VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3500

Japan · 1,446 pages · 247 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3500_0005 view scan ↗

English

Secret Letters and Appendices successively received from Maccassar 1777. La A: part A 5 : 1 Secret Letters and Appendices received Maccassar To his High Nobility etc. Having lived in the hope of soon being able to render a report to your High Nobilities on the general condition of this Government, we find ourselves, with the deepest sorrow, obliged dutifully to give notice to the same by this express of the perilous and alarming circumstances in which we have fallen since only a few days, through the altogether incomprehensibly rapid advances of Bercke Letters and Appendices received Maccassar Secret To his High Nobility etc. Having lived in the hope of soon being able to render a report to your High Nobilities on the general condition of this Government, we find ourselves, with the deepest sorrow, obliged dutifully to give notice to the same by this express of the perilous and alarming circumstances in which we have fallen since only a few days, through the altogether incomprehensibly rapid advances of of 1 From Maccassar 11 May Ao 1748: of a certain rebel, who, passing himself off as the former or deposed King of Goa and having been acknowledged as such by Kroe Palacca, grandmother of the last-mentioned Prince, first appeared in the month of November last in the southern province of Poelembankeeng, attacked the chief interpreter there, though with an outcome very fortunate for us, and subsequently moved to a Bonian settlement located there; but having reappeared shortly thereafter, upon the showing of a detachment sent thither composed of Europeans, Malays, and other subjects reinforced with various peoples from Goa and Boni, retreated to the Borisalo mountains under the territory of Goa, without this court having made the least effort to cause him to move from there, or rather to destroy him entirely (as one might reasonably have expected, given the meager following that had remained with him at that time), despite the serious admonitions made thereto by the first undersigned, which have always been answered with mere promises From Maccassar 14 May 1777. promises and requests for postponement, until the rebel on the 7th of this month once again emerged from his hiding place with an extraordinary force of people, approached right before Goa on that same day, yet without doing any harm there, descended directly to the Northern province, and after practically all subjects and the Bonians living there had submitted to him, partly out of sheer fear and partly because he managed to persuade them by cunning, he overwhelmed on the 12th following the Post of Maars, which could thus no longer obtain the least assistance, and thus brought that entire province into his power. Through which fatal misfortune, and since it is furthermore fully evident that all of Tello and the greatest part, if not practically all, of the Macassars are devoted to him, we find ourselves stripped of all help and assistance from any of those allies, except only for the Bonians present here, From Maccassar 15 May 1777. Bonians upon whom little reliance can also be placed, in the utmost distress and perplexity, the more so because the enemy (who openly pretends to be targeting only the Company), with his entire force and equipped with the artillery and ammunition from the captured post, having encamped barely three quarters of an hour from here in the territory of Tello, is daily expected before the settlement of Vlaardingen and the Castle, against which we keep ourselves well prepared through good order established in all things that can serve for resistance, yet feel our anxiety little diminished, on account of our small force of both military personnel and citizens, or rather all Christians, and because the Malays, Chinese, and peranakan, the only ones in whom some trust may still be placed, are also too small in number to offer daring resistance, so that, if Heaven does not mercifully prevent it and the enemy indeed advances upon us, one may well consider the settlement of Vlaardingen lost, and we will have work to do From Maccassar 15 May 1777 to defend the Castle, especially because of the danger of fire through arson, which will undoubtedly be the first work, as the proximity of the settlement to the Castle will constitute the very greatest danger. In this distress, having judged what in our expectation must for now be the best means for our preservation, we have seen fit to send the Residents of Boelecomba and Saleijer several copies of an ordinance for delivery to the commanders of the ships soon expected in these waters from the eastern provinces, whereby they are ordered to direct their bows hither and sail to this roadstead, as well as to allow no citizen vessels to depart elsewhere for the present, in order to keep the force together as much as possible, all of which we hope may meet with the honored approval of your High Nobilities, whom, for the rest, we not only still humbly beseech to equip us with. 5

Dutch transcription

Secreete Brieven en Bijlagen successive ontvangen van Maccassar 1777. La A: deel A 5 : 1 Secreete Brieven en Bijlagen ontvangen succussar Aan zijn Hoog Edelheid enz. In hoope geleeft hebbende van uw Hoog Edelhee„ dens eerlange verslag te zullen kunnen doen van den Generalen treestand dezes Gouvernements, vin„ den wij ons met het innigste leedweesen verpligt Hoogst dezelve bij deeze bij deeze expresse, schuld„ pligtig kennisse te geeven, van de pericileuse en sorgelijke omstandigheid in welke wij zee„ „dert maar weijnige dagen zijn geraakt, door de allezints onbegrijpelijke spoedige progressen van Bercke Brieven en Bijlagen ontvangen Maccassar Secreete Aan zijn Hoog Edelheid enz. In hoope geleeft hebbende van uw Hoog Edelhee„ denss eerlange verslag te zullen kunnen doen van den Generalen toestand dezes Gouvernements, vin„ den wij ons met het innigste leedweesen verpligt Hoogst dezelve bij deeze bij deeze expresse, schuld„ perslegtig kennisse te geeven, van de pericileuse en sorgelijke omstandigheid in welke wij zee„ „dert maar weijnige dagen zijn geraakt, door de allezints onbegrijpelijke spoedige progressen van van 1 Van Maccassar Den 11„ Maij Ao 1748: van zeeker Rebel, die zig voor den geweesen of gereligeerde Koning van Poa uijt geevende en daar voor door Hroe Palacca groot moeder van den laast gen: Prins erkend geworden zijnde, in de maand November laast loe„ den eerst in de zuijder provintie Poelembankeeng verloond, den oppertolk aldaar, egter met een voor ons zeer geluccigen uijtslag aangetast en vervol„ gen na een daar geleegen Bonijse negorij begeeven hoeft, dog kort daar aen woeder te voorschijn gekoo„ men weesende, op de vertooning van een derwaarts gezonde Commanda van Europeesen, maleijers en andere onderdaanen gesterkt met verschijde vol„ keren van Goa en Borij na het gebergte borisalo onder het goas gebied geweeken is, sonder dat dit hoff de minste bevroeginge heeft gemaakt om hem van daar te doen verhuijsen af liever geheel te verdelge /: zo als men billijk hadde verwagt, mits zijn hem doenmaals bij gebleeven geringen aan„ hang:) en des Eerst geteekendens daar toe gedane ernstige aanmaeningen, die altoos met enkele be„ lofte Van Maccassar Den 14: Maij 1777. loften in versoeken van uijtstel zijn beantwoord tot zo lange dat den Rebel den 7: hujul andermaal met een ongemeene magt van volk uijt zijn schuijl hoek voor den dag gekoomen, ten zelven dage vlak voor Goa genadert, dog zonder daar eenig kwaad uijt tevoeren, Direct naar de Noorder provintie afge„ zakt is, en na dat genoegzaam alle onderdaanen en de daar woonende bonijers zig deels uijt en kale vreedde en deels om dat hij dezelve door list daar toe heeft weeten te beweegen, onder hem gesubmitteert hadden de Post Maars die dues geen de mins„ te assistentie meer krijgen konde den 12: daar aan overrompeld en dus die geheel pro„ vintie in zijn geweld gekreegen heeft. Door welk fataal den geluk en dat daar benevens volkoomen blijkt dat, geheel Tello en het groot„ ste gedeelt zo niet genoegzaam ook alle Ma„ cassaaren hem zijn toegedaan, wij tant van alle hulpen bijstand van een dier bondgenoo„ ten behalven alleen van de hier zijnde boniers. Van Maccassar Den 15: Maij. 1777. boniers op wien ook wijnig staat te maaken is ontbloat, ons in de uijterste kommeren verleegent„ heid bevinden, te meere den vijand /:die opentlijk voor„ geeft het alleen op de Comp gemunt te hebben:/ met zijn gantsch magt en voorzien van het geschut en ammunitie van de overrompelde post zig nauwlijkt drie quartier uur van hier in het Del„ loese gebied neder geslagen hebbende, dagelijks voor„ de negorij vlaardingen en het Castoel verwagt word, waar teegen wij ons door een goede ordre op allet geesteld wat tot reststentie dienende kan wel ge„ reed houden, maar egter onse bekommering weij„ nig verminderd gevoelen, ter zake van onse geringe magt zo aan militairen als burgers dan wel alle Christenen, en dat de maleijers Chinee„ se en parnakaners de eenigste, waar op nog ee„ nig vertrouwen mogen stellen, meede te gering en getal zijnde waglige teegenstand te beiden in voe„ gen men bij aldien den Hemel het niet genadig verhoede en de vijand werkelijk op ons afkomt, de Negorij vlaardingen wel verlooren magagten en werk zullen vinden Van Maccassar Den 15 Maij 1777 vinden om het Casteel te bescheamen, voor al om het gevaar van het vuur door brandstigting dat ongetwiff„ feld het eerste werk weezen om de nabijheyd van de nogorij bij het Casstoel het aller grootste gevaar uijt ma„ ken zal. In deeszer Wood, hebben wij als onses vragting voor eerst het best middel ter onser behoudenisse geagtmoe„ tende worden, goed gevonden de Ressidenten van Boelecomba en Saleijer eenige afschriften van een ordonnantie toe te zenden ter bestelling aan de overheeden der scheepen die van d' oostersche provintien eerlange in dit vaarwater verwagt wor„ den waar bij huen gelast woad den steeven dit heen te wenden en deese rheede te bezeijlen, mitsgaders om voor eerst geen burger vaartuigen na elders te laeten vertrecken, om de magt zo veel mogelijk bij elkander te houden, al het welke wij hoopen dat uw Hoog Edelheedens g'eerde goedkeuring zal mogen wegdragen die wij voor het overige niet al„ leen nog ootmoedig smaaken ons te munieeren met. 5

NL-HaNA_1.04.02_3500_0018 view scan ↗

English

From Maccasssar the 25th of May 1777: with their Honors' esteemed orders and wise counsel, but that there may also be sent to us with the utmost speed such relief of ships, vessels, and men as Your Right Honors shall deem necessary, and furthermore that means to that end may be put into operation as soon as practicable, while we shall not fail, in case all this should not be necessary due to a fortunate turn of affairs—for which, under the pleading and expectation of God's precious blessing, we shall exert every effort—to inform Your Right Honors thereof at the very earliest, according to our heartfelt wish and prayer, which we also pour out sincerely for Your Right Honors' illustrious persons and the important interests of the Company, under the most upright assurance that we remain ever, with the deepest respect and due veneration, below stood: Right Honorable, Highly Esteemed, Severe, Widely Commanding Lords and Right Honorable, Severe Lords, lower: Your Right Honors' humble and faithfully bound servants, was signed: P: P: Vander voort, B: Rijke, I: Dieterick, I: Raket, C: kraane, R Hougue, Rossele, beside stood: Maccasser in Castle Rotterdam the 15th of May 1777. From Maccasser the Wednesday the 14th of May in the year 1777, in the afternoon at four o'clock. Meeting. Absent: The titular merchant and Shahbandar Jan Hendrik Voll due to indisposition. After prayer, the Governor made known to the meeting that the perilous circumstances in which we find ourselves, through the rebel Sankilang, who poses as the King of Goa banished to Ceylon by Their Right Honors, has already overpowered the post of Maros and subjugated that entire province to himself, indeed demands that the necessary provision be made and precautions taken in order to oppose him as much as possible, he having already settled not far from here in the territory of Tello, and to protect ourselves here, the more so because we had all princes against us and no loyal subjects upon whom the least reliance could be placed, since they have all defected to the said rebel, so that we, with our small garrison, meager number of able-bodied inhabitants, and the Malays who have remained loyal thus far, in the event of an attack, which was to be expected at any moment, would have work enough to defend the Castle and the settlement of Vlaardingen; that his Honor had thus far indeed employed all humanly possible means to oppose and ward them off, as his Honor trusted that all the members would have seen and not be ignorant of; but that nevertheless circumstances now demanded that other means be employed for the preservation of the Company's further possessions on this coast, and so many people who otherwise, in this dangerous time, might be sacrificed to the vengeful fire of the enemy that we had all around us; proposing to that end that, because the ships that are to depart shortly from the Eastern Provinces for Batavia must pass within sight of Bonthain and Saleyer, the commanders of those vessels be ordered, by a written ordinance signed by the entire council, stating the reasons moving us thereto, to turn their course directly hither and come to our assistance in these roads, notwithstanding any contrary or contradictory orders they might have of whatever kind, with the assurance for their peace of mind that we take the accountability thereof to Their Right Honors upon our own account, and conversely, in the event of refusal or disobedience, leave the consequences that might sometimes result therefrom to their accountability; and furthermore to send four copies of the ordinances to each of the residents of Boelecomba and Saleyer, with the recommendation above all to ensure that they are delivered to the aforementioned ships passing there, even if they themselves should also fall into some difficulty, as was to be feared, and to keep the matter strictly secret; just as all members were also most earnestly enjoined. This having been deliberated upon, and considering that this is the only means currently at hand to obtain any prompt relief in order, if possible with God's help, to keep the enemy away from the Castle here and to drive him off, it was unanimously approved and agreed to accept this proposal as well as the further points proposed by his Honor, to dispatch a vessel to Batavia without delay, and to inform Their Right Honors both of this arrangement and of our condition and request adequate relief, as well as not to permit any civilian vessels to depart from here for elsewhere for the time being, but to detain them all until the circumstances of the times shall assume a better aspect. Furthermore, after review, a letter to the Residents of Boelecomba and Saleyer and the aforesaid ordinance along with eight copies thereof were approved and signed, below stood: Thus resolved in Macasser in Castle Rotterdam on the date aforesaid, was signed: P: G: van der Voort, P-s Reijke, J-s Dieterich, Js Raket, C-s Kraane secretary, R: Hougue, and A-n Rosselet, below stood: Agrees, was signed: C: Kraane secretary. To

Dutch transcription

Van Maccasssar Den 25:' Maij 1777: met hoog derselver g' Eerde ordre en wijze raad, maar dat ons ook ten aller spoedigste sodanig ontzet van scheepen vaartuigen en volk mag werden toegezonden als uw Hoog Edelheedens zullen noodig oordeelen, mitsga„ derst dat daar tee so spoedig doenlijk middelen mogen worden in't werk gesteld, terwijl wij niet ingebreeke zullen blijven om ingevalle het een en ander niet noo„ dig mogte weesen, door een gelukkige omkeering van zaaken waar toe wij onder afsmeeking en verwagting van godes dierbaaren zeegen alle devoierens zullen aan wenden uw Hoog Edelheedens als daar van ook ten aller eersten te verwettigen naar onsen hert„ grondigen wensch en beide, die wij ook hertelijk uijt„ storten over uw Hoog Edelheedens solutre persoo„ nen en de gewigtige belangen der maatschappij onder de oprogste verseekering, dat wij met de diepste eerbied en verschuldigde veneratie steeds blijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbare Gestrenge wijd gebiedende Heere en Wel Edele Gestrenge Heeren /: lager:/ uw Hoog Edelheed=s onderdanige en Trouw schuldige Dienaaren /:was geteekend:/ P: P: Vander voort, B: Rijke, I: Dieterick. I: Raket, . . . - „ C: kraane, R Hougue, Rossele, /ter zijde stond:/ Maccasser In 't Casteel Rotterdam den 15 Maij 1777: van Maccasser den Woensdag den 14. - Maij Ao 1777. — des na de middags ten vier uuren Vergadering absent Den koopman titulair en Sabandhaar Jan Hend=k voll door indispositie. Na het gebed, wierd door den Heer Gouverneur de Vergadering te kennen gegeven, dat de pricileuse omstan„ digheeden daar wij ons in bevinden, door den Rebel Sankilang die zig voor den door Haar Hoog Edelheedens naar Ceilon gerelegeer„ den Koning van Goa uijtgeeft, de post Ma„ ros bereeds overmeesterd en die geheele Provintie aan zig onderworpen heeft, wel vordende, om de noodige voorsiening te doen, en voorzorge te gebruijken ten einde hem die zig be„ reeds niet verre van hier op het gebied van Tello needer geslagen had zo veel mogelijk teegen te gaan, en ons hier te beschermen, te meer daar wij alle Vorsten teegen en geene getrouwe onderdaanen daar de minste staat op te maaken is, meer hadden alzo dezelve alle tot ged=e Rebel over„ geloopen zijnde, wij met ons kleen guarnisoen van Maccasser den guarnisoen, gering getal weerbaare Jnge„ zeetene, en de tot dus verre nog getrouw ge„ bleevene Maleijers, bij een aan val, die men alle oogenblicken diende te ver wagten, werk genoeg zoude hebben om het Casteel en de Negorij vlaardingen te beschermen, dat zijn wel Edele agtbaare tot dus verre wel alle mensch moge„ lijke middelen tot teegengang en afweering van dezelve in het werk gesteld hadde zo als zijn wel Edele Achtbaare vertrouw„ de dat de gezamentlijke leeden zou den hebben gezien en daar van niet Jgnorant zijn; maar dat des niet te min de omstandigheeden thans vorderde om andere middelen in het werk te stellen tot behouwd van 'sComp=s verdere bezittingen te deezer Custe, en zo veele menschen die anders in deze dangereuse tijd aan het wraak vuur van den vijand, die wij rondsom hadden soude kunnen werden opgeofferd; ten dien eijnde proponeerende, om de wijl de schee„ pen die uit de Oostersche provintien binnen korten na Batavia staan te vertrekken, in het gezigt van bonthain en saleijn moeten loopen, de overheeden van die bodems 6 9 van Maccasser den bodems, bij eene door den geheelen raad ge„ teekende schriftelijke ordonnantie, onder te konnen gave van de reedenen ons daar toe moveerende, te gelasten om den steeven direct herwaarts te wenden, en tot onze adsisten„ tie ter dezer Rheede te koomen, niet tee„ genstaande zij Contrarie, ofte daar tegenstrijdi„ ge ordre hoe ook genaamt mogten hebben, met verzeekering tot haarlieder gerust stelling dat wij de verantwoording daar van aan Haar Hoog Edelheedens voor onze reekening neemen, en in teegendeel bij weijgering of disobedientie de gevolgen die daar uit Somwijlen zoude kunnen resulteeren laaten voor haarlieder verantwoording en voorts om de residenten van Boelacomba en Saleijer ider vier stuks van de ordonnantien toe te zenden, met recommandatie, om voor al te zorgen dat dezelve aan de zelve aan de voormelde daar passeerende scheepen worden afgegeven, alwaare het ook dat zij meede in enige ongeleegenheid, zo als te dugten was, mogte geraken, en het een en ander ten uijter„ sten secreet te houden; gelijk de gezamentlijke Leeden mede ten ernstigste aanbevoolen wierd. Hier over gedelibereerd, en in aanmerking gekoomen wezende dat dit het enigste middel is, dat men tans aan handen heeft tot het bekoomen van enig spoedig ontzet, om waare het mogelijk met Gods hulp den vijand hier van het Casteel te van Maccasser den te weeren, en te verdrijven. zo is unanim goedgevonden en verstaan die voor„ stel, zo wel te amplecteeren als het verder door zijn wel Edele Agtb: geproponeerde, in instelle een vaartuijg na Batavia te zenden, en Haar Hoog Edelheedens zo wel van deze schikking, als onzen toestand kennisse te geeven en een voldoenend ontzet te verzoeken mits„ gaders om geene burger vaartuijgen voor eerst van hier na elders te laten ver„ trekken, maar dezelve alle aan te houden tot de tijds omstandigheeden van eene beeteren aanschouw zullen Voorts is na resumptie geapprobeerd een briefje aan de Residenten van Boelecomba, en Saleijer ende voorsz: ordonnantie mitsg=s agt afschriften daar van getee kend /:onderstond:/ Aldus geresolveert tot Macasser Jn't Casteel Rotterdam dato voorsz: /was geteekend:/ P: G: van der Voort, P=s Reijke J=s Dieterich, Js„ Raket - - - - C=s kraane secret=s R: Hougue, en A=n Rosselet /:onderstond:/ Accordeert /was getekend:/ C: Kraane sec=s Aan zijn.

NL-HaNA_1.04.02_3500_0023 view scan ↗

English

To His High Excellency In the precarious circumstances in which we found ourselves on the day of the drafting of our letter now attached hereto, having employed all means to curb, under God's blessing, our powerful but cunning and dangerous enemies in their further undertakings and to do them all possible harm, I deemed it not advisable to hasten its dispatch before any success had been seen from it, particularly in order not to plunge Your High Excellencies into the utmost anxiety and perplexity by too great a precipitateness, nor to cause an extraordinary consternation to arise at Batavia, which undoubtedly would have been expected from the verbal accounts of the messengers. From Maccassar, The 15th of June 1737: verbal accounts of the messengers would have been expected. The affairs having already visibly changed in appearance through God's goodness and precious blessing upon the aforementioned measures, I now respectfully present the aforementioned letter to Your High Excellencies with this one, which I simultaneously direct to give Your High Excellencies a somewhat more detailed report of the beginning and progress of this dangerous rebellion or—to call it by its right name—abominable, treacherous, and godless treason by Arou Palacca and her large following, both among the dissembling Macassarese and Tellonese, as well as even among the Bonians, which had no less an objective than the destruction of everything that was Christian, for which that bloodthirsty and vengeful woman already testified to long nine years ago, wishing to be permitted once more to wash her hands in European blood. To come to the matter then, I report in the first place From Maccassar, The 15th of June 1777: place how the chief interpreter Brugman, having departed on the 9th of November last to the southern province of Poelembankeeng to settle some disputes among the subjects, let us know on the 11th thereafter that upon his arrival there he had learned that a certain slave of the Bonian Prince Arou Pateempe, named Sankilang, had fled from this master of his, who had bought him about a year ago on Passier, and passed himself off as the former king of Goa who had been relegated to Ceylon; and how he had immediately gained not only a considerable following from the village peoples, but also sought to lure all others to himself through promises and threats; requesting my orders regarding him, which I sent to him on the same day, instructing him to gather the Company's subjects as soon as possible, to seek out the rebel, and to attack him, in order to get him into his hands, dead or alive. Whereupon From Maccassar, The 15th of June 1777. upon I received report again on the 14th that before the subjects had arrived, the rebel had unexpectedly attacked Brugman with a number of about three hundred men; nevertheless with this fortunate outcome for us, that despite having only fifty men with him, he had put him to flight with the loss of seventeen dead; whereby the largest part of his following having deserted him, he had retreated with no more than roughly twenty men to a certain Bonian village, Barana. Upon which report I deemed it most advisable to make no further stir, but to treat the matter outwardly with indifference; the more so because without the consent of the Bonian grandees of the realm who were present here at the time, it would not have been possible to occupy that village, and if one wished to inform them of it, the vagabond would immediately get knowledge thereof and thus find means enough to escape; besides that From Maccassar, The 15th of June 1777. that a great commotion was to be expected from it, since everyone would have been even more confirmed in the notion that he truly was the former king of Goa. Nevertheless, I quietly paid a visit to the king of Goa in order to dispose him to make his best efforts to get the vagabond into his hands, dead or alive, regarding which he indeed promised me to speak with his grandees of the realm, but the result of which has consisted only in excusatory answers; until after a month's stay at Barana—during which time the Macassarese princes belonging to the Bonian court, Arou Mampoe, the last deposed king of Goa, along with the Craings Candjilo and Sapana often visited him, as later on did Arou Palacka herself and Craing Bellasarie, who all likewise stayed with him—that rebel having come forth, I From Maccassar, The 15th of June 1777: I subsequently persuaded the Macassarese and Bonians to have him attacked by force of arms, so that our troops accordingly departed thither; upon whose appearance he nevertheless, on the one hand due to the numerical strength of the Bonians and on the other hand undoubtedly due to the Macassarese disinclination to capture him, took to flight, having broken through the force of the latter and proceeded to the Borisallo mountains under the Goa territory; from which point in time I indeed urged the king and grandees of the realm in the most earnest manner to have him pursued and attacked, as they also continually made good promises thereto, but the result of which likewise failed to materialize, until I, together with the Bonian grandees of the realm present here, sent commissioners from both sides thither, in order to further insist thereon.

