Inventory 3500
Japan · 1,446 pages · 247 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
from Macasser the and to provide me with an answer as soon as possible, which he accepted, after which they took their leave. Furthermore, arou pantsana likewise appeared before me, to whom I proposed, among other things, to attack barombong from the land side, promising to support him with two sloops from the sea side, regarding which he said he would consider it and send me his decision, and in the meantime have his subordinates who were residing on Saperia depart from there in order to clear that smuggling den. In the afternoon Datou soping came to me, who, upon my request made to that end, also promised to urge the bonijte grandees to take a prompt decision, assuring me that as far as he was concerned he was only waiting for my order, which I told him I would give as soon as the boniers had declared themselves. Subsequently, the former pongauwa also presented himself to me, whom I likewise, just like arou pantsana, engaged regarding the clearing of Saperia in order thereby to prevent the importation of provisions for the enemy. Meanwhile, because of the latter and in view of the continuous 273 From Macaser the continuous reports that enemy people from goa still come daily to Thaing, I sent the bookkeeper Deefhout to the former queen of Tello to make known to her my displeasure on that account, along with a proposal to place a benting there to prevent this, from which she requested through an envoy to be excused, to whom I gave orders to tell her that in case she did not ensure that such would not happen again, I would warn her with force and even take measures against it myself. Furthermore, after I returned home, I ordered the chief interpreter to ask the madanrang tomorrow afternoon for an answer regarding the outcome of their agreement concerning the attack. Except for a short letter from Ensign burghof from the army before goa, I received a report from the chief interpreter that the boniers would provide me with a written answer tomorrow, and that Arou Pantsana had declared himself ready to attack Barombong. Towards evening a large fire and smoke were seen rising around Sapira, which was presumed to be that smuggling den itself. Is From Macasser the Monday the 20th. Nothing worthy of note occurred. Tuesday the 29th. Having ridden to the army before goa in the morning, I conferred with the madanrang Tomilalang and soelewattang of bonij and agreed with them to resume the attack next Saturday in such a manner that foreign forces will first attempt to capture Singinaij, of which I subsequently informed Datou soping, the former pongauwa, and aroupantjana, with the recommendation to prepare themselves, as they promised. Furthermore, a vessel from sangan arrived here with two grandees and 25 privates sent hither by the realm as auxiliary troops. Wednesday the 30th. Early this morning, as a ruse of war, having had all the military men depart from the Castle and goa, as if the force had arrived with the ship schoonsigt, in order to make a display there and thus fire several volleys with blank powder, Ensign buughof came at half past nine to report to me that an accident had occurred during the firing through the inattention of a few who, despite the strictest recommendations, had not properly discharged their muskets, From Macasser the discharged, but had left the balls in them and moreover had shot upwards instead of towards the ground, whereby, besides three boniers, the son of arou biroe was unfortunately and fatally wounded, which caused an extraordinary amount of consternation. So I immediately ordered the chief interpreter to apologize for this to the madanrang and other grandees, who let me know that, as far as they were concerned, they were well convinced that it was a pure accident, but that it was not easy to make the lesser princes as well as the common people understand this, and that they would apparently be intent on revenge, and particularly on the aforementioned burghof as having commanded the men. Thursday the 31st. This forenoon I sent the bookkeeper Deefhout together with the captain of the Malays and Jntje Saculla again to the mademrang of bonij to sound him out regarding the means to remedy the accident mentioned yesterday in the most convenient manner, to which he let me know he would confer about it with the other grandees and provide me with an answer. So that the interpreter passeere came to me in the afternoon with a message containing that, since there was no precedent for such a case as occurred yesterday, they, the grandees, left it to me.
Dutch transcription
van Macasserden en om mij ten spoedigsten antwoord te doen geworden het geen hij aannam waar na sij afscheijd naamen. voorts verscheen insgelijks bij mij arou pantsana dewelken ik onder anderen proponeerde om barombong vande land sijde tattac„ queeren onder toesegging van hem door twee Chaloupen van desee kant 't onderstounen, waar over hij seijde sig te sullen bedenken en mij bescheijd te doen geworden en om inmiddens sijne onderhoorige die op Saperia woonagtig waaren van daar te laeten vertrecken om dat smokkelnest te suiveren Des nademiddags kwam Datou soping bij mij die op mijn ten dien eijnde gedaan versoek meede toeseijde om de bonijte rijks grooter tot het neemen van een spoedig besluit aan te setten met versee„ kering dat hij wat hem betrof maar na mijne ordre bleef wagten die ik hem seijde so dra te sullen geeven als de boniers sig souden verklaard hebben. vervolgens liet de geweesen pongauwa sig insgelijks bij mij vinden den welken ik almeede even als arou pantsana onderhield over het suiveren van Saperia om daar door het invoeren van vivres voorden vijand te beletten Ondertusschen dat ik ter oorsaeke van het laatste en mits d' aanhoudende 273 Van Aacaser den aanhoudende berigten dat er nog dagelijks vijandelijk solk uit goa op Thaing komt den boekhouder Deefhout bij de geweesene koningin van Tello zond om haar mijn ongenoegen diendweegen tekennen te geeven, onder een voorslag om ter verhoeding van die een bonting aldaar te leggen waar van sij mij door een sendeling liet versoeken te mogen blijven verschoond aen welke ik latt gaf haar te seggen dat in geval sij niet dorgde dat sulks niet weeder kwam te gebeuren ik haar met de slag waarschouwen en selfs daar tegen voorsien soude voorts dat ik na huis keerde gaf ik aan den oppertoek last ommorgen nademiddags bij den madanrang om bescheijd te vraa„ gen na het resullaat hunnen over een komst omtrend dattacque Behalven een briefje vanden vendrig burghap uit het leger Zondag den 27. voor goa ontping ik berigt vanden oppertolk dat de boniers mij morgen schriftelijk bescheijd soude doen geworden tegens morgen en dat Arou Pantsava verklaard hadde sig tot het aantasten van Barombong gereed te maeken. Tegens den avond sag men een groot vuur en rrook opgaan omtrend Sapira 't geen gesuttineerd wierd dat Smockelnett zelfs teweesen Is Van Macasser den Maandag den 20 Js niets noteerens waardig voorgevallen Dingsdag „ 29: Des morgens na het leger voor goa gereeden hebbe ik hebbe met de madanrang Tomilalang en soelewattang van bonij geconfereerd en ben met deselve over een gekomen om de attacque aanstaande Zaturdag in diervoegen te hervatten dat men sig eerst met vreemde magt van Singinaij sal tragt en meester te maeken waar van ik vervolgens aan Datou soping de geweesen pongauwa en aroupantjana hebbekennisse gegeeven onder recommandatie om sig gereed te maeken gelijk sij hebben belooft voorts arriveerde alhier een vaartuig van sangan met twee rijksgrooten en 25 gemeenen als hulx troupen door het rijk herwaarts gesonden. Woensdag den 30 Deesen morgen vroeg als een krijge list alle de militairen uit het Casteel en goa hebbende laeten vertrecken even of het volk was met het schip schoonsigt g'arriveerd ten eijnde daar en ver„ tooning te maeken en dus met los krut Eenige charges telaeten doonkwam den vendrig buughof mij ten half tien uuren raporteeren dat er een ongeluk was gebeurd bij het vuuren door in attentie van Eenige weijnige die in weerwil van d' ernstigste recommandatien hunne geweeren niet behoorlijk af gehaald Van Maecasser den gehaald maar de kogels daar op gelaten en boven dien insteede van na de grond in de hoogte geschooten hadden waar door buiten drie boniers ongeluckig en wel doodelijk gequets was de soon van arou biroe het geen ongemeen veel constennatie hadde verwekt so hebbe ik aanstonds aen oppertoek gelast om daar over exeus bij den ma„ aanrang en verdere rijk sgnooten te versoeken die mij weeten lie„ ten dat sij wat hun betraf wel overtuigd waaren dat het een louter ongeluk was dog dat de mindere prncen soo wel als het gemeen niet ligt in dat begrip te brengen maar apparant op uraak souden bedagt weesen en wel principaal op voorm: burg„ hof als het volk gecommandeerd hebbende hebbe ik den boekhouder Deefhout neevens den capitain den maleijead Douderdag den 31. en Jntje Saculla deesen voormiddag weeder bij den mademrang van bonij gesonden om den selven te sondeeren over de middelen om het opgitteren vermelde ongeval op de gemaekelijkste wijse te re„ pareeren waar op hij mij liet weeten daar over met de verdere rijk sgrooten te sullen abouchaeren en mij bescheid te doen gewonden. Invoegen den Tolk passeere des nademiddags bij mij kwam met een boodschap beheesende dat vermits er van sodanigen geval als gitteren gebeurd geen voorbeeld was sij rijks grooten aan mij overlieten
English
From Macasser the left it to me to give such satisfaction as I should deem fit, requesting that I subsequently write to the king about it, upon which I made a promise to give the matter my consideration. The said interpreter having departed with that answer, Intje Sadulla informed me that the Tomilalang had told him secretly that, in case I ordered Ensign Burghof to offer his apology in person to the Madanrang, the matter would likely be considered settled; to which expedient I deemed it necessary to have recourse in the present circumstances, ordering the said Burghof accordingly, once that proposal should be accepted through the chief interpreter Buingman and the Captain. Friday the 1st of August. Ensign Burghof, together with the Captain of the Malays, having ridden this morning to the army before Goa, returned towards noon to report that the Madanrang had accepted my proposal and that the former, having subsequently made his apologies for the mishap that had occurred, that dignitary had thanked me in the name of the king for the satisfaction given, requesting that I might keep the said Ensign here for only one or two more days, in order in the meantime to inform the Boniers of the received satisfaction. Wherefore I have granted the same permission for it. Saturday the 2nd. The Madanrang of Boni sent to me to request that Ensign Burghof might return to the army again, since he had learned that, besides him and the disabled fireworker, there was no one who could throw bombs; to which request I consented and consequently ordered that officer to depart thither again. Sunday the 3rd. Nothing particular occurred. Monday the 4th. In the morning I rode to the army before Goa in order to urge the Madanrang to a speedy resumption of the attack, but arriving there he sent word that he was indisposed, sending the Sulewatang, who undertook to deliver my message to him. Subsequently, Arou Pantjana and the former Ponggawa came to me, merely requesting to know what the intention of the Boniers was with regard to the resumption of the attack, which I informed them I could not yet say, but that I would make it known as soon as I received certain news thereof. In the meantime, upon their proposal, I sent the bookkeeper Deefhout to the former Queen of Tello in order to propose to her to post two companies of her people opposite Goa, in order to prevent the enemy from crossing the river, and that I would then add some men from both of those princes to them; to the former of which she declared herself ready, and also willing to receive people from Arou Pantjana therewith, but asked that I would excuse her from those of the Ponggawa. Tuesday the 5th. Nothing unusual occurred. Wednesday the 6th. [illegible] Thursday the 7th. The emissary Daeng Manginbana came to inform me that the subjects of Sanrabone were preparing several vessels in order to send them to Sumbawa to fetch the Macassar prince and Sumbawa dignitary Karaeng Biladji; upon which report I ordered him to notify the emissary Daeng Mandjanekie, who is stationed at Galesong, to come to me as soon as possible. Friday the 8th. There arrived here in the forenoon from Galesong the Company's ordinary emissary Daeng Mandjanekie, whom, upon the report received from Ensign Burghof concerning the unwillingness of Arou Pantjana and the former Ponggawa to attack Sanrabone, I have sent back to Galesong again with orders not only to keep a watchful eye on what is going on at Sanrabone, Saturday the 9th. but, if possible, to investigate whether the Karaeng has actually surrendered himself against the will of the subjects of Goa, and whether they consequently intend to send vessels to Sumbawa to fetch Karaeng Biladji, and if so, when they intend to dispatch those vessels. Sunday the 10th. Towards evening Ensign Burghof came to report to me that the Madanrang of Boni had informed him that he, together with the other lords of the realm, had set the day of the attack for Monday the 18th of this month, adding, however, that the Europeans would also have to be employed in the capture of Tinginai; that the Datu of Sidenreng, who had previously declared his willingness to capture Tinginai with his men, now made it known that he did not find himself in a position to do so; that the former Ponggawa, having fallen out with Arou Pantjana, considered him suspect of evil intentions, namely that he, together with Karaeng Kanawisi, intended to defect to the enemy, and that the Datu of Sidenreng had also conceived misgivings, of which he, Burghof, testified to have experienced contrary evidence. Monday the 11th. Nothing particular occurred. Tuesday the 12th. Having ridden early in the morning to the army, I requested the Madanrang to come to me, in order to speak further with him about the assault.
Dutch transcription
Van Macasser den overlieten sodanigen voldoening te geeven als ik convenabel soude oordeelen met versoek om daar over aan de koning vervolgens te schrijven op het welke ik toesegging deed mijn gedagten tesullen laeten gaen. gemelde Tolek met dat antwoord vertrocken berigte mij Jntje Sadulla dat den Tomilalang hem institte hadde getegt dat inge„ val ik den vendrig burghofs lastgaf belvs sijn Excus bij den madanrang te maeken aesaak wel voor afgedaan soude gehouden worden tot welk middel ik in de presente omstandigheijd g'on„ deeld hebbet moeten recours neemen den gem: burghof het selve ordonneerende wanneer dien voorslag door den oppertolk buing„ „man en Capitain gedaan sal worden g'amplecteerd. vrijdag den 1: Augustus Den vendrig burghops neevens den Capitain der maleijers deesen morgen na het leger voor goa gereeden kwamen tegen den middag rapporteeren dat den Madamrang mijnen voorslag aangenoomen enden Eerstgemelde vervolgens sijn excus over het begaene ongelukt gemaakt hebbende aien wijks groot mij ii't naam des konings voor de gegevene satisfactie liet bedanken met versoek dat ik gemelde vendig nog maar Eendag of twee hier mogt houden om inmiddens deboniers van de ontfangene satisfactie 278 Van Macasser den zondag „ 3. satisfactie kennisse te geeven. weshalven ik den selven daar toe laast gegeeven hebbe zond opmadamang van borij bij mij om te versoeken datam aturdag den 2: vendrig Burghof maar weeder in het leeger mogt komen ver„ mits hij vernomen hadde dat er buiten den selven en den impo „tentenvuurwerker niemand was die bomben konde werpen in welk versoek ik geconsenteerd en dierhalven dien officier ge„ last hebbe weeder derwaarts te vertrecken. viel niets bijsonders voor Ben ik des morgens na het leger voor goa gereeden omden Maandag „ 4. madanrang aan te spooren tot een spoedige herhaeling van de attacque dog daar komende liet hij mij weeten onpasselijk te sijn sendende den soelewattang, die aannaam hem mijne bood„ schap te sullen doen. vervolgens kwamen anou pantana en de geweesen pongau„ „wee bij mij die enkel versogten te mogen weeten, wat den bomiens intentie was met opsigt tot de herhaaling der attacque tgeen ik hun te kennen gav als nog niet te kunnen seggen dog dat ik het selve soude doen bekend maeken so dra ik daar van see„ kene tijding ontfing Inmiddens Van Macasser den Immiddiens sond ik den boekhouder Deefhout op hun voorstel bij de geweesene koninginne van Tello ten eijnde haarte proponeeren om twee vendels met haare volkeren tegen over goa tepotteeren ten eijnde den vijand te beletten om de revier te passeeren en dat ik dan eenige manschap van beide die princen daar soude bij voe„ „gen tot welk Eerste sij betuigde bereid te weesen en om ook wel volk van arou pantjana daar bij te willen ontfangen dog dat ik haar wilde excuseeren van die van den pongaura Dingsdag den 5 niets sonderlings gepasseerd woensdag„ Donderdag „ 7. kwam de sendeling Danig Mangin banie mij bekkend maeken dat de onderdaanen van sanarabonij verscheijde vaartuigen en gereedheijd bragten om deselve na sumhauwa te senden ter hafhal van de macassaarse prins en sumbauwas rijk sgroot Caing Biladjie op welk berigt ik hem last gaf om den sendeling daig mandhareksie dieop glissong geposteerd is aan te seggen om ten spoedigsten bij mij te komen. vrijdag „ 8 arriveerde hier des voormiddags van glissong sComp: ordinair sendeling Danig mandjanekie die ik op hut ontfangen berigt van den vendrig burghof wegens d'onwilligheijd van arou pantjana in den geweesene pongauwa om sandrabonij te attacqueeren des weeder 279 Van Macasser den weeder na gelissong te rug hebbe gesonden met ondre om miet Saturdag den 9. alleen een oog in't zeijl tehouden water op Sandra bonij om gaat maar om des mogelijk t ondersoeken op den craing lig weesentlijk tegen den zin der onderdaanen van goa begeeven heeft en sij oversulks voorneemens soude sijn vaartuigen ter afhaal van craing biladjie nasumbauwa te senden ento Ja wanneer bij di vaartuigen meenden te depecheeren. Tegen den avond kuam den vendrig burghof mij raporteeren dat denademaang Zandag den 10. van bonij hem hadde laeten bekendmaeken met de overige rijktgnooten den dag van de attacque teegen maandag den 18 deeser bepaald te hebben met aeede bij noe„ ging, egter dat de Europeesen meede tot het inneemen van tinginaij souden diueren teworden g'emploijeen dat ten wadamang adatouang van sedeeming disig ant haare laeten verlinden met de sijne Tinginaij te willen inneemen als nu te komnen gaf sig daar toe niet instaat te bevinden dat aen ge„ weetene pongauwa met arou pantjana in onmin geraakt denselven „schan verdagt tehouden van quaede oogmerken en wel dat hij nevens Caaing Canawissie voorneemens soude sijn na den vijand overtegaan en dat den adatouang van sedeemring meede ngenwolgen soudehebben opgevat waar van hij brughofs betuigde Contrarie blijken ondervonden tehebben niets bijsonders voorgevallen Desmorgond vroeg na het leger gereeden liet ik aemadanrang bij Dingsdag „ 12. mij versoeken ten eijnde met den selven nader te spreeken over het Maandag den 11: aantasten
English
From Makassar the attacking of the enemy, but he requested a delay until the afternoon. In the meantime, the ordinary messenger Daeng Matjaneke came to report that Craeng Sandrabonij was already on the march with a part of his subordinates, with the intention to march inside Goa once again, but that most had refused to follow him, the Regent of the realm and other grandees having declared that they did not wish to break with the Company, and that as far as the vessels lying there were concerned, two of them had indeed departed, but with no other intention than to fetch provisions from the opposite shore. Having dispatched this messenger again with orders to keep further watch, I had notice given of the advance of the aforementioned Craeng to Arou Pantjana, with the request to go out against him with some of his men, which he promised, so that he also marched out, returning in the afternoon at half past three, when he let me know that Craeng Candrabonij was already inside. Subsequently appeared the Mandanrang Tomilalang, a Soelewattang of Bonij, who gave me a verbal promise to begin attacking next Monday, and that they would make the lately arrived royal auxiliary troops, the Tomilalang with his men, those of Sedeenring and Soupa, as well as the Goudatteeren march out from behind Goa to Fingimaij, 284 From Makassar the Wednesday the 13th wherewith he further requested that some Europeans might be attached, which I not only conceded so far as to make them completely satisfied, but moreover I obtained from them that they would relieve the military from the battery before the benting of Datou Baningang together with the cannon, in order to keep all of them together with the cannons with one another for a better defense in case of an unexpected sally by the enemy, which the Mandanrang affirmed he had learned to be their intention. After they had departed, Arou Pantsena and the former pongauwa also came to me, whom I informed of the agreement with the Boniers. Nothing special occurred. I received a short letter from Ensign Burghof from the army of Thursday the 14th Goa, in answer to which, through its bearer, a bookkeeper Deefhout, I ordered the chief interpreter and the mentioned Deefhout to be sent at once in my name to the Mandanrang, in order to request and exhort him in the most pressing manner to send adequate relief to the Tomilalang and Datou of Sedeenring, to dislodge the enemy. In the afternoon I rode to the army to make arrangements regarding Friday the 15th the attacking of the enemy benting Tinginaij against next Monday. Saturday From Makassar the Saturday the 16th. In the afternoon I went again to the army and, among some other necessary arrangements, gave orders to the chief interpreter to inform the chiefs of our native troops of the appointed day of the attack, with the request to keep their subordinates together, and further to go likewise to speak to the Mandanrang and exhort him to take care that the Boniers march out early, in order to act together with our men, and to encourage them as earnestly as possible to show courage according to their promise, since the Europeans will now be with them. Having returned home towards evening, it was reported to me that the Craeengs Cantjelo and Sapana had departed from Goa and had set out on a certain road, with the intention of making an attack here or to betake themselves to Maros. Sunday the 17th. Early in the morning, the bookkeeper Deefhout came from the 283 From Makassar the the army to me, reporting in the name of the chief interpreter how the Mandanrang had declared that he could not consent to send the Boniers by Seero to Tinginaij, but would have them depart from our side, joined with the Europeans. Whereupon I only let him know that he could have his way in this. Furthermore, in the evening I received word that the Captain of the Malays had written to his wife to load all his goods from his house into the vessels lying before it, and that he would subsequently let her know to depart with the same together with the children; whereupon, under promise of a good reward, I quietly had an inquiry made, from which, however, nothing resulted. At two o'clock at night, accompanied by some Monday the 18th volunteers, both clerks and citizens, as well as the corps of Duijters and half of the bodyguard, I rode to the From Makassar the the army, where I arrived at half past two, when a part of our military to the number of eighty heads, alongside twenty-six seamen with two field pieces, were already on the march, as well as our native troops, namely the Datoe of Soping, from Arou Pantsana, he himself being ill, further those of the northern provinces Siang, Labackang, and Sagerie, as well as the Glissongers, Poelembankeengers, and finally the chief interpreter with various subordinate campongs and retainers. Thus it was reported to me by Ensign Burghof that he had already sent several times in vain to the Mandanrang to make the Boniers also march out, as his people had given as answer that he was still asleep and they did not dare to wake him. I therefore immediately sent the under-interpreter to him, with the result that he let know that he would come immediately, which nevertheless took another half hour; finally, however, he appeared and sat down
Dutch transcription
Van Macasserden aantasten van den vijand dog hij versogt uitstel tot des nademiddags jntuschen quam den ondinair sendeling Danig mand Janekeie rap„ porteeren dat Cualng sandra bonij reets mij een gedeelt sijn en onder„ hoorige opmarss was met intentie om andermaal binnen goa te trecken dog dat de meesten geweijgerd hadden hem te volgen den rijks bestiender en andere grooten verklaard hebbende met de Comp: niet te willen breeken en dat wat de daar gelgen hebbende vaartuigen betraf twee van deselve wel vertrocken waaren dog met geen andere intentie dan om mond kost tetaelen van de overwal dien sendeling weeder hebbende gedepecheert met ondre om verder toeligt te houden liet ik vanden op mansch van voorm: Craang kannisse geegeven aan arou pantjana met versoek om met Eenige sijner volkeren op den selven uit te gaan dat hij toeseijde invoegen hij ook uit trok snademiddags om haff vier uuren te rug bo„ „mende wanneer hij mij liet weeten dat Cnareng Candrabonij reets binnen was. vervolgens verscheenen den mandanrang Fomitalamy een soelewattang van bonij die mij watelijk toesegging gaven om aanstaanstaande maandag te wire en attacqueeren en dat sij ut de hunnen bootten goa om na fingi maij souden doen marcheeren de laast gekomene koninglijke hulp troupen den Tomilalatng met sijne volkeren die van sedeenring en soupa mitsgaders de Goudatteerenen waar 284 Van Macasser den woensdag den 13 waar bij hij nog versogten dat eenige Europeesen mogte worden gevoegd dat ik miet alleen ontleijde in soo verre dat sij volkomen te vreede waaren, maar waar en boven ik op hun nog verkrg om de militamen van de batterij voor de benting van datou baningang nevens het canon te ligten ten eijnde alle deselve neevens de Canons bij elk anderen te houden tot een beetere defensie bij een onverhoopten uitval der vijanden dat den madamrang betuigde vernomen te hebben hun voorneemen te weesen. waar na sij vertrocken sijnde de kwamen nog bij mij arou pantsena ende geweesene pongauwa die ik vande over eenkomst met debomiers kennisse gaf viel niets bijsonder. voor ontfing ik een briefje van den vendrig burghof uit hit leger van Donderdag „ 14. goa in antwoord van het welke ik hem door dies brengen een boekhouder Deefhout deed gelatten de oppertolk en gemelte Deefhout ten eersten uit mijn naam bij den madanrang te senden, ten eijnde den selven op het aller instantigte te versoeken en aantemaanen tot het senden van een toereikend secours aan den Tomilalang en datou van sedeemning als door den vijand op te slaan. Ben ik des nademiddags na het leger gereeden om ondre testellen om vrijdag den 15 trend het attacqueeren van de benting der vijanden Tinginaijtiegen aanstaande mandag Zaturdag Van Macadserden Saturdag den 16. hebbe ik mij des nademiddags alweeder na het leger en onder Eenige andere nodige schickingen aan aen oppertolk ordre gegeeven om de hoofden onser Jnlandsche troupen t informeeren vande bepaalde dag der attacqui met versoek om hunne onderhoorige bij elkander te houden en voorts om den madanrang insgelijks te gaan spreeken en aan te maanen om sorge te dragen dat de boniers vroegtijdig komen un't te ruc„ ken ten eijnde met de onsen gelijk te ageeren en deselve so ernstig doenlijk op te wecken tot het betoonen van Couragie na hunne toeseg„ ging also thans d' Europeesen bij hun sullen zijn Tegen den avond weeder 'thuns gekomen wierd mij gerapporteerd dat de Craeengs Cantjelo en Sapana uit goa vertrocken en na seekere op weg geslagen souden weesen met intentie om hier en aanval te doen aan wel om sig na maros te begeeven zondag den 17. smorgens vroegkwam den hoekhouder de efrout uit het 283 Van Macasserden het leger bij mij uit naam vanden oppertoek rap„ porteerende hoe den Madaurang verklaard had„ de, dat hij niet konde overgaan om de Boniers bij seero om na Tignnaij te senden maar deselve met d' Europeesen geconjungeert en dus van onse kant zou doen vertrecken. waar op ik hem eeniglijk weeten liet dat hij daar in sijn zin konde volgen voorts ontfing ik des avonds berigt hoe den Capi„ tain der maleijers aan sin vrouw soude hebben ge„ schreeven om alle sijne goederen van sijn huis in de voor het selve leggende vaartuigen afte scheepen en dat hij haar vervolgens naden soude laeten weeten om nevens de kinderen met deselve te vertrecken waar na ik onder belofte van een goede belooning in stilte ondersoek laten doen dog van 't welk niets geworden is Des nagts. ten twee uuren verseld van Eenige Maandagden 18 vrijwillige so pennisten als burgers mitsgaders het Corps duijters ende helft der lijfwagt naar het Van Macasser den het leger gereeden alwaar ik ten half drie aankwam wanneer een gedeelte onser militairen ten getalle van tagtig koppen neevens ses en twintig seevaarende met twee veld stucken reets soo wel op marsch waaren als onse jnlandsche troupen met naemen datoe soping van arou pantsana hij selfs siek sijnde voorts die van de noorder provintien siang labackang en sa„ gerie mitsgaders de glissongers poelembankeenger en eijndelijk den oppertolk met diverse onderhoorige campongs en lijfvolkeren so wierd mij door den vendrig burghof berigt dat hij reets verscheijde reij„ „sen te vergeefs bij den madanrang gesonden hadde om de boniers ook te doen uit marcheeren also sijn volk ten antwoord hadde gegeeven dat hij nog sliep en sij hem niet derfden op wec„ ken. Jk sond dierhalven aanstonds den ondertolk blij bij hem met dit gevolg dat hij liet weeten dadelijk te sullen komen t geen egter nog wel een half uur aanliep eijndelijk egter verscheenen en geseetenen
English
From Macassar the having sat down, he asked about the purpose for which I had sent to him, in so strange a manner as if he were completely ignorant of what needed to be done, which I nevertheless let pass unnoticed, merely urging him to have his men march with the utmost speed, informing him that our men had already departed at two o'clock. Whereupon he took his leave, promising immediately to issue orders so that my intention would be fulfilled. In such manner it was also learned shortly thereafter that the Boniers began to march out, though just as before proceeding so slowly as if they had plenty of time until the evening. This again caused me to harbor ill suspicions, which the outcome proved to be not unfounded, for our men, having appeared at the designated place very early, waited in vain for their arrival until the sun had already risen. And having subsequently sent several times to the chiefs to come to them, they gave only answers that clearly showed they had no intention of doing so at all, one pretending that he was waiting for From Macassar the the other, and this one again for a third. This caused our men to resolve to undertake the attack without their assistance, which nevertheless once again ended fruitlessly, because practically all our natives stayed behind and the enemy was much stronger than had been expected, both in numbers and with regard to their bentings, so much so that even the hand grenades thrown into them in large numbers could cause little damage. The Europeans having fought again, just as before, with the utmost fury, yet had to retreat, both on account of suffering one dead and twenty-seven wounded, of whom one more has also died, as well as especially because, being deserted by the natives, they ran the danger of being encircled and cut off by the enemy. This indeed would have happened had I not immediately persuaded the said pongawa to create a diversion, who subsequently, together with datoe soping, remained engaged with some enemy troops for a considerable time without any notable advantage or disadvantage to either side, but by which our men returned without further loss, it being then already past noon. Before From Macassar the Before I went home towards sunset, I gave orders to the chief interpreter to remonstrate with the madanrang about the conduct of the Boniers, pointing out to him how, having now in everything followed his wishes, I left it to his judgment to decide to whom the unfortunate outcome of this undertaking was to be imputed, adding how it would have ended even worse if our men had waited any longer for the Boniers, because the enemy was already making preparations to surround them, and specifically the Europeans, who in everything have once again had to bear the brunt, and who would all have been lost; and further to urge him, together with the other grandees of the realm, to deliberate anew what in their opinion could now best be done, in order to communicate their sentiments to me. Toward evening the chief interpreter came to report to me, Tuesday the 19th. having spoken with the madanrang, who had merely excused the staying behind of the Boniers by pretending that they had suffered a lack of powder, and this notwithstanding that 250 lb had been issued to them on the day before the attack, besides what had been provided successively before, of which they could not have used a tenth part if From Macassar the it had been handled properly. Furthermore, he had declared himself of the opinion that a battery ought to be placed in a location from where one could successfully bombard and shell Tinginaij, and meanwhile attack and destroy the surrounding Macassar villages, as well as erect further bentings in order to better enclose the enemy. Regarding this last matter, I ordered the chief interpreter to request him to make speedy progress, letting him know that I hoped shortly to speak with him myself. Wednesday the 20th. In the forenoon the lieutenant of the Malays, Sadulla, came from the army before Goa, reporting to me that according to the reports the enemy was said to have suffered over eighty dead and wounded during the attack, and among the former two princes, without it being known as yet which ones; further, that they were short of powder. Upon this, I ordered him, in accordance with the orders given to the chief interpreter, to urge the madanrang to the speedy erection of bentings closer to Goa, in order to place cannons in one of them to be able to fire upon Tinginaij, and subsequently to request arou pantjana to From Macassar to post himself with his men near Toborong when a benting is constructed there for the protection of the workmen. Meanwhile, it was reported to me by the former lieutenant of the Malays, Intje Marsidon, that the six Saleyerese vessels that had lain in the river of Tope Jawa for some time had been hauled onto the beach there, and the people had gone inside Goa. Toward evening the lieutenant of the Malays, Sadulla, came Thursday the 21st. to report to me that he had spoken with the madanrang, and the latter had told him that he was already in agreement with the Tomialang and soelewattang to erect the bentings closer to Goa, but that they would also confer about it with Datou baringang, who had returned here, and send me a positive answer. In the afternoon the datoe of Soping appeared before me, Friday 22nd. with whom I spoke at length about the conduct of the Boniers during the last attack on Goa, and he admitted that it had been exceedingly bad. Meanwhile, I further requested him to contribute his share toward the construction of a benting on Toborong, which he promised to do and subsequently departed, after which I issued orders to the Lieutenant of the Malays, Cadulla.
