VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3488

Malabar · 470 pages · 77 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3488_0365 view scan ↗

English

No 16. 164 To the Honorable Governor and President Of the Council at Cochim. I have the honor to inform your Honor that I arrived at Pondicherij on the 9th of this month, bringing with me the order of the King to succeed Mr. Law De Lauriston in the general command of the French possessions in the Indies. His Majesty has also appointed me as his Commissioner, together with Mr. Chevreau, Administrator General and Commissioner of the Navy at Pondicherij, to settle the disputes that might arise between our nation and the European powers established in the Indies. The intention of His Majesty is that I shall constantly maintain the peace and good understanding that prevailed between our two nations before my arrival. I have the greatest desire to make the same endure incessantly, and to find an opportunity to be Translation of a French letter written at Pondicherij the 20th of January 1777. of any service to your Honor. I offer your Honor in all sincerity all services that depend upon me, and have the honor to be, it was signed: Sir, your very humble and obedient servant, it was signed: Bellecombe, Field Marshal. Agrees. Examined. H. Schutz. Schemering, Secretary. 165 No 17. Monday the 20th of January, in the year 1777. Present: The Honorable, Highly Esteemed Extraordinary Councillor of Netherlands India, as well as Governor and Director, Adriaan Moens, The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn, The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Samuel Constantin Saffin, The Honorable Junior Merchant and Secretary of Policy Abraham Rudolf Schutz, The Honorable Junior Merchant, Storekeeper, and Dispenser Abraham Jean Scipion Vernede, The Honorable Junior Merchant Iohan Adam Cellarius. Absent: The Honorable Major and Commander of the Militia Jan Hendrik Medeler, being absent as Commander of the expedition to Cranganoor, and The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Jan Lambertus van Spal, due to indisposition. The ordinary business having been transacted, the Governor reminded the meeting of the secret resolution of this Board of the 19th of November with regard to the Nawab Hyder Ali Khan, namely to keep our forces united, Taken in the Council of Malabar at the city of Cochim. Secret Resolution. to act on the defensive, to cover Cranganoor, to protect the island of Baipin, and thus to prevent the enemy from breaking through further, until, having meanwhile strongly entrenched ourselves before Cranganoor, one might see the opportunity and possibility to undertake something further. How, since the dispatch of our last letter to Batavia on the 3rd of January, we have almost finished the entrenchment before Cranganoor, of which the drawing was produced; which entrenchment appeared to the meeting, to the best of their knowledge, to be so strong that it would require a considerable force to overpower it and break through there, all the more because on that side one cannot be outflanked either on the right or the left, since Cranganoor lies in a corner and is washed on the right and left sides by the river. How, in the meantime, one has observed more and more very great fear prevailing among the Kings of Trevancoor and Cochim, and clearly noticed that they will undertake nothing that even in the least resembles 166 the offensive, notwithstanding the circulation of a rumor, of which one does not yet have complete certainty, that the Marathas were on the point of marching against the Nawab to retake from him some territories that he seized last year when the English were engaged with the Marathas, and that the Nawab's General Sardar Khan also handed over command to another these days and, as they say, has been summoned to Peringapatnam, taking our prisoners along with him as well. How he, the Governor, in order to test to what extent one could rely upon Trevancoor and Cochim in case of need, informed their ministers these days, who manage the affairs of war on this side, that our entrenchment is ready and all necessities for an expedition are in order; that Sardar Khan has turned northwards in person and even taken some of his people along, or at least that the troops of the Nawab have rather decreased than increased; that we now intend to advance with our forces to retake from the enemy what he has taken from us, and whether they are now also ready to cross and march together north of Cranganoor, and if not, whether they would not merely march their troops northward on the east side, or properly speaking on the other side of the Cranganoor river, and make movements there, and also whether the coolies whom they promised us have been gathered together. How they thereupon, after some evasions, finally declared that they had special orders from their masters not to advance any further and to do nothing other than what they had done up to this day, namely: to help prevent the enemy's further undertakings and even to resist with force should he make movements to come south of Cranganoor, but otherwise nothing; adding with anxiety that if we advance upon the enemy and were to drive him out of the Chettuva country, the Nawab, who is a powerful monarch, would later march down with his entire force and destroy the whole of Malabar, etcetera. How shortly thereafter the ordinary agent of

Dutch transcription

N„o 16. 164 Aan den Heere Gouverneur en President Van den Raad te Cochim. Ik heb de eer uw wel Ed: te bedeelen, dat ik den 9: deeser maand te Pondicherij aangekomen ben, meede brengende de ordre van den koning om den Heer Law De Hauriston in het generaale Commandement der fransche besittingen in Jndiën op tevolgen zijne majesteit heeft mij teffens tot zyn Commissaris benoemd, te zamen met den heer Chevrean gezaghebberd Generaal Commissaris der Marine te Pondicherij, om de verschillen te eijndigen, die tusschen onse natie en de Europeese mogendheeden, die in Jndiën ge-Atabileerd zijn, zoude kunnen ontstaan. de intentie van zijne Majesteit is, dat ik be„ „stendig de vreede en de goede verstandhouding zal maintineeren, die tusschen onse beide naties voor mijn aankomst heerschten. Jk heb de groot„ „ste zucht deselve onophoudelijk te doen stand grijpen, en gelegentheid te mogen vinden, uw Translaat van een Fransche Brief Gesch: te Pondicherij Den 20:' Januarij 1777:— wel wel Edel van eenig nut te zijn Jk offereer uw wel Edele met alle opregtheid alle diensten die van mij afhangen, en heb deeer te zijn /:onderstond:/ Mijn Heer uw Zeer nedrige en gehoor„ zame dienaar /:was Get:/ Bellecombe Marechals Accordeert Nagezien H Schutz 2 Schemering secret:s 165 N„o 17. Maandag Den 20: Januarij A:o 177: Present De wel Edele Groot Achtb: Heer Raad: Extra ordinair van Nederlands India mitsgaders Gouverneur en directeur Adriaan Moens, De E: heer oppercoopman, secunde en hoofdadminist:r Reinier van Harn„ De E: koopman, fiscaal, en Cassier, Samuel Constantin Saffin, De E: ondercoopman en secretaris van politie Abraham Rudolf Schutz, De E: ondercoopman, winkelier en Dispencier Abraham Jean Scipion Vernede„ De E: ondercoopman Iohan Adam Cellarius Absent De E: Masjoor in hoofd der militie Jan Hendrik Medeler, als zijnde als Commandant: van de Expeditie na Cranganoor, en De E: ondercoopman en Pakhuijsmeester Jan Lambertus van Spal door indispositie. D'ordinaire zaaken verhandelt zijnde, her„ „innerde de heer Gouverneur de Vergaderinge het secreet besluijt deser Tafel van den 19: November met betrekkinge tot den Nabab Nider Alij „chan, namentlijk om onse magt bij een te houden Genomen in Raade van mallabaar ter steede Cochim Secreete Resolutie defensive, G .. . . 2 1 :: . F op defensiev te ageeren, Cranganoor te dekken, het Eiland Baipin te bewaaren, en den vijand dus het verder doorbreeken te beletten, tot dat men zig intusschen voor Cranganoor sterk verschandt hebbende, gelegentheijd en mogelijkheijd mocht zien, om iets verder tekunnen onderneemen. Hoe men zedert het afgaan onser laatste briev na Batavia van den 3: Januarij met het retranchement voor Cranganoor bij na zoo goed als klaar gekomen is, waar van d' aftekeninge Geproduceert wierd, welke ver„ „schansinge de vergaderinge na haar beste kennisse voorkwam, zoo sterk te zijn: dat er al een considerable magt toe zouden ver„ „eisschen, om deselve te overmeesteren, en aldaar door te breeken, te meer men aan die kant nog regts nog links kan omvleugelt worden, alsoo Cranganoor in een hoek legt, en aan deregter en linker zijde van de rivier be„ „spoeld word. Hoe men intusschen hoe langs hoe meer Bij de koningen van Trevancoor en Cochim zeer groote vreese heeft zien plaats vinden, en duijdelijk bemerkt, dat ze niets zullen onderneemen, dat maar eenigsints na 166 na offensier gelijkt, niet tegenstaande er een gerugt loopt, waar van men egter nog geene volkoome zeekerheijd heeft, dat de Marathas op den Nabab stonden aftekoomen, om van hem weder teneemen eenige landen, die hij verleede Jaar, toen de Engelschen met de Mara„ „thas aan de Gang waaren, weggenoomen heeft, en 's Nabab Generaal Charder Chan ook deeser daagen het gezag aan een ander over„ „gegeven heeft, en zoo als men zegt, na Peringapatnam zoude opgeroepen zijn, dog ook onse gevangene meede genoomen hebben, Hoe hij gouverneur om te beproeven in hoe verre men op Trevancoor en Cochim des noods staat zoude kunnen maaken, deeser daagen hunne ministers, die de zaaken van oorlog aan deese kant bestieren, heeft laaten weeten, dat ons retranchement klaar en alle het noodige tot een Expeditie in gereedheijd is:, dat Charder Chan in persoon noordwaards ge„ „keert, en zelfs eenige van zijn volk meede genoo„ „men heeft, ten minsten dat de Jroupes van den Nabab eer vermindert als vermeerdert zijn; dat we nu voorneemens zijn om met onse magt op terukken, den vijand te herneemen het anst meer ts het geen hij ons afgenoomen heeft, en of ze nu ook klaar zijn om tezaamen benoorden Eran„ ganoor over en meede te gaan, en zoo niet of ze dan niet maar aan d' oost kant, of eijgentlijk aan de overkant van de Cranganoorse rivier hunne Troupes noordwaards willen doen op marcheeren, en daar beweegingen maaken, zoo meede of de koelis, dewelke ze ons beloofd „hebben, ook bij een zijn. Hoe zij daar op, na eenige omweegen eijn„ „delijk verklaarden, dat ze van hunne meesters speciaale ordre hadden, om niet ver„ „der te gaan, en niets anders te doen, als ze tot heeden toe gedaan hadden, namentlijk: den vijand zijne verdere ondernemingen te helpen beletten, en zelfs met geweld tekeer te gaan, indien hij movementen mogt maaken, om bezuijden Cranganoor te koomen, dog anders niet, met angstvallige bijvoeginge, dat als wij op den vijand afgaan en hem eens uijt het Chettuase mogten verdrijven, de Nabab„ die een magtig vorst is, dan naderhand, met zijn geheele magt zoude afkoomen, en de geheele mallabaar vernielen, &r=a Hoe kort daar op d'ordinaire agent van

NL-HaNA_1.04.02_3488_0373 view scan ↗

English

167 from Crevancoor came to inform the Governor that the king's ministers had been suddenly summoned to his highness, and that his highness, having learned that the Honorable Company intended to act offensively and drive the enemy out of the sandy land, earnestly requested not to do so, for no reason whatsoever, before his highness had spoken with him in person; that his highness intended to come here in person, expressly to speak with the Governor about the present state of affairs as well as about several other matters of importance. How in the meantime the Batavia ship Groenendaal has arrived here, bringing the reply of Their High Mightinesses to the Nabab's letter of the month of May 1775, together with gifts for the Nabab, of which the Governor immediately notified the Nabab by express letter through the channel of the new Governor of Calicoet. How a rumor has also spread that the Nabab wished to declare the conduct of Charder chan to have occurred without his orders, and that he has therefore ostensibly recalled Charder Chan. All of which being deliberated and taken into consideration: that in order to prevent all exceptions that might hereafter be raised by the kings of Trevancoor and Cochim upon a turn of events, it is equitable and even necessary to act by common counsel and to undertake no operations directly against their special request, at least so long as one is allied with them; that it is also not known what matters the king of Grevancoor might have to discuss; that besides this, a personal meeting under the present circumstances might generally be useful; that it is also known how discontented the Nabab has been that the answer to his letter written to Batavia was delayed so long, to the extent that he had already let slip, according to the accounts of several foreigners passing through here, that he would wake the Dutch up, without the Nabab wishing to consider that 168 Examined Alrian Boolvlick that the ship De princesse van Oranje had an uncommonly long voyage to Batavia; that the answer, together with the gifts, having now arrived from Batavia, might very well provide an opportunity to settle matters. Thus it has been unanimously approved and agreed, to the greatest service of the Company: still to persist in our resolution of the 19th of November to act only defensively, until the Governor shall have spoken with the king of Crevancoor and received an answer from the Nabab. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Mallabaar in the city of Cochim, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: A: Moens, R: van Haan, S: C: Saffin, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, and J:n A:m Cellarius Agrees H Schutz Secretary 169 Secret Resolution taken on Wednesday the 5th of March 1777. Present in the Council of Mallabaar in the city of Cochim: The Right Honorable Councillor Extraordinary of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director, Adriaan Moens The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Reinier van Harn The Honorable Major and Head of the Militia Jan Hendrik Medeler The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Samuel Constantin Paffin The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Ian Lambertus van Spall The Honorable Junior Merchant and Secretary of Police Abraham Rudolf Schutz The Honorable Junior Merchant, Shopkeeper, and Provision Master Abraham Jean Scipion Vernede The Honorable Junior Merchant Johan Adam Cellarius. After the members had taken their seats, the Governor presented a representation, which was read aloud and was of the following content: Honorable Sirs. Since an answer has now arrived from the Nabab, for which we have been waiting in accordance with our resolution of the 20th of January last, and we must therefore now consult further with one another on what we ought to do, I have deemed it necessary briefly to remind and show Your Honors: How, due to the unexpected invasion by the Nabab's troops into the Chetucase and the conquest Laponettij, we resolved in our meeting of the 13th of October 1776 to make use of the assistance of the kings of Trevancoor and Cochim, in order together with them to prevent, as far as possible, the further encroachment of the Nabab's troops, for which purpose they also offered themselves and even immediately had a portion of their troops cross over to Aijkotta. How the king of Trevancoor, during that engagement, expressly declared to our deputies sent to him for that purpose that he would not go beyond the defensive, and therefore also could not proceed to act offensively against the Nabab, since he himself had not yet been attacked by the Nabab. How we addressed ourselves to Ceijlon for assistance and resolved to request some sepoys from Cormandel, in order, supported by that assistance and by the force of Juevancoor, to be able to prevent the Nabab's further encroachment. How, having obtained considerable assistance from Ceijlon, we would gladly have tried, besides preventing the enemy's further encroachment, also to deal him a severe blow, and thus to avenge the insult done to the Company by him.

Dutch transcription

167 van Crevancoor den Gouverneur is komen bekent maaken, dat 's konings ministers bij zijn hoogheijd subiet opgeroepen was, en dat Ec zijn hoogheijd vernoomen hebbende, dat D' E: Comp: offensiev ageeren, en den vijand uijt het zandig„ 18 „land verdrijven wilde, ernstig liet versoeken om zulx tog niet te doen, om geene reeden waar„ „om, alvoorens zijn hoogheijd met hem mon„ „deling gesprooken had, dat zijn hoogheijd in persoon dit heen stond te koomen, expres om zoo wel over de tegenwoordige gesteldheijd van zaaken als over meer andere articulen van gewigt, met den Gouverneur te spreeken. Hoe intusschen alhier is opgedaagt het Batavias schip Groenendaal, waar meede aangebragt is het antwoord van Haar Hoog Edelheedens op 's Nababs briev van de maand Meij 1775:, benevens geschenken voor den Nabab, waar van de Gouverneur ten eersten aan den Nabab ken„ „nisse heeft gegeven met een Expresse briev door het Canaal van den nieuwen Gouverneur van Calicoet. Hoe er zich ook een gerugt versprijt heeft, dat den Nabab het gedrag van Charder chan wed riv ken, n„ k t de gent wild verklaaren buijten zijn ordres geschied te zijn, en dat hij daarom quanswijs Charder Chan heeft opgeroepen. Over welk een en ander gedelibereert en in aanmerking genomen wierd; dat het ter voor„ „kooming van alle Excepties, die na deesen bij omwenteling van zaaken door de koningen van Trevancoor en Cochim zouden kunnen gemaakt worden, billijk en selfs nodig is, met algemeen advis te handelen en geen onderneemingen direct teegen hun speciaal versoek te doen, ten minsten zoo lange men met hun geconjungeert is; dat men ook niet weet, welke zaaken den koning van Grevancoor te verhandelen mogt hebben, dat buijten des eene persooneele ontmoetinge in dese tijds omstandigheeden, over het algemeen, van nut zouden kunnen zijn, dat het ook bekent is, hoe onvergenoegd de Nabab is geweest, dat het antwoord op zijn briev na Batavia geschreeven zoo lang uijtgebleeven is, in zoo verre, dat hij zich al had laaten ontvallen, volgens verhaal van verscheijde hier gepasseerde vreemdelingen; dat hij de Hollanders eens zoude wakker maaken, sonder dat hij Nabab heeft willen Considereeren dat 168 Nagezien Alrian Boolvlick dat het schip De princesse van Oranje een ongemeen lange reijse na Batavia heeft gehad, dat het antwoord benevens geschenken nu van Batavia gekomen zijnde, veel ligt aanleijdinge zoude kunnen geeven, om de zaaken bij teleggen. zoo is unanimiter ten meesten dienste van de Comp: goedgevonden en verstaan: als nog te per„ „sisteeren bij ons besluijt van den 19: November om nog maar alleen defensief te ageeren, tot dat de Gouverneur met de koning van Crevancoor ge„ „sprooken en antwoord van den Nabab zal erlangt hebben. Aldus Gedaan, Geresolveert en G'arresteert in Raade van mallabaar ter steede Cochim ten dage, maand en Jaare voorm: /was Getekend:/ A: Moens, R: van Haan, S: C: Saffin, A: R: schutz, A: J: S: Vernede en I:n A„m Cellarius Accordeert H Schutz secret:s han A van dereeren Veerete 169 Secreete Resolutie genomen Dewel Edele Groot Agtb: Heer Raad Extraordinair van Nederlands Jndia mitsgaders Gouverneur en Directeur Adriaan Moens De E: Heer opperkoopm:, secunde en Hoofdadministrat:r Reinier van Harn „ E: Heer Majoor en Hoofd der Militie Jan Hendrik Medeler „ E: koopman, fiscaal en Caspier Samuel Constantin Paffin „ E: onderkoopm: en pakhuijsmeester Ian Lambertus van Spall „ E: _=o en secret:s van politie Abraham Rudolf Schutz. „ 8: _:o winkelier, en dispencier Abraham Jean Scipion vernede„ „ E: _=o Johan Adam Cellarius. Na dat de Leden zitplaats genomen hadden pro„ „duceerde de Gouverneur een vertoog, hetwelk opgeleezen wierd en van inhoud was, als volgt E: Heeren. Dewijl 'er tans antwoord vanden Nabab ge„ komen is, waar nawe, ingevolge onze Reso„ „lutie van den 20:' Januarij J:o leeden gewagt hebben, en wij dus nu met elkander nader dienen te overleggen, wat ons tedoen staat, zo hebbe noodig ge-oordeelt VE: kortelijk te herinneren en te vertoonen Hoe wij door den onverwagten inval van op Woensdag den 5:' Maart 1777:— Present in Raade van Mallabaar ter steede Cochim 's Nababs E 's Nababs troupes, in het Chetucase en het Con „quest Laponettij, in onze bij eenkomste van den 13:' october 1776: beslooten hebben om ons te bedienen van de hulp vande koningen van Trevancoor en Cochim, om met den tesamen den verderen indrang van 's Nababs troupes na mogelijkheijd te beletten, en waar toe zij zig ook aangebooden en zelfs ten eersten een gedeelte Hun„ „ner troupes op Aijkotta hebben laten overgaan. Hoe de koning van Trevancoor zig bij dat engage„ „ment, aan onze gecommitteerdens, die ten dien eijnde aan hem gezonden zijn, wel speciaal verklaart heeft, buijten het defensive niet te„ „zullen gaan, en dus ook niet te kunnen troe„ „den, om tegen den Nabab offensiev te ageeren, alzo hij door den Nabab zelfs nog niet ge„ „attacqueert was. Hoe wij ons, om assistentie, na Ceijlon ge-addres„ „seerd, en beslooten hebben, om van Cormandel eenige sipais teverzoeken, ten eijnde met die assistentie ondersteund, door de magt van Jue„ „vancoor, in staat te zijn 's Nababs verderen indrang te beletten Hoe wij van Ceijlon een aanzienlijk secours erlangt hebbende, gaarne hadden willen beproeven, om den vijand, behalven zijn verderen indrang te beletten, ook een gevoelige neep tegeven, en dus tewreeken, den hoon de Comp: door htem aan„ „gedaan