Dutch transcription

11 Aan zijn Hoog Edelheid In de zorgelijke omstandigheden, waar in wij ons ten dage der instellinge van ons thans hier nevens gevoegd wordend briefje, bevonden, doets middelen in het werk gesteld hebbende, om onse magtige dog lis„ tiger en gevaarlijke vijanden onder Godes zegen in haere verdere onderneemingen te sluijten, en alle mogelijke afbreuk te doen, oordeelde ik niet geraden dies afsending te verhaasten, voor en al eer men daar van eenig succes zoude hebben gezien, in sonderheijd om uw Hoog Edelhedens door een al te groote voorbarigheijd niet in d' uijter„ ste bekommeringe en verlegentheijd te brengen, nog op Batavia een ongemeene Consternatie te doen ontstaan, die onge twijffeld uijt de mondelingen Van Maccassar Den 15: Iunij 1737: mondelinges voorhaelen der overbrengers te verwagten zoude zin gewoeest, De zaeken door Pod Boedheyd en dierbaaren ze, gen over de voorschreeven martregulen reets-meake„ lijk van gedaante veranderd zijnde, beide ik uw Hoog Edelheedens het voormelde briefje thans eer„ biedig aan, bij deesen, die ik teffens rigte om uw Hoog Edelhedens een weijnig omstandiger verslag te doen van het begin en voortgang van dens gevaarlijken opstand op /: om het met zijn regten naam te noe„ men :/ gesmood gauwelijk en Pod vergeeten verraad door Arou Palacca en haaren grooten aanhang, zo onder de geveijnsde Macassaaren en Tellonee„ sen, als ook zelfs onder de Boniers, niet minder ten doel gehad hebbende als de verdelging van al wat Chresten was, waar na die bloed doostige en Wraak zugtige vrouw reets voor negens Jaaren, be„ tuijgd heeft te verlangen en om haar kanden nog eens te mogen waesschen in Eeuropeesch bloed. Om dan ter zaeke te komen melde ik van vankke lijk 13 Van Maccassar Den 15 Iunij 1777: lijk hoo den oppertolk Brugman den 9:e Novem„ ber Laastleeden na de zuyder provintie Poelem„ bankeeng vertrocken, ter afdoening van eenige geschillen onder de onderdaanen, wij den 11„e daar aan, weeten liet bij zijn komst aldaar vernomen te hebben dat zeekere slaaf van den Bonijs Prins Arou Pateempe met naeme Sankilang„ van deesen zijnen meester die hem omtrend een Jaar geleeden op Passier hadde gekogt, gevlugt was en zig uijtgaf voor de geweesen koning van Goa, die na Ceijlon iet gerelegeerd,, en hoe den selven aanstonds niet alleen een merkelij„ ke aanhang uijt de negorijt volkeren gekreegen hadde, waar ook alle anderen door beloften en bedreijgingen tot zig togt te locken, mijne or„ die omtrend den zelven verzoekende, die ik hem ten selven dage toezond, houdende om ten eers„ ten 's Comp„s onderdaenen te verzoemelen, den Rebel op te zoeken en aan te laasten, ten einde hem dood af levendig inhanden te krijgen, waar op Van Maccassar Den 15: Iunij 1777. op ik den 14:e weeder berigt ontfing dat den Rebel, eer d' onderdaanen gekomen waaren hem Brugman op het onverwagts hadde aangelast, met een getal van Circa drie honderd koppen, nogthans met dit geluckig gevolg voor ons dat hij niet Jegenstaande maar vijf„ tig man bij zig gehad hebbende den zelven op de vlugt hadde geslagen met verlies van seventien dooden, waar door het grootste gedeelte van zijn aans„ hang hem verlaten hebbende den selven met niet meer daer ruijens twintig koppens na zeekere Bo„ nijse negorij Barana geweeken was, op welk berigt ik raadsaamst oordeelde geen verdere bes„ woeging te moeten maeken maar de zaak om het uijterlijke onverscheldig te tractenr, te meer het sonder toe stemming der doenmaals hier geweest zijnde Bonijse Rijkes grootens niet doenlijk zou„ de geweest zijn die negorij te bezetten, en men haar daar in willende kennen den swerver daar van aanstonds kennisse krijgen en dus middels genoeg vinden soude om te ontvlugten, behalven dat 9 15 Van Maccassar Den 15: Iunij 1777. dat daar uijt een groote op schudding te wagten was vermits een ieder nog meer in het denkbeeld soude bevestigt zijn geworden dat hij waarlijk de geweesen koning van goa waar nog thans deed ik in stille een vissite aan den koning van Goa ten eijnde den zelven te disponeeren zijne devoiren aan te wenden, om den swerver dood off levendig in handen te krijgen, waar over hij mij wel toezegging deed met zijn Rijks groo„ ten te zullen spreeken, maar waar van het ge„ volg alleen heeft bestaan in excusderende ant„ woorden, tot zo lange dat die Rebel na een maand verblijf te Barana /:in welken tijd de onder het Bonijs hof sorteerende Maccassaarse Princen Arou Mampoe /: den laast afgezetten koning van Goa, nevens des Carings Candjilo en Sapana dik werf bij hem zijn geweest ge„ lijk meede naderhand Arou Palacka zelfs en Craing Bellasarie die alle ook bij hem ge„ bleven zijn :/ ter voorschijn gekomen weesende, ik Van Maccassar Den 15:' Iunij 1777: ik vervolgens de Macassaeren en Boniers overgehaald hebbe om den selven door magt van volk te doen aantasten, invoegen dan ook on„ se troupen derwaarts vertrocken zijn, op welker verschijning denselven nog thans, aan d' eena kant door de talmagtigheijd der Boniers en aan d' ander „re kant buijten twijffel door der Macassacren ongenegentheijd om hem op te ligten de vlugt ge„ =nomen haeft, door de mogt der laatste heon ge„ broken zijnde en zig na het gebergte Borisal„ lo onder het Poas gebied begeeven hebbende van welk tijde stip af ik bij de koning en Rijksgroo„ ten wel op het aller ernstigste hebbe doen aandrengen om denzelven te doen vervolgens en aante lasten gelijk zij daar toe ook bij Cons„ tinuatie goede beloftent deeden maar welker gevolg insgelijks agter gebleeven is tot zo lange dat ik nevens de hier zijnde Bonijse Rijksgrooten gecommitteerdens van werdera zy den derwaarts sond, om daar op nader aan

NL-HaNA_1.04.02_3500_0029 view scan ↗

English

From Maccassar, 15 June 1777 to insist, upon which a promise was made to us that the King and the grandees of the realm would consult with one another after the conclusion of the Maoedoe feast, which they were celebrating at the time and which ended on the 6th or 7th of the preceding month, in order to determine the day of their march against the rebel. Thus, His Highness came to inform me further in an express visit with most of the grandees on the aforementioned 6 May, stating his intention to do so in four days, requesting on that occasion my assistance of 500 Spanish rixdollars and some powder and lead. Meanwhile, he appeared frank in all respects and showed signs that he was truly in earnest, even asking me whether there would be any means to seize Arou Palacca, which I pointed out to him was not possible, just as I indeed deemed it, since that would have to take place solely through the assistance of the grandees of the realm of Boni, of whom I was only too well assured From Maccassar, 15 June 1777 that they would never be brought to take that step, as has become only too clearly evident from their conduct toward them, and which should be noted in the continuation of this account. The Prince and grandees having departed hereupon at noon, I could not think otherwise than that they would march out with the necessary force in the next few days pursuant to their given promise. However, at three o'clock in the night, the King informed me through three interpreters that the rebel, on the preceding afternoon—indeed while His Highness was with me alongside his aforementioned grandees—had approached close to Goa with his entire force and had encamped at a certain village named Cassie, located only a half-hour's walk from there, requesting counsel and assistance as to what he should do in this matter. In answer to which unexpected message, I merely had him told that I now wished to await the fulfillment of his promise to From Maccassar, 15 June 1777 attack the rebel with all vigor, adding that it seemed very strange to me not to have received earlier news of his march out of the mountains toward Goa. In the meantime, from this unexpected appearance of his before Goa, one could infer nothing other than that it was directed against His Highness himself, and that the design of the Macassars was to thrust him from the throne. All the more so as private reports stated that the rebel had even been inside Goa and had spoken with the first Tomilalang, or Councillor of State, whom I had suspected of unfaithfulness from the very beginning of the unrest, which he has indeed shown, as two of his sons have been seen among the enemy. Nevertheless, having conveyed my further surprise to His Highness that the rebel was not being attacked, he sent word to me that his arrival inside Goa was contrary to the truth and that he had already fled from there again, adding that he and his grandees had already resolved to have him pursued, and that the leaders of the expedition were already appointed. Being thrown entirely into uncertainty by this reply as to what to think of the matter, and the departure of the rebel to elsewhere having subsequently been confirmed by others, so that one could obtain news with any certainty as to which road he had taken, much less what his ultimate intentions were, I unexpectedly received a report on the night of 10 May of how he had already penetrated into the province of Maros and taken some settlements, indeed had made himself master of practically three districts, without either the Company's subjects or the Boniers there having offered the least resistance, which then also encouraged him to attack and surprise the post From Maccassar, 15 June 1777 before the relief force of Europeans and Malays sent thither for assistance as swiftly as possible could arrive there, as he did, though not without great loss, considering that as many as 38 dead remained lying on the spot and about as many died of their wounds, besides the other wounded. Meanwhile, fifteen of the garrison, whose number consisted of 24 men, saved themselves. Whereby he thus became master of the entire province of Maros and gained all the subjects to his side, and having thereby obtained a formidable force, he descended hither on that very same day, filling everything with terror, all the more so as he not only publicly declared that he was concerned solely with the Dutch, but also From Maccassar, 15 June 1777 gave assurances to all others, both by word of mouth and through emissaries, that he would harm no one else, as having merely come, appealing in that respect to his conduct maintained up to this point, under earnest admonition to unite with him for the aforementioned purpose. This, however, succeeded not at all with respect to the other subjects to the north and those of the southern districts of Poelembankeeng and Glissong, but indeed with respect to still many Macassars and Tallo folk. So that his progress from that time on was checked by the measures that, as I have had the honor to note hereinbefore, I put into operation to hem him in, and which by God's gracious blessing have been crowned with a happy success up to this point, consisting in my having summoned hither the subjects in the three remaining northern provinces under the command of the Tanete Prince, Arou Pantjana, which example also

Dutch transcription

12 Van Maccassar Den 15: Iunij 1777: aan te dringen wanneer ons toezegging wierd gedaan dat de Koning en Rijk sgrooten na het eijnde van het Maoedoe feest, dat zij doenmaals vierden, en den 6: of 7: der voorleedene maand is g'eijndigt, met den anderen raadpleegen zou„ de om den dag van hun optogt tegen den Rebel te bepaelen, invoegen zijn Hoogheijd mij in een expresse visite met de meeste grooten op den 6„e Meij voormeld, nader kwamer bedeelen zulks over vier dagen van intentie te zijn, mij bij die gelegentheijd om onder stand van 500. rd„s spaans en eenig kruijt en loot versoekende, terwijl bij in alleens op sigte oppenhartig scheen en blyken gaf, dat het regte ernst waar, mij salfs voorhous„ dende of er geen middel zoude zijn om Atrou Palacca op te ligten, 't geen ik hem voorhield niet mogelijk te zijn zo als ik het daar voor ook hield vermits zulks alleen door hulp van de Bonijse Rijksgrooten zoude moeten geschieden, die ik maar alte wel verzeekers was Van Maccassar Den 15 Iunij 1777. was dat nimmede tot dien stap zouden te brengen weezen gelijk uijt hun gedrag ten haaren opzig„ te gehouden maar al te deugdelijk gebleeken is en in 't vervolg deesen staat genoteerd te worden. Den vorst en Grooten hier op des middags ver„ trocken zijnde konde ik niet anders denken of zij zouden eerstdaags, ingevolge hunne gedaene toezegging, met de nodige magt uijtruc„ ken, wanneer den koning mij des nagts om drie uuren door drie tolken liet weeten dat den Re„ bel 's middags bevoorens en wel toen zijn Hoogheijt nevens zyne voormelde grooten bij mij waaren, met zyne gantsche magt ziek na bij Goa Genadert en zig op zeekere negorij Cassie genaamt, maar en halff uirgaans van daar gelegen nedergeslagen hadde, met versoek om raad en hulpe wat hij in desesen doen zou„ de in antwoord van welke onverwagte boodschap ik hem enkel zeggen liet dat ik als nu ver„ wagtan wilde de nakoming zijner belofte Om„ den 49 Van Maccassar Den 15:' Iunij 1777: den Rebel met alle anst aan te lasten, on„ der bijvoeging dat het mij seer vreend voor kwam niet eerder tijding van desselfs vmarsch uijt gebregte na goa te hebben gekroegen ondertusschen konde =men uijt deeze sijne onverwagten verschijning voor goa mits anders besluijten dan dat het om zijn Hoogheijd zelve te doen en der Macas„ Jaeren toeleg was om den selven van den troon te bonsen, te meer de particuliere berigten dic„ teerden dat den Rebel zelfs in goa geweest en gesproken zoude hebben met den eersten Tomilalang of Rijksraad, dit ikal van den beginne der onlestan van ontrouw ver„ dagt gehouden hebbende, zulks ook getoonde „heeft, also twee sijner zoonen bij den vijand gezien zijn, des niet te min nog nader mij„ na bevreemding aan zin Hoogheijt heb„ bende doen betuijgen dat den Rebel niet wierd aangetast, deed hyj mij Zeegen dat zijn komst binnen Goa beziden de waar heijd. heijd en den zelven reets weeder van daar gevlugt was niet bijvoeging dat hij in zijn grooten reets besloten hadden denzelven te doen ver„ volgen, mitsgaders de hoofden over d'expe„ ditie reets benoemd waaren, door welk ant„ woord ik geheel in 't onzeekere gebragt zijnde, wat van de zaak te moeten denken, het vera„ trek van den Rebel na elders vervolgens door anderen geconfirmeerd geworden zijnder dat men met eenige zeekerheyd tijding konde krijgen wat weg den zelven ingeslagen had, veel min wat eijndelijk zijn voorneemens waes zo ontfing ik des nagts van den 10e may op het onverwagts berigt hoe denzelven bereets in de provintie Maroes gedrongen en eenige nogenomen hadde Ja zelfs genoegsaam van drie districten meester was, zonder dat nog Comp onderdaanen nog de Boniers aldaar de minste tegenstand hadden geboden het geen hem dan ook heeft aangemoedigt om de post Van Maccassar Den 15: Iunij 1777: eer. „24 Van Maccassar Den 15:' Iunij 1747. eer het zo spoedig doenlijk derwaarts teras„ sistentie gezonden secours van Europeesen en maleijers daar komen konde t'attac„ queeren ent' overrompelen gelijk hij gedaan heeft dog niet sonder groot verlies gemerkt. er wel 38 daden op de plaats blijven leggen en nog omtrend so veel aan haare woorden over„ leeden zijn, behalven nog d' andere geques„ ten, terwijl vijftien van de bezettelingen wel„ ker getal in 24. man heeft bestaan, sig gesouveert hebben waar door hij dus van de gantsche provintie Maros meester gewor„ den en alle de onderdanen bij zig gekregen mitsgaders daar door een ontzaggelijke magt bekomen hebbende nog dien zelven dag na herwaarts afgezakt is alles net schrik vervullende, te meer hij zig niet al„ leen zelfs opantlijk uijtliet dat het hem alleen om de neederlanders te doen was maar ook alle andere zo bij monde als door zende„ lingen Van Maccassar Den 15 Iunij 1717. lingen verzeekering deed geeven neeman dan„ ders te zellen beledigen, als enkel gekomen woesenden, zig ten dien opzigte beroepende. op zijn tot hier toegehouden gedag, onder erns„ „tige aanmaening om haar ten voorschreeven eijnde met hem te vereenigen, 't geen hem egter omtrend de verdere onderdaenen om de noord en die van de Zuijder districten Poelembankeeng en Glissong in't geheel niet maar wel omtrend nog veele Macassaeren en Telloneesen: ge„ lukt is, zo dat zijne progressen zig van die tijd af bepaald hebben door de maatregukan die ik gelijk hier vooren d' eere hebbe gehad te no„ teeren tot sluiten van deselve in't werk stelde, en door gods genadigen zagen met een geluc„ kig succes tot hier toe zijn bakroond geworden, daar in bestaande dat ik d'onderdanen in de drie overige noorder provintien, onder 't gezlag van den Tarets prins Arou Pantjana herwaarts op ontbodens hebbe welk voorbeeld ook

NL-HaNA_1.04.02_3500_0035 view scan ↗

English

23 From Maccassar, 15 June 1777: also by the Bonians, conform to my proposal having been followed, with this success that thereby a force of circa three thousand heads having been obtained, while the Bone Pongauwa had in the meantime proceeded to Maros, the departed subjects from both sides have not only returned over to us again, but also ours or those of the Honorable Company made a request to the said grandee of the realm to solicit pardon for them, which he also promised, after which our troops, after the burning of various negorijen where people of the enemy were located, advanced hither, having attacked the enemy even in the Tello territory not far from here, putting him to flight with the loss of circa fifty dead, among whom one of the foremost and ten lesser chiefs not counted, who still remained in the forests, where some sought hiding places, and no fewer wounded, as well as leaving behind a great multitude of all kinds of native household goods, whereby many great and lesser persons, having abandoned his party, have turned again to elsewhere or homeward, such as among others the Gowan electors as well as many other Gowan and Tello princes, who had all defected, as evidence that these two realms, or at least the foremost grandees, have agreed in everything with the Rebel and no less than the first leader of the treacherous design have sought to further its execution, in which opinion I have been further confirmed since the Rebel, only a few days before he was beaten by ours, having proceeded for the second time to Goa and also at Taeng to the Queen of Tello, the King gave me notice of his arrival and how at the same time some troops had marched out against him, From Maccassar, 15 June 1777: 25 From Maccassar, 15 June 1777: with a request for assistance, letting me know the following day that the enemy kept Goa blockaded, as I learned from elsewhere to be the truth, but which I suspected, as well as the so-called failure of the aforementioned few troops, was merely deceitfully pretended, though as I believe without the King's doing, in order that, when one actually came to send men thither, to have the same overwhelmed by the entire force; indeed, one could not think otherwise of it, because the enemy, having immediately left Goa again, turned back to the Tello territory, where, as I have mentioned hereinbefore, he was attacked most unexpectedly by ours, upon which occasion the Rebel himself, along with Arou Palacca, in all probability would have been captured or killed, if the Bone Pongauwa had not only neglected his duty, 77. From Maccassar, 15 June 1777: not neglected, but even through the intervention of his troops had not prevented our subjects under Arou Pantjana from pursuing the enemy; with respect to which conduct I must not omit to note further how that grandee of the realm, having previously corresponded with his peers in the inland territories, these declared to him as their opinion, as it were in the King's name, that he must attempt to secure Arou Palacca, from which Your High Nobilities can discern how little reliance is to be placed upon the Bonians, whom one nevertheless in the present circumstances must not only respect, but with whom one is just as obligated to act in concert, as I have judged it necessary to treat those of Goa, however much they have played the hypocrite, as long as the balance was in equilibrium or through the progress of the enemy seemed likely to tilt to his 027 From Maccassar, 15 June 1777: advantage, outwardly also as our friends, the more so because it appears in every respect that they seek our friendship anew and, in case of other measures, would pretend to have done no wrong against the Company by shifting everything onto their inability to oppose some grandees who have defected, or rather to pretend that they had only been with the enemy to inquire whether he was the former King, and the like more; besides that it would not be possible for ours to pursue the enemy into the mountains with the prospect of complete success without a submission of the still-defected Macassars preceding it, to which they ought to contribute their share, since many hiding places are inaccessible to any troops, and there is thus for the present no other way than this, in order, under the co-operation of From Maccassar, 15 June 1777: God's precious blessing, to be able to expect a speedy end to matters: So that I, having thereupon, along with the Madanrang and other Bone grandees of the realm, arrived at the resolution to summon and admonish the King and grandees of the realm once more to fulfill their promises as yet, in order to go and attack the enemy as keeping himself upon their territory, with the pledge to offer them assistance in case they mean it earnestly and in good faith and might show such by deed; thus the same was not only promised again anew, but also complied with to the extent that the first Tomilalang set out on the march on the 9th of this month with about three hundred heads, and the second Tomilalang on the 12th thereafter with an even greater number, being followed by ours, under Arou Pantjana and the former Bone Pongauwa Lacasie, as well as the Captain of the Malays together with his subordinates.

Dutch transcription

23 Van Maccassar Den 15: Iunij 1777: ook door de Boniers, Confam mijn voor„ steld is nagevolgd, met dit succes dat men daar door een magt van Circa drie duijsend koppen bekomen hebbende, terwijl den Bonijs Pongauwa zig intusschen naMbaros had begeeven, de uijtgeweekene onderdaanen van beijder zeijden niet alleen weeder tot ons over„ gekomen zijn, waar ook de onse of die van d' E: Comp„e bij gemelde Rijkgroot versoek gedaan hebben om voor hun paidon te besol„ liciteeren het geen hij ook beloofd heeft waar na onse troupen na het verbranden van diverse negorijen daar sig volk van van den vijand bevond herwaarts opgerukt den vijand zelfs in't Telbose niet verre van hier hebben aangetast hem met verlies van Circa vijftig dooden, waar onder eens der voor„ naamste en tien mindere hoofden ongereekend, die nog in de boesschen, alwaar sommige schuijl plaats zogten en geen minder gequetsten mitsg=s gadars agterlating van een groote meenigte van allerleij inlands huijsraad op de vlugt Jaagende waar door veele grooten en minderen zijn paathij verlaten hebbende weeder na elders of na huijs gekeerd zijn, gelijk onder andere de Goase kiesheeren mitsgaders veele an„ dere Goase en Telloneese Princen, die alle uijt geweeken woaren, ten blijke dat deese beijde Rijken of ten minste de voornaamste grooten het met den Rebel in alles eens geweest sijn en niet minder als d' eerste aanvoerder van het verraedellijk desseijn dies uijtvoering hebben tragten te bevorederen, in welk gevoelen ik na„ der bevestigt ben geworden vermitst den Rebel nog korte dagen voor dat hij door d' onse gesla„ gen is, zig ten tweede maalen na goa en ook op Taing bij de koninginne van Tello be„ geeven hebbende, den koming mij van zijn komst deed kenniesse geeven en hoe teffens eenige deets tegen hem uijtgetrocken koupen Van Maccassar Den 15: Iunij 1777: door 25 Van Maccassar Den 15 Iunij 1777. „den met versoek om aessistentie, mij daags daar aan laetende weeten dat den vijand Goa geblocqueert hield, zo als ik van elders vernam de waarheijd te zijn, maar het geen ik vermoedede dat zo wel als de zo genaam, de misluijting van voorgewaagde weynige troupen enkel liettig voorgewend wierd, egter zo ik geloove buijten toedoen des konings:/ om wanneer men werkelijk volk derwaarts kwam te zenden, het zelve door de gantsche magt te doen overe allen, immers heeft man daar van niet anders kunnen denken ter zaeken den vijand al aanstonds Goa weder verlaeten hebbende na het Tellose te rug gekoerd is daar hij zo als hier vooren gemeld habbe door d' onsen op het onverwagtste is aan„ gelast by welke occasie den Rebel selfs nevens Arou Palacca na alle waarschijnlijk gevangen gekregen geweest of omgekomen zoude zijn als den Bonijs Pangauwa niet alleen zijn pligt niet 77. Van Maccassar Den 15: Iunij 1777. niet var suijms naar zelfs door tusschens komst zijner troupen onse onderdaanen onder Arou Pantjana niet belet hadde den vijand te vervol„ gen, ten opzigte van welk gedoente ik niet voor bij mag nog te noteeren hoe dien Rijksgroot, roets bevoorens met zijne maekens in de bin„ nen landen gecordeespondeert hebbende deese hem voor hun gevoelen alss waare het uijt 's Koningsnaam hebben verklaard dat hij Atrou Dalacca moeste tragten te beweijligen„ waar uijt uw Hoog Edelhedens kunnen ontwaagen hoe weijnig staat er op de Bonieus te maeken zij, die men nogthans in de tegen„ woordige omstandigheyd niet alleen moet ontsien maar met de welke men zo wel verpligt is de concert te ageeren, als ik g'oor„ deeld hebbe noodsaekelijk te weesen die van Goa, hoe zoer zij den geveijnden hebben gesppeeld, zo lang de balans in evenwigt of door de progressen van den vijand ten zijnen voor deele. 027 Van Maccassar Den 15: Iunij 1777. deele scheen te zullen overslaan, voor het uijterlijke meede als onse vrienden te hande„ len, te meer het allesints blijkt dat zij on„ ase vriendschap op nieuw zoeken en in Cas van andere maat regulen zouden voorwenden te gen de Comp:e niets misdaan te hebben, door alles te schuijven op hunne onmagt, om eenige grooten die uijtgewerken zijn tegen te gaan of wel voor te wenden dat z' alleen bij den vij„ and geweest waeren om te verneemen af hij de geweesend koning was en diergelijke meer be„ halven nog dat het d' onsen niet mogelijk zou„ de zijn den vijand in het gebeegte met apparentie van een volkomen succes te vervolgens sonder dat er een onderwerping van de nog uijt gewee„ kene Macassaeren voor afgae, waar toe zij het haere dienen te contribueeren, dewijl veele schuijl plaatsen voor goene troupen ge„ maakbaar zijner erdus voor eerst geen an„ dere wog op zipals deeze, om ander meede waaking van Van Maccassar Den 15:' Iunij 1777: van Godes dierbaeren tegen een spoedig eijnde van zaeken te kunnen verwagten: Jnvoegen ik danr neevens de Madanrang en verdere Bonijse Rijksgrooten tot het besluit getreeden zijnde om den Koning ons Ryksgrooten andermaal te semmeeren en aan te maanen tot het als nog volbrengen hae„ rer beloften, ten eijnde den vijand te gaan attac„ queeren als zig op hun terretoir onthoudende, met toezegging om haar in Cas zy het ernstig en ter goeder meenen en zulx daedelijk toonen mog„ ten bijstand te bieden, zo is het zalve niet alleen Weeder op nieuw beloofd maar ook in zo verre nage„ komen, dat den eersten Tomilalang sig den 9„e deeser met omtrend drie honderd koppen en den tweede Tomilalang den 12„e daar aan met een nog groote getal op marsch begeeven hebben, door d'on„ sen, onder Arou Pantjana en den geweesen Bo„ nijs Pongauwa Lacasie, mitsg„s Capitain Maleijers nevens zijne onderhoorige, gevolgd weesende

NL-HaNA_1.04.02_3500_0041 view scan ↗

English

29 From Macassar, 15 June 1779. being, which chiefs have nevertheless, for the sake of prudence, been warned to pay attention to their movements and to be on their guard, for which they are completely and sufficiently capable on all accounts due to their great superiority in numbers, as our forces alone amount to as many as three thousand men, who can moreover be supported by the Bonians and the subjects who have already returned to the Company. Wishing a fortunate outcome from this undertaking, under heartfelt prayers for God's precious blessing upon it for the restoration of peace, I would gladly have taken this opportunity, in accordance with my duty, to answer Your High Noble Excellencies' highly esteemed rescript to our joint and to my separate dispatches of the past year, but this is utterly impossible for me due to lack of time, as From Macassar, 15 June 1777: to be able to expect a speedy conclusion of affairs from God's precious blessing: So that I, having come to a resolution together with the Madanrang and other Bonian grandees of the realm to summon and admonish the King and our grandees once again to fulfill their promises after all, in order to attack the enemy as they are staying on their territory, with the promise to offer them assistance in case they are serious and mean well and might show this by deeds, this was not only promised anew, but also complied with to such an extent that the first Tomilalang marched out on the 9th of this month with about three hundred men, and the second Tomilalang on the 12th thereafter with an even larger number, being followed by our forces under Arou Pantjana and the former Bonian Pongauwa Lacasie, as well as the Captain of the Malays together with his subordinates. 29 From Macassar, 15 June 1779. being, which chiefs have nevertheless, for the sake of prudence, been warned to pay attention to their movements and to be on their guard, for which they are completely and sufficiently capable on all accounts due to their great superiority in numbers, as our forces alone amount to as many as three thousand men, who can moreover be supported by the Bonians and the subjects who have already returned to the Company. Wishing a fortunate outcome from this undertaking, under heartfelt prayers for God's precious blessing upon it for the restoration of peace, I would gladly have taken this opportunity, in accordance with my duty, to answer Your High Noble Excellencies' highly esteemed rescript to our joint and to my separate dispatches of the past year, but this is utterly impossible for me due to lack of time, as From Macassar, 15 June 1777. as having had virtually no rest day or night since the incursion of the Rebel into the Maros, through receiving and answering a multitude of messages, holding conferences with the Bonian grandees of the realm, which are always extremely burdensome and vexatious, and many other circumstances besides, with a relation of all of which I ought not to trouble Your High Noble Excellencies' honored attention, the less so as I flatter myself that Your High Noble Excellencies, who during my six years of administration have deigned to honor all my principal actions with the stamp of your approval, and thus have deigned to show evidence of placing sufficient trust in me, are persuaded, as I humbly request, that I have done everything that according to my humble understanding was ever 39 From Macassar, ever possible and useful to pursue both the best for the Company and the preservation together with the prosperity of the colony and that of the good inhabitants; wherefore, postponing the aforementioned reply to another occasion, I hereby conclude this, commending Your High Noble Excellencies' illustrious persons together with the weighty interests of the Company to the sole safe keeping and protection of the Almighty, and take the liberty to call myself with the deepest and all dutiful respect, High Noble, Highly Esteemed, Severe, Far-Ruling Lord, and Right Noble Severe Lords, Your High Noble Excellencies' entirely humble, obedient, and faithful servant, was signed: P. P. van der Voort. In the margin: Macassar, in Fort Rotterdam, 15 June 1777. Beside it stood: P.S. Just as this was about to be enclosed, the King of Goa informed me that Sankilang returned to Goa this morning at five o'clock, according to the statement of the messenger From Macassar, 25 June 1777 the messenger, having about a thousand men with him, requesting nothing more than assistance, to which I replied with a promise as soon as I should receive news from our troops, from whose commanders I subsequently received word toward noon that they had pursued him all the way into Goa and kept him surrounded there, which immediately caused me to resolve to send them a reinforcement of two hundred Europeans together with some natives, adding four field pieces and mortars, in order to press the enemy with all earnestness, the King having nevertheless been warned, if possible, to come over to us with his family and especially the state regalia, all of which I could not fail to add here; while, under prayers for God's precious blessing upon the Company's arms, I hope to communicate the continuation to Your High Noble Excellencies shortly, not being permitted to detain the bearer of this any longer.

