Inventory 3445
Japan · 1,546 pages · 338 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
June 1775 45 1055 present to be given to the chiefs of Messa Examination of an account current is, at the commencement of the extirpation work, to be presented with a gift of 6 pieces Guinea cloth common bleached Coast 3 ditto brown blue 2 pieces Blankets cottoned Large Coast 4 pieces Men's shirts Coast 2 pieces Gingham bedding Which linens shall be dispatched with the bearer of the commissioners' letters, in order to make the work proceed all the more expeditiously through the assistance of those native chiefs, but the commissioners shall thereby be expressly ordered not to demand any new linens for the destruction on Doti, since the districts of Messa and Doti are to be finished at the same time, it would be extremely unreasonable if the chiefs were again to claim another gift for visiting this latter region: which was resolved to put before the commissioners by rescript, and at the same time to inform them that in case of handing over gift-linens for the extirpation of Doti, they will have to pay for them out of their own pockets. Hereupon the following account current was examined, received together with the commissioners' last letter of 30 May, reading as follows: Account the 26th. have been distributed and furnished for the extirpation work; namely: 1775: 4 June to Balance Carried forward at 4 Account Current of such Cash and Linens Debit Bontans, Salempores brown blue Rds. st. pieces 2:— 17 — 2: 45 1057 as were expended by the undersigned on the entire management, to facilitate namely: 1775 1 January with congratulations on our New Year, by the Tidorese Commissioners and village chiefs of Weda paid . . . . . 3:12. —: — 18 ditto to the former first Tidore commissioner Goela Manis, who was replaced by the quimelaha named Soa Konora, at his urgent request, shown vigilance, and helpfulness in our extirpation work during his commission, as well as faithfully assisting to inquire after certain news of foreign nations. - - - 8: 15: — 2 February to the natives who brought the first draftsman to and from the troop of the burgher sergeant Johannes Christiaansz in the time of two days, to inspect this troop – – – – – – – – 2:24 —:– 22 ditto to the natives who brought the above-mentioned draftsman to and from the troop of the provisional sergeant Johan Philip, to restore the same there again to its former state; as well as for greater encouragement in pointing out that fragrant spice crop to the captain and guide of that troop - - - 2:24: 1:— ditto for prahu and crew wages who brought the said draftsman to and from the troop of the sergeant Jan Hendrik Hoppe, to view the extirpation work 2: 24 —: — likewise to the troop of the pro interim sergeant Martin Hosbagh - - 2: 24 —: — Carried forward 14:12: 2: — Cash Salempores June 1775 paid st. Rds. pieces Credit brown blue pieces Transport - - . - 17:18 —:— —:—. 1775. 26 February Received from Ternate - - - 50: – 3: –. 3: — Balance. . . . . The excess Credit over the debit in order to be able to bontans salempores Guinea striped brown blue common bleached Rds. pieces pieces Total 67:18: 5:—: 3: — underneath stood: Messa the 30th May Anno 1775. 46. — the 26th 1059 47 Carried forward - - - - - - 14:42: 2: — 3: June 1775 1775: 26 February to the natives who brought the soldier Franken to and from Ternate with a Company's letter. 1:38: 1:— 4 March to the natives who brought the first draftsman to and from the troop of the burgher sergeant Christiaansz; who fetched the same after work was done, together with the guide of the said troop for his extraordinary shown willingness in pointing out that fragrant spice crop during the extirpation on Weda - - - -- - 2:24:—: —½ likewise the troop of the provisional sergeant Hosbagh. . . . . 2:24. —:— —½ as just now, in the troop of sergeant J: H: Hoppe - 2:24 —½ as above, in the troop of the provisional sergeant Philip 2:24: —½ 1 April to two natives who pointed out to us two new rivers and a stream - - - - - - - - - - - 15:—: 1:— 11 May paid to the prahu rowers who brought the soldier Franken to and from Ternate with a Company's letter - - - - – – – – – – - 3:—: —:— —½. 23 ditto 5 May on the occasion of the Moorish Easter festival or Maulud, named, as well as for further encouragement of their prompt departure for Messa, spent on Weda on those chiefs. - 4:— to the said Tidore first commissioner Soa Konora, who was replaced by the quimelaha named Dokieri, at his urgent request, shown vigilance, and helpfulness in our extirpation work during his commission on Weda 8:— 2: — Arrived at Messa where our forest houses were not yet in readiness, therefore we were compelled to rent 4 houses from the natives to store our rations and baggage until the above-mentioned lodgings were made ready 12. — 1st 20 ditto For burial expenses, for the deceased soldier Ignatieus Rex of Ganes - - - - - - - - - - - - 5:- Further spent for the purchase of tobacco for the native troop formers during the extirpation on Weda 2:24 21 ditto remaining as Balance 3: 9 Cash Salempores Guineas brown blue common bleached Total Rds 67:18: 5:— 3: was signed J: Stephanus and C:s V:n Out
Dutch transcription
Juny 1775 45 1055 geschenk aan de opperhoofden van Messa te doen Examinatie van een reekening courant is, bij den aanvang van het Besterpatie werk te veree„ „ren met een geschenk van 6: p s Guinees Geneen gebleekt Cust 3 „ _o bruin blauw „ 2 „ Dekens gecattoeneerde Groote cust 4 „ Mans hemden custen 2 „ Gingam beddelijk Welke Lijwaten met den brenger van der Commissian„ „ten brieven zullen werden afgevaardigt, ten einde het werk door de behulpzaamheid dier inlandse hoof„ „den dees te spoediger voortgang te doen nemen, dog zullen de commissianten daar bij uitdrukke„ „lijk gelast worden om voor de Destructie op Doti gene nieuwe lijwaten te vorderen dewijl de Distric„ „ten van Messa en Doti te gelijk wordende af„ „gewerkt, het ten uittersten onredelijk zoude zijn, zoo de opperhoofden voor het bezoeken van dit laatste gewest wederom een ander ge„ „schenk quamen te praetenderen: het geen goedgevonden is de commissianten, bij rescrip„ „tie voor te houden, en hen teffens te verwettigen dat zij ingevalle van afgave van geschenk-Lijwaten voor de exstirpatie van Doti, dezelve uit preuve beurs zullen moeten betalen. Hier op is ge-estamineerd de ondervolgende reke„ „ning courant, te gelijk ontfangen met der Commissi„ „anten laaste brief van den 30:e Mey, aldus luidende Reekening den 26. het Besterpatie werk zijn uitgereekt en verstrekt gewoorden; Nament„ 1775: 4: Junij a Restant Transporteere a4 Reekening Courant van zodanige Contanten en Lijwa Debet Bontan, Salmpa „ten, „ risbrte Ros. ƒ p:s 2:— 17 „ — 2: 45 1057 =ten, als er door de ondergetekendens op het allermenagienest, tot faliciteering van „lijk „ 18 _o 22. „ 1775 1: Januarij met geluk wenschinge in onze nieuwe jaar, door de Tidores Commissianten en dorpshoofden van weda bekostigt . . . . . „ 3:12. —: — aan den gewezene eerste Tidors commissianten Goela Manis, die door den quimelaha soa konora gen:t is vervan„ „gen geworden, op zijn instantie verzoek, betoon„ „de figelantie, en behulpzaamheit in onze Eystirpatie werk geduurende zijne commissie, als ook getrouwig„ „lijk geadsisteerd om na een vaste tijding van vreem„ „de naties te vernemen. - - - 2. februarij aan de Inlanders die den Eersten tekenaar na de tropp van den Burger Zergeant Johannes Christiaansz: in den tijt van twee dagen heen en weder hebben gebragt, om dies troep te visenteeren – – – – – – – – „ 2:24 —:– D=o aan de Inlanders die boven gemelde tekenaar de troep van den p„l Zergeant Johan Philip, heen en weder gebragt, om dezelve aldaar weder in zijn vo„ „rige staat te stellen; als mede tot meerder aan moediging in het aanwijzen van dat gunrig specerij gewas aan dies troeps Captein en wegwijzer - - - „ 2:24: 1:— _o voor prauw en scheploon die op gemelde tekenaer na de troep van den zergeant I=n Hendrik Hoppe heen en weder hebben gebragt, tot het bezigtigen van 't botsterpatie werk„ adidem na de troep van den prointerim serge„ „ant Martin Hosbagh - - Transporteere „ 14:12: 2: Contan, salemp:s Juny 1775 pa st „ „ 8: 15: „ - „ 2: 24 —: — 2: 24 —. - - „ 1:38: 1:— Rts „ten Credit br bl: ps Transport - - . - 1775. 26. februarij Ontfangen van Ternaten- - - Balanceeren. . . . . Het meerder Credit bij 't debet om te kunnen 50: – 3: –. 3: — 17:18 —:— —:—. 2: bontan salemp:s Guinees „terd brol„ Rds. Somma 67:18: 5:—: 3: — /:onderstond:/ Messa den 30:e Meij Anno 1715. 46. — -- -- – - - -. p gem: gebl: p. :- 17 J den 26 1059 47 P=r Transport - - - - - - 11. Meij Junij 1775 3:—: 1775: 26: februarij aan de Inlanders die den krijger Franken met een 'sComps brief heen en weder na Ternaten hebben gebragt. 4: Maart aan de inlanders die den eersten tekenaar na de troep van den burger sergeant Christiaansz heen en weder hebben gebragt; die den zelven na gedane werk heeft afgehaalt, mitsgaders aan de weijwijzer van gemelde troep voor zijne bijzonder betaande bereidwilligheit in 't aanwijzen van dat guurig specerij ge„ „was geduurende de Exstirpatie op weda - - - -- - ad idem de troep van den p=m Sergeant Hosbagh. . . . . als even, in de troep van sergeant J: H: Hoppe - als boven, in de troep „ den p:l sergeant Philip „ aan twee Inlanders die ons twee nieuwe Rivieren en betaalden aan de prauw scheppers die den krijger Franken heen en weder met een 'sComp: brief na Per„ „een spruit hebben aangewezen - - - - - - - - - - - 15:—: „naten hebben gebragt - - - - – – – – – – - 23. _o „ 5. Meij bij gelegentheit van 't Moorse paasch heeft of Mauloe„ „do, gen=t mitsgaders tot meerder aanmoediging van hun schielijk vertrek na Messa, op meda aan die opperhoofden verspendeert. - aan den gem: Tidors Eerste commissiant so ako„ „nora, die door den quimelah Dokieri genaamt is vervangen geworden, op zijn instantig verzoek, betaande figelantie, en behulpzaamheit in onze Ex„ „tirpatie werk geduurende zijne Commissie op weda Arriveerden op Missa alwaar onze boschhuisen, nog niet ingereetheit waren, dierhalven hebben genood„ „zaakt geweest om 4: huisen van de Inlanders te huuren tot bergen van onze Randsoenen en Bagagie tot dat boven gemelde Logiementen klaar waren gemaakt 1e „ 20 _:o Voor begraffenis ongelden, aan den overledene sol„ „daat Ignatieus Rex van Ganes - - - - - - - - - - - - Nog tot het inkoopen van Tobak aan de Inlandse stroeps formeerders geduurende de Exster„ „patie op meda verspendeert „ 21 _o per Restant gebleven E J Stephanus en C:s V:n Out /:was getekent/ „ 1: April 2:24:—: 2:24. Contan Solemp:s Guinas „ters br ot gem: gebl 8:— Somma Rd:s 67:18: 5:— Na „ „ „ „ „ 3. _ o 31. 9 _ 3 _ 6: _o „ „ „ - —:— —:– 1:— —— 2: —½ 2:24 —½ 2:24: . 5:- — —:—. 12. — 1 —½. - 8:— 14:42: 2: p Rds —: —:— —½. 4:— — —„— —„— —:— 2:24 —: ½. 3:
English
48 the 26th reimbursement of advance payments to the Commissioners goods to be sent to them Any other advance payment not to be approved. After which examination it was decided to reimburse the Commissioners for the 15 rix-dollars in cash and two salempores disbursed by them, given that this had all been presented by them as a gift to a Tobelorese named Vatibi, in compensation for his services rendered in pointing out a new spice location on Weda, situated along the Rivers Aki Sakki, Gamissa, and Miboek, where 1097 nutmeg trees were eradicated. Likewise, it was approved, upon the request of the Commissioners for cash and linens for their necessary use, to send them: 3 pieces of common bleached coast Guineas 2 pieces of brown-blue coast salempores, and 60 7/8 rix-dollars in cash; of which 50 rix-dollars are destined for their further accounting, and 10 rix-dollars and 18 stivers to satisfy what, according to the aforementioned current account, was advanced by them in excess of what they held in cash; so that they were approved 7 rix-dollars less than the advance payment of 17 rix-dollars and 18 stivers brought forward by them, given that they spent eight rix-dollars on hire for prahu rowers, whereas on that account, according to old custom, they should have spent no more than 5 rix-dollars, while the remaining four rix-dollars were also uselessly squandered by them on renting a storage place for the rations on Messa, which advance payment it was therefore decided not to reimburse to them either, as the Council judged that it had been their duty to ensure that the houses had been made ready upon their arrival on Messa; for which reason The 1061 June 1775. The remaining items indeed to send wages Increase in wages for which reason it was deemed fit to write to the Commissioners that such novel and unheard-of expenses are absolutely not to be introduced, which may serve as a lesson for them and other extirpators in the future. Items Regarding the remaining items appearing on that account, it was decided to approve them for the Commissioners on this occasion, although the Council was of the opinion that they had been somewhat too generous in giving small presents on Mahometan feast days, as well as to so-called helpful natives and bringers of tidings regarding foreign nations, concerning which expenses it was decided to recommend frugality to them, lest they run the risk of having to reimburse such suspicious items to the Company. Since the common extirpators have had their wages retained since the end of March, and for that reason will in a few days have earned another three months, it was deemed fit to send the Commissioners two months of pay for their subordinates; while the remaining third part, or the earned wage for the month of June, pursuant to the resolution of the session of the 25th of March, will accumulate until the day of their return, in order that they may provide themselves here with the necessary clothes from it. Subsequently, it was decided to increase the wages of Sergeant Johan Hendrik Hoppe and Private Johan Kok, both having expired their terms, upon the proposal of the Commissioners: the former from 20 to 24 guilders under a contract of three years, and the latter from 9 to 13 guilders per month the 26th. extirpators month under a contract of five years; it being furthermore deemed fit, in place of the deceased soldier Ignatius Rex, to take into service as a soldier at 9 guilders the youth Franciscus Stephanus, aged sixteen years, taking into consideration that he has already performed extirpation work for a considerable time with much zeal; and this under a contract of five years; but, on the other hand, it was decided to reject the request of the Commissioners to promote Corporal Philip to sergeant, since the number of such non-commissioned officers is still complete. The necessary decisions upon the letters of the Commissioners having been taken, the Governor informed the Members of this Government how the King of Ternate, during a private visit he paid to His Honour the day before yesterday, had made grave complaints about the conduct pursued by the Tidorese extirpators at the time they were engaged in the extirpation on Weda alongside our people, when, according to His Highness's statement, they had made bold to penetrate far beyond the boundaries of the river Foja into Ternate territory, along the streams Waijsono, Tabaha, and Bole, as His Highness thought, with the intention of taking possession of the sago forests growing along these streams. And since the Members in general were of the opinion that through 1063 June 1775 to cause to vacate the Ternate Territory. through such lawlessness the fire of discord could easily be kindled again, it was decided to instruct the Commissioners to ensure that all the Tidorese who might still be staying in the Ternate territory near Weda should leave that region without delay, in order thereby to prevent all alienation between the two nations. His Highness of Ternate had on this same occasion also requested of the Governor to be granted one bale of common bleached Guineas on credit, or on the recognition account, in order to bestow it upon his subjects who are helping to carry out the extirpation on Morotai, which request was now granted by the full Council, while it was simultaneously resolved to charge the King's recognition account with the amount of this linen, and to give notice thereof to the Trade clerks for their information. Beneath stood: Thus done and Resolved at Ternate in Castle Orange on the date written above. Was signed: P: J: Valckenaer, G: C: Meurs, G: W: van Renesse, F: H: Beijnon, F: B: Heirmekam, and A: De Champagnet. Wednesday
Dutch transcription
48 den 26 vergoeding van verschot aan de Commissianten goederen aan hen toe te senden Eenig ander verschot niet te validia„ „aen. Na welke estaminatie verstaan is aan de Commis„ „sianten te laten vergoeden de door hen afgegevene 15. Ryksd.s aan Contanten en twee salempoerissen, aangezien dit een en ander door hen geschonken was aan een en Tobilder, vatibi genaamt, in vergelding zijner gedane dienst in het aan„ „mijzen van een nieuwe specerij plaats op Weda, gelegen aan de Rivieren Aki Sakki, Gamissa, en Miboek, alwaar 1097: Note muscaatbomen waren uitgeroert. Desgelijks wierd gearresteerd de commissianten op hun verzoek om contanten en Lijwaten, tot derzelver noodwen„ „dig gebruik toe te zenden. 3: p. s Guinees gemeen gebleekt cust 2: „ salempoerissen bruin blauw cust en 60 7/8: „ Rijksdaalders aan contanten; waar van 50: Rijksd:s zijn gedestineert tot hunne nadere verantwoording, en Rds 0:18:— tot voldoening van het geen, volgens boven gemelde Reke„ „ning courant meerder door hen is verschoten, als zij in cas hebben gehad; invoegen hen 7 Rijkd:s minder werd gevalideerd, als het door hun op gebragt verschot van rd. s 17:18: aan gezien zij agt Rijksd:s voor huurloon van prauw scheppers hebben uitgegeven, daar zij dies„ „wegens volgens oud gebruik niet meer dan 5: Rijks, „daalders hadden moeten bekostigen, zijnde de restee„ „rende vier Rijksdaalders mede nutteloos door hen ver„ „qunst tot het huuren van bergplaats voor het Randsoen op Messa, welk verschot daarom verstaan is hen me„ „de niet te vergoeden, wijl de Raad oordielde, dat het hun pligt was geweest om te zorgen dat de huizen bij hunne komst op Messa in gereedheit waren gebragt; alwarom De 1061 Iunij 1775. De overrgen posten wel gage te zenden Verkoging in gagie alwarom goed gevonden is de Commissianten schrijven, dat men zulke nieuwe en ongehoorde uitgaven absoluit niet wil in gevoert hebben, 't geen hen en ander bastripateurs voor 't vervolg tot een les zal kunnen strekken Posten Belangende de overige bij die Rekening bekend staande, wierd de„ „zelve voor ditmaal aan de Commissianten te laten valideeren, hoewel de Raad van gedagten was dat zij al wat mildadig waren geweest met het doen van geschenkjes op Mahometaanse flest dagen zoo mede aan zoo genaamde behulpzame inlan„ „ders, en brengers van tijdingen wegens vreemde Natien, omtrent welke uitgaven verstaan wierd hen de zuinigheit te recommandeeren, of dat zij gevaar zouden lopen om dier„ „gelijke verdagte posten aan de Compagnie te moeten vergoeden. Dewijl de gemeene Eststirpateurs hunne gage zedert ustimo Maart te goed gehouden, en zij dies wegens over weinige dagen; weder drie maanden verdient hebben, wierd goed gevonden de commissianten twee maan„ „den soldij voor hunne onderhorigen toe te zenden; ter„ „wijl het resteerende derde gedeelte, of de verdiende gage van de maand Junij, in gevolge het geresolveerde ter sessie van den 25: Maart, zal oplopen, tot den dag hunner terugkomst ten einde zig daar voor al„ „hier van de nodige kleederen te kunnen voorzien. Vervolgens is verstaan den sergeant Johan Hen„ „drik Hoppe en den soldaat Johan Kok, beide mits tyds expiratie, op der Commissianten propositie, in gagie te verhogen, de eerste van ƒ 20 tot 24: onder een verband van drie, en de laatste van ƒ9: tot 13: ter maand #7 „ ƒ den 26. „pateurs maand onder een verband van vijf jaren; zynde wijders goed gevonden in plaats van den overleden soldaat Ignatuis Rex als soldaat met ƒ 9: in dienst aantenemen den jon„ „geling Franciscus Stephanus, oud zestien jaren, in't aanmerking dat dezelve exstiipatie werk reeds een tijd lang niet veel iever heeft waargenomen; ende zulks onder een verband van vijf jaren; dog is daar ente„ „gen verstaan van de hand te wijzen der Commissian„ „ten verzoek om den Corporaal Philip, tot sergeant te bevorderen, dewijl het getal dier onder officiers nog Compleet is De nodige besluiten op der Commissianten brie„ „ven zijnde genomen; gaf de Heer Gouverneur klagten over de Tidorese resi aan de Leden dezer Regiering te kennen hoe de koning van Ternaten, in eene particuliere vi„ „site die hij op eergisteren bij zijn Ed: hadde afge„ „legt, zwaare klagten hadde gedaan over het gehou„ „den gedrag van de Tidoreese exstirpateurs, ten tijde dat zij benevens de onzen met de exsterpa„ „tie op meda bezig waren geweest, wanneer dezel„ „ve zig op zijn Hoogheits voorgave, verstout hadden om verre buiten te grensscheidingen van de rivier Foja, op het Ternaatse territoir door te dringen, langs de sprinten waijsono, Tabaha, en Bole, zoo zijn Hoogheit, dagt, met oogmerk om zig meester te maken van de sago Bosschen, die langs deze sprinten groeijen. En dewijl de Le„ „den in 't generaal van gevoelen waren, dat door # 1063 Junij 1775 te doen verlaaten. door dusdanige bin: en sporigheden het vuur van oneenig„ „heit wederom ligtelijk ontstoken zoude kunnen wer„ Aen het Ternaats Territoir) „den, wierd verstaan de commissianten te recomman„ „deren om te bewerken, dat alle de Tidoreesen, die zig nog op 't Ternaatse Territoir bij weda mogten onthouden zonder vertoeven die landstreek qua„ „men te verlaten, ten einde daar door alle ver„ „wijderingen tusschen de beide natien voor te komen. zijn Hoogheits van Ternaten hadde den Heer Gouverneur bij deze zelve gelegentheit mede ver„ „zogt om een Pak guinees gemeen gebleekt op schuld, of rekening van recognitie te mogen genieten, ten einde zijne anderdanen die de ex„ „tirpatie op Morotaij helpen verrigten, daar mede te begiftigen, welk verzoek thans door den vollen Raad wierd bewilligt, terwijl teffens be„ „sloten is des konings recognitie rekening met het bedragen van dit Lywaat te belasten, en de Negotie bedienden hier van, tot hun narigt, ken¬ „nisse te geven. /:onderstont:/ Aldus gedaan ende Geresolveert tot Ternaten in't Casteel Orange dato voorschree„ „ven /:was getekent:/ P: J: Valckenaer, G: C: Meurs, G: W: van Renesse, F: H: Beijnon, F: B: Heir„ „mekam en A: De Champagnet. Waensdag
English
