Inventory 3500
Japan · 1,446 pages · 247 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
From Macassar, the muskets and 28 bayonets, since he had 80 firelocks with bayonets with his own men, and furthermore a last of rice, all of which I granted him, whereupon he took his leave. Subsequently, the syahbandar of Goa came to me, making known that he had been sent by the king to request orders as to what they ought to do with regard to the enemy, to which I replied that I could give no other orders than to watch out for the enemy should he approach Goa once more, in order then to attack him with all force. Furthermore, he indicated that everything in Goa had once again reached unanimity and the grandees had newly sworn loyalty to the king, further asking whether it would not be good for the Macassars to march out, to which I replied that I deemed it more advisable first to have investigated as much as possible where the enemy was remaining. Also, the envoy Daeng Manamboeng returned today from Maros, who communicated to me on behalf of the prince Arou Pantjana and Datoe Baringang that they were presently at Maros and would depart tomorrow for Sodiang and from there to Parang Lo E and Teekere to attack the enemy, and further that most of the Company's subjects in the province of Maros, namely Bontoa, Tanrakoekoe, Tanralilie, 191 From Macassar, the Tanralilie and Simbang had placed themselves with the Boniers under the protection of Datoe Baringang, while Craing Balotse had joined Arou Pantjana. Carre Toelolo, who had been sent out again yesterday on my order by the interpreter De Graaf to spy on the enemy, having also returned today, reported that he had been to Seekere and had sought an opportunity to speak with Glanrang Pao Pao and Craing Candsilo, which had indeed succeeded under the pretext of searching for his children, as they had gone missing during the surprise attack on Maros. That on that occasion he had seen that an envoy on behalf of Tanralilie and Simbang had arrived there to request assistance from Sankilang and Craing Candsilo in order to be able to defeat again the Boniers, under whom they were presently subordinated, but that he did not know what answer he had received, because shortly thereafter it was reported that Sankilang and Craing Sapana were arriving there from Parang Lo E, everyone stood up to make room, and through that commotion he had found an opportunity to depart from there quietly, having at his departure seen the two cannons from Maros From Macassar, the Maros lying in the negorij Seekere. In the evening I sent the Company's envoy Daeong Mandjarekie to Maros with two letters, the one to Datoe Baringang and the other to Arou Pantjana. Saturday the 24th, I sent the bookkeeper Deefhout to the Madanrang of Boni with a writing translated into Macassarese, or notification, for the king and grandees of Goa and Tello, in order, according to the agreement of the 19th of this month, having also been stamped with Boni's seal, to be sent to the aforementioned king and grandees, with the request to send along someone on behalf of Boni, which he did, the interpreter Moentoe, along with the aforementioned Deefhout, having been dispatched therewith directly to Goa. Whereupon, on their return, they reported that the king had testified to being pleased with these orders, the more so because he had already asked to be allowed to post himself at Mathinang and cut off the enemy's pass there, as he would now do. That upon the explicit question put to him, he had stated that he was unable to determine the precise time or day when he would march, to which the aforementioned Deefhout had replied that this did not accord with the intention of the Honorable Company and Boni, but that they would now have to declare themselves 193 From Macassar, the positively and determine the day of the march, since this matter could brook no delay. To which the king, instead of answering, had first sent to the first Tomilalang to ask when he would be ready to march out, who having answered thereto that this depended on the king, the latter had then further asked the aforementioned Deefhout where Datoe Baringang was presently located and whether he was already joined with Arou Pantjana, to which, having been answered in the affirmative, and that according to received news they had presently advanced as far as the negorij Sangalia, he had replied and undertaken that he would march out the day after tomorrow, at the same time letting me know that he did not judge it necessary to inform the queen of Tello thereof, as he did not know how she was disposed, for although her person was at Thaing, her people and weapons were at Parang Lo E and Tello, and thus he would rather have her warned the day after tomorrow when they wished to march out. Furthermore, the king had also asked whether I would attend the expedition in person, to which Deefhout had answered
Dutch transcription
Van Macasser Den geweeren en 28 bajonetten vermits aan met de sijne 80 snaphaenen met basjonetten had en voorts een last uijtt welk een en ander ik hem accor„ „deerde waar op sijn afscheijd nam vervolgens kwam de sjabandhaan van goa bij mij met te konnen gave door den koning gesonden te sijn om onare te versoeken wat hen soude te doen staan met betrecking tot den vijand waar op ik in antwoord diende geen andere ordre te kunnen geeven als om op de vijand te passen wanneer hij aandermaal goa naderen mogte ten eijnde hem dan met alle magt aan te tasten. voortsgaf hij te kennen dat alles in goa weeden tot eens gesindheijd geraakt ende grooten den koning op nieuw trouw getwooren hadden vragende voorts over het niet goed soude weesen dat de macassaeren uittroe„ ken dog, waar op ik diende dat ik het geraedener agtede eerst soveel „mogelijk tedoen naspeuren waar aen vijand tig onthield ook reventeerde heeden van maros desendeling Danig manamboeng dewelke mij uit naame van den prins arou pantsana in datoe baringang Communiceerde dat de thans op maros waeren en morgen vertrecken souden na sodiang en van daar na parang Lo Een Tee„ kere om den vijand t attacqueeren en wijders dat de meeste onderdaanen vande Comp: in de provintie maros met name bontoa, Tankoeroe, Tanralitie 191 Van Meccasser Den Tanralitie en Simbang hun bij de bomiers onder protectie van datou baringang hadden begeeven, terwijl Caaing balotse sig bij arou pantjana hadde vervoegd. Den op mijn ordre gitteren door den Tolk de graap weeder uijt„ gesonden Carre Toelolo om bij den vijand te gaan sprioneeren, heeden almeede geretourneerd sijnde rapporteerde dat hij op seekere geweest en occagie getogt hadde om met glanrang pao pao en craing Candsil„ te spreeken gelijk hem sulxpok was gelukt onder voorwandsel van na sijn kinders te soeken als op die met de overrompeling van maros absent geraakt waeren. Dat hij bij di ocragie gesien hadde dat en een sendeling uit nam van Tanralilie en Simbang daar gekomen was om aan sanki„ lang en craing Candselo assittentis te versoeken ten eijnde de bo„ „niers waar onder zethans gesubondonneert waeren weeder te kunnen verslaan dog niet te weeten wat voor bescheijd deselve gekreegen had door dien kort daar op geraporteerd werdende dat sankilong en Cuaing Sapana van parang Lo E aldaar aan„ quamen een ieder was opgestaan om plaats te maeken en hij door die Commotie gelegentheijd bekomen hadom sig stilletje weeden van daar te begeeven hebbende bij vertrek de twee Canons van maros Van Macasser Den manos in de negorij seekere sien leggen. Des avonds sond ik den Comp:s sendeting Dacong mandjarekie na maros met twee brieven de eene onder datou baningang ende andere aan arou pant Jana Saturdag den 24: sond ik den boekhouder deefhout na den madanrang van bonij met een in het macassaers getremlateerd geschrift oft onsinuatie voor den koning en rijksgrooten van gea en tello ten eijnde volgens afspraek van den 19 deeser ook met bonijs tegel bestempeld sijnde aangemelde koning en rijksgrooten gesonden te werden, met versoek om iemand van bonijs weegen meede te geeven dat den selven gedaan heeft, als sijnde den tolk moentoe neevens voornoemde deefthout daar meede direct na goa gedepecheerd. waar op te wij retour berichteden dat dekoming betuigd had verblijf te weesen over deese ordre, te meer hij bereeds had laeten versoeken om op mathinang sich te mogen gaan potteeren enden vijand daar de pas afte suiden gelijk hij als nu doen soude dat hij op de hem expres gedaene afvraege betuigd hebbende de pretise tijdof dag wanneer marcheeren soude met te kunnen bepaelen voor„ „noemde deefhout hadde gerepliceerd sulx met de intentie van d' E Comp: en bonij niet over een te komen maar dat sijlieden sich tans potitief 193 Van Macassr den positief souden hebben te verklaeren en den dag van den mansch te bestemmen vermits deese saak geen tijd versuijm konde lijden op het welke dekoning in steede van antwoord alvoorens bij den eersten Tomilalang had gesonden om te vragen wanneer hij gereed soude weesen om te kunnen optrecken die daar op ten antwoord gegeven hebbende dat sulx aan den koning stond deese als doen aan„ gemeld Deefhout verder had gevraagd waar datou baringang sich thans bevond en of den selven met arou pantjana reeds ge„ conjungeert was waar op hem g'antwoord sijnde van Ja en dat ze volgens bekomen tijding thand tot op de negorij san„ galia waeren aengerukt hij gerepliceert en aangenoomen had om overmorgen te sullen uit marcheeren mij teffens laetende weeten dat hij miet noodig oordeelde om de konin„ ginne van Tello daar van te verwittigen als niet weetende hoe sij gesint was want dat haar persoone wel op Thaing dog haar volk en wapenen op parang Lo E. en Tello waeren en dus haar eerder te sullen laeten waerschouwen alsover„ morgen wanneer see wilden uittrecken. voorts had dek oning nog gevraagd of ik de Expeditie in persoon soude bij woonen waar op Deefhout g'antwoord had
English
From Makassar had no reason to think so, since one could regard these enemies as nothing other than a party of robbers and evildoers. In the evening, after eight o'clock, the Bone interpreter Passier came on behalf of the Madanrang and reported that Datou Baringang had communicated to him that there were fully twenty vessels of the enemy lying in the river of Tello, and therefore requested that it might please me to give orders to prevent his escape by sea. This was accepted, and I immediately ordered the Captain Moor to depart thither promptly with as many vessels as could be obtained, just as he also departed this night. Sunday the 25th. In the early morning, Arou Pantjana informed me through the envoys Lolo of Kaloekoea and Patjelang that he could not well agree with Datou Baringang, because the latter first wished to erect bentings at Sangalea, whereas he, on the contrary, intended to attack the enemy himself without further delay, requesting therefore orders as to what to do in this matter. Whereupon I sent him an answer to proceed according to his plan and to pursue the enemy without being troubled by Datou Baringang, and to deliver battle wherever he could encounter him. Further From Makassar further, I sent the assistant interpreter De Graaf to the King of Goa and had him requested once again to march out with all possible speed, indeed even if it were this very night, and to occupy the roads so that the enemy might not manage to escape. This servant having returned, reported that the King had agreed to march out tomorrow and for that purpose to proceed to Goa today with his family, asking him again the question that he had asked Deefhout yesterday, whether I myself would also march out to attack the enemy. When the interpreter answered that he did not believe so, he had replied that he would then also stay at home and send the Tomilalang as head of the expedition. The interpreter having further insisted to know at what hour of the day they would march out, the Shahbandar of Goa had answered to this, around 8 to 9 o'clock. When it was replied again that it would then be too late and the enemy might then already have escaped, this had no other effect than that the King persisted that he could not gather the people any sooner. Thereupon Craing Bonto whispered in the interpreter's From Makassar interpreter's ear that the Tomilalang and the Makassarese each had separate sentiments. Monday the 26th. In the afternoon, the King of Goa, through his interpreter Bonna, communicated to me that the enemy, currently lying at the negorij Pao Pao, was before Goa, and that the Tomilalang had marched out with two banners and had encountered him, knowing no better than that they were currently engaged in battle, requesting at the same time to make this known to the Madanrang as well. I accepted this and thereupon immediately dispatched the interpreter De Graaf to the Madanrang, not only to inform him of it, but also to request him to take care that the roads be blocked and the enemy be prevented in his flight on this side, which he agreed to do. Meanwhile, I sent as an answer to the King that I expected that he would gather his subjects with the utmost speed to attack the enemy, and that I had also for my part established proper measures should he appear on this side, so that I ordered the former Pongauwa Lacasie to position himself promptly at Jongaija. Having promised to do so, he marched thither shortly thereafter, From Makassar marched, after he had repeated to me that Datou Baringang, during his march to Maros, had informed Craeng Candsilo simply to depart from there, since he was only against the Dutch and they were natives, and that Craing Candsilo thereupon, with all the men, goods, and a large crowd of buffaloes he had with him, had retreated to a certain place, having fired only three shots from the cannon as a token as if they had offered resistance, although no one had even been wounded thereby. In the evening, around half past 7, an envoy of the King of Goa appeared with a report that the enemy had surrounded the Tomilalang and he himself saw no way with his men to offer any resistance, therefore requesting assistance from both the Honourable Company and Bone. Whereupon I sent him an answer that I was surprised that the King had allowed this affair to come to such an extremity, whereas I had so often proposed to him to go and attack the enemy himself without having perceived that he had troubled himself much about it; that he, therefore being himself the cause thereof, also had to console himself in this matter, and that I was indeed sorry
Dutch transcription
Van Macas ser dan had sulx niet te denken vermits men deese vijanden niet anders konde aanmerken als een parthij roovers en quaad doenders. 's avonds na thiciuuren quam de bonijse tolk passier uit naam van den madanrang rapporteerden dat datou baringang hem had laeten Communiceeren dat er in de revier van Tello wel twintig vaartuigen van den vijand lagen en daarom versogt dat ik ordre geliefde te stellen om hem het ontvlugten ter zee te beletten 't geen aangenoomen en daedelijk den Capitain Maleijer hebbe geordonneerd om namentlijk ten eersten met so veel vaar„ tuijgen als te bemachtigen waeren derwaarts te vertrecken ge„ „lijk denselven deesen nagt ook vertrocken is sondag den 25: In den vroegen morgen luit mij arou PantJana: weeten door de sendelingen Lolo van Kaloekoea en Patjelang dat hij met Datou Baringang niet wel konde over een komen vermits deese op Sangalea eerst wilde bentings op werpen en hij daar en tegen van concept was om den vijand sonder langer vertoek selve aan te tasten: versoekende dierhalven ordre wat in deesen te doen. waar op ik hem liet antwoorden om volgens sijn Concept te werk te gaan en den vijand sonder sig aan Datou Banngana te stooren te vervolgen en slag teleeveren waar hij den selven kon aantreffen Voorts 495 95 Van Macasser Den voorts sond ik den ondertolk de graaf na den koning van goa en liet hem nogmaals versoeken om deselve en ten allen spoedig„ sten Ja al was het nog van deesen nagt op te trecken en de we„ gen te besetten op dat de vijand het niet mogte komen t ont„ vlugten welken bediende geretourneerd sijn de berichte dat de koning hadde aangenomen om morgen te sullen uittrecken en dig ten dien eijnde deesen dag met sijn famillie in goa te sullen begeeven hem weeder de vraag doende die hij gitteren aan Deefhout gedaan had of ik selve meede optrecken soude om den vijand 't attacqueeren waar op door den Tolk g'antwoord sijnde sulx niet te gelooven had hij gerepliceerd vandan ook te huus te sullen blijven enden Tomilalang als hoofd over de expeditie te sullen senden De tolk wijders aangedrongen hebbende om te weeten wat uur van den dag ze souden optrecken had de sjabandhaar van goa hier op g'antwoord tegens 8 a 9 uuren op het welk weeder genepliceerd sijnde dat het dan te laat ende vijand het dan mogelijk al ontvlugt soude sijn: was sulx van geen ander effect als dat de koning gepersisteerd had niet eender het voek bij een te keunen krijgen. hebbende daar op Caaing bonto den Tolk Jan Macasser Den tolk in het oor geluijttert dat de Tomilalang en de macassaeren ieder ieder aparte sentimenten hadden. Maandag den 26 des nademiddags liet aekening van goa door sijn tolk bonna mij communiceerden dat de vijand thans op de negorij Pao Pao leggende voor goa was en dat de Tomilalang miet twee vaandels uitgerukt en hem gerencontreed hadde niet beeter weetende als dat deselve thans slaags waeren met versoek teffens om sulx aan den madan„ raing meede te willen bekend maeken t geen ik aangenomen en daar op terstond den Tolk de graaf na den madamrang ge„ depecheerd hebbe om den selven daar van met alleen te verwittigen maar ook te versoeken om jonge te dragen dat de weegen betet enden vijand in sijn vlugt aan deese kant verhinderd worde t welk hij aangenomen heeft te sullen doen. Terwijl ik aen koning ten antwoord liet geeven dat ik verwagten wilde dat hij ten allerspoedigsten sijne onderdaanen soude doen versaemelen om dan vijand aan te tatten en dat ik daar toe ook van mijn kant met aenordige maat regulen gesteld hadde wanneer hij sig aan deese kant vertoonen mogte in voegen ik den geweesen pongauwa lacasie lastgaf sig, ten eersten op Jongaija te potteeren die sulx toegesegd hebbende kont daar aan derwaarts op mansch gegaan Van Macasser Den gegaan is na dat hij mij nog herhaald hadde dat Datou barin„ „gang bij sijn op mansch na maros aan craeng Candsilo hadde laeten weeten om maar van daar te vertrecken, vermits hij het tog maar alleen tegens de hollanders hadde en sij Jnlanders waaren en dat Craing Candsilo daar op met alle sijne bij sig hebbende manschappen goederen en een groote meenigt buffels na zeekere geweeken was eenlijk drie schooten uit het Canon hebbende laeten doen tot een teekken als hadde sij tegenstand gebooden schoon daar door selfs niemand gequest was. savonds Cinca half 8 venscheen een sendeling van den koning van goa met bericht dat de vijand den Tomilalang omcingeld hadde en hij selfd geen kand sag met de sijne Eenige tegenstand te bieden derhalven assistentie versoekende so van d E Compagnie als bonij waar op ik hem liet antwoorden verwonderd te sijn dat de koning deese affaire op het uitterste had laeten komen daar ik hem soo meenigmaal hadde voorgesteld om den vijand selve te gaan aantasten sonder te hebben ontwaard dat hij tig daar„ om veel bekommert had dat hij dus selve de oorsaak daar van sijnde, sig ook daar in moest getroosten dat het mij wel leed 9t
English
From Macassar, the [date omitted] was sorry that he found himself in those circumstances, but that I could not send any assistance at present, since one no longer knew who was friend or foe, but would nevertheless do what was possible, as well as await what the Bone people, whom I had already informed of this, would do, promising him at the same time to protect his person and family as much as humanly possible. This evening the former Bone ponggawa informed me through the interpreter De Graaf that the Macassarese Daeng Mandjanekie, residing at Goa, had let him know through his envoy named Laute, sent expressly thither, that the Macassarese were now in agreement with Sankilang. Tuesday the 27th. Tonight at one and subsequently at three o'clock I was knocked awake by the sub-interpreters Blij and De Graaf, reporting to me that the enemy was said to have abandoned Goa, whereupon I made inquiries to learn further of the truth thereof. The former ponggawa Lacasie informed me that during the past night he had again sent his envoy Laute to Goa to spy on what was happening there, who upon his return reported having heard that the second Tumilalang yesterday had marched out as far as the negorij Seero, situated near Goa, to encounter the enemy there; that the rebel Sankilang had indeed appeared there as well, and that the Macassarese had stood by without undertaking anything, as this had been explicitly ordered by the old Tumilalang, while the second Tumilalang had subsequently retired into Goa to prevent the enemy from entering there. Shortly thereafter, two envoys arrived from the King of Goa himself, with the report that the city was besieged and enclosed by the enemy, so that no one could go in or out; to which I merely replied that I could do nothing against this as long as our troops from the north did not appear, though after sending some Malays on horseback, who returned fruitlessly as they were unable to get through the enemy, I dispatched two trusted persons thither to inquire into the state of affairs, who upon their return reported that, with great difficulty and under the pretense that they were subjects of Craing Patoong and thus their friends, they had been admitted through the gate of Goa, and had learned there that when yesterday the enemy, or Sankilang, lay at the negorij Pao Pao, the second Tumilalang together with Craing Bontolancas and Craing Data had marched out with two banners, but arriving at the negorij Seero, Sankilang had inquired what those banners meant, since he came as a friend and not as an enemy, and that Goa belonged to him. That Craing Bontolancas thereupon approached close to Sankilang with one banner and, after a private conversation with him, discharged his snaphaunce backwards, upon which all the people on both sides cheered or shouted huzzah, and subsequently entered Goa together, except for four banners that had gone to Tamamao. That in the morning Sankilang had gone from Goa with four banners to Malenkeere to the King's house, left two banners there, and with the two others crossed the river to Thaing to the Queen of Tello, and from there went back to Malenkeere and subsequently marched into Goa. Meanwhile, I received news that Arou Pantsama, having engaged in battle yesterday with some of the enemies, had put them to flight, but that their leaders had sent to Sankilang for succor, who had dispatched these seven banners thither for their assistance. While I was subsequently told by a trusted person that Datoe Baringang had agreed with the King and the grandees of the realm in the interior to spare Aron Palacca and his people in case it should come to an engagement; this informant had heard this directly from the mouth of Arou Djiena, who had complained how Datoe Baringang had countermanded the order given to him, Arou Djiena, by the Madanrang to block the enemy's passage to the south by holding the roads through the Touratse mountains occupied. Wednesday the 28th. In the morning, the Bone interpreter Moentoe appeared on behalf of the Madanrang, proposing to me to occupy Tello, to which I replied that I did not consider this advisable, since the people of Tello would then have cause to say that they were regarded as enemies; furthermore, at the request of the Madanrang, I had delivered to him a small keg of gunpowder and 50 flintlocks. I also received a report from the Malay Captain that today the Macassarese Daeng Mandjanekie, residing at Goa, had come to inform him that the day before yesterday the Macassarese, under the command of the second Tumilalang, Craing Bontolancas, Craing Data, and the second Shahbandar, accompanied by the Gallarrangs of Tjamba and Patsinongang and some people from the negorijen Djipang and Takalara, had marched out from Goa to occupy the roads leading to the mountains in order to prevent the enemy from escaping. That having arrived at the south side of the negorij, they encountered the enemy and, before engaging in battle, received further succor from the King, led by Craing Bonto Mompo and Craing Bonto Panno. That the latter having also arrived there with another banner, the rebel Sankilang sent an envoy to them and asked with what purpose they had come there, since he was already in agreement with the Macassarese. That the second Tumilalang thereupon replied that he knew nothing of this and had been sent by their lawful King to offer him resistance, but that during this back-and-forth communication, in a short time half of the men under his command deserted to Sankilang, and a portion returned home under petty pretexts, so that the Tumilalang, together with
