Inventory 3500
Japan · 1,446 pages · 247 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Macasser, the that his highness found himself very well, though he knew nothing of his return other than that it would at least not happen for the time being, considering his highness was busy having a house built in the settlement of Awang Pone. After which he requested again to obtain proper elucidation as to whether the known roamer Sankilang might also be the former king of Goa who was banished to Ceylon, of the contrary of which I assured him with reasons repeatedly brought forward in this regard, upon his further notification that, notwithstanding Sankilang was merely a roamer and vagabond, great consequences could nevertheless arise from his enterprise, since he had learned that his following was indeed increasing again; serving further that one had to await this, but that I saw no difficulty therein if the Boniers, alongside the other allies, were to display as much seriousness as the Company whenever the matter might require attacking that vagabond once again. Tuesday the 4th. Nothing occurred. Wednesday the 5th. The Bonij Tomilalang had me asked through the interpreter Passem whether I also desired to accept slaves in deduction of the state debts at 60 rijksdaalders a head, as he had heard that the Company here paid that for them; whereupon I let him know that this only occurred on the condition of delivering them to the artisan quarter at Batavia, and that I therefore would accept no slaves for that, but if he wished to provide healthy people, I would accept them for fifty Dutch rijksdaalders a head; not having been permitted to embrace that offer because the Company would not be able to manage with it, since the delivery would probably take place during the time that there is no opportunity for shipment, when slaves are at the lowest price, besides that fraud would undoubtedly slip in. Thursday the 6th until Sunday the 9th. Nothing occurred. Monday the 10th. Toward noon the king of Goa had delegates requested from me for next Thursday, with the request that I would not take it amiss that he did not come himself, as he found himself unable to do so due to indisposition, to which request I consented, as well as to that of the madanrang of Bonij for the Tomilalang and some other grandees of the realm against Wednesday or the day before. Tuesday the 11th. Nothing particular occurred. Wednesday the 12th. The Bonij Tomilalang, alongside the soelewattang and glannang of Pontualacq, having appeared before me this morning, declared that they had come expressly to pay off a portion of the state debt, bringing along two male slaves, two female slaves, alongside eight hundred rijksdaalders in cash, with the request that the one and the other might be accepted; which was done immediately after the slaves were inspected and found acceptable, so that I expressed my satisfaction with that payment, nevertheless with a serious admonition to discharge also the remainder as soon as possible, toward which they said they would apply their utmost capability. Furthermore, those delegates declared to have orders to request that the weapons that I had caused to be taken from the Bonij prince Arou Mandjang might be returned, and this on the order of the king, who had given orders to the madanrang to that end, but who had forgotten this upon his recent entry; to which request I likewise agreed and therefore gave orders for the return of those weapons, consisting of twenty muskets, with a suitable reply to their remarks as if I had acted too strictly with respect to that aforementioned prince, since they added that the king had expected on that account that I would have had him cited and demanded satisfaction so he could have been punished. After this they requested further that I would arrange that all that which the former Pongauwa Lacasie had to account for, which they said consisted of 19 blunderbusses 19 common muskets 2 ditto with rifled barrels 5 badjoe rantes or coats of mail 240 Spanish rijksdaalders in cash, might be fulfilled by him. Whereupon, having shown them how the soelewattang had refused the acceptance of the 88 Spanish rijksdaalders received by me, and he having since sent me another 12 blunderbusses and two muskets with rifled barrels, I had retained the one and the other in my custody up to now; furthermore persuading them to accept these provisionally, along with the said cash, in deduction, with the promise that I would seriously have him urged regarding the remaining funds and goods. Further, they also handed over to me a document containing, beyond the just-mentioned claim, diverse accusations against Lacasie, stating nevertheless that the same had not yet been investigated; whereupon I replied that I would nevertheless have the same questioned about it, in order to make an end of all disputes as soon as feasible; which having answered with an expression of thanks, they took their leave and departed. However, having come just outside the garden, the Tomilalang declared to the chief interpreter that the said document to the debit of Lacasie was handed to him by the pongauwa no sooner than when he was standing ready, alongside both other delegates, to go to me, and that he, having no knowledge of what appeared therein, Lacasie might possibly come forward with counterclaims. Pursuant to this transaction, I have given orders to the captain of the Malays to proceed to Tiang to Lacasie, in order to admonish the same amicably in my name regarding that which the Boniers come to claim from him
Dutch transcription
Van Macasser den dat sijn hoogheijd sig seer wel bevond dog hij van zijn te rug komst niets wist als dat het ten minste nog voor eerst niet geschieden soude gemerkt sijn hoogheijd besig was een huis te laeten bouwen op de negorij Awang Pone. waar na hij weeder versogt om dog reigt elucidatie te mogen erlangen of den bekenden swerver Sankilang ook de geweesen en naCeijlon versonden koning van goa mogte weesen van welker „tegendeel ik hem onder meermaelen diend weegen bij gebragte reedenen verseekende, op sijne verdere te kennen gave dat niet Jgenstaande sankilang maar een hoerver en vagibond was nogthans uit desselfs onderneeming grooter gevolgen kon„ den ontstaan vermits hij vernomen hadde dat sijn aanhang weeder werkelijk toenam, nog dienende dat men sulks afwagten moest dog dat ik daar in geen swaarigheijd stelde als de bomiers nevens de overige bondgenooten even veel ernst als de Compagnie kwamen te betoonen wanneer de saak vereijschen mogte om dien vagebond andermaal t attacqueeren. Dingsdag den 4. niets voorgevallen. Woensdag „ 5. Liet den bonijs Tomilalang mij door den Tolk Passem vragen of ik ook slaven in mindering der rijksschulden begeerde aan 105 Van Macasser den aan teneemen voor 60 rrd:s de kop so als hij vernomen hadde dat de Comp: alhier voor deselve betaalde dog waar op ik hem weeten liet dat sulx all een geschiede op voorwaarde van deselve in het ambagts quartier te batavia te leeveren en dat ik dien „halven geen slaven daar voor accepteeren maar wanneer hij gesond volk besorgen wilde ik deselve voor vijftig uijksalders hollands de kop aanneemen soude die aanbieding niet hebbende mogen amplecteeren om dat de Comp: daar meede niet uit soude kunnen ter oorsaeke de leverantie denkelijk geschieden soude in den tijd dat er geen geleegentheijd ter versending sij wanneer de slaven op den minsten prijs zijn behalven dat er ontwijffelaar bedrog soude onderloopen Donderdag den 6: tot niets voorgevallen zondag „ 9 Tegen den middag liet den koning van goa dies bij mij versoen Maandag „ 10. e „koen voor gecommitteerdens tegen aanstaande Donderdag met versoek dat ik niet qualijk neemen wilde dat hij selfs met kwam als sig daar toe door onpasselijkheijd niet instaat be„ „vindende in welk versoek ik geconsenteerd hebbe gelijk meede in dat van den madanrang van bonij om aies voor den Tomilalang Dingsdag den 11: Is niets bijsonders voorgevallen Woensdag „ 12 Debonijs Tomilalang neevens den soelewattang en glannang van Pontualacq, deesen voormiddag bij mij verscheenen weesende betuig „den sij expres gekomen te sijn ten aflegging van een gedeelte van de rijksschuld meede brengende twee slaven twee slavinnen nevens agt hondert ord:s aan Contanten met versoek dat het een en ander magt worden geaccepteerd 't geen aanstonds geschie is na dat de slaven gevisiteert en acceptabel bevonden waaren soo dat ik mijn genoe„ „gen over die voldoening betuigde onder ernstige vermaenning nog„ „thans om ook het resteerende ten spoedigsten afte leggen waar toe sij sijden hun uitterste vermogen te sullen aanwenden. bij verder betuigden die gecommitteerdens last te hebben om te versoeken dat de geweeren die ik den bonijs prins arou mandjang hadden doen afneemen mogte worden gerestitueerd en sulx in't ordre van den koning die daar toe aan den madanrang last gegeeven dog den welken sulks bij sijn jongste binnen komst vergeeten hadde in welk versoek ik almeede g'accordeerd en dierhalven tot de te rug gave van die geweeren bestaande in Tomilalang en eenige andere rijks grooten tegen woensdag ofrsdaags bevooren. Jan Macasser den twintig 107 Macasser den Jan twintig snaphaenen ordre gegeeven hebbe onder een gepatte beant„ woording van hunne remarques als hadde ik ten optigte van dien voormelde prins te streng gehandeld dewijl sij er bijvoegden dat den koning dier weegens verwagt hadde dat ik over hem soude hebben doen doteeren en satisfactie eijsschen hadde kunnen gestraft worden. hier na versogten bij nog dat ik bewerken wilde dat al het geene den geweesen Pongauwa Lacasie moeste verantwoorden het geen sij seijden te bestaan in 19 donderbussen 19 snaphaanen gemeene 2: dito met getrocken loopen 5 badjoe rantes of harnassen 240 rd:s spaans aan Contanten door hem mogte voldaan worden. waar op ik hum vertoond hebbende hoe den toelewattang d'acceptatie van de bij mij ontfangene 88 rd spaans geweij„ „gert en hij mij sedert nog gesonden hebbende 12: donder bussen ende twee snaphaenen met getrocken loopen ik het een en ander tot dus verre onder mij gehouden hadde haar voorts overreedende Van Macasser Den overreedende om die bij provisie neevens de gemelde Contanten in„ mindering aan te neemen met toesegging dat ik hem om de res„ teerende penningen en goederen ennstig soude doen aannaamen wijders gaven sij nog aan mij over een geschrift buiten de even„ „gemelde preetensie diverse beschuldigingen tegen lacatie bevattende miet te kennen gave nogthans dat deselve nog niet waeren ondersogt waar op ik repliceerde dat ik den selven daar over des niet te min soude laeten onderhouden om van alle differenten to spoedig doenlijk een eijnde te maeken het geen sij met een dank betuiging beantwoord hebbende so namen sij hun afscheijd en vertrocken dog even buiten de thuijn gekomen weesende betuigde den Tomilaling aan den oppertolk dat hem het gemelde geschrift ten laste van lacasie door den pongauwa niet eerder was inhandigd voor dat hij gereed stond nevens de beijde nadere gecommitteerdens na mij toe te gaan en dat hij van het daar bij voorkomende geen kennisse dragende Lacasie mogelijk met Contra pretensien soude voor den dag komen angevolge van dit verhandelde hebbe ik aanden capitain der maleijers last gegeeven om sig na tiang bij lacasie te vervoegen ten eijnde den selven uit mijn naam in het vrien„ delijke te vermaanen om het geene de boniers van han komen te
English
From Makassar the to claim satisfaction, and at the same time to confer with him regarding the aforementioned complaints, with the further offer that regarding the arms or flintlocks, for the restitution of which he has long declared himself unable, I am willing to be of assistance by validating the number demanded from him in reduction of the sum which the realm of Boni owes to the Company, provided that he is willing to pay the value thereof in cash at a reasonable price; having at the same time instructed the Captain, in such a case, to stipulate even if it were only 4 Spanish reals or 5 Dutch rixdollars. In the afternoon it was reported to me by the chief interpreter that he had delivered the aforementioned 20 flintlocks from Arou Madjang, together with the 80 Spanish reals from Lacasie handed to him by me, as well as the 12 blunderbusses and two flintlocks received from the same, into the hands of the Boni interpreter Passeere, who had been sent thither for that purpose by the Madanrang. In the forenoon, in accordance with granted audience, there appeared before me the second Tomilalang together with several other grandees of the realm of Goa, in the name of their monarch as well as of themselves and the rest of the government, paying the customary compliments on the occasion of From Makassar the the beginning of this year, which I answered in fitting terms; furthermore, upon the Tomilalang's declaration that the king was prevented from coming to me in person not so much by physical indisposition as by apprehension and fear concerning the evil consequences of the actions of the self-proclaimed rebel Sankilang, pointing out to him that I wished his Highness to be requested and admonished not to be anxious for the time being, and that in any case I could not yet see that such was necessary for the present, considering that although others might be instigating matters underhanded, I fully trusted that they were agitating in vain and would never achieve their objective. After which that grandee of the realm further made known that the princes belonging under the court of Boni, Arou Mampoe, Craeng Sapana, and Daeang Mamoentoelig alias Craeng Candjielo, had been in Borisallo with the rebel, whose following had again begun to increase considerably, and that for this reason the king, upon good weather, would gladly pay me a visit shortly; to which I told them that it would be very agreeable to me. Hereupon, some indifferent conversations having been held while enjoying some refreshments, they requested their dismissal From Makassar the and departed. From Friday the 14th to Monday the 17th nothing worthy of note occurred. Tuesday the 18th it was reported to me by the chief interpreter Brugman how the Boni Pongauwa Datoe Baringang had secretly told him that the known rebel San Kilang was said not only to have managed to win over the mountain regents to his side, and that even the most prominent Macassar grandees were favorably disposed toward him, except for the second Tomilalang Craeng Bontolancas and the second Shahbandar, but also that this rover was said to have declared his intention to enter Goa with his entire force in ten days and take possession thereof, and subsequently to betake himself to Oedjong Tanna to fetch his grandmother, denoting Arou Palacca, from there. The Captain of the Malays, having returned from Siang, brought me in answer to the messages given to him for the former Pongauwa Lacasie such a reply in writing as is attached with its translations among the appendices. Wednesday the 19th and Thursday the 20th nothing extraordinary occurred. From Makassar the On Friday the 21st, upon the receipt of a letter from the Maros Resident Bosch, containing complaints about violence and robberies said to have been committed by the people of the former Pongauwa Lacasie as well as by those of the Tanette prince Poeana Patsia upon Arou Pantjana at Liangen Sagoni, I dispatched the ordinary envoy Danig Mandjanekie to both of those princes to confer with them regarding those unlawful proceedings and to urge them to make restitution of what was plundered, as well as to punish the perpetrators according to their deserts. Saturday the 22nd there arrived here the regent of Labakkang, who toward midday, after previously requesting an audience, paid a visit to me, but had nothing particular to say. Sunday the 23rd there were brought here from Galesong eleven men and one woman, all runaway slaves from Batavia, who had arrived there with a chialoup prahu and were apprehended by the people of Galesong by order of the Karaeng and sent hither. From Monday the 24th to Friday the 7th of March nothing extraordinary occurred. Saturday the 8th, toward midday, there came to me the second Shahbandar of Goa, making known in the name of the king that From Makassar the that the Boni Madanrang had paid a visit to his Highness on the 3rd of this month and had informed him that the Boni prince Arou Madjang, having made a journey to Borisallo to investigate in person whether the rover and rebel in question, Sankilang, might be the former king of Goa who had fled and been sent to Ceylon, had on that occasion encountered there an envoy of the Queen of Tallo sent to that rover by her Highness with some firearms, money, clothing, and the like; and moreover that this queen continually maintained a secret understanding with Arou Palacca, both through verbal messages and the exchange of letters; that his Highness, regarding this conduct of the Queen of Tallo as contrary to the friendship between this realm and that of Goa as well as toward the Company, therefore caused a request to be made that I would have the said queen conferred with on that matter, whereupon he himself would subsequently come to pay me a visit to impart some further particulars, which he did not deem advisable to do beforehand so as not to give her Highness cause for reproach that he had complained about her to me. Whereupon
Dutch transcription
109 Van Macasser den te preetendeeren te voldoen en hem tegelijk 't onderhouden over de voorengemelde klagten met verdere aanbieding dat ik hem ge omtrend de weeren of snaphaanen tot welker restitutie hij voor lange betuigd heeft niet magtig te weesen wel behulpskam wil sijn door het van hem gevorderde getal te valideeren inminde„ „ring van de parthij die het bonijs rijk aan de Comp: schuldig is wanneer hij dies kostende in Contant tegens een civilen prijs betaelen wil den Capitain te gelijk inmandatis gegeeven heb„ bende in sodanig geval al was 't maar 4: Ed:s spaans of 5 rd:s hollands te bedingen. Des nademiddags wierd mij door den oppertolk gerapporteerd dat hij de voorengemelde 20 snaphanen van arou madjang nevens de ord:s 80 spaans van lacasie aan hem door mij ter hand gesteld mitsgaders de 12. donderbussen en twee snaphaenen van denselven ontfangen van den bonijs tolk passeere als daar toe door den Madanrang gesonden hadde ter hand gesteld Des voordemiddags verscheenen volgens g'accordeerd acces bij mij de tweede Tomilalang nevens verscheijde andere rijksgrooten van goa uitnaam so van hunnen vorst als van hun selven ende verdere regeering het gebruikelijk Compliment afleggende wegens Jan Macasser den wegens den intreede van dit Jaar t welk ik in gepatte termen b'ant„ woorde verder op des Tomilalangs betuiging dat den koning niet so seer onpasselijk van licham als wel door gevoeligheijdenvreese over de kwaede gevolgen voor de gedoentens van den opgeworpen ribel sankilang was verhinderd in persoon bij mij te komen aan den selven voorhoudende dat ik sijn hoogheijd versogt en vermaand wilde hebben niet bekomment te sijn voor den tijd en aat ik in alle gevalle nog niet sien konde dat sulks voor als nog nodig was gemerkt schoon hier onder al door anderen gerreijt mogte worden ik volkomen vertrouwde dat sij te vergeefs waaren woe„ „lende en hun oogmerkt nimmer bereiken soude waar nadien rijksgroot nog te kennen gaf dat de onder het hof van Bonij sorteerende princen arou mampoe Craeeng sa„ „pana en Daeang Mamoentoelij Calias / Crareng CandJielo on in Borisallo bij den rebel geweest waeren wiens aanhang weeder merkelijk begonte vermeerderen en dat de koning om die reeden bij goed weeder gaarne eerlang een visite aan mij wilde geeren dat ik hun seijde mij seer aangenaam te sullen weesen. hier op nog Eenige onverschillige discoursen onder het nittigon van eenige versnaperingen gevoerd sijnde so versogten sij hun afscheijd 121 Van Macasser Den afscheijd en vertrocken. vrijdag den 14: tot is niets noteeren waardig voor gevalle Maandag „ 17. wierd mij door den oppertolk Brugman geraporteerd, hoe hem den Dingsdag „ 18 den bonijs Pongauwa datoe Baringang in het geheum gesegt was dat den bekenden rebel san kilang niet alleen de berg regenten tot zijn parthij soude hebben weeten 't overhaelen en dat selfs de voornaamste macassaerse grooten hem waaren toegedaan be„ halven de tweede Tomilalang craeeng bontolancas en de tweede sjabandhaar maar ook dat dien swerven dig soude hebben uitge„ „laten om over tien dagen met sijn gantsche magt in goa te komen en betit daar van te neemen mitsgaders sig vervolgens na oedjong Tanna te sullen begeeven en sijn groot moeder denoteerende arou Palacca van daar aftehaalen. Den capitain der maleijers gereventeerd sijnde van siang bragt mij in antwoord van de hem gegeevene boodschappen aanden geweesen Pongauwa lacasie sodanig antwoord in seriptis als met dies translaeten onder de bijlagen sijn gevoegd. woensdag den 19 en is niets sonderlings gepasseerd 2 Donderdag „ 20 op Van Macasser den vrijdag Den 21: op den ontfangst van een brief van den maros resident Bosch houdende klagten over geweld en roverijen die door devolkeren van den geweesen pongauwa Lacasie soo wel als door die van den Tanits painws Poeana Patsia op arou pantJana op Liangen sagonij souden weesen gepleegd hebbe ik den ordinair sendeling Danig Mandjanekie aan die beijde princen afgesonden om hun over die ong'oorloofde gedoentens 't onderhouden en deselve aan te maanen tot restitutie van het geplunaeerde mitsgaders om de daaders na verdiensten te straffen. Zaturdag „ 22. arriveerde alhier den regent van labackang die tegen den mid„ dag na voor af versogt acces een visite bij mij afleijde dog niets bijsonders te seggen hada zondag den „ 23 wierden hier van glissong aangebragt elf mans en een vrouwe alle van batavia gedroste slaven aldaar met een prauw Tjoe„ „nia aangekomen en door de glissongers ui't ordre van de Caaang opgepakt en herwaarts gesonden. Maandag „ 24 tot is niets donderlings gepasseerd vrijdag „ 7. Maart zaturdag „ 8 kwam tegen den middag bij mij den tweeden sjabandhaar van goa uit naam van den koning te kennen geevende dat 143 Van Macasser den dat den bonijs madanrang op den 3. deeser bij sijn hoogheijd een „visite afgelegt en hem berigt hadde hoe den bonijs prins arou maadjang een tour na Borisallo hebbende gedaan om selfs ondersoek te doen of den bewusten swerver en rebel sankilang de gevlugte en na Ceijlon gesondene geweesen koning van goa mogte weesen dan niet bij die geleegentheijd aldaar hadde aangetroffen een sendeling van de koninginne van Tello aan dien swerver door haar hoogheijd gesonden met eenige geweeren geld kleedjes en wesmeer mitsgaders dat die vor„ stin bij Continuatie een geheijn. verstand hield met arou palacca soo door mondelinge boodschappen als het wisselen van brieven dat sijn hoogheijd dit gedrag van de koninginne van Tello als strijdig met vriendschap tusschen dit rijk en dat van goa soo wel als omtrend de Compagnie aanmerkende bij uit dien hoofde versoeken liet dat ik gemelde vorsten daar over wilde laeten onderhouden wanneer hij vervolgens selfs een visite bij wij soude komen doen om mij eenige verdere omstandigheeden te bedeelen het geen hij niet raad„ saam oordeelde alvoorens te doen om haar hoogheijd geen stoffe tot verwijt te geeven dat hij over haar bij mij geklaagd hadde waar
English
From Makassar the Whereupon I instructed the shahbandar to thank his master for the communication, but to say that I did not consider it proper to have a message sent to the Queen of Tallo, but deemed it advisable for the present to pretend that the Company no longer concerned itself with the rover, in order to keep those who were attached to his faction, or rather seemed to use him as an instrument to stir up unrest, in uncertainty and at the same time in fear; but that I nevertheless requested and admonished His Highness to put an end to that affair as quickly as possible by attacking the rover with force and earnestness and, if possible, doing away with him before, gaining a greater following, he should carry out undertakings of more consequence than hitherto; just as the shahbandar declared that His Highness and the grandees were already apprehensive because his power had already begun to increase, and he not only prevented the subjects who were in Borisallo from coming to perform court services at Goa according to their duty, but had also caused the plunder of the wives and children, together with all the goods, of some who had gone thither; and further adding that 145 From Makassar the adding that His Highness was fearful of having him attacked out of apprehension that, even if he were defeated and put to flight, he would begin anew elsewhere; but to which I served notice that this was no reason to refrain from doing so, since if he came elsewhere he would likewise be pursued, and too much was at stake not to do everything possible to bring about his destruction; that I therefore expected His Highness would delay no longer in having him attacked; all of which the shahbandar declared he would report to his master, thereupon taking his leave. Sunday the 9th Nothing occurred. Monday the 10th Tuesday the 11th The regent of Labakkang, having arrived here yesterday and appeared before me this morning after having previously requested an audience, made known that the Bonian prince Aru Paling Orang had already twice in succession committed acts of violence in Labakkang by robbing and plundering the subjects, without listening to the protests made against it, much less restoring the stolen property; and having recently married a Labakkang princess without his, the Craeng's, From Makassar the Craeng's, knowledge, it was to be feared that he would make himself guilty of more such misdeeds, for which reason he, the regent, requested protection against this, and to know how he should conduct himself towards him in that case; whereupon I submitted to him that anyone who committed violence on Company territory, without regard to persons, might be resisted with force and safely done away with, and that he should therefore act likewise toward that wicked prince as soon as he should again venture such a thing and turn a deaf ear to serious warnings to desist from it; which order he requested that I also give to his subordinate chiefs, and that he might bring them to me for that purpose in the next few days, which I granted; further, he also made known that the former Bonian Ponggawa Lacasie, having likewise proposed marriage to a princess who was not inclined thereto, had let him know that he would ask my permission for it, of which he declared he wished to inform me as soon as possible, 143 From Makassar the in order that I might be on my guard if he, Lacasie, should address me, with the request to refuse it to him, as it would be no less harmful to the tranquility of Labakkang than that of Aru Paling Orang; which I promised, after which he took his leave and departed. After this it was reported to me that the notorious rebel Sankilang, who has hitherto stayed in Borisallo, was said to have come to the Tallo settlement of Teekere, and that the recently deposed King of Goa, currently known by the name of Aru Mampu, who falls under the Bonian kingdom, was constantly going to him. Wednesday the 12th Nothing occurred. Thursday the 13th Friday the 14th The chief interpreter Brugman reported to me that five baju rante or iron suits of armor and seven blunderbusses had been sent to him by the former Bonian Ponggawa Lacasie, which the Bonians claimed from him, but that with respect to the muskets and cash money he again came forward with insufficient pretexts, which could serve no other purpose From Makassar the than to stir up new difficulties; which he, the chief interpreter, had let him know in serious terms, with an admonition to put an end to that affair; which latter having been approved by me, I ordered that servant to keep the aforesaid blunderbusses and baju rante in custody until further orders. Saturday the 15th Returned from the north the ordinary messenger Daeng Manjareki, sent thither on the 11th past for reasons mentioned there, reporting that he had reclaimed both from the former Bonian Ponggawa Lacasie at Biang and from the Tanete Prince Aru Pantjana the Company's subjects and goods plundered by their people; that the first-mentioned had caused everything to be restored except for a few trifles, but that Aru Pantjana, having said that the dispute over the three buffaloes had already been settled by the chief interpreter, could not restore the four slaves as they were already absent, but would pay for them in cash as soon as he made a trip hither, as he was presently not provided with money. After this, Craeng Labakkang was with me again with ten of his subordinate chiefs, to whom I gave the instructions previously given to him.
