VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3512

Coromandel · 784 pages · 113 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3512_0267 view scan ↗

English

to give, but also could not fail to remark in that regard that the cession of Naoer to the English Company, on the one hand, directly contradicts the solemn promises of assurance given by the deceased prince of Tansjour, the Lord Maharaasja Rajasie Pretappa Singaji Raasja Sahib, by missive of 25 March 1750 to the then Governor of Nagapatnam, Mr Librecht Hooreman; seeing that the prince had thereby solemnly promised and assured that the Dewan's village of Naoer would never be sold or alienated, but, if it should happen that it were to be sold or alienated, such would be done to no one other than the Dutch Company: a promise which the present prince of Tansjour, the Lord Toelaija Raija, had affirmed and confirmed upon his accession to the throne in the year 1764; and on the other hand entirely destroys and overthrows the principal article in the contract concluded at Naoer between the Souba of Carnatica, the Lord Machomet Alichan, and the Dutch East India Company on 23 November 1773, as in that contract it was stipulated on our side, and promised and assured by the Souba, that His Highness's own flag shall always fly over the maritime places belonging to Tansjour, Naoer and Topotoire. That His Honour, considering the infringement committed by the English upon the Company's lawful prerogatives by taking possession of Naoer, now deemed it necessary for the maintenance of its privileges to solemnly protest against the taking possession of Naoer, or the planting of the English royal flag there, with the Madraspatnam Government in the name of Their High Mightinesses the Lords States General of the free United Netherlands, the Noble Right Honourable Lords Directors of our Company, and Their Right Excellencies the Noble High Indian Government at Batavia, and accordingly made protest thereto! Whereupon, having maturely deliberated, it was noted on the one hand that if one did not protest against the taking possession of Naoer, silence in that regard might be viewed as a tacit surrender of our prerogatives, which must above all be guarded against and cared for; and on the other hand remarked that the interest of the Company absolutely demands that one endeavour to prevent the surrender of Naoer to the English Company, as far and as long as possible, since the Company, through that surrender, would not only lose the right it has to the aforesaid seaport above all other European nations, but would also suffer very great harm in its collection of trade, should the English come to establish themselves again so close to Nagapatnam, and consequently it was unanimously approved and resolved to solemnly protest to the Madraspatnam Government against the taking possession of Naoer, as well as to send copies of that protest to the prince of Tansjour and the Souba of Carnatica, with a request to both those princes to maintain and restore the Dutch Company in its privileges. Furthermore, reading having been taken of a draft protest put to paper by the Lord Governor for the aforesaid purpose, it was after mature deliberation approved and resolved to conform entirely with the contents of the aforesaid draft protest, and consequently to arrest it hereby, as follows word for word below: Reijnier van Vlissingen, Governor and Director on behalf of the General Chartered Dutch East India Company on the Coromandel Coast, together with the Council at Nagapatnam. To The Right Honourable Sir Thomas Rumbold, President and Governor of Fort St George and the Coromandel Coast, on behalf of the Royal English East India Company, together with the Council at Madraspatnam. Whereas on the maritime village of Naoer situated near this city, belonging under the dominion of the prince of Tansjour, the flag of His Majesty the King of Great Britain was planted on Monday the 13th instant, the undersigned Governor and Council, to whom on behalf of the State of the free United Netherlands and the Dutch East India Company the dominion over, and the care for the establishments, privileges, and prerogatives of the aforesaid Company on this coast has been entrusted and commended, cannot allow this infringement upon the privileges of the aforesaid Dutch Company to pass unremarked; for it cannot be unknown to Your Honour, Gentlemen, or indeed Your Honour could have been informed long since, that the father of the present prince of Tansjour, the Lord Maharaasja Rajasrie Pretappa Singaija Raasja Sahib, by letter of

Dutch transcription

134 geeven, maar ook niet voor bij kon daarom„ trend te remarqueeren, dat den afstand van Naoer aan de Engelsche Compagnie, aan de eene zijde regtstreeks aanloopt tegen de plegtige beloften van verzeekering door den overleeden vorst van Tansjour den Heere Maharaasja Rajasie Pretappa Singaji Raas„ „ja Sahib, bij missive van den 25:e Maart 1750: aan den toenmaligen Heer gouverneur van Nagapatnam Mr Librecht Hooreman ge„ geeven: alzoo den vorst daar bij plegtiglijk beloofd en verzekerd hadt, dat 's Duans Dorp Naoer nooijt zou worden verkogt, of verabineert, dog, zoo het quam te gebeuren dat men het wilde verkopen of veralieneeren zulks aan niemand anders zou geschieden als aan de Hollandsche Compagnie: eene belofte die den presenten vorst van Tansjour Toelaija Raija bij zijne kom den Heere vte „ste tot den troon in den Jaare 1764. geaffirimeerd en bevestigd hadt; mitsgaders aan den an„ deren kant ten eenemaal vernietigd, en om verre werpt het voornaamste articul in het Contract, tusschen den souba van Carnatica den Heere Machomet Alichan en de Nederlandsche Oost-Jndische Compagnie op den 23: November 1773 tot Naoer geslooten, alzoo bij dat Con„ tract van onze zijde bedongen, en door den souba beloofd en verzekerd geworden is, dat op Tansjour gehoorende Zeeplaatsen de onder Naoer en Topotoire altoos zijn Hoogheids eijgen vlag zal waaijen. Dat zijn Edele uijt overweeging van den inbreuk die 'er van de zijde der Engelschen door het in bezit neemen van Naoer, op Compagnies wettige voorregten gedaan was, het tans tot maintenue van haare privilegien nood zaakelijk oordeelde, tegens het in bezit niemen van 135 143 van Naoer, of het planten aldaar van de Engel„ „sche koninglijke vlagge, bij de Madraspatnam„ „sche Regeering plegtiglijk te protesteeren uijt naam van Haare Hoog Mogende de Heeren staaten Generaal der vrije vereenigde Nederlanden, de Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewindhebberen van onze Maatschap¬ „pij, en Haare Hoog Edelheedens de Edele Hooge Jndiasche Regeering te Batavia, en dienvol„ gende daar toe protestatie deed! waarover rijpelijk zijnde gedelibereerd, is aan de eene zijde aangemerkt, dat zoo men niet en protesteerde tegens het in bezit nee„ men van Naoer, het swijgen daaromtrend zoude kunnen worden aangezien, als een stilswijgende afstand van onze voorregten, waar teegens vooral gewaakt en zorg gedraa„ gen diend te worden; en aan den anderen kant geremarqueerd dat het belang van de de Maatschappij volstrekt vorderd, dat men de overgaave van Naoer aan de Engelsche Maat„ schappij, voor zoo ver en zoo lang het mogelijk is, tragte te beletten, alzoo de Comp: door die overgave, niet alleen verliezen, zoude het regt dat zij boven alle andere Europeesche natien op de voorschreeve zeehaven heeft, maar ook zeer veel nadeel lijden zal in haaren inzaam in negotie, bij aldien de Engelschen zig zoo digt bij Nagapatnam komen weder te zet„ ten, en dienvolgende met eenparigheijd van stemmen goedgevonden en verstaan tegen het in bezit neemen van Naoer plegtiglijk te protesteeren bij de Madraspatnamsche Regeering, mitsgaders van dat protest afschrif„ „ten af te zenden aan den vorst van Tansjour en den souba van Carnatica, met verzoek aan beijde die vorsten om de Nederlandsche Compagnie bij haare voorregten te mainti¬ neeren 136 143 neeren en te herstellen. voorts lectuure genomen zynde, van een concept Protest, door den Heer Gouverneur ten voorsz: eijnde ten papiere gebragt, zo is na rijpe deliberatie goedgevonden en verstaan, zig met den inhoud van het voorsz: Concept, pro„ „teit volkomen te Conformeeren, en het dienvol„ gende bij deezen te arresteeren, zoodanig als het hier onder van woord tot woord is volgende Reijnier van Vlissingen Gouverneur en Directeur van wegen de Generaale Geoctroijeerde Neder„ landsche Oost. Indische Maatschap pij ter Custe Cormandel, nevens den Raad tot Nagapatnam. Aan Den welEdelen Gestrengen Heer Thomas Rumbold, President en gouverneur van het Fort S=t george en de Custe. Cor„ mandel, wegens de Roijale Engel„ sche „sche Oost- Indische Compagnie, nevens den Raad te Madraspatnam. Alzoo op het na bij deeze stad geleegen zeedorp Naoer, behoorende onder het gebied van den vorst van Tansjour, Maandag den 13:' deezer geplant geworden is, de vlag van zijn Majesteijt den koning van groot Brittanjen, kan den ondergeteekende gouver„ „neur en Raad, die van wegen den staat der vrije vereenigde Nederlanden, en de Nederlandsche oost Jndische Comp:e het gedied over, en de zorge voor de etablissementen, privilegien en prerogativen van de voorschreeve Compagnie ter deezer kuste is toebetrouwt en aanbevoolen, deezen inbreuk op de privilegien der voorschreeve Nederlandsche Compagnie, niet ongeremarqueerd passeeren; want het uwe welEdele Mijn Heeren niet onbekend kan weezen, immers uwe wel Edele hadden van al van over lange kunnen geinformeerd zijn, dat den vader van den tegenswoordigen vorst van Tansjour, den Heere Maharaasja Rajasrie Pretappa Singaija Raasja Sahib, bij brief van

NL-HaNA_1.04.02_3512_0273 view scan ↗

English

137 143 of 25 March 1750 to the then Governor of Nagapatnam, the Honorable Mr. Librecht Hooreman, dutifully assured and promised that the Diwan's village of Naoer would never be sold or alienated, or if it should happen that they wished to sell or alienate it, such would happen to no one else than the Dutch Company: An assurance which the present Prince of Tansjour, the Lord Tolaija Raja, upon his accession to the throne in the year 1764, affirmed and confirmed, along with all other privileges granted by his princely predecessors to the Dutch Company: but even though Your Honors might be ignorant of this promise, it is nevertheless more than well known to Your Honors that in the Contract concluded at Naver on 23 November 1773 between the Subah of Carnatica, the Lord Machometh Alichan, and the Dutch East India Company, it was stipulated on our part, and promised and assured by the aforesaid Subah, that over the sea places Naoer and Topotorre belonging under Tansjour, His Highness's own flag would always fly, against which Your Honors are currently acting; and since these actions of yours, or the planting of an English royal flag at Naoer, is very prejudicial, indeed will entirely nullify, not only the prerogative granted by the previous Prince of Tansjour to our Company and confirmed by the present Prince, but also the principal article for our Company in the Contract entered into between the Subah of Carnatica and the same, we, who here constitute the body of the Government, do hereby in the name and on behalf of Their High Mightinesses, the Lords States General of the free United Netherlands, the Honorable and Highly Esteemed Directors of our Company, and Their Right Honorables, the Honorable High Indian Government at Batavia, protest against the planting at Naoer of the aforesaid English royal flags in the most emphatic manner; amicably and neighborly requesting that the same may be taken down again: Leaving otherwise all the damages 138 143 and disadvantages, with their consequences and appendages, which, upon the refusal of this our lawful and reasonable request, might spring from this action of yours—which above all is entirely contrary to the treaty of peace and friendship subsisting between the two sovereigns in Europe—wholly and entirely to Your Honors' account and responsibility, as being the sole cause thereof: for we declare ourselves, and in us the whole Dutch nation, before God and the whole world, free and innocent of having given any cause to Your Honors to have to proceed in such a manner. Furthermore, by virtue of the aforesaid prerogative and Contract, we request and call upon the present Prince of Tansjour, the Lord Tolaija Raja, and the Subah of Carnatica, for the maintenance of the privileges granted by them to our Company, to employ their good offices with the English Ministry at Madras, in order thereby to effect that the aforesaid royal flag at Naoer be removed. Done Done in the Castle at Nagapatnam on the Coast of Coromandel in East India, 14 April 1778: was signed: R: v: Vlissingen, P: J: Dormieux, J: E: G: Hazelman, M:s Koning, S:s Mossel, W:m Duynevelt, J: D: Simons, J. Appengh, and M:s Stoffenberg. And after the aforementioned Protest was approved and enacted, it was further proposed by the Lord Governor to remark in the letter with which the same would be presented to the Madraspatnam Government: That when this Council in the year 1773 had lawfully purchased the sea place Naoer and several other lands from the Prince of Tansjour, according to the bills of sale granted thereof by His Highness, that same place and lands were reclaimed by His Excellency the Nawab Machometh Alichan after he had captured the city of Tansjour, by force and with the support of English Company troops, under the pretext that the Prince of Tansjour, 139 143 being a tributary of the Nawab, had no power to sell or alienate any of his places, and that thereupon, to avoid disputes, that sea place and the further lands were transferred to His Excellency; but with this express condition that from the sea places Naoer and Topotorre no other flag than that of His Excellency would ever fly. That this having thus transpired, it was now found particularly strange that that position of the Prince's impotence and lack of power to be able to sell his lands and sea places to the Dutch Company, on which they then insisted so strongly, has been forgotten so quickly. And that one is also very astonished that the Prince of Tansjour, who then, according to the opinion of the former Madraspatnam Government and the Nawab, did not have the least power to cede his lands to the Dutch Company, has now received so much power to be able to cede the sea place Naoer to the English Company. Whereupon, after deliberation, it was also approved and agreed to conform with the aforesaid remarks of His Honor which are naturally deduced from the contradictory conduct that has been maintained by the Madraspatnam Government from the year 1773 until now regarding the affairs of the Dutch Company and Tansjour, and consequently also to approve and enact the draft missive prepared to accompany the aforementioned Protest; the same reading verbatim as follows: Madraspatnam To the Honorable Thomas Rumbold, President and Governor of

Dutch transcription

137 143 van den 25: Maart 1750: aan den toenmaligen gouverneur van Nagapatnam den welEdelen Heer M:r: Librecht Wooreman pligtiglijk heeft ver„ zekerd en beloofd gehad„ dat 's Duans Dorp „ Naaer nooijt zoude werden verkogt of te ver„ „„alieneerd, of zo het quam te gebeuren dat men het wilde verkopen ofte veralieneeren, zulx aan niemand anders zoude geschieden, als aan de Hollandsche Compagnie: Eene ver„ zekering die den presenten vorst van Tansjour den Heere Solaja Raja bij zijne komste tot den troon in den Jaare 1764. geaffirmeerd en bevestigd heeft, nevens alle andere privilegien door zijne vorstelijke voorzaaten aan de Hollandsche Maatschappij geschonken: dan of schoon uwe wel Edeles van deeze toezegging al een signorant mogten weezen, is 't aan uwe wel Edeles egter te over bekend, dat bij het Contract, tusschen den souba van Carnatica, den Heere Machometh Alichan, en de Nederland„ „sche oost. Jndische Compagnie, op den 23: Novem„ „ber 1773. te Naver gesloten, van onze zijde be„ „dongen, en door den voorsz: Souba beloofd en ver„ zeekerd geworden is, dat op de onder Tansjour gehoorende gehoorende zeeplaatsen Naoer en Topotorre altoos zijn Hoogheijds eijgen vlag zouden waaijen, waar tegen tans door uwe wel Edeles gehandelt wordt; en dewijl deeze uwe Handelingen of het planten van een Engelsche konings vlag op Naoer zeer prejudicabel is, Ja ten eenemaal mortificeeren zal, niet alleen het prerogatief door den voorigen vorst van Tansjour aan onze Compagnie geschon„ „ken, en door den tegenswoordigen vorst bevestigd, maar ook het principaalste articul voor onze Maatschap„ pij, in het Contract tusschen den souba van Carnatica, en dezelve aangegaan, zoo protesteeren wij, die alhier het lichaam der Regeering uijtmaken, uijt naam en van wegen Haar Hoog Mogende, de Heeren staaten Generaal der vrije vereenigde Neder„ „landen, de Edele Hoog Agtbaare Heeren Bewind„ hebberen van onze Maatschappij en Waar Hoog Edel„ heedens, de Edele Hooge Jndiasche Regeering te Batavia, tegens het planten op Naoer van de voorsz: Engelsche koninglijke vlaggen, bij deezen op het allernadrukkelijkste; vrund en nabuurlijk verzoekende, dat dezelve wederom mag worden ingenomen: Laatende anders al de schaaden in 138 143 en nadeelen met derzelver gevolgen, en den aan kleeven van dien, die bij wijgering van dit ons regtmatig en billijk verzoek, uijt deeze uwe handeling, die boven al ten eenemaal strijdig is met het trac„ „taal van vreede en vriendschap, tusschen de beijde souverainen in Europa subsisteerende, zouden kunnen spruijten, geheel en al voor uwel- Edeles reekening en verantwoording, als daar van alleen de oorzaak zijnde: want wij ons, en in ons de gansche Nederlandsche natie, voor God ende gansche wereld vrij en onschuldig verklaaren, van eenige oorzaak aan uwe wel Edeles gegeven te hebben, om zoodanig te moeten procedeeren. wijders verzoeken en reclameeren wij uijt hoofde van het voorsz: prerogatief en Contract den presenten vorst van Tansjour den Heere Tolaija Raja en den souba van Carnatica om tot maincts tenu van de voorregten door dezelve aan onze Maatschappij geschonken hunne goede officien bij het Engelsche Ministerium op Madras aan„ te wenden, ten eijnde daar door te bewerken dat de voorsz: koninglijke vlagge op Naoer worde weggenomen. - Gedaan s Gedaan in 't Casteel tot Nagapatnam op de Cust Cormandel in Oost Jndien den 14. ' April 1778: /:was geteekend:/ R: v: vlissingen, P: J: Dormieux, J: E: g: Hazelman, M:s Koning; S:s Mossel, w:m Duijnevelt, J: D: Simons, Je Appengh, en M:s Stoffenberg En na dat het voorschreeve Protest geappriobeerd en gearresteerd was, wierd: door den Heer Gouverneur alverder geproponeerd; om in den brief waar bij het zelve de Madraspatnamsche CRegeering zoude worden aangebooden te remarqueeren. Dat wanneer deezen Raade in den Jaare 1773 de Zeeplaats Naoer en meer andere Landen van den vorst van Tansjour wetiglijk gekogt hadt, volgens de daarvan door zijn Hoogheijd verleende koop brieven, die zelfde plaats en Landen door zijn Excellentie den Nabab Machometh Alichan /:na dat hij de stad Tansjour ingenomen hadt:) met geweld en ondersteuning van Engelsche Com„ pagnies troupes gereclameerd geworden zijn, quasie op pretext dat den Tansjourschen vorst 139 14 vorst als een tributair van den Nabab zijnde„ geen magt hadt om eenige van zijne plaat„ „zen te verkoopen of vervreemden, en dat daar op tot vermijding van differenten die zee„ plaats en de verdere Landen aan zijn Ex„ cellentie waren overdragen geworden; dog met dit expres beding dat van de zee plaatsen Naoer en Topotorre nooijt geen andere vlag als die van zijn Excel„ „lentie zoude waaijen. Dat dit dus gepasseerd weesende, 1 men het thans bijzonder vreemt vond dat die sustenu van 'T vorsten onmagt en kragteloosheijd om zijne Landen en Zeeplaatsen aan de Hollandsche Comp:e te kunnen verkoopen, waar op men toen zoo sterk stond, zoo haast vergeeten is. En ^is dat men ook zeer verwonderd, dat den vorst van Tansjour die toen, volgens het gevoelen van de voorige Madraspatnamsche Re„ geering — guering en den Nabab, geen de minste magt hast om zijne landen aan de Hollandsche Compagnie af te staan, thans zoo veel magts gekreegen heeft om de Zeeplaats Naoer aan de Engelsche Maat„ schappij te kunnen ledeeren. waarop na deliberatie almeede goegevonden en verstaan is, met de voorsz: remarques van zijn Edele (:die natuurlijker wijze afgelijd zijn van het tegen strijdig gedrag dat door de Madraspatnamsche Regeering sedert den Jaare 1773. tot nu toe gehou„ den is, omtrend de zaaken van de Hollandsche Comp: en Tansjour:) zig te conformeeren, en dien„ volgende almeede te approbeeren ende te arresteeren de tot geleijde van het voorschreeve Protest in gereedheijd gebragte Concept missive; luijdende dezelve woordelijk als volgd. Madraspatnam aanden welEdelen Heer Thomas Rumbold, President en gouverneur van 3

