VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3488

Malabar · 470 pages · 77 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3488_0229 view scan ↗

English

Arrival of the sloop Sunda, which is stationed at Aijkotta on guard. A guard post has been stationed. Meanwhile, having arrived here on the 25th of the aforementioned month of November, the sloop Sunda carrying an additional 5000 pounds of gunpowder, we, after its unloading, have also had that small vessel cruise below Baipin and stationed on guard at the corner of Aijkotta, where it still remains. The small craft De Verwagting. At the opening of the fair monsoon, the small craft was sent to Aijkotta to keep guard there and, as far as possible, prevent the enemy from reaching the beaches of Baipin and landing there with any small craft along the Reef of Cranganoor, and it will have to remain there until the end of the fair monsoon unless circumstances in the meantime change for the better. The annual repairs and provisions have been completed on the small craft and the lesser vessels. How much the various items cost. The aforementioned small craft De Verwagting and the lesser vessels belonging here have been inspected, according to annual custom, by specially appointed commissioners, and the defects recorded, of which the incoming report was entered into the Resolution of 14 July of the past year. It appears therefrom that none of the vessels required any other than annual repairs, which we resolved on that day to have carried out, and which, together with and in addition to the ordinary provision of equipment goods and other necessities, cost ƒ2635: 14. —, as appears from the specification among the annexes. It was considered that an armed gamel in the river would be useful. The distance at Aijkotta is too large for one gamel to prevent the enemy from crossing. Among the annexes coming across. At our session of 12 May of the past year, we considered that a properly armed gamel can be of very great use on the river to prevent an enemy from crossing it; that although one of our gamels was armed and stationed in the river between Aijkotta and Cranganoor to prevent the passage of the Nabab's troops there, the distance there is nevertheless too large for one vessel, and one or even two more should be stationed there to be assured that, even if the Nabab sent out a larger force, he would not dare to attempt that crossing, or, should he proceed to do so, would suffer very great damage from those vessels and be turned back with his further force. In the year 1756 two gamels were stationed there. It was decided to have two new gamels built. In 1756 two armed gamels also lay there and prevented the Samorin's forces from executing their threatened invasion of Baijpin at that time. Wherefore, on the said day, we resolved to have two new gamels built, though of somewhat smaller size than the one already armed, in order to arm one of them and station it in the river of Aijkotta, or even both according to the circumstances of the time, or else to employ them for unloading and loading; since, owing to the employment in the war of one gamel, a shortage of unloading vessels is already beginning to be felt, and some of those vessels are also already old and worn out, in whose place new ones should shortly be built. And they are already ready, armed, and stationed in the river at Saijkotta. How much they cost. Correspondence maintained as required. These vessels have also both already been finished, armed, and stationed in the river at Aijkotta, as the circumstances of the time require, and the Nabab still has troops in these lowlands, who are at present somewhat scattered, but can be gathered together with haste if the enemy should wish to undertake anything further or attempt the crossing to Baipin. These vessels cost ƒ 3004:5—, as appears from the specification to be found among the annexes. Correspondence with the western offices has been properly maintained. We had the most to transact with the Ceylon ministers, who in these perilous times have assisted us with everything to the best of their ability. Assistance was rendered to Ceylon according to ability. To provide paddy. We have, in return, sent to them from our cash reserves a sum of ƒ121096:16-, and we shall also supply them, with one of the ships returning from here, with a cargo of paddy, without diminishing our supply thereof. A bill of exchange for 25000 Rupees was drawn on Cochim by the Sourat ministers. Sourat Director communicated regarding this. The Sourat ministers have drawn on us a bill of exchange amounting to 25000 Rupees, which sum we have caused to be paid to the holder, the Jewish merchant Levij Barles, that sum having been paid into the Company's treasury at Souratta by the English Chief there, Mr. Rawson Hart Boddam. Concerning which, the Sourat Director, Mr. Van De Graaff, has informed the Governor by separate missive that His Honour, being on friendly terms with the said Chief, could not refuse his urgent request to accept that sum to be paid out here, since the Company's interests in that place depend very much on the good or ill will of the English ministers. The private Dutch ship Concordia called here. Regarding free navigation and trade, we only note that on 30 October of the past year, there arrived in the roads the private Dutch ship Concordia, commanded by James Huig, from Batavia, bound for Bombaaij, whither it [illegible] on the first of November.

Dutch transcription

108 komst van de Chialoup Sunda deselve legt te aijkotta op brander ag: baandwagt is gelegt Jntusschen op den 25. der voormelde maand November hier aangeko„ „men zijnde D Chialoup Sunda met nog 5000: ponden buskruijt, hebben wij, na ontlading van het zelve, dat kielje meede onder baipin laa„ ten kruijsen en op de hoek van Aijkotta laaten op brandwagt leggen alwaar hetzelve als nog verblijft Het Smalschip De verwagting wanneer het smal schip daar op is het het opengaan van de goede mousson na Aijkotta gesonden om daar op brandwagt te leggen en zoo veel mogelijk, te beletten dat de vijand met geen kleen vaartuijg langs het Rif van Cranganoor aan de stranden van Baipin kome, en daar lande, en zal daer moeten er okken aan 't smalschip en de mindere vaartuijgen zijn de Jaarlijkse Reparatief en verstrekkingen gedaan. hoe veel het een en ander gekost heeft. moeten blijven, tot het laatste van de goede mousson ten waere de om „standigheeden intusschen ten goede veranderden. Het voormelde smalschip De verwagting, en de mindere hier thuijs hoorende vaartuijgen zijn, na Jaarlijks gebruijk, door Expresse gecommitteerdens besigtigt en de gebreeken, daar van opgenomen, waar van het ingekomen rapport ter Resolutie van den 14. Julij Annopassato, is ingeschreeven; daar bij Consteert, dat aan geene der vaar„ tuijgen, eenige andere, als Jaarlijkse reparatie verEijschte; welke wij ten dien dage beslooten hebben te laaten geschieden en met, en benevens de ordinaire verstrekkinge van Equipagie goederen en andere beno„ „digtheeden gekost hebben ƒ2635: 14. —. blijkens specificatie onder de bij lagen 109 men heeft geconsidereert, de nuttigheijd van een g'armeerde gamel in de Revier ode Destantie te Nijkotta te groot voor een gamel om den vijand den overtogt te beletten. — bijlagen overkomende Ter onser Sitting van den 12. maij annopassato, hebben wij ge„ „considereert, dat een gamel behoorlijk g'armeerd van zeer veel nut kan zijn op de Revier, om een vijand het overkomen, over deselve te beletten; dat wel een onser gamellen g'armeerd en in de Revier tusschen Aijkotta en Cranganoor geplaatst zijnde, om het overkomen van 's nababs Grou„ „pen aldaar te beletten; dog dat de distan„ tie daar te groot is voor een vaartuijg, en 'er nog een ofte zelfs twee dienden geplaatst te werden, om verseekert te moogen zijn, dat, of schoon de nabab, meerder magt afsond, deselve dien overtogt niet zoude derven onderneemen, ofte daar toe treedende, door die vaartuijgen zeer veel nadeel lijden, en met verdere magt te rug l van en in A:o 1756. hebben daar twee gamellen geplaats men heeft beslooten twee nieuwe gamellen te laaten aanmaaken rug gekeert werden, hebbende in 1756. aldaar ook twee g'armeerde gamellen geleegen en verhindert, dat als toen de Samorijnse hunnen gedreijgden invall op baijpin niet hebben kunnen ter uijtvoer brengen; waaromme wij dan ten gemelten dage beslooten heb„ „ben, twee nieuwe gamees te laaten aanmaaken, dog van wat minder grootte als de reets g'armeerde, om een daar van te armeeren en in de Revier van Aijkotta te plaatzen; of wel beijden, na tijds omstandig „heeden, dan wel deselve te emploij„ „eeren tot lossen en laaden; dewijl men door het emplooij in den oorlog van eene gamel reets gebrek aan los vaar„ „tuijgen begint te bespeuren, en ook eenige dier vaartuijgen al oud en afgevaaren zijn, in welkers plaats dog binnen korten nieuwe dienden te 110 en zijn reets klaar g'armeerd en in de Revier te saijkotta ge„ „plaats hoe veel deselve gekost hebben. De correspondentie na verEijsch onderhouden. te werden aangemaakt; deese vaar„ „tuijgen zijn ook reets beijde klaer geraakt en g'armeert en in de Revier te Aijkotta geplaatst, alzoo de tijds„ omstandigheeden zulks verEijsschen, en den Nabab nog volk in deese beneeden landen heeft, dat thans wel wat verspreijd, dog met haast kan samen getrokken werden, als de vijand iets verders, ofte den overtogt na baipin mogt willen ondernee„ men: hebbende deese vaartuijgen gekost ƒ 3004:5—. , blijkens de spe„ „lificatie onder de bijlagen te vinden. ½ De Correspondentie met de westersche Comptoiren is behoorlijk onderhouden; het moeste hebben wij te verhandelen gehad met de Ceijlonse ministers die ons in deese haggelijke tijds omstan„ digheeden van Ceelon is men na vermogen g'assisteerd. nelij besorgen. Een wissel van 25000. Rop.s is door de sourats minster getrokken op Cochim seurats Directeur daar van onderhouden „digheeden met alles na vermogen hebben g'assisteerd; wij hebben daer en tegen uijt onsen voorraad van Contanten aan deselve toegeschikt eene somma van ƒ121096:16-. , en zullen hen ook besorgen met een der van hier men zal daar hem een lading te rug keerende scheepen een lading Nelij, zonder onsen voorraad daar van te verminderen. De souratse ministers hebben op ons getrokken een wissel groot Ropias 25000:-, welke somma wij aan den houder, den Joods koopman Levij Barles, hebben laaten vol„ „doen, zijnde te Souratta die somma in 'sCompagnies kassa geteld door de Engelse Cheff aldaar, de Heer Rawson Hart Boddam, en De gouverneur en door den heer waar omtrend den Sourats directeur de Heer van De Graaff„ de gouverneur bij aparte mis„ sive 111 het particulier hollands schip boncordia is hier aangeweest sive heeft te kennen gegeven, dat zijn Edele met gemelde Cheff in vriendelijke verstand houding zijnde, op zijn Jnstantig. versoek, hem niet had kunnen weijgeren die somma te accepteeren om hier uijtge„ „keert te werden, vermits 'sComp:s belangens daar ter plaatze al veel van de goede of quaade wille der Engelse ministers afhangen. Nopens De vrije vaart en Hlande noteeren wij eenelijk, dat alhier op den 30. october annopassato ter. Rheede g'arriveert is het particulier hollands schip Concordia, gevoert bij James Huig, van Batavia, gedestineert na bombaaij, werwaarts het zelve op den Eersten november daar en oor

NL-HaNA_1.04.02_3488_0236 view scan ↗

English

The list of the ships that have been here comes herewith. How many ships and snows of the French have been here. Thereupon continued his voyage. Ships. A list of the foreign ships and vessels that have been here comes over among the appendices, from which it appears, among other things, that since the 2nd of February until the end of December last, there have appeared here in the roadstead from the French Nation six ships and five snows, with the places also noted down from where these and all other ships and vessels have arrived and whither they have departed, to which we respectfully refer. Concerning the servants, we have already communicated, by a separate letter of the 28th of August last, on the occasion when we then had to write separately to Your High Nobilities, the demise of the Head of the militia here, the Honorable Major Jan Hendrik Medeler. Since then, the titular skipper and Equipagie-master here, Lourens Buijs, and the Provisional Military Lieutenant Pieter Fremke have also passed away, the first on the 14th of October last and the second on the 29th of July prior. The office of Equipagie-master we have, as appears from our Resolution of the 16th of October aforesaid, since one has here not a single mate, but only two boatswains, then provisionally entrusted until further orders to the boatswain Jan Smit, to whom proper transfer has been made of that which depends on the Equipagie wharf, as being an orderly and capable man, generally employed as an assistant by the deceased Equipagie-master; but since here at this place, even in ordinary times and now much more necessarily in the present circumstances, a qualified and experienced seaman is needed as Equipagie-master in place of the said deceased Buijs, as which the boatswain Jan Smit could not be considered, we have therefore thought fit at our session of the 16th of December last to take from the ship Willem de Vijffde, which arrived here from Ceylon, and, subject to Your High Nobilities' esteemed approval, to appoint here as Equipagie-master the chief mate Johannes van Blankenberg, as being a person who possesses the required competence and qualities for it, which appointment we humbly request may be favorably approved and confirmed by Your High Nobilities, as the said van Blankenberg humbly requests Your High Nobilities for the same in the accompanying petition. In place of the said deceased Lieutenant Fremke, having judged it highly necessary at our session of the 31st of July of the past year to keep the number of officers full in these critical circumstances of the times, we have appointed as Provisional Lieutenant the senior ensign from the Cochin garrison, Fredrik Willem van Lenthe, and in his place again as commanding sergeant, Sergeant Willem Krams of Omburg, as a vigilant person, who humbly request Your High Nobilities in the accompanying petitions to be favored with the absolute ranks and the salaries standing therefor; which prayer we support with our recommendation as people who well deserve this favor. Among the Company of Easterners arrived here from Nagapatnam, there was an ensign named Katta, a very unworthy person to serve in the militia, which was accidentally discovered by the brand mark on his back, for which reason this person was immediately dismissed; and as a place of ensign under that company, standing under Captain Oesoep, thereby became vacant, we have, as appears from the Resolution of the 19th of November last, appointed in his place as Provisional Ensign the sergeant of that company, Achmet Oesoep Fattuaken, on condition that he further solicit from Your High Nobilities the confirmation and the salary standing therefor; which he now comes to do in a humble petition, upon which we request that Your High Nobilities may be pleased to cast a favorable reflection. The pensioners here on the Coast exist in a number of 19 heads, as shown by the incoming list. They renew their customary supplication for the further enjoyment of their pension. Among this number are Sergeant Johan Godfried Reijchel of Piljum, the assistant Pieter Andrietz of Laarwijk, and soldier Johan Rijsel of Stam, who, according to our Resolutions of the 14th of July, 12th of October, and 19th of November of the past year, have been placed among the retired servants because of their long years of service, advanced age, and bodily defects, the first at ƒ 12 —. and the others at ƒ 7. -. per month each.

Dutch transcription

te Lijst van de hier aangeweest zynde scheepen komt hier over. hoe veel scheepen en snaauwen van de franschen hier aange„ weest zijn daar aan, zijne Reijse heeft v' oortgeket van Scheepen De vreemde ler en vaartuijgen hier aangeweest zijn„ „de, komt een lijste onder de bijlagen over, waar bij onder anderen blijkt, dat zeedert den 2. februarij, tot ultimo december Jongstleeden hier ter Rheede van De fransche Natie ver„ scheenen zijn, ses scheepen en vijff snaauwen, zijnde daar bij ook aangeteekend, de plaatzen, van waar deese, en alle andere scheepen en vaar„ tuijgen gekoomen en waar na toe deselve vertrokken zijn , waar aan wij ons in Eerbied gedraagen Aan bedie gestel het bed die ten ook den geset. 112 het overleden van der magaor meda„ „ler is bij aparte missives reets beduelt/ aen Egenipagiemeeter Buijs en dien„ tenant Gremke, hebben het tijdelijke ook afgelegt. den boodsman sit is P:a in de bediening van Equipagiemeester gesteld Aangaande de Dienaren hebben wij bij aparte missive van den 28 augustus passato, bij gelegentheijd we toen aan uw Hoog Edelheedens appart moesten schrijven, reets bedeelt het overlijden van het Hoofd der militie alhier den E. majoor Jan Hendrik Medeler, zeedert hebben ook het tijdelijke afgelegt den Titulair schipper en Equipagiemeester alhier Lourens Buijs en den P=l Lieutenant Militair Pieter Jrem„ „ke, den Eersten op den 14:e october Jongstleeden en den tweeden den 29. Julij bevoorens; de bediening van Equipagiemeester hebben wij blijkens onse Resolutie van den 16. october voormeld, dewijl men hier geen een stuurman, maar alleen twee boodslieden heeft, als toen men oordeelt dat thans een hier is benodigt en dat gem: smit zoodanig niet kan geconsideert werden. toen bij provisie tot nader ordre opgedraagen aan den boodsman Jan Smit aan wien behoorlijk Transport gedaan is, van het geen van de Equipa„ „gie werff dependeert, als zijnde een ordentelijk en geschikt man, door den overleeden Equipagiemeester door „gaans tot hulp genoomen; maar ervaren zee man als Equipagiem: dewijl hier ter plaatse zelfs in or„ „dinaire tijden, en thans nog veel noodzaakelijker in de teegenswoordige omstandigheeden, een bequaam en ervaaren Zeeman als Equipagie„ „meester, in steede van gem: overleeden Buijs benodigt is, hoedanig den boodsman Jan Smit niet konde werden geconsidereert, zoo hebben wij ter onser sitting van den 16:e december Jongstleeden goedgevonden; van het, van Ceilon hier aangeko„ men, schip Willem de Vijffde te 113 men heeft den opperstuurman van t' schip Willem de Vijffde geligt, en op approbatie tot Equipagiem aangested versoekt om zijn bevestiging Den oudsten vaandrig van Lenthe tent aangesteld. te ligten, en op uw Hoog Edelhee„ „dens g'eerde approbatie, alhier als Equipagiemeester aan testellen den opperstuurman Johannes van Blankenberg, als zijnde een per„ „soon die daar toe de verEijschte be„ „kwaamheijd en hoedanigheeden bezit, welke aanstelling wij nedrigtt ver„ soeken, dat door uw Hoog Edelheedens gunstiglijk mag werden g'approbeert en bevestigt, zoo als gemelde van Blankenberg daar omme, bij nevensgaande smeekschrift, uw Hoog Edelheedens op het ootmoe„ „digst versoekt. Jn steede van gemelde overleeden Dieutenant Fremke, hebben wij in steede van premde p:r tot ene ter sitting van den 31. Julij A:o pass:o, als hoog noodig g'oordeelt hebbende, het getal der officieren in deese Cretique tijds omstandigheeden vol en in dies plaats tot Commandee„ rend zergeant, den dergedat krams hunne Requesten komen over en men ondersteunt hun verboek. men heeft den oosterte vaandrig Katta, om reeden zijns, weegs. laten gaan. voltallig te houden tot P:l Lieutenant aangesteld den oudsten vaandrig uijt het Cochims guarnisoen predrik Wil„ lem van Lenthe en in desselfs plaets weederom als commandeerend zerge„ „ant, den zergeant Willem Krams van omburg, als een vigilant Persoon, welke uw Hoog Edelheedens bij de nevens gaande Requesten ootmoedig versoeken, om met de absoluite qua„ liteijten en daar toe staande gagie te mogen werden begunstigt; welke beede wij, met onse voorspraak ondersteunen als lieden die deese gunst wel meriteeren. onder de Compagnie Oosterlingen van Nagapatnam hier aangekomen be„ vond zig een vaendrig gen:t Katta, een heel onwaardig persoon om onder de militie te dienen, het geen door het merk op zijn regge toe vallig en in de 414 in zijn plaats aangesteld. desselfs Request komt over vallig ontdekt is, waarom men dan deese persoon ten Eersten heeft laa„ „ten heene gaan; en dewijl daar door een vaandrigs plaats onder die Compagnie, staande onder Ca„ „pitain besoep, kwam te man— „queeren, hebben wij blijkens Resolutie van den 19. november en den zergaart, Achmet geloep, P: Jongstleeden, den Zergeant onder die Compagnie, Achmet oesoep Fattuaken, als Provisioneel vaen„ „drig in desselfs plaats aangesteld, mits de bevestiging en gagie, daar toe staande, nader van uw Hoog Edelheedens besoliciteere; het welk denselven thans komt te doen, bij een ootmoedig smeekschrift, waar op wij versoeken, dat uw Hoog Edelheedens een gunstige reflec„ tie gelieven te slaan. De Gegagieerdens hier over. welke persoonen onder derselver getal geteld zijn. de lijk der gegagieerdert komt ter Custe bestaan in een getalt. van 19: koppen, uijtwijsens de over „komende lijste, deselve renoveeren hunne gewoone Suplicatie om het verder genot der Rust gagie, onder dit getal bevinden zig den Zergeant Johan Godfried Reij¬ „chel van Piljum, den hand„ langer Pieter Andrietz van Laarwijk en Zoldaat Johan Rijsel van Stam, welke, volgens onse Resoluties van den 14. Julij, 12. october en 19. November anno passato, om de wille van hunne lang jaarige diensten, hooge ouder„ „dom en lichaams gebreeken, onder de Rustende dienaaren gesteld zijn, den Eersten met ƒ 12 —. en de anderen met ƒ 7. -. ter maand ider onsen

NL-HaNA_1.04.02_3488_0243 view scan ↗

English

115 The copy of the European requisition that arrives has been enlarged with what was requisitioned from Batavia, to be deducted if it is sent. We have enlarged our present outgoing requisition for Europe, of which a copy is attached hereto, and have noted thereon that which we required from Your High Right Honourables for necessities for the year 1778, because our previous requisition has not yet been fulfilled, and we are in uncertainty whether it will be fulfilled; but we have noted there, in case that requisition can be fulfilled from the Indian principal place, the same is then to be deducted from the requisition now outgoing. Furthermore, in fulfillment of Your High Right Honourables' highly honoured order, there is noted herein the number of servants present, with each one's profession and quality as they were found to be actually present under the date hereof, showing in a separate column the number that has been determined for each profession by Your High Right Honourables. Actual Number | According to the Regulation of the Board | More | Less Administration and Commerce 1 Extraordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director Commander | — | 1 | — | 1 1 Senior Merchant, Head Administrator and Second Merchant, Fiscal and Cashier | 3 | 2 | 1 | — 5 Junior Merchants, of whom 2 are out of employment | 4 | 2 | 2 | — 4 Bookkeepers with Junior Merchant's emoluments 29 Clerks, being: 14 Bookkeepers, of whom one is an assistant interpreter 10 Assistants 1 ditto ditto 29 Clerks | 20 | — | — | 2 Church Officials 1 Minister | 1 | — | — | — 2 Sick-visitors | 2 | 2 | — | — 1 Head Interpreter | 1 | — | — | — 116 Military Actual Number Here | According to the Regulation of the Board | More | Less Military Captain | — | 1 | — | 1 Captain Lieutenant | — | 1 | — | 1 3 Lieutenants | 2 | 1 | 1 | — 4 Ensigns | 3 | 2 | 2 | — 16 Sergeants | 8 | 8 | 8 | — 17 Corporals | 12 | 5 | — | — 1 Garrison Writer | 1 | — | — | — Tattoo Major | — | 1 | — | 1 3 Fifers and 5 Drummers 119 Privates, being: 78 Europeans and 41 Natives 119 Soldiers | 213 | — | 94 | — Eastern Military 1 Captain | — | 1 | — | — 3 Ensigns | — | 3 | — | — 9 Sergeants, of whom 1 is a European drillmaster | — | 9 | — | — 11 Corporals | — | 11 | — | — 87 Privates | — | 87 | — | — Sepoys 1 Captain | 1 | — | 1 | — 2 Lieutenants | — | 2 | — | — 1 Ensign | — | 1 | — | — 2 Sergeants | — | 2 | — | — 3 Corporals | — | 3 | — | — 61 Privates | — | 61 | — | — Marines, both Ashore and on the Sloops and Vessels Actual Number Here | According to the Regulation of the Board | More | Less Chief Mate as Acting Master Attendant | — | 1 | — | — Lieutenant and Master Attendant | 1 | — | — | — 2 Boatswains | 5 | — | 3 | — 2 Coopers | 3 | — | 1 | — 7 Quartermasters | 4 | 3 | — | — 1 Master Sailmaker | 1 | — | — | — 53 Sailors | 50 | 3 | — | — Artillerymen Captain Lieutenant | 1 | — | — | — Extra Lieutenant | 1 | — | — | — 1 Fireworker | 1 | — | — | — 1 Extraordinary Fireworker 5 Bombardiers | 6 | — | 1 | — 1 Gunner | 3 | — | 1 | — 3 Gun-carriage Makers | 1 | — | 2 | — 5 Labourers | 8 | — | 3 | — Officials of Medicine and Surgery 1 Master Surgeon | 1 | — | — | — 2 Surgeons | 1 | 1 | — | — 4 Senior and Third ditto | 4 | — | — | — Artisans Superintendent of all | 1 | — | 1 | — 1 Overseer of house carpenters | — | 1 | — | 1 1 Overseer of the shipyard | 1 | — | 1 | — 5 Ship's Carpenters | 7 | — | 2 | — 117 Actual Number Here | According to the Regulation of the Board | More | Less 5 Ship's Carpenters Carpenter | 1 | — | 1 | — 1 Glazier and house painter | 1 | — | — | — 1 Brass caster | 1 | — | — | — Coppersmith | — | 1 | — | 1 1 Saddler | 1 | — | — | — ditto in leather tanner | 1 | — | 1 | — 3 House carpenters | 3 | — | — | — 1 Turner | 1 | — | — | — Blockmaker | — | 1 | — | 1 3 Masons | 3 | — | — | — Messenger and bookbinder | — | 1 | — | 1 1 Surveyor | — | 1 | — | 1 9 Smiths | 12 | — | 3 | — 1 Gunstock maker | 1 | — | — | — In Various Services 1 Court Messenger | 1 | — | — | — 1 Provost | 1 | — | — | — 2 Trumpeters | 2 | — | — | — Head Mandor | — | 1 | — | 1 Military from Colombo Detached into the City 4 Captains | 4 | — | — | — 4 Lieutenants | 4 | — | — | — 3 Ensigns | 3 | — | — | — 15 Sergeants | 15 | — | — | — 2 Surgeons | 2 | — | — | — 3 Captains of Arms 18 Corporals | 18 | — | — | — Actual Number Here | According to the Regulation of the Board | More | Less 18 Corporals 3 Fifers and 8 Drummers | 11 | — | — | — 373 Privates | 373 | — | — | — Eastern Military from Colombo Detached into the City 9 Privates | 9 | — | — | — Artillerymen from Colombo Detached into the City 1 Bombardier 1 Bombardier | 1 | — | — | — 5 Gunners | 5 | — | — | — 37 Labourers | 37 | — | — | — Sepoys from Nagapatnam Detached into the City 2 Captains | 2 | — | — | — 1 Lieutenant | 1 | — | — | — 3 Ensigns | 3 | — | — | — 2 European Drillmasters | 2 | — | — | — 8 Sergeants | 8 | — | — | — 12 Corporals | 12 | — | — | — 2 Fifers and 3 Drummers 160 Privates | 160 | — | — | — At Cranganore 1 Bookkeeper 1 Extraordinary Fireworker 1 Master Surgeon 3 Assistant and Third Surgeons