NL-HaNA_1.04.02_3488_0379 view scan ↗

English

done, all the more because the Ministers of Trevancoor and Cochim had promised that their troops would also make movements at that time, which gave us reason to hope that they were becoming truly earnest about countering the threatening danger through effective means, although it has since appeared that they would not have done so. How in the meantime, while we were having the necessities required for an expedition prepared and made ready, receiving news from Chettua that this fort could hold out no longer, it was considered by us that the loss of that fort would be very disadvantageous to us in all respects, and thus keeping and relieving it was absolutely necessary. How we, having attempted to do so, but the same having failed and Chettua having surrendered two days later, confined ourselves solely to the defensive, namely, to guard Aijkotta and Cranganoor, and to entrench ourselves strongly in order to prevent all further intrusion by the enemy. How, having finished the entrenchments, a trial was nevertheless made to see whether our allies, if we were to undertake something, would indeed also march out, as the Ministers had promised at first, at least to alarm the enemy on the eastern side. How, upon that direct inquiry, they openly declared that they had no orders to do anything more than what belongs to the general defense. How the king of Trevancoor, being apprehensive that we would then march against the enemy alone, very specifically and in an almost protesting manner, requested not to do so before he had first spoken with me. How just around that same time, per the ship Groenendaal, the reply from Batavia with gifts for the Nabab was brought here, of which I immediately gave notice to the Nabab. How we, supposing that this letter could give occasion to settle the matter, thereupon decided to remain on the defensive until I should have spoken with the king of Trevancoor and obtained an answer from the Nabab. How, after having waited in vain for both, and the king of Trevancoor finally writing that a severe illness of his mother had prevented his coming down, but that he would send his First Minister to me, and I standing ready to discuss further with Your Honour regarding the delay of Trevancoor and the Nabab's answer, on 21 February was received here a copy of a letter written from Seringapatnam to the Paljetter for communication, stating that our two captured officers were about to arrive here in full dignity, with a letter addressed to me. How on the 25th following arrived here Lieutenant Stip and Bookkeeper Riberto, the former captured during the Chettua expedition and the latter upon the surrender of Chettua, who informed me that two cariacaars, or cane-bearers, had come with them as far as Calicout with a letter from the Nabab addressed to me, who were to arrive shortly behind them; that our captured military men out of poverty and want had taken service with the Nabab, but that, on the other hand, the other people with women, children, and slaves who had been at Chettua, taken to Calicout, and detained there until now, had likewise received permission to come here, who have also since arrived with the letter carriers; that Stip and Riberto were charged by the Nabab in person to tell me that he would gladly continue to live in peace and friendship with the Company, hoping that the Company would also do so on its side, and that I would see his good intentions further from the letter he writes to me; likewise that each of them, having been presented with a robe of honor, with 100 rupees travel money, and 50 rupees betel money, had departed in a palanquin, with orders to the Governor of Calicout to send them as well as the detainees at Calicoet here by express vessels at the Nabab's expense; likewise, that they had been asked in Seringapatnam by the Nabab himself how much damage the Company had suffered during the past troubles; that they had answered that they could not state this; that Stip was asked what he had brought ashore from the Company's ships and lost; that his answer had been, men, weapons, and war supplies; that he was thereafter specifically asked whether he had not brought ashore and lost any cash belonging to the Company; that his answer had been, no cash; that of him, not by the Nabab, but actually by Charder Chan, it was requested to give a written proof of the latter, namely, that there were no cash funds

Dutch transcription

170 gedaan, temeer de Ministers van Trevancoor en Cochim beloofd hadden, om als dan hunne troupes ook beweeginge te zullen laten maken, het geen ons deed hoopen, dat het hun regt ernst begon teworden, om door kragt dadige mid„ „delen het drijgend gevaar tekeer tegaan, schoon 't zedert gebleeken is, dat zij zulks niet houden gedaan hebben. Hoe wij in die tussen tijd, dat we„e benodigtheeden, die tot een expeditie vereijsschen, lieten aanmaa„ ken, en in gereedheijd brengen, van Chettua tijdinge erlangende, dat dit fort het niet langer houden kon, bij ons in aanmerkinge gekomen is dat het verlies van dat tort ons in alles zeer na„ „deelig zoude zijn, en dus het behouden en ontzetten van het zelve absolut noodzakelijk was: Hoewij zulks getragt hebbende tedoen, dog, het zelve mislukt en Chettuca twee dagen daar na overgegaan zijnde, wij ons eenlijk tot het de„ „fensive bepaalt hebben, namentlijk, om Aijkotta en Cranganoor te bewaaren, en ons sterk te verschansen, ten eijnde den vijand allen verderen indrang te beletten. Hoe men met de verschansingen, klaar ge„ „komen zijnde, egter een preuv genomen heeft, of onze ge-allieerdens, als wij eens iets wieden onderneemen, ook waarlijk wel meede zouden optrecken ad „ optrecken, gelijk de Ministers in het eerste belooft hadden, ten minsten, aande oostzijde den vijand te allarmeeren. Hoe ze op dat directe tentamen, opentlijk verklaarden, geen order te hebben, om iets meer tedoen, als het geen tot de algemeene defensie behoord. toe de koning van Trevancoor bedugt zijnde, dat wij dan alleen op den vijand zouden afgaan, wel speciaal, en genoegzaam protesteerende wijze heeft laaten verzoeken, om zulx niet te doen, al„ „voorens Wij met mij eerst gesprooken had. Hoe 'er Juijst omtrend diezelfde tijd per't schip Groenendaal het antwoord van Batavia met geschenken aanden Nabab alhier aangebragt wierd waar van ik aan den Nabab ten eersten ken„ „nisse gegeven hebbe Hoe wij vermeenende, dat die briev aanlijdinge zou¬ „den kunnen geven, om de zaak bij teleggen, daarop beslooten hebben, nog bij het defensive te blijven, tot dat ik met den koning van Trevancoor gesprooken en antwoord van den Nabab zoude erlangt hebben. Hoe men, na het een en ander tevergeefs ge„ „wagt hebbende en de koning van Trevancoor eijn„ „delijk schrijvende, dat een zwaare ziehte van zijn Moeder Item zijne afkomste belet had, dog zijnen Eersten Minister bij mij zenden zoude en 171 en ik gereed staande om met VE: wegens het agter blijven van Trevancoor en's Nababs antwoord, nader tespreeken, den 21:' februarij alhier ontfangen wierd, Copia van een briev„ uijt seringapatnam aanden Paljetter geschreeven ter Communicatie, dat onze twee gevangene officieren, dit heen stonden tekomen in volle fatsoen, met een briev aan mij gerigt. Hoe den 25:' daar aan alhier arriveerden de luijte„ „nant stip en de Boekhouder Ribento, de eerste bij de Chettuase expeditie, ende laatste bij het overgaan van Chettua gevangen geraakt, dewelke mij bekent maakten, dat met hun tot op Calicout mede gekomen waaren, twee Caria„ „caars, of stokkedragers, met een briev van den Nabab aan mij gerigt, die agter aan stonden tekomen; dat onze gevangene Militairen uijt armoede en gebrek dienst bij den Nabab geno„ „men, dog dat daar en tegen, de andere lieden met vrouwen kinderen en slaven die te Chettua geweest na Calicout gevoert, en daar tot dus lange gearresteerd waaren, insgelijks vrij„ „heijd gekreegen hadden, dit heen tekomen, die ook zedert met de brieve dragers gekomen zijn; dat stip en Riberto door den Nabab in perzoon gelast waren, om aan mij tezegge, dat hij met de te zijde lijk k eer sie en inde, an wel „ schip schi t wierd gt ezou¬ daarop tot ken roo eijn„ van had, zoude de Comp:e gaarne in vreede en vriendschap wilde blijven leven, in hoop, dat de Comp:e zulx aan Haare zijde ook wilde doen, en dat ik zijn goede intentie nader zoude zien, bij de briev, die wij aan mij schrijft; zomeede datze ider met een eere kleed, met 100: ropijen reijs geld, en 50: ropijen betel geld beschonken zijnde, in een palenkijn afge„ „komen waaren, met order aanden Calicoetsen Gouverneur om hun zo wel als de ge-arres„ „teerdens te Calicoet per expresse vaartuijgen ten koste van den Nabab dit heen tezenden; zo meede, dat hun teseringapatnam door den Nabab zelfs afgevraagt was, hoeveel schaade de Comp:e bij de gepasseerde moeijelijkheeden wel geleeden had; datze geantwoord hadden, zulx niet te kunnen opgeven; dat aan stip was gevraagt, wat hij van wegens de Comp: van boord meede gebragt en verlooren had; dat zijn antwoord was geweest, volk, wapens en oorlogs behoeftens; dat hem daar na speciaal gevraagt was, of bij geen Contanten van de Comp: mede gebragt en verlooren had; dat zijn antwoord was geweest, geen Contanten; dat van Htem, niet door den Nabab, maar eijgentlijk door Charder Chan verzogt is geworden, om van het laatste een schrif„ „telijk bewijs tegeven te weeten, dat 'er geen Contanten

NL-HaNA_1.04.02_3488_0383 view scan ↗

English

172 were lost cash; and further, that Riberto had been asked what damage the Company had suffered at the surrender of Chettua; that his answer had been that he could not say so from memory; that he was subsequently asked how much cash, gold items and jewels belonging to the Company had been in Chettua at the surrender, and that he had answered, rather less than more than 1000: ropias in cash, but no gold items or jewels; that he had also been requested on this latter point by Charderchan to provide proof, namely that there were no gold items or jewels belonging to the Company in Chettua; and finally, that the Nabab had said to Stip and Riberto that the Company seemed very indifferent toward him, since its members did not even answer his letters. That on the 1st of this month, the two letter-carriers arrived here and delivered to me a letter from the Nabab in the Canarese language, which I had translated as soon as possible, and also succeeded in getting translated only with great difficulty, because there is only a single Banyan here who still understands that language somewhat, the said letter reading as follows: "I have always lived in good friendship with the Dutch Company; and it is well known to Your Most Honorable Excellency that the land of Chettua belongs to Calicut, and when my troops marched in that direction, those from the fort of Chettua fired upon mine; therefore I do not know what reason they had for doing so, yet my people suffered no damage on that occasion. I wish for nothing other than to live in good friendship with the Dutch Company; to which end, I send back the people who were brought from there." That after the departure of my latest original via Calicoet, I expressly dispatched a duplicate through the channel of a Roman priest, who managed to deliver it into the hands of a Roman priest in Siringapatnam, which latter is occasionally employed there in the Portuguese language and had the opportunity to deliver the said duplicate letter into the Nabab's own hands, and also to obtain a letter in reply to deliver back to me, which I then also received on the 2nd of this month, and likewise had translated from the Canarese as soon as possible, reading as follows: Your Most Honorable Excellency, 173 "I have received Your Most Honorable Excellency's letters, read them and understood their contents; between me and the Dutch Company a sincere friendship has always been maintained, and for my part, I have until now made not the slightest change in that regard. The land of Chettua was mortgaged by the king of Samorijn to the Honorable Company for the sum of 20,000:- Rop:s, and that amount has already been pocketed by the Honorable Company, and as much more during the period of 10: years, and that land belongs to Calicut; therefore Charder Chan went thither with my troops to negotiate on that matter, whereupon my people were fired upon, for my people did not go there to wage war. In my name, two skilled Portuguese knowledgeable in the language were sent thither, but those men were not properly received, which should not have been the case. I wish for nothing other than to maintain a good friendship with the Dutch Company, and hope that Your Most Honorable Excellency will also be so inclined. Your Most Honorable Excellency has been pleased to ask me by which route the letter from Batavia could securely come into my hands; it may be sent via Calicoet or Palcatcherij, when it will come into my hands. Alongside the Batavian letter, I request to be informed what instructions Your Most Honorable Excellency has received from Batavia; the letters which Your Most Honorable Excellency previously wrote in the Malabar language, I have not been able to get translated because there is no one here who understands the language; therefore I request Your Most Honorable Excellency to write to me henceforth in the Canarese, Persian, Hindustani or Dutch language." That from the letter it appears as though the Nabab speaks only of the lands near Chettua taken into sequestration by us from the Samorijn, and as though he had sent two persons skilled in the Portuguese language to treat with me regarding those lands, and as though those people were not accepted by me, although I have no knowledge of them, nor was any notice of them given to me either by the Nabab or by his army commander; while there is also, according to the Nabab's statement, a discrepancy between the time when, and the sum for how much, those lands were taken over by us, since the Nabab speaks of 10: years long and 20000: Rop:s, and that the revenues obtained therefrom already surpass the 20000: rop:s, whereas the same were taken over by us into sequestration in the year 1763: for 12116 37/60 rop:s, and not more than an amount of rop:s 5914 14/940 has been received by us from them in dues, and that we therefore, instead of having to make restitution of anything, ought still to receive 6202 /48: rop:s. That from this it appears that Charder Chan, whom I fully informed in this regard, did not give a proper report thereof to the Nabab and kept me ignorant concerning the dispatch of those two persons in order to play his part all the better, or else that the Nabab himself fabricates that pretext and thus subtly gives us an opportunity, now that writing for him has arrived from Batavia, to enter into negotiations regarding this through further elucidation. That by the said letter he seems to long for the contents of the Batavian letter, and would even gladly know what orders I have received

Dutch transcription

172 „verlooren Contanten waaren; en wijders, dat aan Riberto gevraagt was, wat schaade de Comp: bij het over„ „gaan van Chettua geleeden had; dat zijn antwoord was geweest, dat hij zulx uijt zijn hoofd niet E zeggen kon; dat htem vervolgens gevraagt was, hoeveel contanten, goudwerken en Juweelen van de Comp: in Chettua bij het overgaan geweest waaren, en dat hij geantwoord had, eer min, als meer 1000: ropias aan contanten, dog geen goudwerken of Juweelen; dat htem van dit laatste ook door Charderchan verzogt is geworden, een bewijs te „geven, namentlijk, dat 'er geen goudwerken of Juweelen van de Comp: in Chettua geweest zijn, en eijndelijk, dat de Nabab tegen stip en Ribento had gezegd, dat de Comp: zeer onverschillig om„ „trend hem schien, alzo men zijne brieven niet eens beantwoorde. Hoe den 1:' dezer, de twee brieve dragens hier gekomen zijn, en mij overgegeven hebben, een briev van den Nabab inde Canareese taal, die ik zodaa mogelijk liet translateeren, en ook met veel moeijte getranslateerd gekreegen hebbe, dewijl men hier maar een enkeld ben„ „jaan heeft, dewelke die taal nog wat verstaat luijdende gem: brief aldus „ Ik heb altoos met de Hollandse Comp=e in l schrit„ „ in goede vriendschap geleefd; en het is vwel „ Ed:e groot agtb: bekent, dat het land van Chettua „ aan het Calicoetse gehoord, en toen mijne troupes „ nadie kant opmarchieerde, hebben die van „ 't fort van Chettua op de mijne geschooten, dus „ weet ik niet, wat reeden men daar toe „ heeft, dog mijn volk heeft bij die gelegent„ „„heijd geen schaade bekomen; Jk wensch niet „ anders, als met de Hollandse Comp: in goede „ vriendschap te leeven; ten welken fine, sende „ ik weder terug, 'tvolk dat van daar „gebragt is. Hoe ik na het afgaan van mijn Jongste origi„ „neele over Calicoet, expres een duplicaat af„ „gezonden hebbe, door het Canaal van een rooms priester, die dezelve had weeten te bezorgen, in handen van een roomse priester te siringa„ „patnam, welke laatste, daar, inde portu„ „geeze taal nu en dan wel eens gebruijkt word, en gelegentheijd gehad heeft gem: dupli„ „caat briev, eijgenhandig aanden Nabab over„ „tegeven, en ook een briev tot antwoord te erlangen, om weder aan mij te bezorgen gelijk ik die dan ook den 2:' dezer ontvangen en almeede zodra mogelijk uijt het Canna„ „reer hebbe laten translateeren, luijdende aldus: Uwel Ed. e 173 „ Uwel Ed:e groot agtb: brieven heb ik ontvangen „geleezen en dies inhoud verstaan; tussen mij, en „de Hollandse Comp:e is altoos geconserveert „ een opregte vriendschap, en van mijn kant, „heb ik tot nog toe daar omtrent geen de „ minste veranderinge gemaakt; Het land „ van Chettua is, door den koning van sam„ „„morijn bij d' Ecomp: verpand voor de somma „ van 20'000:- Rop:s en dat bedraagen is bij „ d' EComp: reets ingepalmt, en nog zoveel, „ meer geduurende de tijd van 10: Jaaren, en „ dat land gehoort aan het Calicoetje, dier„ „halven is Charder Chan met mijne troupes, „ daarnatoe gegaan, om over die zaak te „ verhandelen, als wanneer men op mijn „ volk geschooten heeft, want mijn volk is „ daar niet gegaan om den oorlog tevoeren „ uijt mijn naam zijn naar derwaarts ge„ „zonden, twee taalkundige en bequaame „ Portugeezen, maar die menschen zijn niet „ wel gedefroijeert, hetgeen zo niet behoorde „ teweezen; Jk waensche niet anders als met „ de Hollandse Comp:e een goede vriendschap „ te onderhouden, en verhoope dat uwel Ed=e „ groot agtb: daartoe ook g'inclineert zal „weesen. uwel Ed:e Groot agtb: heeft mij gelieven te is vwel upes gent„ goede sende aan origi„ at ro af„ ga„ ikt dupli„ over„ gen tvangen Cam ldus: na„ tie t te vraagen, doorwelke weg de briev van „ Batavia secuur in mijne handen zoude kon„ „nen komen; deselve kan over Calicoet, of „ Palcatcherij gezonden worden, wanneer desel„ „„ve in mijne handen komen zal; Jk ver„ „„roeke nevens de Bataviase brief, mij „ te bedeelen, wat dispositie uwel Ed:e groot „ agtb: van Batavia gekreegen heeft: de „ brieven die uwelEd:e Groot agtb: bevoorens „ inde mallabaarse taal geschreeven heeft, „ heb ik niet vertaald konnen krijgen „ omdat hier niemand is, die de taal ver„ „„staat; daarom verzoeke uwel Ed:e Groot agtb: mij voortaan inde Canapeese, per„ „ „ „siaanse Hindoustanse of Hollandse taal „ te schrijven. Hoe het uijt de briev schijnd, als of de Nabab maar alleen van de bij ons vanden sammorijn in sequestratie genomen landerijen, bij Chettua spreekt, en als of Hij, twee perzoonen, de portugeeze taal kun„ „dig, gezonden had, om met mij over die landen te handelen, en als of die lieden bij mij niet ge-ac„ „cepteerd waaren, schoon ik geen kennis van tun draage, en mij ook van hun geen kennis zomin door den Nabab, als door deselfs Leger„ Hoofd gegeven is; terwijl en ook, volgens 's Na„ „babs 174 „babs opgeven, een verschil is, tusschen de tijd, wan„ „neer, en de somma voor hoe veel, die landen bij ons overgenomen zijn, alzo de Nabab zegt, van 10: Jaaren lang en 20000: Rop:s en dat de daar van erlangde inkomsten, de 20000: rop=s al surpasseeren, daar dezelve bij ons in sequestra„ „tie overgenomen zijn, A:o 1763: voor 12116 37/60 rop:s en door ons daar van aan geregtigheeden ont„ „vangen is, niet meer als een bedragen van rop:s 5914 14/940 en dat wij derhalven, in steede van iets te restitueeren, nog zoude moeten hebben 6202 /48: r0p=s Hoe hier uijtblijkt, dat Charder Chan, die ik derwegens duijdelijk ge-informeert hebbe, daar van geen behoorlijk verslag aan den Nabab gedaan en mij nopens de afzendinge van die twee perzoonen ignorant gelaten heeft, om zijn vol des te beter tespeelen, of ook wel, dat de Nabab zelfs, dat voorwendsel verzind, en ons dus ongevoelig gelegentheijd geeft, om nu 'er schrijvens van Batavia voor hem geko„ „men is, door een nadere elucidatie, derwegens in onderhandelinge tekomen „Hij toe „ bij gem: briev schijnd te verlangen, naden inhoud van de Bataviase briev, en zelfs gaarne wild weeten welke ordres ik gekree„ „gen de alleen tie

