Inventory 3512
Coromandel · 784 pages · 113 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
difference to the detriment of the Bengal profit account amounts to fully 14 per Cent, as I take the liberty most respectfully to demonstrate to Your High Excellencies by the following demonstration: 1000 Pagodas reduce to 4800 guilders in Indian money, and equal 3047 13/21 Sicca rupees, which in Dutch money, according to intrinsic value, amount to ƒ 3809. 10 1/21. Against which the aforementioned 1000 pagodas, according to their intrinsic content, are worth ƒ 4500. —. —. Which, being deducted from one another, shows the difference of ƒ 690. 9 20/21 or fully 14 per Cent. And with respect to the second point, before I proceed to the refutation of what is posited therein, I must express my astonishment at how the Ministers, on such a weak ground as that of hearsay, could have presented to the gentlemen Majors as truth that our merchants would lose fully 15 per Cent on the sale of the copper accepted by them from the Company, since that matter is entirely devoid of all truth and can never be proved. And now proceeding to the refutation itself, I repeat with respect that what was just posited by the Bengal Ministers can never be satisfactorily demonstrated by them, since the advancement of merchandise for the delivery of linens takes place no more on this coast than in Bengal, except in rare instances when the merchants request it of their own accord, for the same, as I recall, was strictly forbidden by Your High Excellencies throughout all the linen-producing factories. At least I find among other orders in Your High Excellencies' letters dated 31 May 1763, 14 March, and 23 May 1766 such strict commands for the abolition of that abuse that I cannot think any of our chiefs would have the boldness to act against them, and I can assure Your High Excellencies that during my administration it has never occurred at this main factory. Nor have I ever received the least complaints in that regard from the merchants of the subordinate factories, who, if such had happened against their wish and will, would certainly not have failed to complain to me privately about it. Moreover, such treatment running counter to the order of Your High Excellencies would quickly have caught my eye, because in such a case the chiefs of Sadraspatnam and Palleacatta would not have needed to make annual demands for cash. And conversely, those of Iaggernaijppoeram would not be able to manage without the assistance of cash, whereas now, on the contrary, with a large sale of merchandise, the balance of their main treasury grows to 160 to 180,000 pagodas, whereby in the past year I was still forced successively to withdraw from there a considerable sum of 80,000 Pagodas, which were brought hither in sealed chests because I did not judge them safe enough there. Besides all this, Bimilipatnam is successively supported with cash from Iaggernaijppoeram, whether rupees or new Nagapatnam pagodas, for making its collection, as can be proved from the incoming letters. Yet I trust that what has already been posited will be deemed sufficient to refute what the Bengal Ministers have asserted; and that Your High Excellencies will at the same time clearly see from this that the profit of 180 per Cent, which with 14 per Cent for the difference in coin species makes only 194 per Cent, can bear no comparison whatever to the profit obtained on this coast on Japan bar copper: which is set by the Bengal Ministers at only 212 per cent, whereas the actual advances in the last concluded four accounting years rose from 230 to 236 per Cent, and now still, after the latest reduction of the selling price, will yield a profit of 220 5/16. And therefore, in the hope that Your High Excellencies will be pleased to pardon my prolixity in this matter, I shall proceed to the discussion of other affairs. The heavy expenses that the Company has to bear here, especially in maintaining its fortification works, have long caused me to consider devising a means whereby the Company could be somewhat assisted in this burdensome expenditure, without placing too heavy a burden on the community. And to this end, it seemed to me no more suitable means could be devised than the levying of a moderate tax upon the inhabitants of this city, assessed upon their houses. Consequently, on 26 March I made a proposal to levy annually once from all the inhabitants of this city six stuivers or 1½ fanum for every square rod that their houses, dwellings, or gardens cover in circumference, in order subsequently to find from this money the necessary expenses for keeping the city clean and repairing its walls. To which, furthermore, for such weighty reasons as are described in the general Resolution of that day, it was decided with unanimous votes, without anyone raising the slightest objection against it.
Dutch transcription
different ten nadeele van de Bengaalsche winst zoo als ik reekening wel 14. per Cent bedraagd, de vrijheijd neem uwer Hoog Edelheedens aller Eer„ biedigst aantetoonen bij de ondervolgende demon„ stratie 4800. guldens In„ Pagoden 1000. –. reduceeren. diasch geld, en staan gelijk met 3047 13/21. Sic„ ca ropij, welke aan Nederlandsch geld, vol„ gens de intrinsique waarde komen te bedraa„ ƒ 3809. 10 1/21. gen - - - - - - - - - waar en tegen de voormelde 1000: pergoden volgens haar intrinsicq gehalte waardig zijn _ _ _ _ _ _ - „ 4500. —. —„ 'T welk van elkanderen ge„ detracheerd zijnde, aantoond het verschil van - - - - of 14. per Cent ruijm En ten aanzien van het tweede moet ik, voor ik tot wederlegging van het daar bij geposeerde ƒ 690. 9 /. overga. - -- 68 overga, mijne verwondering betuijgen, hoe de Mi„ nisters op zulk een zwakke grond, als die van hooren zeggen aan de heeren Masoris voor waar„ heijd hebben kunnen opgeeven, dat onse koop„ lieden wel 15. per Cent zouden verliesen, bij verkoop van het door haar van de Compagnie geaccepteerde koper, alzoo die zaak ten eene„ maal van alle waarheijd ontbloot is, en nim„ mer beweesen worden kan. En als nu tot de weder legging zelve tree„ dende, herzegge ik met eerbied, dat het zoo even geposeerde door de bengaalsche Ministers, nooijt voldoende door haar kan worden aan„ getoond, alzoo de voor uijt verstrekking van koopmanschappen op leverancie van Lijwaaten even zo min ter deezer kuste, als in Benga„ len meer plaats heeft, excepto enkelde voor„ vallen, wanneer de kooplieden uijt eijge bewee„ „ging voor rde „ging. daarom versoek doen, want het zelve, e zoo mij voorstaat, door uwe Hoog Edelhee„ dens finaal verbooden geworden is over alle de Lyjwaat geevende Comptoiren Ten minsten ik vinde daar van onder meer andere ordres bij Hoog derzelver brieven sub dato 31:' Maij 1763. , 14. Maart, en 23. ' Maij 1766. zodanige strikte beveelen tot afschaffing van dat misbruijk, dat ik niet kan denken dat een van onse opperhoofden, de hardiesse zou durven hebben; van daar tegen te handelen, En dat het op dit hoofd„ Comptoir, geduurende mijn bestier, nooijt geschied is, kan ik uwe Hoog Edelheeden ver„ zekeren. Ook heb ik dierweegens nooijt de minste klagten ontvangen, van de kooplieden der onderhoorige factorijen, die wanneer zulks tegens haaren zin en wil geschiede, zekerlijk niet 27. 69 niet zouden nagelaaten hebben daar over aan mij in het particulier te klaagen. Boven dien, zou zoodanig eene, tegen de ordre van uwe Hoog Edelheeden aanloopende behandeling mij al schielijk in het oog zijn ge„ loopen, door dien in zulk een geval de opper„ hoofden van Sadraspatnam en Palleacatta geen Iaarelijksche Eijsschen behoefden te doen van Con„ tanten. En daar en teegen zouden die van Iag„ gernaij ppoeram zig niet kunnen bedruijven, zonder assistentie van Contanten; daar nu in tegendeel bij een groot vertier van koopman, schappen het restant van hun groote kas wel tot 160. â 180'000. pagoden aangroeijd, waar door ik nog in anno pass:o genoodzaakt geweest ben Successive van daar te ligten een aansienlijke somme van 80'000 Pagoden, die in verzegelde kisten herwaards overgebragt zijn, om dat ik te. ze ginder niet vijlig genoeg oordeelde. Boven dit alles wordt Bimilipatnam successive van Iaggernaij Kpoeram ondersteund met Contanten, het zij ropias, of nieuwe Naga„ patnamsche pagoden, tot het doen van haaren Inzaam, gelijk uijt de aankomende brieven kan beweesen worden. Dog ik vertrouw dat het bereeds gepo„ seerde voldoende zal g'agt worden tot we„ derlegging van het geen de bengaalsche Mi„ nisters hebben geavanceerd; mitsgaders dat uwe Hoog Edelheeden daar uijt teffens duijde„ lijk zullen zien, dat de winst van 180. per Cent, die met 14. per Cent. voor het different der geld sspecie maar 194. per Cent uijtmaakt, nog in geen Comparatie komen kan, bij de winst die ter deezer kuste op het Iapfansch staat kopper werdt behaald: welke door de Bengaalsche Ministers 70 Ministers slegts op 212. per cent is gesteld, daar de eijgentlijke avancen in de Iongst afgelegde vier boek Iaaren van 230. tot 236. per Cent geresen zijn, mitsgaders nu nog, na de Iongste diminutie van den uijtkoops prijs Een winst van 220 5/16. zal afwerpen En derhalven zal ik in hoopde dat uwe Hoog Edelheeden mijne wijdloopdigheijd in deesen zullen gelieven te pardonneeren, tot het ver„ handelen van andere zaaken overgaan . De Zwaare ongelden, die de Compagnie hier te draagen heeft, voor al in het onderhou„ den van haare fortificatie werken, hebben mij al lang doen bedagt weezen om een middel uijttedenken, waar door de Maatschappij eenig„ zins kon worden te gemoet gekomen in dee„ zen drukkende Last post, sonder dat het de gemeente te veel bezwaarde. En hier toe dagt dagt mij kon geen geschikter middel worden uijt„ gedagt dan het heffen eener maatige belasting van de Inwooners deezer stad, bij omslag over haare huijzen Dien volgende deed ik op den 26. ' Maart propositie, om van alle de Inwooners deezer stad Iaarlijks eens te heffen zes stuijvers of 1½. fanum voor ieder quadraad roede, die haare huijsen, wooningen of tuijnen in haaren omtrek zouden beslaan, om uijt dit geld ver„ volgens te vinden de noodige kosten tot het schoon houden van de stad, en het repareeren van haare muuren Waar toe wijders om zodanige gewigtige reedenen, als bij de gemeene Resolutie van dien dag beschreeven staan, met unamime stem„ men wierdt beslooten, zonder dat door iemand de minste zwarigheijd daar teegen wierdt ge„ „ oppert.
English
sacrificed or made known. Thus I had not the least thought that this tax would stir up a general revolt among the inhabitants. Which nevertheless, to the astonishment of myself and everyone, has occurred. For no sooner was the posted bill of this tax published and affixed, than all the inhabitants departed this city, without giving me the least notification of the reason that prompted them to such rebellious conduct; just as this is further described in the secret resolution of 27 April. However rebellious and punishable such an act was, I nevertheless chose to take the lenient path with them, and therefore on 15 April I had them asked the reason that had prompted them to such rebellious conduct. To this they gave an evasive answer, which from day to day was prolonged even further, so that with the utmost impatience I had to wait until 29 April for their so-called points of grievance, which were then finally handed to me. Among a hundred trifling matters, they finally came forward with three so-called main points of grievance concerning which they requested redress. Namely, they felt aggrieved in the first place about a bill of 5 April 1777, whereby, for weighty reasons, it had been decreed that all book debts or loans of money on olas and other private writings had to be claimed within the period of two years at the latest, on pain of default. And secondly, they complained about the placard of this government of 26 March, whereby the aforementioned general tax had been introduced on all the houses of this city, to which they principally attributed their departure. While thirdly, they further requested the abolition of certain small customs assigned to the fiscal here. And since we believed that by granting, whether in whole or in part, the aforementioned articles, peace and good order within this city would be restored by the return of the departed inhabitants, we thought it well to revoke the aforementioned tax, which after all could not be introduced by force, until further orders from Your High Excellencies, and to alter the two other points as described in the secret resolution of 14 May, to which I respectfully refer; while finally, in continuation of this vexatious story which has cost me endless trouble, as can be seen further in the secret resolutions of 26 May, 16 June, and 27 July, I have the honor hereby to note that all the departed inhabitants together, after all trades and businesses both inside and outside the city had been at a complete standstill for more than three months, finally on 17 July, to the number of fully 10,000 people, returned to this city and the villages belonging thereto, except for the 5 castes of the craftsmen, who refused to follow the great crowd, on the grounds that they had not yet been granted the privilege of being allowed to use a palanquin at their weddings, as had been promised to them upon their departure by Cansema Chittij, head of the castes, and other heads of the inhabitants of this city, along with the freedom of being allowed to make rounds with it through a larger part of the city than had been granted to them under the administration of the Honorable Ordinary Councilor and Governor of this coast, Pieter Haksteen, of late memory. However trifling such a concession may appear at first sight, it is nevertheless, among the Malabars who belong to a higher caste, a matter of great weight, over which, under the administration of the Honorable Mr. Haksteen, very great agitation was caused, as the resolutions of that time and his Honor's left-behind memoir clearly demonstrate. And accordingly I thought it best in the beginning not to meddle in that matter, but to postpone it to a more suitable occasion, just as this is comprehensively set forth in the secret resolution of 27 July. Meanwhile, however, I did not fail to work privately by all possible means to induce the five castes to make a speedy return, even having them assured indirectly that they would be given satisfaction in one way or another. But nobody was less willing to listen to that than they, subsequently indicating clearly enough, both by their conduct and words, that however bad the circumstances in which they might find themselves with regard to their condition, they nevertheless never intended to return as long as the heads of the other castes had not fulfilled their promise. And in this circumstance that dispute continued until 24 August, when the joint castes of the craftsmen sent to me three persons, commissioned from their midst for that purpose, who handed me a translated petition, containing such complaints, with the reasons for their departure, as have just been cited by me. In addition, I also saw from this document, with very great annoyance and no less dismay,
Dutch transcription
geopfert of te kennen gegeven Dus ik geen de minste gedagten hadt, dat die belasting, een generaalen opstand verwekken zou onder de ingezeetenen. Het geen egter tot verbaasing van mij en een ieder gebeurt is. Want zoo dra was het ingestelde biljet van deese belasting niet gepubliceerd en geaf„ figeerd, of al de Inwooners weeken deeze stad uijt, zonder aan mij de minste kennis te gee„ ven van de reeden, die hun tot zulk een oproe„ rig gedrag aanzette; gelijk dit een en ander nader beschreeven staat bij secreete Resolutie van den 27. Appril: Hoe offeroerig en straafbaar zulk een daad was, verkoos ik egter met hun den Lagten weg in te slaan, en derhalven liet ik haar of den 15. ' April afvraagen de reeden die hun tot ren ver m„ and 71 tot zulk een opproerig gedrag hadt aangezet. Hier op gaven zij een uijtstellend antwoord, het geen van dag tot dag nog al meer ver lengd wierd, dus ik met het uijterste on„ geduld tot den 29. ' april heb moeten wagten na hunne zoo genaamde poincten van be„ Zwaar, die mij toen, eijndelijk wierden ter hand gesteld. Onder honderd beuzelagtige zaaken, kwa„ men zij eijndelijk te voorschijn, met drie zoo genaamde hoofd-poincten van beswaar waar omtrend zij redres begeerden zij vonden zig namentlijk in de eerste plaats bezwaard, over een biljet van den 5. April 1777. , waar bij om gewigtige reedenen gearresteerd geworden was, dat alle boek„ schulden of geldleeningen op olas en andere onderhandsche geschriften uijterlijke binnen den tijd ½ tijd van twee Jaaren moesten worden ingevor„ derd sub pane van verstek. En ten tweeden klaagden zij over het Plac„ caat deezer Regeering van den 26. ' Maart, waar bij de overgemelde generaale belasting was inge„ voerd, over alle de huijzen deezer stad, waar aan zij principaal hunne uijtwijking toe„ Schreeven. Terwijl zij ten derden nog verzogten, de afschaffing van zekere geringe kustumados den fiscaal alhier toegelegd. En nadien wij meenden, dat door het toestaan, het zij in het geheel, dan wel ten deele van de voorschreeve articulen, de rust en goede ordre binnen deeze stad weder zou wor„ den hersteld door de terug komst der uijt„ geweeken inwooners, vonden wij goed, de voor„ „schreeve belasting, die tog met geen geweld kon. kon worden geintroduceerd, tot nadere ordre van uwe Hoog Edelheeden weder in te trekken, en de twee andere poincten zodanig te alte„ reeren, als bij de secreete Resolutie van den 14. Maij beschreeven staat, waar aan ik mij met Eerbied gedraage; terwijl ik eijndelijk ten vervolge van deese Chagrinante historie die mij een onEijndige moeijte gekost heeft, gelijk nader kan worden beoogd bij secreete re„ solutien van den 26:' Meij, 16. ' Iunij, en 27. Iulij, de eere hebbe bij deesen te noteeren, dat de gezamentlijke uijtgeweeke Inwooners, na dat alle neeringen en hanteeringen, zoo in als buijten de stad ruijm drie maanden stil gestaan hadden, eijndelijk op den 17. ' Iu„ lij, wel ten getalle van 10'000 menschen, na deese stad, en de daar onder behoorende dorpen te rug gekeerd zijn, behalven de 5. Castens der Ambagtslieden 73 Ambagtslieden, die gewijgerd hebben den grooten hoop te volgen, uijt hoofden men aan hun nog niet toegestaan hadt het voorregt om ofe hunne bruijl often Een palenquin te mogen gebruijken, gelijk aan hun was beloofd gewor„ den bij hunne uijtwijking door Cansema Chit„ tij, hoofd der Castens en andere Hoofden van de Inwooners deezer stad, nevens de vrijheijd om daar meede te mogen rondgaan door een grooter gedeelten van de stad, als aan hun onder de Regeering van den heer Raad ordinair en gouverneur deeser kuste Pieter Haksteen /:L: M: /was geaccordeerd. Hoe gering zodanig eene vergunning ook op het oog schijnen mag, is zij egter onder de Mal„ labaaren die van een hooger kasta zijn, een zaak, van groot gewigt, waar over onder de Regee„ ring van de Edele heer Haksteen zeer veel be„ „weeging n„ storie ken weeging is gemaakt geworden, zoo als de Resolutien van dien tijd, en zin wel Edelens nagelaaten Memorie duijdelijk aantoonen, En dien volgende vond ik goed mij in het begin met die zaak niet te meleeren, maar het zelve tot een bekwamere gelegendheijd uijt„ te stellen, gelijk zulks breedvoerig gecompre„ hendeerd staat bij secreete Resolutie van den 27:' Iuly. Ondertusschen liet ik egter niet nia, om onderhands, door alle mogelijke middelen te werken, om de vijf kasten tot een spoedige te rug komst te beweegen, laatende hun zelfs van ter zijde versekeren, dat aan hun op de een of andere wijze genoegen zou gegeven wor„ den. Maar niemand wilden daar na minder hooren als zij, geevende vervolgens zoo door hun. 74 hun gedrag als woorden duijdelijk genoeg te kennen, dat in hoe slegte omstandigheeden zij zig, met opzigt op hunnen staat, ook mogten bevinden, zij egter nooijt dagten te rug te keeren, zoo lang de hoofden van de overige Castens niet aan haare promesse hadden voldaan. En in deeze omstandigheijd bleef dien turst voortloopen tot den 24. ' augustus wan„ neer de gezamentlijke Castens der Ambagts„ lieden bij mij zouden drie persoonen, uijt het midden van hun daar toe gecommitteerd, die mij ter hand stelden een Translaat Re„ quest, behelsende zodanige klagten, met de reedenen van hunne uijtwijking, als door mij zoo even zijn aangehaald. Boven dien zag ik ook uijt dit schrif„ tuur met zeer groote Ergernis en geen minder ontstigting. der
English
indignation that the Company merchant Tieromanij Chittij, who throughout the entire exodus had played such a prominent role in the rebellion, was also, alongside some other minor headmen, the principal cause of the craftsmen's exodus, having enticed them to it by promising them the use of a palanquin at their weddings, although he was now unwilling to keep his word. And since upon this alone depended the return of the craftsmen, who absolutely could no longer be spared unless one wished entirely to neglect the Company's ships and vessels along with the more important work of the mint, we resolved on 28 August, on the basis of what was charged against him in the petition of the castes, to order the proud merchant Tieromenij Chittij during the meeting to settle the dispute with the five castes of craftsmen to the satisfaction of the government within the space of eight days, or else he would be held liable for all the detrimental consequences that might result therefrom for the Company and its subjects. Yet instead of complying with this order, the collective merchants came to me on the 3rd of this month and declared unanimously that all of them together, and thus even less Tieromenij Chittij alone, saw the slightest possibility of persuading all the different castes residing in this city, which mainly consisted of common folk who had nothing to lose, to grant to the five castes of craftsmen the use of a palanquin at their wedding feasts and the carrying around of the bridegroom and bride with it through a larger circumference of the city than had been granted in the time of the late Mr. Haksteen, although they for their part willingly wished to consent to it by handing over to me proof thereof, confirmed by their usual signatures. And since this offer was all that could reasonably be demanded of them, I immediately had them sign such a paper drawn up in the form of a declaration, which they did willingly. And on the basis of this declaration, it was resolved in the Council of Policy on the 5th of this month, for such weighty reasons as are expressed in the secret resolution, to permit the five castes of craftsmen henceforth the use of a palanquin at their weddings through such a part of the city as was simultaneously designated therein. We have also devised the necessary orders and commands to prevent a riot, which is certainly to be feared when they perform their ceremony for the first time. Upon this, Right Honorable Sirs, the five castes of craftsmen finally returned on the 8th of this month, wherefore I can properly say for the first time that the rebellion has been completely stilled since this day. But what a meager satisfaction for my well-meaning efforts! By which I have attempted to accommodate the Company in an easy manner regarding the excessive expenses it must incur annually for the maintenance of the old and dilapidated fortification works of this city, which require a general repair, and for which, in my opinion, no one was closer at hand than the inhabitants, for they, as well as we, must be protected by them. Yet how unhappily I have succeeded in this, to my sensible sorrow, Your Right Excellencies have already, as I trust, learned in sufficient detail from the report made of it by me. If, however, I have contrary to expectation not been detailed enough in anything, I hope that the secret resolutions now being transmitted may remedy that defect, and that Your Right Excellencies will meanwhile not be pleased to refuse me the satisfaction of favorably approving my conduct maintained in this matter. Yet because through this rebellion the honor and luster of my character, which I received directly from Your Right Excellencies, and the dignity of the Council have been sensibly insulted, principally by the chief instigator Tieromenij Chittij and some of his faction, I therefore request from Your Right Excellencies for us an equitable satisfaction, which I did not wish to give either to myself or to the Council, so as not to be accused of hatred. And I request this all the more because, for the Company's true interest, it has become high time to somewhat curb the pride of such prominent fellows among the Malabars, who seem no longer able to live peacefully under the mild laws of the Society. Finally, with relation to foreign nations, I take the liberty of dutifully communicating to Your Right Excellencies that on 2 July I received news from Madras that war was declared against France by the Court of Great Britain on 4 March of this year, on the grounds that the King of France had declared the Americans to be a free people, independent of the British Crown; this weighty news having been written from England in a letter that was sent via Alexandria to Suez, from where the packet boat De Morgenster brought it to Madras on 26 June. One did not need to doubt the authenticity of this news for a single moment, as it was directly confirmed by the military movements that were immediately made by both nations on this coast. Further, however, the truth of it came to
Dutch transcription
ontstigting, dat Compagnies koopman Tieromanij chittij, welke geduurende de gansche uijtwijking, zulk een voornaame rol in het oproer hadt ge„ Afrelt, ook nevens eenige andere mindere hoof„ den, de voornaamste oorsaak van het uijtwij„ ken der Ambagtslieden was, als hebbende hun daar toe uijtgelokt, door aan haar het gebruijk van een palinquin op hunne bruijloften te belooven, schoon hij nu zijn woord niet wilde houden En nadien hier van alleen afhong de te rug komst der ambagtslieden, die volstrekt niet langer konden worden gemist, ten zij men Compagnies scheepen en vaarthuijgen, met het voornaamer werk van de munt ver in het geheel wilden waarlozen, besloten wij op den 28. ' Aug=s, den grootshartigen Hande„ laar Tieromenij Chittij op fundament van het 75 het geen ham wierdt te lasten gelegd, bij het Re„ quest van de Castens, staande vergadering te ordonneeren, om het verschil met de vijf Cas„ tens der Ambagtslieden aftemaaken, tot genoe„ gen der Regeering binnen den tijd van Agt dagen, of dat hij anders aanspreekelijk zou gehouden worden, voor alle de nadeelige gevolgen welke daar uijt voor de Compagnie en haare onderda„ nen zouden kunnen resulteeren Dog in plaats van aan dit bevel te vol„ doen kwamen de gesamentlijke kooplieden of den 3:' deeser bij mij en verklaarden Eenpaarig dat zij met hun alle, en dus nog veel minder Tieromenij Chittij alleen de minste mogelijk„ heijd zagen, om alle de differente Castens die zig in deese stad bevonden, en voornamentlijk bestonden, uijt gemeen soort van volk, die niets te verliesen hadden te beweegen, om aan de vijf Castans. ij van Castens der Ambagtslieden toeteslaan, het ge„ bruijk van een palinquin op haare bruijlofts feeten, en het rond draagen daar meede van bruijdegom en bruijd door een grooter omtrek van de stad als ten tijde van de heer Haksteen /: L: M: was vergund geworden schoon zij daar in van haare zijde gaarne wilde toestemmen, door aan mij daar van een bewijs, met hunne gewoone handteekeningen bekragtigd ter hand te stellen. En dewijl deeze aanbieding alles was, wat men van hun met reedelijkheijd kon vergjen liet ik hun direct, zodanig een pappier, bij wijse van een verklaring ingerigt, tekenen, het geen zij gewillig deeden En op fundament van deese verklaring, is op den 5. hujus om zodanige gewigtige reedenen als bij de secreete Resolutie g'Expresseerd staan in Raade van politie besloten, aan de vijft kastens der 76 der Ambagtslieden toetestaan, het gebruijk voor„ taan van een palinguin op haare bruijloften, door zoodanig een gedeelte van de stad, als daar bij teffens is aangeweesen Ook hebben wij de noodige ordres en be„ veelen beraamd tot sluiting van oploop, die zekerlijk te vreesen is, wanneer zij hun Ce„ remonie voor de eerste reeze zullen verrigten. Hier op Hoog Edele Heeren, zijn dan Eijn„ delijk op den 8. ' hujus te rug gekeerd, de vijf Cas„ tens der Ambagtslieden, weshalven ik eijgentlijk eerst zeggen kan, dat het oproer sedert deezen dag volkomen gestild is. Maar wat een geringe satisfactie voor mijne welmeenende pogingen! waar door ik getragt heb, om de Compagnie op eene faciele wijs te gemoet te komen, in de Excessive kosten die zij Iaarlijks doen moet tot onderhouding van de is aan ans de oude en vervalle fortificatie werken deeses stad, die een generaale melioratie requireeren, en waar toe na mijne gedagten: niemand na„ der was, als de inwooners, want zij, zoo wel„ als wij, er door moeten beschermt worden. Dog hoe ongelukkig ik hier in, tot mijne sensible smerte geslaagd ben, hebben uwr Hoog Edelheeden, gelijk ik vertrouw bereeds omstandig genoeg vernomen uijt het daar van door mij gedaan verslag. Heb ik egter, ergens in, tegen verwagting niet omstandig genoeg geweest, ik hoop dat de thans overgaande secreete Resolutien dat gebrek vervullen mogen, en dat uwe Hoog Edelheedens mij ondertusschen niet zullen gelieven te wijgeren de satisfactie van mijn gedrag in deese zaak gehouden, gunstiglijk te approbeeren Edog wijl door dit opproor, de eer en uijster van van mijn Caracter, het geen ik van uwe Hoog Edel„ heeden onmiddelijk ontvangen heb, en de waardig„ heijd van den Raad sensibel gehoond is geworden, principaal door den oppersten in uijtemaaker Tieromenij Chittij, en eenigen van zijnen aanhang, zoo versoek ik voor ons van uwe Hoog Edelhee„ dens eene billijke satisfactie, die ik nog aan mij, nog aan den Raad heb willen geeven, om niet van haat beschuldigd te kunnen worden. En te meer versoeke ik dit, wijl het voor Compagnies ware intrest hoog tijd geworden is, den hoogmoet van zulke voornaame snaaken onder de Mallabaaren wat te fnuijken, die niet meer gerust schijnen te kunnen leeven, onder de zagte wetten van de Maatschappij. Eijndelijk neeme ik de vrijheijd met relatie tot de vreemde natien uwe Hoog Edelheedens schuldpligtig te Communiceeren, dat ik op den ng ijstr den 2: Iulij, van Madras tijding heb ontvan„ gen dat door het hof van groot brittanje op den 4. Maart deeses Iaars den oorlog is gedeclareerd geworden aan vrankrijk, uijt hoofde den koning van Vrankrijk de Americaanen verklaard hadt voor een vrije volk, onafhangkelijk van de britschen troon: zijnde dit gewigtig nieuws uijt Engeland geschreeven, in een brief die over Alexandrien na Suez gezonden is, van waar de Pakket boot de Morgenster hem op den 26. ' Iunij op Madras heeft aangebragt. Aan de egtheijd deezer tijding behoefde men geen oogen blik te twijfelen, alzoo die direct wierdt geconfirmeerd, door de krijgs„ bewegingen, welke immediaat door de beijde natien ter deeser kuste wierdt gemaakt. Nader egter kwam er de waarheijd van te