Dutch transcription
285 Van Macasser den geseeten sijn de vroeg hij naar het oogmerk waar om ik bij hem gesonden hadde op een so wonderlijke wijs als over hij geheel ignonant was van het geene er moeste gedaan worden t geen ik egter ongemerkt liet hem eenlijk op weekende om de sijne ten allerspoedigsten op marsch te doen gaan onder in formatie dat de onsen reets ten twee uuren vertrocken waaren waar op hij sijn afscheijd versogt met belofte aan„ stonds ordre te sullen stellen dat aan mijne intentie vol„ doen wierd invoegen men ook kort daar op vernam dat de boniers begonnen uit te trecken dog het geen even als bevorens so langsaam voortging als of sij tijd genoeg hadden tot den avond het geen mij al weeder kwaad ver„ „moeden deed opvatten die d' uitkomst getoond heeft dat niet ongegrond geweest is want d'onsen reets seer vroeg op de bestempde plaats verscheenen tot dat de sonne reets gereesen was te vergeefs op hun verschij„ ning gewagt en vervolgens bij de hoofden verscheijde maele„ gesonden hebbende om bij hun te komen gaven sij alleen antwoorden die didelijk aantoonden dat sij sulks gantsch niet in den zin hadden geevende deeene voor dat hij wagte op Van Macdassor den op den ander en deesen weeder op een derde het geen de onsen deed resolveeren om sonder hun bijstand de attacque te onderneemen die nogthans alweeder vrugteloos is afgeloopen door dien genegsaam alle onse inlanders agter bleeven en den vijand veel sterken was dan men verwagt hadde so in getal als met opsigt tot hunne bentings sodanig dat selfs dehandgranaten in meenigte daar in geworpen weijnig schade konden veroorsaeken. hebbende d' Europeesen weeder even als bevoorens met de uitterste furie gevogten dog moeten aftrecken so mits het bekomen van een doode en seven en twintig gekwetten waar van ook nog een overleeden is als bijsonder dat sij van de inlanders ver„ laeten gevaer liepen om van den vijand omcingeld en afgesneeden te worden dat in der daad soude geschied sijn had„ de ik aen geweesen pongauwa niet aanstonds overgehaeld om een afwending te maeken die vervolgens neevens datoe soping nog een geruimen tijd met Eenige vijandelijke trou„ „pen slaegs bleeven sonder eenig merkelijk voor of nadeel aan d' een of andere sijde dog waar door de onsen sonder verder verlies te rug kwamen sijnde doen reets over den middag voor 287 Van Macasser den voor dat ik mij tegens sons ondergaang na huis begaf, gaf ik laast aan den oppertoek om den madanrang over het gedrag boniers t onderhouden hem voorstellende hoe ik nu in alles sijn sin gevolg hebbende aan hem over liet t oordeelen aan wie de ongesuckige uitslag deeser onderneeming t imputeeren was met bijvoeging hoe het nog slimmer soude afgeloopen sijn wanneer de onsen nog langer op de boniers gewagt hadden ten saake den vijand reets toeleg maakte om haar in te sluiten en welomnde. Europeesen die in alles alweeder het pit hebben moeten afte suijden wanneer t' allen souden weg geweest sijn en hem voorts aan te maanen om neevens de overige rijksgrooten op nieuw t overleggen wat hunner oordeels thans best gedaan soude kunnen worden ten eijnde mij hun sentiment meede te deelen. Tegen den avond kwam den oppertolk mij rapporteeren met Dingsdag den 19. den madannang gesproken te hebben die het agter blijven der boniers enkelijk verschoond hadde met een voorgeeven dat sij ge„ brek aan kruit hadden gehad en sulks niet jegenstaande aan deselve daags voor d'attacque nog 250 lb sin afgegee„ „ven behalven het sucessive bevoorens verstrekte, daar sij geen tiende gedeelte van hebben kunnen gebruiken so 'er na Van Macasser den na behooren meede geleeft was. wijders hadde hij verklaard van gevoelen teweesen dat men een batterij diende te leggen op een plaats van waar men met succes Inigimnaij beschieten en bembandeeren konde en om intusschen de omgelegene maccassaerde negorijen aan te taesten en te vernielen mitsgaders om nog verder bentings op te werpen ten eijnde den vijand beeter intesluiten met welk laatste ik den oppentoek beval hem te versoeken maar spoedig voortgang te maaken onder te kennen gave dat ik hoop te eerlange hem selfs tepreeken. woonsdag den 20. des voordemiddags kwam den luitenant den malaijers sadulla uit het leger voor goa mij rapporteerende dat den vijand volgens de berigten ruijm tagtig dooden en gequetten bij de attacque be„ komen soude hebben en onder de eerste twee princen sonder dat me„ voor als nog witt welke dat hij voorts gebrek hadde aan kruit. Jk hebbe hem hier op gelast om over een komstig de gegeevene ordre aanden oppertoek den madanrang aan te maanen tot het spoedig opwerpen van bentings nader bij goa ten Eijnde in een derselve Canons te kunnen plaatsen om Tinginaij te kunnen beschieten en vervolgens om arou pantjana te versoeken om 289 Een Van Machsser dim sig met de sijne te potteeren bij Toborong wanneer daar en ben„ ting word aangelegt ter bescherming van de werklieden. ondertusschen wierd mij door den oud lieutenant der maleijers Jntje Marsidon gerapporteerd dat de ses saleijereese vaartui„ „gen die voor Eenigen tijd in de rivier van Tope Jawa ge„ leegen hebben aldaar op strand gehaald waaren en het volk sig binnen goa begeeven hadde. tegen den avond kwam den luitenant aen maleijers sadulla Donderdag den 21. mij berigten dat hij met den madanrang gesproken en deese hem gesegt hadde met den Tomialang en soelewattang reets eens te weesen om de bentings nader bij goa op te werpen dog dat sij Datou baringang die na herwaarts was gekeerd daar over meede aboucheeren en mij positie antwoord senden souden Des nademiddags verscheen den datoe van soping bij mij vrijdag „ 22: die ik breedvoerig onderhield over het gedrag den Bomord bij de laatste attacque op goa en bekende dat ten hoogsten slegt was geweest Terwijl ik hem verder versogt om het sijne te Contribueeren tot aanleg van een benting op Toborong het welk hij toeseijde en vervolgens vertrok waar na ik aan den Lieutenant der Maleijers Cadulla ordre
English
From Makassar the gave order to likewise request and persuade the madanrang as well as arou pantsana and the former pongauwa in my name to immediately make a beginning with raising the aforementioned benting. Saturday the 23rd In the afternoon saaulla came to report to me that the aforementioned princes had promised to comply with my request. Sunday 24th to Thursday 28th nothing of particular importance occurred. Friday 29th the King of goa sent to request an audience with me for tomorrow, which I however granted for next Monday. In the afternoon the bookkeeper Deefhout came to inform me in the name of the chief interpreter how he, having questioned the madanrang in conformity with my order as to what he now intended to do with regard to the enemy, that grandee of the realm had declared that the Boniers would attack his bentings on the south-east side of Tingimaij next Sunday or at the latest Monday, in order to dislodge him from there. In the 294 From Makassar the In the afternoon arou pantsana came to pay me a visit after having requested access, in which nothing of importance was discussed. Saturday the 30th In the afternoon I received a visit from the former pongauwa, with whom I spoke at length about the state of affairs concerning the siege, though with little effect, as all his statements amounted to matters of no consequence. Sunday 31st it was reported to me by a confidant that Craeeng bonto panno, father-in-law of the Bonian pongauwa datou baringang, who according to the reports retreated from goa a few days ago, is said to be currently at soelitanga, his said son-in-law having had him brought thither, who would request a pardon for him. Monday the 1st of September The King of goa having appeared before me this forenoon, he indicated that he had principally come to inquire after my health, so that it also became apparent that he had nothing special to say, whilst with regard to the enemies, with whom it is alleged he still secretly colludes, I could not discover anything. Just From Makassar the Just before he took his leave he nevertheless requested to go and live in the village of Samalaba situated above oedjong Tanna instead of at Matouangie, which I rejected while refuting the reasons brought forward for that purpose, as this change of residence would serve no other purpose than to be less closely observed and to have more freedom to plot. Tuesday the 2nd to Friday the 5th nothing remarkable occurred. [illegible] Annexes belonging to the Received Secret Letters and Daily Register of Makassar 1777. A. La. the separate letter and the Daily Register of Castle Rotterdam dispatched on the 22nd of September Anno 1777: — Register of the Annexes belonging to the No. 1: Translation of a Bugis letter written by the former Bonian Pongauwa Lakasie to the captain of the Malays Abdul Cadier without date, Page 1 2: ditto written by the lieutenant of the Malays Intje Sadulla to the Samtreka pris poecama Petia dated November 1776, Page 5 3: ditto written by the former Bonian pongauwa lacasi to the Captain of the Malays Abdul Cadier without date, Page 7 4: ditto written by the King of Tanette to the Captain of the Malays abdul cadier 5 Letter from the lord governor to the chief interpreter Gerrit Brugman dated 10 November 1776, Page 17 6: Reply from the chief interpreter Gerrit Brugman to the lord governor dated 21 November 1776, Page 19 7: Translation of a Bugis letter written by the King of Tanette to the lord governor dated 16 November 1776, Page 21. 8 Letter from the lord governor to the chief interpreter gerrit Brugman dated 25 November 1776, Page 23. 9 Reply from the chief interpreter gerrit brugman to the lord governor dated 28 November of the same year, Page 25. 10 Translation of a Bugis Letter written by the datoe of soping to the lord governor dated 16 November 1776, Page 31. 11: Translation of a Bugis letter written by the King of Tanette to Datoe soping without date, Page 37. No. 12. Letter from the lord governor to the chief interpreter gerrit brugman dated 3 November Anno 1776, Page 39 13. ditto from the junior merchant and Maros resident Theodorus Bosch to the lord governor dated the ultimate of November, Page 41. 14: Reply from the lord governor to the Maros resident Theodorus Bosch dated 2 December 1776, Page 45 15 Letter from the lord governor to the lord governor in Amboina Bernardus van Pleuren dated 4 December 1776, Page 47 16 Report from the chief interpreter gerrit Brugman dated 4 December 1776, Page 49 17. Letter from the lord governor to the Datou of sopping dated 6 December 1776, Page 57. 18 ditto from the junior merchant and Maros resident Theodorus bosch to the lord governor dated 5 December, Page 65 19 ditto from the very same to the lord governor dated 12 December, Page 69 20 Translation of a Bugis document written by the collective Bonian grandees to the lord governor without date, Page 71 21: ditto letter written by the King of Tanette to the same as above dated the 9th day of the month Dhu al-Qadah in the year 1190, Page 73 22. ditto reply from poeaina T. Asia alias arou pantjana to the above translation of the letter without date, Page 75 23 ditto of a Macassar written order from the King of goa given to his Shahbandar and subsequently handed over to the commissioner Willem van Burghoff, Page 77. 24. Letter from the Commissioner the Ensign Willem van Burghoff and associates to the lord governor dated 25 December 1776, Page 79 25. Reply from the lord governor to the said Commissioner van Burghoff and associates dated 28 December, Page 83.