NL-HaNA_1.04.02_3488_0388 view scan ↗

English

...and finally How the release and the distinct manner of treatment accorded to Stip and Riberto, added to what Stip and Riberto have observed from various circumstances in Patna, somewhat seems to indicate as if we would have preferred that Charderchan had not treated the Company so directly and rudely, as perceiving that he is now disrupted more than usual in his prospects regarding Trevancoor. See there, Gentlemen! Thus matters stand at present; the circumstances in which we find ourselves, and the intervening occurrences, have according to our best knowledge caused us to remain on the defensive until now, and to refrain from the offensive; the enemy, having been checked in his advance, has also until today been able to undertake nothing further, neither by land nor by sea; his fleet, consisting of one three-masted ship, six two-masted gurabs, and about twenty galwets, crammed with people, is and remains in the fairway from Mangaloor to Calicoet, but dares not come further southward, although I have been informed these days that the fleet has been enlarged with even more galwets; rumor also has it that the Nabab currently has some business with the Marathas; but if he should effectively have to do with them, then this must not be of much importance, since I having received news these days directly from Suratte, nothing is mentioned thereof; the Ministers of Trevancoor and Cochim have recently assured me further that they may not proceed to the offensive, but will faithfully assist in case the troops of the Nabab wished to break through further; that their Masters will shortly write to Batavia concerning the present circumstances; the King of Trevancoor is also for the present not coming down to speak with me, and his first State Minister is indeed expected here daily, yet is not here either; but the answer of the Nabab has arrived, and thus we must now proceed to a further resolution as to what we ought now to do according to the present state of affairs for the best service of the Company. Cochim, the 5th of March Anno 1777. Was signed: A. Moens. Whereupon was then extensively deliberated and taken into consideration: That from the last letter of the Nabab it does not positively appear that he lays claim to the conquest Paponettij, because he only speaks of the mortgaged lands of Chettua, which effectively belong to him as representing the Zamorin, notwithstanding the difference shown hereinbefore concerning the time and the sum of the mortgage, and the revenues which we have enjoyed therefrom; regarding which one can now further elucidate him. That even if one should succeed by force of arms with the Nabab in retaking Paponettij and Chettua, we will continually have to remain in an expensive posture of defense, because from Calicoet and Chawacattij, situated so near on the opposite side of the river, he can always enclose our remote little fort Chettua and keep us daily in toil by committing all kinds of wantonness and raids in the conquest, even merely by the Calicoet and Chawacatt Moors, supported by some foot soldiers and cavalry, just as the Zamorin has done time and again, even without cavalry, to whom the ceding of Paponettij and the building of our fort Chettua has always been a thorn in his flesh, as appears from the old papers, namely: How the Company has generally had many difficulties with the Zamorin rulers, indeed time and again has had to wage expensive wars, principally since the year 1707, when the King of Cochim unexpectedly made an invasion into the realm of the Zamorin, so that the Company, after having made fruitless efforts to reconcile those two rulers with each other, was at last compelled to take up the matter and check the Zamorin in his advance, on account of the known state interest that the Company has in the preservation of the Cochim realm, whereby several attacks occurred on both sides; and disagreeable things existed, on which occasion the Company wished to erect a stockade near the Chettua river, which the Zamorin would not allow, but rather permitted to the English, who provisionally were already busy building a house there, until finally the Zamorin made a proposal to treat for peace, whereupon the place to treat thereof was determined at Chettua; when meanwhile a stockade was quickly thrown up there, which actually is the first origin of the fort Chettua, until on the 18th of January 1710 a contract was concluded with one another, whereby among other things the Zamorin renounced his suzerainty both over the Payencherrys and the petty king of Cranganoor, both of whom were then for the first time placed under the protection of the Company, and after which the aforesaid stockade was converted into a stone fortress, yet very much against the liking of the Zamorin, who had tried by all sorts of ways to prevent that construction, and finally on the 22nd of January 1715 unexpectedly surprised the same at night, from which a war again arose, on which occasion the fort, since abandoned and demolished by the Zamorin, was rebuilt, until finally peace was concluded once again under date of the 17th of December 1717, by which contract the Zamorin not only again renounced suzerainty over the Payencherrys and the petty king of Cranganoor, but also then for the first time over the territory of Paponettij, whereby (since the lands of the King of Ayroor and the Prince Cartamana lie precisely in the Paponettij area) these petty rulers were also automatically brought under the suzerainty

Dutch transcription

„gen hebbe en eijndelijk Hoe het los laten ende distincte wijze van be„ „handelinge, aan stip en Riberto, gevoegt bij het geen stifp en Riberto uijt verscheijde om„ „standigheiden te Patna hebben bespeurt, eenig„ „zints schijnd aantetoonen, als of wij liever gezien had, dat Charderchan, de Comp: zo di„ „rect en lomp niet aangedaan had, als mer„ „kende, dat hij nu in zijne uijtzigten op Jrevan„ „coor meer als anders, gederangeerd is. zie daar mijn Heeren! zo staan de zaken tans; de omstandigheeden waar in wij zijn, en de tus„ „schen gekomene voorvallen hebben ons na onze beste kennisse tot heden toe, bij het defensive doen blijven, en van het offensive afzien; de vijand in zijn vaart gestuijt zijnde, heeft ook tot heden toe, niets verder kunnen onder„ „neemen, zo min telande als ter zee; zijn vloot, bestaande uijt een drie mastig schip, zes twee mastige gourabs en omtrend twin„ „tig gaewets, opgepropt met volk, is en blijfd in't vaarwater van mangaloor tot Calicoet, dog durfd niet verder zuijdwaarts afkomen, schoon ik dezer dagen ge infor„ „meerd ben, dat de vloot, met nog meer gal„ „wets vergroot is; het geaugt wild ook, dat de 175 de Nabab tans met de Maratters wat te doen heeft; dog indien hij effectiev met hun tedoen mogt hebben, dan moet zulks tog niet veel van belang zijn, alzo ik dezer dagen direct uijt suratte tijdinge er langd hebbende, niets daar van gemeld word; de Ministers van Trevancoor en Cochim hebben mij onderdaags nog nader laten verzekeren, datze niet tot het offensive mogen treeden, maar getrou„ „welijk zullen helpen, ingevalle de troupes van den Nabab verder wilden doorbreeken; dat hunne Meesters over de presente omstan„ „digheeden, eerstdaags na Batavia zullen schrij„ „ven; de koning van Trevancoor komt ook voor eerst niet af, om met mij tespreeken, en zijne eerste staats Ministen word wel dagelijks hier verwagt, dog is hier ook niet; maar het ant„ „woord van den Nabab is gekomen, en dus dienen wij nu tot een nader besluijt te treeden„ wat wij naar de tegenswoordige gesteldheijd van zaken ten meesten dienste vande Comp=e nu dienen tedoen. Cochim den 5:' Maart Anno 1777: /:was getekent:/ A:n Moens. Waar over dan omstandig gedelibereerd en in aanmerkinge genomen wierd. Dat be„ bij om eenig„ i„ Taevan ; der„ schip, twin„ is waarts for„ gal„ ,dat tot en Dat uijt de laatste briev van den Nabab niet positiev beijkt, dat hij op't Conquest Paponettij pretentie maakt om dat hij maar spreekt van de verpande Landen van Chettua, die htem als den sammorijn, representeerende, effectiev toekomen, ongeagt het hier vooren aangetoonde verschil, omtrend de tijd en de somma den ver„ „pandinge, en de revenuen, die wij 'er van genoten hebben; waaromtrend men hem nu nader elu„ „cideeren kan. Dat men al eens reuzeerende met den Nabab door geweld der wapens Paponettij en Chettua te herneemen, wij bij continuatie in een kost„ „baar postuur van defensie zullen moeten blijven dewijl Hij van Calicoet, en het aan de overzijde der rivier zo nabij gelegene Chawacattij, ons afgelege Fortje Chettua, altoos insluijten, en ons dagelijks in't labeur ken houden, met in het conquest, allerleij baldadigheiden en strope„ „rijen aanterigten, zelfs alleen maar door de Calicoetse en Chawacatse mooren, onderstumd met wat Latanders en Ruijters, even gelijk de sammorijn eens en andermaal, zelfs zonder Ruijterij gedaan heeft, die altoos het afstaan van Paponettij en het opbouwen van ons fort Chettua, een doorn in zijn vlees is geweest gelijk uijt de oude 176 oude Papieren blijkt namentlijk. Hoe de Comp:e met de sammorijnse vorsten doorgaans veele moeijelijkheeden gehad, Ja eens en andermaal kostbaare oorlogen heeft moeten voeren, voornamentlijk, 'tzedert het Jaar 1707: als wanneer de koning van cochim, op 't on„ „verwagts in het Rijk van den sammorijn een inval deed, zodat de comp: na vergeefze moeite gedaan te hebben, om die twee vorsten met elkander te bevreedigen op het laatste genood„ „raakt was, zig de zaak aantetrekken, en den sammorijn in zijn vaart te stuijten, uijt hoofde van het bekende staats belang, dat de Comp: bij het behoud, van het Cochimse Rijk heeft, waar door 'er verscheijde attacques wederzijds voorvielen; en misselijke dingen exteer„ „den, bij welke gelegentheijd de Comp:e een pagger bij de Chettuase rivier wilde oprigten, het geen de sammorijn niet wilde toestaan, maar veel eer aan de Engelse permitteerde, die bij provi„ „sie al bezig waaren, daar een Huijs te tim„ „meren, tot dat eijndelijk de sammorijn liet voor„ „slaan, om over den vreede te handelen, waarop de plaats, om daar over te Handelen, te Chettua bepaald wierd; als wanneer men aldaar in „tusschen spoedig een pagger opwierp, het geen eijgentlijk net de oten „ bab van ua de i an eijgentlijk de eerste oorsprong van het fout Chettua is, tot dat men den 18:' Januarij 1710: met elkan „der een Contract sloot, waarbij onder andere de sammorijn afstand deed; van zijn opperheer „schappij, zo over de Paijencherijs als het koningje van Cranganoor, welke bijde toen voor de eereste„ „maal onder de protectie van de Comp:e gesteld wierden, en waar na voorsz Pagger in een steene fortres verandert wierd, dog zeer tegen den zin van den sammorijn, die door allerhande weegen, dien opbouw had tragten te beletten, en eijndelijk den 22:' Januarij 1715: het zelve, des nagts, op het onverwagts overrompelde, waar uijt weder een oorlog ontstond, bij welke occagie het zedert door den sammorijn verlatene en gedemoiljeerde fort, weder opgebouwt wierd, tot dat eijndelijk de vreede andermaal gemaakt wierd, onder dato 17:' xber: 1717: bij welk con„ „tract de sammorijn niet alleen weder van de opperheerschappij over de Paijencherijs en het Crangauoorse koningje, maar ook toen voor de eerstemaal, van het Landschap Laponettij afstand deed, waar door (alzo delanden van den koning van Aijroer, en den Prins Cartama„ „na, Juijst in het Paponettijse leggen, deze vorst¬ „jes ook van zelfs gebragt wierden, onder de opperheerschappij

NL-HaNA_1.04.02_3488_0393 view scan ↗

English

177 sovereignty of the Company, while subsequently in the month of December 1719 the fortress of Chettua was entirely completed, which he viewed with envious eyes, suddenly feeling regret over the surrender of his lands, continually asking for the restitution thereof, until in the year 1750 he began to raise his horns about it once more, and finally in the year 1757, entirely casting off all restraint, recaptured the conquest of Paponetty and made an incursion into the Chettua district, so that one had to wage war against him yet again, which ended in the following year with the return of the captured conquest of Paponetty, from which the contract of 1758 has its origin, although he afterwards openly refused to sign the same, but has since that time kept quiet toward the Company, though it is to be expected that if he had been able to get back on his feet somewhat, and had not since the year 1766 been attacked by the Nawab, he would certainly have made trouble again for his ceded lands; while in this matter it furthermore came into consideration: That the land of Laijencherijs makes up a large third of the island, and does not belong to us in ownership; that the petty kingdom of Cranganore, which in itself does not belong to us either, together with the lands of Aijroen, Cartamana, and several other Cranganore lands, as well as the 18½ villages recently handed over to the King of Cochin, and several other lands belonging to other private parties, which also lie in Paponetty and likewise do not belong to us, also make up a large part of the island, and that our own possessions at the very most make up only a small half of that district, which in the Company's papers is actually called the conquest of Paponetty, and consequently a very small part of the entire island, these our possessions consisting of gardens and farmlands, not together, but irregularly scattered everywhere, so that we now again possess on that island only the same as what we possessed in the year 1710, namely the fort of Cranganore and its limits, being about the distance of a cannon shot. That the few lands which we hold in sequestration from the Zamorin and which lie well over an hour on this side of Chettua effectively belong in ownership to the Nawab, and regarding which we must allow him to dispose if he so desires, although we could ask him for the remaining principal that is still lacking thereon, so that 170 that the Nawab, wishing to manage those small lands or small gardens himself, however trifling they may be, could always place troops there, and even if he wanted a stronghold there, could build a fortress, and it would thus be in his power to continually disturb us solely from there, and thus from nearby. That it would therefore be the question, if the Nawab were to insist absolutely on Chettua and what we possess in the Paponetty district, whether it would then suit the Company to sustain an expensive war against this Nawab, whose element seems to be war, for the sake of that remote small fort and those few lands in Paponetty, considering that the revenues according to the statement of the trade officials, after deduction of the expenses of the conquest of Paponetty in the last five years on average, have amounted annually to only a sum of f19572:8:- and Chettua in the last five years on average has been an annual expense of f3731:3:-, and thus from both an annual income of only f15640:17:8; That with regard to Travancore and Cochin it now appears in retrospect that although they once asked us, according to what was noted in our letter to Batavia of 28 October 1776, whether one might act offensively in order to then make some proposals, they only wanted to sound us out back then, besides the fact that they then had more courage than afterwards, since they are now all too fearful and even apprehensive that if we undertake something and we cannot hold it, they as well as we will then run into danger, because their preservation depends on ours, although it were to be wished that for that same reason they would also help put into effect all effectual and earnest means to give the enemy a sensible pinch. That besides this, to advance alone without Travancore and the King of Cochin, one has this difficulty, namely a lack of coolies, since the Company here has no persons obligated to public service, but free people, who, being forced into any service against their will, immediately run away, as was seen when the troops of the Nawab recently made the first incursion, at which time the coolies in these surrounding areas would not even come to work at the town and in the roadstead anymore, but gradually began to absent themselves, on account of

Dutch transcription

177 opperheerschappij van de Comp:e terwijl vervolgens in de maand xbed: 1719: de fortres Chettua; ten eene„ „maal voltooijd wierd, het geen hij met nijdige oogen aanzag, krijgende alschielijk berouw over de afgave zijner Landen, vragende geduurig om restitutie van dezelve, tot dat hij anno 1750:, alweder de Hoorens daar over begon opte steeken en eijndelijk in't Jaar 1757: ten eenemaal het makker afleggende, het conquest Paponettij weder innam, en een inval in het Chettuase deed, zo dat men toen alweder den oorlog tegen hem moest voeren, die in't volgende Jaar, onder terug gave, van het ingenomene Conquest Papo„ „nettij, eijndigde, waarvan het Contract 1758: zijn oorsprong heeft, schoon wij het zelve naderhand opentlijk gewijgert heeft tetijkenen, dog zig zedert die tijd omtrend de Comp:e stil gehouden, daar het egter te denken is, dat indien Hij weder wat opde been had kunnen komen, en bij 'tzedert het Jaar 1766: door den Nabab niet alwas overvallen, bij alweder wel beweeginge zoude gemaakt heb„ „ben, om zijn afgestaane landen; terwijl bij dezen, alverder in aanmerkinge quam. Dat het Land van Laijencherijs een groote derde van het Eijland uijtmaakt, en ons niet in eijgen„ „dom toebehoord, dat het Rijkje van Crangenoor het welk Chettua elkan„ t er„ gje eerste„ de waar waa occagie wierd, maakt con„ het voor voor ettij van tama„ vorst¬ de schappij welk op zig zelven ons ook niet toebehoord, met de Landen van Aijroen, Cartamana, en nog ver„ „scheijde Cranganoorse Landen, zomeede de onlangs aan den Cochimer afgegevene 18½ dorpen, en nog verscheijde landen, die andere particuliere toebehooren, dog ook in het Paponettijse leggen, en ons almeede niet toebehooren, ook wel een groot deel van het Eijland uijtmaaken, en dat onze eijge bezittinge ten ruijmsten genomen, maar een klijne helfte van dat district uijt„ „maakt het geen bij 'sComp:s papieren eijgentlijk ge„ „noemt word, het Conquest Paponettij, en bij gevolg een zeer gering gedeelte van het geheele Eijland, bestaande deze onze bezittinge in tuijnen en landerijen, niet bij elkander, maar over al — inreguliere versprijd, invoegen we thans nu weder, op dat Eijland maar het zelfde bezitten, het geen wij in het Jaar 1710: bezeeten hebben, nament„ „lijk het fort Cranganoor en dies limieten zijnde omtrend een Canon schoot groot. Dat dewijnige landen, die bij ons vanden Sammro„ en wel meer als een uur aan deze kant van Chettua leggen „rijn in sequestratie zijn /: den Nabab effectiev in eijgendom toekomen, en waar over wij hem moeten laten disponeeren, indien hij zulks begeert, schoon wij daarvoor zoude kunnen vragen het restant Capitaal, dat daar op nog manqueerd, zo dat 170 dat de Nabab die landjes of Thuijntjes hoe geringze ook zijn mogen, zelfs willende beheeren, daar altoos volk plaatzen, en zelfs als hij 'er een vastigheijd opwilde hebben, een portres opbouwen kan, en het dus in zijn vermogen zoude zijn, ons alleen van daar, en dus van nabij, continueel te ontrusten Dat het dus de vrage zoude zijn indien de Nabab eens absolut bleef staan op Chettua en het geen we in het Paponettijse bezitten, of het de Comp:e dan wel zoude Convenieeren om dewille van dat afgelege fortje en die wijnige landen in het Paponettijse een kostbaaren oorlog uijtte„ „houden tegen dezen Nabab, wienselement de oorlog schijnt te zijn, gemerkt de inkomsten volgens opgave der Negotie bediendens, na aftrek der lasten van het Conquest Paponettij in de Jongste vijf Jaaren door elkander gerekend, Jaarlijks maar bedragen hebben een somma van ƒ19572:-8: en Chettua inde Jongste vijf Jaaren door elkander gerekend, Jaarlijks een lastpost is geweest van ƒ3731:3:—. en dus van beijde een Jaarlijks inkomen maar van ƒ15640. 17:8:; Dat met betrekkinge tot Trevancoor en Cochim het nu van agteren blijkt, dat schoon zijn ons volgens het genoteerde bij onse briev na d met gevolg and, en zitten, nament„ nde mmro¬ gen in em begeert, zo ƒ na batavia van den 28:' 8ber: 1776: eens gevraagt hebben, of men ook offensiev zoude ageeren om als dan eenige voerstellen tedoen, zij ons toen maar hebben willen polsen, behalven, datze toen nog meerder moet gehad hebben als nader„ „hand, dewijl ze tans, maar alte bevreest en zelfs bedugt zijn, indien wij iets ondernee„ „men, en wij het niet kunnen houden, dat zij zo wel als wij dan gevaar loopen, om dat Hin behoud van het onze dependeert, schoon het te„ wenschen was, datze ook om die zelfde reeden alle kragt dadige en ernstige middelen wilden helpen in't werk stellen, om den vijand een gevoelige neep tegeven. Dat men buijten des, om alleen, zonder Trevancoor ende Cochimer optetrecken, deze swarigheijd heeft, namentlijk, gebrek aan coelijs, alzo de Comp: hier geene verpligtelingen tot 'sHeeren dienst heeft, maar vrije menschen, die tegen Hun zin, tot eenigen dienst gedwongen wordende, aan„ „stonds verloopen, gelijk men gezien heeft, toen de Troupes vanden Nabab onlangs den eersten inval deeden, als wanneer de Coelijs hierom„ „streekt, zelfs niet meer, aande stad en op de rheede wilden komen arbijden, maar gaande weg zig begonden te absenteeren, uijt hoofde van

NL-HaNA_1.04.02_3488_0397 view scan ↗

English

179 of the dread and fear which the native has for the troops and cavalry of the Nabob, and has never had so greatly for any other princes; so that it was quite an effort to induce them to return by gentle coaxing, though since then they cannot be had for any payment, no matter how large, to go to the north or further than Cranganore, for which reason, for the throwing up of our entrenchments before Cranganore and Aycotta, we have had to make use of Travancore and Cochin coolies, who were requested and also obtained for that purpose from Travancore and the Cochiner, because those entrenchments served for the defensive. That when the last war was waged against Travancore, we still had several native princes on our side, like the kings of Tekkencour and Berkencour, Porca and several others, who, like all native princes, acting despotically with their inhabitants, assisted us then with their coolies, which now falls away, since these princes have been subjugated by Travancore. That, however, in order to march out, at least for the field artillery with its appurtenances, cartridge boxes [illegible] cartridge boxes, hammocks for the wounded, for provisions and further unavoidable necessities, one absolutely must have coolies, and without the same, can strictly not march out, unless one were to seize the natives by military force and compel them to perform coolie service, but from which coolies one could expect nothing else than that, even if covered in the field by soldiers, they would take flight, and leave us stranded with the artillery and everything. That during the good monsoon, one cannot rely on the river either, to transport anything of importance over the same, because in the good monsoon or dry season, north of Cranganore up to Chettua, it becomes very shallow and even fordable in various places; a matter too well known to demonstrate at greater length, not to mention that even from here to Cranganore one already gets stuck from time to time, as has been experienced more than once in these days during the transportation of necessities from here to Cranganore, to such an extent that empty vessels had to be sent after them to partially unload the cargo and get the vessels afloat. That we are thus under the absolute impossibility to 180 to leave the entrenchment, and to march out from the same northwards with any force of importance, without exposing our men to being cut off and surrounded, which the native is generally intent upon. That as we are currently positioned, according to the unanimous testimony of our military officers, and as far as we can judge to the best of our knowledge, we are sufficiently able to prevent further intrusion, to which the interest of Travancore naturally demands that it also contributes its share, and to which it has also bound itself. That it appears from the letter of the Nabob, as well as by the return of [illegible], De Riberto and the Chettua prisoners, that the Nabob seems to have taken the first step to arrive at an accommodation with us. That it cannot be unknown to him how likewise the previous Batavian presents were withheld for some time, although this was accidentally discovered and redressed in all haste, since which time the Governor also first entered into correspondence with him, and remained so, until the Nabob thought that the answer from Batavia to his last letter could already have arrived and had not yet come. That this unfortunate delay of that answer must have caused more or less displeasure with a prince as proud as he is. That he, knowing that a letter and gifts have now arrived for him, likewise should not have the same withheld, but sent to him to avoid further bitterness now that he offers friendship, as he might regard that withholding as a contempt of his offered friendship, and as a cause for further retaliation, the more so as they are gifts in return for the gifts that he had already sent to Batavia in the month of May 1775; and finally That it is therefore necessary to make use of his offer of friendship as soon as possible, and to see to entering into negotiations with him, since, in case of failure, because Travancore and Cochin strictly do not want to march out with us anyway, we would still only be in the same situation we are in now. Thus, after earnest deliberation and serious consideration of everything that further came under notice at this meeting 181 meeting, it was unanimously approved and resolved To abstain for the present from the offensive and consequently still remain on the defensive. To send the Batavian letter and gifts to Calicut for further delivery to the Nabob. Meanwhile, however, to keep ourselves in that posture in which we currently are. And to answer the Nabob's letter by the staff-bearers, and therein, among other things, to mention that the offer of his friendship is agreeable to us, that we are willing to negotiate with him about the mortgaged Chettua lands, either with two persons from him whom he might wish to send here, or else with two persons from us whom he might wish to have there, all in such manner as follows hereafter: I have had the honor to receive Your Highness's two latest letters shortly after one another. Your Highness writes that Your Highness sent two persons skilled in the Portuguese language some time ago to speak about the lands that were mortgaged to the Company by the Zamorin; I declare to Your Highness on my word of honor that those persons did not [illegible]