English
became apparent, when just 14 days later, a number of between 8 to 10000 native troops, gathered under the name of the Nawab's troops, marched toward Pondicherry and began to invest that city from afar. This army has since been joined by a part of the English military force, also said to consist of as many as 8 to 10000 men, though mostly native troops, with which General Monro, to whom the command of this united army has been entrusted, advanced before Pondicherry on the 21st of August. Since then, it is said, that place has been continuously and heavily bombarded by the English, and at the same time well defended by those inside, with the garrison of Pondicherry being estimated at 5000 armed men, who, as they say, consist of: 1200 European military personnel 300 ditto ditto artillerymen, and 3500 sepoys and armed inhabitants. Meanwhile, in order to reinforce Pondicherry all the more, the French have abandoned nearby Karikal, which place was taken into possession by the English on the 11th of August. Also on the 10th of August, according to authentic news that I have received, an action at sea took place at the latitude of and in sight of Cuddalore, between three English and French warships. The English fleet, 5 ships strong, bore down upon the French, numbering 5 ships, which were lying at anchor before Cuddalore, and upon this the battle began in the afternoon at two o'clock between three ships of both sides, which fired broadsides at each other until half past four in the evening, which—as I have been informed—was terrible to behold, especially the fight between the two commanders, who were positioned no further than a pistol shot from each other. It is supposed that the English suffered the most in this battle, on the grounds that they were the first to sheer off and make for the open sea, whereas the French, after having cruised back and forth until six o'clock, came to anchor close under the shore and near the roadstead of Cuddalore. Since then, as far as is known to me, nothing of importance has occurred at sea; it is indeed said that the English later took a small French frigate coming from the Islands, but I cannot report this as a positive truth. However, with greater grounds of probability, I dare inform your High Nobilities that the rumors grow stronger from day to day of the descent of Hyder Ali Khan to these lowlands. Who, as it is said, intends to join with the French and then take the Carnatic away from the Nawab Muhammad Ali Khan. The secret correspondence maintained by Hyder Ali Khan with the Governor-General of the French, although Pondicherry is besieged, makes me give all the more credit to that rumor, especially since I have seen and held in my hands several letters written by Hyder Ali Khan to Monsieur Bellecombe. Gladly would I have opened them secretly, in order to discover how matters actually stand, and especially on the grounds that I might thereby also have learned how Hyder Ali and the French were disposed toward our Company. However, of how much importance such a discovery might have been for the Company, I nevertheless did not dare take it upon myself to take such a step without special orders from your High Nobilities, for without them I would err too grievously and expose myself to too much accountability should Hyder Ali Khan discover it, although I could presently take as a pretext the current war with Hyder Ali on the Malabar coast. And accordingly, I very respectfully request to be furnished with your High Nobilities' orders and wise instructions regarding this, according to which I will strictly conduct myself in such cases. For a long time we, on the Company's behalf, remained ignorant of the declaration of war made in Europe between the two Powers. Yet finally, on the 14th of August at 11 o'clock in the morning, a letter was handed to me by an English gentleman named Joseph Revell, written by the Governor and the gentlemen of the Secret Committee at Madras under the date of the 3rd preceding to me and the Council, principally containing that the state of affairs in Europe and the orders they had received to act hostily against the French had made it necessary for them to keep a Resident at this place, to which they had appointed Mr. Revell to reside in this city with our permission, on which account they also kindly requested to assist him with everything he might need. However, based on your High Nobilities' positive orders contained in the letters of the 10th of July 1759, 10th of June 1760, and 15th of April 1761, we politely declined accepting Mr. Revell by letter to the aforementioned Secret Committee dated the 16th of August, as your High Nobilities may be pleased to see further from the Secret Resolution of the 15th preceding. I immediately communicated this decision to Mr. Revell, who was staying meanwhile, who thereupon requested me by letter of the 16th to be allowed to stay here as a private individual.
Dutch transcription
78 te blijken, toen pas 14: dagen daar aan, een ge„ tal van tusschen de 8. â 10000. man inlandsche troupes, onder den naam van 's Nababs trou„ pes bij een verzameld zijnde, na Pondicherij of marcheerden, en die stad van verre kwamen in te sluijten. Bij dit leger heeft zig zedert een gedeelte van de Engelsche krijgsmagt gevoegd, meede zoo men zegt wel in 8. â 10000. man, dog meest Inlandsche troupes, bestaande, waar meede de Generaal Monro, die het gebied over dit verEenigd leger is opgedraagen, op den 21. Augustus voor Pondicherij gerukt is. Sedert, zegd men, wordt die plaats door de Engelsche bij Continuatie hevig beschooten, en teffens door die van binnen wel gedefendeerd, en wordende het garnisoen van pondicherij be„ groot op 5000. gewappende manschappen, die zoo men an„ oon: men zegd zouden bestaan in 1200. koppen Europeesche militaeren 300: d„o d:o Arthilleristen, en „ Sipaaijs, en gewapende Inwoonders, 3500. Intusschen hebben de franschen om Pondi„ cherij des te meer te versterken, het na bij gelegen Carical verlaten, welke plaats op den 11. ' Augus„ tus is in bezit genoomen door de Engelschen. Ook is er op den 10. ' Augustus, volgens egte tijding die ik ontvangen heb, op de hoogte, en in het gezigt van Coedeloer een actie ter Zee voorgevallen, tusschen drie Engelsche en fran¬ sche oorlogscheepen. de Engelsche vloot sterk vijf scheepen kwam op de franschen groot 5. scheepen welke voor Coedeloer ten anker laagen, afzak„ ken, en hier op begon het gevegt des 's na mid„ dags ten twee uuren, tusschen drie scheepen van 32. 79 29 van bij de zijden, die met volle laagen op elkan„ deren gevuurd hebben tot 's avonds ten half vijf uuren dat /: zoo men mij gemeld heeft:/ ver„ schrikkelijk geweest was om aantezien, voor al het gevegt tusschen de beijde Commandeurs, die niet verder als een pistool-schoot van elkande„ ren gelegen hebben. Men supponeerd, dat in dit gevigt de En„ gelschen het meest zouden geleden hebben, uijt hoofden zij het eerste afhielden en zeekooszen, daar de franschen, na dat zij tot Zes uuren over en weder hadden gekruijst, digt onder de wal en na bij de rhee van Coedeloer ten anker kwamen Sedert is er op Zee voor zoo ver mij be„ kend is, niets van belang voorgevallen; Men Legt wel, dat de Engelschen naderhand een kleij„ 1 frans fregat, komende van de Eijlanden zoude genomen. pen genomen hebben, dog ik kan dit niet als een positive waarheijd of geeven Maar met meerder grond van waar„ schijnlijkheijd durve ik uwe Hoog Edelheeden melden, dat de gerugten van dag tot dag sterker worden van de afkomst van Naijder Alichan na deese beneede landen. Die zoo men Legt van meening is zig met de fransen te Conjun„ geeren en dan den Nabab Machomet Alichan, Carnatica afhandig te maaken. De geheime Correspondentie, die door Naijder Alichan met den Gouverneur Ge„ neraal der franschen gehouden word, schoon Pondicherij belegerd is, doen mij aan dat ge„ rugt des te meer geloof geeven, voor al sedert ik verscheijde brieven door Haijder Alichan aan Monsieur Bellecombe geschreeven, gezien, en in mijne handen gehad. hebbe Daarne 80 Gaarne hadt ik die eens in stilte geopend, om daar uijt te ontdekken hoe eyjgentlijk de vork gelijk men zegd in de steel steekt, en voor al uijt hoofde ik mogelijk daar door ook zou vernomen hebben, hoedanig Naij der Ali, en de franschen, tot onse Comp:e geintentioneerd waaren, dog van hoe veel belang zulk eene ontdakking ook voor de Maatschappij hadt kunnen weesen, heb ik het egter niet op mij durven neemen een diergelijken stap te doen, buijten speciale last van uwe Hoog Edelhee„ den, want ik mij zonder dien te deerlijk mis„ grijpen, en aan te veel verantwoording zou bloot stellen, zoo het Haijder Alichan eens ontdekte, schoon ik tans wel tot een voor„ wend zel zou kunnen neemen den presenten oorlog met Haijder Ali op de Mallabaar, En dienvolgende versoeke ik seer Eerbiediglijk om daar een en te et 81 daar omtrend met Hoog derzelver ordres, en wijze onderrigtingen te mogen worden gemunieerd, waar na ik mij in diergelijke gevallen stipte„ lijk zal gedraagen Lang zyn wij Compagnies wegen on„ kundig gebleeven van de in Europa gedaane Oorlogs declaratie tusschen de beijde Mogent„ heeden. Dog eijndelijk wierd mij op den 14. ' augus„ tus des 's morgens te 11. uuren door een Engel„ sche heer genaamd Ioseph Revell ter hand ge„ steld Een missive door den heer Gouverneur en de Heeren van het secreete Committe te Madras on„ der dato 3. bevoorens, aan mij en den Raad ge„ schreeven „behelzende ten principalen dat de gesteldheijd van zaaken in Europa, en de ordres die Haar Ed: ontvangen hadden om vijandelijk tegen de fransen te ageeren, het noodzakelijk gemaakt. 84 gemaakt hadt, dat zij een Resident op deese plaats hielden, waar toe Le de heer Revell hadden aan„ gesteld, om met permissie van ons in deese stad te resideeren, wesweegens zij ook vriendelijk ver„ zogten om hem te assisteeren met al het geen hij noodig zou hebben; Edog wij hebben op funda„ ment van uw Hoog Edelheeden positive or„ dres, vervat bij brieven van den 10. ' Iulij 1759, 10. Iunij 1760. , en 15. April 1761. , het accepteeren van de heer Revell beleefdelijk g'Excuseerd bij brief aan het voorschreeve secreete Committe in dato 16. Augustus, zoo als uwe Hoog Edelheeden nader gelieven te zien bij de Secreete Resolutie van den 15. bevoorens. Van dit besluijt, gaf ik de heer Revell, die zig zoo lang te maaer ophield direct Commu„ nicatie, welke mij daar op bij brief van den 16.' verzogt, om hier als een particulier persoon te mogen nt„
English
may reside, yet we found it best, in accordance with a secret resolution of that very day, not to express ourselves positively on the letter of Mr Revell until we should have received a reply to our letter to Madras, since we supposed that we would be fully informed from that answer whether the Madraspatnam government would be inclined to allow someone on their behalf to reside in this city without holding any public character, by which we decided to govern ourselves. And although this does not appear from their answer, contained in a missive of the 2nd of this month, which solely contains grievances against us concerning the refusal of their Resident, about which they will shortly address Your High Excellencies, we nevertheless decided on the 15th instant, upon the further request made thereto by Mr Revell, to permit him to reside here as a private person, by virtue of this having been granted by Your High Excellencies. Meanwhile, I would nevertheless have wished that the orders against accepting a Resident had been sent by circular to our subordinate factories, so that the Sadraspatnam chiefs would not have accepted Mr Day as Resident on behalf of the English Company, as has now occurred according to what was advised by them in their missive of the 13th of August. Yet, as this was contrary to orders, we resolved on the 21st of August to instruct them, while transmitting the necessary extracts, to request Mr Day in a polite manner to leave their factory again or to lay down his character; and the observance of this order we also directed to Palleacatta for the information of the chiefs. Furthermore, we recommended the respective chiefs to maintain the strictest neutrality between the two nations, as well as the upholding of the honor and splendor of our flag. I will also have these matters observed here, and especially take care that no one can accuse us of the least partiality. Meanwhile, in this critical state of affairs on this coast, I find difficulty, without Your High Excellencies' further order, in complying with the discharge of our Topasses ordered in the general missive of the 15th of May, and the sending to Ceylon of the Company's Malays stationed here in garrison, and thus Copy of Secret Resolutions. N 3 45 Thursday the 19th of March 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy. Present: The Right Honorable Reinier van Vlissingen, Governor and Director etc. etc. The Senior Merchant and Head Administrator Philippus Jacobus Dormieux The Major and Commander of the Military Johan Ernst Godlob Hazelman The Merchant, Trade Bookkeeper, and First Warehouse Keeper Teracules Mossel The Merchant, Mint Master, and Adigar of this outer city Willem Duynevelt The Junior Merchant and Second Warehouse Keeper Joan Daniel Simons Jan Appongh The Under Merchant and Purveyor The Under Merchant, Secretary, and Cashier Martinus Stoffenberg Absent: The Merchant and Fiscal Martinus Koning, due to indisposition. After the matters described in the ordinary resolution of today were concluded, the Governor produced at the meeting a secret missive written by the Bimilipatnam chiefs to His Honor on the 27th of December 1777, together with a missive dispatched by the Prince Visiaramarasoe on the 21st of December to the aforesaid chiefs, and their answer thereto dispatched to His Highness on the 22nd of that month. And upon reading the aforesaid letters, it being seen from that of the Prince on the one hand that His Highness intended to keep the village of Bimilipatnam and its dependencies (the lease period of which is to expire at the end of May next) henceforth under his own control, and thus no longer lease it to the Company; but on the other hand it being perceived from the chiefs' letter of the 27th of December last that they judged that, despite the Raja's reservation, he might nevertheless be persuaded to cede that lease again to the Company on more advantageous terms; or otherwise that, should this Council judge the renewal of the lease unnecessary for the interest of the Company, or should the Raja contrary to expectation raise difficulties about ceding it under a more advantageous agreement, nevertheless, as matters stood there at present, the Company's seat and trade would be completely secured against all infringements and acts of violence on the part of the Rajas and their servants, since, ever since the castle of Vizianagaram was taken into possession by the English and the military forces of the Rajas were discharged, tranquility in those parts was not only entirely restored to the public benefit, but in addition our Company was assured of an undisturbed enjoyment of all its privileges. Whereupon, concerning this and concerning the further advice given in the aforesaid letter of the chiefs, namely that
Dutch transcription
mogen verblijven, dog wij vonden volgens secreet besluijt van dien eijgen dag, best, om ons op de brief van M:r Revell niet eerder positief te ver„ „klaaren, tot wij op onsen brief na Madras rescrip„ tie zoude, Erlangd hebben, nadien wij veronder„ stelden, dat wij uijt dat antwoord volkomen zou„ de worden onderrigt, of de Madraspatnam„ sche Regeering wel geneegen zou weesen, om ie„ mand haarentweegen in deese stad te laaten woonen, zonder het bekleeden van eenig publicq Caracter, waar na wij beslooten ons te reguleeren, En schoon dit, uijt haar antwoord, vervat bij missive van den 2. deeser niet en blijkt, als eenlijk behelsende doleancien tegen ons, over het wijgeren van haaren Resident, waar over zij zig eerst daags addresseeren zullen aan uwe Hoog Edelheeden, beslooten wij egter op den 15. Cou„ rant, op het daar toe nader gedaan verzoek van M=r 82 M:r Revell, denzelven te permitteeren, om alhier als een particulier persoon te mogen verblijven uijt hoofde dit door uwe Hoog Edelheeden toe„ gestaan is. Ondertusschen had ik egter wel gewenscht dat de ordres tegen het accepteeren van een Resi„ dent Circulair verzonden geweest waaren, na onse onderhoorige factorijen, alzoo de Sadras, patnamsche opperhoofden dan niet als Resi„ dent van wegen de Engelsche Compagnie zoude geaccepteerd hebben de heer Daij gelijk nu ge„ schied is, volgens het door hun geadviseerde bij missive van den 13. ' aug=s. — Dog wij hebben, wijl dit tegens de ordre streed op den 21. ' Aug=s beslooten, hun onder toe„ schikking van de noodige Extracten te gelasten, om de heer Daij, op eene beleefde wijze te versoe„ ken van hun Comptoir weder te verlaaten of zijn tetek ver„ Gou„ van zijn Caracter afteleggen, en de observantie dee„ zer ordre, hebben wij ook naar Palleacatta gelast tot narigt van de opperhoofden. voorts hebben wij de respective opperhoofden het onderhou„ den van de stipste neutraliteijt tusschen de beijde Natien gerecommandeerd, gelijk meede het offhouden van de eer en luijster van onse vlag„ Ik zal het een en ander alhier ook wel doen ob„ serveeren, en voor al zorg draagen, dat men ons van de minste Een zijdigheijd niet beschuldi„ gen kan. Ondertusschen maak ik in deese Critiquen toestand van tijd, ter deezer kuste zwarigheijd om, zonder uw Hoog Edelheedens nadere ordre te voldoen, aan de bij gemeene missive van den 15. Maij geordonneerde afdanking van onse toe„ passen, en wegzending na Ceijlon van de alhier garnisoen houdende Compagnie Maleijers, en dus Copia Secreete Resolutien. N 3 45 Donderdag den 19:' Maart 1778. 'Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie Present Den wel Edelen Gestrengen Weer Reinier van Vlissingen Gouverneur en Directeur &a: &a: Den Openkoopman en Hoofd. administrateur Philippus Iacobus Dormieux Den Majoor Sit en Hoofd den Militie Johan Ernst Godlob Hazelman, Den koopman Negotie Boekhouder en berste Pakhuijsmeester Teracules Mossel Den koopman, Muntmeester, en adigaar deeser buijten stad Willem Duijnevelt Den Litt: koopman en tweede Pakhuijsmeester Ioan Daniel Simons Jan Appongh Den onderkoopman en Dispencier Den onderkoopman Secretaris en Cassier Martinus Stoffenberg, absent den koopman en Fiscaal Martinus Koning mits indispositie Na dat de zaaken bij de gemeene resolutie van heeden beschreeven, waren afgelopen, wierd door den Heer Gouverneur O gouverneur ter vergadering geporoduceerd en secrete Missive door de Bimilipatnamschie opperhoofden op den 27: December 1777. aan zijn Edele geschreeven, nevens een missive door den Prins Visiaramarasoe op den Prins vikaraarasa op den 21:e December aan de voorsz: opperhoofden afgezonden, en hun antwoord daar op den 22:' van die maand aan zijn Hoogheid afge„ vaardigt. - En bij lecteure van de voorschreve brieven, uijt die van den Prins, aan de eene zijde gezien zijnde, dat zijn Hoogheid van meening was, het Dorp Bimi„ „lipatnam en derzelver onderhoorigheeden /:waar van den pagttijd met uE:o Maij aanstaande staat te exbirie„ „ren :/ voortaan onder zig te houden, en dus niet meer aan de Maatschappij te verpagten: dog aan den anderen kant wederom uijt der opperhoofdens brief van den 27:' December laastleeden ontwaard weezende) dat zij oordeeleten dat niet tegenstaande des Ratjas ingetogendheid p. hij egter wel te beweegen zoude zijn, die pagt wederom 36 wederom aan de Compagnie af te staan, op voordeeliger Conditien; of anders dat, zoo deezen Raade het vernieu„ „wen van de pagt voor het belang van de Maatschappij noodeloos mogte oordeelen, of wel den Radja tegen verwagting swaarigheijd maaken mogt, die onder een voordeliger beding af te staan, er nogtans zoo als de zaaken daar thans stonden den zeet en handel van de Comp: geheelijk zou bevijligd weezen tegen allen inbreuk en geweldenarijen van de zijde der Radjas en hunne bediendens, alzo 't sedert het Casteel van Visianagaram door de Engelsche in bezit genomen, en het krijgs volk van de Rad„ „jas afgedankt geworden was, de rust daar omstrecks niet alleen ten nutte van het afgemeen geheel her „steld geworden, maar daar en boven nog aan onze Maatschappij een ongestoord genot van alle haare voorregten verzekerd was. zoo is hier over, en over het verder geadviseerde bij den voorsz: brief van de opperhoofden namelijk, dat
English
that the power of those Princes would henceforth be considered of so little account that they would be incapable of committing any public injustice; it having been maturely deliberated and observed that taking Bimilipatnam back into lease, according to the advice given by the servants, being now no longer strictly necessary for our seat, trade, and collection there, since the English, who at present have the government of Visianagaram entirely in their hands, had given assurances to the chiefs of Bimilipatnam that the Company would continue to possess there an undisturbed enjoyment of all its privileges; one therefore ought not to proceed to it again, unless some advantage could be stipulated for the Company, or at least such conditions could be entered into whereby it, upon the chiefs taking Bimilipatnam into lease, had no further damage to expect; and consequently it was also approved and agreed solely to write to and authorize the Chiefs of Bimilipatnam that, if the opportunity should present itself to them to be able to renew the Contract regarding the taking back into lease of Bimilipatnam and its dependencies for the period of three Years (but no longer), provided it be on more reasonable terms and for a lower price than was stipulated in the previous Contract, to proceed directly thereto. However, should this not be possible, it is likewise, on the basis of the aforementioned assurance of the Company's safe seat, trade, and collection over there (upon which the Council rests assured), agreed to authorize the aforementioned servants to relinquish and hand over the leased Lands to the prince of Visiagapatnam on the 1st of June next, and further entirely to desist from entering into a new Contract. And furthermore, considering that the time is too short to be able to correspond further with the servants about this, it was approved to leave the management of this entire affair, with the Company's interest enclosed therein, entirely and completely to the good direction and fidelity of the chiefs; only desiring that the outcome of this matter will be communicated by them to this Government as soon as possible. Thus Done and Resolved in the Castle of Nagapatnam, date as aforesaid; (was signed:) R: v:n Vlissingen, P:s J:s Dormieurt, Willem Duijnevelt, J:n D: Simons, Jan Appingh, and Martinus Stoffenberg, J: E: G: Haselmann. Thursday the 26th of March 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy meeting, absent: The Merchant and Fiscal Martinus Koning, due to indisposition. After the matters described in today's common Resolution had been concluded, it was made known to the meeting by the Governor that no reasons whatsoever had appeared to His Honour from which he could have maintained that any of the Members of this Council could have remained ignorant of the recently occurred case, consisting of this: That some inhabitants of the Tanjore Lands, and among them also the Manaarcoil Subedar Cannagasaura Poele, in the beginning of this Year departed from the territory of the prince of Tanjore, and also betook themselves to this city and Company Villages. — And after this had been agreed to by the respective Members, His Honour continued that he had deemed it necessary to make this preliminary remark in order to be able to follow it with a short account of the matters which had since happened and had been performed by His Honour, so that a record of this and that, as well as of the decisions that might be taken on that subject today, could be kept in today's Resolution. And the Governor, having proceeded thereupon to give the account just promised, initially communicated: That on the 24th of January of this Year he had received a letter from the Prime Minister of the Tanjore Court, in which that Minister had given communication to His Honour that the Head Visiadoor and the inhabitants of Manaarcoil, together with the Regent of that district Cannagasawra Poele, had fled from there and settled in Nagapatnam and the Company's villages; with a request to His Honour to cause them, who were debtors of the prince, to be apprehended and delivered into the hands of the prince's servants. That, since causing such fled persons to be apprehended was not customary, His Honour, in compliance with the aforementioned request and following previous customs, had caused the gong to be beaten around this city and in the Company's villages for three consecutive days, announcing to all the fled inhabitants of the Tanjore lands that they were to leave this city and the territory of the Company at once, and were to betake themselves to their home regions; with which (as His Honour had learned) the greatest part of the emigrated inhabitants had complied, with the exception of Cannagasawra Poele, who, as had been reported to His Honour, had departed across the sea to elsewhere, namely to Jaffanapatnam. That His Honour had given notice of these his aforesaid actions to the Prime Minister of the Tanjore Court by letter of the 29th of January, in the expectation that he would have considered himself fully satisfied therewith. That, however well-founded this expectation was, one nevertheless very soon experienced the contrary, since only a few days thereafter all the passages from the prince's land to the territory of the Company were, by order of the Prime Minister, so impeded and closed by Tanjore forces that even letters which