Dutch transcription
Van Macasser den ordre gaf om den madanrang so wel als arou pantsana en den geweesen pongauwa uit mijn naam insgelijks te versoeken en te persuadeeren om aanstonds een begin te maeken met het opwerpen van de voorm: benting Zaturdag den 23 Snademiddags kwam saaulla mij rapporteeren dat opgemelde princen hadden beloofd aan mijn versoek te sullen voldoen. Zondag „ 24 tot is niets van bijsonder belang voor gevallen. Donderdag, 28 vrijdag „ 29 liet dekoning van goa belet bij mij vragen tegen morgen dog t welk ik tegen aanstaande maandag g'accordeerd hebbe snademiddags kwam den boekhouder Deefhout mij ii't naam vanden oppertolk berigten, hoe denselve Conform mijne ordre den madanrang ondervraagd hebbende wat hij tand voorneemens was ten opsigte vanden vijand te doen dien rijksgroot betuigd hadde dat de boniers aan„ staande zondag of ten uittersten maandag desselfs bentings aan de Zuid oostkant van Tingimaij soude attacqueeren ten eijnde hem van daar te vernestelen Des 294 Van Macasser den Des nademiddags kwam na versogt acces een visite bij mij afleggen arou pantsana waar in niets van belang ver„ handeld is Des nademiddags ontfing ik een visite van den geweesen pn Zaturdag den 30 gauwa met den welken ik in 't breede spraak over de gesteldheid van saeken betreckelijk tot de beleegering dog met weijnig vrugt also alsijn gesegdens uit kwamen op sacken niet om het lijf hebbende wierd mij door een vertrouwe gerapporteerd dat Craeeng zondag „ 31: bonto panno schoon vader van den bonijs pongauwa datou baringang volgens de berigten voor weijnige dagen uit goa geweeken thans op soelitanga soude weesen sijn gemelde schoon soon hem derwaarts hebbende laeten brengen die voor hem pardon versoeken soude Dekoning van goa deesen voormiddag bij mij verscheenen sijnde Maandagp:s Septemb=r gaf hij te kennen principaal gekomen te weesen om na mijne welstand te informeeren invoegen ook bleek dat hij niets bij sonder te seggen hadde terwijl ik met betrekking tot de vijanden waar meede men wil dat hij als nog bedecktelijk soude heulen niet in't sun krijgen konde. Even .. Van Macasserden Even voor dat hij afscheijd nam versogt hij nogtans om op de negoryj Samalaba boven oedjong Tanna geleegen insteede van op Matouangie te gaan woonen 't geen ik onder weeder„ legging van de ten dien eijnde bijgebragte redenen van de hand hebbe geweesen vermits dit oelogement nergens anders toe soude dienen als om niet so na onder het oog te zijn maar meer vijheijd te hebben om te konkelen Dingsdag den 2 tot is niets sonderlings gepasseerd. vrijdag „ 5 Lakken H Caler oz G JDHo Niget Lagen DG gehoorende tot de Ontvangene Sicrete Brieven en Dagregister van Maccassar 1777. A L„a de aparte brief en het Dagregister des Casteels Rotterdam afgesonden den 22. September A:o 1777: — Register der Bijlaegen gehoorende tot N: 1: Translaat bougineese brief geschreeven door de geweese bonyse Pongauwa Lakasie aan den capitain maleijers Abdul Cadier sonder datum „1 geschreeven door den luitenant maleijers Intje Sadulla aan de Samtreka pris poecama Petia geb:t november 176 „5 geschreeven door de gew: benijse pongauwa lacasi aan den Capitain maleijen Abdul Cadier sonder datum „ 7 geschreeven door den koning van Tanette aan den Capi„ tain maleijers abdul cadier 5 Brieff van den heer gouverneur aan den oppertolk Gerrit Brugman ged: 10 Noovrmbo„ 1 „ 6: antwoord van den oppertolk Geri Brugman aan den heer gouverneur ges:t en No: 176 1: 7: Translaat bouginees brief geschreeven door den koning van Tanette aan den heer gouverneur de dato 16 november 1776. . . . „ 21. „ 8 Brief aan den heer gouverneur aan den oppentolk gerrit Brugman ged:t 25: Neo„ vember 1776 „23. „ 9 antwoord van den oppertolk gerrit brugman aan den heer gouverneur de dato 28 november deselve Jaar - „ 25 . „ 10 Translaat Boegineese Brief geschreeven door datoe van toping aan den haer goin„ verneur ged:t 16 november 1776 . „ 31 „ 11: Translaat Boegineus. brief geschreeven door den koning van Tanette aan Datoe so„ ping sonder datum - - - 137 2: -„ _o _ „ 3: „ 4 _. o „ „ „ „ - Pag: N:o 12. brief van den heer gouverneur aan den oppertolk gerrit brugman de dato 3 November A:o pa„o 39 „ 13. _o „ „ onder koopman en manos resdent Theodorus Bosch aan den heer gouverneur „ 14: antwoord van den heer gouverneur aan den maros resident Theodorus Bosch ged=t 2: December 1776 ged:t ult:o november - - - - - „ 41. „ 15 brief van den heer gouverneur aan den heer gouverneur te amboina Bernardus van Pleuren de dato 4. december 176 - - - „ 47 „ 1s berigt van den oppertolk gerrit Brugman get:t 4: december 1776 . . . „ 49 „ 17. brief van den heer gouverneur aan den Datou van sopping ged:t 6 december 1716 „ 57. „ 18 _o van den onderkoopman en maros resident Theodorus bosch aan den heer gou„ verneur ged:t 5: december - - - - - „ 45 „ 19 _o van als even aan den heer gouverneur de dato 12: december. „ 20 Translaat boegineesche geschrift geschreeven door de gesamentlijke bouijte grooten aan den heer gouverneur sonder datum - - - „ 71 „ 21: _o „ brief geschreeven door de koning van Tanett aan als boven ged: 9 dag van de maand dulkhaijda int Jaar 190 „73 „ 22. _o - - „ - . antwoord van poeaina T. Asia /alias / arou pantjana op de boven„ staande Translaat brief sonder datum . „ 75 „ 23 _:o van een macassaarsche schriftelijke ordre van den koning van goa gegeeven aan desselfs Sjabandhaar en vervolgens aan den commissiant willem van Burghoff terhand getelt„ 77. „ 24. brief van den Commissianten den vaandrig willem van Burghof C: s: aan den heer gouverneur de dato 25 december 1776. . . . „ 79 „ 25. Aantwoord van den heer gouverneur aan gem: Commissiants:s van Binghoff C: S: de dato 28 december „65 . . . „83. pag: N:o „ 69
English
Page: Page 85 No. 26 Letter from the commissioner, Ensign W: van Burghoff, et al., to the Lord Governor, dated 28 December No. 27 Ditto from the above to the Lord Governor, dated 29 December 1776, Page 91 No. 28 Ditto from the Lord Governor to the aforementioned commissioner, Ensign W: van Burghoff, et al., dated 31 December, Page 93 No. 29 Ditto from the commissioner W: van Burghoff, et al., to the Lord Governor, dated 30 December 1776, Page 95 No. 30 Answer from the Lord Governor to the aforementioned commissioner W: van Burghoff, et al., dated the first of January 1777, Page 103 No. 31 Letter from the Lord Governor to Arou Panjana, dated 1 January 1777, Page 105 No. 32 Ditto from the commissioner W: van Burghoff, et al., to the Lord Governor, dated 3 January 1777, Page 107 No. 33 Ditto from the commissioner W: van Burghoff to the same, dated as above, Page 113 No. 34 The answer to this from the Lord Governor to the aforementioned commissioners W: van Burghoff, et al., dated 7 January, Page 115 No. 35 Letter from the Junior Merchant and Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 7 January, Page 117 No. 36 Message from the Lord Governor to the Tanette Prince Joeanna J: Asia on the 10th of January, Page 119 No. 37 Answer from Pocanna J: Asia to the Lord Governor regarding the grievance of the King of Tanette, without date, Page 121 No. 38 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 12 January 1777, Page 123 No. 39 Ditto from the above to the Lord Governor, dated 13 January, Page 125 Page: No. 40 The answer to this from the Lord Governor to the Maros Resident Theodorus Bosch, dated 14 January, Page 127 No. 41 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 15 January 1777, Page 129 No. 42 Ditto from the same to the Lord Governor, dated 19 January, Page 131 No. 43 Ditto from the above to the same, dated 25 Ditto, Page 133 No. 44 The answer to this from the Lord Governor to the Maros Resident Theodorus Bosch, dated 29 January, Page 137 No. 45 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 3 February 1777, Page 139 No. 46 Ditto from the same to the Lord Governor, dated 8 February, Page 143 No. 47 Translation of a Buginese letter written by the former Bone Punggawa Lakasi to the Captain of the Malays, Abdul Kadir, without date, Page 147 No. 48 Letter from the Lord Governor to the Maros Resident Theodorus Bosch, dated 10 February, Page 149 No. 49 The answer to this from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 16 February, Page 151 No. 50 Claim of the Court of Bone against the former Punggawa of Bone, Lakasi, dated 10 February, Page 157 No. 51 Answer to the aforementioned claim of the Court of Bone, Page 159 No. 52 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 24 February 1777, Page 175 No. 53 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 1 March 1777, Page 179 No. 54 The answer to this from the Lord Governor to the aforementioned Maros Resident Theodorus Bosch, dated 7 March, Page 183 No. 55 Letter from the Maros Resident Theodorus Bosch to the Lord Governor, dated 11 March, Page 185 No. 56 Translation of a Buginese letter written by the former Bone Punggawa Lakasi to the Captain of the Malays, Abdul Kadir, dated 10 March, Page 189 No. 57 Report in the form of a daily journal kept by the commissioner, Sergeant Johan Christoffer Heynbach, regarding the spice extirpation in Buton, from 22 January 1776 to 28 March 1777, Page 191 No. 58 Translation of a Malay letter written by the King and grandees of Buton to the Lord Governor and Council at Makassar, dated the 25th day of the month of Shawwal in the year 1190, Page 209 Page: No. 59 Letter from the Commander at Bima, Alexander Le Cerff, to the Lord Governor, dated 28 February 1777, Page 219 No. 60 Report made by the Junior Merchants Claas Kraane and Alexander Rokelet regarding their experiences on commission to Gowa, dated 1 April 1777, Page 225 No. 61 Instruction for Sergeant Johan Christoffel Heynbach departing for Buton for the eradication of clove and nutmeg trees, dated 18 April of last year, Page 229 No. 62 Letter from the Lord Governor to the King and grandees of Buton, dated 3 April 1777, Page 235 No. 63 Letter from the Lord Governor to the Commander at Bima, Alexander Le Cerff, dated 18 April 1777, Page 243 No. 64 Ditto from the Lord Governor to the Kings of Bima, Dompu, Tambora, Sanggar, and Pekat, together with their grandees, dated as above, Page 249 No. 65 Report made by the Junior Merchant Alexander Rokelet and Bookkeeper George Bremer regarding their experiences on commission to Gowa, dated 24 April of last year, Page 251 No. 66 Letter from the Junior Merchant and Bulukumba Resident Simon Monsieur to the Lord Governor, dated 4 May of this year, Page 253 No. 67 Ditto from the Sergeant at Maros, Jacob Albregt Landorp, to his Resident, Theodorus Bosch, dated 8 May of this year, Page 255 No. 68 Ditto from the above to his Resident, T: Bosch, dated 9 May, Page 257 No. 69 Ditto from the same to the Lord Governor, dated 10 May, Page 259 No. 70 Ditto from the Lord Governor to the Junior Merchant and Maros Resident Theodorus Bosch and the Military Lieutenant Johan Marten Bosserman, dated 11 May 1777, Page 261 No. 71 Ditto from the same to the Bookkeeper and Resident of Selayar, Jan Hendrik Voll Junior, dated 13 May, Page 265
Dutch transcription
Pag: . „85 N:o 26 Brief van den Commissianten den vendrig w: van Burghof C: s: aan den heer gouverneur de dato 28 december „ 27: _„o van als boven aan den heer gouverneur de dato 29 december 1776 „ 28 _o van den heer gouverneur aan den bovengem: Commissianten den vendrig w: van Burg„ hoff C: s: de dato 31: december „ 29 —:o van den Commissianten w: van burghoff C: s: aan den heer gouverneur de dato 30: december 1776 „ 30: antwoord van den heer gouverneur aan bovengem: Commissianten w: van burgh off c: s: ged:t Eersten Januarij 1777. „ 31: brief van den heer gouverneur aan aroupan tjana, de dato 1: Januarij 1777 - . „ 105 „ 32 —:o van den Commissianten w: van burghoff C: s: aan den heer gouverneur de dato 3: Januarij 1717 „107. „ 33 —o van den Commissiant w: van Burghoff aan als eeven de dato als boven - - „ 113 „ 34 het antwoord hier op vanden heer gouverneur aan de bovengem: Commissianten w: van Burghof C: s: de dato 7: Ianuarij . „ 115 „ 35 Brief van den onderkoopman en maros resident Theodorus Bosch aan den haer gouverneur de dato 7: Ianuarij „ 36 boodschap van den heer gouverneur aan den Tanets Prins Ioeanna: I. Asia op den 10 Januarij - -- „117. „119 „ 37. antwoord van pocanna J: Asia aan den heer gouverneur op de doleantie van den koning van Tanette sonder datum - - - - „ 121. „ 38 brief van den maro. resident Therdorus Bosch aan den heer gouverneur de dato 12: Januarij 1777. „ 39 _o van als boven aanden heer gouverneur de dato 13: Januarij - . . „ 125. „123. „ 103. „95 - . . . . . 191 . .. .. . „93. . „ . - . - Pag: N=o 40 het antwoord hier op van den heer gouverneur aan den manos resident Theodonus Bosch Bosch de dato 14 Januarij „ 41 brief van den maros resident Theodorus Bosch aan den heer gouverneur de dato 15 Janu:„ 1729 „ 4: — van als even aan en heer gouverneur geb:t 19: Januarij - - - . - „ 131 „ 44. het antwoord hier op van den heer gouverneur, aan den maros resident Theodorus Bosch de dato 29 Ianuarij N. Brief van denmaios resident Theodouus Bosch aan den heer gouverneur de dato 3: sen bauarij 1757. - - - „ 43 _o „ „ boven „ „ „ _o „ 25 _o - --„ 127 „ 46 _o van alseven aan den heer gouverneur ged:t 8: februarij „ 47 Translaat boegineese brief geschreeven door de gew: bonijte poengauwa Lakasie aan den Capitain der maleijer abaul cadier sonder aatum „ 147 „ 40. brief van den heer gouverneur aan den maros resident Theodorus bosten de dato 10 febr: „149 „ 49 het antwoord hier op van den maros resident Theodorus Bosch aan den heer gouverneur de dato 16 februarij 50 pretentie van het hops van bomn, op den gee: pongauwa van bonij lakasi gest 10 ebr „ 1 5 „ 51 antwoord op de gemelde preetentie van het hof van bonij „159 „ 52 brief van denaros resident Theodrus Bosch aanden heer gouverneur de dato 2= febr 17„ 175 „ 53. brief van den maros resident Theodorus Bosch aan den heer gouverneur de dat p:r maart J726„ 17 „ c4 het antwoord hier op van den heer gouverneur aan gem: maros resident Theodorus Bosch ged:t 7: maart „ 55. brief van den mavos resident Therdonus Bosch aanden heer gouverneur de dato 1: mat„ 185 „ 56 Translaat Bougineete geschreven door den gew: bonijs pongauwa Lakatie aan den Caitaij 182 o der maleijers abdul adeen ged:t 10 maart - - - „ 189 „ 57. rapport bij forma van dagregister gehouden door den Commissiant den sergeant Johan Christoffer Heijnbach wegens despecerij Extirepatie te bouten van den . - - - . . . . „183. „139 - - - „ 137. 24 . . . . . „ 133. „ 143. - . „ 151 - . Rag: . „ 191 „59 brief van den Commandant te bima Alexander Lecerp aan den heer gouverneur de dato 28. februarij 1757: „ 60 rapport gedaan door den onderkooplieden claas kraane en Alexander Roklet wegens desselfs weedervaarende in commissie nagoa gd:t 1 apil 17„ 25 „ 6„ Jntuctie voor den sengiant Johan Chwitoffel gjod vertreckende maar bouten ter uitwaiging van nagel en noote boomen ged: 18 april J: L: . . . . „ 229 gt „ 62. Brief vanden heer gouverneur aanden koning en rijksgrooten van bouton ged:t 3 april 10„ 35 „ 63. brief van den heer gouvenneur aan den commandant te bima Alexanden Lecrps de dato 18 april 174„ 43. „ 64. —=' van den heergouverneur aan ekomigen van bina dompo Sambona san kJan en pekat nevens derselver rijksgrooten de dato als even „ 65 aapport gedaan door den onderkoopman Alexander Rotelet en Boekhouder george Bremer we„ „gens desselfs weeder vaerende en commissie na goa ged=t 24 april J:o L. „ 251. „ 66 brief van den onderkoopman en boelecombas resident SimomMonsieur aan den heer gouverneur de dato 4: meij deeses Jaars „ 253. „ 67 _=o „ - „ Sergiant te maros Jacob albregt landorp aan desselfs resident, Therdorus Bosch de dato 8: meij J:o E: „ 68 _:o van als boven aan desselfs resident I: Bosch de dato 9: meij „ 69 — „ „ even aan den heer gouverneur de dato 10 meij. „ 70 _' „ „ den heer gouverneur aan den onderkoopman enmaros resident Theodorus bosch en den Luitinamn militair Johan Marten Bosserman de dato reneij 161. „ 71 _=o van als even aan den boekhouder en resident van Saleijer Ian Hendrik voll Sumior de dato „ 249 - - - - - - - . „219 . . - - - „ 209 22. Ianuarij 1776 tot den 28 maart 1777 „ 58. Translaat maleijtsche brief geschreeven door den koning en rijks grooten van bouten aan den heer gou„ verweur en raad te macasser de dato 25 dag vande maand sauwval in't Jaar 190 13 maij „ 265 1:o - - - . „255 . „257. - - - - - - „ 259.
English
No. 72. Letter as above to the junior merchant and Boelecomba resident Simon Monsieur, dated as above, page 167 No. 73. Ditto as above to the lieutenant commandant Alexander Lecerf, dated as just mentioned, page 269 No. 74. Ditto as just mentioned to the kings of Bima, Dompo, Tambora, Sanggar, and Pekat, dated as page 271 No. 75. Circular letters from the Honorable Governor and Council to the residents of Boelecomba and Saleijer, dated 14 May 1757, annexed with an ordinance for the commanders of any ship or ships that might pass there, page 273, annex page 275 No. 76. Account given by the Company's subject Jalla, dated 15 May [illegible], containing some report regarding the rebels, page 277 No. 77. Translation of a small Makassarese short note from the second Shahbandar of Goa delivered to the chief interpreter and the captain of the Malays, received 16 May 1757, with the reply given thereto, page 285 No. 78. Letter from the junior merchant and Boelecomba resident Simon Monsieur to the Governor, dated 17 May of this year, page 287 No. 79. The reply hereto from the Governor to the aforementioned resident Simon Monsieur, dated 19 May last, page 291 No. 80. Translation of a Bugis letter written by Daeng Matona to the Governor, without date, page 293 No. 81. Account given by the Peranakan Chinese Intje Raos, dated 19 May last, containing a report regarding the rebels, page 296 No. 82. Ditto by Bandia, Company's subject, dated 20 May, containing the same, page 300 No. 83. Translation of a small note written by Poeanna Issia to the Governor, without date, page 303 [illegible] from the Watangmampan to the Governor, without date, page 307 Translation of a note from the King of Loewoe, dated 2 May, concerning his goods, page 315 No. 88. Letter from the junior merchant and Boelecomba resident Simon Monsieur to the Governor, dated 24 May last, page 317 No. 89. Ditto from the Governor to Boelecomba resident Simon Monsieur, dated 29 May, page 321 No. 90. Translation of a Makassarese letter from the King of Goa to the Governor, without date, page 323 No. 91. Written as above to the Governor, without date, page 325 No. 92. Letter from the commissioners Ensign Jan Paul Jacob Dresler and Carel Christiaan Braauw to the Governor, dated 1 June 1777, page 327 No. 93. The reply hereto from the Governor to the same as above, dated 2 June, page 329 No. 94. Translation of a Makassarese letter written by the Queen of Tello to the aforementioned Punggawa Lacasie, without date, page 331 No. 95. Verbal reply from Lacasie to the aforementioned Queen of Tello, without date, page 333 No. 96. Letter from the bookkeeper and Saleijer resident Jan Hendrik Voll Junior to the Governor, dated 2 June, page 335 No. 97. Letter from the Governor to the King of Boni, dated 4 June [illegible], page 339 No. 98. Insinuation to the King and nobles of the realm of Goa, dated 5 June of this year, page 341 No. 99. Letter from the junior merchant and Boelecomba resident Simon Monsieur to the Governor, dated 2 June, page 345 No. 100. Ditto from the junior merchant and Boelecomba resident Simon Monsieur to the Governor, dated 8 June, page 347 No. 101. The reply hereto from the Governor to the aforementioned Monsieur, dated 10 June 1777, page 349 No. 102. Translation of a Makassarese letter written by Toanna Latanno, Anro Pantjana, and the Malay Captain to the Governor, dated 13 June, page 351 Annex: No. 85. Insinuation in the name of the Company and Boni made to the Head of Goa, dated 24 May, page 307 No. 86. Letter from the Governor to the Sawitto Prince Poeanna Ishia, dated 23 May last, page 309 No. 87. Account given by the Chinese Jan Haijlo, dated 25 May, regarding murders committed against certain Chinese, page 311 No. 103. Translation of a Makassarese letter written as just mentioned to the Governor, without date, page 353 No. 104. The reply from the Governor to the aforementioned Anro Pantjana et al., dated 16 June 1777, page 355 No. 105. Letter from Commandant Johannes Dieterich to the Governor, dated 16 June, page 357 No. 106. The reply hereto from the Governor to Commandant Johannes Dieterich, dated 16 June, page 361 No. 107. Letter from the Governor to the Boni Matinroe, dated as above, page 363 No. 108. Ditto from Commandant Johannes Dieterich and chief interpreter Gerrit Brugman to the Governor, dated 17 June, page 365 Translation of a Makassarese document written by the Matinroe to the Right Honorable Governor, dated 17 June last, page 367 Report from junior merchant Alexander Roselet and bookkeeper Bremer regarding a completed mission to Goa, dated 17 June, page 369 Letter from Commandant Johannes Dieterich to the Governor, dated 17 June 1777, page 373 Letter from military Ensign Willem van Burghoff to the Governor, without date, page 375 Ditto from the Governor to military Captain Johannes Dieterich, dated 17 June 1777, page 377 Ditto from military Ensign Willem van Burghoff to the Governor, without date, page 379 Ditto from the Governor to military Captain Johannes Dieterich and Ensign Willem van Burghoff, dated 18 June 1777, page 383 From as above to military Captain Johannes Dieterich and Ensign Willem van Burghoff, dated as just mentioned, page 385 Ditto from military Captain Johannes Dieterich and chief interpreter Gerrit Brugman to the Governor, dated 18 June, page 387
Dutch transcription
N:o 72. brief van als boven aan den onderkoopman en boelecombas resident Simon Monsier de dato als boven 167 „ 73 —:o „ „ vooren aan den luitenant Commandant Alexander Lecerp de dato als even - - „ 269 „ 74 _:o „ „ even aan den koningen van bima Dompo Tambona sankar en pekat de dato als „271 „ 75 Carculaire brieven van dehe gouverneur en raad ande residenten van belec ombar entaleijne „273 de dato 14 maij 1757 annex Een ondonnantie voor de overheeden van schip of scheepen daar mogten pas„ „ 275 seeren - „ 76 relaas gedaan door sComp: onderdaan Jalla ged:t 15: maij 7: E: houdende eenige berigt ontrend de rebellen „277. „ 77. Iaan slaat van een kleijn macaser kantabelletje door den tweede Gabandhaar en goa gekhueren aan den opertolk en den capitain der maleijers ontfan„ „gen den 16 maij 1o5t met het daar op gegeeven antwoord „ 285 „ 78. Brief van den onderkoopman en Boelerombas resident Simon Monierin aan den heer gouver„ „neur de dato 17: maij deses Jaars - - - . „ 287. „ 79 het antwoord hier op van den heer gouverneur aan de gem: resident Simon Monsieur de dato 19 maij J:L: „ 291 „ 80 Translaat bougineese brief geschreeven door Daeng Matona aan den heer gouvenneur Conder datum.. „ 293. „ 81 relaas gedaan door den parnackang Chinees Jntje raos gev:t 19 maij VL: houdende berigt omtrendi re bellen „ 296 „ 82 _:o „ „ Bandia scomp: onderdaan ged:t 20 maij houdende het selve - - „ 300 „ 83 Translaat van een kleijn Cedeltje geschreeven door poeanna Issia aan den heer gouven„ „303 neur sonder datum 1 / 1 odsia van den watemang anden e uvenun ondedn tin 5 even . : - .. . Pag: . . Pag 307. „347: Translaat notitie van den koning van zoewoe ged:t 2: maij voor wegens derselven goederen 3 15 „ 88 brief aan den onderkoopman en Boelecomba resident Simon monsieur aan den heer gouverneur de dato 24 maij I: L: „ 89 _o aan den heer gouverneur aan boelecombas resident Simon Monsieur gedt 29 maij - . „ 321 op Translaat maccasaanse brief van den koning van goa aan den heer gouverneur sonder datum „ 323. „ geschreeven van als boven aan den heer gouverneur sonder datum „ 325 „ 92 brief van den commissianten de vaandrigs Jan Paul Jacob Dresler en Cavel Christiaan Braauw aan den heer gouverneur de dato 1: Junij 1777 - . . - - - „ 327. „ 93. het antwoord hier op van den heer gouverneur aan als boven de dato 2: Junij „ 94 Translaat macassaarse brief geschreeven door de koningin van Telle aan den gew: Pongauwa Lacasie sonder datum „9: - - - -„317. „ 95' mondelinge antwoord van Lacasie aan bovengem: koningin van Tello sonder datum - „ 96 Brief van den boekhouder en Saleijers resident Jan hendrik voll Junior aan den heer gouverneur de dato 2: Junij „ 97. brief van den heer gouverneur aan den koning van boni ged:t 4: Junij J: E: —. „ 98: Insinuatie aan den koning en rijksgrooten van goa ged: 5: Junij deses Jaars den Boelecombas Resident „ 99 breps van den onderkoopman Simon Monsieur aan den heer gouverneur de dato 2: Junij. . „ 345. en Boelecombas resident Simon Monsieur aan den heer gouverneur de dato 8: Junij 101 het ander: hierop van den gouv: aan gen: a roonsies d' d' 10 Junij 1777. . . . . . . . „ 349 „ 102. Translaat macassaarse brief geschreeven door Toanna Latanno anou pantJana enden Capitain maleijer aan den heer gouverneur ged:t 13: Junij - - - „ 351 annex N:o 85 Insinuatie uit naam van deComp: en bonij aan het hopd van goa gedaan den 24 meij „ 86 brief van den heer gouverneur aan den Sanets prins Ioeamna I Ashia ged:t 23 maij I:o L: - - - - „ 3049: „ 87 relaas gegeeven door den chinees Jan Haijlo gev:t 25 maij wegens gepleegd moord aan eenige chineesen Translaat „ .. . „ 311 - - - .. „329 „331 .„333. „339 . „341. - - - - - - -. „335. „ „ 100: _o „ „ „ Pag: N:o 103. Translaat macassaarse brief geschreeven van alseven aan den heer gouverneur sonder datum - „ 353 „ 104 het antwoord van den heer gouverneur aan gem: anou Pantjana C:s: ged:t 16:' Junij 1777: - - - - „ 355 „ 105 brief van den Commandant Iohannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato 16: Junij. . . „ 357. „ 106 het antwoord hier op van den heer gouverneur aan den Commandant Iohannes Dieterich de 364 „ 107 brief van den heer gouverneur aan den bonijs madanrang de dato als boven - - - „ 363. „ 108 _:o vanden commandant Iohannes Dieterich en den oppertolk gerrit Brugman aan den heer gouverneur de dato 17: Junij. . . . 365 Translaat macassaar te geschrift geschreeven door den madaurang aan dewel Edele achtb: heer gouverneur de dato 17 Junij Iz:. . . . „ 367. rapport vanden onderkoopman allexander roselet en den boekhouder bremer wegens gedaane commissie na goa ged:t 17: Junij. . . . 369. brief van den Commandant Johannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato 17:' Junij . 373. 1777. „ . brief vanden vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur sonder .. 375 datum _o „ „ heer gouverneur aan den Capitain militair Johannes Dieterich ged:t 377. 17 Junij 1777 _o „ „ vendrig militair willem van burghof aanden heer gouverneur sonder datum heer gouverneur aanden Capitain militair Johannes dieterich en vendrig willem van burghopfr de dato 18 Junij 1777 383. van als boven aan den Capitain militair Johannes Dieterich en ven„ drig willem van burghof ged' als even. _o „ „ vanden Capitain militair Johannes Dieterich en den oppertolk gerrit Brugman aanden heer gouverneur de dato 18 Junij 307 385 . 379. dato 16 Junij Translart - . — „ —„ 1:2 „
English
Page: Translation of a Macassar document written by the Malay Captain to intje sadulla dated 18: Junij 389. Letter from the military Captain Johannes Dieterich and associates to the Governor dated 19 Junij 393. Ditto from the Governor to the military Captain Iohannes Dieterich and associates dated 19: Junij 395. Ditto from the military Captain Johannes Dieterich and chief interpreter gerrit Brugman to the Governor dated 20 Junij 397. Report of the bookkeeper Diederich Deefhout dated 20 Junij 401 Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 21: Junij 1777 403. The reply thereto from the Governor to the aforementioned military Captain Iohannes Dieterich dated as above. 407. Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 21: Junij 419. Letter from the military Ensign willem van burghof to the Governor without date 411 Letter from the bookkeeper and saleijer Resident Jan hendrik voll Junior to the Governor dated 2: Junij 413. Ditto from the same to the Governor dated 19 Junij 415 Translation of a Buginese letter written by the pocanna latanro and aroe pantsana to the Governor dated 22 Junij 417. Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 21 Junij 419 Ditto from the military Ensign willem van burghoff and the bookkeeper Dieterich Deefhout to the Governor of the same date 423. Ditto from the military Captain Johannes Dieterich and the chief interpreter gerrit brugman to the Governor dated 26 Junij 425. Letter from the military Ensign willem van burghoff to the Governor of 27 Junij 427 Ditto from the Lieutenant Commander at bima Alexander Lecerff to the Governor dated 19: Junij 429 Translation of a Malay letter written by the king and realm's dignitaries of bima to the Governor and Council dated [illegible] of the month Djumadul awal in the year 1191 433. Translation written by the king and realm's dignitaries of pekat to the Governor and Council dated 9: of the month djumadul awal in the year 1191 435 Translation written by the king and realm's dignitaries of sangar to the Governor and Council dated 8: of the month Jumadul awal in the year 1191 437. Translation written by the guardian of the young king and realm's dignitaries of Tambora to the Governor and Council dated 2: of the month dsumadul awal in the year 1191 on Sunday 439. Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 27 Junij 441 Ditto from as above to the Governor dated 29 Junij 443. Ditto from the junior merchant and boelecomba Resident Simon Monsieur to the Governor dated 25 Junij 445 Secret resolution taken in the Council of Policy on Monday the 30th Junij 1777 449 Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 30 Junij 453. Ditto from the Governor to the junior merchant and boelecomba Resident Simon Monsieur dated the first of Julij of this year 455 Ditto from the Governor to the bookkeeper and saleijer Resident Jan hendrik voll Junior dated the first of Julij 457. Account of a certain carre Toelolo concerning some matters regarding the rebels 459 Letter from the Governor to the military Captain Johannes Dieterich dated the first of Julij 461 Page: Translation of a Macassar document written by the Honorable Company's emissary daing mandjarackie to the chief interpreter gerrit Brugman without date 463. Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 2: Julij 465 Translation of a Macassar document written by the Honorable Company's emissary daing mandjarackie to the chief interpreter gerrit brugman without date 467. Translation of a Buginese letter written by the king of bonij to the Governor dated 26 Junij 1777 469. Letter from the military Captain Johannes Dieterich to the Governor dated 6: Julij 471 Ditto from the chief interpreter gerrit brugman to the Governor dated 8: Julij 473. Ditto from the Governor to the military Captain Johannes Dieterich dated 9: Julij 475 Plan for the attack of goa dated the first of Julij 479. Letter from the military Ensign willem van burghoff to the Governor dated 11: Julij 1777 487. Translation of a Malay letter written by the king and realm's dignitaries of dompo, to the Governor and Council dated 21: of the month djouwadul awal 491. Letter from the bookkeeper and saleijer Resident Jan hendrik voll Junior to the Governor and Council dated 11: Julij 1777 493 Letter from the same to the Governor and Council dated 17 Julij 497. Ditto from the military Ensign willem van burghoff to the Governor dated 20 Julij 501. Ditto from as above to the Governor dated 27: Julij 503. Translation of a Buginese letter written by arou mampoe to arou pantjana without date 505 Reply to the above-mentioned letter of arou mampoe 507.