Dutch transcription

179 van de schrik en vreeze, die den inlander voorde troupes en Ruijterij van den Nabab heeft, en nimmer zo zeer voor eenige andere vorsten gehad heeft; zodat men nog werk gehad heeft, om hun met een zoet lijntje, weder te doen komen, dog hun 'tzedert voor geen beta„ „linge, hoe groot ook, nade noord of verder als Cranganoor krijgen kan, om welke reeden men tot het opwerpen van onse Re„ „tranchementen voor Cranganoor en aijcotta, zig heeft moeten bedienen van Trevancoorse en Cochimse Coelijs, die men daar toe van Jrevancoor en den Cochimer verzogt en ook gekreegen heeft, omdat die retranchementen tot het deffensive diende. Dat toen men den laatsten oorlog tegen Trevan„ „coor voerde, men nog verscheijde inlandse vorsten aandehand had, gelijk de koningen van Jekkencour en Berkencour Porka en meer andere, die, gelijk alle inlandse vorsten, met Hunne inwoonders dispoticq handelen, ons toen met Hun Coelijs geassisteerd hebben, hetgeen nu vervald, 'tzedert deze vorsten door Trevancoor ten onder gebragt zijn. Dat men egter om optetrecken, ten minsten voor de veld arthillerij met dies toebehooren, pat„ „troonkistjes gevraagt en ons datze nader„ vreest dernee„ Hin en ilden een revan coor heijd zode eren tegen Hun „aan„ toen sten om„ en op gaande fde „troonkistjes, hangmatten voorde geblesseerdens voor proviant en verder onvermijdelijke beno „digtheeden, absolut Coelijs moet hebben, en zonder dezelve volstrekt, niet optrecken kan, ten waare men den inlander door Militaire executie liet opvangen, en dwingen om coelijdienst te doen, dog van welke Coelijs, men niet anders tewagten zouden hebben, als datze, schoon in het veld door militaire gedekt, de vlugt zouden neemen, en ons met de Arthillerij en alles laten zitten Dat men in de Goede mousson, zig ook niet verlaten kan, op de revier, om over dezelve iets van importantie te transporteeren, om dat dezelve in de goede mousson of drooge tijd, benoor den Cranganoor tot Chettua toe, al op deze en geene plaatzen, zeer ondiep en zelfs door waadbaar wond; een zaak te beekend, om breeder te demon„ „streeren, geswijge, dat men zelfs, van hier na Cran„ „ganoor nu en daen al blijfd vast zitten, gelijk men, dat bij het transporteeren den benodigtheeden van hier na Cranganoor, dezer dagen meer als eens ondervonden heeft, in zo verre, dat men ledige vaartuijgen, heeft moeten nazenden, om het gela„ dene voor een gedeelte te lossen, en de vaartuijgen vlot te doen geraaken Dat men dus inde absolute onmogelijkheijd is, om 180 om het retranchement te verlaten, en uijt het zelve met eenige magt van belang noordwaarts optetrecken, zonder ons volk te exponeeren, aan afsnijdinge, en omcingelinge, waar op het den inlanden, tog doorgaant toelegd Dat zo als wij tans geposteerd zijn, men volgens het een paarig getuigenis van onze Militaire officiers, en voor zo veel, wij na onze beste kennisse, daarover kunnen oordeelen, genoeg in staat is, om den verderen indrang te beletten, waar toe het belang van Trevan„ „coor van zelfs vordert, het zijne ook te contri„ „bueeren, en waar toe hij zig ook verbonden heeft. Dat het uijt het schrijvens van den Nabab, zo meede door het terug zenden van stip, De Riberto en de Chettuase gevangene blijkt, dat de Nabab de eerste stap schijnt gedaan te hebben, om met ons tot eene accomodement tekomen. Dat het hem niet onbekend kan zijn, hoe Item de voorige Bataviase presenten eenige tijd ont„ „houden zijn, alhoewel zulx toevallig ontdekt en in allerhaaft geredresseert is, zedert welke tijd, de Gouverneur ook eerst met hem in Cor„ „respondentie gekomen, en gebleeven is, tot dat de Nabab, meende, dat het antwoord van Bata„ „via op zijn laatste briev, alkon gekomen zijn. zijn, en nog niet quam Dat dit ongeluckig uijtblijven van dat ant„ „woord, bij een vorst, zo trots als hij is, min of meer ongenoegen heeft moeten verwecken Dat hij, weetende dat 'er nu een briev en ge„ „schenken voor hem gekomen zijn, item deselve niet dienden onthouden, maar toegeschikt teworden ter vermijdinge van verdere verbitteringe nu Hij de vriendschap aanbied, alzo hij die ont„ „houdinge, zoude kunnen aanmerken, als een versmadinge van zijn aangeboode vriendschap, en als een oorzaak, van verdere wraak„ „neeminge, temeer, het geschenken zijn, in recom„ „pens, voor de geschenken, die hij in de maand Meij 1775: al na Batavia gezonden had, en eijn„ „delijk Dat het dus noodzakelijk is, om hoe eer hoe liever van zijne vriendschaps aanbeedinge gebruijk temaken, en te zien om met hem in onderhan„ „delinge te komen, alzo wij, bij non reusitie dewijl Trevancoor en Cochim tog volstrekt niet meede willen optrekken, dan nog maar in het zelfde geval zouden zijn, daar wij nu in zijn zo is na Ernstige deliberatie en serieuse over„ „weeginge, van alles wat ten dezen, bij de verga„ „deringe 181 „deringe verder in aanmerking gekomen is, unanimiter goedgevonden en verstaan van het offensive als nog aftezien en ge„ „volgelijk, nog bij het defensive te blijven. De Bataviase brief en geschenken na Cali„ „coet tezenden, ter verdere bezorginge aan den Nabab. Ons egter intusschen indat postuur te houden, waar in we tans zijn. En met de stokke dragers 's Nababs briev te beantwoorden, en daarbij onder andere temelden dat het aanbod van zijn vriendschap ons aan„ „genaam is, dat men over de verpande Chettuase Landen gaarne met hem handelen wild, het zij met twee perzoonen van Idem, die wij hier wild zenden, dan wel met twee perzoonen van ons, die hij ginter wild hebben, alles op zodanige wijze als hier onder volgd. Vw Hoogheijds twee laatste brieven hebbe de eene gehad kort agter elkander te ontvangen: vwHta:t schrijft, dat uw Ho:t twee perzoonen, die de Portugeeze taal kundig zijn, over eeni„ „gen tijd gezonden heeft, om te spreeken, over de Landerijen, die vanden sammorijn bij de Comp: verpand zijn; ik betuijge vwolto=t op mijn woord van eer, dat die perzoonen, niet n„ over ver„ rga„

NL-HaNA_1.04.02_3488_0402 view scan ↗

English

did not come to me, and I have also heard nothing from them, I could wish that I had had only some knowledge thereof, since I would then not have failed to entertain those persons properly, and to give them true information, as well as to demonstrate clearly how matters indeed stand with those lands, since how many years and for how much money they were taken over, and how much the Company has already received in reduction thereof; I had even wished that Your Highness had only written to me with a short letter about those lands, in which case possibly those things would not have happened which have now happened. Meanwhile, it is very pleasant for me to be permitted to see Your Highness's inclination to live in good friendship with the Dutch Company, whereto I on my part am also heartily inclined and shall endeavor to contribute all that is in my power; while I in the meantime regard the return of Lieutenant Stip and Riberto, together with the release of the people detained at Calicout, as a proof of Your Highness's goodwill, and I could have wished that our captured military men had not taken service, but had also been returned by Your Highness, which I request that Your Highness will still please to do; yet I had also expected that Your Highness, as proof that Your Highness had no other views than upon the mortgaged lands, would have recalled his troops from the country of Cranganoor, Paponetty and Chettua, and would have restored fort Chettua, which belongs in property to the Dutch Company, which I still especially request. Your Highness also states that people fired upon Your Highness's folk when Your Highness's general went to the mortgaged lands: these lands lie well more than an hour from the fort and thus it is impossible to be able to fire upon them from the fort; but Your Highness's general surrounded our fort, demanded its surrender, and within the range of the artillery committed open hostilities, and inflicted considerable damage both upon the Company and upon its inhabitants, so that Your Highness has received mistaken reports regarding that. If then truly all those things have arisen on account of the mortgaged lands of the Zamorin in the Chettua district, then the matter will be found very easy, and friendship will be able to be restored, for I have always been ready to give disclosure and render account thereof, just as I also, at the first request to Your Highness's army commander Chander Chan, sent the list of the collection of the dues and the account between the Company and the King Zamorin, and requested to give Your Highness knowledge thereof, and to request that we might keep those lands at least until the Company's debit was settled; whether he gave Your Highness knowledge thereof I do not know, at least I have received no report from him regarding this; meanwhile it will appear at all times that the sent account is sincere. Thus I am very inclined to let negotiations take place over those mortgaged lands, whether Your Highness still pleases to send those two persons knowledgeable in the Portuguese language, or whether Your Highness would rather have two persons from me with Your Highness, in order to demonstrate clearly to Your Highness how matters indeed stand with those mortgaged lands, and to learn at the same time from Your Highness whether Your Highness is inclined to enter into an open treaty of friendship and commerce with the Dutch Company; whereto I am authorized from Batavia, as Your Highness will see from the accompanying Batavian letter, which I at Your Highness's request, with the accompanying presents, send from here via Calicoet to Your Highness, addressed to the Governor there, whereby Your Highness will also at the same time see the good intention of the new Lord Governor-General. Here there is to my regret no one who understands the Persian or Hindustani language; yet I have a person who understands some Canarese, but because I do not know whether that man will have expressed my intention quite correctly, I have therefore, for greater certainty, also written this letter in the Dutch language, the more so because Your Highness was so good as to write to me that I can also write to Your Highness in the Dutch language. Furthermore, I wish Your Highness lasting health, and that the friendship between Your Highness and the Dutch Company may grow greater and greater. Meanwhile I have the honor to be with the greatest sentiments of high esteem Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin, on the day, month, and year aforesaid. Was signed: A.n Moens, R. van Harn, Jan Hendrik Medeler, S. C. Saffin, J. L. van Spall, A. R. Schutz, A. J. S. Vernede, and J. A. Cellarius. Agrees, H. Schutt, Secretary. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin. Saturday the 19th of April, Anno 1777. Present: The Honorable, Highly Esteemed Lord Extraordinary Councillor of the Dutch Indies, as well as Governor and Director, Adriaan Moens. The Honorable Senior Merchant, Second, and Chief Administrator, Reinier van Harn. The Honorable Major and Commander of the Militia, Jan Hendrik Medeler. The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier, Samuel Constantin Saffin. The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master, Jan Lambertus van Spall. The Honorable ditto and Secretary of Policy, Abraham Rudolff Schutz. The Honorable ditto, Shopkeeper, and Dispenser, Abraham Jean Scipion Vernede. The Honorable ditto, Johan Adam Cellarius. The Governor opened the meeting by saying: The fair monsoon is drawing to a close, the enemy troops have mostly marched northward, and, as they say, against the Marathas and Nizam Ali. In the bad monsoon one also has no undertaking of importance to fear, and I have also received news that

Dutch transcription

niet bij mij gekomen zijn, en ik ook niets van dezelve vernoomen hebbe, ik wenschte wel dat ik daarvan maar eenige kennisse gehad hadde, alzo ik dan niet zoude gemanqueert hebben, die perzoonen behoorlijk tedoen de froij„ „eeren, en aan hun een waare informatie tegeven, mitsgaders duijdelijk aantetoonen hoe het inder daad, met die landen geleegen is, zedert hoeveel Jaaren en voor hoe veel geld die aanvaart, en hoe veel de Comp: in min„ „dering daar van reets ontvangen heeft; ik had zelfs wel gewenscht, dat vielto:t maar met een briefje over die landen aan mij geschreeven had, als wanneer mogelijk die dingen niet zouden geschied zijn, die 'er nu geschied zijn. Intusschen is het mij zeer aangenaam temogen zien, vwst=ts genegentheijd om met de Hollandse Comp: in goede vriendschap teleeven, waar toe ik aan mijne rijde ook van harten ge„ „negen ben en alles zal tragten te contribu„ „eeren, wat in mijn vermogen is; Terwijl ik intusschen de terug zendinge van den Luij„ „tenand stip, en Riberto, benevens het laa„ „de „geeren van te Calicout ge-arresteerde Lieden aanmerke, als een bewijs van uw Hots wel „meenentheijd, en ik hadde wel gewenscht dat 182 dat onze gevangene Militairen geen dienst geno„ „men, maar door trotto:t ook terug gezonden waaren, het geen ik verzoeke, dat vw Ho:t als nog gelieve tedoen; dog ik had teffens verwagt, dat vwHto:t ten bewijze dat Vwoo:t geen andere uijtzigten gehad heeft; als op de verpande Landen, des„ „selds troupes uijt het Land van Cranganoor, Paponettij en Chettua zouden opgeroepen en het fort Chettua, dat de Hollandse Compe in eijgen„ „dom toekomt weder zoude ingeruijmd hebben, het geen ik als nog speciaal verzoeke. ook regt vrotto:t dat men op vn 1o:s volk geschooten heeft, toen uw Ho:t veld Heer na de verpande Landen ging: deze landen leggen, wel meer als een uur van het fort en dus is het onmogelijk, om van het fort daar op te kunnen schieten; maar vnsfo:ts veldHeer, heeft ons port omcingelt, opge-eijscht, en onder het bereijk van het geschut openbaare vijandelijkheeden bedreeven, en aanmerkelijke schaade zo aan de Comp: als Haar Jngezetenen toegebragt, zo dat uw Ho:t daaromtrend, ver„ „keerde berigten gekreegen heeft Indien dan waarlijk, alle die dingen ontstaan zijn, wegens de verpande landen van den sam„ „morijn, in het Chettuase, dan zal de zaak zeer gemakkelijk gemakkelijk gevonden, en de vriendschap hersteld kunnen werden, want ik ben altoos gereed geweest, om daar van opening tegeven, en reekeninge te doen, gelijk ik ook, op de eerste vraage aan vwtto=ts Zegen Hoofd Chander Chan, de Lijste van de invorderinge der geregtigheeden, en de reekening tusschen de Comp: en den koning Sammorijn hebbe toegezonden, en verzogt, om vw Ho:t daar van kennisse tegeven, en te verzoeken, dat wij die Landjes ten minsten zolange, mog„ „ten behouden tot 'sComp:s debet vereffent was; of Hij uw Ho:t daarvan kennisse gegeven heeft, weete ik niet, ten minsten ik hebbe der„ „weegens van Htem geen berigt erlangd; in„ „tusschen zal het ten allen tijde blijken, dat de gezondene reek: opregtelijk is. Dus ben ik zeer genegen om over die verpande Landen telaaten handelen, het zij dat uwHtot die twee perzoonen in de por„ „tugeeze taal kundig, als nog gelieft tezenden dan wel, dat vw lto:t liever twee perzoonen van mij, bij vwtto:t geliefd te hebben, om vw tfo=t duijdelijk aantetoonen, hoe het met die ver„ „pande Landen inderdaat gelegen is, en om dan teffens van uw Het: te verneemen, of vw ttot genegen 183 genegen is, om met de Hollandse Comp:e een opentlijk Tractaat, van vriendschap en Com„ „mercie aantegaan; waar toe ik van Ba„ „tavia gequalificeert ben, gelijk vitto=t zien zal, bij denevensgaande Bataviase briev, dewelke ik op vwtto=ts verzoek, met de daarbij gehoorende geschenken, van hier over Calicoet, aan vw Ho=ts zende, ge-addresseert aan den Gou „verneur aldaar, waarbij uw Ho:t ook, teffens zien zal de goede intentie vanden nieuwen Heer Gouverneur Generaal. Heer is tot mijn leetweezen niemand die de persiaanse of Hindoustanse taal verstaat; dog ik hebbe een perzoon, die wat Cananees verstaat, maar om dat ik niet weet of die man mijne intentie wel regt zal uijtgedrukt 2 hebben, zo hebbe ik deeze briev ook ten over„ „vloede inde Hollandse taal geschreeven te meer uwHo:t zo goed is geweest mij te schrijven dat ik aan uw Ho:t in de Hollandse taal ook schrijven kan. voorts wensche ik vw Ho:t een bestendige gezondheijd, en dat de vriendschap tussen vie„ Hoogh:t ende Hollandse Comp: hoe langer hoe grooten mag worden. Jnmiddels hebbe de eere met de meeste ge„ voelens dat van en om vie ttot „voelens van hoog agtinge te zijn Aldus Gedaan Gerezolveerd en Gear„ „resteerd in Raade van Mallabaar ter steede Cochim, ten daage, Maand en Jaare voormelt /:was getekend:/ A:n Moens, R: van Harm Jan Hendrik Medeler, S: C: Saffin, I: L: van Spall A: R: Schutz, A: J: S: vernede, en I: A: Cellarius Accordeert H Schutt secret:s Secreete 184 7 Saturdag Den 19:' April A:o 1777: Present De wel Edele Groot Achtbaaren Heer Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia P mitsgaders Gouverneur en Directeur Adriaan Moens De E: Heer Oppercoop=m secunde en hoofd administ:t Reinier van Harn D: E: Hleer majoor en hoofd der militie Jan Hendrik Medeler „ E: koopman fiscaal en Cassier Samuel Constantin Saffin „ E: ondercoopman en pakhuijs meester Jan Lambertus van Spall „ E: d„o en secretaris van politie Abraham Rudolff Schutz „ E: d„o winkelir en despencier Abraham Jean Seipion vernede „ E: d„o Iohan Adam Cellarius De Gouverneur opende de vergaderinge met te zeggen, de goede mousson loopt na het eijnde de vijandelijke troupes zijn meest noordwaards getrocken en zoo als men zegt, teegens de Marattas en Nisam Alij Jn de kwaade mousson heeft men ook voor geen onderneeming van belang te vreesen, en ik heb ook tijdinge bekomen, Resolutie Secreete Genoomen in Raade van mallabaar Ter steede Cochim dat ssall ius op 24

NL-HaNA_1.04.02_3488_0408 view scan ↗

English

that another company of sepoys from Nagapatnam has arrived at Cape Comorin for us. The Governors Falck and van Vlissingen have promised me to send shortly another company of sepoys and a company of Javanese via Cape Comorin, and from Sallicherij and that direction I also expect daily about one hundred able sepoys, which is why I believe that some of the Ceylon European troops can be spared during the bad monsoon and sent to Ceylon, the sooner because, should they be needed at the opening of the good monsoon, they can quickly be obtained back again; all of which having been considered by the members, it was approved upon the proposal of the Governor to first send back the Life Company of Mr. Falck to Colombo with the ship Hoolwerf. Thus done, resolved, and determined in the Council of Malabar at the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. Was signed: A: Moens, R: van Harn, J: H: Medeler, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, and I: A: Cellarius. Friday, the 25th of April, Anno 1777. All present except the Honorable Major, being on expedition at Cranganore. At the last secret resolution, said the Governor, it was decided, for the reasons stated therein, to send back to Ceylon some of the European troops we recently received from Ceylon in view of the onset of the bad monsoon, and determined first to let the Company of Jaagers depart, as has indeed taken place, they having been transported thither on the ship Hoolwerf. The cruising season is now coming to an end, and thus the soldiers and artillerymen, who were on the ships and vessels to the number of 131, are coming ashore again; the bark De Falck and the sloop Sunda, which belong at Ceylon, are thus about to depart; I propose, therefore, to let the company of Tilenius, which is the weakest and consists of 116 heads including officers and non-commissioned officers, or on the first rank, also simply depart with the aforesaid bark and sloop, and to retain the remaining three companies of Europeans still here, the corps of artillerymen, the two companies of Malays, together with the companies of Orientals and sepoys that we still expect from Ceylon and Nagapatnam via Cape Comorin; with which proposal the members fully concurred. It being taken into consideration thereafter that the rainy season, which here lasts nearly six months and is generally very severe, is beginning to approach, and during that time something of importance can as little be undertaken and executed by us as by the enemy, it was approved, upon the proposal of the Governor, not to allow our European troops to remain in the field or in the camps during that time and until our further orders, as circumstances shall require, but to have them come into the city, so as not to be exposed to sickness through rain and cold, but only to let the camps of Cranganore and Ayacotta be garrisoned with native troops, and in that regard to have the following arrangements take effect by the end of this month: To summon hither from the fort of Cranganore the garrison stationed there, and from the camp of Cranganore half of the corps of artillerymen that is currently stationed there; to place a company of Europeans with the necessary artillerymen in the fort of Cranganore; to shelter the brass field artillery that we obtained from Ceylon under the roof of the aforesaid Europeans; to have 1 officer, 1 sergeant, 2 corporals, 1 drummer, 1 fifer, and 24 privates go daily from the fort to the entrenchment to mount the main guard there, and further to let an adequate number of Malays and sepoys remain in the camp; subsequently to leave at Ayacotta half a company of Europeans, or even somewhat fewer, and further an adequate number of sepoys, but to have the Europeans of Ayacotta, because Ayacotta is not a fortress but a camp, constantly relieved with fresh personnel, whether from here or from Cranganore, as one shall see best suited during the rainy season; to let the armed war gamel, which has recently been doubled again and provided with a sufficient roof, remain lying in the river of Ayacotta; and to determine the further particular and minor arrangements later, according to the circumstances of time and place, at the discretion of the Governor; further to relieve the Honorable Major as Commandant of the troops before Cranganore and at Ayacotta and have him come up, and to appoint in his place until our further orders Captain-Lieutenant van den Busch, who until now has been stationed at Ayacotta as Commandant, and as Commandant of Ayacotta Lieutenant Guinot, who until now has been Commandant of the garrison in the small fort of Cranganore. And whereas from the aforesaid reduction and withdrawal of the operations at Cranganore, the handover of the residency, which for certain reasons has been postponed until now, can now take place more easily than before, it was furthermore approved to have the residency of Cranganore handed over by the end of this month by the Junior Merchant and pay-bookkeeper Seyffer, who has governed there as Resident until now, to the Bookkeeper Wolff, who was appointed Resident of Cranganore by the High Indian Government and recently arrived for that purpose from Batavia on the ship Groenendaal. Thus done, resolved, and determined in the Council of Malabar at the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. Was signed: A: Moens, R: v: Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, and Jan A:m Cellarius, Adriaan Poolvliet. Agrees: H: Schutt, Secretary.