Dutch transcription

115 de Copia Europase Eijsch komt over, is vergroot met het van batavia g' eijschte. worden zo het gesonden word. Onsen thans afgaan den Eisch voor Europa, waar van Copia hier nevens legt, hebben wij vergroot, en daar bij bekent gesteld, het geen wij voor an„ no 1778. van Uw Hoog Edelheedens aan benoodigtheeden hebben gere„ „quireert, om dat onse voorpaa„ omdat het nog niet voldaanis rige Eisch nog niet voldaan is, len wij in het onseeker zijn, of die voldaan zal werden; dog wij hebben daar bij genoteert, om, zoo indien die Eysch van de Jndiase Hoofdplaatse voldaen kan van desen Eijsch gedicorteerd word; het zelve als dan van den nu afgaande Eisch te werden gedecorteert. Werdende) overigens in vol„ „doening van Uw Hoog Edelheeden/ veel g'Eerde ordre, in deesen aangenoteert, het getal der aan weesende van 1 het getal der dienaaren alhier weesende Dienaaren met eeders be„ roep en qualiteijt zoodanig als de„ selve onder dato deeses in waare wezen zijn bevonden, met aantooning in een aparte Colom het getal dat van ieder beroep door uw Hoog Edelheedens is bepaalt. bepaling van de Politie en Commercie by de seb: bedenking meer minder 1 Raad Extra ordinair van nederlands Jndia Gou„ Verneur en Directeur Commandeur 1 opperkoopman, hoofdaministratr en secunde koopman fiskaal en kassier - - - 5. onderkooplieden waar van 2. buijten emplooij 4. boekhouders met onderkoopmans Emolumenten 29. pennisten als 14. boekhouders, waar van een ondertolk 10: assistenten i f:o d:o 29. pennisten. kerkelijke bediendens 1 — Predikant 2. –. krankbesoekers volgens de 1 hoofd tolk . . . . - - in wezen 20. militairen .. 1. — 3. 2. 4. — . 2 - ƒ - —. 2. - . - 116 Militairen alhier en wezen volgens bepaling bij kl: bro: Capitain . Capitain Lieutenant . 3. Lieutenants 4. vaandrigs 16. sergeants 17. Corporaals. . . . . 10 tamboer majoor - - - - 3. pippers en 5 tamboers ' 119 Gemeene als 78. Europeesen en 41 Jnlanders 119. soldaaten Oosterse militairen 1. Capitain 3. vaandrigs 9 sergeants waar van 1: Europeese dailmeester. . 87. Gemeene Ziepaijers. 1. guarnisoen schrijver - - - - - - - . . 11. Corporaals. . . . . . . . . . . . . . — 2. Lieutenants. . . . . . . . . . . . . —. 2 2. zergeants. . .. 3. Coaporaals . . 61. gemeene - 1. vaandrig. . . 1. Capitain. . . . . . - 2. 3. —. 3. 9. . . . . . . . . .. —. 1. . - . .. 213. —. 94. 1. 5. —. 2. 2. — 8 8. — - - - - . 12. 1. 2: 1. —. —. 1 meer minder Marines - . .. . . - .- - - . . - 8 . . . . . . .. . .. .. . . . . . . . . —. - - .. . . . . .. . . - - „ —. —. 87. 11. -. 61. . . 1 1 — 1. volgens alhier en wezen bepaling Marines zoo aan Land bij lecoete als op de Chialoupen en minder sedunking meer min vaartuijgen. opperstuurman als P:l Equipagiemeester. . . . . —. Lieutenant en Equipagiemeester- - - - - - 2. boodslieden 2. kuijpers 7. quaertiermeesters - - - - - - - - - - -- 1 opper zeijl maker - - - - - - - - - - - 53. mattrooten - - - - - - - - - - Arthilleresten Capitain Lieutenant Extra Lieutent 1 Extra ordinair vuurwerker 5: bombardiers 1. Cannonier 3 affuijtmakers 5. handlangers Bediendens van de Geneetkunde en Chirurgie 1 vuurwerker - - - - - - Ambagts lieden 1. opsiender der huijstimmerlieden. . . . —: 1 „ der scheeps timmerwerff - - - - - 1. — 4. ouder en derde dito. . . . . . . — baat over alles.. 1. oppermeester. . . . . . . . . . 2. Chirurgijns - - - - - - - - - - - . 1. 5. scheeps 7 a .. . . . . . . . . . - ... - - - - - . . - . . .. . . .. 8. —. 3 3. —. 4 —. 3. —. 5. — 1. 1 —. — — 1. 1. -. . 1 .. ... ƒ .. . „ . -. 4. —. 1. 1. —. 50. 3. —. 1. —. 1. —. — 1. 6. 1. — 3. —. 1. 1. — 1. . . . - - - alhier en 117 5. scheeps timmerlieden wezen. timmerman 1: glase maker en kladschilder 1. geel gieter — kooperslaager - 1. sadelmaker - - - - d:o in leertouwer. . . . „ 3 huijstimmerlieden. . . . . 1. draaijer blokkemaker Jn Diverse Diensten 1 geregts boode Militairen van Colombo Jn de stad gedetacheerd. 4. Capitains 4. Luijtenantt 3. vaandrigs 15. sergeants 2. Chirurgijns 3. Capitain des armes- 3. metselaars. . . . -. bode en boekebinder - - - - - - - - - - - 1. landmeeter . . . . . . . . . . . . — 9. smits. . . . . . . 1 lademaker - - - - - - - - - - - 1: geweldiger. . . . . . . . . . . .. 2: trompetters. . . . . . . . . . . .. oppermandoor - - - - - - - - - - - —. .. . . . . . . . . . . 1. —. — 1. 3. 1 1.— 5. 4 12. volgens bep: bij bl: bed: meer minder 4 4. 3. 2. 15. —. 18. Corporaals mind 1. 3. - -. 1 1. —. 3. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 0. 2. —. 2. —. 1. — 1 .. . . .ƒ „. —. 1. —. 1. —. 1. — 1 .. .. . .. .- - 1 1. 1. - 2. 1. — 1. —: —. 7. . ƒ —. 1. —. 1 1. 1 —. .. .. —. . . .. —. —. — 3. - 0 .. alhier in wezen 18. Corporaals 3. fluijters en 373. Gemeene 8 tamboers }. . . . . 9. Gemeene 1. bambardier 5. Canonier 37. handlangers Sipaijers van nagapatnam in de stad gedetacheerd 2. Europeese dailmeesters - - - - -- 8. sergeants 12. Corporaals 2. pijpers en 3. tamboert 160. gemeene 2. Capitains - - - - - - - - - - - - 3. vaandrigs - - - - - - - - - - - - - - —. 1. Lieuten:t 1. boekhouder- 1. Extra ordinair vuurwerker -. 1. oppermeester 3. onder en derde Chirurgijn je Cranganoor 2. 3. - - - - - - - -- - 373. Oosterse militaire van Colombo in de stad gedetacheerd Arthilleristen van Colombo in de stad gedetacheerd 1. bombardier . . . . . . . . . . . . . .. . —. —. —. 1. 37. — - .—. . -. .—. —. -: -—1. —. ... —. —. —. 3. 1 1. 1. 160. 12. 8. 2. .. . . . . - . . . . . . . . - . - . . .: . - tbe bed: meer minder bij de de bes. volgens 18. 11. —. l . . .. -

NL-HaNA_1.04.02_3488_0249 view scan ↗

English

118 here present 1 bombardier 3 gunners 2 sergeants 3 corporals 9 assistants 1 under adjutant 1 drummer 32 privates In the Camp before Cranganoor military from Colombo detached there 1 captain 3 lieutenants 1 ensign 5 sergeants 1 captain of arms 6 corporals 4 fifers and drummers 116 privates Eastern military from Colombo detached there 2 captains 2 lieutenants 4 ensigns 2 European drillmasters 9 sergeants 12 corporals 1 drummer 168 privates 12 2 2 4 2 1 3 1 1 6 4 4 30 1 1 1 the said more less determined by according to 2 5 2 1 2 1 1 168 1 116 present here detached 1 ordinary lieutenant 4 gunners 25 assistants Sepoys from Colombo detached 1 extraordinary ditto 1 bombardier 1 captain 3 ensigns 3 European drillmasters 4 sergeants 102 privates 6 corporals 1 drummer Eastern military from Nagapatnam detached there 1 captain 1 lieutenant 2 ensigns 1 European drillmaster 6 sergeants 6 corporals 3 fifers and drummers 79 privates Sepoys from Nagapatnam detached there 1 captain 6 6 2 according to the here the said more less in determined by the Artillerymen from Colombo 1 lieutenant 5 102 1 1 1 1 6 4 3 25 4 1 3 79 119 here less present according to the determination by the said consideration more less 1 lieutenant 2 ensigns 2 European drillmasters 6 sergeants 9 corporals 3 fifers and drummers 148 privates Sepoys from the Garrison detached there 2 captains 4 ensigns 2 European drillmasters 11 sergeants 14 corporals privates 259 At Aijkotta 1 captain lieutenant 1 lieutenant 2 ensigns 1 bombardier 11 gunners 7 sergeants 1 surgeon 10 corporals 5 fifers and drummers 66 privates 14 assistants 2 lieutenants 11 2 7 10 5 66 4 2 2 9 6 259 14 11 2 148 3 2 2 1 1 1 7 14 at Coilan here present 1 junior merchant merchant 1 bookkeeper clerks visitor of the sick 1 assistant surgeon constable 2 gunners 7 assistants 1 ensign 3 corporals privates, namely 39 in the fortress 1 to great Aijwika 1 Tengapatnam 1 Calicoilan 3 sergeants 1 drummer 43 privates At Calicoilan At Porea 1 bookkeeper 1 bookkeeper 43 90 47 determined by the said more less according to Finally 2 1 2 1 6 2 3 1 1 1 1 1 1 2 1 1 that July 120 expression of regret that the spring reports shipped in July had not yet been received in Batavia the same were dispatched from here on 6 January Finally we note in this that it has come to our knowledge how our general and separate letters of 2 January in the year 1777 in the month of July thereafter, had still not been delivered to Your High Excellencies, which we learned not without regret and is entirely contrary to our expectation; we dispatched those letters, among which was our General Rescription of that year, with the customary enclosures, from here on the sixth of January by the overland route to Tutukorijn for further delivery, just as those papers also arrived there in the latter part of that month of January 47 and were probably detained at Tutucorijn for lack of a sea conveyance as appears from the extracts sent herewith. January, yet at Colombo were not brought in earlier than in the month of March after the departure of the ships for Batavia, so that those papers probably lay for so long a time at Tutucorijn for lack of an earlier sea conveyance, as can be traced from the three consecutive extracts accompanying these, taken from the letters from Cochim to Tutucorijn, and from there and from Colombo to Cochim, which we thought necessary to bring to the attention of Your High Excellencies in our exculpation regarding the late delivery of those papers Wherewith we High 121 Examined have the high honor to remain with the utmost respect was signed High Noble, Right Honorable, Wide-Commanding Lords and Honorable Lords, Your High Excellencies humble and obedient servants was signed A: Moens, R: v: Harn, S. C. Saffin, J. L. van Spael, A. R. Schutz, C. G: Seijffert and A. C: S: Vernede, in the margin Cochim 2 January 1778. Agrees S Schemering H Schutz secretary 122 No. 1 Copy of letter written by the Governor and Council at Cochim to Their High Excellencies at Batavia dated 7 March of this year No. 2 Copy of letter to the Nabob Haider Alijchan dated 10 January of the said year 3 Memorandum of the general expenses and revenues of Chettua and Paponettij 4 Plan of the situation of Cranganoor and the entrenchment there 5 Copy of letter written by the Governor of Cochim to Their High Excellencies at Batavia dated 7 March of this year 6 Copy of the treaty concluded between the English and Aijder Alijchan dated 3 April 1769 Register of the separate copy papers that are presently sent to Europe via Ceylon. No. 7

Dutch transcription

118 alhier in wezen 1. bombardier 3. Canoniers 2. zergiants 3. Corporaals. 9. handlangers 1 onder adjudant - - - - - - - - - - - 1. tamboer - - - - - - - - - - - - -- 32. gemeene - . . . . . - - - - - Jn 't Camp voor Cranganoor militairen van Colombo aldaar gedetactieerd. 1. Capitain 3. Lieutenants 1 vaandrig 5: zergeants 1 Capitain des aams 6. Corporaals 4. pijpers en tamboers. 116. gemeenen Oosterse Militairen van Colombo aldaar gedetaleerd 2. Capitains 2. Lieutenants 4. vaandrigs - . - - 2. Europeese duilmeester 9. sergeants. . .. 12. Corporaals-- 1 tamboer - - - - 168. gemeenen. . . . 12. 2. 2. 4. 2. 1. 3. 1 ƒ 1. — 6. — 4. 4 30 1. — 1. — 1. — ht bed: meer nemd. s bep: bij volgens 2. ta - - - . --. . . . . .. . . . . . . ... . . - ..- „ 5. —. 2. —. 1. —. 2. — 1. — —. - ƒ . .. . . ... .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . : . . . .. . . ..- - . - „ „ g. 1. 168. — : . . . . - - - - .. - - 1 .. . . : . —„ —. 116. — . . . in wezen alhier gedetacheerd 1 ordinair Lieutenant. 4 Canoniers 25 hand langers Sipaijers van Colombo gedetacheerd 1. Extra ord. r d:o - - - - - - - 1 bombardier. . . .. 1. Capitain 3: vaandrig 3. Europeese drilmeesters. . . . 4. Zergeants 102. gemeenen 6. Corporaals. . . . . . . . . . . . 1. tamboer - - - - - - - - - - - - - - Oostersche militairen van Nagapatnam aldaar gedetacheerd 1. Capitain 1 Lieutenant 2. vaandrigt 1. Europeese drilmeester. 6. sergeants 6. Corporaalt 3. pijpers en tamboert. . . 79 gemeenen Sipaijers van Nagapatn: aldaar gedetacheerd 1. Capitain. - . 6: 6. 2. volgens de alhier 4b: bad: meer minder in bep: bij de Arthillersten van Colombo 1 Luuters . . . . .. . . . . . . . . 5 . . . . . . . . —. 102. —. .. . .. .. - — — 1. 1. 1. 1. —. 6. — 4. 3: — —. —. . — 25 4 1. 3. 79. - .. . . . .. 119 alhier minder in wezen volgens de bepaling bij de tt. bedenking meer minder„ 1 Lieutenant 2. vaandrigs 2. Europeese drilmeesters 6 sergeants. . . . 9. Corporaals 3. pijpers en tamboers 148. gemeenen Sipaijers van 't Guarnisoen aldaer gedetacheerd. 2. Capitains 4 vaandrigs 2: Europeese doilmeesters. . . . . 11 zergeants 14. Corporaals gemeenen 259. Je Aijkotta 1. Capitain Lieutenant 1. Lieutenant 2. vaandrigs 1. bombardiers 11. Canonier 7: sergeants 1. meester 10: Corporaals - - 5. pijpers en tamboers 66 gemeene 14 handlangers 2. Lieutenants - . . . . . . . . 11 2 7. 10. 5 66 — 4. 2. 2. 9 6 . .. . . . . ..- „ ... . . . . . . . . .. .. .. . —. 259. 14. 11 2. 148 3. — —: 2 2. — 1. „ - . 1 „ .. . . . . . .- - . - . . 1. 7. 14. — te Coilan alhier in wezen. 1. onderkoopman koopman 1. boekhouder phribenten krankbesoeker 1. ondermeester-- Conttabel- 2. Canoniers. . . 7 handlangers .. 1. vaandrig 3. korporaals gemeenen als 39. in 't fortresse 1. tot groot aijwika 1 „ tengapatnam 1 „ Calicoilan peza 3. Zergiants.. .. . 1. tamboer - - - - - - - 43. Gemeenen - - Je Calicoilan Je Porea 1. boekhouder 1. boekhouder 43. 90. 47. bes: bij het: bed: meer minder volgens Laatstelijk - . . . . . . . . . : 2 1. 2 1. 6. 2. 3. —. 1. 1. 1. 1. 1. 1 2. 1. 1. dat Julij out bel . . . . . . . . . . . . 120 betuijging van leedweesen over dat de voorjaarse advisen in Julij geladen nog niet te batavia ontvangen zyn geweest deselve zijn den 6. Jann: van hier versonden Laatstelijk noteeren wij in deesen dat ons ter kennisse gekoomen is, hoe dat onse ge„ meene en aparte brieven van den 2. Jannuarij Anno 1777: in de maand van Julij daar aan, als nog niet aan uw Hoog Edelheedens waren besteld, het geen wij niet als met leed„ weesen hebben vernoomen en ten eenemaal buijten onse verwagting is; wij hebben die brieven, waar onder onse generaale Rescriptie van dat Jaar, met de gewoone bijlaagen is geweest, den sesden Jannuarij van hier versonden over den landweg na Tutukorijn ter verder bestellinge, gelyk die papieren ook daar in het laast van die maand Joun. 47 en zijn denkelijk te Tutucorijn bij gebrek van zeef gelegentheijt ifg blijven leggen. blijkens de overkomende Extracten. Jannuarij dog te Colombo niet eerder aangebragt zijn, als in de maand Maart na het vertrek der scheepen na Batavia, zoo dat die Papie„ „ren denkelijk zoo lange tijd op Tutucorijn hebben geleegen bij ge„ „brek van vroeger zees gele„ „genthijd, zoo als na te gaan is, uijt de deesen versellende drie agter een geschreevene Extracten uijt de brieven van Cochim na Tutucorijn, en van daar en van Colombo na Cochim, wel„ „ke wij ter onser verschooning over het laat bestellen dier papieren vermeend hebben onder het oog van uw Hoog Edellee„ „dens te moeten brengen Waar meede ons Hooge 121 1tlit. Nagezien Hooge Eere geven van met de uijtterste Eerbied te blij„ „ven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Achtbaare Wijd gebiedende Heere en wel Edele Heeren; UW hoog Edelheedens onderdanige en Gehoorsam Dienaaren /:was getekend:/ A: Moens, R: v: Harn, S. C. Saffin, J. L. van Spael, A. R. Schutz, C. G: Seijffer„ en ƒ A. C: S: vernede, /:in margine/ Cochim Den 2. Jannuarij 1778. Accordeert S Schemering H Schutz secret:s et ge„ E ro I. C 122 1: Copia brief door den Gouverneur en raad te Cochim aan Haar Hoog Edel„ „heedens te Batavia gesch: de dato 7: Maart deses Jaars No. 2: Copia brief aan den Nabab Haider Alijchan de dato 10: Januarij des gem: Jaars 3. Notitie der Generaale Lasten en inkomsten van Chettua en Paponettij 4: Plan van de Cituatie van Cranganoor en het retranchement aldaar 5: Copia brief door den gouverneur van Cochim aan Haar Hoog Edelhee„ „dens te Batavia gesz: in dato 7: Maart deses Jaars 6: Copia fractaat geslooten tusschen de Engelsche en Aijder Alijchan de dato 3. April 1769: Register op de Sparte Copia Papieren die thans over Ceilon na Europa werden versonden. No. 7. „ „

NL-HaNA_1.04.02_3488_0262 view scan ↗

English

Number 7: Copy of the letter written by the Governor and Council at Cochim to Their High Excellencies at Batavia, dated 5 May last. 8: Copy of the defense of Lieutenant Stipp concerning the failed expedition to Chettua, dated 3 March of this year. 9: Copy of the defense of the first mate of the ship Hoolwerff, Harmanus Broers, dated 19 November 1776. 10: Copy of the defense of the Resident de Rilberto regarding the surrender of Chettua to the enemy, dated 12 March 1777. 11: Copy of the defense of Ensign Lintzer concerning the surrender of Chettua, dated 3 April of this year. 12: Copy of the letter written by the Governor of Cochim to Their High Excellencies at Batavia, dated 5 May last. Number 13. 123 Number 13: Copy of the letters written by the King of Trevancoor to Their High Excellencies at Batavia. 14: Copy of the letter written by the King of Cochim to Their High Excellencies. 15: Copy translation of the French letter written by the Governor and Council of Pondicherij to the Governor and Council at Cochim, dated 15 January of this year. 16: Copy translation of the French letter by the same to the same as above, dated 20 January of this year. 17: Secret resolutions belonging to the abovementioned letters, dated 20 January, 5 March, 19 and 25 April of this year. 18: Copy of the letter written by the Governor and Council of Cochim to Their High Excellencies at Batavia. Number 19: Copy of the letter written by the same to the same as above, under the mentioned date, Cochim, 12 October Anno 1777. Also in this bundle: Number 20: Copy of the secret letter written by the Governor and Council to Batavia, 4 November 1777. 21: Copy of a separate letter written by the Governor to Batavia, under the aforementioned date. 22: Copy of a separate letter written by the same as above to Batavia, 2 January 1778. 23: Yield of the private trade conducted for the Company. H. Schutt, Secretary, dated 28 August last. Number 1. Secret 124 Batavia. To His High Excellency, The High Noble, Right Honorable Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor General, Together with The Right Honorable Gentlemen Councillors Of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honorable, Far-ruling Lord And Right Honorable Gentlemen. Since the dispatch of our last respectful letters, both secret and general, of 2 January last, duplicates of which accompany this, the ship Groenendaal arrived here on the 9th thereafter, with which we had the honor to receive Your High Excellencies' general reply of 11 November 1776, which we shall have the honor to answer properly upon the departure of the aforementioned ship. In the meantime, we allow this to serve in all respect principally as an escort to the accompanying two secret resolutions adopted by us on 20 January and the 5th of this month, whereby Your High Excellencies will see how matters stand here at present, namely: That the Nabab has been checked in his progress, and hitherto has not been able to advance further; that we have thus far operated not offensively but defensively, the more so because our allies, the kings of Trevancoor and Cochim, absolutely will not do otherwise either, and will write to Your High Excellencies; that the Nabab, since he learned from the accompanying copy of the letter addressed to him of the arrival of Your High Excellencies' letter and gifts, has sent here Lieutenant Stipp and the Resident of Chettua, who had been held captive by him, to offer us friendship, and that he has also done so by two distinct letters, though in a manner as if we had offended him first; that we have tested his offered friendship to see whether he truly seeks friendship and wishes to settle the matter, 125 by sending to him Your High Excellencies' letter and gifts, and asking him whether he pleases to send persons to us for the investigation and settlement of the formulated claim, or whether we shall send two persons to him for that purpose; and finally that we have resolved to remain, in the meantime, only on the defensive and in the posture in which we are, in the hope that we shall soon be provided with Your High Excellencies' esteemed order following our entreaty in the earlier letter of 28 October last, and most particularly that we may know, in case the Nabab absolutely will not renounce the conquest of Paponettij and all our further rights to the region from Cranganoor to Chettua, whether we must sustain war against him for that reason, or whether in that case we must let him keep what he has until times might change. Meanwhile we find ourselves obliged respectfully to present to Your High Excellencies with this: That our possessions in the Paponettij district and our small fort Chettua do not belong among the conquests we made from the Portuguese, who seem not to have deemed it necessary to acquire any possessions north of Cranganoor, but that we took from the Zamorin