Dutch transcription
Pag: Translaat macassaarse geschrift geschreeven door den Capitain maleijer aan intje sadulla de dato 18: Junij brief van den capitain militair Johannes Dieterich C: s: aan den heer gouverneur de 393. :- dato 19 Junij _o van den heer gouverneur aan den Capitain militair Iohannes Dieterich C: S: de dato 19: Junij . . 395. —o van den capitain militair Johannes Dieterich en oppertolk gerrit Brugman aan den heer gouverneur de dato 20 Junij rapport vanden boekhouder Diederich Deefhout de dato 20 Junij. . . . . 401 brief van den capitain militair Johannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato het antwoord hier op van den heer gouverneur aan gem: Capitain militair Iohannes Dieterich de dato als even. brief van den Capitain militair Johannes dicterich aan den heer gouverneurd dato2: mij 19. „ vendrig militair willem van burghof aan den heer gouverneur sonder datum „ van den boekhouder en saleijers resident Jan hendrik voll Junior aan den heer gouverneur gedateert 2: Junij _o van als even aan den heer gouverneur de dato 19 Junij Translaat boegineese brief geschreeven door den pocanna latanro en aroe pantsana . . .. 417. aanden heer gouverneur ged:t 22 Junij - brief van den capitain militair Johannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato 21 Junij 419 _o vanden vendrig militair willem van burghoff en den boekhouder Dieterich Deef„ hout aan den heer gouverneur van den selven datum. . . . 423. _o vanden Capitain militair Johannes Dieterich enden oppertolk gerrit brugman aan den heer gouverneur de dato 26 Junij . 407. . . . . 411 413. .. 397. 389. 21: Junij 1777 brief 425. _o „ - . 415 403. brief van den vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur vanden . 427 27 Junij _o „ „ luitenant Commandant te bina Alexander Lecerfs aan den heer gouverneur 429 de dato 19:' Junij— Translaat maleijtsche brief geschreeven door den koning en rijksgrooten van bima aan den heer gouverneur en raad ged:t e van de maand DjJunadul aival int Jaar g 33. „geschreeven door den koning en rijksgrooten van pekat en den heer gouver„ „neur en raad de dato 9: van demaand d„j nnadul awal in 'tJaar 1191: –. 435 „ geschreeven door den koningen rijksgrooten van sangar aan den heer gouverneur en raad de dato 8: vandemand Junadul awal in Jaar 191: 437. geschreeven door de voogd over den Jongen koning en rijksgrooten van Tam„ bora aan den heer gouverneur en raad de dato 2: vande maand dsu„ madul awal in tJaar 1191 op sondag. . - - - - - - - - - 439. brief vanden Capitain militair Johannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato 27 Junij 141 . . . . 443. _o van als boven aan den heer gouverneur de dato 29 Junij— _o „ den onderkoopman en boelecombas resident Simon Monsier aan den heer gou„ verneur de dato 25 Junij secreet besluit genomen in raade van politie op maandag den 30e Junij 1777. . . . 449 brief van den Capitain militair Johannes Dieterich aan den heer gouverneur dedato 20 Juij 153. _o „ „. heer gouverneur aan den onderkoopman en boelecombas resident Simon Monsieur de dato primo Julij deeser Jaars. . 455 _o „ „ heer gouverneur aanden boekhouder en saleijer resident Jan hendrik voll . .. 457. Junior de dato eersten Julij relaas van seekere carre Toelolo betreffende eenige saeken omtrend de rebellen. . . . 459 brief van den heer gouverneur aan den Capitain militair Johannes Dieterich de dato .. 445 eersten Julij 461 Pag: v Peg: Translaat macassaarse geschrift geschreeven door den sComp: sendeling daing mand Janckie aan den oppertolk gerrit Brugman sonder datum brief van den capitain militair Johannes Pieterich aan den heer gouverneur de dato 2: Julij 165 Translaat macassaarse geschrift geschreeven door den sComp: sendeling daig mandjoareckie aan den oppertolk gerrit brugman sonder datum. . . . 467. ,. _o boegineese brief geschreeven door den koning van bonij aan den heer gouverneur 469. de dato 26 Junij 1777. brief van den capitain militair Johannes Dieterich aan den heer gouverneur de dato 6: Julij 471 _o „ „ oppertolk gerrit brugman aan den heer gouverneur de dato 8: Julij . . 473. _o „ „ heer gouverneur aan den Capitain militair Johannes Dieterich de dato 9' Julij 475 . 479. plan tot de attacque van goa ged:t eersten Julij brief van den vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 11: Julij 1777. Translaat maleijdsche brief geschreeven door den koning en rijksgrooten van dompo, aan den heer gouverneur en raad de dato 21: van de maand djouwadul awal 494. brief van den boekhouder en saleijers resident Jan hendrik voll Junior aanden heer gouverneur en raad de dato 11: Julij 1777. . . . . 493 brief van als even aan den heer gouverneur en raad de dato 17 Julij. . . . . 497. _o vandenvendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 20 Julij _o van als boven aan den heer gouverneur de dato 27: Julij Translaat boegineese brief geschreeven door arou mampoe aan arou pantjana sonder datum antwoord op de bovengem: brief arou mampoe - - . 501. . 487. 463. . . - - - - . . . 503. - — . 507. 505
English
Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 2 August 1777, Page 509 The answer to this from the Lord Governor to the aforementioned military ensign Willem van Burghoff dated as above, 511 Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 5 August, 513 Ditto from the Lord Governor to the bookkeeper and Saleijer resident Jan Hendrik Voll Junior dated as before, 515 Ditto from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 6 August, 517 Ditto from as before to the Lord Governor dated 7 August, 519 Ditto from as above to the ditto dated 8 ditto, 521 Ditto from the Lord Governor to the military ensign Willem van Burghoff dated 9 August, 525 Ditto from the ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated as above, 527 Ditto from as above to the Lord Governor dated 10 August annex, 529 Translations of two exchanged dittos between Arou Pantjana and the former Queen of Tello and Craeng Sandra Bonij, 531 Letter from the Lord Governor to the military ensign Willem van Burghoff dated 10 August 1777, 535 Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 14 August, 537 Daily notes kept by the military ensign Willem van Burghoff, 539 Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 15 August, 543 Daily notes of as above, 545 Page Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 16 August, 547 Daily note of as before, 549 Letter from the Lord Governor to the aforementioned ensign Burghoff dated 16 August, 557 Ditto from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 20 August, 561 Daily notes as above, 563 Letter from the Lord Governor to the aforementioned ensign Burghoff dated as above, 575 Ditto from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 21 August, 579 Daily notes of as above, 581 Letter from the Lord Governor to the military ensign Willem van Burghoff dated 21 August, 583 Ditto from as above to the aforementioned ensign Burghoff dated 22 August, 585 Ditto from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 23 August, 591 Daily notes of as before, 595 Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 22 August, 598 1/4 Daily notes hereof as above, 599 Letter from the military ensign Burghoff to the Lord Governor dated 23 August 1777, 601 The answer to this from the Lord Governor to the aforementioned ensign Burghoff dated as above, 605 Letter from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 24 August, 609 Daily notes of the aforementioned ensign Burghoff, 609 Letter from the Lord Governor to the aforementioned Burghoff dated 24 August, 611 Page Letter from the military ensign W: van Burghoff to the Lord Governor dated 25 August, 613 Ditto from the Lord Governor to the King of Bonij dated 26 August, 615 Daily notes of the ensign W: van Burghoff, 617 Letter from the bookkeeper and Saleijer resident Jan Hendrik Voll Junior to the Lord Governor dated 16 August, 619 Declaration given by the Company subject of Bonto Bango, 621 Translation of a Macassar writing written by the rebels under the name of the King of Goa to the Bonto Bango at Saleijen dated 15 August, 625 Letter from the bookkeeper and Saleijer resident Jan Hendrik Voll Junior to the Lord Governor dated 23 August, 627 Ditto from the junior merchant and Boelecomba resident Sr. Monsieur to the Lord Governor dated 23 August, 629 Ditto from the military ensign Burghoff to the Lord Governor dated 29 August, 637 Daily notes of the aforementioned Burghoff, 639 Letter from the Lord Governor to the military ensign Willem van Burghoff dated 29 August, 641 Ditto from the military ensign Burghoff to the Lord Governor dated 30 August, 643 Daily notes of the aforementioned Burghoff, 645 Letter from the Lord Governor to the Boelecomba resident Sr. Monsieur dated 30 August, 649 Ditto from as above to the bookkeeper and Saleijer resident Jan Hendrik Voll Junior dated as above, 651 Ditto from the military ensign Willem van Burghoff to the Lord Governor dated 4 September 1777, 653 Daily notes of the ensign Burghoff, 655 From Macasser the Translation of a Bugis letter written by the former Bonij Pongauwa Lakasie or Poeanna Latanro to the captain of the Malays Abdul Cadier of the following content: My friendly greetings to both of you, and I make known to your Honors by this express messenger that a trusted emissary of Poeanna Tlatona, being the sister of the deceased King of Bonij Matuuroa Rimalimongang, has come to me, communicating to me both in the name of the aforementioned Poeanna Flatona as well as on behalf of the Kali of Bonij the following, namely: That the Madanrang and the Tomilalang of Boni have sent an emissary named Toganka to Datoua Baringang in order to make known to the same in the name of both of them that the country of Bonij currently felt all too heavy over the descent that Aron Maadjang has suffered, since this at the request
Dutch transcription
brief van den vaendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 2: augustus 1777 het antwoord hier op vanden heer gouverneur aan gem: venarig militair willem van burg„ . .. 511 hoff de dato als boven. brief van den vondrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato . . . . . . . 513. 5: aug:s „ heer gouverneur aan den boekhouder en Saleijers resident Janhendrik . .. 575 voll Junior de dato als vooren _o van den vendrig militair willem van burghof aan den heer gouverneur de dato 6: aug:s _o „ . . . 517. _o van als vooren aan den heer gouverneur de dato 7: aug:s - - - 50 _o „ als even „ „ „ _o „ „ 8 _o - . . 521. „ den heer gouverneur aan den vendrig militair willem van burghoff de _o 525 dato 9 augs „ vendrig willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato als boven 527. —o „ als boven aanden heer gouverneur de dato 10 aug:s annex. . . . 529 Translaten van twee gewisselde ditos tusschen arou pantjana ende gew: koningin . . . 531. van Tello en craeng Sandra bonij brief van den heer gouverneur aan den vendrig militair willem van burghoff de 22 dato 10 aug:s 1774 535. brief van den Vendrig militair willem van burghop aan den heer gouverneur de 537 dato 14 aug:s dagelijks aanteekeningen van den vendrig militair willem van burghoff gehouden 539. brief van den vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 15: aug:s dagelijks aanteekeningen van als boven . 509 Pag: . 545 1„ 1 „ 1. . .. 543. . : Pag: „brieff van den vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 16 aug:s dagelijks aanteekening van als vooren brief van den heer gouverneur aan den bovengem: vendrig burghoff de dato 16 aug:s 557: _o „ „ vandrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 20 aug:s dagelijks aanteekeningen als even brief van den heer gouverneur aan gem: vendrig burghof de dato als even . . . 575 _o „ „ vendrig militair willem van burghof aan den heer gouverneur dedato 21 augs dagelijks aanteekeningen van als bovens brief van den heer gouverneur aan den vendrig militair willem van burghoff de dato 21 augs _o van als boven aan den vendrig burghoff voorm: de dato 22 aug=s. . . 585 _o vandenvendrig militair willem van burghof aanden heer gouverneur de dato 23: aug:s dagelijks aanteekeningen van als vooren brief vandenvendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 22: aug:s - - - - - - - - - - - - dagelijks aanteekeningen hier van als even - - - - - – — — brief van den venanig militair burghoff aan den heer gouverneur de dato 23 aug:s 17599 het antwoord hier op van den heer gouverneur aan gem: vendrig burghoff de dato als boven 601 brief vanden vendrig militair willem van burghoff aan den heer gouverneur de dato 24 aug:s . 605 dagelijkse aanteekeningen van den bovengem: vendrig burghoff brief van den heer gouverneur aan gem: burghoff geb:t 24 augs. . . . 611 .. . 507. . . . . 549 . . 561 . 563. - ..579 - .581 . . 583. - - . 91 - - - - - 595 598¼ 609 - Pag: brief van den vendrig militair w: van burghoff aan den heer gouverneur de dato 25 aug„s 613. _o van den heer gouverneur aan aen koning van bonij ged:t 26 augs . . . . 615 dagelijks aanteekeningen vanden vendrig w: van burghaff - - - . - 617. brief van den boekhouder en saleijers resident Jan hendrik voll Junior aan den heer gouverneur de dato 16 aug:s . . .. 619 declaratie gegeeven door den sComp:s onderdaan van bonto bango. . . 621 Translaat macassaarse geschrift gesz door den rebellen onder denaam vanden ko„ ning van goa aan de bonto bango tesaleijen ged:t 15 aug:s - - - 625 brief van den boekhouder ensaleijer resident Janhendrik voll Junior aanden . 627. heer gouverneur de dato 23 augs _„o vanden onderkoopman en boelecombas resident S:r Monsier aanden heer 629. . - - gouverneur de dato 23 augs: _„o vanden wendrig militair burghoff aan den heer gouverneur de dato 29 aug:s 137. . . . . . 639. dagelijk antekeningen van bovengem: burghoff — brief van den heer gouverneur aandenvendrig willem van burghoff de dato 29 aug:s 641 _o vandenvendrig burghoff aan den heer gouverneur de dato 30 aug:s . . 643. . 645 dagelijks aanteekeningen van den bovengem: burghoff - brief van den heer gouverneur aanden boelecombas resident S:rn Monsieur de dato . 649 30 aug:s . _o van als boven aanden boekhouden en saleijers resident Jan hendrik voll 651 Junior de dato, als boven _o vanden vendrig militair willem van burghoff aanden heer gouverneur de dato 4: september 1777 dagelijkse aanteekeningen vandenvaandrig burghoff . 653. 655. . Van Macasser den Translaat Bougineese Brief geschreeven door den geweesen Bo„ nijse Pongauwa Lakasie of Poean„ „na Latanro aan den capitain der Maleijers Abdul Cadier van den volgenden Inhoud Mijn vriendelijke groet aan u beijde en maake uE door deese Expres bekend dat er een vertrouwd zendeling van poeaina Tlatona sijnde de suster van den overleedene koning van bonij matuuroa rimalimongang bij mij ge„ komen is en die mij so wel uit naam van evengem poeanna F. latna als van weegen den calie van bonij 't volgende communiceerende namentlijk Dat de madanrang ende tomilalang van boni een sndeling genaamt Toganka na Datoua baringang gesonden heeft ten eijnde denselven uit naam van die beijde bekend te maeken dat t lans van bonij sig thans al teswaar gevoelde over t affkromt dat aron maadjang heeft ondergaan ver mits sulks op de begeerte
English
From Macasser the written by the former Bonian Pongauwa Lakasie or Poeanna Latanro to the Captain of the Malays Abdul Cadier of the following content: Translation of a Bugis letter. My friendly greetings to you both, and I make known to Your Honour by this express messenger that a trusted emissary of Poeanna Tlatona, being the sister of the deceased king of Boni, Matures Rimalimongang, has come to me, who communicated to me both in the name of the aforementioned Poeanna Platona and on behalf of the Kali of Boni the following, namely: That the Madaurang and Tomilalang of Boni have sent an emissary named Toganka to Datoua Baringang in order to make known to him in the name of those two that the land of Boni presently felt itself deeply aggrieved over the affront that Arou Maadjang has suffered, because this had occurred at the desire of Poeanna Latanro, since he had made a request to that effect to the Dutch, and that this insult had not been inflicted upon Arou Maadjang, but indeed upon the court of Boni; so that it would be best for them to address the Honourable Company to request that Poeanna Latanro be expelled from the land of Macasser, and in case the Honourable Company would not do that, they would then have grounds upon which they could rely to properly oppose the Company in order to avenge the shame inflicted upon Arou Maadjang. Furthermore, the aforementioned emissary of Poeanna Latona was able to tell me that he—having been present right there when the frequently mentioned emissary Toganko said that he was also instructed in passing to go to the regent of the mountain peoples of the northern provinces, named Arou Tjinrana, and to hold before them whether they still remembered the obligation which was formerly owed to Boni, for by the actions of Boni, says the said emissary, you came to the Company; and that he, Toganka, is sent expressly to Macasser so that if the Company does not let Poeanna Latanro depart from the land of Macasser, Boni will then separate from the Honourable Company. Whereupon Arou Tjinrana gave as an answer to the emissary Toganko that they still indeed remembered the services previously owed to Boni, but notwithstanding this, says the said Arou Tsurana, we shall follow the one who is the nearest and the strongest to us. Furthermore, the aforementioned Poeanna Latona and the Kali, through their said emissary, have most earnestly recommended to me that I must employ my utmost power and take care never to deviate from the Honourable Company, and in case the Honourable Company only does not abandon me, one has hope that the Bonians will then divide into two factions, because there were some of the Bonian grandees, namely the Makadangtana, both Arou Tanete, Arou Timodjong, Arou Matjenge, Datoua Rioelawang, Arou Gona, and Arou Balieeng, who by no means wish to separate from the Honourable Company. Furthermore, the repeatedly mentioned emissary reported to me that the negorij Boeloboelo has been condemned to a fine of one thousand rijksdaalders, so that the same—even though they outwardly showed it—are just as little willing to side with Boni as the eight Bila-Bila of the mountains, being the so-called allies of the said negorij. Also, the Madannang has extorted from the Balinante the sum of five hundred rijksdaalders, and as the latter could not satisfy the demand with the utmost speed, the aforementioned Madourang had the wife of the said Balinante, named Paadjoe, being the daughter of Tpilaoen Inga, fetched and kept in his custody, the said Balinante being told to produce the money with the utmost speed, so that the land of Loewoe is presently also in an unstable condition, to which end Loewoe has sent an embassy to Wadjo. Furthermore, the aforementioned Poeanna Platona was about to come hither, and the sister of Arou Starroen had already departed for the negorij Awa Tanka, while Dalaija, the widow of Matimo Rimalimongang, had fallen into disgrace and had left the house of the king of Boni, and Maka Dantana was presently regarded as an enemy. Below stood: agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. Translation. From Macasser the Translation of a Bugis letter written by the Lieutenant of the Malays, Intje Sadulla, to the Taneterese Princess Poeanna Asia, of the following content: My friendly kiss to you both, and I make known to Your Honour by this that the Pabithara of Mario has come to me and communicated that which Your Honour wants me to inform the Lord Governor of. For that reason I addressed His Honourable Worship and, having presented Your Honour's most humble compliments, asked whether Your Honour could plow and plant some paddy fields this year, so that Your Honour could have everything necessary for that sowing work brought into readiness. His Honourable Worship was pleased to give me as an answer to this that, in His Honourable Worship's opinion, Your Honour would indeed be able to plow the fields this year, the more so because His Honourable Worship had already ordered the Lolo of Kaloekora and Karaeng Marrang to hand over to Your Honour for cultivation all the unplowed and fallow paddy fields that lie on the east side of the river of Sagerij; but on the other hand, the Lord Governor does not want the fields that lie on the north side of the river of this name to be worked for the time being by Your Honour's people, until such time as His Honourable Worship shall have spoken about it with Datou Sopping. Thus, I recommend that Your Honour, upon receipt of this, speak with Lolo and Karaeng Marrang and ask them how many sowing fields Your Honour would be able to obtain for cultivation, and how large they are, and where situated, so that Your Honour can then inform the Lord Governor thereof. Below stood: written at Macasser the 5 November A:o 1776. Below stood: agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. Translation.