52 The Right Honorable Lord Governor and Director The Merchant and Secunde The Military Captain Junior Merchant and Secretary Extirpation on Morotai Paulus Jacob Valckenaer Godfried Carel Meurs and Bookkeeper of the open payroll Gerardus Willem van Renesse Fredrik Hendrik Beijnon and Shopkeeper Francois Bartholomeus Hemmekam Absent Johan Fredrik Wedel Merchant and Fiscal Johan George van Raesveld and Alexander de Champagnet, all three due to indisposition As there was nothing further to deliberate concerning common affairs, the Lord Governor subsequently produced to the table a letter that His Honor had received the day before yesterday from the Extirpation Commissioners, the Ensign Bartholomeus and the Bookkeeper Krol; this missive being dated the 26th of June last, and principally sent by them to inform this Government Good beginning and success of the that the spice destruction on Morotai had already begun and was even making fairly good progress, to the extent that at the dispatch of their letter a quantity of 46 nutmeg trees of the sort had already been destroyed, the said commissioners having also sent over as proof thereof the fruits, mace, bark, and leaves of the trees that had been first lopped and eradicated there Whereupon, having deliberated, these spices, Wednesday the 12th of July 1775, in the morning at nine o'clock, Meeting of the Council of Policy Present all after the 12th of July 1775 13 1065 deliberation regarding this discovered. after examination held in the presence of the Council members Renesse and Hemmekam, were burned during the meeting, and thereupon it was further resolved to recommend the Commissioners to continue to conduct themselves as faithful servants in the execution of this important work, and likewise to guide their subordinates as well as the Ternatans thereto, so that this labor may be continued to the end with steadfast zeal; whereupon the Council had hope that upon penetrating further into the forests a still much larger quantity of spice trees would be discovered. As there was nothing else to remark upon the contents of the commissioners' letter, the Lord Governor further informed the Council members that His Honor had a few days ago received a visit from the King of Ternate; on which occasion His Highness had shown him several young saplings and nutmegs that had recently been discovered on the island A new spice park of Poeloe Rau, on the occasion that the said prince had shortly before promised a premium of 25 Rds. to whoever would discover for him any new and never visited spice plantations. That the King had also been informed at that time that on the aforesaid island a large quantity of spice trees were currently growing, which were almost all in bloom, and for that reason he had judged it to be of the utmost necessity that the extirpation on Morotai having been completed, it should then take place directly on Poeloe Rau, and after that on the coast of Halmaheira. m M to have destroyed after Morotai. For inspection Whereupon, having deliberated, the prince's proposal appeared so acceptable to the Council that it immediately resolved to adopt the same; The same immediately it being thus also resolved to give the necessary notice thereof to the abovementioned commissioners, with orders that as soon as Morotai shall be completed, to carry out the extirpation directly on Poeloe Rau, instead of on the coast of Halmaheira, as they had initially been ordered in their Instructions, where that labor shall thus not be able to take place until Poeloe Rau shall first have been completed. underneath stood: Thus done and resolved at Ternate in Castle Orange, date as aforesaid. was signed: P. J. Valckenaer, G. C. Meurs, G. W. van Renesse, Fr. H. Beijnon, F. B. Hemmekam. Agrees: Halmaheira H. Schmidt N. De Champagnez, Secretary Secret Macassar Secret Daily Register October to ult. Dec. 1775. # 1067 Copy of Missive from Governor Van der Voort to Their High Noble Indulgence Secret Daily Register Fol. Register of Appendices belonging to the said letter and daily register - - - - - - - - - - - - 113. dated 20 October 1775 - - - - - - - - - - - - - - 1 Register . . . . . 25. 1069 Batavia The grandees of the realm impart the election of the new king To His High Nobility The High Noble, Honorable, Severe, Widely Commanding Lord Petrus Albertus van der Parra Governor-General together with The Right Honorable, Severe Lords Councillors of the Dutch Indies High Noble, Right Honorable, Severe, Widely Commanding Lord, Right Honorable, Severe Lords! With my humble last of the 8th of June past, having duly imparted to Your High Nobilities the decease of the King of Boni, and the resolution of the assembled grandees of the realm to elect the Crown Prince Aroe Timoerong, in accordance with the prince's desire, as his successor, I now have the honor to inform Your High Nobilities how, having caused some of the most prominent among them to be urged, both through the Datu of Soppeng and the former Ponggawa Lacasie, to pay me a visit as soon as possible, in order to have the opportunity to treat with them concerning matters regarding the state of the Realm, the same, accompanied by the said prince, thereupon already appeared before me on the 14th thereafter, and of that their resolution and
Dutch transcription
52 Den wel Edele Agtbare Heer gouverneur en directeur Den koopman en secunde Den capitain militair onderkoop: en secretaris Extirpatie op morontaij Paulus Jacob Valckenaer Godfried Carel Meurs „ ende oopen zoldij ovestond Gerardus Willem van Renesse Fredrik Hendrik Beijnon _en winkelier Francois Bartholomeus Hemmekam Demptis Johan Fredrik Wedel „roopman en Fiscaal Johan George van Raesveld en Alexander de Champagnet, alle drie door indispositie Als er wijders over de gemene zaken niets meer te besoigne„ „ren viel, wierd vervolgens door den Heer gouverneur ter Tafel geproduceerd een brief, die zijn Ed: op eengisteren ontfangen had van de Extirpatie commissianten den vaandrig Bartholomeus enden Boekhouder krol; zijnde dese missive gedateerd op den 26: Junij laastleden, en principaal door hen afgesonden om dese Regering goed begin en succes vande te verwittigen, dat de specerij destructie op Morontaij reedts begonnen en zelfs eenen tamelijke goeden voort„ „gang hadde, in zoo verre dat er bij het afgaan hunner brief al een quantiteit van 46: Note bomen in soort was vernielt, hebbende gemelde commissianten tot een bewijs daar van tevens overgesonden, de vrugten, Maat, Bast, en bladeren den Bomen, die aldaar het eerst ontaekt en uitgeroeit waren Waar over gedelibereerd zijnde, wierden dese specerijen Woensdag den 12: Iulij 1775: 's mor„ „gens te negen uren vergadering van Politie Present alle nagevane den 12. July 1775 13 1065 deliberatie diesweegens ontdekt. nagedane Examinatie, ter presentie van de Raadsleden Renesse en hemmekam; staande vergadering ver„ „brand, en daar op wijders verstaan de Commissian„ „ten te recommandeeren, om zig verder in het verrig„ „ten van dit importante werk als getrouwe dienaeren „te gedragen, en desgelijks hunne onderhorigen zoo wel als de Ternatanen, mede daar toe op te leiden, op dat dien arbeid tot aan den einde toe met een vol„ „standigen iever moge werden voortgezet; wanneer de Raad hope had, dat er bij het indringen in de bos„ schen nog en zrij groter menigte specerij bomen ont„ „dekt zoude worden Dewijl er niets anders op den inhoud van de com„ „missianten brief was te remarqueren, gaf de Heer Gouverneur wijders aan de Raadsleden te kennen; dat zijn Ed: voor enige dagen een bezoek van den ko„ „ning van Ternaten hadde ontfangen; bij wekke occasie zijn Hoogheid hem ettelijke Telgbomen en Note muscaten hadde vertoont, die onlangs op het Ei„ Een nueuw specerij perk „ land Poelo Rau ontdert waren geworden, ter gelegen „heid dat gemelde vorts kort bevorens een Preemie van 25: Rd:s hadde belooft aan de gene die hem eenige nieuwe en nooit besogte specerij plantagien zouden ontdenken. Dat de koning diestijds mede geinfor„ „meert was geworden, dat op voorschreeven Eiland tegenswoordig een qrote menigte specerij bomen groei„ „de, dee meest alle in bloeij stonden, en het dies wegens van de uiterste noodzakelijkheid hadde geoordeelt, dat de Exstirpatie op Morotaij volbragt zijnde, dan direct op Poe „loe Raubehoorde te geschieden; en daar na op de clest van Halmaheira m M na morontaij te laten distruceren. Voor 't Nazien waar over gedelibereerd zijnde, kwam de Raad des vor„ „sten voorstel zoo aannemelijk te vooren, dat ze imme„ „draat besloot om het zelve te amplecteeren; wordende Het zelve immediaat overzulks mede verstaan de bovengemelde commissi„ „anten daar van die nodige kennis te geven, met ondre, om zoodra Monotaij zal zijn afgewerkt, de extirpatie direct op Poeloe Rau te doen, in stede van op de Cust van Halmaheira, zoo als hen eerst bij hunne Instructie was gelast, alwaar dien arbeid dus niet eerder zal kun„ „nen geschieden, voor dat Poeloe Rau eerst zal zijn af„ „gewerkt /:onderstond/ Aldus Gedaan ende geresolveerd tot Ternaten in 't Casteel orange dato voorschreeven /:was geteekent/ P:s J: Valckenaer, G: C: Meurs G:s W: van Reneese Fr H: Beijnon F: B:s Hem„ „meram. Accordeert; Halmaheira H. Schmidt N: De Champagnez. Secret:s Secreet Maccassar Zed. Pimms October tot ult. Dec. 1775. # 1067 Copia Missive van den Gouverneur van der Voort aan Hunne Hoog Edelheden Secreet Dagregister Register der Bijlaagen tot gem: briefen dagregister gehorende - - - - - - - - - - - - 113. ged=t 20 October 1775 - - - - - - - - - - - - - - 1 Register Fol. --- —. . . . . . 25. 1069 Batavia de Rijksgooten bedeelen de verkiesing van den nieuwen koning Aan zijn Hoog Edelheijdt Den Hoog Edelen Agtbaren Gestrenge wijd gebiedende Heer Petrus Albertus van der Parra gouverneur Generaal benevens. De wel Edele Gestrenge Hee„ „ren Raden van Nederlands Jndië Hoog Edele Groot Agtbare Gestrengen wijd gebiedende Heere wel Edele Gestrenge Heeren! Bij mijne onderdanige laatste van den 8„e Juni pas„ „sato, uw Hoog Edelhedens naar gehoudenisse bedeeld heb„ „bende, het overlijden van den koning van Bonij, en het besluijt der gezamentlijke Rijks grooten, om den kroon- prins Aroe Timoerong, over een komstig 's vorsten begeerte, tot zijn opvolger te verkiesen, zo geeve ik mij thans d'eere uw hoog Edelhedens te be„ „rigten; hoe ik eenige van de voornaamste onder hun„ zo door den Datoe van soping als den geweesen Pongauwa Lacasie hebbende doen aanspooren om mij ten spoedigsten eene visite te geeven, ten eijnde gelegentheijd te hebben met hun te handelen over zaeken den toestand des Rijks betreffende, deselve verseld van gemelden vorst daar op, reets den 14„e daar aan bij mij verscheenen zijn, en van dat hun besl: en
English
will send an embassy to Batavia. Conference held with them concerning the state of the realm. having come to give notice of their decision, with the added request to inform Your High Noble Excellencies thereof, just as they declared their intention to do likewise, according to custom and their duty, as soon as they might be ready for it; which they nevertheless declared to me on the 20th ultimo, in another conference, would not happen before the month of October of next year, for which they simultaneously requested to excuse them to Your High Noble Excellencies, which I promised. At the aforementioned first visit, I spoke to them all together, and subsequently also to the Administrator of the Realm and some dignitaries in two further conferences on the 5th and 25th of July, in the most emphatic terms concerning the state of affairs in the inland territories, both regarding the continual desertion of the subjects on account of the acts of violence and cruel treatments of the princes staying there, and the designs of the Wajorese, who according to the reports of that time had firmly resolved to take possession of Tjinrana, but all has been in vain, for notwithstanding they made promises to deliberate thereon as soon as the hundred days of mourning for the demise of the king should have expired, and they indeed held discussions with one another about this, nothing has yet come of it, while in the meantime they pretended to fear nothing from the Wajorese, who also up to now have undertaken nothing hostile, 1071 [illegible] not yet troubled, probably out of fear of the Company. Various islands and lands demanded. and on the contrary have even sent envoys to the present king to express condolences for the mourning over the demise of his predecessor, yet one cannot be certain what they will do in time; besides that, with most villages becoming depopulated and the inhabitants even settling in Wajo, it would cost them little effort to master the entire realm, not to mention the chief place Tjinrana, although for the present I cannot think that that nation will easily undertake this, out of fear of the Company, since they are very well informed by their compatriots living here of what happens regarding them and how much Her Noble side cares for the welfare of the Realm of Boni, wherefore it is only to be wished that the concord between these two may always be preserved, to which end I, for my part, will continually apply all possible means. Furthermore, in conformity with the memorandum of Governor Blok recommended by Your High Noble Excellencies for guidance, on the 28th of June I sent the merchants Raket and Voll to the king and dignitaries of the realm with a memorandum, an enclosed copy of which is transmitted herewith, in order to reclaim such four islands together with various lands or paddy fields in the northern provinces as were formerly granted to the late prince for his use during his lifetime, or unlawfully appropriated by him and some of his ancestors; to which message, a further answer only being promised, 1 promised, on the 4th of July for that purpose there came to me the Administrator of the Realm accompanied only by the second Councillor of the Realm and two other dignitaries, notwithstanding that the first-mentioned, as well as the former Pongauwa, had advised the dignitaries of the realm to appear jointly with the king at the head, which, however, was understood differently by the Pongauwa Dato Baringang and his faction, whose opinion was also followed; who, amid various insulting expressions, are said to have stated that the mere sending of delegates would be enough, since the Company must nevertheless allow the realm to retain everything, according to what was reported to me on that account by Lacasie, recorded in the daily register under the just-mentioned date; which delegates, upon their entrance, delivered such writing as is to be found in copy among the enclosures and is recorded in the daily register, in which they requested, among other things, that the same favor might be granted to the king as to the late prince, and thus they might retain the four islands together with the fields, or that these latter be left untithed; whereupon I put to them that, Your High Noble Excellencies having given me orders for that reclaiming, I therefore could not consent to their request, but that they nevertheless were at liberty to address Your High Noble Excellencies about it, and I did not doubt that the same would take favorable consideration thereof, so far as could consist with equity.
Dutch transcription
zullen een gezandschap na Batavia zenden Conferentie met hun gehouden over den toe„ stand van het Rijk besluijt hebben komen kennisse geven, onderien bij gevoegd versoek om 'er uw Hoog Edelheedens van te verwittigen, zo als zij betuijgden voornemens te weesen, naar het ge„ bruijk en volgens hun pligt, insgelijks te zullen doen zo dra zij daar toe gereed zouden kunnen komen, het geen zij mij nog thans op den 20„e passato, in eene andere Conferentie verklaard hebben, niet te zullen geschieden voor de maand october des aanstaande Jaars, waar over zij te gelijk verzogten hun bij uw hoog Edelhee„ „dens te verschoonen het welk ik hebbe toegezegt. Bij de gemelde eerste visite hebbe ik hun alle te saemen en vervolgens ook den Rijksbestierder en eenige grooten in twee nadere Conferentien op den 5„e en 25„e Julij op het aller nadruckelijkste onderhouden over de toestand der zaeken in de binnen Landen, somits het aanhoudend verloopen van de onderdaanen, uyt hoofde van de geweldenarijen en wreede behandelingen der zig ginter onthoudende Princen, als de desseijnen der wadjo„ „reesen, die volgens de doenmalige berichten vast beslooten zouden hebben Tjinrana in possissie te neemen, maar alles is te vergeefs geweest, want niet jegenstaande, zij wel beloften deeden om daar over te zullen raadpleegen, zo dra de honderd rouwdagen, wegens het afsterven van den koning, zouden verstrecken weesen, en zij dier we„ „gens wel discouasen met den anderen gehouden hebben is er nogthans niets van gekomen, terwijl z' onder„ „tusschen voorgaven voor de wadjoreesen niets te vree„ „sen, die ook wel tot hier toe ook niets vijandelijks ondern: 1071 „sen nog niet gemoeijd waarschijnlijk uijt bedugting voor de diverse eijlanden en landerijen op g'eijscht. ondernomen en zelfs in tegendeel zendelingen aan dat doo de wasporee„ den tegenwoordigen koning gezonden hebben om de rouw is over het ontslapen van zijn predecesseur te beklaegen, dog men niet verseekerd kan weesen wat in der tijd doen zullen, behalven dat de meeste negorijen ontvolkt roe„ „kende en d' jnwoonders zig zelfs in wadjo needer zettende het hun weijnig moeijte weesen zoude om zig van het gantsche Rijk, men geswijge van de hoofdplaats Tjinrana meester te maken, schoon ik voor het tegenwoordige niet denken kan, dat die natie het zelve ligt onderneemen Comp: zal, uijt bedugting voor de Comp:e aangesien zij door hunne hier woonagtige Lands genooten zeer wel onder„ „rigt worden van het geene 'er ten hunnen opzigte pas„ „seerd en hoe zeer haar Edele zeijden welvaart van het Bonijs Rijk aantrekt weshalven het maar te wenschen zij, dat d' een dragt tusschen dese beijde steeds mag gecon„ „serveerd blijven waar toe ik van mijne zijde bij Continua„ „tie alle mogelijke middelen zal aan wenden. suamed„ „dens hebbe ik Conform de door uw Hoog Edelhedens ten navolging aanbevolene memorie van den Heer Gou„ „verneur Blok op den 28„e Juni de kooplieden Raket en voll aan de koning en Rijks grooten gezonden met eene memorie onder de bijlagen in afschrift overgaande ten eijnde weeder op 't eysschen zodanige vier Eijlanden nevens diverse Landerijen of wel padij velden in de noor„ „der provintien, als wel eer aan den overleeden vorst tot gebruijk geduurende zijn leeven afgestaan of door hem en eenige zijner voorsaten onwettig genaast zijn geworden; op welke boodschap eenlijk nader antwoord toegez: 1 toegezegt zijnde, zo kwam op den 4„e Julij ter dien eijnde bij mij, den Rijks bestierder eenlijk verzeld van den tweede Rijksraad en twee andere grooten niet Jegenstaande den eerstgemelden, zo wel als den geweesen Pongauwa de Rijksgrooten geraeden hadden om geza„ „mentlijk met den koning aan het hoofd te verschijnen, dog het geen door den Pongauwa Datoe Baringang nevens zijnen aanhang anders verstaan en wiens gevoe„ „len ook gevolgd is, den welke onder verscheijde smaedelijke uijtdruckingen zouden hebben gezegt dat het enkel zenden van gecommitteerdens genoeg waare, vermits de Comp:e tog alles aan het Rijk wel moeste laaten behouden, na het mij diend wegen bedeelde door Lacasie vermeld bij dag Register onder evengemelde datum welke gecommitteerdens bij hunne binnen komst zodanig schriftuur overleverden als onder de bijlagen in Copia te vinden en bij dag Register gewerbaliceert is, waar bij onder anderen verzogten dat aan den ko„ „ning deselve gunste mogte worden toegestaan als aan den overleeden vorst en zij dus de vier Eijlanden nevens de velden behouden of wel deese laatste onvertiend gelaeten worden; waar op ik hun voorhield dat uw hoog Edelhedens mij tot die op eijssching last gegeeven hebbende ik dier„ „halven in hunne instantie niet bewilligen konde„ dog dat het hun nogthans vrij stond zig daar om bij uw Hoog Edelhedens t' addresseeren en ik niet twijffelde of hoog deselve zouden daar op wel een gunstige re„ „flectie slaan zo verre het met de billijkheijd bestaan konde
English
which surrender was indeed promised. further urging the appointment of commissioners on their part, in order to notify, alongside those of the Company, the inhabitants of the Islands and the settlers on the Lands of their surrender back to the Company; adding furthermore that everything would nevertheless be left in its present state and everyone in full possession of his goods and chattels until such time as the disposition of your High Excellencies should be received; of all of which they, having promised to make a report, came to notify me on the 28th of July that the King and the Grandees of the realm, unable to resist the desire of the Company, were prepared for the surrender of the Islands Poeloe Coelambie and Poeloe Leijia, along with the paddy fields in eighteen diverse negorijen, but that as to the other Islands, Calauwt and Boneretta (:both of which were formerly loaned to the old Radja Palacka, but they allege to have been transferred by him:/ along with the further paddy fields belonging to the King, they could not proceed with that, while they further requested a postponement until the days of mourning should have passed: from which reply I could conceive nothing other than that this surrender would follow amicably, at least as far as they themselves had agreed that the demanded property belonged to the Company, all the more because, in regard to the paddy fields, expression fields, a note was sent to me in copy, passing under the enclosures, which substantially agreed with my findings, and that the King and Regent Arou Poure, who currently holds the title of Madaurang (:Supreme Field Marshal of the Realm:/ on the occasion of the request made for commissioners to assist in the tithe-collection, informed me on their own initiative that orders had already been given, and would further be given, to summon hither all the Princes who might be in the northern Provinces, or else to order them to depart from there, to prevent troubles which indeed did not encounter me in the least this time; but the outcome has shown that it was not in true earnest, or that they changed their minds, for when I, having returned from the tithe-collection, had invited the King to come to me with the Administrator of the Realm, the Madaurang, and two or three other Grandees, which was also promised, although on the 28th ultimo he appeared with an unusually large retinue, and I, in that though under a threatening gathering, urged further the repeatedly mentioned surrender, Aroe Poure indeed declared that they were still prepared to do so, but at the same time immediately made known that their intention was to instruct the commissioners on behalf of the Court to order the inhabitants both on the aforementioned Islands and on the Lands to move out with bag and whereby the same remained unfulfilled. baggage, without it being possible for me, however many reasons I brought forward to convince them of the unreasonableness of their notions, to obtain anything more from them than that they finally promised to consult about it again and send me a further reply, in such manner as also occurred on the 23rd thereafter, but which amounted to the same thing, and from which they could not be dissuaded: so that, out of a legitimate fear of disturbances, I deemed it best to inform the King and Grandees of the Realm that, although I would not need to trouble myself with their actions, I nevertheless, in consideration of the affection that the Company had from of old borne toward the Realm and still remained inclined to show, wished to give not the least occasion for estrangement, and I therefore would not allow the Commission to proceed on the footing proposed by them, but would request your High Excellencies' orders in that regard, in such manner as I then consider myself obliged to do respectfully herewith, further mentioning in this regard that, having found the King's paddy in the aforementioned eighteen negorijen this year already tithed for 1865 bundles, and the already tithed paddy, Grandees regarding the paddy fields and islands. another fruitless demand was made for the national debt. muskets I have now also merely informed His Highness, because the overseers refused settlement, that I left it to him to give orders for that or not, to which no answer was brought to me, although it is well to be expected that the same will not be delivered; hereto I must also add how the former Pongauwa Lacasie, as well as the Datou of Soping, testified on the 4th of July ultimo to the Captain of the Malays that the granting of the Grandees' request to be allowed to retain the Islands and paddy fields, given the improper manner in which the same had been done according to what is alleged herebefore, would have served to bring general contempt upon the Company, and that they were therefore pleased that the same had been denied by me, just as some of the other Grandees would also gladly have seen the Company's demand fulfilled, all the more because the laws of the land themselves entail that goods loaned to someone must immediately after his death be returned to the Owner, without any need to ask for them. Furthermore, I once again most earnestly exhorted the King and the Grandees of the Realm to pay off the national debt, and also demanded restitution, and for the restitution of 136 ordinary flintlock muskets, which the Court successively received on loan from the Company, but it
Dutch transcription