NL-HaNA_1.04.02_3512_0279 view scan ↗

English

Fort St. George on the Coast of Coromandel, on behalf of the Royal English East India Company, together with the Council there. Honourable Sir and Gentlemen, We let this serve principally to accompany the enclosed Protest, in which, for reasons cited at length in that document, we earnestly protest against Your Honours regarding the taking possession of Naoer, to which we have an exclusive privilege. And although we do not doubt that Your Honours will, from the contents of the aforementioned protest, to which we refer, be fully convinced of the lawfulness upon which our right rests, we have nevertheless deemed it necessary to remark hereby that when in the year 1773 we had lawfully purchased the maritime place Naoer and several other lands from the Prince of Tansjour, in accordance with the deeds of sale granted by His Highness, that same place and lands were reclaimed again by force and with the support of English Company troops by His Excellency the Nabob Machometh Alichan after he had taken the city of Tansjour, on the pretext that the Tansjour Prince, being a tributary of the Nabob, had no power to sell or alienate any of his places; and that thereupon, to avoid disputes, we transferred the maritime place and other lands back to His said Excellency, but with this express condition, as we have cited in the enclosed protest, that no flags other than those of His Excellency should ever fly from the maritime place Naoer and Topotorre. This having taken place in such a manner, it appears particularly strange to us now that that contention on which they then insisted so strongly of the Prince's inability and lack of power to sell his lands and maritime places to the Dutch Company has been so quickly forgotten. It also surprises us greatly that the Prince of Tansjour, who then, according to the opinion of the previous Madraspatnam Government and the Nabob, had not the least power to yield or sell his lands to us, has now obtained so much power as to be able to yield the maritime place Naoer to the English East India Company. What, then, shall we say of this, Gentlemen? We may rightly give this twofold conduct of Your Honours the name of indirect dealings that run counter not only to friendship and alliance, but also to good faith; wherefore we leave all the detrimental consequences that may result therefrom to Your Honours' responsibility. While in the meantime we do ourselves the honour to remain with very great respect, Honourable Sir and Gentlemen, Your Honours' humble and obedient servants. Signed: R. v. Vlissingen, P. J. Dormieux, J. E. G. Hazelman, Ms. Koning, S. Mossel, Wm. Duijnevelt, J. D. Simons, Jn. Appongh, and Mr. Stoffenberg. In the margin: Nagapatnam in the Castle, 14 April 1778. Below stood: Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam, date as above. Signed by all. Monday, 27 April 1778, at 8 o'clock in the morning. Meeting of Policy. Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning due to indisposition. After the conclusion of ordinary business described in today's common Resolution, the Governor produced in the meeting an English letter received on the 20th of this month, written by the Governor and Council of Madraspatnam to this Council on the 15th preceding, in response to their letters of 28 March and the 4th instant; accompanied by an extract translation of a letter written by the Raja of Tansjour to John Whitehill on 4 January last, and by an extract of a letter written by the Commandant of Tansjour on 16 March to the Governor and Council of Madras, the aforementioned letter and its enclosures, translated from the English into the Dutch language, reading as follows: To the Honourable Reijnier van Vlissingen, Esq., Extraordinary Councillor and Director of the interests of the Dutch Company on the Coast of Coromandel, together with the Council thereof at Nagapatnam. Honourable Sir and Gentlemen, We have had the honour to receive Your Honours' letters of 28 March and 4 April. The original cause of the dispute that currently exists between the Raja of Tansjour and Your Honours' government is, as we imagine at least on the part of the Raja, the protection that is said to have been given by Mr. van Vlissingen, Your Honours' Governor, to Cannegalawea Poele, havildar or renter of a principal part of the lands of the Raja, who, as the Raja has informed us, owes to the circar close to ten lakh pagodas, and in order to evade payment thereof and settle the account, fled to Nagapatnam, where he obtained protection, notwithstanding that it was formally demanded by the Raja that he should be extradited; the Raja likewise complains that the visiadores and rebellious inhabitants of his country who committed irregularities were protected in the same manner. All this was strongly represented in a letter to us from the Raja, dated 1 January last, of which we enclose an extract for Your Honours' information in this matter. We cannot believe that such proceedings are in accordance with the contents of any treaties or contracts that in former times

Dutch transcription

140 143 'T Fort S:t George en de Custe Cormandel wegens de Roijale Engelsche oost- India„ sche Compagnie nevens den Raad aldaar. Wel Edele Heer, en Heeren! Wij laaten deezen principaal dienen tot geleijde van het inleggend Protest, waarin wij om reedenen bij dat geschrift in het breede aangehaald, ernstig tegens uwel Edeles protesteeren, wegens het inbe„ zit neemen van Naoer, waar op wij een exclusie fer ga„ voorregt hebben.. En schoon wij niet en twijffelen, of uwe wel Edele p zullen uijt den inhoud van het voorschreeve protest, ij waaraan wij ons refereeren, volkomen overtuijgd wor„ den van de wettigheijd waar op ons regt berust, heb„ „ben wij egter nog noodsaakelijk geoordeeld bij deezen te remarqueeren, dat, wanneer wij in den Jaare 1773. de Zeeplaats Nader en meer andere Landen van den vorst van Tansjour, volgens de daar van door zijn Hoogheijd verleende koopbrieven wettig gekogt hadden, die zelfde plaats en Landen door zijn Excellentie den Nabab Ma„ Chometh chometh Alichan, nadat hij de stad Tansjour ingenomen hadt, wederom met geweld en met ondersteuning van Engelsche Comp:e troupes gere clameert geworden zijn, op pretext dat den Tan„ sjourschen vorst als een tributair van den Nabab zijnde, gen magt hadt om eenige van zijne plaatsen te verkoopen of vervreemden; en dat wij daar op tot vermijding van diffirenten de zeeplaats ende verdere Landen aangemelde zijn Excellentie wederom hebben overgedraagen, dog met dit expres beding, zoo als wij bij het inge„ sloten protest aangehaald hebben, dat van de Zeeplaats Nader en Topotorre nooijt geen an„ „dere vlaggen dan die van zijn Excellentie zoude waijen. Dit toen zoodanig gepasseerd weezende, komt het ons tans bijzonder vreemd voor, dat die sustenu (:waar op men toen so sterk stond:/ van 't vorsten onmagt en kragteloosheijd om zijne Landen en zeeplaatsen aan de Hollandsche Comp: te kunnen verkoopen, zoo haart vergeeten is. ook verwonderd het ons zeer, dat den vorst van Tansjour die toen, volgens het gevoelen van de voorige 141 voorige Madraspatnam sche Regeering en den „Nabab, geen de minste magt hadt, om zijne landen aan ons te kunnen afstaan of verkopen, tans zoo veel magt gekreegen heeft om de Zeeplaats Naoer aan de Engelsche oost- Jndische Com„ pagnie te kunnen afstaan. Dan wat zullen wij hier van zeggen Mijn Heeren. wij mogen dit tweederleij gedrag van uwe welEdeles met regt den naam geeven van indirecte handelwijzen die tegen de vriend- en bondgenoodschap niet alleen, maar ook tegen de goede trouw aanloopen, weshalven wij dan ook alle de nadeelige gevolgen die daaruijt resulteeren kunnen voor uwerwel Edeles verantwoording laa„ „ten Terwijl wij ons ondertusschen de eere geeven van met zeer veel respect te blijven /:onderstond: welEdele Heer en Heeren uwel Edeles onderdanige en gehoorsaame Dienaaren /:was geteekend:/ R: v: vlissingen, P: J: Dormieux, J: E: g: Hazelman, M:s Koning, S: Mossel, W:m Duijnevelt, J D: Simons, J:n Appongh, en M:r Stoffenberg, /:in margine:/ Nagapatnam in 't Casteel den 14: April 1778. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en gearresteerd in our in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorschree„ ven /:was geteekend :/ door alle. Maandag den 27:e April 1778. 'smorgens ten 8: uuren Vergadering van Politie Absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning mits indispositie Na het afloopen van de ordinaire zaakin bij de gemeene Resolutie van heeden beschreeven, heeft den Heer Gouverneur ter vergaderinge ge„ produceerd, een op den 20:' deezer maand ontvangen Engelsche Missive door den Heer Gouverneur en Raad van Madraspatnam op den 15: bevoorens aan deezen Raade geschreeven, in antwoord op haare brieven van den 28:e Maart en 4: hujus; verzeld van een Extract translaat missive door den Radja van Tansjour op den 4: Januarij sleeden 142 J=o leeden aan den Heer John Wlitehill, en van een Extract missive door den Comman„ dant van Tansjour op den 16: Maart aan den Heer gouverneur en Raad van Madras geschreeven, luijdende den voorsz: missive in zijne bijlaagen uijt de Engelsche in de Nederduijt„ „sche taale getrans lateert weezende, als volgd. Aan den wel Edelen Reijnier van Vlissingen Esq=r Raad, Extra ordinair en Directeur van de belangen van de Holland„ „sche Comp: op de Cust van Cormandel benevens den Raad daarvan tot Nagapatnam. Wel Edele Heer, en Heeren! Wij hebben de eer gehad te ontvangen uwel Ed: brieven van den 28: Maart en 4: April. De origineele oorzaak van het different dat tegenwoordig subsisteerd tusschen den Radja van Tansjour en uwelEdeles gouvernement, is, zoo als hree oning . als wij ons verbeeden ten minsten van de kant van den Radja, de protectie die gezegd, wordt, door den Heer van Vlissingen uwelEd: Gouverneur gege„ „ven te zijn, aan Cannegalawea Poele, haweldaar of pagter van een voornaame gedeelte der Landen van den Radja, die zoo als de Radja ons gein„ formeerd heeft, schuldig is, aan den serkar te be„ taalen, digt bij de tien lak pagooden, en om de betaaling daarvan te ontwijken en de reekening te sluijten na Nagapatnam gevlugt is, alwaar hij protectie erlangd heeft, niet tegenstaande door den Radja formeel gevorderd is, dat hij uijtgeleverd ook zoude worden, alzoo klaagd den Radja dat de visia„ doors en oproerige Inwoonders van zijn land die ongeregeltheeden pleegden op dezelfde manier ge„ protogeerd zijn geworden. Dit is alles sterk voorgedraagen bij een brief aan ons van den Radja, in dato 1: Januarij J:o leeden, waarvan wij een Extract tot uwel Ed:s narigt in deezen sluijten. wij kunnen niet gelooven dat diergelijke behandelingen navolgens den inhoud van eenige tractaaten of Contracten zijn, die in voorige tiden

NL-HaNA_1.04.02_3512_0285 view scan ↗

English

times between your Honours and the Rajah, as the same would publicly serve to render powerless the authority over his own people, and at the same time give occasion to continual losses of the sarkar's revenues, while one cannot imagine that such a great sacrifice would be made by the Rajah out of any consideration of services he might have received from your Honours' establishment at Nagapatnam. It has pleased your Honours, by letter of the 28th of March, to request of us that we should employ our good offices with the Rajah so that he might desist from the measures which he has put into effect by cutting off the communication that exists between his lands and the territory of Nagapatnam. We are, Gentlemen, very ready to do this, and since the measures, as we understand them, have no other objection than to obtain satisfaction for the aforementioned complaints, it is indeed within your Honours' power, by granting the Rajah's demand, which is very just and equitable, to clear away the troublesome circumstances in which your Honours inform us that your Honours' establishment has been placed by the present blockade. Regarding the conduct of our sepoys in the Tanjore lands, we have already informed your Honours by our letter of the 25th of the previous month that they were lent to the Rajah to assist him in making a collection in the country, and since they are thereby placed under the direction of his havildars, it is quite possible that some irregularities might be committed by them, even without the foreknowledge of the Rajah, notwithstanding that the strictest orders have been given, both by him and by us, to prevent the same, of which your Honours will be convinced from the accompanying extract of a letter written to us by the commanding officer at Tanjore; nevertheless, we shall always be ready, as we have told your Honours before, to give your Honours all satisfaction within our power upon a lawful complaint against our sepoys. The reasons that have moved us to write in such strong terms against the measures taken concerning the detaining and arresting of our subedar and sepoys at Nagapatnam were principally because no complaint had been made beforehand, neither to the commanding officer of Tanjore nor to this Government, and also because no regular course was followed to take information regarding the complaints brought against them, as well as because the subedar in particular was an officer of rank, who ought not to have been treated with so much insult. With all that, Gentlemen, we are convinced that we have acted in all these disputes in complete fulfillment of our engagements with the Rajah of Tanjore, by which we are obliged to protect and defend his lands and people against all foreign disturbances and invasions, yet with a proper attention towards you, with whom we desire to live in the greatest harmony; and we shall with the greatest pleasure agree with your Honours to let our superiors in Europe judge our respective conducts, where we think it will appear that our conduct has been directed by equity and moderation, and that the conduct of your Governor, as well as his treatment of our sepoys and his correspondence with our commanding officer at Tanjore, has been more violent than it ought to have been, in accordance with justice and the due regard for the good friendship and understanding that subsists between our two nations and powers. We have ordered a very strict investigation into the complaints which your Honours have made to us regarding the searching and detaining of your Honours' vessels by our sepoys. We have the honour to be with perfect respect, was signed, Right Honourable Sir and Gentlemen, your Honours' very obedient and very humble servants, was signed, Thomas Rumbold, John Whitehill, Hector Munro, Charles Smith, Samuel Johnson, and T. Perring. In the margin, Fort St. George, the 15th of April 1776. Translation Extract from a letter of the Rajah of Tanjore to the Honourable John Whitehill Esqr., dated 4 January 1778. The visiadores, the rebellious inhabitants, and the Manaarvil havildar Cannegasawea Poele have obtained the protection of the Dutch at Nagapatnam, and currently live within the limits of that place; I have given them a promise of security, and requested them to return to me, but they are held back by Cannegasawea Poele, who causes me much trouble, and notwithstanding he has promised from day to day that he would come, he still postpones doing so until now. And since I was minded to deal moderately with him, I was already apprehensive that

Dutch transcription

143 tijden tusschen uweld: en den Radja zijn ge maakt geworden, alzo dezelve openbaar zoude strekken, om kragteloos te maaken de magt over zijn eijgen volk, in teffens gelegendheijd geeven, tot Continueele verliesen, van des ser„ „kars inkomsten, terwijl men zig niet kan voorstellen, dat door den Radja eene zoo groote offerhande zoude gedaan worden uijt eenige consideratie van diensten die hij mogte ontvan„ „gen hebben van uwelEd: etablissement tot Naga„ patnam. Het heeft uwelEd: behaagt bij brief van den 28: Maart aanons te versoeken, dat wij onse goede officien bij den Radja zoude em„ ploijeeren op dat hij mogte afzien, van de middelen die hij werk stellig gemaakt heeft door af te sluijten de Communicatie, die plaats heeft tusschen zijne Landen en het gebied van Nagapatnam. wij zijn Heeren zeer gereed dit te doen, en dewijl de maatregelen zoo als wij het be„ „grijpen, niet meer tot haar tegenwerping hebben, dan de voldoening te besorgen van de bovenge¬ noemde noemde klagten, zoo is t immers in uwelEd: magt, om door het accordeeren van des Radjas eijsch, die zeer regt en billijk is, uijt den weg te ruijmen, de sorgelijke omstandigheeden, in dewelke uwEd: ons informeeren, dat uwelEd:e etab lissement door de tegenwoordige insluijting gesteld zijn. Aangaande het gedrag van onze sipaaijs in de Tansjoursche Landen hebben wij uwel Edele bij onze brief van den 25: der voorige maand, bereeds geinformeerd, dat dezelve aan den Radje geleend waren, om hem te assisteeren tot het doen van eene Collecte in het land en dewijl zij daar door onder de directie van zijn haweldaars gesteld zijn, zoo is het wel moge„ „lijk dat eenige irrigulariteijten door haar zouden kunnen gepleegd worden, Ja selfs zonder voorkennisse van den Radja, niet tegen„ „staande de strikste ordres gegeeven zijn ge„ worden, zo weldoor hem als door ons, om dezelve voor te komen, van dewelke uwelEd:s zullen overtuijgd worden, uijt het nevensgaande Extract uijt een brief door de Commandeerende officier tot Tansjour aan ons geschreeven, des niet te min 144 min zullen wij altijd vaardig zijn, zoo als wij uwelEd: bevoorens gezegd hebben, om uwelEd: alle satisfactie te geeven die in onze magt is, op eene regtmatige klagte tegens onze sipaijs De reedenen die ons bewoogen hebben, om in zulke sterke termen tegens de genomene maat„ „regulen omtrent het aanhouden en arresteeren van onzen soubedhaar en sipaaijs tot Nagapat„ nam, te schrijven, zijn voornamentlijk geweest, om dat geen klagte te vooren gedaan was, zoo min aan de Commandeerende officier van Tan„ sjour als aan dit Gouvernement, zoo als ook geen regelmatig spoor gevolgd geworden is, om informatie te neemen, tegens de klagten die haar ten lasten gebragt zijn, mitsgaders om dat den soubed haar in 't bijzonder een officier van rang was, die met zoo veel schimp niet moeste getracteerd worden. Met dat alles Heeren zijn wij overtuijgd, dat wij in alle deeze verschillen gehandelt hebben, in volkomen. voldoening aan onze engagementen met den Radja van Tansjour, door dewelke wij verpligt zijn, zijne landen en volk te protegeeren en te defendeeren tegens alle vreemde onlusten en invasien, egter, met eene behoorlijke attentie 2i le t' uwaards met wien mij verlangen te leeven in de grootste eendragt; en wij zullen met de grootste vergenoeging met uwel Ed:s over een komen, om over onze respective handelwijzen onze superieuren te laaten oordeelen in Europa, alwaar wij denken dat het blijken zal, dat onze gedrag gedirigeerd geworden is, door billijkheijd en moderatie, mitsgaders dat het gedrag van uwwen gouverneur zo wel, als zijne behande„ „ling aan onzen sipaijs en desselfs correspon„ dentie met onze Commandeerende officier op Tansjour, geweldiger geweest is, dan het behoorde te weezen, in navolging van het regt en de schuldige agting aan de goede vriendschap en verstandhouding die'er subsisteerd tusschen onze beijde nazien en mogentheeden. — wij hebben geordonneerd om de klagten die uw Ed: wegens het visiteeren en op hou„ „den van uwelEd: vaartuijgen door onze sepais aan ons gedaan hebben, zeer sterk te on„ derzoeken wij hebben de eer te zijn met perfecte agting /:onderstond:/ welEdele Heer en Heeren! uwelEd:s zeer gehoorsame en zeer onderdanige Dienaaren /:was, geteekend 145 geteekend:/ Tho=s Rumbold, John whitihill, Hector Minro, Charles Smith, Samuel Johnson en T: Perring /:in margine:/ Fort George den 15:' April: 1776: Translaat Extract uijt een brief van den Radja van Tantour aan den welEdelen Heer John whitehill Esqr gedateerd 4: Januarij 1778. De visiadoors, de oproerige inwoonders, en den Ma„ naar wilschen Haweldhaar Cannegasawea Poele hebben de protectie van de Hollanders op Nagapatnam bekomen, en leeven tegenwoordig binnen de limiten van die plaats; Ik heb aan haar een belofte van secuuriteijt gegeeven, en haar verzogt bij mij te rug te komen maar zij zijn te rugge gehouden door Cannegasawea Poele, die mij veele moeijte geeft, en niet tegenstaande hij van dag tot dag be„ loofd heeft dat hij komen zoude, zo steld hij & zulks tot nog toe uijt, om te doen. En dewijl ik van gedagten was, om met hem moderaat te handelen, was ik bereeds bedugt dat