Dutch transcription
Van Macasser den geschreeven door den geweesen Bo„ nijse Pongauwa Lakasie of Poean„ „na Latanro aan den Capitain der Maleijers Abdul Cadier van den volgenden Inhoud Translaat Bougineese Brief Mijn vriendelijke groet aan u beijde en maake uE door deese Expres bekend dat er een vertrouwd zendeling van poeaina Tlatona sijnde de suster van den overleedene koning van bonij maturoa rimalimongang bij mij ge„ komen is en die mij so wel uit naam van evengem poeanna Platona als van weegen den calie van bonij 't volgende communiceerende namentlijk Dat de madaurang, ende Tomilalang van bonij een sendeling genaamt Toganka na Datoua baringang gesonden heeft ten eijnde denselven uit naam van die beijde bekend te maeken dat t land van bonij sig thans al teswaar gevoelde over taffpromt dat aron maadjang heeft ondergaan vermits sulks op de begeerte Van Macasser den van poeanna latanro was geschied door dien hij de hollanders daar om versoek had gedaan en dat die hoon niet arou maadjang maar wel thof van bonij was aangedaan, so dat het best soude weesen dat men sig bij dE Comp: vervoegde om te versoeken dat poeaina Latauro van 't land van macatser verdreeven word en ingevalle d E comp: dat niet wilde doen men als dan grond hadde waar op men steunen kon om sig gevoeg„ lijk tegen de Compagnie te opposeeren ten eijnde den smard arou maadjang aangedaan te wreeken. vervolgens heeft mij de voorn: sendeling van poeanna I- Latona nog weeten te seggen dat hij /: als Juist daar bij preesent sijn de geweest wanneer de meergem: zendeling To„ ganko gesegt heeft, dat hij ook gelast was empassant bij de regent der bergs volkeren van de noorder provintien genaamt arau Tjinrana te gaan en henlieden voor te houden of sij de verpligting die't voormaals aan bonij verschuldigt sij te doen nog wel voor stad want door toe doen van bonij segt gem: zendeling sijt ulieden bij de Compagnie gekomen en dat hij Toganka Expres na macasser gesonden word om wanneer v d' Comp: poeanna latauro niet van 't land van macasser laat Van Macasser den laat vertrekken dat dan bonij van dE Comp: sal sepaneeren: waar op aron Tjinrana aan den sendeling Toganko ten antwoord heeft gegeven dat sij lieden de bevoorens aan bonij verschuldigde diens„ ten nog wel voorstrat maar des niet teegenstaande segt gem: arou Tsurana sullen w den geenen volgen die ons de naatte en destrekste is voorts heeft mij de welgem: poeanna T Latona en den calie door gem: hunnen sendeling ten ernstigsten laten recommandeeren dat ik dog mijn uitterste vermogen in't werk stelle en borg dragende moeste om nimmer dE Comp: afte wijken en ingevalle bE Comp: mij maar niet en verlaat men hoope heeft dat de boniers als dan in twee factien sullen verdeelen want dat er eenige van de bonijse rijksgrooten waaren namentlijk de makadangtana de beijde arou Tanete Arou Timodjong arou matjenge datoua rioelawang arougona en arou balieeng die geensints vandE Comp: willen separeeren. verders berigte mij de meerm: sendeling nog dat de negorij boelo boelo voor duisend rijk sd:s in de boete is gecondemneert so dat deselve ook / schoon sij sulks voort uitterlijk toonde / so min als de agt bila bila der gebergtens sijnde de so genaamde bond ge„ nooten Van Macasser den genooten van ged: negorij met bonij te willen spannen. ook heeft de madannang van de balirante de somma van vijfhonderd rd„s afgevondend, enterwijl deese het g'Eijsche ten spoedigten heeft kunnen voldoen so had welm: madomrang de vrouw van gem: balinante genaamt paadjoe sijnde de digter van Tpilaoen inga laten afhalen en onder hem gehouden werdende volgens ged: balinante te aangeselgt om het geld ten spoedigtten op te brengen so dat t land van loewoe sig thans almeede in een wankel„ baar en toestand bevind ten welken eijnde heeft Loewoe een besen„ „ding na wad jo gedaan wijders stond devoorw: poeanna Platona herwaarts te komen ende en de suster van arou 's Tarroen was berads na de negorij awa Tanka vertrokken mitsgaders dalaija op de weduwe van matimo rimalimongang in ongenade geraak en had het huis van den koning van bonij verlaten ende maka dantana werd thans als een vijand aangesien / onderstond / acordeerd /wat geteekend/ H: B hodenpijl Translaat Van Macasser den Translaat bougineese brief geschree„ ven door den Luijtenant der ma„ leijers Intje Sadulla aan de Tanettereese Prins Ioeanna I Asia van den volgenden Inhoud Mijn vriendelijke kus aan uE beijde en maake uE door deese bekend dat den pabithara van mario bij mij is gekomen en gecommuniceerd heeft het geen dat uE hebben wil dat ik den heer gouverneur soude verwittigen uit dien hoofde heb ik mij bij sijn Edele agtbaere vervoegd en hoogt deselve onder t afleggen van us onderdanigste Compliment gevraagd hebbende of uE in dit Jaar Eenige padij velden konde beploegen en beplanten to JadatuE als aan 't noodige tot dat saaij werk gehoorende in gereedheijd konde laten brangen. sijn Edele agtb: heeft mij hier op ten antwoord gelieven te geeven dat na sijn Edele agtb: bedunken uE wel van dat Jaar de velden soude kunnen beploegen te meer wijl sijn Edele agtb: bereeds den Lolo van kaloekora en Carong. marrang gelast had om alle de on„ beploegde en braak leggende padij velden die aan de oostkant van Jan Mrchsser den van de revier van Sagerij leggen aan uE ter bewerking overte geeven maar daar en tegen wil den heer gouverneur niet hebben dat develden die aan de noordkant van de revier deeses naam leggen voor als nog door uE volk bewankt word tot er tyd toe dat sijn Edele agtb: met Datou sopping daar over sal hebben gesprooken dus recomman„ deeren ik uE om op den ontfangst deeses met holo en caraing marang te spraeken en hen te vragen hwoe veel saaij veldon dat uE ter bewerking soude kunnen krijgen en hoe wijd= zijn en waar geleegen op dat uE als dan sulks den heer gouver„ „neur kan verwittigen / onderstond:/ geschreeven te Macasser den 5 november A:o 1776 /onderstond/ accordeert /:was geteekend:/ H: B: hodenpijl Translaat
English
From Macasser the Translation of a Buginese letter written by the former pongawa of Bony, Lakasi, to the Captain of the Malays, Abdul Cadior, of the following content: My friendly greeting to you, and I make known to you that it has come to my ears that they have attacked your grandson Taheere, on which occasion he received a wound to his chest, and that the incident occurred on the Company's territory, where he had gone to purchase some necessities. In case the incident had occurred in the Bugis campong, I would have told them that he had violated the prohibition of the Lord Governor; but since the incident happened on the Company's land, I testify that this is too hard for me to bear, on which account I know nothing to say or do regarding that case, since I have placed myself and mine under the protection of the Company, on whose protection I have placed my hope and trust. For that reason, I declare roundly that even assuming the aforementioned incident had not occurred on the Company's land, I would nevertheless rely on the Honorable Company to maintain me according to law and justice, let alone now that this injury happened on the territory of the Company. To which end I have gathered my few people together and am only awaiting the orders of the Lord Governor, for the aforementioned incident cannot be regarded as child's play, because a prince of Bony, Arou Toura, was even present in person when that misfortune befell my son. And I assure you herewith at the same time that I cannot recall that my aforementioned son has, from his youth up, insulted or done evil to any person. At the bottom was written: Agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. Translation. From Macasser the Translation of a Buginese letter written by the King of Tanette to the Captain of the Malays, Abdul Cadier, of this content: My affectionate greeting to you, my father, and I make known to you by this that I have well received your letter, and I was exceedingly gladdened that you have reminded me concerning the country's arrears to the Honorable Company. The reasons why I have until now left unanswered the letter of the Lord Governor, which Daeng Mandsarekie brought to me, is because I am continually occupied with many businesses, and I shall answer it through my envoy after the end of our fasting. Regarding your desire that I should have my paddy fields lying on the north side of the river of Sagerij cultivated by my subjects, I assure you that I have not been able to have this done as yet, because I am afraid that my subjects would be seized. For even assuming the Lord Governor has undertaken to ensure that my subjects will no longer be troubled, they have nevertheless not failed to do them violence. Furthermore, it also serves to mention that Poeanna I Assia has taken for himself the tithes of the fields called Patjino up to 400 bundles, and Lapakan Ne Andjonga amounting to 900 bundles. Therefore we are afraid to have the said fields plowed and that they will do some violence to my people, all the more because we are also afraid that if we happen to offer them resistance, we might get the reputation of being the first aggressors who cause quarrel and discord. At the bottom was written: Agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. From Macasser the To the bookkeeper and resident Gerrit Brugman. Honorable, Pious, The envoy Niga has reported to me on your behalf how a certain vagrant, who is said to have been brought from Passier to Poelembankeeng as a slave more than a year ago by the prince of Bony, Arou Pateenpeeng, who gave him the name of Sonkilang, having fled from this master of his and joined himself to a certain so-called gallarrang of Bontolebang named Ranga, is currently posing as the former and Ceylon-exiled King of Goa. And having managed thereby, and through the help of the said Ranga, to gain a following among the peoples of Poelembankeeng to the number of two hundred men, he had the boldness to come and attack you. With this result, however, that although you had not half as many men with you at the time, you put him to flight with the loss of seventeen dead and scattered his following, whereupon he, and likely also Ranga, had betaken themselves to the Bony negorij Barana, where the former went to stay with the caliph, head priest. With regard to all of which having been taken into consideration by me, on the one hand, the little likelihood that there appears to be of getting those fellows into our hands, whatever means might be employed for that purpose, and least of all by pursuing them with a large force; and on the other hand, that through the latter one would bring the matter to a stir and possibly all Celebes into confusion, as if the first-mentioned must be a person of distinction, whereby he would likely gain more of a following than can now be expected, because
Dutch transcription
Van Macasser den Translaat Bougineese Brief geschree„ ven door de geweese pongauwa van Bonij Lakasi aan den capitain der ma„ leijers Abdul Cadior van den volgenden inhoud Mijn vriendelijke kus aan uE en maake uE bekend dat mij ter ooren gekoomen is dat z uE kleijn zoon Taheere g'attacqueert hebben wij welke geleegentheijd hij een queltsuur aan sijn bonst gekreegen heeft en dat 't geval op sComp: Territoir alwaar hij ter inkoop van eenige noodwendigheeden gegaan was geschied is. Ingevalle t geval in de campong boegis was voorgevallen so soude ik hunne seggen dat hi t verbod van de heer gouverneur overtreeden heeft dan nadien 't geval op sComp: grond is geschied so betuigd ik dat sulks voor mijn te swaar valt weshalven ik over dat geval niets weet„ te seggen ofte doen wijl ik mij ende mijne ander de protectie van d' Comp: begeven hebbe op wiend bescherming ik mijne hoop en vertrouwen gevetigd hebbe ui't dien hoofde verklaare ik nond bonstig dat schoon genomen het voorsz geval niet op scomp: grond was voorgeval„ „len ik mij dog egter op d=Es Comp: verlate om mij na regt en billijkheijd Van Macasser den billijkheijd te mannitineeren laat staan nu daar du quetti op T Territoir van a Comp: is gebeurt ten welken eijnde heb ik mijn weijnige volkeren bij malkanderen doen komen en verwagte maar alleen nade ordres van den heer gouverneur wan 't voorsz geval niet voor een kindertpel kan wouden aangemerkt vermits aen bonijs prins arou Toura daar bij in persoon selfs presentis geweest, toen mijn soon dat ongeluk is overgekomen en ik verseekere uE daar bij teffens dat ik mij niet het kunnen te binne brengen dat voorm: mijn soon van der Jeugd op aan eenig mensch heeft beledigt of quaad gedaan /on„ aen stond / Accondeert/was geteekend/ H: B: hodenpijl Translaat Van Meclaser den Translaat Bougineese Brief geschree„ „ven door den koning van Tanette aan den Capitain der Maleijers Abdul Cadier van deesen inhoud Mijn geneegen groet aan uE mijn vader en maake uE bij deese be„ kond dat ik desselfs brief wel ontfangen hebbe en ik ben ten hoogsten verblijd geweest dat us mij heeft hernineert omtrend slands agter weesen aan d'E Compagnie De reedenen waarom dat ik den brief van deheer gouverneur die mij daeng mandsarekie aan gebragt heeft tot nog toe onbant„ woord hebbe gelaeten is om dat ik geduurig met veele besigheiden g'ocupeert ben, en ik sal deselve na het eijndigen van onse vatten met mijne zendeling b'antwoorden. op uE begeerte dat ik mijne aandenoord komt van de revier van sagerij leggende padij velden door mijne onderdaanen soude laeten b' anbeijden betuige ik uE datik sulks voor als nog niet heb kunnen laten aven wijl ik bevreest ben dat mijne onderderanen aangenamd souden worden wantschon genoomen d heer gouverneur aange„ nomen heeft im te sorgen dat mijne onderdaanen niet meer sullen worden Aan van Macasser den worden ontrust hebben z egter dog niet nagelaten haarlieden geweld aan te doen. wijders dient almeede dat poeanna I Assia aethiendens vande velden gen:t patjino tot 400 bossen en lapakan ne andjonga be„ draagende 900 bossen na sig haft genomen dierhalven sijn w' bevreest ged: velden te laten beploegen en dat z myn volk wer„ den Eenig geweld sullen aandoen te meer om dat w' meede bevreest sijn dat wanneer wij hen lieden ressistentie komt te bieden, wij de naam niet soude hebben dat w de Eerste aggresscund sijn die twist en Twe dragt veroorsaken /: onderstond/ Accondeert/: was ge„ teekend/ H: B: Hodenpijl Van Macasser Den Aan den boekhouder en opntodr Serrit Brugman, Eersame, Froome, De sendeling Niga heeft mij uwentweegen geraporteert hoe seek en swerver die men segt voor ruim een Jaar ge„ leeden als Een slaaf van passier op poelembankeeng aange„ bragt te weesen door den bonijs prins arou pateenpeeng die hem de naam van sonkilang heeft gegeeven van deesen sijnen meester gevlugt en sig bij seekeren so genaamde glarrang van bontolebang genaamt ranga vervoegd hebbende sig thans komt uit te geeven voor den geweesen en naceijlon gerelegeerde van goa, en daar door en door hulpe van gem: ranga een aanhang uit de volkeren van Poelambank eeng ten getalle van twee honderd koppen hebbende weeten te krijgen die stoutheijd gehad heeft uE te komen attacqueeren„ met „ Van Macasserden met dit gevolg nogthans dat uE schoon doenmaals niet half so veel manschap bij sig hebbende hem met verlies van seeventien doden op de vlugt gejaagd en sijnen aanhang verstrooijt heeft waar op hij en dankelijk ook ran„ ga tig na de benijs negorij barana hadden begeve„ alwaar den eersten sig bij den colij ove prietter kwam te onthouden. Ten opsigte van al het welke bij mij in aanmerking gekomen sijnde een deels de wijnige apparentie die er schijnt om die knapen in handen te krijgen wat middelen daar toe al mogten worden in het werk gesteld en het allerminst door hun met een grote magt te vervolgen en ander deels dat men door dit laatste de saak tot een eclat en mogelijk geheel celebes w: de waar soude brengen tot den Eersten een personagie van aansien moeste weesen waar door hij denkelijk meer aanhang soude krijgen dan men thans verwagten kan om dat
English
that he, as I presume, is regarded by very few or indeed no longer at all as the one he purports to be, which notoriously must have the consequence that his credit is already diminished and will even cease entirely if one outwardly shows signs of concerning oneself little about him, thus I deem it advisable that Your Honour let the already assembled subjects of Poelembankeeng and Glissong return home, nevertheless ordering the chiefs to be on their guard against the aforementioned roamers, and if an opportunity should arise, without searching for them elsewhere, to capture them dead or alive, or to do away with them, to execute this, wherefore this is hereby recommended to Your Honour, in the expectation that Your Honour will subsequently make all possible haste in settling the disputes among the subjects, for which purpose Your Honour departed thither, and subsequently to return hither. Wherewith, after greetings, I remain, below stood, Your Honour's good friend, was signed, F: G: v: der Voort, in the margin, Macasser in the Castle Rotterdam, the 18 November 1776, below stood, Agrees, was signed, H: B Hodenpijl. To the Honourable Mr. Godfried van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Honourable Respected Sir, With all respect I have duly received Your Honour's much-respected letter of the 10th of this month, wherefore in accordance with the orders contained therein I have gradually let all the already assembled subjects of Glissong and Polonbankeeng return, except for Carang Glissong, who requested of me to be allowed to remain here for the present with some of his subordinate anak karaengs and elders. Subsequently, I have most emphatically recommended to all the chiefs of the Company's subjects to be on their guard, as well as to try, as far as possible yet without causing any disturbance, to get hold of the roamer Sankilang with his accomplices, whether alive or dead, and also to have investigated with the utmost secrecy where he is currently staying with his followers, under the admonition that in case they were unwilling to make any effort for this, they themselves would run the danger of being continually molested by that vagabond; thus they must do their utmost to get him and his adherents into their hands, whether alive or dead, while they could then be assured of obtaining a good name with the Company for the loyalty and vigilance shown. Indeed, in order to encourage them, I even promised out of my own pocket that whoever could capture or do away with the said roamer would receive a good reward from me for it. Notwithstanding which, some of the chiefs immediately of their own accord sent out trusted emissaries in order to gather accurate information in all secrecy as to whether the mentioned Sankilang and company were still at the negorij Barana, or whether he had already departed from there, and whither he had taken his retreat, as well as how many of his followers were still with him. The well-mentioned emissaries having then returned yesterday, informed me and the chiefs that this vagabond and his followers, to the number of fully twenty heads, were still at the aforementioned negorij Barana, but that one could not lay hands on him without difficulty, because along the way some people of all sorts were continually joining him, since they are still under the firm impression that he truly is the King of Goa banished to Ceylon. Indeed, what is more, as a certain Taha declared to me, he had encountered there with the said scoundrel the son of Craeeng Laijkang named Moehka, alias Daeng Palalo, as well as that the Bone prince Arou Tjina (this man is married to Caraeeng Laijkang) had also gone to that roamer to see whether he truly was the banished King of Goa or not; but that the mentioned prince is as yet in doubt whether the said Sankilang was truly the one he claims to be. However, this morning it was reported to me by the soellewatang of Ana Baadsaang, together with the aforementioned Taha and his brother Mogebeijde, subjects of Bonto Cadatto (which latter two, having already made a promise to me upon the undertaking that they would receive a reward, to do their best to capture him whether alive or dead), that the frequently mentioned vagabond Sankilang had departed from the mentioned negorij Barana, without anyone knowing whither or to what negorij he had betaken himself. Furthermore, I cannot omit to report to Your Honour that when we attacked the frequently mentioned impostor and roamer, it was observed on that occasion that several of the Macassarese nobles had been among them, namely Danig Mnallie of Barambong, Danig Mambanie, being the grandson of the hostage Bone prince Caaeng Manrimissie, the pannang of the negorij Paganackang with his following, belonging under the court of Goa, as well as Care Mandjidjilli, this
Dutch transcription
Van Macasserder dat hij so als ik vermeene door seer weijnigen of wel in 't geheel niet meer gehouden word voor die geene waar voor hij uitgeeft 't geen notoir moet ten gevolge hebben dat sijn credit reets ver„ „minaert is en selfs weeder geheel Cesseeren sal als men uiterlijk blijken toond sig sij„ ner weijnig te bekneunen, so vind ik het raadsaams dat uw E de reets versamelde onderdaanen van poe„ „lembankeeng en glissong maar weeder na huns laat keeren de hoofden nogthans gelastende om tegen voorm: swervers op hoede te sijn en bij aldien en zonder hun elders op te soeken kans mogte wesen deselve dood of leevendig inhanden te krijgen of wel van kant te helpen sulks ten uitvoer te brengen weshalven uE dit een en ander bij deesen word aanbevolen in verwagting dat uE vervolgens alle mogelijke spoed sal maken met het afdoen aer geschillen onder de onderdanen te welken eijnde uE derwaarts vertrocken zijt en vervolgens weeder herwaarts te komen waar Aan Van Mecasser den Waar meede na groete blijve /onderstond:/ uE goede vriend /was geteekend/ F: G: v: der voort /in margine/ macasser in 't Casteel Rotterdam den 18 November 1776 /onderstond/ Accordeerd /was geteekend/ H: B hodenpijl Van Madasserden Aanden welde tg en uilus odo fredus ander doort Gouverneur en Directeur Deeser Custe Celebes Wel Edele Agtbaere Heer Met alle Eerbied heb ik uwel Edele agtb: veel gerespecteerde letteren van den 10 deeser wel ontfangen weshalven heb ik de de daar in vervatte ordres alle de reets bij een gekomene onderdaanen van glissong en polonbankeeng lang samer„ hand weeder te rug late keeren excepto carang glissong die mij versogt heeft om met Eenige van sijne onder„ hoorige anak Eraengs en oudste lieden voor als nog alhier te mogen verblijven. vervolgens heb ik aan alle de hoofden van scomp. onderdaanen Van Macasser den onderdaanen op 't nadrukkelijkste gerecommandeert van sig op hunne hoede te weesen mitsgaders soo veel mogelijk dog sonder eenige beweeging te maken tragten soude den swerver sankilang met sijne complien het sij leevendig op dood sien magtig te worden als meede om met de ui„ terste secretesse te laten op speunen waar dat aen selven met sijnen aanhang sig thans ophoud ondervoor„ houding dat ingevalle sijlieden geen moeijte daarom willende doen sij selfs gevaar soude loopen van daar dien landlooper geduurig gemoletteert te sullen worden dus sijlieden haare last moetten doen hem en sijn en adherenten t sij leevendig ofte dood in„ handen sin te krijgen terwijl sij als dan ver„ seekerd konde weesen voor de betoonde getwouwigheid en vigilantie een goede naam vand Comp: te sullen verkrijgen Ja ik heb selfs om hun lieden te amimeeren uit mijn eijgen beloofd de ged: swerver konde vangen of van kant helpen eene goede beloning van mij daar voor sulle genieten in weer wil van't welke hebben eenige vande hoofden al aanstonds uit hun eijgen eijgen 17 Van Macasser den eijgen vertrouwde sendelings op uit gesonden ten eijnde eene nauw „keurige en in alle secretesse Informatie te doen of gem: sankilang C: s: nog op de negonij barana sig bevind dan wel of hij bereeds daar van doen soude sijn vertrokken en werwaarts hij sijne retraite genomen heeft mitsgaders hoe veel dat er nog van sijnen aanhang bij hem sijn welm: sendeling dan op gisteren te rug gekeerd sijnde maakte mij de hoofden bekend dat dien vagebond en sijnen aanhang ten getalle van wel twintig koppen nog op de voorm: negorij barana waaren dog dat men z niet sonder moeijte den selven in handen konde krijgen wijl er gaande weg alweder eenige van allerlij slag van vol„ keren bij hem quamen vermits z als nog inde vaste eer„ beelding sijn dat hij weesentlijke de na ceijlon verbannene koning van goa is Ja wat meer is so als mij eenen Taha verklaard heeft dat hij aldaar bij ged: snook had aange„ troffen de zoon van craeeng laijkang genaamt moehka /:alias:/ Daeng palalo mitsgaders dat aen bonijs prins arou Tjina /: deese is met caraeeng laijkang getrouwt :/ meede bij dien swerver was gegaan om te sien of den selven weesentlijk weesentlijkeen verbannene koning van goa was ofte niet maar dat gem: prins voor als nog in twijffel is of ged: sankilang weesentlijk de geine was waar voor hij sig komt uit te geeven dog heeden morgen wierd mij door de soellewatang van ana baadsaang beneevens de voorm: Taha en desselfs broeder mogebeijde onderdaanen van bonto Cadatto /welke twee laatste mij onder belofte van een preemie te sullen genieten bereeds toesegging hebbende gedaan hun beste te sulle doen om hem t sij leevendig of dood sien magtig te worden /:gerapporteerd dat de meergem: landloper Sankilang van gem: negorij barana vertrokken was sonder dat en iemand wiste herwaards of op wat voor negorij hij begeven had wijders kan ik metelaten uwel Ed: achtb: nogte melden dat tooen de meergem: bedrieger en swerver wij attacqueerde bij die geleegentheijd gesien waaren dat er verscheijde vande macassaarse Edelen daar onder waaren geweest namentlijk Danig mnallie van barambong Danig mambanie sijnde de kleijne soon van den sandra bonijs prins Caaeng manrimissie de Pannang van de negorij paganackang met sin gevolg gehoorende onder t hof van goa als meede Care mandjid jilli Van Macasserder deese
English