1073 25: welken overgave wel toegezegt is. konde; voorts aandringende op het benoemen van ge„ „committeerdens hunnen tweegen, ten eijnde nevens die van de Comp„e de bewoonders van d' Eijlanden end' opgezeete„ „nen op de Landerijen van derzelver weeder overgave aan„ de Comp:e kennisse te geeven; onder verdere bijvoeging dat alles nogthans in den tegenwoordigen staat en een ieder in het volle bezit van zijne have en goederen ge„ „laten zoude worden tot tijd en wijle, de dispositie van uw Hoog Edelhedens zoude ontfangen weesen; van alle het welke zij belooft hebbende rapport te zullen doen kwamen zij mij den 28„e Julij kennisse geeven dat de koning en Rijksgrooten, de begeerte van de Comp„e niet kunnende weederstreeven, bereijd waaren tot overgave van de Eijlanden Poeloe Coelambie in Poeloe Leijia nevens de padij velden op agtien di„ „verse negorijen dog dat d' andere Eijlanden Calauwt en Boneretta (:welke beijde rets aan den ouden Radja Palacka geleend dog zij voorgeeven door hem vervuerd te weesen :/ nevens de verdere padij velden de koning toebehoorende, zij daar toe niet konden overgaan, terwijl zij voorts uijtstel ver„ „zogten tot dat de rouw dagen zouden gepasseerd weesen: uijt welk antwoord ik mij niets anders voorstellen konde, dan dat die overgave in der minne soude volgen, ten minsten voor zo verre zij zelve hadden toegestamt dat het op geëijschte de Compagnie toebehoorde, te meer mij ten aanzien van de padij velden uijtlating velden een notitie wierd gezonden in afschrift onder de bijlagen overgaande, die genoegsaam met mijne bevinding over eenstamd, en dat den koning en Regent Arou Poure, die thans den titul voerd van Madaurang (:opper rijksveld heer:/ mij ter ge„ legentheijd van 't gedaene versoek om gecommit„ „teerdens, ter assistentie in de vertiening, uijt eigen motief weeten lieten dat 'er reets ordre gesteld was en nog nader zoude gesteld worden, om alle de Princeij die zig in de noorider Provintien mogten bevinden, herwaarts t' ontbieden of wel dezelve aan te zeggen van daar te vertrecken, ter voorkoming van moeije„ „lijkheden die mij ook ditmaal in 't minst niet beje„ „gend zijn dog d' uijtkomst heeft doen zien dat het geen regte ernst geweest is, of dat zij van gedag„ „ten verandert sijn, want toen ik van de vertie„ „ning terug gekomen den koning bij mij hadde laeten versoeken met de Rijks bestierder, nadan„ „rang en twee â drie andere Grooten, het geen ook wierd toegezegt, schoon bij den 28„e passato met een ongemeen groot gevolg verscheen, en ik in die dog onder een dreijgend: bij een komst nader op de meermelde overgave aangedrong zo verklaarde Aroe Poure wel dat zij als nog daar toe bereid waaren, dog gaf teffens al aanstonds te kennen dat hun voornemens was de gecommitteerdens van wegen het Hof inman„ „datis te geeven om de bewoonders zo op de voormelte Eijlanden als Landerijen te ordonneeren met zak en. 1075 waar door het selve „onvoldaan gebleeven is. en pak te verhuijsen, sonder dat het meij mogelijk was, hoe veel reedenen ik ook bij bragt, ten eijnde hun van d' onredelijkheijd hunner Concepten t' overtuij„ „gen iets meer op hun te verkrijgen dan dat zij ein„ „delijk toezegging deeden, daar over al weeder te zullen raadpleegen en mij nader antwoord te laeten toekomen, invoegen den 23„e daar aan ook geschied is, dog het geen op het selfde uijtkwam, en waar van zij niet waeren afte brengen: zo dat ik uijt een regtmatige beduchting voor brouillerien ugterwege best g'oordeeld hebbe; den koning en Rijksgrooten te doen weeten; dat schoon ik mij aan hun gedoente niet zoude behoeven te Htooren, ik nog thans uijt aanmerking van de genegentheijd die de Compagnie van ouds af aan het Rijk toegedragen hadde en als nog gezint bleef te betoonen, geen de minste aan leij„ „ding tot verwijdering wilde geeven en ik dierhalven de Commissie op de door hun voorgestelden voet geen voortgang doen neemen maar daar omtrend uw Hoog Edelhedens ordre versoeken zoude, invoegen ik mij dan verpligt agte zulx met eerbied te doen bij deesen, ten dien belange nog meldende dat ik des koningspadij op de voormelde agtien negorijen doesen Jaare gevon, en derets vertiende padij „den reets voor 1865. bossen vertiend hebbende, ik zijn Hoogheijt, ter zaeke de opzigters de vol„ „doening weijgerden, als nu ook eenlijk hebbe doen weeten dat ik aan hem overliet daar toe ordre te stellen groten nopens de padij velden en eijlanden. om de rijksschuldis nog„ „maals vergeefse aan„ „maning gedaan. geweeren stellen of wel niet waar op mij geen antwoord ge„ „bragt is, schoon het wel te denken zij dat deselve niet geleverd zullen worden; hier bij diene ik ook nog gedagten van eenige rijks, te voegen hoe den geweesen Pongauwa Lacasie, zo wel als den Datou van Soping op den 4„e Julij passato aan den Capitain der maleijers betuijgd heb„ „ben dat d' inwilliging van der Rijksgrooten ver„ „soek, om de Eijlanden en padij velden te mogen behouden, mits d' onbetaemelijke wijse waar op het zelve waare gedaan, na het hier vooren g'alle„ „gueerde, tot een algemeene veragting voor de Compa „gnie zoude hebben gestrekt en zij dierhalven ver„ „blijd waeren dat het zelve door mij was ontzegt, gelijk ook sommige der overige Rijksgrooten gaarne zoude hebben gezien dat aan 'sComp=s eijsch waare voldaan, te meer 's lands wetten zelfs meede brengen, dat goederen, aan iemand ge„ „leend, ten eersten na desselfs overlijden aan den Eijgenaar moeten worden werder gegeeven, sonder dat 'er om behoeft gevraagd te worden. wijders hebbe ik den koning en Rijksgrooten alweder op het ernstigste doen aanmaenen om d' aflossing van de Rijks schuld en voorts restitutie gevorderd in om de restitutie van van 136. gemeene snaphanen, die het Hof succes„ „sive van de Comp=e heeft ter leen gekreegen, dog het
English
Restitution of the, the departure of the king to the interior opposed. both have also met with no success; the Regent regarding the first confined himself merely to good promises, while they, after a prior request to be permitted to keep the guns, which I likewise declined, declared they were unable to return them, as these were scattered here and there and unobtainable, but on the other hand there was surrendered back to me the standard formerly or at the time of Governor Clootwijk presented on the Company's behalf to the deceased king who was also Datoe of Soping, which, having been offered by the Madanrang to the present Datoe, was refused acceptance by the latter on my advice, and which I subsequently likewise caused to be claimed; in order in due course to be handed over to the said Datoe. Upon the repeatedly mentioned arrival of the commissioners on 25 July, I having been informed by them that they intended to bring their king to the interior in order there, as they claimed, to be crowned according to custom and presented to the people, I advised against this, submitting how in my judgment the reply of Your High Excellencies ought first to be awaited regarding the communication to be made to the same by the Court concerning His Highness's accession to the throne, on which I have since been given as little further notice, Standard of Soping. but planting the Company's flag on Soreang not obtainable. Presumptive cause of the obstinacy of the grandees of the realm. as I can perceive that anything will come of it for the present, which is also not to be hoped for, yet noticing such I shall again endeavor to divert them therefrom, just as I sought, though to my regret in vain, to dispose the king and grandees of the realm in the further held conference on the 20th ultimo to plant, besides a token of the monarch's sovereignty, also the Company's flag on Soreang, for although they indeed promised to consult about this and I thereupon sent further to the king and Medanrang, they nevertheless requested of me to be excused therefrom, indicating their inability to grant it, according to the entry in the daily register under the 23rd and 25th following, in which the reasons given by them in that regard are recorded, which require refutation just as little as it would be of any avail to insist further upon it for the present, so that I shall postpone it to a more opportune time, in the hope that meanwhile from that refusal of an offer of great importance to the realm itself no harm will arise, as for my part I cannot as yet imagine. Meanwhile I am led to believe that their unyieldingness comes from nowhere else than that they follow the advice of Arou Palacca, grandmother of 1079 is outwardly... The former Pongauwa has offered his service for the reconquest of... the two last dethroned kings of Goa, who, solicited by the present king to settle in Goa, yet declined this, is undoubtedly also the cause that the former Pongauwa Lacasie still remains away from the Court, although otherwise the mutual divisions, both between him and his brothers residing here as well as among these themselves, seem at least outwardly to have ceased, whereby everything here is currently rather quiet. The dispute among the princes ceased. Remains faithful to the Company. The said Pongauwa therefore still stays in the province of Siang, but comes hither from time to time and has even, in the latest round of visits, after I had declined his offer to accompany me on the same, followed me to all the provinces, having been with me on that and other occasions several times and imparted what he had learned concerning the state of affairs, although I have not been able to obtain from him any further elucidation regarding the note written by him, according to my respectful previous communication of 8 June ultimo, to the Shahbandar Voll, of which the copy is now transmitted among the appendices. He has nonetheless repeatedly declared to me his loyal attachment to the Company and on the 16th ultimo also requested that Your High Excellencies be recommended to employ him in Bool. He has now gone to Lagoesie. Satisfaction obtained concerning some evil deeds of the Macassars. With respect to some Boni princes. Warning from the king. for the reconquest of the Company's post of Bwool, after I, upon the offer made by him to that end, had indicated that this post, sorting under the government of Ternate, was one regarding which I could do nothing; whereas in contrast I consented to his petition made on that day to make a trip for a few days to Lagoesie, together with his wife, formerly the widow of Datou Pamana, in order to pay a visit to their family residing there, since, everything in that region being currently quiet, I could not very well refuse this any longer. Regarding the realm of Goa there is nothing extraordinary to note, other than that upon the complaints twice brought to me by some of the Company's subjects regarding wrongs done to them by the Macassars, I caused representations to be made and demanded satisfaction, which I also obtained sufficiently satisfactorily according to the entries in the Daily Register under dates of 10 and 11 June as well as 16 and 17 ultimo and the 8th of this month, while under that of 22 July it appears how the king along with a large number of grandees of the realm paid a visit to me, but having requested on that occasion to speak to me alone, only through the interpretation of the Shahbandar Voll, declared principally
Dutch transcription
1077 te rug gave van het het vertrek van den ko„ „ning na de binnen lan„ „den tegen gegaan het een en ander is meede van geen succes geweest; blijvende den Rijksbestierder omtrend het eerste enkel bij goede beloften, terwijl zij na een voor af gedaan versoek om de geweeren te mogen behouden, dat ik meede van de hand wees, betuijgden tot de terug gave buijten staat te weesen, vermits deselve hier en daar verstrooijt en niet weeder te krijgen waaren, dog daar en tegen is mij weeder overgegeven het vendel wel eer of ten tijde vandel van soping van den Heer gouverneur Clootwijk aan den over„ „leeden koning als teffens Datoe van Soping geweest zijnde 'sComp=s wegen geschonken, 't welk den Madan„ „rang aan den tegenwoordige Datoe aangeboden heb„ „bende, door deese op mijnen raad geweijgerd was t' ac„ „cepteeren, en ik vervolgens almeede hebbe doen op eijs„ „schen; om in der tijd aan gemelde Datoe inhandigd te worden. Bij de meermelde komst der gecommitteerdens op den 25. Julij mij door dezelve bedeeld zijnde dat zij voornee„ „mens waaren hunnen koning na de binnen landen te brengen om aldaar, zo zij voorgaven, na het gebruijk gekroond en den volke voorgesteld te worden, hebbe ik zulks afgeraden, onder voorhou„ „ding hoe mijnes oordeels, alvoorens het antwoord uwer Hoog Edelheedens diende te worden afge„ „wagt, op de Communicatie aan Hoogst. deselve door het Hof te doen; aan zijn Hoogheijts komste tot den troon, waar op mij zedert zo min nader bescheijd dog het planten van sComp=s vlag op soreang niet te verkrijgen geweest presumtive oorsaak van d'obstinaatheijt der rijksgroten. bescheijd gegeeven is, als ik merken kan dat 'er voor eerst iets van worden zal, het geen ook niet te hopen is, dog zulks ontwaarende sal ik hun daar van alweeder tragten te diverteeren zoo als ik den koning en Rijksgrooten in de nader gehouden Conferentie op den 20„e passato dog tot mijn ladweesen te vergeefs, hebbe zoeken te disponeeren, om op Soreang behalven een teeken van 's vorsten heerschappij, ook 's Comp„s vlag te planten, want schoon zij wel beloofden daar over te zullen raadpleegen en ik daar op nog nader bij den koning en Medanrang gezonden hebbe, lieten zij mij nogthans verzoeken daar van verschoond te mogen blijven, onder te kennen gave het zelve niet te kunnen inwilligen, na het aangeteekende bij dag register onder den 23„e en 25„e daar aan, waar bij de door hun diendweegen gegeeven redenen vermeld staat, die al zo min wederlegging vereijsschen, als het iets baten zoude, om daar op voor het tegen„ „woordige nader aan te dringen dat ik over zulks tot een bekwamer tijd sal uijtstellen, in die hoope dat inmiddens uijt die weijgering van een voor het Rijk zelve van veel belang zijnde aanbieding geen nadeel zal ontstaan, gelijk ik voor mijn aan„ „deel als nog niet denken kan ondertusschen diene ik te gelooven dat hun onbuijg„ „saamheijd nergens anders van daan komt dan dat zij den raad volgen van Arou Palacca, grootmoeder van # 1079 is voor het uijterlijke ge„ den gewesen Pongauwa„ heeft zijn dienst aangebo„ „den tot herovering van van de twee laast gedetroneerde koningen van goa„ die door den tegenwoordigen koning aangetogt om zig in gora neder te zetten, dog zulks afgeweesen heeft, ongetwijffeld meede d' oorsaak is dat den geweesen Pon„ gauwa Lacasie nog van het Hof verwijderd blijft schoon andersints d'onderlinge verdeeld heden zo tusschen hem de twist tusschende paincen en zijne hier zijnde broederen mitsgaders van deese onderesseert elkanderen ten minste voor het uijterlijke schijnen gecesseerd, waar door het thans alhier alles tamelijk stil is. gemelde Pongauwa blijft sig dierhalven nog in de pro„ „vintie Siang onthouden dog komt nu en dan herwaarts blijft de Comp:s getrouw en is mij zelfs in de Jongste vertiening, na dat ik zijn aanbieding om mij in deselve te versellen; gedeclineerd had„ „de na alle de provintien gevolgd bij die en andere gele„ „gentheden verscheijde maelen bij mij geweest en van het geen hij ten aansien van den toestand der zaeken verno„ „men hadde kennisse gegeeven hebbende, schoon ik van den selven geen nader illucidatie hebbe kunnen krijgen omtrend het briefje door hem na luijd mijner eerbie„ „dige voorgaande van den 8„e Junij passato aan den s Ja„ „bandhaar voll geschreeven, waar van het afschrift thans onder de bijlagen overgaat Egter heeft hij mij weeder dikwerf zijne trouwe aankleeving voor de Comp„e betuijgd en op den 16„e passato ook verzogt uw Hoog Edelhedens voor te dragen, om gen„ 3n wool. „ploijeerd ƒ hij it thans na Lagoesie over eenige kwade bedrij„ „ver van de macassaren satisfactie erlangd. ten opzigt van sommige Bonijse Princen. g'emploijeerd te worden tot herovering van 's Comp„s Post Bwool, na dat ik op zijne daar toe gedaane aanbieding te kennen gegeeven hadde dat die post onder het gouver„ „nement Ternaten sorteerende ik daar omtrend niets doen konde waar en tegen ik hebbe geconsenteerd in des„ „selfs ten dien dage gedaene instantie om voor eenige dagen een keer te doen na Lagoesie, nevens zijn vrouw voormaals de weduwe Datou Pamana, ten eijnde een bezoek af te leggen bij hunne aldaar woonagtige famil„ „le; vermits het thans om dien oird allet stil zijnde ik zulx niet wel langer hebbe kunnen ontleggen. omtrend het Rijk van Goa. valt niets zonderling te noteeren dan dat ik op de mij tweemaal voorgekome klagten van eenige 's Comp:s onderdaenen, over verongelijkingen, hun door de Macassaeren aangedaan hebbe doen doleeren en satisfactie eijsschen, die ik ook genoegsaam voldoende gekreegen hebbe na het vermelde bij Dag Register sub datis 10„e en 11„e Juni mitsgaders 16„e en 17„e passato en 8:' deeser, terwijl onder die van den 22„e Julij blijkt, hoe de koning nevens een groot getal Rijksgrooten een visite bij mij afgelegt dog bij die occasie verzogt waar shuwing van de koning hebbende mij alleen, en keld door vertolking van den sjabandhaar voll, te spreeken, betuijgde voorna„ „mentlijk
English
B3 1081 The Queen again addressed concerning the bad conduct of her children. principally to have come to warn me, during the tithe collection that was then at hand, to be on guard against any malicious undertakings of some Bonian Princes, for which advice I thanked that ruler kindly, while indicating nonetheless how I could not think that the Bonians would undertake anything against me, but that if such were unexpectedly to happen, I fully trusted that in that case he would show himself to be a true ally of the Company and assist me with some people if necessary, as His Highness promised me, adding that he intended to go for a few days to a certain settlement situated near Sodiang in order to be closer at hand, but that precaution was unnecessary, as I already had the honor to note hereinbefore. Complaint of Dato Soping about the same in Sedeenring. The Queen of Tanette having departed for Her Highness's realm after the distribution to Your Right Excellencies mentioned in my respectful previous letter, I had a visit from that ruler during my presence at Mandallij, to which I had invited her a few days prior, and on that occasion I once again, in the most emphatic yet at the same time in as gentle a manner as was possible for me, addressed her concerning the excesses of her children and especially of her favorite Arou Pantjana, together with his continuous acts of violence, both regarding her own subjects and those of his half-brother the Dato of Soping, who had again brought complaints to me about this, concerning which matters she promised to follow my advice and admonitions, which I also hope for, while I postponed until a further opportunity the investigation requested by her regarding some paddy fields to the north to which she lays claim, since it had already become too late at that time. The Dato of Soping, besides the aforementioned Arou Pantjana and Arou Pao Pao, likewise having caused complaints to be made to me once again about the continuous robberies by those of Sedeenring and how the Adatouang, notwithstanding his formerly 15 1083 Who is again exhorted to reconcile with each other, which has been of good success. formerly made promise, showed no inclination to settle their mutual disputes amicably, I tried to appease him once again, and furthermore had the said ruler of Sedeenring again exhorted to settle the dispute, as well as the same, and also those of the small realm of Soupa, on my proposal made thereto to the grandees of the realm of Bonij by commissioners on behalf of the Company and this Court, were admonished to settle amicably the dispute that had arisen between these two from very minor beginnings, but had already erupted into complete hostilities and was of concerning prospects, and meanwhile to lay down their weapons, as well as subsequently to come hither in person, in order to reconcile with one another through the mediation of the Company and Bonij, which was of such success that the one as well as the other not only assented to the former, but immediately complied with the latter, whereas that dispute had, on the contrary, been further fueled by an earlier mission in the name of the court of Bonij, which had brought the grandees of the realm into embarrassment out of a reasonable apprehension that To which end they will be summoned. that Soupa, whom they had nonetheless supported, would fare badly, on which account they addressed themselves to me, on which occasion I addressed them concerning their improper conduct that runs contrary to the Contracts; so that all this will appear to Your Right Excellencies in the daily Register under dates of 25 July and 12 August, together with the report of the commissioners on behalf of the Company proceeding over the enclosures, to which, to avoid prolixity, I respectfully refer, merely adding here that Arou Soupa has indeed since come hither, but only on the invitation of the Bonian court, to attend the feast on the occasion of the past hundredth day of mourning over the ruler's decease, having since also returned home, of which, as well as of his arrival, no communication had been given to me by the grandees of the realm, having upon the inquiry made on my behalf whether both rulers had also already appeared, only made known the latter, and that Sedeenring was still being awaited; so that I shall urge them once again to send a mission to summon both of them simultaneously for a certain fixed time.
Dutch transcription
B3 1081 de koning in andermaal onderhouden over het slegt gedrag haarer kinderen. voornamentlijk gekomen te weesen om mij te waar„ „schuwen in de vertiening, die doen maals op handen was, op hoede te zijn tegen alle kwaede onderneemingen van eenige Bonijse Princen, voor welke raad ik dien vorst vrien„ „delijk hebbe bedankt, onder te kennen gave nogthans hoe ik niet denken konde dat de Boniers iets tegen mij zou„ „den onderneemen, dog dat zulks onverhoopt gebeurende, ik volkomen vertrouwde dat hij indien gevalle zou„ „de betoonen een oprecht bondgenoot van de Comp„e te weesen en mij des noods met eenig volk assis„ „teeren, zo als zijn Hoogheijd mij beloofde, met bijvoe„ „ging dat hij g'intentioneerd was om voor eenige dagen na zeekere negorij, bij sodiang gelegen, te gaan om dus te nader bij der hand te zijn, dog die voor zorge is onnodig geweest zo als ik reets hier vooren d' eere gehad hebbe te noteeren De Konin ginne van Tanette na het uw Hoog Edelhedens bedeelde bij mijne eerbiedige voorige na haar hoogheijts rijk vertrocken zijnde hebbe ik bij mijn aan„ „weesen op Mandallij een visite van die vorsten gehad waar toe ik haar eenige dagen bevoorens hadde laeten klagte van datoe so„ „ping over deselve in bedeenring laeten inviteeren en haar bij die gelegentheid ander„ „maal op het aller nadruckelykst dog te gelijk op eene zo zagtzinnige wijse als mij mogelijk geweest is on„ „der houden over de buijten spoorigheden haerer kinderen en insonderheijd van haeren lieveling Arou Pantjana mitsgaders zijne aanhouden gewelden arijen, zo omtrend haar eijgen onderdaen en als die van zijnen halven broeder den datoe van soping, welke mij dierwegens al weeder op nieuw klagtig was gevallen, nopens welk een en ander zij belooft heeft mijne raaden verma„ „ningen te zullen nakomen, het geen ik ook verhoo„ „pen wil, terwijl ik het door haar versogte onder„ „soek omtrend eenige padij velden om de noord, waar op zij pretensie maakt, tot nader gelegentheijd hebbe uitgesteld vermits het doenmaals reets te laat geworden was: Den Datoe van Soping behalven over voorm: Aroe Pan„ tjana en Arou Pao. Pao insgelijks alweeder op nieuw bij mij hebbende doen klagen over de aan„ „houdende roverijen door die van sedeenring en hoe dat den Adatouang, niet Jegenstaande zijne voor„ „ maals 15 1083 die nogen aals vermaand is het te samen te versoenen. dat van goed succes is geweest. voormaals gedaene belofte, geen geneijgdheijd toende om hunne onderlinge geschillen in der minne bij te leggen, hebbe ik hem alweeder tragten neder te zetten en voorts den gemelde vorst van sedeenring daar toe andermaal zo wel doen adhorteeren different te berevenen als den zelven, en zo meede die van het Rijkje soupa op en te gelijk met soupa om mijn daar toe gedaan voorstel aan de Rijks grooten van Bonij door gecommitteerdens van wegen de Comp:e en dit Hof is vermaand, om het different dat 'er tusschen deese twee„ uijt zeer geringe beginselen gereesen, dog reets tot volsla„ „gen vijandelijkheden uijtgebarsten en van nadonkelijke uijtzigten was, almeede in der minne bij en de wapenen inmiddens weder te leggen, mitsgaders vervolgens in persoon herwaarts te komen, ten eijnde door mediatie van de Comp„e en Bonij met den anderen te versoenen, het geen dan ook van dat succes geweest is, dat dien zo wel als d' ander het eerste niet alleen hebben toe„ „gezegt maar het laatste aanstonds nagekomen zijn, daar die twist in tegendeel door een vroegere besending uijt naam van het hof van Bonij nogeneer was aangestookt, het geen de Rijks grooten in ver„ „legentheijd hadde gebragt uijt een billijke bedugting dat ten welke eijnde zij zullen worden op ontbeden. dat Soupa, die zij nogthans hadden ondersteund, het to kwaad krijgen zoude, weshalven zij zig daar op bij mij ad„ „dresseerden, bij welke gelegentheijd ik hun over hun ver„ „keerde en tegen de Contracten aanloopende handelwijs onderhoude hebbe; invoegen uw Hoog Edelhedens het een en ander sal te vooren komen bij dag Register sub datis 25„' Iulij en 12„e Augustus mitsgaders het rapport der gecommitteerdens van wegen de Comp„e over de bijlagen overgaande, waar aan ik mij ter vermijding van lang„ „wijligheid eerbiedig refereere, hier nog maar bij voegende dat Arou Soupa zedert wel herwaarts gekomen is, dog alleen op in vitate van het Bonijs hof, om het festijn ter gelegentheijd van de gepasseerde hondertste rouw„ „dag over 's vorsten overlijden, bij te wooren, als zijnde zedert ook weeder na huijs gekeerd, waar van mij door de Rijksgrooten zo min als van zijn komst Commu„ „nicatie gegeeven was, op de mijnentwegen gedaene informatie of beijde de vorsten ook reets verscheenen waaren alleen het laaste hebbende doen weten en dat 'er op sedeenring nog gewagt wierd; zo dat ik hun alweeder sal aanzetten andermaal een bezending te doen om hun beijde tegens zeekeren bepaalde tijd tglijk otbieden. Ten.
