Inventory 3500
Japan · 1,446 pages · 247 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
63 From Macasser the that the election of another datoo occurring prematurely might result in considerable detriment to the country and people, however worthy the newly chosen one might be known to be, and that the Company can judge this best, no one will dispute, nor that they in this matter would not always advise for the best. Meanwhile, I do not wish to dispute that the Sopingers have a free election, but leave the aforementioned to their consideration in the trust that they will not loosen the bond of friendship, but on the contrary strive to make it ever firmer as time goes on. For the shared report regarding Boni concerning Arou Palacka, I offer my kind thanks and find your answer very well suited regarding the malicious rumor concerning Poeanna Pasia previously mentioned, of which and other evil actions I am nonetheless well assured that they will bear no fruit in achieving the objective that some seem to have, namely to stir up disunity among the allies, and least of all do I expect such between the Company and Soping, since this realm would immediately experience the detrimental consequences thereof from the side of the Bonians themselves. Regarding To From Macasser The Regarding the Mandharese, I have merely reminded you of your own promise made to me, in the thought that if not yourself, you would at least be able to satisfy them by sending others thither, which I still wish to hope; otherwise, I would not have written about it. was written at Macasser in Castle Rotterdam the 6 December 1776 agreed signed H: B Hodenpijl 65 From Macasser the To The Honorable, Respected Lord Paulus Godefredus van der Doort Governor and Director of this Coast of Celebes, etc. etc. Honorable, Respected Lord, Your Honorable's most highly revered letter of the 2nd of this month having been delivered into my hands yesterday evening, the fourth, this serves as a humble reply: in order to comply at all times with the respected orders of Your Honorable, I have today sent the clerk Pieterse thither to Segeri to make known the displeasure of Your Honorable to Craing Marang Lolo and the other chiefs, that they have not complied with the orders already long From Macasser the long given by Your Honorable, and to order them to comply with them immediately. Furthermore, finding myself obliged to report to Your Honorable what occurred here a few days ago: two private soldiers going out in the morning to buy poultry, one of the two already having some ducks hanging on a carrying pole, coming close to a Company village named Lemo Lemo, where the soldier wished to shift his carrying pole to the other shoulder, a black youth unexpectedly leapt to his side and snatched the soldier's hanger away out of the scabbard, upon which the youth took to running as fast as he could close to a Bugis village named Tallang Tallang; thereupon the two soldiers ran after him with the utmost haste in order to recover their sidearm; arriving in the last-named village and seeing the youth standing there before a house with the hanger in his hand among many Bugis who protected him, they laughed at the Europeans and reportedly said, "It serves you right," upon which the following day I sent an emissary with the two men thither to Tallang Tallang to inquire why 67 From Macasser the they had not given the hanger back to the soldier, and what the man had done, and that they permitted such a thing, whether they were allowed to do so; whereupon the people from the aforementioned village gave as an answer to the emissary that they knew nothing of the matter, and the Europeans could say what they wished, and if the Resident wanted anything, he should just go to the Jennang of Maros and settle the matter there; upon which I sent to the Jennang of Maros and made known what violent outrages his people had committed against a soldier, and also had them relate what insolent words they had caused to be spoken to me. The Jennang of Maros let me know he would investigate the matter, whereupon 2 to 3 days ago he informed me that he could do nothing about it before and until he had orders from Datoe Baringang to return the hanger and punish those people. Now my very humble request to Your Honorable is to have Datoe Baringang told that he might assist me in this, so that these people might be brought somewhat under control, for if that is allowed to continue, I judge that in the course of time it will become worse. Furthermore, this also serves as an escort for the men of the detachment, From Macasser the detachment consisting of one sergeant, one corporal, and twelve private soldiers, who have duly received their rice and board money for this entire month. There being nothing further of note to report to Your Honorable, I have the honor to remain with the greatest high esteem, Honorable, Respected Lord, Your Honorable's very humble and duty-bound servant, signed Bosch in the margin Maros in the Hon. Company's fortress Valkenburg the 5 December 1776 agreed signed H: B: Hodenpijl
Dutch transcription
63 Van Macasser den verkiesing van een ander datoua ontijdig geschiedende dat mer„ kelijke nadees van land en volk kan strecken hoe waardig den nieuw verkorenen ook weeten mogte en dat de Comp: hier over het beste kan oordeelen sal niemand tegen spreeken en also min dat 2' indeesen niet altoos ten beste soude raeden ondertusschen wil ik niet bedisputeeren, dat des op ingers een vrije verkiesing hebben maar laets het gesegde aan deselve ter overwaging in vertrouwen dat sij aen band van vriendschap niet lesmaar in tegendeel hoe langer hoe vatter sullen trag„ ten temaeken. voor het meede gedeelte berigt in't bonij betreffende arou palacka segge ik vriendelijk dank en vin de seer wel gepast uw antwoord nopens het boos aandig uit strooijsel omtrend poe„ anna Pasia hier voor en gemeld hoedanige en ander quaade handelingen ik egter wel verseekerd bendat van geen vrugt sullen weesen om het oogmerken te beneijken dat sommigen schijnen te hebben namentlijk om en Eenigheeden onder debond genooten te verwecken en het allerminste verwagtik sulks tusschen de Compagnie en soping vermits dit rijk alschielijk de nadeelige gevolgen daar van soude ondervinden van den kant den bonmendsselfs Aaangaande Aan Van Macasser Den Aaangaande de mandhareesen hebbe ik uu eenlijk desselfs eijgen toesegging aan mij gedaan herinneert in gedagten dat uw so niet selfs ten minsten door anderen derwaarts tesenden aan deselve soude kunnen voldoen dat ik als nog verhoopen wil anders ints soude ik daar over niet geschreeven hebben /onderstond/ geschreeven te macasser in 't Casteel rotter„ dam den 6 December 1776 /lager / accordeert /was geteekend/ H: B Hodenpijl 65 Van Matasser den Aan Den Wel Edelen Agtb: Heere Paulus Sodofredus van der Doort Gouverneur en Directeur Deser Custe Celebes H: H: &: Wel Edelen Agtbaaren Heer uwwel Edele agtb: hoogst geveneneerde lettere van den 2: deeser mij gisteren avond dan vier den inhandigt sijn gewonden dient deese in needrige antwoord om aan de gerespecteerde ordres van uwelEd agtb: in allen tijd nae te komen heb ik den toeke pitersz: op heeden derwaarts sagerie gesonden om de misnoeging van van uw wel Edele agtb: aan Craing marang lolo en verdere hoofden bekent te maake dat sij lieden aan de bereeds lang Van Matasserden lang gegeevene ordres van uw wel Ed agtb: niet en hebben voldaan en hun lieden te ordineeren om ten eersten daar aan te voldoen verder mij verpligt vindende uw wel Edele agtb: te melde wat voor eenige dagen hier is voorgevalle twee gemeene mili„ „tairen smorgens uitgaande om pluijm vee te koopen eene van de twee al eenige eentvogels hebbende aan een pikelans hangekomende digt bij een Comp: negorij genaamt lemo lemo alwaar desoldaat sijn piekelaars op een aan den schouder wilde legge springt daer en swaerte Jonge onverwagt op sijn sij en nukte desoldaat sijn trouwer weg uit de scheede waer op de Jonge aan het loope ging soo terk als hij kon tot digt aan een boegineese negorij ge„ naaimt tallang tallang dat daer toe de twee soldaaten hem op het spoedigste na liepe om hun sijd geweer weederom te wille hebbe komende in de laaste genoemde negorij en siende daer den Jonge voor een huis staan met den houwer in sijn hand onder veel boegineesen die hem beschermde ligte de Europeesen uit en soude geseijd hebbe soo is het regt goet waar op ik daags daar aan volgende en sendeling met de twee man„ derwaarts Tallang Tallang sond om te verneemen warom dat 67 Van Radlasser den dat sijlieden den soldaat de houwer niet weeder om haade gegeve en wat mensche gedaen hadde en dat sij sulks toe liete sij dat it mogte doen waer op dat t volk uit de voornoemde negory aen sendeling tot antwoord gave dat sij van die saak niet en wiste ende Europeese segge konde wat sij wilde en als de resident wat hebbe wilde dat hij dan maar Jennang maros komgaen en daer de soek kan uitmaeke waar op ik nae Jennang manos gesonden heb en bekent liet maake wat voor de gewelde„ naderijen sijn volk aen een soldaet gedaen hadde en daer bij ook liet segge wat voor Een strute gesegdens sij mij hadde laate doen Jennang maros liet mij weese hij wilde de soek ondersoek waar op hij mij voor 2: a 3. daageheeft weete laate dat hij daer niets aan doen konde voor en alle een hij ordres van Datoe baringang daar toe had om den houwer te voldoen en dat voek te straf nu is mijn seer needrigt versoek aan uw wel Edele agtb: om datoe baringang aan te laat segge dat hij mij daer in magt assisteere dat des volk een beetje in aen Teugel mogt gebragt worde want als dat doa moet doorgaan oordeel ik son 't door verloop van tijdenger worde verder dient deese ook ten geleijde van het volk der Commando Van Macasserden Commando bestaande in een serge ant een Coiporaal en twaalf gemeene „militairen dewelke hun reijst en kostgeld voor deese geheele maend naar behooren hebbe ontfangen. verder niets menkswaardigs sijnde uw wel Ed: agtb: temelden heb ik de Eene met de grootste hoogagting te sijn / onderstond/ wel Edelen agtb: heer /:lager/ uw wel Edele agtb seer oot„ moedigen en trouwschuldigen dienaar /was geteekend/ Bosch /immargine/ Maros insE: Comp: vetting valkenburg den 5 december 1o16 /onderstond/ accordeert (was geteeken:/ H: B: hodenpijl
English
From Makassar Honorable Sir, To the Honorable Sir, Governor and Director of this coast of Celebes, etc. etc. Paulus Godofredus van der Voort The datoek Israel Pietersz having returned here this morning from Segeri, this serves to humbly inform Your Honorable Sir that Craeng Maraeng has surrendered 72 paddy fields lying under Cassie Kebo to Arou Pantjana. These fields are pawned to a Bonian named Daeng Masona, but with the promise from Arou Pantjana to repay the debts that are on these fields. Olo Segeri has also given several paddy fields in loan to the aforementioned Arou Pantjana, yet without any detriment to the Company's subjects and to the satisfaction of Arou Pantjana. However, the said Arou Pantjana most humbly begs Your Honorable Sir to be allowed to recover paddy fields that he previously possessed and which are currently being worked by the Tanetterese, lying in the following villages: Mangalong, Kakeang, Kalper, Balang, and Patjens. But how many fields might be situated there which Arou Pantjana claims has not been reported to me. However, the datoek said to me that when Arou Pantjana came to the Tanetterese people and asked for his fields, they replied that they no longer had anything to do with him, since he had placed himself under the Company, and that he, Arou Pantjana, could seek his fortune among the Company's subjects. When Israel Pietersz went thither to Segeri, I strictly ordered him to inform himself of the conduct of Arou Pantjana, whether he was a burden to the Company's subjects or wronged them. Pieters testified to me that the Company's subjects were well pleased with Arou Pantjana and that he assisted the Company's subjects in case anyone wished to wrong them. Furthermore, nothing of which I am aware having occurred since my last humble writing of the 5th of this month, I take the liberty of concluding this, and after having commended Your Honorable Sir to God's precious protection, I call myself with due obedience, below stood: Honorable Sir, lower: Your Honorable Sir's humble and faithful servant, was signed: J: Bosch. In margin: Maros, in the Company's fortress Valkenburg, the 12th of December 1776. Below stood: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. Translation 1. From Makassar Translation of the Buginese writing of the collective Bonian grandees present here. We Bonians make known by this that we deliberately went inside to the Lord Governor to ask for a true elucidation from His Honorable Sir regarding the here-present and recently banished King of Gowa, but that the Lord Governor has assured us in our service that the person is by no means Batara Gowa. Whereupon, having remarked to the Lord Governor that while the said person is not the true Batara Gowa, he is a man who intends to cause trouble here; wherefore we wish that the Lord Governor pleases to give us orders as to what we must do in this regard, which we will also execute, and we shall at the same time inform the brother of the Lord Governor, our King who is in the interior. That His Honorable Sir, having given us as an answer to this that we should first go home, while His Honorable Sir would deliberate further upon this and then communicate His Honorable Sir's opinion to us, after which the Chief Interpreter came to us, sent by the Lord Governor in order to inform us of his opinion, namely that we had to set out on a journey tomorrow to search for the said person. Therefore we have appointed to that commission Gallarrang Bontoala and Arou Tjina. The reason why we made the words of Arou Palacca known to the Lord Governor is because we would like, before dispatching the aforementioned orders, that His Honorable Sir pleases to deliberate on it once, so that the intentions of the Company and Boni may be brought to a fortunate execution, and that we also at the same time could make ready to go to [illegible], in order to be capable of bringing the orders of the Company and Boni to an end with good success. As for the evil intentions of the said rover, we say that this concerns the Company and Boni, for Boni cannot separate itself from the Company. Below stood: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. Translation From Makassar Translation of Buginese letter written by the King of Tanette to the Lord Governor, reading as follows: Compliments as customary. I hereby make known to His Honorable Sir that the son of Pocanna I Asia, named Lasoe Leenka, has seized seven of my subjects from the village of Hekeang, who had gone out fishing with a vessel to the number of twelve persons, of which 5 of the said twelve persons had saved themselves by flight. Which outrageous brutalities I am hereby lamenting and requesting, moreover, that the Lord Governor please have a search made for those abducted persons and have them handed back to us, for we have placed our trust in the Lord Governor; and if this could not be done, we shall then await what God might send us. Below stood: Written in Tanette on the 9th day of the month Dulkaijda in the year 1190. Below stood: Agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. Translation
Dutch transcription
69 Van Maecdsserdenr Wel Edelen Agtbaaren Heer Aan den wel Edelen Agtb: Heteer Gouverneur en directeur deeser custe celebes &: V: H: Paulus Sodofredus van der Soort De tock Isnael pietersz heeden morgen van Sagorij weederom te rug gekomen sijnde dient dese om uw wel Edele agtb nedright te communiceeren dat Cranig maraeng aen arou pantjana 72: stuks padij velden heeft over„ gegeeven leggende onder Cassie kebo deselve velde sijn verpant aan een bonien met naeme Daeng masona dog met belofte van arou pantjana deschuld die op dese velde sijn te willen restueeren ook heeft olo sagerij verscheijde padij velden aan meer gemelde arou pantjana in leen gegeven dog sonder eenig nadeel van s Comp: onderdaanen en naer genoeging van arou pant Jano egter smeekt gedagte arou pantjana seer needrigtt aan uw wel Ed. e agtb: om padij velden die denselven bevoorens gehad heeft en tegens woordig door Tametteree bewerkt worde wedenom te mogen enlangen sijnde geleege in deese volgende negorijen /mangalong kakeang katper balang en patjens / dog hove veel stuks velden dat en soude legge dui arou pantjana preetendeert is mij niet gerapporteert dog sijde detoek tegens mij dat als wanneer arou pantjana bij de Tanettereese volkeren kwam en sijn velde vroegde gaeve sijlieden ten antwoord dat sij niets meer met Macassr den Jan met hem hadden uittaan dewijl hij sig onder de Comp: had begeeven en hij arou pantjana bij Comp: onderdaan en sijn fortuijn kan soeken Ik heb Israel pieters aven hij der waarts sagerij gegaan is stiptelijk gelast van sig na heet gedrag van arou pantfana te informeeren of denselve Comp: onderdannen ook tot last was of verongelijke piters betuigende mij dat sComp: onderdaanen wel met arou pantsana te vreeds waare en adsitteerde Comp: onderdaanen bij aldien iemand hunlieden wilde verongelijke wijders niets seedert ver mijn last needright schrijvens vanden 5 deeser bo ver bij bewust is voor gevallen sijnde sonemen de vrijheijd van deese hier meede te bekorte en na uw wel Ed agtb in schovas dierbaare bescherming aanbevoolen te hebbe ik mij met verschuldigde gehoorhoorsaamheijd noeme /onderstond:/ wel Edelen agtb heer /lager/ uu wel Ed agtb: heer onderdanige en trouw„ schuldige Dienaar /:was geteekend/ I: Bosch /:in margine/ Maros in sComp: vetting valkenburg den 12. december 1776 /onderstond/ Accordeert /:was geteekend/ H: B: hodenpijl Transart 1: 71 Jan Macdsserden Translat van den Boegineese geschrift der gesamentlijk alhier presente Bonijse groten. Wij bomierd maken bij deesen bekend dat wij expres binnen bij dheer gouverneur zijn gegaan om een regte Elucidatie van sijn Edele agtb: te vragen ten opsigte vanden alhier sijnde en naceijlen verbannene koning van goa maar dat de heer gouverneur ons ten diensten versee„ kken. hebben dat den persoon geen sints batara goa sij alwaar omme wij den heer gouverneur hier op te gemoed gevoerd hebbende dat terwijl gem: persoon deregte batara goa niet is so is het vatteen man die van intentie is om alhier quaad te verwerken weshalven willen w dat d'heer gouverneur ons ondres gelieft te geeven wat wij daar omtrent moete doen die wij ook ter intvoer sullen bren en wij sullen hier van teffens aan de heer broeder vand heer gouverneur onse inde binnen landen sijnde koning verwittigen dat sijn Edele agtb: hier op aan ons ten antwoord hebbende gegeven dat wij maar voor Eertt na huns soude Heeren terwijl sijn Ed agtb. nader hier op sal bedenken en als dan het gevoelen van sijn Ed: agtb: ons soude laten Communiceeren waar naden oppertolk Jan Macasserder oppertolk bij ons is gekomen gesonden doord en heer gouverneur ten eijnde ons hoogt desselfs gevoelen te verwittigen namentlijk dat wij morgen op reijs moeste begeeven om ged: persoon op te soeken dierhalven hebben wij tot die Commissie bewant ain glarrang bontoala en arou Tjina D reeden waarom w: den heer gouver„ „neur het gesegde van arou palacca hebben laten bekend maken is om dat w' gaarne hebben wil alvoorens de voorm: ordres te Expedieren dat sijn Ed agtb. daar over Eens gelieft te bedonken op dat het voorneemens van d Comp: en boni geluckig mogte worden ter uitvoer gebragt en dat wij ook ont teffens na belcom„ konde gereed maeken ten eijnde instaat te kunnen weesen omde ordres van d Comp: en Bonij met een goed surs ten ijnde te brengen. Dam betreffende t quaad aven van gem: swerven to seggen w' dat sulks d' Comp: en Bonij aangaat want dat bonij niet van d' Comp: kan separeeren /onderstond/ Accordeert /was geteekend/ H: B: Sodenpijl Translaat 73 Van Macasser den Translaat Bougineese Brieff geschreeven door dekening van Tanette Aan Den Heer Gouverneur Luijdende aldus Compliment na gewoonte zo maake bij deese aan sijn Edele agtb: bekend dat de zoon van pocanna I Asia genaamt Lasoe leenka seeven van mijn onderdaanen van de negorij hekeang die met een vaartuig ten getalle van twaalf koppen int vissen waare gegaan te rooren waar van 5 van ged: twaalf koppen met de vlugt ge„ salveert hadden welke verregaande brutaliteijten ik bij deese ben doleereerde en versoekende mitsgaders dat Van Macasserden dat de heer gouverneur na die geroofde persoonen gelie„ ve te laate opspeuren en ons weeder te doen inhandigen want wij hebben onse vertrouwentheijd op de heer gou„ verneur gesteld en in dien sulks niet konde geschieden wij als dan sullen afwagten wat god ons soude toe„ schicken /onderstond / geschreeven te Tanette den 9 dang vandemaand Dulkaijda in 't Jaar 1190 /onderstond/ Accordeert /:was geteekend/ H: B: hodenpijl Translant
English
From Makassar Translation of the Reply of Poeanna I. Asia alias Arou Pantjana to the aforementioned translated letter, reading as follows: After I questioned Laselekan as to whether he had actually captured those people at sea, he admitted to having done so, but to the number of only 4 persons, and not knowing where the rest have ended up. These acts of violence would never have occurred had it not begun from their side first, for when we returned from Makassar from the Lord Governor, no further acts of violence were committed except only by Karaeng Lambanparrang, who had carried off 7 of our subjects from the settlement of Kapasa, and 1 by Aroe Lepoekasie from the settlement of Lepoekasie. This serves merely for communication, and I leave this to the good and wise judgment 75 From Makassar judgment of the Lord Governor, for we have placed our trust in no one else than solely in the Lord Governor, as we also hope to demonstrate. Regarding the 5 persons mentioned in the letter, two belong to Arou Mario and one is my own. Below stood: Agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. Translation 77 From Makassar Translation of a Makassarese written order given by the King of Gowa to His Highness's Shahbandar, of the following content: You being my subjects are hereby warned that I am now sending the Shahbandar on a certain commission about which I have agreed with the Company; you are therefore ordered by me to obey him in all respects in the orders which he shall give you in my name, for I will fully approve everything that he shall perform there, and I have furthermore communicated this my explicit order to Anrang Goeroe Daeng Mallie, who is now likewise departing thither with the aforementioned Shahbandar. This From Makassar This order was handed to me by the Second Shahbandar of Gowa as proof of the trust that the King places in him, and after having had it translated by Mr. De Perault, I deemed it proper to forward its translation herewith to His Right Honorable. Signed: W. V. Burghop. Below stood: Agrees. Was signed: H. B. Hodenpijl. 79 From Makassar Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of the Coast of Celebes. To the Right Honorable Sir, Right Honorable Sir, It is with great pleasure that we may send herewith to Your Right Honorable two apprehended natives of the party of the vagabonds, having been seized fully armed yesterday evening before our arrival here by Madja Poengawa Jongpoe on the occasion that they, with several of their following or of the party of the vagabonds, had come here not far from Anabadjang to rob and plunder, as they also actually took away some horses. They had actually apprehended three, yet the third having slipped away from them again, they turned over only two to us; on which account the First Commissioner had the chief, under whose custody these three natives had been, severely reprimanded for his negligence in this matter. Nor did he approve that an emissary, who had been sent by the vagabond to Madja Poengawa Jongpoe to demand back the three captured natives, was not likewise detained From Makassar detained and handed over to us, the more so because we do not even dare to venture to send emissaries to him from our side. The First Commissioner had the imprisoned natives questioned about the condition of their masters' troop, and learned from them that the vagabond is about a good three hundred men strong, and that his force mostly consists of Makassarese vagabond princes, like those of Sandrabonij, Barombo, and others who, according to the report of these natives, reside among them. Having departed from Makassar on the 23rd of this month, we were obliged to remain at anchor off the island of Glissen and await the Captain of the Malays. He having arrived on the 24th towards noon, we resumed our journey and, having arrived in the evening in the mouth of the river of Anabadjang, remained lying there again and awaited all vessels so as to be able to make our departure together. The reasons that persuaded us to do this consist in that we were warned on Glissen that we would not be able to enter the river without a fight; yet notwithstanding that they were indeed of this intention, as is evident from the people there because one of our vessels wanted to put in at the first settlement that lies on this river, the crew going ashore found everything armed there.