From Macasser the this one was as good as a major, together with some of the Latta peoples likewise belonging under the court of Goa, besides also several Tellonese and Macassars who reside here in the Company's villages of Bonto Kading, Bonto Lebang, and Pattene, as well as a multitude of the Company's subjects from Mantjong Comba, so that their number at that time indeed consisted of well over three hundred heads. Furthermore, after the enemy had been put to flight, I also ordered all the chiefs of the Company's subjects the following day to call together their subjects who had become scattered here and there out of fear of the aforementioned vagabond, while in the meantime I assured them in the best manner that this wanderer is by no means, as he pretends, the King of Goa banished to Ceylon, but rather a good-for-nothing and evildoer who has nowhere been able to find a hiding place from the persecution of his master. Further, it also serves to mention that both the subjects of the Honorable Company and the foreigners residing on the Company's territory have presently abandoned their villages and had taken flight elsewhere with their belongings, out of fear that that wanderer from Macasser the wanderer would still come to attack them, but I have exerted my utmost effort to assure them to the contrary. While in the meantime, with all respect, I take the liberty to sign this with all submissiveness. Below stood: Right Honorable Sir. Lower: Your Right Honorable's humble and faithful servant. Was signed: I: Bruyman. In the margin: Patalassang, the 22nd of November 1776. Below stood: Agrees. Was signed: H: B: Hodenpijl. Translation 21 From Macasser the Translation of a Buginese letter written by the King of Tanette to the Right Honorable Lord Governor of this Celebes, reading as follows: After friendly greetings, I inform Your Right Honorable that I have received Your Right Honorable's letter and have well understood the contents thereof. Regarding the reminder that His Right Honorable has caused to be made, that the account of the Honorable Company to the amount of rd:s 759: 17:— should be paid, one can have nothing against that. And I also request very humbly that His Right Honorable may be pleased to wait for some time until the paddy shall be harvested, for our income consists of nothing other than the paddy. I need not describe our impoverished impoverished state to His Right Honorable, for His Right Honorable is himself better aware of it. Below stood: Written at Tanette on Saturday the 16th of November Anno 1776. Below stood: Agrees. Was signed: H: B: Hodenpijl. To From Macasser the Honorable 23 From Macasser the Honorable, Discreet, To the Bookkeeper and Chief Interpreter Gerrit Brugman. Finding nothing to write in reply to your letter of the 2nd of this month, which reached me only yesterday afternoon, other than that I fully approve the reward promised by you to whoever might capture the wanderer Somkelang dead or alive and hand him over, it serves for your information that, having spoken with the King of Goa about that wanderer, His Highness not only promised to devise, if possible, means with the grandees of his realm toward that same very end, declaring that he had already given orders to his subjects living closest to Poelembankeeng to assist you in case of need, but that I have since also received report that the Tomilalang is actually out to lure him into the net, having sent someone to Barana to whom he reportedly made known that he would gladly meet the Tomilalang, who had informed him that he would await him at the village of Sonkelo in order thus to get him into Goan territory, for which I was also told that From Macasser the that the day of yesterday was appointed. All of which, being true, as is to be wished, might possibly be the reason that he has left Barana. However, having to await the outcome of this, you shall nevertheless have to try to find out where he is staying and to pay attention to his activities, as well as whether his following is increasing or decreasing, and especially whether the grandees of Barongbong and Fandrabonij, together with the Jennang of Poganackang, who were seen with him when he attacked you, are still among them or whether they have already abandoned him; having to remark regarding the latter, however, that it seems strange to me that the King of Goa did not know of it, or, having knowledge thereof, would have concealed such from me. Wherewith I remain, after greetings. Below stood: Your good friend. Was signed: P: G: van der Voort. In the margin: Macasser, in Castle Rotterdam, the 25th of November 1776. Below stood: Agrees. Was signed: H:k B:k Hodenpijl. To 25 From Macasser the Right Honorable Sir! To the Right Honorable Lord Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. I have had the honor to receive Your Right Honorable's highly respected letter of the 25th of August. I hereby take the liberty in all submissiveness to serve in answer thereto that, after the receipt of the highly mentioned letter, I immediately notified Craeng Anabadjang to send emissaries in secret to the village of Barana as soon as possible, in order, were it possible, to obtain positive information as to where the well-known wanderer is presently staying with his accomplices, and whether his following has increased or decreased; which emissaries, upon their return, reported to me that they had not been able to enter the mentioned village, because a strong guard by the
Dutch transcription
Jan Macasserden deese is so veel als majoor geweest mitsgaders eenige van de latas volkeren sorteerende intgelijks onder thofs van goa benevens nog verscheijde Telloneesen en macassaeren die alhier op sComp: negorijen bonto kading bonto Lebang en pattene woonagtig sijn so meede een meenigte van 'sComp: onderdaanen van mantjong Comba so dat hun getal te dier tijd wel ruim drie honderd koppen bestaan hebben. voorts heb ik almeede na dat den vijand op de vlugt was verdreven daags daar aan alle de hoofden van sComp: onderdaanen gelast hunne onderdaanen die sig uit vreese voor den meergem: landloper, hier en daar verstrooijt waaren geraakt bij een te roepen, tenwijl ik intusschen haarlieden op 't dienste verseekende dat dien swerver geensints so als hij voorgeeft de na ceijlon verbannen koning van goa te weesen maar wel een deug niet en quaad doenders is, die nergens schuijlplaats heeft kunnen vinden voor de vervolging van sinen meester wijders dient almeede dat so wel de onderdaanen vand'E Com„ pagnie als de vreemdelingen die op s Compagnies Territoir woonen teegens woordig hunnen negorijen verlaten hebben en elders met hunne goederen de vlugt genomen hadden uit vreese dat dien swerver van Macasserden swerver nog al soude komen om haarlieden te attacqueeren maar ik heb mijn uitterste devoir aangewend haarlieden 't teegendeel daar van te versekeren. Terwijl ik intusschen met alle eerbied de vrijheijd neme deese met alle onderdanigheijd te onderteekene /onderstond/ wel Edel agtb:heer/lager/ uwel Ed agtb: onderdanige en trouwschuldigen Dienaar /:was geteekend / I: Bruyman /in margine/ patalassang den 22 november 1776 /onderstond/ Accordeerd /was geteekend:/ H: B: Hodenpijl Translaat 21 Van Macasser den Translaat Bougineese Brief geschreeven door den koning van Tanette Aan den wel Edele Agt„ baeren Heer Gouverneur deser Celebes Luijden„ de als. Na vriendelijke groete maake ik uw Ed: agtb: bekond als dat uwel Ed: agtb: brief ontfangen en den inhoud van dien wel verstaan hebbe Aangaande de aanmaninge die sijn wel Edele agtb: heeft late doen dat de reecq: van d E Comp: ten bedragen van rd:s 759: 17:— soude voldaan werden kan men niets daar tegen hebben. Enog versoeke seer ootmoedig dat sijn wel Edel agtb: op„ lang geliefd te wagten tot dat de padij sal gesneeden sijn want onse Jnkomen niets anders als van de padij bestaat behoeve sijn wel Edele agtb: over onse armoedige aanmoedige staat niet te declareeren want sijn wel Edele agtb: selfs beter bewust is /onderstond/ Geschreeven tot Tanette op Saturdag den 16 November Anno 1776 /onderstond/ Accordeerd. / was geteekend/ H: B: Hoden pijl Aan Van Macasser den E 23 Van Macasser den Eersame Drome Aan den Boekhouder en opertolk Gerrit Brugman Op ueb schrijven van den 2 deeser mij gisteren nademiddag eerst ge„ worden niets te rescribeeren vindende aan dat ik de door uE toegesegde belooning aan de geene die den swerven somkelang dood op leevendig inhanden mogte krijgen en over komt te leeveren volk omen goedkeur „so dient tot uE narigt datik met den koning van goa over dien seen„ ver gesprooken hebbende sijn hoogheijt miet alleen tesegig heeft gedaan om met sijne rijkes grooten des mogelijk middelen te benaa„ „ramen tot het selve vel eijnde onder betuiging aan sijne naast aan het poelembankeeng woonende onderdaanen reets ordre gegeeven te hebben om uE in cas van nood bij te springen, maar dat ik sedert ook berigt hebbe ontfangen dat den Tomilalang werkelijk en op uitis om hem in het net te loeken als hebbende iemand na barana „gesonden aan wien hij soude te kennen gegeeven hebben den Tomi„ lalang gaanne te sullen ontmoeten die hem hadde doen weeten hem op de negorij sonkelo te sullen verwagten ten eijnde hem dus in het goad gebied te krijgen waar toe mi teffens is gesegt dat Van Machasserden dat de dog van gisteren bepaald was alle het welke waar sijn de gelijk te wenschen is mogelijk wel de reeden soude kunnen weesen dat hij banana verlaten heeft hier van nogthans het gevolg moetende afwagten sal uE egter moeten tragten uit te vorschen waar hij sig onthoud en op sijne bedrijven te letten mitsgaders of sijn aanhang vermeerdert of vermindert en insonderheijd ofde grooten van barongbong en fandrabonij nevens de Jen„ nang van poganackang die men bij hen gesien heef toen hij uE attacqueerd sig daar onder als nog bevinden ofdat sij hem reets verlaten hebben nopens den laatsten egter moetende aanmerken dat het mij vreemd voorkomt dat den koning van goa daar van niet geweten of daar van kennisse hebbende sulks voor mij soude hebben verborgen gehouden waar meede blijve na guoete /onderstond:/ uE goedevriend /was geteekend:/ P: G: vandervoort / in margine / matasser in 't Casteel Rotterdam den 25 november 1776 /onderstond/ Accordeerd /was geteekend/ H:k B:k hodenpijl Aan 25 Van Macasser Den Wel Edele Agtbaere Heer! Aan Den wel Edelen Agtbaren Heer Pauilus Godofredus van der voort Gouverneur en Directeur Deser Custe Celebes Icheb de Eer gehad van te recipieenen uwel Edele agtb: veel gerespecteerde letteren van den 25 Aujus to neeme bij deese in alle onderdanigheijd de vrijheijd daar op in antwoord te dienen dat ik na den ontfangst van hoog ged: letteren terstond craeng anabadjang aangekundigt hebbe van ten spoedigsten sendelingen nadenegorij barana in 't geheijm te senden ten eijnde om ware t mogelijk een positieve narigt te erlangen waar tot aen bekenden swerver met sijne complieen sig thans ophoud en of sijnen aanhang vermeerdert dan wel vermindert sijn welke sendelingen bij hun terug komst mij berigtede dat 'z niet in gem: negorij hebbende kunnen komen vermits idaan terke wagt door den
English
from Makassar the the following of the well-mentioned vagrant Sankilang is kept together out of fear, because they had heard that I would still pursue their people. For that reason, that deceiver has also taken his flight to the mountains situated nearby there, but after a stay of three days, the same has returned again to the settlement Barana, where he currently still stays with his adherents, but his companion does not yet have a permanent place of residence. Furthermore, the aforementioned emissaries also communicate to me that they had also seen there and with the mentioned Sankilang the son of the Gowa grandee of the realm Craeng Kaballakang named Tendong, but that the Sanrabone prince Daeng Malli (of whom I have mentioned in my previous) has escaped from the mentioned vagrant because they had blamed him for having been the cause that they were defeated, but that the Jannang of Banganackang with his subordinate peoples still continually visits and leaves that vagabond, and concerning the Company's subjects of Manmantjong Camba, that none of them are with the same anymore except Ranga and his entire lineage, thus one cannot as yet say for certain whether his following has increased or 27 from Makassar the or decreased. However, just now returned Galarrang Lakatong, whom I have sent out expressly to inquire in the most accurate manner after the conduct and movement of the often-mentioned vagrant Sankilang, communicating the following to me: that to that end he had sent an emissary to the settlement Barana, but that the peoples of the mentioned settlement would not let that emissary enter, wherefore the same returned again with matters unaccomplished; That he, Galarrang Lakatong, had gone thither in person, where by means of his brother-in-law living in the aforementioned settlement he managed to get into the mentioned place, and subsequently having asked in a covert manner where the vagrant Sankilang currently stayed, at whose house he was lodged, as well as what sort of Makassarese nobles were with the same, and whether his following has increased or decreased; whereupon his aforementioned brother-in-law pointed out to him the house where the mentioned Sankilang lives, which, as it appeared to him, Galarrang, as well as two other houses, were full of people; that from Makassar the that he, Galarrang Lakatong, subsequently asked thereupon where the so-called king was, but that he had received the answer thereto that there was no king there, but indeed a Craeng Lebaij (belonging under Sanrabone) with also a full cousin of Craeng Barombong. Furthermore, the mentioned Galarrang Lakatong declared that he has heard by rumor from the settlement peoples of Poganackang that that vagrant is currently provided with weapons, namely 40 pieces of flintlocks and 20 pieces of bajoe rantes, it being alleged that Arou Palacca and some others had sent those to him, as well as that the mentioned princess on top of that had let the Galarrang of Barana know that he must above all take good care of her grandson, while she is also about to depart thither within three to four days to meet her grandson aforementioned. Subsequently, the mentioned Galarrang Lakatong also reported to me that upon his departure from here he had seen being carried away on his path about ten flintlocks and four long pikes or toemba, they having directed their course toward the settlement Linkese belonging under the court of Gowa, and furthermore that he, Galarrang Lakatong, has likewise heard by rumor from the settlement peoples of Paganackang that the so-called Batavia Gowa (alias Sankilang) is about to depart today for Sanrabone. Furthermore, I have the honor to report to your Honorable Worship that the King of Gowa previously had sent an emissary to me for information whether I could not report to his majesty who among the Makassarese nobles had been seen with that vagrant when I was attacked, but I served that monarch as an answer at that time that I could not say such a thing, as I myself do not know what Makassarese had been with him at that time, but that his majesty would certainly hear further. Furthermore, I take in all respect the liberty to communicate to your Honorable Worship that I shall depart this evening from here to Magindara, since I can carry out nothing here toward the settlement 29 from Makassar the the settlement of the disputes among the subjects of the Company, and at the same time to await your Honorable Worship's further orders there. With which I have the honor to sign this with all submissiveness. Underneath stood: Your Honorable Worshipful Sir. Lower: Your Honorable Worship's humble and dutiful servant. Was signed: G.t Brugman. In the margin: Patalassang the 28th of November Anno 176-. Underneath stood: Agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. Translation. 31 from Makassar the Translation of a Bugis letter written by the Datu of Soppeng to the Honorable Worshipful Lord Governor, reading as follows: After my humble compliment to the Honorable Worshipful Lord Governor, I hereby make known to his Honorable Worship that I have already reminded the Tanetterese, as his Honorable Worship will be able to see according to the content of the enclosed letter from the King of Tanette written to me. Concerning the dispute between the peoples of Sidenreng and my subjects of Mario Riawa, that his Honorable Worship has written to me maintaining that the peoples of Sidenreng will now follow my desire or wish and give back my claims, as well as that they will forbid their subjects to do any molestation to mine, such has as yet little effect, for the only thing has been that some have permitted us to get back our subjects by ransoming them. But concerning the subjects of Sidenreng, the same continue as before and have dared to enter onto our land in
Dutch transcription
van Macasserden den aanhang van welm: swerven sankilang gehouden word ui't vreese wijl t ghoort hadden dat ik hun lieden nog al soude ver volgen uit dien hoofde heeft dien bedrieger ook sijn vlugt na liet aldaar naat leggende gebergte genomen dog na verblijf van drie dagen is den selven weder na de negorij barana terug gekeert alwaar hij sig thans nog met sijnen adherenten ophield maer sijnen meede macker heeft nog geen vatte verblijfplaats voorts communiceeren mij de voorm: sendelingen nog datz aldaar en bij gem: sankilang meede gesien haddende soon van den goas rijks groot Canaeng kaballakang genaamt ten dong dog dat de sandra bonijs prins daeng malli /: waar van ik in mijn voorige vermeld hebbe :/ van gewaagde swerver ont„ weeken is door dien't hem de schuld hadden gegeeven dat hij de oorsaak was geweest dat sij versloegen waren maar dat de Jannang van banganackang met sijne onderhoorige vol„ „keren als nog geduurig bij dien landlopen of en aangaat en belangende scomp: onderdaanen van man mantjong camba dat er geen meer bij den selven word behalven ran„ ga en sijn gantsche geslagt dus kan men voor als nog niet weete te seggen of sijnen aanhang vermeerdert dan wel 27 van Macasser den dan wel vermindert sijn Dog soo even retourneerde glannang lakatong die expres uitgesonden hebbe om op het naauwkeurigste te informeeren na het gedrag en beweeging van den meergewaagden swerver Sankilang mij t volgende communiceere: dat hij tot dien eijnde een sendeling na de negorij barana had gesonden dog dat de volkeren van ged: negorij die sendeling niet had binnen willen laten wethalven ik den selven onverrigten saken weeder terug ge keert: Dat hij glaunang lacatong selfs in persoon na derwaands had begeeven alwaar hij door middel van sijne opgem: ne„ gorij woonende swager in gem: plaats weeten te geraaken en dientvolgen op een bedekte wijse gevragt hebbende waar dat den swerver sankilang sig thans op hielden op wiens huis hij gelegeerd was mitsgaders wat voor macassaarse Edelen bij den selven waaren en of sijne aanhang vermeerdert of vermindert is waar op de voorn: sijnen swager hem het hus waar op ged: sankilang woond aanwees due hij gal: annang to wel als nog twee andere hulsen, so als het hem toescheijnt val met men schen waeren dat Van Macasserden Dat hij galarrang lakatang daar op vervolgens gevraagd hebbende waar dat de so genaamde koning was maar dat hij daarop tot antwoord had gekreegen dat daar geen koning was maar wel eenen eraeng Lebaij :/ gehorende onder sandrabonij met nog eenen volle neef van craeeng barombong. wijders verklaarde gem: glarrang Lakatong nog dat hij van de negorijs volkeren van poganackang per gerugt verno„ „men heeft dat dien swerver thans van wapens voorsien sijn namentlijk 40 p:s snaphanen en 20 p:s bajoe rantes voorge„ noemde dat arou palacca en eenige andere hem die toegesonden hadde mitsgaders dat gem: prinices nog daar en boven aan glaurangs barana soude hebben laten weeten dat hij dog voor al goede sorge moette dragen voor haar kleijn soon terwijl sij binnen drie a vier dagen meede na derwaarts staat te vertrekken om haar kleijn zoon voorn: te ontmoeten vervolgens berigte mij gem: glarrang lacatong ook dat hij met sijn vertrek van hier in sijnen weg wel thien snaphaenen en vier lange pieken of Toemba hadde sien snaphaenen en vier Van Macasser den vier lange pieken of soemba hadde sin weg brengen hebbende sijlieden hun Cours na de negorij Linkese gehoorende onder t hof van goa genomen en voorts dat hij genomen en voorts dat hij galaurang Lakatong almeede van de negorijs volkeren van paga„ nackang per gerugt vernomen heeft dat de so genaam de batavia goa/alias:/ sankilang heeden na Sandra bonij staat te vertrekken wijders hebbe de Eere uwel Edele agtb: temelden dat den koning van goa bevoorens bij mij eensendeling gesonden hadde ter Jnformatie of ik sijn majesteijt niet soude kunnen berigten wie al van de macassaarse Edelen toen ik g'attacqueerd bin geworden bij dien swerver waren gesien geweest maar ik heb aan dien vorst als toen ten antwoord laten dienen dat ik sulks niet konde seggen terwijl ik selfs niet weet wat voor macassaaren al te dier tijd bij hem waaren geweest maar dat sijn majastijt nader wel soude te hoore krijgen voorts neem ik in alle Eerbied nog de vrijheyd uwel Edele agtb: te communiceeren dat ik mij heeden avond van hurna magindara sullen begeeven vermits ik dog alhier niets ter afdoening 29 van Macasser den afdoening der geschillen onder de onderdaanen van d' Compagnie kan uitvoeren en teffens uwel Edele agtb: nader beveelen aldaar te blijven afwagten. waar meede ik de Eene hebbe deese met alle onderdanigheijd t onderschrijve /onderstond/ uwel Edele agtb: heere /lager/ uwel Edele agtb onderdaanige en trouwschuldigen dienaar /was geteekend/ G:t Brugman /:inmargine / patalassang den 28 november A:o 176 /onderstond/ accordeert /was ge„ teekend/ H: B: hodenpijl Translaat 31 Van Madsser den Translaat Boegineese Brief geschree„ ven door Datoe van Sopping Aan den wel Edele Agtbaeren Heer gouverneur Luijdende als volgt. Na mijn nedrige compliment aan den wel Edele agtb: heer gouverneur maak ik sijn Edele agtb: bij deese bekend dat ik de Tanettereesen reets herineert hebbe so als sijn wel Edele agt„ bave volgens inhoud der Jnleggende brief van den koning van Tanette aan mij geschreeven sal kunne beoogen. Aaangaande de twirst tusschen de volkeren van rideenring en mijne onderdaanen van mario riaua dat sijn Edele agtb: mij heeft geschreven te sustineeren dat de volkeren van sideeuring nu mijn begeerte off sin sullen volgen en mijne pretentie wederom„ geeven als meede dat thunne onderdaanen sullen verbieden om eenige molest aan de mijne te doen is sulx nog van weinig effect wan 't Eenigste nog geweest is dat sons hebben toegestaan dat w onse onderdaanen met 't afkopen hebben weeder om gekreegen. Maar aangaande de onderdaanen van tideen reeng deselve blijven als vooren Continueeren en hebben durven onderstaan op ons land in
English
From Macasser the into a sapodilla orchard, knowing that the fruits of the same are ripe, to come with a multitude of armed men and there take away all the fruits of the said trees, and also our subjects of mario have been in Sopping to complain to me about this, with the request that if it should happen again they wish to defend themselves against the subjects of sideenring, but due to my indisposition they reported this to the pabitsara or regent of the realm, who, after I had recovered again, reported it to me in turn. Whereupon I have taken into consideration and reflected upon the contract entered into between the Company and those of bonij and Sopping, that the Company is the head of us all, and also that we are friends of the Company, not like others who rule over them. Wherefore we have also taken into consideration and resolved to request the Company to prepare what we might lack in due time, so that whenever we see fit and the Right Honourable Lord Governor permits us, we may then proceed. As well as what the Right Honourable Lord Governor has written, that His Honour cannot imagine that poeanna I Asia would come into Sopping to strike against it, about which we are very pleased, but 33 From Macasser the but if poeanna I Asia should later come into Sopping to strike against the same, and the Right Honourable Lord Governor should then leave his wives and children unattacked, that shall be proof to me that such happens with the consent of the Company; as well as according to the writing of the Right Honourable Lord Governor that His Honour has forbidden the people of poeanna I Asia to do any more harm, for at the time my mother matinroa risoneang was still alive, I agreed with her to hand over to lolo the fields named palkan re Jonga and balang in order to lease them to others for my account, but upon my arrival in Tanete, having sent the messenger of Tanette to Lolo to demand the tithe of the aforementioned fields, Lolo declared that the tithes of the fields have been taken away by the people of poeanna I Asia. Now I maintain that the Right Honourable Lord Governor can clearly see the actions of the people of poeanna I Asia, for the people of Ponijkan declare that poeanna I Asia and his people do not do the least harm anymore, and Lolo says, on the contrary, that the tithe of the fields has been taken away by poeanna I Asia's people. I also request Your Right Honourable that His Honour would be pleased to have the fields of From Macasser the of catsia mangaloen and seinkaija leased out, and write off the lease monies against my mother's debts, whether His Honour accepts it in paddy or has the same sold, provided that after satisfaction of my mother's debt the said fields are returned, for the Right Honourable Lord Governor is very well aware that the said lands belong to Sopping and not to Tanette, and this was done solely to pay my mother's debts. That the Right Honourable Lord Governor would gladly see me in Macasser, I have communicated this to the people of Sopping, who together with me declared to be very pleased about it; but since the people of Sopping have decided to elect my son Arou patiro as Datu of Sopping in my place, it is so that when he shall have been fetched by us and appointed, we shall then consider further and, having taken a decision, inform the Company thereof. I also make known to His Honour that at the time arou Tanette departed for bonij, arou palacka also sent a certain Labenko to bonij and had the king of bonij informed that if there should be any rumours of war on their mind, to let her, arou palacka, know, for the reason, said the said arou, that we can no longer trust the actions of the Company 35 From Macasser the trust, because various matters have already changed. Also madaurang has declared to me that Daeng Tompo declared to him for a certain truth that poeanna I Asia is strongly supported by the Company, and has been promised by the Right Honourable Lord Governor to be appointed as Datu of Sopping. Whereupon I served the aforementioned madaurang as an answer that the Company will do nothing that is contrary to the contract. Regarding the sent fine gunpowder and flint stones, I express my highest gratitude to His Honour and hope that God may bless me and that I may return the kindness of the Right Honourable Lord Governor. Regarding the desire of the Right Honourable Lord Governor that I should inquire what the Mandharese intend with respect to what is demanded by the Company, I say that they have already previously declared to the Boniers that if they are ordered thereto by the Boniers, they can have nothing against it, but being ordered thereto by the Company, they will not pay a doit; but who knows, if the Company might perhaps be fortunate, that I can persuade their people thereto; yet for the present I cannot do so, because arou patiro has not yet From Macasser the cannot do so, because arou patiro has not yet returned hither, nor can I depart from Sopping before arou patiro must first be present here, as I also wish to look forward to seeing my father the Captain Moor. It was written below: written at Sopping on Saturday the 4th of the month of Shawwal, or the 10th of November 1776. It was written below: agreed. Signed: H. B. hodenpijl Translation
Dutch transcription