NL-HaNA_1.04.02_3512_0290 view scan ↗

English

that he would not come if I were to deprive him of his office of haveldar, which is why I did not do so until after the expiration of two months; in the meantime, he continued to exercise his authority, notwithstanding that he was within the limits of Nagapatnam, where every three or four days he went to pay his respects to the chief. My hircarrahs and servants waited for two months, persuading him to return, but having a guard of two companies of sepoys, he at last resolved to declare that he would not come; he sent my servants away and threw away a letter that I had written to him, upon which I dismissed him from his service. As soon as he learned that I had done so, he paid his respects to the chief of Nagapatnam and is presently hidden in the fort under his protection. I have written a letter to the chief concerning that conduct and the tribute in this manner: Cannegasawea Poele owes the sarkar ten lakh pagodas, and the accounts outstanding between my realm and the Dutch must be settled by him; regarding the money that is still due to me, it is for that reason not right that your honor gives him protection; deliver my servant up to me, or I must hold the Dutch responsible for the debt, and your honor will have to answer to them. Regarding the tribute, he promised to give satisfaction in such manner as custom entails; he had it proclaimed in the place that none of my subjects would be permitted to reside there, and he said that he knew nothing of Cannegasawea Poele; all this he did as his excuse, while he secretly protects him. This pretext might well be made by him if Cannegasawea Poele were such an insignificant person and his name unknown. He nevertheless maintained his office of haveldar while he was within the limits of Nagapatnam, and several times paid his respects to the chief, who had no reason to receive visits from a servant of the sarkar without my permission, much less to grant him protection. How will my peoples respect my authority after this incident of Cannegasawea Poele if he is not seized and delivered up to me; none of my affairs can proceed; now is the time of year that the collection of the revenues must be made, but when protection is granted in various settlements to rebellious inhabitants from whom one has money to demand, how then shall my affairs prosper? I have no protection other than that of the Company; my honor and dishonor are theirs. This is a matter of importance, and I have given the order that my people shall not be permitted to carry on any trade with those of Nagapatnam. Below stood: A true extract. Signed: Chas Oakley, Secretary. Extract It is necessary that I note here that in the beginning of these disputes between the Raja and the Dutch, I was apprehensive that the manegars of the Raja would make use of our sepoys in unreasonable matters. For which reason I dictated a letter to be written in the language of the country to the two subedars serving in the Mannargudi district, containing that they should give strict orders to our sepoys not to cross any of the Dutch limits, and also not to commit any hostilities whatsoever, but to confine themselves to obeying such orders as they should receive from the manegars of the Raja regarding the collection of the revenues and the governance of the lands. And whereas I subsequently heard in Tanjore that the vessels along this coast were detained by our sepoys, I Extract from a letter from the Commandant of Tanjore, dated 16 March 1778. gave orders to write another letter to the subedars, whereby I informed them that the sepoys were in no manner to be employed in such services. These letters were dispatched with the tappals of the Raja, but the subedars deny having received them, and I am persuaded that they were detained by the regents of the Raja. I have informed the minister of the Raja that the Dutch Governor has complained about the detention of their vessels, and of the unreasonableness of the Company's sepoys being employed in an affair of that kind, the more so since he had already been informed of the orders I had written to the subedars on that point. He now places the blame on Chinappa Poele; in the meantime, by order of the Raja, he has written the following article to the vakil at Nagapatnam, which he furnished to me from his letter: we have positively ordered our haveldar of the Mannargudi district that they

Dutch transcription

dat hij niet komen zoude, wanneer ik hem zijn ampt van haweldaar quam te beneemen, waarom ik het zelve niet eerder dan na verloop van twee maanden gedaan heb; intusschen heeft hij gecontinueerd zijn gezag te ge„ bruijken, niet tegenstaande hij binnen de limiten van Nagapatnam was, alwaar hij om de drie â vier dagen zijne opwagting bij het opperhoofd heeft gaan maaken. — Mijn harcairs en Dienaars hebben twee maanden gewagt, hem persuadeerende om te rug te komen, dog hij een wagt van twee Compagnien sipaijs hebbende, heeft op het laast de resolutie genomen, om te verkla„ ren, dat hij niet zoude komen; mijne die„ naaren heeft hij weggesonden, en een brief die ik hem geschreeven heb gehad, weg geworpen, waar op ik hem van zijn dienst gezet heb. zoodra hij vernomen heeft dat ik zulks gedaan hadde, heeft hij zijne opwagting bij het opperhoofd van Nagapatnam gemaakt en is tegenwoordig verschoolen in 't fort onder zijn bescherming. Jk heb een brief aan het opper„ hoofd aangaande dien handel en de Recognitie gesz: 146 gesz: in deeser voegen. Cannegasawea Poele is aan den serkan tien lak pagooden schuldig, en de reekeningen tusschen mijn rijk en de Hollanders openstaande, moeten door hem geslooten worden: belangende het geld dat mij nog is competeerende, het is om die reeden niet regt dat uwelEd: aan hem protectie geeft leeverd aan mij over mijn dienaar, of ik moet de Hollanders aanzien, als verantwoordelijk voor de schuld en uwelEd: zal aan haar moeten verantwoorden. - Aangaande de recognitie heeft hij beloofd vol„ doening te zullen geeven, zoodanig als het gebruijk komt meede te brengen; hij heeft in de plaats laaten afkundigen dat niemand van mijne op onderdanen, zig aldaar zoude mogen ophouden, en heeft gezegt niets van Cannegasawea Poele te weeten, dit alles heeft hij gedaan tot zijn verschoning, daar hij hem heijmelijk prolegeerd. Dit voorgeeven zoude wel door hem kun„ nen geschieden, bij aldien Cannagasawea (Poele een zoodanige geringe persoon en sijn naam onbekend was. Hij heeft egter zijn dienst van haweld haar gemaintineerd gemaintineerd, wanneer hij zig in de limiten van Nagapatnam bevonde, en diverse maalen zijn opwagting bij het opperhoofd maakte die geen reedenen hadde visites te ontvangen van een bediende van den serkar zonder mijne permissie, veel min hem protectie te verleenen. Hoe zullen mijne volkeren mijn gezag respec„ teeren, nadit voorval van Cannegasawia Poele zo hij niet gevat en aan mij overgeleverd word, geen van mijne affaires kunnen haaren voort, gang hebben, tans is het de tyd van het Jaar dat de Collecte van de inkomsten moeten gedaan worden, dog wanneer protectie verleend word in verscheijde Etablissementen aan oproerige Jn„ woonders, van wien men geld te vraagen heeft, hoe zullen dan mijne affaires prosporeeren. Ik heb geen protectie dan die van de Comp:, mijn honneur en dishonneur is die van haare, Dit is een materie van aangelegend„ „heijd, en ik het order gegeeven, dat aan mijn volk niet zal toegelaaten worden, dat zij eenige handel drijven, met die van Naga„ patnam. /:onderstond:/ Een waare Extract /:geteekend:/ Cha:s oakelij Sec:s Extract 147 Het is nodig dat ik hier aanmerke, dat ik in het begin van deeze oneenigheeden tusschen den Radja ende Hollanders bedugt was, dat de manegaars van den Radja gebruijk zouden maa„ ken van onse sipaaij in onredelijke gevallen. waarom ik een brief gedicteerd heb, omge„ schreeven te worden, in de landtaale van de twee soubedhaars die dienst doen in het Manaar„ coilsche district, beheezende dat zij strikte ordres zouden geeven aan onze Sipaijs om geene van de Hollandsche limiten te overtree„ „den, en ook geen hostiliteijten te pleegen hoe genaamd, maar haar zelfs te houden aan het gehoorzamen van zulke ordres, als zij ontvangen zouden van de manigaars van den Radja, aangaande het Collecteeren van de Revenuen en Regeering der Landen En dewijl ik naderhand in Tansjour gehoord heb, dat de vaartuijgen langs deeze kust door onze sipaijs zijn aangehouden, zoo heb Extract uijt een brief van den Com„ mandant van Tansjour, geda„ teerd den 16:e Maart 1778. ik E ik onder gegeeven, om een andere brief aan de soube„ dhaars te schrijven, waar bij ik haar informeerde dat de sipaaijs op geenerhande wijze g'emploijeerd moetten worden tot zulke diensten. Deeze brieven zijn afgezonden geworden met de tappals van den Radja maarde soube„ dhaars ontkennen dezelve ontvangen te heb„ ben, en ik ben gepersuadeerd dat dezelve aange„ houden zijn, geworden door de Regenten van den Radja. Ik hebde Minister van den Radja gein„ formeerd dat de Hollandsche Gouverneur ge„ klaagd heeft over het aanhouden van haare vaar„ tuijgen, en van de onreedelijkheijd dat sComp:s Sipaijs gebruijkt wierden in een affaire van dat zoort, te meer daar hij bereeds geinformeerd was van de ordres die ik over dat poinct aan de soubed haars geschreeven hadde. Hij legd nu de schuld op Chinappa (Poele, intusschen heeft hij op order van den Radja aan den wackiel tot Nagapatnam geschreeven het volgende articul, het welke hij mij uijt zijn brief gefourneerd heeft, wij hebben positive geordonneerd aan onze hawel dhaar van het Manaarcwilsche district dat zij om

NL-HaNA_1.04.02_3512_0295 view scan ↗

English

for no reason pass from our lands or step into those of the Dutch borders, neither they, nor any among them, to insult and give offense to the European Dutch or to the people under their protection, and furthermore not to detain or cause to be detained any vessels or boats sailing along the coast, on pain of our displeasure. Below stood: A true Extract. Signed Chas Oakeley Sec. And after reading of the aforementioned missive and its enclosures was taken, the Honorable Governor made known that His Honour, from the contents of the prescribed missive, had seen with the utmost astonishment: 1. That the Prince of Tanjore had been led to believe that His Honour had granted protection to the former Manaarcoil Regent Cannegasawea Poele, and that the Government of Madraspatnam attributed the occupation of our borders to this so-called protection. 2. That although the Government of Madraspatnam in its aforementioned missive concedes and acknowledges that irregularities can be committed by their sepoys without the foreknowledge of the Prince of Tanjore and Themselves, they nevertheless have not only given not the slightest satisfaction to this Government regarding the hostilities committed on our borders by a subedar and four sepoys in the service of the English Company, no matter how much this was proven by letter of 28 March; but on the contrary, they still take up their cause, especially with regard to the subedar whom they say is an officer of rank, and therefore should not have been treated with so much contempt. 3. That besides some other points of remark occurring in the aforementioned letter, which are consequences of or flow from the two preceding articles, and therefore need not be cited specifically, it had also appeared particularly strange to His Honour that the Prince of Tanjore, as was evident from the transmitted Extract Translation missive, was supposed to have known already on 4 January of matters that were only to take place on the 24th and 29th of that month. That the aforementioned points of remark ought not only to be answered in detail and refuted, under the transmission of further evidence concerning the second point; but also such other points as flowed from the coherence of the matters. That His Honour had caused a draft missive to be prepared for that purpose, which His Honour would read to the Council presently, so that, if one could agree with its contents, it might serve in reply to the aforementioned missive from the Government of Madraspatnam: but that His Honour had previously deemed it necessary, for the reassurance of the Council, to declare, as His Honour subsequently did in the most solemn manner, that no protection had ever been granted by him to Cannagalawea Poele. And upon this, the aforementioned draft missive having been read to the assembly by His Honour, it was, after deliberation, approved and agreed to conform completely with the contents of the aforementioned draft missive, and consequently to adopt it herewith, just as the same is inserted here below word for word. Madraspatnam To the Right Honorable Thomas Rumbold President and Governor of Fort St George and the Coast of Coromandel, on behalf of the Royal English East India Company, together with the Council there. Right Honorable Sir and Gentlemen. We had the honor on the 20th of this month to receive your Honors' very esteemed letter of the 15th preceding, with the Extracts enclosed therein. And although the contents of your Honors' letter by no means satisfy or answer the satisfaction requested by us from your Honors, we nevertheless proceed, without making any remarks thereupon, with that same moderation with which all our previous letters are framed, to the answering of the same. As for the protection which the Prince of Tanjore supposes to have been granted by the undersigned Governor to Cannagasawea Poele: His Honour as well as we, upon the assurance of the Governor, testify, Gentlemen, to be entirely unaware thereof, and therefore hold ourselves fully assured that the undersigned Governor in that matter acted no differently than according to previous examples, which have never been given the name of protection. Indeed, Gentlemen, it is known to the world that as soon as the undersigned Governor had received the Prince's letter of 24 January, a letter by which His Highness gave notice to His Honour of the absconding of a multitude of his inhabitants, His Honour immediately gave orders to announce by the beat of a basin for three consecutive days to all the escaped inhabitants of the Prince to betake themselves at once outside this city and its borders: and upon this they all, and thus also Cannegasawea Poele, left this city and the lands belonging under it, as is further evident from the contents of the Extract sent to us from the Prince's letter of 4 January. We cannot therefore understand on what foundation the Prince of Tanjore can demand the extradition of a man who, upon the first public notification, left this city and our territory

Dutch transcription

148 om geen reeden uijt onze Landen moeten overgaan of tresen in die van de Hollandsche limiten, nog zij, nog eenige onder hen, om te insulteeren en offencie te geven aan de Europee„ sche Hollanders of aan het volk onder haar protectie, en voorts om niet aan te houden ofte te doen aanhouden eenige vaartuijgen of booten langs de Cust vaarende, op straffe van onze misnoegen /:onderstond:/ Een waare Extract /:geteekend Cha:s oarkeleij sec: En nadat van de evengemelde missive en zijne bijlaagen lectuure genomen was, heeft den Heer Gouverneur te kennen gegeeven, dat zijn Edele uijt den inhoud van den voorschreeve missive met de uijtterste verwondering hadt gezien; 1. / Dat men den vorst van Tansjour in het denk„ beeld hadt gebragt, dat door zijn Edele pro„ tectie zou weezen verleend, aan den geweezen Manaarcoilschen Regent Cannegasawea Poele, en dat de Madraspatnamsche Regeering aan deeze zoo genaamde protectie toeschreef, het bezet„ ten van onze limiten. 2:/ Dat schoon de Madraspatnamsche Regeering bij haare haaren evengemelde missive toestaat in erkend, dat door hunne sipaijs irrigilariteijten- kun„ nen worden gepleegd, buijten voorkennis van den vorst van Tansjour en Haar, zij egter niet alleen geen de minste satisfactie aan deeze Re„ geering gegeven hebben, over de hostiliteijten die op onze limiten gepleegd zijn door een soube dhaar en vier Sipaijs in dienst van de Engel„ sche Compagnie, hoe zeer men dit ook beweezen heeft bij brief van den 28: Maart; maar daar in te „gen nog hunne zaak zig aantrekken, voor al met opzigt tot den soubedhaar die zij zeggen een officier van rang te zijn, en daarom niet met zoo veel schimps hadt moeten getracteerd zijn geworden. 3. ) Dat behalven eenige andere poincten van rimarques bij den voorschreeve brief voorkomende /:dog die gevolgen zijn, of voortvloeijen uijt de twee voor afgaande articulen, en daarom niet speciaal behoeven aangehaald te worden:/ het 149 het zijn Edele ook bijzonder vreemd was voorge„ komen, dat den vorst van Tansjour, gelijk uijt het overgezonden Extract Translaat missi„ „ve consteerde, bereeds op den 4: Januarij zou ge„ weeten hebben, zaaken die eerst op den 24:' en 29:' van die maand stonden te geschieden. Dat de voorsz: articulen van remarque niet alleen omstandiglijk diende beantwoord en wederlegt te worden, onder toezending van nadere bewijzen omtrend het tweede poinct; maar ook zoodanige andere poincten als uijt den zamenhang der zaaken voort„ vloeijden. Dat zijn Edele daar toe een Concept missive in gereedheijd hadt doen brengen, die zijn Edele zoo aanstonds den Raad zou voorleezen, om hem, zoo men zig met dies inhoud konde conformeeren, te laaten dienen in antwoord op de voorgewaagde missive van de de Madraspatnamsche Regeering: dan dat zijn Edele voor af noodzaakelijk geoordeeld had tot gerust stelling van den Raad te verklaaren, zoo als zijn Edele vervolgens op de plegtigste wijze deed, dat door hem nimmer eenige protectie aan Cannagalawea Poele was verleend geworden. Coneept mis„ En hier op, den evengemelde „sive door zijn Edele aan de vergadering voorge„ „leeten zijnde, zoo is na deliberatie, goedgevon„ den en verstaan, zig met den inhoud van den voorsz: concept missive volkomen te con„ formeeren, en hem dienvolgende bij deezen te arresteeren, zoodanig als dezelve hier onder van woorde tot woorde staat geinsereerd. Madraspatnam Aan den welEdelen Heer Thomas Rumbold President in gouverneur van T Fort S:t George en de Cust Cormandel, wegens de Royjall 150 Roijale Engelsche oost: Jndische Comp: nevens den Raad aldaar WelEdele Heer en Heeren. Wij hebben op den 20:e deezer maand de eere gehad te recipieeren uwe welEd: zeer geagte letteren van den 15: bevoorens met de daar in gesloten Extracten. En schoon den inhoud van Uwel Edeles brief geenzins voldoet nog beantwoord, aan de door ons van uwelEdele verzogte satisfactie, gaan wij egter, zonder daaromtrend eenige remarques te maaken, met die eijge moderatie waarmeede alle onze voorige brieven zijn ingerigt over hot het beantwoorden van dezelven. wat de protectie betreft, die den vorst van Tansjour vermeend, dat door den ondergeteekende Gouverneur aan Cannagasawea Poele Zou weezen verleend: zijn welEdele zoo wel als wij op verzekering van den Heer Gouverneur, be„ „1.. tuijgen Mijn Heeren daar van ten eenemaal onbewust te weezen, en houden ons derhalven volkomen volkomen verzekerd, dat door den ondergeteekende gouverneur in die zaak niet anders gehandeld is, dan naar voorige voorbeelden, die nimmmer den naam van protectie gegeven zijn. Immers mijn Heeren is het wereldkundig dat den ondergeteekende Gouverneur zoo dra hij s vorsten brief van den 24: Januarij ontvangen hadt (:een brief waar bij zijn Hoogheijd aan zijn Edele kennisse heeft gegeeven van de ontwijking van een meenigte van zijne inwooners :) zijn Edele immediaat ordre heeft gegeeven, om drie dagen na elkanderen bij bekkenslag alle de uijtgeweekene inwooners van den vorst aan te kundigen van zig ten eersten buijten deeze stad en desselfs limiten te begeeven: en hier op hebben zij alle, en dus ook Cannegasawea Roele deeze stad en de Landen daar onder behoorende verlaaten, gelijk nader Consteerd uijt den inhoud van het ons toegezonden Extract uijt svorstens brief van den 4: Januarij. wij kunnen derhalven niet begrijpen, op wat voor fundament den vorst van Tansjour vorderen kan de uijtleevering van een man die op de eerste publique aanzegging, deeze stad, en ons terri„ toir