English
Regarding the demanded arrival of envoys alongside the extirpators and the cruisers. Regarding the demanded satisfaction from those of Mandhaar for the bark De Vrijheijd, I may not neglect respectfully to inform Your High Nobilities how the Datoe of Soping already had an offer made to us on 20 June to make a journey thither in order to discover the disposition of that nation concerning this debt, which he supposed would already have been satisfied had the deceased king of Bonij not frustrated the same, all the more so since the grandees of the realm who arrived here had even brought money along for that purpose. I not only accepted this offer, but also requested him to do so; however, on 5 July he further notified me that fear of the Wadjoese people did not yet permit him to leave Soping, for which reason he requested a postponement, which I granted him with an added urge to keep his promise in mind in due course, which he had promised me to do, but since then I have received no further news concerning this from him. From Bouton there has arrived here, alongside the returned Commissioner for the spice extirpation, Sergeant Steijnbach and his companions, on 6 July past, a considerable embassy, besides ninety-nine slaves in reduction of the state debt, bringing two letters from the king and the grandees of the realm, wherein the quelling of the disturbances on Woena is confirmed, with expressions of thanks for sending thither the patjallang D'Oppas and a paduakang, both of which have also returned. The commander of the first-mentioned small vessel, the steersman Draijer, has submitted to me such a report concerning his experiences as I have the honour to present herewith to Your High Nobilities, in which, however, nothing of any particular note appears other than that he cruised through the Strait of Bouton twice but perceived no foreign ships or vessels. In like manner, the account of the first envoy Daing Mandjareki contains nothing remarkable except that those of Calesoesoe had likewise submitted themselves out of fear of receiving an unpleasant visit just like the Woenarese, though concerning this the king and the grandees of the realm had not yet declared themselves. The outcome of the spice extirpation was once again just as before, namely that no trees or saplings were discovered, although the Boutonese interpreters took the Commissioners further this time than previously, except now on Calesoesoe; but on the other hand, the sergeant mentions male nutmegs that were said to have been sold openly there on the market, and having found them very good in smell and taste, he maintained that they must grow there, which the king nevertheless had denied, under the pretext that the same were brought from Ambon and Banda and were used solely for medicines. The latter is also just as well known as that this sort of fruit cannot be compared to the genuine nutmegs, although when fresh they do give off somewhat of that same smell. One also finds mentioned in his report that some Buginese and Mandharese vessels had again been present, laden with opium and linens, against whose admission he had protested in vain to the king, although most of them had departed upon the appearance of the aforementioned pantjallang D'Oppas and the paduakang. On which chapter I shall shortly confer anew with the monarch, as well as concerning the well-known cannons which he continuously refuses to return, without any mention being made thereof in the answer to my letters; while in the meantime I further report here that the envoys are due to be dispatched again with the break of the west monsoon, and that a state parasol is to be delivered to them, which they requested of me in the monarch's name, as well as that the Commissioners for the extirpation might depart together with them, to which I have not yet given a positive answer, because in comparison to the usual time it is much too early, seeing that the work of extirpation cannot well be commenced before the month of March. Concerning the monarchs on the opposite shore, Commandant Lecers informed me by letter of the 7th past that the realm of Bima was to send an embassy to Your High Nobilities this year in order to give notification of the monarch's accession to the throne. Furthermore, the grandees of the realm of Dompo had made a promise
Dutch transcription
17 1085 „ping omtrend de gevorderde komst van gezanten nevens d'extirpateurs en de kruijs„ „sers Ten aansien van de gevorderde voldoening van die van aanbieding van datoe so„ Mandhaar voor de bark de vrijheijd, mag ik niet voor bij schavergoding uw Hoog Edelhedens eerbiedig ter kennisse te brengen, hoe den Datoe van soping wij reets den 20„e Juni hebbende laeten aanbieden oen keer derwaarts te doen ten eijnde de gezintheijd van die natie nopens deese schuld t ont„ „decken, die hij vermeende dat reets zoude zijn voldaan ingevalle den overleeden koning van Bonij het zelve niet hadde verijdeld, te meer de alhier opgekomene Rijksgrooten daar toe zelfs geld hadde mede ge„ „bragt, ik die presentatie niet alleen g'accepteert maar hem daar toe ook verzogt hebbe dog op den 5„e Julij: deed hij mij nader weeten dat de bedugting voor de wadjoreesen hem nog niet toeliet soping te verlaeten, weshalven hij om uijtstel verzogt die ik hem hebbe toegezegt met een bij gevoegde instan„ „tie om inder tijd zijn belofte indagtig te weesen het geen hij mij heeft laeten toezeggen, dog zedert hebbe ik geen nader tijding daar omtrend van denzel„ „ven ontfangen. Bouton is alhier nevens den geretourneerde Commissiant tot de specerij extirpatie den van sergeant. berigten Sirgeant Steijnbach C: s: op den 6„e Julij passato aange„ „komen een aansienelijk gezantschap, behalven negen en negentig slaven inmindering van de Rijksschul, mee„ „de brengende twee brieven van den koning en Rijks„ inhoudder brieven en grooten, waar bij het stellen van de beroertens op woena geconfirmeerd word, onder dank betuijging voor het derwaarts zenden van de Patjallang d' oppas en een Paduakang, die beijde meede terug ƒ ƒ gekomen zijn, hebbende den gezaghebber van eerst ge„ „meld kieltje den stuurman Draijer mij zodanig rapport wegens zijn wedervaeren overgegeeven, „ als ik d'eere hebbe uw Hoog Edelhedens hier be„ „zijden aan te bieden, dog waar bij niets van eenige bijsondere aanmerking voorkomt dan dat hij de straat Bouton twee maalen door„ „kruijst maar geen vreemde scheepen of vaartuij„ „gen vernomen heeft; in voegen ook het Relaas van den Eerste sendeling Daing Mandjareki niets sonderlings bevat als dat die van Calesoesoe zig almeede onworpen hadden, uijt vreese van even als de woenareesen een onaargenaem be„ zoek te zullen krijgen, dog waar over den koning en Rijks grooten zig nog met hadden verklaard Den 19 1087 d'extirpatie als bevorens uijtgevallen. remarque over mannetjes noten te Bouton gevonden. 'er zijn weder veele mors„ handelaars geweest. Den uijtslag van de specerij extirpatie is alweeder even eens geweest als bevoorens namentlijk dat 'er geene boo„ „men of telgen zijn onddekt schoon de Boutonse tolken de Commissianten dit maal verder hebben gebragt dan voor heen behalven nog thans op Calesoesoe; maar daar en tegen maakt den sergeant gewag van mannetjes nooten die opentlijk aldaar op de markt zouden weesen verkogt, en hij heel goed van reuk en smaak bevonden hebbende sustineerde dat aldaar groeijen moesten, 't welk den koning nogthans ontkend hadde, onder voor„ „gegeeven dat dezelve van Ambon en Banda aan„ „gebragt en alleen tot medicijnen gebizigt wierden welk laatste ook alzo wel bekend is, als dat dit zoort van vrugten bij d' egte nooten musschaeten niet te vergelijken zijn, schoon t' versch weesen„ „de wel eenigsints dien zelven reuk van zig geeven. ook vind men bij desselfs rapport aangehaeld dat er alweder eenige bougineese en Mandhareese vaar„ tuijgen waaren aangeweest beladen met amfioen en Lijwaeten tegen welker admissie hij vrugteloos bij den koning hadde geprotesteerd, hoe wel deselve vertrocken waeren voor het meerendeel op de ver„ „schining worden onderhouden. ende gezanten een na Batavia te gaan op te komen verschijning van de voorm: pantjallang d' oppas den vorst saldaar over en paduakang, over welk Chapiter ik den vorst eer„ „lange op nieuw zal onderhouden so meede over de bewuste Canons die hij bij Continuatie weijgerd te rug te geeven, sonder dat daar omtrend bij het antwoord op mijne brieven mentie word gemaakt; terwijl ik ondertusschen hier nog melde dat de gezanten met de doorbraake van de westmousson weder staan gedepecheerd en aan kippersol inhandigt deselve behandigd te worden een kipersol van staat waar om zij mij uijt 's vorsten naam zo wel verzogt hebben als dat de Commissianten tot de optir„ „patie met hun te gelijk vertrecken mogten waar op ik nog geen positief antwoord gegeeven hebbe ter zaeke het in vergelijking van den gewoonen tijd veel te vroeg is, gemerkt met het extirpatie werk met wel voor de maand maart kan worden begonnen. Betreffende de vorsten op van bimatangezent De overwal heeft den Commandant Lecers mij bij brieve van den 7„e passato bedeeld dat het Rijk van Bima deesen Jaare een gezandschap aan uw Hoog Edelhedens stond afte zenden ten eijnde kennisse te geeven van 's vorsten komste tot de troon. dor pas vot heftbloft voorts hadde de Rijksgrooten van Dompo toezegging „ gedaan
English
21 1089 The dignitaries of the realm have acknowledged the embezzlement of a certain vessel, but regarding certain murdered Malays said that they had been pirates, which will be investigated further. died. done to bring their prince hither this month, but of which I still perceive no result, and just as little of the communicated similar promise of the king of Sumbawa, who already to that end also of Sumbawa would have purchased a vessel, concerning which realm the aforementioned Lecerf further reports that the dignitaries of the realm have now acknowledged the embezzlement of the questionable vessel, which having belonged to subjects of Salemparang had been delivered to them to return it to the owners, and had promised compensation for the same, but on the other hand they had declared that the killed Malays, of whom I made mention in my respectful previous letter, had been pirates and being caught as such were deprived of life; which the Commandant says he will investigate further, showing that he gives no complete credit to this, although he nonetheless adds that no complaints had come about this from Salemparang. Regarding Tambora, Sangar and Pekat there is nothing to report, as those small realms are in peace. Concerning Bali and Salemparang, reporting beforehand that besides the prince of the first mentioned realm also that of the other, named Gusti Waiyantaga, has died, according to what was imparted to me by the Commandant by letter of the 22nd of July last, I have the honour further to bring respectfully to Your High Nobilities' notice how he having informed me at the same time that one Gusti Made Karang Asem would be appointed king of Salemparang and the grandson of the aforementioned Gusti Waiyantaga again king of Greater Bali and this one named Gusti Ngurah Made Karang Asem, I nonetheless received two letters from the first mentioned, namely Gusti Made Karang Asem, which agreed so little with the writing of Lecerf, as I by its confused and obscure contents could deduce therefrom that he himself had become king of Salemparang, as I nonetheless since upon the receipt of the Commandant's further writing of the 7th last [illegible] and have become aware of other reports; for which reason I then also answered his letter promptly and exhorted him in the most earnest manner to cooperate on his part towards the concluding of a contract between the Company and the princes of Greater Bali and Salemparang, representing how thereby all such 23 1091 to depart thither. project for the relocation of the post at Bima such and other complaints would naturally come to cease, as he mentioned in his letters, namely that to two vessels sent to Samarang and Rembang for the purchase of rice and provisions, the same had been refused. Meanwhile I had, already upon the first news, ordered Commandant Lecerf to depart for Salemparang notwithstanding the death of the king of Greater Bali, but a request having been made to him even by the present prince not to come there before the beginning of this month or until the ceremonial funeral procession should be completed, this has had to be postponed, yet I flatter and ordered the Bima Commandant myself that he will have proceeded thither already by now, as he has been further written to by me and to observe everything that may ever be possible in order to make the matter succeed, as I wish from the heart; adding further here how I, having formerly spoken with him about the relocation of the present post at Bima to a healthier place, he indeed sent to me alongside his just mentioned writing of the 7th last a new plan or actually a single drawing of a triangle with half bastions, but having neglected therein to give a statement of the costs, I recommended the latter to him Further elucidation requested on this. and at the same time requested information whether the lime and timber required for it could be obtained without Company's expense. Concerning the Company's lands and subjects there being nothing to report for this time that deserves a special mention in this, and thus having dealt again with the most important and essential matters that have passed since the dispatch of my respectful previous letter, I take the liberty once more respectfully to refer for the lesser events to the daily journal and further annexes; and thus concluding herewith I commend Your High Nobilities' illustrious persons and the weighty interests of the Honourable Company into the precious protection of the Almighty, and take the liberty to call myself with the most perfect esteem and all due respect. Below stood: High Noble, Right Honourable, Righteous, Far-commanding Lords and Well Noble Righteous Lords! Lower: Your High Nobilities' humble, obedient and faithful servant. Was signed: P: G: van der Voort. In the margin: Macassar, in Castle Rotterdam, the 20th of October 1775. Turn over
Dutch transcription
21 1089 de rijksgroten hebben het verduijsteren van „ zeker vaarthuijg erkend. dog omtrend zekere vermoorde maleijers ge„ „zigt dat het zeerovers wa„ „ren geweest dat nader onderzogt zal worden „rang overleeden. gedaan hunnen vorst in deese maand herwaarts te brengen dog waar van ik nog geen gevolg verneeme. en also min van de meede gecommuniceerde gelijke belofte van den koning van Sumbawa. die reets ten dien eijnde ook die van Sumbauwa een vaartuijg zoude hebben ingekogt ten belange van welk Rijk gem: Lecerf verder meld. dat de Rijksgrooten het verduijsteren van het quastieuse vaartuijg, 't welk aan onderdaanen van salemparang gehoord heb„ „bende hun was over gegeeven om het den eijgenaeren weeder te bezorgen, als nu erkend en vergoeding voor het zelve beloofd hadden, dog daar en tegen hadden zij verklaard dat de omgebragte maleijers, waar van ik bij mijne eer„ „biedige voorige melding hebbe gemaakt, rovers geweest en als zodanig g'altrappeerd zijnde van het leeven beroofd waaren; het geen den Commandant zegt nader te sullen ondersoeken, ten blijke dat hij daar aan geen volkomen geloofd defereerd, schoon hij er nogthans bij voegd dat daar over geene klagten van salemparang gekomen waaren, Nopens Tambora, sangar en Pekat valt niets te melden als zijnde die rijkjes in rust. Aangaande Balij en Salemparang voor af meldende dat be„ de vorst van Salempa„ „halven den vorst van het eerst gemelde Rijk ook die van. „zagt om nevens die van groot Balij met de Comp: in verbond te treden van het andere met name gusti waijantaga over„ „leeden is, na het mij bedeelde door den Commandant bij brieve van den 22=e Julij passato, zo hebbe ik d' eere uw Hoog Edel„ „hedens verder met eerbied ter kennisse te brengen hoe hij mij te gelijk berigt hebbende dat eenen gusti madeka„ „rang Assang tot koning van salemparang en de kleen zoon van gemelde gusti waijantaga weder tot koning van groot Balij aangesteld en deese Justi Moera ma„ de karang Assang genaamd zoude weesen, ik nog„ thans twee brieven van den eerst gemelde namentlijk gusti madekarang Assang ontfing die met het schrij„ „vens van Lecerf zo min over eenstanden, als ik mits dies verwarde en duijstere inhoud, daar uijt konde op„ „maeken dat hij zelfs koning van Salemparang geworden was, zo als ik nogthans zedert op den ontfangst van des Commandant nader schrijvens van den 7„e passato zijn opvolgen de noo aange, en andere berigten ben ontwaar geworden; uijt welken hoofde ik dan ook zijnen brief ten eersten b'antwoord en hem op het ernstigste aangemaand hebbe, om van zijne zijde meede te werken tot het sluijten van een Contract tusschen de Compagnie en de vorsten van groot Balij en salemparang, onder voorhouding hoe daar door van zelfs zouden komen te Cesseeren alle zodani„ „ge 23 1091 derwaarts te vertrecken. project tot verplaatsing van de post te Bima zodanige en andere klagten, als waar van hij bij zijn brieven gewaagd, dat namentlijk aan twee vaar„ „tuijgen, na Samarang en Rembang gezonden ter inkoop van Rijst en leevens middelen, het zelve geweijgerd was. ondertusschen hadde ik, reets op d' eerste tijding, den Com„ mandant Lecerf bevolen om niet Jegenstaande het overlijden van den koning van groot Balij na Salemparang te ver„ „trecken, dog hem zelfs door den tegenwoordigen vorst versoek ge„ „daan weesende om aldaar niet te komen voor het begin deeser maand of wel dat de Ceremoiieele lijtstatie zoude zijn vol„ „bragt heeft zulks moeten worden uijtgesteld, egter vlije ik en binascommandant gelast mij dat den zelven zig als nu reets derwaarts zal hebben be„ „geeven, zo als hem door mij nader is aangeschreeven en om alles wat maar immer mogelijk zij te betragten ten eijnde de zaak te doen reusseeren, gelijk ik van herten wensche hier wijders nog bijvoegende hoe ik met hem wel eer eens gesproken hebbende over de verplaatsing van de tegenwoordige post te Bina na een gezonder oird, hij mij nevens zijn even gemelde schrijvens van den 7„o passato wel een nieuw plan of eigentlijk een enkele teekening, van een drie hoek met halve punten toegezonden dog daar bij versuijmt hebbende een opgave te doen van het kostende, ik hem het laatste. nader elucidatie daar op gevraagd. laatste aanbevoolen en te gelijk in formatie gevraagd hebbe of de kalk en houtwerken daar toe benodigd buijten 's Compagnies lasten te krijgen zoude weesen. Ten belange van 's Compagnies Landen en onderdaanen voor dit maal niets te berigten vallende het geene ik deesen eene speciaele aanhaeling verdiend en dus weeder afgehandeld hebbende het voornaamste en zaekelijkste dat'er zedert d'afsending mijner eerbiedige voorige is gepasseerd, zo neem ik de vrijheijd mij nogmaals ten belange van de mindere gebeurte„ nissen aan het dog verhaal en verdere bijlagen eerbiedig te gedragen; en dus hier meede besluijtende verbidde ik uw Hoog Edelhedens illustre persoonen ende ge„ „wigtige belangen der E: Maatthappij in de dierbaare be„ scherming des Allerhoogsten en neeme de vrijheijt mij met de volmaakste hoogagting en alle verschuldigde eerbied te noemen. /:onderstond/ Hoog Edele groot Agtbaare Gestrengen wijd„ gebiedende Heeere en wel Edele Gestrenge Heeren! /:lager:/ uw Hoog Edelhedens onderdanige, gehoorsame en getrouwen Dienaar /:was getekend:/ P: G: van der voort, /:in margine:/ Macasser In't Casteel Rotterdam den 20„e october 1775. verte
English
25 1093 Daily Register Secret of Boni. those of Goa and Tallo having been with him. Sunday the 4th Boni's king is very sick. Nothing occurred Having sent the under-interpreter Blij to inquire after the state of health of the king of Boni, he reported to me that he had found the monarch in bed and very weak, while he was told by Datu Baringang that yesterday he had suffered a severe attack of shortness of breath and convulsions twice, but that it was now somewhat calm again. the King of Goa and the Queen of Tallo having been to the Court of Boni, being invited by the monarch. Saturday the 3rd I had the under-interpreter Blij inquire after the health of the king of Boni, and upon his return received report that His Highness had testified to finding himself very weak, such that lying in bed he had been obliged to speak with the king of Goa and queen of Tallo. Furthermore Blij informed me that he was told by the second Tomilalang Aru Udjong that His Highness had declared to the king of Goa and queen of Tallo, on the occasion Thursday the 1st June Anno 1775. of the visit paid to him by them yesterday, that it was his will and desire that his grandson Latauri Pappu or Aru Timurung should succeed him, being already nominated thereto, which he had also commended to his other children and grandchildren. Monday the 5th death of the king of Boni the crown prince chosen in his place. Datu Soppeng pardoned. Early this morning the merchant and license master Voll and the Captain of the Malays Abdul Kadir came to inform me that the king of Boni had passed away last night around two o'clock, and also that they had learned that the grandees of the realm had immediately proceeded to the election of Aru Timurung in his place, of which they had given him communication before they made known to him the decease of his grandfather. That they had further learned that His late Highness, after having asked several times for the Punlipu-E of Soppeng, had ordered to permit him, along with his wife, if they should arrive in time, to touch his body or to kiss his feet, which serves as proof of reconciliation and that he had granted them pardon; while for the rest 27 1095 the toll-farmer dismissed rest he had said that his body should be interred at once, in the grave prepared for that purpose at Bontualaq. Meanwhile, the Boni Prince Aru Patjiro, assisted by the court interpreter Passeere, also came to give me notice around six o'clock of the monarch's decease, on behalf of the Young King, the Regent, and the Tomilalang, adding that the assembled grandees of the realm had chosen the said Young King as the monarch's successor; to which I only answered that His Highness's decease was extremely regrettable to me, but that one must submit to Heaven's sovereign will, and that I provisionally accepted his message for communication. After which I immediately had access requested for delegates, and as such sent to the Court around nine o'clock condolences offered on behalf of the Company the merchants Raket and Voll with a mourning gift and orders to condole the Young King and grandees of the realm over the demise, who brought me report of their mission towards noon. On the other hand, the Ponggawa Datu Baringang sent a certain request regarding the toll-farmer to me the Boni interpreter Passeere with the request that I would order the toll-farmer to pay the second term, the queen of Tanete and Datu Soppeng arrived. To Tanete's queen and Ponggawa access granted. or the other half of the equivalent for the king to the sum of 500 rixdollars; giving to understand /which had also been told to me this morning by Aru Patjiro, but to whom I replied that I had nothing to do with that/ that he had asked the Chinese farmer for it, but the latter had refused to pay, unless he were ordered to do so by me. Whereupon I let him know that I could nor would force the farmer thereto, the less so as it was in no way to be believed that he would be in such great need of it as he pretended, while the farmer had already expressed to me his inability to raise the money at present, besides other reasons that restrained me, and I could not see how he was qualified to receive those monies. After this, the Queen of Tanete and also the Datu or Punlipu-E of Soppeng notified me that they had arrived here this morning, for which communication I had both of them thanked. Tuesday the 6th The former Ponggawa Lacasie having requested access to me, as well as the Queen of Tanete, as granted to the said.