Dutch transcription
Van Macasserden Translaat Antwoord van Poean„ „na I. Asia /:alias:/ Arou Pantja„ „na op de voorenstaande Trans„ laat Briep Luijdende als volgt Na dat ik Laselekan ondervraagt hebbe over hij wee„ sentlijk die menschen op zee geroofd hadde die ook bekend zulx gedaan te hebben edog maar 4: koppen en de rest niet weetende waar deselve beland sijn Deese geweld sijn de nooijt geschiet sijn waare het van hunne komt niet eerst beginnen want toen wij van macasser van den heer gouverneur sijn te rug gekomen so sijn geen gewelden arijen meer gepleegt dan alleen door kraeng Lamban parrang die 7 van onse onderdaanen op de negorij kapasa had weg geroofd en 1 door aroe Lepoekasie op de negorij Lepoekasie dit strek eenlijk tot Communicatie en laate sulx aande goed en wijse oordeel 75 Van Macasserden oordeel van den heer gouverneur over watit wij heb„ ben op niemand anders ons vertrouwentheijd gesteld dan alleen op den heer gouverneur so als wij ook hoopen daar van blijkens te sullen geeven. Belangende de 5: koppen die inde brief ver„ meld staat twee behoord arou mario toe en een van mijn eijgen /onderstond/ accordeert / was geteekend/ H: B: hodenpijl. Translaat 77 Van Macaser den Translaat van een Macas Jaarsche schriftelijke ordre gegeeven door den Koning van goa, aan zijn Hoogheijts sjabandhaar van den vol„ genden inhoud Uw lieden mijne onderdaanen sijnde werden bij deesen ge„ waarschouwt dat ik den sjabandhaer thans na een seekere Commissie sende waar over ik met dE Comp: over ben ben gekomen werdende dierhalven ulieden door mij gelast den selven in allen deelen te gehoorsaamen de ordres die hij ulieden uit mijn naam kome te geeven want dat ik al het het geene dat den selven aldaar kome te berigten volkomen sal goed keure en hebbe wijders van dit mijne uitdrukkelijke beveel aanrang goeroe Daeng mallie meede gedeelt die thans insgelijks met voorm: djaban„ ahaar naderwaarts vertrekt. Deese Van Macasser den Deese ordre is mij door den tweeden sjabandhaar van goa terhand gesteld ten blijke van het vertrouwen dat den koning in hem steld, en na deselve door den heer de perault te hebben laten vertaalen oordeelde ik wel te doen desselfs vertaaling hier nevens aan sijn wel Edele agtbaare te laten afgaan /geteekend / W: V: Burghop / onderstond/ accordeerd / was getekend:/ H: B: hodenpijl 79 Van Macas ser den Paulus Sodofredus van der voort gouverneur en directeur der custe celebes Aen den wel Edelen agtb: Heere Wel Edele Agtbaare Heere Tis met veel blijdschap dat wij uwel Edele agtb: bij desen mogen oversenden twee in hegtenis genoomen inlanders van de parthij der vagabonds sijnde gisteren av om voor ons arrivement alhier door madja poengawa Jongpoe met volle wapenen bij ocasi op gevat dat sij met meerden van haar gevolg of der vagabonds panthij hier niet ver van anabadsing gekoomen waaren om te rooven en teplundeeren gelijk ook werkelijk stuks paar„ den hebben weggenoomen man heeften igentlijk drie in hegtenis ge„ kragen, egter den amenen weederom ontslipt sijnde hebben sij ons slegts tuee overgegeeven weshal van den eersten in commissie bet hoofd onder wiers berusting deese drie Jnlandens geweet sin ernstelijk over deselfs slof„ figheijd hier in heeft laate onderhouden; ook heeft deselve het niet goedgekourt dat men eenen sandeling die door den vagebond aan madja poengawa songpoe gestuurt was om de drie in ballingschap geraakten Jnlaanders te rug te eijschen niet ins gelijks heeft aan gehouden Van Macasserden gehouden en aan ons overgegeeven te meer om dat wijt miet eens durven woogen hem van onse kant sendelingen toe te stuuren. de gevangenen inlanders heeft den eersten in commissie over de gesteldheid van den troup hunner heeren laaten uitvraagen en van deselve vernomen dat den vagabond omtrent groote driehondert man sterk is, en dat sijn Corps meet bestaat uit macassaansche land loopende princen gelijk die van sandrabonij barombo en andere meer sig volgens rapport deeser inlanders bij hen ophouden. Den 23 deeser van macasser vertrokken sijnde waren wij genoodsaakt onder het eijland glissen blijven leggen en den Capitain maleijen aftewagten deese den 24 tegens den middag aankomen sijn de hebben wij onde rijse weeder om aangenoomen en des avonds in den mond van de reeren van ana badjang aangekomen aldaar weederom leggen gebleeven en alle vaar tuigen afgewaagt om onsen vertrek gesamentlijk te kunnen neemen de reeden die ons hier toe hebben doen overhallen bestaan daar in dat wij op glisson gewaarschouwt wiender van niet sonder gevegt derivier te sullen kunnen binnen loopen; egter niet teegenstaan en sij dit wer„ kelijk van sins geweet sin/ het volk daarut belijkt dat een van onse vaantuigen, bij de Eerste negorij die aan deese revier legd aangieren wilden de scheepelingen aan de wal komende daar alles gewapent vanden
English
From Macassar the found and immediately had to return in their vessel, we nevertheless arrived today, the 25th, without the slightest incident at Anabadjang. Most chiefs have already joined us and consulted with us, however, as Arou Pantjana has not yet arrived and mainly no one from the Boniers has been here yet, we judged that we must suspend a decision to undertake anything until at least we could agree with the Boniers in what way and on what day the vagabond must be attacked from their side. The second shahbandar of the court of Gowa complaining that the place where he stood with his men was too far from the village where the vagabond stays and he could not proceed there in a day's march, bringing forward that the river of Dangalling which lies between him and the vagabond's village serves as a great obstacle in this, we judged it necessary, after having consulted about it, to let him take his post on this side of the river so that he now has the river at his back. And while this second shahbandar of Gowa brought forward to us in complaint that his king had ordered the karaengs of Bontopannong, Mamipong and Pabordaokang to march into the field as well, these From Macassar the these had had themselves excused with a smiling mouth, and pretending to be sick, he, the shahbandar, gave it to us in consideration what benefit one had to expect from these three karaengs, we have judged that we must likewise inform your Honorable Worships of this. For the rest, as soon as we have consulted with the Boniers, we shall attempt to attack the vagabond in such a manner that if the Boniers only observe their duty, there is no doubt about the good outcome of our attack. We have the honor, with the deepest respect, to call ourselves, below stood, Honorable Worshipful Sirs, lower, Honorable Worshipful humble servants, was signed, W: van Burghoff, G:t Brugman and with Malay characters next to which was written this is the signature of Abdul Cadier, in the margin, Amabadjang the 25th of December 1776, even lower, P: S: Because it was impossible yesterday evening to dispatch a vessel, this could only happen today. The following chiefs or princes are still staying with the vagabond: the son of Karaeng Imangepoe, the son of Karaeng Tompoballang, the son of Karaeng Bilaija and Glarnang Sammatta. The Boniers are posted near Innea. Signed: W: v: Burghoff, in the margin, Mabadjang the 26th of December 1776, lower, the weapons of the prisoners of war the head interpreter requested to be allowed to keep here, consisting of a blunderbuss and two assagais with plumes, below stood, agrees, was signed: H: B: Hodenpijl. To 83 From Macassar the To the military Ensign Willem van Burghoff The head interpreter Gerrit Brugman Captain of the Malays Abdul Cadier Valiant, Pious, Discreet. Having duly received yesterday afternoon your letter of the day before, alongside which the two horse thieves mentioned therein have been brought in, I have, in so far as necessary, informed the King of Gowa of its contents, with the request earnestly to order the chiefs of his troops to march quickly and act together with ours, which His Highness let me know, adding that the roads to the mountains on the side of Gowa were also occupied to prevent the wanderer from fleeing, while he further declared that the princes who were staying with that wanderer, being placed among the common sort of people, did not need to be spared in case they should not abandon the rebel, which I could not fail to communicate to you, in the hope that the outcome will answer to this promise. Meanwhile approving your actions, I do not doubt that you, on your side, will likewise employ everything possible to cut off the wanderer's flight towards Touratte, Bonthain From Macassar the thain or elsewhere, for which in my opinion Arou Pantjana with his subordinates who arrived up here and are departing during the writing of this, could best be employed, although I leave this to your good discretion after consultation has taken place with him, which I generally also deem useful, all the more as one cannot rely much on the Boniers, and he has the best opportunity to observe their actions. He is accompanied by the Bonian chief Arou Palingoring, who offered his services and whom for reasons I could not refuse. For the rest, I expect that the intended attack will be undertaken as soon as is at all possible, for which the chiefs of the Gowan troops in particular must be urged on by order of me and their king, as well as the Boniers, but if they show no inclination thereto, I think it will not be necessary to lose time for their sake, the less so since one will easily manage without them. Wishing from the heart a happy success thereto, I remain after greetings, below stood, your good friend, was signed, P: G: van der Voort, in the margin, Macassar in Castle Rotterdam the 28th of December 1776, below stood, Agrees, was signed, H:k B:s Hodenpijl. To
Dutch transcription
Van Macdaser den vonden en oogenblijkelijk weederom in haar vaartuig te rug keeren moesten,/ sijn wy dogheeden den 25 sonder den minsten voorval op ana„ badjang ter houw gekoomen. de meeste hoofden hebben sig rees bij ons vervolgden met ons genaapleegd egter an ou pantjana nog nie geaniver sinde enhoofdsakelijk nog mie„ mand van de bomens hier geweet syjn de hebben wij geoordeelt een besluit onniets te onderneemen so lang te moeten opschorten tot men minsten met de bemiend konde afspraaken op wat wijk op wat dog inhodenig den vagabond van hun kant moet werden aangegueepen. Den tween jabandhaar van thof van goa sig beklagende dat de plats waar bij met sijn volks stond te ver van die negonij was waardin vaga„ bond sig ophoud en hij in een dogden mansch tot daar na toe miet konde pretteeren trekkende han de revier van dangalling die en tusschen hem en des vagabonds negorij legd hier inmeede tot een groot hinderpaal hebben wij 'tnoodsaakelijk goordeelt nametham daar over te hebben geraadplaegt hem sijn en post aan deese kant van den rivier te laeten neemen sodanig dat hij thans de revier in de rug heeft En terwijl desen tweeden tJabandhaar van goa ons nog klagende voor„ bragt dat sin koning aan de krings bontopannong mamipong en pabordoekang g' ordineert hebbende meede int veld te marcheeren deese Van Macasserden deese sij met lagchende mond hadden laten accuseeren entig voor siek uitgeevende gaf hij de sjaband haar het ons in Consideratie wat voordeel men omtrent van deese 9a arie kanaings tevellen haden hebben wij g'oordeed uwel Ed: agtb hier van ins„ gelijks te moeten kennis geeven wij sullen overigens soo dra wij met de boniers hebben geraad pleegt den vaga„ bomd soodanig poogen te attacqueeren dat bij aldien de boniend legts umpligt observeeren aan de goede nu't komst van onse attacque geentwijffels wij hebben de eere met den diepsten ontsag ons tenoemen /onderstond/ wel Edele agtb heere /lager/ welEd: agt: otmoedige dienaaren /was geteekent / w: van burghoff g:t brugtman en met een maleijdse Caracters waar bij stond geschreeven dit is de handteekening van abdul: Cadien /inmargine / amabadjang den 25 december 1776 /nwog lager/ : S: door dien het onmnogelijk was gisteren avond en vaer tuigte depecheer en heeft sulks eertheeden kunnen geschieden volgende hoofden of princen houden sig nog bij den vagabend op den soon van Kraing imangezoe den soon van keraing tompoballang den soon van kraeng bilaija en glarnang sammatta de bonierd staan bij innea potteert /geteeken:/ W: t: bungroff/ in margine / mabadjang den 26 december 1776 /lagen ae wapenen van dekuijgs gevangenen heeft den oppertoek versogt te muogen hier houden bestaande in an donderbosh en twee kassegaijen met pruijmen /onderstond/ accordeerd/ was geteekend:/ h: B: hodenprijl Aan 83 Van Madserden Aan den vendrig militair willem van Burghoff Den opetolk Territ BBrugman Capitain der Maleijers Abdul Cadier Manhafte vroome Discreete Sitteren nademiddag wel ontfangen hebbende uE schrijvens van daags bevoorens waar nevens de twee paarde dieven bij het selve vermeld sijn aan„ gebragthebe ik bo verre nodig van duis inhoud aan den koning van goa konnisseaoren gevn met versoek de hoofden sinentroupes vmstig te bevelen omspoedig op te reeken e ijnde met de onse gelijk ta geeren het gen sijn hoogheijd mij heetlaten teseggen met bij voeging dat ook et den eegen naar het gebergte aan de kant van gva waaren beset om den swerver het vlugten te beleten, terwijs hij verder betuigd heeft dat de prinjes i sig bij dien swverver op hielden maar onder het gemeene soort van volk gesteld wordende niet behoefden te worden ontsien in gevalle sij den rebel niet verlaeten mogten het geen ik niet hebbe mogen afsijn us te bedeelen in hoope dat de uitkomst aan dorsten toe segging sal brantwoorden Inmiddens uE verrigtingen approbeerende to wel ik niets twijffelen of uE sullen van hunne sijde ins gelijks alles wat mnegelijk is aanwenden om den swerver den pas het vlugten af tesuijden na Touratte bon thijn Van Macasserden thijn ofeldens waar toe mijnes dunkens arou pantjana met sijnen onderhoorige die boeven hier g'arriveerd, onder het schrijvens deeses vertrecken best soude kunnen worden g'emploijeerd shon ik sulks aan uE goed verleg overlaet nadat mit ham, sal sijn genaad pelugd dat ik in't gemeen ok dienstig achte te meer men op de bonirs nit velstaat kan maken en hij de beste occasie heeft om hun gedoentens quade te doen slaan hij is verseld van de bonijas pams arou palingoring die sijn dienst aangeborden heeft en die ik om reeden niet hebbe mogen afslaan voor het overige verwagteik dat de voor genomen attacque bospoedig inmer doenlyk sel worden ondernomen waar toe de hoofden der goase troupen in't bijsonder uit last van mij en hunnen koning dienen teworden aan gespond soo meede de bomiers dog wanneen die daar toe geen geneijgthid toonen mogte donke ik dat het niet nodig sal syn om kunment wille tijd te verliesen te minder men het buiten hun gemaekelijk sal afkunnen. Daar toe van herten een geluckig suces wenschende blijve ik naar groete /:onderstond/ u goede vriend /:was geteekend/ P: G: van dervoort imargine/ macasser in't Casteel rotterdam den 28 december 1776 /onderstond/ Accordeert /was geteekend/ H:k B:s hodenpijl Aan
English
From Makassar, the To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir Paulus Jodofredus van der Voort Governor and Director of this coast of Celebes In the hope that Your Right Honorable has received our last letters dated the 25th and 26th of December, we let this now go to Your Right Honorable in all respect, serving to inform Your Right Honorable of further matters that have occurred here. The second Shahbandar of Gowa having met with us again on the 26th, he asked at once what we intended to undertake, adding that his people are of such a disposition that, in such expeditions, the sooner the matter is settled, the better. Whereupon we served him with the answer that we were eagerly longing to be able to fight with that vagabond this very day; however, the Bonians having sent no one to us yet, consequently leaving us still ignorant of whether they had posted themselves in the place where they ought to be, we found ourselves compelled to wait a few more days, considering that, in case we wished to attack the vagabond now and he happened to escape us from the side of the Bonians, Right Honorable, Highly Esteemed Sir, they could then excuse themselves by saying that we ought to have warned them of our intention beforehand. Hereupon a resolution was taken this evening to let Arou Tjina know once again through a second messenger that he should present himself to us, and in case he was not here on the 27th, then to let him be told through a third messenger that we would then attack the vagabond and that it would then be for his account if the enemy happened to escape to their side. And this resolution having been taken, we let the Shahbandar depart to his people in order to post them before the river of Dangallang and there await further orders from us. We must, however, report to Your Right Honorable with grief that, if the present continuous rainy weather persists, it is impossible for us to undertake the least thing, for the reason that the roads are impossible to pass and the ammunition cannot be transported. That is why we must await the first day of good weather to undertake a general attack. We also cannot conceal from Your Right Honorable the distrust we place in Arou Tjina, fearing that if he were to come to us and make an agreement with us, he might nevertheless afterwards assist the vagabond and certainly let him slip away. The present Galarang of Barana has abandoned the vagabond and joined the party of Arou Tjina; the deposed Galarang, however, still holds firmly with our enemy. As soon as the vagabond heard that Europeans had arrived here to fight against him, he had his banner sprinkled with blood, in token of his desire to engage in battle with the Europeans. The deposed Galarang of the Bonians having advised him to have a redoubt thrown up, that highwayman answered him: "What redoubt? Do you believe that I will hide from the Europeans? No, rest assured that as soon as I merely hear that they are marching against me, I will go to meet them in the open field, and even if I had only twenty men with me, I will still undertake to drive away all the Europeans with them." We all heartily wish that he may keep his promises to march against us. On the 27th, the First in Commission proposed to change our position and take it closer to the enemy, because it is too difficult for the men to march five or six hours and afterwards still have to search for an enemy, whereas in this rainy season it could easily happen that, after having marched for three or four hours, one would have to turn back again because of the rain. This proposal having been accepted by the other two commissioners, we rode out in the afternoon to reconnoiter, whereby the settlement of Salo-e was chosen by the three of us to take our new post there. On the 28th, we were warned that in the settlements of Lenkes and Bangal a multitude of people had gathered in the service of the vagabond, with the agreement that when we were busy attacking the vagabond at Barana, they would attack our post from the rear, take the vessels, rob and plunder everything, and set the settlement on fire. Because of this, we were compelled to change our resolution to post ourselves at Salo-e back to remaining here at Ana Badjong. Early in the morning, we had all our men assemble on a plain in order to give the commanders the order that we shall observe when we engage in battle. This was determined such that the Europeans stand in the center; on the right hand of the Europeans, the Malay Captain; to the right of him, Karaeng Galesong; to the left hand of the Europeans, the Gowan forces; to the
Dutch transcription
85 Van Macasser den Aan den wel Edelen groot agtb: H:' eer Paulus Jodofredus van der voort Gouverneur en directeur deeser custe celebes In hoope dat uwel Edele agtb: onse laatste letteren van den 25 en o 6 december gedagteekend sullen sijn ter hand gesteld laten wij dese thans weeden om in alle berbiedighijd an uwel d: agtb: afgaan tendensten „om uwelEd: agtb van de verders hier voorgevallene saaken konns tegeven. den twesen Jab andhaar van goa den 26 wederom met ons vergadert ge„ weest sijn de vreg deselve ten eersten wat wij van sins waaren te ondermee„ „men, daar bij voegende dat sijn volk van sodanige gestelheijd sij bij sulke Eopedities hoe eerhoeliever de saak uit te maaken waar op wij hem ten antwoord dienden dat mij met gretigheijd daar na ver„ langende waaren nog te heeden met dien vagabond te mogen vegten egter de boniens ons nog niemaand toe gesonden hebbende bij gevolg wij nog ignorant blijvende of deselve sig ter plaatse geposteerd hadden waar sij weesen moeten vonden wij ons genootsakt nog Eenige dagen te wagten intreeden dat de boniers ingeval wij den vaga„ bond thans wilden attacqueeren en deselve ons van de kant der boniers Wel Edele Groot Agtb:r Heer kwam Van Macaser den kwam te ontclippen als toen sig konden verexcuseeren niet te seggen dat wy haarlieden bevoorens hadden behooren van ons voorneemen te waarschouwen Hier op wierd een besluit genomen heden avondarou Tjina door Een tweede sendeling alweedenom te latenweesen dat hij sig bij ons mogt invinden en ingeval hij den 27. hier nog niet was hem als toen door een derde sondeling te laten seggen dat wij thens den nagabond souden attacqueren endat het als toe voor sin reekening liep bij aldien den vijand ons na haar kant toekwam te ontslippen„ En dit besluit genomen sijnde lieten wij den tJabandhaar na sijn wolk vertrekken om sulks voor de revier van Dangallangte gaan pottinen en aldaer verder ordres van ons te verwagten wij moeten egter uwel Ed: agtb: met smerten berigten dat bij aldien het tegenswoordige Continueele regen weer aanhoudende blijft het ons onmogelijk valt het allenminst te te onderneemen uit reeden dat de weegen onmogelijk sijn te passeeren en met de ammonitie niet int te voeren is daar om is t dat wij den eersten dag van goedweer moeten inwagten om een algemeene at„ tacque te onderneemen. Wij kunnen uwel Ed agtb ook niet verswijgen het wantrouw van so wij in arou Tfina stellen bevreest sijnde dat bij aldien hij ook mogt bij ons komen en afspraak metons namen hij dog naderhand aanden vagabond 87 Van Aldecd sorden vagabond sal komen te bieden, maar hem voorseek en sal laten an kippen Den tegenswoordigen glaurang van bananmna, heeft den vagabond verlaten en sig tot departij van arou Tjina begeeven den afgesetten glaawang egter houd het nog stijk dion met onsen vijand. Den vagabond so dra hij gehoort heeft dat er Europeesen hier waar ren aangekomen om tegens hem te regten heeft hij sijn vaandel met bloed laten besproeijen ten blijke hoepen hij wenschte in een gevegt met de Euuopeesen te mogen komen. Den afgetette glarrang van boniens hem genaeden hebbende om eene benting te laten opwerpen heeft dien struijk noover hem ter antwoord gegeeven, wat benting gelooft gij dat ik mij voor de Europa„ sen sal verschuilen neen weest vrij verseekert so dra ik slegts hoon dat sij tegens mij komen aan te marcheeren sal ik haar in't openveld te gemoed gaan en al had ik ook maar twintigtog man bij mij bo wil ik het nog onderneemen al de Europeesen daar mede te verjagen wij wenschen alle hertelijk dat hij sijne beloften mag nakomen „nietons te willen te gemoed marcheeren den 27 proponeerde den Eersten in Commissie om onsen standplaats te veranderen en nader bijden vijand teneemen om dat het te moeijelijk voor het volk is vijf â ses uuren te marcheeren en naderhand nog eenstan vijand te Jan Adlcdisser den te moeten opsoeken daar in deesen reegen tijd het gemakkelijk konde gebeuren na arie of vier uuren te hebben genarcheert weegens regen ween weederom te rug te moeten keenen deese propositie door de twee andere Commissianten g'accepteerd sijn de reeden wij sagtermiddags uit om te recegnosseeren, waar bij door ons drien de negerij solve E vorkosen wierd om onsen nieuw en post aldaar te neemen. Den 28 wierden wij gewaarschouwt dat in de negoryj Lenkes en bangal sig een meenigte van volks vergadert had ten dien sten van vanden vagabond met sodanige afspraak tot wanneer wij beestig „waaren den vagabond op barana te attacqueeren sij ens van agteren in onsen stand plaats wilden komen invallen de vaartuigen namen alles rooven en plundeeren ende negorij inden brand steeken hier door sijn wij genoodsaakt geweest ons beslint om ons bij saloe E teposteeren waederom in dat te veranderen van hier hij ana badjong te lijvestaan Des morgens vroeg hebben wij als ons volk op een plain doen ver„ goederen om de hoofden de ordr te doen in de wijsullen observeeren als wij een gewoegt sullen koonen te aanvaarden Deselverd sodanig bepaalt dat de Europeesen in het midden staan ten regten hand vande Europeesen den Capitain maleijer ten regten vandien kanaang glisson ter linkerhand van d' Europeesen denopenbolk ten
English