NL-HaNA_1.04.02_3512_0301 view scan ↗

English

has left, the more so because the prince knows very well that this matter was handled in the customary manner in which one here has from of old dealt with such cases: for we have never bound or obliged ourselves to seize and surrender fugitives from the prince who are inhabitants. We thus gladly agree with your Honors that the aforesaid treatment is not in accordance with the contents of any treaties or contracts, as nothing for or against it is to be found therein. But concerning your Honors' remark that such treatment, namely the supposed protection, would openly serve to render powerless the authority of the prince over his own people, we are quite willing to admit this, yet we ask your Honors at the same time from what it appears that such protection was granted. Can the ringing of the basin, whereby all inhabitants of the principality of Tansjour were ordered to leave this city and jurisdiction, bear such a name? Surely not, and further we are not bound; what reason, Gentlemen, would then have moved the undersigned Governor to go further in this matter than he was obliged to: certainly no consideration whatever of services rendered by the prince of Tansjour to our Company after his restoration. Thus much we deem necessary to advance regarding what was posited by your Honors with respect to the fugitive Haweldaar Cannagasawea Poeli: and we hope that your Honors will most clearly perceive from this that we, on the one hand, lie under not the slightest obligation to seize and surrender the discontented inhabitants of Tansjour, as the prince seems to think; and that thus, on the other hand, the prince of Tansjour, in an unheard-of and entirely unlawful manner, has forbidden his subjects from conducting any trade with us and our subjects, for which reason we once again insist upon and in a friendly and neighborly manner request of your Honors not to assist the Tansjour prince any longer in such unjust actions against us with English Company troops, as thereby very great harm is brought both to our Company and to the inhabitants of this place. Furthermore, we thank your Honors very kindly for your Honors' demonstrated willingness to employ your good offices so that the prince may desist from the measures he has put into effect to cut off the communication that has always taken place between the lands of the prince and the territory of this city; which we trust will cease immediately as soon as your Honors will be pleased to let us experience in fact the effect of your promises. Both from your Honors' aforementioned letter and from that of 25 March, it has sufficiently appeared to us for what ends your Honors' sepoys were lent to the prince of Tansjour: it were to be wished that they were employed for no other actions by the Haweldaars of the prince, under whose direct command they seem to be placed as long as they are in the country, since then not the slightest irregularities could be committed by them with respect to the Company's possessions and its inhabitants, as can now, according to your Honors' own supposition, happen without your prior knowledge and without the knowledge of the prince, notwithstanding that the strictest orders have been given against it: regarding which your Honors cite as convincing proof the contents of an extract from a letter sent to your Honors by the commanding officer at Tansjour; but on the other hand, it has also appeared to us from the very extract mentioned that sufficient orders were indeed sent off, but that they were not executed, but rather detained, by the servants of the prince: the aforesaid Commandant expressing himself in that regard in his aforementioned letter in the following emphatic words: These letters were sent off with the tappas of the Raja, but the subedars deny having received them, and I am persuaded that they were detained by the Regents of the Raja. And does not this candid declaration of an officer who holds the chief command over the troops or sepoys lent to the prince of Tansjour show most clearly of all, Gentlemen! with what disrespect those orders, whether given by your Honors, the prince, or the Commandant of Tansjour, are treated: since the prince's Regents dare to assume the power to detain and hold back, in an arbitrary manner, orders sent off by the prince's tappals, and thus prevent the execution thereof. Far-reaching extremities indeed, whereby we, just as little as your Honors, can trust that the subedars and their sepoys will act in accordance with the orders given. At least, it seems to us sufficiently clear from the foregoing that your Honors are fully convinced that without your Honors' prior knowledge, and contrary to the orders given, irregularities can be committed by the subedars and common sepoys against lands and peoples against whom they are incited and stirred up by malicious Regents of the prince, under whose command and obedience they were placed by your Honors yourselves. And this being so, it has surprised us in the extreme that, although in our previous letter

Dutch transcription

151 „toir heeft verlaaten, te meerdaar de vorst zier wel weet, dat deeze zaak is getracteerd geworden op de gewoone wijze, waarop men hier, in zoor tgelijke gevallen van ouds her heeft gehandelt: want wij ons nimmer verbonden of verpligt hebben om gevlugte inwooners van den vorst op te vatten en over te leeveren. wij stemmindus gaarne met uwe wel Ed: toe, dat de voorsz: behandeling niet is conform den inhoud van eenige tractaaten of contracten, alzoo nog daar voor, nog daar tegin iets in dezelve is te vinden. Maan beteeffende uwer welEd: remarque, dat een diergelijke behandeling, naamelijk de gesupponeerde protectie, openbaar strekken zoude om kragteloos te maaken de magt van den vorst over zijn eijgen volk, dit willen wij gaarne avoueeren, dog vragen uwe welEd: teffens waaruijt het consteerd, dat een durgelijke protectie is verleend geworden. kan het rond klin„ „ken van het bekken, waar bij alle de inwooners van het vorstendom Tansjour gelast geworden zijn deeze stad en Jurisdictie te verlaaten, een durge„ lijke naam draagen. Immers neen, en verder zijn wij niet verbonden; wat reeden mijn Heeren, zou den den ondergeteekende Gouverneur dan bedrogen hebben, in deeze zaak verder te gaan dan hij ver„ pligt was: geen consideratie altoos van diensten, door den vorst van Tansjour na zijne herstelling aan onze Maatschappij beweezen. Dus veel agten wij noodig te dvanceeren op het geposseerde door uw welEd:, met opzigt tot den gevlugten Haweldaar Cannagasawea Poeli: en wij verhoopen dat uwe wel Edele daar uijt cla„ ressime beschouwen zullen, dat wij aan de eene zyde, in geen de minste verpligting leggen, om de mis„ noegde inwooners van Tansjour op te vatten en over te leeveren, gelijk den vorst schijnt te meenen; en dat dus aan den ander kant, den vorst van Tansjour op eene ongehoorde en gansch onwettige „wijze aan zijne onderdanen, het drijven van allen handel met ons en onze onderdaanen verbooden heeft, waarom wij andermaal bij uwel Edeles insteeren en vriend nabuurlijk verzoeken, om den Tansjourschen vorst, in diergelijke onbillijke handelingen tegen ons„ voortaan niet meer te assisteeren, met Engelsche e Compagnies troupen, alzoo daar door onze Comp: zoo 152 zoo wel als de inwooners van deeze plaats zeer veel nadeel wordt toegebragt. wijders bedanken wij uwe wel Edeles zeer vrun„ delijk voor uwer welEd:s betoonde berijdwilligheijd om wel derzelver goede officien te willen emploijeeren, op dat den vorst moge afzien, vande middelen die hij werkstellig gemaakt heeft, om af te sluijten de Communicatie die ir altoos plaats gehad heeft tusschen de Landen van den vorst en het gebied, van deeze stad; die wij vertrouwen dat ten eersten cesseeren zullen, zo dra uwe welEdeles ons met er daad zullen gelieven te laaten ondervinden het effect van haare beloften. zoo uijt uwer wel Ed: opgemelde missive als uijt die van den 25:e Maart, is ons voldoende gebleeken, tot welke eijndens uwer welEd: Sipaijs aan den vorst van Tansjour zijn geleend geworden: winsche„ lijk waar het dat zij tot geen andere verrigtingen wierden g'emploijeerd, door de Haweldaars van den vorst, onder wiens onmiddelijk bevel zij, zoo lang zij in het land zijn schijnen gesteld te weezen, alzoo dan door hun geen de minste irrigulariteijten met opzigt tot Compagnies bezittingen en derzelver inwooners zouden kunnen worden gepleegd gepleegd, zoo als nu volgens uwer wel Ed: eijgen suppo„ „sitie, buijten derzelver voor kennis en zonder weeten van den vorst geschieden kan, niet tegenstaande de strikste ordres daar teegen gegeeven zijn: waar„ omtrend uwe welEd:s tot een overtuijgend bewijs aanhaalen den inhoud van een Extract, uijt een missive door den Commandeerende officier tot Tan„ sjour aan uwe welEd: gest:, dan aan de au„ dere zijde is ons uijt het evengewaagde Extract ook gebleeken, dat er wel voldoende ordres afge„ zonden zijn, dog dat die niet g'exidieerd, maar opgehouden geworden, waren, door de bediendens van den vorst: laatende den voorsz: Comman„ dant zig dierwegen in zijnen evengemelden brief uijt in de volgende nadrukkelijke woorden Deeze brieven zijn afgezonden geworden met de tappaes van den Radja, maar de soube„ dhaars ontkennen dezelve ontvangen te heb„ ben, en ik ben gepersuadeerd dat dezelve aan„ gehouden zijn geworden, door de Regenten van den Radja. En toond deeze ronde betuijging van een officier die het hoofd Commando voerd over de aan den vorst van Tansjour geleende troupes of sipaijs niet al„ ben 153 „levedluijdelijkst, Mijn Heeren! met welk een inre„ verentie, die ordres, het zij ze door uwe wel Edeles, den vorst, of den Commandant van Tansjour ge„ geeven zijn, behandeld worden: alzoo 's vorsten Re„ genten zig de magt durven aanmatigen, van ordres door tappels van den vorst afgezonden, op eene willekeunige wijze tegen en aan te houden, en dus de executie daar van te beletten. verregaande extremiteijten waar„ lijk, waardoor wij even zo min als uwe wel Edeles ver„ trouwen kunnen, dat door de soubedhaars en haare sipaijs, naar volgens de gegeven beveelen zal worden gehandeld. Ten minsten, komt ons uijt dit voor verhandelde voldoende te blijken, dat uwe wel Edeles volkomen overtuijgd zijt dat zonder uwer welEdeles voorkennisse, en contrarie haarer gegeevene bevelen, door de soubedhaars en gemeene sipaijs irrigulariteijten kunnen wor„ den gepleegt, tegen landen en volken, waar tegen zij opgehitst en aangezet worden, door boosaar„ dige Regenten van den vorst, onder wiens bevell en gehoorsaamheijd zij door uwe wel Edeles zelve gesteld zijn. En dit, zoo zijnde, heeft het ons ten uijttersten verwonderd, dat schoon wij bij onzen voorigen brief

NL-HaNA_1.04.02_3512_0306 view scan ↗

English

letter of the 4th of this month have fully proven that the subedar and the four sepoys, who were arrested here, spoke far from the truth during the interrogations put to them, Your Honors nevertheless uphold this so-called officer of rank (who, when in service, is under the command of a European non-commissioned officer, and when removed therefrom, is often esteemed less than a coolie) against the assurance of a respectable assembly, and thus far prefer the testimony of five non-Christians (nota bene) in their own case above the assurances given to Your Honors by members of an eminent Council, who ought to be treated with considerably more respect; the more so since, for further conviction, we have assured Your Honors that the Military Captain and Commander of our sepoys, Gijsbertus Zegelaar, could give testimony regarding the hostilities committed by the aforesaid sepoys in our village of Wadde Coedie. But since all this does not seem to have sufficiently 154. sufficiently convinced Your Honors, we hereby send Your Honors a declaration provided by the aforesaid Captain-Commander Zegelaar at our requisition, with the offer of an oath, accompanied by a second and third declaration by the Sergeant and Drillmaster, as well as the Adjutant of our sepoys (all of whom were present when the inhabitants of the aforesaid village complained about Your Honors' subedar and sepoys to the aforesaid Captain-Commander), likewise executed under the offer of an oath. With this, we trust that Your Honors will now be fully satisfied. In the meantime, however, it grieves us very much, Gentlemen, that Your Honors have seen fit to give credence to five natives, and that we have been obliged to elaborate so extensively in defense of the equitable conduct of the undersigned Governor; which indeed could easily have been avoided by initially giving the aforesaid subedar and sepoys a mild reprimand, under threat of heavier punishment should similar complaints ever again be brought against them, as as was justly requested by the undersigned Governor. We are, meanwhile, quite willing to concede that Your Honors, with regard to the aforesaid disputes, have acted entirely in fulfillment of Your Honors' engagements with the King of Tansjour, as these bind Your Honors to protect and defend the borders and the people of the King against all foreign disturbances and invasions. Yet may we at the same time ask Your Honors whether it is well done to enter into such engagements with a native prince that must tend directly to the detriment and ruin of the lands and inhabitants belonging to a nation with whom Your Honors yourselves desire to live in the greatest harmony, the more so because such engagements directly obligate Your Honors to the defense of the King's lands against all foreign disturbances and invasions, regardless of against whom or why; 155. why, because from Your Honors' conduct toward us we cannot perceive that any stipulations were made in that regard. Yet we shall not express ourselves further regarding the aforesaid contradictions, but rather, like Your Honors, let our superiors judge our respective ways of acting, and most principally Your Honors' engagement with the King of Tansjour, so disadvantageous to us, with whom we lived in good harmony and friendship for so many years previously. However extensively we have hereby answered Your Honors' aforementioned letter of the 15th instant, we nevertheless request permission, before concluding this, to make a single remark upon the extract sent to us from the letter written by the King of Tansjour on January 4 of this year to the Honorable John Whitehill. The King, Gentlemen, imparts therein to His Honor not only what he he had already written to the first signatory of this letter, but also what had been done and answered by the latter in response to the King's complaints; whereas the King's letter was not received here before the 24th of that month, and was not answered by the undersigned Governor before the 29th. A matter regarding the discrepancy in time that has truly appeared very strange to us, since one can by no reason in the world maintain that the King would already have known on January 4 of matters that were only to happen on the 24th and 29th of that month. How we are to understand this therefore remains a dark riddle to us. It also appears no less incomprehensible to us, upon seeing from the aforementioned extract of the letter, that someone was bold enough to dare so publicly to deceive the King of Tansjour, as was done, by informing His Highness that here a guard of two companies of sepoys had been given to Cannagasawea Poele for his protection: which we assure Your Honors

Dutch transcription

brief van den 4: deezer volkomen beweezen hebben, dat den alhier gearresteerd geweest zijnde soube„ „dhaar en de vier sipaijs, verre bezijden de waar„ heijd gesprooken hebben, op de hun voorgehoude Interrogatorien, uwe wel Edeles egter dien zo genaamden officier van rang, (:welke in dienst p zijnde onder Commando van een Europees onder officier staat, en daarvan verlaaten weezende, dikwils minder als een koelij g'estimeerd wordt:/ teegens de verzeekering van een respectable vergadering aan, in het gelijk steld, en dus het getuijgenis van vijf onchristenen (:Nota bone :/ in hun eijge zaak, verre prefererd, boven de verzeekeringen die uwe welEd:s gegeeven zijn, door Leeden van een aanzienlijken Raad; die met vrij wat meer der respect dienden be„ handeld te zijn; te meer daar wij uwe welEd: ter nadere overtuijging verzekerd hebben, dat den Capitain Militair en Commandant van onze sipaijs Gijsbertus Zegelaar, getuijgenis geeven kon, van de hostiliteijten, die door de voorsz: sipaijf in ons dorp wadde coedie gepleegt zijn; Dan Dewijl dit alles uwer wel Edeles niet genoegsaam 154. „genoegsaam schijnt overtuijgd te hebben, laaten wij uwe wel Edeles bij deezen toekomen een verklaa„ ring door den voorsz: Capitain Commandant Zege„ „laar ter requisitie van ons, onder aanbieding van den eed verleend, verzeld van een tweede en derde verklaaring, door den Sergeant en Drilmeester, mitsgaders den Adjudant van onze Sipaijs /:die alle present geweest zijn, toen de inwooners van het voorsz: dorp, over uwer wel Edeles soube„ daar, en sipaijs geklaagd hebben, aan den voorsz: Capitain Commandant:) almeede onder aanbie„ ding vanden eed gepasseerd. waarmeede wij vertrouwen, dat uwe wel Edeles nu volkomen zullen weezen voldaan. Dog ondertusschen smert het ons zeer dat uwe welEd: aan vijt inlanders hebt gelieven mijn Heeren, dat wij om het geloofd te geeven; ver„ p pligt geweest zijn, zoo breedvoerig uijt te wijden, tot verdeediging van het billijk gedrag van den ondergeteekende Gouverneur; dat immers faciel vermeijd hadt kunnen worden, door den voorz: Soubedhaar en Sipaijs, in den beginne een zogte Correctie te geeven, onder bedrijging van zwaarer straff, wanneer andermaal tegen hun diergelijke klagten mogten worden ingebragt, gelijk gelijk door den ondergeteekenden gouverneur met regt is verzogt geworden. wij willen inmiddens gaarne toestaan, dat door uwe wel Edeles met opzigt tot de voorgewaagde verschillen volkomen gehandeld geworden is, in voldoening van uwer wel Ed: engagementen met den vorst van Tansjour wijl die uwe welEdeles verbinden om de limiten en het volk van den vorst te pro„ togeeren en te defendeeren tegen alle vreemde onlusten en invasien Maar mogen wij uwe welEd:s teffens vragen, of het wel gedaan zij, zoodanige engagementen met een inlandsche vorst aante gaan, die direct strikken moeten tot nadeel en bederff van de Landen en inge„ zeetenen toebehoorende aan een natie, waar„ meede uwe wel Edele zelve verlangen te leeven in de grootste eendragt, te meer daar zulke engagementen uwe wel Edeles direct verpligten tot defensie van 'T vor„ sten Landen, tegen alle vreemde onlusten en invasien; onverschillig tegen wie ! of waarom 155 waarom, want wij uijt uwer welEdeles gedrag ten onzen op zigte gehouden niet merken kunnen, dat daaromtrend eenige bepaalin„ gen gemaakt zijn. - Dan wij zullen ons, over de voorsz: tegen strijdigheeden niet meerder uijtlaaten, maar liever gelijk uwe welEd=s onze Superieuren laaten oordeelen over onze respective handel„ „wijze, en wel principaal over uwer wel Ed. s voor ons, zoo nadeelig engagement met den vorst van Tansjour, met wien wij zoo veel Jaaren te vooren in een goede harmonie en vrien¬ schap geleefd hebben. Hoe uijtvoerig wij hiermeede beantwoord hebben, uwer wel Edeles opgemelde missive te van den 15:e hujus, verzoeken wij egter om alvoorens deeze te eijndigen een enkelde remar„ que te mogen maaken op het ons toegezonden Extract uijt den brief door den vorst van Tansjour op den 4: Ianuarij deezes Jaars aan den welEdelen Heer John whitehill ge¬ schreeven. De vorst Mijn Heeren / bedeeld daar bij, aan zijn Edele niet alleen wat hij e hij bereeds aan den eersten teekenaar deezes hadde geschreeven, maar ook wat door deeze op 's vorstens klagten verrigt en geantwoord is; daar 's vorsten brief hier niet voor den 24: van die maand ontvangen, en niet voor den 29: e door den ondergeteekende Gouverneur is beantwoord geworden. Een zaak met opzigt tot het verschil van den tijd, die ons waarlijk zeer vreemd is te vooren gekomen, alzo men door geen reeden ter weereld kan sustineeren, dat den vorst bereeds op den 4:e Januarij Zou geweeten hebben, zaaken welke eerst op den 24: en 29: van die maand ston„ den te gebeuren. Hoe wij dit derhalven ver„ „staan moeten blijft voor ons een duijster raad sel. ook komt ons uijt het evengemelde Ex„ tract missive niet minder onbegrijpelijk voor, te zien, dat men assurant genoeg geweest is, van den vorst van Tansjour zoo openbaar te durven misleijden gelyk geschied is, door zijn Hoogheijd te berigten dat alhier aan Canna„ gasawea Poele tot zijne bedekking zou ge„ geeven weesen een wagt van twee Compagnie sepaaijs: het geen wij uwe wel Edeles ver„ seekere O

