /was geteekend/ G„t Brugman /lager/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. Aan Na gewoone voorreden: Daar ik uw Hoogheijd, Jongst, uijt een zuij„ „vere en oprechte genegentheijd zo ernstig als nadauc„ „kelijk vermaand en geraeden hebbe, om niet alleen de kwaede gedoentens van Aroe Pantjana en zijnen aanhang, tegen te gaan en te beletten, maar ook de geene die zij zo geweldadig behandeld, en van het haere beroefd hebben, voldoening te bezorgen; hadde ik gehoopt dat zulks van een goed succes geweest en mij geene verdere klagten diend wegen voorgekomen zoude zijn; maar ik hebbe tot mijn innig leed weesen en met geen minder erger„ „nis het teegendeel moeten ondervinden, als wee„ „der tijding gekreegen hebbende, van verscheijde ongeoorloofde en ten uijtersten strafwaardige Aan de Koninginne van Tanette. bedrijven.
English
131 1203 deeds newly committed by the same, which cannot be unknown to Your Highness, cannot remain so to her advantage, if only the complainants are heard and the matters investigated, and provided Your Highness does not simply content herself with a denial from the guilty parties. The welfare of Your Highness's lands and that of her person and family depend upon this in the utmost degree, and my true desire and affection to further the same oblige me to confer with Your Highness once again about these matters and once more to urge you to follow my advice and consequently compel Aroe Pantjana to make restitution of that which he has so unjustly taken from others and appropriated to himself, as well as to make him desist from such and other excessive outrages. Whereas, in the contrary case, I must declare to Your Highness that I shall no longer be able nor allowed to prevent the offended parties, as I have done hitherto, from doing themselves justice and resisting his acts of violence, as well as treating him and his adherents as open enemies, as they deserve; indeed, even that I shall support those who might be unable to defend themselves in such a manner that he and his people will quite lose the desire to rob and plunder any longer, of which he seems to have made his principal business for a considerable time; without showing any fear of anyone, much less reflecting that it will ultimately end badly for him, as I nevertheless fully assure him, if from now on he should not happen to cease the same and keep himself quiet. Your Highness will then please not blame me for the consequences arising therefrom, nor for the misfortune that might befall him, which I still hope may happily be prevented through a speedy settlement of the matters and the exertion of Your Highness's maternal and princely authority concerning him. For the rest, I assure Your Highness of my continuous esteem, requesting you to believe that this warning of mine stems principally therefrom, since we would be extremely grieved if any further disasters were to befall Your Highness, from which may Heaven preserve her. Written at Maccasser in Fort Rotterdam, the 22nd of June 1775. Below was written: for the translation, was signed: G: Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. To. 437 137 1265 To the Datoe of Soping After the usual preamble. Furthermore, I inform my friend that I have duly received his letter and have seen from it, with very great regret, that both Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao have again committed some hostilities, by detaining a female slave of Daeeng Padoenie, who had to pay 22 Spanish dollars for her; furthermore, another two or three slaves of the inhabitants of Lalolang, who have since committed violence there; stopping or forbidding your people to fetch the fruits of his own lands, condemning still other subjects of Lalolang to fines and ruining a third, robbing some people of the woman dampang belonging under Patodjo, and detaining Poeanna Madjoe. I immediately wrote a letter to your mother, the Queen of Tanette, and once again requested and admonished Her Highness in the most emphatic terms, not only to ensure that Aroe Pantjana