Dutch transcription
Van Macasser den Waar op ik den sjabandhaar inmandatis gaf om sijn meester voor de communicatie te bedanken dog te seggen aat ik met oir baar konde vinden een boodschap aan de koninginne van Tello te laeten doen maar geraedenen oordeelde mij als nog te gelaeten of de Comp: sig aan den swerver niet meer bekreunde om de sulke die sijn parthij toegedaan waaren of lieven hem voor een werk „tuijg scheenen te gebruiken om onlusten te verweeken in het onseekere en te gelijk in vreese te houden dog dat ik des niet te min sijn hoogheid versoeken en vermaanen liet om dog ten allenspoedigsten een eijnde van dat historiaal te maeken door den swerver niet magt en ernst te doen aantatten en des moge„ lijk van koamt te helpen eer hij meerder aanhang krijgende onder„ neemingen van maer belang dan tot hier toe kome in het werk te stellen soo als den tjabandhaar betuigde dat sijn hoogheijd en de grooten reets bedugt waaren ter saake sijn mag reetsbrgon te vermeenderen, en hij selfs de onderdaanen die sig in bonisallo„ bevonden niet alleen belettede om hofdiensten op goa Conform hun pligt te komen doen maar op de vrouwen en kinderen nevens alle de goederen hadde doen plundeeren van sommige die sig derwaarts begeeven hadden en verder bij voegende dat 145 Van Macasser den voegende dat sijn hoogheijd bedugt was om hem te doen aantatten . uit berugting dat hij al geslagen en op de vlugt gedreeven wordende werder elders op nieuw beginnen soude dog waar op ik dien de dat geen reeden was om sulks na te laeten ter saeke bij elders ko„ mende dan ook soude worden vervolgd en er te veel aangeleegen was om niet alles in het werk te stellen ter sijner vermielingen dat ik dierhalven verwagten wilde dat sijn hoogheijd niet langer soude uitstellen om hem te laeten attacqueeren alle het welke aen sjaband haar betuigde sijn meesten te sullen beruieften vervolgens sijn afscheijd neemende „zondag den 9 niets voorgevallen 2 Maandag „ 18 De regent van labackang hier gisteren aangekomen en dingsdag „ 11. deesen morgen na voor af versogt alles bij mij verscheenen sijnde gaf den selven te kennen dat den bonijs prins arou Paling orang reets twee maalen agter elk anderen gewelde„ narijen op labackang hebbende gepleegd met het rooven een plandeeren vande onderdaanen sonder na de daar tegen gedaene protestatien te luistenen veel min het geroofde wee„ der te restitueeren en hij nu jongst buiten weeten van hem Craleng Van Macasser den craeeng getrouw sijnde met een labackangse princes het te vreesen stond dat hij sig aan diergelijke mis duijven meer soude schuldig maeken wethaelven hij regent daar tegen manic„ tenue versogt en om te mogen weeten hoedanig hij sig in dien gevalle omtrend den selven soude gedragen waar op ik hem voorgehouden hebbe dat alle de geen die op sComp: termi„ „toir geweld komen te pleegen sonder aansien van persoon met geweld te keer gegaan en gerust van kant mogten ge„ holpen worden en dat hij dierhalven ook sodanig omtrend dien ondeugenden prins soude hebben te handelen soo dra hij diergelijks weeder onderstaan en na geene ernstige waar„ schouwing om daar van afte sien het oor kwam te leenen. welke ordre hij versogt dat door mij ook aan d'onder hoorige hoofden worden gegeeven en hij deselve ten dien eijnde eerstdaags bij mij brengen mogte dat ik g'accordeert hebbe voorts gaf hij nog te kennen dat den geweesen bonijs Pongauwa Lacasie meede een princes ten houwelijk hebbende doen versoeken die daar toe niet geneegen was hem hadde laaten weeten daar toe mijne toestemming te sullen vragen van het welk hij betuijgde mij ten spoedigsten te 143 Van Macasser Den te hebben willen onderrigten ten eijnde en op verdagt te kunnen sijn als hij lacasie sig bij mij mogte addresseeren met versoek om hem het selve af te slaan als voor de ruste van labackang niet minder schaedelijk sullende sijn dan dat van aroupaling orang dat ik hebbe toegesegt waar na hij sijn afscheijd namen vertrok hier na wierd mij gerapporteerd dat den bekenden rebel san„ kilang die sig tot nog toe in Borisallo onthouden heeft op de Tellose negorij Teekere soude sijn gekomen en dat den laatst afgesetten koning van goa thand bekend onder de naam van arou mampoe die onder het bonijs rijk sorteert ge„ duurig bij hem gong woensdag den 12. niets voorgevallen 2 Donderdag „ 13 rapporteerde mij den oppertolk Brugman dat hem door vrijdag „ 14. de geweese bonijs pongauwa Lacasie waaren toegesonden vijf badjoe aanties ofr ijsere harnassen en seven donderbussen die de boniers van hem praetendeeren dog dat hij ten opsigte van de snaphaenen en Contanten weeder voor den dag kwam met onvoldoende voorwendselen nergens anders toe kunnende dienen Van Macasser den dienen dan om nieuwe moeijelijkheeden te verwecken het geen hij oppertolk in ernstige termen aan den selven hadde laeten weeten onder vermaening om een eijnde van dat historiaal, te maaken welk laatste door mij goedgekeurd sijnde hebbe ik dien bediende gelast de voorschreeven donderbussen en badjoe rantees tot nader ordre in bewaering te houden. Zaturdag den 15 reventeerde van de noord den ordinair tendeling danig mandja„ „rekie den 11: passato om reedenen daar vermeld derwaarts gesonden rapporteerende dat hij soo van den geweesen bonijs pongauwa Lacasie op biang als van den Tanats Prinis arou pantjana ge„ reclameerd hadde de door hunne volkeren geroofde sComp: onderdaanen in goederen den eerstgemelde alles op weijnige bagatellen na hadde doen restitueeren dog dat arou pantjana gesegt hebbende dat de quette over de drie buffels reets door den oppertolk afgemaakt was hij de vier slaven als bereets absent geraekt niet restituuren konde maar deselve met Contant betaelen soude soo dra hij een keer herwaarts kewam te doen als thans van geen geld voorsien sijnde hier na is Craceng labackang weeder bij mij geweest met tien sijner onderhoorige hoofden aan dewelke ik de hem inmandatie
English
Jan Macasser the what had been given in mandates with regard to the wicked prince Arou Paling orang was presented in general terms without naming him, and the execution thereof was recommended, with an added emphatic recommendation to be obedient to their Craeing, to respect him, and to comply properly with his orders, all of which they promised, subsequently taking their leave alongside him. Sunday the 16th: nothing of special importance occurred. Friday the 21st: the chief interpreter Brugman reported to me that 7 blunderbusses and 19 muskets had been sent to him by the former Bonys pongauwa to be handed over to the grandees of Bonijs, but that he had indicated in a note that he was as yet unable to satisfy the number they claim from him, with the promise, however, to do his best to deliver the rest as well. Furthermore, I had the under-interpreter De Graef inquire after the well-being of the madaurang of Boni, who brought me word in reply that this grandee had told him that he had learned by rumor: Thursday the 20th: 1 that From Macasser the Saturday the 22nd: 1: That the datoua of Lamoeroe had passed away 6 days ago and that Arou Mampoe, the last dethroned king of Goa, was said to intend to depart thither in order to marry the deceased's daughter, of which matters he had not been informed until now. 2: that the Macassar prince Craang Bontolancas had been out on a robbery and was said to be very severely wounded, and moreover the perpetrator was said to have taken flight to Borisallo to the roamer San Kilang. 3: that the following of that rebel continued to grow stronger, the queen of Tello was colluding with him, and almost no Macassars were to be found anymore in Campong Boegis, most of them having likewise betaken themselves thither, and that this rebel was said to intend to settle down to reside in the Macassar Sodiang, regarding which latter matter he, the madanrang, had asked the interpreter whether I could not send an envoy on that account to the queen of Tello, who thereupon testified merely to have answered that he could not say such a thing, but that he would report all the foregoing to me. Sunday the 23rd: nothing strange happened. From Macassaar the Monday the 24th: I had the adanrang of Bonij informed of the receipt of 7 blunderbusses and 19 muskets from the former pongauwa Lacasie, with the request to have the same collected from the chief interpreter, and further that Lacasie had requested an extension regarding the payment of the cash, whereupon the third interpreter De Graaf reported that the madanrang had stated he would speak about the first matter with the Tomilalang, who was not at home at the moment. Tuesday the 25th to Friday the 28th: nothing worthy of note happened. the chief interpreter reported to me that the Bonij grandees had had the muskets and blunderbusses mentioned under the 24th of this month collected from him. Furthermore, I sent the under-interpreter Blij to the court of Bonij and the third interpreter De Graaf to that of Goa to give notice of the delivery of the letters from Their High Mightinesses for the princes and grandees by the ship t Huis te Bijweg, with further orders to tell the Bonijs madanrang and Goa's king as if of their own accord that I had very recent news from Ceylon, namely from January last, when the former king or Batara Goa had still been there, From Macasser the had been, and that therefore the well-known rebel Sankilang, who passed himself off as the same, could not be that prince. in the afternoon arrived envoys from Bouton with the returning commissioner for the extirpation, Sergeant Steijnbach, which former made their arrival known to me at once through an interpreter. Sunday the 30th: nothing occurred. Monday the 31st: I had the Bouton envoys invited to an audience in the Castle for tomorrow morning. Tuesday the 1st of April: I received the Bouton envoys this morning at nine o'clock in the Castle with the customary ceremonial, and of the thirteen slaves brought along by them, accepted ten persons, but had the remaining three returned, having been found to be old and unfit. Wednesday the 2nd: the king of Goa had an audience requested for commissioners for next Saturday in order to collect the letter addressed to His Highness by Their High Mightinesses, but which I declined with a compliment until a further occasion, or rather until those of Bonij shall have settled theirs. Thursday the 3rd: nothing of importance occurred. Friday the 4th: it was From Macasser the Saturday the 5th: it was reported to me by the chief interpreter that the regent of Touratte, named Craeeng Binamo, had arrived here yesterday and presented himself to the grandees of Bonij, stating that the son of the old Craeeng Bodo Bodoa along with some of the Gode Toedjos intended to depose him, with the request to be maintained by them in his regency. Likewise, it was also reported to me by a confidant that the queen of Tello was said to intend to betake herself to Carawitie tomorrow, and that the roamer Sankilang would also come there, and moreover a feast was to be held. Sunday the 6th: nothing strange happened. Monday the 7th: upon the request made to that end, I granted an audience to the commissioned grandees of Bonij for next Wednesday to collect the letter from Their High Mightinesses for the king. Tuesday the 8th: I had the king of Goa requested through the third interpreter De Graaf to send commissioners for next Saturday to collect the letter from Their High Mightinesses, which the prince agreed to, according to the report of the said interpreter, who also reported to me that he had learned by rumor in Goa
Dutch transcription
149 Jan Macasser den inmandatis gegeevene met betrecking tot den ondeugenden prins Arou Paling orang in algemeene termen sonder den selven te benoe„ „men voorgehouden en dies Executie aanbevoolen hebben met een bij gevoegde nadruckelijke recommandatie om hunnen Cracing gehoorsaam te weesen hem te respecteeren in sijne ordres behoor„ lijk na te komen al het welke sij beloofden vervolgens nevens den selven afscheijd neemende. zondag den 16: is niets van bijsonder belang voorgevallen rapporteerde mij den oppentolk brugman dat hem door den ge„ vrijdag „ 21 weesen bonys pongauwa waaren toegesonden 7: donderbusschen en 19 snaphaanen om aan de rijksgrooten van bonijs in„ handigd te worden dog dat hij bij een briefje hadde te kennen gegeeven tot voldoening van het getal dat sij van hem preeten„ deeren voor als nog buiten staat te sijn met belofte nogthans om sijn best te sullen doen om het almeede afte leggen. voorts hebbe ik door den ondertolk de graef laeten verneumen na de welstand van den madaurang van boni, die mij bij het antwoord berigt bragt dat dien rijks groot hem jeq: hadde bij gerugten te hebben vernomen. Donderdag „ 20 1 dat Van Macasser Den Zaturdag den 22 1: Dat den datoua van lamoeroe voor 6: dagen geleeden overleeden was en dat arou mampoe de laatst geaetroneerde koning van goa voor„ neemens soude weesen na derwaarts te vertrecken om met des overlee„ „dens dogter te trouwen van welk een en ander hem tot hier toe geen kennisse was gegeeven. 2: dat den maccassaars prins Cuaang bontolancas op roop uit„ geweest en seer swaar gequett soude weesen mitsgaders den dader de vlugt na borisallo bij den swerver san kilang genomen so ude hebben. 3: dat den aanhaang van dien rebel bij Continuatie sterken wierd de koninginne van Tello met den selven heulde en er ge„ noegsaam geen maccassaeren meer in campong boegis te vinden waaren de meeste sig almeede derwaarts begeeven hebbende en dat dien rebel voorneemen soude sijn om sig terwoon in het macas„ „saerde sodiang needen te stellen weegens welk laatste hij madanrang aan den tolk hadde gevraagd of ik dierweegens geen kendeling aan de koninginne van Tello soude kunnen senden die daar op be„ tuijgde enkel g'antwoord te hebben sulks niet te kunnen seggen dog dat hij mij alle het voorenstaande soude raporteeren. niets sonderlings gepasseerd hebbe „ sondag „ 23. 121 van Macassaar den Dingsdag „ 25 tot vrijdag „ 28 hebbe ik aan den adanrang van bonij laeten kennisse geeven van Maandag den 24. d' ontfangst aen 7: donderbusshen en i9 snaphaenen van de geweesen pon„ gauwa lacasie met versoek om deselve van den oppertolk te doen af„ haelen en voorts dat lacasie omtrend de voldoening der Contanten uitstel versogt hadde waar op den derde tolk de graaf tot rapport bragt den madanrang betuijgd hadde over het eerste met den Tomilalang te sullen preeken die thans met te hus was is niets noteerens waardig gepasseerd rapporteerde mij den oppertolk dat de bonijle rijksgrooten de snaphaanen en donderbussen vermeld sub 24 deesen van hem hadden laeten afhaelen. voorts hebbe ik den ondertolk blij na het hof van bonij ende derde tolk de graaf na dat van goa gesonden om kennisse te geeven van de aanbreng van de brieven haaren hoog Edelhee„ dend voor de vortten en rijksgrooten met het schip t huis te bij weg met verdere last om den bonijs madanrang en goas koning als uit haar selven te seggen lwve ik seer Jonge tijding van ceijlon hadde en wel van Januarij laastleeden wanneer de geweesen koning of batana goa daar nog was geweest Van Macasser den geweest en dat dierhalven den bekenden rebel sankilang die sig voor den selven uit gal dien prins niet konde weesen arriveerde des namiddags van bouton gesanten met de retour„ „neerende Commissiant tot de Extirpatie den sergeant steijnbach welke eerste mij hunne komst door een tolk reeden bekend maeken zondag den 30 viel niets voor Maandag „ 31 hebbe ik de boutonse gesanten tegen morgen echtend in het Catter„ ter audientie doen inviteeren. Dingsdag „ 1: April hebbe ik de boutonse gesanten onder het gebrukelijk Cer„ monieel deesen voormiddag te neegen uuren in het Casteel gerecipieerd en van de dertien door hun meede gebragte slaven tien koppen g'accepteerd dog d' overige drie als oud en onbekwaam„ bevonden sijnde doen te rug geeven. woensdag „ 2: liet den koning van goa acies voor gecommitteerdens versoeken tegen aanstaande zaturdag ten eijnde den brief door hunne hoog Edelheedens aan sijn hoogheijd gerigt aftehaelen dog t welk ik met een Compliment tot nader occasie ontflegt hebbe of wel dat die van bonij de haare sullen hebben afgehandeld. Donderdag„ 3 viel niets van belang voor vrijdag „ 4: wierd 423 Van Macasser den wierd mij door den oppertolk berigt dat den regent van Touratte Satuurdag den 5. met naeme Craeeng Binamo gitteren hier gekomen en sig bij de rijks grooten van bonij vervoegd en tekennen gegeeven hadde dat de soon van den ouden Cuaeeng bodo Bodoa neevens Eenige vande Gode Toedjos voorneemens soude weesen hem afte betten met ver„ soek om door hun in sijn regentschap gemaintineert te worden. Insgelijk wierd mij door een vertroude nog gerapporteerd dat de koninginne van Tello voorneemens soude weesen sig op morgen na Carawitie te begeeven en dat den swerver sankilang daar ook komen mitsgaders en een fettijn soude gehouden worden. niets donderlings gepasseerd hebbe ik op het ten dien eijnde gedaene versoek ales toegesegt Maandag „ 7. aan de gecommitteerde rijks grooten van bonij tegen aanstaande woensdag om den brief van hun hoog Edelheedens voor den koning aftehaelen. hebbe ik aen koning van goa door den derde tolk de graaf Dingsdag „ 8. laeten versoeken om tegen aanstaande zaturdag gecom„ mitteerdend te senden tot afhaal van hun hoog Edelheedens buief dat aen vortt heeft toegesegt navolgens rapport van gemelte tolk die mij nog berigte op goa bij gerugt te hebben zondag den 6: vernomen
English
From Macasser the learned that the Queen of Tello as well as the rebel Sankilang were said to have been at Carawresie last Sunday. Wednesday the 9th. The principal of the Soorijte grandees present here having appeared in the Castle this morning, I handed over to them, with the customary ceremonial, the letter brought for the King by the Company ship, after it had already been brought ashore from on board that same morning. Thursday 10 nothing noteworthy occurred. Friday 11 Saturday 12. The letter from their High Nobles for the King of Goa was retrieved from the Castle by a large number of grandees with the customary ceremonial, after it had previously been brought from the ship. Sunday 13 nothing occurred. Monday 14. Tuesday 15. Having had the Madanrang of Bonij invited to a visit by the third interpreter De Graaf, either for this afternoon or tomorrow morning, he promised me the former, with an accompanying announcement that Craeng Limban Parang, accompanied by his father-in-law Arou Lipoe Kassie, had gone to the wanderer Sankilang in order to learn who he actually might be, who immediately had them come to his house, and having asked after the cause of their coming, upon their stating that they had come to learn whether he indeed might be the former King of Goa, had confronted them with the utmost insolence, accompanied by various gestures of the body: look closely now whether I am not the one I claim to be, further making gestures as if he had no good intentions, whereby they, having become fearful that some misfortune might befall them, had quickly sought a safe escape, which had succeeded for them, both subsequently testifying that the wanderer was by no means the former King of Goa. The aforementioned grandee having subsequently appeared before me in the afternoon, I spoke with him extensively about the aforementioned rebel, with a proposal to send commissioners on behalf of the Company and the court of Bonij to the King and grandees of Goa, and subsequently, if necessary, also to the Queen of Tello, in order to inquire into their sentiments regarding him and thereby further to rouse them to attack and destroy him, which was accepted by him, with the statement that the King of Bonij had himself written a letter to the Pongauwa Datou Baringang and thereby declared that it was extremely necessary to drive out the rebel or put him out of the way; after which he further testified to having received complaints some days ago about various actions of the Bonij prince Lasanassa, formerly named Aroupaling Orang, which title the King stripped from him because of his bad conduct, who did not hesitate to rob and plunder everywhere he could, and this in spite of all earnest warnings, wherefore he requested that I might make provisions against this, since he mostly stayed with Arou Pantjana; however, upon this I informed him that I would indeed order Arou Pantsana not to protect him, but that for the rest there was no other choice than to give orders to the Boniers, wherever he might want to plunder again, to defend themselves and kill him, just as I had granted authority to the subjects with respect to all evil-doers. Furthermore, I received news that the former King of Goa, now called Arou Mampoe, had departed for Lamoeroe with the intention of marrying a daughter of the Datoua or chief of that district, who, it was also reported to me, had passed away a few days ago. Pursuant to the agreement made yesterday with the Bonij Madanrang, Wednesday the 16th, we had an audience requested from the King and grandees of Goa by the third Company interpreter De Graap and that of Bonij, Moentoe Alies, for commissioners by tomorrow morning, which His Highness granted, and thereby, in accordance with my simultaneously made request, promised to have all his grandees assemble together. Toward noon, the Bonij Madanrang had access to me requested for the Tomilalang by tomorrow morning, which I granted. The junior merchants Kraane and Roselet, accompanied by the Glarrang of Bontocalacq and Punis Lanaoeng on behalf of the court of Bonij, departed as commissioners for Goa to carry out what I agreed upon with the Madanrang, who upon their return brought such a report as has been added in writing among the annexes by the two first-mentioned. Meanwhile, around nine o'clock, the Bonies Tomilalang appeared before me, stating on behalf of the Madanrang how some days ago around one hundred buffaloes had been stolen from the inhabitants of the village of Bonta Paaniging by a party of people of the wanderer Sankilang, among whom the Macassar prince Craeeng Sappanang had been present, while they simultaneously murdered one of the owners, wounded another, and transported the buffaloes onto the territory of Tello; that he, the Madanrang, for that reason intending to address the King of Goa regarding that deed in order to demand restitution or compensation from those of Tello, requested me likewise to send an envoy to that monarch, which I refused, pointing out that such matters were private disputes which each ally ought to settle with his own party, otherwise approving his intention to send to the King of Goa. Against which I consented to the Madanrang's request concerning the mutual subjects in the Company's northern provinces, although such had long since been done by me regarding the Company's subjects.