NL-HaNA_1.04.02_3512_0311 view scan ↗

English

to be assured is an absolute untruth; which we request you to inform the prince of; who will perhaps soon be further assured of the false reports that have been made to him concerning the alleged protection that is said to have been granted here to Cannegasawea Poele. And thus having fully dealt with everything that we have judged necessary for the present to serve for the refutation of what has been put forward by your Honors with respect to Cannegasawea Poele, as well as for the defense of the Governor's conduct in arresting the aforesaid subedar and four sepoys, we pass over in silence, in order to prevent all disputes, everything that relates to the correspondence held thereon between his Honor and the commanding officer of the English Company's troops in Tansjour, to which your Honors, so it appears to us, have very improperly given the name of violent, and we conclude accordingly with the most sincere assurance that we desire nothing other than to be permitted to live with your Honors in such harmony and friendship as may be consistent with justice and the due high regard for the good understanding and friendship subsisting between the two Powers in Europe; for the rest, we have the honor to remain with the most perfect esteem. Lower stood: Honorable Sir and Sirs, your Honors' very obedient and very humble servants. Was signed: R: v:n Vlissingen, P: J: Dormieux, J: E: G: Hazelman, M:s Koning, S:s Mossel, W: Duijnevelt, J: D: Simons, J: Appengh, and M:s Stoffenberg. In the margin: Nagapatnam In the Castle, the 27th of April 1778. And it was further resolved to sign the aforesaid missive during the current meeting, so that it might be dispatched today or at the latest tomorrow to Madraspatnam. Subsequently, it was remarked by the Lord Governor that it had touched his Honor very sensibly that the Council of Madras had seen fit to characterize his Honor's conduct, both with respect to the sepoys who had been arrested and in relation to the correspondence held by his Honor with the Commandant of Tansjour, as violent. That he would indeed have defended himself circumstantially on that matter in the aforementioned missive, as he had the right on his side, but had omitted to do so in order to avoid further estrangement. That, however, since that silence might sometimes be interpreted to his Honor's disadvantage by the Madraspatnam Government, his Honor now gave communication to the Council, with the request that note be kept thereof in this Resolution: that his Honor, at the very first opportunity, would reverently present to their High Mightinesses the High Indian Government at Batavia authenticated copies of all the letters that had been exchanged between his Honor and the Commandant of Tansjour concerning the aforesaid case, so that they might see and judge from them whether his Honor had ever deserved such a name. Whereupon, after deliberation, it was approved and resolved, in accordance with the desire of his Honor, to make a note hereby of the upcoming dispatch of the aforesaid letters to Batavia. Furthermore, the Lord Governor communicated to the meeting that, of the inhabitants of this city, there had absconded since the 5th of this month: The carpenters Blacksmiths Masons Coppersmiths, and various other craftsmen; as well as The washers Barbers, and Painters, together with, from the villages, Weavers Farmers, and various other inhabitants, without it being known to his Honor what true reason had incited them to such mutinous conduct. That his Honor, wishing to take the gentlest course with the mutinous inhabitants, had waited until the 15th of this month to see if they might return; and had then sent to them the former Brahmin of the Company, Singaijen, to inquire after the cause of their departure; but that he, two days after date, had informed his Honor that they had refused to place any trust in him, but claimed that someone should be sent to them provided with his Honor's seal. That his Honor had thereupon sent to their place of stay, situated close to Nader, the chief peon named Moetoe Naijmiappa, provided with a short letter written in the Malabar language and sealed with his Honor's signet, containing this question: why they had departed; with orders to deliver the same to the head of the castes, Canjema Chittij; but that he had returned the following day with an ola written by Canjema Chittij, containing that they could not state their grievances unless his Honor sent them a man of distinction. That however mutinous and thoroughly punishable such a writing was, his Honor, having overlooked it for the public good, had sent thither on the evening of the 19th of this month the Company's interpreter and Brahmin to put the aforesaid question to them once more. That these were indeed received by them with very great marks of honor, but were sent back two days thereafter with this verbal reply: "that they were of many sorts of castes, who had various complaints to bring forward, but since they could not agree among themselves thereon so as to state them now, they would send them to his Honor in writing, or by ola, within three or four days;" That it having remained at those promises until now (although today was already the 6th day), his Honor had nevertheless judged it necessary to give the aforementioned notification to the meeting concerning the aforesaid mutinous case and what has been done therein by his Honor, with the request that note might be kept thereof in today's Resolution.

Dutch transcription

156 seekeren te zijn eene volstrekte onwaarheijd; waarvan wij verzoeken den vorst te informee„ ren; die mogelijk in 't kort wel nader zal ver„ zeekerd worden van de verkeerde rapporten die men aan dezelve gedaan heeft, nopens de vermeende protectie, die alhier zou weezen verleend aan Cannegasawea Poele. En dus door ons volkomen verhandelt p. zijnde, al het geene wij voor het tegenwoordi„ „ge nodig geagt hebben, dienstig te zijn, tot wederlegging van het geavanceerde door uwe wel Edeles met opzigt tot Cannegasawea Poele, mitsgaders tot verdediging van 's Gouver„ neurs gedrag in het arresteeren van den voor„ schreeve soubedaar en vier sipaijs -gaan wij om alle differenten voortekomen stilswijgende voor bij al het geen relatie heeft tot de daar over gehoude Correspondentie tusschen zijn Edele en den Com„ mandeerende officier van de Engelsche Compagnies troupes in Tansjour, waar aan uwe welEd: zoo het ons toeschijnt zeer oneijgen den naam van violent gegeeven hebben, en besluijten dienvol„ gende met de opregtste verzeekering, dat wij net niet anders verlangen dan met uwel Edelens te mogen leeven in zoodanige harmonie, en vriendschap als met het regt, en de schuldige hoog agting voor de goede verstandhouding en vriendschap die er tusschende beijde Mogend hee„ „den in Europa subsisteerd, overeenkomstig zij, wij hebben voor het overige dec eer, van met de volmaakste agting te blijven. /:onderstond:/ wel Edele Heer en Heeren uwen wel Edelens zeer gehoorsaame en zeer ondendanige dienaaren /:was geteekend:/ R: v:n Vlissingen, P: J: Dormieux J: E: G: Hazelman, M:s koning, S:s Mossel, W: Duijnevelt, J: D: Simons, J: Appengh, en M:s Stoffenberg /:in margine :/ Nagapatnam Jn 't Casteel den 27: April 1778. — En is voorts verstaan, den voorschreeve missive staande vergadering te teekenen, om nog van daag of uijtterlijk morgen afgezonden te kunnen worden naar Madraspatnam. vervolgens is door den Heer gouverneur ge„ remarqueerd dat het zijn Edele zeer sensibel getroffen 157 getroffen hadt, dat den Raad van Madras het gedrag van zijn Edele zoo met opzigt tot de gearresteerd geweest zijnde Sipaijs, als met rela„ „tie tot de Correspondentie door zijn Edele met den Commandant van Tansjour gehouden, gewil„ dig hadt gelieven te naemen Dat hij zig daar over bij den voorgewaag de missive wel omstandiglijk zou hebben verdeedigd; wijl hij het regt aan zijn zijde hadt, maar het om verdere verwijdering te vermijden hadt nagelaaten. Dat egter, wijl dat swijgen somtijds in zijn Edeles nadeel zou kunnen worden uijtgelegd door de Madraspatnamsche Re„ p geering, zijn Edele thans den Raad commus„ „nicatie gaf met verzoek om daarvan bij dee„ „ze Resolutie aanteekening te houden :) dat zijn Edele bij de aller eerste gelegendheijd Hunne Hoog Edelheeden de Hooge India„ sche sche Regeering te Batavia reverentelijk zou aanbieden geauthentiseerde afschriften van alle de brieven die tusschen zijn Edele en den Com„ mandant van Tansjour, over het voorschreeve ge„ val gewisseld geworden waren, ten eijnde hoog dezelve daaruijt zoude kunnen zien en oordeelen of zijn Edele ooijt zulk een naam verdiend hadt. Waarop na deliberatie is goedgevonden en verstaan, van de aanstaande afzending van de voorsz: brieven naar Batavia bij deezen na de begeerte van zijn Edele aanteekening te houden. - wijders heeft den Heer Gouverneur nog ter vergadering gecommuniceerd, dat van de inwoon¬ ders deezer stad, sedert den 5: van deeze maand uijtgeweeken waaren De Timmerlieden Smits. Metselaars „ koper slagers, en meer andere ambagts„ „ lieden 158 lieden; gelijk meede De wasschers Barbiers, en „ schilders, mitsgaders uijt de dorpen „ weevers „ Landbouwers, en meer andere inwooners, zon„ der dat aan zijn Edele bekend was, de waare reeden die hun tot zulk een oproerig gedrag hadt aangezet. Dat zijn Edele, willende met de oproerige inwooners den zagsten weg inslaan, tot den 15: deezer gewagt hadt of zij ook zouden terug komen; en toen hun gezonden hadt, den geweezen t Bramine van de Compagnie Singaijen, om te verneemen na de oorzaak van haare uijtwijking: dog dat denzelve twee dagen na dato aan zijn Edele hadt doen weeten, dat zij geen ge„ loof aan hem hadden willen defereeren, maar pretendeerden dat hun iemand wierd toege„ zonden, voorzien met zijn Edeles zegel. Dat zijn Edele daar op na hunne de verblijf verblijf plaats digt bij Nader geleegen, gezonden hadt den hoofd-pion in naame Moetoe Naij„ miappa, voorzien van een briefje in de Mallabaar„ sche taale geschreeven, en met zijn Edeles ca„ chet verzegeld, behelzende deeze vrage: waarom zij uijtgeweeken waren! met last om het zelve af te geeven aan het hoofd der Castens Canjema Chittij, dog dat deeze des anderen daags was te rug gekeerd, met een ola door Canje ma Chittij geschreeven; behelzende dat zij haare beswaarnissen niet konden opgeeven ten zij zijn Edele haar toezond een man van aanzien. Dat hoe oproerig en allezins: Straf„ waardig zulk een schrijven ook was, zijn Edele het ten besten van het algemeen gepasseerd hebbende des avonds van den 19: deezer derwaarts gezonden hadt 't Compag„ nis Tolk en bramine, om aan hun nog een de voormelde vrage te doen. Dat 159 Dat deeze door hun wel met zier veel eer„ bewijzingen ontvangen, dog twee dagen daar aan weder te rug gezonden waren, met dit mon„ deling antwoord. „dat zij veele soorten van Castens waren, „ die diverse klagten hadden in te brengen, „maar dewijl zij daarover met elkan„ „deren niet eens konde worden, om ze „tans op te geeven, zij die binnen drie „ a vier dagen, ingeschrift, of ola, zijn „ Edele zoude toezenden; - Dat het bij die beloften, (schoon het heeden bereids den 6.:' dag was;:) tot nog toe gebleeven zijnde, zijn Edele egter noodig ge„ oordeeld hadt, van het voorschreeve oproerig geval, en het geen daar in door zijn Edele is verrigt, aan de vergadering de voorge„ waagde notificatie te geeven; met ver„ zoek dat daarvan bij de Resolutie van heeden aanteekening mogt worden ge„ houden

NL-HaNA_1.04.02_3512_0318 view scan ↗

English

keep; for His Honour's discharge in due time, it has, after deliberation on this matter, been not only approved and agreed to make note of this herewith, but also in the name of the entire council to thank His Honour cordially for the good efforts already made and put into effect by His Honour to bring a rebellious and mutinous people back within the bounds of their duty by gentle means; with the further wish that the means which His Honour will be pleased to employ further toward the restoration of peace and good order in this city may be blessed with good success. Below stood: Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam, date as above. Was signed: as before. Thursday 160 Thursday the 14: May 1778. In the morning at eight o'clock Meeting of the Council of Policy Absent The merchant and Fiscal Martinus Koning, due to indisposition. In continuation of what was noted in the secret Resolution of the 27: April last with respect to the departed inhabitants of this city and the villages subordinate thereto, the Governor has now made known to the assembly that the aforesaid rebellious inhabitants had sent a request to His Honour on the 29:th April, and thus two days after the last held meeting, asking that the Comp:s Interpreter and Brahmin might be sent to them to collect the olas which they had previously requested permission to write. That That His Honour thereupon, at five o'clock in the afternoon, had sent the Company's Interpreter and Brahmin to the dwelling place of the aforesaid mutineers, with orders to collect from there the olas that they might have ready, or otherwise, upon finding the contrary, to return immediately. That they had thereupon departed and returned again at ten o'clock in the evening, bringing with them two bundles of sealed olas: in which, upon opening, was found: An ola from the inhabitants of this City, An ola from the collective inhabitants of the Honourable Company's Villages, A ditto from the painters of welepalium and this city, and a separate ola from the head of the Castes Canjema Chittij, containing all points of grievance regarding various matters. That His Honour, having had the aforesaid olas translated, had found upon reading 161 that, besides a hundred trifling matters, their principal complaints consisted of the following three articles: 1. That they found themselves aggrieved by a certain notice of this Government, whereby according to a resolution of the 5: April 1777 it was decreed that all book debts or loans of money on olas and other private writings must be claimed within two years under penalty of default. 2. That they also complained about the Edict of this Government of the 26:th March last, whereby a general tax was introduced on all the houses of this city, and attributed their departure thereto, and 3. That they also considered themselves aggrieved by the resolution of this Board of the 24: March 1773, whereby some customs were granted to the Fiscal Fiscal on goods being unloaded and loaded: and that they therefore requested that all this might be cancelled or revoked, as further appeared from the following Extract Translation of a Malabar ola, being of the following content. Extract from a Translated Malabar ola submitted by Canjema Chittij and the other Inhabitants of Nagapatnam of various Castes to the Governor of this place, Reijnier van Vlssingen. A notice has been posted stating that bonds shall be cancelled when two years have elapsed, which has never been customary; this may well apply among the Europeans; we do not have the custom of closing our accounts regarding principal and interest once a year, like the Europeans, nor do we make 162 any other debt papers. When the Malabars owe money, it is not paid quickly. The Gentlemen investigated that matter in former times, and made mention thereof in the book kept by the Court of Justice; we request that this may also be done now. To collect a certain duty for the houses, and on account of some other matters, an edict has been posted, which further states that whoever might oppose it shall not only have to pay a fine, but also be punished. We were afraid of this, and departed from there. This new order was not given to people who receive wages from the Comp: and derive other benefits. We receive nothing from their Honours, yet we provide much profit because we live there, consisting of the following: for foodstuffs, betel, areca, tobacco, clothes and other provisions we pay Toll for each of them at 2: to 3: places yearly, to a and

Dutch transcription

houden; tot zijn Edeles decharge in der tijd zoo is hier over gedelibereerd zijnde niet alleen goedgevonden en verstaan daar„ van bij deezen notitie te houden, maar ook uijt naam van de gansche vergadering zijn Edele hartelijk te bedanken voor de goede pogingen door zijn Edele bereeds aangewend en in het werk gesteld, om een oproerig en muijt ziek volk door middelen van zagt„ heijd, weder te brengen binnen de paalen van hunne pligt; onder toewensching wijders dat de middelen die zijn Edele alverder zal ge„ lieven aan te wenden, tot herstelling van de rust en goede ordre in deeze stad, door een goed succes zullen mogen gezeegend worden /:onderstond:/ Aldus gedaan en gearres„ teerd in het Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ als vooren. Donderdag 160 Donderdag den 14: Maij 1778. Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie Absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning, mits indispositie, Ten vervolge van het geen bij secreete Reso„ lutie van den 27: April Iongstleeden is aange„ teekend, met betrekking tot de uijtgeweeke inwooners van deese stad en de daar onder resorteerende Dorpen, heeft den Heer Gouver„ „neur thans ter vergaderinge te kennen gegeeven, dat de voorschreeve oproerige inwooner op den 29:e April, en dus twee dagen na de Jongst gehoude vergadering zijn Edele had„ den laaten verzoeken dat Comp:s Tholk en Bramine aan haar mogten worden afgezonden, om afte haalen de olas, welke zij bevoorens ver„ zogt hadden te mogen schrijven. Dat Dat zijn Edele daar op, des namiddags ten vijff uuren, na de verblijf plaats van de voor„ schreeve muijtelingen gezonden hadt s Com„ pagnies Tolk en Bramine, met last om van daar af te haalen de olas die zij in gereed„ heijd mogten hebben, of anders bij bevinding van het tegendeel direct te rug te keeren. Dat deeze daarop vertrokken en des avonds te tien uuren wederom te rug gekeerd waren„ meede brengende twee bondees verzegelde olassen: waarin bij opening bevonden was, Een ola van de inwooners deeze Stad, „ „ gezamentlijke inwooners van S E Comp:s Dorpen. Een dito van de schilders van welepalium en deeze stad, en Een apparte ola van het hoofd der Castens Canjema Chittij, behelzende alle poincten van bezwaar over diverse zaaken. Dat zijn Edele de voorsz: olas hebbende laaten Translateeren bij lectuure bevonden hadt 161 hadt, buijten honderd beuzelagtige zaaken, dat hunne voornaamste klagten bestonden in de drie volgende articulen 1. /. Dat zij zig vonden bezwaard over zeeker biljet deezer Regeering, waar bij volgens be„ Sluijt van den 5: April 1777 gearresteerd geworden was dat alle boekschulden of geld leeningen op olas en andere onderhandsche geschriften binnen twee Jaaren moesten wor„ den ingevorderd subpane van verstek. 2. / Dat zij zig ook beklaagden over het Placcaat deezer Regeering van den 26:e Maart Jongstleeden, waar bij een generaale belasting was ingevoerd over alle de huijzen deezer stad, en hunne uijtwijking daaraan toeschreeven, en 3. ) Dat zij ook meenden beswaard te weezen door het besluijt deezer Taffel van „den 24: Maart 1773. waar bij aan den Fiscaal Fiscaal eenige Custumados zijn toegelegt van de gelost en gelaaden wordende goederen: en dat zij derhalven verzogten dat dit een en ander mogt worden geroijeerd of ingetrokken gelijk nader bleek uijt het ondervolgende Extract Translaat Mallabaarsche ola, zijnde van den volgenden inhoud. Extract uijt een Translaat Mal„ labaarsche ola door Canjema Chittij en de andere Inwoonders van Nagapatnam van ver„ Castens, overgegeeven scheijdene aan den Heer Gouverneur deezer plaatse Reijnier van Vlssingen Daar is een biljet aangeslaagen, dat de obliga„ ties geroijeerd worden zullen, als twee Jaaren verloopen zijn, het geen nooijt gebruijkelijk geweest is; dit kan egter wel plaats hebben onder de Europeeschen wij hebben de gewoonte niet om sjaars eens, gelijk de Europeeschen, onze reekeningen wegens capitaal en intrest te sluijten, en maaken ook 162 Als de Mallabaaren geld schuldig zijn word het zelve niet schielijk betaald. De Heeren hebben in voorige tijden die zaak onderzogt, en dien aangaande bij het boek, dat bij den Raad van Justitie be„ rust melding gemaakt; wij verzoeken dat zulks nu ook gedaan worden mag. Tot het behaalen van zeeker geregtigheijd voor de huijzen, en wegens eenige andere zaaken, heeft men een placcaat aangeslagen, waar bij nog ver„ meld staat dat de geene die daar tegen mogte zijn, niet alleen een boete zal moeten betaalen, maar ook gestraft worden. wij zijn hier voor bang geweest, en van daar uijtgeweeken. Deeze nieuwe ordre is niet gegeeven aan menschen die gagie van de Comp: genieten, en andere voordeel trekken. - wij krijgen niets van haar Edele, egter gee„ ven wij veel voordeel, om dat wij daar woonen, bestaande het zelve hier in, als: voor eetwhaaren, betel, arreek, tabak, kleederen en andere levensmiddelen betaalen wij Thol voor ieder derzelve op 2: â 3: plaatsen sjaars, tot ook geen andere schuld papieren. een en