provides satisfaction and redress for those actions, but also to restrain him earnestly in his acts of violence, making it known: that in the contrary case, I shall not hold back those whom he thus repeatedly offends from securing justice for themselves by force, and that she then need not blame me for the misfortune that might befall him, Aroe Pantjana, which I hope may be successful in satisfying my friend. At least I shall continue to await an answer to it and impart the same to you, and in case Her Highness should not listen to my advice, try to devise other measures to deter Aroe Pantjana from his evil deeds in the future; meanwhile, I request you to send once more to Her Highness to demand Poeanna Madjo along with the persons and goods that Aroe Pantjana has stolen, in order to be better able to convince him, as he will otherwise deny everything. For the rest, I wish you all blessing and health. Written at Maccasser in Fort Rotterdam, the 23rd of June 1775. Below was written: for the translation, was signed: G.t Brugman. Lower: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. 139 1287 Memorandum for the merchants Josias Raket and Jan Hendrik Voll, going on a mission to the Court of Bonij. Whereas the recently deceased King of Bonij possessed various lands, and among others four islands, which were ceded to him solely for use during his lifetime, and he, moreover, by pure favor, was also exempted from the otherwise obligatory tithe of the crop of a large number of rice or paddy fields in the northern districts, besides so many others that he successively appropriated and seized for himself in an unjust manner; you are hereby commissioned to betake yourselves to the Court and clearly present this all to the present King and the grandees of the realm, and to make known to them: that the Governor and Council, in the name and on behalf of the Honorable High Indian Government at Batavia, representing the Dutch Company, are now reclaiming all those islands, lands, and fields, and that those who cultivate the said fields shall henceforth have to pay the rightful tithe;
Dutch transcription
131 1203 bedrijven, door den zelven op nieuw gepleegd, die uw Hoogheijd niet onbekend kunnen zijn, ten winsten voor haar, zodanig niet kunnen blijven, wanneer de klagers maar gehoord en de zaeken onderzogt worden, mitsgaders uw Hoogheijd zig niet enkeld te vreeden houd, met een ontkentenisse van de schuldigen. Den welstand van uw Hoogheijds landen en dat van haere persoon en famille legt daar aan, ten uijtersten gelegen, en mijne waare zugt en genegentheijd om die verder te bevorderen, verpligten mij uw Hoogheijd als nog over deese zaeken t'onderhouden en andermaal aan te dringen, om mijnen raad na te komen en oversulx Aroe Pantjana. te noodsaeken tot restitutie, van het geene hij anderen zo onrechtwardig ontnomen en zig toe g'eigent heeft, mitsgaders om hem te doen afsien, van diergelijke en andere verre gaande buijten spoorigheden. Terwijl ik uw Hoogheijd bij het tegendeel moet ver„ klaeren dat ik de beledigden niet langer sal kun„ „nen nog mogen beletten, gelijk ik tot hier toe ge„ „daan hebbe, om haar zelven regt te doen en zig te verzetten tegen zijne geweldenarijen, mitsgaders hem en zijn aanhang te handelen, als openbaere vijanden, gelijk zij verdienen; Ja zelfs dat ik de zulke welke onmagtig mogte weesen, om zig te defendeeren, dermaten zal ondersteunen, dat hem en. en de zijnen den lust wel zal vergaan om langer te rooven en te stroopen waar van hij zedert een geruijmen tijd sijn voornaamste werk schijnt te hebben gemaakt; sonder dat hij voor iemand eenige vreese betoond, veel minder nadenkt dat het hem eijndelijk eens kwalijk sal op breeken, gelijk ik hem nogthans volkomen verseeke„ „re, wanneer hij van nu af aan, het zelve niet mogt komen na te laeten en zig stille te houden. zullende uw Hoogheijd mij dan niet gelieven te wijten de gevolgen die 'er uijt ontstaan nog het on„ „geluk dat hem overkomen mogte, 't geen ik als nog hoope dat door een spoedige vereffening der zaeken en het betoonen