Dutch transcription
dat die Prinsen magt, voortaan van zoo weijnig aanmerking zou gemaakt worden, dat dezelven onvermogend zoude weezen tot het pleegen van eenig openbaar ongelijk, rijpelijk gedelibereerd zijnde aange„ „merkt, dat het weder in pagt neemen van Bimili„ „patnam, volgens het geadviseerde door de bediendens, tans niet meer volstrekt noodzakelijk weezende, voor onzen zeet, handel en inzaam aldaar, alzoo de Engelsche, die thans het bestier van visianaga„ „ram geheel in handen hebben, aan de opperhoofden van Bimilipatnam verzekering gedaan had„ „den, dat de Maatschappij aldaar zou blijven bezitten een ongestoord genot van alle haare voor„ regten, men dus daar toe niet weder diende over te gaan, ten zij men 'er eenig voordeel voor de Comp: bij bedingen kon, of ten minsten zoodanige conditien kan aangaan, waar door zij, bij het in pagt neemen van Bimilipatnam scke opperhoofden geen schaade meer te wagten hadt, en dien volgende 37 volgende ook goedgevonden en verstaan de Bimi„ „lipatnamsche Opperhoofden eenlijk aan te schrijven en te qualificeeren, om, zoo hun gelegendheid voor„ komen mogt van het Contract wegens het weder in pagt neemen van Bimilipatnam en dies onder„ „hoorigheeden voor den tijd van drie Jaaren /:dog langer niet:) te kunnen vernieuwen, mits op redelij„ „ker voorwaarden en voor minder prijs als bij het voorige Contract bedongen is, daar toe dan maar directelijk overtegaan. Dog zoo hier toe geen mogelijkheijd weezen mogte, is almeede op fundament van de voorgewaagde verzekering van 'sComp:s vijligen zeet, handel en inzaam ginder (:waar op den Raad zig gerust steld:) verstaan, de voorsz: bediendens te quali„ „ficeeren om de in pagt genomen zijnde Landen op den 1:e Junij aanstaande, weder aan den vorst van visiagapatnam aftestaan en over te geeven, en voorts maar van het aangaan van een nieuw Con„ „tract „tract in het geheel af te zien. En is wijders uijt aanmerking dat de tijd te kort is, om hier over nader met de bediendens te kunnen Correspondeeren goedgevonden de behandeling deezer geheele affaire met het daarin opgesloten belang van de Maatschappij geheel en al aan der opperhoofden goede directie en trouwe over te laaten; eenlijk maar begeerende, dat door hun den uijtslag deezer zaake aan deeze Regeering ten spoedigsten zal woorden bedeeld.. Aldus Gedaan en Gearresteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ R: v:n Vlissingen, P:s J:s Dormieurt, Willem Duijnevelt, J:n D: Simons, Jan Ap„ „pingh, en Martinus Stoffenberg, J: E: G: Haselmann,. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Donderdag. 98 Donderdag den 26: Maart 1778. Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie, absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning mits indispositie Is, na dat de zaaken bij de gemeene Reso„ lutie van heeden beschreeven, haar beslag erlangd hadden, door den Heer Gouverneur ter vergadering te kennen gegeven, dat aan zijn Edele geen de minste reedenen voorgekomen waren, waaruijt dezelven zou hebben kunnen sustineeren, dat ie„ „mand van de Leeden deezes Raads onkundig zou kunnen gebleeven zijn van het jongst g'exteerde geval, hier in bestaande. Dat eenige inwooners van de Tansjoursche Landen en daar onder ook den Manaarcoilsche soubedaar Cannagasaura Poele, in het begin van van dit Jaar uijt het gebied van den vorst van Tansjour geweeken, mitsgaders zig naar deeze stad en Compagnies Dorpen begeeven hadden. — En na dat dit door de respective Leeden was toegestemd, heeft zijn Edele vervolgd, dat dezelve noodzaakelijk geagt hadt, deeze voor afspraak te doen, ten eijnde daar op te kunnen laaten vol„ „gen een kort verhaal van de zaaken welke sedert gebeurt, en door zijn Edele verrigt geworden waren, op dat van dit een en ander zoo wel als van de be„ sluijten, die heeden op dat sujct mogten genomen worden, aanteekening kon worden gehouden bij Resolutie van heeden. En hier op door den Heer Gouverneur getrec„ „den weezende, tot het doen van het zoo even toegezeg„ „de verhaal, Communiceerde denzelven aanvang ke„ „lijk. Dat hij op den 24: Januarij deezes Jaars ont„ vangen hadt een brief van den Albeschik van het 89 het Tansjoursche Hoff waar bij die Minister aan zijn Edele communicatie gegeven hadt, dat den Hoofd visiadoor en de inwooners van Manaarcoil, benevens de Regent van dat dis„ „trict Cannagasawra Poele, van daar gevlugt wa„ „ren, en zig in Nagapatnam en Comp:s dorpen ter neder gezet hadden; met verzoek aan zijn Edele, om hun, die debiteuren van den vorst waren, te laaten opvatten en in handen van 's vorsten bedien„ „dens overleveren, Dat, dewijl het laaten opvatten van dier „gelijke gevlugte persoonen in geen gebruijk was, zijn Edele ter voldoening aan het opgemelde verzoek, en na voorgaande gewoontens, in deeze stad, en op Compagnies dorpen, drie dagen agter elkanderen het bekken hadt laaten rond slaan, met aankundiging aan alle de gevlugte inwooners van de Pansjoursche landen dat zij deeze stad en het territoir van de Compagnie ten eersten zouden, hebben te verlaaten, en zig wesen naar ont¬ naar hun landen woonplaatzen hadden te begee„ „ven: waaraan (:zoo zijn Edele vernomen hadt:/ het grootste gedeelte van de uijtgeweeke inwooners voldaan hadden; uijtgesonderd Cannagasawea Poele, die zig, zoo als aan zijn Edele was gerapporteerd ge„ „worden, over zee naar elders en wel naar Iaffana„ „patnam begeeven hadt. Dat zijn Edele van deeze zijne voorschreeve ver„ rigtingen aan den Albeschik van het Tansjoursche Hoff kennis gegeven hadt bij brief van den 29: Januarij, in verwagting dat hij zig daarmeede volko„ men zou voldaan gehouden hebben: Dat hoe gegrond deeze verwagting ook was, men egter het contrarie van dien wel haast hadt onder„ „vonden, nadien maar wijnig dagen daarna alle de passagien uijt 'soorsten land naar het territoir van de Compagnie op ordre van den Albeschik door Tansjoursche volkeren zoodanig belet en geslooten geworden zijn, dat zelfs aan brieven die
English
who had to go to the south or north, or came from there, no passage had been granted to or from this city. That, however excessive such conduct already was, matters had not rested there, since on the 4th of February following, on behalf of the Company's Portonovo merchants, who had departed from here for Portonovo that morning, notice was given from Naoer to his Honour that they had been arrested there by the people of the new Naoer Regent named Chinappa Poele, and were to be transported inland to Triwaloer. That his Honour, regarding the aforesaid unreasonable actions, had addressed the Regent that very afternoon by letter, in which his Honour not only reclaimed the aforesaid traders in the strongest terms, but also left the consequences that might arise from such conduct directly to his account and responsibility. That his Honour, having received no answer from the Regent to the aforementioned letter before the 18th of February following, he had therein, with many circumlocutions, made known his innocence regarding the aforesaid case and sought to shift that violent act off his own shoulders by pretending that the guarantor of Cannagasaura Poele and his brothers (who had been chastised by the prince's people) had caused the Portonovo merchants to be arrested and handed over to the Regent of Naoer, for the reason that Cannagasaura Poele had remained under the protection of the Dutch Company and had thus not returned; That notwithstanding these false pretenses, which were merely advanced to cover the previously related unjust action with some appearance of right and equity, the Prince of Tansjour had nevertheless immediately sent orders to the aforementioned Naoer Regent to release the arrested Portonovo merchants and let them go their way; and that these, without having suffered any further harm, had returned here on the 18th of February, and departed for Portonovo the following day. After having thus related this incident in all its circumstances at length, the Governor proceeded further: That at that same time, when his Honour received information of the arrest at Naoer of the Company's Portonovo merchants, he had immediately sent a detachment of 24 armed sepoys to the borders dividing the territory of Naoer and the Company's lands, to see whether the aforesaid merchants could still be intercepted and brought back; but that this had failed, since the aforesaid merchants, just before the arrival of the aforesaid detachment, had passed the borders under an escort of English Company sepoys and were transported to Triwaloer. That at that time, however, several armed sepoys were still lingering in that vicinity, and principally in the Company's villages of Moeton and waddecoedij, who claimed to be in the English Company's pay, and that of these, an officer and four common sepoys, who had committed diverse hostilities against the inhabitants there, were caught by the detachment sent from here and brought in military arrest to the main guard within this Castle: where they had remained until his Honour received news that the Portonovo merchants had been released again. That as soon as his Honour had received the aforesaid news, he had sent the aforementioned prisoners with their weapons directly to Tansjour, communicating (by letter of the 18th of February) to the Colonel and Commander of the English troops there, named Matthew Horne, that they were the ones who had committed many acts of wantonness against the inhabitants in the Company's villages. That the aforesaid Commander, replying thereto by letter of the 21st following, had made known that he would punish that officer and the four sepoys according to the findings of the case, and therefore requested that his Honour would please send him from here the people who had been offended by those sepoys. That his Honour, taking into consideration that the aforesaid inhabitants, among whom were several women, could hardly be required to depart from here for Tansjour, his Honour had caused a notarial declaration to be executed concerning what had occurred in their village, which read word for word as follows. Today, the 24th of February 1778. Appeared before me, Johannes Abraham Bronsveld, First Sworn Clerk of Police and Secretary of the Honorable Council of Justice of this Castle, the inhabitants of the Company's village of waddecoedij, Sjesjappa Aijen, Sjesja Aijengaar, and wie soewenada koerkel, who, being qualified thereto by the Honorable Reinier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel, at the requisition of the Adigaar of the Villages, Johannes Scheuneman, acknowledged and declared to be true and truthful. That the night before the Company's merchants from Portonovo were detained and carried off at Naoer, and to their estimation at two o'clock, four sepoys of the English with muskets, together with two harkaras, came into the aforementioned village and broke through the back of the house of the first deponent, and forcibly robbed 84 mediten of paddy that he had lying there; after which they forced some women from this city, who had come to their village in the evening to buy paddy, but remained there that night and slept at the house of the first deponent as well as with the other deponents in the neighborhood, to carry that paddy and go with them, after the aforesaid English sepoys and harkaras had first the houses
Dutch transcription
108 die na de zuijd of noord moesten, of van daar kwa men, geen passagie van of naar deeze stad was verleend geworden. Dat hoe verregaande zulk een gedrag reeds was, het er egter niet bij was gebleeven, alzoo op den 4: Februarij daaraan volgende, uijt naam en van weegen Compagnies Portonovosche kooplieden, welke dien morgen van hier naar Portonovo vertrokken waren, van Naoer aan zijn Edele kennisse gegeven was, dat zij aldaar door het volk van den nieuwen Naverschen Regent in naame Chinappa Poele gearresteerd waren, en landwaarts in na Triwaloer stonden vervoerd te worden. - Dat zijn Edele, over de voorschreeve onbil„ „lijke gedoentens zig nog dien eijgen agtermiddag door een brief aan den Albeschik hadt geaddres„ „seerd, waar bij zijn Edele niet alleen de voorschree„ „ve handelaars op het allerkragtigste gereclameerd, maar ook de gevolgen die uijt zulk een gedrag Honden n stonden gebooren te worden, direct voor zijn reeke„ „ning en verantwoording gelaaten hadt. Dat zijn Edele op den voorgewaagde missive, niet voor den 18: Februarij daaraan volgende ant„ „woord van den Albeschik ontvangen hebbende, hij daar bij met zeer veel omwegen, zijne onschuld, no„ „pens het voorsz: geval hadt te kennen gegeven en getragt, die geweldadige daad van zijnen hals te schuijven, door quasie voor te geeven, dat den borg van Cannagasaura Poele, en zijne broeders (: die door svorsten volk gekastijd geworden waren:) de Porto„ „nooosche kooplieden hadt laaten arresteeren en aan den Regent van Naoer overgeeven, om reeden Canna„ gasawea Poele, onder de protectie van de Hollandsche Compagnie verbleeven, en dus niet te rug gekomen was; Dat niet tegenstaande deeze valsche voor„ geevens die slegts voorgewend waren om de voor verhaalde onregtvaardige handeling met eenigen 101 eenigen schijne van regt en billijkheijd te kunnen be„ „kleeden, den vorst van Tansjour, egter direct aan den voormelden Navenschen Regent ordre hadt afge„ „zonden om de gearresteerde Portonovosche kooplieden te largeeren en hunnes weegs te laaten gaan; en dat deezen daarop zonder verder eenig nadeel gelee„ „den te hebben, op den 18: Februarij alhier te rug ge„ „komen, en sdaags daaraan na Portonovo vertrok„ ken waren. Na dit geval, in alle zijne omstanden dus breedvoerig verhaald te hebben, vervolgde den Heer gouverneur alverder: Dat op die zelfde tijd, wanneer zijn Edele na„ rigt erlangde, van het arresteeren tot Naoer van Comp:s Portonovosche kooplieden, dezelve immediaat een Commando van 24: gewapende sipaijs gezon„ den hadt tot op de limiten, die het territoir van „de Naoer en „ Landen van de Compagnie van een scheijden, om te bezien of de voorschreeve kooplie„ den „den nog nit te onderscheppen en weder te rug te bren„ „gen waren; dog dat dit mislukt was, alzoo de voor„ schreeve kooplieden, even voor de aankomst van het voorsz: Commando, onder een bedekking van Engelsche Compagnies Sipaaijs, de limiten gepasseerd en naar Triwaloer vervoerd waren. Dat op dien tijd zig egter daar omstreekt, en wel principaal in 's Comp:s dorpen Moeton en waddecoedij, nog verscheijde gewapende sipaijs op„ hielden, die voorgaven in Engelsche Compagnies be„ solding te staan, en dat van dezelven, door het van hier afgezonden Commando, een officier en vier ge„ meene sipaaijs die aldaar diverse hostiliteijten aan de inwooners hadden gepleegd, geattrapeerd, en in militair arrest aan de hoofd-wagt binnen dit Cas„ „teel overgebragt geworden waren: waar ze zoo lang gezeeten hadden tot zijn Edele tijding ontvangen hadt dat de Portonovosche kooplieden weder waren gelargeerd geworden. Dat 102 Dat zijn Edele zoo dra hij de voorsz: tijding hadt gekreegen, de evengemelde arrestanten met hunne wapenen direct na Tansjour gezonden hadt, onder Com„ „municatie (:bij brief van den 18: Februarij:/ aan den Collonel en Commandant van de Engelsche troupes aldaar in naame Mat=ne Horne, dat zij die geene waren, die in Compagnies Dorpen veele baldadig heeden begaan hadden aan de inwooners Dat voorschreeve Commandant daar op bij brief van den 21: daar aan antwoordende, te ken„ „nen gegeeven hadt, dat hij dien officier en de vier Sipaaijs naar bevinding van zaaken zoude straffen, en derhalven verzogt dat zijn Edele, hem van hier geliefde toeteschikken, de menschen welke door die sipaaijs beledigd geworden waren. - Dat zijn Edele in consideratie neemende, dat het de voorschreeve inwooners, waar onder ver„ „scheijde vrouwen waren, kwalijk te vergen was, van hier naar Tansjour te vertrekken, zijn Edele ren Edele hun, van het voorgevallene op hun dorp een secretarieele verklaaring hadt laaten passeeren, die van woorde tot woorde luijden als volgd. Op Huijden den 24: Februarij 1778. Compareerde voor mij Johannes Abraham Bronsveld, Eerste geswoore Clerck van Politie en secretaris van den Agtbaaren Raad van Justitie deezes casteels, de inwooners van 's Comp:s Dorp waddecoedij, Sjesjappa Aijen, Sjesja Aijengaar en wie soewenada koerkel, dewelke als daar toe qualificatie hebbende van den welEdelen gestrengen Heer Reinier van vlissingen, gouver„ „neur en Directeur deezer Custe Cormandel, ter requisitie van den Adigaar der Dorpen D E: Iohannes Scheuneman be„ kenden en verklaarden waar en waaragtig te weezen. Dat de nagt te vooren dat 's Comp:s kooplieden van Portonovo te Naoer aangehouden en weggevoerd waren ge worden, en na hunlieder gissing te twee uuren, vier sipaaijs der Engelschen niet geweeren met en benevens twee harkars in opgemeld dorp gekomen, en het huijs van den eersten attestant agter in doorgebrooken, mitsgaders 84: medi„ ten nelij die hij hadt leggen met geweld geroofd, daar na eenige vrouwen uijt deeze stad die in hun Dorp 's avonds gekomen waren om Nelij te kopen, dog dien nagt daar ver„ bleeven, en ten huijze van hem eersten attestant zo wel, als bij de andere attestanten in de beurt sliepen, gedwongen Tts hadden, om die nelij te dragen en met hun te gaan, na alvoorens voorsz: Engelsche sipaaijs en harkars de huijzen
English
103 houses of the other attestants as well as that of Anna Aijen, had likewise forced their way in with violence, but finding nothing, had left. That the said English sepoys and hircarrahs had taken away by force from there their attestants, as well as the aforementioned Anna Aijen and the brother of the second attestant, by name Sakkere Apaija, together with and alongside three sepoys of the Honorable Company who had also come to that village to buy paddy and had remained there that night; but of which last-mentioned they nevertheless let two go on their way while en route, who were wearing their sepoy turbans. That the said English sepoys had also taken 38¼ measures of paddy, which one of the aforesaid women had bought for 9 fanums and put into a sack, carrying off all the aforesaid women and a sepoy of the Company who had on neither uniform nor turban, together with and alongside their attestants, subsequently, while committing all kinds of outrages upon them by kicking, beating, abusing, shoving, and tearing their clothes, etc., to Naoer, where they were detained at Moeteradij. That the following afternoon a certain Rama Kistna Poele, who held authority at Naoer, having questioned their attestants and having understood from them that they were inhabitants of the aforesaid Company's village, and that they had bought no other paddy than that which was harvested therein, the said Rama Kistna Poele had granted permission to them, as well as to the aforesaid sepoy and and women, to go on their way, without, however, returning their confiscated paddy. That they, the attestants, accordingly, having returned to Waddecoedij in the afternoon at four or half past four o'clock, had then found there a sergeant, two corporals, and twenty-five private sepoys of the Honorable Company, to whom they related their experiences of the previous night and that day. That just at that very time, an officer and four private sepoys, whom they suspected to be the same ones who had carried off the Company's merchants from Portonovo, and among whom the second attestant firmly asserted there was one who had been, among others, in their village the night before and had committed the said violence, arrived to pass through that road to Naoer. And that they, the attestants, having then made this known to the said troops of the Company, the said English sepoys, officer, and privates, alongside three more coolies carrying an empty dooly, and a peon who was with them, were arrested, although they offered resistance. That shortly thereafter the Commandant of the Sepoys, Mr. Zegelaar, arrived at Waddecoedij, to whom they, the attestants, gave a detailed account of all that is described above, who then sent that English sepoys' officer 104 officer and privates, as well as the peon and coolies, under arrest to the Thuijn China. Concluding herewith, the attestants declared that all they had stated contained the pure truth, giving as reason for their knowledge as mentioned in the text. Thus done and declared in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid, in the presence of the sworn clerk Johan Ioachim Hasz and Paulus Iosephus Kerkenberg, clerk at the aforementioned secretariat, as witnesses; the original minute hereof is properly signed, underneath stood: Which is attested, was signed: J. A. Bronsveld, Sworn Clerk. That His Honour had sent that declaration to the aforesaid Colonel, under his covering letter, wherein His Honour had indicated that it could not be demanded of those people to make such a long journey, and thus trusted that he would consider himself satisfied with the aforesaid declaration. That this matter had remained at this point until now, at least that the said English Commandant had since written nothing further to His Honour about it. That in the meantime a letter had been handed to His Honour, written on the 20th of February of this year by one Eduart Withe, who styled himself a Lieutenant in the service of the English Company, to the head of the troops within Nagapatnam. That from the contents of this letter, which had already been presented by His Honour in the meeting and inserted into the general resolution of this table on the 26th of February, it became evident that from that day, or from the 20th of February onwards, all the roads running from the Tanjore Lands to the Company's villages and this city were not only kept closed, but also all supply of grains and all other provisions to this place was prevented by troops in English pay. That this was not only being continued up to the present, but that, in addition, it was apparent from 105 the reports received by His Honour that by the English sepoys posted at Topotorre, all private vessels arriving from Ceylon and elsewhere and driven there by contrary winds, were being seized and detained by force. That this report had been further confirmed and finally fully substantiated, since they had recently dared to summon the master of the Company's sloop De Papegaaij, when it was passing Topotorre on its journey hither from Jaffanapatnam, from a cheling, in which there were at least 24 men along with the boatmen, calling out that he should shorten his sails and wait for them, as they wished to come aboard to inspect his sloop. That although the master of the said sloop troubled himself little with that shouting, but on the contrary had continued his journey hither
Dutch transcription
103 huijzen van de overige attestanten zoo wel als anen Anna Aijen, meede met geweld ingedrongen, dog niets vindende, verlaaten hadden. Dat gemelde Engelsche sipaaijs en harkars hun attes„ „tanten zoo wel als evengenoemde Anna Aijen en de broeder van den tweeden attestant in naame sakkere Apaija met en benevens drie sipais van D E Comp: die meede om nelij te koopen in dat Dorp gekomen en dien nagt daar verbleeven waren, van daar met geweld meede gevoerd hadden; dog van welke laaste zij egter twee die hunne sipaijs tulbanden op hadden, weder on„ der 's weegs lieten heenen gaan. Dat gemelde Engelsche Sipaaijs ook 38¼ maaten nelij die een van de voorsz: vrouwen voor 9: fanums gekogt en in een zak gedaan hadde, ontnomen hadden voerende alle de voorsz: vrouwen en een sipaaij van de Comp: die geen montee„ „ring nog tulband op hadt, met en benevens hun attestanten, vervolgens onder het peleegen van allerhande baldadigheeden aan hun met schoppen, slaan, schelden, stooten en scheuren hun nen kleederen etc:a naar Naoer, alwaar zij op Moeteradij gearresteerd wierden. Dat de volgende middag zeeker Rama kistna Poele die te Naoer het gezag voerde, hun attestanten ondervraagd en van hun te verstaan gekreegen hebbende, dat zij inwoonders van voorengemelde sComp:s dorp waren, en zij geen andere nelij dan die daar in geoogst waren gekogt hadden; gemel„ „den Rama kistna Poele hun zo wel als de voorsz sipaij en en vrouwen verlof vergund hadden om hunnes weegs te kunnen gaan, zonder egter hun weg genomen Nelij te rug te geeven. Dat zij attestanten dienvolgende dan ook 's namiddags om vier uuren of half vijff op waddecoedij gereverteerd zijnde, zij toen aldaar een sergeant, twee Corporaals en vijff en twin„ „tig gemeene Sipaijs van DE Comp: gevonden hadden, aan wien zij hun wedervaaren van 's nagts bevoorens en dien dag verhaald hadden. Dat net te dier zelfder tijd een officier en vier gemeene sipaijs die zij vermoededen dezelfde te zijn, welke s Comp:s koop„ „lieden van Portonovo hadden weggevoerd; en onder dewelke den tweeden attestant vast voorstond een te weezen die 's nagts te vooren onder anderen in hun dorp geweest en het gezegd ge„ „weld gepleegd hadde, aanquamen, om die weg door naar Naoer te gaan, En dat zij attestanten toen aan gemelde manschappen van de Comp:e zulks te kennen gegeeven heb„ „bende, gemelde Engelsche Sipaijs officier en gemeene, nevens nog drie Coelis die een leedige doelij droegen, en een pion die 'er bij was, gearresteerd waren geworden, of schoon zij daar teegen kan teden. - Dat kort daarop den Commandant der Sipaaijs de Heer Zegelaar te waddecoedij aangekomen was, aan win„ zij attestanten van al het gunt voorschreeven omstandig verhaal gedaan hadden, die als toen die Engelsche sipaijs officier 104 officier en gemeene zoo wel als pion en Coelijs in arrest naar de thuijn China gezonden hadden. Eijndigende hiermeede betuijgden de attestanten, dat al het geene zij verklaard hadden de zuijvere waarheijd behelsde, voor reeden van weetenschap geevende als in den text vermeld Aldus Gedaan en verklaard in't Casteel tot Nagapat„ „nam dato voorsz: ter presentie van den geswooren klerk Johan Ioachim Hasz: en Paulus Iosephus kerkenberg Clerck ter secretarije voormeld als getuijgen; de minute deezes is behoorlijk geteekend /:onderstond:/ 'Twelk getuijgd /: was geteekend:/ I:k A:n Bronsveld Eg Clercq: Dat zijn Edele die verklaring den voorsz: Collonel hadt toegezonden; onder desselfs geleijde letteren, waar bij zijn Edele hadt te kennen gegeeven, dat het die menschen niet te vergen was, zulk een lange reijs te doen, en dus vertrouwde dat hij zig voldaan zou houden met de voorsz: verklaaring. Dat die zaak hier bij tot nog toe was geblee„ „ven, ten minsten, dat gemelden Engelschen Comman„ „dant daarover sedert aan zijn Edele niets naders geschreven geschreeven hadt. Dat inmiddens aan zijn Edele was ter hand ge„ „steld geworden een briefje op den 20: Februarij deezes Jaars door eenen Eduart withe, die zig noemde te weezen Luijtenant in den dienst van de Engelsche Com„ pagnie, aan het hoofd der troupes binnen Nagapat„ „nam geschreeven. Dat uijt den inhoud van dit briefje, welke bereeds door zijn Edele in vergadering geproduceerd, en bij de gemeene resolutie deezer tafel van den 26=e Februarij geinsereerd geworden was, wident kwam te blijken, dat van dien dag of van den 20: Februarij af, alle de wegen uijt de Tansjoursche Landen naar Compagnies Dorpen en deeze stad loopende, niet alleen gesloten ge„ „houden, maar ook allen toevoer van graanen en alle andere levensmiddelen naar herwaarts belet gewor„ „den was, door troupes in Engelsche Soldij staande. Dat daarmeede niet alleen tot nog toe wierdt gecontinueert, maar dat daar en boven nog uijt de 105 de door zijn Edele ontvangen tijdingen consteerde, dat door de Engelsche Sipaaijs staande op Topotorre geposteerd, alle particuliere vaartuijgen die van ceilon en elders komen, en aldaar door Contrarie winden vervallen, met geweld gearresteerd en aange„ „houden worden. Dat deeze tijding nader geconfirmeerd, en eijnde„ „lijk volkomen bevestigd geworden was, nadien zij on„ „langs zig hadden durven verstouten om den gezag heb„ „ber van Comp:s sloep de Papegaaij, toen die op zijne herwaarts reijse van Iaffanapatnam. Topotorre passeerde, uijt een Chialing, waar in zig ten min„ „sten: 24: man, met de Chialengeniers bevonden, toe te roepen, dat hij zijne zeijlen zou hebben te ver„ minderen en hun intewagten, alzoo zij aan boord wilden komen, om zijn sloep te visiteeren. Dat schoon den gezaghebber van de ge„ melde sloep, zig wijnig aan dat geroep gestoort, maar daar en tegen zijne reijze naar herwaarts hadt.