NL-HaNA_1.04.02_3512_0324 view scan ↗

English

amounting to per 100.00: for our houses we pay 5 per Cent, and moreover pay other dues whenever the same are bought or sold again. This is a great profit, as is also the money that we must give for the stamped papers, according to the order of the Court of Justice. When all this is investigated by Your Right Honourable Sir, His Honour will then come to know that the advantage is indeed as great as is specified hereinabove. No consideration is given to the fact that the orders mentioned in the Regulation will fall very heavily upon us, whereas we have brought so much profit to the Honourable Company, and moreover have conducted ourselves according to previous orders. We request Your Right Honourable Sir to take down the placard that was recently posted concerning some dues that we must pay, and at the same time to ensure that such orders will no longer be issued as long as the Honourable Company lasts. Thirdly, may it please Your Right Honourable Sir to revoke the new order that has been given to the Fiscal to take money for the goods being unloaded and loaded. And after the reading of the aforesaid ola, the Governor continued: That although his Honour was on the one hand of the opinion that it would not be prudent entirely to alienate the aforesaid tumultuous inhabitants, who were certainly being secretly incited by the prominent persons of their nation, by rejecting their requests out of hand, as they had well deserved; on the other hand, he also judged that no excessive leniency should be used with them, since one would thereby give them all the more cause to oppose the equitable decisions of this Government through further insolent and unbridled conduct. And that his Honour therefore merely proposed to resolve the following upon the preceding three points: First, to extend the prescribed term of forfeiture with regard to book debts and money loans on olas and other private writings from two to five years, since that time was long enough to close their accounts, for which they had frivolously dared to pretend that two years were not sufficient; as, in his Honour's opinion, it remained utterly necessary that a certain determination of years be maintained in that regard, because in the course of time this would prevent people from coming forward with old claims against deceased persons, whereby the Judge was often misled. Secondly, to suspend the execution of the aforementioned Placard of the 26th of March and to put it out of effect until Their High Mightinesses have been informed in this regard and the necessary reply has been obtained; but at the same time to make known to Their High Mightinesses that it is feared that this placard will not be easy to introduce among such an insolent, proud, and obstinate nation as the Malabars are, and it is consequently supposed that this will also have constituted the true reason why, in so many years as the Company has been established here, no taxes have been levied upon the inhabitants. And thirdly: merely by way of alteration to specify somewhat further the customs duties allocated to the Fiscal, as that which is allocated to him is a trifle, about which no complaint has ever been made before. Thus, this matter having been extensively deliberated upon, and in consideration that through the departure of the aforesaid inhabitants all trades and businesses are at a standstill, and agriculture is neglected, to prevent or remove the damage that is to be expected therefrom for the Company in general, it was approved and agreed to resolve the following upon the aforesaid three points in accordance with his Honour's intention: Firstly: To extend the term set by resolution of the Government of the 35th of April 1777 for the recovery of book debts and money loans on olas and other private writings from two to five years; Secondly: To suspend the execution of the Placard of the Government of the 26th of March last, by which a general tax had been introduced upon all the houses of this city, and to put it out of effect until further orders from Their High Mightinesses, to whom it is at the same time agreed most respectfully to submit the difficulties proposed by the Governor with regard to the introduction of the aforementioned Placard of the 26th of March, with the request to be furnished with Their High Mightinesses' positive orders in that regard; And finally, thirdly: By way of renewal and alteration, to determine the customs duties allocated here to the Merchant and Fiscal by resolution of the 24th of March 1773 in such manner that henceforth only upon the arrival or departure of ships and vessels that break their cargo, the following customs duties may be demanded once by the said officer from the owners of the aforesaid ships and vessels for granting the permit note to unload or load, namely: for a three-masted ship . . . . Pag: 2: —: two-masted ship - - - - - - Pag: 1: ½ Chialoup or Phaar - - - - - - Pag: 1: — Coilan coaster . . . . . Pag: — ¾ Toney, both from Colombo and

Dutch transcription

ren bedragen van pr: 100.00: voor onze huijzen betaalen wij 5: p=r C:to, en doen boven dien andere ongelden, wanneer dezelve gekogt of weder verkogt worden. — Dit is een groot profijt gelijk ook het geld, dat wij geeven moeten voor de zegel papieren, vol„ gens ordre van den Raad van Justitie. Als nu dit alles door uwelEdele Groot Agtb:, onderzogt word, zal Hoogst denzelven als dan te weeten krijgen, dat het voordeel wel zoo groot is, gelijk hier boven gespecificeerd staat. 'Sword niet In aanmerking genomen, dat de ordres bij het Reglement vermeld, ons zeer swaar vallen zullen, daar wij D EComp: zoo veel voordeel toegebragt, en boven dien ons gedraa„ gen hebben na de voorige ordres. wij verzoeken uwel Edele Groot Agtb: het plac„ caat dat nu Jongst aangeslaagen is, wegens eenige ongelden, die wij betaalen moeten, af te neemen, en teffens te zorgen dat diergelijke ordres, zoo lang D' E Comp: duurt niet meer gegeven worden Ten Derden gelieve uwel Edele Groot Agtb: in te trekken, de nieuwe ordre, die aan de Heer Fiscaal is gegeeven, om geld te neemen voor de 163 „de gelost en geladen wordende goederen. En na het leezen van de voorsz: ola heeft den Heer Gouverneur vervolgd. Dat schoon zijn Edlle aan de eene zijde van begrip was, dat het niet voorzigtig zoude weezen de voorschreeve tumultueuse inwoonders, die ze„ kerlijk door de voornaamsten uijt haare natie bedektelijk wierden opgeruijdt, ten eenemaal voor het hoofd te stooten, door hunne ver soeken glad van de hand te wijzen; Gelijk zij wel verdiend hadden, hij ook aan den anderen kant oordeelden, dat met hun geen al te groote inschikkelijkheijd moest worden gebruijkt, alzoo men daar door aan haar des te meerder voet zoude geeven, om door een verder brutaal en spooreloos gedrag zig te apposeeren tegen de billijke besluijten deezer Regeering. En dat zijn Edele derhalven maar alleen proponeerde op de voorgaande drie poinc¬ ten „ten het volgende te besluijten: Ten eersten om de bepaalde tijd van verstek, met opzigt tot boek„ schulden en geld leeningen op olas en andere onderhandsche geschriften van twee tot vijff jaaren te prolongeeren, nadien die tijd lang ge„ noeg was om hunne reekeningen afte sluijten; waar toe zij frivolijk hadden durven voor„ wenden dat twee Jaaren niet toerijkende waren: alzoo het na zijn Edeles gedagten ten uijtersten noodzaakelijk blief dat daaromtrend een zeeker bepaaling van Iaaren: stand hiel„ „den, wijl daar door in het vervolg van tijd zou worden geprevenieerd, dat min met geen oude pretensien op overleedene perzoonen op kwam, waardoor dikwils den Regter misleijd wierd. Ten Tweeden om de executie van het opge melde Placcaat van den 26: Maart zoo lang te surcheeren en buijten vigeur te stellen, tot men dierweegen Hunne Hoog Edelheeden geinformeerd en het nodige antwoord zal erlangd 164 erlangd hebben; dog teffens dan Hoog dezelve te kennen te geeven, dat men vreest dat dit placcaat niet gemakkelijk zal in te voeren weezen, bij zulk een brutaale hoogmoedige en halstarrige natie als de Mallabaren zijn, en men dienvolgende supponeerd, dat dit ook wel de waare oorzaak zal hebben uijt„ gemaakt, waarom 'er in zoo veel Jaaren als de Comp: alhier gezeeten is, geene be„ lastingen op de inwooners zijn gelegd geworden. En ten derden: De Custumados den Fiscaal toegelegd eenlijk bij wegen van alteratie wat nader te bepaalen, alzoo het hem toegelegde een geringheijd is, waar over nooijt van te vooren is geklaagd geworden: zoo is, hier over in het breede gedelibereerd zijnde, uijt consideratie dat door het uijtwijken van de voorsz: inwooners alle neeringen en han„ teeringen stil staan, en den landbouw verwaarloost wordt, tot voorkoming of weg woeg neeming van de schade die daaruijt voor de Maatschappij in het algemeen te wagten is, goedgevonden en verstaan, op de voorsz: drie poincten na de intentie van zijn Edele het navolgende te besluijten. Eerstelijk: Het bij besluijt der Regee„ „ring van den 35: April 1777 gesteld termijn op het invorderen van boekschulden op het waarde„ vo van boekshlde en geld leeningen op olas en andere onderhandsche geschriften van twee tot vijf Jaaren te prolongeeren: Ten Sweeden: De executie van het Plac„ caat der Regeering van den 26: Maart J:olee„ den, waar bij een generaale belasting was ingevoerd, over alle de huijzen deezer stad te surcheeren en buijten vigeur te stellen, tot nadere ordre van Hunne Hoog Edelheeden, aan wien teffens verstaan is de voorgestelde swaarig heeden door den Heer Gouverneur, met opzigt tot het invoeren van het opgemelde Placcaats 165 Placcaat van den 26: Maart eerbiedigst voor te dragen, met verzoek van daar omtrend gemu„ nieerd te mogen worden met Hoog dezelven positive ordres. En eyndelijk ten Derden: De custumados den koopman en Fiscaal alhier toegelegt; bij be„ Sluijt van den 24: Maart 1773. bij weege van renovatie en alteratie dusdanig te bepaalen, dat voortaan eenlijk maar bij aankomst of vertrek waar bij aankomst of vertrek van scheepen en vaartuijgen die hunne laa„ ding breeken, door gemelden officier voor het verleenen van het permissie briefje om te lossen of te laaden eens zal mogen ge„ vorderd worden de navolgende Costumados van de Eijgenaars der voorsz: scheepen en vaartuijgen; te weeten: voor een driemastig schip. . . . Pag: 2: —: twee mastig schip - - - - - - „ 1: ½ „ Chialoup of Phaar - - - - - - „ 1: — Coijlans vaarder. . . . . „ — ¾ „ Tronij, soo van Colombo als „

NL-HaNA_1.04.02_3512_0330 view scan ↗

English

Princonomale and elsewhere. Pag: — 10:— For a thonij, carrying and transporting tamarind and other trifles such as native spices etc. . . . . . . . — 6:— For a double chialeng. — 6:— But a single chialeng the half, or - - - - - - - — 3: — Without anything being claimed by him from anyone other than the owner of the ship or vessel that is unloading or loading, except what is determined above for the entire cargo, whether brought here or transported from here as ordered goods or freight; considering it is all the same whether a ship, sloop, thonij, chialeng, or other vessels are freighted or loaded by one or more persons, since the aforementioned customs duties are granted to the Fiscal for the entire cargo, and not 166 not for a part thereof. And further, without making any mention of the reasons why so much leniency is exercised toward mutinous inhabitants, who are punishable in the highest degree, to notify the community only of the aforementioned resolutions by the posting of placards, trusting that this gentle conduct of the Government will cause the aforementioned mutinous inhabitants to return to their duty again, for the restoration of peace and good order within this city. In fulfillment of the order of this Government contained in the secret missive of 5 April of this year, sent hither by the chief of Palliacatta, the merchant Nicolaas Tadamen, alongside his separate letter of 1 May, and now presented in the meeting by the Governor, being an ample defense against the complaints of the Nabab mentioned mentioned in the secret Resolution of 3 April; which was found word for word to read as follows. Defense against all such complaints as were passed by Cannagoij gomattas Moesoemdaar, Desmoegie Despandicir, and other inhabitants of Palleacatta and Tierpasoer on 9 March 1778, offered in all respect to the Right Honorable Sir Reijnier van Vlissingen, Governor and Director of the Dutch Company on the Coast of Coromandel, together with the Council at Nagapatnam, by the undersigned chief of the factory Palliacatta. Right Honorable Sir and Gentlemen! I take the liberty hereby to submit my interests 167 to submit my interests against the accusations made by the persons mentioned in the heading concerning me and my servant Porreura Poele, as well as the Company's interpreter Coepaijen. But before and prior to refuting the same, I must humbly inform Your Right Honorable that all the mentioned accusers are persons who serve with the Duan, and whose actions, if one could bring them to light through clear evidence, would be found to be very malicious. But obtaining such depositions from the inhabitants of this place is utterly impossible, as they are afraid of the horrific punishments they would have to undergo from the Haweldhaar for providing such statements. The former chief Josinson sent up the servant Naraijna with one of the sloops, but for what reason such was done is unknown to me. When that Naraijna appeared here again in the past year to engage himself as a servant with me, the Haweldaar, who was embarrassed by his arrival, very politely had me requested that I would not let that Naraijna achieve his purpose, would not let him achieve his purpose, because the friendship that existed between me and the said Duan was too great to be broken by such an evil instrument. Surely anyone who clearly perceives the cautious manner of the Haweldaar's emphatic instance will not be able to say otherwise than that he had such good intentions, prompted by which he sought to cut off all opportunities that could cause even the slightest breach in that good understanding. However, the consequence of that good beginning has become so thorny that whoever was just notified of such a good intention must immediately arrive at a state of the uttermost astonishment at how quickly that Haweldaar, setting aside all interest of friendship, followed his innate fickle and proud nature, not only to insult all privileges that the Honorable Company has obtained from time immemorial through received Parwannas and Firmans, but also to portray the conduct of my servant and the Company's interpreter in a suspicious manner 168 manner, in the transmitted statement. Whether the former chief Johnson, in the short time of His Honor's presence here, did not concern himself with the Sarkar, I need not investigate, sufficing only with the firm assurance that my dealings with and regarding the Sarkar will be found innocent in all respects. That the Company's interpreter Coepaijen and my servant Porwea Poele are both persons who have committed no mistreatment against the inhabitants of this place, nor ruined them, appears most clearly from the obtained pieces of evidence from all the head inhabitants of Palleacatta, accompanying this submission under No. 1. Thus the feigned fabrications of those rash persons merit punishment; besides, it would be a hard thing for the interpreter to have to undergo such slanders, since he was nominated by the former chief, the Right Honorable Mr. Dormieux, deemed capable, and by the Illustrious Coromandel

Dutch transcription

Princonomale en elders. Pag: — 10:— voor een Thonij, die tambrijn en andere geringheeden als Jnland„ „sche specerijen etc: aanbrengd en vervoerd. . . . . . . . „ — 6:— voor een dubbelde Chialeng. „ — 6:— Dog een enkelde Chialeng de„ helft of - - - - - - - „ — 3: — zonder dat door hem van iemand anders als van den eigenaar van het schip of vaartuijgg het geen lost of laad, iets zal mogen worden. gepretendeerd, dan het boven bepaalde voor de geheele lading, 't zij voor bestet of vragt goe„ deren hier aangebragt of van hier vervoerd wordende; gemerkt het om het wven is, of een schip, Chialoup, Thonij Chialeng of andere vaartuijgen door een of meerder perzoonen is bevragt of belaaden, nademaal de meerge„ melde Costumados aan den Fiscaal toege staan zijn voor de gaasche laading, en niet 166 niet voor een gedeelte van dezelve. En voorts, zonder eenige meeding te maa„ ken van de reedenen waarom men zoo veel toegeevenheijd gebruijkt met muijtineerende inwooners, die ten hoogsten strafbaar zijn van de voorgewaagde besluijten aan de gemunte eenlijk kennis te geeven door afficie van Bil „setten, en vertrouwen dat deeze zagte handel„ wijze van de Regeering, de voorsz: muij tinee„ rende inwooners wederom tot hunnen pligt zal doen keeren, ter herstelling van de rust en goede ordre binnen deeze stad. Ter voldoening aan de ordre deezer Regeeringe vervat bij secreete missive van den 5: April deezes Jaars, door het opperhoofd van Pallia„ catta den koopman Nicolaas Tadamen nevens zijnen aparten brief van den 1: Maij herwaarts overgezonden en tans door den Heer gouverneur in vergadering geproduceerd zijnde, eene ample verdediging tegende klagten van den Nabab vermeld vermeld bij secreete Resolutie van den 3: April; die van woorden tot woorden bevonden is te luijden als volgd. Verdeediging tegens alle zooda„ nige klagten, als door Cannagoij gomattas Moesoemdaar, Des„ moegie Despandicir en andere inwooners van Palleacatta en Tierpasoer op den 9: Maart 1778. zijn gepasseerd, in aellen eerbied aangeboden aan den wel Edelen Gestr: Heer Reijnier van vlissingen Gouverneur en Directeur van de Hollandsche Compagnie op de Cust Cormandel benevens den Raad te Naga„ patnam, door het ondergetee„ kende opperhoofd van 't Comptoir Palliacatta. WelEdele Gestrenge Heer en Heeren! Ik neem de vrijheijd bij deezen mijne belangens intebrengen 167 intebrengen tegens de beschuedigigingen door de in hoofde gemelde persoonen omtrend mij en mijn Dienaar Porreura Poele, mitsgaders 's Comp:s tolk Coepaijen gedaan, dog voor en al eer ik dezelve wederlegge, moet ik uwel Edele Gestr: ootmoedig te kennen geeven, dat alle de gemelde aanklagers persoonen zijn, die bij den Duan dienst doen, en wiens bedrij„ „ven zo men dezelve door klaare bewijzen konde aan den dag brengen, zeer malitieus zouden bevonden werden, maar het bemagtigen van zulke defentien der inwoonderen van deeze plaats, is ten eenemaal onmogelijk door dien ze bevreesd zijn voor de gruwelijke straffen, welke ze wegens het geeven van zulke verklaaringen van den Haweldhaar zullen moeten ondergaan. Net geweezen opperhoofd Josinson heeft den dienaar Naraijna met een der Chialoupen opgezonden, dog om wat reeden zulks geschied zoude zijn, is mij onbekend. - Toen dien Naraijna in den voorleeden Jaare alhier weder verscheenen was, om zig als die„ naar bij mij te engageeren, heeft den Haweldaar, die door zijn komst in verlegendheijd geraakt was, mij zeer beleefdelijk laaten verzoeken, dat ik het oogmerk van dien Naraijna niet zoude zoude laaten bereijken, dewijl de vriendschap welke tusschen mij en gem: Duan stand hield te groot was, om door zoo een quaad instrument ge„ brooken te worden. Gewis zal een iegelijk die de voorzigtige manier van 's Haweldaars na„ drukkelijke instantie wel inziet, niet anders konnen zeggen;, of den zelven hadde zulke goede neijgingen, waardoor genoopt, hij alle gelegend „heeden zogte afte snyjden welke maar eenig „Goede de minste breuk in die „ verstand houding zoude kunnen te weege brengen, dog het gevolg van dat goed beginzel is zoo doornagtig geworden, dat de geene die straks van zo een goed voorneemen verwittigd was, immediaat tot een opgetoo gendheijd van de uijterste verwondering moet komen, hoe schielijk dat dien heweldaar ter zijde stellende alle belang van vriendschap, zijn aangebooren wispettuurigen en trotsen aard in gevolgd heeft, niet alleen om alle voorregten te hoonen, die D E Comp: van onheugelijke tijden Parwannas en Firmans af door erlangde verkreegen heeft, maar ook 't gedrag van mijn dienaar en sComp:s tolk op een verdenkelijke wijze 168 wijze, bij de overgezondene verklaaring afschil„ deren. of het geweezen opperhoofd Lohnson in den korten tijd van zijn E:s aanweezen alhier, zig met den serkar niet bemoeijd heeft, behoef ik niet te onderzoeken, als alleenig mij vergenoe„ „gende met de vaste verzeekering, dat mijne behandelingen, met en omtrend den serkar in allen opzigte onschuldig zullen worden be„ vonden. Dat 's Comp:s tolk coepaijen en mijn dienaar Porwea Poele beijde persoonen zijn, die de inwoonders van deeze plaats geene mishandelingen aangedaan, of hun geruineerd hebben blijkt ten klaarsten uijt de gewvonnene bewijs stukken van de gezamentlijke hoofd Inwoonders van Palleacatta, deezen submis onder N:o 1: verzel„ lende, dus miriteeren de gefingeerde verdigtselen van die onbezonne perzoonen vertraffe; buijten des zoude het een harde zaak zijn voor den Tolk, zulke lasterhaalen te moeten onder „gaan, nadien hij door het geweezen opperhoofd den welEdelen Heer Dormieux voorgedragen, bequaam geoordeeld, en door de Illustre Corman„ delsche