Dutch transcription

N=o 7: Copia brief door den gouverneur en raad te Cochim aan Haar Hoog Edelhee„ „dens te Batavia geschreeven de dato 5: Maij Jongst Leeden. 8: Copia verantwoording van den Luitenand stipp nopens de mislukte Expiditie na Chettua gedateerd 3. Maart deses Jaars. 9: Copia verantwoording van den opperstuurman van het schip Hoolwerff Harmanus Broers gedateerd 19: November 1776: 10: Copia verantwoording van den Resident de Rilberto, weegens het overgeeven van Chettua aan de vijand de dato 12: Maart 1777: 11: Copia verantwoording van den vaandrig Lintzer nopens de overgave van Chettua Ged=t 3: April deses Jaars: 12: Copia brief door den Gouverneur van Cochim aan haar Hoog Edelheedens te Batavia Gesz: de dato 5. maij J:o weeken. No 13. „ „ 123 N„o 13. Copia brieven door den koning van Crevancoor. aan Haar Hoog Edelheedens te Batavia Geschreeven 14: Copia briev door den koning van Cochim aan Haar Hoog Edelheedens Geschreeven 15: Copia Translaat fransche brief door den Gouverneur en raad van Pon„ „dicherij aan den Gouverneur en raad te Cochim geschree¬ ven Gedateerd 15: Januarij deses Jaars. 16: Copia Translaat fransche brief door den „selven aan als eeven aan als even Gesz: de dato 20: Januarij deses Jaars 17: secreete Resolutien tot boven gem: brieven gehoorende de datis 20. Janu: 5: Maart 19: en 25: April deses Jaars. 18: Copia brief door den Gouverneur en raad van Cochim aan Haar Hoog Edelhee„ „dens te Batavia Geschreeven de „ „ irman teerd 4 eeven: de d Lintzer tra him ens d 5. maij „ .. N„o 19: Copia brief door denselven aan als even Geschreeven onder gem: datum Cochim den 12:' October A:o 1777: Nog in dezen Bondel No 20. Copia secreetebriev door den Gouverneur en Raad na Batavia geschreeven den 4: 9ber: 1777. 21. Copia, aparte briev door den Gouver„ neur na Batavia Getz: onder voorm: dakng. „ 22. „ Copia Aparte Briev door als even na Batavia gesch: den 2. Jann: 1778. „ 23. Rendemint van de particuliere Negotie voor DE Comp: gedreeven. H Schutt de dato 28: Augustus J:o weeken secret:s „ N„o 1. secreet 124 Batavia, Aan zijn Hoog Edelheid; Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtbaare, wijdgebiedende Heer En Wel Edele Heeren. Sedert het afgaan van onse laatste eerbiedige, zoo secreete als gemeene van den 2: Januarij Jongst leeden, waar van de duplicaaten deesen versellen, is alhier op den 9: daar aan, gerarriveerd het schip Groenendaal, Waar meede wij d' eer gehad hebben te ontvangen uw Hoog ken d Hoog Edelheedens generaale rescriptie van den 11: 9ber: 1776, dewelke we met het vertrek van gem: schip de eer zullen hebben nabehooren te b'antwoorden, Jn„ „tusschen laaten wij deesen in alle eerbied principaal dienen ten gelijde van de nevens gaande twee secreete resoluties, in dato den 20: Januarij en 5: deeser, bij ons genomen, waar bij uw Hoog Edelheedens zullen zien hoedanig de zaaken hier tans staan, namentlijk. Dat de Nabab in zijn vaart gestuijt is, en tot nog toe niet verder heeft kunnen komen, dat wij tot dus lange niet offensiev maar de fensiev gesigeerd hebben, temeer onse g'allieerdens, de koningen van Trevancoor en Cochim, ook absolut niet anders doen willen en aan uw Hoog Edelheedens schrijven zullen, dat de Nabab, 't zedert hij bij nevensgaande Copia briev aan hem gerigt, verstaan heeft, de aan„ „komst van uw Hoog Edelheedens briev en geschenken, de bij hem gevangen geweest zijnde suij„ „tenand stip en d Chettuase resident dit heen gesonden heeft, om ons de vriendschap aantebieden, en dat hij zulx ook bij twee onderscheijdene brieven gedaan heeft, egter op een wijse als of wij hem eerst beledigt hadden; dat wij van zijne aangeboodene vrien„ „schap een preuve genomen hebben, om te sien of hij waarlijk de vriendschap zoekt, en de zaak bijleggen wild 125 wied, nmet aan hem toetesinden uw Hoog Edelheedens briev en geschenken, en van hem tevraagen, of hij ter ondersoek en afdoening van de geformeerde pretentie, persoonen bij ons gelieft te senden, dan of wij ten dien eijnde twee persoonen bij hem zullen zenden, en eijn„ „delijk dat wij ons bepaald hebben, om intusschen, als nog bij het defensive alleen, en in dat postuur te blijven, waar in we zijn, in hoop dat we haast met uw Hoog Edelheedens g'eerde ordre zullen gemunieerd wor„ „den, op onse instantie bij anterieure briev van den 28. october Jleeden, en aller bijsonderst, dat we mogen weeten, ingevalle de Nabab van het Conquest Papo„ „nettij en al ons verder regt op de landstreek van Cranganoor tot Chettua toe, absolut niet wilde afsien, of wij daarom den oorlog tegens hem zullen moeten uijthouden, dan wel, of wij in dat geval hem moeten laaten behouden, het geen hij heeft, tot dat de tijden mogten ver „anderen. Intusschen vinden wij ons verpligt uw Hoog Edel„ „heedens bij deesen eerbiedig te vertoonen. Dat onse besittinge in het Paponettijse en ons fortje Chettua, niet behooren onder de Conquesten die wij gemaakt hebben, op de portugeesen, dewelke schijnen niet nodig g'oordeelt te hebben eenige besittingen benoor„ „den Cranganoor te verkrijgen, maar dat wij den Sammorijn erd den t een gen

NL-HaNA_1.04.02_3488_0268 view scan ↗

English

Zamorin, as having never been a match for the Company, forced them by force of arms to cede the same to us, and that we built Fort Chettua there on our own authority, against the will and wishes of the Zamorin. That we did this in a time when the Company did not have the fixed operational budget here that it has had since through retrenchment. That if the Nabab is indeed aiming for our conquest and Fort Chettua, such is nothing strange and, so to speak, not far-fetched on the part of the Nabab; since he would then do nothing more than what the Zamorin has done more than once and would undoubtedly have done as often as he could have held out against the Company, and that we must therefore, in this case, imagine the Zamorin to have the power of the Nabab, and that, if the Zamorin had possessed the power that the Nabab now has, we would never have obtained those few possessions in the Paponetty country and Fort Chettua, or at least would have had to wage a continuous war to maintain them. That as long as the Nabab is so great, and remains master of the Zamorin's empire and absolutely refuses to relinquish Fort Chettua and our possessions in the Paponetty country, from which latter the Company, after deduction of the Chettua expenses, annually enjoys only around f 15640:17:—, as appears from the accompanying statement, the Company would have to lock horns for a long time over this with this Nabab, who is never out of war and is in a position to keep us constantly in an expensive state of toil. That Fort Chettua is of not the least use anymore, now that the inlet has washed away one and a half hours from it, and is moreover so shallow that no sailing vessels can enter, and likewise, that it has now become apparent afterwards, and can also be seen from the stretch of the land, that Chettua can strictly serve as a bulwark for our possessions, because it lies entirely out of the passageway, and the enemy from his own country, through the river, which is very shallow there in the fair monsoon, can cross south of the fort at will, closely hem in the same, yes even build a fort on his own ground south of Chettua, and thus continually disturb us in the Paponetty country, not to mention that many Moors live in the conquest of Paponetty itself, who even in peacetime always intrigue and commit outrages with the Moors of Calicoet and Chawecatty. That just as Chettua can be of no use to us, or at least cannot serve as a bulwark to prevent an enemy incursion, Cranganoor on the contrary is actually right, suitable and situated for that purpose, all the more because there also begins the northern line of Travancore, whose own interest naturally entails preventing the enemy's passage there with all its might. That if we should get Chettua back, it would therefore then be necessary to raze the same, and the sooner the better, regarding which we also request to be provided with orders as quickly as possible. That if the expenses of Chettua are spent on Cranganoor, this latter place could thereby alone be reasonably strengthened and enabled to withstand an unexpected incursion; since one can always quickly come to the aid of Cranganoor, both by land and by water, as it is situated only six hours from here, while the river up to Cranganoor is, in any case, generally much deeper than past Cranganoor. We also have the honor to present herewith to Your High Noblenesses a plan of the situation of Fort Cranganoor, with the entrenchment made before it. From Ceylon we have also since obtained 25 artillerymen and 25 Easterners, together with two sloops that are stationed with the ships Groenendaal and Hoolwerf, and we have the promise that we will be assisted further according to their capacity. On 17 February, a further 150 sepoys also arrived here from Nagapatnam, who, together with those sent previously, are drilled daily, and with whom 15 artillerymen have also crossed over. Meanwhile, we most humbly request Your High Noblenesses to assist us further with two companies of Malays, for whom the native has considerable dread, besides the fact that one does not need to fear desertion among them as much as among the Europeans, who can easily desert here in an open country, and indeed do so, because of the higher pay that they believe they will receive from the native princes. And since the Nabab is beginning to enlarge his fleet considerably, both by purchase and by building ships, and he will possibly assemble his naval forces very early with the opening of the fair monsoon, in order to be able to undertake something against us before we have ships here, we also request Your High Noblenesses to send us two ships very early, even if, upon a speedy voyage, they should arrive under this coast a bit too early, or before the opening of the bad monsoon, since they could then sail to the roadstead of Ponnicail for that short time, and be here with the opening of the fair monsoon, which would then also come to the benefit of trade, in order to fully accommodate all the first-arriving bombaras, and not let a single one of them depart empty or half empty, as still occurred this past spring; while in the meantime the ships can serve to guard the island of Vypin, and against landings upon the same, without loading and unloading having to stand still on that account, as has also happened in such a manner this time, since the ship that was unloaded,

Dutch transcription

sammorijn, als nimmer tegen de Comp: bestand ge„ „weest zijnde, met de wapens gedwongen hebben, deselve aan ons aftestaan, en dat wij het fort. Chettua op eijge authoriteijd, tegen wil en dank van den sammorijn, daar gebouwd hebben. Dat wij dit gedaan hebben, in een tijd dat de Comp: hier dien bepaalden omslag niet had, als deselve 't zedert door de menage hier heeft Dat indien het de Nabab effectief te doen is, om ons Conquest en het fort Chettua, zulx niets vreemds„ en aan de zijde van den Nabab, om zoo te spreeken, niet verre gesogt is; alsoo hij dan maar niet meer zoude doen als het geen de sammorijn meer als eens gedaan en ongetuijffeld zoo dikmaals zouden gedaan hebben, als hij het tegen de Comp: had kunnen uijthouden, en dat wij dus, in dit geval, ons den sammorijn moeten voorstellen niet het vermogen van den Nabab, en dat, als de sammorijn die magt gehad had, die de Nabab thans heeft, wij die wijnige besittingen in het Paponettijse en het fort Chettua nimmer zouden verkreegen, ten minsten om het behouden van deselve een Con„ „tinueele oorlog hebben moeten voeren. Dat zoo lang de Nabab zoo groot is, en meester blijft 126 blijft van het sammorijnse rijk en volstrekt niet afstaan wild van het fort Chettua en van onse be„ „zittinge in het Paponettijse, van welke laatste de Comp:, na aftrek van de Chettuase lasten, Jaar„ „lijks maar geniet omtrend ƒ15640:17:—. , blijkens nevens gaande aanthoninge, de Comp:e daar over lange zoude moeten hardebollen met deesen Nabab, die nimmer buijten oorlog en in staat is, om ons altoos in een kostbaar labeur te houden. Dat het fort Chettua van geen het minste nut meer is, nu het zeegat een en een half 1 uur daar van verspoeld, en daar en booven zo ondiep is, dat er geen zeijl vaartuijgen kunnen binnen komen, zoo meede, dat het nu van agteren gebleeken, en ook uijt destrekking van het land te zien is, dat Chettua net dienen kan als een voormuur van onse besittingen, dewijl het ten eenemaal buijten de passagie legt, en de vijand uijt zijn eijgen land, door de rivier, die daar, in de goede mousson zeer ondiep is; bezuijden het fort, na wel„ gevallen overkomen, het selve nauw insluijten, Ja selfs op zijn eijge grond, bezuijden Chettua, een fort bouwen, en ons dus bij continuatie in het Paponettijse ontrusten kan, geswijge, dat in het Conquest gen het Con„ te . Conquest Paponettij op sig selfs veele mooren woo„ „nen, die zelfs in vreedens tijden met de mooren van Calicoet en Chawecattij altoos konkelen en baldadigheeden pleegen. Dat gelijk Chettua ons van geen nut kan zijn, ten minsten niet tot een voormuur kan strek„ „ken, om een vijandelijken inval te beletten, daar en teegen Cranganoor eijgentlijk regt geschikt en gelee„ „gen daar toe is, temeer, om dat daar ook teffens begind de noorder-linie van Trevancoor, wiens eijge belang het van zelfs meede brengt, om den vijand daar met alle magt de doortogt te beletten. Dat indien we Chettua mogten terug krijgen, het derhalven dan noodzakelijk zoude zijn, om het selve te slegten, en dat hoe eer hoe liever, waar omtrend we versoeken, ook zoo spoedig als moge„ „lijk, met ordre gemunieerd teworden. Dat de ongelden van Chettua aan Cranga„ „noor besteed wordende, deese laatste plaats daar door alleen tamelijk versterkt en in staat zoude kunnen gesteld werden, om een onverwagten inval tegen te houden; vermits men altoos Cran„ „ganoor, zoo lande als te water, spoedig bijspringen kan, als leggende maar zes uuren van hier, terwijl 127 terwijl de rivier tot Cranganoor, in allen gevalle„ doorgaans veel dieper is, als voor-bij Cranganoor Ook hebben wij de Eere Uw Hoog Edelhee„ „dens hier neevens aantebieden een plan van de situatie van het fort Cranganoor, met het daar voor gemaakte retranchement. van Ceilon hebben wij ook zeedert nog erlangt d:/ 25: arthilleristen en 25: Oosterlingen benevens twee Chialoupen die geplaats zijn, bij de scheepen Groenendaal en Hoolwerf, en we hebben toe„ „zegginge, om na vermoogen nog meer geassisteerd te zullen worden. hier Den 17: februarij zijn ook ^ van Nagapatnam nader aangekoomen 150: sipaijs, dewelke, met de bevoorens gesondene, dagelijks g'excerceert worden, en waarmeede ook overgekomen zijn 15:— arthilleristen Jntusschen versoeken wij uw Hoog Edelheedens zeer ootmoedig, om ons nog te assisteeren met twee Compagnien malleijers, waar voor den Jnlander nog al veel schrik heeft, behalven dat men voor desertie onder hun zoo niet behoefd te vreesen, als wel onder de Europeesen, die hier in een open land ligtelijk deserteeren kunnen, en ook wel doen, om de meerdere betalinge, die ze meenen bij de Jnlandse vorsten gelee„ de „ en vorsten te zullen krijgen. En dewijl de Nabab zijne vloot, zoo door in„ „koop, als door het aanbouwen van scheepen, merke„ „lijk begind te vergrooten, en hij mogelijk al heel vroeg met het openen van de goede mousson zijne zeemagt bij een zal doen komen, om dus, voor dat wij hier scheepen hebben, iets tegen ons te kunnen ondernemen„ zoo versoeken wij uw Hoog Edelheedens ook, om ons tog zeer vroeg twee scheepen te senden, alwaar het, dat ze bij een spoedige rijse wat te vroeg, of voor het opengaan van de quaade mous„ „son, onder dese Cust mogten komen, alsoo deselve dan na de rheede van ponnicail voor die korte tijd zouden kunnen zeijlen, en met het openen van de goedepnousson hier kunnen zijn, het geen dan ook teffens goed voor den handel zoude komen, om alle de eerste aankomende bombarassen ten vollen te kunnen gerieven, en geen een van deselve leedig of halv leedig te laaten vertrekken, gelijk in het ge„ „passeerde voorJaar nog plaats gehad heeft; terwijl intussen bij de de scheepen kunnen dienen tot bewaa„ „ringe van het Eijland Baipin, en tegen de lan„ „dinge op het selve, zonder dat daarom het lossen en laden behoefd stil te staan, gelijk ditmaal ook zodanig geschied is, dewijl het schip dat gelost,

NL-HaNA_1.04.02_3488_0273 view scan ↗

English

Examined discharged or loaded, but lay a little off the ordinary roadstead, and at the same time at short stay, in order to get under sail de facto and join it at the very first appearance of the other ship. While we have the high honor to remain with the utmost respect and high esteem, stood below: Right Honorable, Highly Esteemed, Wide-Ruling Lord and Well-born Lords, your High Excellencies' humble and obedient servants, was signed: A: Moens, R: v: Harn, J: C: Saffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernedi and I: A: Cellarius; in the margin: Cochin, the 7th of March, Anno 1777. Agrees, R Schutz J: Schemering, secretary No 2. To the Nabob Haider Alij chan Bader High-Born Lord! At last, the long-awaited ship from Batavia has arrived here, with which a letter with presents has arrived for Your Highness from the new Lord Governor-General Jeremias van Riemsdijk, whereof I hereby give Your Highness notice at once, so that Your Highness might grant me the opportunity to let these things arrive securely into Your Highness's hands, as I am still uncertain whether my three letters, which I wrote to Your Highness some time ago, have duly come into Your Highness's hands, and whether the letter written to me by Your Highness, which I answered in my last letter, truly came from Your Highness, and whether it was not fabricated by someone or other, merely to make me believe that the violence and the hostility which Your Highness's army commander Charder chan has these days committed in Your Highness's name against the Dutch Company, effectively took place with Your Highness's foreknowledge and upon Your Highness's order. I therefore request once more in the name of the Dutch Company that Your Highness be pleased to have repaired properly that which Your Highness's army commander has done in Your Highness's name, and that the Company's occupied possessions and prisoners be returned and released, so that I may thus have the opportunity to treat further with Your Highness on such matters as have been commended to me by the Lord Governor-General, who, at the time of writing his letter, did not know that in the meantime the aforesaid violence and hostility had been committed in Your Highness's name. And thus I request a prompt reply to this, with a secure token by which I may know whether Your Highness has received this letter and my previous letters, and whether the reply is also truly from Your Highness, as I would regret it if this letter and presents were to come to naught. Your Highness Examined Schemering Your Highness recommended to the Lord Governor-General my emissaries who were recently with Your Highness at Seringapatnam. One of them, namely the Junior Merchant Saffin, has already been promoted by the Lord Governor-General to Merchant and Fiscal here, and the other, namely the Bookkeeper and Resident of Chettua De Riberto, is also due to be advanced at the first opportunity; however, he has also been carried off by Your Highness's army commander among the prisoners of Chettua, whereof I find myself obliged to give Your Highness notice. I wish that Your Highness may fare well, and that the friendship between Your Highness and the Dutch Company may not be further disturbed by any evil instruments. Stood below: High-Born Lord; lower: Your Highness's humble and obedient servant; was signed: A:n Moens; in the margin: Cochin, the 10th of January, Anno 1777. Agrees, H Schutt, secretary No 3. Revenues at Laponettij Anno 177½: on account of tiends, tobacco lease, and lands: ƒ 20562:12: 8: Anno 177 2/3: ditto ditto ditto: ƒ 20182: 19: 8: Anno 177 3/4: ditto: ƒ 20433: 5:—. Anno 177 4/5: ditto: ƒ 21208: 10:—. Anno 177 5/6: ditto: ƒ 20621:16: 8: Total: ƒ 103009: 3: 8: The Charges Anno 177½: for general charges: ƒ 735: 10: 8: Anno 177 2/3: ditto: ƒ 2267: 8: 8: Anno 177 ¾: ditto: ƒ 685: 8:—. Anno 177 4/5: ditto: ƒ 694: 19:—. Anno 177 5/6: ditto: ƒ 685: 15: 8: Money: ƒ 5069: 1: 8: to which is added the unpaid salaries of the bookkeeper as resident during the said time: ƒ 1080:—: —: Total: ƒ 6149: 1: 8: The charges deducted from the revenues, there remains of excess revenues in 5 years: ƒ 96860: 2:—. And in one year: ƒ 19372: —: 8: Revenues at Chettua Anno 177½: on account of tobacco lease, paddy, salt pans, and Paiencherij nairo: ƒ 1936: 10:—. Anno 177 2/3: item: ƒ 1925: 12: 8: Anno 177 ¾: ditto: ƒ 1775: 12: 8: Anno 177 4/5: ditto: ƒ 1805: 12: 8: Anno 177 5/6: ditto: ƒ 2018: 12: 8: Total: ƒ 9462: —: —. To be carried forward Note of the general charges and expenses, as well as the revenues collected at the Residency of Laponettij and at the fortress of Chettua in the last five years, namely:

Dutch transcription

128 Nagezien gelost of gelaeden wierd, maar een weijnigje van de ordinaire rheede, en teffens op stoot gaarn lag, om op het eerste zijn van het anderschip de facto onder zijl te gaan, en zig daar bij tevoegen. Terwijl ons de hooge eere geven van met de uijtterste eerbied en Hoog agting te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtbaare, wijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren, uw Hoog Edel„ „heedens onderdanige en Gehoorsaame dienaaren /was. Getz:/ A: Moens, R: v: Harn J:C: Saffin J: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: vernedi en I: A: Cellarius /in margine:/ Cochim den 7:' Maart A:o 1777: Accordeert R Schutz J: Schemering r - secret.:s N„o 2. 129 Aan Den Nabab Haider Alij chan Bader Hoog Geboore Heer! Eijndelijk is het lang verwagte schip van Batavia hier ge-arriveert, waarmeede, van den Nieuwen Heer Gouverneur Generaal Jeremias van Riemsdijk, voor uw Hoogheit overgekomen is een briev net geschenken, waar van ik uwHo:t bij dezen ten eersten kennis geeve, op dat uw Ho:t mij gelegentheid zoude kunnen geven, dat het een en ander secuur in vuHto=ts handen kome, alzo ik als nog in 't onzekere ben, of mijne drie brieven, die ik nu eenigen tijd geleden aan uw Ho: geschreeven hebbe, uw Ho: wel in handen gekomen zijn, en of de briev van uw Ho:t aan mij geschreeven, en die ik bij mijn laatste briev beantwoord hebbe, wel waarlijk van usto:t gekomen, en of dezelve niet door de eene of andere gefingeert is, alleen maar om mij tedoen gelooven, dat het geweld en en de vijandschap, die uw Hote. Leger Hoofd Char„ „der chan dezer dagen uijt vio Ho=ts naam tegen de Hollandse Comp: geoeffent heeft, effectiev met vwsto=t voorkennis en op uw Ho=ts orderge„ schied is, ik verzoeke derhalven als nog uijt naam van de Hollandse Comp:, dat uw sto=t het geen uw Ho=t LegerHoofd op uvw Ho=ts naam gedaan heeft, gelieft telaten repareeren zo als het behoort, en dat 'sComp:s geoccupeerde bezittingen, en gevangenen terug gegeven en gelargeert werden, op dat ik dus gelegentheid mag hebben, om met uwtto:t verder te Hande„ „len, over zodanige zaken, als mij aanbevoolen zijn door den Heer Gouverneur Generaal, die bij het schrijven van desselfs briev, niet geweeten heeft, dat 'er in die tusschen tijd, op irtfo=ts naam voorsz: geweld en vijandelijkheid gepleegt is: en dus verzoeke hier op een spoedig ant„ „woord, met een secuur teken, waar aan ik weeten kan, of uwHto:t deeze briev en mijne voorige brieven ontvangen heeft, en of het antwoord ook waarlijk van uw Hto=t is, alzo het mij spijten zoude, indien deeze briev en geschenken mog„ „ten in de kaars vliegen. uw Ho:t 130 Nagezien Schemering VWHo:s heeft mijne zendelingen, die onlangs bij iwsto:t te Seringapatnam geweest zijn, aan den Heer Gouverneur Generaal gerecommandeert; de eene namentlijk den onderkoopman Saffin, is door den Heer Gouverneur Generaal reets bevor„ „dert tot koopman en fiscaal alhier, en de andere namentlijk de Boekhouder en Resident van Chet„ „tua De Riberto, staat ook bij eerste gelegent„ „heijd g'advanceert teworden; dog is door rwsto=ts Legerhoofd, onder de gevangene van Chettua, ook weggevoert, waar van ik mij verpligt vinde irosto:t kennis te geven. Ik wensche dat uw Ho:t welvaarende is, en dat de vriendschap tusschen uw Ho: en de Hollandse Comp: door geen quade instrumenten verder mag gestoord worden /:onderstond:/ Hoog geboore Heer /:lager :/ uw Hoogheijds onderdanige en gehoorzame dienaar /:was getekend:/ A:n Moens /:in margine:/ Cochim den 10. ' Januarij A. o 1777. Accordeert H Schutt ge„ uijt Ho aam de en heid n en weeten ge g ten mog„ P secret:s 8: tier N„o 3. 131 Inkomsten te Laponettij A:o 1772: weegens triendens, tabakspagt en Landerijen . ƒ 20562:12: 8: „ 177 2/3: _o _o _o. . . . . . . . . „ 20182: 19: 8: ver3 „ 177/4: - - - - - „ - - - - - - - „ - - - - - - - - - - - „ 20433: 5:—. „ 177 2/5: - - - - - „ - - - - - „ - - - - - - - - „ 21208: 10:—. „ 177 5/6: - - - - - „ - - - - - - „ - - - - - - - - - - „ 2062116: 8: ƒ103009:3:8: De Lasten „ 177½: aan generaale Lasten - - - - - - ƒ 735: 10:8: „ 177 2/3: _o 3 1774 75 „ 177¾4: - - - - - „ - - - - - - - - - - - - - „ 685: 8:—. „ 177 2/5: - - - - „ - - - - - - - - - - - - „ 694:19:—. Geld - - - - - - ƒ 5069: 1:8: waar bij voege de onafbetaalde zoldijen van den boekhouder als resident in gem: tijd - - - - - - - - - - - - „ 1080:—: —: „ 6149: 1:8: De Jnkomsten van de Lasten afgetrokken rest aan Jnkomsten meerder in 5: Jaaren - - - - - ƒ96860:2:—. En in Een Jaar – – – – – – – – – – – – – – – – ƒ 19372: —. 8: Inkomsten te Chettua„ A:o 1772: weegens tabaks pagt Nelij zout pannen en Paiencherij nairo - - - - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ1936:10:–. 75 1775 „ 177 2/3: jtem - - - - - - - - - - - - - - - „ 1925: 12: 8: „ 177¼: - - „ - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1775: 12:8: „ 177 2/3: - - - „ - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 1805:12:8: „ 177 3/6: - - - „ - - - - - - - - - - - - - - - - „ 2018: 12:8: ƒ 9'462: —: —. - – – – – – – - - - - „ 2267: 8:8: „ 177 /6: - - - - „ - - - - - - - - - - - -„ 685: 15: 8: Die Transporteere Notitie der Generaale Lasten en Ongelden mitsgaders de behaalde Jnkomsten ter Residentie Laponettij, en ter fortresse Chettua in de Laatste vijf Jaaren te weeten:

NL-HaNA_1.04.02_3488_0282 view scan ↗

English

To which added the unpaid salaries of a bookkeeper as resident during the mentioned time: 1080:—:—, 28117:15:—. The lesser revenues deducted from the greater expenses shows that the expenses are greater in 5 years: f18655:15:—. And in one year: 3731:3:—. The Chettua expenses having been deducted from the Paponetty revenues, there remains in Paponetty revenues for one year: f 15640: 17: 8. Cochin, the 28th of March anno 1777. Money: f27037:15:—. 177 3/4: 4884: 7: 8. 177 24/5: 5489: 13: 8. 177 5/6: 5844: 4:—. Anno 177 1/2: f 5952:18:—. 177 2/3: 4861:12:—. The Expenses Carried forward: f 9462:—:—, f19372:—:8. [illegible] 372. 8 73k. the 1740 No 5. Apart 132 Batavia. To his High Honour, The High Noble, Right Honourable Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor-General, Together with The Noble Lords Councillors Of the Netherlands Indies. High Noble, Right Honourable, Far-commanding Lord, And Noble Lords! Via the ship Groenendaal, on the 9th of January last, I had the honour to receive Your High Honours' separate dispatch of the 11th of November 1776, with the letter for the Nabab and the gifts, which were already sent to Calicut on the 6th of this month to be forwarded on to Seringapatam, otherwise called Patna. In accordance with Your High Honours' authorization to grant to the commissioners who were in Patna in anno 1775 for their travel expenses, which they incurred for themselves, as much as I think they ought to have, I have ordered to be delivered to them a sum of 600 rupees, which I think is not too much but rather sufficient, because however economically they may have planned it, on so long a journey and stay in Patna, where everything is very expensive, they could not well have managed with less; they are also satisfied with it and express their gratitude to Your High Honours for it, although I could well notice that they had expected somewhat more, but I think it is enough and not too much. The further orders that Your High Honours have prescribed regarding the Nabab and the King of Travancore, I shall observe according to the changed circumstances, and on the 11th thereafter I also sent a copy of everything necessary to the Lord Councillor Ordinary and Governor of Ceylon, Falck, in case it should happen that the papers which Your High Honours sent to Ceylon might have had a long voyage, although mine, according to news received, had to remain lying at Tuticorin until the 23rd of February for lack of opportunity. Matters have now entirely changed their aspect, yet I shall attempt to persuade Travancore through the public defensive alliance in which we currently stand with him to a greater delivery of pepper and make him understand that his ruin depends on the Nabab's further penetration south of Cranganore, and that it is hitherto mostly to be attributed to the Company's resistance that the Nabab has been checked in his advance and has not broken through further; although that attempt might have been smaller and possibly also had more effect if the case had occurred that we, according to Your High Honours' authorization, could first have promised and shown him some defensive assistance from our side at his request. In the meantime, I shall also try to see to what extent the Nabab will be willing to enter into a treaty of friendship and commerce with the Company according to Your High Honours' intention, for which the opportunity has already been given to him beforehand. And as the present circumstances also do not well permit urging the Cochin King to surrender his portion of the import and export duties for a fixed annual sum by way of a present, especially since, when subtly making an attempt regarding this recently after meeting the new king, I noticed that this will not go very smoothly, I shall nevertheless not lose sight of it, in order to try further at a better opportunity. Besides that which is presented to Your High Honours in the letter dispatched today, I find myself obliged to remind Your High Honours separately herewith, namely, that the lands pledged to us by the Zamorin in the Payencherry between Chettua and Paponetty indeed have the name of pledged lands, but that with them it is entirely

Dutch transcription

Waar bij addeerd de onafbetaalde zoldijen van een boekhouder als resident in gem: tijd - - - - - - - - - - - - - - „ 1080:—:—: „ 28117:15:-. De mindere Jnkomsten van de meerderen Lasten afgetrokken thoond aan dat de Lasten meerder zijn in 5: Jaaren - - - - – - - – – – – – ƒ18655:15:— @ En in een Jaar – – – – – – – – – – – – – – „ 3731:3:–. De Chettuase Lasten van de Laponettijte Jnkomsten afgetrokken zijnde rest aan Paponettijse Jnkomsten ste Cochim den 28:=en Maart anno 1777:— voor Een Jaar – – – – – – – – – – – – – – – – – – — – ƒ 15640: 17: 8: Geld - - - - ƒ27037:15:—. „ 177 ¾: - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 4884: 7: 8: „ 177 24/5: - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 5489: 13: 8: „ 177 5/6: - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 5844: 4:—. A:o 177½: - - - - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 5952:18:—. „ 177 2/3: - - - - - - - - - - - - - - - - - - - „ 4861:12:—. De Lasten P„r Transport - - - - - - - ƒ 9462:—: — ƒ19372: —: 8: Scheiez. 372. 8 73k. den 1740 N„o 5. Apart 132 Batavia„ Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtb:, Wijdgebiedende Heer. En Wel Edele Heeren! Per het schip Groenendaal, hebbe den 9: Januarij Jongst leeden de Eer gehad, te ontvangen uw Hoog Edelheedens aparte missive van den 11: November G 11: November 1776; met de briev voor de Nabab en de geschenken, dewelke den 6: deeser reets na Calicoet gesonden zijn, om verder na Siringa, „patnam, anders gesegt Patna, besorgt te werden. Jngevolge uw Hoog Edelheedens qualificatie„ om aan de gecommitteerdens, die in anno 1775: te Patna geweest zijn, voor hunne reijs kosten, de„ „welke ze voor zig zelven gedaan hadden, zoo val toeteleggen, als ik denke datse dienden te hebben, zoo hebbe aan deselve laaten afgeeven een somma van ropias 600:, dewelke ik denke niet te veel maar offen sufficeerende te zijn, dewijl hoe zuijnig zij het ook mogten overlegt hebben, op zoo eene lange reijs en verblijf te Patna, daar alles zeer duur is, zij het niet wel met minder hebben kunnen stellen, ze zijn er ook meede tevreeden en betuijgen uw Hoog Edelheedens hunne dankbaarheijd daar voor, schoon ik wel kon mer„ „ken dat ze wat meer verwagt hadden, dog ik denke dat het genoeg en niet te veel is. De verdere ordres die uw Hoog Edelhee„ „dens, nopens den Nabab en den koning van Trevancoor voorgeschreeven hebben, zal ik na maate van de veranderde omstandigheeden in agt neemen, en hebbe ook den 11: daar aan, van alle het 133 het noodige Copia gesonden aan den Heer Raad ordinair en Ceilons Gouverneur Falck, of het ook mogt gebeuren, dat de papieren; die uw Hoog Edelheedens na Ceilon gesonden hebben, een lange reijse mogten gehad hebben, schoon de mijne tot den 23: februarij, volgens erlangde tijding, nog te Tutucorijn hebben moeten blijven leggen, bij gebrek van gelegentheijd. De zaaken zijn thans ten eenemaal van gedaante verandert, egter zal ik beproeven om Trevancoor door de publicque defensive alliantie, waar in wij tans met hem zijn, te persuadeeren tot eene meerdere peper leverantie en te doen begrijpen, dat zijn ondergang afhangt van 's Nababs verderen indrang bezuijden Cranganoor, en dat het tot nog toe voor het meeste aan sComp:s resistentie toeteschrijven is, dat de Nabab in zijn vaart gestuijt en niet verder door ge„ „brooken is; schoon dat tentamen meerder klein en mogelijk ook meerder effect zoude kunnen gehad hebben, indien het geval had moeten extee„ „ren, dat wij hem, volgens uw Hoog Edelheedens qualificatie, op zijn versoek eerst van onse zijde eenige defensive hulp hadden kunnen toezeggen en bewijsen. Intusschen „ ke van gt E Jntusschen zal ik ook beproeven, da in hoe verre de Nabab zig zal willen laten vinden, om een trac„ „taat van vriendschap en Commercie met de ll Comp: aantegaan, volgens uw Hoog Edelheedens intentie, waar toe reets in voorraad hem de gele„ „gentheijd gegeven is. En dewijl de tegenswoordige omstandigheeden ook niet wel toelaaten om bij den Cochimsen koning op het afstaan zijner portie van de in en uijtgaande regten voor een Jaarlijks vastgestelde som, bij wijse van preesent, aantedringen, temeer, ik onlangs na de ontmoetinge van den nieuwen koning derweegens ongevoelig een tentamen doende, gemerkt hebbe, dat zulx niet te zeer vlotten zal, zoo zal ik dat egter niet uijt het oog verliesen, om bij bieter gele„ „gentheijd nader te beproeven. Behalven het geene bij de heeden afgaande briev aan uw Hoog Edelheedens verthoond word, vinde mij verpligt uw Hoog Edel„ „heedens bij deesen nog appart te herinneren, namendlijk, dat de van den sammorijn bij ons verpande landen in het Paijencherijse tusschen Chettua en Paponettij, wel de naam hebben van verpande landen, maar dat het daar meede geheel

NL-HaNA_1.04.02_3488_0289 view scan ↗

English

is entirely different, although almost everyone here thinks no otherwise than that they are mortgaged, whereas the same, namely 20 pieces of coconut gardens and some seed fields that yield about a thousand parras of paddy, were actually taken into sequestration and assumed by us in the year 1762 without the consent of the Zamorin, for an outstanding balance of the costs of war mentioned in the unsigned contract of the year 1758, which he would not pay any further, so that one only calls it being mortgaged out of the apprehension that the Nawab, being informed how matters truly stand with it, might yet lay claim to the revenues which we have enjoyed from it since the year 1763, to the sum of 5914:12/40 rupees, from all of which it is at least evident how little right we have to those small plots of land, and with what right the Nawab could take possession of them, in which case he would then also be situated in the Payencherry district, between Paponetty and Chettua. The disturbances in Persia have not yet ceased, though during this trading season there were still some bombaras from Muscat to collect merchandise. In the meantime, it is truly gratifying to me that your High Mightinesses have been pleased with the investigation conducted by the retired second-in-command and present Director of Surat, Mr. van de Graaff, regarding the fraud committed in the commercial books and the administration of Surat that was entrusted to him. Herewith I have the honor to present to your High Mightinesses a duplicate of my last separate letter of the 2nd of January past. In the meantime I have the high honor to remain with the greatest respect, High Noble, Greatly Esteemed, Wide-Ruling Lord and Well-Noble Lords, your High Mightinesses' obedient and humble servant. Was signed: A: Moens. In the margin: Cochin, the 7th of March 1777. Lower down: P.S. I also have the honor to present to your High Mightinesses a private copy of the contract between the English and the Prince of the Carnatic on the one side, and the Nawab Hyder Ali Khan on the other side, whereby it appears to what extent the King of Travancore is included therein; for its authenticity I cannot answer, as it arrived here through a private channel. Agrees, R. Schutt, secretary Belongs to the received letters and papers from Malabar 1778, 1st part. Treaty of perpetual peace and friendship, made and concluded between the Governor and Council of Fort St. George, on behalf of the Honorable English East India Company for all its possessions, and on behalf of the Nawab of the Carnatic, on the one side, and the Nawab Hyder Ali Khan Bahadur for the country of Mysore, Hyder Nagar, and his other possessions, on the other side, on the following conditions. 1. That all hostilities shall cease immediately after the conclusion of this treaty, which shall be perpetual, or as long as the Honorable Company continues to exist; that peace and friendship shall take place between the contracting parties, particularly including therein the Raja of Tanjore, in Malabar the Raja of Travancore, and Murari Rao, who are friends and allies of the Prince of the Carnatic, as well as all other friends and allies of the contracting parties, it being well understood, provided they do not become the first aggressors against either of the two, and if they are the aggressors, they shall not be supported by either of the parties. 2. That if one of the contracting parties is attacked, they shall reciprocally offer each other assistance from their respective countries to expel the enemy; the payment of such troops as one party assists the other with shall be made in the following manner, namely, to every soldier and sepoy 7½ rupees a month, and every cavalryman 15 rupees a month; the payment of the subedars and commanding officers shall be such as shall be agreed upon in due time in that regard. 3. The government of Bombay and all the factories and places formerly and now subordinate thereto are included in this treaty of friendship, and the Nawab Hyder Ali Khan Bahadur binds himself, out of friendship and regard for the Honorable Company, to grant them the factories, privileges, and freedom of trade in such manner as they formerly had them; furthermore, to set at liberty all the subedars, Europeans, sepoys, etc., who may have been taken prisoner by him, and that immediately upon the arrival of a person to be sent for that purpose by the Governor and Council of Bombay; and further to devise and establish the particulars regarding the privileges of trade and other matters relating to sandalwood, pepper, and other articles of merchandise. And since a perpetual peace has now been established between the contracting parties, the Honorable Company and the Nawab Hyder Ali Khan, there is no doubt that the government of Bombay will exchange a treaty with the said Nawab, similar to this one, for the aforementioned purpose, concerning the affairs of the said place, etc., and all the factories in those parts; as regards the ships, etc., which during this war

Dutch transcription

134 geheel anders geleegen is, schoon zelfs genoegsaam ieder een alhier niet beeter weet of ze zijn verpand daar deselve eijgentlijk in het Jaar 1762:, teweeten 20: stuks klapperthuijnen en eenige zaaijvelden, die omtrend Duisend parras Nelij uijtleveren, buijten toestemming van den Sammorijn doar ons in seques„ „tratie genoomen en aanvaard zijn, voor een restand schuld van de oorlogs ongelden. vermeld bij het ongetee„ „kend Contract van 't Jaar 1758:, die hij niet verder betalen wilde, zoo dat men het maar denaam geeft van verpand te zijn, uijt bedagtinge dat de Nabab g'informeerd wordende, hoe het daar meede in der 1 7 daat geleegen is, zomtijds nog pretentie zoude maaken op de revenuen, die wij zeedert 't Jaar 1763. , ter somma van ropias 5914:12/40:, daar van genooten hebben, uijt welk een en ander ten minsten blijkt, hoe wijnig regt wij op die landjes hebben, en met welk regt de Nabab er possessie van kan neemen, als wanneer hij dan ook teffens in het Paijencherijs dis„ „trict, tusschen Paponettij en Chettua geseeten zouden zijn. De onlusten in persien zijn nog niet gecesseerd, egter zijn er in deesen handel tijd nog al eenige Bombarassen van Maskelta geweest, om negotie goederen aftehaalen. Intusschen re ns „ ook de eede Nagezien R Intusschen is mij van harten aangenaam dat uw Hoog Edelheedens genoegen hebben ge„ „noomen, en het gedaan ondersoek door den afgegaa„ „ne secunde, en tegenswoordige Heer Sourats Directeur van de Graaff, nopens de Gepleegde fraude bij de negotie boeken en denselven de souratse directie toegedagt: Hier nevens hebbe d' Eer uw Hoog Edelhee„ „dens aantebieden duplicaat van mijn laatste aparte van den 2: Januarij Joleeden. Jnmiddels hebbe de hooge eere met de meeste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtb:, wijdgebiedende Heer & wel Edele Heeren: uw Hoog Edelheedens Gehoorsame en onderdanige dienaar /was Get:/ A: Moens /in margine:/ Cochim den 7: Maart 1777: /lager/ P: S: Hebbe d'eere uw Hoog Edelheedens nog aantebieden een particulier afschrift„ van het Contract tusschen de Engelse en de vorst van Carnatica ter eenere, en den Nabab Heijder Alijchan ter andere zijde, waar bij blijkt, in hoe verre de koning van frevancoor daar in begreepen is: voor de egtheijd van het zelve kan ik niet instaan het is waar door een particulier Ca„ „naal hier gekoomen. Schemering Accordeert R Schutt secret:s hee„ te eerbi bied ve Ca„ 135 Practaat van Eeu„ O. Malabar; 1778, £, 135-7 Behoort tot de overgekomen Brieven en Cercucien van „ wigduurende vreede en vriendschap gemaakt en ge„ Malabaar „slooten tussen den Gouverneur 1778 „1Deel en Raad van 't foot S:t G'orge, van wegens de Honorable oost„ „indische Engelse Comp: wegens alle haare bezittingen, en ten behoeve van Paingat, vorst van Carnatica, aan de eene zijde, en den Nabab Heijder Alichan Bahader wegens het land van maijsoer Haijder tin„ 38a Gelkeht uit 6. N„o 6. — de H 135 Tractaat van Ceu„ behoort tot de overgekomen Brieven en Cercucren van „ wigduurende vreede en vriendschap gemaakt en ge„ Malabaar „slooten tussen den Gouverneur 1778 „1Deel en Raad van 't foot S:t G'orge, van wegens de Honorable oost„ „indische Engelse Comp: wegens alle haare bezittingen, en ten behoeve van Paingat, vorst van Carnatica, aan de eene zijde, en den Nabab Heijder Alichan Bahader wegens het land van maijsoer Haijder Nagar, en zijne andere bezittin„ „gen aan de andere zijde op de volgende Conditien. Dat alle vijandelijkheeden zullen ophouden inmediaat na het sluijten van dit tractaat 't welk Eeuwigduurende zal zijn, of zoo lang als D'E: Comp: in weesen blijft, dat vreede en vriendsz: tussen de Contracteerende parthijen zullen plaats grijpen, besonderlijk daar in sluijtende den Ragia van Janjaur, te Malla„ N„o 6. „baar Rama Ragian of ko„ ning van trevancoor Moererau, een klijn„ „vorst van de marhet„ „ties. baar Rama Magia, en moererau welke vrienden en bondgenooten zijn van Painga vorst van Carnatica, gelijk mede alle andere vrienden en bondgenooten van de Contracteerende Parthijen, wel verstaande, zoo zij niet de eerste aggresseurs worden, tegens een van beide, en zoo zij de ag„ „gresseurs zijn, zullen zij door geen van de partijen ondersteunt worden, dat indien een van de Contracteerende parthij g'attacqueert werd, zullen zij uijt hunne respec„ „tive landen malkander over en weder bij stand bieden om den vijand te verdrijven, de betaling van soodanige troupen, als waar mede d'eene parthij d' anderen assisteert, sal geschieden op de volgende wijze, namentlijk, aan ider soldaat „ en lidep Sipaij 7. ½. rop„s 'smaands en ider Ruijter 15. ropijas smaands „ de betaling van de subedaars en bevelhebbers, sal sodanig zijn, als men ter zijner tijd daer omtrent zal overeenkomen. De Regeering van Bombaij en alle de Comp„ „toiren en plaatzen bevoorens, en nu daer on„ „der sorteerende, werden in dit tractaat van vriendsz 2. 3. 136 vriendsz begreepen, en den Nabab Aijder Ali„ „chan Bahader verbind zig uijt vriendschap en Reguard voor D'E: Comp:, om aan hen toetestaan de Comptoiren, de voorregten en vrijheid in den Handel, indiervoegen als zij die bevoorens gehad gehad hebben, verders om op vrije voeten te stellen alle de subedaars, Europeesen, Sipaijs enz:, welke bij hem mogte zijn gevangen genomen, en dat aanstonds bij de aankomst van een door den gouverneur en Raad van Bombaij tot dat einde tesendene Persoon, en verders om te beramen en vasttestellen de besonderheeden rakende de voorregten van den handel en andere zakelijk„ „heeden die tot het sandelhout, de peper en am„ „dere articulen van negotie betrecking hebben, En nademaal er nu tussen de Contracteerende parthijen, DE: Comp: en den Nabab Hijder alichan een Eeuwigduurende vreede is opgeregt, is er geen twijffel of de Regeering van Bom„ „baij zal met gem: Nabab een tractaat, gelijk dit is, tot het gend: einde uijt wisselen, Ra„ „kende de affaires van gem: plaats enz:, en alle de Comptoiren aan die Contrije, wat aan„ „gaat de scheepen &r=a, dewelke geduurende desen oorlog

NL-HaNA_1.04.02_3488_0298 view scan ↗

English

war from both sides have been taken, regarding this it is hereby agreed and stipulated, that the parties mutually shall retain them, and that on these hereafter under no pretexts whatsoever any claim shall be formed. The abovementioned Nabab binds himself, that the officers, the Europeans and sepoys belonging to the government of Madrast, immediately shall be set at liberty, as soon as a person appointed thereto arrives at Bengaloor to demand them back, as well as, that all the Subedars and the people belonging to Paijgave, the Prince of Carnatica, who in this war have been taken prisoner, likewise shall be set at liberty. The English Company binding itself on its part to set at liberty the people of the said Nabab who in this war also have been taken prisoner. 5. The Contracting parties mutually bind themselves, and agree, that all the forts and places, which by each party have been taken, shall be returned, except the forts of Colar and Veniati guerij, with exception of the ammunition, goods, heavy ordnance, powder, lead, bullets and muskets previously being therein; the Nabab Ader Alichan obliges himself, that the said Company shall have permission to carry away all the same, without causing them any hindrance or nuisance therein, of whatever nature it may be; and as soon as those goods shall have been carried away, the said forts shall immediately be evacuated and handed over to the said Nabab. In ratification whereof the Contracting parties have mutually signed two instruments of the same content and Date and set their seals thereunder, Namely the Governor and Council on behalf of the English East India Company, and Paingave, the Prince of Carnatika, in the fort S:t George, this third day of April in the Year according to the chronology of the Christians 1769., and the said Nabab Ader Alichan Bahader in his encampment at Madevaram on the 25th day of the moon: month Likaijd in the Year of the Hegira 1182. Agrees Examined Johe tuge aste H Schutt secretary No 7. Batavia To his High Honour, The High Noble, Right Honourable Lord Jeremias Van Riemsdijk, Governor General Together with The Right Noble Lords Councillors Of Netherlands India Secret No 7. Batavia, To his High Honour, The High Noble, Right Honourable Lord Jeremias Van Riemsdijk, Governor General Together with The Right Noble Lords Councillors Of Netherlands India. High Noble, Right Honourable, Far-commanding Lord, And Right Noble Lords. The last from us, addressed in respect to your High Honours, was of the 7th of March, of which the original per Hoolwerf via Ceilon, the duplicate via Cormandel and triplicate per Ouwerkerke has departed. Since then we have per the bark De Falck from Colombo further received 25 easterners, wherewith, as well as with the other 25 easterners sent previously, the Ceilon eastern Companies of Captains Moendoeen Kepping have been supplemented, together with a further 49 common soldiers, to the supplement of the European Companies. By our aforesaid letter of the 7th of March we informed your High Honours, that the Batavia letter and gifts had been sent to Calicoet; now we have the honour to inform your High Honours in continuation thereof, that the deliverer of the same arriving at Calicoet, did not find the Nabab's Governor there, as he was inland, to counteract the marauding Zamorin Nairs, who kept themselves in the forests and mountains, and being encouraged underhand to just hold out, began to make quite a lot of havoc there, so that the letter and the gifts, together with the first-signed's letter, were only handed over on the 16th of March, and we thus still wait for the answer, while meanwhile all hostile movements cease on both sides, yet it is to be thought, that the Nabab will drag out the answer as long as he can easily do, and shift it onto the fact that he has business to the north, and the receiving, or sending, of deputies, on account of the approaching rainy season is difficult, if not impossible, besides this, the time between the 16th of March to this day being 50 days, in which we wait for the answer, is only one day longer than the intermediate time that had elapsed, between our writing of the 10th of January and his answer that followed thereupon, which we received on the First of March, thus having been 49 days long, to which also comes, that he is now further to the north and in business, whereas he previously was still residing in his residence. Yet however gladly we would have wished to impart the answer to your High Honours, we have nevertheless, on account of the squally weather that shows itself, not dared to detain this vessel here any longer, although, pursuant to your High Honours' apport missive of the 1st of October 1771, we might in case of need let the ships remain until the 10th of this month. Meanwhile, after the return of Lieutenant Stip and the resident of Chettua De Riberto, there has also arrived here from Patna, the Ensign