van uw Hoogheijd moederlijk en vorste„ „lijk gezag, omtrend denzelven, geluckig zal mogen voor„ „gekomen worden. voor het overige verzeekere ik uw Hoogheijd van mijne aan houdende agting, met versoek van te gelooven, dat deese mijne waarschouwing daar uijt voornamentlijk is voorts loeijende, vermits het wij ten uijtersten leed zoude doen, wanneer uw Hoogheijd eenige verdere rampen mogte overkomen, waar voor den Hemel haar behoede. Geschreeven te Maccasser In't Casteel Rotterdam den 22=e Juni 1775: — /onderstond/ voor het trans„ „latie /was getek„d/ G: Brugman / Lager/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. Aan. 437 137 1265 Aan den Datoe van Soping Na gewoone voorreden. wijders maake ik mijnen vriend bekend, dat ik desselfs brief wel ont„ „vangen, en daar uijt, met zeer veel leedweesen, gezien hebbe, dat zo wel Aroe Pantjana als Aroe Pao, Pao, weder op nieuw eenige hostiliteiten hebben gepleegd, door het aanhouden van een slavin van Daeeng Padoenie, die daar voor 22: spaans heeft moeten betaalen voorts van nog twee of drie andere slaven van de Jnwoonders van Lalolang, die zedert aldaar geweld hebben gepliegd; het teegen houden of verbieden van uwe volkeren om de vrugten van zijn eige landen te haelen, het verwijsen van nog andere onderdaanen van Lalolang in boetens en het ruineeren van een derde, het rooven van eenige volke„ „ren van de vrouw dampang, hoorende onder Patodjo en het aanhouden van Poeanna Madjoe. jk hebbe ten eersten aan uwe Moeder de koninginne van Tanette een brief geschreeven en Haar Hoogheijd in de nadruckelijkste termen andermaal versogt en vermaand, om, niet alleen te bezorgen dat Aroe Pantjana voldoening en satisfac„ „tie over die gedoentens kome te geeven, maar ook om den zelven, ernstig in zijne geweldenarijen te stuijten, met te kennen gave: dat ik bij het tegendeel de geene die hij zo telkens komt te beledigen niet weeder houden zal, om zig zelfs door geweld regt te verschaffen, en dat. dat zij mij dan het ongeluk niet behoeft te wijten, dat hem Aroe Pantjana mogt overkomen, 't welke ik verhoope dat van succes zal mogen zijn om mijnen vriend te vreeden te stellen, ten minste zal ik daar op antwoord blijven, te gemoet zien, en uwe het zelve bedeelen, mits„ „gaders in gevalle dat Haar Hoogheijd, niet na mijnen raad luijsteren mogte, nog andere maat regulen tragten te beramen, om Aroe Pantjana voor het vervolg van zijne boose bedrijven afte schricken, intusschen dat ik uwe versoeke nogmaals bij haar Hoogheijd te zenden; om Poeanna Madjo op t' eisschen nevens de persoonen en goede„ „ren die Aroe Pantjana gerooft heeft, om hem des te beter te kunnen overtuijgen, wijl hij anders alles sal negeeren. voor 't overige wensche ik uwe alle zegen en gezondheijd. geschreeven te Maccasser in't Casteel Rotterdam den 23=e Juni 1775: — /onderstond/ voor het translatie /:was geteekend:/ G=t Brugman /lager / Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. 139 1287 Memorie voor de koop lieden Josias Raket, en Jan Hendrik Voll, gaande in Commissie naar het Hof van Bonij. Aangezien den Jongst overleeden koning van Bonij, diverse Landerijen, en onder anderen vier Eijlanden heeft bezeten, welke aan den zelven alleen tot gebruijk geduurende zijn leven afgestaan, en hij daar en boven almeede, door loutere gunst, vrijgelaeten is van d'an„ „dersints verpligte tiende van het gewas van een Groot getal Rijst of wel padij velden in de noorder districten, buijten zo veele andere, die hij zig zelve successive op een onrechtveerdige wijse, toe g'eijgent en genaest heeft; zo worden uE: bij deesen gecommitteert, om, zig aan het Htof te vervoegen en den presenten koning en Rijksgrooten dit een en ander duijdelijk voor te houden, mitsgaders haar te kennen te geeven: dat den gouverneur en Raad uijt naam en van wegen d' Edele Hooge Jndiasche Regeering te Batavia, als de Nederlandsche Compagnie presenteerende; alle die Eijlanden, landerijen en velden als nu komen te rug te vorderen, en dat de geene die de gezegde velden bewerken, voortaan zullen hebben te voldoen de geregte tiende;