89 From Macasser the chief interpreter of the left wing of this place, Lieutenant of the Panakkukang Chinese, and the ruler of that place, Karaeng Ma Badjang. The men having again taken up their quarters, we sent a letter to the second Shahbandar of Goa, in which we informed him of what the two Macassar negorijs Linkas and Bangaal intended, with orders to have them warned as quickly as possible, and that if the people who had gathered there did not immediately go over to the side of the Company, they also had to hold it to their own account if the Company's troops should ruin and burn down their negorijs. At noon, Karaeng Opina having arrived here and meeting with us, he informed us that for his person and with his people he was prepared to carry out the orders of the Company, but being too weak to offer resistance to that vagabond, he should be given assistance by the troops of Boni, formerly Karaeng Bankala, alongside those of Laikang. And Karaeng Bankala requesting another three days postponement, under the pretext that he first had to gather his people together, a resolution was taken to grant his request, yet however with the threat that everything that was undertaken from the Company's side after the elapsed three days would be at his expense if matters should turn out badly on his part. From Macasser the Furthermore it was resolved to attack from all sides after the expiration; of this resolution the second Shahbandar was again given written notice in the evening, ordering him to advance upon the enemy together with us at the appointed time. It is then that, with Your Right Honourable's favorable approval, we intend to undertake a general attack on the 31 December or the First of January, not doubting that with God's help everything will be of good success. We have the honour to call ourselves with the deepest respect, /below stood:/ Right Honourable Highly Esteemed Sir, /lower:/ Your Right Honourable Highly Esteemed's humble Servants, /:was signed:/ W: van Burghoff, G:t Brugman, and Some Malay Characters next to which was written, this is the signature of Abdul Cadier. /in margin:/ Ana Badjang the 28 December 1776 /below stood:/ agrees /was signed:/ H: B: Hodenpijl To From Macasser the To The Right Honourable Highly Esteemed Sir Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honourable Highly Esteemed Sir Just now we received the news that the rebel broke through at Malolo in the night of the 28 of this month, and thus has escaped us on the side of the Macassars, notwithstanding that we so earnestly recommended the second Shahbandar of Goa to guard well from his side, and that in such case everything ran at his expense. In what manner that rebel was able to get through at Malolo is incomprehensible to us, because the Shahbandar of Goa himself had posted Karaeng Sandra Bony and Karaeng Katapang with their people there at Malolo for that purpose, while he himself stood at Dangallang to prevent his advance; yet he has gotten through, and we have immediately resolved to break camp from here and to march to Barana; we shall otherwise take our disposition in such a way that our right Wing will come to stand at the great mountains and the left Wing at the river of Dangallang, where From Macasser the Whereof we wished to inform Your Right Honourable in great haste through this. We have the honour to call ourselves with the greatest respect, /below stood:/ Right Honourable Highly Esteemed Sir, /lower:/ Your Right Honourable Highly Esteemed's humble servants, /:was signed:/ W: van Burghoff, S:t Brugman, some Malay Characters next to which was written, this is the signature of Abdul Cadier /:in margin:/ Ana Badjang the 29 December 1776 /below stood:/ agrees /was signed:/ H: B: Hodenpijl To 93 From Macasser the To the military Ensign Willem van Burghoff, Chief Interpreter Gerrit Brugman, Captain of the Malays Abdul Cadier, Valiant, Pious, Discreet. With as much pleasure as I perceived from your letters of the 28 passato that the attack against the rebel was already determined, so sorry was I to see from your further letter of the following day that notwithstanding his made recommendations and pretences that he would await the same, he has taken flight and thus managed to escape, which has been my great concern, although I least expected that he would have taken the road to the mountains behind Goa, considering the king had assured me that all the approaches thither were occupied. Yet although he and the chiefs of the king's troops in this regard should with reason be suspected, if not of a willful, then at least of an inexcusable neglect of duty, I do not consider it advisable to openly show our justified displeasure thereover, but From Macasser the on the contrary highly necessary that all possible efforts are employed to discover where the rebel is presently staying and how strong his following still is, while I approve of your having marched to Birana, in the expectation that one will now be able to cut off his way to Bonthijn if he should emerge from his present hiding corner and might wish to proceed thither. Which for the present is all that I find to reply to your aforementioned letters, while I continue to await further reports concerning the state of affairs, in order to give orders for your longer stay, or, such not being necessary, for your return. Wherewith, after greetings, I remain /below stood:/ your good friend, /was signed:/ P: G: van der Voort /in margin:/ Macasser in the Castle Rotterdam the 31 December 1776 / /below stood:/ agrees /was signed:/ H: B: Hodenpijl
Dutch transcription
89 Van Macasser den oppertoek der linken van deese aden luitenant den pannackang Chineesen anter luikker van dien kanaeng ma badjang. 'T volk weeder om sijn intrek genomen hebben de lieten wij een buijf aanden tweeden sjabandhaar van goaafgaan waaren wij hem verwittigden van het geen de twee macassaarse negorijen linkas en bangaal van sins waaren met ordre haarlieden op t schielijkste te laaten waarshouw en datwij aldien tut volk dat sig daar vergadert had niet ten arsten tot depantij van d' Comp: vergang sij ook voor haar reekening moeste blijven houden bij aldien 'sComp: troupen haarlieden negorijen kwamen te ramponeeren en op te branden Des middags arve Opina hier aangekomen sijn en met ons vergade„ nende, maakte hij ons bekend voor sijn persoon en met sijn volk ge„ „need te sin de ondres van d Comp: ter intvoer te brengen egter te swaar sijnde om dien vagebond teegenstand te bieden sij hem van thops van bo„ nij eert haeden Carang bankala nevend di van Laikanter shulp gegee„ „von En kanang bankala nog om amidagen uitslel versoekende met voorgeeven dat hij eerst sijn volk bij malkanderen moest gaan ver„ samelen, wierden een besluit genomen om hem sijn versoek toe te staan dog egter met bedrijging dat alles wat na de verlopene drie dagen van Compagnies sijde wierd voorgenomen voor sijn reekening liep bij aldien het sijnent halven kwalijk kwam uit te vallen. Van Abdecasser den wijders wierd beklorten om na verloop van alle kanten te attacqueeren van dit besluit wierd den tweeden tjabandhaar avonds weederom schriftelijk kennis gegeeven denselven ordonneerende om ter bepaalden tijd met ons gemeenschapelijk op den vijand aftegaan. 'T is dan dat wij met uwel Edele agtb: gunstig welneemen denken den 31 december of Eersten Januarij een algemeene attacque te onderneemen niet twijffelende of het sal alles met gods hulpe van goeden succas sijn wij hebben de Eere met de diepste ontsag ons tenoemen / onderstond:/ wel Edele groot agtb heer /lager/ uwel Edele groot agtb: ootmoedige Dienaaren /:was geteekend:/ W: van Burghaff g:t Brugman en Eenige maleijtsche Caracters waar bij stond geschreeven dit is d' handteekening van abaul Cadier/inmaogina/ anabadjang den 28 december 176 /onderstond/ acouderd/wat getekend:/ H: B: Hodenpijl Aan ƒ Van Macasser den Aan Den wel Edelen groot agtb: Heeer Paulus Dodofredus van der Soort Gouverneur en Directeur deser Custe celebes. Del Edele Groot Agtb: Heer Zo even kregen w aetijding dat den rebel in der nagt van den 28 deeser bij malolo door gebrooken en dus van aekant der macassaa„ „ren ons onslipt is niet teegenstaande wij den tweeden sJabandlaar van goa so Ernstelijk hebben aanbevoolen hem van sijn kant wel te bewaaren en dat in sulk geval alles voor sijn reekening liep Op wat wanneer dien rebell bij malolo heeft kunnen door komen is ons onbeguijpelijk door dien den sjabandhaar van goa op malolo selfs Canavang sandra bony en caraeng katapang met hun volk tot dien eijnde daar gepoteerd had tenwijl hij selfs op dan„ gallang stond om hem den voorgang te beletten egten hij is en doorge„ koomen en wij hebben ogenblickelijk betloten om van hier op te bree„ ken en na barana te marcheeren wij sullen overigens onse dispositie sodanig neemen dat onse regter Vleugel aan de groote gebergtems endelink en vleugel aanden evier van Dangalling komt te stann waar Van Macassorden Waar van mij in de groote ijl uwel Ed: agt hier door hebben willen verwittigen wij hebben de Eere met den grootsten ontsag ons tenoemen /onderstond/ wel Edele groot agtb: heer/lager / uwel Edele groot agtb. ootmoedigen dienaan /:was geteekend/ w: van Burghoff S:t Brugman eenige malaijtse Caracter waar bij stond geschreeven dis is het handteekening van abdul Cadier /:in margine/ ana badsing den 29 December 1776 /onderstond:/ accordeert /was geteekend:/ H: B: hodenpijl lan 93 Van Macasserden Aan den vendrig militair willem van Burghoff Oppertolk Servit Brugman Capitain der maleijer Abdul Cadier Manhafte vroome Discreete Met so veel genoegen als ik uit ub letteren van den 28 passato ontwaarde dat d' attacque teegen den rebel bereeds vastgesteld was so leed is het mij geweest uit uE nadere van daags daar aan te sien, dat hij in weerwil van sijne gemaakte recommandatis en voorgeevens oove hij deselve soude afwagten, de vlugtgenomen heeft en het dus heeft weeten toutkomen dat mijne grootte bekommering is ge„ weet, schon ik het minste verwagt hadde dat hij aen weg na het gebergte agter goa soude genomen hebben geconsidereerd den koning mij hadde laten verseeker en dat alle de toe gangen na derwaarts beset waeren. Dan ofschoon im en de hoofden van s'konings troupen hier omtrend met reerden diend verdagt te houden to niet van een moedwillg ten minste van een onverand woordelijk pligt versuijm agte ik het nit geraeden om ons billijk minoegen daar over opentlyk te laeten blijken maar daar Van Macasserden daar en tegen ten hoogsten nodig dat alle mogelijk devoiren aan„ gewend worden omt ontdeeken waar den rebel sig thans onthouden en hoe sterk sijn aanhang nog is, terwijl ik mij inuwledens laat welgevallen dat uE na birana sijn gemarcheerd in verwagting dat men hem als nu den weg na bonthijn sal kunnen afsnijden als hij i't sijn teegens woordige schuithoek te voorschijn komen en sig derwaarts mogte willen begeeven. t geen voor teegenwoordig alles is wat ik op uE voorschreven brieven te rescuibeeren vinde terwijl ik nadere berigten nopens den toestand dersaeke blijve te gemoet sien om ordre tot uE langer verblijk of sulks niet noodig sijnde tot hun terug komst te kunnen geeven. waar meede na groete blijven / onderstond:/ uE goede vrienden /was geteekend/ P: G van vander voort /in margine) Macasser in 't Casteel rotterdam den 31 December 1776 / /onderstond/ accordeert /was geteekend:/ H: B: Hodenpijl
English
From Maledesorder To the Right Honourable Sir Paulus Godefridus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes Right Honourable Sir, According to our missive of yesterday, we informed Your Right Honourable of the rebels' escape toward the Macassar side, as well as shared our disposition that we had resolved to take, namely to take up our post at Barana. To that end, it happened that yesterday morning at nine o'clock we broke camp together. However, being not far from Barana anymore, we saw Arou Pantjana, who had previously marched behind us, now marching about a thousand paces to our right hand with swift strides past us and toward Barana, sending, when he was nearly right before it, three or four messengers to us, one shortly after the other, who all in the name of their lord asked our consent to capture Barana by force of arms. We had very sound reasons to refuse him this, partly because we know his way of operating, partly because the ruling Gallarang of Barana had already been with us carrying a peace banner and had asked for mercy. However, it was of no avail; Arou Pantjana marched in, immediately setting the settlement on fire, and for the rest behaving there as is his usual manner of conduct. For that reason, we deemed it necessary to remain standing in the field outside Barana and await his return, being fearful that if we also marched into that place, Arou Pantjana might later, in case of being held accountable, say that our people and not he had done everything. We placed each chief with his men in small huts that lay on the open field about two hundred paces apart from each other. The three Commissioners, Deefhout and De Meester however, went onto such a small hut separately to have something to eat. After the passage of about an hour, Arou Pantjana returned, not to us however, but joined Karaeng Galesong, sending a messenger from there to let us know that he had the two Gallarrangs with several others from Barana with him. Whereupon we gave him the answer that he might come to us with these people, or at least send the captured Gallarrangs to us, which he did, but for his own person remaining with Karaeng Galesong. We, having not the least suspicion of Arou Pantjana, had disarmed ourselves and were just busy taking some refreshment when those two Gallarrangs, with four of their retinue, were brought to us. We immediately made them surrender their weapons, and this having been done, we gave orders to a few men whom the Malay Captain and Chief Interpreter had with them to pinion them. The two Gallarrangs surrendered willingly; however, the four others, partly trying to run, partly trying to defend themselves, were instantly killed. Arou Pantjana, seeing this, thereupon came at us with all his men in an indescribable fury. We nevertheless remained sitting atop our small hut, as we knew no other than that he came as a friend. But he was scarcely beneath our hut when he and Arou Palengorang drew their krises and wanted to attack us if those two Gallarrangs were not instantly released again. We Commissioners, refusing this from atop our hut, two of Arou Pantjana's retinue took aim at us with blunderbusses, actually discharging them as well, but the guns misfired. And we now no longer considered it advisable to oppose Arou Pantjana's demand any longer, but sought to get down from our hut as best we could, calling our people to our aid. Hereupon Arou Pantjana wanted to do battle with us, but when he saw that he was virtually surrounded by our people and the first in Commission called with a loud voice that he would start charging immediately, he once again gave fair words, promising that he would return the two Gallarrangs, whom he had taken from us at the hut, once we came home. In such a precarious circumstance, the second and third Commissioner thought it well to return again to Ana Badjeng, while the first maintained that we must absolutely remain standing near Barana. And having presented his reasons for this, the second Commissioner also came around to the opinion of the first; the Malay Captain, however, not willing to give his consent to this, notwithstanding saying that he took all responsibility upon himself alone, we went back again to our old position. Having arrived here late in the evening, Arou Pantjana handed the two Gallarrangs back to us, whom we hereby send to Your Right Honourable. As is evident to Your Right Honourable, we currently have our enemy right in our midst, and what is worst, also in our settlement, so that we are no longer able to set foot outside without running the greatest danger, and are forced to keep the men under arms day and night in order to observe Arou Pantjana's conduct toward us and to stand ready at all times. Our humble request to Your Right Honourable is therefore to try by one means or another to make Arou Pantjana withdraw from us again, while we cannot conceal our apprehension from Your Right Honourable that if he were to be recalled by order, he will absolutely refuse to do so. It is true, he seems to have had regrets afterwards and asked for an excuse, but how far one can rely upon him, his words, and promises is sufficiently evident from his villainy committed yesterday, and his future conduct will also always merely depend on whether he has consumed much strong liquor or not, it being fully known to Your Right Honourable that he
Dutch transcription
95 Van Maledesorder Aan den wel Edelen grot Agtb: Her Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes Wel Edele Groot Agtb: Heere Volgens onse missive van gisteren hebben wij uwel Ed agtb van't ontslippen der rebellen na de maccassaarse kant toe verwittig, teffen onse dispositie bedeelt die my besloten hadden te neemen met namentlijk onsen post op barana te vatten tot dien eijnde geschiede t dat wij gisteren ogtend om negen uuren gesamentlijk opbraken egter met ver van barana meer sijnde sagen wij aroe Pantjana die be„ voorens agter ons gemacheert had thans omtrend aui„ sent schueeden ter regter hand van ons met vliegende schreeden voor ons voor by en na banana toe marcheeren stuurende Van Macasser den stuurende deselve toen hij er omtrent digt voor was ons arie of vier sendelingen den Eenen kart op den anderen toe die alle uit naam van hunnen heer van ons Consent vroegen barana met Htoumender hand in te neemen wij hadden seer bondigt reeden om hem dit te refuseeren, ten deele om dat wij sijne handelwijse kunnen ten deele om dat den regeerende glaurang van barana reeds met Een vreedens vaendel bij ons geweest was, en om genade versogt had egter het hielp niets arou pantsana marcheerde en in de negorij ten eersten in brandsteekende, en voor den aest sig daar sodanig gedragende als sijne gewoonelijke manier van handelen is wij hielden het uit die reeden voor nood sakelijk voor barana op het veld te blijven staan en sijne te rug komst afte wagten bevreesde sijnde dat bij aldien wij meede in die plaats marcheerden aroup antjana naderhand in cas van verandwoording sondeseggen dat ons volk en niet hij alles gedaan hadden wij plaats den een ijder hoofd met sijn volk in klijne huijsen die op het vrije veld a twee hondert schree„ den uit malkanderen lagen de arie Commissianten Deefhout 97 Van Macasser den Deefhout ende meester egter gingen op sulk Een huijsje apart om iets te nuttigen na verloop van om„ trent Een uur kwam arou pantjana we„ „derom te rug egter niet bij ons maar vervoegde sig bij ons maar vervoegde sig bij Caraeng glissong stuurende van daar een sendeling met ons te laten weeten dat hij de twee glarnangs met nog Eenige andere van barana bij sig had waar op wij hem ten antwoord gaven dat hij met deese menschen mogt bij ons komen of ten minsten de gevangene glarrangs ons toe stuuren het welk hij deed voor sijn eijgen persoon egter bij Caraeng glissong blijvende wij geen de minste orgwaan hebbende op arou pantjana had„ „den ons ontwapend, en waren even beesig om iets te nuttigen toen die twee glarrangs met vier aan haaren gevolg bij ons gebragt wierden wij lieten deese ten eersten hunne wapens afgeeven en dit geschied zijnde gaven wij ondre aan Eenige weijnige menschen die den Capitein maleijer en oppertolk bij sig hadden haarlieden te vleugelen de Twee glaerrangs gaven sig gewillig over egter de Van Macasserden de vier andere gedeetelijk aan t loopen willende gaan gedeeltelijk sig verweeren willende wierden sij orgenblijkelijk vermoord aron pantsana dit ziende kwam hier op metsen onbeschuijtelijken furie met alle sijn volk op ons af wij bleeven egter boven op ons huijsje sitten door doen wij niet anders witten als vriend kwaam Edog hij was pas onder ons huijsje of hij en arou palengorang trokken hare kritsen en wilden daar aant gaan bij aldien die twee glarnangs niet ogenblijkelijk weederom los gelaten wierden wij Commissianten dit van boven op ons huisje afweij„ „gerende slaigen twee van arou pant Janas gevolg met donderbussen op ons aan deselve ook werkelijk lossende dag de geweeren kettden en wij hiel aen het thans niet meer voor raadsaam ons langen teegens arou pantjanas eijsch aan te kanten maar togten so goed als mogelijk van ons huisse afte komen ons volk te hulp roepende hier op wilde arou pantana met ons aant regten gaan dog toen hij sag dat hij genoegsaam rondsom van ons volk beset waar enden Eersten in Commissie met luij der Jtem niep dat hij so aanstonds aan t Chargeeren zoude Van Macasser Den zoude gaan gaf hij weederom goede worden belovende de twee glarrangs die hij ons bij t huijsje had afgeno„ „nomen als wij thuns quamen wederom te sullen over„ geeven. En sulk Een hachelijke omstandigheijd, vond den tweeden en derden Commissiant voor goed weederom na Ana badjeng terug te keeren terwijl den Eersten beweerde absoluit bij banana te moeten blijven staan en hier van zijne reeden bij gebragt hebbende den tweeden Commissi„ ant ook omtrent de gevoelen van den Eersten overden Capitain maleijer egter zijne Consent hier toe niet willende geven niet te seggen dat hij alle verant„ „woording op sig alleen nam gingen wij weder„ om na onsen ouden standplaats te rug alhier des avonds laat aangekomen sijnde gaf arou pant Jana ons de twee glarrangs weederom over die wij hier nevens aan uwel Edele agtb: meedelaaten afgaan Wij hebben aan teegens woordig gelijk het uwel Ed: agtb: blijkt onsen vijand midden onder ons en wat het slinste is meede in Onse negorij so Dan Macasser den so dat wij niet in staat sijn er meer een voet uit te setten sonder de grootste gevaar te loopen en sijn genoodsaakt het volk dag en nagt onder dewapens te houden om arou pantjanas gedrag omtrent ons te observeeren en altijd klaar te staan ons ootmoedig versoekt gaat dus aan uwel Ed agtb: te willen poogen door den een of anderen weg arou pantjana weederom van ons te doen aftrekken uwel Ed: agtb: daar bij onse bedugt„ heijd niet kunnende verswijgen dat bij aldien deselve per ordre weederom te rug ontboden werd hij sulks volstrekt sal komen te weijgeren, 't is waar hij schijnt er leeden berouw over heeft excus gevraagt, egter hoedanig men sig op hem sijne gesegtens en belooften kan verlaten blijkt genoegsaam uit desselfs gitteren gepleegde schelmerij, en sal ook sijn toekomstig gedrag altijd slegts daar van af„ hangen af hij veel sterke dranken heeft genuttig: of niet sijnde uwel Ed: agtb: ten vollen bekend dat hij
English
From Makassar the he is almost never sober. We find ourselves in no small embarrassment, and are setting such orders here, Your Honour, that at least until the receipt of Your Right Honourable's commands, as much as possible, no open hostilities will break out. We have the honour to call ourselves, with the greatest respect and deepest awe, underneath stood, Right Honourable, Highly Esteemed Sir, lower, Your Right Honourable's humble servants, signed, W. van Burghoff, G.t Brugman, and with some Malay characters, written right next to it: this is the signature of Abdul Cadier. In the margin: Anabadjing, the 30th of December 1776. Lower: The chiefs Gallarang Bonto Kadatto and Gallarang Mawtioning Comba we have stationed at Salon with their men, to the end that they serve as a sort of outpost there, just as Gallarang Lantang for the same reason has been placed by us at Macambon. Signed, W. v. Burghoff. Still lower: We have just now received From Makassar the through an envoy from the second syahbandar of Gowa the news that he has already broken camp and is engaged in pursuing the rebel. Signed, W. v. Burghoff. Still lower: The heavy weather together with the north-westerly winds make it impossible to let our envoy go by vessel; for that reason it is that we do not trust sending the second gallarang overland with him either, and will keep the same here until a further occasion. Signed, W. v. Burghoff. Underneath stood: Agrees. Signed, H. B. Hodenpijl. From From Makassar the To the Military Ensign Willem van Burghoff, Chief Interpreter Gerrit Brugman, and Captain of the Malays Abdul Cadier. Valiant, Brave, Discreet Gentlemen, With how much astonishment, upon reading your letters of yesterday, I regarded the incident that Your Honours have had with Aru Pantjana, it has nonetheless, after considering the whole context, seemed to me extremely probable that his conduct, although already gone quite far, is much rather to be attributed to poor management, hasty passion increased by arrack, and too rashly conceived resentment, than that he had deliberately resolved or still had the intention to do Your Honours any harm, so that, in my judgment, no further evil consequences need to be feared from this, provided an amicable course of action is observed on both sides, for which Your Honours should therefore employ everything that is suitable, holding out to him in a friendly manner, instead of showing any further signs of suspicion, that Your Honours, having been sent jointly by the Honourable Company against some of its enemies, harmony and a good understanding are extremely necessary. Meanwhile, in the enclosed note, I have exhorted him thereto, From Makassar the exhorted him with the necessary remarks regarding his conduct toward you, which, to say something more about this, I think derived its first origin from the zeal that animates him to show proof of his courage, and indeed that he may have mistrusted the alleged flight of the rebel, and subsequently, having obtained both gallarangs in hand, would rather have sent them directly to me than delivered them to you; indeed, however it may be, it appears to me that if I wished to summon him, I should much rather have to expect that he would proceed to a wrong step; and for that reason I have judged that I should not, at least for the present, intervene, but await further news, in the hope that Your Honours' prudent care to be on guard against all evil undertakings will in the outcome prove to be superfluous, or else of a fortunate result. Wherewith, after greetings, I remain, underneath stood: Your Honours' good friend, signed: P. G. van der Voort. In the margin: Makassar in Castle Rotterdam, the first of January 1777. Underneath stood: Agrees. Signed: H.k B. Hodenpijl. To From Makassar the To the Tanete Prince Joeanna J-Asia. Compliments as usual. Furthermore, I make known by this that I have also employed you in the expedition and flattered myself with the hope that you, with the ensign, chief interpreter, and captain, would bring the matter entrusted to you to a good end, so that the same might tend to your own glory; but contrary to expectation, I have learned by rumour that a dispute had arisen among you, whereby you would have almost ruined each other, which for the Honourable Company as well as for me would have served only to bring shame; and whereas I must believe that From Makassar the that this disunity is caused by an emulation to excel one above the other, and thus only to gain a good name with the Honourable Company and from me, I therefore recommend you to live with one another and get along as brothers, so that the charge entrusted to you may be accomplished to the fame of the Honourable Company and myself with a good neighbourhood; but in case this my recommendation should, contrary to expectation, have no influence, I would rather see that you all just return back here to avoid in the future the shame that I otherwise would have to despise. Written, Makassar in Castle Rotterdam, the 1st of January 1777. Underneath stood: Agrees. Signed: H. B. Hodenpijl. From From Makassar the To the Right Honourable, Highly Esteemed Sir, Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes. Right Honourable, Highly Esteemed Sir, Your Right Honourable's honoured letters of the 31st of December 1776 and 1st of January 1777 having been duly delivered to us, we can now most respectfully serve Your Right Honourable in answer thereto that, after many fruitless efforts to discover the whereabouts of the rebel, we have finally succeeded so far therein as to be able to say now with more certainty that he is at Bontoparang.