Dutch transcription

29 Van Macasssar Den 15: Iunij 1779. Waaesende, welke hoofden men om de voorsigtigheijd nog„ thans gewaarschouwd heeft op haere gedoentens te letters, en zig op hoede te houden, waar toe zij al„ amt halven door haere groote overmagt genoeg In staat zijn also de onsen alleen wel drie duij„ send koppen uijtmaeken, die nog daar en boven door de Boniers en reets weeder tot de Comp„e te rug gekeerde onderdaanen onderstuwd kunnen Worden van deese onderneeming onder hertelijke af bidding van Godes dierbaeren zegen over de„ „zelve ter herstellinge van de ruste, oen geluckig gevolg verloopende, soude ik gaarne bij deese ge„ legentheijd volgens gehoudenisse uw Hoog Edel„ hedenes hoog g'achte rescriptie op onse gemee„ „ne in mij apparte adviesen van anno paessato hebben b'antwoord maar zulks is mij volstrekt ondoenlijk door gebrek aan Eijd„ als Van Maccassar Den 15: Iunij 1777: van Godes dierbaeren tegen een spoedig eijnde van zaeken te kunnen verwagten: Jnvoegen ik dan neevens de Madanrang en verdere Bonijse Rijksgrooten tot het besluit getreeden zijnde om den Koning ons Ryksgrooten andermaal te semmeeren en aan te maanen tot het als nog volbrengen hae„ rer beloften, ten eijnde den vijand tegaan attac„ queeren als zig op hun territoir onthoudende, met toezegging om haar in Cas zij het ernstig en ter goeder meenen en zulx daedelijk toonen mog„ ten bijstand te bieden, zo is het zelve niet alleen Weeder op nieuw beloofd maar ook in zo verre nage„ komen, dat den eersten Tomilalang sig den 9„e deeser met omtrend drie honderd koppen en den tweede Tomilalang den 12„e daar aan met een nog groote getal op marsch begeeven hebben, door d'on„ sen, onder Arou Pantjana en den gewoesen Bo„ nijs Pongauwa Lacasie, mitsg„s Capitain Maleijers nevens zijne onderhoorige, gevolgd Weesende 29 Van Macasssar Den 15: Iunij 1779. Waesende, welke hoofden men om de voorsigtigheijd nog„ thans gewaarschouwd heeft op haere gedoentens te letten, en zig op hoede te houden, waar toe zij al„ lenthalven door haere groote overmagt genoeg In staat zijn also de onsen alleen wel drie duij„ send koppen uytmaeken, die nog daar en boven door de Boniers en reets weeder tot de Comp„e te rug gekeerde onderdaan en onderestund kunnen Worden van deese ondernoeming onder hertelijke af bidding van Godes dierbaeren zegen over de„ „zelve ter herstellinge van de rustesoen geluckig gevolg verloopende, soude ik gaarne bij deese ge„ legentheijd volgens gehoudenisse uw Hoog Edel„ hedenes hoog g'achte rescriptie op onse gemee„ „ne in mij apparte adviesen van annop ressato hebben b'antwoord maat zulks is mij volstrekt ondoenlijk door gebrek aan tijd„ als Van Maccassar Den 15: Iunij 1777. als sedert den inval van den Rebel in het Maroesse genoegsaam dag nog nagt rust ge„ had hebbende, door het ontfangen en b'antwoor„ den van een meenigte boodschappen, het houden van Conferentien met de Bonijse Rijksgrooten„ die altoos ten uijtersten laestigen verdrietig zijn en veele andere omstandigheden meer, met een ver„ haal van alle dewelke ik uw Hoog Edelhedens g'eerde attentie niet hebbe mogen vermoeijelijken, te minder ik mij vlije dat uw Hoog Edelhedens die geduurende mijn ses Jaerig bestier alle mijne voornaamste handelingen met het stempel hae„ „rer goedkeurige hebben gelieven te vereeren, en dut blijken te geeven van een genoegsaam vertrou„ wen in oij te stellen gelieven gepersuadeert, te zijn zo als ik ootmoedig versoeke dat ik alles gedaan hebbe wat na mijn gering begrif immer 39 Van Maccasser Den immer mogelyks en dienstig was om en het beste voor de Maatschappy en de behoudenisse nevens den wel stand van de Colonie in dat der goede Jnge Leetenen, te betragten, weshaelven ik de gemelde b'antwoording tot een andere occasie verschuijvende deeze hier meede be„ sluijte uw Hoog Edelhedens il luster persoonen nevens de gewigte belangen van de Maatschappij in de alleen veij„ lige hoede en bescherming der Aller hoogsten beveele en de vrijheijd noeme mij met het diepstouzigen alle verschuldigde eerbied ter noemen /onderst:d Hoog Edele Groot Agtbare gestrenge wydgebiedende Heere en wel Edele gestrenge Heeren /lager:/ uw Hoog Edelheedens gantsch onderdanige gehoorsaame een getrouwe dienaar /:was get:d:/ P: P: van der Voort /in margine:/ Maccasser In't Casteel Rotterdam den 15: Iuni 177./ ter zeij„ destond/ P: S zo als deese stond teworden ge„ Couverteerd, liet den koning van Goa mij wee„ ten dat sankilang heden morgen ten vijff uuren weeder in Goa gekomen was / na opgave van den sendeling Van Maccasser Den 25: Iunij 1777 sandeling Cerca duijsend man bij zig hebbende :/ met versoek om assistentie sonder meer waar op ik bescheyd hebbe laeten toezeggen als ik van onse troupen tijding zoude hebben ontfangen van welker hoofden ik vervolgens tegen de middag be tigt ontfing dat zijdem tot in Goa nagezet al„ 2 daar ingesloten hielden, het geen my aan stonds heeft doen resolveeren hun een secours toete senden, van twee honderd Europeesen nevens nog eenige inlan„ ders onder bijvoeging van vier veld stucken en mortiers, ten eijnde den vijand met alle ernst aante lasten, den Koning nog thans gewaarschouwd weesende andaes moge„ lijks met zijne famillie en insonderheijd de Rijks ornamenten tot ons over te komen, alle het welke ik niet mag af zijn hier nog bij te voegen; terwijl ik onder afsmeeking van goodes dierbaaren zegen over sComps wapenen uw Hoog Edelheedens eerlan„ ge het vervolg hoopde te bedeelen de brengeres van„ deesen niet langer hebben de mogen ophouden.

NL-HaNA_1.04.02_3500_0047 view scan ↗

English

From Maccassar, 25: Iunij 1777. To His High Right Honourable After the dispatch of my respectful letter of the 15th of this month, I received word that same evening that the Macassarese had already deposed their king and installed the Rebel in his place, which first-mentioned person also came over to us the following day, along with some of his family, and was assigned a place of residence at Matoangie, located a cannon shot south of the castle by the seaside. The attack having been undertaken that same morning in the meantime, our Europeans, together with Arou Pantjana and the former Pongauwa, conducted themselves so bravely that if the other natives had supported them, the city would in all likelihood have been taken and the enemy defeated, whereas I must now report with painful regret how one and all had to retreat, our men having suffered two dead and seven wounded, while the Boniers, who had joined them to the number of well over a thousand men under the Madanrang, looked on at everything from afar, without offering the least assistance, much less showing any signs of seriousness. The intention nevertheless having been to resume the attack the following morning, as I also deemed necessary in order to give the enemy no time, I had the aforesaid Princes thanked for their demonstrated loyalty and furthermore encouraged thereto once again, as well as the Boniers, while expressing my astonishment and displeasure at their demonstrated indifference, so that I also commanded the Madanrang in writing above and beyond this to exhibit better conduct; but although he initially made fair promises, it soon became clear not only that he had no intention of doing so, but our native chiefs even suspected the Boniers of underhanded designs, the former Pongauwa having informed me himself that Datou Baringang had sent gunpowder and lead to the enemy and that emissaries from them visited him daily. When the Madanrang was urged again the following morning to advance closer in order to act in concert with our men, he returned the answer that since they were now no longer warring against just the Rebel, but against a third ally, he could not declare himself but would ask for my orders, at the same time informing me that emissaries had arrived from Goa requesting that someone be sent to him to hear their message, whereupon the bookkeeper Delffhout, having gone to that dignitary, reported back: That the emissaries had stated they were sent on behalf of the Tomilalang Council of State and Batara Goa, King of Goa, to inquire what the Macassarese had done wrong that they had been attacked yesterday; that Batara Goa pursued nothing other than the expansion and promotion of the welfare of the lands of Bonij and Goa, and that the Bongaijs Contract had indeed been concluded between Arou Palacca and Batara Goa, both of whom were here. Of which occurrence I had no news that day, while I also received a short letter from the Madanrang in which he only touched upon the matter itself, whereupon I sent two deputies to him in order to demand, with an expression of my utmost astonishment, a categorical answer to one of these three questions, namely 1st whether he would join the enemy, 2nd or leave us to deal with them alone, 3rd or remain faithful to the Company and assist it. To which he, under some lame excuses, positively promised the latter and agreed to resume the attack alongside our men, but the outcome has shown that, far from being his sincere intention, this was merely an attempt to drag matters out, of which clear proof presented itself when, upon my inquiring further whether he was ready to fulfill his promise, adding that otherwise he might as well return with his forces, he confirmed the former once again, yet scarcely had he returned home when he sent me another message containing the request that the attack be postponed at least until they had moved their redoubts forward and closer to the enemy, which even up to now has not been done, despite my consent upon the repetition of that request, since I had rejected it the first time with a stern demand for a categorical answer as to whether the Boniers were prepared upon my orders to attack alongside our men, even if it were at that very moment, or not, and made it known that I would expect nothing other than no or yes, but neither having arrived even seven hours thereafter, I sent word regarding this, whereupon, instead of receiving it, I was asked for a postponement for the third time, with which I simply had to comply, so that it appears from this that no progress has yet been made solely due to the utterly questionable conduct of those people, who in the meantime do nothing other than go out plundering, which is the only thing they are fit for, while we have in the meantime thereby fallen once again into the utmost difficulty, which we fear with good reason will increase considerably unless Heaven graciously pleases otherwise.

Dutch transcription

33 Van Maccassar Den 25: Iunij 1777. Aan zijn Hoog Edelheijd Nia d' afgaver mijner eerbiedige van den 15„e deeser ontfing ik dien selven avond nog tijding dat de Maccas„ Jaeren hunnen koning roets afgezet en den Rebel in zijn plaats aangesteld hadden, welken verst gemel„ de ook des daags daar aan, nevens eenige van sijn famille tot ons overgekomen en verblijf plaats aan„ geweesen is te Matoangie gelegen een Canon schoot ten zuijden het Casteek aan de Zeekant De attacque ondertusschen dien zelven morgen on„ dernomen zijnde, hebben onse Europeesen nevens Arou Pantjana en den geweesen Pongauwa zig zo dapper gequeeten dat ingevalle d'andie Jnlanders haar hadden ondersleunt de stad na alle waarschijn„ lijk. Van Maccassar Den 25: Iunij 1777. lijkheijd zoude ingenomen en den vijand over woer„ nen geweest zijn, daar ik thans met smertelijk leedweesen moet bedeelen hoe d' een en ander heb„ ben moeten aftrecken d' onsen twee doden en ze„ ven gekwetsten bekomen hebbende, terwijl de Bo„ niers, die ten getalle van duijm duijsend koppen onder den Madanrang zig bij hum vervoegd had„ den, alles van verre hebben blijven aankijken, sondar de minste adsistentie te bieden, veel minder eenige blijken van ernst te loonen, Het voornee„ men des niet te min geweest zijnde, om den vol„ gende morgen de attacque te hervatten, gelijk ik ook nodig oordeelde om den vijand geen tyd te geeven, liet ik de voorsz Pimcen voor hun betoonde trouw bedanken en voorts andermaal daar toe zo wel aanmoedigen als denr Boniers, onder betuij„ ging van mijne verwondering en ongenoegen over hun „ 35. hun beloonde onverschilligheyd, invoegen ik den Ma„ danrang ook nog daar en boven schriftelijk te comman„ deerde het betoonen van een beter gedrag, maar niet tegenstaande hij eerst wel goede beloften deed bloek al kort daar aan niet alleen dat hij daar toe geen intentie hadde, maar onse inlandsche hoof„ den hielden de Boniers zelfs verdagt van Slink se oogmerkens, den geweesen Pongauwa mij zelfs hebbende doen weeten dat Datou Baringang den vijand kruijt en Loot toegezonden hadde en 'er sendelingens van hun dagelijks byj den zelven gin„ gen Terwijl de Madanrang den volgende morgen nog„ maals aangemaand om nader aan te rucken gens met d'onsen de Concert te ageeren ten ant„ woord, doed geeven, dat vermits men nu niet meer= „ en wel tegen: den Rebel oorhoogde maar tegin een Van Maccassar Den 25: Iunij 1777. derde. Van Maccassar Den 25: Iunij 1777. derde bondgenoot, hij zig niet verklaeren konde maar myne ordre vaagen zoude, te gelijk doende weeten weeten dat 'er sendelingen uijt Goa gekomen, waeren met versoek dat hem iemand mogt gesonden wor„ den om derselver boodschap aan te hooren, op het welk den boekhouder Delffhout sig bij dien Rijksgroot vervoegd hebbende, tot keer, be„ rigt bragt. Dat de zendelingen verklaerd hadden gezonden te zijn uyt naam van de Tomilalang Rijks„ raad:/ en Batava Goa /:koning van Goa:/ om te verneemen wat de Maccassaeren tog misdaan hadden, waarom men hun geste„ ren hadde g'attacqueerd, dat Batara Goa niets anders was betragtende dan de uijt„ brijding en bevordering van het wel syn der Landen van Bonij en Poa en dat het 37 Van Maccasser Den 25:' Junij 1777. het Bongaijs Contract immers geslaten was tusschen Arou Palacca en Batavia Goa die beyde hier waeren van welk voorval ik zo daageen tijding hadde, ter„ wijl ik ook een briefje van den Madanrang ont„ fing waar bij hij de zaak zelve maar even aanroer„ de, of ik Lond hem twee gecommitteerden ten eijnde hem onder vertooning van mijne uijterste verwon„ dering Catagorisch antwoord af te vorderen op een deser drie vragen, te weeten 1:a of hij zig bij den vijand voegen 2:e den wel ons met den zelven al„ leen laeten begaan 3:e of de Compagnie getrouw blven en assesteeren wilde. waar op hij onder ee„ nige flaauwe oxcusen het laatste positeef toezeijde en om nevens d' onsen d'attecque te hervatten, dog de uijtkomst hoeft doen zien dat dit insgelijks wel verre van zyne opregte meening te zyn het zoeken alleen is om de zaeken sleepende te hou„ den, invoegen zig daar van een duijdelijks bewijs heeft op gedaan, wanneer ik hem nader afgevraagd hebbende of hij tot het volbrengen van zijn belof„ te bereed was onder bijvoeging dat hij anders maar met zijne volkeren terug keeren konde, het eerste nogmaals toe zijde dog naauwelijk na huis gekeerd mij re Van Maccassar Den 25 Iuny 1777. mij weeder een boodschap zend, behel sender versoek dat d' attacque ten minste mogt werden uijt gesteld tot dat zij hunne bentings voor uijt en nader na den vijand zoude hebben getrocken dat zelfs tot hier toe nog niet geschied is, in weer wil vant myne toe stemming op de herhaeling van dat versoek, dewijl ik het 8 eerste reijse van de hand sloeg met een ernstige afvrage van Categorischa antwoord of de Boniers bereyd waeren om op mijne ordres nevens de onsen al was het op het oogenblik 't al„ lacquaeren dan niet en te kennen gave, dat ik niet anders dan neem af Jan verwagten soude dog zulks geen van beyde wel seven uuren na dato niet komende, mij daar om deed zenden wan„ noer ik insteede van het selve te krijgen voor derdemaal versogt wierd om uijtstel waar bij ik het wel hebbe moeten laaten, invoegen hier uijt blijkt dat men nog niets gevorderd is alle en door het allesints bedenkelijk gedaag van dat volk, die onder tusschen niets anders doen als op roof uijt te gaan dat alleen is, waar toe zij bokwaam zijn, terwijl wij ondertussen daar door op nieuw in d' uijterste ongelegentheijd zijn geraakt, die wij met reden dugten dat nog merkelijk zal toeneemen wanneer het den Hemet niet genadig behaagd.

NL-HaNA_1.04.02_3500_0053 view scan ↗

English

From Maccasser, 25 June 1777 ...to grant a fortunate outcome, considering that up until now the enemy has mocked us, as it were, despite the good effect of our cannon and mortars, and we, moreover, due to our diminishing ammunition, cannot continue much longer with such faltering actions; he will certainly, upon our flagging, gain new courage and likely also more adherents than he already has, which is estimated at 4000 heads, if we should be forced to raise the siege before another attack is made, in which unexpected event we run the risk of being attacked here by him ourselves, or at least brought into the utmost distress; all of which obliges me to respectfully inform Your High Excellencies of this actual state in which we are now anew brought, with a humble prayer not only for the most speedy fulfillment of the appended demand for ammunition, even if it were only divided among the first returning burgher vessels, which we could no longer detain despite our small force in order not to ruin the colony entirely, but also for such assistance of men as Your High Excellencies will be able to procure for us; while I further, again humbly begging for a favorable pardon for the brevity which I now observe, find myself completely incapacitated by lack of time from a longer extension, From Maccasser, 25 June 1777. the more so as, besides the duties which the unrest here causes me, I am still forced to set order in the army myself and to deal with the native chiefs and the Bonians themselves, since otherwise even less would be done; besides that everything I might still have to impart consists of circumstances that can contribute nothing to the essence of the matter to enable Your High Excellencies to provide me with a timely order, I may nevertheless not omit to report that the well-intentioned Datoe of Sopping, during the drafting of this letter, after long waiting has arrived here with over five hundred heads, soon to be followed by others, who I hope will be able to bring about some influence for the better on the mind of the Bonians. Wherewith I then conclude, having the fortune, after heartfelt prayers for Heaven's most precious blessing upon Your High Excellencies' illustrious persons and the precious interests of the Company, to call myself with the utmost respect, High Noble, Right Honourable, Severe, Far-Ruling Lord, and Right Noble, Severe Lords, Your High Excellencies' most humble and faithful servant, was signed: P. G. van dervoort. In the margin: Maccasser, in Castle Rotterdam, 25 June 1777. To His High Excellencies. From my last respectful letter of 25 July ultimo, Your High Excellencies will have seen how I had intended to resume the attack on Goa whenever the Bonians might show themselves inclined to assist our men; this having then finally been most seriously promised by them and subsequently decided upon, and even the day having been fixed for the 18th of this month, which I had fruitlessly tried to keep secret, I had flattered myself with a fortunate success, the more so as the force of the Bonians had increased to around five thousand heads, and that of our auxiliary troops, through the arrival of circa one thousand Sapingers and Tanetterees, was likewise considerably increased, which would have been doubly sufficient for it; but how greatly the outcome has disappointed my expectation I must now, with the utmost regret, again impart, and thus respectfully bring to the knowledge of Your High Excellencies that, except for From Maccasser, 17 July 1777. the Europeans and some of our own natives, neither the Bonians nor the auxiliary troops acquitted themselves of their duty; the whole enterprise ended fruitlessly, the enemy's courage has increased anew, and the state of affairs has consequently deteriorated much rather than improved, notwithstanding that it is claimed he had as many as two hundred dead, whereas that of the Europeans, who again alone had to bear the brunt, consisted of three men, and of our natives a very small number, as proof that they kept themselves out of the fire. To what cause the unwillingness and cowardice displayed that day by our native troops must be attributed, I can impossible comprehend, much less determine; but as much as this went contrary to my expectation, so did I notice it immediately upon my arrival in the army at half past three in the morning, not having been able to arrive there earlier because I dared not leave the Castle, as I found no one ready except the Europeans, whereas all the others From Maccasser, 17 July 1777. had assured me of the same, in accordance with the plan fully approved by them and drawn up by me, according to which the former Pongauwa should have been on the march at four o'clock with the Malays and Palembangese to take a certain benting of the enemy situated outside the town, but whom I, despite all efforts made, could not get moving before half past five; it was still much worse with the Bonians, who also should have marched out at four or at the latest half past four to capture another benting on the northeast side, in which lay only a little over two hundred men of the enemy, and subsequently to occupy the gate opposite it, the only thing that had been asked of their entire force, but which people I could likewise not, without the utmost difficulty, induce before seven o'clock to leave their bentings, when they still advanced as slowly as if there were nothing to do. But above all, the conduct of our auxiliary troops caused me...