Dutch transcription
25 1093 „ Dagregister Secreet van Bonij. die van Goa en Tello bij hem geweest. zondag den 4„e Bonijs koning is zeer ziek. Niets gepasseerd Den ondertolk Blij gezonden hebbende, om na de welstant swaekte toestand van den koning van de koning van Bonij te informeeren; zo bragt mij denzelven tot rapport dat hij den vorst te bedde en zeer swak hadde gevonden, # terwijl hem door Datoe Baringang gezegt was, dat denzelven gisteren tot twee maalen toe een hevig overval van denaauwd„ „heijd en treckingen hadde gekreegen, dog dat het thans weeder wat bedaart was. zijnde Koning van Goa in de koningin van Tello, na Zaturdag den 3„e het Hof van Bonij geweest, door den vorst guerteer zijnde. Hebbe ik door den ondertolk Blij naar de gezondheijd van den koning van Bonij laeten vragen en bij desselfs rectour tot rapport ontfangen, dat zijn Hoogheijt betuijgd hadde, zig zeer swak te vinden, zodanig dat hij te bedde laggende, met de koning van Goa en koninginne van Tello, hadde moeten spreeken voorts berigte Blij, mij, hoe hem door den tweede Tomi„ „lalang Aroe oedjong gezegt was, dat zijn Hoogheijd aan den koning van Goa en koninginne van Tello, ter Donderdag den 1:' Junij Anno 1775. gelegentheijd Maandag den 5„e dood van den koning van Bonij de kroonprins in zijn plaats verkoren. datoe soping gepardon„ „neert. gelegentheijd van de hem door deselve op gisteren gegee„ „vene visite hadde betuijgd, zijnde wille en begeerte te zijn dat zijn kleen zoon Latauri Pappoe of Aroe Timoerong hem zoude succedeeren; als bereets daar toe benoemt weesende, het geen hij ook aan zijne andere kinderen en kinds kinderen hadde aanbevoolen. Heden in den vroegen morgen kwamen den koopman en Licent„ „meester voll en den Capitain der Maleijers Abdul Cadier, mij berichten dat den koning van Bonij de gepasseerde nacht Circa ten twee uuren was overleeden, mitsgaders hoe zij verne„ „men hadden, dat de Rijksgrooten aanstonds waeren ge„ „treeden, tot de verkiesing van Aroe Simoerong, in desselfs plaatse, den welken zij daar van hadden Communicatie gegeeven, alvoorens zij hem het ontslapen van zijnen groot vader hadden bekend gemaakt. Dat zij wijders vernomen hadden hoe wijlen zijn Hoog„ „heijd na eenige reijsen te hebben gevraagd na den Poenlie„ „poe- E van Soping, zoude hebben gelast, om den zelven, nevens zijn vrouw, te permitteeren, om wanneer deselve daar toe nog tijdig genoeg mogten arriveeren, zijn lichaam te mogen aanraeken of wel zijne voeten te belasten, 't welk tot een bewijs verstrekt van versoening en dat hij haar pardon hadde verleend; terwijl hij voor het Overige 27 1095 de boomspagter afge„ overige gezegt hadde, dat men zijn lijk ten eersten zoude moeten ter aarde bestellen, in het ten dien eijnde gereed gemaakte graf op Bontualacq Jntusschen kwam den Bonies Prins Aroe Patjiro, gas„ „sisteerd van den hof tolk Passeere mij Circa ten ses uuren meede kennisse geeven van 's vorsten afsterven, uijt naam van den Jong koning, de Rijks-bestierder en Tomilalang, met bijvoeging dat de gezamentlijke Rijksgrooten gem: Jong koning tot 's vorsten op volger hadden verkooren; waar op ik eenlijk ten antwoord gaf, dat mij zijn Hoogheijds afsterven ten uijtersten loed was, dog men zig des Hemels vrijmachtige wille, diende te onder„ werpen en dat ik zijne boodschap bij provisie voor Com„ „municatie aannam. waar na ik aanstond acces liet vragen voor gecommit„ gedaan rouw beklag „teerdens en als zodanig tegen negen uuren na het Hof 'sComp:s wegen hebbe gezonden de kooplieden Raket en voll met een rouw geschenk en ordre om de Jong koning en Rijks groo„ „ten over het sterfval te Condoleeren, die mij van hunne verrigting tegen den middag rapport bragten. Daar en tegen zond den Pongauwa Datoe Baringang zeker versoek, rakende bij mij den Bonies Tolk Passeere met versoek dat „ wesen ik den booms pagter gelasten wilde, het tweede termijn de koningen van Tanette en Datoe soping g'arri„ „veert. Aan Tanets koning en acces Pongauwa. of de weeder helft van het aquivalent voor den koning ter somma van 500:-rd:s te voldoen; onder te kennen gave /'tgeen mij ook deesen morgen door Aroe Patjiro was gezegt, dog die ik antwoorde dat ik daar meede niet te doen hadde:/ dat hij den Chinees pagter daar omme gevraagd, dog deese geweijgerd hadde te voldaan, ten waare hem zulk door mij bevoolen wierd. waar op ik hem liet weeten, dat ik den pagter daar toe niet konde nog wilde dwingen, te min„ „der het geensints te gelooven was, dat hij daar om zo zeer zoude verlegen weesen, als hij voorgaf, terwijl den pagter mij reetse zijn onvermagen betuijgd hadde, om thans het geld bij den anderen te krijgen, buijten dat mij nog andere redenen weder hielden, en ik niet vinden konde„ hoe hij tot den ontfangst van die penningen gequali„ „ficeerd was. Hier na liet mij de koninginne van Tanette en ook den Datoe of Poenliepoe E: van sopping kennisse geeven, dat zij heden morgen alhier waeren g'arriveerd, voor welke Communicatie ik d'een en ander hebbe doen bedanken. Dingsdag den 6„e Den geweesen Pongauwa Lacasie zo wel accet bij mij, verleend, ookaan den gem: hebbende laeten versoeken als de koninginne van Tanette, Zo.
English
29 1697 Soping Visit of the Queen of Tanette. To live in the Malay Kampong. I accordingly granted the same to Her Highness for tomorrow morning between seven and eight o'clock, and to the other around noon. Furthermore, I sent compliments to Datoe Poenliepoe of Sopping on his arrival and made known to him that I hope to meet him shortly. However, when the messenger returned, I received a report that he had been unable to speak with him, as he had been at the house of the deceased King of Bonij. On that account, I ordered him to go to him again tomorrow morning. Around eight o'clock, the Queen of Tanette appeared before me on Wednesday the 7th. She seemed to have nothing else to say than to request that I would permit her in the future to go live once again in the Kampong of the Malays, as before, instead of in that of the Bugis, where she declared she could not consider herself safe enough due to the decease of the King of Bonij and the unruly behavior of his children, who, divided into several factions, roamed about everywhere with armed people. Which I granted to Her Highness, granted to her to live in the Malay Kampong, provided that she took up residence either with the Captain of the Malays or with Lieutenant Intje Jadulla, making it known: And conferred about the state of her realm, lands, and subjects, and about her children. making it known that otherwise no houses could be placed there, and especially not along the beach side, where all large dwellings, even those that had belonged to the King of Bonij, had been torn down to prevent accidents or fire. After which, having spoken with her about some other matters, especially concerning the situation of Bonij, she made known her intention to make a journey to Tanette again shortly, as the paddy harvesting was at hand, and to take her son Magoesila with her to prevent disagreements between him and the Bonij princes, and to give no appearance of his taking part in their mutual disputes. Whereupon I replied to Her Highness that I did not find her intention amiss so far, but that I feared difficulties between Magoesila and his brother Aroe Pantjana if, upon her return, she were to leave the former there; whilst I further spoke to her in the most serious terms about the bad conduct of the other, and in the strongest words placed before her eyes the harmful consequences that had already arisen # 1099 from the flight of a multitude of subjects and would undoubtedly develop further if she did not effectively stop him in his unlawful conduct, extortions, and acts of violence, as well as ensure that the offended parties obtained satisfaction; adding that the entire Realm otherwise ran the risk of being ruined and she herself had nothing to expect but her total ruin; that I therefore had to advise her rather to give the authority to Magoesila, along with the other dignitaries of the Realm, and to warn him earnestly to behave well, as well as to forbid the other from opposing his brother and the other dignitaries of the Realm, with orders and commands to the same to prevent all unlawful actions of that prince, if necessary by force. Whilst at the same time I requested her to be assured that this advice and admonition of mine sprang solely from a sincere desire for the welfare of the Realm and her personal interest and that of her family, toward which the Company always bore a special affection. Yet, although one could well notice that this princess was not at all pleased about this, she nevertheless declared herself convinced of the good intention, promising Pleasure concerning this. Daing Maziki expresses her [illegible] said will fulfill. The former Pongauwa promised the Company's protection. to fulfill what she had said. After she had taken her leave and departed, her Captain Daing Maziki, who was in her retinue, came to me, expressing that he was exceedingly glad that I had so earnestly and emphatically told Her Highness the truth and given her good advice, and that he hoped that this might have a good outcome. Subsequently, the former Pongauwa Lacasie, alias Poeana Latauri, likewise came to me, who stated that he had come primarily to request the Company's protection once again, and that I would keep him favorably in mind, without however elaborating further on the latter. Wherefore, having promised him the former, I promised him with respect to the other to do him as much favor as would be possible for me according to the circumstances of the times, for all of which he expressed his gratitude under assurance of his sincere inclination toward the Company, in which he placed his trust alone, just as his late father had always done and had also commanded him. Whilst.
Dutch transcription
29 1697 soping visite van de koningin van Tanette. „ malijdse Campong te woonen zo hebbe ik het zelve aan Haar Hoogheijd g'accordeert tegens morgen ochtend ten seven â agt uuren en aan den anderen tegen de middag Voorts hebbe ik den Poenliepoe E: van Sopping met zijn Complirent aan Datoe arrivement vergelucken en te kennen doen geeven, dat ik hem eerlange koop te t'ontmoeten, dog den zendeling te rug komende ontfing ik rapport dat hij denzelven, als op het huijs van den overleeden koning van Bonij geweest zijnde, niet hadde kunnen te spreeken krijgen. weshalven ik hem gelast hebbe, om morgen ochtend weder na den selven te gaan. verscheen tegens agt uuren bij mij de koninginne van woensdag den 7=e Tanette, die niets anders te zeggen scheen te hebben dan te versoeken dat ik haar voor het vervolg permit„ „teeren wilde, om weeder gelijk bevoorens in de Campong der Maleijers te gaan woonen, in steede van in die der Bougineesen, alwaar zij betuijgde zig niet veijlig ge„ „noeg te kunnen achten, mits het afsterven van den koning van Bonij en het onbandig gedrag zijner kinderen, die in verscheijde parthijen verdeeld over al met ge„ haar g'accordeert in de „wapend volk rond sworven, 't welk ik haar Hoogheijd accordeerde, voor zo verre dat zij of bij den Capitain der Maleijers van wel bij den Licuitenant Jntje jadulla, kwam intrek te neemen, onder te kennen gave: En onderhouden over den toestand van haar rijk, landen en onderdanen. en over haare kinderen. gave dat 'er anders geen huijsen konde geplaatst worden, en voor al niet aan de strand kant, alwaar alle groote woo„ „ningen, zelfs die den koning van Bonij hadden toebehoord, waaren afgebrooken, ter voorkoming van ongelucken of wel brand. waar na ik met haar, nog over eenige andere zaeken gesproken hebbende, bijsondere betreckelijk tot den toestand van Bonij, zo gaf zij te kennen voorneemens te weesen eerlange weeder een kier na Tanette te zullen doen, also het padij snijden op handen was, en haar zoon Magoesila te willen meede neemen, ter voorkoming van oneenigheden tusschen den selven en de Bonijse princen, en om geen schijn te geeven, dat hij in haare onderlinge twisten deel nam, waar op ik haar Hoog„ „heijd te gemoet voerde, dat ik haare intentie in zo verre niet kwalijk vond, dog dat ik bedugt was voor moeijelijk„ „heden tusschen Magoesila en zijn broeder Aroe Pantjana, wanneer zij te rug keerende, den eerste aldaar mogte laeten verblijven, terwijl ik haar wij„ „ders op het aller ernstigste over het sligt gedrag van den anderen onderhield en in de kragtigste bewoordigingen voor oogen stelde de nadeelige gevolgen die daar uijt reets door # 1099 door het verloopen van een meenigte onderdaenen, waa„ „ren en ongetwijffeld nog verder zouden ontstaan, bij aldien zij hem in zijn ong'oorlooft gedaag, knevelarijen en ge„ weldenarijen niet kragtdadig kwam te sluijten, mitsga„ „ders te zorgen dat de beledigde voldoening erlangden, met bij voeging dat het geheele Rijk anders gevaar liep te gron„ „de te gaan en zij zelfs niets te wagten hadde, dan haare totaele ruine dat ik haar dierhalven raaden moeste om Magoesila liever het gezag te geeven, nevens de overige Rijksgrooten en den zelven ernstig te waarschuwen; zig wel te gedragen, mitsgaders den anderen te verbieden, om zig tegen zijnen broeder en de andere Rijksgrooten t' opposeeren, met bevel en ordre aan deselve om alle ong'oorloofde gedoentens van dien prins, des noods met geweld te beletten: terwijl ik haar te gelijk verzogt verzeekert te weezen, dat deese mijne raad en vermaening alleen voorspruyjtende was, uijt een oprechte zucht voor den welstand van het Rijk en haar personeel belang en dat van haare famille, welke de maatschappij steeds een bijsondere genegentheijd was toedragende, dan of schoon men wel merken konde, dat die vorstin hier over maar gantsch niet voldaan was, zo betuijgde zij nogthans van de goede intentie overreed te weesen, beloovende het. genoegen dientwegen. Dain Maziki betuijgd het haar gezegde te zullen nakomen. de gew: Pongauwa sComp:s protectie toe„ „gezegt. waar na zij haar afscheijd genomen hebbende, en ver„ „trocken zijnde, zo vervoegde zig haaren Capitain Daing Maziki /:welke onder haar gevolg was / bij mij, betuijgende dat hij ten hoogsten verheugd was, dat ik Haar Hoogheijd zo ernstig en nadruckelijk de waarheijd gezegt en ten goede geraeden hadde, mitsgaders dat hij hoo„ „pen wilde / dat zulks van een goed succes zoude mogen zijn vervolgens kwam den geweesen Pongauwa Lacasie /:alias:/ Poeana Latauri insgelijk bij mij, den welken betuijgde voornamentlijk gekomen te weesen om nogmaals 's Comp„s protectie te versoeken en dat ik hem, in gunste wilde gedagtig zijn, zonder sig nogthans over het laatste breeder uijt te laeten, weshalven ik hem het eerste toegezigt hebbende, hem ten opzigter van het andere beloofde zo veel plaisier te doen, als mij nade omstan„ „digheeden van tijden mogelijk zoude zijn, voor welk een en ander hij zijne dankbaarheijd betuijgde onder verzeekering van zijne opregte geneijgdheijd tot de Comp„e op dewelke hij alleen zijn vertrouwen stelde, zo als wijlen zijn vader altoos gedaan en hem ook bevolen hadde Terwijl.
English
Conversation with the same regarding the affairs of Boni, whether the deceased king had recommended his people to the King of Goa for protection. While I furthermore engaged in extensive conversation with him regarding the state of the Realm of Boni, he indicated among other things that nothing was more necessary than that the unrest in the interior lands be stopped as soon as possible, and that his brothers present there, by name of Aroe Paling-orang and Aroe Keera, should be summoned hither in order, if possible, to encourage the subjects who had fled to Wadjo to return, just as he also promised me to urge both the Regent and several other grandees of the realm present here to come to me together with the young king, so that I might have the opportunity to admonish them to that effect. Whereupon, after I asked him what was the matter of and concerning his report regarding the note sent by him on the 5th of this month to the Shahbandar Voll, according to which the late deceased monarch was said to have entrusted his children and grandchildren to the protection of the King of Goa, he testified to have received the same from the secretary at the court, and that it was an extract from the book kept at court concerning occurring matters, in which those words had been recorded as such by order of the Ponggawa Datoe Baringang and Aroe Poure, although there was no one who had heard the same from his late Highness; so that he said he could not believe that he would have expressed himself in such a manner, the less so as the monarch had always and never said anything other than only that he placed his hope and trust in the Company; that he therefore could not understand what intention his brothers might have had with this, but that it was easy to observe that such could signify nothing good, and moreover that he had been informed that the King of Ilck had received an extract or copy thereof. Whereupon he took his leave and departed. The emissary sent this morning to the Datoe of Soping having in the meantime returned, he informed me that that monarch had testified that he would gladly come to me, but the Captain of the Malays informed me at the same time that the same indeed wished that I might receive him incognito, so as not to give cause for suspicion to the Bonians or any of the princes who might easily conceive an evil suspicion when he came to me; while he intended to depart again at the earliest opportunity, having come hither so suddenly that he had had no time to put the necessary order to the affairs in Soping. Whereupon I had him informed to appear this evening at the house of the License Master Voll in order to meet him there; so that I also, having gone thither around half past six, held a lengthy conversation with him, in which he testified that the Realm of Soping was in a most desirable, advantageous situation, but that Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao were committing all kinds of acts of violence, to such an extent that he could no longer bear it; although he at the same time testified that he preferred to suffer everything for the sake of the Company and on account of the advice and admonitions given to him rather than to take revenge for it, with the request nevertheless that I would maintain him, which I promised him, while representing to him that I had already spoken to and admonished his mother, the Queen of Tanette, regarding this, to counteract the doings of those two princes and especially of her son Aroe Pantjana; while I subsequently requested him, in case this should bear no fruit contrary to my wish, but that they should again cause him or his people any molestation, to give me notice thereof immediately in order then to take further measures to prevent them from doing so in the future. On the other hand, he said that matters were in a very bad state in the Bonian interior, so that he had even seen, on the occasion that he had been at Patiro, the petty realm of his son, that most villages were depopulated, the inhabitants having for the most part fled to Wadjo to escape the extortions and acts of violence of the Bonian princes and especially of Aroe Paling-orang, of which he related as an example how that unruly prince had even caused a certain Soping village named Goa Goa to be virtually completely plundered merely because a horse had been stolen with which the thief had fled to the vicinity of that village, although the same had been overtaken there and also put out of the way; while he furthermore indicated that for that reason it would not only be of the utmost necessity that the Bonian grandees of the realm be urged to summon the aforementioned princes hither, whereupon he supposed that the fugitives would indeed return, but also that the court now needed my advice more than ever, with the request therefore that I not withdraw myself from that matter. Furthermore promising me to exert all possible endeavors in order to dispose the collective grandees of the realm to pay me a visit as soon as possible, so as to have the opportunity thereby to place before them everything that would serve for the benefit and best interest of the Realm in this state of affairs. Furthermore.
Dutch transcription
33 1107 discours met den zelven over de zaken van Bonij den overleeden koning de zijne aan den koning van goa ter bescherming aan„ „bevoolen hadde. Terwijl ik voorts met denzelven over den toestand van het Bonijs Rijk breedvoerig in discours geraakt zijnde, zo gaf hij onder anderen te kennen: dat 'er niets noodsackelijker waare dan dat d'onlusten in de binnen landen ten spoedigsten wierden gestuijt en zijne aldaar zijnde broederen met narmen Aroe Paling-orang en Aroe keera, dienden herwaarts ontboden te worden, om des mogelijk de na wadjo gevlugte onderdaanen, tot te rug komst te ani„ „meeren, gelijk hij, mij ook toezegging deed, om zo wel den Rijksbestierder, als eenige anderen hier zijnde Rijks groo„ „ten, aan te zetten om gezamentlijk nevens den Jong koning bij mij te komen ten eijnde ik gelegentheijd mogte hebben, haar daar toe aan te maanen. waar na ik hem gevraagd hebbende, wat 'er was van en over zijn bericht dat het briefje door hem op den 5„e hujus aan den sja band haar voll gezonden, volgens het welke wijlen den overleeden vorst zijne kinderen en kinds kin„ deren, aan de bescherming van den koning van Goa zoude hebben opgedragen, zo betuijgde hij, het selve te hebben gekreegen van den secretaris aan het hof, en dat het een uijttrecksel, uijt het boek dat ten hove, wegens de voorvallende zaeken wierd ge„ „houden, in 't welke die woorden op last van den Pong: Pongauwa Datoe Baringang en Aroe Poure zodanig waeren aangeteekend, schoon 'er niemand was, die deselve uijt wijlen zijn Hoogheijd hadde gehoord;, in voegen hij zeijde niet te kunnen gelooven, dat den zelven zig indier voe„ „gen zoude hebben uijtgelaeten, te minder den vorst al„ „toos en nooijt iet wes anders gezegt hadde, dan alleen dat hij zijne hoope en vertrouwen op de Comp:e was stellende dat hij dierhalven niet begrijpen konde, wat inzigt zijne broederen daar meede mogte hebben gehad, maar dat het ligt te merken was, dat zulks niets goeds beduijden konde, mitsgaders dat hij g'informeert wat dat den koning van Jlck: een Extract of afschrift daar van hadde gekreegen. waar na denzelven zijn afscheijd nam, en vertrok de zendeling deesen morgen na den Datoea van soping gezonden, intusschen te rug gikeerd weesende, zo berigte mij denzelven dat dien vorst betuijgd hadde, gaarne bij mij te willen komen, dog den Capitain der Maleijers, gaf mij teffens te kennen dat den zelven wel wenschte dat ik hem in Cognito mogte ontfangen om geen oog te geeven aan de Boniers of wel eenige van de Plincen die lichtelijk kwaad. 65. 1102 soping hem mainctenu toegelegt omtrent Aroe Pantjana. kwaad vermoeden zoude op vatten, wanneer hij bij mij kwam: terwijl hij voorneemens was, om met den eersten weder te ver„ „trecken, als zo subit herwaarts gekomen weesende dat hij geen tijd gehad hadde, de nodige ordre te stellen op de zaeken in so„ „ping, waar op ik hem hebbe laeten werten, om deesen avond ten huijse van den Licentmeester voll te verscheijnen, ten Conferentie met Datoe einde hem daar t' ontmoeten invoegen ik ook aldaar tegens half seven uuren gegaan zijnde, met denzelven en langwijlig discours gehouden hebben in het welke hij betuijgde dat het so„ toestand van dat Rijk „pingse rijk, in eene aller gewanschte voordeelige situatie was, dog dat Aroe Pantjana en Aroe Pao Pao allerleij geweldenarijen bedreeven, dermaten dat hij het onmogelijk langer konde verdragen; schoon hij teffens betuijgde alles om 'sComp:s wille en uijt hoofde van de hem gegeevene raad en vermaeningen liever te willen souffreeren dan daar over revengie te neemen met versoek nogthans dat ik hem wilde maintineeren, 't geen ik hem beloofde, onder voorhou„ „ding dat ik zijne moeder de koninginne van Tanette reets daar over gesprooken en vermaand hadde om de ge„ „doentens van die twee princen en voornamentlijk van haaren zoon Aroe Pantjana tegen te gaan, terwijl ik hem vervolgens verzogt om Jngevalle zulks tegen mijn wensch van geen vrugt mogte zijn, maar deselve hem of de zijne weeder eenig molest kwamen aan te doen, mij daar van ten eersten kennisse te geeven ten eijnde als dan nadere maat regulen te neemen om haar sulks voor het ver„ volg te beletten. Daar zijn verhaal nopens de toestand van Bonij „koming van verder onheijl diende gedaan. mitsgaders belofte om daar toe het zij in te doen. Daar en tegen zeijde hij, dat het in de Bonijse binnen Lan„ „den zeer slegt gesteld was, invoegen hij zelfs gezien hadde, ter gelegentheijd dat hij waare geweest op Patiro /: het Rijkje van zijn zoon :/ aldo de meeste negorijen ontvolkt waeren, de Jnwoonderen meerendeels na wadjo gevlugt weesende, om de extorsien en geweldenarijen te ontgaan van de Bouijse Princen en insonderheijd van Aroe Paling orang, waar van hij tot een staaltje verhaalde hoe dien onbandige prins zelfs zeekere sopingse negorij met naeme goa goa genoegsaam geheel en al hadde doen plunderen eenlijk om dat 'er een paard gestolen was, waar meede de dief tot omtrend die negorij waa„ „re gevlugt, schoon denzelven aldaar agterhaald en ook en gedagten wat tot voor, van kant geholpen was, terwijl hij voorts te kennen gaf, dat het uijt dien hoofde niet alleen ten uijtersten noodsal„ „kelijk zoude weezen, dat de Bonijse Rijks grooten wierden aangezet om de voorn: princen herwaarts t' ontbieden, wanneer hij vermeende dat de vlugtelingen wel zoude te rug keeren, maar ook dat het hof mijnen raad thans meer dan ooijt nodig hadde, met versoek dierhalven om mij die zaak niet t'onttrecken. mij voorts beloovende om alle mogelijke devoiren aan te wenden, ten eijnde de gezament„ „lijke Rijksgrooten te disponeeren, om mij ten spoedigsten een visite te geeven, om daar door gelegentheijd te hebben, deselve alles voor te houden wat ten nutte en beste van het Rijk in deese gesteldheijd van zaeken zoude strecken. voorts.
English
Offered to the aforesaid Datoe. Conferred: my advice regarding that. Discourse on getting the Bone inland princes into the interior. Thursday the 8th. Pongauwa Datoe Baringang had been offered the banner formerly presented by the Company to the late king of Bonij as Datoe of Soping, with a request to know whether he should accept the same and how he ought to conduct himself in that regard, as he had declared nothing concerning it. Whereupon I presented to him that the acceptance thereof did not seem advisable to me, but that it would be best to decline it and tell Datoe Baringang to bring the said banner to the Company, which advice he declared to be entirely to his liking, promising to comply with the same. Finally he informed me that his intention was to return to Soping within two or three days to set his affairs in order, but that he hoped to return before the end of the one hundred days of mourning over the death of the king of Bonij to fetch his wife, who would remain here in the meantime, and that he would then not fail to pay his respects to me further, after which he took his leave and departed. The chief interpreter reported to me how he had been told by the Matoua of the Wajo people in the Bugis Campang that the Pongauwa Datoe Baringang had been in discourse with some of the grandees of the realm concerning the present state of the realm of Bonij, and that among other things they had spoken about the means that ought to be employed to get Aroe Palingorang out of the inland regions, but that they had arrived at no decision. Furthermore, he indicated regarding the banner offered to him, no disturbances feared. Friday the 9th. Gunpowder embezzled from the armoury of the king of Bonij. Writing from the former Pongauwa concerning the affairs of Bonij. The grandees have promised to come to me. A pass granted to Lacasie for fetching rice. That he, the Matoua, had otherwise said he feared no disturbances between the Bone princes present here, except in so far as they might rob or do away with one another's personal retainers on an individual basis. It was reported to me by a confidant that the Pongauwa Datoe Baringang, during the illness of the king of Bonij or on the very night of his decease, had secretly caused almost all the gunpowder to be taken away and removed from the prince's armoury in the Bugis Campong, so that the same was almost empty, although two sentinels nevertheless remained on guard there to conceal his actions. Furthermore, a writing from the former Pongauwa Lacasie, addressed to the License Master Voll, was handed to me by the Captain of the Malays, the translation of which is to be found among the annexes, while that official informed me on behalf of Datoe Soping that the latter had urged the principal grandees of Bonij to pay me a visit, and that this had been promised by them. Further, in accordance with the request of the Bone Pongauwa, I caused a pass to be issued to him for fetching a small quantity of old rice and paddy from the northern province of Sagerij. Saturday the 10th. Concerning the complaints of some Macassars to the... Sunday the 11th. Lodge a complaint with the king of Goa, who offers satisfaction, though not complete. The chief interpreter reported to me that a complaint had been made to him by an emissary of Craleng Ana Baing and the glarrang regarding the acts of violence committed by the Macassars of the village of Parree, who, pretending to have orders thereto from the shahbandar of Goa, had cut bamboos within their boundary limits, namely on Mount Goling Lompo, and thus on the Company's territory, without wishing to listen to the remonstrance made to them that this was not permitted to happen. I ordered the said chief interpreter to complain about this tomorrow to the king of Goa and to request that he immediately forbid those unlawful doings, or else I would be forced to prevent the same by force. The chief interpreter Brugman, having been to the king of Goa this morning, related his experiences to me, stating that the said prince had declared that he had already been informed of what had occurred by the glarrang of Parree, and likewise by his grandees that Mount Goling Lompo lay within the Company's limits; that he would therefore forbid his people from cutting there again in the future, as had happened through the ignorance of the said glarrang, he having been in that office only a short time; to whom he would subsequently have the boundaries pointed out, and that he would correct the subjects by taking away from them the cut bamboos.