Dutch transcription
Van Macasser den leed was dat hij sig in die omstandigheeden bevond maar dat ik als nu geen assistentie konde senden wijl men thans niet meer wist wie vriend of vijand was dog des niet te min doen soude wat moge„ lijk was mitsgaders afwagten wat de boniers die ik daar van bereeds verwittigt hadde souden doen hem teffens beloovende om sijn perdoon en famillie soo veel maar immers mogelijk te sullen proteegeren. deesen avond liet mij de geweesen bonijs pongauwa door den Tolk de graaf berigten dat den macassaar Danig mandganekie op goa woonagtig hem door sijn expres aerwaarts getonden, sen„ „deling in name Laute had laeten weeten dat de macassaeren het thans met samkilang eens waeren. Dingsdag den 27 heeden nagt om een en vervolgens om drie uuren wierd ik op geklopt door d' ondertolken blij en de graaf mij berigtende dat den vijand goa verlaeten soude hebben waar op ik ondre stelde om nader nadewaarheijd van dien te verneemen. liet aen geweesen pongauwa lacasie mij verwittigen dat hij inde gepasseerde nagt sijn sendeling Lante weeder na goa had gesonden om te verspieden wat aldaer gebeurde die met sijn retour had gerapporteerd gehoord te hebben dat de tweede Tomilalang gistere„ was 199 Van Macasser Den was uitgetrocken tot aan de negorij seero na de bij goa gelegen om den vijand aldaar te rencontreeren dat den rebel sankilang daar ook werkelyk verscheenen sijn de de macassaeren hadden ge„ staan sonder iets it te voeren als sijnde sulx sodanig wel rxpres„ selijk door den ouden Tomilalang bevoolen terwijl de tweede Tomilalang vervolgens in goa geredrueerd was om den vijand te beletten daar niet te komen kont daar aan kwammen twee sendelingen van den kooning van goa selfs met berigt dat die stad door den vijand beleegend en in„ geslooten houden wierd so dat er niemand in of in't konde waar op ik eenlijk antwoorde dat ik daar tegen niets doen „konde so lang onse troupen niet van de noord opdaagden ter„ wijl ik nogtans na het senden van eenige maleijends te paard die vrugtelers terug kwamen als door den vijand niet hebbende kunnen heen komen twee vertrouwelingen derwaarts depecheerde om nade gesteldheijd der saek en't informeeren dewelke bij hun retour berig. bragten met veel moeijte en onder voorgeeven dat de onderdaanen van Craing patoong en dus hunne vrienden waeren de poort van goa te sijn binnen gelaeten en aldaar ver„ nomen te hebben dat toen gisteren de vijand af sankilang op Van Macasser den op de nejorij Pao Pao lag de tweede Tomilalang neevens Cuaring bontolancas en craing data met twee vandels uit getrocken waeren dog bij de negorij seero komende had sankelang, laetende vragen wat die vaandels bedinden vermits hij als vriend en niet als vij„ „and quam en dat goa hem toebehoorde Dat caaing Bontolancas daar op met een vaandel dig bij sanki„ lang begeeven en na een apart gesprek met den selven sijn sna„ phaan agterwaards afgeschooten en daar op al 't volk van weerskanten gejoelt of hoesee geroepen en vervolgens te saemen binnen goa sig begeeven hadden Excepto vier vandels die na Ta„ mamao waeren. Dat sankilang des morgens van goa met vier vandels na ma„ lenkeere op het konings huns gegaan aldaar twee vaandels gelate„ en met de twee andere over de revier naar Thaing bij de koninginne van Tello sig begeeven had en van daar weeder na malenkeere mitsgaders vervolgens in goa getrocken was Jntusschen ontfing ik tijding dat arou pantsama met Eenige van de vijanden op gisteren slaags geweest sijnde deselve op devlugt gedreeven dog dat de hoofden derselve bij sankilang om secourd gesonden om deese seven vendels derwaarts ter hunner assistentie geschikt 201 Van Macasser Den geschikt hadde. Terwijl mij vervolgens door een vertrouwde wierd verhald dat datou baringang met den koning en rijksgrooten in de bin„ „nen landen over eengekomen was om ingevalle het tot een treffen komen mogt Aron palacca met de haare te verschoonen: deesen segitman hadde sulks uit de mond van arou djiena die sig be„ „klaagd had hoe Datoe baringang hadde te contramandeeren d' ordre hem arou Tjiena door den madanrang gegeeven om den vijand de passagie nadesind te beletten door het beset houden van de weegen door het Touratse gebergte smorgens verscheen de bonijs tolk moentoe uit naam vanden woensdag den 28 Madaurang die mij liet voorslaan om Tello te besetten dog waar op ik ten antwoord gaf dat sulx niet raadsaam agte wijl die van Telle als aan needen sonden hebben om te seggen dat men haar als vijand en aansag, terwyl voorts op het versoek van den madauran„ aanden selven hebbe laeten afgeeven een vaatje buskruit en 50 H Hoogers ook ontfing ik bericht van den Capitain Maleijer dat heeden den maccassaar Daing mandjanekie op goa woonagtig han had komen verwittigen dat de macassaeren eergisteren onder aanvoering Van Macasser Den aanvoering van den tweede Tomilalang, Caaing Bontolancas caring Data ende tweede sjabandhaar verseld van de glanrangs Tjamba en Patsinongang en eenige volkeren van de negorij Dji„ pang en Takalara van goa uitgetrocken waeren om de wegen te besetten die na de gebergtens loopen ten eijnde den vijand het ont„ vlugten te beletten Dat se aan de suid kant van de negorij gekomen den vijand ont„ moet en alvoorens slaags te raeken nog secours gekreegen hadden van den koning sijn de daar bij als hoofden Cuaing bonto mompo en Caring bonto Panno. Dat de laaste aldaar meede gekomen sijnde met nog een vandel de rebel samkilang een sendelingesharlieden hadde gesonden en ge„ vraagd met wat oogmerk sij lieden daar gekomen waarondaer hij het met de macassaeren alreeds een was Dat de tweede Tomilalang daar op had g'antwoord daar van niet te weeten en door hun wettigen koning gesonden te sijn om hem resistentie te bieden dog dat met een geduurende dit over en weedersenden in een korte tyd de helfte van sijn onder hebbende manschap na sankilang overgeloopen en een gedeelte onder nietige uitvlugten te rug naar huis gekeerd waar en so dat de Tomilalang nevens
English
203 From Macassar, the Tomilalang, together with the aforementioned chiefs, having made a stand with only circa 40 men, had also found themselves forced to retreat back and toward Goa, while Sankilang with his troops had proceeded to the negorij Bonto Tanga, situated close to Goa, and spent the night there. That yesterday he had departed from there and passed in front of the King of Goa's house to proceed to Thaing near the Queen of Tello, but having arrived at the river, the said Queen had sent an envoy to him to warn him not to cross over to her, to which he, however, paid little attention, saying he was only coming to pay her a visit, and thereupon taking vessels himself with which he and his people were ferried across, had proceeded directly to the house and to the Queen of Tello. That she, upon this, had sent an envoy to the King of Goa with the communication that Sankilang was with her to force her to join his party or following, at the same time asking the opinion of the King, who in reply had let it be known that it was difficult for him to declare himself on this matter, as the affair had already progressed so far. That Sankilang, having been with the said Queen for a couple of hours, From Macassar, the had departed again or turned back and taken his lodging in the King's house outside Goa, from where shortly thereafter he had marched past the negorij Mangassa and the gate of Goa called Tingunaij, up the road to the negorij Kassie, without it being further known where he stayed this past night, but that the Macassars caused him not the least hindrance in his passage. After noon, the envoy of the King of Goa, named Kassang, appeared with the report that the enemy had departed from Goa to Taking to the Queen of Tello, where they had not only offered him not the least resistance, but had also provided him with a standard upon his departure; to which message I had the King answered that I accepted it for information, and that I had held entirely different thoughts regarding the Macassars. Furthermore, an envoy from Datou Soping appeared with the usual compliments, letting me know that he had learned with sorrow of the circumstances in which the Honorable Company presently found itself here, and therefore asking if I needed his person or any auxiliary troops, in which case he would come up immediately, as he could not sufficiently repay the favors of the Honorable Company, being the only one who had always looked after the welfare of 283 From Macassar, the Soping. For which kind offer I had him thanked and answered that one was certainly in a circumstance that was to be wished otherwise, and that for this reason he would do me a great service by coming over here as soon as possible with a good force, the more so as I would have requested him to do so immediately at the beginning of the unrest had I not had hope that one would already have settled the matter, and he could prove himself useful to me. Thursday the 29th In the morning, a spy sent out by the interpreter Blij, named Saleeng, arrived, who had been to Bontoala and had been expressly sent back by the high priest or Kali there to inform that the son of Karaeng Bontolangkas, who in earlier times rebelled against the Honorable Company, had been to the Madanrang of Boni and had requested that the Boniers should also join Sankilang or the enemy, for it was aimed at no one else than the Christians. But that he, Kali, being present there, had answered the said son of Bontolangkas that Sankilang or the enemy had better not show themselves around here, for they, the Boniers, could not From Macassar, the defect from the Honorable Company, and that the pretense of it being aimed only at the Honorable Company was not credible, but rather that they would seek to destroy first the Honorable Company and then also the Boniers again; whereupon the same went away and went to the wife of Datou Baringang, who is a Macassar prince. Furthermore, the envoy Patselang, sent to me by Arou Pantsana, appeared to communicate that today, if it did not rain, he would break camp together with Datou Baringang and attack Parangloe or a certain place. I also sent the interpreter De Graaf with the aforementioned envoy Patselang to the Madanrang of Boni to request him to imprint his seal or chop on a document signed by me and provided for that purpose to the chiefs of Maros, in order to assist our people who were about to depart thither to bring the artillery here from the post, at the same time requesting him to please dispatch a letter to Datou Baringang to break camp from there and come hither. Whereupon the Madanrang, having chopped the aforementioned document, had me answered on the second request that he did not deem the summoning of Datou Baringang necessary, since according to his thoughts
Dutch transcription
203 Jan Mbaecasser Den Tomilalang neevens de voorschreeven hoofden maar met Cinca 40 man staan blijvende sig almeede genoodspakt gevonden hadden weeder terug en naar goa te retineeren terwijl Sankilang met sijne troupen sig na de negorij bonta Tanga / digt bij goa geleegen/ begeeven en aldaar vernagt hadde Dat hij gisteren van daar op gebroken en voor bij goalangs skonings huis gepasseerd was om sig na thaing bij deko: in quine van Tello te begeeven dog aan de revier gekomen sijnde had gemelte koning in een sendeling bij hem gesonden om hem te waarschouwen van niet over af bij haar te komen daar hij sig egter weijnig aange„ stoond had seggende maar alleen te komen om haar een visite te geeven en daar op selve vaartuigen neemende waar meede hij en sijn volk overgevaeren sijnde, sig direct na het huis en bij de ko„ „ningin van Tello hadde begeeven. Dat sij hier op een sendeling, bij den koning van goa gesonden had met Communicatie dat sankilang bij haar was om haar te dwin„ „gen van zijn parthij of aanhaang te weesen, teffens laetende vra„ gen het sentiment vanden koning die in antwoord had laeten weeten sig daar op beswaarlijk te kunnen declareeren vermits de saak reeds so verre gekomen was. Dat sankilang bij gemelde koningin een paar uuren geweest hebbende weeder Van Macaser Den weeder vertrocken afte rug gekeerd was en sijn logement intkonings huis buiten goa genomen had van waar hij kortdaar na lamp: de negorij mangassa endepoort van goa genaamt tingunaij gemar„ cheerd was de weg Op na de negorij kassie sonder verder te weeten waar hij sig de gepasseerde nagt gelegent heeft dog dat de macasseren hem in sijne passagie geen de minste hundirnis hebben toegebragt snaden niedsluys verscheen desendeling van den koning van goer in name kassang met rapport dat den vijand van goa n Taking bij de komminginne van telto vertrecken was daar men han niet allen geen de minste tegenstand geboden maar hem ook nog bij vertrek voorsien had met een standaart welke boodschap ik den koning liet antwoorden voor Communicatie aan te neemen en dat ik gantsch andere gedagten van de macassaaren had gehad. wijders verscheen een sendeling van datou soping onder degewoone Complimenten mij laetende bekend maeken dat hij met leedweeken hadde verstaan d' omstandigheeden waar in sig dE Comp: ahier thans was bevindende en dierhalven laetende vragen al ik sijn persoon of eenige hulp troupen benedigd had dat hij als dan ten eersten soude opgekomen vermits hij de weldaeden van dE Comp: niet genoeg vergelden konde als d' eenigste sijnde die het wel weesen van 283 Van Macasser den soping altoos betragt had voor welke vriendelijke preesentatie ik den selven liet bedanken en antwoorden dat men sig seekerlijk in een omstandigheijd be„ vond die wel anders te wenschen was, en hij mij uit dien hoofde veel dienst soude doen ten spoedigsten met een goede magt alhier over te komen te meer ik selfs al aanstonds miet het begin van d' onlusten hem daar toe soude hebben versogt ingevalle ik geen hoope hadde gehad dat men desaak al meesten soude sijn geweet en hij mij servound konde betongenr. Des morgens quam een door aen tolk blij uit gesonden spionge, Donderdag den 29 naemd sal eeng dewelke op Bontoala geweesten van den hooge priester of Catie aldaar eixpres te rug gesonden was om te verwittigen dat de soon van den in vroegere tijd tegens DE Comp: nebelleerende iraaang bontolancas bij den madamrang van bonij geweest en ver„ sogt hadde dat de boniers sich toek bij san bilang of den vijand wilden vervoegen want dat het op niemand anders gemunt was dan op de Christenen Maar dat hij Calie als daar bij present sijnde gemelde bontolancas sijn soon hadde g'antwoord dat sankilang of den vijand sig maar met hier omtrent moette verthoonen want dat sij bonierd niet van Van Macasser den van dE Comp: konden afwijken en dat het voorgeeven van het maar alleen op d'E Comp: gemunt te hebben niet geloofwaardig was maar wel dat se eerst dE Comp: en dan ook weeder de boniers souden soeken te verdelgen sijnde deselve daar opweg en bij de vrouw van datou baringang gegaen dat een maccassaerse prins is voorts verscheen den sendeling patselang door arou pantsana bij mij gesonden om te Communiceeren dat hij van dag als het niet reegende neevens datou baringang op breeken en parang Lob of seekere attacqueeren soude ook sond ik den Tolk de qraaf met voornoemde sendeling patje„ „laang na den madaurang van bonij om hem te versoeken sijn segel of chap te drucken op een door mij geteekende en ten dien eijnde meede gegeeven geschrift voorde hoofden van maros om d'onse die derwaarts stonden te vertrecken t assiteeren ten eijnde het geschut uit depost hien te brengen hem te gelyk laetende versoeken 9 om een brief aan Datou baringang te willen depecheeren ten eijnde van daar op te breeken en herwaards te komen. waar op de madanrang het voormelde schrift mn gechapt hebbende mij op het tweede versoek liet antwoorden dat het op ontbieden van Datou baningang miet noodig oordeelde, vermits hij volgens sijn gedagten
English
From Macasser, The thought now already to be engaged in battle with the enemy. Subsequently, I dispatched the Captain of the Moors here, together with the envoy Carre Mandsanekie, with the aforementioned paper and to collect the artillery, to Maros. By the native Carre Toelolo, sent out again for that purpose by the Interpreter De Graaf, it was reported to me today that Arou Pantjana had been engaged with the enemy at Panang Lo E during the past night, and that among the latter the Glanrang Montjong Lo E, Glanrang Bira, and Glanrang Panang Lo E had fallen, and that the son of the first Tomilalang of Goa, Cuaeng Mandelle, had fled. After this, two envoys brought me a letter from the King of Goa, as included in translation among the annexes, to which I replied verbally that His Highness must exercise patience, since a hasty crossing to the Company would worsen the matter, and that in the meantime I did not doubt his loyalty. In the afternoon, an envoy from Arou Pantsana arrived, likewise bringing word that he had engaged the enemy and had driven them off with the loss of many men. Subsequently From Macasser, The Subsequently, it was made known to me by the Bugis Interpreter Passir on behalf of the often-mentioned Madanrang that fully 200 women, escorted by circa 20 men, had fled from Tello and had taken the road to Goa; upon which report I immediately ordered Lacasie to depart at once up the road to Jongaija in order to overtake those people if possible, whereupon he also immediately set out on the march. In the evening, the Bugis Interpreter Passia came on behalf of the Madanrang with an envoy of Datou Baringang, bringing four severed heads of the enemy, among which the head was said to be of Cuaing Borisallo, and the others of certain Glarrangs. Friday the 30th, in the morning, five more severed heads were brought to me of certain notables of the enemy, who were attacked yesterday by Arou Pantjana near [illegible] and put to flight with a loss of over fifty dead. Subsequently, I sent two sloops to the river of Tello with a detachment of one hundred European soldiers and accompanied by thirty native vessels with Malays, not only to prevent the enemy from fleeing across the river, but also to inflict all possible damage upon him on land. In the afternoon, the King of Goa, with assurances From Macasser, The of his continuing loyalty to the Company, let me know that he was very pleased with the answer given by me to his letter received yesterday, and further that the Queen of Tello having offered her excuses to him regarding the admission of the rebel at Thaing, he requested to know what answer he should give her; as well as that, having seen how the former Pongauwa Lacasie had caused various Macassarese villages to be set on fire, he requested that five others, namely Batoea, Paroepo, Massie, Bankala, and Tamamase, might be spared therefrom. Having answered the first with a compliment, I replied to the second that I left it to His Highness himself to answer the Queen as he saw fit, and consented to the third on the condition that the enemies did not maintain themselves in any of the said villages. Subsequently, it was reported to me by the Bugis Interpreter Passire on behalf of the Madanrang that Tello was already entirely abandoned, for which I sent him my thanks, having just afterwards received that same news from the Captain of the Malays by a letter, the translation of which is included among the annexes. In the evening, the Bugis Interpreter Passiere came to me once again From Macasser, The on behalf of the Madanrang, stating that the late former King of Goa, Arou Mampoe, who had stayed for a considerable time on Lamoeroe, had gone to the mountain peoples of Pattang Birang and Laboetang, without anyone knowing his real intention, although it was to be thought that it did not bode much good; upon which I requested that grandee of the realm to employ all possible means to discover the same, while declining his request to also send people from my side to Maros for that purpose. Saturday the 31st, in view of the approaching arrival of our native troops under Arou Pantjana, of which I received report this morning, I sent to the King of Goa to ask His Highness where the enemy was staying, with further orders to the envoy Danig Mandjarckie, in case His Highness might answer that he did not know, to tell him that I would send the entire force along the mountains to seek him out. Whereupon the envoy brought report that His Highness had declared that he could absolutely not state where the enemy had gone since abandoning Goa, but that he, together with the Tomilalang, whom he had in the meantime made acquainted with my message,
Dutch transcription