Dutch transcription
Van Macasser den vernomen dat de koninginne van Tello soo wel als de rebel sankilang voorleeden sondag op carawresie souden sijn geweest. woensdag den 9. De voornaamste der hier aanweesende soorijte rijksgrooten desen voordemiddag in het Catteel verscheenen sijnde hebbe ik hun onder het gebruijkelijk Ceremonieel den brief inhandigd die voor den koning met het Comptoir schip is aangebragt na dat deselve al„ voorens dien selven morgen was van boord gehaald. Donderdag „ 10 is niets aanteekens waardig voorgevallen vrijdag „ 11 Zaturdag „ 12 Is den brief van hun hoog Edelheedens voor den koning van goa door een groot getal rijks grooten onder het gebruik Ceremonieel uit het Casteel afgehaald nadatz bevoorens van het schip was gebragt. Zondag „ 13 viel niets voor Maandag „ 14. Dingsdag „ 15 Den madanrang van bonij door den derden tolk de graaf tot een visite hebbende doen nodigen t sij tegen deesen na dan wel morgen voor de middag heeft hij mij het eerste doen toeseggen onder een bijgevoegde bekendmaeking dat craeng Limban parang verseld van sijn schoon vader Arou Lipoe kassie sig begeeven hadden 125 Van Macasser den hadden bij den swerver Sankilang ten eijnde te ervaaren wie hij eijgentlijk sijn mogte aen welke hun terstond op sijn huis doen komen en na de oorsaake vaar haere kompt gevraagd hebbende op derselver te kennen gave van gekomen te sijn om te vernee„ „men af hij in der daad de geweek koning van goa mogte sijn met de uitterste brutaliteijt onder bescheijde beweegingen van het licham hadde te gemoet gevoerd ziet nu ten deegen of ik die geene met ben waar voor ik mij uitgeeve verder mine maekende als hadde hij geen goede intentie waar door sij bevreest geworden sijnde dat haar eenig ongeluk mogt overgekomen schielijk een goed haen komen hadden gesogt het geen hun gelukt was beide vervolgens betuijgd hebbende dat den swerver geen sints de geweesen koning van goa waare. voormelden rijks groot vervolgens het nademidags bij mij verscheenen weesende sprak ik breedvoerig met den selven over den voorm: rebel onder een voorslag om en uitnaam van de Comp: en het hof van bonij gecommitteerdens te senden bij den koning en rijksgrooten van goa en vervolgens des noodig ook bij de koninginne van Tello ten eijnde derselver sentiment omtrend aen selven afte vragen en hun daar door als nog op Van Macasser den op te welken om hem aan te tasten en te verdeligen t geen door hem geaccepteerd wierd met te kennen gave dat den koning van bonij aan den pongauwa datou baringang selfs een brief ge„ schreeven en daar bij betuijgd hadde dat het ten uitersten nodig waeren om den rebel te verarijven of van kant te helpen waar na hij nog betuigde voor eenige daagen klagten te hebben ontfangen over verscheijde gedoentens van den bonijs prins Lasanassa voormaals genaamt aroupaling orang / dog welken titul dekoning hem om sijn slegt gedrag ontnomen heeft, die sig niet ontsag voor al te roven en te plundeeren waar hij maar konde en sulx in weerwil van alle ernstig vermaningen weshalven hij versogt dat ik daar teegen voorsieninge mogte doen vermits hij sig meest bij arou pantjana onthield dog waar op ik hem te kennen gaf arou pantsana wel te sullen gelasten om denselven niet te protegeeren maar dater voor het overige niet anders op was aan aan de boniers daar bij weeder mogt willen plundeeren ordre te geeven om sig te weer te stellen en hem om hals te brengen soo als ik ten opsigte van alle kwaad wverders aan d' onderdaanen qualificatie gegeeven hadde voorts kreeg ik tijding dat den geweesen koning van goa thans 127 Van Macasser den thans genaamd arou mampoe na lamoeroe was vertrocken met intentie om te troupen met een dogter van den datoua op hoofd van dat landschap den welken men mij teffend berigte dat voor weijnige dagen soude overleeden weesen. Jngevolge d' afspraeke op gisteren met den bonijs madanrang woensdag den 16 hebben wij door den derde Comp: tolk de graap en die van bonij moentoe alies laeten vraegen bij den koning en rijksgrooten van goa voor gecommitteerdens tegen morgen voor de middag het geen sijn hoogheijd geaccordeert en daar bij over eenkomstig mijn teffens gedaene versoek toegesegt heeft on alle sijne rijks„ grooten bij een te doen komen. tegen den middag hiet de bonijs madanrang acces bij mij versoeken voor den Tomilalang tegen morgen voor de mid„ „dag dat ik hebbe g'accordeerd. zijn d' onderkooplieden kraane en roselet verseld vande glarrang van Bontocalacq en punis Lanaoeng van wegen het hops van Bonij als gecommitteerdens naar goa ver„ „trocken ter uitvoering van het geen ik met de madan„ rang over een gekomen ben dewelke bij te rugkomst so„ danig rapport bragten als van de beijde eerstgemelde in scriptis Van Macasser den scriptis onder de bijlagen gevoegt is Inmiddens verscheen tegen negen uuren bij mij den bonies Tomilalang uit naam van den madanrang te kennen geevende hoe voor eenige dagen van de Jngeseetenen op de negorij bonta Paaniging omtrend honderd buffels geroofd waaren door een oparthij volk van den swarver Sankilang onder 't welk den maccassaers prins Cuaeeng sappanang sig bevonden hadde terwijl sij teffens een van de Eijgenaars vermoord een ander ge„ quett ende busfeels op het grond gebied van Tello hadden ver„ voerd dat hij madanrang uit dien hoofde voorneemens sijnde sig over dat gedoente bij den koning van goa t addresseeren ten eijnde van die van Tello restitutie of vergoeding te vorderen mij versoeken lit insgelijk een sendeling aan dien vorst tesonden dat ik gerefuseert hebbe onder voorhouding dat diergelijke saeken particuliere quettien waaren die elk bondegenoot met sijn parthij behoorde afte doen voor het overige sijn voorneemen om bij aen koning van goa te senden approbeerende. waar en tegen ik hebbe geconsenteerd in des madanrangs versoek om weedersijds onderdaanen in 'sCompagnies noorder provintien of schoon sulks omtrend 'sComp:s onderdaanen voorlange door mij gedaan
English
From Makassar the been done by having an envoy announce that upon the appearance of the well-known vagrant Sankilang or any of his adherents, they must attack them immediately, with a warning to the chiefs that they will have to unite with one another to that end, all under threat of punishment for whoever might be found negligent; for which reason I have agreed with the Tomilalang to dispatch envoys from both sides tomorrow. Next, the grandee of the realm also gave to know that a letter had been received from the king from the interior, containing complaints about the farmer of the boom who remained unwilling to pay the gratuity, which His Highness annually enjoys from the same for the assistance of his servants, in small coin, notwithstanding that such was said to have been agreed upon, with a request, therefore, that the farmer might be ordered to do so; to which, however, I replied that although by the deed whereby the gratuity to the amount of one thousand ordinary Spanish reals was granted to the late deceased king, payment in coin was by no means promised, nor had it ever been paid in that specie, which certainly would have happened in case the former were true; that I therefore could not compel the farmer to do so, all the less because no small coin was to be had here, From Makassar the being sent hither from Batavia solely for the common servants; that I nevertheless knew a means to help the king with it, namely that all Bone traders might be ordered to pay the farmer the tolls in small coin, in order thereby to enable him to satisfy His Highness with it; and that they could let the same know all this as my answer. Furthermore, I asked him whether the Macassar princes Craeng Candjilo and Craeng Sapanang, belonging to Bone, had, as the rumors had it, joined the rebel Sankelang, and this being answered by him in the affirmative, why this had not been prevented; whereupon he served that he and the other grandees of the realm knew no better than that they were free to go wherever they wished; the contrary of which I demonstrated to him at length, and how one ought at least to have given me notice of their departure on the first journey to that vagabond, before they had carried off their wives and children, in order to have been able to prevent them. Friday the 18th, I sent the Company's first envoy, Daeng Mandjareki, to Maros with such orders as I agreed upon yesterday with the Bone Tomilalang. From Makassar the Saturday the 19th. I took leave of the present envoys from Bouton with the customary ceremonial, handing over a letter to the king and grandees of the realm. Next, I had the Bone Madanrang reminded to send commissioners to Tello concerning the well-known vagrant Sankilang, according to the agreement of the 15th of this month, and to that end to have an envoy request audience for the same by the day after tomorrow in the morning; whereupon he let me know that he would do his best to dispatch an envoy on his behalf; but having sent for that purpose a second time in the afternoon, I received in reply that Arung Baringang and Glarang Bontuala had said that it was not the custom in Bone to send to the court of Tello, as that realm fell under Goa, where they addressed themselves in all cases; wherefore the Madanrang requested to be excused from the former. Sunday the 20th. I had the assistant interpreter De Graaf request audience with the Queen of Tello for commissioners against tomorrow; however, Her Highness excused herself against tomorrow on account of the Mawlid festival, with the request that they might come next Thursday. Monday the 21st. The envoy Daeng Mandjareki returned from Maros, From Makassar the with the report that he had notified all the chiefs throughout the Company's districts, just as had also been done by envoys of the Madanrang to those of the Bone villages, to unite in case of any invasion by the rebel Sankilang and to confront him, and that they had seriously promised to do so. Over and above which he nevertheless reported having learned that the mountain regents of Balotje had been summoned by the resident, but had refused to come down on account of ill treatment said to have been done to them by a Guru Tjanang; concerning which I ordered him to conduct an inquiry with them, and to that end to proceed again to Maros as soon as possible. Tuesday the 22nd. Nothing of particular importance occurred. Wednesday the 23rd. I sent the third interpreter De Graaf to the Queen of Tello to inquire whether it would be convenient for her to receive commissioners tomorrow, and on Thursday the 24th. Sent thither as such the junior merchant Rosselet and bookkeeper Bremen with similar instructions as those who were on the 1st of this month to Goa; whereupon they brought me such report as has been added in writing among the annexes. Friday the 25th. I gave notice to the King of Goa through the assistant interpreter Blij
Dutch transcription
129 Van Macasser den gedaan is door sendeling te laeten aanseggen om bij verschijning van den bekenden swerver sankilang of eenige van sijnen aan„ hang deselve daedelijk aantelatten onder waarschuwing aan de hoofden dat sij sig daar toe met elkanderen sullen moeten vereenigen alles onder bedueijging van correctie voor de geene die nalatig mogt worden bevonden weshalven ik met den Tomilalang over een ge„ komen ben om morgen werdersijds sendelingen aftevaardigen. vervolgens gafs den rijksgroot nog te konnen dat en een brief vanden koning uit de binnen landen was ontfangen houdende klagten over de pagter van de boom die weijgerig bleeft het douceur dat sijn hoogheijd jaarlijks van den selven voor de adsittentie sijnen dien aeren geniet in kleen geld te betaelen niet teegenstaande sulks soude weesen geaccordeerd met versoek dier halven dat den pagter sulks mogt worden bevolen dog waar op ik diende dat wel bij de acte waar bij aan de laast overleeden koning het aouceur ten emporte vanduisent ord:s spaans toegesegt maar geensints paijement belooft en het selve ook nimmer in die specie vol„ daan was het geen seekerlijk ingevalle het Eerste waar mogte weesen soude geschied sijn dat ik dierhalven aen pagter daar toe niet dwingen konde te minder hier geen paijement te kruijgen was Van Macasser den was als een lijk maar van batavia herwaarts gesonden wordende voor de gemeene dien aaren datik noghans om den koning daar aan te helpen wel een middel wist namentlijk dat aan alle bonijse handelaars mogt worden gelast den pagter de tollen inpaijement te betaelen om hem daar door in staat te stellen sijn hoogheijd daar meede te voldoen en dat sij dit een en ander aan den selven voor mijn antwoord konde laeten weeten. voorts vroeg ik den selven ove de ander het bonijs hap sorteerende macassaerse princen Craeeng Candsilo en craeng Sapana to als de gerugten wilden sig, bij den rebel sankelang vervoegd hadden en sulks door den selven met Ja b'antwoord sijnde waarom sulks niet belet was waar op hij diende dat hij en de overige rijksgrooten niet beeter witten of het stond desulke vrij te gaan waar sij wilden welker teegendeel ik hem int breede vertoonde en hoe men mij ten minste hadde behooren kennisse te geeven van hun vertrek voor de eerste reijse na dien vagebond eer sij hunne vrouwen en kinderen vervoerd hadden om het hun te hebben kunnen beletten. vrijdag den 18 hebbe ik sComp: eerste zendelingdanig mandjarekie anmaros gesonden met sodanigen last als ik op gisteren met den bonijs Tomilalang over een gekomen ben: hebbe 134 Van Macasser Den hebbe ik d' aanweesende gesanten van bouton met het gebruikelijk Zatuarg den 19. Ceramonieel afscheid gegeeven onder inhandiging van een brief aan den koning en rijksgrooten vervolgens liet ik den Boniers Madanrang herinneeren om vol„ „gens aftpraak op den 15 deeser ook gecommitteerdens na Toilo te sonden omtrend den beenden swerver Sankilang en om ten dien eijnde door sendelingen acces voor deselve te laeten vragen tegen overmorgen ochtend waar op hij mij weeten liet sijn best te sullen dven om een sendeling sijn entweegen te beschicken dog des nademiddags daar om andermaal gesonden hebbende kreeg ik ten antwoord dat artou baringang en glarrang bontuala getegt hadden dat het bij bonij geen gebruik was bij het hof van Tello te senden also dat rijk onder goo sorteerde alwaar sij big in allen gevallen addresseerden weshalven bij madanrang versogt van het eerste g'excuseerd teworden: hebbe ik door den ondertolk de graap alles laeten vraegen bij de zondag den 20 koninginne van dello voor gecommitteerden tegens morgen dog haar hoogheijd liet sig tegen morgen excuseeren ter saeke van het maoedoe feest met versoek dat'z aanstaande dondendag komen mogten. Is aen berten sendeling Daeeng mandjarekie van mans geuetoureerd Maandag „ 21: met Van Macasser den met berigt dat hij alle de hoofden over sComp: districten aangesegt had„ den so als ook door sendelingen van de madaurang aan die vande bonijse negorijen was gedaan om tig ingevalle van eenige invatie door den rebel samkilang te vereenigen en hem te Heer te gaan en dat sij sulks serieuslijk beloofd hadden. waar en boven hij nogthans berigte vernomen te hebben dat de Berg regenten van balotje door den resident op ontboden waaren dog niet hadden willen afkomen ter sacke van kwaede behandeling die hun door eenen goeroe Tjanang soude weesen aangedaan waar omtrend ik hem gelast hebbe bij deselve ondersoek te aven en om sig ten dien eijnde weeder ten spoedigsten na manos te begeeven Dingsaag den 2. niets van bijsonder belang voorgevallen. Woensdag „ 23 hebbe ik den derde tolk de graf na de koninginne van Tello gesonden om te verneemen of het zaar gelegen komen soude morgen ge„ committeerdens 't ontfangen en op Donderdag „ 24 als sodanig derwaarts gesonden d'onderkoopman rosselet en boek„ „houder bremen met gelijke lattals aan dewelke den 1: hussus na goa sijn geweest waar op bij mij sodanig raport bragten als in scriptis onder de bijlagen is gevoegd. vrijdag „ 25 hebbe ik door den ondertolk blij aan den koning van goa laeten kennisse
English
133 From Makassar the to give notice of the notification made the day before yesterday to the Queen of Tallo and Her Highness's answer; whereupon the Prince let me know that Her Highness had been with him yesterday and had already shared with him some matters, and that he had replied to her declaration of belonging under the Goa kingdom that this was in accordance with their country's laws and he therefore hoped that she would abide by it and observe the orders of Goa, while the Talloese in the contrary case would have to expect righteous vengeance, and that Her Highness had thereupon made a promise to fulfill her obligations. Saturday the 26th The King of Goa had me requested through the Shahbandar, besides some trifles, for a loan of four hundred Spanish reals; however, I let him know that, being out of cash myself, I could not help him. Furthermore, the Lolo of Kaluku came to me on behalf of the Tanete Prince Puana I Asia, alias Aru Pancana, giving notice that his son-in-law Aru Paiso, who had stayed for some time or rather since the death of the Datu of Lamuru at that place, had returned to fetch his wife, From Makassar the wife, who had remained with her father, and to bring her to Lamuru in order to attend the wedding that was soon to be celebrated between the recently deposed King of Goa, now known under the name of Aru Mampu, and the daughter of the late Datu; but that Puana I Asia, fearing he might do wrong if he allowed this, since it was alleged that Aru Mampu, just like other Makassarese princes, colluded with the known rebel, had not been willing to consent to this without my order, which he therefore sent to request of me. Whereupon I let him know that in my opinion it would be better, if his daughter herself had nothing against it, to let her depart rather than to detain her, since her husband, if he might have no evil in mind, could thereby be driven to it, or if he were inclined to it, would not be diverted by withholding his wife; that I nevertheless left it to him to act according to his best judgment. Sunday the 27th nothing unusual occurred. Monday the 28th, toward noon, the regent of the Company's province 185 From Makassar the Tuesday the 29th province of Galesong came to me reporting that some Makassarese, led by a certain Calla Belang, had stolen more than thirty buffaloes from the subjects; that this having been noticed in time, those people had been pursued, two of them massacred, and the buffaloes recovered, but the boy who had tended them had been carried off by them. Concerning the first matter, I expressed my satisfaction, with the recommendation to put the evildoers to death on all occasions without respect of persons, and furthermore ordered the chief interpreter to demand the return of the abducted boy from the Shahbandar of Goa. Nothing of importance occurred. Wednesday the 30th The Bone Sulewatang had access requested for me on behalf of the Tomilalang for tomorrow before noon, which I granted. Furthermore, the aged regent of the mountain province of Mallawa appeared before me, letting it be known how he had learned that the rebel Sankilang was sending emissaries to several of the mountain regents to win them over to his cause, without being able to say what answer was or had been given to those emissaries; that however, no one having been to him yet, he had thought it well to come himself in order to ask orders as to what to do in case a wanderer should also be sent to him. Whereupon From Makassar the Whereupon, pointing out to him that the rebel was only a common person and robber, I not only gave him orders to drive away the emissaries he might send to him along with all those of his following, but also earnestly exhorted him to remain faithful to the Company, with the added assurance that the Company would well protect all its subjects. Further, it was reported to me by the Lieutenant of the Malays that the Matinroe of Bone, having been with him privately yesterday afternoon, had given notice that he had been summoned by the King to the interior because of some disputes that had arisen between those of Wajo and Soppeng over tolls that the Soppengese demand from the Wajoese traders arriving there, but that, owing to the unrest that had already arisen here and seemed likely to be further stirred up by the well-known rebel Sankilang, he did not gladly wish to depart without my permission and therefore wished to speak with me; whereupon Sadulla had promised him to announce this to me. Thursday the 1st of May, in the forenoon, the Tomilalang and Sulewatang of Bone appeared before me, sent by the Matinroe, to request once again that the lessee of the boom might be ordered
Dutch transcription
133 Van Macasser den kennisse geeven van d' opgisteren gedaane betending aan de ko„ „ninginne van Tello en haar hoogheijts antwoord; waar op den vorst mij weeten liet dat haar hoogheijd gisteren bij hem geweest en hem het een en ander ook reets bedeeld, mitsgaders hij op haar te kennen gave van onder het goas rijk te gehooren gediend hadde dat sulks over een komttig hunne landswetten was en hij dier„ halven hoopen wilde dat sij daar bij blijven end' ordres van goa nakomen soude terwijl de Telloneesen bij het tegendeel regtveerdige wraake soude te verwagten hebben en dat haar hoogheijd daar op belofte hadde gedaan om haar gehoude„ „nisse na te komen Liet aen koning van goa mij door den sjabandhaar behalven Zaturdag den 26 eenige kleenigheeden om vierhonderd Ed:s spaans ten leen versoeken dog waar op ik den selven weeten liet dat ik selfs niet bij Cas sijnde hem niet helpen konde. voorts kwam den lolo van kaloekoea bij mij uitnaam van de Tanets prins Poeana J Asia alias arou pantjana tekennen geevende dat desselfs schoon zoon aron paidso die sig eenigen tijd of wel zeedert het overlijden van den Datoe van Lamoeroe te dier plaatse opgehouden hadde te rug gekomen was om sijn vrouw Van Macasser den vrouw die bij haar vader gebleeven waare afte haalen en na La„ moeroe te brengen ten eijnde het huwelijk bij te woonen dat eerlange tusschen den laast gedetaoneerde koning van goa thans bekend onder de naam van arou mampoe en de dogter van wijlen den Datoe stond te worden voetrocken dog dat poeana J Asia vreesende somtijds te sullen misdoen wanneer hij sulks toestond vermits men wilde dat aroumampoe even als andere Macassaerse princen met den bekenden rebel haulde daar in niet hadde wille bewilligen buiten mijne ordre die hij mij oversulks versoeken liet. waar op ik hem hebbe laeten weeten dat het mijnes er agtans beeter soude sijn, sijn dogter wanneer die selfs niets daar tegen had te laeten vertrecken dan aan te houden vermits haar man wanneer hij geen kwaad in den bin mogte hebben daar door tot het selve soude kunnen overslaan op wanneer hij en toe gemeegen was door het onthouden van sijn vrouw niet sond= worden gedi„ verteerd dat ik nogtans aan hem overliet na bette goeddunken te werk te gaan. zondag den 27 viel niets sonderlings voor Maandag „ 28 kwam tegen den middag bij mij den regent van scomp: provintie 185 Van Macasser den Dingsdag den 29 provintie glissong berigtende dat eenige maccassaren aangevoerd door seekeren Tjalla beelang ruijm dertig busses van d' onderdaenen geroofd dat sulks tijdig ontwaard sijner dat volkse nageset twer van hun gemassacreerd en de bussels te rug gekreegen waeren maar de Jonge die er opgepast hadde door hun vervoerd was over het eerste gaf ik mijn genoegen te kennen met recommandatie om bij alle geleegentheeden de quaed doendens sonder aansien van persoon van kant te helpen en voorts aan den oppertolk last om den vervoerde Jonge bij den sjabandhaar van goa te reclameeren niets van belang gepasseerd Liet den bonijs soelewattang acces bij mij versoeken voor den Woensdag „ 38:e Tomilalang tegen morgen voor de middag t welk gacondeer hebbe voorts verscheen bij mij den bejaarden regent van de berg provintie Malawa te kennen geevende hoe hij vernomen hadde dat den rebel sankilang aan verscheijde van de berg regenten sendelingen sond om hun tot sijn belang over te haalen sonder dat hij seggen konde was aan die sendelingen ten antwoord wierd of was gegeeven dat er egter nog niemand bij hem geweest sijnde hij goed gedagt hadde self hun te komen ten eijnde ondre te vragen wat te moeten doen in gevalle een swerver ook bij hem kwam tesenden waar Van Macasser den waar op ik hem onder voorhouding dat den rebel maar een gemeen persoon en roover was niet alleen latt gaf desendelingen die hij bij hem mogte son den neevens alle die van sijn aanhang wegte saegen maar ook ernttigemaande de Comp: getrouw te blijven met een bij gevoegde toesegging dat de Comp: alle haere onderdaenen wel soude beschermen. wijders wierd mij door den Lieutenant der maleijens gerapporteerd dat den madanrang van bonij gisteren nadimiddag nit pan„ „ticulier bij hem geweest sijnde te kennen gegeeven hadde door den koning in de binnen landen ontboden te weesen ter saeke van eenige ontstaane geschillen tusschen die van wadsjo en soping over thollen die de sopingens van de aldaar komende wadporeese handelaars vorderen dog dat hij mits de beweegingen die alhier reets ontstaan waaren en soo t scheen verder te sullen worden verweket door de bewusten rebel sankilang niet gaarne buiten mijne toestemming vertrecken wilde en dierhalven wel wenschte met mij tespreeken waar op sadulla hem hadde beloofd wij sulx te sullen aandienen Donderdag den 1: Meij verscheen des voordemiddags bij mij den Tomilalang en soe„ lewattang van bonij gesonden door den madanrang om nog „maals te versoeken dat aen pagter van de boom mog worden gelast
English