Dutch transcription

oorlog van weerszijden zijn genomen geworden, daar omtrent werd hier bij overeengekomen en ge„ „stipuleert, dat de parthijen die over ende weder zullen blijven behouden, en dat op deselve hier namaals onder geenerleij voorwendselen eenigen Eijsch zal geformeert werden. De boven gem: Nabab verbind zig, dat de offi„ „cieren, de Europeesen en sipaijs gehoorende tot het gouvernement van madrast, Jnmediaat op vrije voeten zullen gesteld werden, soo dra een daar toe aangesteld persoon op Ben„ „galoor komt om deselve terug te Eijsschen, als mede, dat alle de Soebedaars en het volk gehoorende aan Paijgave, de vorst van Carnatica, welke in desen oorlog zijn gevangen genomen, insgelijks op vrije voeten zullen ge„ „stelt werden. verbindende zig de Engelse Comp: van haar kant om het volk van gend: Nabab dat in desen oorlog ook gevangen geno„ „men is, op vrije voeten testellen. 5. De Contracteerende parthijen verbinden zig over ende weder, en komen over een, dat alle 4. 137 alle de forten en plaatsen, welke bij ider parthij zijn ingenomen geworden, zullen te rug gegeven worden, uijt genomen de forten van Colar en Ve„ „niati guerij, met uijtsondering van de daar in van te vooren geweest zijnde ammonitie goederen groff geschut, kruijd, lood, kogels en snaphaanen; de nabab ader alichan verpligt zeg, dat gend: Com„ „pagnie permissie sal hebben om alle hetselve wegte brengen, sonder hen daar in eenig belet of overlast, hoe die ook zijn mag toetebrengen; en soo haast als die goederen zullen weggebragt zijn, zullen gend: footen inmediatel: ontruijmt en aan gend: Nabab overgegeven worden, Inbekragtiging van het welke de Contracteerende parthijen twee instrumenten van de selfde inhoud en Datum over en weder hebben getekend en hunne zegels daar onder geset, Namentlijk den gouverneur en Raad van wegens de engelse oostindische Compagnie, en Paingave, de vorst van Carnatika, in het fort S„t george, desen derden dag van april in het Jaar na de tijd reekening der Christenen 1769., en „ en de gem: Nabab ader alichan baha„ „der in zijn leger plaats tot Madevaram op den 25. dag van de maan: maand likaijd in het Jaar van de Hegira 1182. Accordeert Nagesien Johe tuge aste H Schutt secret:s N„o 7. 138 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Jeremias Van Riemsdijk, Gouverneur Generaal Benevens. De wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands Jndia secreet N„o 7. Batavia, Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Jeremias Van Riemsdijk, Gouverneur Generaal Benevens. De wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtb:, Wydgebiedende Heer, En Wel Edele Heeren. De laatste van ons, aan uw Hoog Edelheedens in eerbied gerigt, was van den 7: Maart, waar van het origineel per Hoolwerf over Ceilon, secreet 138 het het duplicaat over Cormandel en Jriplicaat per ouwerkerke is afgegaan. per zeedert hebben wij de barck De Falck van Colombo nog erlangt 25: oosterlingen, waar meede, zoo wel als met bevoorens gesondene andere 25: oosterlingen, bij de Ceilonse oosterse Companien van Capitains Moendoeen kepping gesupleerd zijn, benevens nog 49: gemeene militairen, tot supplement van de Europeese Compagnien. Bij voorsz: onse briev van den 7:' Maart bedeelden wij uw Hoog Edelheedens, dat de Bataviase briev en geschinken na Calicoet gesonden waaren„ thans hebben wij de eere uw Hoog Edelheedens ten vervolge van dien te bedeelen, dat de bestelder van deselve te Calicoet komende, aldaar 's Nababs Gouverneur niet gevonden heeft, alsoo hij landwaards in was, om de stroopende sammorijnse Nairos tegen te gaan, die zig in de bossen en gebergtens ophiel„ „den, en onder de hand aangemoedigt zijnde om maar stand te houden, daar al vrij veel ravagie begonden temaaken, zoo dat de briev en de geschenken, benevens des eerstgeteekendens briev, maar eerst den 16. maart zijn overgegeven, en wij dus nog op het antwoord wagten, terwijl intusschen alle vijandelijke bewegin„ „gen wederzijds ophouden, egter is het te denken, dat de 139 dat de Nabab het antwoord zoo lange zal uijtrekken als hij maar goedschiks doen kan, en het daar op schuijven, dat hij om denoord besigheeden heeft, en het ontvangen, of senden, van gecommitteerdens, mits de aanstaande regen tijd difficie, zoo niet inpossibel is, buijten des, zoo is de tussen tijd van den 16. maart tot heeden zijnde 50: daagen, waar in we op het antwoord wagten nog maar een dag langen als de tussen tid die verloopen was, tussen ons schrijvens van den 10: Januarij en zijn daar op gevolgd ant„ „woord, dat we den Eersten Maart ontvangen hebben, zijnde dus 49: daagen lang geweest, waar bij ook komt, dat hij nu verder om de noord en in de bezig„ „heijd is, daar hij laatst zig in zijn residentie nog bevond. Dan hoe gaarne wij uw Hoog Edelheedens het antwoord hadden willen bedeelen, zoo hebben wij egter deesen boodem, uijt hoofde van het buijagtig dat weer, zig vertoond, niet langer hier durven aanhou„ „den, schoon we ook, ingevolge uw Hoog Edelheedens apporte missive van den 1: october 1771:, de scheepen des noods tot den 10: deeser moogen laaten leggen. Jntusschen is na de terugkomst van den Luitenand stip en den resident van Chettua de Riberto, nog hier van Patna gekoomen, de vaandrig

NL-HaNA_1.04.02_3488_0308 view scan ↗

English

Ensign and Commander of Chettua Lintzer, who has further confirmed that our captured soldiers, out of fear of being mistreated or suffering want, have entered the service of the Nabab. From Lieutenant Stip, regarding the expedition to Chettua, and from Ensign Lintzer and Resident De Riberto, regarding the surrender of Chettua, we have demanded reports, of which we have the honor to present the copies herewith to Your High Nobles, to which is also added a report from the chief mate of the ship Hoolwerf, named Hermanus Broers, namely why, when Lieutenant Stip, seeing that he could not hold out, wanted to retreat back on board, there was no longer any vessel or ballings on the beach. With the ships Hoolwerf and the bark De Falck and the sloop De Sunda, we have, under the dates of 23 April the Company of Jagers and on the 24th following the Company of Captain Jilenius, allowed to return to Colombo, since the soldiers and artillerymen, who during the good monsoon were stationed on the vessels and are now ashore, easily make up a company, and we daily expect another company of sepoys from Ceylon and a company of Easterners from Coromandel via Cape Comorin, whereby the aforesaid two Ceylon companies could at least be spared from here during the bad monsoon, and meanwhile need not be exposed to the sicknesses that prevail here more during the bad than during the good monsoon, while, should we need more Europeans, we can always demand them in good time from Ceylon and obtain them with the opening of the good monsoon, and even if necessary in the bad monsoon, as far as Cape Comorin, which is only five days from Quilon, just as the Nagapattinam sepoys have arrived here; yet we hope and do not even think that it will be necessary, as affairs seem to take a turn and change for the better. At least we can inform Your High Nobles that the rumors are more and more confirmed that the Nabab is effectively attacked by the Marathas, and that he is not in his place of residence, Patna, but, as already stated above, is further northward, reports even maintaining that he has already offered several lakhs of rupees to make peace, but that the Marathas do not yet wish to agree, possibly because his offer is not sufficient, or else to first take from him several states that were previously tributary to the Marathas, but have long since, and especially last year, been overpowered by him on the occasion when the Marathas had their hands full with the English; to which is also added that the head of the Chavakkad Moors, the notorious Haidar Ali Kutti, has in these days openly turned his coat and with his followers has joined the Samorin's Nairs to harass the troops of the Nabab and, were it possible, to cause them to evacuate the Samorin's territory, and to restore the Samorin, while in the meantime the Samorin is still in person with Travancore, whose princes, at least some of them, are staying in the Samorin's country among the Nairs. Yet, because the Nabab is accustomed, when he can no longer hold out, to offer his enemies such staggering sums of money that they must needs be tempted by it, upon which, having gained a free hand, he returns again, goes out plundering, seeks new funds, and takes the foulest reprisals over the slightest thing that occurred in the meantime; it would therefore not accord with prudence, on the one hand, to be careless and not on our guard, and on the other hand, to be all too hasty in undertaking something against him that one could not sustain if he were to gain room again. And therefore we still request that Your High Nobles may be pleased to furnish us with your supreme special orders regarding our fort Chettua and our possessions in the Paponetty district, as we requested by letter of 28 October, and more specifically by that of 7 March. Meanwhile, in order to spare our European force that lies before Cranganore during the rainy monsoon, and at the same time to keep ourselves in a posture of defense, we allow the Europeans, until our further orders and according to what circumstances shall require, to come into the city, since Cranganore, lying only six hours from Cochin, can always be assisted with men; and we place a company of Europeans in the fort of Cranganore, while the native troops will remain outside the fort in the entrenchment, where a main guard will be mounted daily by 1 officer, 1 sergeant, 2 corporals, 1 drummer, and 24 privates from the company stationed in the fort. Furthermore, we let remain at Ayacotta only a small number of Europeans and a sufficient number of sepoys, since the troops of Travancore and Cochin also remain there; but the Europeans of Ayacotta, because Ayacotta is not a fortress but a camp, we will cause to be relieved from time to time with fresh men, either from here or from Cranganore, according to how in the rainy season it shall be seen to be best arranged. Meanwhile, the command before Cranganore has been assigned to Captain Lieutenant Van den Busch, instead of Major Medeler, as appears from the accompanying resolutions of 19 and 25 April last. While doing ourselves the high honor of remaining with the utmost respect and high esteem, was written below, High Noble, Right Honorable, Widely-Ruling Lord and Honorable Sirs, Your High Nobles' humble and obedient servants, was signed, A. Moens, R. v. Haan, J. V. Medelen, J. C. Saffin, J. L. van Spall, A. R. Schutz, A. J. S. Vernede, and J. A. Cellarius. In the margin: Cochin, 5 May Anno 1777. Agreed, H. Schutt Secretary

Dutch transcription

vaandrig en Commandant van Chettua Lintzer, die nader bevestigt heeft, dat onse gevangene militoiren uijt bedugting van mishandelt teworden of gebrek te zullen lijden, bij den Nabab dienst genomen hebben van den Luitenand stip hebben wij, nopens de Expeditie op Chettua, en van den vaandrig Lintzer en den resident De Riberto, nopens het over„ „gaan van Chettua, berigt gevordert, waar van wij de eer hebben uw Hoog Edelheedens hier nevens de Copijen aantebieden, waar bij nog gevoegt is, een berigt van den opperstuurman van het schip Hoolwerf Gen=t Hermanus Broers, namentlijk waarom, toen den Luijtenand stip, ziende dat hij het niet houden kon, weder na boord wilde retireeren geen vaartuijg of ballings meer aan strand was. Met de scheepen Hoolwerf en Bark De Falck en de Chialoup De sunda hebben wij onder datis den 23: April de Comp: Jagers en den 24. daar aan de Comp: van Capitain Jilenius, na Colombo laaten terug keeren, dewijl de mili„ „toiren en arthilleristen, die geduurende de goede mousson op de vaartuijgen geplaats waaren, en nu aan de wal zijn, wel een Compagnie uijt„ „maaken, en wij dagelijks nog een Compagnie sipaeijs van Ceilon en een Compagnie oosterlingen van 140 van Cormandel over Caab Commorijn verwag„ „ten, waar door voorsz: twee Ceilonse Compagnien„ ten minsten geduurende de quaade mousson, hier hebben kunnen gemist worden, en intussen aan de ziektens die hier in de quaade meer als in de goede mousson heerschen, niet behoeven g'exponeerd te worden terwijl wij meer Europeesen nodig hebbende, deselve altoos intijds van Ceilon eijsschen, en met het open„ „gaan van de goede mousson kunnen erlangen; en zelfs des noods in de quaade mousson, tot aan Caab Commorijn, dat maar vijf daagen van Coilan legt, gelijk de Nagapatnamse sipais hier gekomen zijn, dog we hoopen en denken zelfs niet, dat het nodig zal zijn, alsoo de zaaken schijnen een keer teneemen en ten goede te veranderen. Jen minsten wij kunnen uw Hoog Edelheedens bedeelen, dat de gerugten meer en meer bevestigt worden dat de Nabab door de Marattas effectief aangetast word, en dat hij niet in zijn residentie plaats Patna„ maar gelijk hier boven reets gesegt, verder noordwaards is, zelfs willende berigten dat hij al eenige lakken rropijen zoude aangebooden hebben, om den vreede te maaken, maar dat de Marattas nog niet willen accordeeren, mogelijk, om dat zijn bod niet genoeg is, of ook wel, om hem eerst eenige staaten afteneemen die die bevoorens aan demaratters tributair geweest, dog door hem al lange, en insonderheijd verleede Jaar, overmeesterd zijn, bij gelegentheijd de Maratta met de Engelse de handen vol hadden; waar bij ook komt, dat het hoofd der Chawacattijse mooren, de berugte Nijderoos Coettij, deser daagen opentlijk zijn rokje omgekeert en met zijn aanhang zig bij de Sammorijnse Nairossen vervoegt heeft, om de troupen van den Nabab te ontrusten en waare het moge„ „lijk uijt het Sammorijnse te doen verhuijsen, en den sammorijn te herstellen, terwijl intussen den sammorijn zig nog in persoon bij Jrevancoor bevind, wiens princen, ten minsten eenige van deselve, zig in't sammorijnse onder de Naijrossen ophouden. Dan dewijl de Nabab gewoon is, als hij het niet langer uijthouden kan, zijne vijanden zulke ontzaggelijke sommen gelds aantebieden, datze er wel op moeten verlekkeren, als wanneer hij dan de handen ruijm gekreegen hebbende, weder afkomt, op den roof uijtgaat, nieuwe fondsen zoekt en over het geringste, dat intusschen gepasseert is, de vuijl„ „aardigste represailje neemt; zoo zoude het met de voorsigtigheijd niet overeenkoomen, aan de eene zijde zorgeloos en niet op zijn hoede, en aan de andere kant, weder al te voorbaarig te zijn met iets tegen hem te gaan onderneemen, het geen men niet zoude 141 zoude kunnen soutineeren, als hij weder ruijmte kreeg, en daarom versoeken wij als, nog, dat uw Hoog Edelheedens ons, nopens Ons fort Chettua en onse besittinge in het Paponettijse district, met hoogst derselver speciaale order gelieven temunieeren, gelijk wij zulx bij briev van den 28: 8ber:, en nog nader„ bij die van den 7: maart, versogt hebben. Jntussen laaten we, om onse Europeese magt die voor Cranganoor legt, in de reegen mousson te spaaren en ons teffens impostuur van defensie te houden, de Europeese, tot onse nadere onder andere Corder, en na maate de omstandighee„ „den zullen vereijsschen, in de stad komen, alsoo Cranganoor maar ses uuren van Cochim leggende. alloos met volk kan g'assisteerd worden, en in het port Cranganoor een Compagnie Europeesen plaatsen, terwijl de inlandse troupes buijten het fort in het retran„ „chement zullen blijven, alwaar dagelijks een hoofd wagt zal betrokken worden, door 1: officier, 1: zergeant, 2: Corporaals, 1: Jamboer en 24: Gemeene, uijt de Comp: die in 't fort legt; vervolgens laaten we op Nijcotta maar blijven, een kleijn getal Europeesen en een toe„ „rijkend getal sipais, alsoo de Groupes van Trevan„ „coor en Cochien ook daar blijven, dog de Europeesen van Aijcotta, om dat Nijcotte geen fortres maar een Camp is, zullen we telkens doen verwisselen net A Nagezien met vers volk, 't zij van hier of van Cranganoor, na mate men in de reegen tijd zien zal hoe zig zulx best schikt. zijnde intusschen het Commando voor Cranganoor opgedraagen aan den Capitain Luitenand van den Busch, in steede van den ma„ „Joor Medeler, gelijk dat een en ander blijkt bij de nevensgaande resoluties van den 19: en 25: April Jongst „leeden. Terwijl ons de hooge eere geven, van met de uijtterste Eerbied en hoog agting te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtb:, wijdgebiedende Heer en wel Edele Heeren, uw Hoog Edelhee„ „dens onderdanige en Gehoorzame dienaaren /was Get:/ A: Moens, R: v: Haan, J: V: medelen J: C: Saffin, J: L: van spall, A: R: Schutz A: J: S: Vernede en J: A: Cellaruis /in margine Cochim den 5: Meij A:o 1777: Accordeert H Schutt Schemering secret:s - CC

NL-HaNA_1.04.02_3488_0313 view scan ↗

English

No 8: 142 Report concerning the Landing near Chettua To the Right Honourable, Highly Esteemed Lord Adriaan Moens - Extraordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director of the Coast of Mallabaar, Canara and Vinguerla Right Honourable, Highly Esteemed, widely commanding Lord! The undersigned has the honour to report to your Right Honourable Esteem that, pursuant to your Right Honourable Esteem's respected orders, he embarked on board the Honourable Company's ship Hoolwerf commanded by Mr Pleun van der Kuijl, with a detachment of 138 heads, namely, 1 lieutenant, 2 sergeants, 1 capitaine des armes, 3 corporals, 1 drummer, and 50 common Europeans; 1 ensign, 2 sergeants, 2 corporals, and 50 common Orientals, and 25 common sepoys; in order to relieve Fort Chettua with them, as well as to have the goods that are noted in the Instructions brought inside. On 12 Nov anno passato early in the morning we departed from the roadstead here, and in the afternoon came to an anchor before Chettua; since one could not clearly make out from on board how matters stood on the beach there, as well as how the enemies presented themselves there, I immediately set out with the two almadies, taking along the quartermaster Hans Matthijs Berens because he also had to point out the place where the landing was to take place and some armed men, to inspect the beach from nearby in order to gain assurance therefrom that the fort was still occupied by the Company's forces, as well as to be able to judge the enemy's strength and to facilitate the landing, in which inspection, according to estimation, I discovered no more than about sixty to seventy men of the enemy, who kept themselves partly behind two small breastworks made of sand and the rest along the beach. ¶The beach that there slopes somewhat steeply upwards. And there I saw no enemies, except a few who occasionally went up, but also immediately ran down again, whereupon, as it seemed to me, shots were also fired from the fort; from which I was now not only assured that the fort was still in our hands, but also firmly assumed that atop the land no enemies dared expose themselves to the cannon of the fort, whereupon I returned again, and arriving on board informed Mr Pleun van der Kuijl that I wished to make the landing immediately, but Mr Pleun van der Kuijl could not 143 agree to this, giving as a reason that the vessels that were to cover the landing could not be brought to the proper places so quickly. Wednesday 13 Nov in the morning Mr Pleun van der Kuijl and I went to inspect the beach also first from nearby, whereupon we went off early from on board with the boat (Mr van der Kuijl first went on board the narrow ship De Verwagting to give orders there) close to the beach and again could discover no more than the aforementioned number of enemies, who could not prevent the landing. Having returned on board towards noon, I immediately disembarked the soldiers along with the sailors, all armed, and divided them into the twenty ballons provided for that purpose, but before I left the ship, I gave the non-commissioned officers the necessary orders as to how they were to conduct themselves during the landing; I also took along the two small barrels of cartridges which had been provided for this purpose, if it was necessary, to distribute to the men after the landing, but first had the barrels bound with canvas to protect them from getting wet, and had a knife fastened to each barrel in order to be able to open them quickly if necessary. According to estimation, around three o'clock, I stepped ashore with all the men between the narrow ship, the bark, and the almadies; the boat was also sent along armed, in order to keep the ballons in order, since it was not possible for me to do so, because I was leading the men in one of the vessels, and the boat also had to keep the ballons together after the landing, opposite Fort Chettua. I immediately gathered the men together, had them form front to the right and left, since I landed between the aforementioned two small breastworks, in order to divide the enemy's force, however small it was, so as to find all the less resistance, and to be able to achieve all the better the objective for which I was commanded. First drove off the enemy behind the breastwork towards the south side, because I had to go that way, who fled along the beach, of whom some were captured; hereupon I moved upwards, where behind bushes and wild pineapple groves I indeed discovered some enemies, but upon our approach they also took to flight; then I had approached so far as to be able to see the river and the fort, on which occasion I saw two vessels coming in the river from the fort, of which one was already near the shore, into which a large portion of the men under my command, against my orders and all efforts made to prevent it, rushed in, whereby many lost their muskets, and the rest became unusable due to getting wet, and the vessel lay in the river on the verge of sinking; whereupon I was compelled to do everything possible to

Dutch transcription

N„o 8: 142 Rapport wegens 't Landen bij Chettua Aan den wel Edelen Groot Agtbaren Heer Adriaan Moens - Raad Extraordinair van Nederlands Jndia, mitsgaders Gouverneur en Directeur der kuste Mallabaar Canara en owinguerla Wel Edele Groot Agtbaare wijd gebiedende Heer! Den ondergeteekende heeft d' Eere vwel Edele Groot Agtb: van berigt te dienen, dat hij volgens uwel Edele Groot Agtb: gerespecteerde ordres aan Boord van 't Ed: Comp:e schip Hoolwerf /:gecommandeert door den Heer Plein van der Kuijl :/ gegaan, met een Com„ „mando van 138: koppen, als, 1: lieutenant, 2: serg=ts 1: Capit: des armes, 3: korporaals, 1: Jamboer en 50: Gemeene Europeesen; 1: vaandrig, 2: sergants, 2: korporaals en 50: Gemeene oosterlingen en 25: gemeene siphais; om daarmeede het fort Chettua ontzet,, als meede de goederen dewelke bij de Jnstructie bekend staan, daar in te laaten brengen. Den 12: nov: anno pass:o des morgens vroeg zijn wij van de Reede alhier vertrokken, en des Namiddags voor ma„ voor Chettua ten anker gekomen; terwijl men van Boord niet wel konde onderscheijden, hoe het aan strand aldaar gesteld was, als meede hoe de vijanden zig aldaar vertoonden, ben ik aanstonds met de twee Almedias meede neemende den quartiermeester Hans Matthijs Berens /:omdat hij de plaats alwaar de Landing zoude geschieden meede moest aanwijzen:/ en eenige gewapende Manschappen, den strand van na bij te bezigtigen om daar uijt verzeekering tekrijgen, dat het fort nog door 's Comp:s volk bezeten wierd, als meede van 's vijands Magt te kunnen oordeelen en delanding te kunnen bevorderen, in't welke Bezigtiging na Gissing niet meer als omtrent sestig en seventig Man vanden vijand, die zig ten deele agter twee van zant gemaakte kleune Borstweerings en de overigen die langs strand zig ¶Het strand dat aldaar wat Heil na boven loopt. ophielden, ontdekt hebber. endaar zag ik geene vijanden, als enkelde die eens na boven gingen maar ook aanstonds weder beneden liepen waar op uit het fort zo het mij toescheen ook geschooten wierd; waaruit ik nu niet alleen verzekert wierd, dat het port nog in onse standen was, maar ook vast onderstelde, dat 'er boven op het Land geene vijanden voor 't geschut van't fort, zig durfden blootstellen, waar op ik weeder terug gekeert ben, en aan boord komende den Heer Pleun van der Kuijl kennisse gegeven, dat ik de landing aanstonds wilde doen, dog den Heer Pleun vander kuijl hier toe niet konde 143 konde treeden geevende tot Reede, dat de vaartuigen die de Landing moesten dekken, zospoedig op de behoor„ „lijke plaatsen niet konden gebragt werden. Woensdag den 13: Nov: 's morgens is den Heer Pleun van den kuijl (:en ik:/ om den strand ook eerst van naa bij te bezigtigen, waar op wij vroeg van Boord zijn gegaan, met de schuit (:de Heer van den kuijl ging eerst aan boord van het smalschip De verwagting om aldaar ordres tegeven:/ tot nabij den strand en wederom niet meer konden ont„ „dekken, als 't voorgenoemde getal vijanden, die de Landing niet konden beletten, zijnde tegens de middag wederom aan boord gekomen, hebbe aanstonds de militaire benevens de Mattroosen alle gewapend ontscheept en in die daar toe meede gegeven twintig Ballongs verdeelt, dog eer ik van Boord gegaan ben, hebbe de onder„ officiers de nodige ordres gegeven, hoedat zij zig bij de landing hadden te gedragen, ook heb ik de twee vaatjes met Patronen /:die tot dien eijnde waren mede gegeven, als 't nodig was aan't volk na de Landing te verdeelen:/ mede genomen dog eerst de vaatjes met zeijldoek laaten ombinden om voor 't nat worden te bewaren, en aan ider vaatje een Mes laten vast maaken om zulke als 't nodig was, spoedig te kunnen openen. Na giffing tegens drie uur ben ik met al het volk tusschen het smal schip, de Baakas ende Almedias aan land gestapt /: de schuijt is teffens gewapend meede gegeven, om de Ballongs in ordre te houden van houden, terwijl mij zulks tedoen, niet mogelijk was, om dat ik in een der vaartuijgen het volk aanvoerde, ende schuit de Ballongs na het landen ook bij malkander moeste houden :/ tegens over 't frort Chettua, hebbe aanstonds het volk bij mal„ „kander getrokken regts en lings laaten front maaken /:terwijl ik tusschen de voorsnoemde twee kleine Borftweerings geland ben, om de magt der vijands, hoe weijnig het ook was, te verdellen„ om zo veel teminder Jegenstand tevinden, en het oogmerk tot welke ik gecom„ „mandeert was, des tebeeter te kunnen bereiken:/ den vijand ten eersten agter de Borstweering na de zuijd kant om dat ik die weg op moeste verjaagd, die al vlugten de langs het strand liepen, waar van nog eenige gevangen gekreegen; hier op trok ik mij na boven, alwaar ik agter struiken en wilde annanas bosschen wel eenige vijanden ontdekte, dog die naamen op de aannadaing ook de vlugt, toen was ik zo verre genadert het Revier en fort te kunnen zien, bij welke Gelegentheijd twee vaartuijgen in't Revier van 't fort zag komen, waar van het eene reets na bij de wal was waar in een groot gedeelte van mijne onderhebbende Man„ „schappen tegens mijn ordre en alle gedaane moeite om het te beletten inliepen, waar door veele haar geweer verloren hebben, ende overige door 't nat worden onbruikbaar wierden, en't vaartuijg tot zinkens toe, in't Revier heeft gelegen; waar op ik genoodzaakt wierd alles in 't werk te stellen het