Dutch transcription

39. Van Maccasser Den 25 Iunij 1777 bedaag een geluckige uijt komst te geeven, geconsidereerd wy tot hier toe den vijand wel van het goede effect onser Canons en morteeren ons als 't waare trotsoerde en wij daar en boven door onse verminderende am„ munitie niet veel langer daar bij sieklende kunnen Continueeren hy zeekerlijk by verslaauwing nieuwe moed en denkelijk ook aanhang zal krijgen dan hij nu reets heeft en op 4000 koppen begroot word, Wanneer wij genoodsaakt mogten worden om het belig op te breeken alvoorens er nog een attacque gedaan word, in welk onverhoopt geval, wij gevaar loopen door hem selfs hier aangelast ten minsten in de uijterste benaauwdheijd gebragt te worden, alle het welke mij dan verpligt uw Hoog Edelhedens van deese aktelijke toestand, waar in wij thans de novo gebragt zijn bij desen eerbiedig kennisse te geeven, met Ootmoedige beide niet alleen om eene aller spoedig„ ste voldoening van de bijvoeging afaate Eijsch van ammu„ nitie alwaare, het zelfs maar verdeeld over de eerst te„ rug keerende burger vaartuigen /: die wij niet langer hebben mogen aanhouden, in weer wil van onsen geringe magt, om de Colonie niet geheel te ruimeeren, maar ook sodanige assistentie van volk als uw Hoog Edel„ hedens ons zullen kunnen bezorgen Terwijl ik voorts alweeder nedrig smeekende om een gunstige verschoo„ ning over de kortheijd die ik thans betragte al mij vol„ strekt door gebrek aan tyd, tot een langer extentie buijten Van Maccasser Den 25: Iunij 1777. buijten staat vindende te meer ik buijtende bezighe„ den die de onlusten mij hier verschaff en nog genood saekt ben oms zelfs ordre in het leger te stelleng en met de Inlandsche hoofden en de bonieas zelfs te handelen de wijl er anders nog minder zoude worden gedaan behael„ ven alles wat ik nog zoude deenen te bedeelen in om„ standigheden bestaat die tot het weesen vande zaak niets kunnen by brengen om uw Hoog Edelheedens instaat te stellen mij niet een vroegtijding ordre te munieren dit even wel niet verbij mogen de te melden dat den Welmeenende Datoe van sopping onder het instellen van deese met ruijm vijfhonderd koppen van anderen staan gevolgd te worden hier na lang wagtens is g'arriveerd den welken ik hoope dat op het gemoed der Bonieas eenige inpluentie ter goede sal te weege kunnen brengen Waar mede ik dan besluijtende zo hebbe ik het geluk na heatgrondige toebidding van 't Hemels dierbaar„ ste zegening over uw Hoog Edelhedens illustre persoo„ ven en de dierbaera belangen der Maatschappije wij met de uijterste eerbied te noemen /onderst:/ Hoog Edele Groot Agtbaare Gestrenge wijdgebiedende Heere en wel Edele Gestrange Heeren /:Lager:/ uw Hoog Edelhedens Pantsch onderdanige en getrouwe Die„ waar /:was get:/ P: G: van dervoort /in margine: Maccasser In't Casteel Rotterdam den 25: Junij 1777. 44 Aan zijn Hoog Edelheidenz. uyt myne laatste eerbiedige van den 25 Juli passato zullen uw Hoog Edelhedens hebben gezien hoe ik voorneemens hen geweest d'attacque van Ioa te hervatten wanneer de Boniers Lig„ genegen mogte toenen om d' onsen te assisteren, dit dan eijndelijk, door hun op het serieuste toegezagt en vervolgens daar toe besloten mitsgaders zelfs den dag bepaald zijnde van den 18:e husjus die ik vreugteloos getragt hadde bedekt te houden, hadde ik mij gevlyd met een geluckig suoces te kineer de magt der Boniers tot omtrend vijf duijzend koppen g'accresseert en die van onse hulp troupen, H door d' opkomst van Circa duijzend Sapingers en Tanettereesen insgelijks merkelijk vermeerdert daar toe wel dubbeld toereijkende zoude zijn geweest, maarhoe zeer d' uijtkomst mijne verwagting heeft te leur gesteld moet ik thans, met het uijterste loed„ weesen, alweeder bedeelen en uw Hoog Edelhedens dus met eerbied terkenisse brengen dat behalven 7. tie d„ Van Maccasser Den 17. Julij 1777:— d' Europeesen en eenige van onse eigene Jnlaic„ ders, nog de Boniers nog de hulp troupen sig van hunnen pligt gequeelen hebben de gantsche onderneeming vreugteloos afgeloopen des vijands moede op nieuw toegenomen en den staat der Zae„ ken gevolgelijk veel eer verergert dan verbetert is, niet Jogenstaande men wil dat den zelven wel tweehonderd dooden zoude hebben bekomen daar dat van de Europeesen die weeder alleen het spet hebben moeten afbijten, in drie man in van onse Jnlanders in een zeer kleen getal heeft bestaan ten blijkte dat te zig uijt het vuur gehouden hebben, aan welke oorsaeke de ten dien dage betoonde onwilligheijd en lachiteit onser Jnlandsche troupen diend te worden toegeschreeven kan ik onmogelijk„ begrijpen veel men bepaelen, maar zo zeer dier buijten mijne verwragting is gegaan zo bemarkte ik deselve al aanstonds bij mijne komste in het leger des nagts om half vier uuren /: aldaar niet eerder hebbende kunnen komen om dat ik het Casteel niet verlaeten duafde :/ also ik niemand dan enkel d' Europeesen geroed houd daar alle d andere. 43 Van Maccasser Den 17. Junij 1777. — anders mij het zelve verseekert hadden, over eenkomstig het door hun volkomen goedgekeur„ de en door mij om twerpen plan, volgens het welke den geweesen Pongauwa om vier uuren met de Maleijers en Poelembankeengert op maasch moeste zijnde geweest, en zeekere benting van den vijand, van buijten de stad geleegen in te neemen dog den welke ik in weer wel van alle aangewende pogingen met voor half ses uuren weg krijgen konde veel slimmer was het nog gesteld met de Boniers die almeede ten vier of uijterlijk half vijf uuren hadden behooren uijt getrocken te zijn, tot overmees„ tering van een andere benting aan de noord oostzijde, daar maar ruijm twee honderd man van den vijand inlang en aan voorts de daar tegen over gelegen poort te bezetten, het eenigste dat men van hunne gant„ sche magt geveegd hadde, dog welk volk ik niet dan insgelijks met de aller uijtraste moeyte voorzien uuren konde disponeeren om hunne bentings te verlaten, wanneer zig nog zo langsaam voort„ gingen of 'er niets te doen was. Dog boven alles baarde mij het gedrag onser hulf tacuppen.

NL-HaNA_1.04.02_3500_0058 view scan ↗

English

From Maccasser, The 17th of July 1777. troops, the greatest chagrin, since I had principally relied on them, and that everyone would be ready to begin at the appointed time, at first I had no less trouble getting them to occupy their designated places to which I could not even persuade the Sopingers and Tanettereesen at all than that I subsequently had to see with my own eyes that the foremost among them all, namely Arou Pantjana and all the others, instead of assisting the Europeans and even leading the way according to promise, let them scale the rampart without a single one of them following; so that these men, having not the least support other than a few of our own natives, found it impossible to hold out, but seemingly, if not all, at least for the greater part ran the risk of perishing, to prevent which I was forced to give orders to retreat, as also happened. Having nevertheless left them in the field up to a musket shot from the rampart, provided the news that. 45 From Maccasser, The 17th of July 1777: that the Boniers had captured the aforementioned Benting and the former Pongauwa was engaged with the enemy on the other side, to assist whom I further sent Arou Pantjana thither, I once again made every possible attempt to persuade the rest to resume the attack with the Europeans, to which they also appeared to be ready, but leading them forward myself, we had advanced only a few paces before they all shrank back again, and thus I had to abandon this enterprise and order everyone to retreat, all the more so as there was not only not the slightest hope, and the men, it having become about eleven o'clock, were utterly exhausted, but news was also brought to me in the meantime that Lacasie, having taken the deserted Benting, had abandoned it again, just as he declared to me that afternoon that he had done so because the Captain of the Malays had supposedly called him back twice in my name, which accusation I have thus far judged I ought to investigate as little as the further laxity laid to his charge, and principally his dubious conduct in many respects shown since the first unrest, which, considering everything in retrospect, makes him not a little suspected of treachery, since such an investigation at this time could have the most detrimental consequences. Meanwhile, this short narrative will, I hope, be sufficient to show Your High Noblenesses our present situation. I then still feel obliged to relate how, nevertheless considering the abandonment of the siege to be utterly unadvisable, I entered into new conferences with the native chiefs and principally the Boniers concerning the re-initiation of the attack and to keep the enemy surrounded in the meantime, all the more because on the 12th of this month not only news was received of the arrival of two thousand Sourattereesen to their assistance, but also of a large number of their nation from the interior under twenty banners, the former of which have already approached to within three hours of Ciaca and the latter to within a full day's journey, though, however, according to 117 From Maccasser, The 17th of July 1777. according to the usual dilatory nature of the natives, they have not yet appeared. Indeed, if we can only keep things going until relief comes in the form of ammunition to inflict notable damage on the enemy thereby without hazarding our men too much, and at the same time some European soldiers and seamen, whose number, apart from those killed and succumbed to their wounds, has also decreased considerably due to the death of many others from natural illnesses, then I still flatter myself with the hope of a fortunate outcome, and I pray Your High Noblenesses meanwhile to be assured that I shall strive to contribute to this everything that my abilities allow, just as I trust everyone must witness to have been done by me hitherto, having placed myself far more in danger than was pleasing to most, to obtain the said relief. Read Approved From Maccasser, The 17th of July 1777. Relief I therefore once again take the liberty to beseech most humbly of Your High Noblenesses, while I have the happiness to call myself with the utmost respect and veneration, beneath stood: High Noble, Great Honorable, Severe, Widely Ruling Lords and Right Noble Severe States, lower: Your High Noblenesses' most humble and faithful Servant, was signed: P: P: van der Voort, in the margin: Maccasser, In Castle Rotterdam, the 17th of July 1777. Examined Leefelers. Maccasser Secret Daily Register 20 October from 1776 to the 5th of September 1777. in Class: received Beside the separate letter of the 22nd of September 1777. — A . Letter N

Dutch transcription

Van Maccasser Den 17. Julij 1777. troupen, het meeste Chagrijn, dewijl ik op desel„ ve voornamentlijk hebbende staat gemaakt, en dat een ieder gereed zoude weesen om op den bepaal„ den tyd te beginnen eerst geen minder moeijte hadde om hund aangeweesene plaatsen te doen betrecken /waar toe ik zelfs de Sopingers en Tanettereesen in het geheel niet konde dispo„ neeren (als dat ik naderhand met mijn oogen moeste zien dat de voornaamste van alleen te Weeten Arou Pantjana en alle d' overige in stede van d' Europeesen 't assisteeren en zelfs volgens belofte voor te gaan, deselve den wal lieten beklom„ men zonder dat een van allen volgde; so dat die„ se geen de minste ondersteuning hebbende dan eenige van onse eijgene Jnlanders, het onmogelijk hebben kunnen houden maar apparent, zo niet alle ten minste voor het grootste gedeelte gevaar liepen van te Snuwvelen, ter verhoeding van het welk ik genoodsaakt was ordre te geeven om afte taecken gelijk ook geschiede De selve egter in het veld gelaeten hebbende tot op een snaphaan schoot van den wal mits de tijding dat. 45 Van Maccasser Den 17. July 1777: dat de Boniers de hier voorgemelde Binting ingenomen en den geweesen Pongauwa aan d' aandere zijde met de vijand bezig was, ter assisteer„ tie van den welken ik Arou Pantjana nog derwaarts zond, deed ik nogmaals alle mogelijke tentamen om de overige te disponeeren den aanval met de Europeesen te hervatten, waar toe zij ook scheenen bereed te weesen, dog deese daar op zelfs aan voerende waaren w' maigt wijnig treeden gevorderd of alle desel„ re deijns den woeder agter uijt, en dus moest ik van dee„ se onderneeming af sien alles laeten aftrecken, te meer 'er niet alleen geen de minste hoop en het volk, als omtrend elf uuren geworden zijnde geheel afge„ mat was, maar dat mij in middens ook tyding wierd gebragt dat Lacasie de wieste Benting ingenomen hebbende deselve weeder verlaeten hadde, zo als hij mij des na de middagt betuijgende gedaan te hebben uijt hoof„ de den Capitain der maleijers hem tot twee maeten uijt myn naam zoude hebben doen terug roepen, na welke beschuldiging ik tot nog toe g'oordeeld hebbe zo min ondersoek te moeten doen als na de hem verdere ten laeste 13 Van Maccasser Den 17. Julij 1777 laeste gelegde lachiteijt, en voornaamentlijk zijn be„ denkelijk gedrag en veelen op zig ten zedert de eerste ontusten betoond dat hem, alles van agteren beschouwd niet weijnig suspect maakt van ontrouw also een dier„ gelijk ondersoek in deesen tijd van de nadeeligste ge„ volgen zoude kunnen zijn ondertussen zal dit kort verhaal zo ik verhoope genoeg zijn om uw Hoog Edel„ hedens onse presente toestand te vertoonen ik vind mij dan nog gehouden te vervolgen hoe ik, d' opbaake der belogering des niet te min ten uijtersten ongerae„ den agtende, met d' Jnlandsche hoofden en voornaement„ lijk de Boniers op nieuw in Conferentie ben getree„ den over het nogmaals reentameeren van d'attacque en om inmiddens den vijand ingesloten te houden, te meer op den 12:e deeser niet alleen tijding ontfangen wierd van d' aankomst van twee duijsend Souratteree„ sen ter hunner assistentie, maar ook nog van een groot getal hunner natie uijt de binnen landen onder twintig vendelen, welke eerste tot op Ciaca drie uuren en de laats„ te tot op een groote dag reijsens reets genaderd dog egter na 117 Van Maccasser Den 17: Julij 1777. na den gewoonen talmagtigen aard der Jnlanders nog niet op gedaagd zijn Immers wanneer wij het maar kunnen gaande houden tot da t'er ontzet komt van ammunitie om den vijand daar door merkelijk aff afbauik toe te brengen zonder d' onsen te veel te hozardeeren en teffens ook van eenige Europeesche militairemen zeevarende, welker getal buij„ ten gezat dat der gesneuvelden en aan hunne worden overleedenen nog merkelijk verminderd is, door het afsterven van veel anderen aan natuurlijke zieke„ teur, zo vlije ik mij nog niet de hoope van een geluckige uytkomst en ik bedde uw Hoog Edelheedens inmiddens verzeekert tweezei dat ik daar toe alles zal tragten te Con„ tribueeren wat mijne vermogens toelae„ ten, so als ik vertrouwe dat een ieder„ zal moeten getuijgens door mij tot hier toe gedaan te zijn mij zelfs veel meer ingevaar hebbende gesteld als de omeesten behaagelijk is geweest om het gemelde ontrset. opgelezen Huverlooft Van Maccasser Den 17. Julij 1777. — Onzet neeme ik dan nogmaals de vrijheijd uw Hoog Edelheedens op het aller ootmoedigste te smeeken terwijl ik het geluk hebbe mij met de aller uijterste eerbied en veveratie te noe„ men /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtbaare gestrengen wijd gebiedende Heere en wel Edele Gestrenge Staa„ ten /:Lager:/ uw Hoog Edelhe„ dens Fantsch onderdanige en getrou„ We Dienaar /:was geteekend:/ P: P: van der voort /:in margine:/ Maccaesser In't Casteel Rotterdam den 17: Iulij 1777 Nagezien Leefelers. baccassaars Secreet Dagregister 20. october zedert 1776. tot den 5. Sept. 1777. in Cl: ontvangen Nevens de aparte brief van den 22. 7ber: 1777. — A . L„a N

NL-HaNA_1.04.02_3500_0065 view scan ↗

English

From Macasser the Secret Daily Register Sunday the 20 October Nothing occurred. The Bone Soelawattang sent the court interpreter Ince Entoe to me Monday the 21st to announce that the Bone prince Latila, mentioned under the 17th of this month, was currently in the province of Maros at the negorij Manrmissie in Jafdi, requesting on that account permission to apprehend him, to which I consented on the condition that the Soelewattang would have to take care that the Company's subjects suffer no nuisance or molest. Tuesday the 22nd to Nothing occurred. Thursday the 24th There was delivered to me by the captain of the Malays a certain Friday the 25th letter directed to him by the former Bone Pongauwa Lacasie, alias Poeana Latanro, as well as its translation, which is to be found among the appendices, principally containing some treaties of the Bone grandees in the interior. Saturday the 26th to Nothing of particular importance occurred. Sunday the 3rd November Because of the complaint brought before me by the sergeant and the schepenen at Monday the 4th Maros From Macasser the Wednesday the regarding the unwillingness of several Bone people to pay tithes, I sent a request to the Soelewattang to send an envoy alongside one from the Company thither in order to compel those unwilling persons to make payment; whereupon he gave me a promise that he would arrange for his envoy tomorrow. Tuesday the 5th the Soelewattang sent the Bone envoy Boero Padjaka to me, whom I subsequently dispatched to Maros alongside that of the Company, Carre Mandjarcki. 6th The Bone Soelewattang informed me that he intended to depart for a few days to Talantedong in the northern province, with the request that in case anything should occur during his absence, I might have the message conveyed to the Glarrang of Bontoealacq, who would attend to the affairs, for which communication I caused him to be thanked. Furthermore, at the request of the fiscal, I sent to the King of Goa for two of his subjects named Pagar and Naepe, in order to be heard in a certain lawsuit; but the prince let me know that he had already caused those fellows to be sought by his own council, From Macasser the Thursday the 7th but that they were not to be found. Nothing passed. In the afternoon, having received a report regarding a skirmish Friday the 8th between two Bone princes in the campong of the Boutonese, I immediately sent the sub-interpreter Blij thither to quell the matter or otherwise order both parties to vacate the Company's territory; whereupon he brought me as an answer that upon his arrival they had already departed and all was quiet, adding that one of the retinue of Taheene, being the son of the former Pongauwa Lacasie, was laid low and he himself slightly wounded, while the other, named Lanoerang, subordinate to the present Pongauwa Datou Baringang, had unexpectedly attacked him. The chief interpreter Brugman departed for Poelembankeeng Saturday the 9th to investigate and settle some disputes among the Company's subjects according to custom. Nothing of importance passed. Sunday the 10th There arrived here from Poelembankeeng an envoy Monday the 11th named Ambo Saena, along with the Glarrang of Montjong Komba, both in the name of the chief interpreter Brugman, From Macasser the giving to know that the subjects had reported to him how the Bone prince Arou Pateempreng in the past year had brought here a certain slave from Passier, who had been bought there by him and whom he named Sankilang, who also served as such, but having recently run away from him, taking with him his master's hip-gun, had subsequently betaken himself to a subject of Montjong Komba named Ranga. That Arou Pateempreng, having learned of this, sent an envoy to Ranga to demand his return, but that when this envoy came to the house of Ranga, where he found Sankilang, and wanting to deliver his message, Sankilang immediately seized his kris and, under many threats and demanding what he wanted to do, addressed him with these words: "Do you not know me? I am the King of Goa who fled from Ceylon," whereupon the envoy, becoming afraid, immediately left the house and returned, making known to his master this his experience. How very shortly thereafter the said Sankilang together with Ranga had managed to form a faction by From Macasser the persuading the subjects of the negorijen Bonto Leban, Bonto Cadien, and Bente Mananna to come over to their side, making them believe that he, Sankilang, was the aforementioned fled king, or rather Batara Goa; in which manner he had also tried to treat those of Montjong Komba and Poelembankeeng, having exhorted them thereto through envoys under threat of otherwise compelling them by force, while he moreover had let the Soelewattang of Poelembankeeng know that he would come to attack him; wherefore he, Brugman, requested my orders as to what they should do in this matter. Whereupon, in order to lose no time, I ordered him through the aforementioned persons sent hither, but especially through the Company's envoy Niga, to gather as speedily as possible a sufficient number of subjects from Poelembankaeng and Glissong, in order to overtake the said vagabond and to get him into their hands dead or alive, or to do away with him. After this, the Queen of Tello sent to inquire after my welfare and to request some trifles, which I caused to be sent to Her Highness. Tuesday

Dutch transcription

49 Van Macasser den Secreet Dagregister Zondag den 20 october niets voorgevallen zoud den bonijs Soelawattang bij mij den hof tolk mncentoe, ter Maandag „ 21: bekendmaking dat den bonijs prins Latila, vermeld sub 17: deeser sig thans in de provintie maros op de negorij manrmissie t Jaf„ di bevond met versoek uit dien hoofde om hem te mogen op ligten waar in ik geconsenteerd hebbe onvoorwaarde dat den soelewattang soude hebben te dorgen dat 'sComp: onderdaenen geen overlast ov molest worden aangedaan. Dingsdag den 22:„ tetb niets voorgevallen 1 Donderdag „ 24 „ „ wierd mij door den capitain der maleijers overhandigt sodanige rijdag „ 25:„ brief door den geweesen bonijs pongauwa Lacasie /alias/ Poeana Latanro aan hem gerigt als neevens dies translaet bij de bijlaagen is tevinden ten principaelen beheesende eenige verhandelingen van de bonijse grooten inde binnen landen Zaturdag den 26 tot is niets van bij sonder aanbelangd voorgevallen 1 Zondag „ 3: Nnovemb:r hebbe ik mits de klagte door den sergeant en afscheepen te Maandag „ 4: „ maars Van Macasser den woensdag „ maros bij mij ingebragt over de onwilligheijd van verscheijden boniers tit betaling van tiende den soelewattang laeten versoek en om een sendeling neevens een van de Comp: derwaarts te senden ten eijnde die onwillige tot voldoening te Constringeeren; waarop den selven wij toesigging haft laeten doen om morgen wazen sendeling te sullen besorgen. Dingsdag den 5: sond den boelewattang den bonijs tendeling boero padjaka bij mij die ik vervolgens neevens die van de Compagnie Carre mandjarcki na maros hebbe gedepecheert. 6 Liet den bonijs Soelewattang mij bekendmaken dat hij voorne„ mens was big voor eenige dagen te begeeven na talantedong in de noorder provintie met versoek om ingevalle er bij sijn absentie iets voorvallen mogte ik de boodschap mogte laeten doen aan den glarrang van bontoealacq, die desacken soude waerneemen voor welke Communicatie ik hem hebbe doen bedanken. voorts hebbe ik op versoek van den fiscaal bij den koning van goa gesonden om twee sijner onderdaanen niet naamen Pagar en naepe ten eijnde in seeker proceste worden geloord dog den vorst liet mij weeten dat hij die knapen raets Selfs 51 Van Macasser den Donderdag den 7. selfs hadde laeten soeken maar deselve niet te vinden waaren Niets gepasseert Des middags rapport ontfangen hebbende weegens een schen vrijdag „ 8 mutseling tusschen twee bonmiers princen in de campong den boutonerd sond ik ten eersten den ondertolk blij, derwaarts om de saak te stillen of beijde parthijen anaersints t ordonneeren om s Comp: territoir te ruijmen waar op hij mij tot bescheijd bragt dat z bij sijn komst reeds vertrocken waaren en alles stil was er bijvoegende dat een van het gevolg van Taheene sijnde de soon van den geweesen pongauwa lacasie neergelegt en hij selfs een weijnig gequest was terwijl den anderen met naam Lanoerang staande onder den presente pongauwa Datou baringang onverwagt op hem was aangevallen. Is den oppertolk brugman na poelembank eeng vertroo, Saturdagden 9 ken tot ondersoek en afdoening van eenige geschillen onder sComp: onderdaanen na den gebruike is niets van belang gepasseerd Zondag „ 10 arriveerde alhier van poelembankeeng een sendeling Maandag „ 11. met naame ambo saena newvens den glarrang van montjong komba beijde uit naam van aen oppertolke bring man Van Macasser den man te kennen geevende dat de onderdaanen hem hadden gerapporteerd hoe den bonijs prins arou pat eempreng in het voorleeden Jaar see „keren slaap van passier hier aangebragt hadde die door hem aldaar gekogt en hij sankilang genoemt hebbende ook als sodanig dienst gedaan dog kortelings van han weg geloopen sijnde meede genomen hebbende sijn meesters heup geweer tig vervolgens bij een onder„ daan van montjong komba begeeven hadde niet naeme ranga Dat hij arou pateempeeng daar van wettigt een sendeling bij ranga gesonden hadde om den selven te rug te Eijsschen dog dat dien sendeling bij ranga op het huijs komende alwaar hij sankilang vand en sijn boodschap willende doen sankilang aanstands na sijn kris geguepen en hem onder veele bedrij„ gingen en afvrage wat hij doen wilde te gemoet gevoert hadde deese woorden kend gij mij met ik bende van Ceijlon ge vlugte koning van goa waar op den sendeling bevreest geworden ten Eersten van het huis gegaan en te rug gekeerd was sijn meester dit sijn weedervaeren be„ kend maekende Hoe al kort daar op gemelde sankilang nevens ranga een aanhang hadden weeten te maeken door d' 33 Van Macasser den d' onderdaenen van de negorijen bonto leban bonto Cadien en bente mananna tot hun over te haelen deselve diest maekende dat hij Sankilang de voormelde gevlugte koning of wel batara goa was invoegen hij ook hadde tragten te doen die van montsong komba en poelembankeeng hun door sendelingen daar toe heb bende aoen vermaanen onder bedreijging van hun daar toe andersints met geweld te sullen noodsaeken terwijl hij den soele„ wattang van poelambankeeng daar en boven hadde laeten weeten van hem te sullen komen attaccqueeren alwaar omme hij brugman mijne ordre liet versoeken wat hun in deese soude te doen staan. waar op ik hem om geen tijd te versui„ men door gemelde herwaarts gesondene dog insonderheijd door sComp: zendeling niga deed gelasten om ten allenspoedigsten een genoegsaam getaal onderdaanen van poelambankaeng en glissong te versamelen, ten eijnde gemelde swerver te doen agterhalen en hem levendigt of dood in handen te krijgen aan wel van kant te helpen. hier na liet de komminginne van Tello na mijne welstand vragen en eenige kleenigheeden versoeken die ik haar hoogheijd hebbe laten toekomen. Dingsdag