Dutch transcription

dat er weder een Compagnie sipaijs van Nagapat„ „nam op Caab Commorijn voor ons gekomen is. De heeren Gouverneurs Falck en van Vlissingen hebben ^ sipais en een somp: mij beloofd eerstdaags nog een Compagnie ^ Javanen over Caab Commorijn te zullen zenden en van salli„ „cherij en die kant verwagte ik dagelijks ook nog wel Hondert flukse sipaijs, waarom ik meene, dat ^ de wel eenige van Ceilonse Europeese Troupes geduuren„ „de dekwaade mousson kunnen gemist en na Ceilon gesonden worden te eerder, om dat men deselve bij het openen van de goede mousson nodig hebbende weder spoedig terug zal kunnen krijgen; alle het welke bij de leeden overwoogen zijnde, is op den voorstel van de Gouverneur goedgevonden, voor eerst de Lijf Compagnie van den heer Falck met het schip Hoolwerf na Colombo terug te senden. Aldus Gedaan Geresolveert en Gar„ „resteert in raade van mallabaar ter steede Co„ „chim ten dage maand en Jaare voormeld /was Get: A: Moens, R: van Harn, J: H: Medelet S: C: Saffin, J: L: van Spall A: R: schutz A: J: S: Vernede en I: A: Cellarius. Vrijdag Den 25: April Ao 1777:— alle present dempto D'E: majoor als zijnde in Expeditie te Cranganoor Bij laatste secreete Resolutie, zeijde de Gouverneur 185 Gouverneur, is, om de daar bij vermelde redenen beslooten, eenige van de Europeese troupes die wij laatst van Ceilon gekreegen hebben, mits het invallen van de quaade mousson na Ceilon terug tesenden, en vastgesteld, voor eerst de Com„ „pagnie Jaagers te laaten vertrecken gelijk ook zyn gevolg heeft genoomen en deselve met het schip Hoolwerf derwaards getransporteerd is. de tijd van de bekruijssinge eijndigt thans, en dus komen de militairen en arthilleristen, die ten getalle van 131:, op de scheepen en vaar„ „tuijgen geweest zijn, weder aan de wal: de bark de Falck en de Chialoup sunda, die te Ceilon 't huis hooren, staan dus op hun vertrek, ik proponeere derhalven, om de Compagnie van Tilenuis, die de kwakste is, en met officiers en onder officiers, of primo plan, bestaat in 116: koppen re met voorsz: barg en Chialoup ook maar telaaten vertrecken, en de overige nog hier zijnde drie Compagnien Europeesen, het Coor arthilleristen, de twee Compagnien maleijers, benevens de Comp:s Oosterlingen en sipais, die wij nog van Ceilon en Nagapatnam over Caab Commorijn verwagten, aantehouden met welken voorstel deleeden zig ten vollen hebben geconfirmeert Nier het ie na 77:— als e r „ Hier na in overweeging genoomen zijnde, dat de reegen tijd, die hier bij na ses maanden duurd, en doorgaans zeer streng is, begint te naderen en in dien tijd zoo min door ons, als door den vijand, iets van belang zal kunnen werden onder„ „nomen en uijtgevoert, zoo is, op de propositie van de Gouverneur, goedgevonden, onse Europeese troupes geduurende die tijd, en tot onse nadere order, na maate de omstandigheeden zullen vereijsschen, niet te velde, of in de Campen, te laaten blijven maar in de stad te doen komen, om niet door reegen en koude aan ziektens g'exponeerd teworden, maar alleen de Campen van Cranganoor en Aijcotta te laaten besetten met inlandse troupes, en daar omtrend onder ult=o deses, de ondervolgende schik„ „kinge te doen plaats hebben. uijt het fort van Cranganoor dit heen te ontbieden de daar leggende besittinge, en uijt het Camp van Cranganoor het halve coor arthilleristen dat er thans legt; een Comp: Euro„ „peesen met de noodige arthilleristen in het fort Cranganoor te plaatsen, de metaale veld arthille„ „rij, die wij van Ceilon erlangt hebben, onder het 186 het dak te brengen van de voorschreeven Euro„ „peesen, dagelijks uijt het fort na het retran„ „chement te doen gaan, 1: officier, 1: Zergeant, 2: Cor„ „poraals, 1: Jamboer, 1: fluijter en 24: Gemeene, om daar de Hoofdwagt te betrekken en voorts een toerijkend getal maleijers en sipais in het Camp te laaten blijven, vervolgens op Aijcotta te laaten een halve Compagnie Europeesen, of ook nog wel wat minder, en voorts een toerijkend ge„ „tal sipais, dog de Europeesen van Aijcotta, om dat Aijcotta geen fortres maar een Camp is, telkens te laaten verwisselen met vers volk, 't zij van hier of van Cranganoor, na mate„ zuelx men in de reegen tijd zien zal, hoe zig /:best: schikt, voor de g'armeerde oorlogs gamel, die deeser daagen op nieuw verdubbelt en met een suffiçant dak versien is, in de rivier van Aijcolta te laaten blijven leggen, en de verdere bijsondere en mindere schikkingen, na de tijds en plaats omstandigheeden nader na goedvinden van de Gouverneur te bepalen, wijders den E: Majoor als Commandant van de troupes voor Cranganoor en op Aijcotta te ontslaan en op te laaten komen, mitsgaders in desselfs plaats tot onse nader order, aantestellen den Capitain Luitenand van den Busch die en Nagezien die tot dus lange op Aijcotta als Commandant gele„ „gen heeft, en tot Commandant van Nijcotta den Luitenand Guinot, die tot dus lange Commandant van de besettinge in het fortje Cranganoor geweest is. En vermits uijt voorsz: verminderinge en intrek„ „kinge van den omslag te Cranganoor, de overgaav van de residentie, welke om redenen tot dus lange is uijtgesteld, nu gemakkelijker als bevoorens ge„ „schieden kan, zoo is al verder goedgevonden, de re„ „sidentie van Cranganoor onder ult„o deeser, door den onderCoopman en soldij boekhouder Seijffer, die tot nu toe als resident daar gerageert heeft, te laaten overgeeven aan den boekhouder Wolff, die door de hooge indiase regeringe tot resident van Cranganoor aangesteld, en onlangs, met het schip Groenendaal, ten dien eijnde van Batavia overgekomen is. Aldus Gedaan Geresolveert en G'arresteerd in raade van mallabaar ter steede Cochim ten dage maand en Jaare voorm: /was Gete:/ A: Moens R: v: Harn, S: C: saffin J: L: van Spall A: R: Schutz Jan A: J: S: vernede en J:n A=m Cellarius Adniaan Poolvliek Accordeert H Schutt secret:s door eer eerd dage #.

NL-HaNA_1.04.02_3488_0417 view scan ↗

English

Secret copy 187 Batavia To His High Nobility The High Noble Great Honorable Lord Jeremias van Riemsdijk Governor General Together with The Honorable Gentlemen Councillors of Netherlands India! High Noble Great Honorable far-ruling Lord! Honorable Gentlemen! The day before yesterday we had the honor to receive Your High Nobilities' very venerated letter of 25 June, brought to Tutucorijn by the ship Oostcapelle on the 14th of this month, by which Your High Nobilities were pleased generally to approve our actions against the enterprises of the Nabab Aider Alijchan and his general Charder Chan, with orders for the present to act in no other way than defensively, which order will be strictly complied with by us. No 18. Yet we are heartily sorry that by our manner of writing to Your High Nobilities by letter of 28 October and to Cormandel by letter of 30 November 1776, we have given Your High Nobilities cause to have to doubt whether we had provided ourselves in time with what was necessary against an unexpected attack. As far as the supply of provisions here is concerned; the entire annual distribution of grain was in the past financial year 22346 parras of Nelij, and at the end of August of that same financial year the supply in our dispensary was still 27363½ parras of Nelij and 363900 lb or 9097½ parras of rice, besides a considerable quantity of 43810 parras of nelij, which the first undersigned, seeing the worrisome times, and in order not to let the balances for the Company in this item run so high except in case of necessity, had purchased and stored hereabouts for his own account, in order, in case it might not be needed here, either to accommodate Ceilon with it or, if it were not needed there, to turn it over again to the community here; which, however, when the enemy invasion occurred 188. occurred and further breakthroughs were feared, passed over to the Company, to say nothing of other items, up to coconuts, dried fish, oil, and firewood inclusive, which the first undersigned had stored, so that we would still have been able to assist the community for a long time, although this could not have been supposed by Your High Nobilities from our reported apprehension of a cut-off of provisions, by which we meant that further supply of provisions to us would have been cut off if the king of Cochim had openly had to take the Nabab's side, and we, without the help of Trevancoor and Cochim, could not have kept the Nabab north of Cranganoor; as an argument for our decision, namely to prevent, together with Trevancoor and Cochim, the further intrusion of the Nabab's troops. From our letter of 2 January it appears how much Nelij, powder, and further ammunition there was at Chettua, and that therefore that quantity of powder from pieces of 6 and 3 lb must have been fired off unnecessarily and without deliberation, although after we received knowledge of the lack of powder there, two days before the surrender of the small fort, as many as 100 shots were still fired in one afternoon, and during the siege by the enemy very little was fired with cannon, except only after the failed expedition to relieve the same; so that it appears that confusion together with the insurrection of the people and the fear of so many troops, who had already increased to over 8000 and had already begun to bring up the scaling ladders, was indeed the greatest cause that the fort surrendered, as has since appeared; for Chettua is only a very small fort with four demi-bastions. Meanwhile we beg pardon that we did not at the same time communicate directly to Your High Nobilities the surrender of Chettua when we wrote of it to Cormandel on the occasion of our requesting more sepoys, in the hope that Your High Nobilities will kindly be pleased to consider that, since it was then the bad monsoon on the coast of Cormandel, we could not have foreseen that there would have been an accidental opportunity there to deliver our direct letter addressed to Your High Nobilities, this being all the more regrettable to us because our notification of Chettua's surrender, dispatched via Ceilon, had the misfortune of not yet having been received by Your High Nobilities. With regard to our not having been in a position 189 a position here to prepare everything necessary for a march overland so quickly, for reasons mentioned in our letter to Cormandel, we meant thereby a stock of items such as was customary here in former times when the Company was repeatedly at war and conducted field campaigns, as occurred in the long-lasting and costly war against Trevancoor from the year 1739 to 1743; we request permission to be allowed to assure Your High Nobilities that everything possible has been done here to place ourselves in a state of defense and to be able to act defensively, although we were not provided with all that was necessary for an offensive expedition in the field, which also did not suit the present system of the Company with its fixed establishment on this Coast, so that we only made preparations for a field campaign after, and because, the kings of Trevancoor and Cochim, seeing the relief coming from Ceilon, had such good intentions and had assured us that they would help us to expel the enemy from our conquest and give them a sensible pinch, so as to avenge the insult that had been done to the Company, although it has since appeared that they did not dare. Meanwhile

Dutch transcription

Copia secreet 187 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia! Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer! Wel Edele Heeren! Eergisteren hebben we de eer gehad te ontvan= „gen, uw Hoog Edelheedens zeer gevenereerde missive van den 25: Junij per het schip oostcapelle den 14: dezer te Tutucorijn aangebragt, waar bij uw Hoog Edelheedens in 't generaal hebben gelieven goed te keuren onze verrigtinge tegens de onderneeminge van den Nabab Aider Alijchan en zijner veldheer Charder N„o 18. en Charder Chan, met ordere om voor eerst niet anders, als defensier tewerk tegaan, welke ordere bij ons stiptelijk zal worden nagekomen. Dog het doet ons hartelijk leed, dat wij door onze wijze van schrijven aan uw Hoog Edelheedens bij briev van den 28: october en na Cormandel bij briev van den 30: November 1776: uw Hoog Edelheedens aanlij= „dinge gegeven hebben, om te moeten twijffelen, of wij ons in tijds wel van het noodige voorzien hadden, tegen een onverwagten aanval. wat de voorraad van levensmiddelen alhier aangaat; de geheele Jaarlijkse verstrekkinge van graan was in 't gepasseerde boekjaar 22346: parras Nelij en onder ultimo augustus van dat zelvde boekjaar, was de voorraad in ons dispens nog 27363½: parras Nelij en 363900: lb: of 9097½. par= „ras rijst behalven een aanzienelijke quantiteijt van 43810: parras nelij, die de eerstgetekende inziende de zorgelijke tijden, en om de restanten voor de Comp: in dit articul, niet dan bij nood, zo hoog te doen loopen, voor zijne reekeninge hier omstreeks heeft laten inkopen en opleggen, om ingevalle dezelve hier eens niet mogten benodigt zijn, daar meede of Ceilon te gerieven of dezelve daar niet benoodigt zijnde, hier weder aan de gemeente over= „tedoen, dog welke, toen de vijandelijke inval geschiede 188. geschiede en men verdere doorbraake dugte, aan de Comp: zijn overgegaan, gezwijge van andere articuls, tot kokusnoten Carwaat olij en brandhout inclu= „sive die de eerstgetekende heeft laten opleggen zo dat we de gemeente nog een langen tijd zouden hebben kunnen tegemoed komen, schoon zulks door uw Hoog Edelheedens niet heeft kunnen veronder= „steld worden uijt onze opgegevene bedugtinge voor afsnijdinge van levensmiddelen, waarmeede wij bedoelt hebben, dat ons de verdere toevoer van levensmiddelen zouden afgesneeden geweest zijn, in „dien de koning van Cochim opentlijk 'swababs partij had moeten neemen, en wij zonder behulp van Tre= „vancoor en Cochim, den Nabab niet benoorden Cran= „ganoor hadden kunnen houden; als een argument voor ons besluijt, namentlijk om met Jrevancoor en Cochim tezamen den verderen indrang van 1 Na= „babs troupen te beletten. Bij onze briev van den 2: Januarij blijkt, hoe veel Nelij kruijd en verdere ammunitie te Chet= „tua geweest is, en dat dus die quantiteijt kruijd uijt stukjes van 6: en 3: lb: onnodig en zonder over= „leg verschooten moet zijn, schoon na dat wij van het gebrek aan kruijd aldaar kennisse gekreegen hebben, twee dagen voor het overgaan van het fortje, nog wel 100: schooten op eenen nademiddag gedaan zijn ze ier van zijn, en geduurende het beleg door de vijand maar zeer wijnig met Canon geschooten is, als eenlijk na de mislukte expeditie, om het zelve te ontzetten; zo dat het schijnd dat Confusie benevens de opstand van het volk en de bevreestheijd voor zo veel troupes, die al tot over de 8000: aangegroeijd waaren en reeds de storm laders begonnen aantebrengen, wel de grootste oorzaak geweest is, dat het fort is overge= „gaan, gelijk dat zedert gebleeken is; want Chettua is maar een zeer klijn fortje met vier halve punten. Jntusschen verzoeken we verschooning, dat wij niet terzelver tijd aan uw Hoog Edelheedens direct hebben bedeelt, het overgaan van Chettua toen wij zulks na Cormandel hebben geschreeven, bij gele= „gendheijd wij om nog sipais verzogten, in hoope dat uw Hoog Edelheedens gunstelijk zullen gelieven te Considereeren, dat dewijl het als toen quade mous= „son op de kust Cormandel was, wij niet hebben kunnen voorzien, dat aldaar een toevallige occa= „gie zoude zijn geweest om ons direct schrijvens addres aan uw Hoog Edelheedens te bezorgen, zijnde ons dit des te meer leed, om dat onze bedeelinge van Chettuas overgaan over Ceilon afgezonden, het ongeluk gehad heeft, bij uw Hoog Edelheedens nog niet ontvangen te zijn. Met betrekkinge dat wij hier niet in staat 2: 189 staat zijn geweest, om alles wat tot eene optogt te lande noodzakelijk is, zo schielijk te vervaardigen, om redenen bij onze briev na Cormandel vermeld, zo hebben wij daarmeede bedoelt, een voorraad van din= „gen, gelijk men hier in vroeger tijden, toen de Comp: telkens in oorlog was, en veld togten deed, gelijk in den langduurigen, en kostbaaren oorlog tegens Tre= „vancoor van anno 1739: tot 1743: geschiede; wij verzoe= „ken verlof, uw Hoog Edelheedens te mogen verzeke= „ren, dat hier alles aangewend is, wat maar moge= „lijk is geweest, om ons in staat van defentie te stellen, en defensiev te kunnen ageeren, schoon wij niet voorzien zijn geweest, met alle het nodige, tot eene offensive Expeditie te velde, het welk het tegenswoordige sijsthema van de Comp: met haa= „ren bepaalden ommeslag te dezer Custe ook niet Convenieerde, zo dat wij maar toeberijdselen tot eene veldtogt gemaakt hebben, na dat, en om dat de koningen van Trevancoor en Cochim het ontzet van Ceilon ziende komen, zulke goe= „de voorneemens gehad, en ons verzeekert hadden, ons te zullen helpen, om de vijand uijt ons Con= „quest te verdrijven, en een gevoelige neep te geven, om dus te wreeken den hoon die de Compagnie aangedaan was, schoon het zedert gebleeken is, dat zij niet gedurft hebben. Jntusschen an na and e= ttua het ten. pe lieven s- hebben occa- inde ge