NL-HaNA_1.04.02_3512_0336 view scan ↗

English

Council at Nagapatnam was chosen for that purpose. What kind of people on the side of the serkar have been threatened by me on the bad advice of my servants is a mystery to me and my people, so the aforementioned accusers will have to express themselves more clearly on that matter. How the actions of sjina Tambij have been is not of my concern to investigate, but that the conduct of my servants is very different from the doings of those who made themselves guilty of bringing to light an ill-considered letter of complaint at the request of the Haweldaar, appears fully from the interrogations N:o 1: 2: and 3: From the time of my arrival here, I have sought to make the inhabitants of Palleacatta flourish and to revive their ruined conditions, but on the contrary, instead of praising my good intentions, I see to my surprise that they accuse my servants of matters in which they have no part or share, and they even dare to add that the said inhabitants seek to run away from here, the contrary of which is evidently established by the question points under N:o 1. and 2. — That the serkar will fall into decay is to be feared, unless all matters were managed in such a way whereby the inhabitants could live in peace and quiet. That the fireworks makers Tagen, Conden, Naraijna, Goerewen, and Moertie belong under the serkar, and that in the time of the previous Haweldaar, when sjina Tambie was servant of the chief, they had paid a fine to the serkar for their committed offense, has been found mendacious according to their own testimony under N:o 4: and 5:, although the chief moradoors, who are very devoted to the Haweldaar and have bound themselves to him by coercion, have said or declared in their interrogations under N:o 1: that the said persons belong under the authority of the Serkar. That the said five persons granted a compromise ola to the Haweldaar Machamadoe Raesoe to sell no muskets or powder to the Paleakarens henceforth, is likewise not true, but it is true that Tagen and Conden did so, and that for the reason that the said binding ola was extorted from them by force by that Haweldaar: as Your Right Honourable Severity may see most clearly in further detail upon pleasing inspection of the abovementioned interrogations under N:o 4: and 5:. That the cited 5: persons handed over a similar paper or ola to the present Haweldaar Hoesseen Ali is difficult to believe, while they confessed the contrary in the just-mentioned question points under N:o 4: and 5:; but even supposing that they had passed such a paper or ola to the Duan, one can nevertheless conclude nothing else from it than that they were forced by violence to grant such a writing. That two of the said fireworks makers, Tiagen and Conden, had sold several muskets and powder to the Paleakarens and other people at night and unseasonable hours does not square with the truth at all, but rather that at one time, during the day, they had sold powder for one pagood, as Your Right Honourable Severity will see most clearly in the more cited document N:o 5:, which the Haweldaar was nevertheless unauthorized to investigate, much less to impose a fine of 24: star pagooden on those people, and because of their unwillingness to pay, to have 20: to 30: pagooden worth of jewels taken from their wives by force, since the said fireworks makers are directly under the Hon: Company. That the interpreter Coepaijen and my servant Poerewea Poele protected those two fireworks makers occurred by my order, since the said persons, as stated, are under the authority of the Hon: Company, and consequently I also had the Haweldaar notified that he could take no fine from them. That those two people had not come from Europe nor from Nagapatnam is true, but by no means that which the accusers say, that they are not inhabitants of the place of the Hon: Company, since besides everyone being aware of it, they belong under their Honours' jurisdiction according to their own confession. Since the said persons testify that I am a man of understanding and one who seeks the welfare of the serkar, it follows immediately from this that understanding must aid me in the maintenance of all rights and the preservation of my authority regarding the countering of all disorders, as well as the protection of persons who belong under the territory of the Hon: Company. The chief moradoors, many of whom, as stated, consist of a following of the Haweldaar's creatures and are thus obliged to declare that the said two persons are directly under the serkar, have, to the question points whether I had said to them through instigation of the interpreter Coepaijen that they should not speak much because Tiagen and Conden were subjects of the Company, fully admitted that I did not do so, vide interrogations N:o 1: thus the testimony of the said chief moradors in the copy translation of the Persian declaration is an invented pretense. That Tiagen, Conden, Naraijna, Goerewen, and Moerti, as well as other persons who sold powder, were arrested by the interpreter Coepaijen and my servant Poerewea Poele, is a gross lie, but rather that two of

Dutch transcription

delsche Regeering te Nagapatnam daartoe ver„ kooren is geworden. wat geslagt van menschen aan de zeijde van de serkar door mij op quaade raadgeeving mijner bediendens gedreijgd zijn, is voor mij en mijn volk een raadsel, dus zullen gemelde aanklagers zig daaromtrend klaarder moeten extendeeren. Hoedanig de behandelingen van sjina Tambij geweest zijn, is mijn belang niet om er onder„ zoek na te doen, maar dat 't gedrag van mijne bediendens zeer veel verschillende is, met het bedrijf van de zulke, welke zig aan het in het ligt brengen van een onbezonnen klagtschrift op het verzoek van den Haweldaar hebben schuldig gemaakt, blijkt ten vollen uijt de „ Interrogatorien N:o 1: 2: en 3: van mijne komst af alhier, heb ik getragt gehadt om de Jnwooners van Palleacatta te doen floreeren en hunne vervalle staaten op te luijken, maar integendeel, dat ze mijne goede oogmerken louangeeren, zie ik tot mijn sur„ price, dat ze mijne bediendens betigten met „zaaken daar ze geen part of deel aan heb„ ben 169 „ben, en durven er nog bij voegen dat gem: Jnwoo„ „ners van hier zoeken wegteloopen, waarvan het Contrarie bij de vraag poincten onder N:o 1. en 2: evident komt te Consteeren. — Dat den serkar in verval zal raaken is te vreesen, ten waare alle zaaken zoodanig be„ steerd wierden, waardoor de ingezeetenen in rust in vreede konden leeven. Dat de vuurwerkers Tagen, Conden, Naraij„ na, Goerewen en Moertie, onder den serkar sor„ teeren, en dat ze ten tijde van den voorigen Hawel„ daar, toen sjina Tambie dienaar van het opperhoofd was, een boete wegens hun begaane misdaad aan den serkar betaald hadden, is volgens hun eijgen getuijgenisse onder N:o 4: en 5: leugenagtig be„ vonden, schoon de hoofd moradoors, die den Ha„ weldaar zeer toegedaan zijn, en zig aan hem door dwang verbonden hebben, bij hunne Inter„ regatorien onder N:o 1: gezegt of verklaard heb„ ben, dat gem: persoonen onder 't gezag van den Serkar behooren. Dat gem: vijf perzoonen een Compromis ola aan den Haeveldhaar Machamadoe Raesoe verleend hebben, om voortaan geen snaphaanen nog kruijt aan de Paleakarens te zullen verkopen verkopen, is almeede niet waar, maar wel dat siagen en conden zulks gedaan hebben, en dat om reeden dat gemelde verband ola haar met geweld door dien Naweldaar afgedwongen was: gelijk uwel Edele gestrenge bij believige beschouwing van bovengemelde Interrogatorien onder N:o 4: en C: 't zelve nader ten klaarsten zullen kunnen zien. Dat geciteerde 5: persoonen een diergelijk papier of ola aan den tegenwoordigen Waweldaar Hoesseen Ali ter hand gesteld hebben, is niet wel te gelooven, terwijl zig het tegendeel bij evengewaagde vraag poincten onder N:o 4: en 5: beleeden hebben; dog ik onderstel dat te zulk een papier of ola aan den Duan gepasseerd hadden, kan men evenwel daaruijt niet anders besluijten, of te zijn tot het verleenen van een diergelijk geschrift door geweld genoodzaakt geworden. Dat twee van gemelde vuurwerkers Tiagen en Conden, bij nagt en ontijden verscheijde sna phaanen in kruijt aan de Paleakarens en andere menschen verkogt hadden; guadreerd geenzins met de waarheijd, maar wel dat ze op een tijd, over dag voor een pagood kruijt ver debiteerd hadden, gelijk uwelEdele Gestr: het 170 het zelve bij mier geciteerd schriftuur N:o 5: ten klaarsten zullen beoogen, het geen egter den Haweldaar onbevoegd was te onderzoeken, veel min een boete van 24: ster pagooden, die men„ schen op te leggen, en door hunne onwilligheijd tot de voldoening 20: â 30: pagooden, aan Juweelen van hunne vrouwen met geweld te laaten afneemen, dewijl gemelde vuurwerkers direct onder de E: Comp: staan. Dat den tholk coepaijen en mijn dienaar Poerewea Poele die twee vuurwerkers geprote„ geerd hebben, is of mijn ordre geschied, dewijl gemelde persoonen als gezegd onder het gezag van D' E: Comp: staan, dienvolgens heb ik ook den Howeldaar laaten aanzeggen, dat hij van hun geen boete neemen konde. Dat die twee menschen niet uijt Europa nog van Nagapatnam gekomen waren is waar, maar geenzins dat de aanklagers zeggen, dat ze geen inwooners van de plaats van D E Comp: zijn, dewijl ze buijten dat een iegelijk bewust is, volgens hun eijgen bekentenis onder Haar Ed: resort behooren. Dewijl gemelde perzoonen getuijgen dat ik een man van verstand ben ben, en die het wel sijn van den serkan betragt zo volgd daar uijt onmiddelijk, dat het verstand mij te baat moet komen in de handhaaving van alle regten en mainetenu van mijn gezag omtrend het tegengaan van alle ongeregeld„ heeden, mitsgaders protegeeren van perzoonen, die onder het gebied van D E: Maatschappij Con„ teeren. De hoofd moradoors, waar van veele als gezegt uijt een aanhang van 's Haweldaars Creatinu„ „ren bestaan, dus verpligt zijn te verklaaren, dat gem: twee persoonen direct onder den serkaar staan hebben op de vraag poincten, of ik door op stokerij van den Thoek Coepaijen tegen hun gezegt hadt dat zij niet veel spreeken moesten, wijl Tiagen en Canden s Comp=s onderdaanen waren; volmondig bekend, dat ik zuks niet gedaan heb, vide Jnter„ rogatorien N:o 1: dus is het getuijgenis van op gem: Hoofd moradors bij de Copia Translaat persiaansche verklaaring een versonnen voorgoeven. Dat door den Tolk Coepaijen en mijn dienaar Poerewra Poele, Tiagen, Conden, Naraijna, Goere wen en Moerti, mitsgaders andere perzoonen die kruijt verkogt hebben, gearresteerd zijn geweest, is een grove logentaal, maar weldat 'er twee daar

NL-HaNA_1.04.02_3512_0341 view scan ↗

English

171 thereof, namely Naraijna and Goerewen, because they were inclined to separate on account of their dispute with the other party, were taken into custody by the interpreter on my order. Also, the claim that the interpreter had jointly ordered them to grant a compromise ola to the Honorable Company, and that they had refused to do so because they are subject to His Excellency, is entirely frivolous, for the three first-mentioned acknowledged nothing else in their answer to the articles put to them than that they had lodged a complaint with the interpreter on account of the gunpowder sold without their knowledge by Tiagon and Conden; and that he had thereupon said that he would impose a fine of 24 pagodas on their party, see question points No. 4. Likewise, according to the aforesaid document, it is mendaciously dished up that those two firework makers were arrested for 10 days and subjected to much injustice, and furthermore that the interpreter and my servant had assured them that their houses would be sold by public auction and their remaining possessions given to the Honorable Company, whereas it is admitted in that paper that the arrest lasted only 6 days, and that they had not been so threatened by those servants with the sale of their goods. As also that those people had thereby fallen into distress and had intended to run away from here. That the interpreter and my servant protected Siagen and Conden occurred, as cited above, on my order, because those firework makers are directly subject to the Honorable Company. That liquor was sold by the Roman Catholics at the Coupang when the French were at war contains the truth, but not that the havildar Rosenalichan had forbidden them from doing so; the said persons further declare that by order of the chief, Mr. Dormieux, they handed over 9 pagodas as a charitable gift to the liquor sellers of the sarkar, and also ceased the distilling of liquor upon the prohibition of the said Mr. Dormieux; yet that they were ordered by the said chief, even before His Honor's departure, to put the distilleries back into operation, 172 which order they complied with only in the time of the chief Johnson, who had granted them a certificate for that purpose, an authentic copy whereof accompanies this under Nos. 45 and 46 in the said notarial declaration, see also the articles under No. 6. That the sarkar had not prevented them from distilling liquor is likewise evident from the aforesaid interrogatories; thus the accusation made that I, through the instigation of the interpreter, had warned the Roman Catholics not to heed the order of His Excellency, is entirely false and groundless, as shown by the question points cited above. In the same manner, that 200 pagodas were paid annually by the liquor sellers of the sarkar, and also that they now refuse to pay that money because the Roman Catholics sell liquor. The exact contrary of this is to be seen from the responses given by those people themselves, see interrogatories No. 7, where they say that they pay only 50 pagodas to the dewan for distilling liquor, and in addition another 50 pagodas for certain other expenses, certainly for the havildar and his entourage, so that the sarkar must surely be ruined by such practices; furthermore, the said persons declare that, still complying with this, they were by no means minded to run away from Pulicat, since no reasons had been given them to do so. Thus the testimonies in the translated Persian declaration that those liquor sellers paid 200 pagodas to the sarkar were given so thoughtlessly that the accusers well deserve the most rigorous punishment for that unprecedented fabrication. That the interpreter and my servant are said to have told the havildar's messenger Angama Naijker that if he came forward once more with a message of such a nature as cited above, they would then permit not just some, but all Roman Catholics to sell liquor, and would also endeavor to ensure that the sarkar did not receive its customado, rests on no fundamental grounds whatsoever; indeed, it is too silly to think of, let alone to take the trouble to dirty paper over it: the havildar as well as the accusers must therefore be compelled to produce proofs that are acceptable, at which time I will defend myself against them. That the liquor sellers of the sarkar did not wish to leave this place has already been proven by the aforementioned interrogatories under No. 7. And that no toll is taken for foodstuffs, from wherever they are brought, is according to the privileges obtained of old. Whether the chiefs in the time of Sestiar Chan, when he performed the service of havildar and four tonies with firewood had arrived for Their Honors, had requested that havildar to be exempted from the payment of the toll, is unknown to me, but I do know that every servant of the Company who receives goods for his own use is exempted from the payment of toll charges, according to the privileges obtained successively by firmans, etc. That the mestizo flagman named Jan Paul

Dutch transcription

171 daar van in naamen Naraijna en Goerewen, om de wille dat ze wegens hun twist met de andere parthij, genegen waren te scheijden, op mijn ordre door den Thoek in verzeekering genomen zijn. ook is 't voorgeeven dat de Troek hun gezamentlijk geordonneerd hadde om een Compromis ola aan D E Comp: te verleenen, en dat ze zulks geweijgerd hadden, uijt hoofde ze onder zijn Excellentie staan, ten eenemaal frivool, want de drie eerst„ gem: beleijden bij het antwoord op de aan haar voorgehoudene articulen niet anders, als dat ze wegens het buijten haar weeten door Tiagon en Conden verkogt kruijt, bij den Thoek waren klag„ zig gevallen; en dat den zelven daarop gezegd hadt, dat hij hun parthij een boete van 24: pag: zoude opleggen, vide vraag poincten N:o 4: 8 Insgelijks is het volgens evengem: schriftuur lengenagtig opgedischt, dat die twee vuurwerkers 10: dagen lang gearresteerd, en veel torten aangedaan waren, mitsgaders dat den Tholk en mijn dienaar hen verzekerd hadden, dat hunne huijzen paer publique vendutie verkogt, en de overige bezittin„ „gen aan d' E Comp: gegeeven zoude werden, wijl er bij dat papier bekend staat, dat de arrestee rinij ƒ ring maar 6: dagen geweest is, en dat ze zoodanig door die bediendens met het verkoopen van hun„ ne goederen niet gedrijgd waren geworden. Gelijk meede dat die menschen daar door in „heid, „en verlegend „ zouden geraakt „ van gedagten geweest zijn van hier wegte loopen. Dat den Tolk en mijn dienaar, Siagen en Conden geprotegeerd hebben, is als voorengeei„ „teerd op mijn ordre geschied, wijl die vuurwer„ kers direct onder D. E Comp: staan. Dat door de Roomsche Christenen op de Coepang toen de Franschen oorlog hadden, drank verkogt is geworden behelst de waarheijd, maar niet dat den Haweldhaar Rosenalichan hen 't zelve verboden hadt; gemelde perzoonen ver„ klaaren voorts op ordre van het opperhoofd de Heer Dormieust aan de drankverkoopers van den serkar tot een liefde gifte 9: pagooden afgelangd, mitsgaders op het verbod van gemelden Heer Dor„ mieus de stooking der dranken gestaakt te hebben; egter dat ze door gem: opperhoofd nog voor zijn Ed:s vertrek geordonneerd waren ge„ worden, om de branderijen weder aan de gang te 172 te doen brengen, welkers ordre zij eerst ten tijde van het opperhoofd Iohnson, die hun ten dien eijnde een bewijs verleend hadt, waarvan Copia authenticq in dito Notarieele verklaring deezen onder N:o 45: en 46: verzellende, naar gekomen waren, vide almeede de articulen onder N:o 6: Dat den serkar hen niet belet hadt om dranken te stooken, blijkt insgelijks bij evenge„ zegde Interrogatorien, dus is de gedaane beschul„ diging, dat ik door opstokerij van den Tholk, de Roomsche Christenen gewaar schouwd hadde, zig aan de ordre van zijn Excellentie niet te stooren, ten eenemaal valsch en ongegrond, uijt „wijlens de vraagpoincten hier vooren aangehaald. Inselvervoegen dat door de drankverkopers van den serkar sjaars 200: pagooden betaald werd, als meede dat ze nu dat geld, om reeden dat de Roomsche Christenen drank verkoopen niet betaalen willen. Hiervan is regt het Contrarie te zien bij de gegeevene responsen door die menschen zelve vide Jnterrogatorien N:o 7: alwaar te zeggen, dat ze maar alleen 50: pagooden voor het stooken van Dranken aan aan den Duan betaalen, en bovendien nog 50: pagoden tot eenige andere ongelden, zeekerlijk voor den Haweldhaar en zijn aanhang, dus den serkar door zulke behandelingen wel ten gronde moet gaan; voorts verklaaren gemelde persoonen, dat ze zulks als nog nakomende geensins van meening geweest zijn van Palliacatta weg te loopen, terwijl hen daartoe geene reedenen gegeeven waren, Dus zijn de getuijgenissen bij de Translaat Per„ siaansche verklaaring dat die drank verkoopers 200: pag: aan den serkar voldaan hebben, zoo onbe„ zonnen gegeeven, dat de aanklagers wegens die on„ gehoorde gefingeerdheijd wel de rigoureuste cor„ rectie verdienen. Dat den Tolk en mijn dienaar tegens 's Waweldaars boodschap brenger Angama Naij„ ker zoude gezegd hebben, dat zoo hij nog eens met een boodschap van zulke een natuur als boven geciteerd te voorschijn kwam, men als dan niet eenige, maar aan alle Roomsche Christenen permitteeren zoude omdrank te verkopen, mitsgaders tragten dat den serkar zijn Cos„ „ tumado niet erlangd, steund gansch op geene fondamenteele gronden; Ja te laf om er om te denker 173 denken, laat staan men de moeijte zoude neemen, om er papier om vuijl te maaken: Den Hawel„ daar zo wel als de aanklagers dienen dierhal„ ven genoodzaakt te werden bewijzen voor den dag te brengen, die aannemelijk zijn, wanneer mij als dan daar tegens defendeeren zal. Dat de drankverkopers van den serkaar deeze plaatse niet hebben willen verlaaten, is reets beweezen bij vooren geciteerde Jnterrogatorien onder N:o 7: En dat er voor de eetwharen, van waar ook gebragt, gein thot genomen wordt, is volgens de verkreege Privilegien van ouds of de opperhoofden ten tijde van sestiar Chan toen hij de dienst van Waweldhaar waarnam en 'er vier thonijs met brandhout voor haar Ed: aan„ gekomen waren, dien Waweld haar verzogt hadden om bevrijd te mogen weezen, ter betaaling van de thol, is mij onbewust, maar wel weet ik dat een ieder sComp:s dienaar die goederen voor zijn ge„ bruijk krijgt van de betaling der thol last ontheeven is, volgens de successiv geobtineerde voorregten bij Firmans etc: Dat den mistiese vlaggeman genaamt Jan Paul O