English
had continued, His Honour nevertheless had considered this incident of so much weight that he had caused a declaration thereof to be passed by the aforesaid commander and his further crew members under presentation of an oath, which was verbatim of the following content. Today, the 14th of March 1778. Appeared before me, Johannes Abraham Bronsveld, First Sworn Clerk at the secretariat of the Coromandel government, in the presence of the after-mentioned witnesses, the Boatswain and commander of the Company's Shallop De Papegaaij, Iacob Groeneweg, and the quartermaster Iacob van der Slem, together with the Sailors Robbent williams and quirijn de Haan, who together, at the requisition of the Right Honourable, rigorous Lord Reinier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the General Dutch Chartered East India Company on this Coast of Coromandel with its Dependencies, acknowledged and declared to be true and truthful: That on their latest voyage from Jaffanapatnam hither on the 9th of this month, having arrived south of Topotore at four o'clock in the afternoon, there then came sailing alongside a so-called Kallathoni from the sea to the windward of their small vessel; whereupon the first deponent, through one of the native sailors, had two English sepoys, who alone showed themselves above that small vessel and called out to them, the deponents, asked what they wanted. That those two English sepoys had then requested that they, the deponents, should shorten sail so that they could come aboard to inspect the small craft; but that it was replied thereto that it was a Company vessel which contained lime from Jaffanapatnam for Nagapatnam, and they dared not delay the voyage for any reason. That they, the deponents, hoisted the flag and continued their course, and that Kallathoni with sails and rowing had done its best to board alongside their small vessel, but that, being in vain owing to the greater speed of their small craft, the frequently mentioned Kallathoni fell behind. That as long as they were at that latitude with their small craft, they had seen that that Kallathoni came cruising out of the bay every morning, and on one day had seized and detained on their voyage one boat and two other thonis that were sailing to the south. Ending, the deponents declared that they had testified the pure truth, remaining ready, if required, to confirm the same further under oath. Thus done and attested at Nagapatnam in the Castle on the date aforesaid, in the presence of Paulus Josephus Eerkenberg and Christiaan Bernardus Dirks, Clerks at the aforementioned secretariat, as witnesses. The minute of this is properly signed; underneath stood: which attests; signed: J:b A:n Bronsveld, First Sworn Clerk. That His Honour subsequently had caused the aforesaid declaration to be translated into the English language, and had sent a copy of that translation, together with his letter of the 14th of this month, to the repeatedly mentioned Commander of the English troops in Tanjore, requesting His Honour that, to counter these and similar outrages at sea, which directly conflicted with the treaties and alliances entered into and concluded between the crown of Great Britain and the Republic, he would be pleased to give the necessary orders so that such molestations might no longer take place in the future; further citing that His Honour otherwise, or upon finding the contrary, would see himself brought into the necessity of addressing himself in this regard to the English Government at Madraspatnam. And, after the Lord Governor had subsequently declared to have received no answer up to now, much less any satisfaction from the aforesaid English Commander, His Honour further proposed not to leave the Madraspatnam Government any longer ignorant of the aforesaid hostilities, but on the contrary to give communication of the events treated herebefore to the Governor and Council there, with a request not only to procure adequate satisfaction for the Company on account of the aforesaid irregular actions by ordering the Commander of the English troops in Tanjore immediately to recall the sepoys who had taken up post around this city, but also to induce the Prince of Tanjore to cease his aforementioned inequitable actions, and on the contrary to let this city and its inhabitants enjoy undisturbed the privileges that belong and appertain to them; and to make this request in such friendly and fitting terms as stood expressed in the draft letter drawn up by His Honour, the same being of the following content: Madraspatnam To the Honourable Lord Thomas Rumbold, President and Governor of Fort St. George and the Coast of Coromandel, on behalf of the Royal English East India Company, together with the Council there. Right Honourable Sir, and Sirs! From the 31st of January of this year we have borne with the utmost patience the vexations by the Tanjorean forces, and from the 20th of February thereafter, also observed with calm the molestations committed by sepoys of the English Company against the inhabitants of this city and the villages belonging thereunder, and thus against the possessions of the Dutch Company. A certain misunderstanding, Gentlemen, that took place between the Factotum of the Tanjore Court, named Batjana, and the recently dismissed Regent of Manaarcoil, Cannagasawra Poele, seems to have caused the aforesaid vexations, which go so far
Dutch transcription
hadt voortgezet, zijn Edele egter dit voorval van zoo veel gewigt geoordeeld hadt, dat hij daarvan door den voorsz: gezaghebber, en zijne verdere schepelin„ „gen, een verklaring hadt laaten passeeren onder pre„ „sentatie van eede; die woordelijk was van den„ volgende inhoud. Op Huijden den 14:e Maart 1778. Compareerde voor mij Johannes Abraham Bronsveld, Eerste geswoore Clercq ter secretarije van het Cormandelsche gouvernement, present de natemeldene getuijgen den Bootsman en gezaghebber van sComp:s Chialoup De Papegaaij Iacob Groeneweg, en den quartiermeester Iacob van der Slem, mitsgaders de Mattroosen Robbent williams en quirijn de Haan, dewelke gezament„ lijk ter requisitie van den wel Edelen gestrengen Heer Reinier van Vlissingen, gouverneur en Directeur van wee„ „gen de generaale Nederlandsche geoctroijeerde Oost-indi„ „sche Comp: te deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien, bekenden en verklaarden waar ende waaragtig te weezen. Dat zij op hun Jongste reijze van Iaffanapat„ nam herwaarts op den 9: deezer, des namiddags om vier uuren tot bezuijden Topotore geraakt zijnde, als toen een 1 106 een zoo genaamde Calle Thonij uijt zee te loeverd van hun bodemptje kwam op sij zeijlen; waar op den eersten attestant door een van de swarte mattroosen aan twee Engelsche sipaaijs die haar boven dat vaartuijgje al„ „leen vertoonden, en na hun attestanten toeriepen, lie„ „ten vragen wat zij hebben wilden. - Dat die twee Engelsche Sipaijs toen begeerd hadden dat zij attestanten zouden zeijlen minderen, op dat zij konden aan boord komen om het kieltje te visiteeren; dog dat daar op gerepliceerd was dat het een Comp:s vaar„ tuijg was, dat kalk van Iaffanapatnam voor Nagapatnam in had, en men om geene reedenen de reijze durfde vertraagen. Dat zij attestanten de vlag bijgemaakt en hun Cours vervolgen„ „de, die Calle thonij met zeijlen en roeijen zijn best gedaan hadt om hun bodemptje op zeij te klampen, dog dat zulk segter door de sterker vaart van hun kieltje, te vergeefs zijnde, meermelde Calle Thonij agter uijt geraakt was. Dat zo lange zij met hun kieltje op die hoogte waren, gezien hadden, dat die Calle thonij alle morgen uijt de bogt quam kruijzen, en op een dag Een boskop en nog twee andere thonijs die na de zuijd zeijlden aan en in hunne reijze opgehouden hadde. Eijndigende verklaarde de attestanten de zuijvere waarheijd betuijgd te hebben, berijd blijvende dezelve, des gere quireerd werdende nader met eede gestand te doen. - Aldus gedaan en geattesteerd tot Nagapatnam in 't Casteel dato voorsz: ter presentie van Paulus Josephus te ƒ Josephus Eerkenberg; in Christiaan Bernardus Dirks, Ceerc„ „ken ter secretarije voorm: als getuijgen, de minute deezes is behoorlijk geteekend /:onderstond:/'twelk getuijgd /:geteekend:/ J:b A:n Bronsveld Eg Clercq, Dat zijn Edele vervolgens de voorschreeve verklaring hadt laaten translateeren in de Engelsche taale, en een afschrift van dat translaat, nevens zijnen brief van den 14:' deezer maand gezonden hadt aan den meergemelden Comman„ „dant van de Engelsche troupen en Tansjour, met verzoek aan zijn Edele dat hij tot tegengang van die en soortgelijke baldadigheeden ter zee, welke direct streeden tegen de tractaaten en alleantien tusschen de kroon van Groot Bridtanje en de Republicq aangegaanen ge„ „sloten, de nodige ordres geliefde te stellen, op dat dier gelijke molesten in het vervolg geen plaats meer heb„ ben mogte; onder aanhaaling verder, dat zijn Edele zig anders of bij bevinding van het tegendeel, in de nood„ „zakelijkheijd zou gebragt zien, om zig dierweegens aan de Engelsche Regeering tot Maaraspatnam te 107 te adresseeren. En, na dat den Heer Gouverneur vervolgens ver„ klaard hadt, van hier op tot nog toe geen antwoord, veel min eenige satisfactie erlangd te hebben, van den voor„ schreeven Engelschen Commandant, proponeerde zijn Edele verder, om de Madraspatnamsche Regeering niet langer onkundig te laaten van de voorsz: hostiliteijten, maar daar en teegen aan den Gou„ verneur en Raad aldaar, van de hier voor verhan„ delde gebeurtenissen Communicatie te geeven, met verzoek niet alleen om de Maatschappij wegens de voorsz: irriguliere bedrijven eene voldoende satisfac„ tie te bezorgen door den Commandant van de Engelsche troupes in Tansjour te gelasten, van immediaat de rondsom deeze stad post gevat hebbende Sipaaijs te rug te ontbieden, maar ook den vorst van Tansjour te beweegen om zijne hier vooren gementioneerde onbil„ „lijke handelwijzen te staaken, en daar en tegen deeze stad en haare inwooners ongestoord te laaten genue„ ten „ „ten de voorregten die haar toekomen en Competeeren: mitsgaders dit verzoek te doen in zoodanige vrunde„ „lijke en gepaste termen als bij de door zijn Edele ontwor„ „pe Concept missive stonde g'xpreserd: zijnde dezelve van den volgende inhoud. Madraspatnam Aan den Edelen Heer Thomas Rumbold, President en gouverneur van 't Fort S=t George en de cust Corman„ „del, wegens de Roijale Engelsche Oost. Indi„ „sche Comp: nevens den Raad aldaar WelEdele Heer, en Heeren! wij hebben van den 31: Januarij deezes Jaars met de uij„ terste geduld verdragen de vajatiet door de Tansjoursche volkeren, en van den 20: Februarij daar aan, ook met bedaardheijd aangezien, de kwellingen door Sipaijs van de Engelsche Comp: gepleegd, tegen de ingezetenen van deeze stad, en de daar onder resorteerende dorpen, en dus tegens de bezittingen van de Hollandsche Comp: zeeker mis verstand mijn Heeren, dat 'er plaats gehad heeft, tusschen den Albeschik van het Tansjoursche Hooff in naame Batjana en den Jongst uijt zijnen dienst gedimoveer„ den Manaarcoilschen Regent Cannagasawra Poele, schij „nen de voorsz: vecatien veroorzaakt te hebben, die zoo ver gaan
English
that not only are the Company's subjects prevented from all trade and movement in the Tanjore lands, but in addition, all roads leading to the Company's villages and this city are closed by sepoys of the English Company, who are stationed on the borders of the King's lands, and all supply of merchandise and provisions brought hither, however small, is stopped. A course of action by the Ministers of the Tanjore Court directly conflicting with the contents of all Cowles, contracts, or Parwannas granted to our Company by the former rulers of Tanjore, and confirmed by the present ruler upon assuming the Government in the year 1764, as well as renewed recently or in the year 1773, when his Excellency the Nabob Machomet Alichan had become conqueror of the Tanjore Kingdom, for thereby, Gentlemen, various privileges were granted to the Dutch Company in the lands of Tanjore, among which principally belongs our privilege of unhindered trade throughout the entire kingdom of Tanjore upon payment of half of the established tolls, the unimpeded dispatch or export hither of all kinds of merchandise and foodstuffs procured in the country, and the undisturbed or free flow of the descending upstream water to these low lands. Yet all these privileges, which we have been allowed to enjoy undisturbed for more than a century, seem at present not even to enter into consideration with the ruler of Tanjore or his Ministers. At least their present actions are completely contrary to them; and they have been especially so since they have been supported in their unlawful actions by troops belonging to the English Company. Regarding which we believe we may rightly remark that very unfair action has been taken towards us, since such conduct not only runs directly contrary to the good harmony and friendship in which we trust to live in these regions with the entire English nation, but is above all contrary to the Treaties and Alliances of peace and friendship concluded between both nations in Europe. And since we trust that your Honours are ignorant of the conduct that has been and is still being maintained towards us for some time by the Ministers of Tanjore and the troops of the English Company, we have not only deemed it necessary by these our friendly letters to give your Honours notification thereof, but have also judged it necessary to reclaim from your Honours, as is currently done, the observance of the Sacred alliances to which the English nation on its part, as well as the Dutch, appeals from time to time in Europe. Furthermore, we very dutifully request your Honours not only to provide us with adequate satisfaction regarding the aforesaid irregular actions, by immediately ordering the Commandant of the English troops in Tanjore to recall the sepoys who have taken up positions around our borders, but we also require of your Honours, as allies of our state and Tanjore, to induce the ruler to cease his aforesaid unfair actions, and to let us henceforth enjoy undisturbed the privileges that fairly belong and pertain to us according to the contracts of old entered into with the rulers of Tanjore. We shall be obliged to your Honours for this service, which we believe we may rightly demand from your Honours, as thereby all further animosities and their consequences will be prevented. Meanwhile we can assure your Honours on our part that we have never acted against the content of the aforesaid treaties or made any infraction upon the same, but on the contrary are prepared to contribute everything that may serve for the preservation of the good harmony between the two nations and the ruler of Tanjore. However, in the meantime, Gentlemen, we have deemed it necessary to keep a record in our Registers of the contents hereof, and of the contents of the letters that we have already exchanged concerning this matter with the officer who calls himself Commandant of the English troops in Tanjore, as well as of that written by Edward Withe, likewise calling himself Lieutenant in the service of the English Company, in order to serve in due time in such place and manner as we shall deem necessary for the interest of us and our Company; of which we likewise deem it advisable to give communication to your Honours; while we remain with very high esteem Honourable Sir and Gentlemen! Your Honours' humble and obedient Servants Signed: R: van Vlissingen, P: J: Dormieux, I: E: G: Hazelman, M=rs Koning, S:s Mossel, W: Duijnevelt, I: D: Simons, I: Appengh, and M: Stoffenberg In the margin: Nagapatnam in the Castle, the 28th of March 1778. Lower: P: S: Before this was dispatched to your Honours, the commanding mate on one of our Company's sloops reports
Dutch transcription
168 gaan dat niet alleen aan compagnies onderdaanen allen handel en wandel in de Tansjoursche Landen word belet, maar daar en boven worden ook alle wegen die naar Comp: dorpen en deeze stad loopen, door sipaaijs van de Engelsche Comp:, welke op de limiten van 's konings Landen geplaatst zijn, geslooten, mitsgaders allen toevoer van koopmanschappen en levensmid„ delen, herwaarts, hoe gering ook tegen gehouden. Eene handelwijze van de Ministers van het Tansjour „sche Hoff regtsdraats strijdende tegen den inhoud van alle Cauls, contracten of Parwannas door de voorige vorsten van Tansjour aan onze Compagnie verleend, en door den presenten vorst bij het aanvaarden der Regeering in den Jaare 1764 be„ „kragtigd, mitsgaders nog onlangs of in den Jaare 1773, wan„ „neer zijn Excellentie den Nabab Machomet Alichan overwinnaar van het Tansjoursche Rijk geworden was, vernieuwt, want daar bij mijn Heeren diverse privilegien aan de Hollandsche Comp: in de Landen van Tansjour zijn verleend geworden, waar onder wel principaal behoord ons voorregt van eenen on„ verhinderden handel, door het gansche rijk van Tansjour, onder betaaling van de helft der vastgestelde thollen, den onbelem„ werden af- of uijtvoer naar herwaarts van allerhande soorten in het Land geprocureerd wordende koopmanschappen en eetwharen„ en den ongestoorden of vrijen loop van het afkomend opperwater naar deeze beneede Landen. Dog alle deze privilegien, waarvan wij langer dan een Eeuw ongestoord hebben mogen gaudeeren, schijnen tans bij den vorst van Pansjour, of zijne Ministers niet eens in Consideratie te komen. Ten minsten haare tegenswoordige handelingen zijn daar teegen ten eenemaal strijdig; en vooral zijn die het geweest se„ dert zij in hunne onregtmaatige bedrijven ondersteunt geworden zijn door troupes de Engelsche Comp: toebehoorende. waarom„ trend „trend wij vermeenen met regt te mogen remarqueeren, dat daar in ten onzen opzigten zeer onbillijk is gehandeld, nadien zulk een gedrag niet alleen direct aanloopt tegens de goede harmonie en vriendschap, waarmeede wij vertrouwen in deeze gewesten met de gansche Engelsche natie te leeven, maar voor al strijdig is met de Tractaten en Alliantien van vreede en vriendschap tusschen de beijde natien in Europa geslooten. En dewijl wij vertrouwen dat uwe wel Edeles ignorant zijn van het gedrag dat door de Ministers van Tansjour en de troupes van de Engelsche Comp:e, sedert eenigen tijd ten onzen op zigten gehou„ den is, en nog gehouden wordt, hebben wij niet alleen noodzakelijk geagt door deeze onze vriendelijke letteren uwe wel Edeles daarvan no„ „tificatie te geeven, te geenen maar ook noodig geoordeeld van uwe wel- Ed:s te reclameeren, gelijk tans geschied, de onderhouding van de Hijlige verbonden waar op de Engelsche natien van haare zijde, zoo wel als de Hollandsche zig in Europa van tijd tot tijd beroept wijders verzoeken wij uwe wel Edeles zeer gedienstelijk om ons wegens de voorsz: irriguliere bedrijven niet alleen eene voldoende sa„ tisfactie te bezorgen, door immediaat den Commandant van de Engelsche troupes in Tansjour te gelasten, van de rondsom onze grensen post gevat hebbende sipaaijs te rug te ontbieden, maar wij requireeren ook van uwe welEd: als bondgenooten van onsen staat en Tansjour, den vorst te beweegen, zijne voorsz: onbillijke handelingen te staaken, en ons voortaan ongestoord te laaten genieten de voorregten die ons volgens de van ouds aangegaane contracten met de vorsten van Tansjour billijk toekomen en competeeren. wij zullen uwe wel Edele voor deeze dienst welke wij vermeenen met regt van uwe wel Edeles te mogen vorderen verpligt weezen, alzoo daar door alle verdere haatelijkheeden, en 0 derzelver 109 derzelver gevolgen zullen worden voorgekomen. Ondertusschen kunnen wij uwe welEdeles van onze zijde verzeekeren, dat wij nimmer tegen den inhoud van de voorsz verbonden gehandeld of eenige infractie in dezelve gemaakt hebben, maar daar en teegen bereijd zijn al het geene toe te brengen wat tot Conservatie van de goede harmonie tusschen de beijde natien, en den vorst van Tansjour zal kunnen dienen Dog inmiddens mijn Heeren, hebben wij noodig geoordeeld te van den inhoud deezes, en van den inhoud der brieven die wij bereeds over deeze affaire gewisseld hebben met den officier, die zig Commandant der Engelsche troupes in Tansjour noemd, mitsgaders van het geschreevene door Edward withe, noemen„ „de zig almeede Luijtenant in dienst van de Engelsche Comp:, aanteekening te houden bij onze Registers; om in der tijd te kunnen dienen daar en zoodanig, als wij voor het belang van ons en onse Maatschappij noodig zullen oordeelen te behooren; waar van wij almeede raadzaam oordeelen uwe wel Edeles Commu„ „nicatie te geven; terwijl wij met zeer veel hoog agting blijven /:onderstond:/ welEdele Heer en Heeren ! uwe wel Edeles onder„ danige en gehoorzaame Dienaaren /:was geteekend:/: R: V:n vlissingen, P: J: Dormieur, I: E G: Hazelman, M=rs koning, S:s Mossel, w: Duijnevelt, I: D: Simons, I: Appengh, en M: Stoffenberg /:in margine:/ Nagapatnam in 't Casteel den 28: Maart 1778. /:lager:/ P: S: Al„ voorens deeze aan UwelEd:s afgezonden is geworden, geeft den gezagvoerende stuurman op een onzer Comp:s Chia„ loupen
English