237 Van Macasser Den gedagten thans met den vijand reeds slaags was. vervolgens hebbe ik den Capitain aen mvoren alhier neevens den sendeling Carne mandsanekie met voorschreeve papier en ten afhaal van het geschut na maros gedepecheert Doorden daar toe van den Tolk de graaf weeder uitgesonden Jn„ lander Carre Toelolo wierd mij heeden geraporteerd dat anou pantja„ „na de gepasseerde nagt met aen vijand op Panang Lo E slaags was geweest en dat van de laestgemelde onder anderen gesneuveld waeren glanrang MontjJong Lo E glanrang bira en glaunang panang Lob en dat de zoon van den eersten Tomilalang van goa Cuaeng mandelle gevlugt was. hier na wierd mij door twee sendelingen sodanigen brief van den koning van goa gebragt all in transkaat onder de bijlaagen is gevoegd waar op ik mondeling ten antwoord hebbe gegaven dat sijn hoogheit gedult moete effenen vermits een haastige overkomst bij dE Comp: desaak verslimmeren soude en dat ik intusschen aan sijn trouw niet twijffelde Des nademiddags arriveerde een sendeling van aroe pantsana almeede bericht brengende dat hij met den vijand slaags geweest en denselven met verlus van veel volk verjaag had vervolgens Jan Abcdesser Den vervolgens wierd mij door den bonijs tolk passir uit naam van meermelte madanrang bekend gemaakt aater wel 200 vrouwlieden door Cinca 20 mans geconvoijeert uit Tello gevlugt ende weg na goa genomen hadden op welk berigt ik aanstonds aan lacasie lattgaf om ten eersten te vertrecken de weg op na Jongaija ten eijnde dat volk des mogelijk tagter„ haelen in voegen hij sig ook terstond op mansch begeeven heeft. Des avonds quam den bonijs Tolk passia uit naam van den madan„ rang met een sendeling van datou baringang brengen vier afgehouwen hoofden van den vijand waar onder men seijde het hoofd te weesen van Cuaing Borisallo end' andere van Eenige glarrangs vrijdag den 30 wierden mij des morgens nog vijf afgehouwene hoofden gebragt van eenige grooten van den vijand welke gisteren door arou pantja„ „na omtrend. seekere aangetast en met verlies van ruim vijftig dooden op de vlugt gejaagd was vervolgens sond ik twee Chaloupen na de nevier van Tello met een Commando van honderd Europeese militairen en verseld vandertig Jnlandsche vaartuigen met maleijers om niet alleen aen vijand het vlugten door de revier te beletten maar hem ook te lande alle mogelijke afbrauk te doen Des nademiddags liet aen koning van goa mij onder verseekening 209 Van Macasser Den van sijn aanhoudende trouwe voor de comp: weeten dat hij teer ver„ heugd was over het antwoord door mij gegeeven op sijn gisteren ont„ fangen brief en voorts dat Caaning Tello haar eexens bij hem hebbende laeten maeken over het admitteeren van den rebel op Thaing hij ver„ sogt te mogen weeten wat hij haar ten antwoord geeven soude; gelijk meede dat hij gesien hebbende hwoe den geweesen pongauwa lacasie ver„ scheijde macassaerse negorijen in den brand hadde doen steeken, hij ver„ sogt dat vijf anderen niet naemen batoea Paroepo, Massie bankala en Tamamase daar van verschoond mogten blijven. het Eerste met een compliment 'b'antwoord hebbende diende ik op de tweede dat ik aan sijn hoogheijd selfs overliet om aan de koning in t b'antwoorden wat hem goeddagt en consenteerde in het derde onder voorwaarde dat de vijanden op geene der gem: negorijen tig kwamen te onthouden. vervolgens wierd mij door den bonijs tolk passire u't naam van de madanrang gerapporteerd dat Tello reets geheel verlaeten was waar voor ik hem hebbe laeten bedanken, even naderhand die selfde tijding ontfangen hebbende van den Capitain aer maleijers bij een brieve welker tranlaet onder de bijlaegen is gevoegd. Des avonds k wam den bonijs Tolk Passiere andermaal bij mij in't Jan Maedsser Den uit naam van den Madanrang te kennen geevende dat den laastge„ „weesen koning van goa arou mampoe di sig een geruinen tijd op Lamoeroe heeft onthouden sig bij de berg volkeren van pattang birang en laboetang aij begeeven hadde sonder dat men sijn weesent„ lijke oogmerkt witt schoon het te denken waare dat het net veel goeds voorspelde waar op ik dien uijks groot hebbe aven versoeken om ten ontdecking van het selve alle mogelijke middelen in het werk te selen met ontlegging van sijn versoek om ten dien eijnde ook van mijn komt volk na manos te senden. Zaturdag den 31. mitsde anaderende komst van onse Jnlandsche troupen onder arou pantjans waar van ik deesen morgen berigt ontfing hubbeik bij den koning van goa gesonden om sijn hoogheijd te vragen waar den vijand sig onthield, met verder ordre aan den sendeling Danig Man„ djarckie om n: gevalle sijn hoogheijd antwoorden mogt. het niet teweeten hem te seggen dat ik aan de gantsche magt langs het gebergte senden soude om hem opte soeken waar op den sendeling berigt bragt aat sijn hoogheijd betuigd hade voltrekt niet te kunnen opgegeven wenwaarts den vijand sig seedert het verlaeten van goa begeeven hadde dog dat hij neevens den Tomi„ lalang aan wien hy inmiddens van mijn boodschap hadde doen kennisse
English
244 From Macasser the giving notice, humbly requested that our troops might not approach Goa in order to prevent the confusion and terror that would arise from it among the Macassars. A similar message was also brought to me shortly thereafter in the name of the king and Tomilalang, together with a letter according to which the queen of Tello was said to wish to abdicate the realm, to which I returned such an answer as may be found in the appendices. Meanwhile, I notified Arou Pantjana to come hither over Tello together with his men with the vessels sent thither, and also caused the Bonian Madaurang to be requested to give the same order to Datou Baringang, as he promised me he would do. In the meantime, the former Pongauwa Lacasie returned, reporting to me that the day before yesterday, while on his march, Cnaing Bontolancas had come to him. Shunning him, he asked after the purpose of his coming, and upon learning that it was only to watch the movements of the enemy, related how a multitude of Macassars, at the sight of his banners, had betaken themselves to the king, who previously had had barely fifty men, and also that a rumor had spread that I would come in person together with the remaining force. From Macasser the force, which had caused an uncommon terror and confusion. Lacasie further added how he had caused several villages of the Macassars to be set on fire, although contrary to my orders, sparing however the inhabitants who had fled, since he had noticed that the enemy was active, having found upon the houses, besides some newly made pots with a little rice in each of them and several pieces of rope of the length of a fathom more or less, a multitude of bamboos. These were prepared as well for setting fires as the rest, according to the rebels' assertion, which was said to have served to cause bees to come out of the pots and snakes from the ropes, whereby the Europeans would be rendered incapable of capturing the castle. Sunday the 1st of June, the Madanrang informed me that the Todo Limas, or chiefs of the Company's subjects at Maros, had sent to Datou Boringang, stating that having defected out of fear of the enemy, they repented of it, requesting him to ask pardon for them, and that the said Datou had promised them this. For which communication I caused thanks to be given, stating that it was very well. Monday the 2nd. The detachment of soldiers and Malays sent to Tello the day before yesterday has returned with the pantjallangs. Furthermore, 243 The From Macasser Furthermore, I informed Madanrang that Aroupantjana would come hither overland, as well as the king of Goa, who, having thanked me for this, at the same time gave notice that the queen of Tello had already abdicated her realm and handed over the regalia to Goa, and that the grandees of the realm would assemble there the day after tomorrow. Toward noon, our native troops from the north arrived here under Arou Pantjana and other chiefs, who all took the oath of loyalty in their manner by drawing their small arms, while Arou Pantjana made known that the rebel, having been attacked by him at Teekene and Parang Lowe, offered not even half an hour of resistance but took flight without his knowing whither, considering that the Bonians under Datou Barngang, who had been behind our men, had let him pass. After this, the former Pongauwa Lacasie sent me for perusal a letter written to him by the queen of Tello, with the request to know what he should reply to it, whereupon I advised him that, in case she should send again, he should have her asked what she desired, with the promise to submit the same to me. Subsequently, I dispatched another short letter to the Pongauwa Datou Banigang From Macasser the gang, concerning the Todo Limas or chiefs over the subjects at Maros. Tuesday the 3rd. Pursuant to what was agreed yesterday, there appeared before me this morning the Madamrang and some other grandees of the realm, and among them the Pongauwa Datou Baringang with some lesser chiefs of the Bonian troops sent to the north. The said Pongauwa and his men took the oath before me, subsequently declaring that he had caused four villages of the enemy to be set on fire. After I spoke with them regarding the means to destroy the enemy as far as possible, after much delay I finally agreed to send such a deed to those of Goa as I have already prepared and which is to be found among the appendices. While they further promised once again to give further orders to the Touratteans, to the end that when the enemy might depart thither, they may prevent his passage through the mountains, just as I told them that I had dispatched the same order to the Company's southern regents, who could then join with the Touratteans. And finally, to give notice of the state of affairs here to the king and grandees in the interior, with the request to cause the rebels to be attacked from that side, or at least
Dutch transcription
244 Van Macasser den kennissegeeven ootmoedig versogt aat onte troupen goa niet naderen mogten ten voorkoming, van de ontstentenis en schuik die daan uit soude ontstaan onder demacassaeren hoedanigen boodschap mij ook kort daar aan uit naam van den koning en Tomilalang wierd gebragt neevens een brief volgens welke dekoningin van Tello getegd word afstand, te willen dioen van het rijk op dewelke ik sodanig antwoord hebbe gepast als bij de bijlagen is te bevogen. derwijl ik daar op aan arou pantjana hebbe laeten weeten om ne„ vens de sijne herwaarts te komen over Tello met de derwaarts gesonden vaartungen mitsgaders den bonijs madaurang doen versoeken om gelijke ordre aan datou baringang te geeven gelijk hij mij heeft laeten toeseggen Jnmiddens kwam den geweesen pongauwa Lacasie te rug mij ne„ lateerende hergisteren op sijn mansch bij hem gekomen was Cnaing bontolancas die hem schuijende na het oogmerk synen komste gevraagd en na vernomen te hebben dat sulx alleen was om op de beweegingen van den vijand te letten verhaald hadde hoe en meenigte macaseeren op het gesegt sijn er vendels sig bij den koning hadde begeeven die bevoorens naauwlijks vijftig koppen haade gehad mitsgaders dater een gerugt was verspreijd dat ik in persoon neevens d'overige magt Van Macasser Den magt komen soude het welk een ongem eene schuik en ontsteltenis hadde gebaand volegende lacatie wijders en bij hoe hij verscheijde negorijen van de macassaeren schoon buiten mijne ordre haade in den brand doe„ steeken met verschooning egter van de bewoondens di gevlugt waeren vermits hij hadde ontwaard dat den vijand en huis hield als hebbende op de huisen behalven eenige nieuwr aan de potten met een weijnig nijst in ieder van deselve en verscheijde stucken touw ter lengte van een vadem min en meer een meenigte van bamboesen gevonden welke soo wel gereed waerengemaekt om brand te stigten als het andere volgens t relels voorgeeven soude hebben gediend om uit de uijkt bijen en uit te touw en slangen te doen voorkomen waar door de Europeeten buiten staat souden werden gesteld het Casteel te vereeveren. zondag den 1: Junij liet den madanrang mij weeten dat de Todo limas of hoofden van'sComp„ onderdaanen op maros bij datou boringang hadden gesonden met te kennen gaven dat sij int vreese voor den vijand afgevallen berouw daar van hadden met versoek om pardon voor haar te vraagen en dat gemelde datou haar sulks beloofd hadde voor welke Communicatie ik hebbe doen bedanken onder te kennen gave dat het seer wel was Maandagga „ 2: Js hetop eer gisteren na Tello gesonden Commando militairen en Maleijers met de pantjallangs weeder te rug gekomen voorts 243 Den Jan Macasser Voorts hebbe ik aen madanrang soo wel laeten weeten dat aroupant„ jama overland herwaards komen soude als aan den koning van goa den welken daar voor hebbende aren bedanken te gelijk deed kennisse geeven dat de koningin van Tello reets afstand van haar rijk gedaan d'ordernen„ „ten aangoa overgegeeven hadde en dat de rijks grooten daar overmor„ gen vergaderen souden. Tegen den middag arriveerde alhier onse Jnlandsche troupen van de noord onder arou pantjana en verdere hoofden die alle den Eed van getrouwigheijd op haare wijse met het blood trecken hunner huijs geweeren afleijden terwijl arou pantjana te kennen gaf dat aen rebel door hem op teekene en parang lowe aangetast geen half uur tegenstand geboden maar de vlugt genomen hadde sonaer dat hij wist werwaards gemerkt de boniers onder datou barngang die agter de onsen waeren geweest hem hadde laeten passeeren. hier na sond mij den geweesen pongauwa lacasie ter lecture en brief door de koninginne van Tello aan hem geschreeven met versoek om te weeten wat hij daar op antwoorden soude waar op ik hem lattgaf om ingevalle sij waer senden mogte haar te doen vragen wat sij be„ geerde met toesegging van het selve aan mij te sullen voordragen. vervolgens hebbe ik nog een briefje aan den pongauwa datou bani„ gang Van Macasser den gang afgesonden betreffende de Todo limas of hoofden over de onder„ daanen op maros. Dingsdag den 3: Jngevolge het op gisteren geaccordeerd arices deesen voor de middag bij mij verscheenen weesende den madamrang en eenige andere rijksgrooten en daar onder den pongauwa datou baringang met eenige mindere hoofden der om de noord gesondene bonijse troupen, leijden gem: pon„ gauwa ende sijnen den Eed voor mij af, vervolgens te kennen geevende dat hij vier negorijen van den vijand hadde doon in de brandsteeken waar na ik met deselve gesproken hebbende over de middelen om den vijand aes mogelijk te verdelgen na lang talmen eijndelijk over een kwam om sodanige acte aan die van goa te senden als ik reets in gereedheijd gebragt hebbe en onder de bijlagen te vinden is. Terwijl sij voorts andermaal toesegging deeden om de Tourattereesen nadere beveelen te geeven ten eijnde wanneer den vijand derwaarts vertrecken mogte hem de passagie door het gebergte te beletten so als ik hun seijde geleijke ordre aan scomp: suiden regenten te hebben afgesonden die sig dan met de sourattereesen konden Conjungeeren. En eijndelijk om van de gesteldheijd der saeken alhier aan den koning en rijksgrooten in de binnen landen kennisse te geeven met versoek om de rebellen van dien kant te doen aantasten op ten minsten
English
From Macasser the least to cut off the pass to the south to escape, whereto I announced to him that on my part I would immediately prepare a letter. As soon as they had departed, it was reported to me that craing Candsil, just like the head rebel sankilang, had made an application to arou pantjana to choose their side, but that that prince had caused the emissaries to be chased away. The enemy, having subsequently fallen upon the corpse at panang lowe and having been put to flight, on which occasion the rebel and arou palacca himself would likely have fallen into our hands or perished had not datou baringang deliberately intervened with his people to give them the opportunity to flee and to prevent ours from pursuing the enemy, while arou pantjana, having caused everything at Teekere and Parang Lowe to be set on fire, datou baringang with his had done nothing other than plunder, having found a very large booty of all kinds of household goods, gold, silver, and copper works, mostly belonging to arou palacca with his adherents, though also, so it is said, to many of our native inhabitants. The former Bonian pongauwa Lacasie and arou pantjana having requested an audience with me, Wednesday the 4th, the same appeared this morning, when From Macasser the when I made known to them how it grieved me greatly that due to the Tanete troubles in the past year discord had arisen between them, and I therefore wished that they would settle it and reconcile with one another, presenting to them some further observations in that regard, whereupon they both declared themselves disposed to comply with my wish, so that they gave each other the hand and thanked me, subsequently drinking a glass of friendship. Toward noon I received news that the enemy was said to have retreated again to his old hiding place borisallo, but that the mountain people would not admit him for fear that their villages would also be set on fire by our troops. Whereupon I, along with the Bonian madanrang, caused permission to be asked from the king of goa for tomorrow morning for the Captain of the Malays and glanrangs bontuala, which was granted. Furthermore, I sent a letter addressed to the king of bonij through the madanrang in order to be delivered to the said monarch, according to the agreement made yesterday with him, along with his own missive. Thursday the 5th In the early morning the Captain of the Malays and glanrangs From Macasser The glarrang bontuala departed for goa in order to hand over to the king and grandees of the realm, in the name of the Honorable Company and bonij, such writing sealed with the Honorable Company's and bonij's chop as is to be found among the enclosures. Whereupon they brought back word that upon its being read aloud there at their arrival, the king and grandees of the realm had declared themselves to be very glad that the Honorable Company and bonij had been pleased to remind them again of their previous words, and that the king without fail would cause his troops to march out in three days, being next Sunday, to seek out and attack the enemy, in order thereby to show that they are ready to abide by their given word and the bonngaijs contract. Furthermore, the king had ordered the captain to inquire after my opinion, since the former queen of Tello had sent some troops in a company named nagaija to the assistance of sankilang at Teeker and Parang Lowe, and three metal cannons firing 1/2 pounders each, after sankilang had departed from Paang, had been positioned directly facing goa, which could still be seen to this day. While she had furthermore requested that I be pleased to arrange that the Bonians should no longer come to the small villages of goa to do harm, and to give him a proof to be able to show to them upon the appearance of the same, From Macasser the the same to them, and finally whether he could detain the dispersed Tellonese who might come to present themselves to him, since the chiefs of the Tellonese who had joined Sankilang had mostly fallen, and the queen of Tello had of her own accord abdicated the realm. In the evening the madanrang let me know that he had learned that the rebel was allegedly intending to come back hither the day after tomorrow with his entire force, or else to march into the province of maros once again, for which communication I had him thanked, with the request to send out for further intelligence and in particular to give orders therein to the Tomilalang, who, being in maros with a good number of Bonians, could easily observe his movements. Friday the 6th In the evening I conferred at great length with arou pantjana and Craing labakang regarding that which ought presently to be undertaken for the repulse and, if possible, destruction of the enemy, pointing out to them that in my judgment those of goa ought to be regarded by us, at least outwardly, as our friends so long as they gave no open signs of hostility, which opinion they both approved, with assurances of doing everything in their power for the benefit of the
Dutch transcription
215 Van Macasser den minsten den pas af te suijden om te ontkomen waar toe ik hem aan kundigde van mijne tijde aanstonds een briefje te sullen gereed maeken. so als sij vertrocken waeren wierd mij gerapporteerd dat craing Candsil even als den hoofd rebel sankilang arou pantjana hadde aven aan„ soeken om hunne seijde te kiesen dog dat dien prins de sendelingen hadde doen weg Jagen De vijand kont daar aan te panang zowe op t lijk gevallen sijnde en op de vlugt geslagen hebbende, bij welke occasie den rebel en arou palacca selfs waarschijnlijk in onse handen gevallen of omgeko„ „men soude sijn wanneer datou baringang met sijne volkeren niet voorbedagtelijk tusschen beiden gekomen was om haar gelegentheid te geeven tot vlugten ende onsen te beletten om den vijand te vervol„ „gen terwijl. arou pantgana alles op Teekere en Iaran Lowe in brand hebbende doen steeken aatou baringang met de sijne niet anders gedaan hadde aan plundeeren hebbende een seer grooten buit van allerleij huisraad goud silver en koper werken gevonden meest arou palacca met heeren, aanhang dog ook soo men wil veelen onser Jnlandsche ingesetenen toegehoorende De geweesen bonijs pongauwa Lacasie en arou pantjana bij mij wonsdag, den 4. hebbende laeten versoeken verscheenen deselve deesen voor de middag wanneer Van Macasser den wanneer ik hun te kennen gaf hoe het mij seer leed deed dat door de Tanetse onlusten in het voorleeden Jaar on eenigheijd tusschen hun was ontstaan en ik dienrhalven wel wenschte dat sij die wilden bij leggen en met de andere versoenen hun diend wegen nog eenige verdere aan„ „merkingen voorhoudende waar op sij beijden betuigden genegente weesen mijn begeerte op te volgen invoegen sij malk anderen de handgaven en mij bedankten vervolgens een glaasse van vreendschap drinkende Tegens de middag ontfing ik tijding dat den vijand weeder na sijn oude schuilplaats borisallo geweeken soude sijn dog dat de bergvol„ keren hem niet wilden inlaeten uit vreese dat hunne negorijen ook dvor de onsen inbrand gestooken souden worden. waar op ik neevens de bonijs madanrang belet hebbe laeten vra„ „gen bij den koning van goa tegen morgen voor de middag voor den Capitaan den maleijers en glanrangs bontuala twelk g'auor„ deerd is voorts hebbe ik een briefje aan den koning van bonij gerigt bij den madanrang gesonden ten eijnde volgens afspraake op gisteren met hem gehouden nevens sijn schrijven aan gemelde vorst betorg teworden Donderdag den 5 Jn den vroegen morgen vertrok den Capitain den maleijers en glanrangs 242 Van Macasser Den „glarrang bontuala na goa ten eijnde aan den koning en rijksgro„ „ten uit naam van dE Comp: en bonij t overhandigen sodanig geschrift besogeld met sE comp: en bonijs Chiap als onder de bijlagen te vinden is Waar op sij tot bescheijd bragten hoe het selve bij hunne komst aldaar opgeleesen sijnde den koning en rijks grooten betuigd hadden seer verblijd te weesen dat dE Comp: en bonij hun weeder hadden gelieven te hernineeren hunne voorige gesegdens en dat den koning deselfs trou„ „pen sonder manquement over arie dagen sijnde aanstaande sondag soude laeten uittrecken om den vijand op te soeken en te attacqueeren om daar door te toonen dat z: bereijd sijn hun gegeevvene woord en het bon ngaijse contract op te volgen. voorts had den koning aan aen capitain gelast mijn gevoelen te mogen weeten vermits de geweesene koningin van Tello eenige manschappen in een vaendel genaamd nagaija ter adsistentie van sankilang na Teeker en Parang Lowe gesonden hadde en er drie metaele Cmons schietende /½ ponder ieder na dat Tankilang van Paang vertrocken was regt na goa waaren gesteld, die nog tot heeden wonden gesien worden. Terwijl sij voorts versogt hadde dat ik geliefde ondre te stellen dat de bomiens niet meer op de kleijne negorijen van goa mogten komen om quaad te doen en hem een bewijs te geeven om bij verschijning van deselve Van Macasser den deselve aan haarlieden te kunnen vertoonen en eijndelijk op hij de verstrooijde telloneesen die sig bij hem mogte komen aangeeven konde aanhouden vermits de hoofden van de Telloneesen die sig onder Can„ kilang hadden begeeven meest gesneuveld waeren, en de koningin van Tello uit haar selve afstand van 't uijk hadde gedaan. Des avonds liet den madaurang mij weeten hoe hij verwoimnen hadde dat den rebel voornemens soude weesen overmorgen met sijne gantsche magt weeder herwaards te komen dan wel andermaal in de pro„ „vintie maros te rucken voor welke Communicatie ik hem hebbe laeten bedanken met versoek om op nader kundschap uit tesenden en daar insonderheijd laast te geeven aan den Tomilalang, die sig met een goed getal bomiens op maros bevondende sijne beweegingen ge„ maekelijk konde gade slaan. Vrijdag den 6: hebbe ik des avonds breedvoverig met arou pantjana en Cranig labakang geconpereerd over het geene thoud in het werk diend gesteld tot afbansk en des mogelijk vermeling van den vijand hun vertoonende dat mij„ „nes oordeels die van goa door ons ten minste voor het uitterlijke diende aangesien te worden als onse vrienden to lang sigeen openlijke blijken gaven van vijandschap welke gevoelen sij beeden goed keunden onder verseekening van alles wat in hun vermogen was te voordeele van de
English