Van Macasser den in een sapinie bosschagie terwijl sweeten dat de vrugten denselverets rijp sijn, met meenigte gewapende manschappen te komen en aldaar alle de vrugten van gem: boomen weg te neemen to als ook onte onderdaanen van mario op lopping sijn geweest om daar over aan mij te willen acleeren met versoek om to wanneer 't weeder mogte gebeuren sijlieden als aan teegens de onderdaanen van sideenring willen verde fendeeren maar door mijn indispositie hebben sijlieden aan den pabit sara affte rijksbe„ stieraen sulx gerapporteerd die na ik weder hersteld was weederom aan mij heeft gedaan waar op ik in overweging heb genomen en gereflecteerd op de contract tusschen dE Comp: met die van bonij en kopping aangegaan dat de Comp: van ons all 't hoofdis en ook dat dE Comp: van ons alle thoofd is enook dat wij vrienden van dE Comp: sijn niet als anderen die over hun gebieden. waaromme dan ook weeder in overweeging hebben genoomen en slooten om dE Comp: te vertoeken ten eijnde in gereesheid te brengen t geen ons in der tijd mogten manqueeren om wanneer wij't goedvinden en den wel Ed: agtb: heer gouverneurs ons toelaat als dan onse gang te kunne gaan. Als meede 't geen den wel Edele agtb: heer gouverneur geschreeven heeft dat sijn wel Eaele niet kan aenken dat poecanna I Ashia in lopping soude komen om daar tegens te slaan waar over mij seer verblijd sijn maan 33 Van Macasser den maar so wanneer poeanna I. Asia naderhand in bopping mogte komen om teegens deselve teslaan en den wel Edele agtb: heer gouverneur als dan sijne vrouwen kinderen met laet attacqueeren so sal het selve voor mij een bewijs sijn dat 't sulx met toestemminge van dE Comp: geschiede als meede vol„ gens schrijvens van den wel Edele agtb: heer gouverneur dat sijn wel Edele de volkeren van pocanna I: Asia verbooden heeft om geen quaad meer te doen want ten tijde mijn moeder matinroa risoneang nog in t leeven was hebbe ik met deselve geacordeert om aan lolo over te geeven develden ge„ naamt palkan re Jonga en balang ten eijnde voor mijn reecq: aan andere te vertuuren maar met mijn komst te Tanete desendeling van Tomette na Lolo gesonden hebbende om de thiende van evengem: velden ofticeijs„ schen so betuijgde Lolo dat de Thiende der velden door de volkeren van poeanna I Asia sijn weggenomen. Nu sustineere ik dat den wel Edele agtb: heer gouverneur de ge„ doentens van de volkeren van poeanna IAtsia klaanlijk kan sin want de volkeren van Ponijkan betuigen dat poranna 'J Absia sijnen volkeren geen de minste quaad meer doen enlolo begt daar en tegen dat aettriende der velden door poeanna T Asia svolkeren sijn weg genoomen ook versoek ik uwel Edele agtb: dat sijn Edele agtb: tevelden van Van Macasser den van catsia mangaloen en seinkaija gelieft te laten verhuuren en di huurpenn: op reecq: van mijn moeders schulden afschrijven't sij dat sijn Edele agtb: in padij accepteerd dan wel deselve te laten verkoopen, mits na voldoening van mijn moeders schuld de gem: velden te rug te geeven want het den wel Edele agtb: heer gouverneur seer wel bewust dat gem: landerijen aan sopping toebehooren en niet aan Tanette eu't eenelijk maar geschiede om mijn moeders schulden te betaelen. Dat den wel Edele agtb: heer gouverneur mij te macassen gaarnete gemoet wil sien hebbe sulx aan de soppingens gecommuniceert die met mij gesamentlijke betuigde van daar over seer verblijd te sijn dog terwijl de sopingers beslooten hebben om mijn soon Arou patiro als datoe van topping in mijn plaats te verkiesen to is't dat wanneer deselve door ons sal sijn afgehaald en aangesteld wij als aan naders sullen bedenken en een besluit genomen hebbende t selve de Comp: doen verwittigen ook maake ik sijn Edele agtb: bekend dat ten tijde arou Tanette na bonij vertrokken is so heeft arou palacka eenen Labenko meede na bonij gesonden en den koning van bonij doen doen verwittigen wanneer eenig gerugten van oorlog aan den sints mogte sijn als dan haar arou palacka te laten weeten om reeden / sij gem: arou/ dat w' op de gedoentens van dE Comp: niet meer kunnen vertrouwen 35 Van Mdcdasser den vertrouwen want al verscheijde saaken verandert sijn ook heeft madaurang mij betuigt dat Daeng Tommne hem voor de vaste waarheijd betuigd heeft dat poeanna I Asia sterk door DE Comp: word ondersteund, en door den wel Edele agtb: heer gou„ verneur belooft is geworden om tot Datoe van sopping aan tetellen. waar op aangem: madanrang ten antwoord hebbe gedient dat dE Comp: niets sal doen 't geene tegens de contract strijd. Aangaande de toegesondende fijn kruit en vuunst eenen betuige sijn Edele agtb: ten hoogsten aankbaar en hoope dat good mij mag tegen en dat ik de goedheijd van den wel Edele agtb: heer gouverneur weederom kan vergoeden. op de begeerte van den wel Edele agtb: heer gouverneur, dat ik soud informeeren wat de mandhareesen van sins sijn wegens 't g'Eijschte door dE Comp: deselve segge ik hebben al bevoorens aan de boniers verklaard dat wanneer s door de bonijers daar toe werden g'ordonneerd sijlieden als daar niets tegen kunnen hebben maar door dE Comp: daar toe g'ordonneert werdende I dan geen auit sullen betaalen maar wie weet so D' E Comp: somtyds gelukkig mogte sijn dat ik hun lieden daar toe kan bewegen dog voor als nog niet doen kan door dien arou patiro nog niet Jan Macasser den niet doen kan door dien arou patiro nog niet herwaarts is gene„ tourneerd kunnende ook niet eender van soping vertrekken off arou patrio moet alhier eerst present sijn als meede wil ik tege„ moet sien mijn vader den capitain maleijer /onderstond/ geschreeven tot sopping op saturdag den 4: der maand sauwal of den 10 november 1776 /onderstond:/ accordeerd / was geteekend:/ H: B: hodenpijl Translaat
English
37 From Macasser the Translation of a Buginese Letter written by the King of Tanette to Datoe Sopping. By this I inform Your Honour that as soon as I received Your Honour's letter, I also assembled the Tanetterese and communicated to them the contents of Your Honour's letter. Whereupon the Tanetterese all served in reply that they can now do nothing more in this matter, since the late Queen Matinroa risoreang in her lifetime From Macasser the lifetime communicated both to the Company and to the King of Bonij, namely that the Tanetterese have resolved to appoint this present King as their master. At the foot: Agrees. Was signed: H: Hodenpijl. To P P: 39 From Macasser The To the Bookkeeper and Chief Interpreter Gerrit Brugman Honourable, pious Keeping communicated to me what was conveyed by you with respect to the vagrant Sankilang by writing of the day before yesterday, while I approve the answer given by you to the question put to him by the King of Goa as to which Macassar nobles had been with him when he attacked you, this serves further on your request for closer orders: that in case upon the receipt of this it is entirely quiet on the Company's lands of Poelembankeeng and consequently there should be no reasons for your longer stay, you may come directly hither, after having previously commended to both Craings of the districts the keeping of a watchful eye on that vagrant and to be on their guard so as not to be surprised, with the further charge that as soon as they perceive anything of importance concerning him, or if anything should occur anywhere, to give me knowledge thereof with the greatest speed by capable emissaries; while I still flatter myself that the subjects, seeing that this matter is considered of no notable consequence, will make the less difficulty of it, and the absconded persons, or those fled elsewhere out of fear, will return the sooner; being at least certain that your stay From Macasser the stay, joined with the running back and forth of emissaries, must cause anxiety among many if not among the most, making them fearful of some undertaking by the said vagrant; while thereafter one will be able to obtain news soon enough as to where he intends to go, in order, when such might be necessary, to send you thither again with some force. For the rest, I will expect that the subjects will be encouraged, both by their aforementioned regents and lesser chiefs, to offer him manly resistance in case anything hostile should be undertaken by the repeatedly mentioned vagrant; you being therefore further able to make a closer promise of a good reward for the one who happens to deliver him into our hands, whether alive or dead, even if it were up to 100 to 125 Spanish reals, without however using the Company's or my name in that regard. Wherewith, after greetings, I remain, at the foot, your good friend, was signed: P: J: van der Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 30th of November 1776. At the foot: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. To 41 From Macasser the Right Honourable Sir! To The Right Honourable Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes, etc. etc. This serves as an accompaniment to the monthly specification of this expired month. Since my last respectful letter to Your Right Honourable concerning the timber for the sea pier, I can send no fixed report to Your Right Honourable, which I regret very much, because the mountain regents have recently let me know by an emissary whom I sent thither that From Macasser the they could not yet send the aforementioned timbers because they were first cutting them down, and subsequently it must also rain heavily so that there must be water in the river to float them hither, and subsequently to Macasser. According to my bounden duty, I must communicate to Your Right Honourable that on the 28th of this month Craing Marrang was with me with this complaint: that Aroe Pantjana had sent for him some days ago to come to him; but this old man, being somewhat indisposed at that time, sent his son to the said Aroe Pantsana to learn what his desire was. This Arou Pantjana asking why his old father did not come, the son of Craing Marrang answered that his old father was not well. Aroe Pantsana said to the aforementioned Craing Marrang his son that he had authorization from Your Right Honourable to demand paddy fields from his father Craing Marrang and also that they must be given to him, and indeed as much as five hundred men of his people needed to live on yearly. The said Craing Marrang let Aroe Pantsana know that he could not dispossess the Company's subjects to give 43 From Macasser the him, Aroe Pantjana, so many paddy fields, and that he, Craing Marrang, must first make such known to his President. Whereupon Aroe Pantjana had replied that he was also at present a Company subject, not to mention that he wanted to write about it to Your Right Honourable. Whereupon I ordered the aforementioned Craing Marrang not to give up any paddy fields to Arou Pantjana before and prior to my receiving orders from Your Right Honourable, so as to let him, Craing Marrang, know how to conduct himself in that regard. I do not doubt but that these orders of mine which I have instituted in that regard will be to Your Right Honourable's satisfaction; if not, then I very humbly request pardon, for I am of the opinion that Aroe Pantjana sought by a sweet cord to approach those paddy fields and to oust the Company's subjects therefrom. Wherewith I have the honour with this hereby
Dutch transcription
37 Van Macasser den Translaat Borgi„ neese Briep Ge„ schreeven door de Koning van Ta„ „nette aan Datoe Sopping. Bij deese maake ik uEd: bekond dat zo dra uEd: Brief Ontfangen hebbe de ta„ nettereesen ook bij malkanderen hebbe doen komen en deselve gecommuniceert den inhoud uEd Brief Waar op de Tanettereesen alle tot antwoord gedient hebben dat P' nu inne niets meer kunnen doen ter„ wijl den Overleeden koningin Ma„ tinroa risoreang in haar levens tijd Van Macasserden tijd zo wel dE Comp: als den koning van Bonij heeft gecommuniceerd te weeten dat de Tanettereesen beslooten hebben deese presente koning tot hun meester aan te stellen /:onderstond/ Accor„ deert /was geteekend/ H: Hodenpijl Aan P P: 39 Van Macasser Den Aan den Boekhouder en opertolk Gerrit Brugman Eersame vroome Door gecommuniceert houdende het mij door us bedeelde met betee„ king tot den swverver Sankilang bij schrijvens van eengisteren terwijl ik het door uE gegeven antwoord op de hem gedane vrage van den koning van goa welke macassaarse Edelen bij hem sijn geweest toen hij uE geattacqueert heeft approbeere se dient verder op uE versoek om nader ordre dat ingevalle het bij den ontfangst deeses op sComp: landen van poelembankeengen glissen stille en en dierhalven geene reedenen voor uE langer verblijf mogten weesen uE maar direct herwaarts kunt komen na alvoorens de beijde crangs van de districten het houden van een wakend ook op dien swerver aanbevolen te hebben en om op hunne hoede te weesen ten eijnde niet miogelijk met verdere latt om sodra sij omtrend denselven iets van belang verneemen of wel engens iets voorvallen mogte mij daar van ten allenspoedigsten kennisse te geeven door bekwame sendelingen terwijl ik mij als nog ben vlijende dat de onderdaanen siende dat men date saak van geen morkelijke Consideratie acht des teminder swa„ righeijd daar in stellen end uitgeweekene of wel uit vreese na elders gevlugte desteerden weeder te rug keenen sullen ten minste seeken sijnde dat us ver blijk Van Macassen den verblijf gevoegd bij het overen weder lopen van sendelingen bij veelen so niet bij de meester bekommering moet verooksaaken dat men voor eenige on„ derneeming van meent swerven bedugtis terwijl men als dan vervol„ „gens nas genoeg tijding sal kunnen erlangen, waar het met hem heenen wil om wanneer sulks nodigt magt sin uE met Eenige mogt weeder derwaarts te senden. voor't overige wil ik verwaakten dat de onderdaanen so door gem: hunne regenten als minder hoofden sullen worden opgewekt om in Cas er iets vijandelijks voor meerm: swerver mogte worden ondernomen hem mann:oedig tegenstand te bieden kunnende uE dierhalven als nog een nader toesegging doen tot een goede belooning voor die geene welke ham het sij leevendigt of dood in onse handen kome te leveren, al was het tot 100 a. 125 spaans sonder nogthans daar omtrend Comp: of mijn naam te gebruniken Waar meede na groete blijve / onderstond/ uE goede vriend /:was geteekend/ P: I: vander voort / in margine/ Matassen in 't Casteel Rotterdam den 30: november 1776 /onderstend:/ Accordeert /was getekend/ H: B: hodenwijl Aan 41 Van Macasserden Del Edelen Agtbaaren Heere! Aan Den wel Edelen Agtbaaren Heer Paulus Sodofredus van der Poort Gouverneur en Directeur Deeser Custe Cclebes & 8 Deese is dienende ten geleijde van de maendelijkse spe„ cificatie deeser verscheene maand. seedert mijn laast eerbiedig schrijve aan uw wel Edele agtb: weegens het houtwerk voor het see hoofd kan ik geen vatte berigt aan uw wel Edele agtb: oversende dat mij seer leet doet door dien meer seer leet doet door dien mij de berg regenten nu Jongst hebbe segge laate door een sendeling die ik derwaarts gesonden heb dat Van Macasserden zij de voornoemde houtwerken nog niet konde senden terwijl sij lieden eerst aan het koppen waaren en vervolgens moet het ook sterk reegenen dat er waater inde rivier moette syn wel de zijt herwaards voeren en vervolgens na macasser. volgens mijne schuldige pligt moet ik uw wel Edele agtb: Communiceeren dat op den 28 deeser Craing Marrang is bij mij geweest met deese klagte dat aroe pantJana hem voor eenige daagen had roepe laate van bij hem tekomen dog deesen ouden man die tijd wat onpasselijk sijnde stuurde zijn zoon naer genoemde aroe pantsana om te verneemen wat van sijn verlang was deese arou pantjana vraagende waarom dat sijn oude vader niet enkwam de zoon van Craing marrang, antwoorde dat syn ouden vader niet wel was aroe pantsana sijde teegens voor„ noemde Craing Marrang, sijn soon dat hij qualificatie had van uw wel Edele agtb om aan sijn vader Craing marrang padij velden afte vrage en ook aan hem te moete geeven en wel so veel als vijf hondert man van sijn volk s Jaars van nooden had van te leeven gedagte Craing marrang het arre pantsana weete dat hij de Comp: onderdaane niet kon versloote om aan ham 43 Van Maelasser den hem Aroe pantjana soo veel padij velden te geeven en dat hij caam marrang sulks eerst aan sijn Presi„ dent moest bekend maake waar op aroe pantjana gerepliceert had dat hij ook teegenswoordig en com„ „pagnies onderdaan was niet te segge dat hij 't aan uw wel Edele agtb: wilde schrijven waar op ik aangedagte Cranig marrang heb gelast geen padij velden aan arou pantjana afte geeven voor en al eer ik van uw wel Edele agtb: ordres ont„ fang om sulks aen hem crain marrang te laate weete hoe sig daar omtrent in te gedraage ik twijffele niet of deese mijne ordres die ik daar omtrend in gesteld hebbe sullen na uw wel Edele agtbaere genoegen sijn so niet den versoeke ik seer needrigtt om Excuus want ik ben van gevoele dat aroe pantjana met een soedleijndje die padij velden sogt te nadere en de compagnies onderdaene daar uit te nettelen waar meede de Eere hebbe van deese hier meede
English
From Macassar The Honorable, Vroome, Discreet Provisional Resident also to discuss and after having commended Your Right Honorable into God's holy keeping, I subscribe myself with due obedience /underneath stood/ Right Honorable Sir /lower/ Your Right Honorable's very humble and obedient servant /was signed/ I: Bosch /in the margin/ Maros In the Honorable Company's fortress Valkenburg the last of November 1776 /underneath stood:/ Agrees /was signed/ H: B: Hodenpijl. To 45 From Macassar the To The Junior Merchant Theodorus Bosch In response to Your Honor's letter of the day before yesterday, it serves with regard to the dispute between arou pantJana and Craeng marang that, having already long ago ordered the latter along with the lolo and other chiefs of sagerij to assign to the people of the first-named—who amount to far from 500 and not even far above two hundred souls—as much uncultivated land, or fields that are no longer worked, as could be found for their sustenance to plant with paddy, I had consequently expected nothing other than that this would already have happened, so that it displeases me greatly now to learn the contrary. And therefore I order Your Honor hereby to send the under-interpreter Pietersz thither with the utmost haste in order to present to those regents my displeasure over their neglect, as well as to urge them to comply with the order as yet as soon and as far as possible, which Pietersz will also need to attend to, while he can simultaneously present to arou pantjana that one cannot subjects From Macassar The with any right or equity demand of subjects to surrender their fields, much less take them away, unless they themselves do the former voluntarily, or wish to rent them out, in which case the tenants may well find their living therefrom if they might be more inclined thereto than to work unplowed land; furthermore serving for Your Honor's information that the lolo, as I am informed, has made promises to arou pantjana regarding the latter. Wherewith, after greetings, I remain /underneath stood/ Your Honor's good friend /was signed/ P: G: vandervoort /in the margin/ Macasser in Fort Rotterdam the 2nd of December 1776 /underneath stood/ Agrees /was signed/ H: B: hodenpijl. To 47 From Macassar The To The Right Honorable Mr. Bernardus van Pleuren Right Honorable Sir! Governor and Director Upon the receipt of Your Right Honorable's highly esteemed letter of the 10th of July of the past year, which was on the 31st thereafter, I have not only, by renewal of the orders previously given regarding this matter, instructed the resident of Saleijer to keep a watchful eye on the Cerammers who might appear thereabouts in the future, but also, in case they cannot be caught in the trap itself, at least to make all possible inquiries as to which settlements those who might call here or there properly belong, in order to give Your Right Honorable notice thereof. Meanwhile, I must nevertheless declare that I know as little that they annually visit the Island of Tana Malauwa and were still there in the month of September of the preceding year with fourteen vessels, as I have ever given such a report to Their High Mightinesses, so that the matter cited by Your Right Honorable appears incomprehensible to me, besides that the said resident has informed me of having heard nothing of them since they three years ago made an invasion on some islands situated behind Bouton Bouton from Macassar the and belonging under that realm; but that it was reported to him that they were annually accustomed to cross over to the Magaraij and subsequently call at the Island of Satonde, in order to provide themselves with water at Sangamina, a river near Pekat, and then depart for Bali, just as the Bima commander has also written to me of having encountered such a vessel near the first-mentioned place in the past autumn, with which he even came to blows; to which employee I have consequently also given the necessary orders regarding those rovers, which I nevertheless, as well as those given to the resident of Salijer, hope may be found superfluous by the submission of that nation and the newly made and oath-confirmed promises by their chiefs to cease all acts of piracy for the future; with which fortunate turn of affairs I heartily congratulate Your Right Honorable, while concluding, after respectful greetings, I remain with all esteem /underneath stood:/ Right Honorable Sir /lower/ Your Right Honorable's very well-wishing friend and servant /was signed/ P: J: van der voort /in the margin/ Macasser in Fort Rotterdam the 4th of December 1776 /was signed:/ H: B: Hodenpijl To 49 From Macassar The To The Right Honorable Mr. Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes Right Honorable Sir! The undersigned head interpreter Gerrit Brugman, having been sent thither by Your Right Honorable to settle the disputes of the Honorable Company's subjects in the southern districts of Glissong and Poelembankeen, has the honor respectfully to report the following to Your Right Honorable concerning his encounter at the settlement of Patalassang: That having departed from here on the ninth of November last and having arrived at the latitude of Mangindara, three persons on horseback came riding toward him with the utmost haste, showing from afar a sign that they wished to speak with him; he immediately had the boat put in to the shore. Having arrived on shore, I found those aforesaid persons to be Caraeeng Anabadjang and Glarrang Montjong Komba, together with one Daeng Manandjeng, who reported to me in the uttermost consternation how to the said Glarrang Montjong Komba just a day ago report
Dutch transcription
Van Macasser Den meede te bekoute en naar uw wel Edele agtb: in godes heijlige bewaaringe aanbevoolen te hebbe ik mij met saam schuldige gehoorheijd onderschrijve /onderstond/ wel Edelen agtbaaren heere /lager/ uw wel Edele agtb: seer onderdaanige en gehoorsamen dien aar /was geteekend/ I: Bosch /in margine Maros In sE Comp: vetting valkenburg ultimo November 1776 /onderstond:/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. Aan 45 Van Macasser den Aan Den onderkoopman Theodorus Bosch Op uE schrijvens van eegiteren dientenkelijk met opsigt tot de queste tusschen anou pantJana en Craeng marang dat ik den laatsten nevens de lolo en verdere hoofden van sagerij reets voorlange gelatt hebbende om aan het volk van den eerstgemelde die in verre na geen 500 en selfs niet verre boven de twee hondert koppen uitmaken soo veel onbebouwel land of ook wel velden die niet meer bewerkt worden aan te wijsen, als er voor hun onderhout in hetselve met padij te beplanten te vinden was ik dienhalven niet anders verwagt hadde als dat sulks reets soude geschied so dat het mij seer mishaagt het teegendeel thans te vernee„ „men en dierhalven gelaste ik uE bij deesen om den ondertoek Pietersz ten spoedigsten derwaarts te senden ten eijnde die regenten mijn mis„ noege over hun versuim voor te houden mitsgaders haar aante tetten om als nog ten eersten soo verre mogelijk aan de ordre te voldoen waar op pietersz teffens agt sal dienen testaan, terwijl hij arou pantjana te gelijk kan voorhouden dat men geene Eersame Droome Discreete. Provisioneel Resident onderdaanen Van Macasser Den onderdaanen met eenig recht of billijkheijt vergen kan, om hunne velden afte staan veel min se weg teneemen ten waare sij het eerste selfs vrijwillig doen dan wel deselve verhuuren wilden inwelk geval de huurdens hun bestaan daar uit wel kunnen vinden to sij daar toe liever genegen mogten weesen als onbeploegd land te b'arbeiden kunnende voorts nog tot uE narigt strecken dat den lolo to als ik ben g'informeert arou pantjana toe kegging omtrend tet laaste heeft gedaan. Waar meede na groete blijve /onderstond/ uE goede vriend /was geteekend/ P: G: vandevoort / inmargine, macasser in 't Casteel rotterdam den 2: december 1776 /onderstond/ Accondeert /was geteekend/ H: B: hodenpijl. Van 47 Van Macasser Den Aanden nelEdel Achb: ten Dernardus van Rleuren Op den ontfangst van uw wel Edele achtb: veel g'acte van den 10 Julij pa:o dat geweet is den 31 daar aan hebbe ik den Saleijens resident niet alleen bij renovatie van de dientweegen reets bevoorens gegeevene ordres aan bevoolen om een wakend oog te houden op decerammers die sig daar omstreeks in het ver„ volg vertoenen mogten maar ook bij aldien 't zelfs niet in den knip mogten te krijgen weesen, ten minste alle mogelijke navorschunk te doen op welke negorijen die geene thuns hooren die hier op daar mogten aangieren ten eijnde uw wel Edele achtbaere daar van kennisse te geven. ondertusschen moetik nogthand betiigen to min te weeten dat sij Jaarlijks het Eijland Tana Malauwa aan doon een er in de maand september anni pretenitie nog met aerthier vaartuigen sijn geweest als ik immer dierge„ „lyjk berigt aan haar hoog delheadens hebbe gegeven to dat 't dindwegen door uw wel Edele achtb: aangehaalde mij ombegrijpelijk voorkomt be„ halven dat op gemelde resident mij heeft bedeeld van hun niets te hebben vernomen, seedert dat se voor drie Jaaren en invasie op eenige agter Wel Edele Achtbaere Heer! Gouverneur en Directeur bouton van Macassenden boutonleggende en onder dat rijk gehwoorende Eijlanden hebben gedaan dog dat hem berigt was dat sij jaarlijke gewoon waren nade magaraij overte steekken en vervolgens het Eijland satonde aan te lopen, om sig op hangamina een rivier omtrend pekat van water voorsien hebbende vervolgens na balij te vertrecken gelijk mij den binas commandant meede heeft ge„ schreeven omtrend eest gemelde plaats in het voorleeden na Jaar ensodanig vaartuig ontmoet tehebben waar meede hij selfs slaage is geweet welken bediende ik dierhalven ten opsigte van die swvervens meede denordige ondre gegeeven hebbe die ik nogthans so wel des die aanden resident van salijer hoopen wil, dat overbodig sal mogen worden bevonden door de sub„ missie dier natie ende op nieumw gedaone en met eede bekragtigde beloften door denselver hoofden om alle monsserijen voor het vervolg ts taten met welke geluckige omwenteling van saaken ik uw wel Edele achtb: herte„ lijk filiciteere terwijl ik ten besluijte naar respectueuse groete met alle agting blijve/ onderstond:/ wel Edele agtb: heer /lager/ uw wel Edele achtb: seer beneidwillige vrienden dienaar /:was geteekend/ P: J: van der voort /inmargine/ Macasser in 't Casteel rotterdam den 4: decemb:r 1776 /was getekend:/ H: B: Hodenpijl Aan 49 Van Macasser Den Aan Den wel Edelen Agtb:, Heer Paulus Sodofredus van der Poort Gouverneur en directeur deeser Custe Celebes Wel Edele Agtbaere Heer! De onderteekende opentolk Gerrit brugman door uwel Edele agtb tot het afdoen den geschillen van scomp: onderdaanen aen sunder districten glissong en Poelembankeen gna derwaarts gesonden sijnde heeft deber uwel Ed agtb: van sijne ontmoeting der negorij patalassang op 't Eer„ biedigte het volgenden berigten Dat hij op den negenden november Jongstleeden van hier vertrokken en op de hoogte van mangindara gekomen sijnde die persoonen te paard met de aller utterste spoed tog komen aanreijden die van verre een teeken toonden dat z met hem spreeken wilden, hij terstond na dewal liet afhouden aan de wal gekomen sijnde bevond ik dat aris voors=z persoonen Caraeeng anabadjang en glarrang montjong komba be„ „neevens nog eenen daeng manandjeng te weesen die mij met de aller uitterste consternatie rapport eerde hoe ven gem: glarrang montjong komba niu een dag geleeden berigt
English