sloop named de Papegaaij, after we had already been informed of the detention and arrest of private vessels under Dutch flags by English Company sepoys stationed at the coastal places Toptorre and Naoer, made known to us the incident that had befallen him on his voyage from Iaffanapatnam to this place while sailing off Toptorre. We have had that steersman in command, along with his subordinates, make a declaration thereof under offer of oath, which we have the honor to present herewith to your honors. Whereupon, after prior deliberation, and principally out of consideration that the aforesaid unjust procedures are not only very detrimental to the inhabitants of this city and the territories subject to it, but also extremely pernicious and prejudicial to the Company's ancient privileges and prerogatives, it was, for the preservation thereof, not only approved and agreed to conform completely with the aforementioned proposal of the Governor, and accordingly to consider the aforementioned draft letter as adopted, but also to thank his Honor on behalf of the council for the aforementioned ample communication, of which note is hereby taken. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid; signed as before. G Friday, 3 April 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy. Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning, and The merchant lit:m Ioan Daniel Simons, on account of indisposition. It was represented to the council by the Governor that his Honor, in the recent meeting of 26 March last, had not only spoken very amply about the hostile conduct that had been maintained for some time by the Ministers of Tansjour and the Commandant of the English troops there against this city and the lands belonging thereto; but had also, among other things, communicated to this Council the correspondence that his Honor had held with the said Commandant regarding the hostilities successively committed by sepoys in the service of the English Company, both on the borders of the Company's lands and against vessels belonging to the Company or its subjects when passing the coastal places Naoer and Topotorre by sea; furthermore, that his Honor had also made known then that he had received no answer from the said Commandant to his last letter of 14 March. That thereupon, on the aforesaid day, it was resolved by this council to give notice of the aforementioned hostilities to the Government of Madraspatnam, with a request for equitable satisfaction; which was also done on the 28th thereafter. That his Honor, three days after dispatching the aforementioned letter, had received a letter written by the Madraspatnam Government to this Council on 25 March, from which his Honor had seen with astonishment that the Commandant of the English troops in Tansjour, instead of giving equitable satisfaction to our Company at his Honor's request regarding the hostilities committed in Company villages by a subahdar and four sepoys in English service, had seen fit to complain to the Government of Madraspatnam about the apprehension and arrest of the aforementioned subahdar and sepoys; just as if the apprehension and arrest of the aforesaid five native soldiers had been handled in a very unjust and unlawful manner. That he, to add authority to these unreasonable complaints of his, had also sent to Madras several interrogatory depositions made by the aforesaid subahdar and sepoys at Tansjour in an assembly of native officers, wherein they entirely denied the violence committed by them against Company villages, however fully this had been proven from here by the declaration made by the inhabitants of Waddecoedie sent thither; and could be proven even further by the Captain Commandant of our sepoys, Gijsbertus Zegelaar, who had been an eyewitness to the insolence and the violence they had committed. That nevertheless, on the basis of the aforesaid interrogatory depositions, to which the Government of Madraspatnam had been pleased to grant more credence than to the lawful complaints of his Honor, the aforesaid Government had seen fit, in its aforementioned letter of 25 March, to complain very emphatically about the apprehension and arrest of the often-mentioned subahdar and four sepoys: calling that deed an act of hostility and violence, for which reason they had seen fit to protest against his Honor regarding the consequences that might arise therefrom; as all this appeared further from the aforesaid letter and the interrogatory depositions sent along with it, which, having been translated into the Dutch language, read word for word as follows. To
Dutch transcription
„loupen genaamd de Papegaaij, na dat wijlereeds van de aan„ houding en arresteering van particuliere vaartuijgen met Hol„ „landsche vlaggen door Engelsche Comp:s Sipaaijs, geposteerd staan „de aan de Zeeplaatzen Toptorre en Naoer, geinformeerd waren, ons te kennen, het geval het welk hem op zijne reijze van Iaffa„ napatnam na herwaarts op de hoogte van Toptorre zeijlende was overgekomen. wij hebben dien Gezag hebbende Stuurman nevens zijne on„ der hoorige daarvan een verklaring onder presentatie van Eede laaten passeeren, die wij de eere hebben uwel Edelens nevens deezen aan te bieden Waarop na voorgaande deliberatie, en prin¬ cipaal uijt consideratie dat de voorsz: onregtvaar„ „dige proceduures niet alleen zeer nadeelig zijn voor de inwooners van deeze stad, en de Landen daar onder sorteerende, maar ook ten uijtersten perni„ „tieus en prejudicabel voor 's Comp:s oude voorregten en prerogativen, is, tot preserveering van dezelve, niet alleen goedgevonden en verstaan zig met de voorgewaag„ de propositie van den Heer Gouverneur volkomen te conformeeren, en dienvolgende den voorschreeven Concept 110 Concept missive te houden voor gearresteerd, maar ook zijn Edele uijtnaam van de vergadering te bedanken, voor de voorgewaagde ample communica„ „tie, waarvan bij deezen aanteekening gehouden wordt. Aldus Gedaan en Gearresteerd in t het Casteel tot Nagapatnam dato voorschreven /:ge„ teekend :/ als vooren. G Vrijdag den 3:e April 1778. 'Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning, en Den koopman lit:m Ioan Daniel Simons mits in„ dispositie. Is, door den Heer Gouverneur ter vergaderinge vertoond, dat zijn Edele in de Iongst gehoudene bij bij een komste van den 26: Maart laastleeden, niet al„ „leen zeer ampel gesprooken hadt over het vijandelijk gedrag, dat door de Ministers van Tansjour, en den Com„ mandant van de Engelsche troupes aldaar sedert eenigen tijd tegen deeze stad, en de daar onder behoorende Landen was gehouden; maar ook onder anderen aan deezen Raade Communicatie gegeven hadt van de brief wis„ seling die zijn Edele met gedagten Commandant ge„ houden hadt, over de hostiliteijten die successive gepleegt waren geworden door Sipaaijs in dienst van de Engelsche Compagnie, zoo op de limiten van Comp:s Landen als aan „de vaartuijgen der Maatschappij of haare onderdanen toebehoorende, bij het passeeren van de zeeplaatsen Naoer en Topotorre ter zee, mitsgaders dat zijn Edele toen ook kennis gegeeven hadt, dat dezelve op zijn laaste schrijven van den 14: Maart van gemelde Commandamt geen antwoord hadt bekomen. Dat daar op ten voorschreeve dagen, bij deeze vergadering was beslooten geworden, van de voorgewaagde 11 voorgewaagde hostiliteijten kennis te geeven, aan de RRegeering van Madraspatnam, met verzoek van eene billijke satisfactie; dat ook op den 28: daar aan geschied was. Dat zijn Edele drie dagen naar het afzen„ „den van den voorgewaagde brief, ontvangen hadt, een missive door de Madraspatnamsche Regeering op den 25: Maart aan deezen Raade geschreeven, waaruijt zijn Edele met verwondering gezien hadt, dat den Commandant van de Engelsche troupes in Tansjour, in plaatze van op zijn Edeles verzoek eene billijke satisfactie aan onze Maatschappij te geeven, over de hostiliteijten die door een soubedaar en vier Sipaaijs in Engelschen dienst zijnde, in Compagnies dorpen gepleegd geworden waren, hadt kunnen goedvinden over het opvatten en arresteeren van den voorschreeve soubedhaar en sipaijs klag„ „tig te vallen aan de Regeering van Madraspat„ nam; Juijst of door het opvatden en arresteeren van 3 van de voorsz: vijff Jnlandsche krijgers op eine zeer onbillijke en onwettige wijze was gehandelt gewor„ „den,- Dat hij, om deeze zijne onreedelijke klagten, gezag bij te zetten, teffens naar Madras gezon„ „den hadt eenige Interrogatoriums verklaaringen door den voorsz: Soubedhaar en Sipaijs op Tan„ „sjour gepasseerd in een vergadering van Jnland„ „sche officieren, waar bij zij volstrekt ontkend hadden het door hun gepleegd geweld op Compagnies Dorpen, hoe volkomen dit ook van hier beweezen was, met de derwaarts overgezondene verklaering door de Jn„ „wooners van waddecoedie gepasseerd: en nog nader zoude kunnen beweezen worden door den Capitain Commandant van onze Sipaais Gijsbertus Ze„ gelaar, die een oog getuijge geweest was, van de baldadigheeden, en het geweld dat zij gepleegd hadden. Dat egter op fundament van de voorsz: Inter„ rogatoriums 112 rogateriume verklaringen, waar aan de Regeering van Madraspatnam meer geloof hadden gelieven te defereeren, als aan de regtmaatige klagten van zijn Edele, de voorsz: Regeering hadt kunnen goed„ e „vinden bij haaren opgemelde missive van den 25:e Maart, zeer nadrukkelijk te klaagen over het opvat„ „ten en arresteeren van den meergemelden soubedhaar en vier Sipaaijs: die daad noemende een actie van hostiliteijt en violentie, waarom zij goedgevonden hadden tegen zijn Edele te protesteeren, wegens de gevolgen die daar uijt zouden kunnen ontstaan: gelijk dit een en ander nader Consteerde uijt den voor„ schreeve missive en de daar nevens overgezonden Jn„ terrogatoriums verklaringen, die in de Nederlandsche taale overgezet zijnde van woorde tot woorde luijden als volgd. Aan
English
To Governor and Council at Nagapatnam Honourable Sir and Gentlemen. We have for the present to inform your Honours that the Honourable Thomas Rumbold Esqr has assumed the authority of this government, having recently arrived here for that purpose with a ship from Europe. Through various representations made to us by the commanding officer of our troops at Tansjour, we are very distressed to find that differences have arisen between him and Mr. van Vlissingen, your Honours' Governor, concerning the conduct of our sepoys employed in the Tanjore lands, whom Mr. van Vlissingen on his own authority caused to be detained and disarmed by a military force, one subedar and four sepoys belonging to our Company, taking them to Nagapatnam, where it appears they were thrown into the prison and treated in an unfavorable manner, having made no distinction between the subedar, who is an officer of rank, and the common sepoys, and that they were kept in the prison for 15 days and only then brought beyond the limits and released again. Regarding the complaints upon which that treatment by Mr. van Vlissingen was founded, we have examined all the papers that were exchanged between him and the commanding officer at Tansjour on this matter, yet we can find nothing in them from which one could have assumed the power to commit such an act of hostility and violence against our sepoys, without first making a formal complaint or representation to us, or seeking a way to obtain satisfaction or redress for an alleged injury that might have been committed by our sepoys. This treatment is contrary to the custom and usage of nations living in friendship with one another; and it is in other respects so extraordinary that we cannot fail to complain in the strongest terms of the violent conduct on the part of Mr. van Vlissingen, even protesting against him for the consequences that might arise from it, since they are injurious to the interests of those who employ us, or the English nation. We remark at the same time that in this treatment only the name of Mr. van Vlissingen appears; and it is certain that from the nature and disposition of the treatment we have mentioned, we cannot judge that it is the result of a reasoned resolution in your Honours' government. We judge it expedient on this occasion to send your Honours a copy of the proceedings in the interrogatory meeting held at Tansjour to examine the complaints brought against the subedar and sepoys who were seized and arrested at Nagapatnam, wherein we further remark that these proceedings could not be completed entirely because Mr. van Vlissingen was unwilling to send to Tansjour the persons who complained about the sepoys to be examined; however, in the state in which they are, they will sufficiently attest to the violent conduct observed by that gentleman. At the same time that we deem it our duty to remonstrate against the act of hostility mentioned above, we are very far from desiring to support, in whatever manner it might be, any irregular doings of our sepoys or others belonging to our Company; while upon a well-founded complaint we shall be ready to give your Honours all justice and satisfaction that is in our power. The sepoys of our Company are at present employed in assisting the Raja of Tansjour in making his collections in the country, wherefore it is not impossible that some irregular actions might be committed, but we have already given and shall also continue to send strict orders that will prevent the same as much as possible, and we do not doubt that we shall find on your Honours' side the same regard for the preservation and strengthening of the good harmony that must subsist between the servants and the peoples of our respective colonies. We have the honour to be with perfect esteem, (was below:) Honourable Sir and Gentlemen, your Honours' very obedient and very humble servants, (was signed:) Th: Rumbold, John Whitehill, Hector Munro, Charles Smith, Samuel Johnson, and P: Perring, (in the margin:) Fort St George the 25th of March 1778. Proceedings of the Sepoy Interrogatory meeting held by order of Lieutenant Colonel Horne at Tansjour on 7 March 1778. President. Meer Saib Commandant, Subedars Members Lechime Nimbegerau Shack Ibrahim Tangapah Schack
Dutch transcription
Aan Gouverneur en Raad tot Nagapatnam WelEdele Heer, en Heeren. Wij hebben voor het tegenswoordige uwel Edeles te bedeelen, als dat den wel Edelen Heer Thomas Rumbold Esg=r, het ge„ zag deezes gouvernements overgenomen heeft, zijnde Jongst ten dien eijnde alhier met een schip uijt Europa aangekomen. Door diverse representatien die aan ons zijn gedaan, door de commandeerende officier van onze troupes tot Tansjour„ zijn wij zeer aangedaan te vinden, als dat er differen ten zijn ontstaan, tusschen hem en den Heer van Vlissingen, uwel Ed:s Gouverneur, aangaande het gedrag onzer Sipaaijs, die g'emploij„ „eerd zijn in de Tansjoursche Landen dewelke de Heer van vlissengen op zijn eijgen authoriteijt heeft doen aanhouden en ontwapenen door een militaire magt, een soubed haar en vier sipaaijs toebehoorende aan onze Comp:s dezelve na Naga„ patnam voerende, alwaar het blijkt dat dezelve in het gevan„ gen huijs geworpen, en op eene ongunstige wijse gehandelt, zijn, geen onderscheijd gemaakt hebbende tusschen den soubedaar, die een officier van rang is, en de gemeine Si„ paaijs, dat zij in het gevangen huijs 15: dagen gehouden en als toen buijten de limiten gebragt en weder los gelaa„ „ten zijn. R:t v:n Vlissingen Aangaande 43 Aangaande de klagten, waar op die behandeling van de Heer van vlissingen gegrond was, hebben wij alle de papieren die tusschen hem en de Commandeerende officier op Tansjour van deeze matirie gewisseld zijn, nagegaan, dog wij kunnen in dezelve niets vinden, waar uijt men zig de magt aange„ matigd hadde, om zulk een actie van hostiliteijt en geweld te pleegen, tegens onze sipaaijs, zonder eene formeele klagt of vertooning bevoorens aan ons te doen, dan wel eene weg te zoeken tot het erlangen van satisfactie of redres voor eene vermeende in Jurien die door onse Sipaaijs mogte zijn ge„ „pleegd geworden. Deeze behandeling is teegens het gebruijk en de gewoonte van natien die met elkanderen in vriendschap leeven; En het is in andere opsigten zoo extra- ordinair, dat wij niet nalaaten kunnen op het kragtigste te klagen over het geweldadig gedrag van de zijde van de Heer van vlissingen, Ia zelfs tegens hem protesteerende, voor de gevolgen die daaruijt zouden mogen ontstaan, dewijl dezelve Jnjurieus zijn voor de belangen van die ons em„ ploijeeren, of de Engelsche natie. wij remarqueeren teffens dat bij deeze behandeling eenlijk de naam van de Heer van Vlissingen te voor„ schijn komt; en 't is zeeker dat wij uijt de natuur en dispositie dier behandeling, welke wij gemeld hebben, niet kunnen oordeelen, dat het gevolg is van eene beredeneerde beredeneerde resolutie in uwel Edeles Gouvernement wij oordeelen het bij deeze gelegentheijd dienstig te wee„ „sen, om uwel Ed: te doen toekomen, een copij van Procidures in de Jnterrogtoriums vergadering tot Tansjour gehouden, om de klagten te examineeren, die tegens den Toubedaar ende sipaaijs welke opgevat, en tot Nagapatnam ge„ arresteerd, ingebragt zijn, waar bij wij nog remarqueeren, dat deeze Proceduures niet volmaakt hebben kunnen werden afgedaan, door dien de Heer van Vlissingen niet na Tansjour heeft willen zenden de persoonen die geklaagd hebben over de sipaaijs om g'examineerd te worden, egter zul„ len zij in den staat waar in zij zijn voldoende betuijgen kunnen het geweldadig gedrag geobserveerd bij dien Heer; Ter zelver tijd, dat wij het van onze pligt agten te remonstreeren, tegens de daad van vijandschap bovengemeld, zoo zijn wij wel verre van het verlangen, om te onder„ steunen, op wat manier het ook weezen mogte, eenige irregulaire gedoentens van onze sipaaijs, of wel andere onze Comp: toebehoorende; Terwijl wij op een wel gegron„ „de klagte zullen gereed weezen Uwel Edele alle regt en satisfactie te geeven, die in onze magt is, De Sipaaijs van onze Comp:e zijn voor het tegens„ woordige g'emploijeerd tot assistentie, van den Raja van Tansjour tot het doen van zijne Collecter in het Land, waarom het niet onmogelijk is, dat eenige irrigulaire 114 irrigulaire actien zouden kunnen gepleegd worden, dog wij hebben bereeds gegeeven en zullen ook nog con„ tinueeren te zenden stricte ordres, die dezelve zoo veel mogelijk zullen voorkomen, en wij twijffelen niet of wij zullen van uwelEd:s zijde dezelve betrag„ ting vinden, tot Conservatie en versterking van de goede harmonie, dewelke subsisteeren moet, tusschen de Dienaaren en de volkeren van onze respective Colonien wij hebben de eer met parfecte agting te zijn, /:on„ derstond:/ welEdele Heer en Heeren: uwel Ed:s zeer ge„ hoorzaame en zeer onderdanige Dienaaren /:was ge„ teekend:/ Th: Rumbold, John withihill, Hector Munro„ Charles Smith, Samuel Iohnson, en T: Perring, /: in margine:/ Fort S:t George den 25: Maart 1778. Prooedures van den Sipaaijs Interrogato„ riims vergadering gehouden op ordre van den Luijtenant colonel Horne tot Tansjour den 7: Maart 1778. President. Meer Saib Commandant, soubedhaars Leeden Lechime Nimbegerau Shack Jbrahim Tangapah Schack
English
Shack Esmal, subedar of the 15th battalion, Shack Ouliah, Shack Gusain, Ringasheij, sepoys of the said battalion, and Mooteiak, sepoy in the 6th battalion, having been called before the meeting to be interrogated upon the complaints filed against them by the Lord of Vlissingen, Governor of Nagapatnam, in his letter to Colonel Horne of the 17th of February last, as to why they were apprehended and arrested at Nagapatnam; which letter, along with various pieces from the letters of Lieutenant White to Colonel Horne relating to this matter, besides the secretarial declaration of some inhabitants of the Dutch establishments, are laid before the meeting for their further information and inserted herewith according to their various dates. The meeting is adjourned until Monday at eight o'clock. Pansjour, the 9th of March 1778. The meeting having convened according to the adjournment, proceeded to the examination of Shack Ousem, sepoy in the 15th battalion, who, being called and interrogated separately, declared that he was one of the sepoys making up the guard that had marched in February last with Shack Esmall, subedar of the village Truwvaloer, to Naoer with China Poele the havildar, and agrees in everything with the above-mentioned declarant concerning the capturing of the Dutch merchants and their own capture by the Dutch. Rengasheij, sepoy in the 15th battalion, being called, declares that some time in the month of February last he, with eleven other sepoys of his battalion under the command of a sergeant, had marched from Manaarcoil to Nagoer; Shack Esmal, subedar, the first declarant, had arrived there with four guards of sepoys, and the same day ordered by him to go with eleven of the other sepoys to conduct seven Dutch merchants, whom they had made prisoner, to a choultry about six miles distant on the road going to Truvaloer, which they had also done; and where, upon their arrival, they had found the havildar of that village, where a guard was left over the prisoners, and he, the declarant, with two other sepoys, was ordered to return with the subedar to Naoer. That on their way back to Naoer they were apprehended by some Dutch sepoys at a choultry at the corner of the common road where it divides to Nagapatnam and Naoer, and brought as prisoners and consigned to Nagapatnam, accurately in the manner already related by the preceding declarants. Mooteiath, sepoy in the 6th battalion, says that in the month of February last he was at Naver with some other sepoys under the command of China Tambie and a subedar of that battalion, who had captured seven merchants there by order of the renter of Truvaloen, and who had been brought by a subedar of the 15th battalion with a party of sepoys to a choultry about six miles from Nagoer; he, the declarant, was ordered to join them after he should have collected some moneys for the above-mentioned renter of Triwaloer; that having performed that service, he had set out for the designated place, but coming near a choultry situated between Naver, where a Dutch subedar and some sepoys had come up to him and asked who he was and where he was going; which having informed them, they had arrested him, just as they said he had also done to some persons from Nagapatnam; that at this time in the choultry were a subedar and three sepoys of the 15th battalion whom they had also arrested, also some coolies; in the other circumstances he fully agrees with the preceding declarants. Shack Ouliah, sepoy in the 15th battalion, says that some time ago in the past month he, with some sepoys of his battalion, was ordered to go to Nacoer with a hircarrah of the Raja; that about ten days after their arrival there, he and four other sepoys were ordered by his sergeant to go with the same hircarrah about four miles distant on the road to Truiwaloer; that upon arriving at this choultry, which is situated at the center where the road to Nagapatnam and Triwaloer divides, the hircarrah had ordered two sepoys to be placed in the rear part of the choultry, close to the road to Truwvaloer, and the declarant to be placed in the front of the choultry, with orders to the sentries to detain all persons passing with paddy; that the next morning at daybreak, two men and twelve women coming along the Triwaloer road toward the choultry, a man and a woman having a quantity of paddy in bags on their heads, and coming within eight to ten paces of the choultry, were called upon to halt by the two sentries behind the choultry, whereupon the man who had the bag of paddy immediately threw it down on the ground and ran away; that the hircarrah had ordered the others to be kept under arrest until he should return from a nearby village, the name of which is unknown to the declarant; that the hircarrah returned shortly thereafter with two Brahmins who, he said, had sold the paddy to these people, all of whom he ordered the sepoys to bring to Naoer, which they then also did; that the hircarrah having told the prisoners that he had orders to detain all the paddy going from the Raja's lands to Nagapatnam, they made no difficulty in going with the sepoys to Naoer, and a