From Macasser the to be employed by the Company. In the morning, three emissaries of the former queen of Tello came to me, informing me in her name that she had abdicated that kingdom, surrendering the regalia to the people of Goa, having been accused of conspiring with the rebel because he had been at Thaing, although she had not been able to prevent him from doing so, and that on this account she now humbly requested to be accepted and taken into protection as a daughter of the Company, just as had previously occurred with Craeeng Madsommang. Whereupon I instructed the emissaries to tell her that I would reflect upon the matter and send a reply. After this, the king of Goa informed me that Arou Mampoe was currently with the rebel Sankilang, although he could not say whether it was to conspire with him or merely to visit his grandmother; and further, that His Highness would march out tomorrow before daybreak, for which information I sent him my thanks. After which the Madanrang of Bonij, having been requested to do so, appeared before me, with whom I spoke at length about the present state of affairs From Macasser the state of affairs and how necessity demanded that a speedy end be made to them, pointing out to him that since the Macassars had now promised to attack the enemy, our troops should consequently also march, and that I therefore expected him to issue the necessary orders regarding the Bonians to that end. This he accepted, subsequently indicating not indistinctly in further discourse that perhaps Arou Palacca and Craing Candjilo might abandon further hostilities if they dared to be assured of receiving a pardon. Whereupon I replied that if there were any such who showed signs of repentance, I was not one to seek revenge, the less so as it was not unknown to me how many had allowed themselves to be misled by the rebel who otherwise would never have thought of rising against us. Yet I further pointed out to him that if matters could now be brought to a standstill soon and according to wish, Their High Mightinesses, just as in the time of Craaeng Bontoelancas, would certainly find means to restore peace on a surer footing than before; and that Bonij, having called upon the Company itself here, would have to suffer the most if one were to break camp from here, whereas it would otherwise be more advantageous for Their Honors to remain. I sent the extraordinary emissary Care Mandjanckie to Goa to inquire whether the king's troops had marched out, and if not, to present himself to him and in my name ask the reason thereof. This servant, returning in the afternoon, reported as an answer that the ruler had declared that the troops, to the number of 3 companies, had indeed been ready, but had not been able to march due to a tumult that had arisen among them, in which one man was killed. Furthermore, it was reported to me that Arou Palacca, on the occasion of the wedding of the rebel Sankilang, while smearing his body with rice flour in the native manner, had become very dejected and subsequently declared to some of her court ladies that he did not appear to be her grandson, since she had not discovered the marks that he ought to have on his body. However, the rebel, having been informed of this, had managed to dispel her dejection by assuring her that he was indeed the same, and was married upon that; his wife being a sister of the wife of Arou Pantjana, both daughters of From Macasser the of the former Bonto Ranga of Saleijer, Daeing Padoengie. Monday the 9th. In the morning I sent the bookkeeper Deefhout and the captain of the Malays to Goa to remonstrate with the king and grandees of the realm about their failure to keep their promise to march out the troops yesterday under a worthless pretext, and further to demand a categorical answer as to what they intended. To which the answer was brought back to me by those emissaries that His Highness once again asked pardon for the delay caused by the tumult that had arisen, whereby yesterday, according to their religion, had to be regarded as an unlucky day; that the first Tomilalang would still march this day, for which they declared they had already seen preparations being made; and that the second Tomilalang would follow next Thursday, the king having secretly given them to know that he did not have a good opinion of the first Tomilalang. Furthermore, in the afternoon, the king likewise informed me that the first Tomilalang had already marched out with three companies and six hundred men, for which communication I returned thanks. Yet shortly thereafter it was by some trusted men sent out for that purpose
Dutch transcription
249 Van Macasser den de comp: te sullen aanwenden quamen des voor de middags bij mij drie sendelingen van de geweesene koninginne van Tello mij uit haar naam bekend maekende hoe sij af„ stand van dat rijk met overgave van de ornamenten aan die van goa hadde gedaan, als beschuldigd geworden sijnde met den rebel te sae„ „men getpannen te hebben vermits hij op Thaing was geweet hoewel sij hem sulks niet hadde kunnen beletten en dat sij uit dien hoofde als nu ootmoedig versogt om even als bevoorens omtrend craeeng Ma„ d sommang was geschied als een dogter van de Comp: aan en in pro„ tectie genomen te worden. waar op ik de sendelingen last gaf haar te seggen dat ik daar over mijn gedagten laeten gaan en bescheijd senden soude hier na liet de koning van goa mij weeten aat arou mampoe sigthand bij den rebel sankilang bevond schoon hij met konde seggen of het was om met den selven saamen te spannen danwel alleen om sijn grootmoeder te betoeken en voorts dat sijn hoogheijd morgen voor vatt soude uit marchieeren voor welk een in ander ik hem liet bedanken waar naden madanrang van bonij daar toe versogt bij mij verscheen met den welken ik breedvoerig spraek over depresente omstandigheijd Van Macasser den omstandigheid van saeken en hoe de noodsakelijkheijd vereijscht om daer van een spoedig eijnde te maeken hem voorhoudende hoe de macassaeren als nu beloofd hebbende den vijand te gaan attacqueeren onse troupen dier halven ook op marsch dienden te gaan mitsgaders dat ik dierhalven verwagten wilde da„ hij omtrend de boniers daar toe de nodige ondre soude stellen dat hij aannaam vervolgens onder een verder discours niet onduit„ ter te kennen geevende dat mogelijk anou palaica en Craing Candjilo wel van verdere vijandelijkheeden souden afsien wanneer sij sig verseekenren durfden pardon te sullen krijgen waar op ik repli„ ceerde dat indien en eenige sodanige weesen mogt die blijken van be„ na uu toonden ik die geene niet waas die wrak soeken soude te minder het mij niet onbekend, waare hoe veelen sig door den rebel hadde laeten misleijden die anders nimmer in gedagten souden genomen hebben tegens ons op testaan hem nogtans alverder voorhoudende dat als de sacken thans met al na wensch spoedig tot stelstand komen mogten haar hoog Edelheede ens even als ten teyde van Craaeng bontoelancas wel middelen souden weeten te vinden om de ruste op een selkerder voet dan voor heen te herstellen een dat numers bonij als der Comp: elfs hien ingeroepen hebbende het meeste soude moeten lijden wanneer men van hier wilde 221 Van Machasser wilde opbreeken dat ander sints voor haar Ees voor deeiger soude weesen aan te blijven hebbe ik den Extra ordinair sendeling Care mandjanckie na goa gesonden omtinquireeren op 'skonings troupen uitgetrocken mogte sijn en so neen om dig dan bij denselven te vervoegen en uit mijn naam na de reeden van dien te vragen welken bediende desmid„ „dags te rug komende tot bescheijd bragt dat den vorst betuigd hadde dat de troupen ten getalle van 3 vendels wel gereed geweest, maar niet op mansch hadden kunnen gaan door een ontstaan tumult onder deselve in het welk er een was neerlegt. voorts wierd mij gerapporteerd dat arou palacca ten geleegent had van het trouwen van den rebel sankilang den selven nade Jnlandsch wijse het lighaam met ryttmeel bestrijkende seer mistroostig gewonden en vervolgens aan eenige haaren hop dames verklaard soude hebben dat hij haar kleen zoon niet scheen vermits sij de teekens niet hadde ontrekt die deese aan sijn lijf moette hebben dog dat den rebel daar van onderrigt haare mismoedigheijd hadde weeten weg teneemen door haar te verseekeren dat hij deselve en daar op ook getrouwd was sijnde sijn vrouw een suster van de vrouw van arou pantjana beijde dogters van Den Van Maeasser den van de geweesen bonto ranga van saleijer Daeing Padoengie Maandag den 9' Smorgens sond ik den boekhouder Deefhout en capitain der maleijers na goa om den koning en rijksgrooten 't onderhouden over het niet nakomen hunne beloften in het uttrecken der troupen op gisteren onder een niets waardig voorwendsel en om voorts als nog Cata gorisch antwoord afte vragen wat sij van siis waaren op het welk mij door die sendelingen tot bescheijd wierd gebragt dat sijn hoogheijd als nog excus versoeken de voor het uitstel door het tumult ontslaan waar door de dag voor gisteren volgens hunne religie voor ongeluckig moete worden gehouden den eersten Tomilalang nog deesen dag marcheeren soude waar toe sij betuijgden reets beweeging te hebben sien maeken in dat de tweede Tomilalang aanstaande donderdag volgen soude als hebbende de koning in stitte aan haar te kennen gedgeeven dat hij op den eersten Tomi„ „lalang geen goed oog hadde. voorts liet aen koning mij des nademiddags insgelijks bekend mae„ „ken dat den eersten Tomilalang neets met arie vendels en seshonderd koppen intgetrouken was voor welke Communicatie ik hebbe doen bedanken. Dog kont daar na wierd mij door Eenige daar op uit gesondene vertrouwde
English
223 From Makassar The trustworthy report that the Tomilalang's force consisted of not more than fully 200 men, and furthermore reported by another that Arou Mampoo, the late King of Goa, was also already with the enemy and had declared that all those who did not wish to recognize the rebel as their brother, the relegated prince, might just come to him, whereupon he would certainly force them to do so. I sent the emissary Daaeng Mandjaneki to the former Queen of Tello at Thaing, Tuesday the 10th, to tell her that for the present I had been unable, due to many occupations, to give a conclusive answer to her request for the Company's protection. In the meantime, having conferred at length with the chiefs of our native troops, Lacasi, Arou Pantjana, Craeng Labackang, it was decided, in view of the march of the first Tomilalang of Goa and that the second, according to the King's promise, was to follow him the day after tomorrow, that Arou Pantjana and Craeng Labackang should depart tomorrow by water for Tello, in order to take up a post at a suitable place on the north side of the river, so as to observe first of all the movements of the enemy as well as the actions of the aforementioned first Tomilalang, and that the others should follow the day after, who would remain here one day longer From Makassar to keep an eye on the second Tomilalang and subsequently, having joined together, to seek out the enemy and attack them. Upon their questions asked to that end, I instructed both of them that in case the Macassars, especially under the first Tomilalang, showed no seriousness in this, but on the contrary showed the slightest sign of being attached to the rebels, they were to regard and treat them as enemies. Wednesday the 11th: Prince Arou Pantjana, together with Craeng Labackang and the chiefs of the Company's northern provinces, departed for Tello with their subordinate troops. Thursday the 12th: Being followed by Lacasie and the Captain of the Malays with their subordinates, I sent the emissary Carre Mandjanckie to the King of Goa to inquire whether he had received any news of the first Tomilalang, and whether the second Tomilalang with the other Macassar troops would also march out today. I received as an answer to the first that the first Tomilalang had departed today from Lamoeroe for Tasilie, and that he was currently quite 1000 heads strong, for the reason that 500 Macassars who had previously gone over to the enemy had deserted back to him; furthermore, that the second Tomilalang, along with Craeng Bonto Langas, 225 From Makassar Craang Data the Shahbandar, Craeng Bonto Panno, Craang Lembaija, Craang Baramamase, and Daaeng Patene on behalf of Tello, with the other Macassar troops to the number of about 400 heads under three banners, would march out immediately, just as the said emissary also said he had seen that they had marched out. Furthermore, I was informed by a spy sent out for that purpose that the first Tomilalang was reportedly not intending to move further than Lamoeroe, because he feared that as soon as the Macassars had all set out on the march, the King would then betake himself hither and to the Honorable Company; also that when Samkilang arrived before Goa, none of the Macassars had offered him any resistance, wherefore he went directly to Thaing. Having arrived at the house of the Queen, he had immediately drawn his sidearm, uttering the words, Strike only those whom you do not trust, whereupon the Queen and some court ladies wept; that meanwhile the royal standard named Nagaija was immediately planted there, but thereupon an emissary from Craeng Bonto Madjanang, being the son of the first Tomilalang, came to him to request assistance against Arou Pantjana, which emissary said From Makassar Friday the 13th: Nothing remarkable occurred. Saturday the 14th: I received a letter from the chiefs of our inland troops, which, along with the translation made thereof, can be found among the appendices. Sunday the 15th: In the morning at eight o'clock, the King of Goa informed me through two emissaries that the rebel had this morning at five o'clock entered Goa again entirely unexpectedly, according to the statement of the emissaries no more than a thousand heads, and that His Highness therefore now requested assistance, being himself unable to offer him resistance. Whereupon, having caused an answer to be given that no assistance could be sent as yet because our native troops had marched out, I immediately had two identical letters prepared in order to recall the same as speedily as possible, which, subsequently sent by two routes, had not yet been delivered when, just before noon, I received a report that our said troops, having followed on the heels of the rebel, had already approached before Goa, where it was said that they wanted to come and attack the negorij of Tello; upon which news the rebel had immediately turned back from Thaing to Parnang Zowe. Also
Dutch transcription
223 Jan Macasser Den vertrouwde berigt dat des Tomilalangs magt in met meer dan ruim 200 man bestond en voorts door een ander gerapporteerd dat aroumam„ poe de laastgeweesen koning van goa sig meede rees bij den vijand bevond en sig uitgelaeten hadde dat alle die geene welke aen rebel met voor sijn broeder de gerelegeerde vorst erkennen wilden maar bij hem komen mogten wanneer hij deselve daar toe wel soude noodsaeken. hebbe ik den sendeling Daaeng mandjaneki na de geweesene ko„ Dingsdag den 10 „ringinne van Tello op Thaing gesonden om haar aan te seggen dat ik voor als nog door veele occupatien buiten staat was geweest om uit sluitend antwoord te geeven op haar versoek om s Comp: protectie Jntusschen dat ik met de hoofden onser inlandsche troupen Lacasi arou pantjana, Craeng Labackang in het braede hebbende ge„ confereerd om mits aen optogt van den eersten goas Tomilalang en dat den tweeden hem overmorgen volgens skonings toeseging stond te volgen beslooten wierd dat aron pantjana en sraeeng Labackang morgen te water vertrecken souden na Tello om op een bequaame plaats aan de noordsijde van de nevier post te vatten, ten eijnde voor eerst op de beweegingen soo van den vijand als het gedoent van voorsz Eerste Tomilalang te letten en dat de overigen daags daar aan souden volgen hier nog een dag langer sullende Van Macaserden sullen de verblijven om den tweeden Tomilalang in 't og te houden en om vervolgens geconfungeert den vijand op te soeken en tattacqueeren hebbende ik de een en ander op hunne ten dien eijnde gedaene vrage inmandatis gegeeven om ingevalle de macaessaeren voor namentlijk onder den eersten Tomilalang daar toe geen ernst maar in teegendeel de minste blijven toonen mogte van de rebellen toegedaan te sijn deselve als vijanden aan te sien en te handelen. Woensdag den 11: Is aen prins Aron Pantjana neeven Craeng Labackang endehoofden van 'sComp: noordelijke provintien met kunne onderhoorige troupen na Tello vertrocken des. Donderdag „ 12 van Lacasie en den Capitain der maleijers met hunne onderhoorige gevolgd sijnde wanneer ik den sendeling Carre mandjanckie naden koning van goa gesonden hebbende om te verneemen of hij geen tijding soude gekreegen dan de eerste Tomilalang mitsgaders of aen Tweeden Tomilalang met d' andere macassaerse troupen op haden ook soude uit marcheenen op 't erste antwoord ontfing dat de eerste domilalang heeden van Lamoeroe na Tasilie vertrocken en dat hij teegenswoon„ dig wel 1000 koppen sterk was om reeden en 500: bevoorens na den vijand vertrockene macassaeren weeder tot hem overgeloopen waaren voorts dat de Tweede Tomilalang neevens Cuaceng bonte lamas 225 Van Aacasser den lancas Cuaang data de sjabandhaar crareng bonto panno Cuaaing lembaija Craang baramamase en Daaeng Patene wegens Tello met de andere macassaarse troupen ten getalle van omtrend 400 koppen onder arie vendels aanstonds souden uittrecken so als gemelde sende„ ling ook seijden gesien te hebben dat ui't gemarcheerd waeren. voorts wierd mij door een daar op uitgesondene verpieder berigt dat den eersten Tomilalang niet van intentie soude sijn verder aan Loune roe te vertrecken uit hoofd: hij bedugt was dat so dra de macassaeren alle opmarsch souden sijn gegaan den koning sig als dan na her„ waards en bij dE Comp: soude begeeven als meede dat toen sam„ kilang voor goa was gekomen geen dere macassaeren hem tegenstond hadden gebooden wethalven hij direct na Thaing gegaan op het huis vande koningin gekomen sijnde terstond sijn hup geween uitge„ trocken hadde onder het uiten aek woonden. het maar op den geene die gij niet vertrouwt op t welke de koninginne en Eenige hof Dames geschreijd hadden dat ondertusschen de koninglijke stan„ daart genaamd nagaija daar ten stond geplant, dog daar op een sendeling van hoareng Bonto Madjanang sijnde de soon aan den Eerste Tomilalang bij hem gekomen was om assis„ tentie te versoeken tegen aron pantjana die aen sendeling zeijde Van Macasserden. vrydag den 13 viel niets sonderlings voor Zaturdag „ 14. ontfing ik een brief van de hoofden onser oplandsche troupen die met het daar van gemaakte Translaat onder de bijlaagen is te vinden. Zondag „ 15 Des morgens ten agturen lit de koning van goa mij door twee senderlingen weeten dat den diebel deesen morgen ten vijf uuren weeder op het aller onverwagts in goa getrocken was /: na d' opgave der sendelingen niet meer dan duisend koppen :/ en dat sijn hoogheijd dierhalven als nu assistentie versogt als selfs on„ „vermogend om hem tegenstand te bieden waar op ik hebbende doen antwoorden van als nog geen assistentie te kunnen senden ter saeke onse Jnlandsche troupen uitgetrocken waeren to deed ik ten eersten twee eenslidende briefjes in gereedheijd brengen ten eijnde deselve ten spoedigsten te rugt ontbieden die vervolgens langs twee weegen versonden nog geen bestelling hadde enlangd wanneer ik eeven voor de middag berigt ontfang dat gemelde onse troupen den rebel op de hielen gevolg reets voor goa genaderd waaren alwaar sig seijde dat de negorij Tello wilde komen attacqueeren op welke tijding aen rebel terstond van Thanng weeder na parnang zowe te rug gekeerd waere ook
English
From Makassar the both Tomilalangs were also already found, whereupon I immediately resolved to dispatch thither a corps of 200 European military men, for whose readiness I had already long made arrangements, under Commandant Dieterich, together with four field pieces and all further necessities, as well as some native troops to the number of between three and four hundred men, giving the said Commandant orders to consult maturely with the native chiefs as to what needed to be done for the disruption and, if possible, the destruction of the enemy and for the capture of the city; all of which forces, together with a large number of fully a thousand Bone troops under the madanrang, having marched out around five o'clock, I received a letter from the native chiefs in the evening around eleven o'clock stating that the king had already been deposed and the rebel chosen in his stead; meanwhile the Queen of Tallo had sent in the forenoon to request a further reply to her message mentioned under today's date, which, however, I let her know I could not give as yet. While shortly thereupon two emissaries from the Company's southern province appeared here, indicating that the Turatea people made not the slightest move to check the enemy whenever he might move thither, while they had already posted themselves, which I immediately made known to the Bone madanrang, whereupon he sent me word in reply that he would once again give orders to that effect. In the evening I received a note from the former punggawa Aru Pantjana and the captain of the Malays, containing the message that the King of Gowa had let them know that he had only 15 men left with him, and at the same time requested them to withdraw a little from Gowa to give him room to flee from there, wishing to come directly hither if I permitted him to do so; that they had answered him that when he had a chance to come out, he had to warn them promptly so that they could know whether it was friend or foe; that they would therefore withdraw and proceed to this side of Malengkece, and that the king had to try to get out during the coming night, at the same time asking what my sentiment was concerning this matter. Monday the 16th. In the morning at seven o'clock, one heard several From Makassar the cannon shots here, but shortly thereafter so many musket shots that one could not imagine otherwise than that all our troops were engaged with the enemy, without my receiving the least news before about ten o'clock, when several Malays brought word with two severed heads of enemies that they had been engaged, nothing more; these were followed by various wounded Malays, and finally by the also wounded Lieutenant Passerman and Ensign Braun, who related how they, led by the Commandant on the south side of the city, had scaled the wall with a portion of the men and, having attacked the enemy with all possible courage, had been forced to retreat and leave the wall again, with the loss of two dead and five other wounded who, like Ensign Braun, had received their wounds during that retreat; that none of the natives had supported the Europeans; that Aru Pantjana and the former punggawa Lacasie had attacked from another side with some of their best men, but had likewise been forced to yield, while the Bone troops in particular had stood by watching everything without making the slightest movement to assist ours, much less to attack the enemy. Having received such a letter from Commandant Dieterich in the afternoon on this matter as is included among the annexes, I sent the capable Ensign Burghofs to the army, not only to take information about the state of affairs, but to thank the chiefs Aru Pantjana and Lacasie for their displayed fidelity as well as to encourage them to resume the attack, and further to do the same regarding the Bone troops, while expressing my extreme astonishment at their conduct this morning, and to the end that they should advance closer, to all of which I furthermore exhorted the madanrang by an express note. The said ensign, having departed immediately thereupon and returned, assured me that the attack in his judgment had not been properly undertaken, since the native chiefs declared that they had not been warned when the Commandant had the Europeans scale the wall, whereas otherwise they would indeed have offered assistance. Yet they nevertheless declared themselves ready to resume the attack by tomorrow, as the Bone madanrang had also done.