From Macasser the ordered to pay the gratuity, which their king receives annually from the same, in coin, stating that this had to be done according to the records kept in the book of their late deceased prince. However, I maintained in response to them as a principal point that I did not adhere to the notes of others, but to the deed itself, in which no mention is made of coin, and that since no coin was paid for toll duties, the farmer of the tolls could also not be asked to pay the king with it, all the more so because one could not obtain it. After this they asked whether the dispute over a certain piece of garden land at Mannavengie in the province of Maros, which they claim belonged to the deceased king, had already been settled and decided, to which I replied that I did not yet know, having entrusted the investigation thereof to the chief interpreter, who is currently lying very ill, but that I would give him further orders regarding it, which I also had done immediately, after which they took their leave. I had the madaurang of Boni invited for a visit tomorrow, Friday the 2nd before noon, which being accepted by him, he appeared on about Saturday the 3rd at about nine o'clock, accompanied by the Tomilalang, Soelewattang, Pongauwa, and Prince Arou Wanka. After taking our seats, I informed him that I had asked to see him based on the report given to me on the 30th ultimo by the Lieutenant of the Malays, Intje Sadulla, further asking whether he firmly intended to depart for the interior, and if so, by when, stating that I wished to speak with him beforehand about matters of importance. To this he replied that since he was indeed summoned to the interior, he had brought with him the dignitaries present with him so that I could learn from this with whom I would have to deal regarding these matters after his departure, but that not only was the day of his departure not yet set, but the departure itself was not certain, being unable to take a firm resolution regarding it on account of the rumors concerning the rebel Sankilang, since, should the state of affairs with respect to that vagrant take on a worse appearance for us, he would remain here and would not abandon me. Subsequently, the Tomilalang inquired once again about the outcome of the investigation regarding the disputed piece of garden land mentioned under yesterday's date, to which I replied that the chief interpreter had requested me to postpone the matter until the upcoming recovery, with which he was satisfied. After this, having spoken further with the said dignitaries about various matters, and particularly with regard to the well-known vagrant and the hesitation of the Macassars to attack him, I asked them, among other things, where the princes Craang Candsilo and his son Sapana, belonging to Goa but falling under the court of Boni, were. And upon their answer that, having left the Bugis campong together with their wives and children, they were at a certain place or at Tello, I asked further why they had not been prevented from doing so by detaining their wives and children, to which they answered that they could not stop such personages from departing to wherever they thought fit. I pointed out the exact opposite to them in the strongest terms, saying that they had been obliged to detain those princes and, if necessary, even force them by violence to remain here, since it was well enough known how they have colluded with the rebel from the beginning when he appeared, and being with him now they could brew much mischief for us, which was firmly to be expected because Arou Palacka, in spite of the certain reports to the contrary, continued to claim that the rebel was her grandson and that he had to be held in all things as the cause of the evil that would arise further; all of which they acknowledged, adding, however, that they saw no chance of making the aforementioned princes return and that they did not expect that they would do so of their own accord. Sunday the 4th, nothing of particular note occurred. Monday the 5th, the King of Goa requested an audience with me for himself and his dignitaries for tomorrow before noon, which I granted. Tuesday the 6th, the King of Goa, together with a large number of dignitaries and various deputies from Tello, having appeared before me at about ten o'clock, informed me that their intention was to convene with one another on the fourth day after the upcoming new moon in order to determine a day for marching out to attack the well-known vagrant. Having thanked them for this communication, while offering a fitting wish for a fortunate success, the prince requested to speak with me privately, From Macasser the where
Dutch transcription
3 Van Macasser den gelast het douceur dat hnnen koning jaarlijks van den selven ge„ niet in paijement te voldoen onder te kennen gave dat sulks volgens gehoudene aanteekening bij het boek van wijlen hun overleeden vorst moette geschieden dog waar op ik hun ten principaelen voor„ hield dat ik mij niet aan aanteekingen van anderen maar aan d'acte selfs hield waar bij van geen paijement gewag word gemaakt en dat dewijl en geen paijement voor Thollen wierd betaald het den pagter ook niet te vraegen was, om den koning daar meede te be„ taelen te meer men het selve niet krijgen konde. hier na vroegen bij of de questi over seeker stukje thun land op Mannavengie in de provintie maros dat sij voorgeeven den overleeden koning te hebben toebehoord rees afgedaan en gedecideerd waare daar ik ten antwoord op diende sulks nog niet te weeten als het ondersoek daar omtrend aan den oppertolk die thans seer siek ligt opgedragen hebbende dog dat ik hem het selve nader beveelen soude soo als ik ook terstond hebbe laete doen waar na sij hun afscheijd naamen. hebbe ik den madaurang van bonij tegen morgen voor de vrijdag den 2: middag tot een visite doen nodigen 't geen door hem aangenomen „sijnde verscheen hij op omtrend Zaturdag den 3: omtrend neegen uuren verseld van den Tomilalang soelewattang Pongauwa en prins arou wanka Na genomen dit plaats gaf ik te kennen hum te hebben laeten versoeken op het berigt den 30 passato mij door den licutenant aer maleijers Intje Sadulla gegeeven voortsvraagende op hij vast voorneemens was na de binnen landen te vertrecken en soo Ja tegen wanneer onder te kennen gave dat ik dan alvoorens gaarne met hem wenschte te spreeken oversoeken van importantie waar op hij ten antwoord diende dat vermits hij werkelijk na de binnen landen was ontbo„ „den hij de bij sig hebbende rijksgrooten hadde meede gebragt ten eijnde ik daar uit soude konnen verneemen met wien ik na sijn vertrek over desaeken soude hebben te handelen dat egter den dag van sijn vertrek niet alleen nog niet bepaald maar het vertrek selve niet seeker was daar omtrend geen vatte resolutie kunnende neemen ter saeke vande gerugten weegens den rebel sankilang vermits hij wanneer de toestand van saeken ten opsigte van dien swerven voor ons van een erger aanschouw mogte worden alhier verblijven en mij niet overlaeten soude volgens de informeerde sig den Tomilalang andermaal naden uitslag van het ondersoek omtrend het quettieuse stukje truim van Macasser den land 139 Van Macasser den land vermeld sub dato een gisteren waar op gisteren waar op ik diende dat den oppertolk mij versogt hadde desaakt tot de aanstaande ver„ „tiening uit testellen waar meede hij sig vergenoegen liet hier na nog met de gemelde rijksgrooten over diverse saeken en wel voornamentlijk met betrecking tot den bekenden swerver en het tal„ „men der macassaeren om hem te doen aantatten gesproken hebbende vroeg ik hun onder anderen waar de goase dog onder het bonijs hof sorteerende Princen Craang Candsilo en sijn soon Sapana waeren en op hun antwoord dat te neevens hunne vrouwen en kinderen de Campong bougis verlaeten hebbende sig op zeekere of Telle bevonden nader gevraagd hebbende waarom men hun sulks door het aan„ houden van derselver vrouwen en kinderen niet belet hadde dienden sij daar op sulke persenagen te kunnen tegen gaan om te vertrec„ „ken herwaarts het hun goed dagte welken teegendeel ik hun op het aendelijkste voorhield in dat sij waaren verpligt geweest die prin„ cen aan te houden en selfs des noods door geweld tot verblijf alhier te noodsaeken vermits het bekend genoeg waare hoe sij van het begin dat den rebel sig vertoond heeft met den selven geheuld hebben en sij sig thans bij hem bevindende ons veel quaad konde brouwen en sulks vast te verwagten was ter oorsaake arou Palacka palacka in weerwil van de seekere berigten van het teegendie bleef beweeren dat den rebel haar kleen zoon waare en bij in alles voor d' oorsaeke moest worden gehouden van het quaad dat en verder ontstaan soude alle het welke bij enkenden met bijvoeging nogthans dat sij geen kans sagen de voormelde princen te rug te doen keeren en dat sij niet verwagtende waaren dat sij het ii't hun selven doen soude. zondag, den 4: viel niets van bij sondere aanmerking voor Maandag „ 5. liet den koning van goa voor sig selven en sijne rijktgrooten belet bij mij vragen tegen morgen voor de middag dat ik g'a„ „condeerd hebbe Dingsdag „ 6 Dekoning van goa neevens een groot getal uijksgrooten en ver„ scheijde gedeputeerdend van Tello omtrend ten tien uuren bij mij verscheenen weesende gaf den selven te kennen hoe hun voorneemen was den vierden dag na d' ophanden sijn de nieuwe mannet den anderen te vergaderen ten eijnde een daeg te bepaelen tot het uijtrucken na hun attacqueeren van den bekenden swer„ „ver voor welke Communicatie ik bedankt hebbende onder een gepatte toewensching van een geluckig suices versogt den vorst mij apart te spreeken van Macasser den waar
English
In Macassar, the [date omitted] Whereupon, having entered my writing room with him and the second Tomilalang, having with me for translation the under-interpreter Blij and Intje Saulla, he requested first to be assisted with 500 ordinary Spanish reals, a pikol of gunpowder, and lead pro rata. I promised this, provided an obligation was properly granted for the cash at the expense of the realm, which was promised with expressions of gratitude. After which we engaged in conversation with each other, both regarding the rebel, who he said had declared that he had the promise of the Mandarese to join him and that he would then attack the castle, and with respect to the instigator of all his actions, Arou Palacka. Concerning this dangerous instrument, he made his desire known in no uncertain terms to have her seized, asking me some very intricate questions regarding it. I answered by pointing out to the prince that no opportunity whatsoever seemed available to me for that purpose, not daring to declare, on account of the gravity of the matter, that I myself, being exceedingly desirous of it, had already reflected upon the means by which this objective of mine might be achieved. Without finding it possible otherwise than solely by means of the Bonian grandees, to whom the secret cannot be entrusted and through whose usual carelessness she would surely get wind of it and immediately save herself by flight. After the aforementioned conversation with the prince, having gone outside again at one o'clock, he asked leave to depart after lingering for scarcely a moment, and left with his company. In the afternoon, two emissaries arrived here from Craang Anabadjing out of the southern province of Poelembankeeng, reporting that the rebel had sent to him the glaurangs of Kabbarokang and Alloe, both resorting under Macassar or Goa Panga, with a message containing in substance: How he, the rebel, having learned that Craang Anabadjing had had his state banner sprinkled with blood, therefore sent to ask to what end this had been done; if the same had been done to march against him, Craang Anabadjing could count on being attacked tomorrow; but in case it was done to join with him, he could then expect him in four days. To which message it was given in answer to the emissaries that: 143 In Macassar, the [date omitted] That no banner had been sprinkled with blood; that as for joining with their master, such would never happen, since Craaeng Anabadsing would never abandon his lord and master, the Company, but would remain faithful. With which answer they had departed, while Craaeng Anabadjang had communicated the same to Craaeng Glissong with an admonition to assist him in case of an attack, which had been promised and pledged by the regent. The emissaries further reported that some mounted men had already been sent out by their master on reconnaissance to watch the movements of the enemy, in order to bring prompt news if he should march up, while they finally requested six flintlocks with some gunpowder and lead under promise of restitution. To all of which I gave in answer to the emissaries that, completely approving of their master's conduct, I considered the same as a token of his faithful attachment to the Company, which would not fail to assist its faithful subjects in like manner, as it had done for them recently; and that I would further await closer report whenever anything should occur. In Macassar, the [date omitted] With the further addition that I would, however, have liked to have seen their master, instead of letting the rebel's emissaries return, seize them and send them hither, with orders to execute this upon the arrival of others. Meanwhile, for the rest, I declined the requested assistance of weapons, gunpowder, and lead, pointing out to the emissaries that so small an amount would be of little avail. Furthermore, I also ordered them to tell their master that he would do well to let Craleng Glissong know immediately to deal with any emissaries of the rebel who might come to him as stated above, just as I also ordered that regent through an express messenger who departed this very evening. Wednesday the 7th. Tonight, around three o'clock, I was awakened by the under-interpreter Blij, who brought to me three interpreters of the King of Goa, reporting in the name of their master that the rebel Sankilang had yesterday approached as far as the negorij Cassie, situated three quarters of an hour from Goa. To which message I primarily replied that I expected that he would be driven from there immediately, but that I was surprised not 145 In Macassar, the [date omitted] to have received earlier report of his march out of the mountains to so near as Goa. After this, the captain of the Malays came to me in the morning, making known his arrival from Sabouton, whither he had departed some days ago with my permission. Who, during a conversation about the sudden appearance of the rebel, unanimously with what was communicated to me by the King of Goa, was able to tell me that the same had sent emissaries in the name of the court of Goa to the Mandarese, namely to Bellamipa and Madjen or Bangaij, with a message containing: Whether they still remembered the old friendship with the Macassars, with a summons to assist him with vessels and men and thus to conspire with him. However, it was given in answer to the said emissaries: That they, the Mandarese, were indeed still mindful of the former, but also at the same time how they had been surrendered by the Macassars to Boni, and that belonging as they now did under that realm, they had no reasons to abandon it. With which answer those emissaries had returned without
Dutch transcription
499 Jan Maedsser den waar op ik met den selven en den tweede Tomilalang in mijn schrijv vertrek getreeden sijnde geweld bij mij hebbende tot ver„ „tolking den ondertolk blij en Intje Saaulla versogt hij voor af met 500 ord:s spaans een pikol kruit en prorato loot te mogen worden g'assitteerd dat ik toeseijde, mits voor de contanten na behooren een obligatie wierde verleent ten laste van het rijk 't geen onder dank betuiging beloofd wierd. waar na bij met den anderen in discours geraakten soo wel ten aansien vanden rebel die hij seijde dat sig uitgelaeten hadde toesegging van de mandhareesen te hebben om hem te sullen bij vallen en dat hij dan het casteel soude attacqueeren, als met opsigt tot het roersel aller sijner bedrijven arou palacka omtrend welk gevaarlijk instrument hij niet onduijdelijk sijn verlangen te kennen gaf om haar te doen opligten mij daar omtrend Eenige seer ingewickelde vragen doende die ik b' antwoorde met den vorst voor te houden dat mij daar toe geene de minste geleegentheijd toekcheen mij om het gewigt der saeken niet dervende verklaeren dat ik selfs daar na ongemeen verlangende reets overpeijnst hebbe door welken weg dit mijn oogmerk te bereijken soude sijn. sonder dat ik het Van Macasser den het mogelijk vin de dan eenlijk door middel der Bonijse rijksgrooten wien het geheijm niet te vertrouwen is en door welker gewoone lotheijd sij daar van wel nas de lugt krijgen en haar selven ten eersten door de vlugt sauveeren soude. Na het voorsz: gesprek met den vorst ten een uuren weeder na buiten gegaan weesende versogt hij na nog geen oogenblik ver„ toeven afscheijd en vertrok met sijn geselschap Des nademiddags arriveerden alhier twee sendelingen van craaang anabadjing uit de suider provintie poelembankeeng met berigt dat den rebel de glaurangs van kabba rokang en Alloe /: beijde onder macasser of goa Panga sorteerende :/ bij hem gesonden hadde met een boodschap in substantie behelsende. hoe hij rebel vernomen hebbende dat eraeng anabadjing sijn staats vendel met bloed hadde aven besprengen dierhalven vra„ „gen liet tot welken eijnde sulks geschied was soo het selve waare gedaan om teegen hem tot te trecken craeng anabadjing staat konde maeken om morgen aangelast te worden dog ingeval het geschied was om sig met hem te Conjungeeren hij hem dan over vier dagen verwagten konde. op welke boodschap aan de sendelingen ten antwoord was gegeeven dat 143 Van Macasserden dat en geen vendel met bloed was besprengd dat wat betrof om met hun meester te conjungeeren sulks nooijt geschieden soude also craeeng anabadsing sijn heer en meester de Comp: nimmer verlaeten maer getrouw blijven soude, met welk antwoord sij vertrocken waeren, terwijl craaeng anabadjang het selve hadde doen Communiceeren aan craeeng glissong met aenmaening om hem in cas van attacque te assitteeren 't geen door den regent beloofd en totgesegd was meldende desendelingen en nog bij dat reets eenig volk te paard door hun meester op kundschap uitgesonden waare om op het bedrijf van den vijand te passe„ ten eijnde spoedig tijding te brengen als hij op marcheeren mogte terwijl sij eijndelijk versogten om des snaphaanen met wat kunt en loot onder belofte van restitutie op alle het weeke ik de sendelingen ten antwoord hebbe ge„ geegeven dat ik het gedrag van hunnen meester volkomen approbeerende het selve beschouwde als een blijk van sijne trou„ „we aankleeving tot de Comp: die niet ingebreeke soude blijven haare getrouwe onderdaanen ins gelijks bij te staan soo als sij ham nog jongst gedaan hadde en dat ik voorts nader berigt verwagten soude wanneer er iets kwam voor te vallen onder Van Maedasser den onder verdere bij voegjing hoe ik egter gaarne soude gesien hebben dat hun meester in steede van des rebels sendelingen weeder terug te laaten keeren deselve opgevat en herwaarts gesonden hadde met last sulks bij de koms:t van anderen dierhalven werk stellig temaeken Terwijl ik voor het overige de versogte assistentie van geweenen kruit en loot ontlegt hebbe de sendelingen vertoonende dat so een geringheijd tot weijnig souden baten. voorts hebbe ik haar ook nog bevoolen om hun meesten te seggen dat hij wel soude doen craleng glissong, ten eersten te laeten weeten om ingevalle er ook sendelingen van den rebel bij hem mogten konnen met deselve te handelen als boven getegt is soo als ik din regent ook door een expresse hebbe doen gelasten die nog deesen avond vertrocken is woensdag den 7. heeden nagt omtrent arie uuren wierd ik opgewekt door den ondertolk blij die bij mij bragt arie tolken van den koning van goa uit naam hunner meester berigtende dat aen rebe. san„ kilang gisteren tot op de negorij Cassie leggende arie quantieur van goa genaderd was op welk boodschap ik ten principaelen gediend hebbe dat ik verwagten wilde dat den selven ten eersten van daar soude worden verdreeven dog dat ik mij verwonderde niet 145 Van Macasser Den met vroeger berigt te hebben gekreegen van sijn op mansch uit het gebergte tot so na bij als goa hier na quam de capitain der maleijers in den morgenstond bij mij sijn arrivement bekend maekende van sabouton wer„ waerts hij voor eenige dagen met mijn permissie vertrocken is die mij onder een discours over de subt verscheijning van den rebel eenstemmigg het mij meede gedeelde door den koning van goa wist te seggen dat den selven op de naam van het hops van goa sendelingen bij de mandhaneesen en wel bij bellamipa en madjen of bangaij gesonden hadde met een boodschap behelsende. of hun de oude vriendschap met de macassaer en nog wel voor„ stond met sommatie om hem met vaartuigen en volk bij te staan en dus met hem saemen tespannen. dog dat daar op aan de gemelde sendelingen ten antwoord was gegeeven. Dat sij mand hare en het eerste nog wel gedagtig waeren maar ook teffens hoe sij door de macatsaeren aan bonij waeren overgegeeven en dat sij onder dat uijk als uu ge„ hoorende geen reedenen hadden het selve te verlaeten. met welk antwoord die sendelingen waeren terug gekomen sonder
English
From Macasser the without anyone knowing further what followed. In the afternoon the Bonian madanrang informed me through the interpreter Passeere that he had given notice to the king of Goa of the rebel's approach close before Goa, or rather at Cassie, requesting orders as to what he ought to do, whereupon I had him told that for the present there was nothing to be done but to keep a good watch and be on guard, after which the interpreter further testified to having heard by rumor that the rebel was said to have already departed for the Bonian negorij Tamamaveng, to which I merely replied by presenting to them that, this being so, the Bonians ought to attack him. For the rest, it was already learned this afternoon from several persons who belong around Goa or had been there, that the rebel had even been inside that city and was said to have spoken with the oldest Tomilalang. Having given orders to make an inquiry into the certainty of all this, I was reported to on Thursday the 8th early in the morning by the third interpreter De Graaf how he had learned that the rebel with five banners had approached practically before the so-called gate Bissij, and had in person been with the first Tomilalang at his house, but that he was said to intend to withdraw again to Zekere in the Tello territory in order to proceed from there to Maros. Which first news, namely the rebel's intention to return to Zeekere, the king of Goa informed me of in the afternoon through two interpreters, saying that it had already been put into effect and the rebel had therefore left Cassie, without however mentioning a word about his entry into Goa nor at the Tomilalang's. Toward evening, the emissary sent to Glissong the day before yesterday returned with the report that the craeeng had promised to carry out the orders given to him like a faithful subject. Friday the 9th, I sent the third interpreter De Graaf to the king of Goa to express to that monarch my astonishment and surprise at the rebel's approach so close to and even practically before the gate of Goa, without any move having been made to attack him, much less to expel him by force, while further reminding him of his promises and signs given to that effect, and stating that I still wished to hope for the execution thereof. Whereupon the monarch sent me word in reply that rumors were contrary to the truth and I should place no faith in them; that the rebel had indeed been up to the kraal of Bissij, while the old Tomilalang along with the Batoe Salappangs had been occupied with celebrating the Maulid feast, but that that rijksgroot, being informed thereupon of the rebel's arrival, had marched out with various grandees of the realm and more than three hundred men, but had hardly stepped outside before the rebel with his entire force had taken flight; that as far as his promise was concerned, he had already agreed with the grandees of the realm to attack the rebel, and various Craengs and glarrangs had also already been appointed as heads of the expedition. The captain of the Malays, having likewise been ordered by me to inquire as closely or as thoroughly as ever possible into what had occurred at Goa, not only regarding the rebel's appearance there, but also the conduct of the king and the grandees of the realm with respect to him, came to report to me what he had been informed of by three of his subordinates sent out for that purpose, who had it primarily from one Daeng Mandjarekie, a Macassar, though one who has always outwardly shown himself to be devoted to the Company and its servants, that Sankilang, upon his arrival before Goa, was said to have sent a certain Daeng Rikassie to the king to make known that he wished to see His Highness, but that this had hardly been said by him before a second emissary, Craeng Gantayang Paangie, had come in the name of Sankilang to deliver a similar message, but had likewise only just delivered it when a riot broke out amid shouting that Sankilang was on his way. That the grandees of the realm who were then with the old Tomilalang, busy celebrating the Maulid feast, had thereupon gone to their houses to arm themselves and their people, but having been unable to bring together more than just over two hundred men, the king had immediately sent to Thaing to the queen of Tello for assistance, and had obtained from there some grandees of the realm, though with a meager number of twenty men, and for the rest no one else had rushed to the monarch's aid, indeed not even any of the glarrangs or regents, so that if the old Tomilalang had not stopped him, the rebel would have marched directly to the king's Dalm, as this grandee of the realm had had him threatened if he would not listen to him and consequently turn back, whereupon he had marched away toward Cassie; that
Dutch transcription