NL-HaNA_1.04.02_3500_0070 view scan ↗

English

From Macasser the Tuesday the 12th nothing occurred Wednesday the 13th Thursday the 14th. I received verbal report via three emissaries from the chief interpreter Brugman that, immediately upon the receipt of my order mentioned under the 12th of this month, having ordered the subjects of Poelembankeeng and Glissong to join him at Pattalassan, and having also expected them yesterday morning at daybreak, before any others were with him than about fifty heads from the said village, the aforementioned wanderer with a number of about two hundred men had attacked him unexpectedly, but with this fortunate outcome that he had been put to flight, leaving behind seventeen dead, while he for his part had had only two, without it having been possible however to pursue him further, because he, Brugman, had not had enough men for that, the less so since the rebels had immediately scattered into several bands. To which report the emissaries also added that the regent of Poelembankeeng and the galaung of Montjong Komba had reduced to ashes the three villages whose inhabitants had deserted to the rebel, namely Bonto Lebang, Bonto Cadien, and Bonto Maranoe, while they further requested further orders in the name of Brugman. Whereupon I let him know again to still use every possible endeavor to get hold of that wanderer or to do away with him, and this by means of the Company's subjects. After this I sent to ask the courts of Bonij and Goa for access for the ordinary delegates for tomorrow before noon, to offer the customary puasa gifts, which according to the report of the messengers has been granted, while those sent to Goa also brought word that the King of Goa let me know he had received news from Craang Sandrabonij that the chief interpreter Brugman had been attacked on Patalassan by the known wanderer Sankilang. Friday the 15th The merchants Raket and Voll having departed to the Boelewattang of Bonij, and the junior merchant Kraane and bookkeeper Bremer to the court of Goa, with the customary puasa gifts; they having subsequently returned, the first two reported to me that they had been received by the Boelewattang alone, without any of the other present grandees of the realm having attended, and thus in a very common manner, since it has always previously been customary that two grandees received the Company's delegates below in front of the house and subsequently brought them upstairs where the King himself received them at the door. Furthermore, the delegates to Goa reported to me that the King had told them that he had caused inquiries to be made after the wanderer Sankilang in question, whether he might be Batara Goa or the fled king, but that he was not, though that wanderer was regarded as a holy man. Saturday the 16th and Sunday the 17th. On these days nothing noteworthy occurred. Monday the 18th, it was reported to me by the Company's emissary Niga in the name of the chief interpreter Brugman, who was at Poelembankeeng, that the wanderer Sankilang together with his accomplice Ranga were currently staying at the Bonij village Barana, and specifically at the house of the kali or priest, and that his following, according to the general reports, was now only very small, being estimated at barely twenty heads; wherefore he, Brugman, requested my further orders concerning them. Whereupon I gave him such an answer in writing as can be seen from the draft letter among the appendices. In the early morning, under the pretext of merely wanting to take a little ride on horseback, I betook myself to the King of Goa, whom, after some indifferent conversation, I entertained in private about the wanderer in question and whether there would be no chance to get him into our hands or to do away with him without creating much movement or commotion; pointing out that from the strange conduct of the Bonij grandees present here, to whom His Highness believed one ought to address oneself since the wanderer was in a Bonij village, not the least success could be expected; indeed, that wanting to deal with them about this would run the risk of throwing all of Celebes into turmoil, at least bringing the common people to the idea that the wanderer in fact was the one he claimed to be or else a person of distinction, and that there must therefore be great difficulty, while they would at the same time not fail to proclaim their power, and that the Company could not manage without it. Whereupon, the monarch having given a promise to sit with his grandees of the realm about this and to send me a speedy reply, I took my leave. Wednesday the 28th, there appeared before me the Tanete Prince Arou Lipoe Kassie and pabitjara Daleng Paloerang, handing over a letter from the King, making known that the Tanetorese did not dare to cultivate the paddy fields belonging under the village Lempangang, for fear of being molested therein by the people of Peana Tasia, alias Arou Pantjana, requesting my help in that regard. Whereupon I gave them to know that, I having strictly ordered Arou Pantjana to prevent his people from committing all acts of violence, and he having also promised me such, I held myself assured that the Tanetorese need not be afraid, but could proceed quietly with the cultivation, the more so since at the least that might, contrary to expectation, by the one or the other

Dutch transcription

Van Macasser den Dingsdag den 12 niets voorgevallen woensdag „ 13 Donderdag „ 14. ontfing ik met drie bendelingen van den oppertolk brugman mon„ deling berigt dat hij aanstonds op den ontfangst van mijn bevel vermeld sub 12. deeser d'onderdaanen van poelembankeeng en glis„ Jong hebbende doen beveelen om sig bij hem op pattalassan te vervoegen en sulks ook gisteren morgen verwagtende geweest zijnde met het aanbreeken van den dag eer er nog eenige andere dan die van de gemelde negorij Crca vijftig koppen in't maekende den, bij hem waaren den voormelden swerver met een aantaal van circa tweehonderd man hem op het over„ wagts hadde geattacqueerd dog met dit geluckig gevolg dat denselven met agterlating van seeventien rooden daar hij en van sijn kant maar twee hadde gehad op de vlugt ge„ jaagd was sonder dat het nogthans mogelijk was geweest hem verder te vervolgen vermits hij brugman daar toe geen volk genoeg had gehad te minder de rebellen sig ten eersten in verscheijde hoopen verstrooijt hadden bij welk berigt de zendelingen nog voegden dat de regent van Poelembankeeng enden glaunang van montjong komba de 53 Van Macasser den de drie negorijen welken inwoonderen, tot den rebel waeren overgeloo„ pen met naeme bonto Lebang bonto Cadien en bonto maranoe in dassche hadden gelegt terwijl bij verden uit naam van brugman nadere ordre versogten. waar op ik hem weeder hebbe laeten weeten om als nog alle mogelijke devoiren aante wenden om dien swerver magtig te worden of van kant te helpen en sulks door behulp van sComp: onderdaanen hier na hebbe ik aan de hoven van bonij en goa acres laeten vraegen voor d' ordinaire gecommitteerdens tegen morgen voor de middag ter aanbieding van de gewoone pocassa geschenken 't geen volgens het rapport der boodschappers geaccordeerd is terwijl die na goa gesonden nog berigt bragten dat de koning van goa mij weeten liet tijding ontfangen te hebben van Cuaang Sandrabonij dat den oppertolk Brugman op Patalassan was geattacqueerd door den bekenden swerven Sankilang zijnde kooplieden raket en voll naden boelewattang van vrijdag den 15 Bonij en d' onderkoopman kraane en boekhouder Bremer na het hof van goa vertrocken met de gewoone Van Macasser den gewoone pouassa geschenken deselve vervolgens te rug gekomen sijnde rapporteerden mij de beide eerste dat bij door den boelewattang alleen ontfangen waaren sonder dat er eenige van de verdere aanweesende rijksgrooten waaren bij geweest en aus op eene seer gemeene wijse vermits althoos bevoorens gebruikelijk is geweest dat twee groo„ „ten sComp: gecommitteerdens beneden voor het huis recipieerden en vorvolgens boven bragten daar den koning haar selfs aand= deur ontfing. voorts berigten mij de goase gecommitteerdens dat den koning hun gesegt hadde na den bewusten swerver sankelang te hebben laeten verneemen of hij ook batara goa dan wel de gevlugte koning mogte weesen maar dat hij het niet was dog dat dien swerver voor een heijlige wierd gehouden. tu Zaturdag den 16 en op deese dagen is niets noteerens waardig gepasseerd Zondag „ 17. Maandag „ 18 wierd mij door sComp: sendeling Niga uit naam van den op poelembank eeng sijnde oppertoek Brugman gerapporteerd. dat aen swerwersankelang neevens sijn Complice ranga sig thans onthielden op de bonijse negorij barana en wel op het huis vanden kalij of Priester en dat hum gevolgd na de algemeene berigten 57 Van Macasser Den berigten thans maar seer gering was als nauwelijks op twintig koppen begroot wordende wethalven hij brugman mijne nadere ordre omtrent hun liet versoeken. waar op ik hem ingeschrifte sodanig antwoord hebbe gegeeven als bij de minut brief onder de bijlaagen te boogen is begaf ik mij in den vroegen morgen onder voorgeeven van en„ kel een tourtje te paart te willen doen bij den koning van goa den welken ik na eenige indifferente discoursen in het particu„ „lier onderhield over den bewuste swerven en of er geen kans soude weesen om den selven inhanden te krijgen dan wel van kant tehelpen sonder veel beweeging of opschudaing temaeken ondervoorhouding dat men van het wonderlijk gedrag aer hier sijnde bonijle grooten aan dewelke sijn hoogheijd ver meende dat men sig diende t addresseeren vermits den swerver sig op een bonijse negorij bevond geen het minste sucres verwagten konde; Ja selfs dat men met hun daar over willende handelen gevaar liex geheel Celebes in rep en roere ten minste het gemeen en het denkbeeld te brengen dat den swerver in der daad de geene wal daar hij sig voor uit gaf dan wel een persoon van aansin Van Macasser Den aansien en dat er dierhaelven groote swaarigheijd moest sijn: terwijl sij teffens niet souden nalaeten hun vermoogen uit te krijten en dat de comp: het buiten dien niet afkonde waar op den vorst toeseg„ „ging gedaan hebbende om daar over met sijne rijks grooten te sullen sitten en mij spoedig antwoord te laten brengen nam ik mijn afschijd Woensdag den 28 verscheenen bij mij den Tanets Prins arou Lipoe kassie en pa„ bitjara daleng Paloerang onder overhandiging van ee brief van den koning te konnen geevende dat de Tanettereesen depadij velden onder de negorij lempangang gehoorende niet derfden bewerken, uit bedugting van daar inne gemoletteert te sullen worden door het volk van peana T Asia, alias / Arou pant„ Jana daar omtrent mijne hulpe versoekende waar op ik hun te kennen gaf dat ik arou pantjana rnstig bevoolen hebbende de sijnen het bedrijven van alle geweldenarijen te beletten en hij mij sulks ook beloofd hadde ik mij versee„ kert hield dat de Tanettereesen niet behoefden bevreet teweesken maar gerust met het bewerken konden voortgan te meer ik bij het minste dat er tegen verwagting door d' een of ander

NL-HaNA_1.04.02_3500_0075 view scan ↗

English

59 From Macasser the other should be undertaken, I would immediately give the necessary orders for their protection, and that for this reason I expected the aforementioned fields would be plowed and planted. Having subsequently told those emissaries that I would have the letter translated and would then have them come before me again, they took their leave. Thursday the 21st Nothing occurred. Friday the 22nd In the name of the under-interpreter, I sent the ordinary emissary Daijeng Mandjareekie to the King of Goa, under the pretext that, having expressed to him my astonishment over the delay of the promised reply, he therefore had inquiries made into the state of the matter; whereupon that emissary reported that the prince had stated that as soon as I had departed from him on the 19th of this month, he had immediately sent a trusted person to the old Tomitalang to inform him of my intention, who had made known to him not only that he was very pleased with it, but also that he would in every possible way try from Macasser the try to get the vagrant Sankilang with his complete ranga into his hands. That the said Tomilalang, to that end, had sent one of his people to the said vagrant, as it were to inquire after his health, and the latter having replied that he was very eager to see his grandfather, had subsequently requested him to come and meet him at the negorij Sonkolo, whither he had already proceeded in order to arouse less suspicion, while he was now awaiting further word there; and that when such arrived, His Highness would make this known together with its further consequences, and having furthermore added that he intended to go hunting deer for a few days, and on that occasion to take up residence at one of the negorijen around Sonkolo to be nearer at hand. Saturday the 23rd. Having caused the Tanete prince Arou Lipoekasjie and Pabitjana Daeng Paloenang to come before me again, I made known to them that the letter brought along by them, as it merely contained the reply to one of mine, required 64 From Macasser the required no special answer, and they could simply tell their master that it was well, furthermore reminding them once again of what I had said regarding the notorious paddy fields, and to admonish the king to encourage the owners to cultivate them. After this, the Boni Soelewattang informed me that he had returned from the north, for which I sent my thanks. Sunday the 24th. I received a letter from the chief interpreter Brugman, who is at Palembankeeng, which I answered on Monday the 25th, in such manner that both are to be found among the enclosures. Tuesday the 26th. The Company's and Boni's emissaries returned, mentioned on the 5th of this month, having been sent to the northern province of Maros to compel the unwilling payers of tithes thereto, but which the first-named testified to have had little effect regarding the Boniers, of whom some sought all kinds of pretexts and others kept themselves absent. Furthermore, the same reported that the Boni princes Arou Mampae, being the former King of Goa, Craeng Sapana, and Arou Maassang had departed from Maros four days ago in order, as the rumors had it, to betake themselves to the vagrant Sankilang. After this I sent the ordinary emissary Daijeng Mandjareekie again to the King of Goa for further news regarding the outcome of the Tomilalang's promise concerning the notorious vagrant Sankilang, which emissary brought as answer that Sankilang had not come to the Tomilalang at the appointed time, but had sent someone with a message that he was ill and for that reason could not fulfill his promise, while he still remained at Barana. Wednesday the 27th. A letter from the Datoua of Soping was brought to me by an emissary. Thursday the 28th. I received a letter from the chief interpreter Brugman at Poelembankeeng. Furthermore, the Boni court interpreter Moentoe came to me on behalf of the Soelewattang, making known that the former Craeng Bankala had communicated to him that the King of Goa, banished to Ceylon, was here, requesting therefore 63 From Macasser the therefore to know whether such might be true. Whereupon I ordered the interpreter to tell his master that I was well assured that it was impossible for the former king to be here, and that consequently the vagrant who passed himself off as such must be an impostor and evildoer, whose identity he, the Soelewattang, and the other grandees of the realm could discover better than I myself, as he was staying at the Boni negorij Barana, so that they needed to ask me for no clarification regarding this matter. In the afternoon there arrived here the southern regents of Bira with the subordinates of Lemo Lemo, Tana Beroe, and the Glaurang of Ara. Friday the 29th. Nothing happened. Saturday the 30th. All the Saleyerese regents who had come up were with me to take their leave in order to return home the day after tomorrow, on which occasion I ordered them to deliver the tribute in the coming year entirely in cloths once again. Furthermore, those of Mare Mare requested that their regent be discharged on account of his old age, and his son with

Dutch transcription

59 Van Macasser den ander ondernoomen mogte worden terstond de noodige ordre stellen soude ter hunner beveijliging en dat ik ui't dien hoofde verwagten wilde dat d' opgemelde velden souden worden beploegd en beplant Die sendelingen vervolgens gesegt hebbende dat ik de brief soude laeten oversetten en hun dan weeder bij mijn doen komen to namen 't hun afscheijd Donderdag den 21 viel niets voor Hebbe ik op de naam van den ondertolk blij den ordinair vrijdag sendeling Daijeng MansJareekie na den koning van goa gesonden om onder voorgeeven dat ik hen Blij mijne ver wondering over het agterblijven van soorsten toegesegd bescheyd betuijgd hebbende hij dierhalven liet verneemen na den toedragt der sacke waar op dien sendeling tot rapport bragt Dat den vorst getegt hadde hoe hij to dra als ik den 19 deser van hem gegaan was, ten eersten een ver„ trouwde hadde gesonden na den ouden Tomitalang om den selven van mijne intentie kennisse te geeven die hem hadde aoen weeten daar over niet alleen seer verblijd te sijn maar dat hij ook op alle mogelijke wijse tragten g „ 22 van Macasser den tragten soude om den swerver Sankilang met sijn Compleete ranga in handen te krijgen Dat gemelde Tomilalang ten dien eijnde, imand der sijne bij gemelde swerver gesonden hadde om quasi na sijn ge„ 9 sondheijd te verneemen, en den selven hebbende doen ant„ woorden dat hij seer verlangende was sijn grootvader te sien, hem vervolgens hadde laeten versoeken om hem op de negorij donkolo te komen vinden, werwaarts hij sig reeds begeeven hadde om te minder ergwan te verweeken, ter wijl hij aldaar als nu nader bescheijd was verwagtende en dat sulks komende sijn hoogheijd het selve met dies verder gevolg soude laeten weeten en wijders hebbende bij gevoegd dat hij voorneemens was voor Eenige daagen op de harten beeste jagt te gaan en bij die geleegentheid op een der negorijen omtrend sonkolo verblijf ten eemen om nader bij achand te weesen. Saturdag den 23. De Tanets prins arou lipoekasjie en Pabitjana Darng Paloenang weeden hebbende doen bij mij komen soo gaf ik deselve te kennen dat de door hem meede gebragte brief als enkelyk het replicq op een vandemijne vervattende geen 64 Van Macasser den geen speciaal antwoord vereijschte en bij maar enkeld aan hun meester seggen konden dat het wel was hun verder nogmaals herunneerende mijn gesegde nopens de bewutte padij velden en om den koning te vermaenen d' Eijgenaers tot bewerking van deselve aantespooren Hier na liet den bonij Soelewattang mij bekend maa„ ken dat hij van de noord te rug gekoomen was waar voor ik hebbe doen bedanken ontfing ik een brief vanden op Palembank eeng sijnde zondag den 24. oppertolk Brugman die ik op hebbe beantwoord invoegende Een en ander bij de bijla Maandag „ 25 gen is te vinden. reverteerde sComp: en Bonijs sendelingen vermelde Dingsdag „ 26 dus 5: deeser van de noorder provintie maras derwaarts gesonden om de onwillige betaalders van tiende daar toe te Contringeeren dog het geene den Eerstgem: be„ tuijgde van weijnig effect te sijn geweest omtrend de Bonijers waar van sommige allerleij voorwendsels bij tragten en anderen sig absent hielden. voorts berigten den selven nog dat de Bonijs prinsen Arou - ende Van Maccsser den anou Mampae sijnde de geweesen koning van goa Caaang Sapana en aron maassang voor vier dagen geleeden van maros ver„ trocken waaren om so als de gerugten wilden sigte begee„ ven bij den swerver sankilang hier na hebbe ik den ordinain sendeling Daijeng Mandjareckie weeder na den koning van goa gesonden om nader besheijd wegens den uitslag van des Tomilalangs toesegging betreffende der bewuste swerver sankelang welken sendeling tot antwoord bragt aat Sankilang op de bestemde tijd niet bij den bomilon„ lang gekomen maar iemand gesonden hadde met een boodschap dat sij siek was en om die reeden aan sijn belofte niet konde voldoen, terwijl hij sig als nog op Barana bleef onthouden woensdag den 27. wierd mij door een sendeling een brief gebragt van den Da„ toua van Soping. Donderdag „ 28 ontfing ik een brief van den oppertolk Brugman te Poe„ lembankeeng. voorts kwamden bonijs hof tolk moentoe bij mij int naam van den boelewattang te kennen geevende dat den geweesen Craeng Bankala hem hadde gecommuniceerd dat den na Ceilon verbannen koning van goa hier was versoekende dierhalven 63 Van Macasser den dierhalven te mogen weeten of sulks waar mogte weesen. waar op ik den tolk gelaste sijn meester te seggen dat ik wel verseekert was dat den geweesen koning ommiogelijk hier konde sijn en dat gevolgelijk den swerver die sig daar voor uit gaf een bedrieger en kwaad doender moest weesen die hij soele„ wattang end' overige rijksgrooten beeter aan ik selven ont„ decken konde wie hij was also hij sig op de Bonijse negorij Barana onthield, so dat sij mij daar omtrend geen elucidatie behoefden te vragen. snamiddags arriveerde alhier de suider regenten van Bira met de onderhoorige van Leimo Lemo Tana beroe en den glaurang van ara vrijdag den 29 niets gepasseerd sijnde gesamentlijke opgekomene salijereesen regenten bij Zaturdag „ 30:e mij geweest om hun afscheijd te neemen ten eijnde overmor„ „gen na huis te keeren bij welke geleegentheijd ik hun hebbe belast om het tribut in het aanstaande jaar nogmaals geheel in kleeden te leeveren. voorts versogten die van mare Mare dat hun regent uit hoofde van sijn ouderdom ontslagen in sijn soon met k

NL-HaNA_1.04.02_3500_0080 view scan ↗

English

From Macasser the named daing Makoeling might be appointed in his place, whom they affirmed to be the closest and most capable for that purpose, as well as desired for it by all the chiefs and subjects, which request I therefore granted and thus appointed the said daeeng Makoeling as regent. After which, having affirmed upon my question that they had nothing more to say, I dispatched them. Sunday the 1st of December nothing occurred. Monday the 2nd. In the morning, after having previously requested an audience, the second sjabandhaar of goa appeared before me in the name of his master the king, making known that since the envoy Danig mandjarekie had been with his highness on my behalf, the Tomilalang had again sent to the wanderer sankalang to invite him to his presence, but that the people of Barana had refused to allow his servant to enter that village, so that he had been forced to return without having accomplished his mission. That his highness therefore knew no further means or counsel to comply with my intention and consequently requested further orders, adding that sankilang was now said 65 From Macasser the to be not the fled king of goa, but a small grandson of the makadantana regent of bonij. I instructed the sjahbandhaer to thank the king for the friendly communication and, together with the domilalang, for the trouble taken, and to say that, just as it was quite certain that the said wanderer could not be the fled king, it seemed equally improbable to me that he could be a grandson of the regent of bonij, seeing that he had not served as a slave with an ordinary little prince for a whole year, but would certainly have betaken himself to his grandfather, and much less have raised any revolt among the Boniers as well as the Company's subjects; that for the present I could not declare myself further on the matter, but would allow my thoughts to dwell on it and would provide his highness with a further answer. After this, the lesser regents mentioned on the 28th ultimo were with me, who upon my question posed to that end affirmed that all was well in their regencies and that they had nothing to bring forward. Subsequently, upon the repeated complaints of the sergeant From Macasser the sergeant and clerks at maros concerning the unwillingness of a large number of Boniers to fulfill their obligatory corvée, I sent the under-interpreter de graaf once more to the soelewattang to complain about this and to request that they might be forced to do so, sending along a note of their names, upon which he promised me to send emissaries to maros for that purpose. In the afternoon, through the envoy mandjareki, I sent to the king of goa one of his highness's subjects named raba, who, having been tried before the Court of Justice for the murder of a Peranakan Chinese, was found innocent and acquitted, for which the prince sent his thanks to me. Tuesday the 3rd nothing remarkable occurred. Wednesday the 4th. The chief interpreter Brugman returned from Poelembankeing, rendering me such report concerning his experiences with regard to the wanderer sankilang as will subsequently be drawn up in writing and attached among the appendices. Subsequently, the Bonian Pongauwa Datou Baringang informed me through the head interpreter Moentoe that the king had sent someone from the interior to learn whether 64 From Macasser the Thursday the 5th Friday the 6th the rumor spread there was true, namely that the king of goa who was banished to Ceylon had escaped from there and was now supposed to be here; and since he, datou Baringang, could give no answer to this before he had spoken with me or obtained information from me concerning it, he would come in person if I so desired, or otherwise requested only that the interpreter be told what he should answer the king; whereupon I let him know that it would be agreeable to me if he would pay me a visit, but that in the meantime I could certainly assure him that the rebel who had set himself up was not the fled king, but indeed someone else, who could not be unknown among the Boniers, as he had already resided at Barana for a considerable time, and who, as was known, had even been brought hither from passier as a slave by a Bonian prince more than a year ago, and as such had also served his master for a considerable time, but had since run away from him. nothing noteworthy occurred. In the morning, the second sjabandhaar of goa and the prince Craeeng pattoe appeared before me in the name of From Macasser the the king, making known: That since the aforesaid wanderer Sankilang continued to reside in the Bonian village banana, whereby it was not well possible for the Macassars to get hold of him, and it was nevertheless perceived that he gained more and more following, and was even supported with money and firearms, his highness therefore had me requested to let him know what he should do, while for the cited reasons he was apprehensive that great consequences might arise from this. To which message I gave as an answer that I had already let my thoughts wander over the means that could be employed to get the aforementioned wanderer into hands dead or alive, or else to do away with him, but that as yet I saw no opportunity for this, as he would likely immediately take flight elsewhere as soon as he noticed that any force was being dispatched for that purpose, the more so because he was undoubtedly in fear himself; and that for this reason I judged it best to observe the matter a little longer, but at the same time wished to have his highness advised and requested that if he should appear under the district of