NL-HaNA_1.04.02_3488_0422 view scan ↗

English

Meanwhile, in continuation of our last letter of 5 May, we have the honour to inform Your High Excellencies: That everything here remains in the state as communicated therein, except that on 19 June two small companies of sepoys, together 143 heads, and one company of Malays of 107 heads, arrived overland here from Manapaar and Cape Comorin from Nagapatnam, as well as from Ceylon one company of sepoys amounting to 115 heads, all in the first instance 365 heads; upon which latter company we can rely more than upon all the sepoys sent successively from Nagapatnam, who appear to be undisciplined people and not inclined to war, as many have run away home while underway, for which reason we were ultimately forced rather to let go their own way those who were not inclined to stay any longer, since one only had trouble guarding them, and one can place no reliance whatsoever on such people; besides which, they were also enlisted for one rupee per man more than our and the Ceylonese sepoys; since which time not so much desertion has been seen among them, except for some who still absent themselves now and then, possibly because the drilling bores them, as they are continuously trained in the use of arms; nevertheless, we are obliged to the Coromandel administration for the assistance shown, which, being unable to see into the hearts of that people during recruitment, also sent us a company of Malays; while meanwhile no significant desertion takes place any longer, neither among the European nor among the remaining native troops: That the entrenchment before Cranganoor and our fortification at Aijkotta hold up tolerably well beyond expectation during the rainy season, to the extent that they can be maintained by daily supervision, except here and there where washouts have occurred due to the heavy rains, which will be filled in again as soon as the rains cease; to which the first-signed, who recently went there twice, also paid special attention, on which occasion he, along with Captain van Drieberg, also inspected the Travancore lines for a good distance and found that the same, if well defended, are quite strong and difficult to attack. That although all hostilities by the Nawab have indeed ceased, no answer has as yet been obtained, neither to the letter of Your High Excellencies nor to the last letter of the first-signed, notwithstanding that this letter was sent in duplicate and delivered; so that the Nawab, having seen that he cannot so easily break through south of Cranganoor, is undoubtedly delaying his answer so long to see how his affair turns out with the Marathas, who are still keeping him occupied and are in the field against him above Patna, the Nawab's residence, without our knowing as yet with any certainty to what extent one or the other party has advanced, owing to the numerous varying reports; or perhaps that he, having now occupied what we formerly obtained from the Zamorin and which the latter has always sought to dispute with us, now acts as if the matter were settled thereby. That the defected head of Chawacattij named Aijderoos Coettij, who according to our letter of 5 May had united with the Zamorin's Nairs, did not dare trust himself in Chawacattij any longer, but partly out of fear and partly because of a disagreement between him and a head of the Zamorin's faction, sent his family secretly to the south and immediately thereafter also retired to the south, without it being truly known where he is staying, although it is thought that he might be in the Travancore kingdom, and that the king might be permitting this connivingly, as if he knows nothing of Aijderoos Coettij. That the Zamorin's Nairs, not having been able to overcome the difficulty, have retreated again into the forests and into the mountains, but still continually raid and make sallies, although this month a risalah of sepoys, as it is called by them, being a troop of 700 heads, has come down from above to Calicut, in order, as is claimed, to relieve others who will go up again, of which departure nothing is yet heard, however, so that this reinforcement has undoubtedly come down to help further curb the rebelling Zamorin's Nairs; it was a near thing, however, that the Zamorin's forces might perhaps have achieved quite a lot, had not the Nawab's tributary northern princes of Collastrij and Cadattenaddoe been obliged by the Nawab's order to send auxiliary troops; to which was also added that the Paliath Achan, or the Cochin ruler's First Minister of State, a mortal enemy of the Zamorin's House, under pretext of protecting his northern localities against the insolence and raids that one has to expect on such occasions

Dutch transcription

Jntusschen hebben wij ten vervolge van ons laatste schrijvens van den 5: meij de eer uw Hoog Edelheedens te berigten. Dat hier alles nog in dien staat is, zo als daar bij bedeelt is, behalven dat den 19: Junij alhier van Ma= „napaar en Caab Commorijn overland aangekomen zijn van Nagapatnam twee klijne Companien sipais te„ „samen 143: koppen en een Comp: malijers van 107: kop= „pen, zo meede van Ceilon een Companie sipais groot 115: koppen alles primo plan 365: koppen op welke laatste Companie, wij meer staat maken kun= „nen, als op alle de sipais die successive van Naga= „patnam gezonden zijn, het geen ongedresseert volk en niet genegen tot den oorlog schijnd te zijn, alzo veele, gaande weg na Huijs geloopen zijn, en waarom wij op het laatste genoodzaakt zijn ge= „weest, de geene, die niet genegen waaren, langer te blijven liever huns weegs telaten gaan, dewijl men maar werk had, op hun te passen, en men op de zulke, tog geen de minste staat kan maken, behalven, dat ze ook voor een ropij per man, meer als onze en de Ceilonse sipais in= „dienst genomen zijn; zedert welke tijd, onder hun zo veel dezertie niet meer gezien is, be= „halven, eenige die nu en dan zig ook nog al absen= „teeren, mogelijk om dat hun het Excerceeren verveeld 190 verveeld, alzo ze bij Continuatie in den wapenhan „del geoeffent worden, egter zijn wij het Corman= „delse ministerie verpligt, voor de betoonde assisten= „tie, die dat volk bij de wervinge niet in 't hart hebbende kunnen zien, ons nog een Companie Ma= „lijer toegezonden heeft; terwijl er intusschen, geene dezertie zo min in de Europeeze als in de overige inlandse troupes, meer van belang plaats heeft: Dat het retranchement voor Cranganoor en onze verschanzinge op Aijkotta, in de regen tijd zig buijten verwagtinge tamelijk wel houd, in zo verre, dat dezelve door dagelijkse toezigt kunnen onderhouden worden, behalven hier en daar, alwaar het door de zwaare regens ingespoeld is, het geen zo dra de regens op houden, weder zal aangevuld worden, waar na de eerstgetekende, die onlangs tweemaal daar na toe geweest is, ook speciaal gezien heeft, bij welk gelegentheijd, hij met Ca= „pitain van Drieberg de linie van Trevan= „coor een goed end weegs ook bezigtigt en bevonden heeft, dat dezelve wel gedefendeert wordende, vrij sterk en moeijelijk te attacqueeren is. Dat hoewel alle vijandelijkheeden van den Nabab wel zijn gestaakt, men egter tot als nog geen antwoord erlangt heeft, zo min op de briev van uw Hoog Edelheedens, als op des ste g wij l des Eerstgetekendens laatste briev, niet tegenstaande„ deze briev in duplo gezonden en besteld is, zo dat de Nabab gezien hebbende, dat wij zo ligt bezuijden Cranganoor niet doorbreeken kan, zijn antwoord ongetwijffeld zo lang uijtstelt om te zien, hoe zijn zaak uijtvalt met de Marattas, die hem nog in het la= „beur houden en boven patna s Nababs Residentie plaats tegen Htem in 't veld staan, zonder dat we nog met eenige zeekerheijd weeten, in hoe verre de eene of anderen partij gevorderd is, wegens de menigvuldige varieerende berigten; of ook wel, dat Hij nu ge-occupeert hebbende, het geen wij wel eer van den sammorijn verkreegen hebben, en deze ons altoos heeft willen betwisten, zig nu houd als of de zaak daarmeede afgedaan was. Dat het afgevalle Hoofd van Chawacattij genaamt Aijderoos Coettij, die volgens ons schrij= „vens van den 5: Meij zig met de sammorijnse Nairos vereenigt had, zig niet langer te Chawa= „cattij heeft durven vertrouwen, maar gedeeltelijk uijt vreeze „ gedeeltelijk wegens meenigheijd tus= „schen hem en een Hoofd van de sammorijnse factie zijn familie in stilte na de zuijd ge= „zonden, en zig onmiddelijk daar op ook na de zuijd geretireert heeft, zonder dat men regt weet, waar Hij zig ophoud, alhoewel men meend 191 meend, dat hij in het Jnevancoorse Rijk zoude zijn, en dat de koning zulks oogluijkende zoude toelaa= „ten, even of Hij van Aijderoos Coettij, niets weet. Dat de sammorijnse Nairossen, het hoekje niet hebbende kunnen te boven komen, weder in de bossen en in het gebergte geweeken zijn, dog nog bij continuatie stroopen en uijt vallen doen, schoon in deze maand een rassaal sipais, gelijk dat bij hun zo genoemd word, zijnde een hoop van 700: — koppen van boven na Calicut afgekomen is, om zo als voorgegeven word andere aftelossen, die we= „der na boven zullen gaan, van welke aftogt men egter nog niet hoord, zo dat die versterkinge on= „getwijffeld afgekomen is, om de rebelleerende sam= „morijnse Nairossen verder te helpen beteugelen: het heeft egter niet veel gescheeld of de sammo= „rijnse zouden het mogelijk nog al verre gebragt hebben, indien ze niet door 's Nababs tributaire Noordse vorsten van Collastrij en Cadattenaddoe op sNababs order hulp troupen hadden moeten zenden, waar bij dan ook nog gekomen is, dat de Paljetter, of des Cochimders Eerste staads Minister een dood vijand van het sammorijnse Huijs, onder pretext van zijne noordse plaatsen te dekken, tegen de baldadigheeden en strooperijen, die men bij diergelijke gelegendheeden tewagten heeft taan de, dat ons de t

NL-HaNA_1.04.02_3488_0426 view scan ↗

English

has also sent some of his Nairs northwards, who were then quasi-compelled by the Nabab's ministers to offer resistance together. The first signatory, pursuant to what was already noted by him in his last separate letter to Your High Excellencies of 5 May last, could even then notice to some extent that the Paliath Achan does not know which way to twist and turn, on the one hand in a covert manner to keep the Nabab, as his tribute lord, as a friend, and on the other hand to conceal his past designs from us and Travancore. Thus, hearing that people of the Paliath Achan had been sent to the north, we confronted the Paliath Achan about this; but he boldly denied it and testified that he had only sent people to cover his northern places, but this reinforcement not being large enough, the Paliath Achan has since sent even more people thither, and then no longer knowing how to deny it or shift it to the former pretext, has since testified to have had to do so on repeated orders from the Nabab, and because the prince of Collastrij and also that of Caddatenaddoe had sent auxiliary troops, he could not have refused such either without bringing the Nabab's displeasure upon himself, and exposing his northern lands again to an invasion, as recently, which would have very disadvantageous consequences; it being sufficiently deducible from this that the Cochin king considers himself altogether as a tributary of the Nabab and even obliged to obey him. Travancore knows this too, but pretends not to know it. The conduct of this king raises doubts whether he faithfully adheres to the Company's side; he testifies to this, however, and declares outright that in case the Nabab should wish to pass south of the Lines, they would prevent such openly and with combined force, pretending only to give tribute on account of northern lands. Indeed, he has also assured not to comply with any orders of the Nabab that tend to the disadvantage of the Company, adding that he had not wished to proceed, even on the Nabab's order, to occupying with his troops the Nabab's strongholds in the region from Cranganore to Chettua, but it is apparent that, even if this were the truth, he omitted to do so because he cannot do that either without open displeasure from us and Travancore, the more so as the Company has not yet renounced its claim to those lands; meanwhile, this prince gives reason to think that if the Nabab should ever come to this side with a large force to penetrate further, he will adjust himself according to how matters go, and join the strongest or prevailing party, so that it is all the more necessary to maintain a close friendship with Travancore. That the Major and Head of the Militia here, Jan Hendrik Medeler, passed away on 4 August after an illness of three days, and that the command over the Militia in the meantime, until Your High Excellencies' further orders, is being exercised by the eldest Captain of the detached Ceylon Companies, Gerrit Frankena. While giving ourselves the high honor to remain with the utmost respect and esteem, High Noble, Right Honorable, Wide-Commanding Lord and Honorable Sirs! Your High Excellencies' humble and obedient servants, Signed: A. Moens, R. van Harn, L. C. Saffin, J. L. van Spall, A. R. Schutz, C. G. Leijsser, A. J. S. Vernede, and J. A. Cellarius. In the margin: Cochin, 28 August 1777. Agrees, H. Schutz, Secretary. No. 19. Separate copy Batavia To His High Excellency The High Noble Right Honorable Lord Jeremias van Riemsdijk Governor-General Together with The Honorable Councilors of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Wide-Commanding Lord, Honorable Sirs, In my separate letter of 5 May, I had the honor to inform Your High Excellencies that it was then thought that the French had sent an embassy to the Marathas to request a place on the Maratha Coast in order to establish a factory there. Since then, I have learned further that someone was indeed at the Pune Court for that purpose, and specifically to request a port on the Maratha Coast, but that the English administration at Bombay, having caught wind of this, immediately, through the Agent who is always at the Pune Court on behalf of the English, caused it to be declared in the most emphatic terms to the Maratha Government that if they, the Marathas, should enter into the slightest engagements with the French, they, the English, would then de facto choose the side of the pretender Raghoba again; and that therefore the French would not have achieved their aim, although it is nevertheless believed that a small French vessel in one of the Maratha ports was permitted to winter during this bad monsoon, only because the monsoon had expired and the vessel had some defects, on account of which it could not put to sea. The letter from the Marathas mentioned in my just-stated last separate letter of 5 May has since been delivered to Travancore, but was held suspect by this prince, or as a trick of the Nabab, to see how one would act upon this.

Dutch transcription

heeft, ook eenige van zijne Nairossen noordwaarts gezonden heeft, dewelke dan door sNababs Minis= „ters kwasi als gedwongen zijn geworden, om te samen tegenstand te bieden: de Eerstgetekende heeft ingevolge het door hem reets prealabel geno= „teerde bij zijn laatste aparte aan uw Hoog Edel= „heedens van den 5: Meij Jongstleeden, toen al eenigzinds kunnen merken, dat de Paljetter niet weet in welke bogten Hij zig wringen zal, om aan de eene zijde op een bedekte wijze, den Nabab als zijn tribut Heer, tot vriend te houden en aan de andere zijde om zijne gehad heb= „bende inzigten, voor ons en den Jrevancoor te ver= „bergen; dus heeft wij, hoorende dat er volk van den Paljetter na de noord gezonden was; den Paljetter hier over onderhouden; dog deze ontken= „de het stoutelijk en betuijgde, dat hij maar alleen volk gezonden had, om zijne noordse plaatsen te dekken, maar dit secours niet groot genoeg zijnde, zo heeft de Paljetter, zedert nog meer volk daar na toe gezonden, en het toen niet langer weetende te ontleggen, of op het voorige pretext te schuijven, 't zedert betuijgd, zulx te hebben moeten doen, op herhaalde ordres van den Nabab, en om dat de vorst van Collastrij en ook die van Caddatenaddoe hulp troupen hadden gezonden 192 gezonden, wij zulx ook niet had kunnen wijge= „ren, zonder zig sNabats ongenoegen op den hals te haalen, en zijne noordse landen, weder aan eene invasie, gelijk laatst, te exponeeren, het geen van zeer nadeelige gevolgen zoude zijn; zijnde hier uijt genoegzaam aftelijden, dat de Cochimsen koning, zig zelven ten eenemaal Considereerd als een tributair van den, Nabab en zelfs ver= „pligt is, hem te gehoorzamen; Trevancoor weet zulks ook, dog ontveijnsd zulks teweeten, het ge= „drag van deze koning baard twijffelinge of Hij 's Comp: zijde wel getrouwelijk aankleefd; dit be= „tuijgd hij egter, en verklaard rond uijt, dat wij ingevalle de Nabab bezuijden de Linie mogt willen doorkomen, Hij zulks opentlijk en met algemeene magt zouden beletten, voorgeevende maar Contributie, wegens noordse landen te geven; Ja Wij heeft ook verzekerd, geene orders van den Nabab te zullen nakomen die tot na= „deel van de Comp: strekken, met bijvoeginge, dat Hij zelvs op NNababs ordre niet had willen tree= „den, tot het bezetten met zijn troupen van s Nababs sterktens, op de Landstreek van Cran= „ganook, tot Chettua, maar het is apparent, dat dit de waarheijd al eens zijnde; Hij zulx ge= „laten heeft, om dat hij dat ook niet kan doen, zonder s zulx trij en den nagezien er AP. Warten zonder opentlijk ongenoegen van ons en Jrevancoor, te meer de Comp: van Maare pretentie op die landen nog niet heeft afgezien; intusschen geeft deze vorst aanlijdinge om te denken, dat indien de Nabab eens met een groote magt aan dezen kant mogt ko= „men om verder door tedringen, dat hij zig zal voe= „gen na dat de zaken loopen, en de sterkste of boven drijvende parthij bijvallen, zo dat het temeer nood= „zakelijk is, om met Trevancoor een naauwe vriendschap te onderhouden. Dat de Majoor en Hoofd der Militie alhier Jan Hendrik Medeler na een ziekte van drie dagen den 4: augustus overleeden is, en dat het Com= „mando over de Militie intussen tot uw Hoog Edel= „heedens nader order door de oudste Capitain van de gedetacheerde Ceilonse Companien gerrit Frankena waargenomen word. Terwijl ons de Hooge eere geven van met Hoog de uijtterste eerbied en agtinge te blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtbaare wijd= „gebiedende Heer en welEdele Heeren! uw Hoog Edelheedens onderdanige en gehoorzame dienaaren /:was geteekend:/ A=n Moens, R: van Harn, L: C: saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Leijsser A: J: S: vernede en J: A: Cellarius /:in margine:/ Cochim den 28: Augustus 1777 7:- Accordeert H Schutz secret:s N„o 19. Copia apart 193 coor, Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk Gouverneur Generaal Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia W: Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer „ Bij mijn apparte van den 5:' Meij hebbe ik de eere gehad uw Hoog Edelheed:s te bedeelen, dat men toen meende, dat de franschen een be„ „zendinge gedaan hadden, nade Marhettas, om een plaats op de Marhettase Custen teverzoeken, ten eijnde daar een logie opterigten; zedert hebbe Wel Edele Heeren nog lan den r ren Leijsser ie t En nog nader vernomen, dat 'er in der daad imand tot dat eijnde aan het Poenase Hof zoude geweest zijn, en wel speciaal, om een haven op de Marhettase Custen te verzoeken, dog dat het Engelse Ministerie te Bombaij, hier van de lugt gekreegen hebbende, ten eersten door den Agent„ die van wegens de Engelse altoos aan het Poenase tot is, in de nadrukkelijkste termen aande Marattase Regeering heeft doen verklaaren, dat indien zij Marhettas deminste engage„ „menten, met de franschen mogten aangaan, zij Engelse, als dan de facto de parthij van den pretendent Ragaboij weder zouden kiezen; en dat dierhalven de franschen thun oogmerk niet zouden bereijkt hebben, schoon men egter meend, dat een frans scheepje in een vande Marhettase havens dezen quade mousson zoude gepermitteerd zijn geweest, te overwintseren eenlijk omdat de mousson verloopen was, en het vaartuijg eenige gebreeken had, waar door het zelve geen zee kon kiezen. De briev van de Marhettas vermeld bij even „gem: mijn laatste aparte vanden 5:' meij is zedert bij Trevancoor besteld, dog door dezen vorst verdagt gehouden, of als een list van den Nabab, om eens te zien, hoe men zig hier op

NL-HaNA_1.04.02_3488_0431 view scan ↗

English

would act upon the receipt of such a letter as being, according to information obtained, of roughly the same content as what was addressed to the king of Cochim, or perhaps as a practice of some Marhettase land buyer to obtain some presents upon the delivery of such letters, which Trevancoor thinks might easily be the case here, because many native rulers, instead of signing their letters, only validate them with their seal, which seal is not known to the kings of Cochim and Trevancoor, so that the king of Trevancoor has sent up the deliverer of the letter; while I have also received word from the Gentleman of Vlissingen that the letter destined for Nagapatnam was not delivered there. Meanwhile, I would gladly hold an oral interview with the king of Trevancoor, which I have greatly desired, especially since the hostile incursion of the Nabab's troops, out of fear that all matters are not properly or duly presented to the king. It is even a custom with this king not to read his letters himself, but to have the contents explained to him by his servants whom he chooses for that purpose, and who then always have the power to add to or detract from them as they see fit. Therefore, I recently went expressly to Coilan, namely departing on the 16th of this month and returning on the 22nd thereafter, under the guise of going to inspect the southern residencies, and especially how far the repairs to the fort of Coilan had progressed / pursuant to the qualification granted by your High Nobilities for that purpose in a separate missive of 30 September 1773, which has gradually made its progress and is now almost as good as completed / in the hope of enticing the king of Trevancoor, who resides only twelve hours from Coilan, to an oral interview, all the more so because I knew he had long desired to meet me, which would also have succeeded now had his Highness indeed not been very ill, and moreover found himself in circumstances which I shall presently have the honor to mention; nevertheless, his Highness had me very kindly complimented and expressed his regret that, with me being just on this side now, he could not speak with me on account of his illness, whereupon I sent a confidant with a letter to hand to his Highness himself; with a compliment regarding the arrangements his Highness had ordered made everywhere through his country to facilitate my journey, and wherein I likewise expressed my regret that we could not meet each other, all the more so because I needed to speak to his Highness about weighty matters concerning the prosperity of his realm, which ought to be dealt with by ourselves, unless his Highness had a trusted minister upon whom he could safely rely, requesting to send such a person to me without further delay, as his Highness had already promised me some time ago to send one of his principal ministers to me. The king thereupon had my emissary come to him, opened the letter himself, read it himself, and subsequently spoke with him alone (while everyone had to remain outside; a rarity never before seen of this ruler), and gave an account of the circumstances in which his Highness has found himself for some time, and still finds himself, with orders to relate everything back to me; this emissary returned only an hour before I was to write this and reported to me on the king's behalf: That the king has been very ill and languishing for some time, without really knowing what ailed him, which illness was of such a nature that he felt omens of death more than once and thought he would pass away immediately. That the king has consulted time and again about this with the Brahmins and the learned among them, and they being unable to discover the cause of that illness, his Highness finally had to assume that he was bewitched /: it is an accepted truth among the Mallabaars that someone wishing to have more than ordinary influence over another knows how to employ a so-called magic potion, whereby the other is, as it were, blinded, believes and does everything he is told, and subsequently surrenders himself entirely and blindly to the perpetrator of that work :/, which the king at last believed so firmly that he already began to suspect his prime state minister, who stood in high favor with his Highness, indeed had practically full power from the ruler and could do anything with his Highness, but also knew how to keep all other court nobles and servants at a certain distance from the court, and allowed no conversation with the king except in his presence. That this prime state minister, having undoubtedly noticed that the king was beginning to suspect him, although his Highness had not yet shown it to him, nevertheless died very suddenly these days, or rather was unexpectedly found dead, or as the general opinion holds, had poisoned himself. That thereupon an investigation and search was immediately conducted, and among other things it was also found that in the king's pillow several items were discovered which are considered by the native to be an infallible magical and blinding device. That it was then also discovered that this minister had performed several matters in the king's name of which the king never had knowledge. That his Highness was finally convinced by all circumstances and discovered evidence that the aforesaid minister had indeed cooked up that plot.