Van Macasser den sonder dat men verder witt wat er opgevolgd. Des middags liet de benijs madanrang mij door den tolk Passeere weeten dat aen koning van ga hebbe laeten kennisse geeven van d' annadering van den rebel tot voor goa of wel op Cassie met versoek om ordre wat hem te doen soude staan waar op ik hem seggen liet dat er voor eerst niet op was dan goede wagt te houden en op hoede te sijn waar na den tolk nog betuigde bij gerugt te hebben vernomen dat den rebel al reets vertrocken soude weesen na de bonijse negorij Tamamaveng 't geen ik een„ lijk beantwoorde met hun voor te houden dat sulks so sijnde de boniers hem dan behoorden tattacqueeren. voor het overige vernom men deesen middag reets uit verscheijde persoonen die omtrent goa t huis hooren of sig daar bevonden hadden dat den rebel selfs binnen die stad geweest sijn en met den oudste Tomilalang soude gesprooken hebben na de seekerheijd van het welk een en ander ik ordre gegeeven hebbende om ondersoek te doen wierd mij op Donderdag den 8: des morgens vroeg door den derden tolk de graaf gerapporteerd hoe hij vernomen hadde dat den rebel met vijf vondels tot genoegsaam voor de so genaamde poort bissij genadent en persoon was geweest bij 147 Van Macasser den geweest bij de eerste Tomilalang op deselfs hus dog dat hij voorne„ „mens soude sijn weder na zekere op het Tellose gebied te rug te tree„ ken om sig van daar na maros te begeeven. welke eerste tijding namentlijk het voorneemen van den rebel om na zeekere terug te keeren de koning van goa mij des middags door twe tolken liet weeten dat reets in het werk gesteld was en den rebel dierhalven cassie verlaten hadde sonder nogtans een woord te reppen van sijn binnen komst in goa nog bij den Tomilalang Tegen den avond retourneerende de op ergiteren na glissong ge„ sonden sendeling met rapport dat den craeeng beloofd hadde de hem gegeevene ordre als een getrouw onderdaan te sullen nakomen sond ik den derde tolk de graaf bij den koning van goa om dien vrijdag den 9. vorst mijne verwondering en bevreemding te betuigen over de komst van den rebel tot soo na bij en selfs genoegsaam voor de poort van goa sonder dat en eenige beweeging was gemaakt om hem aan te tatten veel min met geweld te verdrijven onder verdere„ herinnering van sijne daar toe gedaene beloft entekens en gave dat ik d' itvoering van dien als nog verhoopen wilde. waar op den vorst mij in antwoord weeten liet dat gerugten strijdig met de waarheijd waeren en ik daar aan geen geloofd moeste Van Macasser Den moeste slaan dat den rebel wel tot bij de knaal van Bissij geweest moeste slaan dat den rebel wel tot bij de kraal van bissij geweest was terwijl den ouden Tomilalang met de batoe slappangs sig besig hadden gehouden met het vieven van het maoedoe fest dog dat die ijkesgpoort daar op van des rebels aankomst g'informeert neevens diverse rijks„ „grooten en ruijm drie honderd koppen opgetrocken dog naauwlijks buiten gekomen was of denselven hadde met sijn gantsche magt de vlugt genomen dat wat voorts sijn belofte aanging hij met de rijks grooten reets. over een gekomen was om den rebel aan te tatten en ook al verscheijde Craengs en glarrangs tot hoofden over de Expeditie benoemd waeren de capitain der maleijers door my almeede gelast om op het nauw keurig of soo veel immer mogelijk sij ondersoek te doen na het voorgevalle op goa met allen met betrecking tot de verschijning aldaar van den rebel maar ook het gedrag van den koning en rijkes grooten ten sijnen opsigte soo quam den selven mij rapporteeren hoe hem door drie sijner ten dien eijnde uitgesondene onderhoorige was berigt die sulks voornamentlijk hadden van eenen daeng Mandjarekie, een macassaar dog altoos voor het uiterlijke betoond hebbende de Comp: en haere dienaaren toegedaan te weesen / dat Sankilang ng Van Macasser Den Samkilang bij sijn komst voor goa eenen daeng rikassie bij den koning soude gesonden hebben met te kennen gave dat hij sijn hoogheijd gaarne wilde sien dog dat dit naauwlijks door hem gesegt was ofe een tweede zendeling kuaeng gantavang Paangie hadde uit naam van Sankilang een gelijke boodschap komen doen dog deselve ook maar eeven afgelegt wanneer er een opnoer was ontstaan onder een geroep dat Sankilang op weg was. Dat de rijksgrooten die sig doenmaals bij den ouden Tomila„ „langs hadden bevonden besig om het maredoe feet te vieren daar op na hunne huisen waeren gegaan om sig en hunne volkeren te wapenen dog niet meer bij den anderen hebbende kunnen brengen dan ruim twee honderd koppen de koning aanstonds om assittentie op Thaing bij de koninginne van Tello gesonden en van daar eenige rijksgrooten dog met een gering getal van detwintig man bekomen hadde en er voor het overige niemand meer tot tvorsten hulpe toegeschooten waeren Ja selfs geen van de glarrangs ofer kietheeren so dat ingeval den ouden Tomilalang het niet hadde gesluit den rebel direct na s konings Dalm soude sijn gemarcheert also disn rijksgroot hem hadde doen dreijgen van hem niet wilde luisteren en dienvolgende te rug keeren waar op hij weesen na Cassie was getroeken dat
English
From Macasser the That the aforementioned daang mandjanchie, having subsequently sent his son-in-law there to inquire further into the rebel's design and intention, had obtained report that the same intended to attack Panapoe, a Bone settlement north of bontuala, or else to proceed to maros, since the Macassar prince Crang Cand jilb had requested him to do so under the pretext that lomo Maros had sent someone to him for that purpose. Finally, the captain added to all this that daeng Mandjarekie had caused him to be warned and admonished not to trust the Macassars at all, while their actions and words boded no good. Saturday the 10th. The Bone Madanrang, through the interpreter moentoe, had access requested of me for the soelewallang and the djema Tengang for this afternoon, in order to present for reading the letter which the King of bonij had recently received from their High Excellencies. Having granted this, the said dignitaries of the realm brought me that letter with the request that I might have it translated into Buginese in order to be sent back again to His Highness, whereupon I thanked the madanrang for the presentation made and let him know that I would comply with his request, but From Macasser the that this could not happen so quickly because the chief interpreter was presently indisposed. After this, it was reported to me by the Captain of the Malays that the Bone madanrang, who had imparted this to him, having been requested by the Princess arou Palacca to proceed with her to barro or sedenring, had given her to know that he could not consent thereto, much less approve her intention, so long as the disturbances caused by the rebel sankilang still lasted or were not yet settled, which answer seemed not to have pleased her at all. At night around one o'clock, the Bone interpreter passeere came to me with an envoy from the anrongoeroe Talenko and Poea Mangati to announce that the post of maros was in great danger of being overwhelmed by the enemy, since the enemy had already captured the settlements of Tsidoe, Simbang, boeakanmata, etc., and was lodged at matjima at the house of Craeng tannalile, and that the aforementioned two anrongoeroes had assistance requested, since Latalenko could no longer remain at Laboeang dont, but intended to take his retreat to datha. Furthermore, the said envoys related that the Macassar subjects From Macasser the Sunday the 11th. subjects of patambias, who were led by arou Lamondjong, had wanted to attack the settlement of barambang; that the Interpreter and Jennang of maros, having learned of this, had assembled their men and immediately marched to that place to offer resistance to the enemy and to drive them off; that having arrived thereabouts, Craeng Tanrabili had approached the said Interpreter and Jennang Maros and said that they should just turn back again, undertaking to drive off the enemy alone; and that thereupon the interpreter and Jennang of maros had marched off again. Having given thanks for this communication, I ordered the envoy Patjelang to depart immediately with the Bone envoy for maros, in order to tell the sergeant to guard the Company's post well and that I would send him assistance at the earliest opportunity. There arrived here from maros the Company's ordinary envoy Danig mandjarekie, bringing a letter from the sergeant at maros and further communicating that the enemy had advanced very close to the post and had already taken the adjacent settlements of pakkere boeloe and Laboeang, and that if assistance were not sent to maros speedily, the post ran great danger of being overrun by the enemy; further From Macasser the further reporting that he had been to the mountain regents and had asked them in general in the name of the Company whether they still wished to remain steadfastly loyal and adhere to the Company, to which they had all answered yes, unless the Company no longer wanted them and gave them over to another; that they had also already received an envoy from the rebel, but that they had not wanted to accept that envoy; and regarding the six settlements and labocadja, that the same stood to this day still under the obedience of their regents, and that they would proceed to the post at the earliest opportunity. Whereupon I ordered the aforementioned envoy to depart immediately for glissong with orders for Craeng glissong to come hither at the earliest with as many men as he could possibly gather, in order to depart with our force for maros or to follow the same, while I instructed the son of the said envoy to proceed immediately to Labackang and to tell Craeng Labackang to proceed with his armed men to maros for the assistance of the post. The same day I sent the Malay Jntje Sadulla to the madanrang to communicate to him that I had a letter and news
Dutch transcription
Van Macasser den Dat voorm: daang mandjanchie vervolgens sijn schoonsoon dewaarts gesonden hebbende om nader na des rebels voorneemen en intentie te in„ formeeren berigt hadde erlangd dat denselven van sints soude sijn Pana„ „poe een bonijse negorij benoorden bontuala aan te tasten dan wel om sig te begeeven na maros dewijl den macasars prins Crang Cand jilb hem daar toe hadde voorsogt onder voorgeeven dat lomo Maros ten dien eijnde iemand bij hem soude gesonden hebben. Eijndelijk voegde de capitain bij dit alles dat daeng Mandja „rekie hem hadde laeten waarschouwen en vermaenen om de macaessairen in het geheel niet te vertrouwen terwijl hun gedoente en woorden niets goeds voorspelden. Zaturdag den 10:. liet den bonijs Madanrang over den tolk moentoe acces bij mij ver„ soeken voor de soelewallang en den djema Tengang tegens heeden na de middag ten eijnde de brief die de koning van bonij Jongst van haar hoog Edelheedens had ontfangen ter lecture tepresenteeren t welk g'accorderd hebbende so bragten gemelde rijks grooten mij dien brief met versoek dat ik 2 in't bouginees mogt laeten oversetten ten eijnde aan sijn hoogheijd weeder terug gesonden te werden waar op ik den madanrang voor de gedaene presen„ tatie bedanken in weeten liet dat aan sijn versoek soude voldoen dog 158 Van Macasser den voldoen dog dat sulks do spoedig niet konde geschieden vermits den opertolk thans in dispoost was. hier na wierd mij door den Capitain der maleijens gerapporteerd dat den bonijs madanrang die hem sulks hadde bedeeld door d princesse arou Palacca versogt geworden sijnde om haar na barro ofer seden„ ring te begeeven hij haar te konnen gegeeven hadde daar in niet te kunnen bewiligen veel min haar voorneemen goed keuren do lang d' onlusten door den rebel sankilang verwekt nog duurden of nog niet afgedaan waaren welk antwoord haar gantsch niet schien bevallen te hebben. snagts cica een uur quam bij mij den bonijstolk passeere met een sendeling van d' anrongoeroe Talenko en Poea Mangati ten bekendmaeking dat de pott maros in groot perijkel was van door den vijand te werden overweldigd vermits den vijand bereeds de negorijen Tsidoe Simbang boeakanmata enz: hadde ingenomen en op matjima ten huse van Craeng tannalile gelogeerd was en dat de voorn: beijde anrongoeroes om assistentie lieten ver„ soeken vermits Latalenko niet langen op Laboeang dont verblijven maar van intentie was om op datha sijn retraite te neemen. voorts verhaelden gemelde sendelingen dat den macassaeren onderhoorige Van Macasser den sondag den 11: onderhoorige van patambias welke door arou Lamondjong werden opgevoerd de negorij barambang, hadden willen attacqueeren dat den Tolk en Jennang maros dit vernomen hebbende hunne volkeren ver„ samelt en terstond na die plaats gemarcheerd waeren om den vijand tegenstand te bieden en te versagen dat se daar omtrent gekomen sijnde, eraeng Tanrabili dich bij gemelde Tolk in Jennang Maros vervoegt en gesigt had van maar weeder te rug te keeren aannee„ mende om den vijand alleen te verjaegen, en dat daar op den tolk en Jamnang maros weeder waeren afgemarcheert. van welke Communicatie hebben doen bedanken ordonneerde ik den sendeling Patjelang om opstonds met de bonijse sendeling namanos te vertrecken ten eijnde den sergeant aan te seggen om sComp: pott wel te bewaeren en dat ik hem ten eersten adsistentie boude toesenden arriveerde alhier van maros den sComp: ordinair sendeling Danig mandjarekie meede brengende een brief van den sergeant te maros en verders Communiceerende dat den vijand alseer na bij de post geavanceerd was en bereeds de daar aan grensende negorijen pakkere boeloe en Laboeang had ingenomen en dat wanneer en geen adsistentie spoedig namaros gesonden wierd de post groot gevaar liep van door den vijand overrompeld teworden wijders 153 Van Macasser den wijders rapporteerende dat hij bij de berg regenten geweest en haarlieden in 't generaal uit naam van dE Comp: afgevraagd hadde ofse dE Comp: nog standvatige getrouw wilden blijven aankleeven daar se alle op hadden geantwoord van sa ten waare dE Comp: haarlieden niet meer wilde hebben en aan een anderen overgap dat z ook al bereeds een sendeling van den rebel had„ den gekreegen, maar dat z die zondeling niet hadden willen accepteeren en betreffende de ses negorijen en labocadja dat den selve tot heeden nog onder de gehoorsaamheijd van hun regenten stonden, sullende sijlieden hun met den eersten na de post begeeven waar op ik de voorsz: sendeling ordonneerde om opstonds na glissong te vertrecken met ordre craeeng glissong om ten eersten met manschappen so veele als hij maar immers bij een konde krijgen herwaarts te komen, ten eijnde met onse macht na maros te vertrecken of deselve te volgen terwijl ik de soon van gemelde La sendelingen last gaf om sig terstond na backang te gegeven en craeing Labackang aan te seggen om sig met sijne gewapende manschappen na maros te begeeven ter adsittentie van de post. Tenselven dage sond ik den maleijer Jntje Sadulla na de ma„ danaang om denselven te Communieeren dat ik een brief en tijding
English
From Macasser The news from maros had been received that sankilang was there with his force, and that I had therefore seen fit to send an Expedition of European soldiers under the command of a lieutenant alongside the captain of the Malays thither as quickly as possible, consequently requesting him to send some Boniers along. Whereupon the madanrang replied that he would send datou baringang as head of the Bone troops, and that he was only waiting for vessels to transport them. Meanwhile, having already given orders for the departure of the European Command still towards midday, and also of the Malay Captain, the latter declared that he could not be ready so early, the more so because he wished to take a large number of his subordinates with him and thus required many vessels for their transport, which were all the more necessary because rumors had it that the enemy held the river occupied; for which reasons I was forced, willy-nilly, to postpone the dispatch of the Europeans. Monday the 12th. In the forenoon the former Bone pongauwa laccasie arrived here, immediately requesting an audience with me through the Malay Captain, which being granted, he appeared, communicating that in view of the news heard at Pankadjeene that the enemy, namely the rebel 155 From Macasser The rebel sankilang, was close to the post maros, he had proceeded directly hither, and arriving this morning around the river of maros, having heard some shots from the post, whereupon he had sent Daeng Mandjaroengie inland to assist the post with his people in case it were attacked; requesting upon this that he might be employed in the service of the Honorable Company in this juncture of time, since he had to thank the Honorable Company that he was still alive, while he had now come here with 500 men for that purpose. I made known to him my particular pleasure at his arrival and offer of service, and that he could hold himself in readiness to depart immediately with the Company expedition under the command of lieutenant Basserman to the assistance of the post to maros, but that I would nevertheless first speak with the madanrang, whom I was expecting to visit me momentarily, having him wait in the meantime with the chief interpreter Brugman. After the aforementioned Lakasie had departed, the Madanrang of Bonij appeared alongside datou baringang, the Tomilalang and DJema Tongang, whom I asked whether datou Baringang was now, according to yesterday's promise, ready to depart with the Company's expedition From Macasser since this could no longer be postponed; which being answered by him in the affirmative, I made known that my intention was to employ lacasie in these circumstances so that he might join our people at maros with his men as quickly as possible, in the expectation that no difficulties would arise from this; of which, however, the madanrang requested that I might desist, as they were afraid both that the king of bony would take this amiss and that the Boniers might fall into discord with his subjects; all of which I tried in vain to refute, while I finally brought it so far that they agreed to at least let his subordinate people depart with ours. These aforementioned grandees of the realm having departed upon this, lacasie came to me again, whom I informed of the intention of the Boniers, whereupon he requested to return to siang to fetch his family and people and bring them hither in order to await my further orders here, which request I granted him, whereupon he took his leave. At noon lieutenant of the military basserman departed with a Command of sixty-five men to maros, as did 137 From Macasser The also resident bosch, being followed shortly thereafter by a large number of Malays under their Captain. In the afternoon around half past four o'clock, the aforementioned Lacasie came to me again, with Daeng mandjaroengie, accompanied by the Lieutenant of the Malays Intje Sadulla, bringing the fatal news that Daeng Mandjaroengie had learned that the redoubt at maros had been taken by the enemy this morning at half past five o'clock, and that he had found three of the escaped Europeans in the river around the negorij data and brought them along, but had handed them over on the way to the heads of the Expedition who had departed thither today, whom I immediately had fetched by a boat of the Lieutenant of the Malays, with orders at the same time to the said heads to return. While I furthermore granted Lacasie permission to depart again to siang at the earliest opportunity in order to come hither with his people as quickly as possible and also to deliberate with him on what ought to be done in these circumstances. In the evening the Bone interpreter passier came on behalf of the madanrang with the aforementioned report that the post maros was lost, and to likewise request an audience for himself and the Tomilalang for tomorrow.
Dutch transcription
Van Macasser Den tijding van maros ontfngen hadde dat sankilang met sijn macht daar was dat ik dienhalven goedgevonden had om een Expeditie van Europeese militairen onder commando van een luitenant neevens den capitain der maleijers ten spoedigsten derwaarts tesenden hem dienvolgende doende versoeken eenige Boniers meede te senden. waar op de madanrang liet antwoorden dat hij datou banngang als hoofd van de bonijse troupen meede soude senden en dat alleen maar wagte naar vaartuijgen om se over tevoeren. ondertusschen reets ordre gesteld hebbende tot vertrek van het Commando Europeese nog tegen de middag en ook van den Capitain maleijer betuijgde den selven dat hij niet soo vroeg gereed komen, konde te meer hij gaarne een groot getal sijner onderhoorige wilde meede neemen en dus veel vaartuigen tot den selver transport vereijschten die te noodiger, waaren om dat de gerugten wilden dat den vijand de revier beset hield om welke reedenen ik nolens volens de afsen„ „ding van d' Europeese moeste uitstellen. Maandag der 12. Des voor de middags arriveerde alhier den geweesen bonijs pongauwa laccasie laetende terstond door den Capitain maleijer bij mij aries versoeken t welk g'accordeerd sijnde verscheen hij Communiceerende mits de op Pankadjeene vernomen tijding dat de vijand af den rebel 155 Van Macasser Den rebel sankilang na bij de postmanos was sich direct herwaarts begee„ ven en heeden morgen omtrend de revier van maros komende eenige schooten van de post gehoord te hebben waar op hij Daeng Mandja„ „roengie na binnen gesonden had om ingevalle de post g'attacqueerd wierd deselve met sijn volk t adsitteeren versoekende hier op dat hij in deese Confuncture van tijd in den dienst vand'E Comp: mogt g'emploijeerd worden vermits hij aan dE Comp:s te danken hadde dat nog in t leeven was terwijl hij thans met 500 man tot dat eijnde hier was gekomen Jk gaf hem mijn sonderling genoegen over sijn aankomst en pre„ sentatie van dienst te kennen, en dat hij sig gereed kon houden om op stonds met scomp: expeditie onder commando van den luitenant Basserman der adsistentie van de pott na maros te vertrecken dog dat ik nogtans alvoorens met de madanrang die ik so aan„ stonds bij mij was verwagtende soude spreeken hem intusschen bij den oppertolk Brugman doende vertoeven. Na dat voornoemde Lakasie vertrocken was verscheen de Madamang van Bonij neevens datou baringang de Tomilalang ende DJema Tongang aan de welke ik vroeg of datou Baringang nu volgens toesegging van gisteren klaar was om met sComp:s expeditie Van Macasser te vertrecken also sulx niet langer konde uitgesteld worden t welk door den selven met sa bantwoord sijnde gaf ik te kennen dat mijn intentie was om lacasie in deese omstandigheijd te emploijeeren ten eijnde sig met sijne volkeren ten spoedigsten bij de onsen op maros te vervoegen in verwagting dat daar uit geen moeijelijkheeden sou„ den ontstaan dog waar van den madanrang verkogt dat ik afsien mogte dewijlse bevreest waaren soo wel dat de koning van bony sulks soude qualijk neemen als dat de boniers met sijne onderdaanen in oneenigheijd mogten geraeken welk een en ander ik vrugtelos tragte te weederleggen terwijl ik eijndelijk het nog so verre bragt dat sij toestenden om ten minste sijne onderhoorige volkeren met d'onsen te laeten vertrecken. De gemelde rijksgrooten hier op vertrocken weesende quam lacatie weeder bij mij den welken ik de intentie der boniers verwittigt hebbende versoek aeed na diang te rugte keeren om sijn huis gesin en volkeren aftehaelen en herwaards te brengen ten eijnde alhier mijne nadere beveelen afte wagten welk versoek ik hem g'accor„ deerd hebbe waar op hij sijn afscheijd nam op den middag vertrocken den luiten ant militair basserman met een Commando van vijf en sestig koppen na mans gelijk ook 137 Van Macasser Den ook den resident bosch, sijnde kont daar aangevolgd van een grootgtel maleijers onderhunnen Capitain Des namiddags omtrend half vijf uren quamden voornoemde „Lacasie weeder bij mij, met Daeng mandjaroengie verseld van den Lieutenant der maleijens Intje Sadulla brengende de fatale tijaing die Daeng Mandjaroengie hadde vernomen dat de schans te maros desen morgen om half ses uuren door den vijand in genomen was en dat hij in de rivier omtrend de negorij data arie van de ontkomene Europeesen gevonden en meede gebragt dog onder„ weege aan de heeden derwaarts vertroekene hoofden van de Ex „peditie overgegeeven hadde die ik aanstonds door een toon van den Lieuitenant der maleijers deed afhaelen met ordre teffens aan de gemelde hoofden om terug te keeren. Terwijl ik wijders Lacasie nader toestond om ten eersten weeder na siang te vertrecken ten eijnde met sijn volk soo spordig moge„ lyjk herwaards te komen en ook met hem te beraadslagen water in deese omstandigheijd behoord gedaan te worden. savonds quam de bonijs tolk passier uit naam vande madan„ rang met voorsz narigt dat de pott maros verlooren was en om teffens alles te versoeken voor hem en den Tomilalang tegen morgen
English
Jan Macasser Den tomorrow before noon, which being granted with expressions of thanks for the communication, the last mentioned appeared before me in person with a report that the enemy intended to bring the captured cannon to sea through the river of Tello, proposing to place a patjallang before the mouth in order, if possible, to seize it along that route, whereupon I made known to him that I would consider the matter, further thanking him for the communication; but as soon as he had departed, I immediately caused two native vessels to be equipped for the aforementioned purpose and dispatched to the mouth of the repeatedly mentioned river. Tuesday the 13th: in the forenoon, the Bonian madamrang and Tomilalang came to me, with whom having spoken about the sad report from post Maros, the madamrang asked what orders I now wished to give him. Whereupon I made known to him that for the present I could give no other orders than solely to request him to summon arou Amaling from Sagerij on behalf of the Bonians, just as I intended to have arou Pantjana come hither, in order then to deliberate further on what ought to be done in this juncture of time. The madamrang thereupon undertook to send an envoy immediately to Sagerij to summon arou Amaling, just as I also gave order to Saaulla to dispatch an envoy to arou Pantjana as soon as possible. While this grandee of the realm, upon my proposal to request the king to come hither from the inland territories, declared that he would prepare a letter for that purpose, and furthermore added that arou Palacca together with her family had left Oedjong Panna and proceeded to the Tello territory, which I left unanswered, being convinced that the Bonians have been less intent on opposing her and hers, although outwardly they appear to be well disposed toward the Company, having been asked only yesterday evening by the Tomilalang how it would be best to deal with her, to which I replied that in case they could and would apprehend her, I was prepared to take her into custody, to which he merely replied that he would present the same to the madamrang. After this, the madamrang took his leave and departed. Subsequently, the sjabandhaar of Goa appeared before me in the name of the king, making it known that he had heard that the post Maros had been taken by the enemy, but that the artillery there would still be present, for which communication I had His Highness thanked. After this, the under-interpreter De Graaf reported to me in the name of the indisposed chief interpreter Huugman that he had learned that a multitude of the rebel's people had gathered at the negorij Carawisi situated in the Tello district. Furthermore, tonight five letters were dispatched to the rulers of the other coast and one to the Bima commandant Lecerf, as well as two others via the overland route to Boelecomba and Saleijer. Wednesday the 14th: the sjabandhaar of the king of Goa appeared before me in his name, saying he had been sent to make it known that the king had sent him, the sjabandhaar, to the first Tomilalang to ask him once again what his plan was concerning the rebel Sankilang, and that the same had answered he was quite prepared to observe the orders of the king, but what was he to say to that, since they Macassars were merely like the hilts of krisses without blades, as all the other grandees of the realm must admit; for which reason the king requested me to have him and his family fetched with vessels in order to be allowed to take up his residence in the Campong Baroe, or wherever else I thought fit. Whereupon I made known to the sjabandhaar that I could not grant the request of the king, but would consider the matter and deliberate with the members of the council; but that the further information communicated to me appeared incomprehensible, in view of the promise made only recently by the king and grandees of the realm to attack the rebel in his then hiding place Borisallo, and that I therefore expected the same to happen upon another appearance of his near Goa. The same replied thereto once more that surely in the war with Caang Bontolancas the then king had taken his refuge with the Company, but I pointed out to him that that had been an entirely different matter from the present one, since the Macassars had deserted their king at that time, indeed had even deposed him; and in case the king were now to cross over to the Company, it would be regarded as though he were himself abandoning his realm, and that I therefore wished to have him recommended for the present to remain steadfast and offer resistance to the enemy.