Dutch transcription
37 1105 „boden aan den voorgen: Datoe geschonken: mijn raad dientwegen. Donderdag den 8=e discours aan het Bonijs binnen landen te krijgen. Pongauwa Datoe Baringang was aangeboden, het vendel wel eer door de Comp„e aan den overleeden koning van Bonij, als Datoe van soping vereerd, met versoek om te mogen weeten of hij het zelve accepteeren, aan wel hoedanig zig daar omtrend gedragen zoude, als hebbende daar op niets gedeclareert; waar op ik hem voorhield dat de acceptatie van dien wij net ge„ „raeden voorkwam, maar het best zoude weesen, om het zelve t' ontleggen en Datoe Baringang te zeggen om het gem: vendel bij dE Comp„e te brengen, welken raad hij betuijgde volkomen na zijn zin te zijn, beloovende het zelve te zullen nakomen Eijndelijk berichte hij mij, dat zijn voorneemen was binnen ijzal weeder vertrecken twee â drie dagen te rug te keeren, na soping, om ordre op zijne zaeken te stellen dog dat hij voor het eijndigen van de hon„ „derd rouw dagen over het afsterven van den koning van Bo„ „nij, hoopte weeder te komen om zijn vrouw, die inmid„ „dens hier zoude blijven, aftehaelen en dat hij dan niet manqueeren zoude om mij nader te komen opwagten, waar na hij zijn afscheijd nam en vertrok Berigte mij den oppertolk hoe hem door den Matoua der wadjoreesen in de Boegineese Campang was verhaald, hof omde princen in de dat den Pongauwa Datoe Baringang met eenige der Rijksgrooten in discours geweest zijnde, over de tegen„ „woordige toestand van het Bonijs Rijk 'er onder anderen gesprooken was, over de middelen die in het werk zoude voorts gaf hij nog te kennen hoe hem door den presenten hem wat het vendel aange„ dienen. geen onlusten gevreest. vrijdag den 9„e kruijt uijt het luyghuijs van Bonijs koning ver„ „duijstert geschrift van den gew: 1 Pongauwa rakende de Zaken van Bonij „zagt mijte zullen komen. een paster afhaal van rijst verleenrd aan Lacasie dienen te worden gesteld om Aroe Palingorang uijt de binnen Landen te krijgen, dog dat zij tot geen besluijt gekomen waaren. tussen de hier zijnde werden Dat hij Matoua voor 't overige gezegt hadde, voor geen onlusten tusschen de hier zijnde bonijse Princen te vreesen, dan voor zo verre zij elkanders lijf volkeren bij een enkelden mogten ontrooven of van kant doen helpen. wierd mij door een vertrouwde gerapporteerd dat den Pon„ „gauwa Datoe Baringang, geduurende de ziekte van de koning van Bonij of wel denzelven nagt van zijn over„ „lijden genoegsaam al het buskruijt uijt 's vorsten tuijghuijs, in de Boegineese Campong, in stelte hadde doen weg haelen en vervoeren, zo dat het zelve bij kans ledig was schoon 'er des niet te min twee schildwagten, bij bleeven waa„ „ken, om zijn gedoente te verbergen. voorts wierd mij door den Capitain der Maleijers in han„ „digt ean geschrift van den geweesen Pongauwa Lacasie, aan den Licentmeester voll gerigt welker translaat bij de bijlagen is te vinden terwijl dien bedeende mij uijt naam de lijksgooten hebben ge„ van Datoe soping berichtede, hoe deesen de voornaemste Rijksgrooten van Bonij, hadde aangemaand, om mij een visite te geeven en dat zulks door dezelve was toegezegt. wijders hebbe ik Conform het versoek van den Bonijse zon„ „gauwa, een pas aan den zelven laeten afgeeven ter afhaal van een weijnig oude rijst en Padij van de noorder Provintie sagerij, verte 39 1107 zaturdag den 10„e over de klagten van eenige macassaeren aan d' on„ Zondag den 11=e bij den koning van Goa dog niet volkomen Rapporteerde mij den oppertolk, dat hem door een sendeling van Craleng Ana Baing en den glarrang geklaagd was, over de feijtelijkheeden door de Macassaeren van de negorij Parree, die onder voorgeeven van der dinen ordre daar toe van den sjabandhaar van Goa te hebben Bam„ „boesen hadden gekapt, binnen kunnen limiet scheijdingen of wel op het gebergte Goling Lompo, en dus op 'tCompagnies territoir sonder te willen luijsteren na het aan deselve gedaene vertoog dat zulks niet geschieden mogte Jk hebbe den gem: oppertolk gelast, om daar over morgen bij den koning van Goa te doleeren en te versoeken dat denzelven dat ong'oorloofde gedoente ten eersten wilde verbieden of dat ik anders genoodsaakt zoude zijn, het zelve met geweld te beletten. D' oppertolk Brugman, deesen morgen bij den koning van goa geweest zijnde, relateerde mij voor zijn weder vaeren, doen doleeren. dat gemelde vorst betuijgd hadde, van het gepasseerde door glarrang Parree reets onderrigt te weesen, en zo meede door die wel satisfactie aanbied zijne Rijks grooten dat het gebergte Goling Lompo binnen 'sComp„s Limieten lag, dat hij dierhalven voor het vervolg de zijne zoude verbieden, om daar weeder te kappen, zo als door onkunde van gemelde glarrang„ als maar kort in die functie zijnde, was geschied, wien hij vervolgens de limieten zoude laeten aanwijsen en de onderdaenen Corrigeeren, door haar de gekapte bam„ „boesen afteneemen op.
English
He declared himself very pleased to stand on good terms with the Company. One thousand Spanish rixdollars promised on loan to the Sumbawan envoys. Whereupon I pointed out to Brugman how he ought not to have been satisfied with the latter, but that the King according to the laws was obliged to sentence the guilty parties to a fine and to offer the same to the Company as satisfaction, and subsequently gave orders to represent this to the prince at a further opportunity; the matter being of too little importance to send someone to him again about it immediately. Furthermore, Brugman reported to us that His Highness, having asked him how matters were currently situated at the court of Boni, upon his declaration that he could say nothing about it, had added that he was very pleased to live in good friendship and unity with the Governor. The present Sumbawan envoys again requested access, which I granted for tomorrow before noon. Monday the 12th. The same having appeared around half past ten o'clock, they requested in the most pressing manner that they might nevertheless be assisted with a portion of the 3000 Spanish rd:s requested on loan by the King and grandees of the realm, as they found themselves in the utmost inconvenience, having already purchased some goods and among others from the Chinese junk-men, in the firm trust that the Company would have refused them money as little as before, to be paid in sappanwood. But since I was convinced of the truth of what was stated, and it would not be very proper not to assist them in some way, I promised them one thousand Spanish [rixdollars], subject to the favorable approval of Their High Nobles, against the execution of a proper bond; for which having given thanks, they took their leave. After this, the grandees of Boni sent to request access to me for the day after tomorrow to bring in the young King, which I granted for around nine o'clock in the forenoon. Tuesday the 13th. In accordance with his request, I granted a pass to the former Pongauwa Lacasie to have some baskets of old rice fetched from the province of Sagerij. Wednesday the 14th. The young King of Boni having appeared before me this morning, together with the Regent and foremost court grandees, as well as a large number of princes, the second Tomilalang, Aroe Oedjong, declared in the name of them all: that, in accordance with the will and desire of the deceased prince, having appointed the first-mentioned as their King, they had now come to communicate this to me, with the request that the same might be acknowledged and accepted as such by the Company, as well as that I might provisionally give notice of this to Their High Nobles, as they intended to do as soon as possible through an embassy, which, however, could not take place before the coming year. After which he recommended the King and their persons, together with the realm, into the Company's friendship and protection, indicating that their hope and trust would remain fixed solely upon Your Honors' good favor. Having answered both points in appropriate terms, with the promise that I would report the decease of the late King and the appointment of his successor to Their High Nobles in their name, I then, after a preliminary compliment regarding the failure to follow the usual custom of treating at such an occasion of no other matters than those for which they themselves had come, had the License Master Voll point out to them in the most emphatic terms how the present poor state of the realm, principally in the interior through the desertion and flight to Wadjo of a considerable number of subjects, required a speedy redress before affairs might come to an extreme, therefore admonishing them to devise means for this with one another as soon as possible, with the promise of gladly assisting them with word and deed. Yet, whatever I did, I could gain no more from them than that they promised to deliberate upon it as soon as the days of mourning were over, as they gave no satisfactory answer to my repeatedly made reiteration that the matter was of too much weight to be postponed; wherewith I had to content myself. After having spoken further with them about some matters of no importance, they took their leave. Thursday the 15th. Nothing occurred. Friday the 16th. The Queen of Tanette sent to request a pass from me for the fetching of a little rice and paddy from Sagerij, and further to communicate that she was about to depart this afternoon for Tanette together with her son Magoesila and his wife. The former I granted, and for the latter I had my thanks expressed, wishing them a safe journey. Saturday the 17th. The King of Boni sent to offer me for perusal the letter from the King and grandees of Sumbawa, written to the late deceased prince by the present envoys of Sumbawa.
Dutch transcription
„den worden hij betuijgd zeer verblijd te zijn met de Comp:e wel te stoan. sumbauwase gezanten haar duijsend ad=s spaans ter leen toegezegt. sal daar ven aeder onderlen, op 't welk ik Brugman voorhoudende hoe hij zig met het laaste niet hadde behooren te vergenoegen, maar dat den koning volgens de wetten, verpligt was de schuldigen in een boete te Condemnee„ „ren en deselve tot een satisfactie de Comp„e aan te bieden, vervol„ „gens last gaf, den vorst zulks bij nader gelegentheijd voor te houden: de zaak van te weijnig importantie zijnde, om daar over weeder ten eersten bij den zelven te zenden. Voorts bereete wij Brugman nog dat zijn Hoogheijd hen ge„ „vraagd hebbende, hoedanig het thans aan het Bonijs hof gesteld waare, op zijne te kennen gave: daar omtrend niets te kun„ „nen zeggen, 'er hadde bij gevoegd dat hij zeer verblijd was met den gouverneur in een goede vriendschap en eenigheijd te leeven alles geaccordeert aande Lieten d' aanweesende sumbauwase gezanten alweeder acces versoeken 't welk ik accordeerde tegen morgen voor de middag. Maandag den 12=e Dezelve tegens half elf uuren verscheenen weesende, zo ver„ zogten zij op het aller instandigste, om tog met een gedeelte van de door den koning en Rijksgrooten ter leen gevraagde 3000: rd=s spaans g'assisteerd te mogen worden, alzo zij zig en d'uijterste ongelegentheijd bevonden, als hebbende reets eenige goederen en onder anderen van de Chineese Jonklie„ „den ingekogt, in vast vertrouwen, dat de Comp:e zo min„ als bevoorens geweijgert zoude hebben, hun geld te verleenen, e om in sappanhout voldaan te worden, dan vermits ik van de 41 1109 „ken acces. de Bonijse gesamentlijke met de koning Communiceeren den loos„ „tens verkiesing. aan Haar Hoog Edel„ de waarheijd van het geposeerde overtuijgd was, en het niet wel voeglijk zoude zijn, haar niet eenigsints te helpen, hebbe ik haar Een duijsend spaans op de gunstige approbatie Haarer Hoog Edelhedens toegezegt, om daar een behoorlijke obligatie te passeeren, waar voor zij bedankt hebbende, zo namen zij hem afscheijd. Hier na lieten de Rijksgrooten van Bonij acces bij mij vragen „ de Bonijse groten versoe„ tegen over morgen om den Jongen koning binnen te brengen, 't welk ik tegen negen uuren des voor de middags g'accordeerd hebben Aan den geweesen Pongauwa Lacasie, hebbe ik Conform Dingsdag Den 13„e aan Lacasie een paster zijn versoek een pasje verleend om eenige blasjes oude rijst afhaal van rijst verleend: van de Provintie Sagerij te laeten afhaelen De Jonge Koning van Bonij nevens den Rijksbestierder woensdag Den 14„e en voornaamste hofsgrooten mitsgaders een groot getal rijksgrooten komen bij mij princen, deesen morgen bij mij verscheenen zijnde, gaf den tweeden Tomilalang Aroe oedjong, uijt hun aller naam, te kennen: dat zij den eerstgemelde, over een komstig de wille en begierte van den overheeden vorst, tot hunnen koning be„ „noemt hebbende, nu gekomen waaren, om mij zulks te Communiceeren, met versoek dat den zelven als zoda„ „nig bij de Compagnie erkend en aangenomen mogte worden met versoek daar van mitsgaders dat ik daar van bij provisie van Haar Hoog Edelhedens, heedens kennisse te geven. kennisse. hunne betuijging hun over den toestand den zaken in de binnen landen onderhouden. en vermaand middelen van oedres in het werk te stellen. kennisse wilde geeven, gelijk zij voorneemens waaren zo spoe„ „dig mogelijk te doen door een gezandschap dat egter niet voor het aanstaande Jaar zoude kunnen geschieden. waarna hij den koning en hunne persoonen nevens het Rijk in 'sComp„s vriendschap en bescherming recommandeerde, onder te kennen gave, dat hunne hoope en vertrou„ „wen alleen op haar Edele goede geneygdheid gevestigt zoude blijven. op het een en ander in gepaste termen hebbende gantwoord met belofte dat ik het ontslapen van wijlen den koning en de benoeming van desselfs successeur aan Haar Hoog Edel„ „hedens uijt haar naam zoude berigten, zo liet ik haar, onder een voor afgaand Compliment over het niet op volgen van het gewoone gebruijk om bij een gele„ „gentheid, als deese, over geen andere zaeken te handelen, dan waarom zij zelfs waeren gekomen, door den Licentmeester voll in d' aller nadauckelijkste bewoor„ „dingen voorhouden hoe de tegenwoordige slegte gesteld„ „heijd van het Rijk voornamentlijk in de binnen Lan„ „den door het uijtwijken in de genomene vlugt naar wadjo van een Considerabel gital onderhoorige een spoedig redres vereijschte eer de zaeken tot het. 43 1411 de koningen van Tanette staat na haar rijs te vertrecken. brieven van en na sum„ van Bonij mij toegesonden. het uijterste mogten komen, haar dierhalven doende ver„ „maenen om ten spoedigsten met elkanderen middelen daar toe te beraemen met toekegging van hun met raad en daad gaarne te zullen assisteeren. Dan wat ik deed konde ik niet meer op hun winnen, hunne belofte dan dat zij beloofden daar over te zullen zitten, zo dra de rouw dagen zouden voor bij weesen, also zij op mijne meermaal gedaene herhaeling dat de zaak van te veel gewigt was, om uijtgesteld te worden, geen voldoend ant„ „woord gaven, des ik mij daer meede hebbe moeten vergenoegen. waar na nog over eenige zacken van geen belang met deselve gesprooken hebbende, namen zij hun afscheijd niets gepasseerd Liet de konin ginne van Tanitte mij om een pasver „ vrijdag „ 16„e soeken ter afhaal van een weijnig Rijst en Padij van sagerij en voorts Communiceeren dat zij deesen middag nevens haar zoon Magoesila en zijn vrouw na Tanette stond te vertrecken, het eerste hebbe ik g'accordeerd en voor het laatste laeten bedanken, onder toewensching van een behouden reijse. Liet den koning van Bonij, mij ter lecture aanbieden zaturdag den 17=e de brief van de koning en Rijks grooten van Sumbauwa, bauwa door den koning voorwijlen den overleeden vorst door d' aanweesende gezanten Donderdag en 15„e van. - ..
English
Sunday the 18th Nothing occurred. Monday the 19th I returned the two letters mentioned under the day before yesterday to the King of Bonij, with a complimentary greeting, for which he sent me his thanks. Furthermore, I dispatched home the envoys from Sumbauwa present here, who appeared before me to take their leave, and handed them a letter for their king and grandees of the realm, alongside one for the Bima Commandant Lecerf. These having departed thereupon, the King of Bonij had an audience requested for the second Tomilalang, which was granted for five o’clock this afternoon. The same having appeared at the appointed time, bringing along the envoy who about a year ago, at my request, was sent to Loewoe by the late deceased king to demand from the Datoe the goods left behind there by a certain murdered Chinese, and likewise that the murderer, also being a Chinese, might be seized and handed over to the envoy for conveyance hither, in order to receive his deserved punishment here. Regarding which he, the Tomilalang, just as the envoy, testified that the goods as well as the murderer had indeed been handed over to him by Datoe Loewoe, but that having fallen severely ill on his journey hither, that murderer had managed to escape and take the goods along. The Tomilalang further asking in the ruler’s name how I desired to have this matter handled, then, since it appeared from many circumstances that this pretext was far from the truth, the more so because staying out for a year to Loewoe, which journey can well be made in three weeks, makes that envoy very suspect, I merely let His Highness know that it was entirely up to him to correct the same for his negligence, as there was nothing for me to do in this matter, though it was nevertheless unpleasant to see the orders of the late deceased ruler so poorly executed. Tuesday the 20th A letter was brought to me from the Datoe by the Captain of the Malays, accompanied by an envoy from Soping, giving to know that the said ruler had sent the mentioned servant to him, the Captain, to inquire whether I would take it amiss if he, the Datoe, were to make a journey to Mandhaar or to Madjene to ascertain the intention of the grandees or of the Maradia concerning the compensation demanded by the Company for the bark De Vrijheijd, which he well knew had remained in arrears solely through the doing of the late King of Bonij, against the inclination of the Mandharese. Whereupon I ordered the Captain to let him know by a short letter, as quietly as possible, that his intention served to me as a proof of his good inclination toward the Company, and that I therefore requested him to put the same into effect, as well as to inform me of the outcome as soon as possible. Wednesday the 21st Nothing occurred. Thursday the 22nd I dispatched such a letter to the Queen of Tanette as is to be found among the enclosures. Friday the 23rd Upon the complaint made by the Peranakan Chinese Intje Tareo regarding renewed violence committed at Maros by the Bonij Prince Daing Mandjaroengie, who had caused one of his female slaves with her two children to be abducted by force from his land Camanjang under the absurd pretext that she belonged to him, having lodged a grievance with the King and grandees of the realm over that scoundrel, with the notification that if no satisfaction or at least the prompt return of that female slave were given in this matter, I would secure justice for myself, the chief interpreter reported to me that the Regent of the realm and the Regent Aroe Poure had undertaken to send an envoy to Maros to reclaim the said female slave, whom they testified they well knew belonged to Intje Tareo, and that they would send me an answer. Furthermore, the chief interpreter Brugman departed for Glissong to conduct the customary census, both there and at Poelembankeeng. Saturday the 24th The Peranakan Chinese Intje Tarco having lodged a further complaint with me about Daing Mandjaroengie, who, not content with abducting his female slave mentioned under yesterday’s date, had caused yet another serf and various goods to be robbed from his land Camanjan, requesting to proceed thither himself and a letter of recommendation to the Resident Van Rossum in order to assist him in recovering his property, I permitted him the former and, regarding the latter, ordered through the second interpreter Blij to the sergeant and under-interpreter Pietersz.
Dutch transcription
zondag den 18„e Maandag „ 19„e en deselve weder te rug bezogt. gedepecheerd Bonijs tweede tomila„ „lang komt met een sendeling die na Loewoe was geweest. op t' eijsschen van laast gem: Rijk alhier aangebragt, met het Concept van het daar op aftezendene antwoord, waar voor ik zijn Hoogheijd hebbe laeten bedanken; met bijvoeging, dat ik het een en ander na lecture te rug zoude zonden. Niets voorgevallen Hebbe ik de twee brieven vermeld sub eergisteren onder een Com„ „pliment van begroeting aan den koning van Bonij terug gezonden, die mij daar voor liet bedanken. de sumbauwase gezant voorts hebbe ik d' aanweesende gezanten van sumbauwa ter erlanging van afscheijd hij mij verscheenen, na huijs gedepesheerd en hun overhandigt een brief voor hunnen koning en rijks groo„ „ten nevens een aan den bimas Commandant Lecerf: deselve hier op vertrocken weesende zo liet den koning van Bonij, acces versoeken, voor den tweeden Tomilalang het geen tegen deesen namiddag ten vijf uuren g'accordeerd hebbe Den selven ter bestemder tijd verscheenen zijnde, meede bren„ gende de sendeling die voor omtrend een Jaar geleeden, door wijlen den overleeden koning, op mijn versoek, naar Loewoe was gezonden om van den Datoe op te eijschen de aldaar agter om zeekeren moordenaar gelatene goederen van zeekeren vermoorden Chinees en zo meede dat den moordenaar, zijnde meede een Chinees opgevat en aan den sendeling ter overbreng na herwaarts mogte inhandigd worden ten eijnde alhier zijn. 45 1543 zijn verdiende straffe t' erlangen die wel overgegeven dog ontvlugt was. Datoe soping bied aan na mand haar te gaan waar omtrend hij Tomilalang even als den sendeling betuijgde dat hem de goederen zo wel als den moord maar door Datoe Loewoe overgegeeven waaren, dog dat hij op zijn herwaarts reijse zwaar ziek geworden zijnde, dien moordenaar hadde weeten t' ontvlugten en de goederen meede te neemen. vragende den Tomilalang wijders uijt 's vorsten naam boedang aandierking daar over ik daar omtrend begeerde gehandeld te hebben, dan vermits het uijt veel omstandigheeden bleek, dat dit voorgeeven verre van de waarheijd was, te meer een Jaar lang uijt blijkens na Loewoe, welke reijse wel in drie weeken kan gedaan worden, dien zendeling seer suspect maakt, hiet ik zijn Hoogheijd eenlijk weeten, dat het alleen, aan hem stond, om denzelven over zijn onagtsaamheijd te Corrigeeren, vermits er niets in deesen door mij te doen dog dat het egter onaangenaam was, d' ordres van wijlen den overleeden vorst zo slegt uijtgevoerd te zien. wierd mij door den Capitain der Maleijers verzeld van Dingsdag den 20=e een sendeling uijt soping een brief gebragt van den Datoe, niet te kennen gave, dat dien vorst gemelde bedienden bij hem Capitain gesonden hadde, om te verneemen; of ik het ook qualijk zoude vinden wanneer hij /: Datoe:/ een kier na Mandhaar of wel na Madjene. hem zulks verzogt Doleancie aan het Bo„ „nijs hof over Daaeng mand jaroengie Madjene died om de intentie van de grooten of wel van den Maradia te verneemen, nopens de door de Comp„e gevorderde scha- vergoeding voor de bark de vrijheijd, die hij wel witt dat eenlijk door toedoen van wijlen de koning van Bonij, in weer wil van der Mandhareesen, geneijdheijd agter gebleeven was. waar op ik den Capitain gelast hebbe, hem door een brief„ „je so stil mogelijk te laeten weeten: dat mij zijn voornee„ „men tot een blijk strekte van zijn goede geneijgdheijd voor de Compagnie en dat ik hem dierhalven liet versoe„ „ken, het selve werkstellig te maeken, mitsgaders mij den uijtslag zo spoedig doenlijk te bedeelen wonsdag den 21„e viel niets voor Donderdag „ 22„e Hebbe ik aan de koningin van Tanette zodanig aan de koningin van Ta„ briefje afgezonden, als bij de bijlagen is te borgen: „nette geschreeven. vrijdag den 23„e op de gedaene klagte van den parnackan Chinuessutje Tareo, over op nieuw gepleegd geweld te Maros, door de Bonijs Prins Daing Mandjaroengie, die een zijner slavinnen met haere twee kinderen met geweld van zijn Land Camanjang hadde doen weg „haelen onder een ongerijent voorwendsel dat zij hem toekwam, bij den koning en Rijksgrooten over dien fielt hebbende. 47 1119 na Glissong ordoe na maros omtrend Daeng manjaroengie hebbende, doen doleeren, onder te kennen gave dat wanneer daar over geen satisfactie of ten minste die slavinne ten eersten te rug gegeeven wierde, ik mij zelve wel regt zoude bezorgen, zo bragt den oppertolk mij tot rapport dat den Rijksbestierder en den Regent Aroe Poure hadden aangeno„ „men, een sendeling na Maros te zullen zenden; om de gedag„ „te slavin, die zij betuijgd hadden, wel te weeten dat Intje Iareo toebehoorden, te doen reclameeren, en dat zij mij antwoord zenden zouden. voorts is den oppertolk Brugman na Glissong vertrocken, de oppertolk vertreck tot het doen der gewoone ziel beschrijving, zo daar als te Poelem„ „bankeeng. De parnakan Chinees, Intje Tarco bij mij nadere klagtig zaturdag den 24„e gevallen zijnde, over Daing Mandjaroengie, die niet te vreden, met het weghaelen van sijne slavin, onder dato gisteren vermeld, nog een andere lijfeijgen van zijn land Camanjan en verscheijde goederen hadde doen rooven, met versoek om zig zelfs derwaarts te begeeven en een lettertje van voorschrijvens aan den Resident van Rossum, ten eijnde hem behulpsaam te zijn, tot te rug erlanging van het zijne zo hebbe ik hem het eerste ge„ „permitteerd en ten aansien van het andere door den tweeden tolk Blij, aan de sergeant en ondertolk Pietersz: op.