Dutch transcription

194 op den ontvangst van zo een briev gedragen zoude als zijnde, volgens erlangde infor„ „matie, omtrend vandien zelfden inhoud als aan den koning van Cochim gerigt was„ of ook wel als een practijk van de eene of andere Marhettase landkooper, om bij de bestelling van diergelijke brieven, eenige het geen frevancoor meend, prezenten te erlangen dat in dit geval gemakkelijk zoude kunnen plaats hebben, om dat veele inlandse vorsten in steede van Hunne brieven te tekenen, dezelve eenlijk met hun Cachet bekragtigen, welk Cachet, bij de koningen van Cochim en Trevan „coor niet bekend is, zo dat de koning van Jrevancoor den besteller vanden briev opgezon„ „den heeft; terwijl ik ook van den Heer van vlissingen tijdinge erlangd hebbe, dat de briev die voor Nagapatnam geschikt was, daar niet aangebragt is. Jntusschen zoude ik gaarne met den koning van Trevancoor eens een mond gesprek houden, waar na ik, inzonderheijd 'tzedert den vijandelijken inval van 's Nababs troupes zeer verlangd hebbe, uijt bedugtinge, dat alle zaken niet wel of behoorlijk bij den gelijk het zelfs koning voorgedragen worden. bij and ter even zedert 1n bij dezen koning een gewoonte is, zijne brieven zelfs niet teleezen maar den inhoud der zelve aan hem te verstaan telaaten geeven door zijne Bediendens, dewelke hij daartoe verkiest en die dan altoos het vermoogen hebben, om 'er zo wel bij of aftedoen, als zij goedvinden, der„ „halven ben ik dezen dagen expres eens na Coilan geweest, teweeten den 16:e dezer vertrokken en den 22:' daar aan weder gekomen onder de naam, van de zuijder Residenties te gaan zien, en inzonderheijd „ hoe verre met de reparatie aan het fort Coilan gevordert is, /ingevolge de door uw Hoog Edelheedens daartoe verleende qualificatie bij aparte missive van den 30:' 7ber: 1773: het geen langzamer„ „hand zijn voortgang gehad, en nu ook bij na zo goed als ge-abzolveert is / in hoop dat de koning van Trevancoor, die maar Twaalf uuren van Coilan resideert, tot een mond geprek telokken, temeer ik wist, dat hij al lange verlangd hadde, mij te ontmoeten, het geen ook nu zoude gelukt hebben, indien zijn Ho:t niet inder daad zeer ziek was, en boven dien zig in omstandigheiden bevond, die ik straks de eere zal hebben temelden; egter heeft zijn Hoogh:t mij zeer vriendelijk laten Complimenteeren 195 Complimenteeren, en zijn leetweezen doen betuijgen dat ik nu Juijst aan deze kant zijnde, Hij om dewille van Desselfs ziekte, met mij niet spreeken kon, waarop ik een vertrouweling gezon„ „den hebbe met een briev, om aan zijn Ho:t zelfs te overhandigen; met een Compliment over den toestel die zijn Ho:t ter faciliteeringe mijner rijze door zijn land over al had laten maken, en waar bij ik insgelijks mijn leetweezen betuijgde, dat we elkander niet konden ontmoeten, temeer ik zijn Ho:t diende te spreeken, over zaken van gewigt die de welvaart van zijn Rijk aangaan, en door ons zelfs, dienden verhandelt teworden, ten waare zijn to:t een vertrouwd Minister had, opwien hij zig gerust verlaten kan, niet ver„ „zoek om dan zo imand zonder verder uijtstel„ bij mij tezenden, gelijk zijn to:t mij al over eenigen tijd beloofd had een van desselvs voor„ „naamste Ministers bij mij te zullen zenden; De koning heeft daarop mijn zendeling bij zig laten komen, de briev zelfs ge-opend, zelfs geleezen, en vervolgens met hem alleen (terwijl ider een buijten moest staan; een zeld„ „zaamheijd die men nimmer van dezen vorst gezien heeft) gesprooken, en een verhaal ge„ „daan, van de omstandigheeden waar in zijn Hot: ieven zelve ne aan toe Ja bij dat f alk gesp waa er„ boven ten la eeren Ho:t zig eenigen tijd lang bevonden heeft, en zig nog bevind, met last om mij alles wederom tezeggen; deze zendeling is pas een uur, voor dat ik dezen zoude schrijven, terug gekomen en heeft mij van 'skonings weegen berigt. Dat de koning al eenigen tijd lang, zeer ziek en quijnende is geweest, zonder regt teweeten wat hem manqueerde, welke ziekte van dien aard was, dat hij meer als eens voorteekens van de dood gevoelt en gedagt heeft, dadelijk te zullen schrijven Dat de koning met de Bramineezen ende geleea¬ „den onder hun eens en andermaal hier over geraadpleegt, en men de oorzaak van die ziekte niet kunnende ontdekken, zijn Ho=t eijndelijk heeft moeten veronderstellen, dat Hij beloverd was /:het is bij de Mallabaaren een aangenoomen, waarheijd, dat iemand meer dan ordinair influentie op een ander willende hebben, een zo genaamd tovermiddel weet te practiseeren, waar door de andere, als verblind word, alles geloofd en doet wat men hem zegt, en zig vervolgens geheel en al„ als blindelings aan den drijver van dat werk overgeeft :/ hetgeen de koning op het laatste zo vast geloofde, dat hij al eenig wantrouwen begon 196 begon te krijgen op zijnen eersten staats Minster„ die in een blakende gunst bij zijn Ho:t stond Ja genoegzaam een plain pouvoir bij den vorst had, en op zijn Ho:t alles vermogt, dog ook alle andere Hofs grooten, en bediendens op een zekeren afstand van het toff wijt te houden, en geen gesprek met den koning toeliet dan in zijne tegenwoordigheijd. Dat dezen Eersten staats Minister ongetwijffeld gemerkt hebbende, dat de koning eenig nadenken op hem begon te krijgen, schoon zijn Ho:t het Hem nog niet had laten blijken, egter dezer dagen zeer subit overleeden of eijgentlijk op het onver„ „wagts dood gevonden is, of zo als het algemeen gevoelen is, zig zoude vergeven hebben. Dat daarop ten eersten onderzoek en naspooringe gedaan, en onder andere ook bevonden is, dat „gevonden in 's konings Hoofd kussen, verscheijde dingen„ zijn, die bij den inlander voor een onfeijlbaar tover en verblindend middel gehouden worden. Dat toen ook ontdekt is, dat die Ministers ver„ „scheijde zaken op 'skonings naam verrigt heeft, daar de koning nimmer van geweeten heeft Dat zijn Ho:t eijndelijk uijt alle omstandigheeden en gevondene bewijzen overtuijgt is geworden dat voorsz: Minister Item inder daad die bool gestoofd had. Dat voor zig ek ziek k geleer„ meer illende uwen

NL-HaNA_1.04.02_3488_0436 view scan ↗

English

That His Highness also already had four prominent persons, who were of this Minister's faction, put to death. That as soon as the aforementioned Prime Minister and the four aforesaid of his faction were out of the world, and the so-called sorcery items in the sleeping pillow had been discovered and removed from it, he had begun to feel improvement. That a few days ago he had now appointed another Prime Minister, and was busy with him conducting further investigation and putting everything in the necessary order. That as soon as His Highness could somewhat have his hands free, and shall have recovered from his weakness, His Highness will come north in person to speak with me, or otherwise will send his new Prime Minister to me. So that there is now however hope for an oral conversation with His Highness, for which I shall leave nothing untried, the more so as I ought, among other things, to confer with His Highness regarding the conduct of the King of Cochin or his Prime Minister, the Paliath Achan, which however will have to take place very secretly so that the Paliath Achan does not catch wind of it and does not abandon his hope in the Company, which he seems still to have had, to help him once again, with the change of times, to what Travancore previously took from him. But this is a very delicate matter, which cannot be handled cautiously enough on account of the known state policy here, namely to preserve the Cochin Kingdom, which however, as circumstances change, is likewise subject to change. For it is certainly to be expected that Travancore will remember the conduct of the Cochiner; and to let Travancore go off alone with the booty without us also getting a share of it would be too dangerous for us, even if one could merely agree to make the Cochiner vacate what he still possesses on this side of the Cranganore river and transfer it to the Company, namely the Island of Vypin and the district of Mattancherry, with the rights of the toll. But be this as it may; I promise Your Right Excellencies, however, to use all secrecy and prudence regarding this delicate matter, in so far as the Company's greatest interests are concerned, both with regard to the present and in the hope of better circumstances. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect. Underneath stood: Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord and Honorable Lords; Your Right Excellencies' obedient and humble servant. Was signed: A:n Moens. In the margin: Cochin the 28th of August a:o 1777. Agrees: D Schuetz, secretary J V Wartenh No 20. Batavia To His Right Excellency, The Right Honorable, Highly Esteemed Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor General, Together with The Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord! Honorable Lords! Copy Secret Our respectful letter of the 28th of August last, sent via Ceylon in original, and via Nagapatnam in duplicate, we hope has already reached Your Right Excellencies' hands; we nevertheless send the triplicate thereof now again via Ceylon as a precaution, in case an opportunity might also present itself there in the meantime, for which conveyance we solely let this serve, as everything here is still in that state and circumstances as was communicated to Your Right Excellencies in the aforementioned, and we know nothing to add thereto, except only that instead of the two companies of Europeans which we sent back to Ceylon according to what was noted in our separate letter of the 5th of May past, we have requested back a company of those military men from the Ceylon ministers, and which we expect here any day with the ship that comes to fetch pepper, in order to make use of them as the circumstances of the times shall require, until we are furnished with Your Right Excellencies' further highly honored orders, which we look forward to with much desire. While giving ourselves the high honor to remain with the utmost respect and high esteem. Underneath stood: Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord, and Honorable Lords! Your Right Excellencies' humble and obedient servants. Was signed: A:n Moens, R: van Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Seijsser, A: Jos: Vernede, and J: A: Cellarius. In the margin: Cochin the 4th of November 1777. Agrees: Adriaan Pootvliek R Schutz, secretary No 21 Copy Separate Batavia To His Right Excellency, The Right Honorable, Highly Esteemed Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor General, Together with The Honorable Lords Councillors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord! Honorable Lords! My last respectful letter to Your Right Excellencies was of the 28th of August last, of which the original was sent via Ceylon, and the duplicate via Coromandel, while the triplicate lies herewith, by which I brought to Your Right Excellencies' knowledge what occurred with respect to the King of Travancore with his Prime Minister

Dutch transcription

Dat zijn Hot daar op ook reets vier voor„ „naame perzoonen, die van dezen Ministers, aanhang waaren heeft laten om 't leven brengen Dat zodra meerm: Eerste Minister en viervoorsz: van zijn aanhang, uijt dewereld, en de zo genaamde toverdingen in het slaap kussen ondelit, en uijt het zelve weggenomen waaren bij beeter„ „schap had beginnen tevoelen Dat hij nu over eenige dagen een anderen Eersten Minister had aangesteld, en met den zelven bezig was, om verder onderzoek tedoen en de noodige order op alles testellen Dat zodra zijn Ho:t eenigzinds de handen ruij„ „mer mogt krijgen, en van zijne swakheijd her„ „steld zal zijn, zijn Ho:t in perzoon noordwaarts zal komen, om met mij tespreeken, of anders zijnen nieuwen Eersten staads Minister bij mij zal zenden zodat 'er nu egter hoope is, tot een mondgesprek met zijn Hoogh:t en waartoe ik niets onbe„ „zogts zal laten, temeer ik zijn Hoogh:t onder andere ook over het gedrag van den Cochimsen ko„ „ning of zijne Eerste staads Ministers den Paljetter diende te onderhouden, het geen egter zeer secreet zal moeten geschieden omde Paljetter delugt er niet van tedoen krijgen en zijn hoop op de Comp: niet tedoen 197 te doen afleggen die wij nog al schijnd gehad te „hebben, om bij veranderinge van tijden htem eens weder te helpen aan het geen Trevancoor hem wel eer afgenomen heeft, dog dit is een zeer delicaat articul, dat niet voorzigtig genoeg kan behan„ „delt worden uijt hoofde van de bekende staats regel alhier, namentlijk om het Cochimse Rijk te behouden, dat egter na maate de omstandigheeden veranderen, insgelijx ver„ anderinge onderworpen is, want het is zee„ kerlijk tedenken, dat Jeevancoor het gedrag van den Cochimer ingeheugen houden zal en om Trevancoor alleen met den buijt telaten heen gaan zonder dat wij 'er ook portie van krijgen, zoude te gevaarlijk voor ons zijn, al„ „waare het, dat men maar accordeeren kon„ om den Cochimer hetgeen Hij nog aan deeze kant van de Cranganoorse revier bezit, te doen ruijmen en bij de Comp: tedoen overgaan, namentlijk het Eijland Baijpin en het district van Mattancherij, met de Geregtigheijd van den toe, dog het zij hiermeede geleegen hoe het rij; ik beloove uw Hoog Edelheedens egter om„ „trend dit delicaate articul alle secretesse en voorzigtigheijd te zullen gebruijken voor zo verre 'sComps meeste belangens betrekkinge hebben voor„ sz: even ruij„ her„ waarts ster gesprek e„ etten a niet met nagezien Je hebben, zo op de tegenswoordige als op de hoop van betere omstandigheeden. Jnmiddels hebbe de Hooge eere met demeeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtb: wijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren; uw Hoog Edelheedens gehoorzaame en onderdanigen dienaar /:was getx:/ A:n Moens /in margine:/ Cochim den 28:' aug=o pe a:o 1777 - Accordeert D Schuetz secret:s J V„ Wartenh pvan N„o 20. Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk Gouverneur Generaal, Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. onse eerbiedige van den 28: Augustus Jongstleeden, over Ceilon in origineel, en over Nagapatnam in dupl: verzonden, hoopen we, dat uw Hoog Edelheedens reeds zullen zijn ter handen gekomen, wij laten egter ten overvloede het triplicaat daar van thans weder over Ceilon afgaan, of zig ook daar intussen een gelegendheijd mogt opdoen, ten welken geleijde wij deesen eenelijk Hoog Edele, Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer! Wel Edele Heeren! Copia Secreet laaten 198 Nagezien laaten dienen, alzo hier alles nog in die staat en om= „standigheeden is, als bij voormelte aan uw Hoog Edel= „heedens is bedeelt, en wij daar bij niet weeten tevoegen, als alleen, dat in steede van de twee Compagnien Euro= „peesen, die wij volgens het genoteerde bij onse aparte van den 5: Maij passato, na Ceilon hebben terug gezonden een Comparice dier militairen, van de Ceilonse ministers hebben terug verzogt, en welke wij alle dagen met het schip, dat ter afhaal van peper korat, hier verwag= „ten, ten eijnde daar van gebruijk temaken, als de tijds omstandigheeden zullen vereijsschen, tot dat wij met uw Hoog Edelheedens nader veel g'eerde ordre werden gemunieert, welke wij met veel verlangen te gemoed zien. Terwijl ons de Hooge eere geven, van met de uijtter= „ste eerbied en hoog agtinge te blijven. /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Agtbaare, wijdgebiedende Heer, en wel Ed: Heeren! uw Hoog Edelheedens onderdanige en gehoorza= „me dienaren. /:was geteekend:/ A=n Moens, R: van Harn, S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Seijsser A: Jos: vernede, en J: A: Cellarius /:in margine:/ Cochim den 4: November 1777: Accordeert Adriaan Pootvliek R Schutz secret:s N„o 21 199 2 Copia Apart Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Edelen, Groot Agtbaaren Heer en Hoog Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal, Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer! Wel Edele Heeren! Mijn laatste eerbiedige aan uw Hoog Edelheedens was van den 28: Augustus Jongstleeden, waar van het origineel over Ceilon, en het duplicaat over Cor= „mandel afgezonden is, terwijl het triplicaat hier nevens legt, waar bij ik uw Hoog Edelheedens ter kennisse gebragt hebbe, het voorgevallene ten opzigte van den Koning van Trevancoor met desselfs Eersten staats = = den isters t me wag= tijds tij werden gemoed uijtter= d Hoog Za= Harn, Seijsser :/ 2 t en 6

NL-HaNA_1.04.02_3488_0444 view scan ↗

English

Examined. to serve as notice, as everything here is still in that state and condition as was communicated to Your High Excellencies in the aforementioned, and we know nothing to add thereto, except only that instead of the two companies of sepoys, which according to the note in our letter of 5 May past we sent back to Ceylon, we have requested back one company of those soldiers from the Ceylon establishment, which we expect any day with the ship that comes shortly to collect pepper, in order to make use thereof as circumstances shall require, until we are provided with Your High Excellencies' further highly esteemed orders, which we look forward to with great longing. While giving ourselves the high honor to remain with the greatest respect and high esteem. Below stood: Noble, Grand, Honorable, Wide-ruling Lord, and Honorable Lords! Your High Excellencies' humble and obedient servants. Was signed: A. Moens, R. van der S., C. Saffin, J. L. van Spall, A. R. Schutz, C. G. Se..., A. Jos. Vernede, and J. A. Cellarius. In the margin: Cochin, 4 November 1777. Agreed. Adriaan Pootvliet R. Schulz, Secretary. No. 21 199 Separate Copy Batavia To His High Excellency, The High Noble, Grand, Honorable Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor-General, Together with The Right Honorable Gentlemen Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Grand, Honorable, Wide-ruling Lord! Right Honorable Gentlemen! My last respectful letter to Your High Excellencies was dated 28 August last, of which the original was sent via Ceylon, and the duplicate via Coromandel, while the triplicate lies annexed hereto, in which I brought to Your High Excellencies' knowledge what had occurred regarding the King of Travancore and his First State Minister, and what His Majesty negotiated with my envoy, and among other things, His Highness's promise that as soon as His Highness should have his hands somewhat more free, and shall have recovered from his illness, he would come northwards in person to speak with me, or else would send his new First State Minister to me; but neither the King nor his Minister has come yet. On 24 September last His Highness did write to me that he was still occupied, and would send someone to me shortly, and when I saw that this was again dragging on, I recently wrote further to His Highness about it, to which I still await the reply. Meanwhile, I have the high honor to remain with the greatest respect. Below stood: High Noble, Grand, Honorable, Wide-ruling Lord, and Right Honorable Gentlemen! Your High Excellencies' obedient and humble servant. Was signed: A. Moens. In the margin: Cochin, the 4th day of November 1777. Agreed. Secretary: S. Schemering H. Schutz No. 22. 200 Separate Copy Batavia To His High Excellency, The High Noble, Grand, Honorable Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor-General, Together with The Right Honorable Gentlemen Councillors of the Dutch Indies. High Noble, Grand, Honorable, Wide-ruling Lord, And Right Honorable Gentlemen. On the occasion that our General Description is now being sent to Your High Excellencies, I have the honor to present to Your High Excellencies the triplicate of my last separate letter of 4 November, in which I had the honor to communicate to Your High Excellencies that the King of Travancore, according to his promise, had not yet come this way, nor had he sent his new First State Minister, that I had written further to His Highness about it, and was awaiting the answer thereto; but following upon that, I must communicate to Your High Excellencies that His Highness, through his agent Ananda Mallen, has had a friendly reply served to me, stating that on account of the past affairs at court, he was not only still too occupied, but also upon closer inspection found it inadvisable for the present to leave his court alone and come this way, as not knowing whether some fire might still be smoldering under the ashes here and there, and that for that same reason he must also postpone somewhat the sending of his new First State Minister. This seems somewhat questionable to me; it is true that the circumstances in which His Highness has been were bad, and that since affairs have only been restored not very long ago, His Highness's presence at the court, as well as that of his First Minister, is better than their absence; but I cannot see that this is precisely reason enough not to enter into a serious negotiation with me, either in person or through his Minister. And therefore I think that His Highness is postponing our meeting or negotiation until the arrival of the Batavia ships and his answer from Your High Excellencies, or else that he, being no longer so afraid now, and seeing that the Nawab cannot break through so easily and is kept occupied to the north by the Marathas, also no longer considers the matter as serious as before, which one generally sees happening in such cases among the Malabar princes; or perhaps also because he is apprehensive that I will attempt to persuade him to help bear the expenses that we now have to incur, whether by bearing the costs of a certain fixed number of sepoys or else (since I do not believe he will agree to that) at least doing so through a considerably larger delivery of pepper; for if he might be apprehensive that