Dutch transcription
Jan Macaser Den morgen voor de middag 't geen onder dank betuiging voor de Communicatie g'accordeerd sijnde soo verschen den laast gemelde nog in persoon bij mij met berigt dat den vijand voorneemens was hetgoverde canon door de revier van Tello na zeekere te brengen onder een voorslag om een Pat„ jallang voor den mond te leggen ten eijnde deselve des mogelijks door dien weg magtig te worden, waar op ik hem te kennen gafs mijn gedagten daar over te sullen laeten gaan hem voorts voor de communicatie bedankende dog so als hij vertrocken was deed ik aanstonds twee Inlandse vaartuigen ten eijnde voorsz uitrusten en na demond van meermelte rivier afsenden. Dingsdag den 13: quamen des voor de middags bij mij den bonijs madamrang en Tomilalang met dewelke ik over het droevige narigt van post maros gesproken hebbende, vroeg de madamrang wat ondre ik hem als nu geliefde te geeven. waar op ik hem te kennen gaf voor als nog geen ordrete kennen geeven als eenlijk hem te versoeken om arou amaling van bonijs weegen op te ontbieden van sagerij gelijk ik voorneemens was arou pantjana te doen herwaarts komen ten eijnde als dan nader te beraemen wat in deese Confincture van tijd gedaan diende te werden. de madaurang naam daar op aan om aanstonds een Sendeling 9 159 Van Macasser Das sendeling na Sagerij te senden om anou amaling op t ontbieden, gelijk ik mede onder gaf aan saaulla om ten eesten en sendeling na arou pantfana te depecheeren Terwijl dien rijksgroot op mijn voorstel om den koning te versoeken uit de binnen landen herwaarts te komen betuigde ten dien eijnde een brief te sullen gereedmakende en voorts bij voegende datarou opalacca neevens haar huis gesin oedjong Panna verlaten hadde sig na het Tellose begeeven hebbende het geen ik onbantwoort liet als overtuigd dat de bomiers minner van intentie geweest sijn om haar ove de haare tegen te gaan schoon sij uiterlijk schij„ „nen het met de Comp: wel teneemen mij nog gisteren avond door de Tomitalang gevraagd sijnde hoedanig het best soude weesen met haar te handelen daar ik op diende dat ingevalle sij haar konden en wilde opligten ik bereijd was om haar in versee„ kering te neemen dog waar op hij enkel repliceerde het selve aan de madanrang te sullen voorhouden hier na vertogt den madanrang afscheijd en vertrok. vervolgens verscheen de sJabandhaar van goa uit naam vanden koning bij mij bekend maekende dat gehoord hadde dat de pottmaros door den vijand ingenoomen was, dog da 't geschiet aldaar E Van Macasser den aldaar nog weesen soude voor welke Communicatie ik sijn hoogheijd hebbe doen bedanken. hier na rapporteerde mij den ondertolk de graaf uit naam van den indispootten oppertolte huugman dat vernomen had dat er een meenigte volk van den rebel op de negorij Carawisi in het Telloke gelegen vergaederd was wijders sijn heeden avond vijf brieven aan de overwalsche vorsten en een aan den bimas Commandant Lecerf gedepecheerd mitsgaders twee aanderen over den landweg na boelecomba en saleijer Woensdag den 14. verscheen uit naam van den koning van goa bij mij desselfs sjabandhaar seggende gesonden te sijn om bekend te maeken dat den koning hem sjabandhaar gesonden had bij den eersten Tomilalang om han nogmaals te laeten afvragen wat hij van Concept was omtrent den rebel sankilang en dat deselve had g'antwoord wel bereijd te sijn om d'ordre van den koning'tob„ serveeren dog wat hij daar van soude seggen dat sij macas„ Jaeren enkeld waaren als hegten van krissen sonder kelingen gelijk alle de andere uijktgrooten moetten bekennen dat z andere koning mij om die reeden liet versoeken om hem en sijn huis gesin met vaartuigen te laeten afhaelen ten eijnde sijn verblijf in 168 Van Macasser Den in de campong baroe te mogen neemen dan wel waar het mij lders goeddagt. waar op ik den sjabandhaar te kennen gaf dat in het versoek van den koning niet bewilligen konde maar daar over mijne gedagten laeten gaen en met de leeden van den raad delibereeren soude dog aat mij het verder meede gedeelde onbegrijpelijk voor kwam vermits de door den koning en rijksgrooten nog Jongst gedaene toesegging om den rebel in sijn aoenmaligen schuijthoek Borisallo te sullen doen aantaatten en dat ik oversulks bij een andermalige verschijning van den selven omtrend goa soude geschieden. Denselven repliceerde daar op weeder dat immers in den oorlog met Caang bontolancas de doenmaeligen koning sijn toevlugt bij de Compagnie hadden genomen dog ik vertoonde hem dat sulks een geheel andere saak was geweest dan de tegenwoordige vermits de macalssaeren kunnen koning te dur tijd verloeten Ja selfs afgeset hadden, en ingevalle de koning nu tot de Com„ pagnie overquam dat het aangemerkt soude worden als of hij selve sijn rijk verliet en dat ik hem oversulx als nog gerecomman„ deerd wilde hebben omstandvastig te blijven en den vijand het hoofd te bieden van
English
From Macasser the Of all of which the Sjabandhaar undertook to make a faithful report, and thereupon departed. Furthermore, several emissaries arrived, sent here by lomo siang craing Pagang and craeng Labackang to communicate that the post maros had been taken, requesting at the same time orders, whereupon I had them told that no answer could be given yet, but that each could assemble his subjects to await orders. There also arrived here the summoned regent Craeng glissong, who also appeared before me towards noon, and being asked why he had stayed away so long, excused himself by saying that he had departed hither with his people, but having advanced to around the negorij batoe batoe, upon the news that the post maros was already overwhelmed and the enemy was intending to betake himself to glissong, he had been compelled to send the greater part of his people back again, having arrived here with upwards of sixty heads, with whom I ordered him to post himself in the campong glissong, and further to send to his country to summon yet more men hither. Meanwhile, I gave orders to the opertolk to have two native vessels prepared with the utmost secrecy, in order 163 From Macasser the in order to be able to be dispatched immediately to the main station if necessary. As well as to send a trusted person incognito to the five regents of maros in order, if possible, to learn whether they, although now having to bow under the enemy, were inclined to return to the Company again. Having been informed by the emissary of the Company's emissary carre mandjanckie, who was dispatched yesterday to the koeris, that the Company's artillery of the post maros, having been loaded into two prahus papalimbangs, was about to be transported to Tello by the Macassar prince Craing Sapana, I gave orders to the master attendant to instruct the commander of the patjallang het verlangen to go and lie near the river of Tello this very evening, and upon the signal that would be given to him by this emissary, who would also be lying thereabouts, to attack and capture the said vessels with the transported artillery. Subsequently there arrived here the summoned Tanette prince poeanna P. Asia, formerly arou pantsana, to whom I made known that I had expressly summoned him to be employed in the service of the Honorable Company in these precarious circumstances, From Macasser The further ordering him to depart again immediately for sagerij in order to assemble there all Company subjects in the northern provinces, and to march with them to maros to recover the post from the enemy again, and that for this purpose I would give him open letters of credence along with two Company emissaries, with authority to deal with and punish those who are disobedient to him as rebels and mutineers, in the hope that he will acquit himself of his duty in this and behave as a faithful servant. Whereupon the same answered that he was glad that the opportunity presented itself to show his sincere heart for the Honorable Company, thereupon taking his leave and departing. Towards evening I dispatched the aforesaid two open letters of credence to sagerij with two extraordinary Company emissaries, patjelang and Daing manamboeng, with recommendations to follow Poeanna Pissia's further pleasure. In the evening, a trusted person named carre Tololo, who had been expressly sent out for that purpose, reported to me that, besides many wounded, 38 men of the enemy had fallen before the post maros, 165 From Macasser The among whom were several princes both of goa and sandrabonij, not counting about 30 who had since died of their wounds. Furthermore, that at Teekere there were said to be two Europeans, of whom one, being an old man, walked about loose, and the other was still tied fast with a bamboo around his neck, both of whom the enemy subjected to all manner of mockery, abuse, and pain; and that he had furthermore heard that the enemy would betake himself to goa towards next Thursday to fetch the royal ornaments there, and then either on that day or next Monday would come here. After this, I also sent off a small packet of letters overland to Boelecomba to the resident, Monsieur Thursday the 15th In the morning a second small packet was likewise dispatched overland to boelecomba. There also appeared several emissaries from the northern regents, namely Craeng Marang, Craang kattena Lolo of kaloekoea, and Craang Mangaloeng, giving notice that upon the rumor that half of the maros negorijen had already been brought under the obedience of the enemy, they had assembled their people to assist the post maros, but that they, having meanwhile been informed by the Coelewattang of Baringang that the post
Dutch transcription
Van Macasser den van welk een en ander de Sjabanahaar aannam getrouw rapport te sullen doen en daar op vertrok voorts k wamnen eenige sendelingen van lomo siang craing Pa„ „gang en craeng Labackang hier gesonden ter communicatie dat de pott maros ingenomen was versoekende teffens om ordre waar op ik hun liet seggen nog geen antwoord te kunnen geeven dog dat een ieder sijne onderdaenen konde versaemelen om ordre aftewagten ook arriveerde alhier den ontboden regent Cuarng glissong die teegens de middag meede bij mij verscheenen en gevraagd sijnde waar soo lange gebleeven was sig excuseerde niet te seggen dat hy met sijn volk herwaarts vertrocken dog omstreeks de negorij batoe batoe gevorderd op de tijding dat de post maros reets over„ weldigd ende vijand van sins was om sig na glissong te begewven genoodsaakt was geweest het meeste gedeelte van sijn volk weeder te rug tesenden sijnde alhier aangekomen met ruim sestig koppen met dewelke ik hem gelaste sig in aecampong glissong te pottee„ „ren, en voorts na sijn land tesenden om nog meer manschappen herwaarts 't ontbieden. ondertuschen gaf ik aanden opertoek ordre om met dutertte secretesse twee inlandsche vaartuigen gereed te doon maken om 163 Van Macasser den om des noods ten eersten na de hoofdplaats te kunnen gedepecheerd. Zo meede om een vertrouwt persoon in coginto tesenden na de vijf regenten van maros ten eijnde des mogelijk te verneemen, ofse„ al schoon tans onder den vijand moetende buicken genegen waeren weeder tot de Comp: te rug te keeren. Door deen sendeling van den e giteren na de koeris gedepecheerden Comp: sendeling carre mandjanckie onderrigt sijnde dat hiet Cmp geschut van de pott maros in twee prauwen papalimbangs geladen sijnde na Tello stond vervoerd te werden door den macassaerse prins Craing Sapana gab, ik ordre aan den Equipagie op sigter om den gesaghebber van de patjallang het verlangen te ordonneeren nog deesen avond te gaan leggen omtrend de rivier van Tello, en op het seijn dat door deesen sendeling, als daar omtrend meede sullende leggend aan hem soude werden gegeeven de gemelde vaartuigen met het vervoerde geschut te attacqueeren en te bemagtigen. vervolgens arriveerde alhier den ontbodene Tanets prins poeanna P. Asia geweesen arou pantsana aan wien ik te kennen gav hem expres ontboden te hebben om ten dienste van dE Compagnie in deese hachelijke omstandigheeden gebruikt te Van Macasser Den te worden hem wijders gelattende aanstonds weeden te vertrecken naer sagerij ten eijnde aldaar alle sComp: onderdaanen in de noor„ „der provintien bij een te doen komen en daar meede na maros te marcheeren om de post weederom vanden vijand te herwinnen en dat ik hem tot het eerste opene brieven van credentie met twee compagnies sendelingen meede soude geeven met magtom de geene die hem ongehoorsaam sijn als weeder spannelingen en oproermakers te handelen en te straffen in hoope dat hij sig in deesen van sijn pligt quijten en als een getrouw dienaar gedragen sal waar op den selven antwoorde verblijd te sijn dat sig de octagie preesenteerde om sijn opregt hart voor dE Comp: te toonen neemende daar op afscheijd en vertrok Teyer, den avond hebbe ik de voorsz: twee opene credentie brieven met twee extra ordinaire Comp: zendelingen patjelang en Daing manamboeng g'expedieert na sagerij onder recomman„ datie om Joeanna Pissia s verder goedvinden op te volgen. des avonds wierd mij door een expres daar op uitgesondene ver„ trouwde met naeme carre Tololo gerapporteerd dat er buiten veele gequetste 38 man van den vijand voor de pottmaros gesneuveld waeren 165 Van Macasser Den waeren waar onder verscheijde prinien to van goa als sandrabonij ongereekent nog omtrent 30 seedert aan hunne worden overleedene. voorts dat opr Teekere twee Europeesen souden weesen waar van d' eene een oud man sijnde los liep end' andere nog was vast gebonden met een bamboes aan den hals beijde dewelke den vijand allen lij spot smaad en smerten aandeeden en dat hij wijders hadde ge„ „hoord dat den vijand sig tegens aanstaande Donderdag na goa souder begeeven om aldaar de rijks ornamenten te haelen en als dan het bij dien dag dan wel aanstaande maandag hier te sullen komen. hier na hebbe ik nog een pacquetje met brieven afgesonden over land na Boeleomba aan den resident Monsieur Smorgens wierd een tweede pacquetje almeede overland na boe„ Donderdag den 15 lecomba gedepecheerd. ook verscheenen Eenige sendelingen van de noorder regenten na„ mentlijk Cuaeng Marang Craang kattena Lolo van kaloekoea en Craang Mangaloeng kennis geevende dat te op het gerugt dat de helfte der marotse negorijen raeds onder de gehoorsaamheijd vanden vijand waeren gebragt hun volk bij een versamelt hadde om de pott maros t adsisteeren dog dat 'z' intusschen door den Coele„ wattang van Baringang g'informeerd geworden, sijnde dat de post
English
From Makassar, the post had already been overrun, they had abandoned their intention and now came to request orders as to what they should do in this matter. To which I let them know that I had already given orders to Poeanna Pisia that they should simply join him and hear what he would instruct them to do, and follow that. Subsequently, the son of the regent of Polombangkeng, Karaeng Anabaji, arrived here, sent expressly by his father because of the capture of the post of Maros to ask for orders, which I gave him, instructing him to return as soon as possible and tell his father to bring here immediately as many men as he could conveniently spare from his land, either in person or under capable chiefs. Furthermore, this envoy communicated that he had heard along the way that the rebel Sankilang intended to move toward their country and attack it, to which I replied that I could not believe such a thing, and in case that should happen, he would then be attacked from the rear, so that he would not be able to do much harm. Therefore, I expected that, just as assistance had been rendered to them in the last expedition, they on their part would now also not fail to render the Company all possible help in accordance with their duty, and proceed here as quickly as possible. The aforesaid envoy, having undertaken to report this, took his leave and departed. In the afternoon, the Madanrang requested through the interpreter Moentoe an audience for tomorrow, which I granted. Friday the 16th, the Madanrang came to me, stating that he had decided to send the Tomilalang to Maros to gather the dispersed Bonians together again. To which I answered that it was well, and that for this reason I had also requested the Madanrang to summon Aru Amaling of Segeri, with orders to bring all the Bonians, both of Segeri and other villages, up to Maros, just as I had ordered Poeanna I Asia two days ago regarding the subjects of the Honorable Company, and also to punish as rebels those who would not observe his orders. Further asking whether Aru Amaling had already arrived, which was answered in the negative, but that he was expected any day, I further asked when the Tomilalang would depart. To this, the Madanrang replied that upon arriving home he would immediately have the necessary vessels made ready for his departure. Furthermore, I made it known to him that I would like to see, when Poeanna Pitsia arrived at Maros, the Tomilalang join him so that they might march together to the place where the rebel is staying. He assured me he would arrange this, requesting nevertheless that some soldiers also be given to them as relief, which I said was my intention, noting however that one must first await the arrival of Poeanna I Asia at Maros in order to deliberate further on what is necessary. With the request that the Madanrang in the meantime keep two Bonian delegates at hand so they could be sent immediately with those of the Honorable Company to Gowa to give notice of the march of our troops against the rebel, with such instructions as shall be deemed serviceable according to the circumstances in which the courts of Gowa and Tallo will then find themselves. Concerning this, one remains continually in uncertainty, to the extent that there is fair reason even to mistrust the king, the more so because he has never made any disclosure of affairs, but has merely, as if by a sudden stroke, warned of the discord between him and his grandees through a request to cross over with his family to the Company. Which request having been granted by the Madanrang with an expression of his approval, he further promised, upon my earnest urging to that effect, to send envoys to Turatea at the earliest opportunity, in order to order those peoples to mobilize all their men and position themselves in such a manner that, if the rebel should show himself there, he would be stopped, or if he should flee and make his retreat to Bonthain, he would then be pursued by the Turateans and Company subjects. Regarding which I also informed him that I had given orders to the resident of Bulekumba to assemble the subjects there, as well as to Karaeng Anabaji and Galesong to keep good watch over their districts so that the rebel might not break through there. After having spoken a little further on various matters following what had just been transacted, the Madanrang took his leave. Meanwhile, I subsequently sent the envoy Poea Baindong to Siang to order the regent or jomo to keep ready in the river of Sankan as many vessels as he could possibly obtain, so that Poeanna I Asia, upon arriving there, might be ferried across immediately with his people. At noon, two interpreters from Gowa arrived, bringing a small letter.