Dutch transcription
224 Van Macasser den ook reets de beide Tomilalangs bevonden waar op ik aanstonds besloot in Corps van 200 Europeesen mili„ tairen tot welken gereedhouding ik reets lange ondr gesteld hadde, onder den Commandant Dieterich derwaarts te depecheeren neevens vier veldstucken en al het verder benodigde mitsgaders nog Eenige Jnlandsche troupen ten getalle van tusschen de arie en vierhonderd koppen gemelde Commandant inmandatis geevende om met de Jn„ landsche hoofden rijpelijk t overleggen water tot afbreek en des mogelijk ter vermeling vande vijand en ter bamagtiging vande stad diende gedaan te worden, alle welke volkeren nevens een groot getal van wel duisend boniers onder den madanrang tegens vijf uuren op marsch gegaan sijnde ontfing ik van de Jnlandsche hoofden des avonds omtrend elf uuren een brief dicteerende dat de Koning reets afgeset en den rebel in sijn plaats verkoren was: ondertusschen hadde de koninginne van Tello mij des voor de middags om nader antwoord laeten versoeken op haar boodschap vermeld sub wo deser dog het welke ik haar weeten lut voor als nog niet te kunnen geeven. Terwijl kort daar op alhier verscheenen twee sendelingen van sComp: suider provintie te kennen geevende dat de tourattereesen geen geen de minste beweeging, maakten om den vijand te keer te gaan wanneer hij sig derwaarts begeeven mogt terwijl hij sig neets gepotteerd hadden dat ik aanstonds aan den bonijs madanrang hebbende doen weeten soo liet hij mij in antwoord seggen daartoe andermaal ordre te sullen stellen. Des avonds ontping ik een briefje van den geweesen pongauwa arou pantsana en capitain den maleijers beheesende dat den koning van goa haarlieden had laeten weeten van nog maar 15 man bij hem te hebben en teffens versoeken om sich van goa wat te verwijderen en hem ruimte te geeven om er te kunnen uitvlugten willende sich airecht herwaarts begeeven als ik hem sulx permitteerde dat se daar op hadden geantwoord als bij kans buiten te komen haarlieden als aan schielijk te moeten waarschouwen op dat sij weeten komden of het vriend af vijand was dat sij dierhalven aftrecken en sich aan deese sijde van malen keere begeeven souden, en dat de koning moest maeken de aanstaande nagt daar uit te komen mij teffens laetende vraegen hoedanig mijn gevoelen daar omtrend was Maandag den 16 Des morgens om seven uuren hoorde men alhier verscheijde Van Macasser den „sag 229 Van Macasser Den canon dog kort daar aan en so meenigte snaphaan schooten doen, dat men sig niet anders verbeelden konde of alle onse troupen waa„ „nen met den vijand slaags, bonder dat ik eenige de minste tijding ontfing voor omtrend tien uuren wanneer verscheijde maleijers met twee afgehouwen hoofden van vijanden berigt bragten dat de„ selve aangelast waaren sonder meer die gevolgd wierden van diverse gequetste maleijens en eijndelijk van de meede gequet„ ste Lieutenant passerman en vendrig braun die retateerden hoe sij door den Commandant opgevoerd aande suidkant vande stad met een gedeelte van het volk den wal bekelommen en op den vijand met alle mogelijke moed aangevallen sijnde genoodsaakt waeren geworden te retineeren enden wal weeder te verlaeten met verlies van twee dooden en nog vijf andere gequetsteen die gelijk ook den vendrig buam hunne wonden in die retraite bekomen hadden dat geene vand Inlanders de Europeesen hadden ondersteund aroe pantjana en den geweesen pongauwa Lacasie met Eenige van hun beste volkeren van een andere kant aangevallen maar almeede genoodsaakt geweest sijnde te wijlen terwijl de boniers insonderheijd alles haden blijven aansien sonder Eenige de minste movementen temaeken om donse Van Macasser den d' onse assisteeren veel min den vijand te attacqueeren hier op des nademiddags sodanigen brief van den Commandant Dietenich ontfangen hebbende ales onder de bijlagen is gevoegd sond ik den bekwamen venarig burghofs na het leger om niet alleen van de gesteltenis der saeken informatie te neemen maar omde hoofden arou pantjana en lacasie voor haar betoonde trouwe so wel te bedanken als op te weeken tot het hervatten der attacque en voorts het selve te doen omtrend de boniers onder betuiging van mijn uitterste verwondering over huin gehouden gedrag deesen morgen en om ten dien eijnde nader aan te rucken tot welk een en ander ik daar en boven de madanrang aanmaande bij een expres briefje gemelden venarig hier op aanstonds vertrocken en terug gekeerd betuigde mij dat de attacque sijnes oordeels niet wel on„ dernomen was vermits de Jnlandsche hoofden verklaarden niet gewaarschouwt geweest te sijn toen den Commandant de Europee„ „sen aen wel hadden doen beklunmen dewijl sij andersints wel assistentie soude hebben gebooden Dog sij nogthans betuigden bereijd te weesen om de attacqui tegen morgen te hervatten gelijk ook den boniers madamrang hadde
English
From Macassar the had promised, while offering some lame and irrelevant excuses concerning his conduct this morning, but that he had no sooner left them than this grandee had sent someone to Commandant Dieterich, letting him know that he should be cautious in attacking again, without that emissary further explaining himself; upon which report, having ordered the repeatedly mentioned Burghof to return there as speedily as possible to tell the commandant on my behalf that if the Bonians should show themselves disinclined to attack, he should not begin the same, he reported to me at about ten o'clock, having learned from the report of Commandant Pieterich, Tuesday the 17th, that the same had that morning again requested the Madanrang to advance closer with his people and occupy two gates of the city on the north side, in order subsequently to make a new assault, that grandee had let him know in reply that since they were now no longer warring against Sankilang, but with a third ally, because the Macassars had deposed their king and chosen another in his place, he could not declare himself, From Macassar the could, however, write to me about it and await my orders, so that I also received such a note from him as is to be found among the enclosures, to which I promised to send an answer, having already upon the first report charged Junior Merchant Rosselet and Bookkeeper Bremer with such a commission as appears from the report they brought me in the afternoon, which is likewise to be found in writing among the enclosures, which was also accompanied by a letter to be found therewith from Commandant Dieterich, to which I immediately replied, at the same time sending the vendrig Burghof back there again to place properly the cannon already sent and yet to be sent there, where the most damage can be done to the enemy. Meanwhile, the King of Goa had informed me through his interpreter Borra that he had withdrawn from Goa with his family and some subordinates, requesting to know where he should take up residence, which I therefore had pointed out to him by an emissary at Matouangie. In the afternoon at five o'clock, being before my door to give some orders to the interpreters, I was warned that the King of Goa was coming from the Kampong Baroe toward me, so that From Macassar the I also saw a crowd of people arriving, whereupon sending there to learn his intention, and if it might be to come to me, to tell him that it was impossible for me to receive him, the interpreter came to report to me that His Highness had claimed to have been called by an emissary in my name, who had then replied that this could not be since I knew nothing of it, under further utterance of my message, whereupon he had sent a portion of his people back, while he, alongside some others, quickly but bypassing the Castle, turned back home, his entire retinue having been provided with firearms and assegais; I sent an emissary to the King of Goa at Matauangie, Wednesday the 18th, to tell him, with a suitable compliment regarding his arrival yesterday into the Kampong Baroe without having previously asked permission of me, that I could not receive him for the present due to lack of time, but which emissary had barely departed when an interpreter of his came to make excuses, indicating that a certain Soeroe Baroe Baroe (who had only been sent to him to point out his dwelling at Matouangie) had allegedly told him he must come to me, which answer was already found yesterday to be mendacious. Meanwhile From Macassar the meanwhile the said interpreters further made known that His Highness had sent the second Tomilalang Shahbandar and Craang Bontoelancas to the army near the Malay Captain with some people to act against the enemies. Thursday the 19th. Early in the morning I rode to the army before Goa to thank our native chiefs themselves, by name Arou Pantjana and the former Pongauwa, for their demonstrated courage and fidelity on the day of the assault made, and to encourage them once again that the same shall be repeated, for which they gave me their earnest assurance. After which, having set some other matters in order regarding the Europeans, I went to the Madanrang of Boni in his benting, which, thrown up entirely behind our left wing, was scarcely reachable from the city by a cannonball, which I pointed out to him as well as that the assault necessarily had to be resumed, under a serious exhortation to assist our people and attack with an equal hand, which he indeed promised to do, although with little reflection, but at the same time requested that the attack remain postponed for a few more days, and that the cannonading and bombarding might be continued, upon which
Dutch transcription
234 Van Macasser den hadde toegesegt onder bij brenging van eenige laffe en niet ter saeke doende excusen over sijn gedrag deesen morgen gehouden dog dat hy so dra niet van hun was gegaan of dien rijksgroot hadde iemand bij den Commandant Dieterich gesonden hem laetende weeten dat hij in het andermaal attacqueeren voorsigtig moette weesen sonder dat dien sendeling sig verder verklaard sije hadde op welk rapport ik meermelde burghop last gegeeven hebbende om ten spordigten weeden derwaarts te vertrecken om den commandant mijnent„ wegen aanteseggen dat ingevalle de boniers sig tot het attacqueeren ongenegen mogte toonen het selve dan niet te beginnen te bragt mij den selven op omtrend tien uuren tot rapport van den Commandant Pieterich Dingsdag den 17. vernomen te hebben hoe den selven den madanrang dien selven mor„ gen andermaal hebbende aven versoeken om met sijne volkeren nader aan te rucken en twee poorten der stad aan de noord kant te besetten ten eijnde vervolgens een nieuwen aanval te doen dien rijks groot hem in antwoord hadde doen weeten dat vermits men thans niet meer tegen sankilang oorloogde maar met een derde bondgenoot vermits de macassaeren kunen koning afgeset en een ander in desselfs plaats verkooren hadden hij sig niet verklaeren konde Van Macasor den konde dog mij daar over schuijven en mijne ordre afwagten soude in„ voegen ik van hem ook sodanig briefje ontfing dls onder debijlage„ te vinden is daar ik antwoord op beloofde te sullen senden reets op het eenste rapport aan de onderkoopman rosselet en boekhouder bremer sodanigen Commissie opgedragen hebbende als bij het rapport dat sij mij des nademiddags bragten en almeede in geschrifte onder de bijlagen te vinden is Consteerd 't welk teffens. verseld was van een daar bij ook te vinden brief vanden Commandant Dieterich waar op ik aanstonds weeder g'antwoord hebbe te gelijk den ver„ drig burghof weeder derwaarts sendende om de derwaarts ge„ sondene en nog te sendene Canons na behooren teplaatsen daar den vijand het meeste afbreuk kan worden gedaan. Jntusschen hadde mij de koning van goa door sijn tolk borra laeten bekend maaken dat hij met sijne famillie en Eenige onder„ hoorige uit goa geweeken was met versoek om te weeten waar hij verblijf neemen soude het geen ik hem dierhalven door een sen„ deling matouangie doende aanwijsen Des nademiddags ten vijf uuren voor mijn deur sijnde om Eenige ordres aande tolken te geeven wierd mij gewaarschuwd dat de koning van goa uit de Campong baroe na mijn toekewam, invoegen ik 233 Van Macasser Den ik ook een meenigte volk sag aankomen waar op ik derwaartssen„ dende om sijn intentie te verneemen en to sulks sijn mogte om bij mij te komen hem te seggen dat ik hem onmogelijk ontfangen konde kwam den tolk mij berigten hoe sijn hoogheijd hadde voorgegeeven door een sendeling uit mijnen naeme geroepen te weesen die daar op hadde ge„ diend dat sulks niet weesen konde vermits ik daar van met witt onder vordere uiting van mijn boodschap waar op hij een gedeelte van sijn volk te rug hadde gesonden terwijl hij neevens Eenige anderen te vaard dog besenden het Casteel om gereeden na huike gekeerd sijnde sijn gantsche gevolg voorsien geweest van schuit geweeren en assegaijen hebbe ik een sendeling naden koning van goa op matauangie geson, woensdag den 18 „den om hem onder een past Compliment over sijne komst op gisteren tot in deCampong baroe sonder alvoorens belet bij mij te hebben laeten vragen te seggen dat ik hem voor eerst niet ontfangen konde door gebrek aan tijd dog welken sendeling maar eeven vertrocken was toen een tolk van hem exens quam maek en te kennen geevende dat een en soeroe Baroe baroe /: die hem alleen was gesonden tot aanwijsing sijn erwooning op matouangie / hem soude gesegt hebben bij mij te moeten komen welk antwoord rees gisteren bevonden is leugenagtig te weesen ondertusschen van Macasserden. ondertusschen gaven de gemelde tolken nog te kennen dat sijn hoog„ heijd de tweede Tomilalang sjabandhaan en craamng Bontoelancas na het leger bij den Capitain Maleijer gesonden hadde met eenig volk om tegen de vijanden te ageeren. Donderdag den 19. Ben ik des morgens vroeg na het legen voorgoa geneeden om onse Inlandsche hoofden met naemen arou pantJana enden gewee„ sen pongauwa selfs te bedanken voor hun betoonde moed en trouwe ten dage der gedane attacque en hun daar toetegen dat deselve sal worden herhaald andermaal op te weeken waar toe sij mij de serieutte verseekering deeden. waarna ik op eenige andere saeken betreckelijk tot d'Euopeesen ordre gesteld hebbende mij bij aen madanrang van bonij in sijne in sijne benting begaf die geheel agterwaarts van onse linkene vleu„ „gel opgeworpen van de stad naauwlijks met een canon kogel te berei„ ken was, het welk ik hem soo wel voorhield als dat de attacque nood saekelijk aiende hervat te worden onder een ennstige opweeking oimde onsen t assisteeren een gelijkenhand aan tevallen het geen hij wel schoon met weijnig nadunk toeseijde te sullen doen dog waar bij hij te gelijk versogt dat d attacque nog Eenige daagen uitgesteld blijven en met het Cannoneeren en bombandeeren gecontinueerd mogte worden, op het welk
English
From Macasser the I replied again that this could not continue much longer and that the enemy would gain more courage and support from any delay, to which he answered with silence. In the forenoon the ensign Burghof from Goa came to report to me on Friday the 20th how he had been told by Lacasie that Datou Baringang continually sent emissaries to the enemy, and that it was he and not Daton Soping who had sent gunpowder and lead into Goa; that the enemy was estimated to be four thousand men strong, and yesterday another three hundred from Barombong had entered; furthermore, that he could not understand the intention of the Boniers nor make any sense of their conduct, but that the Glanrang of Bontuala had promised him to sound them out. Furthermore, the King of Goa sent two interpreters to me with a request that I might assist him, which I politely declined. Early in the morning I rode again to Goa, and arriving there, I requested Arou Pantsana and Lacasie, solely in the presence of the chief interpreter, to question the three Macassar princes who were in the camp with the Captain of the Malays in a prudent manner as to which side Goa was the weakest and where, consequently, according to their opinion, would be the best place to attack; which they they promised to do and to send me an answer. Furthermore, I proceeded to the benting of the Bone Madanrang, requesting and earnestly admonishing him to change position and to construct three bentings between the left wing of our encampment and the negorij Karoenroeng, in which Datoe Baringang has stationed himself; but he sought to put me off with a mere promise. When I insisted that he go with me or at least send the interpreter Moentoe with me to point out the places, he finally resolved to do so upon my persistence. Meanwhile, the chief interpreter reported to me how he had learned that the Tomilalang from Goa had allegedly sent an emissary named Glanangs Tompelo to Matouangie to the King, but that this monarch had refused to grant him an audience. Sunday the 22nd: I sent an emissary to inquire after the health of the King of Goa and to inform him that for the time being it was impossible for me to have time to receive him. Monday the 23rd: Rode again to the army camp at five o'clock in the morning and spoke with our native chiefs, especially with Arou Pantsana and Pacatie, who declared to me that they were only waiting for orders to from Macasser the attack, From Macasser the to resume the attack, adding to let it be known how the sjabandhaar and second Pomilalang had informed them that Goa could best be attacked between the gates of Karoenrong and Agong Oene, as it had also appeared to me from outward inspection. Therefore, I had the Madanrang and other Bone chiefs requested to come to me, presenting to them that, as we had now already been lying before Goa for eight days, the attack could impossibly be postponed any longer, and that I had requested them to come to me on this account in order to declare whether they were still prepared to make that assault simultaneously with our men at the time to be determined by me or not, and that in the latter case I would rather see that they simply withdrew and returned to Macasser; whereupon they indeed declared that they had no other intention than to assist us, but at the same time requested to be allowed to return to their tent in order to speak with one another, and that they would send me an answer, with which I again had to be satisfied. As soon as they had departed, having entered into conversation with the other chiefs, the former Pongauwa declared that, in case I so desired, he was quite willing to undertake to drive the enemy from the bentings erected by the same on a certain hill on the South, From Macasser the south-east side of Actait, where some of our troops had stood in the war against Craang Bontolancas, and from where immense damage could be inflicted upon the enemy. But when I agreed to this and, in order to put the same into effect immediately, presented to him that to facilitate the same I would at once make a false alarm on the other side, or even, if there was an opportunity, would make a real attack—for which I meanwhile gave orders that everyone should immediately make himself ready—he raised many difficulties, which caused me no small annoyance, although I concealed this from him, merely saying that if the matter were not possible, I would by no means demand its execution from him. After this, the Glarnang of Bontuala returned on behalf of the Madanrang and other grandees, requesting that they might be permitted, before the attack was undertaken, to throw up their bentings closer to the gate of Karoenrong; but to this I replied that I could not give an answer to that, but would still expect a categorical answer as to whether the Boniers were disposed to the attack, and indeed to carry it out as soon as I gave the order for it, even if it were this very moment; which the Glarrang undertook to tell his masters.
Dutch transcription
235 Van Macasser den ik weeder repliceerde dat sulks niet veel langer geschieden konde en den vijand voor alle uitstel meer moed en aanhaang soude krijgen dat hij met stil swijgen beantwoorde des voordemiddags kwam den venarig burghof van goa mij napor vrijdag den 20 teerende hoe hem door Lacasie getegt was dat datou baringang bij Con„ tinuatie sendelingen aan den vijand sond en dat hij het was en niet daton soping die binnen goa kruit en lood gesonden hadde dat den vijand gereekend wierd vier duisend koppen sterk te weesen en en gisteren nog drie honderd van barombong binnen gekomen waaren wijders dat hij den boniers intentie niet begrijpen nog uit haar gedoente wijs worden konde dog dat den glanrangs van bontuala hem beloofd hadde deselve te sullen polsen. voorts sond aen koning van goa twee tolken bij met versoek dat ik hem met uijt assisteeren mogte het welk ik vriendelijk hebbe ontligt. ben ik des morgens vroeg weeder na goa gereeden en d'aar komende hebbe ik arou pantsana en lacasie eenlijk ten bij weesen vanden oppertolk versogt om de drie in 't leeger bij den Capitain der maleijers sijnde macassaarse princen op een voorsigtige wijse 't ondervragen aan welke sijde goa het stwrakste. was en waar oversulks debeste plaats na hun gedaanten soude weesen omtattacqueeren het geen sij sij beloofde en om mij antwoord te doen gewonden. voorts begaf ik mij na de benting van den bonijs Madanmang hem versoekende en ernttig vermaannende om van plaats te veranderen en arie bentings aan te leggen tusschen de link er vleugel van ons campament en de negorij karoenroeng in de„ welke sig datoe baringang gepotseerd heeft dog hij tragte de mij met een enkelde belofte afte setten wanneer ik er op drong om met mij meede te gaan of maar de tolk moentoe meede te geeven om de plaatsen aan te wijsen daar bij eyjser op mijn aan„ houden toe resolveerde ondertusschen berigte mij den oppertoek hoe hij vernomen hadde dat den Tomilalang uit goa een sendeling met naame glanangs Tompelo soude hebben gesonden na matouangie bij den koning dog dat die vorst geweijgerd hadde den selven te woorde testaan. Zondag den 22: hebbe ik door een sendeling na dewelstand laeten verneemen van den koning van goa en denselven aven aanseggen dat ik voor als nog onmogelijk tijd hadde om han te recipieeren. Maandag „ 23. Des morgens vijf uurenweeder na het leeger gereeden en met onse Jnlandsche hoofden insonderheijd met arou pant sana en Pacatie gesproken hebbe due mij betuigden maar na ordre te wagten om d van Macasser den attacque 237 Van Macasser den attacque te hervatten niet bij gevoegde te kennen gave hoe de sjaban„ ahaar en tweede Pomilalang hun onderregt hadden dat goa best soude aantelaatten weesen tusschen de poorten karoenrong en agong Oene/ so als het mij voor het uiterlijk aansien ook voorgekomen is/ so luit ik de madanrang en verdere bonijse hoofden bij mij versoeken hun voorhoudende hoe wij nu reets agt dagen door goa geleegen heb„ „bende d'attacque onmogelijk langen konde worden uitgesteld en dat ik haar uit aun hoofde bij mij hadde laeten versoeken ten eijnde sig te verklairen op sij als nog bereid waeren om dien aanval tegelijk met de onsen te doen op den tijd door mij te bepaelen dan niet en dat ik in het laatte geval lieversien soude dat sij maar aftrecken en na macassen te rug keerden, waar op sij wel betuigden gemander intentie te hebben dan ons t assisteeren dog teffens versogten na lum tent te mogen keenen ten eijnde met den anderen tespreeken en dat sij mij antwoord senden soude waar meede ik mij alweeder moest vergenoegen. so als sij vertrocken waaren met de andere hoofden en dis„ Cours geraakt betuigde aan geweesen pongauwa dat hij ingevalle ik sulks begeerde wel wilde op sig neemen om den vijand te verdrijven uit aebentings door deselve aangelegt op seeker bergje aande Zuid Van Macasserden suid oostkant van actait alwaar eenige onsen troupen indenoorlog tegan cnaang bontolancas hadden gestaan en van waar den vijand . ongemeen veel nadeel konde worden toegebragt, dog toen ik daar in toestemde en om het selve ten eersten in 't werk te stellen hem voor„ houdende dat ik om het selve te faciliteeren aanstonds een loose alarm aan de andere sijde maeken op selfs wanneer daar toe kans was een weesentlijk aanval aven soude /: waar toe ik onder„ tusschen last gaf dat een ieder sig terstond gereed soude maeken:/ bragt hij veele swaerigheeden voor die mij niet weijnig moeijelijk maekten schoon ik sulks voor hem verborg eenlijk seggende dat als die saak niet mogelijk waare ik hem geensints de uit voering vergen wilde hier na quam aen glarnang van Bontuala te rug uit naam van den madanrang en verdere grooten versoekende dat hun mogte worden vergunt alvoorens dattacque ondernomen wierd hunne bentings nader aan de poort van karoenrong op te werpen dog waar op ik diende dat ik daar op niet antwoorden konde maar als nog Cathegorisch antwoord verwagten soude ofer de boniens gesind waeren tot d'attacque en wel om deselve te doen to ara ik daar toe latt gaf alwaare het so op het ogen blik 't welk den glarrang aanaam sijne meesters te zeggen
English