From Macasser the report had arrived that a certain person named sankilang, being an escaped slave of the bonean prince patimpeeng whom he bought last year at passi, had recently fled from his said master, taking with him a kris and a small cloth, and had subsequently betaken himself to a Company subject of montjong komba named ranga, and presented himself as the king of goa banished to ceijlon, stating that he had managed to escape from his banishment and come hither. That said sankilang, being there together with said ranga, had managed to mislead the subjects of three of the Honorable Company's negorijen, namely bonto Leban, bonto cadien and bonto marannoe, to such an extent that they had actually gone over to his obedience, whereby those recruiters had already gathered a following of over three hundred heads around them. That he subsequently had sent an envoy to Craang ana badjang and the other glarrangs of the Honorable Company's negorijen, to incite them to apostasy from the Company and to come over to him, under threat of otherwise forcing them thereto with violence and chastising them as rebels and rioters, adding that Caraang anabadsing should hold himself ready to receive him, since he had decided to come attack his land in a few days. The From Macasser The The undersigned, having heard this unexpected news, found himself obliged to immediately give the required knowledge thereof to Your Right Honorable. For this reason, he dispatched the glarrangs of montjong komba, accompanied by the envoy ambo sabna, to Your Right Honorable, partly so that Your Right Honorable could personally be informed of the circumstances of this delicate affair, and partly to promptly learn the orders of Your Right Honorable as to what I was to do in this state of affairs, after which I departed for the negorij patalassang in order to give the necessary orders there to the chiefs of the Honorable Company's subjects to be on their guard, just as I did immediately after my arrival there. Upon the arrival of the ordinary envoy niga with Your Right Honorable's orders, I immediately had all the chiefs summoned together anew, to whom I made those orders known, most earnestly recommending them to give not the slightest credence to all that this vagabond might have said or threatened to them in his name, but on the contrary to conduct themselves as faithful subjects of the Honorable Company and thus to protect their negorijen from invasion by the vagabond, while I furthermore assured them on my service that the vagabond was by no means the batara goa banished to ceijlon, but From Macasser the was indeed a vagrant and a good-for-nothing, and ordered them to come to me here at patalassang as quickly as possible with as many armed men as they could possibly gather together, in order to be able to offer resistance in case the said rebel might come attack us unexpectedly. This had not yet happened when, the following early morning, it was very suddenly reported to me that the enemy, apparently well over three hundred heads strong, came marching on with flying banner and some native music, intending to attack the negorijen sabintang and sompe first, and afterwards to come give me battle; but instead of putting this intention into effect, he marched directly to the negorij patalassang, to within a pistol shot's distance just outside the said negorij, whereupon Caraang anabadjang with his entire family came running to me in haste, informing me that the enemy was not far from the negorij, thus making known to me the danger we now found ourselves in, with the request that I would 53 Jan Macasser The please go outside in person, since it was to be feared that if I did not do so, the negorij would notoriously be lost and we would be totally defeated. I promptly decided to do so, notwithstanding that I had not over fifty heads with me, and had no sooner come outside than we had the enemy before us, who immediately fired two shots, which however I did not allow to be answered until I had asked what people they were and what they came to do here, to which the rebel himself replied: what, do you not know that I am the batara goa whom the Honorable Company banished to Ceijlon, and who disappeared from there and has returned back here to his land? I come to drive the chief interpreter away from here; he can be assured, if I catch him, that I will tear the heart out of his body and devour it with salt, and also count on it that within six days I shall be under the Castle at macasser to recapture the same; marching subsequently towards us with strong strides, so that I saw myself compelled to order to open fire, which went so fiercely that we, after a complete
Dutch transcription
Van Macasser den berigt was geworden dat seeker persoon genaamt sankilang sijnde Een gevlugte staat van den bonijs prins patmpeeng die hij in 't voorig Jaar op passi gekogt heeft Jongst van sijn ged:e heer gevlugt was meede me„ mende een kus en een kleedtje en sig vervolgens bij eenen Comp: onderdaan van montjong komba genaamt ranga begeeven had, en hem voor den na ceijlon gerelegeerde koning van goa kwam uit te geeven en dat hij uit sijne bennissement had weeten te ontvlugten en herwaards te komen. dat gem sankilang daar sijnde te samen met gemelde ranga de onder hoorige van drie sComp: negorijen namentlijk bonto Leban, bonto cadien en bonto marannoe so verre hadden weeten te mitslijden datz werkelijk tot sijne gehoorsaarheijd waaren overgegaan waardoor die wervers rets een aanhang van ruim arie hondert koppen bij sig gekreegen hadde Dat hij vervolgens aan Craang ana badjang, ende verdere glarrangs van sComp: negorijen een sendeling gesonden hadde, om hun tot afval vand Comp: aan te setten en bij han over tekomen, onder bedreiging van hun daar toe andersints met geweld te sullen dwingen en als weeder spannelingen en op roermakers te kattijden met bij voeging dat Carareng anabadsing sig gerad moette houden om hem te ontfangen vermits hij beslooten had had om sijn land over Eenige dagen te komen attacqueeren Den Van Macasser Den Den ondergeteekende dese onverwagte tijding aangehoort hebbend vond sig verpligt terstond uwel Ed agtb daar van de vereijschte kennisse temoeten geeven ut dien hoofd heft hij glamangs montjong komba verseld van den sendeling ambo sabna aan uwel Ed: agtb: gedepecheert een deels op dat uwel Edel agtb selfs soude kunnen worden g' informeert van den toe„ dragt van die netelige affaire, en ten anderen om spoedig te ervaeren de ordres van uwel Ed agtb. wat mij in deese gesteltenis van saken soude te doen staan waar na ik na de negorij patalassang vertrok, te eijnde aldaar de nodige bevela de hofden van sComp onder daanen te geeven om op hunne hoede te kunnen weesen soo als ik op stonas na mijn aankomst aldaar gedaan hebbe Bij de aankomst van den ordinain sendeling niga met uwel Ed agt: onrdre hiet ik den lersten alle dehoofden op nieuw bij een roepen, aan dewelke ik die ordres deed bekand maken, haarlieden ten ernstigsten Recommandeerende om geene de minste geloof t geven aan al 't geene wat dien vagabond henlieden uit sijn naam mogte laaten aanseggen af drijgen, maar in teegendeel sig als getrouwe onderdaan en van dE Comp te gedragen en dus haare negorijen voor in vasie van den vagabond te beschermen terwijl ik haar alverder op het dienste verseekend hebbende dat den vagabond geensints geensints de na ceijlon venbannene batara goa maar Van Macasser den maar wel een landloper en Een deugd niet was ordonneerde om ten spoedigsten, met so veel gewapende manschappen als z immers bij elkanderen kunnen krijgen hier op patalas sang bij mij te komen, ten eijnde ingevalle gem: rebel ons op 't onverwagtte mogte komen attacqueeren ressistentie te konnen bieden. Dit was nog niet geschied, wanner mij in den volgende vroegen morgen heel subiet wierd gerapporteerd dat den vijand na oogen schijn wel ruijm drie hondert koppen sterk met vliegende vendel en Eenige inlands mus ick quamen aan marcheeren van voorneemen om eerst de Ne„ gorijen sabintang en sompe te attacqueeren en daar na mij slag te kome leeveren dog in plaats van dit sijne voor„ „neemen werk stellig, te maken so marchieerde denselven direct nadenegerij patalassang tot op de distantie van een pistools schoot even buiten de ged: negorij als wanneer Caraang anabadjang met sijne gantsche familie bij mij inder ijl quamen aangelopen berigtende mij dat den vijand niet verre van de negorij was mij dus t gevaar nu w' ons bevonden te kennen geevende met versoek dat ik dog in 53 Jan Macasser Den in persoon na buiten wilde gaan vermits het te dugten stond dat wanneer ik sulks niet en deed notoir de negorij soude verlooren en wij tota liten geslagen worden. Ik besloot daar toe ook aanstonds niet teegenstaande ik boven de vijftig koppen bij mij hadde en was dodra niet buiten gekomen of hadde den vijand voor ons die terstond twee schooten died dog die ik niet liet b'antwoorden voor en al een ik deed vragen wat volk dat 'z waaren en wat z hier quamen doen daar den rebel selfs op ten antwoord gaf wat weet gijlieden niet dat ik de batara goa ben die dE Compagnie na Ceijlon heeft gebannen en die van daar verdweenen en weeder om hier op sijn land te ruggekomen is jk kom om den oppertolk van hier te verjagen hij kan verseekert wesen so ik hem krijge dat ik hem het hert uit 't lijf salruk„ „ken en dat met sout op vreeten en teffens staat maken dat ik den tijd van bes dagen onder t Cateel te macasser sal weesen om het selve te herwinnen marscheerende vervolgens met sterke schueeden op ons aan dud sag ik mij genoodsaakt om vuur te laten geeven het geen to heerig in sijn werk ging dat w' den vijand na Een vol„ slage
English
From Makassar the after having fought fully half an hour against us, were put to flight, whereupon I immediately gave orders to pursue him, especially, if it were possible, to capture this so-called Batara Gowa, either alive or dead, but in vain, because those rovers dispersed from one another in such a manner that they could not be overtaken, so that I myself could not even learn where the vagabond had ended up, Karaeng Anabadjang accompanied by Galaorang Montjong Komba having set fire to the houses and the negorij Bonto Lebang and Bonto Cadien, where the rebel had lodged, with seventeen heads remaining dead on the battlefield from the enemy side, and on my side one killed and one wounded, after which I returned within the negorij J to give orders that the corpses of the fallen should be removed from the field and buried, and after the lapse of two days I received a report that this rebel had taken his flight to the negorij Barong. Further, the humble signer takes the liberty of referring to his letters already dispatched concerning this matter to 55 From Makassar the to your Honorable and Worshipful. He subsequently ordered the chiefs to take particular care that no molestation whatsoever be done to the goods, lands, and cattle of those who had submitted to the obedience of the rebel, but on the contrary to restore these to their hands upon their return, since they, being forced thereto by that vagabond, had blindly and out of fear been compelled to follow his will, while I have further ordered the chiefs of the two districts, Glissong and Poelembankeeng, to keep a watchful eye on the rover and to be on their guard in order not to be taken by surprise, with further orders that as soon as they learn anything of importance concerning him or if anything should occur anywhere, even if it were in the middle of the night, to make it known at once and without any delay by trusty messengers to your Honorable and Worshipful. Subsequently, I instructed the regents and lesser chiefs to offer him courageous resistance in case any hostile act might be undertaken by the aforementioned rover, after which I set out upon the From Makassar the return journey hither, and herewith the undersigned takes the liberty, with all submission, to recommend himself with the utmost veneration /below stood/ Honorable and Worshipful Sir /:lower/ Your Honorable and Worshipful's humble and faithful servant /was signed/ S:t Brugman /in the margin/ Makassar the 4th of December 1776 /below stood/ Agrees / was signed/ H: B: Hodenpijl. Jans 57 From Makassar the To the Datou of Soping After the usual preamble. Having duly received your letter of the 4th of the month Shawwal, I let this serve in answer thereto, and thus say in the first place that the Tanetterese, if they were not strictly obliged to do so, as I believe they are, should at least have felt it their duty on their own accord to give notice of the accession of their new king and to bring him here, if the Honorable Company's friendship is not indifferent to them, which of old has taken so much care for the welfare of the realm and the royal family that the late deceased queen frequently attested to having dared place her trust in no one else, whereby this realm has also remained independent, just like Bone, Gowa, and Soping. Regarding the doings of some evildoers of Sidenreng around the negorij Mario Riawa, I have repeatedly declared that I did not wish to prevent their being checked with force and that Soping was powerful enough to do so, but as to whether the Company according to the contracts should be obliged to assist one of the allies From Makassar the allies with the necessary means to attack another, though lesser, ally, I say that this would conflict directly with the contract, according to which everyone must strive to settle mutual disputes amicably, and if this be found fruitless, the Company must have complete assurance as to which of the two is to blame, from which it naturally follows that an ally, when harmed by the peoples or subordinates of another, ought to hold his adversary accountable before the Company is obliged to meddle in the matter; that I have nevertheless already done this with respect to the Adatouang is well known to you, just as it is contrary to my expectation that he has not been with me up to now so that I might speak with him in person with emphasis concerning the doings of his people, which is still my intention, having learned by experience that mere messages bear little fruit, the reasons for which can easily be understood by all who are no strangers to the administration of state. Regarding your utterance that in case Poeanna I Ahia should come to Soping to commit violence and I did not immediately seize his wife and children, this would be held as proof that it occurred with the Honorable Company's prior knowledge, I should not deem it necessary
Dutch transcription
Van Macasserden volslage halp uur tegen ons te hebben gestreeden aan t vlugten kreegen, waar op aanstonds ordre gaf om hem te vervolgen bijsonder om waare het mogelijke deso genaamde batava goa t sij leevendig of dood te bemagtigen dog vrugteloos ter oorsaake dier swervers sig sodanig van elk anderen verstrooijden dat sij niet konden worden agterhaald in voegen ik selfs niets kunnen ervaeren waar dat den vagabond beland was hebbende Caraeng anabadjang ver„ seld van galaurang montjong komba de huisen ende ne„ garij bonto Lebang en bonto cadien waar dat den rebel gelogeert heeft in de brand gettooken sijnde vande kant der vijanden op 't slag veld dood gebleeven seventien koppen en aan de seijde van mij een gesneuveld en Een gequett waar na ik mij weder na binnen de negorij J begav om ordre te stellen dat de lijken der gesneuvelde van 't geld genomen en beqraven wierden en na verloop van twee dagen kreeg ik berigt dat dien rebel sijn vlugt nade negorij barong genomen heeft wijders neemt den needrigen tekenaar dev rijheyd om sig te refereeren aan desselfs ten deesen belange bereeds aan 55 Van Macasser Den aan uwel Edele agtb. afgevaardigde brieven hebbende hij vervolgens de hoofden aan bevoolen om voor al sorge te dragen dat de goederen Landerijen en vee van de geene die sig tot de gehoorsaamheijd van den rebel hebben begeeven geene di minste moletten worden aangedaan maar in teegendeel de sulke bij hunne te rugkomst weeder ten hand te stellen ver„ mits sijlieden als daar toe door dien vagebond gedwongen sijnde blindelings en uit vreese sijnen wil hebben moeten opvolgen terwijl alverder de hoofden der beijde districten glissong van poelembankeeng gelast hebbe om een wakend oog op den swerver te houden en op hunne hoede te weesen ten eijn de niet onverwagts overvallen te worden niet verderen latt om so dra z omtrent den selven iets van belang verneemen of wel ergens iets voorvallen mogte alwas het midden in der nagt ten eersten en sonder Eenige uitstel door goede sendelingen aan uwel Edele agtb telaten bekend maken vervolgens heb ik de regenten en mindere hoofden gere„ commandeert om in Cas en iets vijandelijks door meerm: swerver mogte worden onderneemen hem manmoe„ dig tegenstand te bieden waar na ik mij tot de te Van Macasser den te rug reijse na herwaarts hebbe begeeven en hier meede neemt de ondergeteekende met alle submissie de vrij„ heijd sig met de uitterste veneratie ten oamen /onderstond/ wel Edele agtb: heer /:lager/ uwel Edele agtb onder„ danige en trouwschuldigen dienaar /was geteekend/ S:t Brugman /in margine/. Malasser den 4. December 1776 /onderstond/ Accordeerd / was geteekend/ H: B: Hodenpijl. Jans 57 Van Macasser den Aan den Datou van Soping Na gewoone voorreeden. Duwen brief van den 4: der maand sauw al wel ontfangen hebbende laat ik deesen dienen tot dies b'antwoording en segge dus in de enste plaats dat de Tanettereesen in gevalle sij al niet volstrekt daar toe verpligt waaren gelijk ik vermeene dat sij sijn ten minsten uit hun selven behoorden pligtig kennisse te geeven van de vorheffing van hunnen nieuwen koning en denselven hier te brengen bij aldien hun sComp: vriendschap niet onverschilligt is, die van ouds af voor den welvaart van het rijk ende koninglijke familie so veel sorge gedragen heeft dat de laatste overleeden koninginne dikwerp betuigd heeft op niemand anders haar vertrouwen tehebben durven stellen waar door dit nijk aan ook eeven als benij goa en soping en afhankelijk is gebleeven. Nopens de gedoentens van eenige kwaad doenders van sedeemning omtrend denegorij Mario riawa hebbe ik meermaelen verklaard niet te willen beletten dat deselve niet geweld te keer gegaan en dat soping daar toe vermogend genoeg was, maar wel were dat de Comp: volgens de Contracten gehouden soude sijn iemand der bondgemoten Van Macasser den bond genooten met het nodige tassitteeren om een ander schoon minder bond „genoot t attacqueeren segge ik dat sulks tegen het Contract direct soude stuijven volgens het welke eenider betragten moet om d' onderlinge geschillen in der minne bij te leggen en sulks vrugteloos bevonden wor„ dende de Compagnie volkomen vanseekering diend tehebben aateen van beide daar van deschuld sij waar uit van selfs volgt dat een der bond„ genooten, door de volkeren of onderhoorige van en ander berigt waa„ dende sijn parthij daar over behoord te doen aanspreken, alvoorens de Compagnie gehouden is, sig met desoeken te bemoeijen, dat ik dit nu 6 egter nees gedaan hebbe met opsigt tot den Adatouang is uw bo wel bekend als het buiten mijne verwagting is dat hij tot hier toe niet bij is mij geweest om hem selfs mondeling met nadruk over de gedentent der zijnen te kunnen onderhouden, dat als nog mijn voorneemen is bij ondervinding hebbende dat enkele boodschappen van weijnig vrugt sijn waar van de reedenen ligt kunnen worden beguepen door alle die geen vreandelingen in het staats bestier zijn op uwe uittating dat in gevalle poeanna I Ahia in soping mogt ko„ „men om geweld te pleegen en ik als aan sijn vrouw en kinderen niet daed aantatten sulks voor een bewijs soude worden gehoude„ dat het eerst met sComp:s voorkenniss geschiede, soud ik nit nodrig agter
English
From Macasser the to answer, because I am well assured that he will not come to Soping, or in case this should happen in time contrary to all expectation and the insight I have into matters, that it will be entirely without intention to do harm. Yet it grieves me that so little trust seems to be placed in the durability and continuation of the Company's friendship, notwithstanding that one has abundant proofs and experience thereof; indeed, there are few Sopingers who are not informed of the trouble and care the Company has taken to preserve the realm from a ruinous revolution, through which the subjects have been permitted to taste the pleasant fruits of peace and freedom, which I wish from my heart may be of long duration, as proof of how far it is from the truth that I should have promised Poeana T. Asia to help him onto the throne, all of which is falsely and deceitfully claimed by ill-disposed persons merely to stir up strife, from which such evildoers attempt to draw advantage. That I have granted Poeanna P Asia the Company's protection will appear unjust to no one except those who are beset with prejudices or are so extraordinarily displeased with him that they cannot use their sound reason and judgment; From Macasser the judgment, at least I believe I have had complete, indeed uncommonly many reasons for it, and not a single one to act differently with regard to him without giving cause for rebellion or injuring the respect of the Company, to whom his mother, Queen Maturoa Risoreang, after all left it to do with him as their Nobilities should please, while I am well assured that had Her Highness remained alive for some time longer, a reconciliation would indeed have followed, the more so because she was glad that I had first of all cared for the preservation of his life, as I could immediately prove. In which case I also do not doubt that the paddy fields of Pank Anria Jong a and Balang would have been returned to him again, and that no new dispute would then have arisen from it, nor would the [illegible] of the Lolo have been taken away by his people, as it is presently said has happened, which, if true, still provides no proof that they would have done such evil, as I intended to write, since the people of Pan Aij testified that they did no harm. Now concerning your request regarding the fields of Catja Mangalong and Seen Kaija, I shall only say briefly that it is not convenient for the Company to occupy itself with leasing out or cultivating From Mbecasser the cultivating paddy fields in order to recover from them the debts that some princes have incurred with it, and that I shall await this settlement in money, unless one wished to deliver slaves for it at a reasonable price, of which use can be made. Meanwhile I will expect that the aforementioned fields will be cultivated, so as not to let the land lie needlessly idle, whereby the Company would lose its revenues, which would not please me at all, the more so since I do not know what can keep the former cultivators from it, since they have nothing to fear from the people of Poeanna I Asia. That the Sopingers are said to have resolved to appoint your son Arou Patiro as Datu in your place, I could never have believed had it been told to me by others, since I firmly imagined that you were not only intending but also longing, on the occasion when the Boniers will notify their High Nobilities of the death of the deceased and the election of the present king, to also let some realm grandees depart thither for the same purpose, in order, upon their return alongside the Boniers, From Macasser the by swearing the Bongais Contract, to complete all the solemnities that are required before the Company can recognize the elected princes as lawful; since, failing to satisfy the latter, they could hardly consider themselves bound to the fulfillment of contracts either with regard to the Company or others, and the Company would also not be held to that which, on the other hand, was promised by their Nobilities and has always been sacredly maintained up to now. As this consideration is so completely founded that I cannot suspect anyone will doubt it or know anything to bring against it, so it is the more incomprehensible how the Sopingers can proceed to step to the election of your son as Datu without beforehand having given the slightest notice of that intention; for even assuming that they were not obliged thereto, which I could well argue from customs and former times as well as by a lawful deduction from the subsisting contracts if I wished to be prolix, yet the close friendship with the Company alone requires it sufficiently, because the abdication of a realm and the election
Dutch transcription
Van Macasser den te antwoorden, om dat ik wel verseekert ben dat hij met in soping komen sal op in gevalle hiet in den tijd tegen alle verwagting en het door tigt dat ik in de saaken hebbe geschieden mogte, dat het aan gantsch niet weesen sal om kwaad te doen. Maan het woed mij leed dat er so weijnig vertrouwen schijnt gestelt te worden, in de bestendigheijd en aanhouding van 's Comp: vrendschap niet tegenstaande men daar van overvloedige bewijsen en ondervin„ ding heeft, inmerd sijn er weijnige sopingens die niet onderrigt sijnde vande moeijte en sorge die de Compagnie heeft aangewend om het rijk voor een verderffelijke omwentelijk te behoeden, waar door d' onderdaanen d'aangenaame vrugten van vreede en vrijheijd hebben mogen smaaken die ik van herten wensche dat van lange duur mo„ gen sijn, ten bewijse hoe verre het en van daan is dat ik poeana T. Asia soude beloofd hebben om hem op aen troon te sullen helpen dat allen door kwaad gesinde, dnood en leugenagtig word voor ge„ geeven alleen om twist tettooken, waar uit viergelijke boosdoenders voordeel tragten te trecken Dat ik poeanna P Asia sComp: protectie hebbe verleend sal nie„ mand onbillijk voorkomen, dan die met voor oordelen beset of op han so ongemeene misnoegt sijn dat sij hun gesond verstand en oordeel Van Macasser den oordeel niet gebruiken kunnen ten minste meene ik daar toe de volko„ mente Ja ongemeen veel reedenen te hebben gehad en geen enkelde om ten sijn en optigte anders te handelen sonder aanleijding tot op roer te geven op het respact van de comp: krenken aan wien sijne moeder de koninginne maturoa risoreang immers overgelaeten heeft met hem te dven dat haar Edele soude behaegen terwijl ik welver„ seekerd ben dat ingevalle haar hoogheijd nog eenige tijd inleeren gebleeven was en wel een versoening soude gevolgd sijn temneer sij blijde geweest is aat ik voor het behoud van sijn leeven voor eerst gesongd hadde gelijk ik daedelijk soude kunnen bewijsen Jn welken ge„ valle ik ook niet twijffel op de padij velden van pank anria Jong a en balang sonuden belang weeder aan hem te rug gegeven en als dan geene nieuwe turft daar uit ontstaan nog da tuur vande lolo door sijn volk weg genomen sijn soas thans gesegt word dat geschied is en waar sijnde nog gem bewijs uit leverd aat sij bodanig kwaad soude gedaan hebben als ik bedoeld hebbe niet te schrijven dat de volkeren van pan aij kan getuigden dat sij geen kward deeden wat nu uw versoek aangaat omtrend develden van Catja man„ galong en seen kaija sal ik maar kontelijk, seggen dat het de Compagnie „ 99 1 niet convenieerd om sig met het doen verhuuren of b'anbeijden van 61 Van Mbecasserden arbeiden van padij velden op te houden om daar uit tevinden deschulden die eenige vorsten bij haar gemaakt hebbende dat ik dis volaoening in geld sal afwagten ten waare men en slaven tegen een behoorlijke prijs voorleeveren wilde waar van gebruik kan worden gemaakt ondertusschen wil ik verwagten dat de voorschreeven velden sullen worden bewerket om het land niet nodeloos leedig te laeten leggen waar door de Comp: sijne inkomsten soude ver„ liesen dat mij maar gantsch niet behaegen soude te meer ik niet weete wat de voorige bewenkend daar van kantering houden dewijl sij van de volkenen van poeanna I Asia niets te vresen hebben Dat desopingers voorgenomen soude hebben uu zoon arou patiro tot datou in uuw pplaats aan testellen soude ik nooijt hebben kunnen gelooven wanneer het mij door anderen gesegt was dewijl mij vastelijk hebbe voor gesteld dat uw niet alleen van voorneemen maar ook verlangende was om bij geleegentheijd dat de boniers van het overlijden van den overleeden en verkiesing van den presenten koning aan hunne hoog Edelheedens sullen kennisse geeven meede eenige rijksgrooten ten selven eijnde derwaarts te laeten vertrecken om bij te rug komst neevens de boniers door Van Macasserden door het b'eedigen van het bongaijs Contract alle de solemniteijten te volbrengen die en vereijscht worden alvoorens de Comp: dever„ koorene vorsten voor wettig erkennen kan dewijl sij aan dit laatste niet voldoende immers tot de nakoming van acontrac„ „ten soo min met opsigt tot de Comp: als anderen sig ver„ pligt soude kunnen agten en de Comp: ook niet gehouden soude weesen tot het geene daar en tegen door haar Edele toegesegd en steeds tot hier toe heijlig onderhouden is gelijk in deese aanmerking to volkomen gegrond is dat ik niet vermoeden kan datiemand er aan twijffelen of daar tegen iets sal weeten en te brengen so is het te onbegrijpelijker hoe de sopingens kunnen overgaan om tot de verkiesing van uw en soon tot datoe te treeden sonder alvoorens eenige de minste kennisse van dat voorneemen ge„ geeven te hebben want al gesteld sijnde dat sij den toe niet ver„ pligt waar en het geen ik door de gebruiken en voorigetijden soo wel als door een wettige afleijding uit de subsisteerende Con„ tracten wel soude knnen betoogen als ik breedvoegig wilde sijn so vereijscht de naauwe vriendschap met de Comp: sulks alleen genoeg, omdat d'afstand van een nijk ende verkieking