Dutch transcription
Van Macasser den post bereets overrompeld was sij hun voorneemen gestaakt hadden en als nu ordre kwamen versoeken wat hun in deesen te doen stond. waar op ik deselve hebbe laeten weeten dat bereeds aan poeanna Pisia ordre gegeeven haden datse sig maar bij den selven souden vervoegen en hooren wat hij hun soude belasten en sulks opvolgen vervolgens arriveerde alhier desoon van den regent van poelamban„ „keeng Craeng Anabadsing door sijn vader expres gesonden om mits het inneemen van de pottmaros ordre te vragen die ik hem gaf inhoudende om ten spoedigsten te rug te keeren en sijnen vader te seggen om ten eersten soo veel maanschap als hij gevoeglijk van sijn land missen kon het in persoon dan wel onder goede hoofden, her„ waarts te brengen. wijders Communiceerden dien sendeling onder weege gehoord te hebben dat de rebel sankilang van intentie soude weesen om sich na hun land te beweegen en 't selve aan te doen dog op 't welke ik repliceerd„ sulks niet te kunnen gelooven en in gevalle dat geschieden mogte „men hem als dan van agteren soude aantatten waar door hij niet veel kwaad soude uitvoeren kunnen dat ik dierhalven verwagten wilde dat gelijk men hun in de laatste expeditie assittentie beweesen hadde sij lieden van haar seijde thans meede niet manqueeren sonden om 162 Van Macasser den om dE Compagnie naar gehoudenisse alle mogelijke hulpe te bewijsen en sig ten spoedigsten herwaards te begeeven het geen den voormelde sendeling aangenomen hebbe te sullen rapporteeren nam deselve afscheijd en vertrok Des nademiddags liet de madanrang door den tolk mnoentoe alles versoeken tegens morgen dat g'acordeerd hebbe quam de madanrang bij bij te kennen geevende dat hij besloten vrijdag den 16: hadde den Tomilalang na maros te senden om de versrooijde Poniers weeder bij een te versaemelen waar op ik ten antwoord geef dat het wel was en dat ik ook om die reeden aan den madanrang versogt had om arou amaling van sagerij op 't ontbieden, met ordre om alle deboniers soo wel van sagerij als andere negorijen na maros op te voeren gelijk ik het selve aan poeanna I Asia nu al tweedagen geleeden omtrend d' onderdianen aand'E Comp: gelast hadde en teffens om de sulke au sijne ordres niet wilden observeeren als weeders panne ingen te straffen, vragendewijdens of arou Amalang als g'arriveerde was t geen met met neen b'antwoord sijnde waar dat hij ale dagen te verwagten was vroeg ik verder wanneer den Tomilalang soude vertrecken daar den madanrang op diende dat hij tehuijs gekomen sijnde de nodige vaartuigen tot E Van Macasser Den tot sijn vertrek ten eersten klaar soude laeten maeken wijders gaf ik hem te kennen gaarne te sullen sien dat als poeanna Pitsia te maros kwam aen Tomilalang big bij den selven voegde omte saamen op te trecken na deplaats waar sig den rebel ophoud t geen hij betuijgde te sullen besorgen versoekende nogt hans dat aan haarlieden 9 als aan tot secours ook eenige militairen meede mogten worden gegeeven 't geen ik seijde mijn intentie te weesen onder remarque egter dat men eerst de aankomst van poeanna I Asia te maros moeste afwagten om als dan nader het nodige te beraemen met versoek dat dema„ danrang inmiddels twee bonijse gecommitteerdens bij derhand wilde houden om met die van dE Comp: subit na goa te kunnen gesonden worden om van den optogt onser troupen tegenden rebel kennisse te geeven met soodanigen inmandatis als naar d omstan„ digheijd waar in den hoven van goa en Tello sig dan sullen bevinden dienstig sal worden g'acht waar omtrend men sig bij Continuatie in het onseekere bevind in soo verre dat men billijke reeden heeft den koning selfs te wantrouwen te meer hij nimmer eenige opening van saaken gedaan maar enkel als met de slag gewaarschouwt heeft d' onreenigheijt tusschen hem ende uijkes grooten door eene sollicitatie om neevens sijne famillie tot de Comp: over te komen. welk 169 Van Macasser Den Welk versoek door den madanrang onder betuiging van het selve goed te keuren toegesegt sijnde beloofde hij verder op mijn daar toe gedaan „ne ernstige aannaning ten aller eersten sendelingen na Sourattea te senden, ten eijnde die volkeren 't ordonneeren om alle haere manschap„ „pen op de been te brengen en sig sodanig te potteeren dat den rebel tig daar vertoonende gestuit of wanneer hij ontvlugten en sijn retraite na bontham neemen mogte, als dan door de Touratteers een Comp„s onderdaanen nageset te worden. waar omtrend ik hem nog berigte den resident van boelecomba soo wel last gegeeven te hebben om d' onderdaanen ginter bij een te versaemelen; als aan de Craings Ana„ badjing en glissonij om op hunne districten goede wagt te houden op dat den rebel daar niet kome door te breeken. Na het so even verhandelde nog een weijnig over diverse saeken gesproken te hebben nam de madanrang afscheijd Terwijl ik vervol„ „gens den sendeling Poea Baindong na siang sond om den regent of zomo 't ordonneeren soo veel vaartuigen als hij maar konde krijgen in de revier van Sankan gereed te houden ten eijnde poeanna 'T Asia daar komende ten eensten met sijn volk kan worden overge„ scheept. Smiddags quamen twee tolken van goa meede brengende een Cantabeletje
English
From Macasser The Saturday the 17th. Small note addressed to the chief interpreter and the Malay captain, the translation of which, along with the answer given thereto, has been added among the enclosures. Finally, the Company's ordinary emissary Daeng Mandsanckie brought me a report that he had learned that the King of Goa had been intentioned to leave his kingdom and take the royal regalia with him, but that the Tomilalang had dissuaded him from doing so, arguing that they would then all become unfortunate. In the morning, it was reported to me by the former Company emissary of Maros named Daeng Mangelaij that Karaeng Candsilo or Mamoentoelie had yesterday assembled the five regents of the Maros plain together with the Jennang of Maros at the house of the Lomo, and had announced to them in the name of their adopted king, the rebel Sankilang, that Jennang Maros and Lomo Maros were appointed as chiefs over them, and that therefore all subordinates would have to observe their orders; having further ordered them to lighten again the artillery, of which eight pieces had been loaded into two vessels, and subsequently to transport it overland with buffaloes to Sodiang and from there to Teekere, because it had been learned that it was being watched for at the mouth of the river of Tello, and 121 From Macasser The and further to Jennang and Lomo Maros to make bentings along the river of Maros, as well as to the Glaunangs of Bontoa and Marana to do the same along the river of Katsejala, to which the emissary further added that Karaeng Candselo had sent an emissary to the Lomo or the regent of Siang, though for what purpose he had not been able to find out. After this there also came to me the Company's extraordinary emissary Carre Mandjarekie, who having quietly been to Marana reported to have spoken with Karaeng Balotje, who had told him that from his heart he wished that Pocaima I Asia might come as soon as possible, with the assurance that he would immediately join him and thus cross over again to the Company. Toward noon the former Pongauwa Lakasie returned here from Siang and came to make his arrival known to me, with a request for orders, which I told him I would give in due time, allowing him at the same time to take up residence with his people in the Molucco campong. Toward evening the emissary Poa Baijindong, dispatched the day before yesterday to Diang, returned bringing word that Tomo Biang had agreed to observe my orders From Macasser The observe, and he already had three vessels lying in the river of Sankan and would see to obtain even more. The emissary or spy Canna Toelolo, sent out the day before yesterday, having also returned this evening, reported: That having arrived at Zeekere, he was asked what he came to do there, whereto he had answered that, living at Barombong with wife and children, he had only come because he had heard that Karaeng Sapana was wounded. That he had been informed upon this that Karaeng Sapana, having been summoned by Arou Palacka to Parang LoE, had departed thither for the reason that they had heard that the Company's men would attack them there. That he, Care Toelolo, being there, had seen the Pattangs Biuinangs or mountain people of the Macassars, to the number of about 100 heads, marching up with two standards to depart also to Parang LoE for the assistance of Arou Palacka. That he had at the same time heard that Sankilang had pardoned or spared the lives of the two captured Europeans, but that Arou Palacka, having learned this, had asked him why he did so since the Europeans had caused him so much suffering, ordering him therefore to 173 From Macasser The put them to death, which they then also did, and they cut open their bellies, gave the intestines to the dogs, threw the bodies into the river, and smeared their standards with their blood. That he spent the night there and this morning set out from there on the road to Goa, and there learned that Karaeng Data was gathering his people to keep watch over the king, who was about to set out tomorrow morning, without him having been able to find out whither he would go. In like manner it was reported to me by another spy sent out express on this matter by the chief interpreter, that the rebels Sankelang, Karaeng Sapanang, and Karaeng Bonisallo were still staying at Parang LoE with Arou Palacca and were gathering many people there, a large part of whom had already been ferried across to this side with two vessels lying in the river of Tello, in order to place themselves in a posture of defense, since they had certain news that they were about to be attacked by our forces. The said spy reported at the same time to have seen the same, that
Dutch transcription
Van Macasser Den Saturdag den 17. Cartabelletje geaddresseerd aan den oppertolk en den capitain maleijer welker translaat met het daar op gegeeven antwoord onder de bijlaegen is gevoegd Eijndelijk bragt Comp:s ordinaire sendeling daeeng mandsanckie mij rapport hoe hij vernomen hadde dat de koning van goa ginten „tioneerd geweest was sijn rijk te verlaeten en de rijks ornamenten meede te neemen dog dat den Tomilalang hem sulks soude hebben afgerae„ „den, onder voorhouding dat sij dan alle ongeluckig souden worden. Des morgens wierd mij door de geweesen Comp: sendeling van maros genaamt Daeng mangelaij gerapporteerd dat craing Candsilo af mamoentoelie gisteren de vijf regenten van de vlakte maros ne„ vens Jennang maros ten huise van den Lomo bij een hadde doen vergaderen en hun uit naam van hun aangenomen koning / den rebel sankilang :/ aangesegt dat Jennang maros en lomo mavos als hoofden, over hun waeren aangesteld en dat dus alle onderhoorige hunne ordres souden hebben it observeeren hun verder bevolen heb„ „de om het geschut waar van agt pees in twe vaartuigen waaren in gescheept weeder daar in't te ligten en vervolgens over land met buf„ „fels sodiang en van daar na Teekere te vervoeren dewijl vernomen hadde dat er voor de mond van de revier van Tello opgevatt wierd en 121 Van Macasser Den en voorts aan Jemnang en Lomo maros om bentings te maeken langs de revier van maros gelijk meede aan de glaunangs bontoa en ma„ rana om sulks insgelijks te doen langs de revier van katsejala waar bij den sendeling nog voegde dat cracong Candselo en sende, ing ge„ sonden soude hebben aan den lomo of den regent van Siang dog tot wat eijnde hadde hij niet kunnen te weeten komen. hier nakwam ook bij mij sComp: extra ordinaire sendeling carre mandjarekie die in stilte na marana geweest rapporteerde met Craing Balotje gesproken te hebben die tegen hem gelegt hadde van henten te wenschen dat pocaima I Asia ten spoedigtten mogt komen met verseekering dat hij sig ten eersten bij denselven ver„ voegen en dus tot de Comp: weeder overkomen soude. Tegen de middag retourneerde alhier van siang de geweesen pongauw a lakasie die mij sijne komst kwam bekend maeken. met versoek om ordre die ik hem seijde op sijn tijd te sullen geeven kan teffens gelattende om met sijne volkeren verblijf plaats te neemen in de campong molucco. Tegons den avond retourneerde d' opgisteren na diang gede„ pecheerde sendeling poa baijindong tot keer berigt brengende dat tomo biang had aangenomen op mijne ordres te sullen Observeeren Van Matassen Den observeeren en hij bereeds drie vaartuigen in de revren van san„ kan hadde leggen mitsgaders en nog meer soude sien te bekomen D'opgisteren uitgesondene sendeling of verspieder canna Toelolo ook nog heden avond terug gekomen sijnde rapporteerde Dat hij op zeekere gekomen sijnde gevraagd wierd wat hij ald aan quam doen daar bij op gantwoord had dat hij als te barombong met vrouw en kinderen woonagtig eenlijk gekomen was om dat ver„ nomen had dat crain Sapana gequetst was. Dat men hem hier op berigt hadde dat Cuaeng sapana door Arou Palacka na parang Lo E ontboden sijnde derwaarts ver„ trocken was om reeden sij gehoord hadde dat de bomens haarlieden aldaar souden attacqueeren. Dat hij Care Toelolo dater sijnde de pattangs Biuinangs of berg volkeren van de macaessaren ten getalle van circa 100 koppen hadde sien aanmarcheeren met twee vendels om meede na parang Lo E. ten assistentie van aroi. palacka te vertrecken. Dat hij teffend gehoord had dat Sankilang de twee gevang een Europeesen gepandonneerd of het leeven geschonken had dog dat arou palacka sulks vernomen hebbende hem had laeten vragen waarom hij sulx quam te doen vermits de Europeesen hem so veel penitentie hadden aangedaan hem derhalven ordonneerde deselve 173 Van Macasser Den deselve om het leeven te brengen gelijkse dan ook gedaan en hun de buiken opengesneeden. d ingewonden aan de houden gegeeven de lichaemen in de revier gesmeeten en met hum bloed devaandels bestrecken hadden. Dat hij aldaar venagt en heeden morgen sich van daar de weg op na goa begeeven en aldaar vernomen had dat Craeng Data sijn volk bij een versamelde om de wagt te houden bij den koning die morgen ochtend stond op te breeken sonden dat hij hadde kunnen te weeten komen werwaarts den selven sig soude begeeven. Inselver voegen wierd mij nog door een ander expres daar op uitgesonden spion van den oppertolk gerapporteerd dat de rebellen Sankelang Craing Sapanang en crain bonisallo sick nog te parang LoE ophielden bij arou palacca en aldaar veel volk versaemelden waar van een groot gedeelte bereeds met twee in de revier van Tello leggende vaartuigen aan deese sijde waeren overgescheept om sich in postuur van tegen weer te sullen vermits sijlieden seek en berigt hadden dat ze vand'onsen stonden geattac„ queert te worden. gemelde spron napporteerde teffens deselve gesien te hebben dat
English
From Makassar, the that two Europeans, namely an old man and a native, being the invalided soldier Martin Beek and the burgher Hendrik Somer, were murdered or stabbed to death with assegais, the first by the people of Lanna and the second by a Macassar named Batokkong, who comes here frequently and who was said, at the instigation of Arou Palacka, to have agreed, along with several others, to come here to commit arson. Furthermore, having also learned that Craing Candsilo on Maros had two children of the post personnel with him as tampat siri bearers, whom the wife of Sankilang had wished to have requested in order to raise them, but that she had been dissuaded from this by the wife of Craing Sapanang out of fear that if Arou Palacka found out, he would have them murdered as well. Further, I have sent the emissary Canne Mandjanekie back again to the mouth of the river of Maros with orders to see if he can quietly return to Manana and tell Craeng Balotje that, if he is still faithful to the Honorable Company, as soon as Poeanna I Asia arrived there, he should display a white flag as a sign that he was placing himself under the Honorable Company again, and then also immediately join him. There came 17 From Makassar, the Sunday the 18th, a spy of the chief interpreter came to inform me that Sankilang was still staying with his people at Panangloe and having learned that he would come here with the dark of the moon, or at the latest by the 2nd of the upcoming new moon, to attack us. Today the northern regent Craing Labackang also arrived here and appeared before me, who, upon being asked what he came to do here since I had given orders to remain in his land and gather his subjects to him, answered that such was the truth, but that having already waited three days for further orders, he had resolved to come here in person and hear what might be of service to me. Whereupon I ordered him to depart again immediately and await and observe the orders that will be given to him by Poeanna I Asia, which he accepted, subsequently departing again. That same evening, the interpreter De Graaf and the bookkeeper Deekhout reported to me that they served on patrol and, having been hailed in the campong Banoe by the former pongauwa Lacasie, had asked him, among other things, about the conduct of a certain Daeng Mattatting, half-brother of Daeng Mandjaroengie, since 75 From Makassar, the Monday the 19th that fellow, having stayed here in the negorij in secret for several nights already, was thus suspected of evil designs. Whereupon Lacasie had answered that Daeng Mandjaroengie had long sought to finish him off, not only because he held with our enemies and had a wife and children with Arou Palacka, but also because he had abducted a niece of his aforementioned brother and sold her here to a certain lady. Upon which I instructed the interpreter, if that vagrant appeared again, to see to seizing him without much commotion. In the early morning, the aforementioned suspected Daeng Mattatting, passing by the door of the deputy interpreter De Graaf with a concubine and two children of a Chinese residing in Maros, probably to transport them and sell them elsewhere, he apprehended him according to the order given to him, whereupon I sent that rogue under arrest to the Castle, and handed over the maid with her two children to the captain of the Chinese. Today an emissary also arrived from Toli Toli, bringing a letter to me from Daeng Mosonno, according to the translation thereof. Furthermore, the shahbandar of Gowa appeared on behalf of the King, communicating 177 From Makassar, the communicating that both Tomilalangs and other grandees of the realm and electors, as well as Craing Djibang of Sanarabonij, had been to him to place themselves under his protection, since they were still all present, but their subjects had defected to the enemy Sankilang; that he had accepted this for communication and said he would inform me thereof. Whereupon I had the reply given that I also accepted this for communication and would proceed according to the tenor of the Bongaya Contract. On the same day, I sent the Captain of the Malays with an emissary, Daeng Mandjarekie, to the madannang of Bonij to ask him how matters now stood with our agreement concerning the Turattereans. Whereupon he sent the reply that he had already dispatched an emissary to Turattea with orders to keep themselves ready and to occupy the roads leading to Boelecomba and the mountains, in order to prevent the enemy from passing and to offer resistance in case he might wish to break through there or elsewhere; but that he could not yet persuade them to come up or hither, since they were only allies of Bonij and according to custom were not obliged thereto unless the Bonians with the royal standard named
Dutch transcription
Van Macasser den dat twee Europeesen of een oud man en een in boorling (:sijnde den gegagieerd soldaat martin beek en den burger hendrik Somer /ver„ ge „moord of met assagaijen dood gestooken waeren de eerste door't volk van lanna en de tweede door eenen macassaar genaamt batokkong die hier dikwils komt en die men seijde op aenraeding arou palacka te hebben aangenoomen om nevens eenige andere alhier te komene brandstigten. wijders nog vernomen te hebben dat craing Candsilo op maros twee kinders van het post volk bij sich had tot Tampat sieri dragers die de vrouw van sankilang had willen laeten versoeken om deselve op te voeden dog dat haar sulx door de vrouw van craing Sapanang afgeraeden was uit bedugting dat aroupalacka en agter komende deselve meede soude laeten vermoonden. voorts heb ik den sendeling canne mandjanekie weeder terug ge„ sonden na de mond van de revier van maros met last om te sien in stille big weeder na manana te begeeven en craeng balotje aante seggen bij aldien hij dE Comp: als nog getrouw is om dan soo dra Joeanna I: Asia daar quam een wit vaandel te vertoonen ten blijke dat sig weeder onder d'E Comp: begaf en sig dan ook ten eersten bij den selven te vervoegen. — quam 17 Van Macasser Den quam eenspion van den oppertolk mij berigten dat sankilang sig sondag den 18 met sijn volk nog op panang Lo E ophield en vernomen te hebben dat hij met de donkere of ten langsten met den 2: van de aanstaande nieuwe maan soude hier komen om ons 't attacqueeren. ook is heeden alhier g'arriveerd en bij mij verscheenen de noorden regent craing Labackang di op afvrage wat hier quam doen vermits ik ordre gegeeven had om zig op sijn land te blijven en sijne onderdaa„ „nen bij an te versamelen antwoorde dat sulx de waarheijd was doog dat hij al drie dagen op nadere ordre gewagt hebbende te raade was geworden in persoon hier te komen en te hooren water van mijn dienst sijn mogte waar op hem ordonneerde om terstond weeder te vertrecken en d' ordres afte wagten en te observeeren die hem van poeamna JAtsia sullen werden gegeeven dat hij aannaam vervolgens weeder ver„ trocken sijnde dien selven avond rapporteerde mij de tolk de graaf en den boek„ houder Deefhout dat sij de patrouille diende en in de campong banoe door den geweesen pongauwa Lacasie aangeroepen sijnde aan den selven onder anderen gevraagd hadaen na het gedrag van seekere Danig Mattatting, halve broeder van Danig Mand Janoengie vermitt dien 75 Van Macasser Den Maandag den 19 dien knaap sigal eenige nagten alhier in de negorij ter schuit opge„ houden hebbende dus van quaede desseijnen suspect was waar op lacasie had geantwoord dat daeeng mandjaroengie al lang getragt hadde hem de rest te geeven niet alleen om dat hij het niet onse vijanden hield en bij arou palacka vrouw en kinderen had, maar om dat hij ook een nigt van voormelde sijn broeder vervoert en hier aan seekere Juffrouw verkogt had op 't welke ik den tolk gelatte om dien swerver als hij weeder verscheen sonder veel movementen te sien opligten. In den vroegen morgen voorn: susperte danig matatting met een bij sit en twee kinderen van een Chinees te maros woonagtig de dun van den ondertolk de graap voor bij passeerende waarschijnlijk om deselve te vervoeren en elders te verkoopen soo heeft hij den selven vol„ „gens de han gegeeven ordre opgevat waar op ik dien deug niet naar het Casteel in arrest gesonden ende meijd met haare twee kinderen aan de capitain der Chineesen overgegeeven heb. ook is heeden een sendeling g'arriveerd Toli Toli meede brengende een brief aan mij van Daiig Mosonno volgends Translaat daar van sijnde. wijdens verscheen de sjabandhaar van goa uitnaam van den koning Communiceeren 177 Jan Macasser Den communiceerende dat de beijde Tomilalangs en verdere rijksgrooten en kiesheeren so meede Craing Djibang van Sanarabonij waeren bij hem geweest, om hun onder sijn protectie te begeven, vermnt sij nog alle present dog hunne onderdaanen tot den vijand sankilang waeren overgeloopen dat hij sulx voor communicatie aangenomen en gesegt had mij daar van te sullen informeeren. waar op ik liet antwoorden sulx meede voor communicatie aante „neemen en te sullen te werk gaan na den Teneur van t bongaijse Contract. Ten selvden dage bond ik aen Capitain maleijer met aen sendeling Daeng mandjarekie bij de madannang van bonij om den selven te vragen hoe het nu was met onse afspraak omtrend de Turattereesen. waar op den selven liet antwoorden bereeds een sendeling na Surattea te hebben gedepecheert met ordre om sig gereed te houden en de wegen te beteten die na boelecomba en de gebergtens gaan, ten eijnde den vijand de passage te beletten en resittentie te bieden ingeval hij daar opelders mogt willen doorbreeken dog dat hij deselve nog niet konde persuadeeren om op of herwaards te komen, vermits sij alleen bond„ genooten waaren van bonij en volgens gebruik met een daar toe verpligt waren dan wanneer de Boniers met dekoninglijke standaart genaamt
English
From Makassar the named Samparadjaija appeared in the field, intending however to try whether they wished to come. Furthermore, to the question whether Arou Amaling, according to agreement, would join with Arou Pantjana, he answered that Arou Amaling had arrived here one day after the departure of Arou Pantjana, but had immediately been sent back to Sagerij by him with orders to gather the Bone people together and to march together with Arou Pantsana to Maros. The Captain Malay, having subsequently communicated to the Madanrang upon my orders that I had caused a certain Daeng Matatting to be apprehended, because it was known for certain that he belonged to the party of Sankilang and was roaming around here with the intention of setting fires, for which reason one was compelled to keep him in custody until these affairs were concluded, when I would have the matter investigated. To this the same had answered that this was well, and that I could keep him in custody, as he was known among them as an evildoer, who during the lifetime of the deceased king had even stolen one of his court ladies and had already at that time deserved death, and had since also absented himself from the court and wandered around everywhere. Further 179 19 From Makassar the further the aforementioned Captain Malay reported to me that he had asked the Madanrang whether the Tomilalang had already departed for Maros or not, and had received as an answer that he had not, because Datou Baringang himself wanted to go along, but that he had not wanted to permit this under the pretext that I could not spare him here, since there was no one here who could lead the Bone people if one should be compelled to offer battle to the enemy, and that for this reason nothing had come of the departure up to now. Finally, in the evening, I was informed by the bookkeeper Deefhout how not only a letter had been written to him by the Makassarese Prince Craeng Sapana, who was staying with the rebel, containing that he wished to submit if he were assured of obtaining a pardon, but that the bearer thereof was said to have testified that Arou Palacka had repented regarding their enterprise; to the first of which he had let him know that he could do nothing in the matter, but that he advised Sapana to address himself to the King of Goa. The spy of the under-interpreter De Graap, Carre Toelolo, having been sent out again to Teekere this morning, Tuesday the 20th, upon my orders, and having returned towards evening, reported to have learned there From Makassar the to have learned how Lomo Maros and Craing Candjilo had sent to Sankelang to request assistance, because they were about to be attacked by Arou Pantjana; the son of the last-mentioned, Craing Sapena, had gone to Maros the day before yesterday or last Sunday with some people, while Sankilang with Craing Barisallo and Arou Palacka remained at Parangloe. Furthermore, that having proceeded from Teekere to Goa, Carre Toelolo had seen that the King had also caused his banners to be sprinkled with blood and had made his people swear. The Madanrang of Bone also had me informed through the interpreter Moentoe that Jennang Maros had requested him to send someone there as a leader, so that their ordinary tribute of rice could be brought hither to the Madanrang without hindrance. To which I sent him as an answer that this was acceptable, but that it was to be wished that the one who is sent thither as a leader could unite with Poeanna Pitsia, and bring it about that both the Bone people and the Company's subjects who have deserted to the enemy might return again. In the afternoon the Madanrang let me know that Datou Baringang had departed for Maros, both to call together the scattered Bone people 181 From Makassar the and to assist Jennang Maros. Towards evening the said Madanrang sent the interpreter Passier to me to request assistance in case they should be attacked here by Sankilang, because they were weakened in men by the departure of Datou Baringang to Maros, although he believed there was no difficulty yet, as the rebels were still at Parangloe. To which I had answered that it was well. In the evening a spy of the chief interpreter returned, reporting that he had gone this morning in a small prahu to Saperia, and from there overland to Thaing, and had heard there that the Queen of Tallo, Craing Sandraboni, and Craing Barombong had agreed with one another to keep quiet for the present, but if the rebel Sankilang should be attacked, to assist him with their force. Furthermore, having asked where the two last-mentioned were now to be found, he received the answer that they had departed for their country, but would return to Thaing in three days. Likewise, that the King of Goa had caused his banners to be sprinkled with blood, at which however no one else had been present but his family; and further, that Sankilang had retreated from Teekere to Parangloe because he had heard two shots and had imagined that such