Dutch transcription
101 Van Macasserden hij bij kans nooijt nugteren is wij vinden ons in geen geringe verleegentheijd en sijn uwEd oodanige ordres hier stellen dat het ten minsten tot den ontfangst van uwel Ed: agtb: beveelen so veel als doenlijk tot geen openbaare vijandelijkheeden sal komen uit te breeken wij hebben de Eere met de grootste agting en diepte ontsag ons te noemen /onderstond/ wel Edele groot agtb: heer /lager/ uwel Ed: groot agtb: ootmoedige Dienaaren /was geteekend/ w: van Burghoff g:t Brug„ „man en met Eenige maleijtsche caracters maar bij stonds geschreeven dit is de hand„ teekening van Abaul Cadier /in margine /ana badjing den 30 december 1776 /:lager:/ de hoofden gelan„ „rang bonto kadatto en glaurang moutioning Comba hebben wij op salon met tunne volk gepatteert tot dien eijnde om aldaar tot een soort van voorpost te sterkken, gelijk glanrang Lantang ii't deselfde reede op macambon door ons geplaats is /:was geteekent/ W: V: Burghop / nog lager / so even ontfangen wij Van Macasserden wij door een sendeling van den tweeden tJabandhaar van gra detijding dat deselve reeds opgebrooken en beelig is met den rebell agter aan tesetten /was geteekend/ we burghoff / nog lager/ het swaare weer neevens de noord wette winden maken het mogelijk onsen sendeling met een vaartuig te laaten gaan daarom is 't dat wij de tweede glarrangs over land meede te senden niet betrouwen deselven tot nader occasie sullen hier blijven houden /:geteekend/ W: v: burghoff /onderstond / accordeerd /was getekend / H: B: hodewijl Van 103 Van Macasser den Aan Den vendrig Militair Willem van Burghoff Oppertolk Gerrit Brugman en Capitain der maleijers Abdul Cadier Manhafte Droome Discreete Met hoe veel verwondering ik op de lectuure uwer brieven van gisteren het voorval beschouwde dat uE hebben gehad met arou pantjana is mij nogthans na overweging van den gantschen samen„ hang ten uittersten waarschijnlijk voorgekomen dat sijn gedrag schoon al vrij verre gegaan veel eer aan verkeerd beleijd haartige drift door den anank vermeerderden eenteschielijk op gevat ongenoegen toe teschrijven sijn dan dat hij opsettelijk voorgenomen of nog in„ tentie soude hebben om uE Eenig nadeel toe te brengen so dat mij „ne oordeels daar u't geen verdere quade gevolgen te dugten sullen sijn ingevalle aanweederskanten een minnelijke handelwijse word g'observeert waar toe uE alles wat dunstig is oversulks behooren aante wenden hem insteede van eenige vordere blijken van agter dog te toomen in't vrendelijke voorhoudende dat uE gesamentlijk door d E Compagnie tegen eenige haaren vijanden gesonden sijnde d'en„ dragt en een goede verstandhouding ten uittertten noodsakelijk is ondertusshen heb ik hem bij het nevens gevoegde briefje daar toe vermaand Van Macasser Den vermaand onder denoodige aanmerking nop ens sijn handelwijse ten uwen optigte die ik om hier van nog iets te seggen dinke dat sijn eerste Councesal hebben aekreefsen uit den iever die hem besield om blijken van sijn moedte toonen en wel dat hij mogelijk de voorgegeeve vlugt vanden rebel mistrund heft en vervolgens de beij de glanrang inhanden hebben de ge„ kreegen hum liever direct aan mij gesonden dan aan us overgegeeven soude hebben immers hoe het sij het komt mij voor, dat ik hem willende oproepen veel eerte verwagten soude hebben dat hij tot een verkeerdenstap overgaan aan komen soude; en daar toe hebbe ik dierhalven g'oordeeld ten minste voor als nog nie temoeten treeden maar nader tijding aftewagten in die hoope dat uE:s pruijtelijke voorsorge om sig tegen alle twaede onder„ „neemingen op hoede tehouden bij uit komst overbodig dan wel van een geluckig gevolg sullen worden bevonden. waar meede na groet blijve /onderstond:/uE goede vriend /was getekend:/ P: G: vander voort /in margine/ macasser in 't Casteel rotterdam den Eersten Januarij 1777 /onderstond/ Accordeerd /was geteekend/ H:k B: hodenpijl Aan 105 Jan Macasserden Aan de Tanetse Prins Joeanna J= Asia Compliment na gewoonte Wijders maeke bij dese bekend dat ik uE meedetot de Ex„ peditie g'emploijeert en mij met de hoop gevlijet hebbe als dat uE met den vendrig oppertolk en Capitain de saak uwleeden opgedragen tot een goed eijnde soude brengen op dat deselve trecken moge tot uw lieder eijgen roem dog tegen verwagting heb ik bij gerugt vernomen dat er een geschil tusschen uw lieden was ontstaan waar door gij malk anderen haatt soude hebben bederven dat voor dE Compagnie so wel als voor mij niet dan tot schande soude hebben gestrekt aan vermits ik gelooven moet dat Van Macasser den dat die on eenigheijd is veroorsaakt door een na ijver om den een boven den anderen uit te munten en dus maar alleen om een goede naam bij dE Compagnie en van mij te verwerven to recommandeere ik uE om dog als broeders met malkanderen te leeven en sig te verdragen op dat de aan us opgedragene last tot noem dE Compagni en mij met een goed buures moge volvoert worde dog ingevalle dese mijne recommandatie tegen verwagting geen invloed mogte hebben aan sag ik liever dat uE alle maar weeder hier te rug komen om in't vervolg tontwijken deschande die ik anders soo de moen veragten geschreeven Macasser in 't Casteel rotterdam den 1 Januarij 177 /onderstond)/acondeerd/ was getekend/ H: B: Hodenwijl Van 107 Van Macasserden Aanden wl Edelen Groot Agt: Her Paulus Dodofredus van der voort Gouverneur en Directeur desen Custe Celebes. Wel Edele Groot Agtb: Heer Uuwel Ed: agtb: g'Eerde letteren van den 31 december 1776 en 1: Januarij 1777 ons wel ter hand gesteld sijn de kunnen wij uwel Ed: agtb: thans Eerbiedigst daar op in ant„ woord dienen dat wij na veele vrugteloose pogingen den onthoud van den rebel te weeten eijndelijk daar in so ver zijn komen te slagen thans met meerder see„ kerheijd te kunnen seggen dat hy te bontoparang
English
his retinue amounting to forty heads. The reports that we had received thereof until now through our emissaries were always so contradictory of one another that we deemed it better to remain silent about it rather than report untruths to Your Right Honorable. However, the statements of the scouts sent out recently all agree that the rebel is staying at Bontoparang, his retinue being not much stronger than forty men, and that the shahbandar of Goa is situated not far from there. The reduction of his following stems principally from his flight from Barana without having yet seen the enemy, over which his people took such displeasure that they immediately separated from him in groups, just as our emissaries then encountered two such groups who were steadily railing against him on their way, and of which everyone seemed to be going home. One of these groups was sixty, the other fully thirty men strong. From the shahbandar of Goa we have not received the least news since December 29, the reasons for which are certainly to be traced to the flooding of both rivers of Goa and Anabadjing (or Tamasongo, as the natives call it) caused by the terrible rain, the same being wholly impassable up to now. Regarding Your Right Honorable's orders to live amicably with Arou Pantjana, we can give Your Right Honorable the firm assurance that this is taking place in all respects and we are now living once again in complete unity with the same. We must also report to his credit that since the last incident he has outwardly kept remarkably quiet and has sought to appease us with all manner of kindnesses, having at the same time shown great remorse to various natives over his recently committed misdemeanor. It is for this reason that Your Right Honorable will please not take it amiss that we judged that we should not deliver Your Right Honorable's letters addressed to him, in order thereby to prevent the displeasure which he would otherwise conceive against us, being well able to imagine that we had complained about him. The Malay Captain, having been with him shortly after the receipt of Your Right Honorable's latest letters, assured him among other things that he is ready on the orders of Your Right Honorable not only to remain stationed here as long as it should please the same, but also to turn back to go seek out the rebel with his people alone, in short, to follow the orders of Your Right Honorable in everything. The weather having abated somewhat, we are sending over alongside this the two gallarrangs of Barana, taking the liberty therewith to suggest to Your Right Honorable that one of them, named Liepon, is not as complicit as the other, named Kabba, who has always openly professed himself to be of the party of the rebels. For greater security we have further found it necessary to have Daeng Matto take post with fifty men at Rabba and Daeng Mattrio at Sanrangang, in order to be warned by them at the earliest opportunity in case the rebel should return hither again. Awaiting Your Right Honorable's orders as to how we are to conduct ourselves henceforth with respect to the rebels, who presently stand somewhat distant from us, we have the honor with the deepest respect and greatest reverence to call ourselves, (below was written) Right Honorable and Most Respected Sir, (lower) Your Right Honorable and Most Respected humble and dutiful servants, (was signed) W. v. Burghoff, G.t Brugman, and with some Malay characters, by which was written: this is the signature of Abdul Cadier. (In the margin) Anabadjing, January 3, 1777. (Below was written) Agrees, (was signed) H. B. Hodenpijl. Right Honorable, Stern, and Most Respected Sir, Upon the closing of the enclosed letter, Aroe Sjina comes to us making complaints about Karaeng Bankala, who, so it seems, wishes to join the rebel's party, yet has not broken out into any open hostilities, nor has Aroe Tjiena given us sufficiently to understand that Bankala could be to blame for the flight of the rebel. We answered that he should merely keep holding his post and try through good scouts to get behind the activities of Bankala, at the same time having us warned of everything. I have merely wished to make this known to Your Right Honorable in brief words, and have the honor with respectful reverence to be, (below was written) Right Honorable, Stern, and Most Respected Sir, (lower) Your Stern and Most Respected Humility's obedient and humble servant, (was signed) W. v. Burghoff. (In the margin) Annabasing, January 3, 1777. (Still lower) Upon the departure of Aroe Tjina we again receive news that under the leadership of Karaeng Bankala the peoples of the following villages have allied themselves against us, to wit of Saikan, Binamom, Beranging, and Borana. What they intend to execute against us, however, we do not yet know; we shall nonetheless endeavor to obtain further detailed reports thereof. (Below was written) Agrees, (was signed) H. B. Hodenpijl. To
Dutch transcription
Jan Macasser is sijn gevolg groot veertig koppen bedraagende. De berigten die wij tot nog toe door onse zendelingen daar van hadden gekreegen waaren elk ander altijd so teegen spreekende dat wij oordeel daar van liever te moeten swijgen als uwel Edele agtb: onwaarheeden 8 te melden egter komen de gesegdens der Jongst er op uitgestuurden verspieders alle daar in over een dat aem rebel te bontoparang onthoudende is sin ge„ volg niet veel sterken als veertig man sijnde en dat de sjaband haar van goa daar niet ver van dan staat de vermindering van sijnen aanhang spruit voor in't desselfs vlugt van barana sonder dat hij nog den vijand gesien waar over sijn volk een dier gelijke misnoegen 1 heeft opgevat dat het sigsterstond troups gewijse van hem separeerde gelijk onse sendelingen dan twee sulke troupen hebben ontmoet die nog al gaande weg op hem schol en waar van een ieder na huis scheen te gaan een van deese troupen was testig den anderen groot dertig mannen sterk vanden sjabandhaar van goa hebben wij 109 Van Macasserden wij zeedert den 29 december geen de minste tijding ont„ fangen waar van seeker de reeden na te speur en zijn ende overstrooming der beijde rivier en van goa en anabadjing /: of Tamasongo gelijk he„ de Inlanders noemen / door den verschrikkelijken reegen veroorsaakt kunnende deselve als tot nog toe gantsch niet werden gepasseert. Aangaande uwel Edele agtb: beveelen van met arou pantjana in der minne te moeten leeven, kunnen wy uwel Edele agtbaare de vaste verseekeringen daar van geeven dat dit in allen op sigten geschied en wij thans weederom in volk omene eenheijd met den selven leeven ook moeten wij tot desselfs lof so veel melden dat hij zeedert den laatsten voor val sig voor het uijterlijke ongemeen heeft stil gehouden en ons door alderhande vriendelijkheeden heeft soeken te paaijen hebbende teffens teegen verscheidene Jn„ landers groot berouw over sijne last gepleegde Van Macasserden gepleegde misdryf betoond hier om is 't dat uwel Edele agtb het niet kwalijk sal gelieven op te neemen wanneer wij g'oordeelt hebben uwel Edele agtb: aan hem g'ad„ dresseerde letteren niet moeten afgeeven om daar door het misnoegen te keerte gaan het welk hij anders teegens ons soude opvatten als sig wel kunnende verbielden dat wij over hem waar en klagtig gevallen den capitain maleijer kort na den ontfangst van uwel Edele agtb: laatste letteren bij hem geweest sijnde heeft deselve onder anderen hem verseekerd hij ge„ reed sij op ordre van uwel Edele agtb niet alleen so lang hier te blijven staan als het deselve soude komen te behagen, maar ook weederom te rug te keeren op den rebel met zijn volk alleen te gaan opsoeken, kort in alles de ordres van uwel Edele agtb: te sullen op volgen. 6ot 111 Van Macasserden Het weer iets bedaagd zijnde laten wij hier neevens overgaan de twee glarrangs van barana de vrijheijd daar bij gebruijkende uwel Edele agtb: voor te stellen dat den eenen daar van namens liepon so meede pligtig niet is als den anderen namens kabba dewelke dig opentlijk tot de partij der ciebellen altijd bekend heeft Tot meerder zeekerheijd hebben wij nog ge„ vonden Daeng Matto met vijftig man oprab„ „ba en Danig mattrio op Sanrangang post te laten vatten om door deselve ten eersten ge„ waarschouwt te kunnen worden ingeval den re„ bel weederom na herwaarts kwam te rugtekeeren In verwagting van uwel Edele agtb: ordres hoe„ „nig wij ons voortaan hebben te gedragen ten op sigte der rebellen, die thans wat ver van ons afstaat hebben wijde Eere met de diepsten Eerbied en grootsten ontsag ons te noemen /onderstond/ wel Edele groot agtbaeren heer /lager/ uwel Edele groot Van Macaserden groot agtbaare onderdanige en Trouw schuldige dienaaren /was geteekend/ w: v: Burg hof g:t Brugman en met Eenige maleijtsche caracters, waar bij stond geschreeven dit is de hand teekening van abdul Cadier /in margine/ ana badjing den 3 Januarij 1777 /onderstond accordeerd /was geteekend/ H: B: Hodenpijl. Eij ij 113 Van Macasserden Wel Edel Gestrenge Groot Achtb: Heere Bij 't sluiten van inleggenden brief komt aroe sjina bij ons beklagten over kraeng bankala doende dewelke soo als het schijnt van des rebellen panthij wil worden dog egter nog in geen openbaare vij„ andelijkheeden is komen uit te breeken ook heeft ons aroe Tjiena genoegsaam te verstaan ge„ geeven dat hij bankala aan de vlugt van den rebell schuld konde hebben. wij hebben g'antwoord dat hij slegts sijn post magt blijven houden en door goede verspieders mogt poogen agter de bedrijven van bankala te komen ons teffens van alles te moeten laten waar„ schouwen. Ik heb sulks in korte woorden slegts aan uwel Ed agtb: willen bekend stellen en hebbe de eere met eerbiedigen ontsagch te sijn /:onderstond/ wel Edele gestrenge groot agtb: heere/(lager /. uwel gesteenge Agtb Van Macasserden agtb: ootmoedige en needrige dienaar (was geteekend / w: v: burghoff /in margine / Anna basing den 3: Januarij 1777 / nog lager / wat ver„ trek van aroe Tjina ontfangen wij weederom tijding dat het aanvoeren van kraang bankala sig hebben tegens ons verbonden de volkeren van volgende negorijen te weeten van saikan binamom beranging en borana wat sij egter tegens ons uit te voeren van sins sijn weeten wij nog niet sullen edog verdere nadere berigten daar van poo „gen te krijgen /onderstond/ accordeert / was geteekend/ H: B: Htodenpijl: Aan
English
45 To Macassar the Burghoff To the military ensign Willem van Burghoff, the chief interpreter Gerrit Brugman and Captain of the Malays Abdul Cadier, Valiant, pious, discreet. Upon your letter of the 3rd of this month, which was delivered to me only yesterday evening, as well as having observed from the reports of the King of Goa that the rebel has taken flight from Borisalo, where he is being pursued by the Macassarese troops, and therefore judging your further stay in the south not to be necessary, I leave it to you to return back here, and likewise to notify Arou Pantjana of this as soon as wind and weather will permit, after all proper vigilance shall have been enjoined upon the regents, and so that in the event of anything of importance occurring they may promptly send word hither; it may furthermore serve for your information that I have likewise caused the Sulewatang to be requested to summon the Bone people hither as well, with the notification that as soon as I have somewhat recovered, as I currently find myself extremely sick and weak, I shall speak with him concerning the sent glaurangs Jan Macassar the glaurangs of Barana, which you may communicate to Prince Arou Tjina, flattering myself that Karaeng Bangkala together with those of Laikang will indeed bring about a cessation and cause him to abandon evil enterprises. Wherewith, after greetings, I remain, below stood, your good friend, was signed, J. P. van der Voort, in the margin: Macassar in Fort Rotterdam, the 7th of January 1777. Lower: P.S. under provision of the returning guard goes half a month's ration, and the Sulewatang has requested me to have Arou Tjina told in his name to likewise just return with you, as he currently has no one at hand to let him know directly, wherefore you are charged with the same. Below stood, Agrees, was signed, H. B. Hodenpijl. To 117 From Macassar the To the Honorable, Respected Lord, Paulus Godofredus van der Voort, Governor and Director of this Celebes Coast etc. Pursuant to your Honorable and Respected highly esteemed orders, which were orally communicated to me at Gootij on the 5th of this month by the assistant interpreter Brij, that I was to proceed with all haste to my designated post with some command, this serves in all humility to communicate to your Honorable and Respected that I arrived here safely on the 6th in the evening at seven o'clock and found everything in quiet and peace; and having immediately given orders to the interpreter Pieters that he was at once to bring to me as many of the Company's emissaries as could be procured hereabouts this post, in order with the utmost speed to distribute your Honorable and Respected's given orders through the Company's provinces to the chiefs and regents, that they should be on their guard if the corrupter of lands and peoples, or so-called Batara Gowa, should come to them, whether with friendliness or courtesy, to gain any entrance and to seduce the Company's people and From Macassar the help plunge them into their own ruin, as he has done to the south of Celebes; that the chiefs and regents must attack the said Batara Gowa with full force of arms to destroy him or take him prisoner and subsequently bring him hither to this post; which orders were sent round through all Company provinces this morning by several emissaries. Also today an unconfirmed loose rumor has come in here that the aforementioned Batara is said to be at Boriesallo in the Goan territory, not far from Pandangliekier. For the rest, having nothing more to report, I have the honor herewith to conclude, and having commended the weak conditions of your Honorable and Respected to Jehovah's subservient healing, I take the liberty to call myself, with bounden faithful obedience, below stood, Honorable, Respected Lord, lower, Your Honorable and Respected's very humble and bounden faithful servant, was signed, J. Bosch, in the margin: Maros, in the Honorable Company's Fortress Valkenburg, the 7th of January 1777. Below stood, Agrees, was signed, H. B. Hodenpijl. 119 From Macassar the Message from the Honorable, Respected Lord Governor delivered to the Tanete Prince Poeanna I Asia on the 10th of January, Year 1777. This morning, by order of the Lord Governor, the Captain of the Malays Abdul Cadier departed to the Tanete Prince Poeanna Pebia, who has returned hither, in order, after presenting His Honorable Respected's compliments, to thank him for the assistance he rendered to the Company in the recent expedition, and further to make known that His Honorable Respected is very sorry not to have been able to admit him to an audience, caused by His Honorable Respected's continuing indisposition; and also to inform him that His Honorable Respected, with respect to the Bone Prince Arou Palengorong, cannot for the present meddle in his affairs because he strictly belongs under the staff of Bone, all the more so because the bad conduct of that prince is abundantly known, on which account His Honorable Respected fears he can give no advice in his favor in case the Bone people should complain about him; for one cannot consider the said Bone prince like the two princes under the protection of the Company, namely Poeanna I Asia and Lakassie, for Poeanna I Asia served the late Queen of Tanete, Mattirowalie, faithfully
Dutch transcription
45 G alcaser den Burghoff Aan den vendrig militair willem van Den Oppertolk Gerrit Brugman en Capitain der Maleijers Abdul Cadier Manhafte vroome Discreete Op uwE schrijvens van den 3 deese, mij isteren av ondeerst gewoor„ den soo wel als uit de berigten van den koming van goa ontwaart hebbende dat den rebel de vlugt van borisalo genomen heeft al„ waar hij door de maccassaarse troupen werd vervolgd en dier„ halven uE langer verblijk om de siid niet noodig oordeelende to laat ik aan uw E over, om weeder dit heen te rug te komen en sulx arou pantJana insgelijks meede aan te kundigen, so dra wind en weer het sal toelaeten na dat de regenten alle behoor„ lijke oplettentheijd sal weesen aan bevoolen en om in tijds bij voorvallen van eenig gewigt daar van ten eersten berigt herwaards te senden kunnende voorts tot uw E narigt streckende dat ik eten boelewattang insgelijks hebbe doen versoeken om de boniends meede herwaarts't ontbieden onder te kunnen gave teffens dat ik maar Eenigsints tot beters aep geraekt als mij thans ten uitterste siek entwak vindende met hem over de opgesondene glaurangs Jan Jan Macasserden glaurangs van barana spreeken sal, het geen uE aanden prins arou Tjina kunnen bedeelen mij flatteerende dat Creng bankala neevens die van laijkang wel tot stielstand brengen en van kwaede onderneeming sal doen afsien waar meede na groete blijve /onderstond/ uE goede vruend /was geteekend/ I: P: vandervoort /in margine:/ Macasser in 't Casteel rotterdam den 7: Januarij 1777 /lager/ P: S: onderbesorging vande terug gaende schilder gaft gaande een halve maand randsoen en de soelawattang heeft mij versogt om arou tjina sijn naam te willen doon aan seggen om met uE: ins gelijks maar te rugte komen also hij thans niemand bij derhand heeft om hetn sulx direct te laeten weeten weshalven uE het selve belast word / onder„ stond/ Accordeert /was geteekend/ H: B: hodenpijl Aan 117 Van Madcaserden Aan den wel Edelen Agtb: Heere Paulus Sodofredus van d Soort Gouverneur en directeur deeser Celebes k: : H: Volgens uw wel Edele agtb: hoogt gerespecteerde ordres die mij â Cottij op den 5 deeser mondelijks door den ondertolk Bij sijn aangedient dat ik mij ten spoedigsten soude hebben te geeven naar mijn bescheijde pott met Eenig beveel Dient deese in alle needrigheijd om uw wel Ed agtb: te Communi„ ceeren dat ik op den 6 savonds teseeven uren behonde alhier g'arni„ veerd benan alles in nuitt en vreede hebbe aangetroffen en den tolk pieters aanstonds bevel gegeeven hebbende dat den selve Comp: sende„ linge soo veel als en hier omtrend deese post te bekomen waaren ten eersten bij mij te brengen ten eijnde om ten spoedigsten uw wel Ed: agtb: gegeven beveele door Comp: provinties aan de hoofden en regenten ront te brenge dat sij lieden op haer hoeden sijn mogte als wanneer den landen menschen bedervers of soo genaamde batara goa bij hun lieden mogte koomen t sij met vrendelijkheijd of beleetheijd om Eeniger maat ingank te krijgen en Comp: volk enen te vervoeren en in haar eijgen bedeuff Wel Edelen Agtb: Heer. Van Macasserden te helpen aompelen soo als aen selven om desuid van Celebes gedaan heeft sij hoofden en regenten den gemelde batana goa met volle moe„ „ten wapens aan te vallen om denselven te vernielen of gevangen neemende en vervolgens herwaarts deese post brengende welke ordres door verscheijde sendelingen deese morgen door alle Comp: provinte sijn rond gesturd ook is op heeden en ongegaand overlos gerugt hien binne gekomen dat den merrgemelden batava sig soude bevinde op boriesallo in 't goas niet ver, van Pandralielie voor het overige niet meer weetende te melde so hebbe de Eere hier meede te bekont en naar des wakke omstandigheeden van uw wel Ed: agtb: in sehovas dienbaare gekeesinge aan bevoolen te hebbe de vrijheijd neeme mij met trouw schuldige gehoorsaamdend te noeme /onderstond / wel Edelen agtb: heer /:lager/ uw wel Ed: agtb: seer onderdanige en Trouwschuldige dienaar /was geteekend/ I Bosch /inmargine/ maros in sE Comp: vetting valkenburg den 7: Januarij 1777. /onderstond:/ Accordeert /:was geteekend:/ H: B: hodenwijl Hoothlog 119 Van Macasser den Boedschap van den wel Edele agtaere Heer gouverneur gedaan aan den Tanetse prins Joeanna P: Asia op den 10 Ianuarij Ao 1777 Heeden morgen vertrok, op ordre van den heer gouverneur de ca„ pitam der maleijers abdul Cadier na den alhier geretourneerde Panette prin: poerna Peblia ten eijnde den selven naar aflegging sijn Ed agtb: Compliment te bedanken voor de adsistentie die den selven aan dE Comp: in de Jongste Expeditie beweesen heeft en onder verder te kennen gave dat sijn Ed agtb seer lid is hem ter andientie iet had kunnen admitteeren vervoor„ saakte don sijn Ed agtb: aanhoudende indisposite mitsgaders han ook te berigten dat sijn Ed agtb: ten optigte van den bonijs prins anou palengo„ rong voor als nog met sijne affaire niet te kunnen inlaten door dien hij volstrekt onder het stof van bonij gehoort te min dire om dat het ten overvloede bekend is het quaad gedraag van dien prins uit din hoofde betugd sijn Ed: agtb ten sijn en behoeve geen raad te kunnen geeven ingevalle deboniers over hem mogte doleeren want dat men gom: pains bo niet kennende aanmoeken gelijk de twe onderd prtetie van de Compagnie sijnde prinsen /:namentlijk poranna s: Asia en lacasie /: want poeanna I: Asia heeft d' overledene koningin van Tanotte matiuroa risoneang aan
English