English
tidings concerning the intention around Tsinrana. Answer from Tanette's queen to my complaint; she had news that Tjinrana was taken by the Wadjorese. on Maros, to leave the latter alone, and that because of the absence of the aforementioned Resident, who is presently on duty at Siang. Sunday the 25th, the Captain of the Malays came to inform me towards noon that the son of the Bone Regent had told him how an emissary had come from the interior yesterday with tidings that the Wadjorese notably intend to take possession of the Bone main settlement of Tjinrana, and that the grandee of the realm Aroe Tanette Malolo, along with the banner and the state parasol, had already retreated elsewhere, namely to Mampoe. In the afternoon, the emissary Niga returned from Pantjana, bringing report that the Queen had promised to send me an answer to the letter written to her, adding however that Aroe Pantjana, having been nowhere else during her presence there, could not be guilty of what was charged against him. While she had ordered him, Niga, to inform me that an emissary who came to her from the interior had brought news that Tsinrana Bone had already been taken into possession by the Wadjorese. Monday the 26th, nothing occurred. Tuesday the 27th, I had the assistant interpreter De Graaf request an audience with the King and grandees of Bone for the ordinary commissioners for tomorrow before noon at nine o'clock, which, according to his report, was granted. Wednesday the 28th, the ordinary commissioners, the merchants Raket and Voll, under the usual escort of six horsemen, departed for the Court of Bone, not only pursuant to the instructions and enclosures handed to them to demand such four islands, the lands and paddy fields as the late deceased king possessed until further notice and moreover appropriated in an unlawful manner, but also to demand satisfaction of the state debt, together with the restitution of 136 flintlocks formerly loaned to the court, and finally to ask for the banner that was presented by the Company to His said Highness as the former Datoe of Soping; with further orders to complain in the strongest possible manner and to demand satisfaction for the violent acts of the Bone prince Daeng Mandjaroengie on Maros, regarding which I have again received such report this morning by a letter from the sergeant there, Landorf, written to the assistant interpreter Blij, as can be found in the enclosures, giving notice that failing this, I would take striking revenge. To all of which the said commissioners reported to me towards noon that the grandees of the realm, with respect to the reclaimed lands, etc., had declared that they would deliberate with one another and send me their answer, and with regard to Daeng Mandjaroengie, that an emissary had already been sent to him upon my first complaints, but that he had not yet returned; however, that they would promptly dispatch another to him to order him to make restitution of the abducted slaves and goods, and to depart from Maros. Thursday the 29th, I received a letter from the Queen of Tanette, and furthermore the Datoe of Soping arrived back here, who gave me notice thereof. Friday the 30th, the Captain of the Malays brought me such letter as can be found in the enclosures from the Datoe of Soping, who returned back here yesterday, giving notice how the same let me know: that he, at the Queen of Tanette his mother, conformable to my writing, would request restitution of what was taken from him or his people by both Aroe Pantjana and Aroe Pao Pao, while submitting a distinct list of everything. Whereupon I ordered the Captain to tell him that this was well, and further that I fully approved his intended answer to Aroe Poure contained in his letter. Furthermore, I sent the second interpreter Blij again to the Court of the King of Bone.
Dutch transcription
tijding nopens het voorne„ omtrend Tsinrana. Antwoord van Tanets koningen op mijn klagte zij had tijding dat 'Tjin„ „rana door de wad soree„ „sen was ingenomen. op Maros, het laatste doen gelatten, en zulks mits de afwesig„ „heijd van voormelden Resident, die zig thans in dienst op siang bevind. Zondag Den 25„e kwam den Capitain der Maleijers mij tegen den middag be„ „men der wadjoreesen „ richten, dat de zoon van den Bonijs Rijks bestierder hem verhaald hadde, hoe 'er gisteren een zendeling uijt de binnen landen was gekomen, met tijding dat de wadjoreesen merkelijk voorneemens zouden zijn, de Bonijse hoofd negorij Tjinrana in possessie te neemen en den Rijks groot Aroe Tanette Malolo met het vendel en de Rijks kipersol reets na Elders, en wel na Mampoe geweeken waare 's namiddags reverteerde van Pantjana den sendeling over Haol Pantjana Niga niet bericht, dat de koninginne beloofd hadde mij antwoord te zullen zenden op de aan haar geschreevene brief, onder bijvoeging nog thans dat Aroe Pantjana, geduurende haar aanweesen aldaar nergens elders geweest zijnde, aan het hem ten laste gelegde niet schuldig konde Terwijl zij hem Niga gelast hadde, mij te berichten dat een bij haar uijt de binnen landen gekomen zendeling tijding hadde meede gebragt, dat Tsinrana Bonij door de wad joreesen, alreede in bezit genomen was Maandag den 26=e viel niets voor Dingsdag „ 27=e Hebbr ik door den ondertolk de graaf, acces laeten vragen. zijn 49 1117 „mitteerdens aan het hof van „dezelve gezonden met Catton de Comp:e gehoren. in voldoening van de rijk„ en overgave aan het vendel mandjaroengie ƒ vragen bij den koning en Rijksgrooten van Bonij, voor de accis doen vragen voor gecom„ ordinaire gecommitteerdens tegen morgen voor de middag ten Bonij negen uuren; het welk, volgens desselfs rapport, g'accordeerd is. zijn d' ordinaire gecommitteerdens de kooplieden Raket en voll, woensdag den 28=e onder het gewoone escorte van ses ruijters, na het Hof van op 't eijschen Bonij vertrocken, om niet alleen ingevolge de hun inhandigde Jnstructie en bijlagen op t' eijsschen zodanige vier Eijlanden, de Eijlanden en landen die Landerijen en Padij velden, als wijlen den overleeden koning tot weeder op zeggens toe bezeten, en nog daar en boven op eene on„ „wettige wijze genaast heeft, maar ook voldoening te vorderen van de rijksschuld, mitsgaders restitutie van 136. snaphaanen restitutie van geweeren wel eer aan het hof geleend en eijndelijk om het vendel schuld te vragen dat aan gem: zijn Hoogheijd als geweest zijnde van Datoe soping Datoe van soping door de Comp=e is vereerd: miet verderen in te dobeeren over Dang last om op het aller kragtigste te doleeren mitsgaders satis„ factie te vorderen over de geweldpleegingen van den Bonijs Prins Daeeng Mandjaroengie op Maros, werwegens dee„ „sen morgen bij een brief van den sergeant aldaar Lan„ „dorf aan den ondertolk Blij geschreeven, op nieuw zoda„ „nige bericht gekreegen hebbe, als bij de bijlagen te vinden is, onder te kennen gave: dat ik bij gebreeke van dien eene eclante revenge zoude neemen. op alle het welke de gemelde gecommitteerdens mij tegen den middag tot rapport bragten, dat de Rijks„ „grooten, ten opzigte van de te rug gevorderde Lan „derijen. zij beloven op alles antwoord te zullen zenden. was reets een zendeling ge„ „zonden schrijvens van Tanette ont„ „fangen en Datoe Soping g'arriveerd. andermaal weder na den over dreng mansjaroengie. Landerijen enz: betuijgd hadden, met den anderen te zullen delibereeren en mij hun antwoord doen geworden, en aan dring Manjaroengie ten aansien van Daeng Mandjaroengie, dat 'er reets op mijn eerste klagten, een zendeling aan denzelven gezonden maar deese nog niet gereverteerd was; dog dat zij ten eersten een ander aan hem zouden afvaerdigen, om hem de restitutie van de weg genome slaven en goederen, te gelasten, en om van Maros Donderdag den 29„e ontfing ik een brief van de koninginne van Tanette, en arriveerde voorts alhier weder te rug den Datoe van soping, die mij daar van deed kennisse geeven vrijdag den 30=e Bragt mij den Capitain der Maleijers zodanige brief as bij de brief van de laast gem: bijlagen te vinden is, van den Datoe van Soping, die giste„ en mondelinge booschap „ aen hier weeder is te rug gekomen, niet te kennen gave hoe den zelven mij liet weten: dat hij bij de koninginne van Tarrette zijne moeder Conform mijn schrijvens zoude baten versoeken restitutie van het geene, kom„ of de zijne zo door Aroe Pantgana als Aroe Pao Pao ontroost was, onder overgave van een distincte notitie van alles. waar op ik den Capitain gelast hebbe hem te zeggen dat sulks wel was en voorts dat ik zijn voorgenomen antwoord, aan Aroe Poure vervat bij desselfs brief volkom en goed„ „keurde koning van Bonij gezonden voorts, hebbe ik den tweede tolk Blij weeder na het Hof te vertrecken.
English
Report concerning the answer from the court of Bonij to the message sent by delegates. Some subjects from the Court of Bonij were sent to ask how matters stood with the demanded satisfaction regarding Daong Mandjaroengie etcetera, but the answer was that none of the envoys had yet returned, without the reasons for this being understood. Blij also reported to me that the Datoe of Soping, who was with the king, on this occasion had said to the second Tomilalang and Aroe Poure in his hearing that satisfaction ought to be given for such evil deeds; that one should not overtax the Company's forbearance too much, for if that were to come to an end, things would look very bad for everyone; that it would therefore be best to speak to Lacasie about it, who would certainly know means to make Daing Mandjaroengie evacuate the country and to return the plundered slaves and goods. Saturday the 1st of July. I received from the hands of the Captain of the Malays a letter sent to him for that purpose by the former Pongauwa Lacasie, containing the draft answer that is to be given by the Boniers to the messages delivered by delegates on the 28th ultimo. Complaint about the robbery of subjects from the northern province. The Lolo Caloekoeang also came to me, delivering a letter from the Resident of Maros, giving an account regarding the kidnapping of some of his subjects by a certain Masakier, as can be found in the appendix. Meanwhile. The Datoe has proposed to go to the inland regions. Meanwhile, having sent the envoy Niga to the Datoe of Sopping to welcome him and inquire after his health, that prince thanked me for it and at the same time made known that yesterday, having paid a visit to Aroe Poura, guardian of the king of Bonij, he had agreed with him that when the Boniers come to send an embassy to Batavia to give notice of the changes that have occurred in the Realm, some persons of distinction on behalf of Soping shall also be allowed to depart with them as such, according to ancient custom. However, having also proposed to him to make a tour to the Bonij inland regions in order to ascertain how matters might stand there, in view of the reports received that the Wadjorese would already have Tjinrana in their possession, or at least firmly intend to make themselves masters of that place, the latter had answered nothing to that. Sunday the 2nd. Nothing occurred. Monday the 3rd. Toward noon, the Bonij interpreter Moentoe came, in the name of the Regent of the Realm as well as Aroe Ponre and Datoe Baringang, to request access to me for them and the other dignitaries of the Realm, which I granted for tomorrow morning at nine o'clock. Furthermore, the king of Goa also sent to inquire after my health, for which I returned thanks with greetings. Tuesday the 4th. Account by the Datoe of Soping regarding his conversation with the Bonij dignitaries. Before the dignitaries of Bonij came in, the Captain of the Malays Abdul Cadier reported to me how the Datoe of Soping had told him yesterday that he had presented everything to the Bonij Regent Aroe Poure that was stated in his letter addressed to me, contained under the 30th ultimo; but that the latter had answered nothing to that in relation to the Wadjorese and the state of affairs in the inland regions, but had asked for elucidation regarding the cause of the slight power of Soping indicated by him, the Datoe. Whereupon it being served by him how the villages of Baringang and Tjitta along with the district of Lamoeroe, having formerly belonged to Soping, had been taken away from it, Aroe Ponre had replied in turn that one would certainly resolve those matters if Bonij and Soping along with the Company only remained of one mind, to which he had served in reply that such would be very good. Certain Soping villages placed themselves under this Realm again out of fear of the Wadjorese. Furthermore, he had also related to the Captain how certain news had been brought to him here that the chiefs of the villages of Goa Goa, Watoe, and Patodje, as well as Oedjong Poeloe, had arrived in Soping and in the name of all the inhabitants had declared to place themselves again under Soping. The Datoe wants to go home and postpone his journey to Mandhaar. Wherefore he, the Datoe, both for that reason and to be able to counter any unexpected attempts by the Wadjorese against Soping, requested me to allow him, before going to Mandhaar,
Dutch transcription
51 1119 bericht nopens het antwoord van het Bonijse hof op de boodschap door gecommitteer„ eenige onderdanen uijt Hof van Bonij gezonden, om te vragen hoe het stond met de gevorderde Satisfactie over Daong Mandjaroengie &=a dog het antwoord was, dat geen der sendelingen, nog te rug gekomen waeren, sonder dat daar van de redenen, bevroed konden worden. Ook berigte Blij, mij, nog dat den Datoe van Soping die bij den koning, was, bij deese occasie aan den tweeden Tomi„ „lalang en Aroe Poure ten zijnen aanhooren hadde ge„ „zegt, dat over diergelijke kwaede gedoentens satisfactie behoorde te worden gegeeven; dat men 's Comp„s lank moe„ „digheijd niet te veel vorgen moest, want dat die eens ko„ „mende t' eijndigen, het 'er voor allen zeer slegt zoude uijtzien; dat het dierhalven best zoude weesen Lacasie daar over te spreeken, die wel middel zoude weeten, om Daing Mandjaroengie het land te doen ontruijmen en de geplunderde slaven en goederen weder te besorgen. ontfing ik uijt handen van den Capitain der Maleijers Saturdag den 1:en Julij een briefje door den geweesen Pongauwa Lacasie, aan hem ten dien eijnde gezonden vervattende, het ontworpen antwoord „ „ dat door de Boniers staat te worden gegeeven, op de gedae„ „ne boodschappen door gecommitteerdens op den 28„e passato. # ook quam den Lolo Caloekoeang bij mij, onder overgave klagte over het roven van van een brief van den Resident van Maros, zodanig Re„ de noorder provintie „laas doende, wegens het rooven van eenige zijner onder„ „daanen voor eenen Masakier angals onder de bijlag, is te vinden. Inmiddens. „dens. den datoe heeft voor„ geslagen om na de bin„ „nen landen te gaan. Jnmiddens den sendeling Niga, naar den Datoe van sop„ „ping gezonden hebbende, om hem te verwelkomen en naar zijn gezondheijd te verneemen, zo liet dien vorst, mij, daar voor bedrnken en teffens bekend maeken, dat hij gisteren een visite gedaan hebbende, bij Aroe Poura; voogd van den koning van Bonij, met den selven over een gekomen was, om wanneer de Boniers een gezandschap na Batavia komen te senden, ten eijnde van de voorgevallene verandering in het Rijk kennisse te geeven, ook van wegen soping eenige persoonen van aansien als zodanig met deselve te laeten vertrekken, naar het al oud gebruijk. Dog dat hij den selven ook voorgeslagen hebbende, om een keer na de Bonijse binnen landen te doen, ten eijnde te ver„ „neemen, hoedanig de zaeken aldaar mogte gesteld weesen, mits de ontfangene berichten, dat de wadjoreesen reets Tjinrana in bezit zouden hebben, of ten minsten vast voorneemens weesen, zig van die plaats meester te maeken, denselven daar op niets g'antwoord hadde Maandag den 3„e Tegen den middag kwam den Bonijstolk Moentoe, uijt naam van den Rijksbestierder mitsgaders Aroe Ponre en Datoe Baringang, acces bij mij versoeken voor haar en de verdere Rijks grooten, 't welk tegen morgen voor de middag ten negen uuren g'accordeerd hebbe. zondag den 2=e viel niets voor Voorts. 53 1121 „heijd verneemen. verhaal door datoe soping omtrend zijn gespack met „rijen hebben zig weder keeren uijt bedugting voor de wadjoreesen en solde reijse na man„ Voorts liet ook de koning van Goa, naar mijne gezondheid vernee„ en goas vorst na mijn gezont„ „men waar voor ik onder groete hebbe doen bedanken. voor dat de Rijksgrooten van Bonij, binnen kwamen, berigte mij Dingsdag Den 4„e den Capitain der maleijers Abdul Cadier, hoe den Datoe van soping hem gisteren, gezegt hadde, alles aan den Bonijs Regent de Bonijse rijkesgrootmn: Aroe Poure te hebben voorgehouden, wat in zijnen aan mij ge„ richte missive vermeld, onder den 30„e passato was vervat, dog den selven daar op met relatie tot de wadjoreesen, en de toestand der zacken in de binnen landen, niets g'antwoord, maar elucidatie gevraagd hadde, nopens d' oorsaeke van het door hem Datoe te kennen gegeeven gering vermogen van soping, op het welke door hem gediend zijnde, hoe de Negorijen Baringang en Tjitta nevens het landschap Lamoeroe, wel eer aan soping gehoord hebbende, van het zelve waaren afgenomen, zo hadde Aroe Ponre weder gerepliceerd, dat men die zaeken wel zoude vinden, als Bonij en soping nevens de Comp„e maar eens gezind bleeven, daar hij weeder op hadde gediend, dat zulks zeer goed zoude zijn. voorts hadde hij nog aan den Capitain verhaald, hoe hem zeekere sopinger nego„ tijding alhier was gebragt, dat de hoofden van de Negorijen onder dit Rijk gesteld goa Goa, watoe en Patodje mitsgaders oed jong Poeloe in soping waaren gekomen en uijt naam van alle de Jnwoonderen betuijgd hadden, zig weder onder soping te stellen, weshalven hij Datoe zo om die reeden als om alle den Datoe wil na huijs onverwagte tentamen van de wadjoreesen tegen soping te keer te kunnen gaan mij liet versoeken om alvoorens na „ haar uijt stellen Mandhaar
English
grandees to go to me together with the king, contemptuously rejected by the Pongauwa, to make a trip home before departing for Mandhaar, in which case he would set out on his journey tomorrow. I thereupon ordered the Captain to tell him that I myself deemed the latter necessary, and that the matter of Mandhaar could remain postponed until a further occasion, with the request, however, to keep it in mind. Advice to the Boni realm, furthermore the Malay Captain also reported to me that he had likewise spoken further with the former Pongauwa Lacasie, and the latter had informed him how he, as well as the Regent, had advised the court grandees of Boni to go to the Governor together with the king at their head, in order to bring their answer to the message delivered by the commissioners on behalf of the Company on June 28th past and to present their requests, but that the present Pongauwa had managed to insist that only some commissioners should be sent, having expressed himself to him, Lacasie, that one need do no more than the Company required, nor humble oneself before them; since everything would and even must be granted by the Governor anyway, adding, among others, these or similar scornful words (which he, the Pongauwa, had nevertheless recounted in discourse): The Dutch are after all only common folk and easily satisfied; they resemble children, who, when they cry and one merely gives them a banana, fall silent. That. 85. 1123 Arrival of four realm grandees. The former Pongauwa deems that I should not grant their request. That he, Lacasie, had deemed it necessary to give me notice of this and that, as evidence of Datoe Baringang's ill disposition toward the Company and in order to decide with respect to the request to be made this morning as I might deem advisable, although he had simultaneously told the Captain that, in his opinion, I would do very well to grant nothing, but to refuse everything, in order to make the Boniers understand that the Company ought not to be dealt with in such a contemptuous manner; the Captain having thereupon also been ordered to thank Lacasie for what had been imparted, 30 shortly thereafter appeared inside The Makadantana, Regent The second Tomilalang Aroe oedjong The Elector Aroe Madjang, and Glarrang of Bontualacq. After they were seated, the Tomilalang made known how the king and realm grandees had sent them to bring an answer to the message of the commissioners, at the same time producing a document which they delivered in writing and which he subsequently read aloud, and which was found to contain the following contents. Since it has pleased the Honorable Lord Governor to deem it good to send as express commissioners the Fiscal Raket. Raket and Shahbandar Voll to His Highness the King of Boni, who were commissioned to demand from that Highness, in the name of the aforementioned Honorable Lord, among other things four islands which the late king had obtained in fief from the Honorable Company, together with some lands etc., so, in consequence of that order, all the realm grandees have presented themselves to His Honor, and in the name of the king have made the following requests, namely: First, that the lands lying in the northern provinces, just as was granted to him the late king before him, may be left untithed, likewise to retain the 4 islands, and as for the firearms, they likewise request to be allowed to retain them as long until such time as the country shall have come into some degree of tranquility, as they were in great need of them because of the present turbulent condition and could not well dispense with them for their own defense. Everything with which the previous or deceased king was favored by His Honor, they request that the same favor and use. 57 1125 The islands and lands. use may not be withdrawn by Your Honor, but favorably left to them. After this had been made understandable to me by the License Master Voll and the aforementioned Malay Captain, I replied thereto as follows: My answer concerning that the king and realm grandees would indeed have understood from the mouth of the commissioners that I had demanded all the lands, islands, and paddy fields in question in the name and by order of Their High Mightinesses, that the very same having ordered me to do so, I was therefore not capable of deviating therefrom. That for this reason I still requested that commissioners might be appointed by the court as soon as possible to give notice, alongside those of the Company, to the residents and inhabitants of the aforementioned lands and islands that, until further notice, they now remained directly dependent on the Company. That the king and realm grandees could nevertheless, according to the former customs, address themselves to the well-mentioned Their High Mightinesses, and I also did not doubt that the very same would give a favorable consideration to their request, in case the Lords of Boni were to show proof of loyalty and attachment to the Company, at least as far as the islands and.