Dutch transcription
Van Macasser den genaamt samparadjaija te velde verscheenen egten te sullen proberen of te komen wilden. wijders dee hij op de vrage of arou amaling volgens afspraake soude confungeeren met arou pantjana antwoorden dat arouamaling een dag na het vertrek van arou pantjana alhier gearriveerd dog door hem ten eersten weeder te rug na sagerij gesonden was met ordre om de boniers bij een te versamelen en met arou pantsana tesaemen na maros te marcheeren. De capitain den madanrang vervolgens op mijn ordre gecom„ „municeerd hebbende dat ik eenen danig matatting had laeten in apprehensie neemen wijl men voorseekerweetende dat den selven van de parthij van Sankilang was en hier rond dwalde met intentie om brand te stigten, men dierhalven genoodsaakt was hem solange in verseekering te houden tot deese affaires afgeloopen waeren wan„ „neer ik aesaak soude laeten onderboeken. soo had den selven g'antwoord dat sulx wel was en dat ik hem maar in versekering konde houden wijl hij voor een quaad doender bij hun bekend was, die bij het leeven van den overleeden koning selfs een sijner hof dames gestoolen en aud die tijd al de dood verdund en tigseedert ook van het hof g'absenteerd en over al rond getworven hadde voorts 179 19 Van Macasser Den voorts rapporteerde mij voorn: Capitain maleijer dat hij aan de Ma„ danrang had gevraagd of de Tomilalang reeds na manos vertrocken was dan niet en ten antwoord bekomen te hebben van neen, vermits Datou baringang selve wilde meede gaan dog dat hij sulx niet had willen permitteeren onder voorgeeven dat ik hem hier niet wilde missen, dewijl men hier niemand had die de boniers konde opvoeren als men genoodsaakt mogt worden den vijand slag te leeveren, en dat daarom van het vertrek tot nog toe niets gekomen was. Eijndelijk wierd mij des avonds avon den boekhouder Deefhout berigt hoe hem niet alleen door den bij den rebel sig onthoudende macas„ saarse prins Craceng Sapana een briefje geschreeven was behelsende dat hij wel in submissie wenschte te komen, wanneer hij verseekent was pardon te sullen erlangen maar dat dies brenger soude hebben getuigd aat arou palacka berond hadde weegens haar onderwe„ „ming ook welk eerste hij hadde laeten weeten daar in niets te kunnen doen dog dat bij hem Saxana raade tig bij den koning van goa t addresseeren De verspierder van den ondertolk de graap Carre Toelolo heeden Dingsdag den 20 morgen ter mijner ordre weeder na Teekere uitgesonden en teegens den avond te rug gekomen sijnde rapporteerde aldaar vernomen te hebben. Van Macasser Den hebben hoe Lomo Maros en craing Candjilo aan Sankelang om assis„ „tentie hebben de lasten versoeken dewijl door arou pantjana stonden g'attacqueerd te worden de soon van den laast gemelde Craing Sapena sich eergisteren of voorleede sondag na maros begeeven had neevens eenig volk terwijl sankilang met craing barisallo en arou palacka op panang LoE verbleeven waaren voorts dat hij Carre Toelolo sig van Teeken na goa begeeven hebbende gesien hadde dat de koning sijn vaandels ook met bloed had laeten besprengen en sijn volk laeten sweeren: ook liet mij de madanrang van bonij door den tolk moentoe melden dat Jennang maros hem had laeten versoeken om iemand als hoofd ginter te senden ten eijnde hun ordinair tribut van rijst aan den madanrang overhinderd herwaards te kunnen brengen waar op ik hem ten antwoord heb laeten dienen sulks wel te mogen lijden dog te wenschen dat de geene die als hoofd derwaards gesonden word sich met poeanna Pitsia konde vereenigen en be„ werken dat soo wel de boniers als 's Compagnies onderdaanen die tot den vijand sijn overgeloopen weeder te rug mogten keeren Snamiddags liet de madanrang mij weeten dat datou baringang na maros vertrotken was so wel om de verstrooijde boniens bij eente roepen ƒ 181 Van Macaser den roepen als ten assistentie van Jennang maros Tegen den avond tond gemelde madamaang den tolk passier bij mij om assistentie te versoeken ingeval sij lieden door sankilang hier mogten g'attacqueert worden, vermits se door het vertrek van datou barin„ „gang na maros van volk verswakt waeren schoon hij meende nog geen swaerigheijd te hebben wijl de rebellen hun nog op parang zo bonthieden op 't welke ik liet antwoorden dat het wel was, savonds retourneerde een spion van den oppertolk rapporteerende dat hij sig me eenliplijp heeden morgen na saperia en van daar over land na Thain begeeven en aldaar gehoord hadde dat de koningin van Tello, Crain sandra„ bonij en Craing barombong met elkanderen waeren over een ge„ komen om sig voor eerst stil te houden dog wanneer den rebel san„ kilang g'attacqueert mogte werden, hem met hun magt tassisteeren voorts te hebben gevraagd waar de twee laestgemelde big dan nu bevonden en ten antwoord bekomen dat die na hun land vertrokken waeren dog over drie dagen weederom op Thaing souden komen. so meede dat de koning van goa sijne vaendels met bloed had laeten besprengen waar bij egter niemand anders was present geweest als sijne famille en wijders dat sankilang van Teekene na parang Lo E geweeken was om dat twee schooten gehoord en sig verbeeld hadde dat sulx
English
such was done by the Company's sloop lying there, and it was aimed at Tello. Wednesday the 21st: In the morning at four o'clock, the Company's envoy Daeng Manrangki arrived from the northern province of Biang with a letter for me from Poeanna I Asia, see the translation thereof. Also returned from the river of Maros the Sergeant of the Kampong Molucco together with the Company's extraordinary envoy Kare Mandjareki, reporting that he had been to Marang and, having spoken with Karaeng Balotje, the same had persisted in his previous statement that he would return to the Company as soon as he saw an opportunity to do so, since he had only joined the enemy out of fear because he was too weak against them; furthermore, that the mountain regents had thrown up an entrenchment between two mountains to fight against the enemy of their prophet Mahomet, just as Lomo Maros and the Karaengs Simbang, Tanralile, and Candjilo had also done. That he had also been informed that two pieces of artillery had been transported overland from the post of Maros to Battang Asse, which the enemy had left lying there upon the rumor that Poeanna I Asia was approaching. From Macassar The And 183 From Macasser The And finally, having seen that Datu Baringang was now with his people at the village of Data. In the afternoon, I was reported once again by a spy who had been sent out that he had learned at Saperia that the King of Gowa had sprinkled his banners with buffalo blood and had them guarded all night, and had continually cried out with his family that he wished to go search out and attack Sankilang, but that the Macassars, on the contrary, had prepared a house in Gowa for the King, desiring that he should remain there and not march out; furthermore, that the Queen of Tello, Karaeng Sandraboni, and Karaeng Barombong persisted in their intention to assist the rebels, and that the baruga or the meeting house for Sankilang on Thaing was already completed, but that the same had not yet appeared there out of fear of Poeanna I Asia, who is at Maros. Today I also dispatched to Maros the Company's envoy Daeng Manrangki together with the envoy Daeng Manamboeng with the requested ammunition for Poeanna I Asia. In the evening, the under-interpreter Blij reported that Gallarrang Bontocalla had From Macasser The informed Daeng Mangganoengi, who was on guard with Lacasie outside the white ditch, to keep good watch because he had learned that about 100 men on horseback had shown themselves on the other side of the kraal of Bontuala, who probably sought to break through via Bontuala or Baraija, but had subsequently retreated toward Jongaija or the bitjara tree. I was also informed by a trusted person that the Malay writer Intje Damang was said to have received a letter from Karaeng Barombong, and that his brother, who had long been absent and stayed with Sankilang, had returned here to the campong together with many other Malays. During the night, the Bone interpreter Passer appeared together with an envoy from Datu Baringang, reporting to me that the said Datu had recaptured the post of Maros, and that the enemy, or Karaeng Candjilo and his son Karaeng Sapanna with Lomo Maros, had taken flight, and that they had fired 2 to 3 shots from the artillery, but had harmed no one; however, three of the enemy were wounded and eight pieces of cannon were still found in the post. Thursday the 22nd: I sent the under-interpreter Blij to the Matinroe of Bone to request him to come to me. The same having appeared in the afternoon, 185 From Macasser The I expressed my heartfelt thanks to him for the recapture of the post of Maros by Datu Baringang; furthermore, that I had received news that Aru Pantjana was already at Maros, therefore requesting him that Datu Baringang might now unite with him to attack the enemy together, so that the affair might come to a speedy end; and at the same time to gather together the Bonians present here as well, so that when we might have to march out from here at any time, we would not have to wait for one or the other; also that we would let Aru Pantjana and Datu Baringang know to march further up to Sodiang in order to take up a post there, at which time we would also march out from here. All of which the Matinroe undertook to do, with a request to know which specific day would be appointed to march from here, which I told him I could not yet determine myself, but that he should just keep himself ready to be prepared at the first order. After this, that minister related to me how he had heard from some of his people who had been at Parangloe that upon the return there of Karaeng Candjilo and the news that they had been driven out of the post of Maros again by the Bonians, everything had been in alarm.
Dutch transcription
sulx van de aldaar leggen de sComp: Chaloup gedaan en het op Tello gemunt was. Woonsdag den 21: Desmorgens te vier uren is sE Comp: sendeling danig mandsanckie van de noorder provintie biang g'arriveerd met een brief voor mij van Polanna P Asia vide dies Translaat. ook retourneerde uit de revier van maros den Saregente van de Cam„ „pong molucio neevens sE Comp: extra ordinair sendeling Carre Mandjarekie raporteerende dat hij op marang geweest en met Craing balotje gesprooken hebbende den selven gepersitteerd had bij sijn voorige gesegde om sig weeder bij dE Comp: te sullen begeeven so dra hij daar toe gelegentheijd sag vermits hij sig maar alleen bij den vijand vervoegd had uit vreese wijl te swak tegens denselven was. wijders dat de berg regenten een benting tusschen twee gebergtens hadden opgeworpen om tegen den vijand van hunnen propheet Mahomet te vegten gelijk sulks meede gedaan hadden Lomo Maros en decraaings Simbang Tanralile en Candsilo. Dat hem ook berigt was dat en twee stukken van de pottmaros overland na battang Asse vervoerd waeren die de vijand aldaar had laeten leggen op het gerugt aat poeanna I Asia aanquam Van Macaser Den En 183 Van Macasser Den En laatstelijk gesien te hebben dat datou baringang thans met sijn volk op de negorij data was Des namiddags wierd mij door een uitgesonden spion nogmaals berigt gedaan dat hij te saperia vernomen had dat de koning van goa sijn vaandees met buffels bloed besprengt en den geheelen nagt had laeten bewaeken mitsgaders met sijn famillie geduurig had uitgeroe„ „pen om santilang te willen gaan op boeken en t attacqueeren dog dat de macassaeren daar en tegen een huis in goa voor den koning hadden klaar gemaakt begeerende dat hij daar verblijven en niet uittrecken soude wijders beeraat de koning inne van Tello Craing Sandrabonij en craing barombong bij hun voorneemen om de rebellen tassis„ „teeren, bleeven volharden en dat de baroega of 't vergaden huis voor Sankilang op Thaing reeds voltooit dog dat den selven daar nog niet verscheenen was uit vreese voor Poeanna P Asia die sig op manos bevind ook hebbe ik heeden na maros gedepecheert den Comps sendeling Danig mand Janekie neevens den sendeling Danig Manamboeng met de versogte ammunitie voor Poeanna J Asia 's avonds rapporteerde d' ondertoek Blij dat glaurang bontocalla aan Van Macasser Den aan Danig Mandganoengie de wagthoudende met lacasie boosten het witte grap had laeten weeten om goede wagt te houden wijl hij vernomen had dat sig circa 100 man te paard aan de overkant van de kraal van bontuala vertoond hadden die denkelijk door Bontuala of baraija hebbende soeken door te breeken vervolgens egter na Jongaija of de bitjara boom te rug getrocken waeren. ook wierd mij door een vertrouwae berigt dat den maleijtschuijven Intje Damang een brief soude hebben gekreegen van Craing Ba„ rombong en dat desselfs broeder die dig voor lange g'absenteert en bij samkilang onthouden hadde neevens veel andere maleijers in de campong alhier te rug gekomen waarom. snagts verschan aen bonijs tolk passer neevens een sendeling van Datou Baringang mij rapporteerende dat gemelde datou de pottmaros weeder herwonnen en dat den vijand of Onaeing Compilo en desselfs soon Craaing sapanna met lomo maros de vlugthadden genomen en dat z 2: a 3 schooten uit hiet geschut gedaan dog nie„ „mand beschadigd hadden egter dat er van de vijand arie gequest en nog agt stucken Canon in de pott gevonden waaren. Donderdag den 22. Zond ik den ondertolk blij bij den madanrang van bonij om hem „te versoeken bij mij te komen den selven s namiddags verscheenen zijnde 185 Van Macasser Den sijnde betuigde ik hem hertelijke dank voor deherwinning van de post maros door datou baringang voorts dat ik tijding had gekrugen dat arou pantjana reeds op maros was hem dierhalven versoekende dat Datou baningang als nu met hem mogte Conjungeeren om den vijand te saemen t attacqueeren op dat desaak een spoedig eijnde mogte neemen en teffens om de alhier sijnde de boniers almeede bij eente versamelen ten eijnde wanneer men alhier somwijlen uit marcheeren moest niet na den een of ander te moeten wagten soo meede dat men aan arou pant Jana en datou baringang soude laeten weeten en verder op te marcheeren tot op sodiang ten eijnde aldaer post te vatten wan„ „neer men van hier meede soude uittrecken welk een en ander de Madanrang aannaam te doen; met versoek om te weeten welke bepaalde dag soude weesen om van hier te marcheeren, t geen ik hem seijde selve nog niet te kunnen bepaelen, dog dat hij sich maar gereed moest houden om met de eerste ordre klaar te wee„ „sen. hier na verhaalde mij die minister hoe hij van eenige sijner volkeren die op parang Los geweest waeren gehoord had dat op deterug komst aldaar van Craing Candjilo en de tijding dat sij lieden door de boniers weeder uit de pott maros verdreeven waaren alles in alarm geweest 3
English
From Macasser The been, but that Sankilang had bothered himself little about it, saying he first wished to complete his marriage, upon my asking whom he was to marry, and adding that it was a foster child of Aroupalacca, though he did not know her. After which he asked how those of Goa and Tello were disposed, and whether, upon breaking camp from here, one could indeed trust them; whereto I replied that I had a writing prepared to be presented then to the King of Goa, and if they did not act according to its tenor, one would then attack them at the same time. Having conformed to this, he further said he had heard that Sankilang intended to retire to his old hiding place, Borisallo. I repeated hereupon that for this reason one had to make haste, that everything was in order to prevent him from doing so, as otherwise the matter could still become of long duration; which he accepted, and then departed. After which I was informed by the Captain of the Malays that the Shahbandar of Goa had let it be known that the King this morning had caused two standards to be sprinkled with blood, and the Tomilalang intended to do likewise against tomorrow, in order to offer resistance to the enemy. Further 187 From Macasser the further, that the Macassar Daing Mandjarekie had likewise let him, the Captain, be told the same, adding, however, that the King and the grandees were notwithstanding this not yet in agreement, though he suspected that this was only concerning the Prince himself. Whereupon the Captain had thanked him for the communicated report, with the request to please do his best to move the Macassars to the maintenance of the contract, and that the difference with the King could always easily be resolved. Further arrived here Craing Anabassing, summoned by me, with his men, as also the Company's emissary Daing Mandjarekie from Siang, reporting that he had properly delivered the ammunition taken along to Arou Pantjana, and that the Prince had promised promptly to observe the orders given to him; that he had 438 muskets of his own, and thus with the 40 flintlocks now sent to him, 478 in total, and 53 men with badjo rantes, who were all mounted on horseback, hoping to be at Maros tomorrow, under assurance that he gladly wished to risk his life in the service of the Honorable Company. Furthermore, letting me be advised by the aforementioned emissary that the emissary Poea Simbang, who was formerly employed on Maros on behalf of the Company, From Macasser The employed, had been sent by and come from Craing Candjilo, or Daing Manoentoel, to persuade him rather to turn back, under the pretext that Boni and Goa had agreed to exterminate their common enemy, as had appeared from the overrun of the post Maros. That Arou Pantjana, having asked the emissary upon this message whether he had nothing more to say, and receiving the answer no, had served thereupon to tell Craing Candjilo that upon arriving at Maros, he would answer him upon this with his muskets. That he subsequently had sent emissaries to the five regents to inform them of having been sent thither on behalf of the Company to recover the post Maros and to defeat the enemy, under recommendation to place themselves again under the obedience of the Honorable Company, their lawful master. That Gallarang Tankoeroe, in the name of them all, had returned the answer thereto of being very gladdened by this message and his arrival there, adding at the same time that when the eye of the needle was broken, the thread would easily separate itself from it. Friday the 23rd: In the morning I received news that some of our troops under Craing Labackang had been engaged with those of the enemy, had put them to flight, and 189 From Macasser The driven them off, and had taken the negorij Sangasia on Maros. Further, I had the former Pongauwa Lacasie come to me, informing him of the orders given to Arou Pantjana to attack the enemy, and that I had also spoken with the Madanrang regarding this, further requesting him to post himself at Jongaija with a part of his men, and subsequently towards Cassie, in order to watch the movements of those of Goa and Tello, to prevent that ours might be attacked from behind; which being promised by him, he said to have learned from his men who had come from Thaing that the Queen of Tello had sent 60 of her subjects and 40 Wadjoese on Saperia to Tello to grant the enemy free passage and to prevent ours from pursuing them. After which I gave him a summary of a writing already approved and drawn up by the Madaurang to be sent to those of Goa and Tello before beginning anything, so that they could not pretend afterwards that one had regarded them as enemies. After he again approved the said writing and once more testified that he would hold himself ready, both by day and night, to execute my orders, he requested another 12 grenadiers' muskets.
Dutch transcription
Van Macasser Den geweest dog dat sankilang hich daar aan weijnig gestoord hadde seg„ „gende eerst sijn huwelijk te willen voltrecken op mijne vrage met wie hij aan soude trouwen en bij voegende dat het een op voedeling was van aroupalacca dog dat hij se niet was kennende. waar na hij vroeg hoedanig die van goa en Pello gesint waaren en of men alhier opbreekende deselve wel konde vertrouwen daar ik op repliceerde hoe ik een geschrift gereed hadde om als dan aan den koning van goa te worden aangeboren en boo de na luid van 'tselve niet quamen te handelen men hun als dan te gelijk soude aantatten sig hier meede geconformeerd hebbende seijde hij verders gehoord tehebben dat sankilang van intentie was na sijn oude schuil plaats, borisallo te reviteeren ik herhaalde hier op weeder dat men om die reeden spoed moest maken dat alles in ordre was ten eijnde hem sulx te beletten wijl anders de saak nog van langen duur soude kunnen worden 't geen hij aannaam en toen vertrok waar na mij door den Capitain der maleijers wierd berigt dat de sjabandhaar van goa hadde laeten weeten dat dekoning desen morgen twee vondels met bloed hadde doen besprengen en de tomila„ lang voornemens was sulks tegens morgen insgelijks te doen ten eijnde den vijand tegenstond te bieden. voorts 187 Van Macasser den voorts hoeden macassaarse Daing Mandjarekie hem capitain almeede het selve hadde laeten seggen met bij voeging egter dat den koning en groo„ „ten het des niet teegenstaande nog niet eens waeren, schoon hij verminde dat sulks eenlijk was om den vorst selfs. waar op den capitain hem voor het meede gedeelde berigt hadde doen bedanken met versoek om tog sijn best te doen de macassaeren te bewee„ „gen tot onderhouding van 't contract en dat het ifferent met den ko„ „ning altijd wel soude kunnen gevonden worden. voorts arriveerde alhier den door mij ontboden Craing Anabassing met sijn volk soo meede de comp: sendeling daing Mandjarekie van siang, rapporteerende dat hij de meede genomen ammunitie aan arou pantgana behoorlijk afgegeeven en dien prins beloofd hadde d'aan hem gegeevene ordre prompt te sullen observeeren dat hij van sijn eijgen 438 geweeren en dus met de hem thans toegesondene 40: snaphaanen in 't geheel 478 had en 53: man met baadsoe rantes die alle te paard saten hoopende morgen op maros te weesen onder verseekering dat hij sijn leeven gaarne ten dienste van dE Comp: wilde waagen. wijders mij door voornoemde sendeling nog laetende adverteeren dat de sondeling poea Simbang die te vooren op maros Comp: wegen gebruikt Van Macasser Den gebruikt is aoor eraing Canajilo of daing manoentoel bij hem gesonden en gekomen was om hem te disponeeren maar weeder te rug te keeren onder voorgeeven dat bonij en goa over een gekomen waeren om hunne algemeenen vijand te verdelgen gelijk gebleeken was aan het afloopen van de post maros. Dat arou pantjana op deese boodschap aan een sendeling gevraagd heb„ „bende of niets meer had te seggen en ten antwoord bekomende naen daar op gediend had om Cuaing Candsilo te seggen dat hij op maros komende hem met sijne geweeren hier op soude antwoorden. Dat hij vervolgens sendelingen na de vijf regenten gesonden had om hun te verwittigen Comp weegen aldaar gesonden te sijn om de post maros te herwinnen en den vijand te verslaan onder recommandatie van sich weeder onder de gehoorsaamheijd van dE Compagnie hun wet„ „tigen heerte begeeven. Dat glarnang Tankoeroe uit naam van hun alle daar op had laeten antwoorden seer verblijd te weesen over deese boodschap en sijn komst aldaar met bijvoeging teffens als het oog van de naald gebroken was aat de draad sich dan wel daar van afscheijden soude. vrijdag den 23: Desmorgens ontfing ik tijding dat eenige onder troupen onder Cuarng labackang met die van den vijand slaags geweest hun op de vlugt gedrven ende 189 Van Macasser Den gedreeven ende negorij sangasia op maros ingenomen hadden voorts liet ik aen geweesen pongauwa Lacasie bij mij komen hem verwittigende van de ordre aan arou pantjana gegeeven om den vij„ „and tattacqueeren en dat desweegen ook met de madanrang hadde „gesprooken hem voorts versoekende om sig op jongaija met eengedelkte van sijn volk te potteeren en vervolgens na Cassie ten eijnde op de be„ weegingen van die van goa en detlo te letten ter preeventie dat d'onsen niet van agteren mogten worden aangevallen het welk door hem toe„ gesegt sijnde seijde hij van seijne volk die van Thaing waerengekomen vernomen te hebben dat de koninginne van Tello 60 haeren onder„ daanen en 40 wadsoreesen op saperia na Tello had gesonden om den vijand vrije passao gie te verleenen end onse het vervolgen te beletten waar na ik hem resumt=e gaf van een geschrift reets door dema„ daurang goedgeskeurd en ingesteld om alvoorens iets te beginnen aan die van goa en Tello toegesonden te worden op dat se naderhand niet souden kunnen voorwenden dat men hun als vijanden hadde aangemerkt. Nadat hij gemelde schriftuur wreede g'approbeert en nogmaals betuigd hadet sich gereed te sullen houden soo bij dag als nagt om mijne ordres ter intvoer te stellen versogt hij om nog 12 grana diers gavenen