Dutch transcription
schack Esmal subdaar van het 15=de batallion, shack ouliak, shack Gusain, Ringasheij, Sipaijen van gemelde battalion en Mooteiak Sipaij in het 6:s bat„ talion voor de vergadering geroepen zijnde, om gein„ terrogeerd te worden, op de tegens haar ingediende klagten door de Heer van Vlissingen Gouverneur van Nagapatnam in zijn brief aan Colonel Horne van den 17: Februarij J:o leeden, waarom zij opgevat en gearresteerd zijn geworden tot Nagapatnam, welke brief in diverse stukken uijt de brieven van Luijte„ nant white aan Colonel Horne die relatie hebben tot deeze affaire nevens de secretarieele declaratie van eenige inwooners van de Hollandsche btablissementen, worden, voor de vergadering gelegt, tot haar verdere informatie en hier bij geinsereerd volgens haar diverse datums De vergadering word uijtgesteld tot Maandag om agt uuren Pansjour den 9: Maart 1778 De vergadering vergadert zijnde volgens uijtstel heeft gepro„ cedeert tot de examinatie van shack ousem Sipaij in het 15: batallion die geroepen zijnde, en apart geinterrogeert, ver„ klaarde, dat hij een van de Sipaijs geweest is die de wagt uijtmaakt, die gemarcheert was, in Februarij laastl: met shack Esmall subdaar van het Dorp Truwvaloer naar Naoer met China Poele den Naweldaar, en accordeerd 2. 115 in alles met de bovingem: declarant, aangaande de gevan„ „gen neeming van de Hollandsche kooplieden en van haar selfs gevangen neeming door de Hollanders. Rengasheij Sipaij in het 15:e battallion geroepen zijnde, declareert dat eenige tijd in de maand Febr: laastleeden hij met elf andere sepaaijs van zijn battallion onder het Commando van een sergeant gemarcheert waren van Ma„ naarcoil, na Nagoer Sack Esmal soubedhaar /: de eerste declarant :/ aldaar gearriveerd was met vier wagten sipaijs„ en denzelven dag geordonneerd door hem, te gaan met elf van de andere sipaijs om te conduseeren zeven Holland„ sche kooplieden, die zij Presonier gemaakt hadden, na een sjauderie omtrent ses meijlen verre op den weg gaande na Truvaloer, het welke zij ook gedaan hadden; en al„ „waar zij bij haar aankomst den Haweldaar van dat dorp gevonden hadden, alwaar een wagt over de arrestanten gelaa„ „ten was, en hij de Declarant met twee andere siprijs geor„ donneerd was met den soubedhaar wederom naar Naoer te rug te gaan. Dat op haar te rug weg na Naoer zij opgevat waren door eenige Hollandsche Sipaaijs bij een sjanderij in den hoek van de gemeene weg waar 't zig scheijd na Nagapatnam en Naoer, en prisoniers gebragt en geconsigneerd tot Naga„ „patnam, accuraat in de manier bereeds gerelateerd door de voorgaande declaranten. Mooteiath sepaij in het 6: bastallion, sigt dat in de maand Febr: 3. 4o Febr: laastl: hij op Naver geweest is met eenige andere sipaijs onder commando van china Tambie en een soubedhaar van dat battallion, die aldaar gevangen geno„ men hadden zeven kooplieden, door ordre van den agter van Truvaloen, en die gebragt, waren geworden door een soubedhaar van het 15: battallion met een partij Sipaaijs na een sjauderie omtrend ses meijlen van Nagoer, hij declarant geordonneerd was„ zig bij haar te voegen na dat hij eenige gelden voor die bovenge„ „melde Pagter van Triwaloer zoude gecollecteerd hebben; dat die dienst gedaan hebbende hij afgegaan was na de aangezegde plaats, maar komende bij een sjanderij, leggende tusschen Naver„ alwaar een Hollandsche soubedhaar en eenige Siparijs bij hem gekomen waren en gevraagt, wie hij was, en waarna toe gaande„ 't welk hij haar berigt hebbende, hadden zij hem gearresteerd, zo als zij zeijden hij ook gedaan had aan eenige perzonen van Nagapatnam; dat op deezen tijd in de sjauderij waren een soubedhaar en drie sipaijs van het 15: battallion die zij ook gearresteerd hadden, ook eenige Coelijs, in de andere omstandig heeden accordeerd hij ten vollen met de voorgaande Decla„ ranten. shack ouliah Sipaaij in het 15: battallion, zegt dat„ eenige tijd geleeden in de gepasseerde maand hij met eenige si„ paaijs van zijn battalion geordonneerd was te gaan na Nacoer met een harcara van de Radja; dat omtrend tien dagen na haar komst aldaar; hij en vier andere sipaaijs geordon„ „neerd waren door zijn sergeant met dezelve harcara te gaan omtrend vier mijlen verre op den weg na Truiwaloer; dat 5: 116 dat in het komen bij deezen sjanderij die geplaatst is op het Centerum alwaar zig: de weg na Nagapatnam: en Triwaloer separeert de harcara geordonneerd hadde 2: sipaaijs te plaatsen in het agter gedeelte van de sjauderij, digt bij den weg na Truwaloer, en den declarant geplaatst te worden in het front van de Sjauderij; met order aan de Schildwagten om aantehouden alle persoonen met nelij passeerende, dat den anderen morgen met het aanbreeken vanden dag twee mannen en twaalf vrouwen komende langst den Triwaloerse weg na de ssaaderij, een man en een vrouw een partij nelij in zakken op haare hoofden hebbende, en 8: â 10: schreeden van de sjauwderij komende, aangeroepen waren stil te houden door de twee schildwagten agter de sjauderij, waar op de man die de zak met nelij hadt, dezelve terstond afgeworpen hadde op de grond, en weggeloopen was; dat de haroara geordonneerd hadt, de andere in arrest te houden, tot dat hij van een digt bij zijnde dorp zoude te rug gekomen zijn, de naame van dewelke den declarant onbekend is; dat de harcara kort daarop te rug gekomen was, met twee bramineesen die hij gezegd hadde de Nelij aan deeze menschen verkogt te hebben alle dewelke hij ordonneerde aan de sipaaijs na Naoer te brengen, 't welk zij dan ook hebben gedaan, dat de harcara de arrestanten gezegd hebbende, dat hij onder hadt alle de Nelij uijt de Radjas Landen na Nagapat„ „nam gaande, aan te houden, zij geen swarigheijd ge„ maakt hadden, met de sipaaijs na Naoer te gaan, en een
English
one of the women being asked, picked up the bag of paddy that had been thrown away by the abovementioned man, carrying it to Naoer; that neither the declarant nor any of the other sepoys had beaten or mistreated these people, torn their clothing, or insulted them, for they had no reason to do so, since they offered not the slightest resistance; that upon arrival at Naoer they had brought them to one of the Raja's havildars, who retained the paddy and let the man and women go, as well as the two Brahmins, after having admonished them in the future to sell no more paddy to the inhabitants of the Dutch establishments; that around 9 o'clock in the morning of the same day the havildar had given orders to detain seven merchants who had just come into Neoer at that time, but who had already been arrested by a party of Captain Mackenzie's sepoys; that these merchants had been brought as prisoners to the choultry mentioned by the preceding declarants, by two subedars, the declarant being one of the guard out of the nine sepoys under the command of Shack Esmall; that upon their arrival there, a guard of a corporal and 6 sepoys of the declarant's battalion having been placed with the prisoners, he, the declarant, was ordered by his subedar to go back to Naoer, with him and two other sepoys; that having gone about one and a half miles on the road to Naoer in front of the choultry, where the people who had been taken prisoner with the paddy that morning were, a Dutch subedar with a party of sepoys came up to them and took them prisoner, in the manner related by the preceding declarants, with whom this declarant agrees in all the circumstances that occurred afterwards. China Tambie, subedar in the sixth battalion of sepoys, being called, says that several months ago he was detached with his company from Arandingij to Manaarcoil, with orders from his Captain to obey such orders as he should receive from the Raja's havildars; that last February he was ordered by the havildar China Poele to Truvaloer with three guards of sepoys, and from there he accompanied the havildar to Nagoer that same day, and 3 or 4 days after his first arrival there—having accompanied him twice to and back from Triwaloer to Naoer—he was ordered by the said havildar to arrest seven persons who had arrived there in palanquins that day; that the declarant had told the havildar that he believed they were Dutch merchants because they had Dutch sepoys with them, and that he could not see what business he had with them, whereupon the havildar said that makes no difference, for they owe money to the Raja, and he had to take them prisoner, which he then also did, and having taken them immediately as he was ordered by the havildar, he and a subedar of the 15th battalion went to a choultry about six miles away, where the havildar was waiting for them; that the declarant from this place with his sepoys, a corporal, and 6 sepoys of the other subedar immediately brought the imprisoned merchants away to Truwaloer, accompanied by the havildar and a number of his peons with matchlocks; the declarant being further interrogated says that at the time he arrested the merchants, they had four Dutch sepoys with them, with firearms and wooden ramrods, who also stood 8 to 10 paces away from the merchants, but did not oppose them or speak a word during the event, following the merchants in the rear to Truvaloer, and also remained there with them until they were released; the declarant believes that these sepoys were given to the merchants as an escort, with which he was informed that the Dutch in general favor their merchants traveling through the country, provided they pay their batta; and the declarant further says that when he arrested the merchants, they told him that they were Porto Novo merchants who had been to Nagapatnam on business and were on their return journey to Portonovo. Arnachelam, servant to Colonel Horne, being called to give information to the assembly as to what orders he had given by direction of the Colonel to the subedars who had gone into the country last January, says that the Colonel had told him to inform them that they were being sent to the country in order to assist the havildars of the Raja in collecting monies, and that they had to obey all orders that they might receive from the havildars concerning that business, which instructions he punctually delivered to the subedars; that on the 27th or 28th of January last, he had received an ola with the stamp of the Raja from the subedars Shack Esmall and China Pambie, being the preceding declarants, making known to him that they had received orders from China Poele, the renter, to place sentries along the limits of the Dutch establishments to prevent the passage of paddy, betel, and everything from the Raja's lands to Nagapatnam or any other of the Dutch establishments, and requested to be informed whether they should obey those orders; that having notified Colonel Horne of this, the Colonel had told him to inform the subedars that whatever orders the havildars might give them concerning the collection of the revenues of the country
Dutch transcription
een van de vrouwens gevraagd zijnde, heeft de zak nelij opgenomen die weg geworpen was geworden, door de bovengemelde man, dezelve na Naoer dragende, dat nog den declarant nog eenige van de andere sipaaijs deeze menschen geslagen of mishandelt hadden, haar kleeding gescheurt of uijtgescholden, want zij daar toe geen reeden hadden, alzo dezelve geen de minste tegenstand gedaan hebben; dat bij ankomst op Naoer zij dezelve ge„ bragt hadden bij een van de Radjas haweldaars, die de „nelij aangehouden in de man en vrouwen weg heeft laaten gaan, gelijk ook de twee bramineesen, na haar vermaant te heb„ „ben in het toekomende geen meer nelij te verkopen aande inwoo„ „ners van de Hollandsche etablissementen, dat omtrend 9: uuren 's morgens van den zelven dag de haweldaar ordres gegeeven hadt tot het aanhouden van zeven kooplieden die Juijst te die tijd in Neoer gekomen waren, maar die bereeds gearres„ „teerd waren door een partij van Capitain Mackenziens Sepaijs„ dat deeze kooplieden gevangen gebragt waren na de Sjauderj„ door de voorgaande declaranten gemeld, door twee soubedhaars den declarant een van de wagt zijnde uijt de negen Sipaijs onder de Commando van Shack Esmall; dat op haar komst daar een wagt van een Corporaal en 6: Sipaaijs van de declarants battallion bij de arrestanten geplaatst zijnde, hij declarant geordonneerd was, door zijn soube„ dhaar na Naoer te rug te gaan, met hem en twee an„ „dere sipaaijs, dat Circa een en een half mijl gegaan zijnde, op den weg na Naoer in het front van de sanderij 417 sjanderij alwaar het volk dat met de nelij gevongen genomen waren geworden dien morgen, een Hollandse soubedhaar met een partij sipaaijs, bij haar gekomen was, en haar gevangen genomen hadt, in de manier. gerelateerd door de voorgaande declaranten met dewelke deeze declaranten accordeerdt, in alle de omstandigheeden die nader„ hand gepasseerd zijn. China Tambie soubedaar in het sesde battallion Sipaaijs geroepen zijnde, zegt dat voor eenige maanden hij gedetacheerd is geworden, met zijn Compoignie van Arandingij na Manaar „coil, met ordres van zijn Capitain; zulke ordres te gehoorsamen als hij ontfangen zoude van de Radjas Haweldaars; dat in februarij laastleeden hij geordonneerd was door den Haweldaar China Poele naar Truvaloer met drie wagten sepaaijs, en van daar heeft hij dezelven dag de Haweldhaar na Nagoer vergeselschapt en 3: of 4: dagen na zijn eerste komst aldaar /: hebbende hem tweemaal vergeselschapt van en te rug van Triwaloer na Naoer, :/ hij geordon„ „neerd was, door gemelde haweldaar van te arresteeren zeven persoonen die aldaar in palenquins dien dag gearriveerd waren; dat den declarant den Waweldaar gezegd hadt, dat hij geloofde dat zij Hollandsche kooplieden waren om dat zij Hollandsche Sipaaijs bij haar hadden; en dat hij niet konde zien wat hij met haar te doen hadt, waar op den Haweldaar gezegd hadt, dat doet daar niets toe, want zij zijn geld schuldig aan den Radja, en hij moeste dezelve gevangen neemen, het welk hij dan ook gedaan hadt. hadt, en ze als hem door den Neweld haar geordonneerd was hij en een soubedhaar van het 15. battallion im„ mediaat meede genomen hebbende; gegaan waren, na een sjauderij omtrent zes mijlen verre, alwaar den Haweld haar haar afwagtende was, dat hij declarant van deeze plaats met zijn sipaijs, een Corporaal en 6: sipaaijs van de andere soubedaar immediaat weggebragt hadt de gevangene kooplieden na Truwaloer, vergezelschapt door den Haweldaar en een getal van zijn pions met lond geweer; de declarant verders geinterrogeerd zijnde zegt dat ter tijd dat hij de koop„ leeden gearresteerd hadde, zij vier Hollandsche Sipaaijs bij haar hadden gehad, met gewier en houte laadstocken, dewelke ook 8: â 10: schreeden van de kooplieden afgestaan hadden, dog zig niet hebben geopposeerd, of een woord gesprooken bij het geval, de kooplieden in den agtertogt na Truvaloer volgende, ook aldaar bij haar gebleeven zijn, tot dat zij vrij gelaaten waren; den declarant geloofdt dat deeze sipaaijs gegeeven waren aan de kooplieden als een geleijde, met dewelke hij geinfor „meerd was dat de Hollanders in het generaal haare kooplieden op reijze door het land favoriseerd, en mits dezelve haar battam betaald, en den declarant zegd verders dat als hij de kooplieden gearresteerd heeft, zij hem gezegd hebben, dat zij Portonoorsche kooplieden waren op Nagapatnam over affaires geweest zijnde in wederom op de te rug reijze na Portonovo Waren Arnachelam dienaar bij den Colonel Horne geroepen 7. 118 geroepen zijnde om informatie te geeven aan de vergadering wat ordres hij hadt gegeven door directie van den Colonel aan de soubidaars die na het het land gegaan waren in Januarij laastleeden, zegt dat den Collonel hem gezegt hadt haar te informeeren, dat zij gezonden wierden na het Land, ten eijnde te assisteeren de haweldaars van den Radja in het Collecteeren van gelden, en dat zij alle ordres moesten gehoorsamen die zij mogten komen te ont„ „fangen van de Haurldaars, die behandeling aangaande welke instructies hij punctueel overgegeven hadde aan de soubedhaars; dat den 27: of 28: Januarij laastl: hij ontfangen hadde een ola met den tapae van den Radja van de Loubedhaars. shach Esmall en China Pambie weezende de voorgaande declaranten hem te kennen geevende, dat zij ordres ontvangen hadden van China Poele den Pagten om schildwagten te stellen langst de limiten van de Hollandsche etablissementen om te beletten het passeeren van Nelij, betel en alles uijt de Radjas Landen na Naga„ patnam of enige andere van de Hollandsche etablisse„ menten, en verzogten te mogen geinformeerd worden of zij die ordres moesten gehoorsaamen; dat Collonel. Norne hier van kennis gegeeven hebbende den Colonel hem gezegdt hadt de soubedaars te informeeren dat wat ordres de haweldaars haar ook mogten geeven aangaande het Collecteeren van de inkomsten van het Land
English
country, or preventing the Raja's people from having any trade with that of the Dutch, they had to obey the same, but for whatever reason it might be, they were not to cross the Dutch borders; that the Declarant had subsequently sent an ola to them, conveyed by the courier to the aforementioned subedars, making known to them these aforementioned orders. The two subedars Shack Esmall and China Tambie, having been called before the assembly again and questioned separately as to whether they had received these new instructions, declared that they had never received them, nor any others than those that had first been given to them. Below stood: a true copy. Signed: Char: Oakley sec:y. Whereupon, after mature deliberation having been held, it was deemed good and agreed—considering that the Governor, with regard to the apprehending of the aforementioned subedar and sepoys, could not have acted otherwise than he did, if he did not wish to lose the honor and luster of the Company—to answer the aforementioned English letter in polite terms, by first kindly thanking the Governor and Council of Madraspatnam for the communication provided regarding the arrival of Governor Rumbold at Madraspatnam, adding an appropriate compliment thereto, and subsequently remarking concerning the arrest of the aforementioned subedar and sepoys that this Council is fully convinced that the Governor acted in a just and equitable manner in that regard; as well as trusting that the Governor and Council of Madras, after reading this assembly's letter of 28 March, will no longer call that act an act of violence, since they will learn convincingly from the aforementioned letter of the far-reaching hostilities committed by sepoys of the English Company against this city and the villages belonging thereto; and to couch all this in such friendly and suitable terms as expressed in a draft letter prepared by His Honour, which is inserted herewith, reading as follows: Madraspatnam To the Honourable Thomas Rumbold, President and Governor of Fort St. George and the Coast of Coromandel, on behalf of the Royal English East India Company, and the Council there. Honourable Sir and Sirs, We have had the singular honor to receive Your Honours' highly respected letter of 25 March of this year, which was delivered here three days after we had dispatched ours of the 28th of that month to Your Honours. For the friendly communication provided regarding the arrival of Governor Rumbold at Madras, we are very much obliged to Your Honours; while we heartily congratulate His Honour on this happy event, wishing him a happy and prosperous administration. We could have wished that the Commandant of the English troops in Tanjore had not anticipated us with his remonstrances regarding the dispute that has arisen between him and the undersigned Governor over the detention here of a subedar and four sepoys belonging to Your Honours' Company, as we expect from Your Honours' equitable sentiments that Your Honours, after having read our letter of 28 March, will not view that matter as unfavorably as it has pleased Your Honours to do in your aforementioned letter, having been misled by the indirect statements given in that regard, possibly out of fear of punishment, by the aforementioned natives upon the interrogatories put to them concerning the violence committed by them against the inhabitants of our villages. Although from those very same statements it has now become evident to us that they are precisely the same sepoys in the service of the English Company who committed the unjust violence on the public road against the merchants of our Company, and that upon the order of one Chinappa Poele, who formerly was a servant of the Fiscal of this city and has now become a fugitive to evade the direct and troublesome demands of his creditors. About which damnable conduct we have not even troubled Your Honours with our complaints, for which we certainly had the fairest reasons; however, to avoid all alienation and because the Raja of Tanjore, convinced of the innocence of those merchants, upon the first reclamation made by the undersigned Governor, released them.