From Makassar requested His Honour to keep him under the protection of the Company, as the late King of Boni, Matinroē ri Malimongang, had also done with the aforementioned Lacasie, and for that reason the Honourable Company will also protect both of them against all molestation inflicted upon them by others in an unreasonable manner. Furthermore, His Honour will also present to the aforementioned Poeanna I Asia the complaint of the King of Tanete, recently made in his letter of 10 December, regarding the subjects of the said King abducted by his son named Laselekang, and moreover to notify him that it would be better if he sends the four abducted people over here, whom his aforementioned son Latelekang has himself confessed to have abducted and taken away, not being more than four; however, in case any of those people might have already been sold, to make restitution of their price according to the proportionate value of those absent; and that Poeanna I Asia is only to be blamed for not making known to His Honour what the said Karaeng Lembangparang and Aru Lipukasi were said to have done to his subjects, so that His Honour could have been in a position to complain to the King of Tanete about it by letter. Below stood: agreed. Was signed: H. B. Hodenpijl. Reply 121 From Makassar Reply of Poeanna I Asia given to the complaint of the King of Tanete Hereafter Poeanna I Asia submitted as an answer to His Honour that he questioned his son Laselekang about the abducted people and that the said Laselekang had also confessed to it, adding that he had taken away no more than four persons, but cannot say with truth whether one has drowned or not. Regarding the four persons, Poeanna I Asia says they are two who belonged to his father Aru Mania and one who belongs to himself, who lives in the village called Langwoort and resides there with his wife. The reason why they treated the subjects in such a manner arises from the fact that they took them as an example, for when His Honour had me summoned by Intje Sadolla of Pancana, His Honour at the same time took care that no molestation or violence should be committed between our subjects; but on the side of Tanete the contrary has become evident, for when he returned from Makassar to Segeri he learned that Karaeng Lembangparang had abducted seven of his subjects living in the village of Kapasa and From Makassar and carried them off, likewise Aru Lipukasi, who had also abducted one of his subjects, notwithstanding that His Honour, as said before, had already taken the necessary precautions against it. The people of Tanete, however, not having wished to refrain from disturbing his subjects in an unheard-of manner, for which reason his subjects also did the same in retaliation for what they had done. However, Poeanna I Asia sets this down in passing as being the truth, and submits himself in everything to the wiser judgment of the Lord Governor, since he has placed his trust entirely in the Honourable Company, and hoping therefore that he will give the Honourable Company no cause for trouble. Below stood: agreed. Was signed: H. B. Hodenpijl. From 123 From Makassar Paulus Godofredus van der Voort Governor and Director of this Celebes, etc., etc. To the Honourable Respected Sir Honourable Respected Sir, Your Honour's most respected letter of the 9th of this month I had the honour to receive on the 10th of the same, together with the advance pay, as well as 36 rixdollars 12 stivers for subsistence money via the skipper Anthonij Voll, for all of which I hereby offer my humble gratitude to Your Honour, and enclose herewith to Your Honour the receipt roll of the servants who have received their wages according to their desire. Following my last humble writing of the 7th of this month to Your Honour to report my safe arrival here, I have the honour to inform Your Honour that I have had the regents of the plains here with me and orally communicated to them Your Honour's orders, which they promised to carry out with all diligence, and particularly ordered Karaeng Tanralili to keep a watchful eye and to inform himself accurately whether the so-called Batara Gowa is staying at Borisallo or From Makassar or not, and then to give me a report of it, of which I have heard nothing up to this day; however, yesterday I sent a Company messenger there to Tanralili to ask that regent what genuine certainty he had already discovered about Batara Gowa, where he truly resides, of which I have seen as little from the latter as from the former, and thus still trusting, as far as I know, that everything is in peace and quiet, I have the honour to conclude herewith, and having commended Your Honour to the Almighty God Jehovah, I take the honour to call myself with dutiful obedience, Below stood: Honourable Respected Sir. Lower: Your Honour's very humble and dutiful servant. Was signed: F. Bosh. In the margin: Maros, in the Honourable Company's fortress Valkenburg, the 12th of January Anno 177[illegible]. Below stood: agreed. Was signed: H. B. Hodenpijl. To
Dutch transcription
Van Macasserden aan sin Eadiagt vertogt om hem onder de beskenning van de Comp: tehouden to als den overleden koning van bonij maturo rimalimongang ook gedaan had met gem: lacasie en uit dien horofde sal dE Comp ook hun beijde voon alle overlatt die hemn aoor anderen op een onreedelijke wijse worden aangedaan bescheremen: voorts het sijn Ed:e agtb: almeede gem: poeanna I Asia voorhouden a doleantie vande koning van Tanet Jongst gedaan bij desselfs brief van den 10 december ten opsigte den door deselfs tongenaam Laselekang geroofde onderdaanen van ged' koning mitsgaders hem voorts aanteseggen dat het beten soude weesen dat hij de vier geroofde menschen herwaarts oversend die gem: sijnen bom Latelekang sels bekend heeft ghad miet meer dan vien geroofd en wag genoomen te hebben egter in gevalle er van die menschen bereeds verkogt mogtenweesen as aan de waarde der absente na eveneedijheijd hunnenr prijs temoeten restitueeren en dat hem poeanna P Afsia alleen te mputeeren is dat hij sijn Ed Agtb: niet bekend heeft luten maken t gemelt die Caraeng lem banpanang en aroulipoekatie aan sijn onderdaane gedaan teheten op dat sijn Edele agtb: instaat konde weesen dekoning van Tanette daar oven bij een brief te doleeren /onderstond/acundeerd /was geteekend/ H: B: hodenpijl antwoord 121 Van Macaserden Antwoord van pocanma Pissia gegeeven op de doleantie van de koning van Tanette Hier na liet poeanna PAsia sijn Edele agtb: ten antwoond die„ nen dat hij sijn soon laselekang over de geroofde menschen gevraagt heeft en dat gem: Colekang ook sulks bekend had mitsgaders dat hij niet meer al vier persoonen weg genoomen te hebben aus met waarheijt met te kunne seggen ofp de dene vermits verdronken is oft miet degonden de vier persoonen seg P Asia sijnen twee die sijn vader arou mania toebehoorde en Een die hem sels tekomt aic op de negonij hetk langwoort en aldaar met witschen enneert. de oorsaak waarom dan men met de onderdaanen bo handelde daer spuirt daar uit dat ze hamselfs ten voorbeeld hebben want twen sijn Ed agtb: mij door intge sadolla van pantjana heeft laeten komen sijn Ed agtb daar bij teffens getorgd dat tusschen onse onderdaanen geen overlatt of geweld men soude worden aange daan maar het heeft aan de sijde van Tanette reesen ten Contrani gebleeken want toen brij van macasser na sagei te ug geskeert is vernoomen heeft dat Caang lambang paarang seven stuks sijner op de negorij Capasa woonenden onderdaanen gerooft en Van Macasserden en weg gevoert heeft des gelijks arou Lipoekasie ook die almeede leen van sijn onderdaan geroofd heeft teegenstaande sijn Ed agtb bereeds so als vooren gesegt daar teegen de noodige voor sorge gesteld hadde de Panete reesen dog nie: hebbende willen nalaten sijne onderdaanen op een ongehoorde wijse te ontrmusten alwaar omme ook sijne onderdaanen tot waer wraak dat selfde doet wat sij gedaan hebben dog dat hij poeanna T Asia dit als di waarheijt sijnde hier in als in't Voor bij gaan ter needer stelle en onderwerpis sig in alles aan t wijser gevoelen vande heer gouverneur vermits hij sijne vertrouwentheijd ten eene maal dEComp gevettigd haft en hoopende dierhalven dat hij dE Comp: geen reeden van moeijelijkheeden te sullen geeven /onderstond/ accordeert / was geteekend/ : b: hoden vijl Van 123 Van Macasser den Paulus Godofredus van der Voort Gouverneur en directeur deeser celebes H: : b: Aan den wel Edelen agtb: heer Wel Edele Agtbaaren Heer uw wel Edele agtb: hoogst gerespecteerde lettere van den 9 deeser hebbe de Eene gehad op den 10 dito nevens de goede maand gelden mitsgaders 36: rds 12 stv:s kost penn: per den schilden gatt anthonij voll wel ontfangen hebbende waar voor ik aan uw wel Ed: agtb: voor het een en ander mijne needrige dankbaarheid met deese ben offeceerende en sende hier neevens ingesloote aan uw wel Edele agtb de quitantie roll vande dienaaren die hunne gagie naar genegen hebben ontfangen volgens mijn laaste needrigt schrijve van den 7. deeser aan uw wel Ed:e agtb: ter bekendmaeking van mijn behoude arrivement alhier heb ik de Eene uwel wel Ed: agtb: te melde dat ik de regente hier van de vlaktens bij mij gehad heb ende beveele van uw wel Ed: agtb monde„ lijks aan hun lieden hebbe overgegeeve het welke sij beloofde met allen ijver na te koomen en voornamentlijk aan Cram Tandralielie ge„ last van een wakend op te houden sig nauwk eurig te informeere op den so genaamd en batava goa op boerisalla sig op houd of Van Macasserden over niet en mij dan berigt daar van te geeven waar van ik bis heeden toe nog niets vernoomen heb dog heb ik gisteren een comp: sendeling derwaards Tan aralielie gesonden om dien regent afte vraagen wat voor Egte positeefelyt denselven al hadde ontrekt van batara goa af waar lij tig op houd waar van ik soo weijnig van den laatten als van een Eerste heb te gemoed gesien en dus nog in vertrouwen sijnde soo veel mij be„ kend is dat alles in rust en vreede is de Eere hebbe van deese hier meede te Eijndigen en uw wel Ed agtb: sig bevind van den alderhoogsten sehova god aan bevoolen te hebbe d'Eere nemne mij met trouwschuldige gehoorsaamheijd te noeme /onderstond/ wel Edelen agtb: heer /lager/ uw wel Edele agtb: seer onderdaanige en Trouw schuldig dienaar /was geteekend/ F: Bosh /in margine / maras in 'sEComp: vesting val„ kenburg den 12: Januarij A:o 177 /onderstond/ accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl Aan
English
From Macasser the To the Honorable, Respectable Lord Paulus Godefridus van der Voort Governor and Director of this Celebes coast etc. etc. Honorable, Respectable Lord I take in all humility the liberty to report to Your Honorable Respectable that the Lomo of Maros sent an emissary to me this morning. The same came to make known to me that the Matoa of Data absolutely claims from the first mentioned Lomo of Maros 5 pieces of paddy fields situated under the Company's negorij of Daatatanga. And the Matoa of Data asserts that the Baringang, Madanrang, and the Soelewattang of Bonto Alaig have ordered him to take the aforementioned paddy fields, either willingly or by force. And he has had it announced that the Madanrang had sent him 20 guns to resist the Lomo's people, in case they should not willingly allow him to plow the fields. Whereupon I sent a Company's emissary to the Matoa of Data and had him told that he should not presume to take anything by force unless I had first investigated the matter towards Macasser; and if he had a lawful claim to the said fields, he would not need to use violence, and he must know that in Company land there is no right to violence. Whereupon the Company's emissary came to report to me that the Matoa of Data had vowed not to cease plowing the aforementioned fields, even if he should lose his life in the process, as he had received strict orders to that effect from the three aforementioned Bonian chiefs. Now I most humbly beseech Your Honorable Respectable to let me know how I shall have to conduct myself in this matter to the satisfaction of Your Honorable Respectable, and hope to receive Your Honorable Respectable's honored orders regarding this. Having nothing further to report, I have the honor to conclude this, and after having commended Your Honorable Respectable to the precious protection of the Almighty, I remain with the utmost respect and reverence, was signed below, Honorable, Respectable Lord, lower, Your Honorable Respectable's very humble and bounden servant, was signed, J. Bosch. In the margin, Maros in the Honorable Company's Fortress Valkenburg, 13 January Ao 1777. Below stood, agrees, was signed, A. B. Hodenpijl. To From Macasser the To the Junior Merchant Theodorus Bosch Resident there Honorable, Pious, Discreet. Your Honor's two letters from yesterday and the day before yesterday having been duly received by me, this serves in answer to the last-mentioned, as the other requires no reply, that immediately upon receipt of the threat made by the Matoa of Data to take the 5 fields in question by force if they were not given over to him amicably, I gave notice to the Soelewattang in order to take measures that such an unlawful step be prevented, or else I myself would take such reprisals as would not appear pleasing to the Bonians. Whereupon he has let me know that he had no knowledge of the assertion of the Matoa, but that he would speak with Datoe Baringang about it and send an answer. But seeing that this is not sufficient, and can only serve to keep the matter dragging on, Your Honor shall in my name tell the Lomo of Maros to make a beginning as soon as possible with the plowing of the aforementioned fields through his people, without troubling himself about threats, being nevertheless on guard at the same time to offer all possible resistance immediately at the slightest violence that might be committed; while the Company's emissary Daong Mandjeriki is now crossing over to warn the aforementioned Matoa seriously in my name to refrain carefully from committing acts of violence, if he does not wish to help himself into misfortune. Wherewith, after greetings, I remain, was signed below, Your Honor's good friend, was signed, P. G. van der Voort. In the margin, Macasser in Castle Rotterdam, 14 January 1777. Below stood, agrees, was signed, A. B. Hodenpijl. To From Maros the Paulus Godefridus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes To the Honorable, Respectable Lord Honorable, Respectable Lord The Company's emissary having arrived back here yesterday evening from Craan Tandralili, I have the honor to communicate most humbly to Your Honorable Respectable: the same reported to me that Craan Tandralili has sent one of his most capable subjects to Bonie Sallo, who has also returned and is said to have spoken with Batara Gowa himself, yet without letting it be noticed that he came to him for the purpose of learning what he had in mind. The aforementioned emissary is said to have learned that when Batara Gowa arrived there, he had only 5 or 6 men with him, and is presently around two thousand men strong, all of whom were people residing in that vicinity; and that Batara Gowa had a house built at the negorij Lama, where he is currently residing and is keeping very quiet. Also, the said emissary is reported to have there
Dutch transcription
125 Van Macasser den Aan Den wel Edelen agtb: Heer Paulus Dodofredus van der voort Gouverneur en directeur deser Celebes k: A: k: Wel Edelen agtbaaren Heer Neeme in alle eerbied de vrijheid uwel Ed: agtb te melde dat zommo maros deese morgen een sendeling bij mij heeft gesonden deselve kwam mij bekend maake dat matoa data van den eerst gemelde lommo maros absolut preetendeert 5: stuks padij velden die onder de Comp: negonij daatatanga legge en matara data geeft voor dat de banin„ gang, madanrang en van soelewattang bonto alaig daar toe ondre te hebbe voornoemde padij velde soo goed willig dan met geweld teneeme en daar bij laate aan segge dat madanrang hem 20 stuks geweeren had toegesonden om sig teegens Lomos volk te weer te stelle bij aldien sijlieden hem niet goedwillig toe en sonde„ develden te beploegen waar op ik een Comp: sendeling nae matoa data heb gesonden en hem heb laate aansegge dat hij sig met sou hebben te onderstaan van its met geweld teneemen ten sij ik eerst desaak ondersogt had na mokasser en als wanneer hij daar toe regte preetentie had op gemelde velde dan geen geweld en Jan Macasserden en hoefde te gebruiken en hij weete mott in Comp: land geen regt hebbende tot weld waar aen Comp:s sendeling mij kwam te rapporteeren dat matoa data gekogt had van niet te sullen oplaaten om meergemelde velde te beploegen al matt hij er ook sijn leeven bij inschieten terwijl hij stork beveel vande drie voornoemde bonijte hoofde daar toe ontfangen had nu smeeke ik seer nedrigtt aan uw wel Ed agtb omte mogen weeten hoe ik mij naer genoegen van uwel Ed agtb en die saak sal hebbe te gedrage en hoope uw wel Ed agtb: g'Eerde ordres hier op te mogen ontfangen dus verder niet meer weetende te melde heb ik de Eere van deese Eijndigen en naer uw wel Edele agtb: in de dierbar„ bescherminge van den allerhoogsten aan bevoole te hebbe verblijve verder met de uitterste Eerbiedt en respect /onderstond/ wel Edelen agtbaaren heer /:lager/ uw wel Ed agtb seer onderdaanige en Trouwschuldigen dienaar /was geteekend/ I: Bosch /:inmargine / maros in s Ed: Comp: vetting valkenburg den 13 Januarij Ao 1777 /onderstond / accordeerd /was geteekend/ A: B:s Hodenpijl Aan 127 Jan Macasser den Aan den onderkoopman Theodorus Bosh Resident aldaar Eersame vroome Discreete uE beijde brieven van een gisteren en eer gitteren mij welgewonden „sijn de dient in antwoord van de laastgem: also d'andere geen res„ Cuiptie vereijscht dat ik aanstonds op dies ontfangst van de ge„ dane bedreijging door den matoua data om de bewuste 5 velden met geweld te sullen doen wognemen ingeval z hem niet goed schiks mogten worden overgegeeven aan den boelewattang hebbe doen kennisse geeven ten eijnde ordre te stellen dat sodanige en geoorloofde stap geweerd worde af dat ik andersints selfs sodanigen napres alle soude neemen als de boniers gemstc met behaaglijk soude voorkomen, waar op hij mij heeft laten weten van het voorgaven van den mattoua geen kennisse te dragen dog dat hij daar over met datou baringangspre„ „ken en antwoord senden soude dan gemerkt dit niet voldoende is als maar alleen 1b unnende dienen om de saak slopende te Van Macasser den te houden sal uE uit myn naam den Lomo maros hebben aan te seggen om ten aller eersten met het ploegen der opgemelde velden, door sijn volkeren en begin te doen maken sonder sig aanbedreijgingen te storen te gelijk nogthans op hoede sijnde om aanstonds bij't minste gewelt dat er magt worden geplagd alle mogelijke resustentie te bieden terwijl sComp: sendeling Daong Mandjeriki thans overgaat omnden meerm: ma„ toua uit mijn naam ernttig te waarschouwen sig voor het ploegen van geweldenarijen songvuldig tewagten wanneer hij sig selfs niet in het ongeluk helpen wil waar meede na groete blijve onderstond/ uE goede vriend /:was geteekend/ P: G: vander voort / in margine/ macasser in't Casteel rotterdam den 14 Januarij 17577 /onderstond/ accordeerd /:was geteekend/ H: 8: Bodenvijl Aan 129 Van Mada sijden Paulus Sodofredus vander voort gouverneur en diruerteur deeser Custe Celebes Aanden wel Edelen agtb Heer Wel Edelen Agtb: Heer gisteren avond Comp: sendeling van Cuaen Tandralielu wederom hier gearriveerd sinde heb ik de Eere needwigst uu wel Ed agtb te Communiceeren den selven rapporteerde mij dat Cram Tandralielie een van sijn bekwamtte onderdaene naer bonie sallo gesonden heeft en ook weederom terug gekomen was en selfs niet batara goea soude gesprooken hebbe dig egter sig niet heeft laate bemerke dat het uijt dien eijnde bij hem quam om te ver„ „neemen wat hij in sijn schild voerde den voornoemde sendeling soude dan hebbe vernomen, dat batana goea toen hij daar ge„ komen was niet als 5: of 6 man bij sig soude gehad hebbe en teegendwoordig omtrend de twee duijsend man sterk soude sijn 't welke altemaal welk was dat daar omtrend woon agtig is en dat batara goaan huis op de negorij Lama soude hebbe laate maake alwaar denselven teegenswoordig woon„ agtig is en sig heel stil houd ook soude gemelde sendeling daar A A R:
English
From Makassar, having added thereto that Lattara Gowa was a man of medium height, though somewhat lean, and having also noted very well that the same had some marks on his face, among which, along with others, is one right above the bridge of the nose between the eyebrows. I should also report that when Battara Gowa first came to Bori Salo, he was intending to go to Baddo, but Karaeng Bonto Gowa's subject dissuaded him, adding that in the Company's lands he would have no success because he would quickly be driven away. Furthermore, I have the honor to inform Your Honorable Worship that Matoa Data is busy with all diligence in plowing the paddy field of Lomo Maros. Beyond this, there is nothing more of importance to report here, wherefore I take the honor of ending this, after having commended Your Honorable Worship to Jehovah's holy keeping, while calling myself with dutiful high esteem, Below was written: Honorable Worshipful Sir. Lower: Your Honorable Worship's very humble and dutiful servant. Was signed: I: Bosch. In the margin: Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg, the 15 January 1751. Below was written: Agreed. Was signed: H: B: Hodenpijl. To 131 From Makassar, To the Honorable Worshipful Sir Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc., etc. Honorable Worshipful Sir, Your Honorable Worship's most venerated letter of the 14th of this month was delivered into my hands the following evening by the Honorable Company's emissary Daeng Manjankie. Having seen Your Honorable Worship's content from it, the following day, being the 16th, I sent the aforementioned Daeng Manjankie, according to Your Honorable Worship's most respected orders, to the Matoa Data to make Your Honorable Worship's intention known to the Matoa in case he would not desist from his acts of violence. While the said Daeng Manjankie was speaking with the aforementioned Matoa, an emissary from Datu Baringang arrived to declare that he must not presume to plow or take by force the 55 plots of fields of Lomo Maros. From this, it appears to my mind that Matoa had no orders to do so, and Lomo's people are currently undisturbed, From Makassar, undisturbed and busy plowing the aforementioned fields. Knowing nothing further that deserves any notice to report to Your Honorable Worship, I take the honor of concluding this herewith and, having commended Your Honorable Worship to God's holy keeping, I call myself with dutiful obedience, Below was written: Honorable Worshipful Sir. Lower: Your Honorable Worship's very humble and dutiful servant. Was signed: I: Bosch. In the margin: Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg, the 19 January 1777. Below was written: Agreed. Was signed: H: B: Hodenpijl. From 133 From Makassar, Honorable Worshipful Sir, In all humility, I have the honor to communicate to Your Honorable Worship that the Bonian emissary Suro Tomalalang, having arrived here at Maros a few days ago from Cotty with the Honorable Company's emissary Pua Caeena, the latter came to me and requested that I provide him with the European whose sidearm was taken by force at the village of Tallang Tallang, because the first-mentioned Bonian emissary had received orders from Sulewatang Bontoala to order the aforementioned village to restore the forcibly taken sidearm or to hand over the thief. Whereupon I sent a European there with an interpreter, Anthonij Voll, To the Honorable Worshipful Sir Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc., etc. the one From Makassar, the one to identify the house and the second to understand everything that was discussed. Thus, the aforementioned Anthonij Voll came to report to me that the village people of Tallang Tallang had listened with trembling and quaking to the strict orders of the aforementioned Sulewatang, and they excused themselves saying they did not know the thief, and they were willing to pay for the aforementioned sidearm, though humbly requesting a delay of a day or two, as they first wanted to gather the money among one another. Whereupon the compensation for the aforementioned sidearm was brought to me yesterday evening. The dutiful subscriber of this takes the liberty to express his most humble thanks to Your Honorable Worship for what was done in carrying out and ordering his request, and hopes that the insolence of the Bonians in this province may thereby be somewhat deterred. Furthermore, 135 From Makassar, Furthermore, I find myself obliged to communicate to Your Honorable Worship that Karaeng Balottje was with me at this post two days ago and made a complaint concerning the villages of Padatanga and Tanette. The same have completely broken away from him and have declared themselves as Bonian subjects, and they have already brought gifts to Datu Baringang, and the same has accepted their people as Bonian subjects. From Karaeng Tanralili concerning Battara Gowa, no further report has reached me other than that of the 15th of this month, which I had the honor to communicate to Your Honorable Worship. And the interpreter Israel Pieters, who, along with an Honorable Company's emissary Daeng Manjankie, left for Pangkajene Segeri on the 22nd of this month upon the verbal orders of Your Honorable Worship with the aforementioned Honorable Company's emissary, has not yet arrived back. And From Makassar, and since nothing further is known to me here that deserves any notice to share with Your Honorable Worship, I have the honor of ending this, and call myself with dutiful obedience, Below was written: Honorable Worshipful Sir. Lower: Your Honorable Worship's very humble and dutiful servant. Was signed: I: Bosch. In the margin: Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg, the 25 January 1777. Below was written: Agreed. Was signed: H: B: Hodenpijl. To
Dutch transcription