Dutch transcription
„groten omevens den ko„ „ning bij mij te gaan. door den Pongauwa veragtelijk verworpen Mandhaar te vertrecken een keer na huijs te mogen doen, in wel„ „ken gevalle hij zig morgen op reijs zoude begeeven. jk gaf den Capitain hier op last hem te zeggen dat ik het laatste zelfs nodig vond, en dat de zaak van Mandhaar tot nader occasie konde blijven uijtgesteld, met versoek daar om egter te denken. raad aande Bonijse rijks, voorts berigte mij den Capitain Maleijer ook nog dat hij insgelijk nader met den geweesen Pongauwa Lacasie gesprooken, en deese hem verwittigt hadde, hoe hij zo wel als den Rijksbestierder, de Hofsgrooten van Bonij geraeden hadde, om gezamentlijk met den koning aan het hoofd„ bij den Gouverneur te gaan, ten eijnde hun antwoord te brengen, op de gedaene boodschap door gecommitteerdens 's Comp:s wegen, sub 28„' Iuni passato en hunne versoeken voorte dragen, dog dat den Presenten Pongauwa, hadde weeten door te dringen dat alleen eenige gecommitteerdens zouden gezonden worden, hebbende zig tegen hem Lacasie uijtgelaaten, dat men niet meer als de Comp:e behoefde te doen, nog zig onder haar vernederen; ver„ „mits dog alles door den Gouverneur zouden en zelfs wel moeste worden toegestaan, met bijvoeging, onder anderen, van deese of diergelijke smaadredenen (:die hij Pongauwa nogthans bij discours hadde verhaald:) De Hollanders„ „zijn immers maar gemeene volkeren en ligt te verge„ „noegen; zij gelijkenen de kinderen, die wanneer zij „huijlen en men haar maar een pisang geeft, stil swijgen. Dat. 85. 1123 de gewese Pongauwa oordeelt dat ik hun te doe„ komst van vier Rijks„ „grooten. over Dat hij Lacasie g'oordeeld hadde mij van dit een en ander ken„ „nisse te moeten geeven, ten blijke van Datoe Baringangs quaede gesintheijd tot de Compagnie en om ten opzigte van het deesen voorde middag te doene versoek zodanig te dispo„ „neeren, als ik geraeden mogte oordeelen, hoe wel hij, aan den Capitain teffens gezegt hadde, dat ik na zijn gedag„ ne versoek niet nat inwillig. „ten, zeer wel zoude doen, om niets in te willigen, maar alles afte slaan, ten eijnde de Boniers te doen begrijpen, dat 'er op zodanigen veragtelijke wijse met de Comp„e met be„ „hoorde te worden gehandeld, den Capitain hier op almeede bevolen hebbende Lacasie, voor het bedeelde te bedanken, 30 verscheenen kort daar aan binnen De Makadantana, Rijks bestierder De tweede Tomilalang Aroe oedjong de Kiesheer Aroe Madjang, en „ Glarrang van Bontualacq. na dat deselve gezeten waeren, gaf den Tomilalang te kennen: hoe de koning en Rijksgrooten hun hadden gezonden, om antwoord te brengen, op de boodschap der gecommitteerdens te gelijk voor den dag haelende, leveren in geschrift een geschrift dat hij vervolgens op las en van den vol„ „genden inhoud wierd bevonden. Nademaal het den wel Edelen Achtbaeren Heer gouverneur, heeft gelieven goed te vinden, als expresse gecommitteerdens te zenden den fiscaal Raket. Raket en sjaband haar voll, bij zijn Hoogheijd den koning van Bonij, die gedemandeerd waeren om uijt naam van welmelde zijn wel Edele Achtbaere van dien Hoogheijd op 't eijsschen, onder andere vier Eijlanden, de welke door den overleeden koning van d' E Comp„e ter leen had verkreegen, nevens eenige Landerijen &„a zo hebben in gevolge van dien last, alle de Rijksgrooten, sig bij zijn wel Edele Achtbaere vervoegt, en uijt naam van den koning de volgende verzoeken gedaan, na„ „mentlijk. Eerstelijk, dat de Landerijen gelijk voor hem aan wijlen den overleeden koning was toegestaan, leggende in de noorder provintien; onvertiend mogen gelaeten werden, desgelijx de 4: Eijlanden te behouden en wat de schiet geweeren betreft, verzoeken zij desgelijks meede, zo lange te mogen behouden, tot tijden wijle, het land eeniger maaten in rust zal zijn gekomen, alzo dezelve om de wille der thans troebelen toestand, zeer om dezelve benodigd waeren, en ze die niet wel om eijgen defentie ontbeeren konden. Alles waar meede door zijn wel Edele Achtbaere den voorigen of overleeden koning was begunstigt, versoeken zij lieden, dat die deselve gunste en gebruijk. 57 1125 gebruijk, door uw wel Edele Achtbaere niet mogen de eijlanden en landerijen. werden ontrocken, maar gunstiglijk aan haar gelaeten. Na dat mij het zelve door den Licentmeester vollen den voorn: Capitain Maleijer, te verstaan gegeeven was, diende ik daar op het volgende. Dat de koning en Rijks grooten uijt de mond der gecommitteer„ mijn antwoord omtrend „dens, wel zouden hebben verstaan dat ik alle de bewuste Landerijen, Eijlanden en Padij velden, hadde op g'eijscht, uijt naam en last van Haar Hoog Edelhedens, dat Hoogst deselve, mij, zulks bevoolen hebbende, ik dierhalven met vermogens was, daar van afte wijken Dat ik uijt dien hoofde als nog verzogt, dat ten spoedigsten gecommitteerdens door het hof mogten worden benoemd, om nevens die van de Comp:e de op- en ingezeetenen van de voorsz: Landen en Eijlanden kennisse te geeven, dat ze tot nader aanseggens als nu direct van de Comp„e bleeven dependeeren. Dat de koning en Rijksgrooten, sig des niet te min, na de voorige gebruijken bij wel gem: Haar Hoog Edel„ „hedens konden addresseeren, en ik ook niet twijffelde of Hoog deselve zoude op hun versoek wel een gunstige reflectie slaan, ingevalle de Heeren Boniers blijken kwamen te toonen aan trouwe en aankleeving aan de Comp„e ten minsten voor zo verre de Eijlanden en.
English
the flag of Soping and muskets. and concerned the fields that were formerly granted out of favor to the deceased King of Bonij for his use, whether the latter were exempted from the tithe, whereas this could not be claimed for such fields that had been unlawfully appropriated. That furthermore the muskets could likewise be handed over immediately, along with the flag formerly given by the Company to the King of Bonij as Datoe of Soping and presently still remaining in their custody. That I was moreover surprised to find no mention made in this answer of the imperial debt, nor any answer concerning the complaint made about Prince Daeng Mandjaroengie. Upon this being generally stated by them that they would make a proper report of everything, and it being further stated by me that the paddy fields to the north, which had been finally ceded to the previous kings and could be further pointed out to the delegates, would remain exempt from the tithe as before, they declared that the flag had already been offered to the Datoe of Soping, but had not been accepted by him; whereupon I pointed out to them that this was proof that he well knew from whom he ought to receive it, namely from the Company alone, and that it should therefore be handed over to it, which 59 1127 their statement concerning Daeng Mantjarsangie. which was again answered by them by saying that it could be done in that manner, and they would likewise propose this to their masters. Regarding Daing Mandjaroengie, they declared to know no better than that the slaves etc. taken away by him from Jntje Parco had been returned, as the same had applied to the former Pongauwa Lacasie to obtain them; whereupon I, having replied that I had no knowledge of this, asked them whether it was right to act towards the Company in such a manner as had been done in this matter, seeing that they had not even caused any answer to be given to me concerning it, notwithstanding that I had sent a message about it up to three times, and whether it was moreover sufficient that merely the stolen goods were returned without the least satisfaction. After the Tomilalang and Aroe Madjang had put their heads together on this, they made known that they had been ordered, but had forgotten, to report to me on the return of the said goods, but that regarding the satisfaction, they had to admit that it was reasonably demanded, and they would likewise report on that. Concerning the imperial debt, the imperial administrator spoke up, saying that they were busy collecting the cash, that a certain piece of goldwork had even been designated for that purpose by the deceased prince, which further conferring with them about the state of affairs in the interior. which they would sell; but I had that minister informed that, not wishing to expand upon the so many varying reports regarding the reason why that debt was not paid, I would solely expect that settlement as soon as possible. After this, I also pointed out to them how I was also extremely surprised that the collective imperial grandees treated the most important matters with so much indifference, as I had to conclude from the little regard that was paid to the interior: at least that since their last arrival I had received no single message directly about it, much less that anyone had spoken to me further about it, notwithstanding that measures ought to be devised as soon as possible to prevent the evil and, if possible, to thwart in time the intention of the Wadjorese to capture Tjinrana, which according to general rumors was certain, while Aroe Tanette Malolo had already retreated from there with the flag and parasol of state. However, to this they first replied that this was mentioned in their writing, but subsequently, after the contrary was shown, that they had heard from Datoe Soping 61 1129 Datoe Soping and Lacatie declare to be pleased with the rejection of the requests made by Bonij's imperial grandees. Soping how the Wadjorese were not yet of one mind, and the imperial grandees, according to their promise, would deliberate on those matters when the hundred days of mourning had passed; whereupon I countered to them again that if the imperial grandees themselves cared no more about such an important matter, the Company could then do nothing about it either, but would also not be obliged to put itself in danger when things had gone too far; of which they likewise declared they would give notice, after which they took their leave and departed. In the afternoon, the Captain of the Malays came to me again, making known how both the Datoe of Soping and the former Pongauwa, having asked him about the outcome of the visit paid to me this morning and the requests made by the Bonij delegates, he had informed them of everything in accordance with the permission given to him, and that they had both declared, and their further statement that this was very much to their liking, that it would have served to the general contempt of the Company if I had consented to those requests, the more so as they had not been made in a proper manner, and furthermore that the Bonij people would now surely perceive how.
Dutch transcription
het vendel van soping ende geweeren. en de velden betrof die wel eer uijt gunste aan den overlee„ „den koning van Bonij, tot gebruijk afgestaan, of de laast„ gemelde vrij gelaeten waeren van de vertiening, terwijl zulks van zodanige velden die op een onwettige wijse genaast waa„ „ren niet konde worden gepretendeerd. Dat voorts de geweeren, almeede ten eersten mogten worden overgegeeven, nevens het vendel, wel eer aan den koning van Bonij als Datoe van Soping, door de Comp„e gegeeven en thans nog onder haar berustende Dat ik wijders verwonderd was, in dit antwoord geen mentie gemaakt te vinden, van de rijks schuld nog eenig antwoord omtrend de gedaene doleance over den prins Daeng Mandjaroengie Hier op in het gemeen door deselve gezegt zijnde, van alles be„ „hoorlijk rapport te zullen doen, en door mij verder te kunnen gegeeven weesende, dat de Padij velden om de noord die aan de voorige koningen finaal waeren afgestaan en aande gecommitteerdens nader konden worden aangeweesen als bevoorens van de vertiening zouden bevrijd blijven, zo betuijgden zij, dat het vendel bereets aan den Datoe van soping aangeboden, maar door hem niet g'acepteerd was, waar op ik hun voorhield hoe dit een blijk waare, dat hij wel wiste van wien hij het zelve moeste ontfangen, namentlijk van de Comp„e alleen en dat het dierhalven aan haar diende worden overgegeeven, het geen 59 1127 hum uijtlating omtrend Daeng Mantjarsangie. geen door hem weeder wierd b'antwoord, met te zeggen dat het indier voegen geschieden konde, en zij zulks almeede aan hun meestors zouden voordragen. Nopens Daing Mandjaroengie betuijgden zij, niets beter te weeten: of de door hem weggehaalde slavens &„a van Jntje Parco weeder gerestitueerd, also denselven zig, tot te augerlanging van dien, bij den geweesen Pongauwa Lacasie hadde vervoegd, waar op ik g'antwoord hebbende, daar van geen kennisse te dragen vroeg ik haar of het wel gedaan waare, in diervoegen omtrend de Comp„e te handelen, zo als in deesen geschied was, ter zaeke men mij daar omtrend zelfs niet eens eenig antwoord hadde laeten geeven, niet tegenstaande ik daar over tot drie maalen een boodschap hadde laeten doen, en of het daar en boven genoeg was, dat enkel de geroofde goederen, wierden weeder gegeeven sonder eenige de minste satisfactie Na dat den Tomilalang en Aroe Madjang hier op de hoofden bij elkanderen gestooken hadden, gaven z' te kennen in last gehad dog vergeeten te hebben mij rap„ „port van de weeder overgave der gemelde goederen te doen maar dat wat aanging de satisfactie zij bekennen moeste, dat die billijk gevorderd wierd, en zij daar van insgelijks rapport zouden doen omtrent de Rijksschuld liet den Rijks bestierder sig hooren, zeggende dat z' bezig waaren, de Contanten te versamelen, dat een zeker stuk goudwerk, daar toe hun nader onderhouden over de toestand der zaken in de binnen Landen. toe zelfs door den overleeden vorst geprojecteert was, 't welk zij zouden verkoopen, dog ik deed dien minister voorhouden dat ik mij over de zo veele varieerende berig„ „ten nopens d' oorsaeke waarom die schuld niet wierd voldaan, niet willende uijtlreten, eenlijk die voldoening ten spoedigsten verwagten zoude. Hier na hield ik dezelve ook nog voor, hoe het mij meede ten uijtersten verwonderde, dat de gezamentlijke Rijksgroo„ „ten de importantste zacken met zo veel onverschilligheijd tracteerden als ik moeste opmaeken uijt het weijnig reguard 't welk geslagen wierd, op de binnen landen: ten minste dat ik zedert hunne laatste binnen komst daar over geen enkelde„ boodschap direct ontfangen hadde, veel min dat men mij daar over, nader zoude hebben gesproken, niet tegenstaan„ de 'er ten spoedigsten middelen diende te worden be„ raamd, om het kwaad te sluijten en het voorneemen der wad joreesen om Tjinrana in te nemen het welk na d' algemeene gerugten zeeker was, terwijl Aroe Tanette Malolo, zig reets met het vendel en kipersol van staat, van daer geretireerd hadde, des mogelijk nog bij tijds te verijdelen. Dog hier op repliceerden z' eerst, dat zulks in hun ge„ schrift vermeld stond, dog vervolgens, (:na dat het tegen„ „deel van dien wierd aangetoond:/ dat zij van Datoe Soping. 61 1129 Datoe soping en Lacatie betuijgen verblijd te zijn over de afwijsing der ge„ „dane verzoeken door Bonijs rijksgroten soping gehoord hadden hoede wadjoreesen nog niet eens ge„ zind waeren en de Rijks grooten, volgens hunne toezegging over die zacken zouden raadpleegen als de honderd rouw da„ „gen waeren verstreeken, waar op ik hun weeder te gemoet voerde dat bij aldien de Rijks grooten zig aan diergelijken voornaam onderwerp zelfs niet meerder gelegen lieten leggen de Comp:e daar omtrend dan ook niets doen konde, maar ook ongehouden zoude zijn, haer zelven in gevaar te brengen, wanneer het te verre gekomen zoude weesen, van het welk zij almeede betuijgden kennisse te zullen geeven, waar na z' hun afscheid naamen en vertrocken. Des nade middags kwam den Capitain der Maleijers weeder„ bij mij, te kennen geevende, hoe zo wel den Datoe soping als den geweesen Pongauwa hem gevraagd hebbende, na den uijtslag van de mij deesen morgen gegeeven visite en de gedaene versoeken door de Bonijse gecommit„ „teerdens hij deselve van alles Conform het hem gegeeven Con„ sent hadde g'informeerd en dat zij beijden betuijgd had, en hun verdere uijtlating den zulks zeer na hun zin te weesen, dat het tot een algemeene veragting van de Comp:e gestrekt zoude hebben, wanneer ik in die versoeken hadde bewilligt, te meer deselve op geen betamelijke wijse waaren gedaan, mitsgaders dat de Boniers nu wel zouden ontwaren hoe.
English
the reclaiming of the banner. return. Wednesday the 5th Report regarding the intention of the Boniers to repeat their requests. concerning two Chinese. how little the Company cared for those who, currently having the management of affairs in hand, through their ignorance, fancied that they did not need to request in a proper manner for that which belonged to the Company and which it had ceded to the former king out of mere favor. The first thanked for While Datoe Soping had also requested to express his gratitude for my order given to the Boniers to bring the banner over to the Company, so that it would be handed to him tomorrow before going home; and further said that he would depart tomorrow for his realm without it was reported to me by a confidant that the Bonian grandees of the realm intended to address me once again in order to repeat their requests made yesterday. Message from Goa's king. Also, the king of Goa, under a compliment of greeting, had me requested: that certain two Chinese, who have been staying in Goa for some time, but whom I had summoned through the fiscal to return hither as soon as possible, under penalty of correction, might remain there to live, which I declined, making it known that this ran contrary to the laws and orders, and that I would already have sent to His Highness on that account, if I had not thought it better to warn them myself, in order not to offend him with such a message, and that he wished to come to me. Furthermore, his interpreters said that their master wished to come to me, to which I ordered them to tell him that his visit would be agreeable to me, and that I would therefore receive him upon request for an audience, whenever I might have the time. Arrival of envoys from Bouton. Thursday the 6th Envoys from Bouton arrived here in the company of the returned Sergeant Steijnbach, who gave me notice of their arrival. The king of Boni lets me know that Mandjaroengie was punished, which still appears otherwise at present. Furthermore, around noon, after having previously requested an audience, the Glarrang of Bontualacq appeared before me on behalf of the king of Boni, reporting that Daeng Mandjaroengie had been punished according to the laws for his violent acts; but having asked him thereupon what that punishment had consisted of, since the stolen goods had not yet been returned, he said that they had not yet been able to agree on the fine imposed on him, as some wanted it set at eighty and others at only 40 Spanish dollars, and that he did not know otherwise than that the slaves and goods of Intje Tareo had already been surrendered to the former Pongauwa. To insist on that further. I put to him hereupon that I knew nothing of the latter, but would expect that everything would be returned to me, and that furthermore Daeng Mandjaroengie, in accordance with the order of the late king, should still be commanded to vacate the Company's territory, since the laws of the realm also entailed that everything ordered by a deceased monarch had to be observed. Representation of my good disposition toward the realm. Of all of which he promised to make a report to the king, as well as of my further statement that in this, as well as in other respects, I had no less regard for the welfare of the Bonian realm than for that of the Company, in order to avoid all causes for dispute in the future, as well as how I perhaps had more concern and care over the worrisome state of the said realm than any of the grandees themselves. Letter from Bouton to be fetched with honor to the Bonian court. Furthermore, the Glarrang made known that the king, with his returned messengers, had received a letter from the king and grandees of the realm in Bouton, with the request that the same might be fetched with honor, to which I consented, while he said that the same was to be presented to me for perusal. Friday the 7th Return of the first envoy from Bouton. The envoy Daing Mandjarekie returned here from Bouton, who gave me such an account regarding the outcome of his commission as I subsequently had taken from him in writing, to be added among the appendices of this document. Reception of the Boutonese envoys. Saturday the 8th The present envoys from Bouton were received with the customary ceremonial in the council chamber where the entire Council was assembled. They declared to request nothing
Dutch transcription
de te rug eijssching van het vendel. keeren. woensdag den 5=e berigt wogens het voorne„ „men der Boniers om hun versoeken te herhalen. „ning over twee Chircasen. hoe weijnig de Comp:e om die geenen gaf, die thans de mene„ „ance van zaeken in handen hebbende, door hun onkunde, waan„ „den dat zij niet op een behoorlijke wijse behoefden te ver„ „soeken om het geene de Comp:e toekwam en zij uijt enkele gunst aan de voorige koning hadde afgestaan den eerste bedankt voor Terwijl Datoe soping nog hadde verzogt, zijn dank baar„ „heijd te betuijgen, voor mijn gegeeven last aan de Boniers, om het vendel bij de Comp:e over te brengen, ten eijnde Eijsalmorgen na huijs aan hem in handigd te worden: en verder gezegt, dat hij morgen na zijn Rijk vertrecken zonder wierd mij door een vertrouwde gerapporteerd dat de Bonijse Rijks„ „grooten voorneemens zouden zijn, zig andermaal, bij mij, te addresseeren, ten eijnde hunne op gisteren gedaene ver„ „soeken te herhaelen. boodshap van goasko„ ook liet de koning van Goa mij onder een Compliment van groete versoeken: dat zeekere twee Chineesen, die zig zedert eenigen tijd in goa hebben opgehouden, dog ik door den fiscaal hebbe doen aanseggen om ten spoedigsten wee„ „der herwaarts te komen, sub pane van Correctie, aldaar met 'er woon verblijven mogten, 't welk ik gedeclineerd hebbe, onder te kennen gave dat zulks aanliep tegen de wetten en ordres mitsgaders dat ik daar om reets bij zijn Hoogheijd zoude hebben gezonden bij. 62 1131 bij aldier ik niet beter gedagt hadde, hun zelfs te doen wilde komen. komst van gezanten mij weten dat mandja„ dat nog thans anders blijkt. waarschuwen, om, hem met diergelijke boodschap niet voor het hoofd te slooten. voorts zeijden zijne tolken dat hun meester gaarne wanschte en dat hij gaarne bij mij bij mij te komen, waar op ik hun last gaf, den zelven te zeggen, dat mij zijn visite aangenaam weesen, en ik hem dierhalven bij versoek, om acces ontfangen zoude, wanneer ik als dan de tijd mogte hebben. zijn alhier in gezelschap van den geretourneerden zergeant Donderdag den 6=e Steijnbach, gezanten van Bouton g'arriveerd, die mij van van Bouton. hunne komst deeden kennisse geeven. voorts verscheen tegen den middag na voor af versogt ac„ de koning van Bonij laat „ces bij mij den Glarrang van Bontualacq, uijt naam roengie was gestraff van den koning van Bonij berichtende dat Dareng Man„ „djaroengie, over zijn geweldaedige bedrijven, na de wetten waa„ „re gestraft, dog hem daar op gevraagd hebbende, waar in die straffe hadde bestaen, vermits de geroofde goederen, nog niet waaren te rug gegeeven, zeijde hij, dat men over de hem opgelegde boete, nog niet hadde kunnen eens worden, wijl sommige die op tagtig en andere maar op 40: spaans wilden gesteld hebben, en dat hij niet beter wist of de slaven en goederen van Intje Tareo waeren bereits aan den geweesen Pongauwa overgegeven, ik hield hem hier op„ voor 1 daar op nader doen aandrin„ „gen. „ne goede gezintheijt but het Rijk. brief van Boutonaan Bonijs hof in te halen. vrijdag den 7=e te rug komst van d' eerste sendeling van Bouton receptie der Boutouse gezonten voor dat ik van het laatste niets wiste maar verwagten zoude, dat alles aan mij wierd te rug gegeeven en dat voorts Daeng Mandja„ „roengie, volgens d'ordre van wijlen den koning als nog zoude wor„ „den gelast 'sComp:s territoir te ruijmen, vermits de Rijks wetten meede bragten, dat alle het geene door een overleeden vorst was bevolen moeste nagekomen worden. onder voorhouding van mij, van alle het welke hij beloofde aan den koning rapport te doen, en zo meede van mijne verdere uijtlaeting dat ik in deesen, zo wel als in anderen op zigte den welstand van het Bonijs Rijk met minder b'oogde, dan dat van de Comp„e, als om alle oorsoeken tot geschil voor het vervolg te vermijden, gelijk meede hoe ik over de sorgelijke toestand van het gem: Rijk mogelijk meer bekom„ „mering en zorge hadde dan eenige van de groeten zelfs. voorts gaf den glarrang nog te kennen, dat de koning met zijne te rug gekeerde sendelingen, een brief hadde ontfangen van de koning en Rijks grooten te Bouton, met versoek dat deselve met honneur mogte worden afgehaald, waar in ik geconsenteerd heb„ „be, terwijl hij zeijde, dat deselve mij ter lecture stond te worden aangeboden. Reverteerde alhier van Bouton den sendeling Daing Mandja„ „rekie, die, mij wegens den uijtslag zijner Commissie zodanig Relaas deed, als ik hem vervolgens schriftelijk hebbe doen afnee„ „men, om onder de bijlagen deeses, gevoegd te worden. Zaturdag den 8„e zijn d' aanweesende gezanten van Bouton onder het gebruijke„ lijk Ceremonieel in de vergader zaal doar den geheelen Raad vergaderd was, gerecipieerd zij betuijgden niets te versoeken