NL-HaNA_1.04.02_3488_0317 view scan ↗

English

to make the men come back though some, as I afterwards learned, reached the port in order to return, while I then, to my great sorrow, had to witness the bad outcome of the enterprise. All this took place under steady firing and a heavy approach of the enemy on the right and left. Thereupon I retreated, keeping off the enemy to the right and left with the few men as much as was possible to gain time to reach the vessels. Approaching the beach, some men ran into the sea against my orders to escape the danger by swimming, so that I kept only a few able-bodied men with me; with these I still held off the enemy and approached the beach, but seeing no vessels on the beach: so that the actual causes of the loss consist in this, namely that the men ran into the river, whereby much time was lost, so as not to be able to turn back immediately when I saw the enemy so strong, and that the ballongs took flight and some fishermen abandoned the vessels, which vessels also lay overturned on the beach; so that while I found myself with the few men I was forced to surrender to the enemy who then pressed upon me even more strongly from all hiding places on the right and left, whereupon I was taken prisoner according to the customs of war. Herewith he concludes this report, and has the honour to be with due respect in all deference. Was signed: Right Honourable, broad-ruling Lord! Your Right Honourable's humble and obedient servant, was signed: I: H: D: Stipp. In the margin: Cochim the 3rd March 1777: Agreed H Schutz D Schemering Secretary No 9. Right Honourable High-ruling Lord Adriaan Moens Extraordinary Councillor of Dutch India, Governor and Director of the Coast of Mallabaar, Canara and wingurla &c. &c. &c. Right Honourable High-ruling Lord. The undersigned respectfully makes known that on the 13th November Anno 1776, lying with the ship Hoolwerff before Chettua, the militia who were intended for the landing having been embarked in 21 pieces of vessels, having been ordered by my skipper to go with the boat with 8 European rowers alongside the said vessels to the shore, in order that when the men should have landed the said vessels would not leave the shore and row away, arriving at the shore and the men having landed, some musket balls came flying over the said vessels, which caused such a fear among the men or rowers of the vessels that some vessels took to flight with all their might, and those which were held with all force by the boat, the men leaped overboard from them and swam toward the sea, whereby the vessels struck upon the beach, so that whatever effort was made no men could be obtained to pull the vessels off the beach again. Wherewith hoping to have fulfilled Your Right Honour's intention, I remain with all respect. Below stood: Right Honourable High-ruling Lord, Your Right Honourable's humble servant, was signed: Hermanus Broors. In the margin: In the ship Hoolwerff the 19th November 1776: Agreed M Schutz Secretary No 10. To The Right Honourable Lord Adriaan Moens Extraordinary Councillor of Dutch India, As well as Governor and Director of the Coast of Mallabaar, with the Resort thereof Right Honourable Lord! In compliance with Your Right Honourable's highly honoured order, the undersigned respectfully takes the liberty of presenting to Your Right Honourable what occurred at the fortress of Chettua from the 8th October until the 15th November of the past year, namely: On the 8th October in the evening around 6 o'clock the commander Charderchan sent a person to the ferry of Chavacattij to our passage, and let me know through the ferryman that he would immediately inform me to send someone to him in the Moorish temple, in order to speak about matters of importance. As also without loss of time the interpreter alongside a lascar was sent thither. But the aforementioned persons arriving at the field commander, he said that he was not him, but another officer, yet that they should cross over early the next day at Chavacattij. The 9th October in the morning at the break of day, I sent the interpreter alongside 4 other lascars, and that same morning at 7 o'clock I received a report from Poelijcarro from the postholder as must happen daily that everything there was still well and nothing had occurred, but around half past 7 o'clock another lascar came from the post to tell me that 4 pathans had arrived there and had arrested the corporal alongside 2 other lascars, whereupon I immediately sent a lascar of mine thither, and to announce to them that they should leave the corporal in peace in the Company's post, and if their general had something to say, he could make it known to my interpreter whom I had already sent; shortly after sending off that lascar, a Chego came to report that the corporal alongside 3 lascars had been brought across as prisoners by order of Charderchan to the side of the pagoda north of Poelijcarro, and that many horsemen and foot soldiers had also crossed over there, and that around 8000 men had already moved onto the sandy land. Around 11 o'clock we saw from the fortress that the army was drawn up in order of battle in two lines toward the great plain out of range of our artillery.

Dutch transcription

141 het volk weder terug te doen komen /:dog eenige zijn, zo als ik naderhand vernomen hebbe, in 't port gekomen:/ om te retourneeren, terwijl ik toen tot mijn groot Leedweezen, de kwaade uitslag van de onderneeming moeste zien. Dit alles geschiede onder een gestadig vuuren en sterk aannaaderen der vijanden regts en lings, hier op trok ik mijn terug, den vijand zo veel met de weinige Man„ „schappen, maar mogelijk was, regts en lings afge „houden om tijd te winnen na de vaartuijgen te komen, het strand naderden liepen eenige man schappen tegens mijn ordre in zee om het gevaar door 't swemmen te ontkomen: zo dat ik nog maar weinig weerbaare Manschappen bij mijn hielde, hiermeede heb ik de vijanden nog afge „houden en het strand genadert; dog gen vaartuijgen aan strand ziende: zodat de wezendlijke oor„ „zaaken van het verlies hier in bestaad, teweeten dat het volk in't Revier gelopen, waar door veel tijd verliep, om niet ten eersten; toen ik den vijand zo sterk ziende, tekunnen terug keeren, en dat de Ballongs de vlugt genomen en eenige vissers de vaartuijgen verlaaten hebben, welke vaartuijgen ook om geslagen op den strand lagen; alzo: dat /:terwijl ik met de weijnige Man„ „schappen mijn bevond :/ genoodzaakt was om mijn aanden vijand /:dewelke toen uit alle schuijl „plaatsen nog sterker regts en lings op mijn aan„ „drongen:/ overtegeven, waarop men mijn na oorlogs al¬ al ellen Nagezien oorlogs gebruik gevangen genomen Hiermeede besluit hij dit Berigt, en heeft de Eere met verschuldigde Eerbied in alle onderdanigh:d te zijn. /:onderstond:/ wel Edele Groot agtb:, weijd „gebiedende Heer! uwel Edele Groot agtb: onderdanige en Gehoorzame dienaar /:was getek:/ I: H: D: Stipp. /:in margine:/ Cochim den 3:' Maart 1777: accordeerd HSchutt D Schemering Z secret:s 14 N„o 9. 145 Wel Edele Groot Agtbaaren Hoog Gebiedende Heer Adriaan Moens Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia Gouverneur en Directeur ter Kuste Mallabaar Canara en wingurla„ &a. &a. &c. Wel Edele Groot Agtbaren, Hoog Gebiedende Heere. Den ondergeteekende geeft in alle Eerbied te kenne, dat op den 13: November A:o 1776: met het schip Hoolwerff voor Chettua leggende, de Militie welke tot de Landing geschikt waren in 21: p:s vaar„ „tuijgen ge-inbarqueerd waaren, door mijn schipper ge-ordonneerd zijnde om met de Schuijt met 8: Euro¬ „pezen roeijers met gemelde vaartuijgen meede na de wal te gaan, ten eijnde om als het volk geland zoude Nagezien Adriaan Boolchel zoude zijn gemelde vaartuijgen niet zoude van de wal afgaan en weg roeijen, aan de walkomende en het volk geland zijnde, eenige snaphaan Kogels over gemelde vaartuijgen quamen vliegen, zulk een bevreestheijd onder het volk ofte roeijers van de vaartuijgen veroorzaakte, dat eenige vaartuijgen met al haar magt het op een vlugten zetten, en welke met de schuijt met alle geweld gehou¬ „den wierden, het volk uijt dezelve over boord sprongen en na zee swommen, daar door de vaar„ tuijgen op het strand sloegen, zo dat wat moeite men aanwenden geen volk konde krijgen om de vaartuijgen weder van strant aftehaalen Waarmeede verhoopen aan Uwel Edele intentie voldaan te hebben, zo verblijven met alle eerbiedt /:onderstond:/ WelEdele Groot Agtbaren Hoog Gebiedende Heere, UwelEdele Groot Agtb: ootmoedigen dienaar /:was geteekend :/ Hermanus Broors /:in margine:/ In 't schip Hoolwerff den 19: November 1776:— accordeerd M Schutz Secrets: lle A an den nus tb: N„o 10. 146 Aan Den wel Edelen Groot Agtbaare Heere Adriaan Moens Raad Extraordinaris van neder„ „lands, Jndia, Mitsgaders Gouver„ „neur en Directeur der kuste mal„ labaar, met den Resorte vandien Wel Edele Groot Agtbaaren Heer! In voldoening van uwel Ed:e Grootagtb: Hoog g'Eerde ordre, neemt den ondergetekende in eerbied de vrijheijd van uwel Ed=e Groot agtb: 't voorgevallene ter fortres Chettua 't zedert den 8:' octob: tot den 15:' novemb: a=o pass:o te vertoonen, Namentlijk op den 8:' october 's avonds omtrent 6: uur heeft den veld Heer Charderchan een perzoon naar de overvaart van Chavacattij naar ons passagie gezonden, en liet door den veerman weeten dat hij ten eersten mij zoude bekentmaken, om iemand bij hem in de moorse Tempel tezenden, ten eijnde over zakelijkheeden van belang tespreeken. Gelijk ook zonder tijd verzuijm den Tolk nevens een lascorijn derwaarts gezonden is. Dog d' voorn: perzoonen bij den veldsteen komende, zijde hij, dat hij die niet was, maar een ander officier, egter datze 'sanderen„ „daags „daags vroeg te Chavacattij zoude overkomen Den 9:' 8ber: smorgens met 't aanbreeken van den dag, zond ik den folk nevens andere 4: lascorijns, en die zelfde morgen om 7: uur ontfing ik uijt Poelij caro van den posthouder rapport /:gelijk zulx dagelijks moet geschieden:/ dat aldaar alles nog wel en niets voorgevallen was, dog omtrent half 8: uur quam een ander lascorijn vande post mij zeggen, dat daar 4: patanders aangekomen en den Corporaal nevens nog 2: lascorijns g'arresteert hadde, waarop ik ten eersten een lascorijn van mij derwaarts zond, en hun aanzeggen, datze den Corporaal met de vreede in 'sComp:s post zoude laten, zo haar Generaal wat te zeggen hadde, zulx aan mijn tolk die reets gezonden hadde konde bekent maken; kort na 't afzenden van die lascorijn, quam een Chego Rapporteeren, dat den Corporaal nevens 3: lascorijns op ordre van Charderchan nadekant vande pogood benoord Poelijcarro als arrestanten overgebragt en dat aldaar veele ruijters en voet volkeren ook waaren overgekomen, en dat bij de 8000: man alreeds op 't zandige land zig hadde begeeven. omtrent 11: uur zagen wij uijt 't fortres, dat den armee Regel vegt geschaart in twee Lingies naar den groote vlakte buijten 't bereijk van ons geschut

NL-HaNA_1.04.02_3488_0327 view scan ↗

English

artillery from the pass to in front of the mocarij, and marched up to the sea inlet. The undersigned, having seen this, sent the assistant Arnoldus Harmensz with a protest thither, but to no avail; the general also detained him there, as well as the interpreter and the lascorins, and subsequently began to plunder all the houses, shops, and other huts. At 4 o'clock in the evening I wrote another ola to Charderchan, stating that the Honourable Company lived in friendship with the Nabab, that I could not understand how he could allow such improper actions to be committed, that if he is a faithful subject and servant of his master the nabab, he ought to refrain from such things and show greater regard for the friendship between the Honourable Company and his master, and likewise that if he will not leave us in peace, I shall then regard him as a rebel against his master; further requesting that he send back the assistant, interpreter, and lascorins, and subsequently also send one of his officers to hold an oral conference with me. At sunset Charderchan sent a major on horseback together with the interpreter, accompanied by 24 sepoys with muskets and 12 with broadswords, along with an ola addressed to me, containing the demand that I should surrender the fortress, since all these lands had belonged to the Samorin King, and that they now belong to the Nabab his master, and that the Honourable Company were merely merchants, wherefore it was not fitting for them to have fortresses with artillery, and that I should immediately have banksalls or warehouses erected, store all the Honourable Company's goods therein, and surrender the fortress; failing which, he, the General, would take it by force. After I had pointed out to the major the unreasonableness committed by the General, I handed him an ola in Malabar in reply to the one received, in which I protested against all the acts of violence that he, the General, was committing. Subsequently, at the request of the major, I sent the interpreter to read that ola, because according to his statement there was no one there who could read that script, and he promised to send back the assistant, interpreter, and lascorins within 2 hours. Around 10 o'clock in the evening the assistant came, accompanied only by some Pathans, to tell me nothing other than that Charder Chan persisted in his previous demand, and that he had sent him to tell me again by word of mouth, having had to promise that he would return with an answer from me, and that he, the General, would only then send him back into the fort together with the interpreter and the lascorins. My answer to the General was that as long as there is a drop of blood in me, I can report nothing other than what I have spoken and written to the major. The assistant departed thereupon, and I did not see him again until after the surrender of the fortress. On the 10th of October the Pathans approached the fortress in small parties to almost within the range of a musket shot, whereupon I gave notice and called out that I would fire immediately if they did not withdraw. They then departed, but erected small ola guard huts from our barracks to beyond the mocarij, and likewise kept watch on the river with vessels so that our people could not leave the fortress, thus keeping us surrounded. In the evening at 10 o'clock I received report that Charder chan, with several thousand men, both infantry and cavalry, had departed the previous morning for the Conquest Paponetty. Subsequently, for several days whenever the Nabab's partisans approached the fortress, I held them back with threats; but 2 or 3 days later, after a sepoy of ours had absented himself during the night, the Pathans of the nabab became so obstinate and came freely within the range of the artillery. Since the threats were then no longer of any effect, I ordered firing upon them in God's name. They fired with small arms, and we did likewise as well as with cannon, which continued in this manner until the 11th of November, while in the meantime we were so closely hemmed in that not a soul could go out or in. On the 12th of November, being the following day, at about one o'clock in the afternoon, we saw the ship and the other vessels come to anchor in front of the fortress, which brought great joy to all of us, since there were then few people on the beach, and we therefore had good hope that our people might safely get ashore; as this did not happen on that day, we hoped that it would take place the next day. However, on the 13th of the same month in the early morning, companies of the nabab's men came down from the Conquest Paponetty toward the side of Chettua; they subsequently had themselves ferried over to the beach, at which time there were by estimation 6000 armed men there. Although I fired well over 100 cannon shots to prevent the crossing, all of this could not avail. They then waited there until our armed vessels had approached and begun to fire upon them, whereupon

Dutch transcription

157 geschut vanden passen af tot voor de mocarij, en tot aan het zeegat toe marcheerde; Den ondergetekende zulx gezien hebbende sond den adsistent Arnoldus Harmensz: met protest derwaarts, dog van geen belang, den Generaal heeft den selven ook zo wel daar aangehouden, als den tolk ende lascouijns en begonnen vervolgens alle de huijsen Boetiquen en andere kitten te plunderen. om 4: uur 'savonds schreef ik een ander ola aan Charderchan, ondermelding, dat de EComp: met de Nabab in vriendschap leevende, dat ik niet begrijpen konde hoe hij zulke onhebbelijke gedoente konde laten plegen, zo hij een trouw onderdaan en dienaar van zijn meester den nabab is, dat hij dan zulke dingen dient telaaten, ende vriendschap tusschen de Ecomp: en zijn meester meerder in agt teneemen, zomeede wanneer hij niet met vreede wil laaten, dat ik dan hem aanmerken zal, als een Rebelder van zijn master. voorts verzoekende den assistent, Tolk ende lascorijns terug tezenden, vervol„ „gens ook een van zijn officier om een mond gesprek met mij tekomen houden met desons ondergang zond Charderchan een majoor tepaart nevens den tolk, verzeld van 24: sipaijs met geweer en 12: met houwers, nevens nevens een ola aan mij gerigt, behelsende, dat ik 't fortres zoude overgeeven, wijl alle deeze landen den sammorijns koning heeft toebehoort, en dat de Nabab sijn meester thans 't toekomt en dat de Ecomp: maar negotianten waaren, daarom geen fortoes met geschut paste te hebben, en dat ik ten eersten Bankzaals of Pakhuijsen zoude laten opslaan, en alle de 'sEcomp:s goederen daar in bergen en't fortres overgeeven, zulx niet geschiedende dat hij Generaal met geweld zoude overnemen Nadat ik den majoor aangetoond hadde, de on„ „reedelijkheijd die de Generaal pleegde, gaf ik deselfde een ola in't mallabaars in antwoord op de ontfangene over, waar in protesteerde tegen alle de Geweldenarij die hij Generaal pleegde: vervolgens op't verzoek vanden majoor zoud ik den Tolk ter leezing van dien ola, wijl vol„ „gens zijn zeggen aldaar niemand was die dat schrift konde leezen, en dat hij beloofde binnen 2: uur den adsistent, tolk ende lascorijns terug tezenden. omtrent 10: uur 'savonds quam den adsistent alleenig verzeld van eenige Patanders mij niets anders zeggen, als dat Charder Chan bij zijn voorige pretentie blijft, en dat hem gezonden had, mij mondelings weder tezeggen, en moeten belooven dat met een bescheijd van mij terug moeten komen, en dat hij Generaal als 148 als dan hem nevens den Jolk ende lascorijns in't fort terug zoude zenden; het antwoord van mij was aan den Generaal, zolang als een druppel bloed in mijn is, niets anders kan melden laaten als dat ik den majoor gezegt en geschreeven heb. Den adsistent is daarop vertrocken, en ik heb hem niet weder gezien tot na 't overgaaf van 't fortres Den 10:' 8ber: quamen de Latanders bij klijne parthij bij na 't berijk van een snaphaan schoot 't fortres aannaderen wanneer ik liet weeten en toeroepen, dat ten eersten zal schieten, zo zij niet vertrecken wilde, zij gingen toen ook heen, dog sloegen klijne ola wagt huijsjes van ons Barak af tot over de mocarij op, zomeede ook opde Revier met vaartuijgen hielden zij de wagt, dat ons volk niet uijt 't fortres konde gaan, en hielden ons dus omsingeld. 'savonds om 10: uur koecq ik berigt dat Charder chan, met eenige duijzend man zo voetvolk als Ruijters in den voorigen morgenstand naar 't Conquest Laponettij vertroc„ „ken waaren. vervolgens heb ik eenige dagen wanneer de Nababs gezinde 't fortres naderde met drijgementen terug ge„ „houden, dog 2: of 3: daagen daarna /:dat een sipaij van ons in den nanagt zig absent gemaakt, wierden de Patanders vande nabab. zo opstmaat en quam dat landen e: quam vrijlijk onder 't berijk van 't geschut, en wijl de drijgementen toen van geen effect meer waaren, liet ik in Gods naam daaronder schieten, zij hebben ook met klijn geweer geschooten en wij ook zo wel als met kanon, hetgeen zo geduurt heeft tot den 11: november, terwijl wij intusschen ook zo nauw ingeslooten wierden, dat geen mensch uijt of in kon. Den 12:' Novemb: zijnde 's anderendaags zagen wij 't schip en de smiddags omtrent een uur andere vaartuijgen voor 't fortres ten anker komen, welke een groot vreugde in onzer alle brogte, wijl toen wijnig volk op 't strand waaren, en dus goede hoop hadde, onse volk gelukkig aande wal konde komen, dat opdien dag niet geschied zijnde, hoopten wij dat 'sanderendaags zulx zoude geschieden. Dog Den 13:' d=o in den vroegen morgen quamen Comp:s vande na„ „babs uijt 't Conquest Paponettij afzakken, na de kant van Chettua; die zig vervolgens op de strand lieten overzetten, wanneer aldaar na gissinge 6000: gewapende mannen waaren, schoon ik tot 't belet der overvaart wel overde 100: Canon schooten gedaan hebben, dog dit heeft alles niet konde baaten: zij hebben toen daar ge„ „wagt tot dat onse gearmeerde vaartuijgen ge„ „naadert waaren, en op haar begonden te schieten, wanneer Den

NL-HaNA_1.04.02_3488_0331 view scan ↗

English

when they had taken shelter in the trenches or pits made on the beach, so that our artillery could do them not the least damage. In the afternoon the landings took place; the enemy, being all together, subsequently came up out of the trenches, cut down many with sabres, and shot and wounded some, taking the remainder as prisoners of war. Whatever was in my power to save, I did by means of 2 small vessels which I sent from the fort to the reef for help and assistance, while firing from both sides of the fortress with cannon and muskets at the enemy who wanted to overtake the vessels. And after the capture of our people, 6 cannon shots were fired by the Nabob's partisans from the opposite side, of which three eight-pounder balls flew through the wall of the armory, and three through the high roof of the fortress. On the 14th of November in the morning the men were very desperate, as were also some of the detachment's men whom I had saved, seeing now even more of the enemy than yesterday, estimated at around 8000 men strong, approaching the fortress again, and throwing up a battery; they lost heart and laid down their arms, saying that the fortress must be surrendered, because the force of the enemies was far too great. Whatever one said to them to keep up good courage and take up their weapons again, all of this could not help; they were finally brought so far that they would remain quiet that night, and watch carefully that the enemies did not scale the walls by storm, and that the next day someone would be sent outside the fort to treat with Charderchan, by which means they were for the present pacified. On the 15th of November at 4 o'clock in the morning, I sent a burgher of Ros with an oral protest to Charderchan, at the same time requesting that he would wait with committing hostilities until I had written to Cochim and received an answer. That man reported to me upon his return that Charderchan had informed me that if I did not surrender the fortress by 7 o'clock, he would murder me and all the others without sparing a child. The men, learning of this, became even more mutinous and demanded that the fort be surrendered. They were told that another message would be sent to Charderchan, and that they had to await that answer. Because no Christians wanted to go to Charderchan anymore, I chose for that purpose two of the best sepoys to present my former request to him once more and ask him to accept it. In the meantime the men gathered together, and one of the European soldiers named Ephraim Franke acted as spokesman, saying that if the fortress was not surrendered immediately, and that we, along with the women and children, were to be murdered, we would know what we had to do. They were told in reply that two persons had been sent to negotiate terms and that they should wait until their return. Shortly thereafter one of the sepoys returned, saying the same as the burgher Ros had said. Subsequently Sergeant Brussel, along with another soldier, warned and stopped me when I was going up to the flag bastion, telling me not to proceed any further, and that the sepoys were resolved to cut me down. And because, as well through the mutiny from within as through the small amount of powder and cartridges that we still had, and a multitude of scaling ladders were already being brought up, and Charderchan informed us for the last time through a Portuguese captain to surrender the fort, or that upon taking it he would murder everyone. But if it was surrendered voluntarily, all of the Company's goods should be left in the fortress under proper inventory, and all of the Company's servants and further inhabitants should be allowed to go their way quietly with all their goods. Therefore, for the above-mentioned reasons, and since the mutiny among the men increased more and more, we found ourselves forced to surrender the fort on the aforementioned conditions. But Charderchan did not keep his word, and treated us in such a manner as is known to everyone. Herewith hoping to have satisfied the honored intention of your Right Honorable, and he signs himself with the utmost respect. Below was written: Right Honorable, High-Commanding Lord, your Right Honorable's very obedient servant, signed: C. De Riberto. In the margin: Cochim, the 12th of March in the year 1777. Agreed. Adriaan Boothel H. Schutz, Secretary. No. 11. To the Right Honorable Lord Adriaan Moens, Extraordinary Councilor of Dutch India, as well as Governor and Director of the Malabar Coast with its dependencies. Right Honorable, High-Commanding Lord! Pursuant to your Right Honorable's honored order, the undersigned respectfully takes the liberty to report in the following what occurred regarding the garrison and the surrender of the fortress Chettua; namely: On the 8th of October at half past 5 o'clock, the Resident received a message from our ferryman that General Charderchan was in the Moorish temple on the opposite side, desiring to speak with one of our people, wherefore the Resident immediately sent the interpreter and a lascar thither. However, upon returning, the interpreter reported that Charderchan had spoken to him personally, though pretending to be someone else, but that he, the interpreter, had to come to Chavocatte the next day.