Van Macasserden daar bij gevoegt hebbe dat lattara goa een man was van een middelmatige groote dog wat mager en ook heel wel gere„ merkent hebbe dat den selve Eenige plekke in sijn getigt hubbe soude waar onder andere een vlak boven de venus tusschen de oogs blaauwe is ook dien ik 't melde toen battava goa eerst op Bori sallo kwam was hij van voorneemens om na baddo tegen dog Cramn born goas onderdaan heeft hen sulks afgeraede met bij voeging dat hij in Comp: land geen mist soude heb bedewijl hij door schelijk venrdreeven soude wordeverder de Eere hebbe uw wel Edele agtb: te bedeele dat matra data data met alleen ijv er besig is depadij veld van lomo maros te beploegen verders vald hier niets meer van aenbelang temelde weshalve ik Eere neeme van dees te eijndigen naer uw wel Edele agtb: in sehovas heijlige besaaring aanbe„ voolen te hebbe mits met schuldige hoog agting te noeme /onderstond/ wel Edelen agtb: heer /:lager/ uwel Edele agtb: zeer onder danige en Trouwschuldige dienaar /:was geteekend/ I: Bosch /:in margine / Moros in 's Ed: Comp: vesting val Renburg den 15 Januarij 1751 / onderstond/ Accordeerd /:was geteekend/ H: B: Hodenpijl Aan 131 Den Macu ser den Aan den wel Edelen agtb Heer Paulus Iodof redus van der voort Gouverneur en Directeur deeser Custe Celebes &: &: &: Wel Edelen Agtb: Heer uw wel Edele agtb: hoogst gevenereerde missive van den 14 deeser sijn mijs' avonds daags daar aan volgende door den DEd Comp sendeling Daning Mandjanckie inhandigt geworden enden inhoud van uw wel Edele agtb. daar uit gesien heb„ „bende soo heb ik daags daar aan volgende sijnde den 16 vornoemde daeng mandsarekie volgens uw uwel Ed agtb: hoogst gerespecteerde beveelen bij den mator datta gesonden om aan matoa uw wel Edele agtb. intentie bekend maken bij aldien hij van sijn geweld pliging niet wilde afsien gemelde daeeng mandfanckie onderweerende spine„ kende sijnde, met voormelde matoa komt daar een sendeling van datou baringang aanseggen dat hij de 55 stuks velden van lommo maros sig niet soude onderstaan van te beploegen of met geweld teneemen hier iit blijktnaar mijn gevoelen dat mator daar geen ordres toe gehad heeften lomos volk thans ongestoort Van Macasser den angestoond besig is voornoemde velden te beplogen verder niets meer weetende dat eenige aanmerkinge verdient aan uw wel Ed agtb: te melde de Eere neeme deese hier meede te besluite en uw wel Edele agtb in godes heijlige bewaaringe aanbevoolen te hebbe en mij met trouw schuldige gehoors aamheid noeme /onderstond:/ wel Edelen agtb: heer /lager / uwel Edele agtb: seer onderdanige en trouwschuldige dien aar /was geteekend/ I: Bosch /:in margine/ maros in sE Comp: vetting valkenburg den 19 Januarij 1777 /onderstond/ accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl Van 133 Van Macaserder Wil Edelen Agtbaaren Heer In alle needrigheijd de Eere hebbe uw wel Edele agtb: te Communiceeren dat den bonijte sendeling soero Tomalalang met den s Ed Comp: sendeling Poea Caeena voor Eenige dagen van Cotty hier op maros gearriveerd sijnde in den laaste gemelde bij mij is geweest en versogt dat ik hem de Europeese wiens teijdgeweer op de negorij Tallan Tallang ontweldigt was wilde meede geeve dewijl den eerst gemelde bonijse sendeling ordres had ontfangen van soelewattang bontoalacq aan voornoem„ de negorij te ordonneeren van 't met geweld ontwel„ digde seijd geweer te restitueeren of den drief uit te geeve, waar op ik aen Europees met een talkundig man anthonij voll derwaarts gesonden hebden Aan den wel Edelen Agtb: Heer Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en directeur deeser cutte Clebes d: L: A. Eenen Jan Macasserden Eenen om thuns aan te toonen en den tweeden om alles te verstaan wat er verhandeld wierd so kwam mij voornoemde anthonij voll rapporteere dat de ne„ gorijs volkeren van tallang taltang met drelle en beeve hadden aangehoord de strenge ordres van voornoemde soellewattang en sij liede veron„ schuldigde sig van den E dief niet te kennen, en sij gewillig waren van t voornoemde seyd geweer te willen voldoen dog onderdanigst daar bij versoekende van een twee dagen uitstel terwijl sij eersten t geld bij malkanderen wilde soeke waar op de vergoeding van t voornoemde seijd„ geweer gister avond bij mij is gebragt worden den Trouw schuldigen teekenaar deeses neemt de vrijheijt uw wel Ed: agtb: seer needrigst dank te betuigen voor de bewijsene in 't volbrenge en orders stelle van sijn versoek en hoope dat de buutaliteijte van de boniers in deese pro„ vintie daar door een beetie afgeschuikt mag sijn wijders 135 Van Machasser den Wijders mij verpligt vin den de uwel Edele agtb: Communiceeren dat Cram balottje voor twee dage aan deese post bij mij is geweest en klagtig is ge„ vallen over de negorijen padatanga en Tanette de„ selve hebbe sig geheele maal van hem afgescheurt en sig fineert voor bonijse onderdaane verklaard hebbe en sij bereeds algeschenke bij daton baring gebragt hebbe enden selven haarlieden voor berijte onderdaanen heeft aangenoomen. van Cuam Tandralielie aangaande bat„ „tara goa nog geen nader berigt bij mij is gekorne als dat van den 15 deeser, dat ik de Eere hebbe gehad uw wel Edele agtb: te Communiceeren en tolk Israel Pieters die met aen 's Ed: Comp: sendeling daeng mandsareekie op de mondelijke beveelen van uw wel Edele agtb: met den voor„ noemde 's Ed Comp: sendeling naar Pankad„ Jena Sagerij op den 22: deeser derwaarts ver„ trokken is nog niet weederom gearriveert en Van Maccisser den en dewijl verder hier niets nieuws tover mij bekend is dat eenige aanmerking verdient uw wel Ed: agtb mede te deele de Eere hebbe van deese te Eijndige en mij niet trouwschuldige gehoor„ saamheijd noeme /onderstond/ wel Edelen agtb: heer /lager/ uw wel Edele agtb seer onderdanige en trouw schuldige dienaar /was geteekend / I: Botel /in margine / maros in 's Ed Comp: vetting valkenburg den 25 Januarij 1777 /onderstond/ Accordeerd /:was geteekend/ H: B: hodenpijl Aan
English
From Macassar To the Junior Merchant Theodorus Bosch Honorable, Pious, Discreet. Taking as communicated and satisfactory the contents of your letters of the 15th, 19th, and 25th of this month relating to the well-known vagabond Sankilang, passing himself off as Batara Gowa or the fugitive king of Gowa, and with the report that the disputed 55 paddy fields of Lomo Maros, which Matowa Data thought to claim for himself, are being worked by the first-named people themselves, you will, before I can issue any order in the matter concerning the two villages Padatanga and Tanette—which placed themselves under the Bonese Ponggawa Datu Baringang and thus are said to have withdrawn themselves from the Company's obedience or rather from that of their chief Craeng Bolotje—have to investigate what incited those people to this, whether they were given reason for discontent by their aforementioned lawful chief Craeng Bolotje or by others, or whether the Bonese themselves persuaded them and who knew of this, providing me with a clear report of everything. Regarding From Macassar Regarding the stolen cleaver, I find it very strange that you could have seen fit, without my authorization, to accept compensation for it, since the village people of Tallang Tattang were ordered under severe threats in the name of the Sulewatang of Bony to deliver up the thief, which therefore ought to have happened, while on the contrary they deserved sharper correction than the mere compensation, so that it went without saying that you ought not to have been satisfied with that, besides which, since they promised this and requested another three days, you surely had time enough to ask for my orders, under which remark I pass over this mistake this time, in the expectation that in the future you will proceed with greater circumspection. Wherewith, after greetings, I remain, underneath was written, your good friend, was signed, P. G. van der Voort, in the margin, Macassar in Castle Rotterdam the 29th of January 1777, underneath was written, agrees, was signed, H. B. Hodenpijl. To From Macassar To the Right Honorable, Venerable Sir Paulus Godefredus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes, etc. Right Honorable, Venerable Sir, Having had the honor yesterday morning to receive well your Right Honorable's most respected letter of the 29th of January last and having seen the contents thereof, this serves in all humility to communicate to your Right Honorable that, upon the given orders of your Right Honorable, I immediately sent the linguistically skilled painter-boy Christoffel Trouwerbach with the Honorable Company's emissary Poea Semba to the villages of Padatanga and Tanette to inquire accurately into everything according to the tenor of your Right Honorable's most revered missive. And since I have seen that your Right Honorable was displeased concerning the stolen cleaver, that the Bonese people of Tallang Tallang did not deliver up the thief but sent the compensation to this post to me, I have the honor in all humility to inform your Right Honorable that I had no further part in it whatsoever From Macassar than merely sending a man along upon the words of the Honorable Company's emissary Poea Saeena, who told me that Sulewatang Bontoala had given orders to a Bonese emissary either to deliver the thief or to pay for the cleaver, which I believed were the deliberate orders that were reported to me by the said emissary of the Honorable Company. However, I most humbly beg your Right Honorable's pardon for what occurred, since I had three days' time and did not make it known to your Right Honorable, but in the future I shall conduct myself somewhat more attentively and in such occurrences not believe everything that emissaries come to tell me which is of such great importance, but send a report of everything to your Right Honorable and try to execute to satisfaction the respected orders that your Right Honorable shall be pleased to send. This morning a letter was brought to me from the chief interpreter Brugman by a Bonese sannang named Tosariepa, the contents of which letter are that your Right Honorable is said to have ordered that I should command Gallarrang Bonto to hand over the paddy fields lying under Bolotje to the aforementioned Tosariepa, which I also immediately ordered to Gallarrang From Macassar Gallarrang Bonto in order to observe your Right Honorable's respected orders. Nevertheless, I take the liberty, and also remain in the expectation that your Right Honorable will not take it amiss of the humble writer, and must communicate to your Right Honorable how the aforementioned sannang Tosariepa came to report falsehoods to me a few days ago, being assisted by an emissary of Karaeng Maros, the same telling me that Gallarrang Bonto had taken away the paddy fields of the King of Bony by force, whereupon I could not do otherwise than say that Gallarrang Bonto should return the aforementioned paddy fields to His Highness of Bony, whereupon I sent an emissary to the said Gallarrang to ask him why he dared presume to take away the said King's fields, to which Gallarrang Bonto let me know that he had never had it in his mind to do such a thing, but that he had taken paddy from the Bonese was true, and that they were paddy fields that belonged to him, having lent them a few years ago to a Bonese who also performed kasih uang and gave the tenth of the paddy to the Honorable Company, but having now been appointed from Karaeng Maros to sannang of the King's fields, and the same Tosariepa now no longer doing kasih uang nor giving the Company's tenth, Gallarrang Bonto claims his fields back, and I this matter here
Dutch transcription
137 Van Macasserden Aan Den Onderkoopman Theodorus Bosch Eersame Droome Discreete Het vermelde bij uwe brieven van den 15: 19: en 25 deser met relatie tot den bekenden swerver sankilang sig uitgeevende voor batana goa of de gevlugte koning van goa voor gecommuni„ ceert en mij voldaan houdende en met het berigt dat de questieuse 55 padij velden van lomo maros die matoua data sig meen de toe te eijgenen, door des Eerstgemeldens volkeren selfs bewerkt worden sal uE avoorens ik eenige ordre kan stellen in de saak betrefende de twee negorijen padatanga en Temette die sig onder aen bonijs pongauwa Datoe baringang, begeeven en sig du 'sComp: ge„ hoorsaamheijd of wel die van hem hoofd Cuam blotje ontrocken soude hebben ondersoek moeten doen wat die volkeren daar toe heeft aangetel hiet sij dat hun reeden van ongenoegen gegeeven is door gemelde hun wettighoofd Craang, bolotje dan welandenen het sij dat bomierd selfs hun hebben overgehaald en wir sulks geweet sijn mij van alles didelijk berigt gevonde Aangaande Van macassenden Aangaande geroofde houwer vind ik seer versind dat uE sondermijne qualificatie heeftkunn en goed vinden de vergoeding van dien't acepteeren daar de negorijs volkeren van Tallang tattang. uit naam van den soelewattang van bony onder scherp bedreij„ „ging waren gelast om aen diep uit te leveren het geen dier„ d halven hadde behoren te geschieden terwijl sij het tegendeel schaper Conrectie meriteerden dan de onkelde vergoeding to dat het van selfs sprak dat uE sig daar meede niet hadde behoren te laten vergenoegen behalv en dat sij sulks belooft nog arie dagen mitsel versogt hebbende uE inmers tijd genoeg hadde om mijne onder te vragen onder welke remarque ik dien mitslag ditmaal passee„ „re in verwagting dat uE in het vervolg met meerder berandent„ heijd sal te werk gaan waar meede na groete blijve, onderstond/ us goede vrind /was geteekend/ P: G: vander voort /:inmargine / Macasser in 't Casteel Rotterdam den 29 Januarij 177 /onderstond:/ accordeerd /:was geteekend/ H: B: Hodenpijl Aan 139 Van Macasserden Aan den wel Edelen agtb: Heer Paulus Sodofredus van der voort= Gouverneur en directeur deeser custe celles teken Wel Edelen Agtb: Heer Gisteren morgen mij vereed gevonden hebbende uw wel Ed: agtb: hoogst genespecteerde eteren van den 29 Januarij Jongtleeden wel ont„ fangen te hebbe enden inhoud van den selven getien hebbe dient deese in alle needrigheijd uw wel Ed agtb te Communiceeren dat ik op de gegeevene ondres van uw wel Edele agtb: aanstonds den tael kundigen schilder gat Chistofel trouw erback met aen sEd Comp: sedeling poea semba naedebeng negorij en padatanga en Tanette gesonden heb om sig naauwkeurig na alles te informeeren gesonden heb om sig nauwkeurig nae alles te informeeren naar luit van uw wel Edele agtb: hoogst gevenereerde missive Endewijl ik getien heb dat uw wel Edele agtb: misnoegt is geweest over den geroofde houwer dat de bonijte volkeren van Tallang Tallang den dief niet heebe uit geleeverd in aer de vergoeding aan deese post bij mij gesonden hebbe heb ik de Eere in alle needrigheijd uw wel Edele agtb te bedeele dat ik mij in't geringste niets meer daer in Jan Macasserden in gedaan heb als maar enkel en alleenig een man heb meede gegeeve op de gesegdens van den tEd Comp. sendeling poea saeena die mij teijde dat soelewattang bontoalacq ordres had gegeeve aan een bonijse sendeling en 'tweeder den diep te leeveren op den houver te betaale 't welke ik gelooft heb dat sulks de weetentlijke bevelen waare die mij door gemelde sEd: Comp: sendeling sijn gerapporteerd edog versoeke ik seer need rigst Excuus aan uw wel Ed: agtb overt gepasseerde dewijl ik ari dagen hebbe tijd gehad en sulks aan uw wel Ed: agtb: niet heb bekent gemaakt, maar sal mij i 't vervolg wat attenten gedraage en bij voorvallen de geleegentheijd niet alles en geloove wat mij sendelingen komen seggen dat van sulk groot aanbelang is maar van alles aan uw wel Ed agtb rapport sende ende gerespecteerde ordres die uw wel Edele agtb: sal gelieven te senden naar genoegen sal tragten uit te voeren. deesen morgen is mij een brief gebragt van den oppertolk brugman door een bonijsche sannang genoamd Tasariepa den selven inhoud van dien brief is dat uw wel Edele agtb soude gelast hebbe dat ik glannang bonto soude ordineeren depadij velde die onder balotje legge van voornoemde Tosanipa souden overgeeve 't welke ik ook aanstonds geordonneerd heb aan glauzang 141 Van Madasserdeu glarrang bonta om de gerespecteerde ordres van uw wel Ed: agtb te ob„ serveeren even wel gebruke de vrijheijd en ook in verwagting blijve dat uw wel Edele agtb aen needrigen teekenaar niet qualijk hilt unden en uw wel Edele agtb moet communiceeren hoe dat den voornoemden sennang Tosariepa mij voor eenige dagen met onwaarheijd heeft kome berigt en g'adsisteerd sijn de met een sendeling van Jamang maros deselve seijde my dat dat glannang bonto aen koning van bonij sijn padij velden met geweld had weggenomen waar op ik niet anders door kon en segge dat glanrang bonto voornoemde padij velde aan sijn hoogheid van bonij weederom soude geeven waar op ik een sendeling naar gemede „meer glaurang sond aan hem te vraage wat hij sig derf de onderstaan van gemelde konings velden wegteneemen waar op glaurang bonta mij lit weeten dat hij nooijt in sijn gedagten had gehad van sulks te doen maar dat hij padij vandeboniers had weggenomen was waer ent padij velden waar en die hem toe kwamen voor Eenige Jaaren den een boniers geleend had de ook kassie wijang gedaan en tiende padij gegeeven heeft aan de VEd Comp: maar nu van Jamang mant tot 18 sennang van skonings velden was aangesteld en den selven Tosanipa thans geen kassie wieang meer dat nog de E Comp: tiende meen een gaaft pretendrt glaurang bonto sijn veldeweer en ik desack hier
English
In Makassar on the investigated here and also found it to be just as the gallarrang of Bonto informed me, whereupon I sent an Honorable Company emissary to the jennang of Maros and had him informed that his people had approached me with untruths. Having thoroughly investigated the matter, I found it entirely plausible that such was not true, and that if his jennang wished to lay further claim to the fields, I intended to convene a meeting shortly where his jennang would have to appear here and produce further evidence against the gallarrang of Bonto, and whoever was then the rightful owner of the fields would retain them. Whereupon the Bonians, probably noticing that matters would not turn out favorably for them, went to Pertoek and made some representations in their own interest, and probably did not mention that they had already been to see me and could obtain no right to the fields. Thus, having nothing more to report to Your Honorable Worship, I have the honor to call myself, with the most humble obedience, beneath was written, Right Honorable Sir, lower, Your Honorable Worship's very humble and obedient servant, was signed, T. Bosch, in the margin, Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg, the 3rd of February 1777, beneath was written, agrees, was signed, H. B. Hodenpijl. To 143 From Makassar on the To the Right Honorable Sir, Paulus Godefridus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc., etc. Right Honorable Sir, I have the honor to communicate to Your Honorable Worship in all diligence that the Schildergat Christoffel Trouwer Bosch, together with the Honorable Company's emissary Poea Smiba, have arrived back here from their completed mission to the mountain settlements of Tanette and Padatonga, and reported to me that they had inquired carefully into everything and could not perceive that any person had incited their people to abandon their obedience to the Honorable Company and surrender themselves as subjects to the Bonians. The reason given by the chiefs of the aforementioned settlements as to why their people had surrendered themselves as subjects to the Bonians is From Makassar on the is because the currently ruling Karaeng Balotje was promoted to the regency without their consent, and that the aforementioned Karaeng Balotje was only of common birth and not even of gallarrang descent, adding that they, the two chiefs of Tanette and Padatonga, were karaengs by birth, and therefore did not wish to recognize this currently ruling Karaeng Balotje as their lawful chief. And the love in them for the karaeng was extinguished by the acts of violence committed there by the interpreter Karaeng Manring, who came to take their banner away by force in order to install this current Karaeng Balotje. And the son of Karaeng Tanette, who had raised some arguments against the said Karaeng Manring about not wanting to surrender the banner, was murdered on the spot, and this reportedly aroused an ingrained hatred in both of them, the karaengs, against this Karaeng Balotje, so that they refuse to remain under his obedience. However, the repeatedly mentioned karaengs of Tanette and Padatonga have sent word to me that they were ready 145 From Makassar on the were ready and willing to submit themselves again to the Honorable Company as faithful subjects, to perform the Honorable Company's kasuwarang and deliveries of timber, provided that they are again freed from the Bonians and are allowed to be their own chiefs over their people, that is solely and exclusively over their two settlements, and have nothing to do with Karaeng Balotje. Now, yesterday I had Karaeng Balotje come to me and asked him about everything, as to who had been to blame for the troubles, but no orders have ever been established regarding the required obedience. Furthermore, finding myself obliged to report to Your Honorable Worship that a few days ago an Honorable Company subject, Poea Rabbele of Tamboea, came to complain that a female slave of his had run away to a Bonian settlement, Bonto Kadatto, to a certain Amabarra, regarding which I have done my utmost, as has the jennang of Maros, who sent an emissary to the said settlement, Bonto Kadatto, to surrender the runaway female slave, but received as an answer that, based on the words of the jennang of Maros, they did not wish to return anything to the Company's subject, and that the Punggawa Datu Baring must issue such an order if In Makassar on the if they are to surrender the runaway female slave. Now I most humbly request Your Honorable Worship to bring this to the notice of Datu Baringang so that orders may be given therein that the Honorable Company's subject Poea Rabelle may have his female slave returned to him. Knowing of nothing more from here to report to Your Honorable Worship, I have the honor to call myself, with dutiful obedience, beneath was written, Right Honorable Sir, lower, Your Honorable Worship's very humble and obedient servant, was signed, J. Bosch, in the margin, Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg, the 8th of February 1777, beneath was written, agrees, was signed, H. B. Hodenpijl. Translation
Dutch transcription
Jan Macasser den hier ondersogt en ook so bevonden heb als glanrang bonto mij heeft „laete weete waar op ik een Comp: sendeling naer Jonnang maros gesonden heb en liet hemn aanseggen dat sijn volk mij met met onwaarheid sijn voorgekomen en ik mijne de saeke wat het sterk geinformeerd heb en heel parriabel bevonden heb dat sulks niet waaren was en als wanner sijn Jenmang verder pretentie op de velden wilde maake datik eertsdaags vergadering wilde belegge dat sijn jemang hiermoeste verschijn en en verdere bewijsen tegend glanrang bonto konde in brongen en die dan de regte Eijgenaar vandevelden is sou deselve behouden waar op de boniers waerschijnlyk merkte t voor hun niet ten voordeeligt weeten soude sijn sijlieden naderpertoek gegaan en hebbende wat voorgesprooken tot haarlieden beste en waar schijnlijk niet getegt hebbe dat sijrees bij mij geweest waaren en geen regt tot de velde konde krijgen. Dus niet meer weetende aan uw wel Ed: agtb: te melde heb ik de bene mij met onderdanigst gehoorsaamheid tenoeme /onderstond/ wel Edelen agtbaeren heer/(lager/ uwel wel Edele agtbaare seer onderdanige en gehoorsaame dienaar /:was geteekend / T Bosch /inmargine/ Maros in 's Ed: Comp: vetting valkenburg den 3: februarij 1777 /onderstond:/ accordeerd /:was geteekend/ H: B: Hodenpijl Aan 143 Van Macasserden Aan den wel Edelen agtb: Heer Paulus Sodofredus van der voort Gouverneur en directeur deeser custe Celebes & & &. Wel Edelen Agtb: Heere Hebbe de Eene in alle nearigheijd uw wel Ed: agtb te Com„ municeeren dat den childer gatt Christoffel Trouwer basch benevend den sEd: Comp: sendeling poa smiba weederom van haar gedaane Commissie vande berg negorij Tanette en padatonga hier g'arri„ veerd sinde en rapporteerde mij dat sij sig nauw kurig na alles g'informeerd hadde en niets hadde konne bespeuren dat eenige mensch hun lieden aangespoord om van sEd Comp: gehoorsaamheijd af te valle en sig aan de bonier als onderdaanen hadden overgegeeven de reeden die de hoofden uit de voorm: negorijen daar van gegeeven hadden waarom sijlieden sig aande boniers als onderdaanen hebben overgegaven is Van Macasser Den is om dat den thans regeerende Crain balotje tot 't regentschap was bevordert geworden sonder hunlieden toestemming en dat voornoemde Cram balotje maar van gemeenen en nog niet eens van glarrangs afkomst was en met bijvoeging dat sij twe hoofden van Tanette en padatanga Cuais van geboorte waare en dus deesen thans regeerenden Carm balotje niet voor hun wettig hoofd wilde enkenne en de liefde in hun bij de Caaing is ui't geblust geworden door de geweldenary die door den tolk Carne manring daer sijn bedneeven en hun lieden vaendel met geweld heeft weg komen haalen om deesen thans sijnde Cuai balotje voor testelle en Crai Tanette sijn soon die Eenige reeden voerig tegens gem: Carre manring soude gedaan hebbe van 't vandel niet te willen laate volge is so opstaande voet vermoord geworden en dit soude een in geklankeerden had in hun beijde Craing verwekt hebbe teegens deese Curam bolatje om niet onder sijne gehoorsaamheijd te wille staan dog hebbe de meergemelde Caaing Tanette en padatanga mij laat aansegge dat hij bereijd 145 Van Macasser den bereijd willig waaren om sig weeder om aan de sE Comp: als getrouwe onderdaanen te wille onderwerpen om sEd: Comp: Cassewvirang en leevenantie van houd werken te doen mits weeder om los gemaakt te sijn van de boniers en als eijgen hoofden over haar volk te wille sijn aat is enkel en alleenig over mun twee negorijen en mets met crain balotje wille te doen hebbe nu heb ik Cuam balotje gistere laaten bij mij komen en hem na alles gevraagt hebbende wie schuld aan de onheijlen geweest maar nooit eenige ordres op de verpligte gehoorsaamheijd is gesteld geworden. verder mij verpligt vindende uw wel Ed: agtb: te melde dat voor Eenige daagen en 'sE Comp: onderdaan Poea rabbele van Tamboea is komen klagen dat eene slavin„ „nevan hem gedrott is, na eene bonijtse negorij bonto ka„ dattoe bij eene amabarra waar bij ik mijn uiterste best gedaan heb als ook Jennang maros die een sendeling na gemelde negory, bonto kadatto gesonden heeft om de ge„ drotte slavinne weederom uit te geeven dog ten antwoord weederom geevende dat sy op de gesegdens van sannang maros niets aan sComp: onderdaan wat te rug wilde geeve op de pongauwa datou baring moete sulks laate ordonneeren als Jan Aacasser den als sij de grootste slavinne weederom moeten uit geeven nu versoeke ik seer ootmoedigst aan uw wel Edele agtb: om daton baringang sulks is kennisse te leggeen daar ordre in mag gesteld worden dat den s Ed Comp: onderdaan poca rabelle sijn lijkeyjgen slavinne gedaann weederom mag gegeven worde verder niets meer weetende van hier aan uw wel Ed agtb te melde de Eere hebbe mij niet trouwschuldige gehoorsaamheijd noeme /onderstond/ wel Edelen agtbaaren heer /lager / uw wel Edele agtb: seer onderdaanige en gehoorsame Dienaar /:was geteekend/ I: Bosch /in margine / maros in 'sEd Comp: vetting valkenburg den 8: februarij 1777 /onderstond/ accordeerd / was geteekend/ H: B: hodenpijl Translaat
English