Dutch transcription

Van Macasser den met naame daing Makoeling in desselfs plaats megt aange„ steld worden die bij betuijgden daar toe de naaste en bequaamste mitsgaders door alle de hoofden en onderdaanen daar toe begeart te worden, welk versoek ik dierhalven in gewilligt en aus den gemelde daeeng Makoeling als regent benoemd hebbe. waar na Z op mijne vrage hebbende betuigd dat z niets meer te seggen hadden soo hebbe ik haar gedepecheert. zondag den 1: December viel niets voor Maandag „ 2: Des voor de middags verscheen na voor af versogt alces bij mij den tweede djabandhaar van goa uit naam van sijn meester dekoning te konnen geevende dat den Tomilalang seedert dat de sendeling Danig mandjarekie mijnent weegen bij sijn hoog„ heijt was geweest andermaal bij aen swerven sankalang gesonden hadde om hem bij sig te nodigen dog dat de volkeren van Barana sijn bediende niet hadde willen toelaeten in die negorij te komen soo dat den selven onverrigter saeke hadde moeten te rug keeren Dat sijn hoogheijd dierhalven geen middel of raad meer wist om aan mijne intentie te voldoen en dierhalven na„ der ordre versogt onder bij voeging. dat sankilang thans getegt 65 Van Macasser den gesegd wierd met de gevlugte koning van goa maar een kleen soon van den makadantana Crijksbestierder / van bonij te weesen. jk gaf den sjahbandhaer last om den koning voor de vrien„ delijke Communicatie en neevens de domilalang voor de ge„ nomene moeijte te bedanken en te leggen dat gelijk ook wel verseekert was dat aen gemelde swerver de gevlugte koning niet konde sijn het mij also onwaarschijnlijk voor„ kwam dat hij een soon van den rijksbestierder van bonij sonde weesen gemerkt hij dat geen Jaar lang bij een gemeen prinsje als slaap dienst gedaan maar tig seeker bij sijn grootvader soude begeeven en nog minder eenige oproer verwekt hebben onder de boniers soo wel als sComp: onderdaanen dat ik mij voor als nog over de saak niet nader verklaeren konde maar mijne gedagten daar over laeten gaan en sijn hoogheijd nader antwoord soude doen geworden. hier na sijn de sinder regenten vermeld sub 28 pass:o bij mij geweest die op mijne ten dien eijnde gedaene vrage betuijgden dat het in hunne regentschappen wel gesteld was en sijniets voortedragen hadden vervolgens hebbe ik op de herhaalde klagten van den sergeant Van Macasser den sergeant en afscheepen te maros weegens de onwilligheijd van een groot getal boniers om hun verpligte timdin te voldoen den ondertolk de graaf nogmaals bij den soelewattang gesonden om daar over te aoleeren en te versoeken dat 'z daar toe mog„ ten worden gedwongen onder toesending van een notitie van derselver naemen, waar op den selven mij heeft aven toeseggen om ten dien eijnde sendelingen na maros te sullen senden. Des namiddags hebbe ik door den sendeling mandjarcki aan den koning van goa gesonden een van sijn hoogheijds onder„ daanen genaand raba die bij den raad van Justitie over moord aan een parnakan Chinees g'actioneert als onschuldig bevonden vrij gesproken is waar voor aen vorst mij heeft laten bedankene Dingsdag den 3 is niets sonderlings gepasseerd. Woensdlag „ 4. reverteerde den oppertolk Brugman van Poelembankeing mij weegens sijn weedervaeren met betrecking tot aen swerver sankilang sodanig rapport doende als naderhand in geschrifte gesteld onder de bijlaagen sal worden gevoegd. vervolgend liet den bonys Pongauwa Datou Baringang mij door den hoo tolk Moentoe bekend maeken dat aekoning iemand uit de binnen landen gesonden hadde om te verneemen of 64 Van Macasser den Donderdag den 5 vrijdag „ 6 of het aldaar verspreijde gerugt in waarheijd bestond dat den na ceijlon versonden koning van goa van daar gevlugt en thans hier soude weesen, en vermits hij datou Baringang daar op geen ant„ woord konde geeven voor dat hij mij gesproken dan wel van mij informatie diendweegen erlangd hadde hij wanneer ik sulks begeerde selfs komen soude ofte anders versogt maar aan den tolk te seggen wat hij aan den koning antwoorden soude waar op ik hem weeten liet dat het mij aangenaam soude sijn wanneer hij mij een visite wilde geeven dog dat ik inmiddlens wel verseederen konde dat den rebel die dig opgeworpen heeft den gevlugte koning niet maar wel een ander was, die onder de boniers niet konde onbekend weesen als sig reets een ge„ ruijmen tijd op Barana hebbende onthouden en den welken het bekend was dat selfs door een bonijs prins voor meer dan een Jaar geleeden van passier als slaap herwaarts gebragt ook als zodanig bij sijn meesten een genuijm en tijd gediend had„ de dog zedert van hem weg geloopen was os niets noteerens waardig voorgevallen verscheenen des voor de middags bij mij de tweede sja„ bandhaar van goa en den prins Craeeng pattoe uitnaam van van Macasser den van den koning te kennen geevende Dat vermits aen bewusten swverver Sankilang sig op de bonijse negorij banana bleef onthouden, waar door het de macicassaeren niet wel doenlijk was hem magtig te worden en men nogtans vernam dat hij meer en meer aanhang kreeg, en selfs onder„ steund wierd met geld en geweeren sijn hoogheijd mij dier halven liet versoeken om te mogen weeten wat hem soude te aven staan terwijl hij om de aangehaalde reedenen bedugt was dat hier uit grootene gevolgen kenden ontslaan. op welke boodschap ik ten antwoord gaf dat ik mijne ge„ dagten reets geweg hadde laeten gaen over de middelen die er soude kunnen worden in het werk gesteld om den voorm: swerver dood of levendig in handen te krijgen dan wel van kant te helpen, dog dat ik daar toe als nog geen kans sag dewijl hij denkelijk aanstonds na elders de vlugt soude nee„ „men soo ara hij ontwaarde dat men daar toe eenige macht uit sond te meer hij buiten twijffel selfs in vreese was en dat ik uit dien hoofde best oordeelde om desaak nog wat in te sien dog te gelijk sijn hoogheijds wilde geraden en versogt hebben om als hij onder het dittrect van

NL-HaNA_1.04.02_3500_0085 view scan ↗

English

From Macasser the might come from goa, to have him attacked with all possible earnestness, as well as to that end to give the necessary orders to the people of all the negorijen and to that end to keep a watchful eye on him, at the same time giving me notice at the earliest opportunity of whatever his highness might discover concerning him. Furthermore, I sent the assistant interpreter de Graaf to the soelewattang of bonij to complain about the violence committed by the boniers at Maros regarding two European soldiers who had gone from the post to the negorij Lemo Lemo to buy some birds and one of whom had been unexpectedly robbed of his cutlass by a bonier, while the thief, having fled with it to Tallang Sallang, was pursued by them and taken into protection by the glarrang of that negorij, with the request therefore that the boelewattang would investigate this and arrange that not only should the cutlass be produced again, but that the guilty party might also be punished, which that grandee of the realm promised. Saturday the 7th. nothing occurred Sunday the 8th. Toward noon an envoy arrived here from the regent Monday the 9th. of Amabaddjing or Poelembankeeng on behalf of his master, to 9. From Macasser the make known that the wanderer Sankilang, who was still staying at Barana, had already gathered a large following of people and was provided with many firearms and assegais, and that rumors held that he intended to attack Amabadsing, requesting therefore my orders, upon which I let that regent know that he, along with all the subjects, should be on his guard without making much commotion, in order, should the wanderer carry out such an intention, not only to offer stout resistance, but also if possible to destroy him, adding that his following would likely abandon him at least for a large part upon a courageous attack, the more so because many followed him with no intention of exposing themselves to weapons. Tuesday the 10th and nothing of importance occurred Wednesday the 11th. Thursday the 12th. the southern regents of Bira, with their subordinates from Lemo Lemo, Tanna Beroe, and Ara, having been with me to take their leave in order to depart the day after tomorrow, which I permitted them, assenting to their request to be excused from the usual tribute for the coming year, on From Macasser the condition, however, that no reasons to the contrary should arise. Friday the 13th to nothing happened Sunday the 15th. After having requested an audience beforehand, the second Shahbandar Monday the 16th. of Goa came to me, making known on behalf of the king that his highness, having sent two different confidants to the notorious wanderer to ascertain who he might actually be, one of them had tried to assure him that he was indeed the former king relegated to Ceylon, or Batara Goa, and that although his highness could place no faith in the latter, he nevertheless requested to know whether I had received any news from Batavia, and made a further request that the Captain of the Malays might visit him, which latter having been promised, I instructed the Shahbandar to tell his master that a few weeks ago, besides many other private letters, I had also received dispatches from Their Right Excellencies, but therein nothing was mentioned concerning the former king, and that I was otherwise fully confident that he was still on Ceylon, the more so as it From Macasser the would be impossible for him to flee from there, or even if the contrary were assumed, that notice thereof would at least immediately be given to Their Right Excellencies, who would undoubtedly report such to me. Tuesday the 17th. Having sent the Captain of the Malays to the King of Goa pursuant to yesterday's promise, he reported to me upon his return that the ruler had made known to him that he found himself in an awkward position regarding the aforementioned wanderer Sankilang, because a certain woman who had stayed with him for four whole days not only asserted that he was truly the fled King of Goa, and upon that report several glarrangs or village chiefs with some subordinates had already gone over to him, but also some grandees of the realm had requested his highness's permission to go hunting, which had appeared very suspicious to him, since they had all recently attended a deer hunt with him, which he nevertheless had granted in order not to show any distrust, while he would nevertheless keep a watchful eye on them and inform me of the outcome. That he meanwhile could not understand why the Boniers sat 73 Macasser the From so still, as the wanderer was located in their subordinate negorij Barana, asking the captain what he thought I would do in this matter, who had replied thereto that he did not know, but believed it most likely that I probably did not consider it necessary to make much fuss about the whole matter, as I well knew that the wanderer was only a common person and by no means was or could be Batara Goa, but that I would undoubtedly let his highness know my intentions. The subordinate southern regents of Tiro, Wero, Grassie, and Lange Lange, who arrived here the day before yesterday, were with me, and upon the questions posed to that end, they testified that all was in peace and harmony in their regencies, and further requested to return home, which I granted with the recommendation to deliver their tribute of cotton yarn in a good-quality sort as soon as possible to the resident of Boelecomba, since that brought by them was found to be so bad that no use can be made of it, which they promised. Furthermore, the second Shahbandar of Goa appeared after

Dutch transcription

69 Van Macasser den van goa komen mogte hem met alle mogelijke ernst te doen aantasten mitsgaders ten dien eijnde de noodige beveelen aan het volk van alle de negorijen te geeven en ten dien eijnde op den selven een waekend oog te houden mij tefens ten eersten kennisse doende geeven van het geen sijn hoogheid omtrend den selven ontwaeren mogte voorts hebbe ik den ondertolk de graaf na den soelewattang van bonij gesonden om te doleeren over het gepleegd geweld door de boniers op maros omtrend twee Europeesche militairen die van de post gegaa„ waaren na de negorij Lemo Lemo om een dvogels te koopen en een van dewelke onverwagts door een bonier van sijn houwer beroofd was, terwijl dan dief daar meede na tallang sallang gevlugt door hun nageset sijnde door de glarrang van die negorij en bescherming genomen was, met versoek dierhalven dat de boele„ wattang daar na ondersoek doon en besorgen wilde dat de houwer niet alleen weerder te voorschijn gebragt maar ook de schuldige mogten gestraft worden het geen dien rijkt groot heeft geloofd. „Zaturdag den 7. viel its voor Zondag „ 8 tegen den middag kwam alhier een sendeling van den regent Maandag „ 9 van ama badjjng of poelembankeeng uitnaam van sijn meerten te 9. Van Macasser den „te konnen geevende dat den swerven Sankilang die sig nog op Bara„„ na onthield raets en grooten aanhang van volk versameld hadde en van veel schiet geweeren en affegaaijen voorsien was en dat de gerugten wilden dat hij voorneemend soude sijn om amabadsing t attac„ queeren met versoek dierhalven om mijne ordre waar op ik die regent liet weeten dat hij sonder veel beweeging te maeken nevens alle d' onderdaanen op sijn hoede moeste weesen om den swerver wanneer hij sodanig voorneemen ten uit voer mogte stellen met alleen cordaat resistentie te bieden maar ook des doenlijk te vernielen onder bij voeging dat sijn aanhang hem bij een manmoedige at„ „tacque ten minste voor een groot gedeelte wel nas verlaeten soude te meer veele het met geen oogmerk volgden om sig aan de wape„ „nen bloot te stellen. Dingsdag den 18 en viel niets van belang voor Woensdag „ 11 Donderdag „ 12. sijnde suider regenten van bira met sijne onderhoorige van Lemo Lamo Tanna beroe en ara bij mij geweest om afscheijd te neemen ten eijnde op overmorgen te vertrecken dat ik hun gepermitteerd hebbe met bewilliging in hun gedaan ver„ soek om aanstaande Jaar van de gewoone opkomst verschoont te Van Macasser den te blijven onder voorwaarde nogtans dat er geen reedenen voor het Contrarie souden voorkomen vrijdag den 13 tot niets gepasseert Zondag „ 15„ k wam na voor ap versogt alles bij myj de tweede Sjabandhaer Maandag „ 16. van goa uit naam van den koning te kennen geevende dat sijn hoogheijd twee diverse vertrouwelingen aan den bekenden swer„ ver gesonden hebbende om te vernemen wie hij eijgentlijk weesen mogte een derselve hem hadde willen verseekeren dat hij in den daad de na Ceijlon gerelegeerde geweesen koning af wel ba„ „tara goa was en dat of schoon sijn hoogheijd aan het laatste geen geloop konde slaan hij nogthans versogt te mogen weeten op ik geene tijding van batavia ontfangen hadde en verder instantie dat den Capitain der Maleijers eens bij hem mogte komen welk laatste toegesegt hebbende gaf ik aen sjabandhaar last sijn meesten te seggen dat ik voor weijnig weeken behalven veele andere particuliere brieven ook schrijvens van haar hoog Edelheedens ontfangen hadde dog daar in niets ver„ meld stond omtrend aen geweesen koning en ik buiten des vol„ komen gerust was dat hij sig nog op Ceijlon bevond te meer het Van Macasser den het onmogelijk voor hem waare van daar te vlugten of soo het Con„ „trarie aleens ondersteld wierd dat dan ten minste ten als en eersten daar van soude worden kennisse gegeeven aan haar hoog Edelheedens die mij sulks ongetwijffeld souden berigten. Dingsdag den 17. de Capitain der maleijers in gevolge de op gisteren gedaene toebeg„ „ging na den koning van goa gesonden hebbende bragt aenselven mij bij retour tot rapport dat aen vorst hem te kennen gegeeven hadde sig in verlegentheijd te vinden omtrend den bewusten swerver sankilang ter saeke seeker vrouw persoon die bij hem vier etmaalen lang geweest was niet alleen beweerde dat hij wee„ sentlijk de gevlugte koning van goa soude weesen en sig op dat berigt reets verscheijde glarnangs of dorpshoofden met eenige onderhoorige bij denselven begeeven, maar ook sommige rijks „grooten sijn hoogheid permissie versogt hadden om uit Jagen te gaan het geen hem te bedenkelijken was voorgekomen vermits sij Jongst alle met hem een harte beesten Jagt hadden bij gewoond het geen hij mgthans hadde g'accordeerd om geen wantrouwen te doen blijken terwijl hij nogthans een waek end oog op hun soude aven houden en mij het gevolg bedeelen. Dat hij ondertusschen niet beguijpen konde wat de bonieus zo 73 Macasser den Van so stil deed sitten daar aen sewverven sig op hunne onderhoorige negorij barana bevond onder afvrage van den capitain wat hij dagt dat ik in deesen soude doen die daar op hadde gediend sulks niet te weeten maar voor het naast te geloopen dat ik denkelijk niet noodig oordeelde om de geheele saak veel beweeging te mae„ kken als wel weetende dat aen swerver maar een gemeen persoon en geensints batara goa was of weesen konde dog dat ik onge„ twijffeld sijn hoogheijd van mijn voorneemen wel soude laeten kennisse geeven. zijn de onderhoorige suider regenten van Tiro wero grassie en lange lange die eergitteren hier arriveerden bij mij geweest dewelke op de ten dien eijnde gedaane vraege betuigden dat alles in hun regentschappen in ruste en eendragt was en voorts versogten weeder na huis te keeren dat ik geaccordeerd hebbe met recommandatie om hun tribut van cattoene garen in een deugdsaame soort, ten spoedigsten aan de boelecombas rresident te voldoen vermits het door hunneede gebragte so slegt is bevonden dat er geen gebruik van te maaken is dat sij hebben toegesegt. voorts verscheen aen tweede sjabandhaar van goa na

NL-HaNA_1.04.02_3500_0090 view scan ↗

English

From Makassar the it would be impossible for him to flee from there, and even if the contrary were assumed, then at least Their High Excellencies would immediately be informed of it, who would undoubtedly report it to me. Tuesday the 17th. Having sent the Captain of the Malays to the King of Gowa in accordance with yesterday's promise, the same brought me upon his return a report that the ruler had indicated to him that he found himself in embarrassment concerning the notorious wanderer Sankilang, because a certain female person, who had been with him for four days and nights, not only claimed that he was truly the fled King of Gowa, and upon that report several glarrangs or village chiefs with some subordinates had already joined him, but also some grandees of the realm had requested His Highness's permission to go hunting, which had appeared all the more suspicious to him since they had recently all attended a deer hunt with him; which he had nevertheless granted in order not to show any distrust, while he would nevertheless have a watchful eye kept on them and inform me of the outcome. That he meanwhile could not understand what made the Boniers sit so still while the wanderer was in their subordinate village of Barana, asking the Captain what he thought I would do in this matter, who had answered to that that he did not know, but assumed that I likely did not deem it necessary to cause much commotion about the whole matter, well knowing that the wanderer was only a common person and by no means was or could be Batara Gowa, but that I would undoubtedly inform His Highness of my intentions. The subordinate Southern Regents of Tiro, Wero, Grassie, and Lange Lange, who arrived here the day before yesterday, have been with me, who upon the inquiry made to that end declared that all was in peace and harmony in their regencies, and furthermore requested to return home, which I granted with the recommendation to deliver their tribute of cotton yarn of a good quality to the Resident of Bulekomba as soon as possible, since that brought by them was found to be so poor that no use can be made of it, which they promised to do. Furthermore, the Second Shahbandar of Gowa appeared, after previously requesting an audience with me on behalf of the King, reporting that the notorious wanderer Sankilang was currently at Barombong, and according to reports, the grandmother and mother of the fled king, Arou Palakka and Craang Bellasarie, were with him, with the request therefore to know what should now be done, adding however that it seemed inadvisable to him to attack the same there, because it was likely that the people of Barombong had had to admit him out of fear of being attacked; whereupon I gave as an answer to the Shahbandar that I would let my thoughts dwell upon the matter and make my intention known to him, but in the meantime had His Highness requested to keep as many men in readiness as quickly as possible, in order to be able to advance alongside the Company's subordinates at the first order to attack the wanderer. The Shahbandar having departed upon this, I immediately sent an emissary to Barombong to inquire whether Arou Palakka and Craeng Bellasanie were truly with the wanderer and also to investigate as much as possible what was being negotiated; who already returned in the afternoon, reporting that he had seen both princesses there himself, but had not been able to get close enough to listen to what was being negotiated; whereupon I sent him back there once more for the same purpose, and especially to ascertain if possible what the wanderer's intention is and how large his following is at present. Thursday the 19th. In the forenoon, the aforementioned emissary, Bappa Bayeendring, returned from Barombong, reporting that he had learned that the notorious wanderer Sankilang intended to depart from there tomorrow and return to Barana, and that his following still amounted to circa two hundred head. Furthermore, the Boni Sulewatang requested an audience with me for himself and the other grandees of the realm present, which I granted for tomorrow forenoon. Friday the 20th. The Sulewatang together with the grandees of the realm of Boni, namely Dato Baringang, Arou Tjiena, Arou Nanka, and the Glarrang of Bontocala, having appeared before me this forenoon, indicated that the purpose of their visit was to inquire whether the notorious wanderer Sankilang might indeed be Batara Gowa or the King sent to Ceylon, indicating that in case I assured them of the contrary, they were prepared, owing to the absence of their ruler, to execute the orders that I might give on behalf of the Company in order to seize the said wanderer and put an end to that affair. Having pointed out to them upon this question how they themselves must know quite as well as I that the aforementioned vagabond pretending to be the former King of Gowa was only a fraud, since he had kept his residence in the village of Barana ever since the attack on the Oppertoek, and which Glarrang would likely not have failed to inform them of this as was his duty, besides that they had had opportunity enough to conduct direct inquiries into the matter, and they surely could not deny having done so; they declared that it was true that the Glarrang of Barana had not failed to notify them of his arrival there, but had at the same time added that he had not known the former king, while those whom they had sent out upon that differed in their reports.

Dutch transcription

Van Macasser den het onmogelijk voor hem waare van daar te vlugten op soo het Con„ „trarie al eens ondersteld wierd dat dan ten minste ten alsen eersten daar van soude worden kennisse gegeven aan haar hoog Edelhed die mij sulks ongetwijffeld souden berigten. Dingsdag den 17. de Capitain aen malaijerd in gevolge de op gisteren gedane toekeg „ging na den koning van goa gesonden hebbende bragt aenselve mij bi retomr tot rapport aat den worst hem te kennen gegeeven hadde dig in verlegentheijd te vinden omtrend den bewusten swerver sankilang ter saeke seeker vrouw persoon die bij hen vier etmaalen lang geweest was niet alleen beweerde dat hij wee„ sentlijk de gevlugte koning van goa soude weesen en sig op dat berigt reets verscheijde glarnangs of dorpshoofden met eenige onderhoorige bij denselven begeeven, maar ook sommige rijks „grooten sijn hoogheid permissie versogt hadden om uit Jagen te gaan het geen hem te bedenkelijker was voorgekomen vermits sij Jongst alle met hem een harte beeten gagt hadden bij gewoond het geen bij nogthans hadde g'accordeerd om geen wantrouwen te doen blijken terwijl hij nogthans een waek end oog op hun soude doen houden en mij het gevolg bedeelen. Dat hij ondertusschen niet beguijpen konde wat de boniers zo 73 Van Macasser den so stil deed sitten daar aen swerven sig op hunne onderhoorige negorij barana bevond onder afvrage van den capitain wat hij dagt dat ik in deesen soude doen die daar op hadde gediend sulks niet te weeten maar voor het naast te geloopen dat ik denkelijk niet noodig oordeelde om de geheele saak veel beweeging te mae„ ken als wel weetende dat den swerver maar een gemeen persoon en geensints batara goa was of weesen konde dog dat ik onge„ twijffeld sijn hoogheijd van mijn voorneemen wel soude laeten kennisse geeven. zijn de onderhoorige suider regenten van Tiro wero grassie en lange lange die eergisteren hier arriveerden bij mij geweest dewelke op de ten dien eijnde gedaene vraege betuigden dat alles in hun regentschappen in ruste en eendragt was en voorts versogten weeder na huis te keeren dat ik geaccordeerd hebbe met recommandatie om hun tribut van Cattoene garen in een deugdsaame soort, ten spoedigsten aan de baelecombas rresident te voldoen vermits het door hunneede gebragte so slegt is bevonden dat er geen gebruik van te maaken is dat sij hebben toegesegt. voorts verscheen den tweede sjabandhaar van goa na Van Macasser den na voor aps versogt acces bij mij u't naam van den koning berig„ „tende dat den bekenden severoen Sankilang thans op barombong was en volgens de berigten bij hem waeren de grootmoeder en moeder van de gevlugte koning arou palacka en craang bel„ lasarie met versoek dierhalven om te mogen weeten water thans diende gedaan onder bij voeging egter dat het hiem ongeraden woork wam om den selven daar 't attacqueeren ter saake het denkelyjk was dat die van barombong hem unt vreese van g'attacqueerd te worden wel hadden moeten admitteeren, waar op ik aan den sjabandhaar ten antwoord gaf dat ik mijne gedagten over de saak laeten gaan en hem mijn intentie doen weeten soude dog inmiddent sijn hoogheijd versoeken liet om ten allen spoedigsten soo veel volk als doenlijk soude weeten in gereedheijd te houden ten eijnde op de eerste ordre neeven 'sComp onderhoorige te kunnen oprucken om den swerver tattacqueeren De sjabandhaer hier op vertrocken sijnde tond ik aanstonds een sendeling na barombong om 't inquireeren op arou palaika en Craaeng Bellasanie haar werkelijk bij den kwerver bevonden en teffens soo veel doenlijk uit te vorschen water verhandeld wierd die des namiddags reets weeder te rug kwam rapporteerende dat 7 Van Macasser den rapporteerende dat hij bij de princessen daar selfs gesun dog niet na bij genoeg hadde kunnen komen om het geen er verhandeld wierd te beluijstenen waar op ik hem nogmaals ten selven eijnde derwaarts te rug lond en insonderheijd om des doenlijk te ver„ neemen wat des swervers intentie en hoe groot sijn aanhang thans is In den voormiddag reverteerde van barombong den opge Donderdag den 19 melde sendeling bappa baijeendrng rapporteerende dat hij vernomen hadde dat aen bewuste swerver Sankilang voor„ „neemens soude weesen tegens morgen van daar en weeder na barana te vertrecken mitsgaders dat sijn aanhang nog Circa twee honderd koppen bedroeg. voorts liet den bonijs soelewattang voor hem ende verdere aanweesende rijktgrooten acces bij mij versoeken t welk ik g'accordeerd hebben tegen morgen voordemiddag. De boelewattang nevend de rijksgrooten van bonij met vrijdag „ 20. naamen Datoe Baringang arou Tjiena arou nanka enden glarrang van bontacala deesen voor de middag bij mij verscheenen sijnde soo gaaven bij te kennen dat het oogmerkt van hunne komste was om te verneemen of den bewisten Van Macasser den bewusten swerver sankilang ook in der daad batara goa ofde na ceijlon gesonden koning mogte weeten onder tekennen gaven dat bij ingevalle ik hun van het teegendeel verseek ende bereidwaeren om mits d' absentie van hunnen vorst de ordre die ik van wegen de Compagnie geeven mogte ten uitvoer te brengen ten eijnde den gem: swerver aan te tatten en van die saak een eijnde te maeken hun op deese vrage hebbende voorgehouden hoe sij selfs ruijm soo wel moetten weeten als ik dat den voorm: vagebond met de geweesen koning van goa maar een bedriegen waare ter saeke hij seedert het attacqueeren van den oppertoek sijn verblijf op de negorije barana gehouden hadde welken glarrang denkelijk niet soude hebben nagelaeten hun volgens pligt daar van berigt te geeven buiten dat sij gele„ gentheijd genoeg hadden gehad om daar na direct onder„ soek te doen, in sij immers niet ignoreeren konden sulks ook gedaan, te hebben soo verklaarden bij dat het waar was dat den glaurangs van barana niet versuijmd hadde hun van desselfs komst alaaar kennisse te geeven dog teffens er bij gevoegd den geweesen koning niet te hebben gekeend terwijl bij de geene die sij daar op hadden uitgesonden in hun rapporten differeerden