Dutch transcription

149 wanneer zij in de loopgraven of kuijlen op de strand gemaakt geschuijlt zijn, zodat ons ge„ „schut geen deminste schaade haar konde toebrengen. nademiddag geschied de Landingen; zijnde de vijand alle bij elkanderen die vervolgens uijt de loopgraven opquamen, meenige needergezabelt en zommige dood geschooten en gequest hebben 't resteerende tot krijgs gevangen gemaakt. Jk in mijn vermogen was te bergen heb ik door middel van 2: klijne vaartuijgen dewelke ik van 't fort na 't rif gezonden heb, tot behulp en adsistentie onder 't schieten van bijde kanten uijt 't fortres met kanon en snaphanen op de vijand die de vaartuijgen woude agterhaalen. En na 't gevang„ „neeming van ons volk, wierd 6: canon schooten gedaan door de Nababs gezinde van't overkant, waarvan drie agt ponders kogel door de muur van 't wapenkamer vloog, en drie door het hoog dak van't fortres. Den 14:' 9ber: smorgens was 't volk zeer wanhopig, zomeede„ eenige vande Commandos volk die ik geburgen heb, zienende nu nog al meer volk van den vij„ „and als gisteren nagissing wel bij de 8000: man sterk weder nader 't fortres komen, en Batterij opwerpen, lieten demoed zakken en leijden de wa„ „pens needer, zeggende dat 't fortres moest over„ „geeven wijl „geeven, want de magt der vijanden al te groot was, wat men haar dog zijde om goede moed te houden de wapens weeder opteneemen en zo konde dit alles niet helpen, men heeftze eijndelijk nog zo ver ge„ „bragt datze gerust dien nagt zoude blijven, en wel oppassen dat de vijanden niet stormderhand over„ „klommen, en dat men 's anderen daags iemand buijten 't fort zoude zenden om met Charderchan te handelen waar door zijn voor eerst in bedaartheijd gebragt. Den 15:' Novemb: 'smorgens om 4: uur, sond ik een burger van Ros met mondeling protest aan Charderchan, teffens verzoeken, dat hij zo lange wagten wilde met 't pleegen der ongeregtigheeden tot dat ik naar Cochim schrijft, en antwoord erlangt hadde, die man berig„ „te mij, met zijn terug komst, dat charden Chan mij lietweeten, zo ik tegen 7: uur 't fortres niet overgeeven wilde, dat hij mij en alle andere zonder een kind teverschoonen zoude vermoorden, Het volk dit gewaar wordende wierd nog oproeriger en begeerden dat men 't fort zoude overgeeven, men zeijde tegen haar dat nog een boodschap na Chanderchan zoude zenden, en dat men dat beschijd moest afwagten /:wijl geen Christenen meer bij Chaader chan woude gaan :/ koos ten dien eijnde twee van de beste sipais, en om hem nog„ „maals mijn voorige verzoek voortehouden en 't zelfde 150 'tzelfde tewillen aanneemen. Intusschen quam 't volk bij elkander en een van de Europeeze zoldaaten in naame Ephraim franke deed 't woord, zeggende, zo indien in 't fortres niet willen ten eersten overgee„ „ven, Een dat wij nevens vrouwen en kinderen ver„ „moord worden, zo zullen wij weeten wat wij te doen hebben, men zeijde daarop, dat'er twee perzoonen gezonden waaren ter accordeeren en datze zo lang wagten zoude tot de terug komst van haar, kort daarop kwaamen een van de sipais terug, zeggende, zoals de burger Ros gezegt hadde, vervolgens heeft den zergeant Brussel nevens een ander zoldaat mij ge„ „waarschouwt en tegen gehouden, bij 't opgaaen naar de vlagge punt, dat ik niet verder zoude begeven en dat desipaijs geresolveert waaren mij neer tehou„ Endewijl zo door 't oproer van binnen als „den door het wijnige kruijt en Cardoesen dat men nog maar hadde en een meenigte stormladders al aan„ „gebragt wierden, en Chaaderchan ons door een portugees Capitain voor 't laatste liet weeten, om 't fort tegeeven of dat hij bij diet inneemen alles zoude vermoorden. Dog zo men 't goedwillig over„ „gaaf dat men alle 'sComp:s goederen onderbehoor„ „lijk Jnventaris in't fortres zoude laaten, en alle s ig„ olk meer Nagezien alle de sComp:s dienaaren en verder ingezeetene alle hunne goederen gerust ider zijn wegen laten gaan; zo hebben wij om bovengem: reeden, ons alzo het oproer onder 't volk hoe langer hoe meerder toenam, genoodzaakt gevonden, 't fort op het voormelde Conditie overtegeven; Dog Charderchan heeft zijn woord niet gehouden, en ons zodanig behandelt als een ider bekent is. Hiermeede verhoopen aan d' g'Eerde intentie van uwel Ed:e Groot agtb: te hebben voldaan, en noemt hij zig met den uijtersten Eerbied. /:onderstond:/ wel Edele Groot. agtb: Hooggebiedende Heere, vwel Edele Groot agtb: zeer gehoorzaame dienaar C:s De Riberto /:in margine:/ Cochim /:was getekent:/C den 12:' maart a:o 1777:— Accordeerd Adriaan Boothel H Schutz secret:s ochim N„o 11. 151 Aan den wel Edelen Groot Agtbaaren Heer Adriaan Moens, Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia, mitsgaders Gouverneur en Di¬ „recteur, der Kuste Mallabaar, met den resorte vandien. Wel Edele, Groot Agtbaare, Hoog Gebiedende Heer! Volgens uw wel Edele Groot Agtbaares g'eerde ordre zo neeme d' ondergeteekende in Eerbied de vrijheid 't voorge„ „vallene van de bezetting of tot 't overgaf van 't fortres Chettua, in 't vervolg dezes te bedeelen; teweeten Den 8:ten October om half 6: uur kreijgde de Resident een boodschap van onzen veerman, dat den Generaal Charder Chan in den Moorsen Tempel van de overkant was, begeerende een per„ „zoon van ons te spreeken, gelijk den Resident ten eersten den Jolk en een Lascorijn derwaards zond, dog den Tolk terug gekomende boodschaapte dat Charder chan hem perzoonlijk gesprooken hadde, schoon geveijnst hebben, dat hij een ander was, maar dat hij Jolk 'sanderdags te Chavocatte moeste komen. den

NL-HaNA_1.04.02_3488_0338 view scan ↗

English

On the 9th of October, in the morning, the Resident sent the interpreter to Chavocatte, and at 7 o'clock received a report from the post Poelicarro that everything was still well there. Half an hour later, a Lascar came to say that 4 Pattanders had arrested the Corporal and Postholder along with 2 Lascars in the Company's post. No sooner had that Lascar departed than a Chego arrived and brought news that the Corporal, together with 2 Lascars, had been brought as prisoners by the Pattanders to a pagoda north of our post Poelicarro, and also that about 8,000 men, both infantry and cavalry, had already crossed over to this side. Towards 11 o'clock, we saw from the fortress a large army, estimated at 8 to 9,000 men, marching in two lines towards the great plain out of range of our cannon from the posts, almost up to the sea inlet. Whereupon the Resident resolved, since neither the sent interpreter nor any of the Lascars had yet returned, to send the assistant to the General with a protest, which was done immediately. Meanwhile, the enemy began to plunder all the houses, huts, and shops. In the evening at 6 o'clock, a major of the Nabob arrived on horseback, accompanied by 36 sepoys, bringing an ola for the Resident, and took the reply back again from the Resident to the General. On the 10th of the same month, the enemy appeared in small parties almost within range of our cannon, but whenever they were threatened, or shown the burning match, they departed immediately. Nevertheless, they knocked down guard huts belonging to our Lascars' guard or barracks, up past the Mukkuva village. Furthermore, they kept watch on the river with vessels so that our people could not leave the fortress, and thus kept us surrounded. In this manner things continued for several days, during which the Nabob's men appeared in small parties and retreated when threatened, until one of our sepoys deserted during the late night. 2 to 3 days later, the enemy became so bold that they approached within range of the artillery. Although threats were then no longer of any use, it was resolved to fire upon them, whereupon the enemy shot at us with small arms, and we did not fail to respond, both with cannon and small arms, which lasted until the 11th of November. In the meantime, we were so closely enclosed that no one could go out or in. On the 12th of November before noon, at 11 o'clock, we sighted the ship and other vessels for our relief, and they came to anchor directly opposite the fortress, to the joy of us all, as there were few enemy troops on the beach at that time. However, as the landing did not take place on that day, the next day, on the morning of the 13th, the Nabob's troops came down from the conquered territory of Paponetty in large parties, company by company, towards the side of Chettua and had themselves ferried onto the beach of the opposite shore, where by estimation there were over 6,000 armed men. Although we, to prevent the crossing, not only fired cannon shots but also continuously fired small arms at the vessels, everything was in vain. The enemy then waited until our armed vessels had approached and begun to fire upon them, whereupon they made trenches or pits in the sand and sheltered in them, so that neither the vessels nor even less our artillery could inflict any damage on them, nor drive them out. In the afternoon the landing took place; the enemy, who were all assembled together and emerged simultaneously from the trenches, struck down many of our people, shot dead and wounded some, and took the remainder prisoner. And by means of two small vessels, under covering fire of cannon and small arms from the fortress directed at the enemy who sought to pursue the vessels, we saved, to the best of our ability, several persons who had retreated into the water. After our relief on the opposite shore had failed in this manner, the enemy fired shots from an 8-pounder cannon, 3 balls of which flew through the wall of our armory, and 3 through the high roof of the fortress. On the 14th of November, at daybreak, the men were very despondent and grieved, as were some of the command's men

Dutch transcription

Den 9:' 8ber: in den morgenstond heeft den Resident den Tolk naar Chavocatte gezonden, en om 7: uuren ontfing rapport van 't post Poelicarro, dat aldaar nog alles wel was, een half uur daarna quam een Lascorijn zeggen dat 4. Pat„ „tanders den Corporaal en Posthouder nevens 2. Lasco„ „rijns in 's Comp:s post g'arresteerd hadde; zo dra was die Lascorijn niet vertrocken of daar quamen een chego en boodschaapte dat de Corporaal benevens 2: Las„ „corijns door de pattanders als arrestanten bij een pagood benoorden onzen Post Poelij carro overgebragt waaren, en ook dat omtrent 8000: mannen zo voet„ „volk als ruijters aan deeze kant al reeds waaren overgekomen; tegens 11: uuren zagen, wij uijt 't fortres dat een groote armee, naar gissing, van 8: â 9000: kop„ „pen in twee Linges naar de groote vlakte marcheeren buijten 't bereijk van ons geschut van de posten af, tot bij na aan 't Zeegat toe, wanneer den Resident resol„ „veerde, wijl de gezondene Tolk nog geen van de Lasco„ „rijns weder terug gekomen is. Om den assistent bij den Generaal tezenden met een protest gelijk ook ten eersten geschied zijnde, intusschen hebben de vijanden begonden alle de huijzen, kitten en boetiequen te plun„ „deren, 's avonds ten 6: uur quam een majoor van den Nabab te paart nevens 36: sipaijs hem verzelt mede brengende een ola voor den Resident en namen 't ant¬ „woord weder mede van den Resident naar den Generaal Den 10: d=o vertoonde den vijand zig bij klijne parthijen bij na onder 152 onder 't berijk van ons geschut, dog wanneer haar ge„ „dreijgt wierde, of de brandende lond lied zien, vertrocken„ „ze ten eersten weg dog des niet tegenstaande sloegense wagthuijsjes van ons Lascorijns wagt of barak af, tot voorbij de mocquarij toe, vervolgens ook op de revier met vaartuijgen hieldenze wagt dat ons volk niet uijt de fortres konde gaan, en hielden ons dus zo omzingeld. zodanig gingen nog eenige dagen voort, dat de Nababs gezinde zig bij klijne parthij liet vertoonen met drijge„ „menten terug gingen tot dat een van onze sipaijs in den na nagt zig absent gemaakt heeft, 2: â 3 dagen daarna wierden de vijanden zo hoogmoedig dat ze onder 't berijk van 't Geschut aannaaderen, schoon toen het dreijgementen meer van geen waarde was, waaren men geresolveerd geworden onder haar teschieten, wanneer toen de vijand met klijn geweer op ons geschooten, en wij niet in gebrek gebleeven, zo wel met kannon als met kleijn geweer, 't geen geduurd heeft, tot den 11. November toe, intusschen waaren wij zo nau in„ „geslooten dat geen mensch uijt of in kon. Den 12: November voor de middag om 11: uur krijgen, wij 't schip en andere vaartuijgen tot ons ontzet in 't gezigt en quaa¬ „men zij regt over 't fortres ten anker, tot onzer allen vreugde, vermits wijnig vijandlijke volkeren toen op de strand waaren, egter op dien dag 't aanlanding niet geschied zijnde, zo is 's anderendaags op den 13: in de mor„ „genstond quaamen de Nababs volkeren Compagnies wijs uijt naar van sol¬ ook der - uijt 't Conquest Paponettij bij groote parthije afzakken, naar de kant van Chettua en lieten zig voorts op de strand van de overwal zetten, wanneer naar gissing aldaar over de 6000: gewapende mannen waeren, schoon, wij tot 't belet der overvaart, niet alleen met 't kanon schooten gedaan hebben, maar ook met 't klijn geweer geduurig op de vaartuijgen gevuurd alles was vreugteloos, de vijanden hebben toen blijven wagten tot dat onze g'armeerde vaartuigen genadert waaren, en op haar begonnen te schieten, wanneer zij loopgraven of kuijlen in den sant gemaakt, en daar in geschuijlt, zo dat uijt de vaartuijgen veel min ons geschut haar eenige schade konde toebren„ „gen, nog daar uijt drijven; namiddag is 't ladingen ge„ „schied, zijnde toen de vijand alle bij malkanderen die te gelijk uit de loop graaven opquaam meenige van ons volk neder gehouden, zommige dood geschooten en gequetst hebben, 't resteerende gevangen genomen, en wij hebben door middelen van twee klijne vaartuigen, onderschieten van kannon en klijn geweer, uit het fortres op de vijanden die de vaartuijgen woude agterhaalen eenige perzoonen die in 't water geretireerd hebben, naar vermoeijde ge„ „ret, na dat aan de overkant ons onzet dusdanig uijt„ „gevallen was, heeft de vijand schooten uijt een 8: lb: kanon gedaan, waarvan 3: kogels door de muur van onze wapenko„ „mer vloog, en 3: door 't hooge dak van het fortres. — Den 14: 9ber: met 't aanbreeken van den dag was 't volk zeer mis„ „troostig en bedroefd, zo meede eenige van 't Commandos volk

NL-HaNA_1.04.02_3488_0341 view scan ↗

English

153 men, who were hidden, seeing yet more men of the Nabab approaching the fortress again, estimated at 8 to 9000 men, and throwing up batteries, completely lost their courage and laid down their weapons, saying that the fortress must be surrendered, since the power of the enemy is far too great. I employed all possible means, first placing their duties before their eyes with threats, and when I saw that this could not help, then with gentle words, all of which was in vain, yet finally brought them so far that they would remain quiet that night, and keep good watch that the enemy would not scale the walls by storm in the dark, and that someone would be sent to General Charder Chan the next day to negotiate, through which calm was restored for the time being. On 15 9ber in the morning before 4 hours the men began as on the previous day, whereupon a council of war was convened, consisting of the resident the undersigned, 2 sergeants, 2 corporals, 2 European privates, as well as the bombardier and gunner alongside the burgher sergeant, who, speaking with each other about our sorrowful circumstances, resolved to bring the men, as far as possible, to calm, for by surrendering the fortress nothing other than all manner of misery was to be expected, which was attempted, yet in vain; the men stood their ground and absolutely demanded the surrender of the fort. Good counsel was dearly needed here. A burgher named Ros was sent to Charder Chan to request him to cease his hostilities until the Resident had written a letter to Cochim and received the reply thereto, but the aforementioned Ros returned with the message that Charder Chan would know or hear nothing of this, and that if we did not surrender the fortress by 7 hours, he would murder the Resident and all others without sparing a single child. The men having heard of this though by what means is unknown to us became even more mutinous, and said that if one waited any longer to surrender the fortress, one would see what would come of it. I told them that they should not yet lose courage and that a message would be sent once more to Charder Chan, whereupon 2 of the best of our sepoys were chosen since no Christian would go to him anymore to propose our previous request once again and ask him to accept the same. These sepoys were barely outside the fort to carry out their message when the men assembled together, among whom a European soldier by the name of Ephrain Franke acted as spokesman, saying to the Resident, if you do not surrender the fortress at once, and we and all the women and children are murdered, we shall know what we have to do. I said thereupon that two persons had been sent again to negotiate 154 and that they should wait until their return. At that moment one of the sepoys returned, saying exactly the same as the burgher Ros had said. The men thus becoming even worse, and a multitude of storm ladders being seen brought forward, to which was added the great lack of powder and cartridges, General Charder Chan meanwhile let us know for the last time through a Portuguese captain to surrender the fortress or that upon its capture he would murder everyone; however, if one surrendered voluntarily, all Company goods would be left in the fort under proper inventory, and all Company servants and other inhabitants of Chettua who were in the fortress would be allowed to depart peacefully on his account with all their goods. Thus, for the aforementioned reasons, and because the mutiny among the men increased more and more, we were compelled to surrender the fortress on the aforementioned terms, but General Charder Chan did not keep his word in the least regarding his promise and immediately treated us as prisoners. Herewith I hope to have fulfilled your Right Honourable and highly esteemed orders and remain for the rest with the utmost respect and veneration. Beneath stood: Right Honourable High Ruling Lord; your Right Honourable's very obedient servant. Was signed: I: A: Lindtzer. In the margin: Agrees with the original. Cochim, 3 April 1777. J Schemering, H Schuet, secretaries. No 12. separate 155 Batavia, To His High Honour, The High Honourable, Right Honourable Lord Jeremias van Riemsdijk, Governor-General. Together with The Honourable Lords Councillors Of Netherlands India. High Honourable, Right Honourable, Widely Ruling Lord; And Honourable Lords. In my separate letter of 2 January of this year I had the honour to inform Your High Honours how the kings of Trevancoor and Cochim certainly

Dutch transcription

153 volk, die geburgen waeren, ziende nog al meer volkeren van de Nabab als gisteren na gissing 8: â 9000: mannen 't fortres weder naderen en battarijen opwerpen, lieten toen de moed ten eenemaal zakken en legden hunne geweeren needer, zeggende, dat 't fortres moest overgeven, dewijl de magt der vijanden al te groot is. Jk heb alle middelen in 't werk gesteld, eerst door drijgementen haare pligen voor oogen gehouden, toen ik zag dat 't niet helpen konde, dan met zagte woorden alles wat te vergeefs, dog eijn„ „delijk men zo vergebragt, dat zij die nagt gerust zouden blijven, en wel oppassen dat de vijanden in donkeren — stormderhand niet overklommen moesten, en dat men anderdaags bij den Generaal Charder Chan iemand zenden zouden ter handelinge daar door voor eerst in bedaartheid gebragt wierd Den 15: 9ber: 'smorgens voor 4. uur begon 't volk als dags te vooren waarop men toen kreijgsraad beleijde, bestaande den resident den ondergeteekende, 2. sergeants, 2: Corporaals C, 2. Gemeenen Europeezen zo mede den Bombardier en kannonier nevens den Burger zergeant, met el„ „kander over onzen droevigen omstandigheeden spreeken„ „de besloot men om 't volk, zo veel mogelijk was, tot be„ „daaren te brengen, want dat men door overgeven van 't fortres niets anders als alderhande miserie te ver„ „wagten had, 't geene men volbrogte, dog te vergeefs, 't volk bleef op haar stuk staan en begeerten absolut 't en¬ overgeven van 't fort te doen, hierop wierd goede raad duur kken, and tot den en tuij oebr bren„ gen nt volk #n schieten de n ka„ andos 8 duur men zond een burger van Ros naar Charder chan om hem te verzoeken zijne vijandelijkheeden tot zo lange tewillen staaken tot dat den Resident een briev na Cochim geschreeven en daar op 't antwoord ont„ „fangen, dog gem: van Ros quaam wederom boodschaap te dat Charder Chan niets weeten of hooren wilde, zo wij 't fortres tegens 7: uuren, niet overgeeven wilden, dat alle hij dan den Resident en andere, zonder een kind te ver„ „schoonen, zoude vermoorden; het volk dit /:dog op wat wijze ons onbekend:/ ter ooren gekomen zijnde, wierden nog meer oproeriger, en zijden dat men, zo men lan„ „ger wagten 't fortres overtegeven dat men dan zien zoude wat daarvan komen zoude; Jk zegde tegen haar datze de moed nog niet zouden laten zakken en dat men nog eens een boodschap naar CharderChan zoude zenden, waarop men koos 2: vande beste van onze sipaijs /:wijl geen Christen meer bij hem zig wou„ „de begeeven:/ om nogmaals ons voorige verzoek voor„ „teslaan en 't zelfde tewillen aanneemen, Deeze sipaijs waeren pas buijten 't fort om hun boodschap uijttevoeren of 't volk vergaderde /: bij elkanderen :/ waaronder een Europees zoldaat in naame Ephrain Franke, deed 't woord, zeggende tegen den Resident, zo indien Uw 't fortres niet ten eersten wilden overgeven, en dat wij en alle de vrouwen, kinderen vermoord worden, zo zullen wij weeten wat wij te doen hebben. Ik zegde daarop dat ^ weder en ^ twee perzoonen gezonden waaren ter accordeeren E en 8 154 Nagezien en dat zij zo lange wagten zoude tot de terug komst van haar op dat moment kwaam een van de sipaijs terug, Zeggende evengelijk als de Burger van Ros gezegt had¬ „de, het volk dus nog erger wordende, en men een mee„ „nigte van storm Latters ziende aanbrengen, waar bij gevoegt 't groot gebrek aan Kruijt en Kardoesen liet, ons intusschen de Generaal CharderChan door een Por„ „tugees-Capitain voor 't laatste weeten, om 't fortres over te geeven of dat hij bij dies inneeming alles zoude ver„ „moorden, egter zo men goedwillig overgaf dat men alle 's Comp:s goederen onder behoorlijk Notitie in 't fort zoude laaten, en alle 's Comp:s Dienaaren en andere inge„ „zeetene van Chettua die in 't fortres waaren met alle hunne Goederen gerust zijner wegens laaten gaan, zo hebben, wij om de voorschreevenen reeden, en wijl 't oproer onder 't volk hoe langer hoe meer toenam ge„ „noodzaakt geworden 't fortres op de voornoemde accor„ „datie overtegeven, maar den Generaal Charder Chan heeft in 't geheel omtrent zijn beloofte 't woord niet ge„ „houden en ons ten eersten als arrestanten behandelt Hiermeede hoop ik uw wel Edele Groot Agtb: hoog g'eerde ordre voldaan te hebben en verblijve voor 't overige met d' uijtterste Eerbied en veneratie /onderstond/ WelEdele Groot Agtbaare Hoog Gebiedende Heer; uw welEdele Groot Agtb:s zeer gehoorzaamen dienaar /:was geteekend/ I: A: Lindtzer /:in margine:/ en„ Cochim den 3. April 1777. accordeerd. S J Schemering H Schuet en secret:s N„o 12. apart 155 Batavia, Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen, Groot Achtbaaren Heer Jeremias van Riemsdijk, Gouverneur Generaal. Benevens. De wel Edele Heeren Raaden Van Nederlands India. Hoog Edele, Groot Achtbaare, Wijd gebiedende Heere; En Wel Edele Heeren. Bij Mijn aparte van den 2: Januarij deses Jaars heb ik de eer gehad uw Hoog Edelheedens te bedeelen, hoe de koningen van Trevancoor en Cochim zeker

NL-HaNA_1.04.02_3488_0346 view scan ↗

English

had a certain project and how they would address Your High Nobilities concerning it; regarding this, I was at that time only privately informed, but since then they have sounded me out on the matter. I have not committed myself on the subject, but answered all their questions in general terms, except that I assured them that if they only remain faithful on their side and show by actual proof that they lack neither earnestness nor courage, and especially when Trevancoor delivers as much pepper as he can and must deliver, that they, thus conjoined with the Company, would then experience no difficulty. And since they have seen that the Nabab could not break through, they have spoken no more of it; indeed, now seeing that affairs appear to be changing for the better, and thus their greatest fear has departed, they have now entirely abandoned that project, yet written letters to Your High Nobilities and attached presents to them, which I have the honor to present to Your High Nobilities herewith. Through secret channels I managed to discover their contents, and at last even obtained a copy thereof, which I likewise have the honor to forward herewith to Your High Nobilities. I do this so that Your High Nobilities may see to what extent I can rely on the secret channels of which I make use, and thus I request that Your High Nobilities be so good as to also send me a copy of the letters as they were received by Your High Nobilities; for according to whether I find more or less variation in them, I can then also take my measures regarding my reports and confidants. These past days a person from the Marattas was here, with a letter to the king of Cochim, and also had with him a letter for the lord of vlissingen at Nagapatnam, which he was going to deliver in person. The letter to the king of Cochim contains an announcement that they intend to subdue Heider Alichan, and an encouragement to simply be at ease; the aforesaid person also said that he had come with two others, but having been discovered by the Nabab's people, each had taken a separate road, and that those two others also carried two more letters, namely one for Jrevancoor and one for the prince of Jans Jouw. Jrevancoor has not yet received his letter, but as soon as it shall have been delivered to his Highness, I will also inquire after its contents. As much as I have been able to notice, it appears as though the Marattas, as the saying goes, are sounding the alarm bell, in order imperceptibly to draw the aforesaid native princes into their interests. One has seldom or virtually never seen Maratta emissaries here; nor do the Malabar princes, at least Jrevancoor and Cochim, have the slightest correspondence with them. The Marattas are fully as rough fellows as the Nabab is, and who, as far as the raiding and laying waste of lands is concerned, are well enough known for that. They have also, as far as I know, never yet been on this side, and thus I have secretly warned Trevancoor and Cochim to be cautious in this regard, and not to involve themselves too far with the Marattas, lest these might later also cause them trouble; just as I believe I must infer from various circumstances that the king of Cochim, or rather his prime minister the paljetter, in the year 1766 did with Nider Alijchan, when he came down this way for the first time, with a secret purpose to be restored through the Nabab's help to the possessions that were taken from him by Trevancoor since the latest contract between us and that prince, which Trevancoor, as I am informed, is also said to know, yet feigns ignorance for reasons of state; of which imprudence the Paljetter now in retrospect repents, and does not even know into what contortions he must twist himself in order on the one hand covertly to keep the Nabab as his tributary lord as a friend, and on the other hand to conceal his former intentions from us and the Trevancoor. And since the servant of the Marattas was also going to deliver the aforesaid letter addressed to the lord of vlissinge, I have informed his Honor thereof, while communicating the good advice that I deemed necessary to give to Trevancoor and Cochim. Under dates of the 3 and 16 February, there passed from Paijencherij to the north and touched here a French frigate and a ditto warship of 74 guns, without it being known with certainty what the purpose of their voyage is; the captain and officers, who back and forth