147 From Adelserden Translation of a Bugis letter written by the former Bonese Pongauwa Lakasie to the Captain of the Malays Abdul Cadier, of the following content. The greetings of myself and my children to your Honour my father, and I make known to your Honour that the Makadantana has sent to me the anangguru of the Tumelewang named Laborna to inform me that he is currently lying very ill caused by a severe accident to his side, letting me communicate moreover that in case he should come to pass away, he placed his hope and trust upon no one to care after his death for the well-being of his children, other than me, since he imagined that he would not recover from this his illness, and on which account he also had me requested that I surely would not harbour any partiality against the land of Boni, and moreover that I must never deviate from the Honourable Company. Further the aforementioned anangguru Laborna has told me that currently few Bonese perform their usual court services for the King of Boni, as was evident when From Macasser when His Majesty went to Awangpone to inspect the house that the aforementioned Prince is having built there, since the retinue then could barely amount to twenty heads; therefore His Majesty was of the intention to take up his residence in Awangpone. Further the aforementioned Laborna also informed me that the King of Boni had sent to the Makadantana and Aru Tanete Matoa and had caused those ministers to be told that it would be better that the Bonese look out for another king who possessed the required capability to govern the land of Boni, but in case they did not wish to proceed to that and might be fearful of that which Matinroe ri Malimongang had commanded them, the aforementioned Prince thought that he and no other was truly the King of Boni, even if it were that His Majesty was not to be presented to the people, but that both the aforementioned ministers had caused it to be made known to that Prince that they could answer something to that. Below stood: agrees. Was signed: H: B: Hodenpijl. To 149 From Macasser To the Junior Merchant Theodorus Bosch, Resident there. Honourable, Pious, Discreet. Although the reasons that the chiefs of the Balotje mountain villages Tanete and Padattanga bring forward, being the time they withdrew from obedience to the Company and placed themselves under Boni, are entirely insufficient to be acquitted of rebelliousness, considering that as far as the appointment of the present regent of that province is concerned, the same occurred upon the proposal of the chiefs or deputies of all the respective villages, declaring that he was legitimate thereto, and that as far as the alleged mistreatments are concerned, they ought to have lodged their complaints with the chief interpreter as soon as they had happened; yet I consider it better to have them return as soon as possible to the Company on the conditions proposed by them, namely to be subordinated directly under me and no longer under the aforesaid regent, than to make needless attempts to reconcile them with the same. Your Honour shall therefore have to summon them to the post in my name and, while pointing out their mistake, nevertheless inform them in From Macasser in a discreet manner that I have consented to their request, in the expectation that they will fulfill their obligations and due contribution, leaving it further to them to come up hither themselves in order to speak with me, or else to do so if I, in life and health, might come to Maros to hold the inspection. Meanwhile your Honour must likewise also give notice hereof to Karaeng Balotje, and that his conduct towards those chiefs displeases me in the highest degree, wherefore I recommend him to act with greater fairness and affability with regard to the remaining lesser village chiefs, it being notorious that he has to impute the defection of the aforementioned two villages to himself, if not entirely, at least greatly, considering that he, being regent, ought not to have permitted an interpreter to commit violence, as he and his child that was done by the expelled Kare Maming, without it being possible that the Resident of Rossum would have given orders thereto; just as he, on the contrary, ought not to have contented himself with making complaints to the aforementioned Resident about the unwillingness of the aforementioned chiefs, but seeing that nothing came of that, ought to have done so with the chief interpreter. Concerning the female slave of Pua Rabele, I have lodged a complaint with the Pongauwa Datu Baringang, with the result that he has promised to give order for her return by an emissary, which I therefore expect. After greetings, remaining, below stood: your Honour's good friend. Was signed: P: G: van der Voort. In the margin: Macasser in Castle Rotterdam, the 10th of February 17[illegible]. Below stood: agrees. Was signed: A: B: Hodenpijl. To 151 From Maledescorde To the Right Honourable, Respected Sir Paulus Godfriedus van der Voort, Governor and Director of this Coast of Celebes, etc., etc., etc. Right Honourable, Respected Sir, Upon the honour of your Right Honourable's highly respected letter of the 10th of this month, which I have received, I immediately sent to the mountain villages Tanete and Padattanga to summon the chiefs hither, and until today they have not yet been here, as also Karaeng Balotje, who due to his indisposition has not been able to appear before me at this post. The interpreter Israel Pieters, alongside the Honourable Company's emissary Daeng Mandjarekie, having returned again from their performed commission to the northern provinces Siang and Segeri, I have the honour to communicate to your Right Honourable in all humility that the dispute regarding the 75 pieces of paddy fields that have been assigned to Aru Pantjana to cultivate the same, whereupon the Pongauwa
Dutch transcription
147 Van Adelserden Translaat Boegineese brief geschreeven door de gewese Bonijse Poengauwa Lakasie aan den Capitain der maleijers Abdul Cadier van den volgenden inhoud De groetenis van mijn enkinderen aan uE mijn vader een make uE bekond dat de Makadantana bij wij gesonden heeft den mnong goeroe den Toemelewang genaamt Labon ra om mij te verwitti„ gen dat hij tegens woordig seer slegt sighleijt veroorsaakt door eene swaare accident aan sijne sijde mij daar benevens la„ tende Communiceeren dat in gevalle hij mogte komen te over„ lijden hij op niemand sijn hoop en vertrouwen stelde om na sijn dood voor't welweesen van sijne kinderen te sorgen, dan mij vermits hij sig voorstelde dat hij van deese sijne siekte niet soude opkomen en wethalven mij ook versoeken liet dat ik dog geene partijdigheijd tegen t land van bonij soude voeden mitsgaders dat ik immer van d' E Comp: moeste afwijken wijders heeft mij de voorm: annang goeroe laborna gesegt dater teegenswoordig weijnig boniers hunne gewoonlijke hofdiensten boij den koning van bonij verrigten so als dat gebleek tegens wanneer Van Macasserden wanneer sijn majetteit naawang pone gong over het huis dat gem: vorst aldaar laat bouwen te besien dewijl het gevolg als dan nauw„ lyks twintig koppen konde uit maken dierhalven was sijn majestijt van intentie om in awang pone sijne residentie te houden. verders bewrigte mij nog gem: laboura als dat den koning van bonij nad' makamdantana en arou tanette matoa gesonden en die ministers hadde doen aanseggen dat het beter soude weeken dat de boniers na eenen anderen koning om sien, die de vereijschte bequaamheijd possideerde om het land van bonij te regeeren dog bij aldien & daar toe niet wilden overgaan en bevreest mogten sijn over het geene hen matiuroa cimalimongang bevoolen had gem: vorst dagt dat hij en geene andere werke„ lijk de koning van bonij was alwaare het dat sijn majes„ teijt niet aanden volke kwam voorgesteld te worden, maar dat de beijde ministers voorm: dien vorst hadden doen bekend maken dat z daar op iets, konde antwoorden /onderstond/ accordeert /was geteekend/ H: B: Hodenpijl Aan 149 Van Macasser den Aan Den onderkoopman Theodorus Bosch resident aldaar Eersame vroome Discreete Abaoewel de reedenen die de hoofden van de blotjese bergnegorij Tomett en padatanga bij brengen waaren tij tig der gehoorsaam„ heijt van de Comp:s otrocken en onder bonij begeeven hebben gantsch niet voldoende sijn om van weederspannigheijd teworden wij gekent gemerkt wat de aanstelling van den presenten regent van die pro„ vintie beteef deselve geschied is op voordragt der hoofden of steede hou„ ders van alle de respective negorijen betuiging dat hij daar toe gewettigt was en dat wat de voorgeevende mishandelingen belangd sij daar over so dra die gebeurd waaren aanden opertolks hunnne klagten hadden behooren in te brengen te agterk nogtands beter om hun beeter om hun weeder ten eersten dat de Comp: te rug te doen keeren op de door hun voorgestelde voort om namentlijk direct van mij en niet meer onder den vorsz: regent gesubondineert te sijn als om nodelose tentamen te doen hun met den selven te versoenen. uE sal haar dierhalven uit mijn naam aan de post moeten doen roepen en onder voorhouding van hunne mislag nogthans op eene van Macasser den eene bescheijdene wij te dienen te kundigen dat ik in hun versoek be„ willigt hebbe in verwagting dat hij hun gehoudenisse ende verpligte con„ tributie sullen volaoen latende voorts aan hun over om selfs herwaarts op te komen ten eijnde met mij tespreeken dan wel sulks te doen als ik bij leeven en gesondheijt op maros mogt komen tot het doen dervertening ondertusschen moet us insgelijks ook Craing balotje hier van kennisse geeven en dat mij sijn gedrag omtrend die hoofden, ten uittersten mithagen de ik hem dienhalven recommandeere om ten aansien van d'overige mindere dorps hoofden met meerder billijkheijd en minsaamheijd te handelen, sijnde het notoin dat hij den afval der voorm: twee negorijen aan sig selven so niet geheel ten minsten grotelijks t mputeeren heeft geconsidereert hij regent sijne niet hadde behooren toegelaten tehebben dat een tolk gewelde kwam te plege so als hij en kind dat door den weggejaagden Carre marning geschied is sonder dat het laten kan dat den resident van rossum daar toe onder soudehebben gegeven gelijk hij sig daar en teegen niet hadde behooren te vergenoegen met het dven van klagten bij den gem: resident over onwilligheijd der voormelde hoofden maan siende dat daar van niets kwam sulks hadde moeten doen bij den oppertolk over deslavinne van poea rabbele heb ik bij den pongauwa datoi baringang doen doleeren met dit gevolg dat hij beloofd heeft tot haare te rug gave ordre te sullen door een sendeling dat ik dierhalven wel verwagten na groete blijven de /onderstond/ uE goede vriend / was„ geteekend/ P: G: van den voort /in margine / macasser in 't Casteel rotterdam den 10 febr 17/onderstond/ accordeerd/ wa getekend)/ A: d: hoden wijl Aan 151 Van Maledescorde Aan Den wel Edelen Agtb: Heep Paulus Godg Predus van der Doort Gouverneur en Directeur Deeser Custe Celebes &: H: &: Wel Edelen Agtb: Heer Op d'Eer van uw wel Edele agtb: hoogt g'especteerde letten van den 10 deeser wel selve ik ontfangen heb ik ten eersten na de berg negorij Tanette en padattanga gesonden om de hoofden her„ waarts te roepen en bis heeden nog niet hier geweest sijn als ook Cram balotje die door sijne indispositie bij mij aan deese post niet heeft konne verscheijne De tolk Israel Pieters benevens den sE Comp: sandeling Daeng Mandjarekie van haare gedaane Comissie uit de noodeloose provintien siang en sagerij weederom geretourneerd sijnde heb ik d' Eere uwel Edele agtb: in alle needrigheijd te Communiceeren dat 't verschil aangaande de 75 stuks padij velden die aroe Pantjana sijn aangeweesen ge„ worden om deselve te bewerken waar op den Pongauwa
English
From Makassar the pongauwa Letso had a claim on of two hundred rEd:s and the commissioners having carefully inquired who incurred the aforementioned debt on the fields, they at last discovered that Crain marrang his predecessor, one Dain manassa his father, had done this and enjoyed the aforementioned sum for it and left the fields as a pledge for it, whereupon Israel Pieters, upon this authentic finding, compelled the said crang marang and daii Malimpa to redeem the aforementioned fields, as also happened, and aroe pantgana now holds the aforementioned 75 pieces of fields in fief from Craing moenang and leaves them to be plowed undisturbed. I also find myself obliged to inform Your Honorable Worshipful of the people both of the poengauwa Lesso and those of aroe pantsana. The first mentioned, his people, by his order, armed with chain mail coats and blunderbusses, attacked a Company village named baroe baroe, entering a house where the inhabitants were holding a gathering or a festivity, 153 From Makassar the and there robbed and plundered everything that they could seize and catch, the loot amounting to fully one hundred ord:s. The interpreter Israel Pieters having strongly urged the aforementioned pongauwa to restitute or compensate the Company's subjects for their goods, it was in vain and came to nothing. As for what concerns the last-mentioned aroe pantjana his people, one named Poea Papier, the same forcefully robbed four slaves from a subject in a Company village Malawa and moreover stabbed three buffaloes. Israel Pieters went to complain to aroe pantjana about the bad conduct of his people toward the Company's subjects and requested the return of the stolen four pieces of slaves and three buffalo beasts, which also remained in vain, just as with the first mentioned. Now it is my most humble request to Your Honorable Worshipful to please issue some orders to the two aforementioned princes to restitute the From Makassar the stolen goods to Your Honorable Company's subjects, and therewith also a small admonition to live somewhat better with the Honorable Company's subjects in the future. Further knowing nothing more from here to report to Your Honorable Worshipful, I have the honor to end this, and having commended Your Honorable Worshipful to Jehovah's holy keeping, I call myself with dutiful obedience / below stood: Honorable Worshipful Sir / lower: / Your Honorable Worshipful's very humble and dutiful servant / was signed / T: Bosch / in the margin / Maros in the Honorable Company's fortress Valkenburg the 16 February 1777. 1777 7. / below stood / agreed / was signed / H: B: hodenpijl The 155 From Makassar the The Captain of the Malays, Abdul Cadier, pursuant to the order given to him by the Honorable Worshipful Lord Governor on the 14th of this month, having presented himself to the former Pongauwa of Bonij named Lakasie alias Poeanna Latanro, who is on the island of Poeloe Coelambie, in order to confer with him about the following claims that the Court of Bony still has on him, namely: 19 pieces of muskets, belonging in property to the present King of bonij, as also 2 with rifled barrels, 19 blunderbusses of Matinroa rimalimongang, along with From Makassar the 5 pieces of chain mail jackets, 210 old:s in cash, being the value and double fine for the people robbed and unlawfully sold by poeanna latanro. And to urge him to satisfy the one and the other, giving to understand that the Bonians requested the Lord Governor to effect that what was demanded be fulfilled by poeanna Latanro. So said captain upon his return reported thereon that poeanna latanro had affirmed not to have had or received the aforementioned 19 muskets under his custody, and thus would gladly be informed who indeed delivered them to him; as also that he had received no other weapons from matiroa rimialimongang than the 17 pieces of blunderbusses and two muskets with rifled barrels, along with two chain mail coats, in order to preserve the same for the currently reigning King of bonij. And as for what concerns the double fine, or otherwise called the Tokkong Touras, regarding which the Bonians claimed to have proceeded according to their laws, moreover along with 157 From Makassar the that he would fully obey that judgment, under the declaration nevertheless that the three body servants were sold for no more than ord:s 80, and the Toura of the same therefore only rd:s 128, or everything amounting together to rd:s 200, but by no means 240 rd:s, of which moneys already rd:s 80 had been paid in deduction, so that he would have to pay no more than another rd:s 120; as also that the Bonians had received from the Lord Governor another 12 pieces of blunderbusses and 2 pieces of muskets with rifled barrels, wherefore he only had to hand out another five blunderbusses to him, which he had also accepted. That the Captain thereupon having pointed out to him how he had previously declared to the Lord Governor to owe the muskets in question, but that his son Latila had removed them, it seemed strange to him that he now wished to deny this, he in that regard several Answer From Makassar the unfounded pretexts had put forward, which were refuted by the captain, with the result that the same finally promised to use every possible endeavor to give satisfaction to the Lord Governor as well as the Bonians / below stood / Makassar in the Castle Rotterdam the 18 February 177 / below stood / Agreed / was signed / H: B: Hodenpijl
Dutch transcription
Van Macasser den pongauwa Letso een pretentie op had van twee hondert rEd:s en zij commissieante sig naauwkeurig geinfor„ meerd hebbende wie dat de voornoemde schuld op de velden gemaakt heeft so hebben sij ten laesten ontdekt dat 't Crain marrang sijn voorsaad eenen Dain manassa sijn vader gedaan heeft ende voor„ noemde somma daer voor genooten hebbe ende velden daar voor in pand gelaaten, waar op Israel Pie„ „ters op deese egte bevinding gemelde crang ma„ rang en daii Malimpa genoodsaakt heeft de meer„ gemelde velde in te lossen so als ook geschied is, en aroe pantgana de voornoemde 75 stuks velden thans van Craing moenang in leen heeft en de selve ongestoond laed beploege, ook vinde ik mij verpligt uw wel Edele agtb: te melden van de volkeren so wel van den poengauwa Lesso als die van aroe pantsana den eerst gem: sijn volk op sijn bevel gewapend met bajoerante en donderbossen en een Comp: negorij gevallen sijn met naeme baroe baroe in een huis al„ waar de ingeseetene een saame komst of een bestiviteijd 153 Van Macasserden festwviteijd gehouden hebbe aldaar alles gerooften geplundeert hebbe wat bij maer konde greipe en vange t geroofde bedraagende wel een hon„ dert ord: de tolk Israel Pieters sterk aan ge„ draagen hebbende bij voornoemde pongauwa om sComp: onderdaane haar goederen weeder om te restitueeren of vergoeden is vrugteloos geweest en niets van gekoome, wat dan lastgemelden aror pantjana sijn volk bedreft, eene met naame Poea Papier denselven heeft op een comp: negorij Ma„ lawa vier slaave van een onderdaan met ge„ weld weg geroofd en daar bij drie buffels ge„ stoote Israes Pieters bij aroe pantjana is klaa„ „ge geweest over het slegt gedrag van sijn volk in 'sComp: onderdaane en versogt de geroofde vier stuks slaave en drie buffel beesten weederom is ook vrugteloos gebleeven so wel als bij den eerst„ „gemelde, nu is mijn seer needrigst versoek aan uw wel Ed agtb: om Eenige ordres gelieve te stelle bij de twee voornoemde prince om aan uEd Comp: onderdaane de Van Macasserden de geroofde goederen weederom te restitueeren en daar bij ook een kleie vermaning, om in 't vervolg van tijd wat beeter met sEd Comp: onderdaane te leve verder van hier niets meer weetende aan uwel Edele agtb te melde de Eere hebbe van deese te eijndige en uw wel Ed agtb in Jehovas heijlige bewaaringe aanbevoolen te hebbe mij met trouwschuldige ge„ hoorsaamheijd noeme / onderstond wel Edelen agtbaren heer /lager:/ uw wel Edele agtb seer onderdanige en trouw schuldige dienaar /was geteekend/ T: Bosch /in margine/ Maros in s E Comp: vetting valken„ 1777 7./.onderstond/ accordeerd burg den 16 februarij 1777. /was geteekend/ H: B: hodenpijl Den 155 Jan Macasserden Den Capitein der Maleijers Abdul Cadier ingevolge d'or„ „dre hem door den wel Edele Agtb: heer gouverneur op den 14. deeser gegeeven sig vergoed heb„ bende bij den geweesen Pon„ gauwa van Bonij genaamd Lakasie /:alias / Poeanna Latanro die sigten Eijlande Poeloe Coelambie bevind ten eijnde den selven ton„ derhouden over d'onder volgende pretensien die het hof van Bony op hem nog is hebbende namentlijk 19 p:s snaphaanen in eijgendom toebehoorende den preesenten koning van bonij als meede _o met getrocke loopen 19 a donderbussen van Matinroa rimalimongang 2„ benevens Van Macasserden 5 ps Baadjes rantes 210 old:s aan contant sijnde de waarde en dubbelde boete der door poeanna latanro geroofde en verkogtelijk volkeren in hem tot voldoening van het een en ander aan te maanen onder te kennen gave dat de boniers den heere gouverneur versogt hebben te bewerken da 't g'eijschte door poeanna Latanro werd„ voldaan so heeft gemelde capitain bij sijn te rugkomst op aen daar aan genaparteer daat poeanna latanro, betuigd hadde de voorm: 19. snaphaanen met onder sijne berusting gehad of ontvangen te hebben en dus gaarne g'informeert te wille weesen wie hem die dog heeft ten hand gesteld als meede dat hij geen andere geweeren van matiroa rimialimongang hadde ontfangen als de 17: p:s donderbussen en twee sna„ phaanen met getrocke loopen beneevens twee Raadsoe rantes ten eijnde deselve te bewaeren voor den thans regeeren„ „den koning van bonij en wat de dubbelde boete betoefd of anders gesegt de Tokkong Touras waar omtrend de boniers voorgaven volgens hunne wetten te werk Mitsgaders benevens 157 van Macasser den te sijn gegaan dat hij aan dat vonnis volkomen soude obedienen, onder betuiging nogthans dat de arie Lijf volkeren niet meer als voor ord:s 80 waaren verkogt gds geworden ende Toura derselve dierhalven maar rd:s 128 of alles te saemen bedraegende was rd:s 200 maar geensints 240 rd:s van welke penn: bereeds rd:s 80 inmindering waaren voldaan; so dat hij niet meer als nog rd:s 120 soude moeten betaelen als meede dat de boniers van d' heer gouverneur nog hadde ontfangen 12: p:s donderbussen en 2: p:s snaphaanen met getrocke loopen wes„ halven hij maar nog vijf donderbussen aan hem moeste uit keeren dat hij ook aangenaam hadde ds Dat de Capitain hem hier op hebbende voorge„ houden, hoe hij bevoorens aanden heer gouverneur hebbende verklaard de quettieuse snaphaanen schul„ dig te sijn dog dat sijn soon Latila deselve hadde absent gebragt het hem vreemd voorquam dat hij sulks als nu wilde ontkennen hij daar omtrend verscheijde Antwoord van Macasserden verscheijde ongegronde voorwendsels hadde voortgebragt die door den capitain wederlegt waeren met dit ge„ gevolg dat den selven eijndelijk beloofd hadde alle mogelijke de voiren aan te wenden omden heer gouverneur so wel als de boniers genoegen te geeven /onderstond / macasser in t casteel rot„ „terdam den 18 februarij 177 / ondertond/ Accordeerd /was geteekend/ H: B: Hodenpijl
English
January At Makassar Claims of the Court of Bonij against the former punggawa of that court named Lakase, also known as Poeanna Latanro, of the following contents, namely: Firstly, the three subjects of Timoeroeng whom Latjolli and Lagaoe robbed from the village of Passang. Secondly, the goods robbed by Latilla, son of the aforementioned Poeanna Latanro, at the village of Bonto Manio, belonging to the people of Timoeroeng who reside in the aforementioned village, to the amount of approximately 20 rixdollars, as well as a dependent of Timoeroeng who also lived in the aforementioned village, whom Latilla seized and carried away. Answer of the former punggawa of Bonij, Pakasie, also known as Poeanna Latanro, to the adjacent claims of the Court of Bony, as follows: Firstly, concerning the three subjects of Timoeroeng mentioned aside, whom Datou Baringang says were robbed by Latpolli and Lagaijoe at the village of Lassang, I would like to know who those robbed persons are and how they are named, for I have heard nothing of it, much less known about it. Secondly, the claim they have against my son Latilla, mentioned here alongside, is entirely untrue. Rather, certain subjects of Timoeroeng went to a Bonij princess, Daeng Risimba, sister of the Bonij prince Lawadjoe Anna, From Makassar giving to understand that one of their children had been stolen, with the request that she please have the goodness to have the thief apprehended, which request was granted by the aforementioned Daeng Risimba, providing an order to seize the thief, as was done, and which thief was handed over to Daeng Risimba. Thirdly, that according to the statement of Datou Baringang the Latjolle named here alongside is a subject of Timoeroeng, I declare that I do not know this, but rather that he is of Mandharese origin and his wife is a slave of mine, for Thirdly, the paddy fields which a subject of Timoeroeng named Latjole held in pledge for 25 rixdollars, Poeanna Latanro took to himself without reimbursing the advanced money to Latpole. Matinro From Makassar Matinroa Ri Tipoeloe E gave her father named Ambe Sara, together with his brother Josanna, to me, both of which slaves I appointed as head of the plowmen of my paddy fields situated at Mangemba. Wherefore I deem it necessary to make known here how I obtained the aforementioned slaves, namely that the above-mentioned Ambe Sara and Josanna were slaves of the then Arou Tha, who died at Campong Barou. But upon his death they fell to Matinrou Rimalimongang and subsequently came to me, specifically after the death of the aforementioned Arou Tha, when Matinroa Ritipoeloe E said to Matinroa Ri Malimongang From Makassar Fourthly, the paddy fields of a certain Poea let us rather give those two slaves and the paddy fields situated at Mangimba to Lakasie, which was consented to by the latter-mentioned majesty. As to what actually concerns Latjoli, I declare that at the time when the village of Madjene was besieged, in which siege I was also present, the Maradia of the aforementioned place together with his grandees gave me the freedom that I could deal with all the refugee Mandharese of Madjene who had gone elsewhere according to my own pleasure upon meeting them. Fourthly, that I allegedly took the paddy fields taken in pledge by Poea Katamie for 24 rixdollars from him without payment Katamie, which he also held in pledge for 24 rixdollars, was likewise taken by Poeanna Latanro without payment from the aforementioned Poa Katamie. I declare that this is entirely untrue. The Lord Governor may simply inquire about this with the Lommang Siang to be convinced of the truth, and I do not doubt that the aforementioned Poea Katannie will himself confirm my words in this matter with the word of truth. Fifthly, the claims charged against me mentioned alongside I utterly deny, for even the person of Labaweang is completely unknown to me. Sixthly, as for the ten bodyguards of Latalenko mentioned here at the side, who are alleged to have deserted to me, I answer thereto that Lababa and Lotappa, both brothers of Matoa Wage, together with Sixthly, the ten djoas or bodyguards of Latalenko who deserted to Poeanna Latanro and are retained by him, being named Lababa, Latappa, Lapatie, Lapabissa, Lonmallie, Laroecka, Joeanna Talie, Lasoepoe, Ladoeppa, and Lasouri. Fifthly, the fine of a certain subject of Timoeroeng named Labaweang to the amount of 12 rixdollars, to which Poeanna Latanro condemned him. Ladoepa, owe me money. Concerning Lapatie, I took him as my own bodyguard when I still held the dignity of punggawa, since custom also dictates that when one has taken such a person as a bodyguard, such a person is obliged to remain as long as one does not discharge him, all the more so since he currently owes me money. And Lopabissa, after he was pardoned by Matinroa Rimalimongang for the murder he committed, I requested of His Majesty to be allowed to use him as my own bodyguard, which that monarch also granted me, but when we