Dutch transcription
Land, of het beletten van het Radjas volk eenige han„ del te hebben met dat van de Hollanders zij dezelve moesten gehoorsaamen, maar om geen reeden het mogte weezen waarom het wilde de Hollandsche limiten te pas„ seeren, dat den Declarant vervolgens een ola gezonden ^ haar deese vonders Eeuen Gezegd hadde, door den tappel aan de soubedhaars even gemeld„ te kennen gevende De twee soubedhaars Shack Esmall en China Tambie wederom voor de vergadering geroepen zijnde en apart gevraagd of zij deeze nieuwe instructies ontvangen hadden, declareerden zij dat zij die nooijt hadden bekomen, nog ook geen andere als die haar eerst gegeeven waren. /:onderstond:/ een waare Copij /:geteekend:/ Char: oakelij sec:s waarop vervolgens rijpelijk gedelibereerd zijnde is uijt aanmerking, dat den Heer Gouverneur, met betrekking tot het opvatten van den voorsz: soube„ dhaar en sipaijs niet anders heeft kunnen han„ delen dan hij gedaan heeft, wilde hij de eer en luijster van de Maatschappij niet verliesen, goed gevon„ den en verstaan den voorschreeve Engelsche missive in beleefde termin te beantwoorden, door voor af den den Heer Gouverneur en Raad van Madraspat„ „nam vriendelijk te bedanken voor de gegeve Communicatie 119 Communicatie wegens het arrivement van den Heer gouverneur Rumbold tot Madraspatnam, onder bij voe„ „ging van een Compliment daar op applicatiel, en ver volgens nopens het arresteeren van den voorsz soube„ dhaar en sipaijs te remarqueeren, dat deezen Raade volkomen overtuijgd is, dat daaromtrend door den Heer gouverneur op een regtvaardige en billijke wijze is gehandeld geworden; mitsgaders dat men vertrouwt dat den Heer gouverneur en Raad van Madras naar het leezen van den brief deezer vergadering van den 28: Maart, die daat niet langer den naam zullen geeven van een daat van geweld, nadien zij uijt den voorsz: missive overtuijgend verneemen zullen de verregaande hostiliteijten die door Sipaaijs van de Engelsche Compagnie, teegen deeze stad en de daar onder behoorende dorpen begaan zijn; en dit een en ander te vervatten in zoodanige vriendelijke en ge„ „paste termin als bij een door zijn Edele ontworpen Concept missive, (:die bij deezen wordt geinsereerd:/ staat uijtgedrukt; luijdende dezelve als volgd Madrasp:m zelve te pas„ Tambie agd clareerden waare Madraspatnam Aan den Edelen Heer Thomas Rumbold, President in gouverneur van 'T Fort S=s George, en de Cust Cormandel, wegens de Roijale Engelsche Oost-indische Comp: nevens den Raad, aldaar WelEdele Heer, in Heerin wij hebben de bijzonder een gehad te ontvangen uwelEd:e zeer gerespecteerde missive van den 25:e Maart deezes Jaars, die alhier wierdt aangebragt drie dagen na dat wij de onze van den 28:' van die maand, aan uwe welEd:s afge„ zonden hadden. voor de gegeve vriendelijke communicatie van het arrivement van de Heer gouverneur Rimbold tot Madras, zijn wij uwe wel Edeles zeer verpligt; terwijl wij zijn wel Edele met dit gelukkig evenement van herten filiciteeren, onder toewensching van eene gelukkige en voorspoedige regeering wij hadden wel gewenscht dat den Commandant van de Engelsche troupes in Tansjour, ons niet voor uijt geloo„ pen was, met zijne remonstratien wegens het different dat tusschen hem en den ondergeteekende Gouverneur is ontstaan, over het aanhouden alhier van een soube dhaar 120 d'haar en vier sipaaijs uwer wel Edele Compagnie toebe„ „hoorende, alzo wij van uwer welEd: billijke sentimenten, verwagten, dat uwer welEdeles, na dat zij lectuure zullen genomen hebben van onzen brief van den 28:' Maart die zaak niet zoo ongunstig beschouwen zullen, als het uwe welEdeles, bij haaren opgemelden brief behaagd heeft te doen; misleijd geworden zijnde, door de indi„ recte verklaarings die daarvan, mogelijk uijt vrees voor straf, door de voorsz: inlanders gegeeven zijn, op de hun voorgehouden: Interrogatorien ten belange van het door haar gepleegd geweld, aan de inwooners van onze dorpen. schoon uijt die zelfde verklaarings aan ons tans evident gebleeken is dat zij Juijst die zeefde Sipaaijs in dienst der Engelsche Comp: zijn, die het onregtvaardig geweld op de publicque weg gepleegd hebben, aan de kooplieden van onze Comp: en dat op ordre van eenen Chinappa Poele„ die bevorens een dienaar geweest is, van den Fiscaal deezer stad, en zig thans fugatief gesteld heeft, om te ontwijken de directee en lastige aanmaningen zijner Crediteuren over welk Condemnabel gedoente wij uwel Edeles nog niet eens met onze klagten zijn lastig gevallen, waartoe wij immers de billijkste reeden voor ons hadden; egter tot ver„ mijding van alle verwijderingen en om dat den Radja van Tansjour, overtuigd van dier handelaaren onschuld, haar op de eerste reclame door den ondergeteekende gouverneur sche aa
English
governor, released from their arrest and discharged, passed that matter over in silence. Yet however much Your Honours may have given credence to such statements, provided solely by interested parties, without paying any heed to the complaints made from here concerning that subahdar and sepoys, we are nonetheless completely convinced of the just and entirely equitable conduct maintained by our Governor in this matter, and we trust that Your Honours will no longer give the name of an act of violence to the arresting and disarming of the aforesaid sepoys (who were detained at the main guard here, but not in a prison, as they have falsely stated), once Your Honours have learned from our aforementioned letter of the far-reaching hostilities committed against us by the sepoys of the English Company, and which we have hitherto endured with so much moderation. Indeed, Gentlemen, the conduct of the aforesaid sepoys is utterly condemnable, since they came under arms onto the territory of our Company and there committed various hostilities against the inhabitants of our villages, which have not only already been proven from our side by the declaration sent to Tanjore, but could be further confirmed by the Captain-Military and Commander of our sepoys, who was an eyewitness to the violence they committed. We therefore kindly request Your Honours to take this into consideration, and then to judge whether our Governor in the case in question, preserving the honour of his nation, could have acted otherwise than he did. This much, Honourable Gentlemen, we deem necessary to serve as an answer for the present to Your Honours' protest against the conduct of the undersigned Governor, and we therefore pass over in silence the further remarks appearing in Your Honours' aforementioned letter, firmly living in the confidence that Your Honours will soon grant us greater satisfaction, once the wrong done to us by the sepoys of your Company becomes so convincingly evident to Your Honours from our aforementioned letter; who are not employed, as they seem to wish to make Your Honours believe, to assist the Raja of Tanjore in making his collections in the country, but rather for entirely different ends, namely to occupy our boundaries. Meanwhile, we kindly thank Your Honours for the strict orders given to the Commander of Tanjore against the committing of any irregular actions, against which we have also issued proper orders from our side; as we desire and pursue nothing more than to genuinely preserve and cultivate more and more the good harmony and friendship that ought ever to subsist between the two nations. With which we have the honour to remain, with very great respect, (was written below) Honourable Sir and Gentlemen, Your Honours' humble and obedient servants, (was signed) R. van Vlissingen, P. J. Dormieux, J. E. G. Hazelman, Mr. Koning, S. Mossel, W.m Duijnevelt, I. D. Simons, I. Appengh, and M.s Stoffenberg. (in the margin) Nagapatnam, in the Castle, 4 April 1748. Furthermore, the Governor observed that from the contents of the aforesaid statements it was fully proved that by the ministers of the Tanjore Court it had been strictly forbidden to all inhabitants of the Tanjore lands to conduct the least trade with the residents of this city and the villages subordinate to it, and that pursuant to the aforesaid prohibition, all the piece goods were seized throughout the entire kingdom which, by the Company's merchants as well as by private traders, prior to the outbreak of the present dispute, had been commissioned to the weavers for manufacture and had already been made ready, to their considerable burden and prejudice; with the further demonstration that since from such unjust conduct, wholly contrary to the Company's privileges, nothing other than detrimental consequences were to be expected for the Company, it was necessary to take the requisite care in time for the interest of the Company; that His Honour, following upon that, then proposed to the Council, under an oath of secrecy, to give a detailed report of the aforesaid hostile conduct of the Tanjore ministers and what further relates thereto to the Governor and Council of Ceylon, with an earnest request to the same, for the maintenance of the Company's privileges, the foundation of which they seem to want to destroy at Tanjore, and for the protection of the majesty of its flag, which has been extremely insulted by the forcible arrest at Topputhurai and Nagore of various vessels flying Dutch flags, and above all by shouting to the master of the sloop De Papegaai that he should strike his colours, to be pleased directly to have arrested and seized throughout all Ceylon all vessels belonging to subjects of the prince of Tanjore that shall be found in any ports of that island. This having been maturely deliberated upon, considering that the arrest of the aforesaid vessels, according to the right of reprisal which the aggrieved party, when upon its complaints it receives no
Dutch transcription
gouverneur gedaan, uijt haar arrest ontslagen en gelargeerd heeft, die affaire stilswijgende gepasseerd hebben. — Dog hoe zeer uwel Edeles geloof hebben mogen geeven aan diergelijke verklaringen, eenlijk verleend door daar bij geinteresseerde persoonen, zonder eenig agt te slaan op de van hier gedaane klagten over die soubedhaar in sipaijs„ zoo zijn wij egter volkomen overtuijgd, van de regtvaardige en allezints billijke handelwijze door onzen Gouverneur in deezen gehouden, en wij vertrouwen dat uwe wel Edeles het arresteeren en ontwaapenen van de voorsz: Sipaaijs (:die aan de hoofdwagt alhier, maar niet in een gevangen huijs zijn gearresteerd geweest, zoo als zij verkeerdelijk ver„ klaard hebben :/ niet langer den naam geven zult van een daad van geweld, wanneer uwe wel Edeles uijt onzen voorgewaagde brief zullen vernomen hebben de verregaande hostiliteiten die door de sipaaijs van de Engelsche Comp: tegen ons begaan zijn; en die wij tot nog toe met zo veel moderatie verdraagen hebben. Immers mijn Heeren, is het gedrag van de voorsz: Sipaaijs ten uijtersten Condemnabel, wijl zij gewa penderhand gekomen zijn op het territoir van onze Com„ „pagnie, en daar diverse hostiliteijten gepleegd hebben, aan de inwooners van onze Dorpen, die niet alleen van onze zijde bereeds beweezen zijn, door de na Tansjour gezondene verklaaring, maar nog nader zouden kunnen worden gecoffirmeerd door den Capitain Militair en Commandant van onze sipaaijs, die oog getuijge geweest is van het geweld 121 geweld dat zij gepleegd hebben: wij verzoeken uwe welEd:s derhalven vriendelijk van dit in Consideratie te neemen, en als dan te oordeelen, of onzen Gouverneur in het geval inqueste behoudens de eer van zijne natie, wel anders hadt kunnen handelen, dan hij gedaan heeft zoo veel wel Edele Heeren ! agten wij van het te„ genwoordige nodig in antwoord te dienen, op uwer wel Edeles protestatie tegens het gedrag van den ondergetee„ „den gouverneur gedaan, en gaan dus stilswijgende voor bij de verdere rimarques bij uwer wel Edeles opgemelde brief voorkomende, als vastelijk leevende in dat vertrouwen dat uwe wel Edeles aan ons in het kort meerder satis„ „factie zult laaten erlangen, wanneer aan uwe welEdeles, uijt onsen voorgewaagden brief, zoo overtuijgend zal gebleeken weezen, het ongelijk dat ons door de sipaaijs van uwe Compagnu aangedaan wordt, die niet, gelijk men uwe welEd: schijnt te willen doen geloven, g'emploijeerd werden, tot assistentie van den Radja van Tansjour, in het doen van zijne Collecte in het land, maar wel tot geheel andere eindens, namelijk tot het bezetten van onze limiten. Inmiddens bedanken wij uwe wel Edeles vriende„ „lijk, voor de gegeeven strikte ordres, aan den Com„ mandant van Tansjour teegen het pleegen van eenige irrigulaire lang erd irrigulaire actien waar teegen wij ook van onze zijde behoorlijke ordres hebben gesteld; alzoo wij niets meerder wenschen en betragten dan de goede harmonie en vriendschap, die er steeds subsisteeren moest, tus„ schen de beijde natien, met 'er daat te conserveeren, en meer en meer te cultiveeren. waarmeede de eere hebben, van met zeer veel agting te blijven, /:onderstond:/ wel Edele Heer en Heeren. uwe wel Edeles onderdanige en gehoorzame Dienaaren /:was geteekend:/ R: v:n Vlissingen, P: J: Dormieux;, J: E: g: Hazelman, M:r koning, S:s Mossel, w:m Duijnevelt, I: D: Simons. I: Appengh, en M:s Stoffenberg /:in margine:/ Nagap:m in 't Casteel den 4: April 1748. voorts heeft den Heer Gouverneur geremarqueerd, dat uijt den inhoud van de voorsz: verklaringen volkomen beweezen wierd dat door de Ministers van het Tansjoursche Hoff aan alle de in wooners van de Tansjoursche Landen scher„ pelijk was verbooden geworden, het drijven van den minsten handel met de ingezeetenen van deeze stad en de dorpen daar onder sorteerende en dat ingevolge van het voorsz: verbod, door het gansch rijk aangehouden wierden, alle de Lijwaten 112 Lijwaten die door Compagnies kooplieden zoo wel als door particuliere handelaaren, voor de uijt„ barsting van het tegenwoordig, different, aan de weevers ter aanmaking opgedraagen en bereeds in gereedheijd gebragt waren, tot merkelijk beswaar en prejuditie van dezelve, met vertooning verder, dat dewijl uijt zulk een onregtvaardig en ten eenemaal met Comp:s voorregten strijdig gedrag, niet anders dan nadeelige gevolgen voor de Maat„ schappij te wagten waren, het noodzaakelijk was, om voor het intrest van de Compagnie bij tijds de noodige zorge te draagen, dat zijn Edele dien Dog volgende dan ook ^ op een Eed van Secretesje den Raad proponeerde, om van het voorsz: vij„ andelijk gedrag van de Tansjoursche Minis„ ters en het geen daar toe verder relatie heeft, een omstandig berigt te geeven aan den Heer Gouverneur en Raad van Ceijlon, met ernstig verzoek aan denzelven om tot maintenu van Compagnies 43 Compagnies privilegien die men op Tansjour den bodem schijnt te willen inslaan, en tot bescher„ „ming van de hoogheijd haarer vlag, die door het geweldadig arresteeren op Toptorre en Naoer van diverse vaartuijgen voerende Hol¬ landsche vlaggen, en voor al door het toe roepen van den gezaghebber van de sloep de Pappegaaij, dat hij strijken zoude, ten uijter „sten gehoond is, direct over gansch Cailon „laaten te willen „ aresteeren, en in beslag nemen alle de vaartuijgen aan onderdanen van den vorst van Tansjour toebehoorende, die zig in eenige havens van dat Eijland zullen bevinden: zoo is hier over rijpelijk gedeli„ bereerd zijnde, uijt aanmerking dat het ar„ 1. „resteeren van de voorschreeve vaartuijgen, vol„ gens het regt van represaile, die de beledigde zij op haare klagten partij, wanneer geen
English
123 lawfully obtained, belongs, may happen, it is approved and understood to completely conform with the aforesaid proposal of the Honorable Governor, and consequently to request the Ministers of Ceylon to have arrested immediately, in all the ports or bays of the whole of Ceylon, and to seize all vessels belonging to subjects of the Prince of Tansjour that are already lying there or may arrive thereafter; as well as to keep the same lying under arrest until the Prince of Tanspour or his Ministers shall have given orders for the release of the Company's linens and the opening of its borders. Subsequently, the Honorable Governor presented to the meeting a letter written on 9 March of this year to His Honor by His Excellency the Nabob Machomet Alichan, containing complaints about the Chief of Palleacatta, Nicolaas Tadama, on account of unjust treatments allegedly inflicted by him and his servants upon the inhabitants of Palliacatta, contrary to ancient customs; accompanied by a copy of a letter written on 3 March to His Excellency by the Havildar Hoesen Ali, and a copy of a declaration executed by the inhabitants of Palliacatta on the 9th thereafter, serving to confirm the aforesaid complaints, as is further evident from the contents of the Nabob's letter and the aforementioned annexes, reading as follows: Translation of a Persian letter written to the Right Honorable, Highly Esteemed Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director 124 Director of this Coast of Cormandel and its dependencies; by His Excellency the Souba of Carnatica, Machomet Alichan, dated 9 March 1778. After prior compliments. I am very pleased, not only that Your Honor has had the matter of Tutucorijn settled according to custom, but also that Your Honor has shown me much friendship and affection in this. Your Honor is a gentleman who always seeks to increase friendship, as well as to conduct the matter of trade according to custom. The Chief of Palliacatta, Tadama, has without precedent caused it to be announced by beat of drum that the fish sellers cannot sell fish without His Honor's order, and has furthermore prohibited the sailors from going aboard the sloops belonging to the merchants of the sarkar, whether with catamarans or with chelingas. Regarding this unjust matter, the Havildar of Palliacatta, named Hoesen Ali, has written me a letter, of which a copy accompanies this. The inhabitants of that place are being ruined by the mistreatment of the Chief, and the sarkar suffers much damage through it. How I conduct the matter concerning the trade of the Dutch Company, I need not write, as this is done according to custom. How can the Dutch conduct any matters so unjustly, given that they are great friends of mine! The Chief has departed from the good path and fallen into the bad path. I request Your Honor to order him to do such things no more, and henceforth to conduct himself well. When Your Honor sent me a letter dated 29 November regarding the affair of Tutucorijn, His Honor wrote therein that if any disputes should arise between the people of the sarkar and the servants of the Honorable Company, I might then immediately notify Your Honor of the same. And since the Chief of Palliacatta does not conduct himself according to custom, I hereby give notice thereof to Your Honor, with the request to order him not to mistreat the inhabitants, as well as to ensure that the sarkar suffers no loss regarding its dues. May Your Honor also be pleased to write to the said Chief as soon as possible that he must do everything according to custom. What more shall I write? Below was written: for the translation from the rendition by the Brahmin Wengeta Soeberaijer Aijen, Nagapatnam, 23 March 1778. Was signed: A.m Dormieux, Sworn Translator. Translation of a Persian copy of a letter written to His Excellency the Souba of Carnatica, Machomet Alichan, by the Havildar of Palliacatta, Hoesen Alij, dated 3 March 1778; the same having been received by His Excellency on the 5th thereafter. After customary compliments. The Chief Tadama caused it to be announced by beat of drum on 27 February that the fish sellers may not sell fish at other places without His Honor's order, but that they may do so close to the Castle. Some of the fishermen have sold fish next to the kotwal choultry according to custom, but the Chief, having learned of this, caused those people to be punished by the head peon Tolasingo. Since they are under the jurisdiction of the sarkar, and besides this they perform their service as sailors on catamarans and chelingas, and they addressed themselves to me and complained of the unjust treatment of the Chief, I, because it appeared to me that they might perhaps abandon this place, and thereby the plying back and forth of chelingas and catamarans would be interrupted, caused the said gentleman Chief to be informed by Angama Naijker and peon Naraijna, who have had the custom of carrying messages for 50 years, that this matter had not been handled according to custom, and that His Honor had done the fishermen much injustice. Poreura Poele, servant of the Chief, having heard everything from the mouths of Nagama Naijker and Naraijne
Dutch transcription
123 gein regt erlangd, toekoemt, vermag geschieden, goedgevonden en verstaan zig met de voorsz: propo„ „sitie van den Heer Gouverneur volkomen te con„ „formeeren, en dienvolgende, de Ceijlonsche Ministers te verzoeken, om direct in alle de havenen of baaijen van gansch Ceijlon te willen laaten arresteeren en in beslag namen alle vaartuijgen aan onder„ daanen van den vorst van Tansjour toebehoorende die daarin bereeds leggen of naderhand nog mogen komen; mitsgaders dezelve zoo lang gearresteerd te laaten leggen, tot de vorst van Tanspour dan wel zijne Ministers ordre zullen gegeeven hebben, tot largatie van Comp:s lij„ waaten, en het openen van haare limiten. vervolgens is door den Heer Gouverneur „nog ter vergadering geproduceerd een missive door zijn Excellentie den Nabab Machomet Alichim n ar 172 alichan op den 9: Maart deezes Jaars aan zijn Edele gesz:, behelzende klagten over het opperhoofd van Palleacatta Nicolaas Tadama, wegens onregtvaardige behandelingen die door hem en zijne bediendens, de Palliacattasche in woonders zoude weezen aangedaan, Contrarie de aloude gebruijken; verzeld gaande van een Copia missive door den Haweldaar Hoesen Ali„ op den 3:e Maart aan zijn Excellentie geschreeven, en een Copia verklaaring door de inwooners van Palliacatta op den 9: daaraan gepasseerd, dienende tot bevestiging van de voorschreeve klagten, ge„ „lijk nader consteerd uijt den inhoud van des Nababs- missive en de evengemelde bijlaagen; luijdende als volgd: Translaat eener Persiaansche brief geschreeven aan den wel Edelen groot Agtbaaren Heer Reijnier van vlissingen Gouverneur en Directeur 124 Diracteur deezer Custe Cormandel met den Resorte van dien; door zijn Excel¬ „lentie den Souba van Carnatioa Machomet Alichan gedateerd 9: Maart 1778. Naar voorafgaande Complimenten Ik ben zeer verheugd, niet alleen dat uwel Edele de zaak van Tutucorijn volgens usantie heeft laaten af„ maaken, maar ook dat uwelEdele mij ir door veel vriend„ schap en genegendheijd beweesen heeft. uwelEdele is een Heer die altoos tragt om de vriend„ schap te doen accresseeren, mitsgaders de zaak van de negotie volgens gebruijk te handelen. Het Palliacats opperhoofd Iadama heeft zon der voorbeeld bij bekkenslag laaten waarschouwen, dat de vis verkoopers geen vis zonder zijn Ed=s ordre verkoopen kunnen, en heeft boven dien de Matroosen belet dat zij zig, het zij met Cattemarauws, dan wel met Chialengen, aan boord van de Chialoupen, die de kooplieden van den serkar toebehooren, niet begeeven zouden. Over deeze onregtvaardige zaak heeft den Haweldaar Haweldaar van Palliacatta in naame Hoesen Ali„ mij een brief geschreeven, welker Copia deeze is versellende. De inwooners van die plaats worden door de quaade behandeling van het opperhoofd geruineerd, en den serkar leijd er door veel schade. Hoedanig ik de zaak omtrend de negotie van de Hollandsche Comp: tracteere, behoef ik niet te schrijven, alzo zulks volgens usantie gedaan word. Hoe kunnen de Hollanders eenige zaaken zoo onregt vaardig handelen, door dien zij groote vrienden van p mij zijn! Het opperhoofd heeft de goede weg verlaaten, en is in de quaade weg vervallen, Ik verzoek uwelEd: hem te ordonneeren om zulx niet meer te doen, en voortaan zig wel te gedraagen. wanneer uwel Edele mij wegens de affaire van Tutucorijn een brief gedateerd 29: November toe„ sond heeft Hoogst denselven daar bij geschreeven, dat bij aldien eenige disputen mogten ontstaan tusschen het volk van den serkar en de bediendens van d EComp: ik als dan zulks uwel Edele ten eersten bedeelen moegte En dewijl nu het opperhoofd van Palliacatta zig 125 zig niet na volgens usantie gedraagd, zoo geef ik uwel Edele daarvan kennisse, met verzoek hem te gelasten, om de inwooners niet qualijk te be„ handelen, mitsgaders zorg te dragen dat den Serkar omtrend de geregtigheeden, geen schade komen te lijden uwel Edele gelieft ook aan gem: opperhoofd ten spoedigsten te schrijven, dat hij alles volgens ge„ bruijk doen moet. wat zal ik meer schrijven /:onderstond:/ voor de oversetting volgens vertaaling van den bramine wengeta Soeberaijer aijen Nagapatnam den 23: Maart 1778 /:was geteekend:/ A:m Dormieux gesw: Transt:t Translaat eener Persiaansche Copia brief, geschreeven aan Zijn Excellentie den souba van Carnatica Machomet Alichan, door den Palliacatschen Wa„ weldhaar Hoesen Alij, gedateert 3: Maart 1778: zijnde dezelve den 5e: daearaan bij zijn Excellentie ontvan„ gen. Naar gewoone Complimenten Het opperhoofd Iadama heeft op den 27: Februarij bij neerd bij bekrenslag laaten waarschouwen, dat de vis ver„ koopers zonder zijn Ed:s ordre geen vissen op an„ dere plaatsen verkopen, dog dat zij zulx doen kunnen digt bij het Casteel. Eenige der visschers hebben volgens gebruijk naast de loetewal sjauderij vis verkogt, dog het opperhoofd zulks vernomen hebbende, heeft zijn E: die menschen door den hoofd pion Tolasingo laaten kaslijden. Dewijl zij onder den serkar sorteeren, en buijten dien zij als mattroosen op Cattemarauws en Chialingen hun dienst verrigten, mitsgaders zij zig bij mij geaddres„ „seert, en over de onregtvaardige behandeling van het opperhoofd geklaagd hebben, soo heb ik, om dat mij voorkwam, dat sij somwijlen deeze plaats abondon„ „neeren zullen, en daardoor het heen en weder vaaren van Chialengen en Cattemarauw geen voortgang heb„ ben zoude, gemelde Heer opperhoofd door Angama Naij „ker en pion Naraijna, die de gewoonte hadden 't sedert 50: Jaaren de boodschap te doen, laaten weeten, dat, die zaak niet navolgens gebruijk getracteerd ge„ worden was, mitsgaders dat zijn Ed: de visschers veel onregt gedaan hadde. Poreura Poele /:dienaar van het opperhoofd: / alles uijt monde van Nagama Naijker en Naraijne gehoord
English