Dutch transcription

zeker project gehad hebben en hoe ze zig daar over aan uw Hoog Edelheedens zouden addressee„ „ren, hier omtrend was ik toen nog maar in 't particulier, g'informeerd, dog zedert hebben ze mij derweegens laaten possen ik hebbe mij daar om„ „trend niet uijtgelaaten, maar alle hunne vraagen in Generaale termen b'antwoord, behalven dat ik hun verseekerde, als zij aan hunne zijde maar getrouw zijn en door dadelijke bewijsen toonen, dat het hun aan geen ernst nog moed manqueerd, en inzonderheijd wanneer Trevancoor zoo veel peper leverd, als hij leveren kan, en moet, dat zij dus geconjungeerd met de Comp: dan geen swaarigheijd hebben, en 't zedert zij gesien hebben, dat de Nabab niet door„ „breeken kon, zoo hebben ze er niet meer van ge„ sprooken, Ja nu te zien, dat de zaaken ten goeden schijnen te veranderen, en dus hunne grootste vreese geweeken is, zoo hebbense nu van dat pro„ „ject ten eenemaal afgesien, egter brieven aan uw= Hoog Edelheedens geschreeven en daar bij geschen„ ken gevoegd, welke de eere hebbe uw Hoog Edel„ „heedens bij deesen aantebieden Jk hebbe door heijmelijke weegen agter den Inhoud van deselve weeten te koomen, en op 't laatst 156 laatst zelfs Copia daar van erlangt, dewelke de eere hebbe uw Hoog Edelheedens insgelijks hier nevens toeteschikken: Jk doe dit, op dat uw Hoog Edelheedens zouden kunnen zien, in hoe verre ik staat kan maaken, op de hijmelijke Canalen, waar van ik mij bedienen, en dus versoeke dat uw Hoog Edelheedens zoo goed gelieve te zijn, mij ook te doen geworden, Copia van de brieven, zoo als die bij uw Hoog Edelheedens ontvangen zijn; want na maate ik daar meer of min variatie in vinde, na maate van dien, kan ik mijne maat regulen dan ook neemen, op mijne berigten en vertrouwelingen Deeser daagen is hier een persoon van de Marattas geweest, met een briev aan den koning van Cochim, en had ook een briev bij zig voor den heer van vlissingen te Nagapatnam, dewelke hij in persoon ging bestellen. de briev aan den koning van Cochim, behelst een be„ „kentmakinge, datze voorneemens zijn. Heider Alichan te onder tebrengen, en een aanmoedi„ „ginge, om maar gerust te zijn; voorsz: persoon zijde ook, dat hij met nog twee andere gekomen was, dog door 's Nababs volk ontdekt zijnde ider s see„ ij eden den ider een aparte weg waaren ingeslaagen, en dat bij die twee andere ook nog twee brieven waaren, als een voor Jrevancoor en een voor den vorst van Jans Jouw; Jrevancoor heeft zijn brief nog niet ontvangen, dog zoo dra deselve bij zijn hoogh=t zal zijn aangebragt, dan zal ik mij ook na dies inhoud informeeren; zoo veel als ik hebbe kunnen merken, schijnt het, als of de Marattas, gelijk men zegt, de brandplok luijden, om voorsz: inlandse vorsten ongevoelig in hunne belangens te trekken. men heeft hier zelden of genoegsaam nooijt Ma„ rattase sendelingen gesien: ook hebben de mallabaar„ „se vorsten ten minsten Jrevancoor en Cochim geene minsten Correspondentie met hun; de Marattas zijn ruijm zulke ruuwe gasten, als de Nabab is, en die, wat het stroopen en verwoesten van landen aangaat, daar voor genoeg bekent zijn. ze zijn ook, zoo veel ik weet, nog nimmer aan dese kant geweest, en dus hebbe ik Trevancoor en Cochim in vertrouwen gewaarschout, om ten deesen voor„ „zigtig te zijn, en zig niet teverre met de Marattas inte laaten, op dat die hun naderhand ook geen spels mog„ „ten maaken, gelijk ik meene uijt deese en geene om„ „standigheiden temoeten opmaken, dat de koning van Cochim, of eijgentlijk zijn eerste staats minister de 157 de paljetter in 't Jaar 1766: met Nider Alijchan, toen hij voor de eerste maal dit heen afkwam, zoude gedaan hebben, met een hijmelijk oogmerk, om door 's Nababs hulpe hersteld te werden in de besittingen die hem door Trevancoor, zedert het Jongste Contract tussen ons en dien vorst, afgenomen zijn, het geen Trevancoor, zoo als ik G'informeert ben, ook zoude weeten, dog om reeden van staat ont„ „vijnst; van welke onvoorsigtigheijd de Paljetter nu van agteren berouw heeft, en zelfs niet weet in welke bogten hij zig wringen zal, om aan de eene zijde op een bedekte wijse den Nabab als zijn tri„ „but heer tot vriend te houden, en aan de andere zijde, om zijne gehad hebbende insigten voor ons en den Trevancoor teverbergen; En dewijl de bediende van de Marattas, voorsz: brief aan den heer van vlissinge gerigt, ook ging bestellen, zoo hebbe ik zijn Ed: daar van kennisse gegeven, onder Communicatie. van de goede raad, die ik gemeend hebbe aan Trevancoon en Cochim temoeten geven. Onder datis den 3: en 16: februarij, zijn van Paijen„ „cherij na de noord gepasseert en hier aangeweest een frans frequat, en een dito oorlogs schip van 74. stuk„ „ken, zonder dat men met zekerheijd weet, wat oogmerk hunne togt is: de Capitain en officiers, die om en weer an ter

NL-HaNA_1.04.02_3488_0350 view scan ↗

English

having come ashore to me again, claimed that they were sent to see whether they could find the Marathas in the fairway in order to take reprisals, because last year the Marathas had fired upon a French private ship that escaped them; yet the Marathas this time, as far as I know, have not been in the fairway. On the contrary, it is believed that they have put a person ashore at Chaul, about 8 to 9 miles south of Bombay, to go as an ambassador to the Marathas and to request a place for the establishment of a trading post on the Maratha coasts, which however still requires further confirmation. With the aforesaid frigate I have received from Pondicherry a letter from the new General and Commissioner of the Navy addressed to me and the Council, as well as another from the General addressed to me alone, of which I have the honor to present the translations herewith to Your High Nobilities; which letters have been answered in the briefest and most polite manner and roughly in that vein. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect, High Noble, Highly Esteemed, Far-Commanding Lords and Right Honorable Lords, Your High Nobilities' obedient and humble servant, was signed A: Moens. In the margin: Cochin, the 5th of May, anno 1777. Checked. SSchemering. Agrees. H Schutz, secretary. No. 13. From the King of Travancore. In the year 1774, when the Nawab Hyder Ali Khan invaded the Malabar coast and made himself master of the lands of Calicut, and subsequently undertook the journey to the lands of Cranganore, and how that prince contributed some money to the Nawab, whereby the troops of the Nawab retreated from there, I wrote to the High Government of Batavia and requested that the required assistance be sent here, to prevent the said Nawab from attacking the lands of the Honorable Company, of the King of Cochin, and of mine, as it was otherwise to be feared that he would certainly undertake something. Having written extensively about this to the Governor-General, His High Nobility answered me that he had sent the necessary orders on this matter to the Governor of Cochin, assuring me that the army of the Nawab would not invade the Malabar again. I was very pleased with the contents of the letter, but since then I have learned that the said Governor-General has passed away, and I was deeply grieved by this; but as soon as I heard that Your High Nobility has stepped forward as Governor-General, I became very rejoiced again. I have the honor to congratulate Your High Nobility on that momentous administration, and to wish you all kinds of contentment. The matter standing in this state, I heard that the army of the Nawab was ready in the month of August last to make an incursion into the lands of the King of Cochin. Notice thereof having been given by the said King of Cochin to the Governor of Cochin, His Right Honorable stated that the Honorable Company then had no forces at hand to stop the invasion of the Nawab, and I also let the King of Cochin know that my men would not take the field unless the forces of the Honorable Company marched out. Meanwhile, the army of the Nawab began to invade the lands of the King of Cochin, and thus approached close to the borders of my territory. Thereupon the King of Cochin sent an embassy to the Nawab and settled the matter by paying a certain sum of money, whereupon the troops of the Nawab turned back, but made an incursion into the lands of the Honorable Company situated at Chettuva, and attacked the fort of Cranganore, making every possible effort to cross over to the land of Vypeen. Checked. Adriaan Poolvliet. Thereupon my troops and those of the King of Cochin and the Honorable Company gathered together and ensured that the Nawab's troops did not cross over to this side, and assisted the fort of Cranganore with all the required necessities, whereby the troops of the Nawab retreated again. Shortly thereafter, however, the Nawab became master of the fort of Chettuva, and what has occurred since then here on the Coast Your High Nobility will have received detailed reports of from the Governor of Cochin. Now that the Honorable Company and the two kings are allied with one another and exert their efforts to prevent the passage of the Nawab, he is currently very furious, as I have understood indirectly. Therefore I request Your High Nobility to send the necessary forces here, so that the Nawab may not commit any further invasion into the lands of the King of Cochin, of mine, and of the Honorable Company, regarding which the King of Cochin is also writing a letter to Your High Nobility. Agrees. H Schutz, secretary.

Dutch transcription

weer aan de wal bij mij geweest zijn, gaven voor, dat ze gesonden waaren om te zien ofze de Marattas in het vaarwater konden vinden, om represailje teneemen, ter zaake dat de Marattas verleede Jaar op een frans„ particulier schip geschooten hadden, het geen hun ontzeijlt is, dog de Marattas zijn ditmaal, zoo veel ik weet, niet in 't vaarwater geweest; en tegendeel„ meent men, datse een persoon op 'sjaul, omtrend 8: â 9: mijlen bezuijden Bombaij, aan dewal geset hebben, om als ambassadeur bij de Marattas te gaan, en een plaats, tot het oprigten van een logie aan de Marattase Custen, te versoeken, het geen egter nog nadere Confirmatie vereijscht. Met voorsz: fregaut hebbe van pondicherij erlangt een briev van den nieuwen Generaal en Commissaris van de marine, aan mij en den raad gerigt, beneffens nog een van den generaal aan mij alleen gerigt, waar van de eer hebbe de Translaaten uw Hoog Edelheedens hier nevens aante„ „bieden; welke brieven op de kortste en een beloefde wijse„ en omtrend in die smaak b'antwoord zijn. Jnmiddels hebbe d' Hooge eere met demeeste eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtb: wijdgebiedende Heere en wel Edele Heeren; uw Hoog Edelheedens gesoorsame en onderdanige Dienaar 158 dienaar /:was Getekend:/ A: Moens /:in margine:/ Cochim den 5: Meij A:o 1777:— Aagezien SSchemering Accordeert H Schutz E secret:s E e n egter te wijse„ bied b:„ ge 159 N„o 13. Van den koning van Trevancoor. Jn het Jaar 1774: toen den Nabab Hijder Alijchan op de kust mallabaar is gevallen, en zig meester ge„ „maakt had van de Landen van Calicoet en vervolgens de reijse ondernomen had naar de Landen van Eran„ „ganoor, en hoe dien vorst aan den Nabab eenig geld ^door opgebragt heeft, waar ^ het volk van den Nabab van daar geretireert is, heb ik aan de hooge regering van Batavia geschreeven, en versogt de vereijschte L assistentie dit heen te zenden, om te beletten, dat gem: Nabab in de Landen van DE: Compagnie, van den koning van Cochim; en van mij niet en valt„ dat anders te dugten was, dat hij zeekerlijk iets onderneemen zoude, waar over aan den heer Generaal /:L: M: Comstandig geschreeven hebbende, heeft zijn Hoog Edelheid mij tot antwoord geschreeven, dat over die materie aan den Heer Gouverneur van Cochim het noodig bevel gesonden had, mij versekerende, dat het leeger van den Nabab niet weder op de mallabaar zoude vallen: Jk ben zeer verblijd geweest met den inhoude van de brief, dog zeedert heb ik vernoomen, dat gem: Heer Generaal is overlee„ „den en ik ben daar over zeer gevoelig geweest, maar zoo dra ik hoorde dat uw Hoog Edelheijd is opgetreeden opgetreeden als Gouverneur generaal, ben ik weder zeer verheugt geworden; jk heb d'eere uw Hoog Edelheijd met dat gewigtig bestier te filiciteeren, en toe tewenschen alle zoorten van genoegen. staande de zaak in deesen staat, hoorde ik dat het leger van den Nabab in demaand Augustus J:o Leeden klaar stond om een inval te doen in de landen van den koning van Cochim, waar van door gem: Cochimse koning kennisse aan de heer gouver„ „neur van Cochim gegeven zijnde, zeijde zijn wel Edele groot Achtb:, dat de E: Comp: toen geen magt aan handen had, om de invasie van den Nabab tegen te houden, en ik heb aan den koning van Cochim ook laaten weeten, dat mijn volk in het veld niet zoude gaan, zonder dat demagt van de E: Comp: quam op te trecken; intusschen begon het leger van den Nabab delanden van den koning van Cochim te invadeeren, en naderde dus digt aan de grensen van mijn gebied; daar op sond den koning van Cochim een gesandschap naar den Nabab en beslist de zaak door het opbrengen van zekere somma gelds, waar op het volk van den Nabab is te rug gekeert, maar deed een inval in de landen vand' E: Comp: geleegen op Chettua, en atta„ „gueerde het fort van Cranganoor, wendende alle mogelijke dilligentie aan naar het land van Baipin 1 160 Nagezien Adriaan Poolvliel Baipin te passeeren, daar op is mijn volk en dat van den koning van Cochim en de E: Comp: bij den anderen vergadert in maakte dat het Nababse volk aan deesen kant niet is overgekoomen, en assisteerde het fort van Cranganoor met alle de vereijschte benoodigtheeden, waar door het volk van den Nabab weder is terug getrocken; dog kort daar op is den Nabab meester van het fort van Chettua geworden, en wat zeedert hier C ter Custe is voorgevallen, zal uw Hoog Edelheijt om„ „standig berigt gekreegen hebben van den heer gouverneur van Cochim: Nu dat dE: Comp: en de twee koningen aan malkander g'allieert zijn, en hunne pogingen aanwenden om de passagie van den Nabab te beletten„ is hij thans heel toornig, zoo als ik van ter zijde verstaan heb, dierhalven versoeke ik uw Hoog Edel„ „heijd denodige magt dit heen te zenden, op dat den Nabab geen invasie verder nog in de landen van ^en den koning van Cochim, van mij, van d' E: Comp: komt te pleegen, welken aangaande schrijft den koning van Cochim ook een brief aan uw Hoog Edelheijd. Accordeert H Schutz secret:s ger ab den -

NL-HaNA_1.04.02_3488_0357 view scan ↗

English

161 No. 14. From the King of Cochim To our General of Batavia we send our cordial greetings, and congratulate him on his accession with the wishing of long years, and a happy reign, and the preservation of our old and good friendship. In the year 1772, when the army of the Nabab Heijder Alij Chan fell upon Mallabaar, and made himself master as far as Calicoet, and through the powerlessness of the King of Cranganoor entered the lands of that prince, he retreated from those lands without any difficulties through the wise conduct and sensible deliberation of our Honourable Mr. Moens, and in order that the power of that barbarian should not fall upon the conquests of the Honourable Company and the lands of our Crown as well as those of the ruler of Trevancoor, we requested the power of the Honourable Company, so that, joined with ours, we would be in a position to be able to resist his invasion. The answer to our aforesaid letter, which Your High Honour sent to us with the presents, was delivered to us at a time when we were in the greatest grief over the death of our predecessor; but because we saw therein the true inclination of the Honourable Company to be ever willing to help us, that grief and distress disappeared upon the receipt of that letter. The matter standing in this state, it happened in the year 1776, in the month of August, without our having given the least reason or any indications, that his army suddenly fell upon our lands. Demanding, according to his unjust manner of proceeding, a sum of money, we consulted about this with our Honourable Mr. Moens, and because the Honourable Company had no ready force to prevent him from harassing us with that unreasonable pretension, we made a decision to settle with that barbarian in the most suitable manner, and thus gain time, and not disturb the community, and not engage with his fortresses. This very same resolution we received from the King of Trevancoor, for that prince also dares not go into the field from his line without the power of the Honourable Company arriving first; and because there was no other means, we sent ambassadors to make an agreement with the Nabab. Finally it was agreed for a certain sum of money, whereupon the army retreated. But during the retreat, they marched in an unexpected manner towards the conquests of the Honourable Company, in the lands of Chettua, and arriving before the fort of Cranganoor began rapidly to fire there, and sought to pass to the lands of Baijpin. We and the King of Trevancoor stationed our troops there, and the troops of the Honourable Company that were in the city of Cochim were also sent thither. We constructed the necessary fortifications at Nijcotte, and thus prevented his intention, likewise sending the required necessities to the fort of Cranganoor. Seeing this, he retreated and encamped somewhat further away; and of what has occurred since, Your High Honour will obtain information from the letters of our Honourable Mr. Moens. 162 The union of these two crowns with the Honourable Company and the brave conduct of our Honourable Mr. Moens have until present prevented him from advancing any further, and in order to achieve his objective he has practiced various stratagems to provoke some disagreements among the three allies, which hitherto has had no effect. We expect from the great power of the Honourable Company that the Nabab will not dare to molest the conquests of the Honourable Company, nor our lands and those of the King of Trevancoor, about which the aforesaid King also writes to Your High Honour at present. Agrees, H Schutt Secretary No 15. 163 To the Lord Governor and Council of Cochim. His Most Christian Majesty having chosen us to succeed Mr. Law de Lauriston, Commander General and authoritative Commissioner General of the Navy in the French establishments in India, each in that which concerns us, has also been pleased to appoint us as his Commissioners to enter into negotiations with the Commissioners of the European powers who have possessions in India, in order to decide, in the name of His Majesty, the disputes that already exist, or might yet arise, between the rulers of his possessions and the said powers, to secure the freedom of commerce in Asia for his subjects, to maintain the rights and privileges of the French nation, and to make all arrangements that shall appear necessary to us to preserve, according to the desire of His Majesty, peace and unity with all nations. We arrived here on the 9th of this month, Gentlemen! Translation of a French letter written at Pondicherij, the 15th of January, Anno 1777. Examined and recognized in the aforesaid capacities, we confine ourselves for the present, Gentlemen, to informing you hereof and assuring you that, in all that shall occur between us regarding the commission with which His Majesty has been pleased to honour us, we shall always be inspired by the spirit of the most complete union and of the unfeigned desire to convince Your Honours of the sentiments with which we have the honour to be, below was written: Gentlemen, your very humble and obedient servants, was signed: Bellecombe, Chevreau, J H Eversdijck. Agrees, H Schutz Secretary

Dutch transcription

161 N„o. 14. Van den koning van Cochim Aan onsen Generaal van Batavia senden wij onse hertelijke Groetenisse, en filiciteeren met desselfs optreeding met toewensching van lange Iaaren, en geluckige Regeering, en conservatie van onse oude en goede vriendschap. In het Jaar 1772: het leger van den Nabab Heijder Alij Chan op Mallabaar vallende, en zig meester makende tot op Calicoet, en door de kragteloosheijd van den Koning van Oranganoor in de landen van dien vorst komende, is elen selven door twijs beleijd, en verstandig overleg van onsen Edel Heer Moens uijt die landen geretireert sonder eenige moeije„ „lijkheeden, en op dat de magt van dien barbaar in de Conquesten van de E Comp: en de landen van onse Kroon als meede die van den Trevancoorder niet zoude vallen, hebben wij verzogt de magt van dE Comp:, op dat deselve met de onse geconjungeert wij in staat zoude wesen, zijne Jnvasie te konnen tegen hou„ „den; het antwoord op voorm: onse brief, die Uu Hoog Edelheijd ons met de presenten Gesonden heeft, is ons besteld in een tijd toen wij in de grootste droefheijd waren over de dood van onse antecesseur, dog dewijl wij daar in zagen de waare gene„ „gentheijd van d'E Comp: om ons altoos tewillen helpen, soo is die droefheijd en benauwdheijd met den ontfangst van die briev verdweenen. Staande de zaak in desen staat, gebeurde het in het Jaar 1776: in de maand Augustus, sonder dat wij eenige deminste redenen nog eenige Jndiciën gegeven te hebben, dat dat zijn leeger subit in onse landen is gevallen. Eijsschende, naar zijne onregtvaardige handelwijze, een somma gelds., wij hebben daar over met onsen Edel Heer Moens geconsulteert, en dewijl d'E Comp: geen gereede magt had om tegen te houden, dat hij ons niet quelde met die onbillijke pretentie, hebben wij een besluijt genomen om op de best voegelijkste wijze met die barbaar te concludeeren, en dus tijd tewinnen, en de gemeente niet te ontrusten, en met zijne fortressen niet vast te maken; dese eijgenste resolutie hebben wij bekomen van den Koning van Prevancoor, want dien vorst durft ook van zijne linie niet in het veld gaan, sonder dat de magt van dE Comp: eerst komt, en dewijl er geen ander middel was, hebben wij Ambassadeurs gezonden om een accoord met den Nabab temaken, Eijndelijk is het g'accordeert voorzeker somma gelds, als wanneer het leger is geretireerd, dog bij de retirade sloeg men demarsch op een onverwagte wijse naar de conquesten van d'EComp:, in de landen van Chettua, en komende voor het foet Cranganoor begon daar snel te vuuren, en sogte naar de landen van Baijpin te passee„ „ren, wij en den Koning van Trevancoor stelden daar onse troupes, en de troupes van dEComp: die in de stad Cochim waren, zijn daar ook na toe gesonden, wij maakten op Nijcotte, de noodige fortificatien, en verhinderden dus zijne Jntentie sendende insgelijx de vereijschte benodigtheeden naar 't fort Cranganoor, zulx ziende, is hij geretireert; en zig wat ver„ „der neder gezet, en wat er zeedert is voorgevallen zal uw Hoog Edelheijd Jnformatie bekomen bij de brieven van onsen Edel Heer Moens. DE 162 De unie van deze twee kroonen met dE Comp: en het dapper beleijd van onsen Edel Heer Moens, hebben tot apresent belet, dat hij niet verder is g'advanceert en om zijn doelwit te berijken heeft hij verscheijde listen gepractiseert om eenige meenigheeden te verwecken tussen de drie g'allieerdens, 't geen tot nog toe geen Effect gesorteert heeft. wij verwagten op de groote magt van dE Comp: dat den Nabab niet sal durven de conquesten van d'EComp. nog de landen van ons en den koning van Trevancoor mollesteeren, waar over den koning voorm: aan UW: Hoog Edelheijd thans ook schrijft. Accordeert H Schutt secret:s rt, den, ben t vast van e sult was, met zeker bij s a, assee„ onsen e, te ieven agt N„o 15. 163 Aan den Heere Gouverneur en Raadje Cochim. zijne allerchristelijkste majesteit ons g'eligeert hebbende, om den heer Lau Dehauriston Comman„ „dant generaal en gesaghebbend Commissaris generaal van de marienie in de fransche Etablissementen in Jndiën, op tevolgen, ijder in het geene wat ons aangaat heeft ons ook wel willen benoemen, tot zijne Com„ „missarissen om in onderhandeling te treeden met de Commissarissen der Europeesche mogendheeden die in Jndiën besittingen hebben ten eijnde in de naam van zijne majesteit te beslissen, de verschillen die bereets„ plaats hebben, of nog zouden kunnen onstaan tus„ „schen de gebieders zijner besittingen en den gemelde mogentheeden, de vrijheijd van Commercie in azie aan zijne onderdaanen te versekeren, de regten en privilegies der fransche naties te handhaven, en alle beschikkingen temaaken, die ons noodzake„ „lijk zullen scheijnen, om naar de begeerte zijner ma„ „Jesteit, vreede en eenigheijd met alle naties te onder houden: wij zijn den 9:' deeser maand hier aangekomen Mijne Heeren! Translaat van een Fransche brief Geschreeven te Pondicherij den 15: Janu„ „arij A:o 1777:— en 5 Nagezien en in voormelde qualiteijten erkend wij bepalen ons voor het tegenwoordige u mijne Heeren. hier van kennis te geeven en te versekeren, dat in al wat tusschen ons zal voorkoomen, ten opsigte van de Commissie, waar meede zijne majesteijt ons wel heeft willen vereeren, wij altoos bezielt zullen weesen door den geest der volkomenste vereeniging en der ongeveijnsde begeerte, VEd: te overtuijgen van de gevoelens, waar meede wij de eer hebben te zijn /:onder„ „stond:/ Mijne Heeren vw zeer nedrige en gehoor„ „saame dienaaren /was Get:/ Bellecombe, Cherrean J H„ Eversdijck Accordeert H Schutz secret:s heeft den

← previousnext →