From Macasser the saying without any reply following. Thus, in the afternoon at three o'clock, the madanrang let me know that those from Goa had asked him for emissaries, requesting that someone be sent to him on my behalf to hear their message, whereupon the interpreter and the bookkeeper Deefhout went to him, and upon their return brought a report that the emissary had been from the Tomilalang and had dictated his message: That as far as the words of the Boneans were concerned (referring to a previous answer given to the Macassars, see the letter from the Captain of the Malays among the appendices under date 18 June), that they had become unfortunate through the old alliance with the Macassars, they knew nothing of this; and that as for the Bongaja Treaty, Goa and Palacca had concluded it with the Company; that they now came to ask what evil their king had committed that he was exiled by the Company. To which message the madanrang had answered in turn: That the banished king had abandoned his realm and moreover had done even more evil, that the throne having become vacant through his abandonment, the Macassars themselves had seen fit to depose him from the realm, and that his exile had taken place by the Company with the consent of Boni and Goa, as he had fled from here to a place where he was not permitted to go, and that without a passport. Further, having sent to the madanrang for an answer to the aforementioned order given to the gallarrangs of Bontoala, the Bone interpreter Moentoe came back with him, who on behalf of his master requested that I might yet in due time grant the Boneans' intention for a delay until they had pushed their bentings forward, to which I, since those people could not be forced anyway, served that they could do what seemed good to them, but that all further delay could serve no other purpose than our disadvantage. Tuesday the 24th. Datu Soppeng arrived here yesterday evening with a good retinue of about five hundred men, and appeared before me this morning; and after he and some of his grandees had sat down, having sworn by drawing their krises, I spoke extensively with him about the state of affairs, and particularly about the strange, indeed incomprehensible behavior of the Bone grandees, and how they were in every way out to delay the planned attack on Goa, to the significant burden of our people and to the strengthening as well as the encouragement of the enemies' courage, with the request to exert all his efforts in order to dispose them to different thoughts by presenting all of this distinctly to them, and thus to act in concert with ours, so that the attack could be undertaken without giving the enemy any longer time to strengthen themselves further; which he promised, adding the assurance that on his part he would not fail to offer the Company all faithful assistance. After which I tried to dispose him to reconcile with Aru Pantjana, bringing forward for that purpose everything that was possible for me, but without success, since he declared that according to their laws and customs he could not proceed to do so, because Aru Pantjana had committed the very extreme insult against his mother, the late Queen of Tanete; that such a person could never be received into grace again, nor could his family live in friendship with the same; adding, however, that in the war he would not only treat with him as a friend but would rescue him if he were in danger, requesting further that I should not demand anything more of him, so that I also left it at that. Wednesday the 25th. Having gone again this morning to the camp before Goa, the Datu of Soppeng came to me there, making known how he, in accordance with his promise, had spoken to the Bone grandees, and that they had applied themselves to making all progress so as to be ready to carry out the attack alongside ours as soon as possible, already being busy throwing up a benting in the village of Caroenrong; for which message, although in itself signifying nothing, I thanked him, while after some further exchange of words of lesser importance he departed again, taking up residence with the madanrang, and returned home with me in the afternoon at five o'clock. Thursday the 26th. Upon receiving a note from the Captain Commandant Dieterich and the Upper Surgeon Brugman, I had them sent to the former Queen of Tello (alias Karaeng Karawisi) with the request to have some enemies mentioned therein, who are staying in the Company's northern province of Poelembankeeng committing robbery and arson, pursued by faithful people and driven away from there; which they meanwhile let me know that the princess had undertaken, but that this could not happen earlier than tomorrow morning. Received
Dutch transcription
239 Van Macasser den seggen sonder dat er eenig replicq volgde dos des nademiddags om arie uuren liet den madanrang mij weeten dat die unt goa ailes bij hem hadde laeten vragen voor sendelingen met versoek om mijnentwegen iemand bij hem te senden om denselver boodschap aan te hooren, waar op den tolk enden boekhouder Deefhout sig bij denselven begeeven en bij te rug komst rapport bragt en dat den sendeling was geweest van den Tomilalang en sijn boodschap hadde gedicteerd Dat wat het seggen van de boniers aanging /(doelende op een voorig antwoord aan de macassaeren gegeeven sie brief vanden Capitain den maleijers onder de bijlagen sub dato 18 Junij/dat z door het oude verbond met de macassaeren waeren onge„ luckig geworden sij daar van niet wisten en dat wat het bon„ gaijs Contract beturop goa en palacca het selve met deCompagnie geslooten hadde dat sij als nu kwamen vragen wat voorkwaad hunnen koning hadde bedreeven dat hij door de Compagnie verbannen was. op welke boodschap door den madanrang weeder was g'ant„ woord. Dat den versonden koning sin rijk verlaeten en daar enboven nog meer kwaad gedaan hadde dat de troon door sin verlaeting vacant Van Moedsserden vacant geworden sijnde de macassaeren selfs goedgevonden hadden hem van het rijk t ontsetten en dat sijn versending door deComp: met bewilliging van bonij en goa was geschied als van hier gevlugt sijnde naar een plaats daar hij net komen mogte en dat nog sonder pascedulle. wijders om antwoord getonden hebbende bij den madanrang op de hier voorengemelde gegeeven last aan de glanrangs van bon„ tuala bo kwam met den selven te rug aen bonijs tolk moentoe den welken uit sijn meester naam versogt dat ik als nog inder teijd boniers intentie om uitstel tot dat sij hunne bentings voorwaarts souden hebben getrocken bewilligen mogte waar op ik als dat volk tog niet kunnende duingen diende dat sij konden doen wat hun goed dagt dog dat alle verder uitstel nergens toe dienen konde als tot ons nadeel Dingsdag den 24 Datoe soping gisteren avond hier met een goed gevolg van ontrand vijfhonderd man g'arriveerd en deesen voor de middag bij mij verscheenen mitsgaders nadat hij en Eenige zijner grooten met het uitreek en hun„ „ner krissen geswooren hadde geseeten sijnde spaak ik met hem brieed voerig over de toestand der saeken en insonderheijd over het wonderbaar Ja onbeguijpelijk gedrag denr Bonijke rijktgrooten en hoe san sij en allensutt 244 Van Macasser Den allesints op uit waaren om de voorgenomene attacque van goa tot merkelijk beswaar van de onsen en versterking mitsgaders aan wack„ning van de moed der vijanden te dilaijeeren, met versoek om alle sijne devoiren aan te wenden ten eijnde hun onder een distincte voor„ houding van dat alles, tot andere gedagten te disponeeren en om oversulx met d' onsen deconcert te ageeren, ten eijnde d' attacque konde ondernomen worden, sonder den vijand langer tijd te geeven om sig nog meer te versterken het geen hij beloofde onder bij gevoegde verseeke„ ring dat hij van sijn kant niet ingebreeke soude blijven de Comp: met alle trouwe bijstand te bieden waar na ik hem tragte te disponeeren om met arou pantJana te versoenen ten dien eijnde alles bij brengende wat mij mogelijk was: dog sonder vrugt vermits hij betuigde volgens hunne leen en wetten daar toe niet te kunnen overgaan, ter saeke arou pantgana sijn moeder de overleedend' konninginne van Tanette de aller uiterste smaadheijd hebbende aangedaan de sulke noot weeder in genade konde worden aangenomen nog sijne Pamillie met deselve in vriendschap leeven konde met bij voeging nogthans dat hij met den selven niet alleen inden oorlog als een vriend handelen maar hem redaen soude wanneer hij in gevaar mogte sijn versoekende voorts dat ik Van Macasser Den ik hem niets meerder vergen mogt invoegen ik het daar bij ook ge„ laeten hebbe woensdag den 25 mij deesen morgen weeder in het leeger voor goa begeeven hebbende kewam aldaar bij mij den datoe van soping tekennen geevende hoe hij debonijte rijksgrooten over een komtig sijn belofte onderhouden en deselve toege„ legt hadden alle voortgang te sullen maeken om tot het doen van dattacque neevens de onsen ten spoedighten ingereedheijd te komen reets betig ijnde met het opwerpen van een benting in de negorij Caroenrong voor welke boodschap schoon ik sig selfs niets beduijdende ik hem bedankte terwijl hij na nog eenige woorden wisselingen van minder belang weeder vertrok bij den madanrang verblijk neemende en des nademiddagsten vijf uuren met mij na huis keerde Donderdag den 26 op den ontfangst van een briefje van den Capitain Commandant Dieterich en oppertek brugman hebbe ik hun gelat bij den geweesen koniginne van Tello /alias Craeeng Carawisie:/ te senden met versoek om Eenige daar bij vermelde vijaanden die sig met rooven en brandstigten in sComp: sunder provintien poelembankeeng op houden door een trouw volk te doen nasetten en van daar te verjaagen het geen sij mij inmiddens weeten lieten dat die princes hadde aangenoomen dog sulks niet eerder dan morgen ochtend konde geschieden ontfing
English
From Makassar, on Friday the 27th, I received a letter from the Commandant at Bima, Lecerf, accompanied by various others from the native princes. In the afternoon the Datu of Soppeng was with me again, whom I requested once more to urge the Bone grandees once again to declare whether they might be inclined and prepared to support our people in the attack on Gowa, which he promised de novo, intimating that for this purpose he would depart thither tomorrow, where I told him I would also come in order to obtain an answer. Saturday the 28th. In the early morning, having ridden to the army, where the Datu of Soppeng did not arrive before nine o'clock, so that I had to wait at least an hour before he presented himself to me, he brought me nothing else by way of a decision above that the Bone Matinroe had declared he would consult with Datu Baringang to determine the day of the attack, adding still other pretexts that clearly show they are trying to lead us by the nose and that it is far from true that one can rely on them at all, although the state of affairs requires that one humors them so as not to become entangled in more precarious circumstances than those in which one finds oneself, which then moved me to request the Datu once more to urge them to a speedy resolution in order not to worsen matters through longer delay, pointing out that it was not possible for either the Europeans or for our natives to keep it going any longer, and that I therefore needed to have a positive answer and would also expect the same without fail by next Monday at the latest. Whereupon, I having ridden home, he likewise returned in the afternoon at five o'clock and came to me, letting me know that he had spoken with the Bone people anew, but that they had given him no other decision than that they would send an answer to me myself. Meanwhile I have anew requested Karaeng Karawisi to send reinforcements to the southern province of Polombangkeng in order to drive off the Makassarese princes who still persist in committing arson there, with orders to the chief interpreter Brugman to add the ordinary emissary Daeng Manzaneki with some of his men, who also departed this evening. Furthermore, the aforementioned Karaeng Tulolo, on my behalf through the interpreter De Graaf and according to his own offer, was charged to proceed inside Gowa in order to spy on how everything is situated there, so that we may regulate ourselves accordingly in making an attack. From Makassar, on Sunday the 29th. Nothing noteworthy occurred, except that around noon news was received that Karaeng Sapanang, roaming about behind the so-called kraal with a troop of men, had caused some natives and slaves who were harvesting paddy there to be murdered. Monday the 30th. The bookkeeper Deefhout, having come to me from the army before Gowa with a report that Karaeng Karawisi had submitted that she had received news from her people sent to the south that the enemies had departed from there again, and that she therefore requested to let them return for her own protection, I consented thereto, but ordered him to notify the Company's emissary Daeng Manzaneki that he must remain yonder. In contrast to which I have requested Karaeng Karawisi to have the rivers of Barombong and Sandrabone kept closed as much as possible to vessels wanting to go from outside to inside, since it is believed that gunpowder has entered Gowa by that route. In the forenoon the Datu of Soppeng departed again for the army with a party of men under five companies from Mario who arrived here yesterday. From Makassar, on Tuesday the 1st of July. I sent the deputy interpreter De Graaf and shortly thereafter the Lieutenant of the Malays, Sadulla, to the Datu of Soppeng in order to bring to his attention that the Bone people had brought me no answer up to this day, with a renewed request to speak with him about it and urge him to give a positive decision, and the latter for the same purpose to the Matinroe, with an added order to point out to him how I, having now exercised all possible patience, would not expect him to delay me any longer. Both the aforementioned emissaries, returning in the afternoon, reported that they had duly carried out their messages, that the Datu of Soppeng, finding himself with the Matinroe, referred to the answer of the Bone people, and the Matinroe came to send the same through the Gallarrang of Bontoala, who had come along with them and was waiting to be let in. To which I having given the order, he announced in the name of the Matinroe and other grandees that the Bone people were ready, but that according to their customs they were obliged to have all the lesser allies assemble, to which they had given orders, but for which appointed time he requested so long a delay, adding
Dutch transcription
273 Van Macasser den ontvng ik een brief van den Commandant te Bima Lecerp verseld vrijdag den 27. van diverse andere van de Jnlandsche vorsten Des nademiddags is den datoe van soping weeder bij mij geweest den welken ik nogmaals versogt de bonijse rijks grooten aandermaal aan te setten om sig te verklaeren ope sij geneegen en bereijd mogten sijn d'onsen indattacque van goa te ondersteunen het gen hij de novo toeseijde onder te kennen gave van ten dien eijnde morgen derwaars te sullen vertrecken alwaar ik hem seijde ook te sullen komen om antwoord 't erlangen. In den vroegen morgen na het legen gereeden alwaar datoe Zaturdag „ 28. soping niet voor neegen uuren aankwam to dat ik nog wel een wir moeste wagten eer hij sig bij mij liet vinden bragt hij mij daar in boven niet anders tot bescheijd als dat den bonijs madamrang betuigd hadde met datoebaningang te sullen raad pleegen om den dag vand' attacque te bepaelen met bijvoeging van nog ander uitvlugten die auidelijk aantoonen dat sij ons tragten om den thin te leijden en het wel verre is dat men op hun eenige staat kan maeken schoon de gesteldheijd aensaeken vereijscht dat men hun komt te ontsien om niet in sorgelijker omstandigheeden gewiskeld te worden dan waar in men sig bevind het welk mij dan bewoog den Datoe andermaal Jan Mata Cor dor andermaal te versoeken om hun tot hun spoedige resolutie aanteletten ten eijnde de saeken door een langer uitstel niet te verergeren, onder voorhouding dat het net mogelijk was nog voor d' Europeesen nog voor onse inlandersom het langer gaande te houden en dat ik oversulx posities antwoord diende te hebben en het selve ook sonden faut ten uiterste aanstaande maandag verwagten soude. waar op ik na huis gereeden sijnde bo kwam hij des namiddags ten vijf uren insgelijks te rug en bij mij tekennen geevende dat hij de boniers op nieuw onderhouden maar sij hem geen ander bescheijd gegeeven hadden aan mij selfs antwoord te sullen senden. Jnmiddens hebbe ik op nieuw aan er aeng Carivisie doen versoeken om versolk na de suider provintie poelen bankeeng tesenden ten eijnde de macassaerse princen die aldaar nog blijven aanhouden met brand stigften te doen verjaegen met last aan den opertolk brugman omde„ ordinair sendeling danig Mandsaneki met Eenige van sijne volkeren daar bij te voegen die ook nog deesen avond vertrock en sijn voorts is aanden meervermelde Caure Toelolo mij nontweegen door den tolk de graaf en mits sijn eijgen aanbieding op gedragen om sig binnen goa te begeeven ten eijnde te spioneeren hoedanig alles daar gesteld is om ons daar in in het doen van een attacque te Kunnen 245 Van Macasser Den kunnen reguleeren. Is niets nooteerens waardig voorgevallen dan dat men op de middag zondag den 29. tijding ontfing dat Cnaeng Sapana met een troup volk agter de so ge„ „naamde kraal nond swervende eenige Jnlanders en slaven die daar padij suijden hadde doen vermoorden. Den boekhouder Deefhout uit het legen voor goa bij mij gekomen Maandag „ 30. sijnde met berigt dat Craeng, Carawietie overgegeeven hadde van haar nadesind gesonden volkeren tijding te hebben dat de vijanden vandaar weeder vertrocken waaren en sij oversulks versogtom z tot eigen deeking te rug te laeten komen heb ik daar in bewilligt. doghom gelast om sComp: sendeling daeeng mandzanekie te doen wee„ „ten van ginter te moeten verblijven waar en tegen ik Craleng Carawissie hebbe doen versoeken om de revieren van barombong en sandra bonij soo veel mogelijk gessoo„ ten te doen houden voor de vaartuigen van buiten na binnen wil„ „londe also men wil dat langs daen weg kunt in goa soude ge„ komen weesen. Des voor demiddags is den Datoe van soping weeder na het leger vertrocken met een parthij volk onder vijf vendels van Mario gisteren hier geanriveerd hebbe Van Macasser den Dingsdagden 1: Julij hebe n denondertolk de graap en kont daar na aen lutenant der maleijers sadulla na den datou van soping gesonden ten eijnde denselven ter kennisse te brengen dat de beniers mij tot heeden geen antwoord hadden gebragt met nog maelig versoek om hom daar over te onderhouden en tot het geeven van positief bescheijd aantesetten en den laatsten ten selven eijnde bij den madanrang met bij gevoegd bevel om den selven voor te houden hoe ik nu alle mogelijk geduld g'effend hebbende niet verwagten wilde dat hij mij langer soude ophouden beijde de voorm: sendelingen des nademiddags te rug gekomende bragten tot bescheijd dat sij hunne boodschappen behoorlijk gedaan had„ „den dat daton soping sig bij den madamrang hebben de bevonden aan het antwoord der Boniers refereerde en den madanang het selve k wam tesenden door de glavrang van bontuala die met hun meede gekomen en wagtende was om binnen gelaeten te worden waar toe ik ordre gegeeven hebbende so gaf hij uit naam van den Ma„ „danrang en verdere grooten tekonnen dat de bomions gereed waeren dog dat sij na hunne gebruiken verpligt sijnde alle de mindere bondg enoeten te laeten opkomen waar toe sij last hadde gegeeven dog aanwelke bepaalde tijd nog so lange uitstel versogt onder bijvoeging
English
From Macasser The adding that otherwise I myself would only get trouble and headaches, since those who were unwilling to come forward would then have to be regarded and punished as enemies. To which absurd excuses, which undoubtedly have nothing but sinister purposes in view, I replied to the glaurang that I could not declare myself on the request because I did not know what might happen in the course of five days, but that I could find not the least ground of reason in their pretexts, no more than in all others, since those who were found unwilling to come forward could well be punished without giving them further delay, as they had been warned in good time, besides that there were already enough people, while the rest did not concern the Company, but each ally could punish his own. In the evening the messenger Canre Toelob returned, giving such an account of his experiences on Wednesday the 2nd as is to be found in writing among the appendices. Toward midday the bookkeeper Deefhout came to me on Thursday the 3rd, in the name of the chief interpreter and glarrang glissong, requesting that an envoy of the Honorable Company be sent with those of the said craaeng and glissong to have both his and some other wives and children of the dignitaries of the land fetched and brought hither, for which I have given the necessary orders. Further, Deefhout reported to me how the chief interpreter, having made inquiries into the messages with which the glaurang of Tombolo had been charged by the Tomilalang on 21 June, they were said to have contained a request to the king to ask the Company for horses for the Macassars. In the afternoon the shahbandar came to me, making known that it had been related to him by a certain Danig malewa how the rumor went that the former Bone Pongauwa was to marry the former queen of Tello, Caaing Canawietie. Friday the 4th. Having ridden to the army early in the morning, I had the Datoe of soping and the Bone madanrang summoned to me; the first of whom having arrived after a few hours' wait, I represented to him how, the Bonians having recently promised me to give a positive answer within five days regarding the launching of the intended attack, I, because three days had already elapsed, had come to summon them further in that regard, and at the same time to learn from him, Datoe, whether he with his men, as well as the other chiefs who daily asked me for orders, was now ready and willing to make an attack likewise, whether the Bonians wanted to or not, so that I could bring the necessary plan into complete readiness, in order, having presented it and consulted over it with him and the others, to determine the time as speedily as possible; to which he, fully agreeing that all further delay could serve to nothing else than the disadvantage of our people and the strengthening of the enemy, declared for his part to be ready. Shortly thereafter there appeared before me, instead of the madanrang, despite his promise to come himself, the soelewattang, pretending that the other had just had a sudden seizure; to whom I then represented all the foregoing, and further that I would expect a positive answer of the Bonians' intention this very day or at the latest tomorrow, and could give no longer delay, but in case the same was not forthcoming, would hold such for a proof of unwillingness and would then take my measures to launch the attack without them; whereupon he first declared that the Bonians were already ready, but when I replied thereto that our people were so too, and one could therefore begin immediately, he changed his tone, saying he would report everything to the Madanrang. Whereupon he took his leave, as did shortly thereafter Datoe soping, while subsequently, having been requested thereto, there also appeared before me arou pantana, the former pongouwa, and craaeng Labackang, whom I informed of all that had been discussed. Among the retinue of Datoe soping was also the Tanete dignitary Frou Lipoecasie, who related that the Tomilalang, on account of illness, had already left Goa and was said to have departed for bonto Iarang, which rumor one learned half an hour later was practically general. Saturday the 5th. Having this morning sent the envoy Carre Mangelaij to the king of Goa to inquire after his health, and while communicating that I had been indisposed for some days, whether His Highness had received any reports regarding the state of affairs, the envoy brought back as answer that His Highness had declared that he would gladly speak with me and that he was also prepared to assist our people in the attack, asking on which day it would take place, which the envoy declared not to know; who furthermore reported to me that His Highness still had three rich ornaments in his possession, named uloekanaja, the law book; panagaija, an assegai; and Japaija, a kris. In the
Dutch transcription
244 Van Macasser Den bij voeging dat ik selfs andersints maar moeijte enhoofd breekens soude krijgen vermits de geene die met wilde opkomen dan als vijanden aangesien en getraft soude moeten worden. op welke ongerijmde uitvlugten die ongetwijffeld niet dan swoode oogmerken ten doel hebben ik aen glaurang te gemoet voerde dat ik mij over het versoek niet verklaeren konde ten saeke ik niet witt wat en tusshen het verloop van vijf dagen konde voorvallen dog dat ik in hun voorgaven so min als in alle andere geen de minste grand van reeden konde vinden aangesien de sulke die sig onwilligtvonden om op te komen wel gestraft konde worden sonder dat hun langer uitstel wierd gegeeven als sij bij tijds gewaarschuwd waeren behalven dater reets volk genoeg was terwijl het overige de Comp: niet raakte maar ieder bondgenoot de sijne konde straffen Des avonds is den pion Canre Toelob terug gekomen wegens woensdag den 2: sijn weedervaaren sodanig relaas doende als inscriptis onder de bijlagen is te vinden tegen demiddags kwam den boekhouder Deefhout bij mij uit Donderdag „ 3. naam vanden oppertolk en glarrang glissong versoekende een sendeling van d'E Comp: met de van gemelde craaeng en glissong tesonden om so wel sijne als Eenige andere vrouwen en kinderen van Van Macasser den van de grooten des lands te laeten afhaelen en herwaarts te brengen waar toe ik de nodige ondre gegeeven hebbe voorts berigte mij Deefhout hoe den oppertolk ondersoek hebbende gedaan na de boodschappen waar meede den glaurang van Tombolo vede 21 Jun: door den Tomialang belatt was soude in gehouden hebben een versoek aanden koning om parden voor demacassaeren bij de Comp: te versoeken Des nademiddags kwam aen Babandhaar voll bij mij tekennen geevende dat hem door seekeren Danig malewa verhaald was hoede spraak ging dat de geweesene bonijs Pongauwa soude trouwen met den geweesene koninginne van Tello Caaing Canawietie vrijdag den 4. Inden vroegen morgen na het leger gereeden liet ik bij mij versoeken den Datoe van soping enden bonijs madanrang welk en Eersten na een paar uuren vertoevens gekomen sijnde hield ik hem voor hoedeboniers mij Jongst beloofd hebbende binnen vijfdagen potitief antwoord te geeven omtrend het aven vande voorgenomene attacque ik ter saeke daar van reets drie dagen verloopen waeren gekomen was om haar daer omtrend nader te sommeeren en van hem Daton teffens tev erneemen of hij met de sije so wel als d' andere hoofden die mij dagelijks naar ordre vrregen 249 Van Macasser Den vroegen als nu gereed en bereijd was om ins gelijks aen aanval te doen het sij dat de bornens wilden of niet ten eijnde ik het nodige plan volkomen in gereedheijd konde brengen om het selve vertoond en daar over met hem end andere geradpleegd te hebben ten spoedig„ sten den tijd tebepaelen waar op hij volkomen toestemmende dat alle verdere uitstel nergens anders toe doenen konde als tot nadal vande onsen en versterking vanden vijand voor sijn aandeel betuigde gereed te sijn kort daar na verscheen iteede vanden madannang niet te„ genstaande sijn belofte om selfs te komen bij mij den soelewattang voorgeevende dat den anderen so even een overval hadde gekreegen aanden welken ik dan al het voorenstaande voorhield enwijders dat ik nog deesen dag of ten uitertten morgen een positie bescheijd vander Bomiers intentie verwagten soude en geen langer uitstel geeven konde maar in gevalle het selve agter bleep sulks voor een be„ wijs van enwilligheid houden en dan na mijne maatregulen nee„ „men soude om d'attacque buiten hum te aven: waar op hij eerst betuigde dat de bomers reets gereed waeren maar toen ik daar op replicieerde dat d' onsen sulks ook waeren en men dierhalven oogenbluckelijk beginnen konde so veranderde hij van toon seggende van alles aan den Madanrang napport te sullen doen. waar Van Macasser den waar op hij sijn afscheijd nam gelijk ook kort daar aan Datou soping terwijl vervolgens als daar toe versogt insgelijks bij mij verscheenen arou pantana de geweesen pongouwa en craceng La„ backang die ik van alle het verhaldelde kennis graf onder het gevolg van Datoe soping bevond sig ook den Tanets rijk groot Frou Lipoecasie die verhaalde dat aen Tomilalang uit hoofde van siekte gea reets verlaeten en na bonto Iarang soude vertrocken sijn welk gerugt men een half uur daar na vernam dat genoegsaam algemeen was. Zaturdag den 5 Deesen morgen den zendeling Carre Mangelaij bij den koning van goa gesonden hebbende om na sijn gesondheijd te vragen en onder Communicatie dat ik mij zedert Eenige dagen onpasselijk bevond of sijn hoogheijd met senigeberigten ontfing naekende de toestand der saeken, so bragt den sendeling tot bescheijd dat sijn hoogheijd betuijgd hadde mij gaarne te willen spreeken en dat hij ook bereid was de onsen ind' attacque 't assisteeren, vraegende op welk en dag die geschieden soude het geenden sendeling betuigd hadde niet te weeten, die mij vervolgens nog berigte dat sijn hoogheid nog drie rijke ornamenten onder sig hadde met naamen uloeka„ naja /: het wet boek / pan agaij a /: een assegaij en Japaija/ een kris Des