heard, and he having misinformed his master about this matter, the chief had those two persons seized by the hair by eight peons and taken outside the Castle. In former times, when Governors and chiefs governed this place, they never offered any insults to the servants of the sirkar. Today a sloop arrived here from Walesom. It is customary here that the sailors, who are Roman Christians and of other religions, always perform the work, both on the vessels of the Honorable Company and on those of the merchants of the sirkar. Now the chief has warned those people that they should not go to the sloops of the sirkar's merchants without His Honor's order. Never have the merchants of the sirkar nor the sailors been obliged to ask permission from the chief. This new arrangement will cause much damage to Palliacatta as well as to the sirkar. The inhabitants are being ruined by the mistreatment of the chief and his servant. The former havaldar, Machamadoe Rassa, had a general order from Your Excellency that whenever the servants of the Company might do anything to the people of the sirkar, he could then do what he thought best, provided that he informs Your Excellency thereof. I am therefore obliged to write to His Honor regarding these matters. I await the order of Your Excellency. Was signed beneath for the translation according to the translation of the Brahmin Wengeta Zoberaijer Aijen, Nagapatnam the 23rd of March 1778. Was signed A:n Dormieux, Sworn Translator. Translation of a Persian copy declaration, passed by the canungo gomastas, mozoomdar, deshmukh, deshpandya, and other inhabitants of Palliacatta and Zeerpasoer, dated the 9th of March in the year 1778. After the departure of Chief Dormieux, Chief Johnson sent the servant Naraijna on one of the sloops to Nagapatnam on account of his evil deeds. Chief Johnson did not interfere with the affair of the sirkar. Coepaijen and Porawia Poele have now incited Chief Tadama and misrepresented everything completely to His Honor. They not only treat the inhabitants very badly, but furthermore seek to ruin them and to oppose the orders of the sarkar. Some people who are on the side of the sirkar are threatened by the chief solely due to the bad counsel of the aforementioned servants. Their conduct will likely match that of Sjina Tambie Poele at the time when the French were at war. The inhabitants of Palliacatta are being ruined by the mistreatment of those two persons and are seeking to run away from here. If the matter is handled in this manner, the sirkar will suffer much damage and the order of His Excellency will not be observed, whereby the inhabitants will fall into ruin. Tiagen, Conden, Naraijna, Goerrewen, and Moerti, who belong under the sirkar, were agents of the one who sells gunpowder. These five persons paid a fine to the sirkar on account of their committed offense at the time of the previous havaldar and when Sjina Tambie was the servant of the chief. When Mahamadoe Rasoe held the office of havaldar, a compromise ola was executed by the five of them, in which they promised that they would sell neither firelocks nor gunpowder to the palegars. They also delivered a similar document to the present havaldar. Hoesen Alij learned that Siagen and Conden had sold several firelocks and gunpowder to the palegars and other people at night and at unseasonable times. This was investigated, and a fine of 24 star pagodas was imposed upon them, with which they were satisfied. The interpreter Coepaijen and the servant Porewra Poele protected those people and reported the matter falsely to the chief. Upon this, His Honor had the havaldar informed that the aforementioned persons belonged under the Honorable Company, and that he therefore could not take any fine from them. The havaldar sent a reply to the chief stating that those people had not come from Europe nor from Nagapatnam, and that they were neither servants of the Honorable Company nor inhabitants of Their Honors' place; furthermore, that the chief, being a man of sense who considers the welfare of the sirkar, should recognize that it was not right to protect the repeatedly mentioned persons who had done evil. The head moradores having declared that Tiagen and Conden are directly under the sirkar, the chief, through the instigation of the interpreter Coepaijen, told them that they should not talk much, since those two persons were Company subjects. The aforementioned interpreter Coepaijen and the servant Porrewea Poele had Siagen, Conden, Naraijna, Goerewen, Moerti, and several other persons who sold gunpowder placed under arrest, with orders to provide a compromise ola to the Honorable Company, to which they answered that it was never customary to execute such an ola, and furthermore
Dutch transcription
126. gehoord, en hij deeze affaire aan zijn meester ver„ keerdelijk te kennen gegeeven hebbende, liet het opper„ hoofd die twee perzoonen, door agt pions bij de haes vatten, en buijten het Casteel brengen. In: voorige tijden wanneer Gouverneurs en opper„ hoofden deese plaats geregeerd hebben, hebben zij nooijt de bediendens van den serkar eenige affronten aangedaeen. Heeden is hier een chialoup van walesom gearriveerd. Het is hier een gewoonte dat de matroosen, die roomsche Christenen en van andere religie zijn, altoos het werk verrigten, zoo wel op de vaartuijgen van D E Comp: als op die van de Cooplieden van den Serkan„ Nu heeft het opperhoofd die menschen gewaar„ Schouwt dat zij niet na de Chialoupen van des serkars kooplieden zouden gaan, sonder zijn E:s ordre. Nooijt zijn de Cooplieden van den serkar, nog de matroosen verpligt geweest om permissie van het opperhoofd te vraagen. Deeze nieuwe schik„ king zal Palliacatta zoo wel, als den serkar veel schade toebrengen. De Inwoonders worden geruineerd door de quaade behandeling van het opperhoofd, en zijn dienaar Den geweezen haweeldaar Machamadoe Rassa 143 Rassa heeftgenraale ordre van uin Excellentie gehad, dat wanneer de bediendens van de Comp: iets aan het voek van den serkar mogte doen, hij als dan doen konde wat hij best dagt, mits dat hij daarvan uw Excellentie kennisse geeft. Ik ben dierhalven verpligt Hoogst denselven het een en ander te schrijven. Ik verwagt de ordre van uw Esxcellentie /:onderstond:/ voor de oversetting volgens vertaaling van den bramine wengeta Zoberaijer Aijen, Nagapatnam den 23: Maart 1778 /:was geteekend:/ A:n Dormieust Ge„ swoore Fransl:n Translaat eener Persiaansche Copia verklaaring, gepasseerd door Cannagoij gomastas, Moesoemdaar, De Smoegie, Despandiar, en andere inwoonders van Palliacatta en Zeer pasoer gedateerd den 9: Maart A:o 1778. — Na het vertrek van het opperhoofd Dormieux, heeft het opperhoofd Iohnson de dienaar Naraijna wegens zijn quaade gedoentens, met een der Chialoupen na Nagapatnam gesonden Het opperhoofd Iohnson heeft zig met de zaak van 127 van den serkar niet bemoeijd. - Coepaijen en Porawia Poele hebben nu het opperhoofd Tada„ ma opgestooken, en alles aan zijn Ed: zeer verkierdelijk te verstaan gegeeven: zij tracteeren de Jnwoonders niet alleen zeer qualijk, maar soeken boven dien haar te gronde te brengen, en de ordres van den Sarkar tegen te gaan. Eenige menschen die aan de zyde van den ser„ „kar zijn, worden door het opperhoofd gedreijgd, allee„ nig door quaade raadgeeving van voormelde bediendens Hunne behandelingen zullen wel evenaaren met die van Sjina Tambie Poele ten tijde toen de franschen oorlog hadden De Inwoonders van Talliacatta raaken ge„ ruineerd, door de mishandeling van die beijde per„ „zoonen, en zoeken om van hier wegte loopen. De zaak dusdanig getracteerd wordende, zal den serkar, veel schaade krijgen, en de ordre van zijn Excellentie niet in agt genomen worden, waar door de invoonders in verval raaken zullen. Tiagen, Conden, Naraijna, goerrewen en Moerti, die onder den serkar sorteeren, zijn zaak, bezorgers geweest van de geene die kruijt ver„ koopt. deeze vijf perzoonen hebben ten tijde van de D de voorige Haweldaar, en toen Sjina Iambie die naar van het opperhoofd was, wegens hun begaane, misdaad een boete aan den Perkan betaald. Toen Mahamadoe Rasoe de dienst van ha„ weldhaar bekleede, is een Compromis ola door haar vijven verleend, waar bij zij beloofd hebben, dat z geen snaphaanen nog kruijt aan de Palekarens verkoopen zouden. Zij hebben een diergelijk Papier meede aan den tegenswoordige haweldaar ter handen ge„ „steld. Hoesen Alij heeft te weeten gekreegen dat Siagen en Conden bij nagt- en ontijden verscheijde snaphaanen en kruijt aan de Palekarens en andere menschen verkogt hadden. Dit wierd onder„ sogt, en men heeft haar een boete opgelegd van 24: ster pagooden, waarmeede zij zig te vreeden ge„ houden hadden. Coepaijen, en den dienaar Porewra Den Tolk Poele hebben die menschen geprotegeerd, en de zaak verkeerd aan het opperhoofd opgegeeven, Hier op heeft zijn Edele aan den Wauseldaar laaten zeggen dat d 128 dat vorm: persoonen: onder DE: Compagnie sorteerende, hij dus van haar geen boete neemen konde. Den Vawed haar liet het opperhoofd weder ten ant„ „woord geeven, dat die menschen niet uijt Europa nog van Nagapatnam gekomen, mitsgaders dat zij geen bediendens van D' E: Comp: nog inwoonders van haar Ed: plaats waren; voorts dat het opperhoofd een man van verstand weezende, die het wel zijn van den serkar betragt, dierhalven het niet goed was, dat men meermelde persoonen, die quaad ge„ daan hebben, protogeerd. De hoofd moradores verklaard hebbende, dat Tiagen en Conden direct onder den serkar staan, heeft het opperhoofd door opstokerij van den tolk: Corpaijen tegens haar gezegd, dat zij niet veel spreeken moesten, wijl die twee persoonen sComp:s onderdanen waren. voormelde. Thoek Coepaijen, en den dienaar Porrewea Poelilieten Siagen, bonden, Maraijna Goerewen, Moerti en meer andere perzoonen, die kruijt verkogt hebben, in arrest setten, met ordre om een Compromies ola aan D E: Comp: te verleenen, waarop zij geantwoord hebben, dat er nooijt een ge„ bruijk was om diergelijke olate passeeren, mits„ „gaders
English
as well as that they could not do such a thing without prior knowledge of the serkar, because they fall under his Excellency. Those people were arrested for 10 days and suffered many injustices, on which occasion the interpreter and the servant of the chief assured Naraijna and goeroewen that they would sell their houses by public auction and give the rest of their possessions to the Honourable Company. At this, those people became embarrassed and were thinking of running away from here. The interpreter and the servant grant protection to Siagen and Conden, and prevent them from paying a fine to the serkar. When the French were at war, the surij was sold by Roman Catholics. Cosan Alichan having heard this, he forbade those people from doing so, and he subsequently had the former chief Dormieux requested to constrain the head of the surij tappers, named Wengata Moddelij, to the payment of 36 pagodas, of which 20 pagodas being deducted through the request of the chief, he discharged the remaining 16 pagodas. The aforementioned Roman Catholics have now again sold surij, but the serkar having prevented this, they, at the instigation of the interpreter, were warned by the chief that they should not heed the order of His Excellency. The serkar received 200 pagodas yearly from the surij tappers. Now they do not want to pay that money because the Roman Catholics are selling the surij. The haweldaar has often let the chief know that this was not well done, upon which it was answered to Angama Naijker, who carried the message, by the interpreter and the servant of His Honour, that if he ever came forward again with such matters, they would then permit not just some, but all the Roman Catholics to sell surij, as well as endeavor that the serkar does not obtain his customs duty. The actual surij tappers will now run away, whereby the serkar will suffer great prejudice. It is a custom that no toll is taken for the foodstuffs that are brought here, as well from the four villages as from Batavia and Nagapatnam. When Sistiar Khan discharged the service of haweldaar, four thonijs with firewood arrived for the chiefs at the time. Their Honours requested the haweldaar on that occasion to be exempted from the payment of the toll. Currently, a mestizo flagman who sells liquor receives 2 to 3 thonijs with firewood monthly. A soldier named Spna trades in goat meat. By all the people who wear hats, firewood, paddy, etc. are brought here with thonijs, and from the villages daily one garce of rice. From Madras they receive each time 12 to 13 bladders with butter, which are used by them and by their servants. For all that is cited above, no toll is taken, and the serkar has also not forbidden the selling of those foodstuffs. A certain Paul having received three thonijs with firewood, the peon of the serkar forbade the unloading of the same, but he had the chief informed of this; whereupon His Honour had ordered one of his peons to bring the said firewood ashore by force. The haweldaar subsequently had the chief told that this was not well done, because the toll for the aforementioned firewood had not been paid. The peon of the serkar having been unwilling to surrender the firewood, the servant and the interpreter of the chief had the same removed by force. By the advice of those two persons, the chief on 27 February 1778 had it proclaimed by the beating of gongs that all fishmongers must henceforth sell their fish close to the castle, and that without His Honour's order they could not dispose of any fish in the city. Some of the fishermen sold fish near the kotwal choultry according to custom, but the head peon Tola Singo forbade this, as well as chastised those people and brought them inside the castle. Although the fishermen live in Palleacatta, they are nevertheless subjects of the serkar, and at the same time sail as sailors on chelingas and catamarans. They addressed themselves to the haweldaar and made known to him that the chief had treated them very unreasonably, and that they now had to abandon the place where the fish were previously sold. The haweldaar hereupon had Angama Naijker and peon Naraijna tell the chief that those fishermen were subjects of the serkar, and that His Honour thus could not order them to sell the fish close to the castle, as well as that it was not good to treat those poor inhabitants in such a manner. Toreura Poele, having heard everything from the mouths of those two persons, gave the chief a wrong understanding of it. His Honour hereupon gave the order to have those people seized by the neck by 20 peons and taken outside the castle. The aforementioned Angama Naijker and Naraijna, who have carried the message to the previous governors and chiefs for 50 years, have never been mistreated. Now this has happened, solely through the instigation of the servants of the chief. The Roman Catholics as well as other people
Dutch transcription
gadrs dat zig zulks zonder voor kennisse van den serkar niet doen konden, door dien zij onder zijn Excellentie sorteeren. Men heeft die menschen 10: dagen lang gearresteerd, en veel torten aangedaan, bij welke occasie hebben de thoek en de dienaar van het opperhoofd aan Naraijna en goeroewen versekerd, dat zij hun huijsen per publicque vendutie verkoopen, en de overige bezit„ „tingen van haar aan D E Comp: geeven zouden. Hier op raakten die menschen in verlegendheijd, en waren van gedagten om van hier weg te loopen De toek en de dienaar verleenen protextie aan Siagen en Conden, en belatten haar om een boete aan den serkar te betaalen. Toen de Transchen oorlog hadden, wierd de Jurij door Roomsche Christenen verkogt. Cosan Ali¬ „chan dit gehoord hebbende, heeft hij die minschin zulks verbooden, en liet hij vervolgens het geweesen opperhoofd Dormieux versoeken, om het hoofd der surij boers in naame wengata Moddelij te conttrin„ geeren ter betaaling van 36: pagooden, waarvan 20: pagooden, door het verzoek van het opperhoofd afgetrokken zijnde, heeft hij de resteerende 16: pag afgelegd. De 129 143 De voormelde Roomsche Christenen hebben nu weder surij verkogt, dog den serkar zulks belet heb„ bende, zijn zij, op opstokerij van de thoek, door het opperhoofd gewaarschouwd geworden, dat zij zig aan de ordre van zijn Excellentie niet stooren moesten. Den serkar heeft van de surijboers sjaars 200: pagooden gekreegen. Nu willen zij dat geld niet betaalen, om dat de Roomsche Christe„ nen de surij verkoopen. Den haweldaar heeft dikwils het opperhoofd laaten weeten, dat zulx niet wel gedaan was, waarop, door den Tolk en de dienaar van zin Ed: aan Angama Naijker, die de boodschap deed, ten antwoord gegeven is, dat wanneer hij nog eens met diergelijke zaaken te voorschijn quam, men als dan niet eenige, maar aan alle de Roomsche Christenen permitteeren zoude, om surij te mogen verkoopen, mitsgaders tragten dat den serkar zijn Costumado niet erlangd. De wezentlijke surij boers sullen nu wegloopen, waar door den serkan veel nadeel lijden zal: Het is een gebruijk dat men voor de eet„ whaaren, die zoo wel, van de vier dorpen, als van den van Batavia en Nagapatnam aangebragt worden, geen thot neemt. wanneer sistiar khan de dienst van haweld haar waarnam, zijn vier Thonijs met brandhout voor de toenmalige opperhoofden aangekomen. Haar Ed:s hebben den haweldhaar bij die gelegeerdheijd verzogt om bevrijd te mogen weesen ter betaaling van de Thol. Tans krijgt een mixtiese vlagge man die de drank verkoopt, smaands 2: â 3: thonijs met brandhouten Eenen soldaat in naame spna drijft negotie in bokke vliesch. Door alle der menschen die hoeden draagen, worden brandhoutent, Nelij etc=a met thonijs, en van de dorpen sdaags een garst rijst alhier aangebragt. van Madras krijgen zij telkens 12:2 B: blaasen met boter, dewelke door haar, en door haar bediendens gebruijkt worden. voor alle het geen hier boven aangehaald is, word geen thot genomen, en der serkar heeft ook het verkoopen van die eetwhaaren niet verboden Eenen paul drie Tronijs met brandhouten gekreegen hebbende, heeft den pion van den Serkar de ontlos„ „sing derzelve verborden, dog hij liet het opperhoofd hier van kennisse geeven; waarop zijn Edele aan een 170 een van desselfs pions geordonneerd hadde, om gemelde brandhouten met geweld aan de wal te brengen Den Haweldaar heeft vervolgens aan het opper„ hoofd laaten zeggen, dat het niet wel gedaan was, wijl de thol voor voorm: branhouten niet betaald geworden is. zijnde De pion van den serkar onwillens geweest „ de brandhouten af te geeven, hebben de dienaar en de tholk van het opperhoofd dezelve met geweld laaten afhaalen. Door aanraading van die twee perzoonen liet het opperhoofd op den 27: Febr: 1778. bij bekken„ slag waarschouwen, dat alle de vis verkoopers voor„ taan hun vis digt bij het Casteel verkoopen moesten, en dat zonder zijn Ed:s ordre zij geen vis in de stad van de hand konden setten. Eenige der visschers hebben volgens gebruijk naast de Coetewaal sjaderij vis verkogt, dog de hoofd pion Tola„ Singo heeft zulx verboden, mitsgaders die menschen gekastijd, en binnen het kasteel gebragt. Schoonde visschers op Palleacafta woonen, egter zijn ze onderdaanen van den serkar, en vaaren teffens als matroozen op Chialengen en Cattemarauws zij d 7 ank 143 zij hebben zij bij den haweldaar geaddresseerd, en hem te kennen gegeeven, dat het opperhoofd haar zeer onree delijk behandeld hadt, en dat zij nu de plaats daar bevoorens de vissen verkogt wierden, verlaaten moesten Den haweldhaar liet hier op door Angama Naijker en pion Naraijna aan het opper„ hoofd zeggen, dat die visschers onderdaanen van den serkar waren, en dat zijn E: Dus haar niet ordonneeren konde om de vis digt, bij het Casteel te verkoopen, mitsgaders dat het niet goed was, die arme inwoonders zoodanig te behandelen. Toreura Poele alles uijt monde van die beijde per„ zoonen gehoord hebbende, heeft hij het opperhoofd ver„ keerd te verstaan gegeeven. zijn Ed: gaf hier op ordre, om die menschen door 20: pions bij de hals te laaten vatten en buijten het Casteel te brengen: voormelde Angama Naijker en Naraijna, die 't zedert 50: Jaaren de boodschap bij de voorige Gouver„ „neurs en opperhoofden gedaan hebben, zijn nooijt qualijk getracteerd geworden. Pans is zulks geschied, alleenig door op stokerij van de bediendens van het opperhoofd. De roomsche Christenen zoo wel als andere luijden
English
people, must serve as sailors, not only on the vessels of the Company but also on those of the sirkar. The chief has also, upon the advice of his servant, prevented the sailors from going onto the vessel that arrived from Walesom on the [illegible] March, ordering a certain Gopalen that henceforth he should not go to the vessels of the sirkar's merchants without his Honour's prior knowledge. According to custom, the people of the sirkar are not obliged to ask permission from the chief. It appears to us that the conduct of the interpreter is identical to that of Sjina Poele, for the latter has constantly sought to strip the sirkar of its authority. For the Company's linens, which are collected by the merchants and sent to Batavia and Nagapatnam, the sirkar takes no toll or dues, but when these merchants deliver linens to private individuals, they must unpack those cloths outside the Castle and pay toll on them, of which the Honourable Company also receives a portion. Through the bad advice of the servants, the chief Tadama had the linens of the Company's merchants Moelingie Warde brought into the Castle, and after they were packed into 14 large bales, they were sent by night with catamarans to Madras on the 3rd of March, under the pretext that those bales belonged to the Honourable Company. The toll for the said linens would easily amount to 200 pagodas, but neither the sirkar nor the Honourable Company could obtain that money because of the evil practices of the servants. That no toll is levied on the trade goods from the Company's village of Erikan, as is done for the linens of Wente Palium, is to the great detriment of the sirkar. The weavers and other people are inhabitants of Palliacatta, but since they have no livelihood, they depart for other places. The interpreter Coepaijen and the servant Porrewea Poele buy goods from the sirkar's servants and resell them at a profit, without however paying them according to the agreement made. Apart from this treatment, the chief does not fail to insult the aforementioned servants of the sirkar. The paddy is measured in the warehouses by force by the peons, through the measurers of the sirkar. The actions of those people may well be compared to those of Sjina Tambia at the time when the French were at war. Beneath stood: For the translation, according to the translation of the Brahmin Wengeta Soeberaijer Aijen, Nagapatnam, the last of March 1778. Was signed: A:m Dormieux, Sworn Translator. Whereupon, having been maturely deliberated after reading, and whereas several accusations appear in the aforementioned papers against the chief of Palleacatta Nicolaas Tadama, the interpreter Coepaijen, and the servant Poerewea Poele, which are not completely proven, especially a certain main complaint consisting in this: namely that on the 27th of February of this year, by beat of gong, he had forbidden the fishermen to sell their fish at any other place than close under the Castle, it has been approved and agreed, before deciding upon the contents of the aforementioned letters and complaints, to send copies of the translations thereof to Palliacatta, with orders to the aforesaid chief to answer the aforesaid complaints in writing and satisfactorily to this Government, with clear and truthful written demonstrations of what was done by him in the aforesaid cases according to the old agreements and privileges of the Company, and what, on the contrary, was done or demanded by the Havildar of Palliacatta in the name of the Nawab. Beneath stood: Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid. Was signed: As before. Tuesday the 14th of April 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy meeting. Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning, and the merchant Lit: and Second Warehouse Keeper Joan Daniel Simons, due to indisposition. It was demonstrated to the meeting by the Governor how for some days a rumour had been circulating here that the King of Tanjore had ceded to the English Company in full ownership the coastal town of Naoer, situated close to this city. That, His Honour having inquired into the truth of this important news with all the precision that the importance of the matter required, it had been reported to him yesterday that the day before, two English gentlemen, accompanied by a detachment of armed sepoys, had arrived at Naoer from Tanjore; and that several English flags had been planted by them both on the boundaries and along the river and inland; and that this report deserved complete credit, as it had been confirmed in all respects by several persons who had passed Naoer, as they had declared to His Honour that they had seen with their own eyes that English flags had been planted at Naoer, both at the river and on the boundaries and inland. That His Honour had therefore deemed it not only necessary to give communication of this important event to the Council
Dutch transcription
131 luijden, moeten als mattroosen dienen, niet alleen op de vaartuijgen van de Comp: maar ook op die van den serkan. Het opperhoofd heeft meede op aanraading op van zijn dienaar de mattroosen belet, om niet op het vaartuijg dat den. . . . . . Maart van walesom aangekomen is, te gaan, gelastende aan eenen Gopalen dat hij zig voortaan niet na de vaartuijgen van de serkars Cooplieden begeeven zoude, sonder sijn Ed:e woor„ kennisse. - volgens usantie is het volk van den sirkar niet verpligt om permissie van het opperhoofd te vragen. - Het komt ons voor dat het gedrag van de thoek gelijkstandig is met dat van sjina Poele, want de laastgemelde heeft steeds getragt omde magt van den serkar te ontneemen. voor 's Comp:s lijwaaten, die door de Cooplieden ingesameld en na Batavia en Nagapatnam gesonden worden, neemt den serkar geen thot of geregtigheijd, dog wanneer die marchandeurs lijwaa„ „ten aan particulieren leeveren, zoo moeten zij die doeken buijten het Casteel afpakken; en daar voor thol betaalen, waarvan de E: Comp: ook een portie geniet n geniet. - Door de quaade raadgeeving der dienaars, heeft het opperhoofd Tadama de Lijwaaten van sComp. s kooplieden Moelingie warde in het Casteel laaten brengen, en na dat dezelve in 14: groote pakken afgepakt waren, zijn ze op den 3:e Maart bij nagt met Cattemarauws na Madras versonden, onder voorgeeven dat die pakken D' E Comp: toehooren. De thol voor gemelde lijwaaten zal wel 200: — pagooden bedraagen, dog dat geld heeft den serkan zoo wel als dE Comp:, door de quaade gedoentens van de dienaars niet kunnen erlangen. voor de negotie goederen van 's Comp:s dorp Erikan geen thol, gelijk voor de lijwaaten van wente palium geheft wordende, strekt het tot groot nadeel van den serkar. De weevers en andere lieden zijn inwoonders van Palliacatta, dog dewijl zij geen broodwinning hebben, begeeven zij zig na andere plaatsen. Coepaijen en de dienaar Porrewea Den Thoek Poele koopen goederen van serkars bediendens, en verkoopen dezelve weder met profijt, sonder egter volgens 122. 143 volgens aangegaane accoord aan haar te betaalen. Buijten en behalven deeze behandeling, laat het opperhoofd niet na de voormelde bediendens van den serkar uijt te schelden. De nelij word in de pakhuijzen met geweld van de pions gemeeten, door de meeters van den serkar De gedoentens van die menschen zijn, wel te vergelijken bij die van sjina Tambia ten tijde toen de fransen oorlog hadden /:onderstond:/ voor de oversetting volgens vertaaling van den bramine wenge ta Soeberaijer Aijen Nagapatnam den laasten Maart 1778 /:was geteekend:/ A:m Dormieux Gesw: Translateur. — waarover na lectuure rijpelijk gedelibereerd zijnde, zoo is wijl bij de voorschreeve papieren diverse beschuldigingen voorkomen tegen het opperhoofd van Palleacatta Nicolaas Iadama, den Tolk Coepaijen en den dienaar Poerewea Poele die niet volkomen beweezen zijn, voor al zeekere hoofd. klagte, hier in bestaande: dat hij, namelijk op den 27: Februarij deezes Jaars de visschers bij bekkenslag zoude verbooden hebben, hunne vissen op geen andere andere plaats als digt onder het Casteel te verkoopen, goed gevonden en verstaan, alvoorens op den inhoud van de voorschreeve brieven en klagten te disponeeren, daarvan Copia trans„ laaten naar Palliacatta te zenden, met last aan het voorsz: opperhoofd, om zig op de voorsz: klagten schriftelijk en satisfactoir te verant„ „woorden bij deeze Regeering; met duijdelijke en naar waarheijd ten papiere gebragte de„ monstratien van het geen in de voorsz: ge„ vallen door hem volgens de oude overeen kom„ „ste en privilegien van de Maatschappij verrigt, en wat daar teegen door den Hawel„ daar van Palliacatta uijt naam van den Na„ „bab gedaan of gevorderd geworden is. /:onderstond: Aldus Gedaan en Gearres„ teerd in het Casteel tot Nagapatnam dato voorschreeven /:was geteekend:/ als vooren. Dingsdag 133 143 Dingsdag den 14: April 1778. Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie, Absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning en Den koopman Lit: en Tweede Pakhuijsmeester Ioan Daniel Simons, mits in„ dispositie. Is door den Heer Gouverneur ter vergaderin„ ge vertoond, hoe hier sedert eenige dagen een gerugt geloopen hadt, dat den vorst van Tansjour aan de Engelsche Compagnie in volkomen eijgendom zou hebben afgestaan, de digt bij deeze Stad geleegen zeeplaats Naoer. Dat zijn Edele na de waarheijd van dit gewigtig nieuws met alle naauwkeurigheijd, die het belang van die zaak vereijschte, onder zoek. gedaan to gedaan hebbende, men op gisteren aan hem gerapporteerd hadt, dat 's daags te vooren twre Engelsche Heeren van een Commando gewapende sipaijs verzeld, van Tansjour op Nader aan gekomen waren; en dat door hun eenige En¬ gelsche vlaggen zoo op de limiten, als langs de revier en landwaarts in waren geplant geworden: mitsgaders dat dit rapport vol„ komen geloof verdiende, alzo het in allen opzigten was bevestigd geworden, door ver„ scheijde perzoonen die Nader gepasseerd waren alzoo deeze aan zijn Edele verklaard had„ „den, dat zij met hunne eijgen oogen hadden gezien dat 'er tot Naver, zoo aan de revier als op de lemiten en landtwaarts in Engelsche vlag„ „gen geplant geworden waren. Dat zijn Edele dierhalven niet alleen noodzaakelijk geagt hadt, van deeze gewigti „ge gebeurtenis den Raad Communicatie te geven