NL-HaNA_1.04.02_3500_0095 view scan ↗

English

87 From Makassar the some differed, claiming that he was batara goa, while others denied this, adding nevertheless that he closely resembled him. I asked further upon this whether any of the grandees of the realm themselves, or persons of distinction belonging to the realm of Boni, had been with that rover, aiming at arou palaca, Cracong bellasarie, arou mampoe, and Craang Sapana, but of this they pretended ignorance; without however letting on any further, I informed them that I was fully convinced that the frequently mentioned rover could not be the former king, but an imposter, and that since they declared they would follow my orders, I, in that expectation, would make my intentions known to them as soon as possible, whereupon, having taken their leave, I shortly thereafter sent the chief interpreter to the soelewattang to announce to him that it was my intention to send an adequate force to Poelembankeeng at the very earliest opportunity, and that such would also be done on behalf of the court of goa, and that I therefore admonished him, the soelewattang, likewise to dispatch thither as many Boneans as they could gather From Makassar the together under two military commanders, in order to attack the rover jointly, so as to capture him dead or alive, or else to do away with him. Whereupon the chief interpreter, returning, reported that having found the soelewattang alone, the latter had declared that he would consult with the other grandees of the realm about this and let an answer be known; but that Just datoe Baringang having subsequently come to the soelewattang, had related to him how arou palacca had returned that very moment from barombong and had assured him that the aforementioned rover was indeed her small king, the former king, she having spoken with him herself. Meanwhile I had dispatched the captain of the Malays to the king of goa to inform that prince, under communication of what had been discussed with the Boneans, that I intended to dispatch the captain along with the chief interpreter with armed men to poelembankeeng, requesting his highness therefore likewise to advance an adequate force thither under capable commanders, in order From Makassar the jointly to attack the rover; which his highness promised me he would do, and that he would immediately give orders to that end, with the request to be assisted with a small barrel of gunpowder and one hundred pounds of bullets, to collect which he also sent his interpreter, to whom I had a barrel of 50 lb of powder and 80 lb of bullets delivered. Subsequently, in view of the answer from the Bonean soelewattang, I sent in the afternoon once again the chief interpreter, together with the aforementioned captain of the Malays, to the same, in order to present to him that whereas I had let him know that my intention was to send troops to poelambankeeng and had requested him together with the grandees of the realm to do the same, in the expectation that they, along with me, held it to be certain that the rover in question was by no means the former king of goa, but indeed an imposter, so as to attack him with arms, I nevertheless, since they attached less belief to this than to the words of others who wanted him to be taken for the former king, now abandoned my said intention and would no longer meddle in the affair From Makassar the myself, but leave the settlement thereof to the gentlemen of Boni. Whereupon he let me know in return that having given me notice of the assertion of arou Palacca with the intention to write to the king about it and to request his highness's orders concerning it, he would at the same time attempt to persuade arou Palacca to summon Sankilang to her, promising to endeavor to bring it about that he might obtain pardon and remain here, but that he would nevertheless speak further with the other grandees of the realm about the message and would send me an answer; furthermore, I received a report from an emissary from glarrang aijeeng that the rover had departed past that place and batoe batoe along the sea strand towards the south, having with him about two hundred men, without causing any molest. Saturday the 21st in the early morning there was handed to me by the chief interpreter the translation of a Buginese document brought to him in the past night in the name of the Bonean soelewattang, to be found among the enclosures: Upon which I sent him, together with the Lieutenant of the Malays Sadulla, 81 From Makassar the Sadulla, to the soelewattang to declare to the same that since I, upon his and the other grandees' initial declaration of wanting to obey my orders with respect to sankilang, had already agreed with the king of goa to have the rover attacked, I now, in view of their further declaration to be likewise prepared for it, informed them that the Company's forces were to depart from here by sea for Poelembankeeng the evening of the day after tomorrow, and the Macassars by land, and that I consequently expected the Boneans to be dispatched under capable commanders to beijkang, in order to cut off the rover's avenue of escape and attack him simultaneously. Whereupon they brought me word that the soelewattang would speak with the other grandees of the realm and let me know their decision as soon as possible. Before noon, the Bonean interpreter moentoe came on behalf of the soelewattang to inform me that some troops from here were to depart for Leijkang to act against sankilang together with the Boneans residing around the south, and that as commanders over the expedition were appointed the

Dutch transcription

87 Van Macasser den differeerden sommigen voorgeevende dat hij batara goa was ter„ wijl anderen zulks ontkende onder bij voeging nogthand dat hij veel na den selven geleek. Ik vroeg hier op verder op er dan net eenige van de rijksgroo„ „ten selfs dan wel personagien van distinctie onder het bonijs rijk gehoorende bij dien swerver waeren geweest doelende op arou palaca Cracong bellasarie arou mampoe en Craamg Sapana maar hier van hielden bij sig ignorant sonder mij nogthans verder uit te laeten gaf, ik hun te kennen dat ik volkomen verseekert was dat den meermelte swerver de geweesen koning niet konde sijn maar een bedrieger, en dat wijl sij betuijgden mijne ordre te sullen nakomen ik hun in die verwagting ten spoedigsten mijn voorneemen soude laeten bekend maeken waar op sij hun afscheijd genomen hebbende sond ik kort daar aan den oppertoek na den soelewattang om hem aan te kundigen dat ik van intentie was ten aller eersten een toerijkende magt na Poelembankeeng tesenden en sulks ook van wegen het hof van goa geschieden soude en dat ik hem soelewattang deed vermaenen om dierhalven ook soo veel boniers als sij bij malkander Van Macasser den malkander konden krijgen onder twee krijgs hoofden insgelijks der„ waarts te depecheeren om den swerver gesaemender hand't attacqueeren ten eijnde hem dood over leevendig magtig te worden dan wel van kant te helpen. waar op den oppertolk te rug komende rapporteerder dat hij den soelewattang alleen gevonden hebbende deese betuigd hadde daar over met de overige rijksgrooten te sullen raadpleegen en antwoord te laeten weeten dog dat Just datoe Baringang daar op bij den soelewattang gekomen sijnde aan den selven verhaald hadde hoe arou palacca so momentelijk van barombong te rug gekomen en hem verseekert hadde dat den voormelde swarver in der daad haar kleen koon de geweesen koning was hebbende sij selfs met hem gesproken. ondertusschen hadde ik den capitain der maleijers na den koning van goa gedepecheerd om dien vorst onder Communi„ catie van het verhandelde met de boniers te berigten dat ik voornemens was hem capitain neevens aen oppertolk met ge„ wapend volk na poelembank eeng afte vaardigen sijn hoogheid dierhalven doende versoeken insgelijks een toereikende magt onder bequaame hoofden derwaarts te doen oprucken, ten eijnde . og Van Macasser den eijnde den swerver gelijker hand aan te tasten, het welk sijn hoogheid mij liet toeseggen en dat hij dierhalven aanstonds daar toe ordre soude geeven met versoek om g'assitteert te worden met een vaatje buskruit en een honderd ponden kogels ter afhaal van het welke hij sijn tolk meede tond aan den welke ik een vaatje van 50 lb kruit en 80. lb kogels hebbe doen afgeeven. vervolgens sond ik mits het antwoord van den bonijs soelewat„ „tang des nademiddags aan den selven andermaal den opper„ tolk neevens den voorm: Capitain der maleijers ten eijnde den selven voor te houden hoe ik hem hebbende laeten weeten dat mijn voorneemen was om volk na poelambankeeng te senden en hem neevens de rijksgrooten sulks te doen meede laeten versoeken in die verwagting dat sij sig ne„ „vens mij verseekert hielden dat den bewusten swerver geensints de geweesen koning van goa maar wel een be„ drieger waare ten eijnde hem met de wapenen aan te tasten, ik nogtans vermits sij daar aan minder geloof dan aan het leggen van anderen verleenden die hem voor de geweesen koning wilde gehouden hebben als nu van gemelde mijn voorneemen afsag en mij met desaak niet meer Van Macasser den meer bemoeijen soude maar de afdoaning van din aan de heeren boniers overlaten. waar op hij mij weeder weeten liet dat hij mij van het voorgeeven van arou Palacca hebbende laeten kennisse geeven met intentie om daar over aan den koning te schrijven en sijn hoogheijds ordre daar omtrend te versoeken, hij teffens arou Palacca soude tragten te disponeeren om Sankilang bij haar t ontbieden onder toedegging om als aan te willen bewerken dat denselven pandon erlangen en hier blijven mogte, dog dat hij egter met de overige rijksgrooten over de boodschap nader spreeken en mij antwoord soude doen toekomen, voorts ontfing ik van een sendeling: van glarrang aijeeng berigt dat den twerver voor bij die plaats en batoe batoe langs de see strand na het suiden vertrocken was Cinca twee honderd koppen bij sig hebbende sonder Eenig molest te doen. zatuudag den 21 Jnden vroegen morgen wierd wij door den oppertolk inhandigd het translaat van een bouginees geschrift hem in de gepasseerde nagt in't naam van den bonijs boelewattang gebragt sijnde onder de bijlagen te vinden: op het welk ik han neevens aen Luitenant der Maleijers Sadulla 81 Van Macasser den Sadulla bij den boelewattang sond om den selven aanteteggen dat vermits ik reets op sijne en der verdere rijks grooten eerste be„ tuijging van ten aansien van sankilang mijne ordre te willen obe„ dieeren met den koning van goa over een gekomen wat om den swerver te doen aantasten ik als nu mits hunne nadere verkla„ ring om daar toe indgelijks bereid te weesen hun ter kennisse deed brengen dat sComp: volkeren ten dien eijnde tegen overmogen avond van hier over see na Poelembankeeng stonden te vertrec„ ken ende macassaeren overland en dat ik mits dien verwag„ „ten wilde dat de boniers onder bekwaeme hoofden na beijkang souden worden gedepecheerd ten eijnde den swerver den pas tot vlugten afte snijden en hem te gelijk aan te vallen. waar op sij mij berigt bragten dat den boelewattang met de overige rijksgrooten spreeken en mij ten spoedigsten hun besluit doen weeten soude. Des voor de middags kwam den bonijs tolk moentoe mij uit naam van den soelenattang kennisse geeven dat er eenige man„ schappen van hier na Leijkang stonden te vertrecken om neevens de boniers om de buid. woonagtig tegans sankilang te ageeren en dat als hoofden over d' Expeditie waeren benoemd den

NL-HaNA_1.04.02_3500_0100 view scan ↗

English

From Makassar the the grandee of the realm Arou Thina and the emissaries Lasola and Samable, for which communication I merely had thanks conveyed. Furthermore, I also had information of this given by the captain of the Malays to the King of Goa, and that the Company's troops were to depart by tomorrow evening, with the request that those of His Highness might likewise march as soon as possible, especially to prevent the vagabond from fleeing toward the side of Goa and to hem him in, which His Highness undertook, declaring nonetheless that his people could not set out on the march before the morning after tomorrow, as it was an auspicious day. In the afternoon, an emissary from Craang Amabadjing arrived here, bringing news that the vagabond Sonkilang, having departed yesterday from Candrabonij for his former residence Barana, had en route caused the bitjara house in the negorij Pattalassan and a house in the negorij Bonij Bonij to be set on fire. Monday the 23rd, I had notice given through the under-interpreter Blij to the Queen of Tullo of the intended expedition by the Company, Bonij, and Goa against the vagabond San Kilang, From Makassar the Sankilang, with the request to likewise add to those troops as many men as feasible for Her Highness, in accordance with the contracts, which Her Highness had promised to me. In the afternoon, the chief interpreter Brugman reported that Arou Tjiena had communicated to him that he would depart from here tomorrow with the Bonijese. In the evening at seven o'clock, the ensign Van Burghof departed for the south with 31 European soldiers, alongside the chief interpreter, the captain of the Malays, and the natives. Tuesday the 24th. Nothing occurred. Wednesday the 25th. Thursday the 26th. The King of Goa, through his interpreter Naga, had me requested for His Highness's own use a few cartridges, gunpowder, and forty flints, which latter, along with six lb of the former, I caused to be delivered to that servant. Friday the 27th. Under escort of a letter from the chiefs over the Company's troops at Poelembankeeng, two prisoners were brought here belonging to the retinue of the vagabond, who, having intended to steal horses, were apprehended there. From Makassar the Saturday the 28th, I had notice given through the under-interpreter Blij to the King of Goa of the report received yesterday from the chiefs of the Company's troops in the south that several Macassar princes and lesser grandees were staying with the vagabond Sankelang, with the request to urge them amicably to abandon that vagabond and return under promise of pardon, and further to give fresh orders to His Highness's troops to keep the roads to Boris Allo, Bonto Parnang, and Parigie well blocked, in order to prevent the enemy from fleeing to that side, or, should he attempt to do so, to fall upon him with all force and especially to strive to catch the chief rebel in the trap. Whereupon His Highness let me know that, concerning the little princes who were with Sankilang, he had caused their parents and friends to be warned to recall them, since otherwise they would not be spared during the attack but treated like other vagabonds; however, that this had been of no avail, they being for the most part good-for-nothings who had always occupied themselves with gambling, robbing, and stealing, on account of which, for his part, no difficulty needed From Makassar the to be made about punishing them as such, either by taking their lives or, in case they should be captured alive, banishing them from here as slaves; that His Highness had furthermore given orders to all the commanders of the troops to block the roads to the aforementioned places, in order to prevent the vagabond from going thither, so that he would not be able to escape from that side, about which he requested that I might be at ease. Toward midday, the Tanete prince Poeana I Asia, alias Arou Pantjana, appeared before me, whom I had summoned hither following his offer to assist the Company against the vagabond Sankilang, and who now requested my orders, and also to take along with him the Bonijese prince Arou Paling Orang, who accompanied him and who, likewise offering his person for that purpose, at the same time made a request to be taken under the Company's protection; to the first having replied that I had no other order to give them than to proceed directly from here to join the commanders of the Company's troops at Amabadjing, in order From Makassar the to consult with them on what should be done, I merely made known to Arou Paling Orang, with respect to the requested protection, that I would give him an answer upon his return, whereupon they took their leave and also departed shortly thereafter. Subsequently, I dispatched back again the emissaries sent hither yesterday by the commanders of the expedition, with a letter addressed to the same. In the afternoon, it was reported to me that the Bonijese Madanrang Arou Tonne and the Tomilalang Arou Oedjong had arrived from the interior at Maros and were expected hither before long. Sunday the 29th, nothing extraordinary occurred. Monday the 30th, I received a letter from the commanders of the expedition to Poelembankeeng, containing among other things that the vagabond had broken through on the side of Goa and thus had already fled. After which news, the King of Goa having sent to enquire of me, I communicated the same to His Highness. Tuesday the 31st, I answered the aforementioned letter from the commanders of the Company's troops, and in the evening again received further writings from the same.

Dutch transcription

Van Macasser den den rijksgroot Arvu Thina en desendelingen Lasola en Samable, voor welke Communicatie ik eenlijk hebbe doen bedanken. voorts hebbe ik hier van door den capitain der maleijers aande„ koning: van goa meede laeten kennitse geeven en dat sComp: troupen tegen morgen avond stonden te vertrecken met versoek dat die van sijn hoogheijd ins gelijks ten spoedigsten marcheeren mogten insonderheijd om de swerver het vlugten naar den kant van het goase te beletten en hem in te slinten, het geen sijn hoogheijd heeft aangenoomen onder betuiging nogtans dat sijn volkeren niet voor overmorgen ochtend op marsch konden gaan als een goeden dag sijnde Des nademiddags arriveerde alhier een sendeling van Craang Amabadjing meede brengende tijding dat den swerver Con„ kilang gitteren van Candrabonij vertrocken sijnde na sijn voorige verblijfplaats barana onderwegen het bitjara huis op de negorij Pattalassan en een hins inde negorij bonij bonij hadde doen in brand steeken. Maandag den 23 hebbe ik door den ondertolk Blij aan de Koninginne van Tullo doen kennitse geeven van de voorgenoomen expeditie door de Comp: bonij en goa tegen den swerver San Kilang 6 83 Van Macasser den sankilang met versoek om intgelijks over een komstig de Con„ „tractin soo veel manschap als haar hoogheijd doenlijk soude weesen bij die troupen te voegen dat haar hoogheid mij heeft laten toeseggen. Des namiddags rapporteerde den oppertolk brugman dat arou Fjiena hem hadde gecommuniceerd op morgen met de bonijers van hier te sullen vertrecken Des avons ten seven uuren sijn den vaandrig van burghof met 31 Europeese militairen nevens den oppertolk Capitain der maleijers met de Jnlanders na de suid vertrocken. Dingsdag den 24. viel niets voor 2 woensdag „ 25 Liet den koning van goa mij door sijn tolk naga tot sijn Donderdag „ 26 hoogheids eijgen gebruik versoeken om een paer Caerdoeten buskruit en veertig vuursteenen welk laatste ik neevens ses lb van het Eerste aan dien bediende hebbe laeten afgewven„ wierden alhier onder geleijde van een brief van de hoofden vrijdag „ 27. over sComp: troupen te poelembankeeng twee gevange„ „nen gebragt onder het gevolg van den swerver gehoo„ nende die paarden hebbende willen stillen aldaar sijn opgevat hebbe Van Macasser den Zaturdag den 28 hebbe ik door den ondertolk blij aan den koning van goa kennisse doen geeven van het ontfangene berigt op gisteren vande hoofden van sComp: troupes om de suid dat sig verscheijde macassaerse princen en mindere grooten bij den swerver sankelang op hieden met versoek om deselve in der minne te doen aanmannen om dien swerver te verlaeten en weeder te rug te keeren onder be„ lofte van pardon en voorts om aan sijn hoogheijds troupes de novo ordres te geeven de weegen na boris allo bonto parnang en parigie wel betet te houden ten eijnde den vijand het vlugten na dien kant te beletten dan wel indien hij sulks onderneemen mogte hem met alle krag t overvallen en insonderheyd te be„ tragten om den hoofd riebel in de knip te krijgen waar op sijn hoogheijd mij liet weeten dat hij betreffende de printjes die bij sankilang waaren hunne ouders en vrienden hadde doen waarschuwen om de te rug t ontbieden dewijl 't andersints bij d'attacque niet ontsien maar als andere vagebonden gehandeld soude worden dog dat sulx van geen vrugt was geweest deselve meerendeels deugdnieten sijnde die sig altoos met dobbelen rooven en steelen hadden opgehouden alwaeromme er sijns aandeels geen swaarighid behoefde 83 Van Macasser den behoefde te worden gemaakt om hun als sodanig te straffen t bij haar t leeven te beneemen of ingevalle z levendig ge„ kreegen mogte worden voor slaeven van hier te versenden dat sijn hoogheijd wijders aan alle de hoofden over de troupes ordre gegeven hadde om de weegen na de voormelde plaatsen te betelten, ten eijnde den swerver te beletten sig derwaarts te begeeven soo dat hij van dien kant niet soude kunnen ontvlugten waar van hij versogt dat ik gerust mogte weesen. Tegen den middag verscheen bij mij den Tanets prins „poeana I Asia /alias /arou pantJana die ik op sijne aan„ bieding om de Comp: tegens den swerver Sankilding 't assistee„ „ren herwaarts hadde ontboden en thans mijn ordre ver„ sogt mitsgaders om teffens meede te neemen den bonijs prins aroupaling orang die hem verselde enden welken sijn per„ soon daar toe meede aanbiedende te gelijk versoek deed om onder sComp: protectie te mogen worden genomen op het Eerste hebbende g'antwoord dat ik hun geen andere ordre hadde te geeven dan om van hier direct sig te ver„ voegen bij de hoofden over s Comp: troupes op amabedsing ten Van Macasser den ten eijnde met deselve te beramen wat er gedaan diende gaf ik aan arou paling orang ten apdigte van de versogte protectie eenlijk te kennen dat ik hem bij sijn te rug komst bescheijt gee„ ven soude, waar op sij hun afscheijd: namen en ook kort daar aan vertrocken. vervolgens hebbe ik d' opgisteren van de hoofden over de Ex„ peditie herwaarts getonden sendelingen weeder te rug gedepe„ cheert met een brief aan de selve gerigt Des namiddags wierd mij gerapporteerd dat de bonijse Ma„ „danrang arou Tonne en den Tomilalang arou oedjong uit de binnen landen op maros waeren aangekomen en aerlang herwaarts verwagt wierden. Zondag den 29 viel niets bijsonders voor Maandag „ 38 ontfing ik een brief vande hoofden over de Expeditie na Poelembankeeng behelsende onder anderen dat aen dwerver aan dekant van goa doorgebroken en dus reets gevlugt was Nawelke tijding den koning van goa bij mij hebbende doen verneemen deed ik sijn hoogheijd deselve, meede deelen. Dingsdag „ 31 hebbe ik den voorm: brief van de hoofden over sComp: troupen beantwoord endes avonds weeder nader schrijvens vande„ selve

NL-HaNA_1.04.02_3500_0105 view scan ↗

English

From Makassar, the same was received, to which I again replied, besides which, on this day, Wednesday the 1st of January 17, as well as on Thursday the 2nd, nothing noteworthy occurred in this matter. Friday the 3rd, Saturday the 4th. It was reported to me by the under-interpreter Blij, whom I had ordered to send out in all directions to obtain news of the rebel Sankilang, that the rumors had it that he, with a retinue of about one hundred heads, had already gone to Borisallo and intended to approach the regent of the Company's nearby negorij Tanralili to induce him, together with his subordinates, to join him, under threat that in case of unwillingness he would force them to do so. Sunday the 5th. After this, I sent the interpreter Blij to the king of Gowa to inquire what news His Highness might have of the vagabond Sankilang, indicating that it surprised me to have heard nothing from His Highness concerning this since the first of this month. Whereupon His Highness let me know that he had received no further reports from the commanders of his troops, probably caused by the heavy flooding of the rivers which made the sending of messages difficult; that the only thing reported to him consisted of this: that the second shahbandar, having pursued the vagabond after he had already arrived at Bontoparang, along with his subordinates numbering five hundred heads, had not been able to advance so far because of the violent rainy weather, but had been forced to stay in the houses in the paddy fields under the negorij Kaballakan, not having been able to cross the river Jeneberang because of the heavy flood until two days later, when he marched towards Bontoparang and learned there that the vagabond had departed from Borisallo and moreover intended to persuade the regents and subjects of the Company's districts Tanralili and Labakkang to join him. That His Highness would nevertheless do his best to keep him away from there and keep him enclosed until such time as the weather would permit attacking him. Upon which message and that which was imparted to me yesterday, I ordered the resident of Maros, who came up here a few days ago, to depart as soon as possible to his residency, with orders to have all the chiefs over the Company's negorijen in the northern province warned to be on their guard so as not to be taken by surprise by the rebel, but whenever he might show himself, to attack him in all earnestness and if feasible do away with him, or get hold of him dead or alive. Wednesday the 6th. I received by the overland route a letter from the resident at Bulukumba and further also writings from the chiefs over the expedition to Polombangkeng, serving among other things to escort the present and dismissed gallarrangs of Barana, namely Daeng Masring and Kabba, who were taken prisoner by the Tanete prince Aru Pancana. Tuesday the 7th. On account of the positive news received yesterday from the chiefs of the expedition to the south that the rebel Sankilang has taken flight to Borisallo, I made this known to the king of Gowa through the under-interpreter Blij, requesting that His Highness would now make every possible effort either to capture him or to do away with him, even if it were by placing a bounty on his head of two hundred to 250 Spanish dollars, but especially to prevent him from seeking refuge elsewhere, namely towards the Company's northern province; indicating further that the chiefs over the Company's subjects would be ordered by the Maros resident not only to be on their guard so as not to be taken by surprise by that vagabond, but also, in case he should dare to attack them, to offer manly resistance and if possible destroy him with his entire following; that I, moreover, on the aforementioned grounds, had decided to recall hither the chiefs over the Company's troops with the men belonging here. For which communication the prince thanked me, assuring that he had already ordered the shahbandar to march directly to Borisallo with as many people as could be gathered together, to seek out and attack the rebel, while orders had also already been given as far as Parigi to occupy the roads to the Company's provinces in order to prevent him from taking flight. Furthermore, of the intended recall of the Company's troops, I likewise had notice given through the lieutenant of the Malays, Encik Sadullah, to the Datu Watang of Bone, in order also to recall the Bone people from there, adding that I would speak with him about the dispatched former and present gallarrangs of Barana as soon as I had somewhat recovered from my severe illness; for which he thanked me, requesting that Aru Cina might likewise be ordered in his name to return, further thanking me for the promise regarding the aforementioned gallarrangs, expressing that it was pleasing to him to have been informed of this intention of mine. Wednesday the 8th. It was reported to me by the under-interpreter Blij that it had been reported to him that the well-known rebel Sankilang was said to have sent an emissary to Aru Palakka, indicating that he would gladly meet with her and therefore requesting that she would choose a place for that purpose