Dutch transcription

Nagezien laaten dienen, alzo hier alles nog in die staat „standigheeden is, als bij voormelte aan uw Hoo „heedens is bedeelt, en wij daar bij niet weeten te als alleen, dat in steede van de twee Compagnie „peesen, die wij volgens het genoteerde bij onse van den 5: Maij passato, na Ceilon hebben terug een Comparice dier militairen, van de Ceilonse hebben terug verzogt, en welke wij alle dagen het schip, dat ter afhaal van peper kort, hier „ten, ten eijnde daar van gebruijk temaken, als omstandigheeden zullen vereijsschen, tot dat wij uw Hoog Edelheedens nader veel g'eerde ondre gemunieert, welke wij met veel verlangen 't zien. Terwijl ons de Hooge eere geven, van met de „ste eerbied en hoog agtinge te blijven. /:onderston„ Edele, Groot Agtbaare, wijdgebiedende Heer, en Heeren! uw Hoog Edelheedens onderdanige en geho „me dienaren. /:was geteekend:/ A=n Moens, R; van S: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Se A: Jos: vernede, en J: A: Cellarius /:in margin Cochim den 4: November 1777: accordeert Adriaan Pootvliek R Schulz secret:s N„o 21 199 3 Copia Apart Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Agtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal, Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer! Wel Edele Heeren! Mijn laatste eerbiedige aan uw Hoog Edelheedens was van den 28: Augustus Jongstleeden, waar van het origineel over Ceilon, en het duplicaat over Cor= „mandel afgezonden is, terwijl het triplicaat hier nevens legt, waar bij ik uw Hoog Edelheedens ter kennisse gebragt hebbe, het voorgevallene ten opzigte van den Koning van Trevancoor met desselfs Eersten staats en Nagezien staats Ministers, en het geen zijn Mo:t met mijn zendeling verhandelt heeft, en onder anderen, zijn Ho=ts belofte, dat zo dra zijn Ho:t eenigzints de handen ruijmer mogt krijgen, en van zijn zwakheijd zal hersteld zijn, in perzoon, noordwaarts komen, om met mij tespreeken, dan wel zijnen nieuwen Eersten staats Minister bij mij zenden zoude: dog de koning nog zijn Minister, is nog niet gekomen: den 24: september Jongstleeden heeft zijn Ho:t mij wel geschreeven, dat wij nog ge-occu= „peerd was, en binnen korten iemand bij mij zenden zoude, en toen ik zag, dat dit weder traineerde, zo hebbe ik onlangs zijn Ho:t daar over nader geschreeven, waar op nog het antwoord tegemoed zie. Jnmiddels hebbe de Hooge Eere, met de meeste Eer= „bied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele, groot Agtb: wijdgebiedende Heer, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoorzame en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ A=n Moens /:in margine:/ Cochim den 4: d=e November 1777:— Accordeerd secret:s S Schemering H Schutz deling t leeden leed u= zenden Z. waar hebbe Eer= Agtb: 1 Hoog (:was 4: db No 22. 200 Copia Apart Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Agtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk Gouverneur Generaal, Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare, O Wijd gebiedende Heer En Wel Edele Heeren. Bij gelegentheijd tans onze Generaale beschrij„ „vinge aan uw Hoog Edelheedens afgezonden word, hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aantebieden het Triplicaat van mijn laatste apparte van den 4:' 9ber:, waar bij ik de eer had uw Hoog Edelheedens P Edelheedens te bedeelen, dat de koning van Trevancoor volgens desselfs belofte, dit heen nog niet gekomen zijnde, nog ook zijn nieu„ „wen eersten staads Minister gezonden hebbende ik zijn Hoogh:t daar over nader geschreeven had en daarop het antwoord verwagtende was; dog ten vervolge van dien, moet ik vw Hoog Edelheedens bedeelen, dat zijn Hoogh:t mij door desselfs Agent Ananda Mallen daar op in vriendelijk antwoord heeft laten dienen, dat hij uijt hoofde van de gepasseer„ „de affaires aan't Hoff, niet alleen nog te veel geoccupeert was, maar ook bij nader inzien, het niet geraden vond, voor eerst zijn Hoff, alleen te laten, en dit heen te komen, als niet weetende, of hier en daar nog eenig vuur, onder de as mogt smeulen, en dat Hij ook om die zelfde reeden de afzendinge van zijnen nieuwen Eersten staads Minister ook wat uijtstellen moet: dit komt mij eenigzints bedenkelijk voor; 't is waar, dat de omstandigheeden, waar in zijn Hoogh:t geweest is, erg geweest zijn, en dat de zaken nu nog niet zeer lange geleden eerst her„ „steld zijnde, zijn Ho=ts tegenwoordigheijd aan het Hoff, zowel als die van zijn Eersten Minister 201 Minister beter is, als Derzelver afwezigheijd,„ dog ik kan niet zien, dat dit Juijst een argument genoeg is, om met mij niet in een ernstige onderhandelinge te komen het zij in perzoon of door zijn Minister, en derhalven denke ik, dat zijn Hoogh. t onze ontmoetinge of verhandelinge uijtsteld, tot de komst van de Bataviase scheepen en zijn antwoord van uw Hoog Edelheedens, dan wel, dat hij nu zo bevreest niet meer zijnde, en ziende, dat de Nabab zo ligt niet doorbreeken kan, en om de Noord, door de Marattas in de bezigheijd gehouden word, de zaak ook nu zo ernstig niet meer Considereert als bevoorens, het geen men doorgaans in diergelijke gevallen bij de Mallabaarse vorsten, ziet plaats hebben; of mogelijk ook wel, om dat Hij bedugt is, dat ik htem zal tragten te beweegen, om te helpen dragen, in de onkosten, die wij tans moeten doen, het zij dat wij de onkosten wil dragen van een zeker bepaald getal sipais dan wel (dewijl ik niet geloove, dat Hij daar toe treeden zal ) ten minsten zulks doe„ door een merkelijke meerder leverantie van Peper; want indien hij mogt bedugt zijn, dat van bbende en seer„ ader n, g ge ter Eersten

NL-HaNA_1.04.02_3488_0452 view scan ↗

English

that I shall confer with him about that; he has advised me very well indeed, as I am indeed intending, and also consider myself obliged, to do so, for I shall seek to convince him that his preservation or ruin depends upon the preservation of Cranganoor and Aijkotta, in case the Nabab, getting more room to maneuver, should come down again with a strong force and could break through, which would certainly happen if we do not prevent him from doing so; and I even intend to push that matter so far that I shall declare to him, or at least threaten, that in the event of his refusal we shall abandon Cranganoor and Aijkotta as yielding us no advantage anyway; in which case he would be exposed to the utmost danger of losing everything he has; that we shall then rely upon our city, and in the very worst case, being unable or unwilling to hold out here on the coast any longer, we would still lose only a part of our possessions, since we still have so much in Jndien and His Highness only a single Kingdom; and similar arguments more: but this I cannot negotiate otherwise than with the king himself or his First Minister. Since my last, the king of Cochim together with the Paljetter has paid a visit to the king of Trevancoor, and as I am informed, this is said to have taken place at the desire of the king of Trevancoor: I have managed to obtain someone who was also among the retinue, and believe myself to be very well informed that the king of Trevancoor has seriously warned the king of Cochim and the Paljetter no longer to be a hindrance to the Sammorijnse Nairossen henceforth, and in a word, to do nothing that is in any way consistent with the interests of the Nabab. Meanwhile affairs are beginning to change more and more for the better, at least the Nabab's force is still to the North, and there he still has his hands full; the Sammorijnse Nairossen are also beginning to raise their horns again, and to raid close up to Calicoet; the Nabab's troops who are around here, though not in great numbers, are deserting one after another because they receive no pay; the inhabitants await us every day, promising to help us carry and haul, although the principal shortage of Coelijs has for a great part been met through the use of heavy draft and pack oxen, which I obtained during the good Monsoon from the inland and further up from the mountains, and had trained during the bad Monsoon; a method which the Nabab also uses, and with which he transports his artillery; besides which the fear of the Coelijs is now also diminishing, knowing that the Nabab's force is not so great now as before, and the opportunity presents itself favorably on all sides to drive the enemy from our possessions, to retake the little fort Chettua and for the present to keep it in possession until further orders: while, even if we were unable to retain that district or had to abandon it afterward due to superior force of the Nabab, we shall in any case still be the same as we are now, that is, in a good state of defense at Cranganoor and Aijkotta; and everything has been made ready to do so shortly, awaiting God's blessing; I have until now still waited for the arrival of a ship or ships from Batavia, but I now dare wait no longer, considering that I could never justify letting so fine an appearance and opportunity pass by: I have, however, beforehand taken the advice of the most expert military men here on this matter, and especially of Captain Wolfart and of Drieberg, men of calm judgment and deliberation, appropriate prudence, and known bravery, to the former of whom the General Command of that Expedition has been assigned, and I have also spoken today with the Members of the Council about it, and taken their advice, and we are all of the opinion that the time has come to do so, and that we must not let that opportunity pass by: however, Your High Nobilities may rest assured that I shall take not a single step further than solely to take back what was taken from us, without intending further prospects that smack of the offensive. Meanwhile I have the honor to present herewith to Your High Nobilities the Return of the private Trade which I have again conducted for the Company in the recently passed Financial Year, from which it appears that the Company has again gained purely a sum of roa 17337: 46:- or actually ro/aƒ 19319: 10:—, if the profit on the sandalwood and the arrack had been calculated therein, as is shown in a Note at the bottom of that account, and if I had been able to procure as much sugar in that Year as in the previous Year, the profit would be even greater; but I fear that it will not be so much this Year, because up to now I have not been able to procure a single corl of sugar; I have, however, obtained kapok, and I shall leave nothing untried to continue this Trade further; moreover, there are also still four months of the good monsoon ahead, during which interval many an opportunity may yet present itself. Meanwhile I have the high honor to remain, with the greatest Respect. Underneath stood: High Noble, Highly Esteemed, Wide-Ruling Lord, and Noble Lords! Your High Nobilities' obedient and humble servant. Was signed: A:n Moens. In the margin: Cochim the 2:d Janu: 1778: Agrees J Sammcheul EEClercq J„ Bos No 23.

Dutch transcription

dat ik hem daar over zal onderhouden; zo heeft wij het zeer wel geraden, dewijl ik in der daad, van voorneemens ben, en ook meene verpligt te zijn, zulks tedoen, want ik zal hem zoeken te overtuijgen, dat aan het behoud van Cranganoor en Aijkotta zijn behoud of ondergang dependeert, inge„ „valle de Nabab de handen eent ruijmer krijgende, weder met een sterke magt af„ „quam en doorbuecken kon, het geen gewisse„ „lijk geschieden zoude, indien wij hem zulks niet beletten; en ik meene zelfs, dat stuk zo verre te beproeven, dat ik hem verkla¬ „ren, ten minsten drijgen zal, dat wij bij wijgeringe van dien, dan Cranganoor en Aijkotta, als ons tog geen voordeel gevende, zullen verlaten; als wanneer Wij aan het uijtterste gevaar bloot gesteld zoude zijn, om alles te verliezen, wat hij heeft; dat wij ons dan op onze stad verlaten zullen, en ten allerergsten genomen, het hier op de kust eens niet meer kunnende of willende hou„ „den, wij dan nog maar een gedeelte van onze bezittinge zouden quijtraaken, daar wij in Jndien nog zoveel hebben en zijn Ho:t maar een enkel Rijk; en diergelijke argu„ „menten 202 „menten meer: dog dit kan ik niet anders ver „handelen, dan met de koning zelfs of zijne Eersten Minister zedert mijn laatsten, heeft den koning van Cochim met den Zaljetter een visite bij den koning van Trevancoor weezen afleggen, en zo als ik geinformeert ben, zou zulks op de begeerte van den koning van Trevancoor geschied zijn: ik hebbe iemand weeten te krijgen, die onder het gevolg meede geweest is, en meene zeer wel ge-informeert te zijn, dat de koning van Fre„ vancoor den koning van Cochim en den Paljetten serieuselijk gewaarschouwt heeft, om voortaan de Cammorijnse Nairossen niet meer hinderlijk te zijn, en met een woord, om niets te doen, dat maar eenigzints met het belang van de Nabab over een komt Intusschen beginnen de zaken hoe langer hoe meer ten goede te veranderen, ten minsten 's Na„ „babs magt is nog om de Noord, en daar heeft wij de handen nog vol, de sammorijnse Nairossen beginnen ook weder de hoorens optesteeken, en tot digt bij Calicoet te stroopen, 's Nababs troupes die hier omstreeks, schoon in geen groot getal zijn, dezerteeren, de eene voor, en de andere na, om datze geene betalinge krijgen, de ingezeetenen wagten zo ant aan dat tta inge„ af„ wisse¬ zulks stuk kla„ bij en geven an zijn dat an hou„ argu„ de, wagten ons alle dage, belooven ons te zullen hel„ „pen dragen en sleepen, alhoewel het Hoofdge„ „brek aan Coelijs voor een groot gedeelte gevonden is, door het gebruijk, van zwaare trek en draag ossen, die ik in de goede Mousson, uijt het Lan„ „dijse en verder op uijt het gebergte gekreegen en in de kwaade Mousson hebbe laaten aanleeren; een manier waar van de Nabab zig ook bediend, en waarmeede Hij zijne Arthillerij vervoerd;— behalven dat de bevreesdheijd der Coelijs nu ook vermindert, nu te weeten dat 's Nababs magt nu zo groot niet is, als bevoorens, en de gelegent„ „heijd doet zig aan alle kanten favorabel op, om de vijand uijt onze bezittinge te Jagen, het fortje Chettua te herneemen en voor eerst in bezit te houden tot nader ordre: Terwijl we die Land„ „streek al eens niet kunnende behouden of na„ „derhand door overmagt van den Nabab moetende verlaten, we in allen gevalle dan nog maar dezelfde zullen zijn, die wij nu zijn, dat is in een goede staat van defentie te Cranganoor en Aijkotta; en alles is daar toe in gereedheijd ge„ „bragt, om zulks eersdaags onder afwagtinge van Gods zeegen te doen; ik hebbe tot dus lange nog gewagt tot de komste van schip of scheepen van Batavia, dog ik durve nu niet langer 203 langer wagten, in begrip dat ik het nimmer zoude kunnen verantwoorden, een zo schoone apparentie en gelegentheijd telaten voorbij gaan: Jk hebbe egter alvoorens het advis van de „daar kundigste Militair van hier over ingenomen, en inzonderheijd van Capitain Wolfart en van Drieberg Mannen van een bedaard oordeel en overleg., gepaste voorzigtigheijd en bekende bravoure, aan welken eersten het Generaale Commando over die Expeditie opgedraagen is, en ik hebbe ook buijten des heeden met de Leeden van den Raad daarover ook gesproo„ „ken, en derzelver advis ingenoomen, en we zijn alle in begrip, dat de tijd geboonen is, om zulks te doen, en dat we die gelegentheijd niet mogen laaten voor bij gaan: egter kunnen uw Hoog Edelheedens zig verzekert houden, dat ik genen stap verder zal doen, als alleen weder tenee¬ „men, het geen ons afgenoomen is, zonder verdere uijtzigten te bedoelen, die naar het offensive zweemen Intusschen hebbe de eere uw Hoog Edelheedens hier neevens aantebieden het Rendement van de particulieren Handel, die ik in het Jongst gepas„ „seerde Boekjaar weder voor de Comp: gedreeven hebbe, en waar bij blijkt, dat de Comp: weder zuijver aag d bedi k legent„ om etende naar is in ge¬ tinge us p op niet en Nagesien zuijver gewonnen heeft, eene somma van roa 17337: 46:- of eijgentlijk ro/aƒ 19319: 10:—, indien de winst op het zandelhout en de arrak, daar bij gerekent was geworden, gelijk bij een Nota onder aan, die reek: vertoond word, en indien ik in dat Jaar, zoveel ruijker had kunnen magtig worden, als het voorige Jaar, de winst zoude nog grooter zijn; dog ik vreeze dat het dit Jaar zo veel niet zal zijn, omdat ik tot nog toe geen corl zuijker hebbe kunnen magtig worden; egter hebbe kapok gekreegen, en ik zal niets onbezogt laten, om dezen Handel verder voortte zetten; Trouwens daar zijn ook nog vier maanden van de goede mousson voor handen, in welke tussen tijd zig nog veel gelegentheijd kan opdoen. Jnmiddels hebbe de Hooge eere, met de meeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtb: wijd gebiedende Heer, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoor„ „zame en onderdanige dienaar /:was getekend:/ A:n Moens /:in margine:/ Cochim den 2:' Janu: 1778: Accordeert J Sammcheul EEClercq J„ Bos 204 N„o 23. indien Nota n en st a voor veel de d: en hoor„ kend:/ Janu: he

NL-HaNA_1.04.02_3488_0458 view scan ↗

English

Yield of such goods as have been purchased for the account of the Honorable Company from various merchants since the first of September last and resold during that time, with indication of the advances in money and percentages. Purchase price burdened with all charges: Sale: Profit: Percentages: 419'745: - lb: powdered sugar: rupees 41974:24: rupees 47746:— rupees 5'771:24:- 13:¾: percent 16378:— lb: candy sugar: rupees 2653: 11:— rupees 3029:44: rupees 376: 33: — 14: 3/16: percent 208:¾: piculs spelter: rupees 3721:24:– rupees 4279:18:— rupees 557:42:— 15: - percent 12:— ditto Chinese silks: rupees 7953: — - rupees 9'168:— rupees 1215: —— 15:¼: percent 786:- candies kapok: rupees 65412:—— rupees 74326:— rupees 8914:–– 13: [illegible]: percent 359: piculs alum: rupees 1839:42:— rupees 2109: 6: rupees 269:12:— 14:½: percent 10'620:- lb: sappanwood: rupees 955: 38:— rupees 1189: 21:— rupees 233:31:— 24: 3/16: percent Total: Rupees 124509: 4: rupees 141847:4: rupees 17337:46: — The purchase deducted from the sale: rupees 124'509: 4: Thus it appears to have been gained here: rupees 17337: 46: NB: The profit is rupees 17337:46: If one now adds to this account the profit on 317 candies of sandalwood, also purchased privately last year, but having remained unsold, since then taken into the books, sold, and therefore not being able to be shown in this separate account, as this profit is now accounted for in the trade books, amounting to: rupees 1981: 12:— Then there would properly have been gained in this year: rupees 19319:10:— Cochin, the last of August anno 1777. A. V. Harn No 4.

Dutch transcription

Rendement van zodanige goederen, van d' ECompagnien van diverse Handelaaren zijn aanwijsing der Advancen in geld en Percentos 419'745: - lb: poeder zuijker — 16378:—„ – kandij zuijker. 208:¾: pikels spiaulter — 12:— — d=o Chineese zeijden 786:- Cand:r Capok — 359: pikels Alluijn 10'620:- lb: sappanhout- NB: De winst is Als men bij deezen reekening nu voegd de winst „delhout verleeden Jaar ook particulier ingekogt d overgebleeven zijnde, 't zederd bij de boeken ingenoe bij deeze aparte Reekeninge nu niet kunnende alzo deeze winst nu bij den Negotie boeken vertrowd Dan zoude eijgentelijk in dit Jaar gewonneen Den inkoop van den verkoop afgetrok zo consteerd hier op gewonnen te Cochim den Laas - —ƒ —„ „ 205 goedeen, als er zeederd primo september Jongst leeden voor reekening zijn ingekogt en geduurende dien tijd weederom verkogt, met entot -r=o C:s 41974:24: rop:s 1746:— Cop: 5'771:24:- 376: 33: — -„ 2653: 11:—„ 3029:44:„ 557:42:— 3721:24:–„ 4279:18:— „ 1215: —— „ 7953: — - „ 9'168:—„ „ 65412:——„ 74326:—„ 8914:–– 269:12:— 2109: 6:„ 1839:42:—„ „ 233:31:— 1189: 21:—„ 955: 38:—„ Teld - - - - Rop: 124509: 4: rp: 141847:4: r:s 17337:46: — — —. rop: 17337:36: - - -- - op AV Harn 14: - st: 13:¾: r=m 14: 3/16: „ 15: - sch:s 15:¼: r=m 13: /: s:s 14:½: r=m 24: 3/16: „ P„r Centof: verkoop: winst: Inkoops beswaard met alle ongelden: zijn - - - - -- - te ƒ 1 Laatsten Augustus anno 1777:— getrokken – – — — — — — — – – — — — „ 124'509: 43: rop„s 17337: 46: op 317: Candijlen zar„ wingt dog als onverkogt gekogt ingenoomen verkogt en dus kunnende vertoond worden vertrond word bedraagende- „ 1981: 12:— 12:- 3 wonne zijn „ — — — — rop: 19319:1b:— - — - „ - N„o 4. O

← previous