English
From Macassar, the [illegible] In the afternoon, a letter from the king of Bony was sent to me from the interior by the mandanrang. And subsequently, at two o'clock, report was brought by the bookkeeper Deefhout, how he, in accordance with my orders, having been with the mandanrang this morning to inquire once again about his intentions regarding the launching of the attack on Goa, the same had made it known that he was ashamed to request a further delay and that he was therefore ready on his part, all the more so since he had received writings from the king to carry out my orders, but that Datou Baringang, who was principally concerned with bringing up the troops, had departed hither without his knowledge, and the Joas or common people requested that I grant two more days' time, though he would send the glarrang of Bontuala to me. Furthermore, the Datou of Soping had instructed him to solicit from me a few lasts of white or well-pounded rice, delivering the necessary cash for its purchase, adding that he commended his kingdom and that of Tanette to the Company's protection and favorable regard, in order to provide for the well-being of the same should he happen to perish in the war. From Macassar, the [illegible] The glarrang Bontuala, subsequently appearing before me at five o'clock, brought me word in the name of the mandanrang how the latter had been requested by the Boniers for a further postponement until the 4th day of the new moon, by which, after express repeated questioning, he declared to mean next Wednesday, and that he had referred that request to me, as being ashamed to propose it to me, since he had already made himself out to be a liar to me twice on their account, for which reason he, the glarrang, said he had also come, adding that the Boniers considered that day to be auspicious, and if their request were rejected or they were forced to act sooner, they would not perform their duty and would appeal to the fact that it was not their day. To which I merely replied that, however vexatious it was to me to be kept waiting from one time to another, I did not wish to compel the Boniers, but that I could also not declare myself on their request, as not being able to know whether I would not be forced to take other measures than those I had devised thus far in the expectation that they would have kept their frequently given word. From Macassar, the [illegible] During this discourse, the glarrang of Bontuala gave the most serious assurances of his loyalty to the Company, and that he also expected the same from the mandanrang and soelewattang, but regarding anything else, he did not wish to vouch for them, even adding that one would experience it, but that he would come over to the Company, all aimed at Datou Baringang. However, not deeming it proper to express myself on this, I merely replied to him that I remained assured of his loyalty. As soon as he had departed, the sjabandhaar of Goa came to me in the king's name, requesting an audience for next Monday, which I granted on condition that he bring no retinue, with the assurance, however, that this was done for no other reason than that the state of the times did not permit receiving His Highness with the customary ceremonial, since the Company continued to recognize him as the lawful king of Goa. Whereupon, after having informed me, in reply to a question asked to that end, that the 2nd Tomilalang, Craang Bontoelancas, Craang Data, and Craang Bonto- were still with His Highness, he took his leave and departed. Nothing particular occurred. Sunday the 6th. From Macassar, the [illegible] Monday the 7th. Around ten o'clock, the king of Goa appeared, whom I had fetched inside by the Shabandar Voll and Eertencleng, though with no other honor than the parading of the bodyguard, he being accompanied only by the second Tomilalang and the sjabandhaar, making known how Sanklang had entered Goa after His Highness had sent out the first and second Tomilalang to offer him resistance, and that for that reason he had let the last-mentioned know just to join the Captain of the Malays, as he had done, while the first Tomilalang, having arrived with his men and also having been let inside, had gone directly to His Highness to speak with him, whom he, however, not wishing to receive, had turned away. That the said first Tomilalang, having thereupon spoken with the enemy, had subsequently sent to him to demand the regalia from him, to which he had answered: You Macassars have chosen me as king, and now you want to take those goods away from me again; it is well, but permit me first to depart from Goa and then you can take them, as they are in my house, or I will leave them there. Just as he had then departed from Goa the next morning with merely a single garment and what he had on his body. From Macassar, the [illegible] Asserting, however, upon further questioning, that he had still secured and taken along the following of the regalia, namely: A gold Patrappang named Daing Tama Tjima A kris named Pan Jan galowéa A ditto kalang bodoa A wonder stone named kalau nagaija A Japanese flintlock named angebanko The assegai named Toenij Palanga, and The law book of Goa named oeloe kanaija. And that the remainder, which he had left behind, consisted of the following, to wit: A belly cutter named soedang A belly girdle Bavaija Two balls of a buffalo named Tamalauloeng A piece of a gold chain named Htanisamang Twelve gold books or half ornaments, all with gold coins A gold crown named makotaija A pair of porcelain dishes named patana Jamang A pair of gold rings named Pamoenko klapaija Two pairs of gold pontos or bracelets named pont nagaija A
Dutch transcription
254 Van Macassar Den Des nademiddags wierd mij door den madanrang toegesenden een „brief van den koning van bonij uit de binnen landen. En vervolgens ten twee uuren door den boekhouder Deefhout tot berigt gebragt. hoe hij conform mijne ordre deesen voor de middag bij den madanrang geweest sijnde om nogmaals ant„ woord te vragen hoedanig hij gesmn:t was omtrend het doen van de attacque van goa den selven hadde te kennen gegeeven bepchaamt te sijn van langer uitstel te versoeken en hij dierhalven voor sijn aandeel daar toe bereed was te meer hij schrijvens van den koning ontfangen hadde om mijne ordires op te volgen dog dat Datou Baringang die het opvoeren der troupen voornamentlijk aanging buiten sijn weeten na herwaarts was vertrocken ende Joas of gemeene volkeren versogten dat ik nog twee dagen tijd wilde ver„ gunnen dog dat hij den glarrang van bontuala bij mij senden soude voorts hadde den Datou van Soping hem gelast bij mij te solliciteeren om ee paar latten witte of wel gestampte uijst over leever de noodige Contanten tot dies inkoop met bij voeging dat hij sin rijk en dat van Tanette in sComp: bescherming en gunstige gedagten aanbeval ten eijnd, voor denselver wel sijn te Den Van Machapr sijn te sorgen wanneer hij in den oorlog megte omkomen. glarrang bontuala vervolgens bij mij ten vij uuren verscheenen weesende bragt mi nit naam van den madamrang berigt hoe den selven door de bomiens versogt om nog uitstel tot den 4: dag van het nieuwe ligt waar meede hij na Expresse herhaalde afvrage betuigde aanstaande woensdag te meenen dat versoek aan mijhadde gerenvoijeert, als beschaamt om het mij voor te dragen vermits hij sig selven nu neets twee maalen om hunnent wille bij mij tot een leugen aan hed„ de gemaekt weshalven hij glanrang dan ook seijde daar om gekomen te sijn onder bijvoeging hoe de bomiers dien dag voor geluckig hielden en als men haar versoek van de hand wees of noodsaakte vroeger 't ageeren sij sig als dan van hun pligt niet kwijten en sig daar op heroepen souden dat het hun dag niet was waar op ik enkel diende dat hoe verdrietig het mij veel van d' eene tijt tot d'andere te worden gehouden ik de boniers niet dwingen wilde dog dat ik mij ook niet verklaaren konde op hun versoek als selfs niet kunnende weeten of ik niet genoot„ saakt soude worden andere maatregulen te neemen dat ik tot dus verre beraamt haade in die verwagting dat sij hun meermals gegeeven woord souden sijn nagekomen. onder 23 Van Macasser den onder dit discorns deed aen glarnang van bontuala de serieuste ver„ seekering van sijne trouwe voor de Comp: en dat hij sulks van den madanrang en soelewattang ook was verwagtende dog hij wat anders betrof voor deselve niet wilde instaan en selfs bij voegende dat men sulks ondervinden maar dat hij tot de comp: overkomen soude alles doelende op datou baringang dog op t welk ik niet gevoeglijk oon„ deeldende mij uit telaeten hem eenlijk repliceerende dat ik mij van sijne trouwe verseekend hield so als hij vertrocken was den kwam den sjabandhaar van goa uit skonings naam bij mij acces versoekende tegen aanstaande maan„ dag dat ik onder voorwaarde vangen gevolg meede te brengen g'accordeerd hebbe onder verseekering nogthans dat dit niet geschiede om Eenige andere reeden dan dat de tijds gesteldheijd niet toeliet sijn hoogheijd met het gewoone ceremonieel te recipieeren vermits de Comp: hem als wettig koning van goa bleep erkennen. waar na hij mij op ten dien eijnde gedane vrage hebbende onderrigt dat sig bij sijn hoogheijd nog bevonden den 2: Tomilalang Craang Bontoelancas craceng data Cuaceng Bonto- so nam hij afscheijd en vertrek viel niets bijsonders voor zondag den 6 Tegens Jan Macrser den Maandag den 7. Tegen tien uren verscheen dekonig van goa die ik door dE Spa„ banahaar voll en Eertencleng branen liet inheelen dog met geen anderhoneur dan het paradeenen van de lijfwagt sijnde hij eenlijk ver„ seld van den tweeden Tomilalang enden 1jaband haar te kennen gee„ vende hoe sanklang binnen goa gekomen was nadat sijn hoog„ heijd den eersten entweeden Tomilalang uit gesonden had om den selven tegenstand te bieden en dat hij om die reeden aanden laast „gemelde had laeten weeten om sig maar te vervoegen bij den Ca„ pitam den maleijers gelijk hij gedaan had terwijl den Eersten To„ milalang met sijn volk aangekomen en ook binnen gelaeten sijnde dig direct bij sijn hoogheijd vervoegd hadde om hem te spreeken dog den welken hij miet willende ontfangen hadde doen afwyten Dat gemeld eerste Tomilalang daar op met den vijand gesproken„ hebbende vervolgens bij hem gesonden har om de uijks ornamenten van hem aftevorderen hij daar op hadde g'antwoord gijlieden macassaren hebt mij tot koning varkooren en nu wilt gij die goederen weder van mij afneemen het is wel maar permitteerd mij eerst om uit goa te trekken en dan kunt gij deselve neemen als sijnde op wijn huis of ik sal de daarlaeten gelijk hij sig dan ook sanderen daags morgens uit goa begeeven had met een enkel kleedje en't geen hij aan 253 Van Macasser den aan sijn Lijp had betuigende nogthans op nadere afvrage dat hij nog van de rijksornamenten de volgende geborgen en meede genomen hadde naamentlijk. Een goude Patrappang genaamd Daing Tama Tjima Een kris genaamd Pan Jan galowéa Een d„o _o kalang bodoa Een wondersteen genaamt kalau nagaija Een Japanse snaphangenaamd angebanko den Assegaeij genaamt Toenij Palanga en Het wet boek van goa genaamt oeloe kanaija En dat de resteerende die hij daar gelaeten hadde bestonden in de volgende te weeten. Een buijk snijder genaamd soedang Een buijksgondel „ Bavaija Twee ballen van een buffel genaamd Tamalauloeng Een stukje van Een goude ketting gen:t Htanisamang Twaalf goude boekens of half vercier sels alle met goude penningen Een goude kroon genaamt makotaija Een paar porcelaine schotels genaamd patana Jamang Een paar goude ringen genaamd Pamoenko klapaija Twee paaren goude pontos of aemningen genaamd pont nagaija Een
English
A spit named Poeleh An assegai named pan Janga lowea A ditto pana baka A court standard named soeleng ankaija and A ditto named pangkalang oting That he had left behind all his own property for the rest and thus was poor, yet placed his trust solely in the Company. I answered him upon this that I was sorry for his present condition, but that I still could not understand how everything had gone so far without being discovered by the king; whereupon he replied that he had particularly trusted and relied upon the grandees of the realm, believing that they would not abandon him; whereupon I asked again how he could have trusted the grandees of the realm, since it was known that several of them were with the enemy, and that I had long since noticed that the first Tomilalang was not acting in good faith, which the king from nearby could have perceived much better than I from afar; to which he could answer nothing other than that he had trusted his protestations, which he had affirmed as if by oath, although he now saw in hindsight that he had been misled by the same, and that he had only waited for an opportunity to carry out his evil design, as he now did; further professing that he and his family would never abandon the Company, but would remain faithful. Whereupon I answered that one also remained in that expectation of him and recognized him as king, and that I also wished to hope that he would contribute everything possible to subdue the enemy in order to bring a speedy end to the matter, recommending him to that end, regarding all matters of importance that were reported to him or messages conveyed to him, whether from the enemy or from anyone else, to notify me immediately and before committing himself; which he promised, subsequently offering thanks both for being still recognized as king and for the protection granted to him by the Company. Tuesday the 8th, I went early in the morning to the army, where I finalized the plan with the native chiefs for a general attack, specifically for next Thursday, having requested and ordered everyone to hold themselves ready early in the morning so as to receive orders for the march upon my arrival. Wednesday the 9th. Nothing of particular note occurred, other than that I invited the burghers and pen-men who might be inclined to support the attack on Goa as volunteers with their slaves, for which twenty-seven persons signed up, promising to bring more than 120 slaves with them. Thursday the 10th. This being the day appointed for making the attack on Goa, I set out thither at half past three in the morning, accompanied by the pen-men and burghers who had volunteered under the command of the dispenser Suhren, together with the corps of horsemen, where I arrived at half past three; contrary to all expectation, finding everything at rest inside our European military and artillery, and not one of all the native chiefs with their people ready to carry out what they had undertaken and was commanded them, having the greatest difficulty first to get the former pongauwa on the march with the Malays and Palembang people, it being broad daylight when they marched out, whereas according to the plan this ought to have happened as early as four o'clock. And while in the meantime I had drawn up the European militia at the place where the general attack was to take place, the other chiefs were no less reluctant to post themselves there, in spite of all earnest and friendly admonitions, moreover positioning themselves according to their own whim contrary to the prescribed orders, particularly Datou Soping, who, instead of forming our left wing, remained entirely behind the Boniers and could not be moved to advance, remaining practically stationary for more than half an hour until the European troops had already scaled the wall, when he finally consented to follow the Boniers; so that he, with his entire force of more than a thousand head, accomplished nothing. No less negligent and dilatory were the Boniers, for although I had been content that they, though more than five thousand head strong, should merely attack a benting in the settlement Seero, in which there were scarcely two hundred men of the enemy, and subsequently post themselves before the gate situated opposite before the general attack was to take place, it was nearly seven o'clock before I could get a single man outside the bentings and get them on the march, who then indeed captured the aforesaid benting, but concerned themselves no further with anything. Yet all this would apparently still not have prevented the enemy from being put to flight and the place captured, if only our remaining native troops had done their duty.
Dutch transcription
Een spat genaamt Poeleh Een Assegaaij genaamt pan Janga lowea Een d _o pana baka Een hof standaant genaamt soeleng ankaija en Een d genaamd pangkalang oting Dat hij voor het overige alle sijne eijgene goederen agtergelaeten en dustans arm was dog sijn vertrouwen alleen op dE Comp: stelde Jk antwoorde hem hier op dat mij sijn tegenswoordige staat leed was dog dat ik egter als nog niet begrijpen kende hoe alles tot zo verre was gekomen sonder door den koning ontaekt te worden waar op hij repliceerde dat hij insonderheijd op de rijks„ grooten vertrouwt en staat gemaakt had dat die hem niet ver„ laeten souden waar op ik weeder vroeg hoe hij op de rijks groten had kunnen vertrouwen daar men witt dat verscheijde van deselve bij den vijand waaren en dat ik reets lange had bemerkt dat den eersten Tomilalang niet ter goeder trouwe handelde het geen de koning van na bij vrij beeten als ik van verre had kunnen ontwaaren op 't welke hij niet anders kwamt antwoorden als dat hij op desselfs betuijging die hij als met eede bekragtigde hadde vertrouwt schoon hij nu van agteren wel sag door den Van Macasser Den selven 257 Van Macaser den selven te sijn misleijd en dat hij maar op geleegentheijd gewagt had om sijn quaad oogmerkter uitvoer te brengen gelijk hij nu quam te doen betuijgende voorts dat hij neevens sijn famillie nooijt 2E Comp: verlaeten maar getrouw blijven soude. waar op ik antwoorde dat men hem in die verwagting ook nog bleef en kennen voor koning en dat ik teffens hoopen wilde dat hij alle het mogelijke soude contnibureren om den vijand t onder te brengen om een spoedig eijnde van de saak te kunnen maeken hun ten dien eijnde recommandeerende om van alle saeken van aangeleegentheijd, die hem bericht of van boodschappen die hem t sij van den vijand of van eimand anders gedaan wierden ten eersten en alvoorens sig te declareeren aan mij kennis te geeven dat hij beloofde vervolgens bedankende soo wel voor dat hij nog als koning erkend als voor de protectie die hem door dE Comp: vergunt wierd Begaf ik mij des morgens vroeg na het leger alwaar ik Dingsdag den 8 met de senlandsche hoofden het plan benam: hebbe tot e gneenele attacque en wel tegens aanstaande donderdag d'een en ander versogt en gelast hebbende om sig inden vroegen morgen gereed te houden ten eijnde bij mijne komste ondre tot den uitmansch t ontfangen Van Macasser den Woensdag den 9 Is niett van bijsondere aanmerking voorgevallen dan dat ik de burgers en pennitten die daar toe genegen mogten sijn hebbe laeten nodigen om als vri willigers met haare slaeven dattacque van goa t ondersteunen waar toe dig seven en twintig persoonen hebben aangegeeven met tersegging van ruijm 120 lijfeijgenen te sullen meede brengen. Donderdag „ 10. begaf ik mij als de bestende dag tot het doen van de attacque op goa des morgen ten half arie uuren derwaarts verseld van de daar toe sig aangegeeven hebbende pennisten en burgers onder Commando van den dispencier suhren mitsgaders het corps ruiters alwaer ik ten half vier g'arriveerd tegen alle verwagting binten onse Euro„ peese militairen en arthilleristen nog alles in rust en uus geen van alle de inlandsche hoofden met hunne volkeren gereed vindende tot het volbrengen van het geene sij aangenomen hadden op hun ge„ last was de alleruitterste moeijte hadde om voor eerst den geweesen pongauwa met de maleijers en poelembank eengers op marsch te krijgen het genoegsaam dag sijn de doen sij uittrocken daar sulks over een komttig het plan rats om vier uuren behoorden gesched te sijn Enterwijl ik intusschen de Europeesche militie hadde doonstellen „van op de plaats, waar den generaelen aanval soude geschieden telinden d'andere 259 Van Haedasson Den d'andere hoofden niet minder om sig aldaar te potteeren in weerwil van alle ernstige en vrendelijke aanmaeningen sig daar en boven nog na eigen wille keur tegen de voorgeschreeven ondre plaatsende ins onder„ heijd Datou soping die in steede van onsen lunker vleugel te for„ „meeren geheel agter de boniers geretineert tot geen uitmurken te te beweegen was meer dan een half uur genoegsaam stil staan blij„ „vende tot so lange dat d' Europeesche troupen reets den wal beklom„ „men wanneer hij eijndelijk nog: de bomiers wilde volgen invoegen hij met sijn gantsche magt van ruim duisend koppen niet it rigte Niet minder nalatig en talmagtig waeren de boniens wantshoor ik mij hadde laeten vergenoegen dat sij hoe wel rum vijf dusent koppen sterk enkel een benting in de negorij seero daar nauwlijks twee honderd man vanden vijand in lag aantatten en sig vervolgens voor de daar tegen overleggende poort potteeren souden eerde genenaele aanval stond te geschieden was het niets seeven uuren voor dat ik een enkel man buiten de bentings en hun op marsch konde krijgen die dan ook wel de voorsz benting in naemen maar sig verder niet niets meer bemoeijden. Dan dit alles soude apparant nog niet verhindend hebben dat men den vijand op de vlugt endeplaats ingekreegen hadde inge„ val onse overige Jnlandsche troupen sig maar van hunnen pligt
English
From Macasser the had discharged their duty, from which it was so far removed that, in spite of their earnest assurances and even continual requests for orders to attack, I doubt whether I ought to attribute this more to ill will than to cowardice, considering that when the Europeans had already climbed the rampart, arou pantjana together with all his subordinates remained standing on horseback at the foot and even behind our men, instead of not only staying with them but even going ahead of them according to the plan also approved by him, so that the Europeans, assisted only by a very few of our own native troops, could inflict little or no damage on the enemy who kept themselves covered behind the rampart, and I was thus forced to make them withdraw, having already suffered 3 dead and 6 wounded, and this all the more on account of what occurred regarding the former pongauwa and Captain of the Malays, who, having been ordered by me to make themselves masters of three bentings on the other side, after having been on the march for more than an hour, sent word that they were stationed at the first one, where they could easily have been in a quarter of an hour, with a request for orders, as if I had not given them, which, having then repeated them, I subsequently received news that they had captured this and the others as well, but 264 From Macasser the but also at the same time that they had abandoned the same again and had returned, the former pongauwa letting me know that the Captain of the Malays was the cause thereof, who, coming to me at the same time, was also accused by many other witnesses, and whom I briefly questioned about his conduct. All exhortations to resume the affair were then in vain, notwithstanding that upon the first news that they were engaged with the enemy I had already sent arou pantjana thither for assistance, who, however, finding them already returned, attempted anew to urge them on to assist them with his men, whilst in the meantime I prepared once more with the European soldiers and remaining natives for a second assault, advancing them to within range of a musket shot, at which point the natives once again gave way to the side and to the rear, which caused me to desist from all further attempts and to give a general order to withdraw, it being at that time already half past eleven and all our men so exhausted by the fatigue and extraordinary heat of the sun that no one could be expected to remain longer in the field, so that the whole enterprise ended fruitlessly, whereas I had predicted a complete success for myself, which also appeared from all circumstances that would have followed From Macasser the would have followed had the native troops shown but the least earnestness in assisting our men and especially the Europeans, who attacked the enemy with as much courage and bravery as can ever be expected of soldiers, even having two non-commissioned officers request me to attempt it once again, which I nevertheless directly refused. In the afternoon the former pongauwa came to me, expressing how he regretted the failed enterprise, but that he had to blame the Malay Captain for it, as he had not only abandoned him, but had even had him called back twice in my name by the toons of Saaulla, named padjana and saleman; but when I informed him that I would hold him to his word and would question the Captain about it, he requested that I might ask craeang anabadsing, the head of the poelembankeengers, about it and keep the matter quiet, as I also promised. While I further instructed the chief interpreter to speak yet this evening with the same and arou pantjana about renewing the attack and to learn what they judged ought to be done, I betook myself again in the early morning to the army to set everything in order, at which time there came to me the former 263 From Macasser the former pongauwa and arou pantjana, making a new proposal consisting herein: to make themselves once again masters of Tingiemaij, the benting of the enemies which the first-mentioned has already held, which, having already considered it myself, I agreed to so far that the Boniers should be heard thereon and that one should try to encourage them to employ a part of their troops for that purpose as well; to which end I immediately had the madanrang requested to come to me, but he, excusing himself on account of indisposition, sent the Tomilalang, to whom I proposed my entire design. Having ridden again early in the morning to Goa to obtain all the speedier an answer from the Boniers, Saturday the 12th, the toek moentoe came to tell me in the name of the madanrang that they approved my proposal and were willing to carry it out, but that they requested a delay to let the men rest; to which I replied that this was well enough, but that one must be mindful not to wait any longer than being able to march out in the dark at four o'clock in the morning. Subsequently, in the afternoon, report came that the Touratteese, to the number of about two thousand men, were on the march hither in assistance of the Boniers and had approached to within two hours of Goa.