Dutch transcription

8 Van Macasser den selve ontfangen waar op ik des weeder hebbe gemepliceed buiten het welke er op deesen dag Woendag den1 Jan: 17: zoo min als op Dondendag „ 2 iets in deesen noteerens waardig is voorgevallen. 1Vrijdag „ 3. wierd mij door den ondertolk blij die ik gelast haade Zaturdag „ 4. allerweegen uit te senden om tijding te erlangen van den re„ bel Sankilang gerapporteerd dat de gerugten wilden dat denselven met een gevolg van omtrend Eenhondert koppen rreets na barisallo en voorneemens soude sijn om den regent van sComp: daar digt. bij geleegen negorij Tanralillie aan te soeken om sig neevens sijne onderhoorige met han te vereenigen onder bedreijging van 't bij onwilligheijd daar toe te sullen noodsaeken na hebbe ik den wolke blij, den koning van goa gesonden zondag den 5: om te verneemen wat tijding sijn hoogheijd mogte hebben van den swerver Sankilang onder te kennen gave dat het mij verwondende dierweegens seedert primo deeser niets van sijn hoogheijds te hebben vernoomen. waar op sijn hogheijd mij weeten liet van de hoofden zijner Jan Macasserden sijnen troupes geen nadere berigten te hebben gekreegen den ke„ „lyk veroorsaakt door de swaare overstroomingen der reivie„ „ren die het senden van boodschap moeijelijk maakten, dat het Eenige dat hem berigt was hier in bestond dat den tweeden sjabandhaar die twerver hebbende nageset nadat den selven bereets te Bonto parang was aangekomen neevens sijn onderhoorige ten getalle van vijff honderd koppen door het geweldige reegen weer soo verre niet hadde kunnen komen maar genoodsaakt was geweest op de huisen in de padij velden onder de negorij kaballakan te ver„ toeven de revier Jeneberang door den swaere overttroo„ ming niet hebbende kunnen passeeren dan twee dagen daar na wanneer hij na bonto parang op marsch geslag en aldaar vernoomen. hadde dat den swerver van bonisalla geweeken mitsgaders voorneemens was om de regenten en onderdaanen van sComp: dittricten Tanrahilla en la„ boetang aija te disponeeren om sig met hem te vereenigen Dat sijn hoogheijd nogtans sijn best soude doen om hem van daar te weeren en ingesloten te houden tot tijd en wijle het weeder permitteeren soude om den selven te doen aantatten op 89 Van Macasser Den op welke boodschap en het mij op gisteren bedeelde ik aen rresident van maros, hier voor eenige dagen opgekomen gelast hebben ten spoedigsten na sijn residentie te vertrecken met ordre om alle de hoofden over sComp: negorijen in dewoorden provintie te doen waarschuwen om op hunne hoede te weesen ten eijnde met onverhoeds door den rebel overvallen te worden maar wanneer hij sig vertoonen mogte den selven met alle ernst aan te tasten en als doenlijk van kant te helpen of hem dood of leevendig inhanden te krijgen. ontfing ik over den land weg een brief vanden resident woensdag den 6 te Boelecomba en voorts ook schrijvens van de hoofden over de Expeditie na Poelembankeeng, onder anderen dienende ten geleijde van de door den Tanets prins arou PantJana gevangen genoomen preesente en afgesette glarrangs van Barana met naeme Daeng Masring en Kabba mits d'opgisteren vande hoofden den Expeditie nade Dingsdag „ 7. suid ontfangene positive tijding dat den rebel sanki„ lang de vlugt genoomen heeft na Bonisallo hebbe ik door den ondertoek Blij aanden koning van goa daar van doen kennisse geeven met versoek dat sijn hoogheijd Jan Macasser den hoogheid als nu alle mogelijke pogingen mogte aanwenden om hem of inhanden te krijgen of van kant te helpen alwaare het ook door het stellen van een premie op sijn lijf van twee honderd a 250 sp:s dog voor al om te beletten dat hij niet elders de wijk en wel na sComp noorder provintie kwame te nee„ „men onder verdere te kennen gave dat de hoofden over sComp: onderdaanen door den maros resident souden worden bevolen om sig niet alleen op hoede te houden ten eijnde door dien vage„ bond niet onverhoeds overvallen te worden maar ook om in Cas hij onderstaan mogte hun t attacqueeren manmoedig resistentie te bieden en hem des mogelijk met sijn geheelen aanhang te vernielen dat ik voorts uit hoofde voorsz beslooten hadde de hoofden over sComp: troupen met de hier t huis hoorende manschap herwaarts 't ontbieden. voor welke bekendmaeking den vorst mij deed bedank„ met verseekering dat hij den sjabandhaer reets last gegeeven hadde om met soo veel volk als er maar bij den anderen te krijgen was direct na borisallo op marsch te slaan den rebel op te soeken en aan te tasten terwijl er meede reets tot aan parigie toe ordre was gesteld om de weegen na sComp: provintien 94 Van Macasser den provintien te besetten ten eijnde den selven te beletten om de vlugt te neemen. voorts hebbe ik van het voorgenoomen op ontbod van sComp: troupen door den Lieutenant der maleijers Intje sadulla in„ gelijks laeten kennisse geeven aan den doelewattang van bonij ten eijnde ook de boniers van daar meede te rug t ontbieden onder bijvoeging dat ik met den selven soude spreeken over de opgesondene geweesen en preesente glarnangs van Barana soo dra ik van mijne swaare siekte eenigsints tot beterschap soude weesen geraakt waar voor denselven mij deed bedanken met versoek dat aron Tjiena uit sijn naam mogtworden gelast insgelijks maar te rug te ko„ „men mij voorts voor de toesegging omtrend de voormelde glarrangs avende bedanken onder betuiging dat het hem aangenaam was deese mijne intentie te hebben mogen weeten wierd mij door den ondertolk Blij gerapporteerd dat woensaag den 8. hem berigt was dat den bekenden rebel san Kilang een sendeling soude hebben gesonden bij arou palacca met te kennen gave van haar gaarne te willen ontmoeten en dierhalven te versoeken dat sij een plaats daar toe wilde

NL-HaNA_1.04.02_3500_0110 view scan ↗

English

From Macassar, the wished to designate, but that she had let him know she could give no positive answer thereupon before and until he should have spoken with the Bone Mandanrang, who was about to come hither and was already at Maros. Thursday the 9th, nothing occurred worthy of note herein. Friday the 10th, the chiefs of the Company's troops for the expedition to the south returned with the local peoples belonging here. Saturday the 11th, I notified the King of Gowa of the aforementioned return of the Company's troops, with repeated admonitions to employ everything possible in order to get the rebel into hands alive or dead; which the prince once again promised me, communicating that he had also ordered the two Tomilalangs, who had been chiefs over his troops to the south, to depart for Barisallo, while he requested me to give orders to the Todolimas, chiefs over the Company's subjects at Maros, to position themselves with their subordinates at Tanralili, where he had learned that the rebel intended to go, in order to attack him in such a case. Further, 93 From Macassar, the further, I likewise caused the Sulewatang to be informed of the return of the Company's troops, and this through the assistant interpreter Blij, who upon his return reported to me that he had not found him at home, but had learned that he had gone to the Mandanrang and Dedjong Panna, who was said to have arrived here yesterday in secret from Maros. The Tanete Prince Aru Pancana subsequently having requested access to me through the Captain of the Malays, and at the same time for an answer to the petition of the Bone Prince Aru Salingorang, I declined the former on the grounds of my weak physical condition, but at the same time had him thanked for his assistance rendered to the Company, with the notification that he might simply depart for Segeri so that his people might begin planting padi; while regarding Aru Salingorang, I let him know that I could not take the same into the Company's protection upon a mere request, as I had done with him, Aru Pancana, and the former Bone Ponggawa Lacasie, since that had taken place with the consent of the first-mentioned's mother and the other's father. Furthermore, From Macassar, the furthermore, the emissary also reported that Karaeng Sapana had indeed departed for Teheere on the orders of Aru Palacca under the promise of going to the rebel, but that he had declared to the Mandanrang that he had no intention whatsoever of doing the latter, and would only do the former to give an appearance of satisfaction. Upon the complaints received from Maros via a letter from the resident concerning threatened violence by the matowa of the Bone negorij Data ri Tanga, having sent the chief interpreter to the Bone Sulewatang to admonish him to make provision against it if he did not wish to experience my taking the most severe satisfaction, he sent word to me in reply that he knew nothing of the matowa's alleged actions, much less had given orders thereto, and that he would send an emissary to the same to forbid him from committing violence. Whereupon I gave notice hereof to the resident by letter and instructed him on what was necessary, and for the better execution thereof, having sent the ordinary emissary Daeng Mandjanki thither. Has 97 From Macassar, the Wednesday the 15th, Nothing worthy of note occurred. Because of the still outstanding answer promised by the Bone Sulewatang Thursday the 16th to the grievance and demanded satisfaction for the robbery of a cutlass from one of the European post-holders at Maros, having again sent the minister to him, he let me know that he had obtained no clarification around it thus far, but at the same time requested that a Company emissary might be sent with one of his to Maros, and the resident be ordered to send the robbed man along to the negorij Tallang-Tallang in order to point out the house to which the thief had fled; to which latter I had given orders. On the occasion that I had Daeng Manambong, the extraordinary emissary, Friday the 17th. inquire after the health of the King of Gowa, he brought me upon his return, in the prince's name, the news that Karaeng Paganackang had passed away during the past night, having been ill for only a few days, so that people attribute his death to grief over the rebel Sankelang, whom he, like his people, had regarded as the true Batara Gowa or former fugitive king. Subsequently, From Macassar, the subsequently, the Bone Sulewatang sent the interpreter Passierie to me to complain that a certain Karaeng Pagang, the Company's subject at Siang, was said to have caused various padi fields of Aru Lompo Rippa to be taken away, with the request that the restitution thereof might be ordered; whereunto I let him know that tomorrow I would send one of the Company's emissaries with one of his to Siang in order, if finding the matter to be so, to satisfy his request. Meanwhile, he also made known to me that he would dispatch another emissary named Tamalalang to Maros to investigate the stolen sidearm in question, who also departed thither in the evening with the Company's Ambo Sa Ena. Saturday the 18th, I sent the emissary Daeng Manambong to Siang with such orders as stated under yesterday's date. Sunday the 19th, nothing occurred. Monday the 20th, the Company's emissary Daeng Mandjanki returned from Maros, bringing along a letter from the resident. Tuesday the 21st, upon the complaints presented to me by the Captain of the Malays in the name of the former Bone Ponggawa Lacasie, that some of his

Dutch transcription

Van Macasser den wilde bestemmen dog dat sij hem hadde laeten weeten daar op geen positive bescheijd te kunnen geeven voor en al eer bij met den bonijs Mandanrang die herwaarts stond te komen en dig bereets op maros bevond soude gesproken hebben. Donderdag den 9 viel niets voor waardig in deesen te noteeren vrijdag „ 10 sijn de hoofden van sComp: troupen voor d' Expeditie nade suid met de hier thuis hoorende volkeren te rug gekomen Zaturdag „ 11 hebbe ik van de opgem: te rug komst van sComp: troupen aan den koning van goa doen kennisse gewven onder herhalde aanmaaning om dog alles wat mogelijk is te werk te stellen ten eijnde den rebel levendig of dood inhanden te krijgen het geen den vorst mij andermaal heeft doen toeseggen onder communicatie dat hij de beijde Tomilalangs die als hoofde„ over sijne troupen na de sind waaren geweest gelatthadder meede na barisallo te vertrecken terwijl hij mij liet versoeken om ordre te geeven aan de Jodolimas hoofden over sComp:s onderdanen te maros om met hunne onder„ hoorige sig te potteeren op Tanralilie alwaar hij vernomen hadde dat den rebel van sints was sig te begeeven ten eijnde hem in sodanig geval t attacqueeren. wijders 93 Van Macasser den wijders hebbe ik den soelewattang insgelijks aoen verwittigen van de terug komst van sComp: troupen en sulks door den ondertolk Blij die mij bij te rug komst rapporteerde den selven met 'thuis gevonden maar vernoomen te hebben dat hij gegaan was bij den Madanrang en dedjong Panna den welken gisteren in stilte van Maros alhier soude weesen g'arriveerd Den Fanets Prins arou pantjana vervolgens acces bij mij heb„ „bende laeten versoeken door den Capitain aer maleijerd en teffens om antwoord op de instantie van den bonijs prins aron Saling orang soo hebbe ik het Eerste op fundament van mijne swacke lighaams gesteldheyd ontlegt dog hem teffens aven bedanken voor tijne aan de Comp: beweesene assistentie met met aan„ kundiging dat hij maar na sagerij konde vertrecken, ten eijnde zijn volk met het planten van paaij te aven beginnen terwijl ik hem ten opsigte van arou Palingorang deed weeten denselven op een enkel versoek niet in 'sComp: protectie te kunnen neemen gelijk ik hem arou Pantjana en den ge„ „weesen bonijs pongauwa Lacasie gedaan hadde also sulks geschied was met bewilliging van des eerstgemelde moeder en des anderens vader voorts van Macasser den voorts hadde den uitgesondene nog berigt dat Craaeng Sapana wel op d'ordre van Arou Palacca vertrocken was na Teheere onder toesegging van dig bij den rebel te begeeven dog dat hij aan den madanrang haade betuigd het laatste geen sints van intentie te sijn en het eerste maar te sullen doen om in schijn genoegen te geeven. op de van maros bij een brief van den resident ontfangene klagten over bedreijgde geweldpleging door den matoua vande bonijse negorij Data ri Tanga den opertolk aan den bonijs soelawattang hebbende gesonden om hem aan te maanen daar tegen voorsieninge te doen bij aldien hij niet wilde ondervinden dat ik eene aller ernstige satisfactie kwam te neemen so liet hij mij in antwoord seggen van des matorias voorgewven niet te weeten veel min daar toe ordre gegeeven te hebben en dat hij een sendeling aan den selven soude senden om hem het pleegen van geweld te verbieden. waar op ik aen resident hier van bij brieve kennisse geg„ van en hem het nodige gelast mitsgaders ter beter uitvoering van dien den ordinaire sendeling danig mandJarekie derwaarts gesonden hebbende. Is 97 Van Macasser Den woensdag den 15 Is niets nooteerens waardig voorgevallen. Mits het nog agterblijvend antwoord door aen bonix belewattang Donderdag „ 16 toegesegt op de doliantie en gevonderde Satisfactie voor het rooven van een houwer van een der europeesche pottelingen op maros weeder bij den minister gesonden hebbende liet hij mij weeten daar omtrend tot nog toe geen elucidatie te hebben erlangd dog te gelijk versoeken dat een sComp„s sendeling met een van hem na maros mogt gesonden enden resident gelast worden den beroofden na de negorij Tallang Tallang meede te geeven ten eijnde aanwijsing te doen van het huis daar den dief op gevlugt was tot welk laatste ik ordre gegeeven hadde Bij geleegentheijd dat ik naar de gesondheijd van den ko„e vrijdag den 17. „ning van goa deed verneemen door den Extra ordinaire sen„ deling Daing manambong bragt deese mij bij te rug komst uit s vorsten naam tijding dat Craeeng Paganackang inde gepasseerde nagt overleeden was maar weijnig dagen siek geweest sijnde soo dat men sijn dood toeschrift aan cagrijn over den rebel sankelang die hij eeven als sijne vol„ kenren voor de regte batara goa of geweese gevlugt koning hadde gehouden. vervolgens Van Macasser den vervolgens sond den bonijs toelewattang den tolk Passierie bij mij om te doleeren dat eenen Craaeng Pagang sComp: onder„ daar op siang diverse padij velden van aron Lo moripa soude hebben doen weg neemen met versoek dat de restitutie van dien bevoolen mogte worden waar toe ik hem hebbe laeten weeten op morgen een van sComp: sendelingen met een van hem na biang te sullen senden ten eijnde de saak dus bevindende aan sijn versoek te voldoen. ondertusschen liet hij my teffens bekend maeken dat hij een ander sendeling Tamalalang genaamd na maros soude afvaar„ digen tot ondersoek na het bewuste geroofde sijd geweer die ook des avonds met die van de Comp: Ambo sa Ena derwaarts vertrocken is Zaturdag den 18. hebbe ik den sendeling Daang Manambreng na biang gesonden met soodanig bevel als onder dato gisteren vermeld staat 19 viel niets voor Zondag Maandag „ 20 reventeerde s Comp: zendeling Danig mandjancki van maros meede brengende Een brief vanden resident. Dingsdag „ 21 op de mij voorgedraegene klagten door den Capitain der malijers uit naam van den geweesen bonijs Pongauwa Lacasie dat eenige zijner

NL-HaNA_1.04.02_3500_0115 view scan ↗

English

From Macasser the his paddy fields on Sagerij were said to have been surrendered by the holo to the Prince Aron Pantjana, I sent the ordinary envoy Daeeng Manajarekie to Maros in order to inquire about this with the interpreter Israel Pietersz, who was ordered by me to have some fields that were not cultivated or uncultivated land pointed out to said prince by Lomo for that purpose, but no children's fields belonging to others that were being cultivated. Wednesday the 22nd to Saturday the 25th, nothing occurred. Sunday the 26th, the Company and Bone envoys who had departed thither on the 17th ultimo returned from Maros, bringing with them a letter from the resident from which it appears that payment has been offered for the stolen cleaver. Toward evening, it was reported to me by the chief interpreter and the Captain of the Malays that just now an envoy had come to the last-mentioned on behalf of Taheere, a son of the former Bone Pongauwa Lacasie, with news that the present Pongauwa Datoe Baringang had gathered some men together in order to attack, abduct, and kill him, who is lodging in the Campong Bouton, tonight; on which account he, the captain, requested my orders in that regard. Whereupon I ordered him, as well as the chief interpreter, to keep a good watch, and as soon as they might notice that Datoe Baringang actually has such an intention or might make any movement, to notify him beforehand to refrain from committing violence, and if he should not listen to that, to give me notice thereof even if it were in the middle of the night. Monday the 27th, the Captain of the Malays came in the early morning to report to me that nothing had come of the rumors concerning the intention that Datoe Baringang was said to have had, but that everything had remained quiet. Tuesday the 28th to Thursday the 30th, nothing occurred. Friday the 31st, the Soelewattang of Bone had an audience requested with me for the gallarrang of Bontoealacq for tomorrow, and for the Tomilalang alongside the Madanrang, communicating their arrival from the interior, likewise, but for next Monday, both of which I agreed to. Saturday the 1st of February, in the forenoon, the gallarrang of Bontualacq came to me on behalf of the Soelewattang, requesting that the gallarrang of Barma, Daeng Matsing, who was taken prisoner as mentioned under the 8th ultimo, might be surrendered to the court of Bone or be set at liberty, since he had not intentionally but out of necessity granted lodging to the known wanderer Sankilang and had by no means conspired with that vagabond as had the former gallarrang Cabba, whom he, the Soelewattang, requested on the other hand might be sent away from here; which request was granted by me, in consideration of the fact that the first-mentioned is likewise held innocent by the chiefs of the expedition. For which reason, having had the same fetched from the prison, I returned his kris to him with an appropriate address, for which he expressed his thanks, indicating that he would always conduct himself faithfully both toward the Company and Bone. Subsequently, upon the complaints presented to me on behalf of the Pongauwa Datoe Baringang concerning the gallarrang of Bontoa on Maros, who was said to have prevented the Jennang Tosaripa from cultivating some paddy fields near Balosie, I ordered the chief interpreter Brugman to establish orders that those fields be cultivated by the previous laborers, leaving the gallarrang of Bontoa the liberty, whenever he believes he has a claim to those fields, to present the same after the tithing. Sunday the 2nd, nothing occurred. Monday the 3rd, in the forenoon, the following dignitaries of Bone appeared before me, namely: The Madanrang, the second Tomilalang, the Soelewattang, Arou Toura, the Pongauwa Arou Panjeli, and the gallarrang of Bontualaiq. After having taken a seat, they indicated that they were sent by their master, the King, to inquire after my well-being and to request the settlement of what the former Pongauwa Lacasie owed to the realm. Whereupon I made known to them that having already received, besides 12 blunderbusses and two flintlocks, a sum of eighty Spanish rixdollars from Lacasie, I had offered the same to the Soelewattang, but the same had refused acceptance thereof, indicating that he would accept nothing less than the entire sum demanded of him; but that Lacasie had brought against this that he was not bound to such payment, because the additional 120 Spanish rixdollars were calculated for the usual double fine on account of the sold and redeemed corpses' people, which in a similar case had not been paid by his father, the late king, when he, taken into the Company's protection, lived in Campong Baroe. That I, not having been able to judge on that matter, had left it at that, but retained the aforesaid 80 Spanish rixdollars. The Madanrang replied thereto that it might well be that Matinroa Malimongang, the deceased King, had had a similar case, but that the matter in question concerning Lacasie had still during His Highness's lifetime been settled in such manner that the fine had likewise been imposed on him, the more so as he was at that time not yet under the protection of the Company. That they would, however, inspect the papers further and let me know the outcome, requesting me in the meantime to keep the aforementioned eighty Spanish rixdollars along with the firearms in my custody, which I promised. This being their entire message, I inquired after the condition of their King and when the same was to return hither; whereupon the Madanrang answered that

Dutch transcription

99 Van Macaser den zijner padij velden op sagerij door den holo souden weesen afge„ staan aan den prins Aron Pantjana hebbe ik den ordinair sende„ „ling Daeeng Manajarekie na maros gesonden ten eijnde sig daar omtrend 't informeeren bij den tolk Israel Pietersz den welken door mij is gelast om aan gemelde prins Eenige velden die niet bewerkt wierden dan wel onbebouwd Land daar toe door Lomo te laeten aanwijsen maar geen kints velden die anderen toegehoorende bewerkt wierden. woensdag den 2e' tot is niets gepasseerd Zaturdag „ 25 reventeerde van maros de op den 17 passato na derwaarts zondag „ 26 vertrockene sComp: en bonijs sendelingen meede brengende een brief van den resident waar bij blijkt dat voor de geroofde houwer betaling aangeboden is Tegen den avond wierd mij door den oppertolk en Capitain der maleijers gerapporteerd dat so even een sendeling bij den laast gem: gekomen was uit naam van Taheere een soon van den geweesen bonijs Pongauwa Lacasie met berigt dat den presenten Pongauwa Datoe Baringang eenige manschappen bij den anderen versamelt soude hebben om hem die an de Campong Bouton Van Macasser den Bouton huisvest deesen nagt 't overvallen op te ligten en om te brengen weshalven hij capitain mijne ordre daar omtrend versogt. waar op ik hem soo wel als den oppertolk bevolen hebbe goede wagt te houden en to dra sij bespeuren mogten dat Datou Ba„ „ningang werkelijk sodanige intentie hebben of wel Eenige be„ weeging maeken mogte hem te aven aanseggen om sig voor het pleegen van geweld te wagten en so hij daar na niet luitteren mogte mij alwaare het in het midden van de nagt daar van kennisse te geeven Maandag den 27. kwam den Capitain der maleijers mij in den vroegen morgen rappor„ „teeren dat van de gerugten weegens het voorneemen dat Datou Baringang soude hebben gehad niets gekomen maar alles stille gebleeven was. Dingsdag „ 28: tot, niets gepasseerd Donderdag „ 30 vrijdag „ 31 Liet den Soelwattang van Bonij aices bij mij versoeken voor den glaurang van Bontoealacq tegen morgen enden Tonilalang nevens aen madanrang onder Communicatie van hun arrive„ „ment uit de binnen landen insgelijks dog tegen aanstaande maan„ dag welk een en ander g'accoudeerd hebbe Zaturdag „ 1: februarij kwam des voor de middags bij mij den glanrangs van 104 Van Macasser den van bontualacq uit naam van den soelewattang versoekende dat den glarrang van barma Daeng Matsing die na het ver„ melte onder den 8 passato gevangen genomen is aan het hof van bonij mogte overgegeeven aan wel op vrije voeken gestelt wor„ den also denselven niet met opset maar door nooddwang ver„ blijf aan den bekenden swerven sankilang vergunt en geen„ sints met dien vagebond saemen gespannen hadde so als wel den geweesen glarrang Cabba die hij boelewattang daar en tegen versogt dat van hier versonden mogte worden in welk versoek door mij is bewilligt uit aanmerking dat den eerst„ gemelde door de hoofden over de Expeditie ins gelijk onschuldig word gehouden weshalven ik den selven van de tronk heb„ bende doen haelen hem onder een toepasselijke aanspraak sijne kris te rug gaf waar voor hij sijne dank betuigde onder te kennen gave dat hy sig altoos so ten aansien van de Comp: als bonij getrouwe gedragen soude vervolgens hebbe ik op de mij voor gedraageklagten uit naam van den pongauwa Datou Baringang over den glara„ rang van bontoa op maros die den Jennang Tosaripa soude hebben belet eenige padij velden bij balosie te bewerken den Van Macasser Den den oppertolk Brugman gelast om ondre te stellen dat dievelden door de voorige arbeiders bewerkt worden, aan glaurang bontoa de vrijheijd laetende om wanneer hij op die velden pretensie ver„ „meend te hebben deselve na de vertiening voor te dragen. zondag den 2: viel niets voor Maandag „ 3. des voormiddags verscheenen bij mij de volgende rijksgrooten van Bonij als. Den madanrang den tweede Tomilalang den boelewattang arou Toura den Pongauwa arou panjeli enden glaurang van Bontualaiq, na genomen ditplaats te kennen geevende door hun meester den koning gesonden te sijn om na mijne welstand te informeeren en te versoeken om de voldoening van het geene den geweesen pongauwa Lacasie aan het rijk schuldig was. waar op ik hun te kennen gaf hoe ik reets behalven 12: donderbussen en twee snaphaanen een somma van Tagtig ord:s spaans van Lacatie ontfangen hebbende deselve aan den soele„ wattang hadde laeten aanbieden dog den selven dus acceptatie hadde geweijgert onder te kennen gave niet dan de geheele somma die men van hem pretendeerde te sullen ontfangen dog dat Lacasie daar tegen hadde ingebragt tot dus voldoening niet 183 Jan Macasser den niet gehouden te sijn ter saeke de meerdere 120: rd:s spaans waaren gereekend voor de gewoone dubbele boete wegens „de verkogte en weeder uitgeloste lijk volkeren dewelke in een gelijk standig geval door sijn vader de laast overleeden koning wanneer die in sComp: protectie genomen in campong baroe woonde niet waaren betaald Dat ik over die quette niet heb„ „bende kunnen oordeelen het daar bij hadde gelaten dog de voorsz: 80 Ed:s spaans aangehouden den madanrang repliceerde daar op dat het wel sijn konde dat Matinroa Malimongang, d'over„ leedene koning/ een diengelijk geval hadde gehad dog dat het in quetti sijnde betreffende Lacasie nog bij sijn hoogheijd leeven in dienvoegen was afgedaan dat hem de boete ins ge„ lijks was opgelegt, te meer hij avenmaals nog niet in protectie vande Comp: was geweest. dat sij egter de papieren nader na„ sien en mij bescheijd souden laeten geeven versoekende mij intusschen de meerm: Tagtig rd:s spaans neevens ae geweeren onder mij te houden dat ik toeseijde. Dit hun gantsche boodschap sijnde so vroeg ik na den toestand van hun koning en wanneer den selven weeder her„ waards stond te komen waar op den Madanrang antwoorde dat

next →