Dutch transcription
Jan Macasserden Pretensien van 'T Htof van Bonij op de geweesen poengauwa van dat hoff genaamt Lakase /alias / Poeanna Lataino den vol„ genden inhoud namentlijk Eerstelijk de drie onderdaanen van Timoeroeng die Latjolli en Lagaoe van de negorij Passang geroofd hebben Ten tweeden de door Latilla soon van gem: poeanma Latanro ter negorij bonto Manio geroofde goederen toebehoorende aan de vol„ keren van Timoeroeng die in gem: negorij woonagtig sijn ten bedragen van ciria rd:s 20 als men denog een onderhorige van Timoeroeng die meede op de voorsz: negorij woonde die Latilla heeft op gevat en weggevaart Aantwoord van den geweesene poen„ 159 gauwa van bonij Pakasie /alias / Poeanna Lantanro op de nevenstaande Pretensien van 'T Hof van Bony, als Eerstelijk de ten sijde vermelde drie onderdaanen van Timoeroeng, du Patou Baringang segt dat door Latpollie en Lagaijoe ter negorij Lassang geroofd zijn wenschte ik wel te mogen weten wie dat die gewofde persoonen sijn en hoe genaamt want ik er niets van gehoort veel min van geweeten hebbe. Ten tweeden de pretensie die 'z op myn zoon Latilla hebben hier nevens vermeld is ten eenemaal onwaar, maar wel dat er seekere onderdaanen van Timoeroeng bij Eenen bonijs princes daeng risimba zuster vande bonijs prins Lawadjoe anna sig heeft begeeven te Van Macasserden te kennen geevende dat er een van hunne kinderen gestoo„ en was met versoek dat z dog de goedheijd geliefden te hebben den diep te laten in apprehensie neemen, welk versoek door gem: daeng risimba g'accordeert is gewende mits dien last om den diep op te vatten so als dat ook geschied en welke dief aan Danig risimba overgegeeven is Ten derden dat volgens het seggen van Datou Baringang de hier neevens genoemde Latjo le een onderdaan van Timorrong sij betuijg ik sulks niet te weeten maar wel dat den selven Een mandhares van afkomst en wiens vrouw een slaven van mij is want Ten derden de padij pelden die eenen onderdaan van Timoerong genaamt Latjale voor rd:s 25. in pand heeft gehad deselve heeft poeanna Latouro na sig genomen sonder het uit geschotene geld aan latpole te vergoeden. Matinro Van Macasser den Matinroa Ri Tipoeloe E heeft haar 161 vader genaamt Ambe Sara be„ nevens desselfs broeder Josanna aan mij geschonken welke beijde slaven ik tot hoofd derploegers van mijne te mangemba sijnde padij velden aangesteld hebbe. weshalven agt ik het nodig te weesen hier bekend te stellen hoedanig dat ik de voorsz: slaven gekreegen hebbe namentlijk dat de boven gen: ambe Sara en Josanna slaven sijn geweest van den doenma„ „ligen en te Campong barou overleedene arou Tha dog sijn overlijden sijn 'z aan Matinrou rimalimongang te beurt gevallen vervolgens aan mijn gekomen en wel na 't overlij den van voorn: arou Tha wan„ „neer Matinroa Ritipoeloe Etegens Matinroa ri malimongang gesegt heeft Van Macasserden Ten vierden de padij velden van een en poea heeft laten w' maar die beijde slaven en de padij velden leggende tee mangimba aan lakasie geeven 't geen door laastgem: majel„ teijt is toegestemt geworden. wat nu eijgentlijk latjoli aangat zo verklaarde ik dat ten tijde toen de negorij madjone belegert wierd in welke belegering ik almeede present: ben geweest so heeft de maradia van gem: plaats beneevens sijne rijksgrooten mij de vrijheijd ge„ gewen dat ik alle de uitgewekene mandhareesen van Madjeme die die sig na elders hadden begeven bij ontmoeting konde handelen na mijn eijgen welgevallen Ten vierden dat ik de door poea katannie die hij almeede in pand heeft gehad katamine in pand genomene padij voor rd:s 24. is insgelijks door poeanna latanro sonder betaling van gem: poa katamie afge velden voor rd:s 24: sonder be„ nomen taling Van Macasserden Ten vijfden de boete van seekere onderdaan van 163 taling van hem soude hebben afge„ „nomen betuig ik dat ten eenemaal onwaar is d' heer gouverneur ge„ lieve sig maar bij den Lomma siang daar na te informeeren om van de waarheyd overtuigd te weesen en ik twijffeld niet of gem: Poea katannie sal selfs naijn ge „segden in deesen met het woord van waarheijd bestempelen. Ten vijfden de nevens gemelde mij ten Laste gelegde pretensien ontkenne ik final want selfs de persoon van Labaweang if bij mij ten Eenemaal onbekent Ten sesden wat nu de Thien Lijfvol„ keren van Latalenko hier ten tijde ge noemt aangaat die bij mij soude sijn overgelopen daar op antwoorde ik dat Lababa en Lotappa beijde broe„ ders van matoa wage benevens Ten des den de Theen d Joas of Lijfvolkeren van Latalenko die na poeanna Latanro sijn overgeloopen, en door hem word aange„ houden zijnde genaamt Lababa Latappa Lapatie Lapabissa Lonmnallie Laroecka Ioeanna Talie Lasoepoe Ladoeppa en La„ souri Timoereng genaamt Labaweang tot rd:s 12: waar in hem poeanna Latanro heeft heeft gecondemmneert Ladoepa Jan Macasserden Ladoepa aan mijn geld schuldig zijn betreffende Lapatie deese heb ik toen ik nog de waardig„ heijd van poengauwa bekleede tot mijn eijgen lijfvolk aange„ nomen vermits het gebruik meede brengt wanneer men so eenen tot lijfvolk heeft aangeno„ men dat den sodanigen verpligt is so lange men hem met afdankte te blijven te meer daar hij nu thans aan mijn geld schuldig is en Lopa„ bissa heb ik /:na dat hij door Ma„ tinroa rimalimongang over syne bequaane Moord gepardonneerd was hem van sijn majettijt ver„ sogt om den selven tot uijn eijgen Lijf volk te mogen gebruiken t geen dien vorst mijn ook g'accordeert heeft maar toen wij
English
From Macasser the When we arrived in Simoeroeng 165 the present Madanrang severely urged him to pay his dowry, which money I then also advanced to him, and finally I have, while being here at Pankadjane, again lent him money at his request, so that his debt has now increased and he is thus also a debtor of mine. Regarding Lamalla, Laroekka, Joeanna Talie, and Lasoepae, these four persons have stayed with me out of a special affection. However, if they should have any claim on them, the Towagereesen can certainly be addressed on that matter. Regarding Lasourie, he is a Wadjorese by birth and From Macasser the and descended from the previous Datate princes, as well as a son-in-law of the present Matoa Wadjo, for which reason I declare that Latalenko is by no means authorized to count the abovementioned Lasourie among his bondsmen. Furthermore, I must also mention under this article that the king Matinroa rimalimongang, during his Majesty's lifetime, often declared to me that the Towagereesen, out of a special affection and trust which they had toward his Majesty's ancestors, and these in turn toward them, have remained under Bonij, principally because they had previously shared in all the oppressions and disasters From Macasser the disasters that befell the previous kings of Bonij 167 because Bonij did indeed surrender the villages Sowage and Belawa to Wadjo, and the principal reasons why his Majesty granted to Toinua permission to continue living in the village Banoea spring from the merits he showed his Majesty when his Majesty had to flee to Boetong, at which time he also followed the prince, while the Boniers, in his absence, plundered and sold his wife and children, etc. In compensation for all this, his Majesty furthermore ordered him that he could continue to reside in the said village with his entire family, as well as maintain From Macasser the maintain the laws and rights that are customary in Wage there. Furthermore, his Majesty also said to Tojnna that the Boniers had nothing at all to do with the village Banoea, because the aforementioned village belonged to his Majesty, his Majesty further promising him, in case it should happen that Bonij and Badjo came together, his Highness would then see to it that all his plundered goods, etc., might be restored to him. All of which were the foundations why the Towagereesen have continued to reside in Banoea to this day, so that To Jnra along with his entire family cannot be separated from the village Banoea From Macasser the Seventh. And two dependents of the Arong Goenoe Ambo Pakanna, who are also being detained by Poeanna Latanro, being named Zagaoe and Labeta. Banoea, as long as 169 his plundered goods are not returned to him. Therefore, my king Matinroa rimalimongang often ordered me not to oppress the Towagereesen, but on the contrary to govern their people with all gentleness. Seventh. As to the assertion of Ambo Pakanna that I have detained two of his bondsmen mentioned here opposite, it should be noted in reply that when I was still Poengauwa of Bonij, Labeta came to me and requested that I take him into the corps of bondsmen of the king, which I granted him, provided that his brother would go to perform his other court services; and consequently, the aforementioned Labeta From Macasser the Labeta cannot be counted among the other common bondsmen, concerning which the late Matinroa rimalimongang was aware; and Logoe, while I was still Poengauwa, remained indebted to me for money. Eighth. The subjects of Tjaleko plundered by Laaoeppa, named Poeanna Woena, consisting of three families. Eighth. The opposite article I deny as being entirely untrue. Ninth. As for the 16 pieces of flintlocks, Ninth. The 16 pieces of flintlocks, 4 blunderbusses, and 4 badjoe rantes taken by Poeanna Latouro at the village Kaoekare, belonging to the people of Amaling. 4 blunderbusses, and 4 badjoe rantis mentioned here opposite, I reply thereto that when I was sent by Matinroa rimalimongang to the villages Kaoekare to depose Arou Amaling from his dignity, I found nothing whatsoever in the house upon my arrival there, whereupon I summoned Poeanna Malloe, as the eldest of the said village, to come to me, and made known to him my From Macasser the said village, and made known to him my order, 171 namely that I had been sent by the King of Bonij to depose Arouamaling from his dignity, and that I consequently ordered him in the name of our king no longer to obey him, but from now on to submit himself to the King of Bonij. Subsequently, I inquired about the goods and weapons of that deposed prince, since the King had ordered me to confiscate them, to which the aforementioned Poeanna Malla answered me, saying that as far as the weapons are concerned, his own people had pawned them here and there, except one badik-badik or belly-cutter named
Dutch transcription
Van Macasserden wij in Simoeroeng waren gekomen 165 heeft den teegenswoordigen Madan„ rang hem op 't scherpte aangemaant op de voldoening van sijn bruijdschat welke penn: ik hem ook toen ver schooten hebbe en eijndelijk heb ik hem hier te Pank adjame sijnde op sijn versoek weder geld geleend so dat sijne debet thans vermeerdert en bij dus almeede een debiteur van mij is aangaande Lamalla Laroec„ ka Ioeanna Talie en Lasoepae dese vier persoonen sijn uit een bijsondere genegentheijd bij mijn gebleven dog indien Z Eenige pretentie op deselve mogten hebben kunnen zim„ „mers de Towagereesen daar over onderhouden, aan Lasourie betweende dese is een wadjorees van geboorte en Dat Macasserden en afkomstig dervoorige datate prin„ sen mitsgaders een schoon zoon van den presenten matoa wage weshal„ „ven declareere ik dat Latalen„ „ko geensints bevoegt sij om bo„ ven gen: Lasourie onder syn lijf„ volkeren te reekenen. wijders moet ik nog onder de„ „den articul melden dat den ko„ „ning Matinroa rimalimongang in sijn majetteitsleven dickwils te„ gens mijn verklaard heeft als dat. de Towagereesen ui't eene bijsondere genegentheijd en vertrouwen die z op de voorvaderen van sijn majes„ teit hebben gehad, en deese weder op hen als nog onder bonij sijn verblee„ ven hoofdsakelijk wij z bevoorens een deel genoot waaren geweest van alle verdrukkingen en ram pen Van Macasserden pen die de voorige koningen van bonij 167 sijn overgekomen want de negorijen sowage en belawa heeft bonij inmmers aan wadjo overgegeeven ende voor„ naamste reedenen waarom dat zijn majesteijt Een en Toinua vergund heeft gehad om in de negory Banoe„ ang te blijven woonen sp uunt uit de verdiensten die hij sijn majesteijt beweesen heeft toen sijn majesteijt na Boetong moette vlugten wan„ „neer hij aen vorst meede gevolgt is, terwijl de boniers in sijn af weesentheijt desselfs vrouw en kinderen enz: geplundeert en verkogt hebben in vergelding van het een en ander heeft hem sijn majesteit nog daar en boven bevolen dat hij in ged: negorij met sijn gantsche familie met er woon konde blijven mitsgaders aldaar handhave nen Van Macasser den venen de wetten en regten die in wage gebruikelijk sijn mitsgaders heeft sijn majesteit nog teegen Tojnna gesegt dat de boniens met de negory Banoea in 't geheel niets te bemoeijen hadden door dien dat de voorn: negorij sijn majesteijt was toebehoorende belovende zijn majetteijt hem nog ingevalle het mogte komen te gebeuren dat bonij en badjo bij malkanderen qua„ „nen sijn hoogheijd als dan soude sien te bewerken dat alle sijne geplundeerde goederen enz: weder aan hem mogten worden gestitueerd alle 't welke de fundamenten sijn geweest waarom de Towa„ geneesen in Banoea tot heeden met er woon zijn verbleeven so dat To Jnra nevens sijne geheele familie met van de negorij ba„ noea Van Macasser den Ten seevenden en Twee onderhoorige vanden arong goenoe ambo pakanna die meede door poe„ anna Latanro word aangehouden sijnde deselve genaamt zagaoe en Labeta noea kan werden gesepareerd solange 169 hem sijne geplundeerde goederen niet worden te rug gegeeven, dierhalven heeft mij mijn koning matinroa rimalimongang dik wils aanbevoo„ len de Towageneesen niet te verdruk„ „ken maar daar en tegen haar lie„ den met alle sagt sinnigheijt te regeeren Den seevenden wat het voorgeeven van ambo Pakanna betreft dat ik twee van sijne lijk volkenen hier neevens genoemd aangehouden hebben so dient daar op dat toen ik nog poengauwa van bonij was is Labeta bij mij gekomen en versogt dat ik hem onder 't Coups der lijfvolkeren vanden koning soude mneenen twelk ik hem geaccordeert hebbe mits dat desselfs broeder sijne andere hof diensten soude gaan verrigten, en dien volgende is het ook dat voorm: Labeta Van Macasser den Labeta niet onder de andere gemee„ „nelijk volkeren kan worden geree„ „kend omtrent t welke by wijlen Matinroa rimalimongang bekend was en Logoe is, mij nog Poengauwa sijnde geld schuldig gebleeven. Ten agtsten de door Laaoeppa geroofde onderda„ Ten agtten het nevenstaande articul ont„ nen van Tjaleko genaamt Poeanna woena be„ kenne ik als perinaal onwaar sijnde staende in drie farmilien. Ten negenden wat de 16 stuks snaphanen Genegenden de door poeanna Latouro ten negorij kaoc kare afgenomene 16 stuks snaphaanen vier donderbussen en vier badjoe 4. donderbussen en 4: baadjoe rantes toebe„ rantis nu aangaat hier neevens hoorende aande volkeren vanntmaling gemeld daar op antwoorde ik dat toen ik door matinroa rimalingong nade negorijen kaoe kare getonden wierd om arou amaling van sijne waardigheijd afte setten ik bij mijn aankomst aldaar niets op t huis hoe genaamt gevonden hebbe waar op ik een en Poeanna malloe als de oudste van ged negorij bij mij ontboden hebbe enden den selven mijnen van macasser den ged: negorij bij mij ontboden hebbeen, 171 den deselven mijnen last te kennen geven de namentlijk dat ik door den koning van bonij gesonden was om arouamaling van sijne waardig„ heijd afte setten en dat ik hem dient volgen gelaste uit naam van on„ sen koning om den selven niet meer te gehoorsamen maar sig van nu af aan onder den koning van benij te submitteeren; vervolgens heb ik mij na de goederen en wapens van dien afgeset„ „ten prins geinformeert vermits door den koning mij hadde bevoolen om deselve te confisqueeren daar mij de voorn: poeanna malla op antwoorden„ „de miet te seggen dat wat de geweiren aanbelang deese hebben sijn eijgen volkeren hier en daar verpand eecepto Eenen badie badie of bruk snijder ge naamt
English
From Macasser the named Sippang E Ri Amaling who remained in the custody of the said Poeanna Mallo. After this I asked him again if there were none who knew anything to say regarding those pawned weapons, whereupon Poeanna Mallo replied that the pabitjara of Amaling might be able to give me elucidation thereof. On that account I ordered the said Poeanna Mallo to betake himself to the pabitjara and inquire after the aforementioned weapons, with the further order to collect the same together and subsequently bring them to Macasser, having thereupon taken the said belly-cutter Sippang E Ri Amaling with me and upon my return to Macasser also handed over the same to the King of From Macasser the King of Bonij, and 173 after the expiration of two days, or rather after my arrival here, the pabitjara of Amaling likewise came here to me, making known that he had brought with him no more than eleven flintlocks, but no blunderbusses or coats of chain mail, offering the same to me. But I replied to him that he could provisionally keep those eleven pieces of flintlocks in his possession until I should have spoken with the King of Bonij about it, for which reason I also went to His Majesty on an afternoon, making known to that monarch that the pabitjara of Amaling had brought eleven pieces of flintlocks belonging to Poeanna Tsanrie, and at the same time suggested to His Majesty whether it would not be better that the pabitjara be allowed to retain the aforementioned weapons in order to use them in the service of His from Macasser the of His Highness, to which the King was pleased to answer me by saying that this was well, so those weapons remained with the pabitjara named Latamma. Tenthly, concerning the two coats of chain mail that my son Latanro is alleged to have taken from the pabitjara Lasamma, of that I testify that I knew nothing of it and no one informed me of it either, except only in the past year when my slaves were detained by Datou Baringang over those coats of chain mail. /below stood:/ Agrees /was signed/ H. B. Hodenpijl. Tenthly, the two coats of chain mail that Latanro took from the pabitjara of Amaling at the time when the late King of Bonij was preparing to depart for the interior. To 175 From Macasser the Honorable To the Right Honorable Worshipful Lord Governor and Director of this coast of Celebes etc. This serves solely in all humility to communicate to Your Right Honorable Worship that the messenger whom I sent by order of Your Right Honorable Worship to the mountain settlements of Tanette and Padattanga, having arrived back here on the 20th of this month, reported to me that the two karaengs of Tanette and Padattanga were very willing to come to me at this post, but that they dared not do so, since the Bonian Prince Madannang had already sent to summon both of them to come to Macasser; yet having added that when they returned, they wished to appear before me. But the interpreter Israel Pietersz having told me that they must pass through here at Maros, I had a watch kept both below and above this post to have the aforementioned karaengs come to me in order to urge upon them that they must not depart from Macasser hither before and until they had submitted their interests to Your Right Honorable Worship; but having learned yesterday evening here that the aforementioned karaengs Worshipful Lord Paulus Godefridus van der Voort had already From Macasser the had already sailed up the river of Pankadjene and to Macasser, hoping that they may appear before Your Right Honorable Worship and may bring their interests to light. Furthermore, I have the honor to report to Your Right Honorable Worship that the husbandman is presently engaged with all diligence in transplanting the young rice, having nothing more to report from here. I take the honor, with due faithful obedience, to call myself, /below stood:/ Right Honorable Worshipful Lord /lower:/ Your Right Honorable Worship's very humble and obedient servant /was signed/ I. Bosch /in the margin:/ Maros in the Honorable Company's Fortress Valkenburg the 22nd of February Anno 177[illegible] /below stood:/ Agrees /was signed/ H. B. Hodenpijl. To 177 From Macasser the To the Right Honorable Worshipful Lord Paulus Godefridus van der Voort Governor and Director of this Coast of Celebes etc. etc. etc. Right Honorable Worshipful Lord, This serves to accompany the monthly specification and the report of the six-monthly inventory of the cash and goods which under the ultimate past were found here to be in true existence. Furthermore, I have the honor in all humility to communicate to Your Right Honorable Worship that on the 27th past two chiefs from the mountain settlements, Karaeng Tanette and Karaeng Padattanga, together with another karaeng named Ammarro, were here with me at this post; whereupon I asked them where they came from, and they gave as answer that they came from Macasser from Madannang and Datou Baringang, who had ordered them to perform their customary services again for the Honorable Company.
Dutch transcription
Jan Macasserden genaamt Sippang E Ri Amaling die onder berusting van gem: Poeanna mallo verbleeven is hier na vroeg ik aandenselven weder op er geene wa„ „ren die omtrent die verpande ge„ „veeren wat wisten te seggen, waar op repliceerde poeanna mallo dat de pabitjara van amaling mogelijk mij daar van Elucidatie kunnen geeven iit dien hoofde gelastpe ik ged: Poeanna mallo om sig bij de pabitjara te vervoegen en na de voorn: geweiren te verneemen met verderen last om deselve bij een te versamelen en vervolgens na macasser te brengen hebbende daar op gem: buijk snijder sip„ „pang E Bi Amaling na mij ge„ „nomen en deselve bij mijn retour te macasser ook aan den koning van Dan Macasserden Koning van bonij overhandigd en 173 na verloop van twee dagen of wel na mijn arrivement alhier quam almede de pabi„ tjara van amaling hier aan mij bekend ma„ kende, dat z niet meer dan Elfs snaphanen maar geen donderbussen of baadjoe rantes hadde meede gebragt mij deselve aanbiedende dog ik heb hier op aan hen ten antwoord dat 2 die Elf stuks snaphaanen bij provisie maar onder hen konde houden tot dat ik met den koning van bonij daar over soude hebben gesprooken alwaar omme ik ook op een en na middag bij sijn majesteit ben gegaan dien vorst bekend maakende dat de Pabitjara van Amaling Elx stuks sna„ phaanen van poeanna 'Tsanrie hadden aangebragt en teffens zijn majesteit voor geslagen of het niet beter soude weesen dat men de voorn: geweinen maar door de pa„ bitjara liet behouden om z in dienst van zijn van macasserden van sijn hoogheijt te gebruiken daar den koning mij had gelieven te antwoorden, met te zeggen dat zulks wel was dus zijn die geweiren onder den Pabitjara genaamt Latamma verbleeven. Ten Thienden omtrent de Twee baadsoe rantjes die mijn zoon batanro van den Pabitjara Lasamma zoude hebben af„ genoomen daar van betuijge ik dat ik er niets van geweeten hebbe en nie„ „mand heeft mijn ook daar van verwit„ „tigd. als eerst in 't voorleeden Jaar wanneer mijne slaven over die baadjoe rantjes door datou Baringang wierd aange„ houden /onderstond:/ accordeerd / was geteekend/ H: B: Hodenpijl Ten Thienden de Twee baadjoe rantees die Latanro van pabitjara van somma geno„ men heeft, ten tijde toen de overleedene koning van bonij sig gereedmaakte om na de binnen Landen te vertrekken. Aan 175 Van Macaser den Wel Edelen Aan den wel Edelen agtb: Heer Gouverneur en directeur deeser custe elebes hntr: Deese is eenelijk in alle needrigheijd dienende om uw wel Edele agtb te communiceeren dat den sendeling den ik op bevel van uw wel Ed agtb na de berg negorij Tanette en Padattanga gesonden heb weederom op den 20 deeser hier g'arriveerd sijnde mij rapporteerde dat de twee Crains Tanette en Padattanga seer gewillig waaren, om bij mij aan deese post te komen maar dat sij sulkis niet der fde en doen dewijl den bonijs prins madannang hun beijde Crains bereets al hadde laate requireeren naer na Macasser te komen dog daar bij gesegt hebbende als sij lieden weder„ om terug kewamen sij aan bij mij wilde verscheijnen dog te tolk Israel Pietersz mij zeijde dat sijlieden hier maros moetten passeeren so heb ik laten oppasten so wel onder als boven deese pott om voornoemde Cuams bij mij te laaten komen om haar aan te recommandeeren dat sijlieden met van macasser herwaards moette vertrekken voor en alle een sij hunne belangens bij uw wel Edele agtb hadden ingedient maar gistenen avord balher vemomen hebbende dat mner gemele namns. Agtb: Heer Paulus Godofredus van der voort bereets Jan Macasserden bereets trivier van pankadjene waaren ap en naar macasser gevaa„ „en verhoopen de dat sijlieden bij uw wel Edele agtb: mogen ver„ schenier en hunne belangens moogen aan den dag legge. De Eene hebbe uw wel Edele agtb: verder te melden dat den land „man teegens woordig met allen ijver besig is de Jonge biene te ver planten verder niets meer weetende van hier te melde de Eere neeme mij met trouw schuldige gehoorsaamheaid te noeme /onderstond/ wel Edelen agtb: heer /lager/ uw wel Edele agtb: seer onder„ „danige en gehoorsaame dienaar /:was geteekend/ I: Bosch /inmangin:/ Manos on s Ed Comp: vetting valkenburg den 22 februarij A:o 177 /onderstond:/ acordeerd/was geteekend/ H: B: hodenpijl Aan 177 Van Macasser den Aan den wel Edelen agtb: Heer Paulus Godofredus van der voort Gouverneur en Directeur deeser custe celebes etc: etc: etc: Wel Edelen Agtb: Heer Deesen is dienende ten geleijde der maendelijkse specificatie en het rapport van den ses maendigen opneem der contanten en goederen welke onder ultimo Jongstleeden alhier in waare weesen bevonden sijn verder de Eere hebbe in alle needrigheijd uw wel Edele agtb: te Communiceeren dat den 27. Jongstleeden twee hoofden uit de berg negorijen crain Tanette en crain padatanga be„ neevens nog een crain genaamd ammarro hier aan dese post bij mij sijn geweest waar op ik hun lieden vraegde waar zij van aan kwamen en ten antwoord gaave datsij van ma„ kasser van madaurang en dat ou baningang kewamen die hun lieden gelatt hebbende van weederom by de Ed: Comp: hun gewoone dienstte doen