Dutch transcription
Van Macasser den pligt hadden gequeeten waar van het soo verre is geweest dat ik in weer„ wil van hunne ernttige verseekering en selfs geduurige versoeken om ordre tot attacqueeren twijffele of ik let niet meer aan ouwil dan aan lafhartigheijd dien toe te schrijven gemerkt toen d' Europeesen den wal reets beklommen arou pantjana nevens alle sijne onderhoorige bereeden aan den voet en selfs agter de onsen staan bleeven in steede dat sij haar niet alleen bij gebleeven maar selfs voor uitgegaan souden sijn na volgens het plan door hem almeede goedgekeurd so dat de Eunopeesen alleen van eenige weijnige onder eijgen Jnlanders g'assitteert den vijand die sig agter aen wal bedeket hield, weijnig of geen schade konden toebrengen en ik aus genoodsaakt was huun te doen aftrecken reets 3: rooden en 6 gequetsten bekomen hebbende en sulx te meer ter saeke van het voorgevallene omtrend den ge„ weesen pongauwa en Capitain der maleijers die door mij gelast om aande andere kant sig van drie bentings meesten temaeken na dat de ruim een uur op marsch waeren weeten lieten dat z bij d'eerste geposteert stonden daar z wel in een quartier uur hadden konnen weesen met versoek om ordre even of ik die niet gegeeven hadde dewelke in dan hebbende herhaald to kreeg ik V vervolgens wel tijding dat ze deese ende andere ook ingekreegen maar 264 Van Macasser Den maar ook tegelijk dat 2 deselve weeden verlaeten hadden en terug ge„ kaend waeren laetende aen geweesen pongauer mij weten dat den Capi„ tain den maleijers daar van de oorsaak waare di te gelijk bij mij ko„ mende door veele andere ook getuigen beschuldigd wierd en den welke ik over sijn gedrag kont onderhield Ter vergeefs waeren doen alle aannamningen om de saak te heven vatten niet jegenstaande ik arou pantJana reets op de eerste tijding dat sij met den vijand doende waaren ter assistentie derwaarts ge„ sonden, dog die haar reets te rug gekeerd vond op nieuw wagtede aan te spooren om hun met de sijne t assitteeren terwijl ik intusschen nogmaals met de Eunopesche mititairen en overige Inlonderd tot een tweeden aanval gereedheijd maakte deselve op voerende tot onder het bereik van een snaphaan schoot wanneer d' Jnlanders al weeder ter zijde en agter uitweeken het geen mij van alle verder poogingen deed afsien en algemeene ordre geeven om te rug te trecken sijnde het doenmaal reets half twaalf uuren en alle de onsen dermaten door de fatique en ongemeene hitte der sonne afgemat dat niemant te vergen was om langer in het veld te blijven invoegen dat de gantsche onderneeming vrugteloos afliep daar ik mij een volkomen sures van hadde voorspeld die ook uit alle omstandigheeden bleek dat gevolg Van Macasser den vrijdanden w1 gevolgt soude hebben hadden de Jnlandsche trcupen maar de minste ernst getoond om d'onsen en insonderheijd d' Europeesen 't assisteeren die met so veel moed en Couragie op den vijand los gingen als immer van krijgs volk kan worden verwagt mij selfs door twee onder officieren doende versoeken om het andermaal te probeeren dat ik egter direct afsloeg. Des nademiddags kwam de geweesen pongauwa bij mij te kennen gee„ vende hoe hem de mislukte onderneeming led ded dog dat hij sulks den Capitain maleijer moeste wijten als hem niet alleen verlaeten maar selfs tot twee maalen door de toons van Saaulla met naemen padjana en saleman uit mijn naam terug hebbende doen roepen dog toen ik hem te kennen gaf dat ik mij aan sijn woord hield onden Capitain daar over onder„ houden soude versogt hij aat ik craeang anabadsing het hoofd den poelembankeengers daar na vragen en desaak stil houden mogt soo als ik ook toegesegt hebbe. Terwijl ik voorts aan den opertolk lattgaf om nog deesen avond met den selven en arou pantjana te spreeken over het herhaalen van de attacque en te verneemen wat sij oordeelen dat er als aandiende te worden gedaan Begaf ik mij weeder inden vroegen morgen na het leger om op alles ordre te stellen wanneer aldaar bij mij kwamen de geweesen 263 Van Macasser den geweesen ponganuwa en arou pantjana een nieuwen voorslag doende hier in bestaande om sig andermaal van Tingiemaij de benting den vijanden die den eerstgemelden reets heeft in gehad op nieuw meester temaeken het geen ik al reets selfs overdagt hebbende in do verre toe„ stemde dat men de boniers daar op hooren en hunn soude tragten 't amineeren om daar toe ook een gedeelt hunnen troupen te emploijeeren ten welken eijnde ik aanstonds aen madanrang liet bij mij versoeke„ dog die sig uit hoofde van onpasselijkheijd verschonende den Tomila„ lang zond aandenwelken ik mijn gantsche bewerp voorsloeg Des morgens verog alweeder na goa gereeden om als te spoediger Zatundag den 12. antwoord van de boniers t erlangen kwam den toek moentoe mij uitnaam vanden madanrang seggen dat sij mijn voorslag goed keunden en he selve wel vilden nakomen maar dat sij uitstel versogten om het volk te laeten uitrutten waar op ik deed repliceeren dat sulks in soo verre wel was, dog dat men verdagt moest weesen om niet langer te wagten dan dat men bij donkere man om vier uuren smorgens konuitmarcheeren. vervolgens quam des nademiddags berigt dat de Touratte„ reesen met een getal van Circa twee duisend man ten assistentie van debonierd herwaarts op markh en tot op twee uren van goa genaderd
English
From Macasser the had approached, and furthermore also that twenty companies of Boniers, sent by the king from the interior for the same purpose, had already advanced as far as Ballang Bereeng or thereabouts, all of which people I ordered the chief interpreter to request the Madanrang to have come hither as soon as possible, and likewise to confer with him once more about making a further attack, and especially that the same should be undertaken at night or in the early morning, provided everyone were at his appointed place at least two hours before sunrise. Sunday the 13th: In the forenoon, the chief interpreter came to inform me that yesterday evening, having presented to the Bonian Madanrang what had been instructed to him, the latter had indeed promised to summon both the expected Boniers and Touratteers as soon as possible, but with the addition of many circumstances that amount to nothing and seem devised merely to drag out the matter and keep it delayed, and thus deserve no notice; which I pointed out to the chief interpreter, with orders to bring this more closely to his attention and to urge him, both kindly and earnestly, to make haste so that one might resume the attack next Wednesday or at the latest Thursday. In the morning, the bookkeeper Deekhout came to tell me on behalf of Monday the 14th the chief interpreter, who having fallen indisposed could not come himself, that Datou Baningang had requested five days' postponement and declared that he could not force his men to march any sooner, besides that he was still waiting for the Boniers from the interior and the Tourattenese. I paid a visit to the chiefs of our native troops in the camp before Goa, Tuesday the 15th namely Arou Pantsana and the former Pongauwa Lacasien, to encourage them to a courageous resumption of the aforementioned attack, to which both the one and the other declared themselves willing, with promises to do their best, while inquiring about the time and manner in which it should take place; but to which I informed them that I could not yet say for a month without first speaking about it with the chiefs of the Boniers, whither I subsequently proceeded; but they sang the old song again and insisted on a postponement, with which I had to content myself willy-nilly, as nothing can be accomplished with those people; nonetheless, upon leaving them, I went to the Datoe of Soping, who promised me to urge them as much as possible to make From Macasser the haste, while he declared it to be his opinion that the attack should take place from only two sides, with an added declaration of never wanting to see Soping again if the Europeans should happen to be defeated. In the afternoon there arrived here a vessel from Dompo, having on board the envoy Boemie Loema Rasanaij, Boemie Sanang Karang, and Boemie Sane Fangken, who on Wednesday the 16th appeared before me, delivering a letter from the king and grandees of the realm, declaring to have been sent to assist the Company against the enemy, and that in addition to the crew of the vessel he had brought fifty men with him; whereupon I ordered him to proceed with them to the camp to the chief interpreter. Thursday the 17th: In the early morning the bookkeeper Deekhout came to me from the camp, requested by the Bonian Madanrang to tell me that the Touratteerese mentioned sub 1 instant had already come to him and the Boniers were expected towards this evening or tomorrow, all of whom he would let rest for only a single day to begin the attack then whenever I might think fit; adding further that in his opinion it would be good if I had the Sopingers join with the former Pongauwa to From Macasser the to attack Tinginaij when the Boniers should occupy the gate of Brissee; and further communicating that he had received report that it was the enemies' intention to let a prominent personage, meaning Arou Palaica, go outside, who would proceed to Thanig, which was the reason that the entire village was being enclosed with a palisade under the pretext that it was against thieves. To all of which I let him know that I would speak with him further, as I intended to come to the camp tomorrow. In the early morning I rode to the camp and had the Bonian Friday the 18th Madanrang requested to come to me. The same appeared around half past ten alongside the Tomilalang, with whom I entered into conversation about what ought to be done at present; whereupon they again requested postponement until all the Touratteerese and expected Boniers should have come up, further declaring that in their opinion the Datou of Soping could better be employed to take Tinginiaij while they would then post themselves around Seero, and if the enemy should come outside, to attack the same; but upon which I pointed out to them the absurdity of their opinion and how necessary it was
Dutch transcription
Van Modelassenden genaderd waaren en voorts ook nog dat twintig vendels boniers door den koning ten selven eijnde uit de binnen landen gesonden reelts waeren geadvanceerd tot op ballang bereeng omt:end alle welke volkeren ik den oppertolk last gaf den madanrang te versoeken om 2 ten spoedigsten te laeten herwaarts komen, en so meede om hem nogmaal t onderhouden over het doen van eene nadere attacque en speciaal dat deselve des nagts op wel inden vroegen morgen onderno„ „nomen mitsgaders een ieder dus ten minsten twee uuren voor sons opgang op sijn bescheijden plaats moeste weesen. zondag den 13: Kwam den oppertoek mij des voordemiddags verwittigen hoe hij gisteren avond den bonijs madanrang het hem inmandatis gegee„ vene voorgehouden hebbende den selven wel toegesegt hadde om so wel deverwagt wordende boniers als Touratteeren ten spoedigsten t ontbieden dog met bijvoeging van veele omstandigheeden die niets om het lijs hebbende enkel uit gedagt schijnen om desaak te reeken en dilaij eerende te houden en dus geen notitie verdienen het geen ik den oppertoek voorhield met last om hetn sulks nadere onder het oog te brengen en so wel vriendelijk aes emnstig aan tispooren tot het maeken van spoed ten eijnde men aanstaande woensdag of uiterlijk Donderdag aen aanvaal kanervatten Des 265 In d Meserden Des morgens k wam dan boekhouder Deeshout mij uit naam van Maandag den 14. aen oppertolk diconpasselijk gewonden selfs niet komen konde seggen dat Datou baningang vijf daagen uitstel versogt en betuigd hadde sijne volkeren niet te kunnen dwingen om vroeger op te trecken behalven dat hij nog was wagtende op de Boniers uit de binnenlanden ende Touratteneesen. hebbe ik de hoofden onser Jnlandsche troupen in t leegen voor goa Dingsdag „ 15. met naemen arou pantsana ende geweesen pongauwa Lacasieen visite gegeeven om deselve op te weeken tot een kloekmoeder her„ vatting vande nogmaals voorgenoemdne attacque waar toe deen so wel als ander betuigde genegen te sijn met belofte van hun best te sullen doen onder afvrage van de tijd en wijse op welke die ge„ „scheeden soude, dog waar op ik hun te kennen gafhet een maanden nog niet te kunnen seggen als bevoorens daar over met de hoofden den bouiend aeiende te spreeken wer waarts ik mij ook vervolgens begeeven hebbe dog die weeder het oude liedjen zongen en op uitstel aanhielden waar meede ik mij nolens volens moette vergenoegen also ermet dat volkje niets is uit te rigten schoon ik des niet te min van hun vertreckende bij den Datoe soping ging die mij toe segging deed hun so veel mogelijk te sullen aansetten om spoed Van Macasen den spoed te maeken terwijl hij voor sijn sentiment verklaarde dat de attacque alleen van twee sijden behoorde te geschieden met een bijgevoegde betuiging van nimmer loping, te willen weedersien wanneer d' Enmopee„ sen mogten verslagen worden. Des nasemiddags arriveerde alhier een vaartuig van dompo op hebbende den gesant bomie Loema rasanaij, i Boemie Sanang ka„ „rang en Boemie Sane Fangken, die op. Woensaag den 16 Bij mij verscheenen onder overgave van een brief van den koning en rijksgrooten betuigde gesonden te sijn om de compagnie tassisteeren tegen den vijand en dat hij behalven het volk van het vaartuig vijftig koppen hadde meede gebragt waar op ik hem lattgaf om sig met deselve na het legen bij den oppertolk te begeeven. Donderdag „ 17. Inden vroegen morgen kwam den boekhouder Deefhout uit het leger bij mij door den bonijs madanrang versogt om mij teseggen dat de Touratteereesen vermeld sub 1 huijus reets bij hem gekomen waaren en de boniens tegen deesen avond of morgen verwagt wierden alle dewelke hij maar een onkelden dag soude laeten uit rusten om dan met de attacque te beginnen wanneer ik het goed mogte dunken met bijvoeging wijders dat het sijnes en agters goed soudesijn dat ik de sopingens deed Confungeeren met de geweesen pongauwa om 262 Van Macasser den om Pinginaij te attacqueeren wanneer de boniers de poort van Brissee souden besitten en verdere Communicatie dat hij berigt hadde hoe der vijanden voorneemen was een voornaam personagie doelende op aroupalaica na buiten te laeten gaen die haar na thanig begeeven soude het geen d'oorsaak was dat du gantsche negorij om paggert wierd onder voorwendsel dat het was voor dieven. op alle het welke ik hem hebbe laeten weeten nader met hem te sullen spreeken als voorneemens sijnde morgen in het legerte komen Jn den vroegen morgen naar het leger gereeden en den bonijs vrijdag den 18 madanrang hebbe laeten versoeken om bij mij te komen ver„ scheen den selven omtrend half eef uren neevens den Tomilalang met dewelke ik in gesprek geraakt over het geene en thans diende gedaan so versogten sy al weeder uitstel tot dat alle de Touratte reesen en verwagt wordende beniens souden opgekomen weesen verder verklaerende dat hunner er agtens den datou van soping bett soude kunnen worden g'emploijeerd om Tingimiaij in te neemen terwijl sij als aan omtrend seero potteeren souden en wanneer aen vijand mogte buiten komen den selven aan te katten dog waarop ik hun d' ongereijntheijd van hun gevoelen voorhield en hoe het noordsakelyk
English
From Macasser the Saturday the 19. necessary would be that they, either with the Touratenasen, the expected Boniers, or indeed a good number of those whom they already had with them, should take upon themselves to attack Tingimaij at the same time as our forces, but from another side, in order to be able to expect the capture all the more securely, and furthermore to occupy the gate of Bisse with the remaining men and if possible overpower it, adding that everything ought to be undertaken in the early morning if one wished to expect a good outcome; concerning all of which they finally gave their promise that they would consult with one another and the other chiefs. After this I also requested the Datou of Soping to come to me, to whom I made known what had been discussed with the Boniers, with the request to urge them somewhat promptly to a decision, which he promised, affirming upon my proposal made therewith that he was ready to attack Tingi maij alongside our auxiliary troops. In the morning it was reported to me by the chief interpreter, who had come from the army camp on account of some private affairs, that according to the reports brought to him by various persons, two or three days ago a multitude of the enemies had left Goa and had marched toward the 269 From Macasser the mountains. Upon receiving the report that six native vessels with Sunday the 20: people had entered the river of Tope Jawa and were detained there, I sent a small vessel thither in order to inquire into the truth of the matter. In the meantime, upon the letter from the Ensign Burghof concerning the sale of fixed cartridges at Saing to the enemy, I gave orders to speak with both Tuaing Canavisi and the former pongariwa about it. Toward evening I received a report that indeed the Saleijerese Monday 21. and a vessel carrying padij, having departed from Boelecomba for this place, lay in the river of Tope Jawa, whose crew had declared to the informants that they had entered there on the order of Daing Tadoenie, deposed Bonto Bango of Saleijer, and that twenty of them had been brought to Goa before the rebel, who nevertheless was said to have let them depart again with verbal orders to return to their country and to make known to the inhabitants that he himself was to arrive there shortly. The bookkeeper Deefhout came to report to me that the chief interpreter, Tuesday the 22. having spoken with both the former Queen of Tello and the former pongauwe From Macasser the about the sale of cartridges at Thaing by some of their subordinates, the first-mentioned had said she was unaware of it, but that she would give orders to her bazaar master to watch for it and apprehend the buyers as well as the sellers, while the other had said that it might well be that some of his people were guilty of the sale, but that he did not know how to find them out, yet would watch against it. Furthermore, Deefhout informed me in the name of the Madanrang that the expected Boniese auxiliary troops from the interior had set out on the march yesterday to come hither. Furthermore, that according to the rumors, dissension had already arisen among the enemies, as Arou Palaica, having purported to want to leave Goa, was said to have told Sankilang that as the country was now already ruined without anything having come of all his predictions and promises, she could no longer hold out within; whereupon he, having asked her whether she still doubted the execution of what he had said, intimated that in that case he likewise wanted to vacate Goa. This 274 From Macasser the Wednesday the 28 [illegible] had come to the ears of the Tomilalang, who had opposed her departure and declared that he would not permit the same, since, having brought it this far, they must now also stay, at the same time giving orders to the men not to let her outside. Nothing particular occurred. Friday 25: In the morning I rode to the army camp, where toward noon Saturday 26 arrived the so-called Tellong Lipoea, or royal troops sent from the interior to the number of two thousand men with forty flags under the command of the elector Arou Tanette Mattoua, who shortly thereafter appeared before me along with some of the lesser chiefs, took the oath to me, and subsequently took a seat beside the Tomilalang, Soelewattang, and Glaurang Bontuala, greeting me in the name of the King. After some indifferent discussions, I asked the Tomilalang whether the Madanrang, along with the other grandees, had already spoken and consulted with one another concerning what in their opinion ought to be done now; upon his indicating no, I recommended him to request the same further in my name, and
Dutch transcription
Van Mlacasser den Zaturdag den 19. noodsakelijk oude sijn at sij op de Touratenasen op de venagt wordende boniens dan wel een goed getal van de geene die sij reets bij sig hadde op droegen om singimaij te gelijk mit de onsen dog van een anderen kant aan te tasten ten eijnde d' umneening dus te seekerder te kunnen verwagten en voorts om met het overige volk depoort van bissee te besetten en deselve des mogelijk t overweldigen, onder bijvoeging dat alles in den vroegen morgen stond diende onderno„ „nomen in gevalle meer een goede uitslag verwagten wilde over alle het welke sij eijndelijk toesegging deeden met elkanderen ende ver„ „dere hoofden te sullen raadpleegen. hier na liet ik ook bij mij versoeken den datou van soping aan den welken ik van het verhandelde met de boniers kennisse gaf met versoek om haar wat sogwing spoedig tot een beslint aan te setten dat hij toeseijde onder betuiging op mijn daar bij gedaane voorttel van bereijd te weesen om neevens onse hulp troupen Tingi maij aan te tatten. wierd mij des morgens door den oppertolk als ter verrigting van eenige particuliere saeken uit het leger gekomen gerapporteerd dat volgens de berigten hem door verscheijde persoonen gebragt sesent twee a diedagen een meenigte vande vijanden goa verlaeten en na het 269 Van Macasser den het gebergte getrocken waeren. op het ontfangen berigtat ses slije antugen met zondag den 20: volk de revier van Tope Jawa ingeloopen weesen en aldaar aange„ houden souden wonden hebbe ik een kleen vaartuig derwaarts gesonden om na de waarheijd den saeke te verneemen ondertusschen hebbe ik op het schrijvens van den vendrig burghof wegens den verkoop van vatte pattroonen op Saing aan den vijand ordre gegeeven om so wel luaing Canavisie als den geweesen pongari„ wa daar over't onderhouden. kreeg ik teegen den avond rappont aten wentlijk de saleijerete Maandag „ 21. en een vaartuig met padij van boelecomba na herwaarts vertrocken in de revier van TopeJawa lagen welker opvaarende aan de relatan„ „ten verklaard hadden daar ingeloopen te sijn op ordre vandaing Tadoenie / afgesetten bonto bango van saleijen :/ en aat twintig van hun na goa waaren gebragt bij den rebel die hun nogthans weeder soude hebben laeten vertrecken met mondelinge latton: na hun loond te keeren en aand' Ingeseeten en bekend temaeken dat hij selfs binnen korten aldaar stond te komen. kwam den boekhouder Deefhout mij berigten dat den opertolk Dingsdag den 22. de geweesene koninginne van Tello so wel als den geweesen pongauwe onderhouden Van Macasser den onderhouden hebbende over den verkoop van patroonen op Thaing door eenige van sijn onderhoorige d' eerst gemeldte daar van gesegt hadde onkundig te weesen, dog dat sij aan haar basaar meester ordre soude geeven om daar op te passen en de koopers so wel als verkoopers op te vatten terwijl den anderen hadde getegt dat het wel sijn konde dat Eenige der zijnen aanden verkoop schuldig waeren maar, dat hij se niet wistuit te vinden dog dog daar tegen waeken soude voorts gafs Deefhont mij nog uit naam van den madanrang te kennen dat de verwagt wordende bonijse hulp troupen uit de binnen landen gisteren waeren op mansch gegaan om herwaarts te komen. voorts dat volgens de gerugten reets tweespald onder de vijanden soude sijn ontstaan also arou palaica voorgegeeven hebbende goa te willen verlaeten tegens Sankilang soude hebben gesegt hoe het land thans reets geruineert sijnde sonder dater van alle sijne voorseggingen en beloften iets geworden was sij het binnen niet langer houden konde waar op hij haar hebbende gevraagd of sij aan nog twijffelde aand uitvoering sijner getegdens onder te kennen gave in dien gevalle goa insgelijks te willen runmen was 274 Van Macasser den woensdag den 28 ot was sulx de Tomilalang, ter ooren gekomen die sig tegen haar ver„ trek gekant en verklaard hadde het selve niet te sullen toelaeten also sij het tot dus verre gebragt hebbende nu ook verblijven moesten te gelijk ondre aan het volk geevende om haar niet buiten te laeten is niets bijsonders voorgevallen vrijdag „ 25: Ben ik des morgens na het leger gereeden alwaar tegen aen mid, Zaturdag „ 26 „dag aankwaamen de so genaamde Tellong Lipoea of koniglijke troupen uit de binnen landen gesonden tot een erommer van twee duisend koppen met veertig vandels onder bevel van den k iesheer Arou Tanette Mattoua die kort daar aan bij mij verschenen ne„ vens Eenige vande mindere hoofden den Eed aan my afleijde en vervolgens nevens aen Tomilalang Soelewattang en glaurang bontuala zitplaats namen mij uit naam van aen koning be„ groetende Na Eenige onverschillige discoussen vroeg ik aan den Tomilalang op demadanrang neevens d' overige grooten reets met elk anderen gesprooken, en geraadplegd hadden wat er thans lunnes er agtens riende gedaan hem op sijn te kennen gave van neen recomman„ deerende om denselven uit mijn naam daar toe nader te versoeken en