NL-HaNA_1.04.02_3512_0346 view scan ↗

English

Paul, who sells liquor, receives monthly 2 to 3 tonies of firewood is fabricated, and this is confessed otherwise in Interrogatories No 8, in which he declares that he sometimes receives one, and sometimes not even a single ballang of firewood. Consequently, it appears most clearly that the accusers have once again spared the truth in this regard. That the soldier Johannes Theodorus, baptized with the name Sjina in the declaration, did not conduct a trade in goat meat, nor ever paid duty for it, but rather that his son occasionally slaughtered a goat and sold one or two pieces of it, is established in the question articles No 9. And even if it were true that the said soldier had traded in goat meat, I would wish that the Haweldaar, together with the accusers, could demonstrate that this man was not permitted to trade in goat meat. That all provisions, including firewood, nelij, etc., are duty-free for people who wear hats, appears as before under the article of foodstuffs, the quantity being unrestricted and consequently as much as each person needs for his own use. However, the false accusations that a garst of rice is brought here daily from our villages is such a momentous falsehood that I cannot refrain from making my observation regarding it. For if their shameless assertion were true, then such a number of garsts of rice would have to be consumed by the hat-wearers in a full year, which has 365 days, and consequently no relief would be needed from other places. It were to be wished that the harvest of our villages were so bountiful, but this differs greatly from the statement of the quantities being brought in, since this year's crop is not even sufficient to feed their own inhabitants. The assertion of the accusers that 12 to 13 bladders of butter from Madras are brought here each time requires confirmation, and it will serve to require him to prove which household of this place requires such a quantity of that fat. That no duty may be levied on the mentioned items has been proven multiple times, and although the serkaar cannot claim any revenue from all foodstuffs, etc., the Haweldaar nevertheless dares to venture to detain now one thing and then another, which he is neither authorized to do nor has it been placed in his power. It is indeed ridiculous that the accusers bring forward matters that are as childish and originate from the foolishness of malicious boys as anything I have ever seen written down. The accusers state in their complaint regarding a certain Paul, clearly showing that they are people who possess no thorough knowledge, for otherwise they would have to speak with greater distinction of a man who wears a hat and a wig, and is moreover a clerk in the service of the Honorable Company. This Paulus Argenisz is an Assistant in the service of the Honorable Company and wears a hat, and thus, as stated, according to our lawful privileges, may have duty-free as much firewood as is required for his household use. Notwithstanding these privileges, the Haweldaar detained three thonijs of firewood that were brought in for his use, and of which mention was made in the complaint, which were then released no sooner than upon my message, and indeed 3 to 4 hours thereafter. Also, shortly beforehand, 2 bladders of butter arrived for him from the North, which likewise had to suffer the same fate. The conduct of the Haweldaar equals an independent authority, if one properly considers the far-reaching insolences he committed regarding the shells belonging to the said Argenisz. For, considering no other power than his own to be authoritative, he dared to venture to seize 4 to 5 thonijs of the aforementioned shells for his service and to act arbitrarily with them without considering the end, all distinctly proven in the Interrogatories under No 10, to which I refer for the sake of brevity. That the said 3 thonijs of firewood, which, as stated, had been detained, were brought ashore by force, is true; I consider myself able to do so, since here at Palliacatta under the Honorable Company no order can be found to allow our rights to be taken away by the Haweldaar. On another occasion, two bladders of butter were brought here from the North for the use of the Bookkeeper Isaak Vrijmoet, which were likewise prevented by the Duan from being carried up, for whose release I likewise had to send an order. This is not only contrary to ancient custom and acquired privileges, but is also something that never happened to the said Vrijmoet during the time of the previous chiefs, vide articles No 11. One and the same case also befell the comforter of the sick at this office, Jan Dosseijn, for whom some time ago a garst of nelij was brought from the North for his use, being likewise prevented by the Haweldaar from being carried up, for whose passage I had to dispatch an order in like manner, as shown by the interrogatory points upon which that reader was examined, numbered 12. I

Dutch transcription

Paul die drank verkoopt smaands 2: â 3: tonies met brandhout krijgt, is verdigt, en zulks word anders. beleeden bij de Jnterrogatorien N:o 8: waar bij hij verklaard dat hij somwijlen een, en bijwijlen geen een ballang met brandhout erlangd, dienvolgens blijkt ten duijdelijksten dat de aanklagers daaromtrent weder de waarheijd gespaard hebben. Dat den soldaat Iohannes Theodorus /:bij de verklaaring met de naam van Sjina gedoopt, geen negotie in bokke vleesch gedreeven, nog daar voor ooijt thol betaald heeft, maar weldat zijn zoon somwijlen wel een bok geslagt en daar van een of twee stukken verkogt hadt, con„ steerd bij de vraag articulen N:o 9: En of schoon het waar mogte zijn, dat gemelde sol¬ daat negotie in bokkevliesch gedreeven hadt, zoo wenschte ik wel dat den Haweldaar be„ nevens de aanklaagers een aantooning kon„ den doen, dat die man in bokke vleesch niet heeft mogen handelen. Dat alle provisien waaronder brandhout, rielij etc:a begreepen is, voor menschen die hoeden dragen, thol vrij zijn, blijkt als vooren bij het articul van de eetwharen, onbepaald de quantiteijt 174 quantiteijt en gevolgelijk zoo veel als een ieder voor zijn gebruijk benodigd heeft, dog de valsche accusatien dat er sdaags van onze dorpen een garst rijst alhier aangebragt word, is zoo een gewigtige leugentaal dat ik niet afzijn kan daaromtrend mijn aanmerking te maaken, want zoo hun onbeschaamd zeggen waar mogte weezen, dan zouden door de hoededragers in een rondjaer 't welk 365: dagen heeft, een zoo danig getal garsten rijst moeten verconsu„ „meerd worden, en gevolgelijk geen ontzit van andere plaatsen benodigt weezen; Het waare te wenschen dat den oogst onzer Dorpen zoo zeegenrijk was, dog het welk met den opgaaf der aangebragt werdende quantiteijten zeer differeerende is, terwijl het gewas van dit Jaar zelfs niet genoeg is om hun eijgen ingezeetenen te kunnen voeden. — Het voorgeeven der aanklaagers dat er tel„ kens 12: â 13: blazen met bota van Madras alhier aangebragt worden, vereijscht bevestiging, en hem zal dienen geimponeerd te worden om te be„ wijzen wat huijs houding of deeze plaats, een diergelijke quantiteijt van die vettigheijd be„ nodigd O nodigd is Dat 'er wegens het aangehaalde geen thol geheft mag worden, is meermalen beweezen, en schoon den serkaar wegens alle eetwhaaren etc: geen inkomsten pretendeeren kan, durf egter den Waweldaar onderstaan om dan 't eene en dan weder 't ander waar toe hij niet bevoegd, nog het welk ook niet in zijn magt gesteld is aantehouden; 'T is in der daad belaggelijk dat de aanklagers zaaken te berde brengen die zoo kinderagtig en uijt sottises van quaad: aardige Jongens oorspronkelijk zijn, als i kooijt beschreeven hebgezien. - De aanklagers melden bij hun klagt, schrift van een en Paul wel te zien dat ze menschen zijn die geen grondige kennis hebben, want dan zouden ze met meer distinctie van een man die een hoed en een paruijk draagd, mits„ gaders een penne voerder bij d E Comp: is, hebben moeten spreeken Deeze Paulus Argenisz is Assistent bij D E Compagnie en draagd een hoed, dus als gezegd, volgens onze wettige privilegien zo veel brandhout als tot zijn huijs gebruijk benodigd is, thol vrij hebben mag: onaan 175 onaangezien deeze voorregten, heeft den Wawel„ daar drie Thonijs met brandhout die ten zijnen behoeve aangebragt waren, en waar van bij het klagtschrift melding gemaakt werd, aangehou„ den, die dan ook niet eerder als op mijn boodschap en wel 3: â 4: uuren daarna gelargeerd zijn ook zijn er kort bevoorens 2: blazen boter voor hem van de Noord aangekomen, die meede het zelfde lot hebben moeten ondergaan; De ge„ doente van den Haweldaar evenaart met een onafhangelijk gezag, zoo men wel inziet de verregaande insolentien, die hij omtrend de schulpen, gemde. Argenisz toebehoorende, gepleegd heeft, want geen andere magt dan 't zijne voor onzaggelijk aanziende, heeft hij durven onderstaan, van evengerepte schulpen 4: â 5: Thonijs tot zijn dienst af te neemen, en daarmeede willekeurig te handelen, zonder op 't eijnde te denken, alles distinct beweezen bij de Jnterroga„ torien onder N:o 10: waaraan ik mij kort heijds halven refereere. Dat gemelde 3: thonijs met brand„ houten, dewelke als gezegd aangehouden waren, met geweld aan de wal gebragt zijn, is waar, ik ik vinnen zulx te kunnen doen, terwijl hier op Palliacatta bij DE Comp: geen ordre te vinden is, om door den Haweldaar ons regt te laaten ont„ neemen. Bij een andere gelegendheijd zijn en twee bla„ zen boter voor den Boekhouder Isaak Vrijmoet alhier tot zijn gebruijk van de Noord aangebragt, die door den Duan almeede belet zijn om opge„ dragen te worden, tot welkers langeering ik insgelijks ordre heb moeten afzenden; dit strijd niet alleen tegen het oud gebruijk en de verkreegene voorregten, maar is ook iets 't welk gem: vrij„ moet nooijt ten tijde van de voorige opperhoofden is overgekomen, vide articulen N:o 11: Even en het zelfde geval is ook wedervaaren den krankbezoeker ten deezen Comptoire Jan Dosseijn, voor wien eenigen tijd geleeden een garst nelij tot zijn gebruijk van de Noord aangebragt zijnde, insgelijks door den Haweldaar belet is, dat ze niet hadt mogen opdragen worden, tot welkers passeering ik insel vervoegen ordre heb moeten expedieeren, uijtwijzens de vraag poincten, daar dien voorleezer op verhoord is, genommerd 12:— Ik

NL-HaNA_1.04.02_3512_0351 view scan ↗

English

176 I did not by any means at the instigation of the Interpreter and my servant, but rather upon the complaint made by the garrison to the Captain Lieutenant here, Marthin Christoffel Hasz, that they could not buy any fish at the market, have the fish bazaar held by the Christian fishermen on the Coepang close to the Castle, and that according to a former precedent, in the time of the Honorable Mr. van Teijlingen, see articles No. 13 and 14, without my having thereby established a new maxim or prevented fish from being sold at the usual marketplace by the fishermen of the sarkar, as the opponents of truth accuse me of in their libelous writing. Against which malicious accusation I have already excused myself to the Lord Nawab, regarding the grievances that his Highness presented in his letter, in copy translation accompanying the adjacent humble Company's letter, which I humbly beseech your Right Honorable to be pleased favorably to peruse, and to represent the groundlessness of the complaints to his Excellency, and to endeavor that the Havildar be instructed henceforth to refrain from bringing forward such trumped-up fictions, in order, if it were possible, thereby to instill a wrong impression in your Right Honorable concerning my person, authority, and servants. Regarding the complaints that are made against the chief peon Solasinga, that he forbade some of the fishermen, who according to custom sold fish next to the Kotwal's choultry, and likewise chastised those people and brought them inside the Castle, he was interrogated, but he denied both according to the Interrogatories No. 15. However, if he did so, he acted on his own impulse, but it did not in any way happen by my order or that of my servants. That the fishermen who reside at Palliacatta or at Eddemonie belong under the jurisdiction of the sarkar has by no means been disputed. According to their answers given at the Interrogatories No. 14, they support themselves, besides fishing, with weaving, and also do service for the Company when it is required. The said fishermen, according to their full confession at the just-cited interrogatory points No. 14, did not go to the sarkar to complain about my unreasonable treatment, as the accusations dared to scribble down in the writing submitted by them, 177 but rather to announce to the Dewan that the tom-tom had been beaten to hold the fish bazaar close to the Castle; on which occasion the Havildar had ordered them to sell the fish simply in such manner and as before at the Kotwal's choultry, where according to their own confession it is still being sold; on which account the accusers ought to be punished most rigorously for their mendacious testimony. That the Havildar sent his customary servants to me upon the beating of the basin cannot be denied. And on the contrary, the message sent, that since those fishermen were subjects of the sarkar I could not order them to sell the fish close to the Castle, and likewise that it was not good to treat those poor inhabitants in such a way, is an absolute untruth. I therefore demand from the accusers proofs in that regard that rest on good grounds, upon which I shall then bring forward my defense against it. I ask the accusers in what manner and about what kind of matter my servant Porwea Poeli gave me a false understanding! It will surely point to the insolent treatment by that Angama Nayak, of which mention was made previously. This old reporter, although he held that service for 50 years, deserved then, in the fifty-first year of his service, to be thoroughly thrashed for the bad report that he made at that time to the Interpreter and my servant, which is even confessed as well by the people of the Company as of the sarkar who were present at the delivery of such an unauthorized message. The uproar that he, the messenger, made on that occasion in the Castle, to the astonishment of the bystanders, may well have given cause for him not being treated in the friendliest manner, but that I should have given orders to have him seized by the neck by 20 peons, note, as if one were not enough, and taken outside the Castle, is fictitious, on which account, as well as concerning the alleged false representation by my servant, the accusers will need to provide sufficient evidence. The Roman Christians here are not obliged to serve anyone without my order. I have, however, never refused them to the sarkar whenever he asked me for their assistance, thus

Dutch transcription

176 Ik heb geensins door aanraading van den Thoek en mijn dienaar, maar wel op de klagte van het guarnisoen aan den Capitain Luijtenant alhier Marthin Christoffel Hasz: gedaan, dat ze geen vis op de markt konden te koop krijgen, de visbazaar door de Christen visschers op de Coepang digt bij het Casteel laaten houden, en dat volgens een voorig voorbeeld, ten tijde van de Edele Heer van Teijlingen vide articulen N:o 13: en 14:, zonder dat ik daar door een nieuwe maxime ingesteld of belet heb gehad dat op de gewoone markt plaats geen vis door de visschers van den serkaar mogten verkogt werden, gelijk de tegendingers der waarheijd in hun laster schrift mij daarmeede betigten: tegen welke kwaadaardige beschul„ diging ik reets bij den Heer Nakab mij veront„ schuldigd heb, op de bezwaarnissen die zijn Hoogheijd bij desselfs brief in Copia Trans„ laat bij het nevensgaande onderdanig sComp:s schrijvens versellende, ingebragt heeft, die ik uwel Edele Gestr: ootmoedig smeeke, gunstiglijk gelieven te doorbladeren, en de ongefundeerd heijd van de klagten zijn Excellentie voor te houden en te willen betragten, dat den Waweldaar aan„ geH gesz: word om voortaan zig te menageeren van zulke bij een geraapte verdigtzelen, niet voor den dag te brengen, om wes het mogelijk daar door uwelEdele Gestr: van mijn perzoon gezag en bediendens een verkeerd denkbeeld in te boezemen. Op de klagten die ir tegens den opperhoofds pion sola„ singa gedaan worden dat hij eenige der visschers, welk volgens gebruijk naast de Cotoaal sjauderij vis verkogt hebben, het zelve verbooden, mitsgaders die menschen ge„ kastijd en binnen het Casteel gebragt hadt, is hij verhoord geworden, dog hij heeft 't een en ander ontkend volgens de Interrogatorien N:o 15: egter zoo hij zulx gedaan mogte hebben, heeft hij 't uijt eijge beweeging verrigt, maar het zelve is geenzints geschied op mijn ordre, of die van mijne bediendens Dat de visschers die op Palliacatta dan wel op Ed„ demonie woonagtig zijn, onder den serkar sorteeren, is geenzints betwist geworden, volgens hunne gegeevene responsen bij de Jnterrogatorien N:o 14: geneeren zij zig buijten het visschen met de weeverij, en doen ook dienst bij DE Comp: wanneer het vereijscht wordt. Gemelde visschens zijn volgens hun volmondige belij¬ denis bij de evengeciteerde vraag poincten N:o 14: niet bij den serkar geweest om over mijn onreedelijke behandeling, gelijk de accusatien bij hun ingedund schriftuur 177 schriftinhebben durven neder flentsen te klaagen, maar wel om den Duan aan te kondigen, dat de tammoek rond geslagen was om de visbazaar digt bij het Casteel te houden: bij welke gelegendheijd den Haweldaar tegens hen gelast hadt, dat ze maar indiervoegen, en zoo p als bevoorens de vis bij de Coetewalt Chiauderij zouden hebben te verkopen, gelijk volgens hun eijge beken„ tenis, daar als nog verkogt wordt, uijt welken hoofde dan de aanklaagers weegens hunne leugen, „dienen # agtige getuijgenis op het rigoureuste „ gestraft te worden. Dat den Haweldaar op den bekkenslag zijne gewoonlijke bediendens tot mij gezonden had, kan niet ontkend worden; En daar en tegen is de ge„ zondene boodschap van, dat die visschers onderdaa„ nen van den serkar weezende, ik hun niet ordon„ neeren konde om de vis digt bij het Casteel te verkoopen, mitsgaders dat het niet goed was, die arme Jnwoonders zoodanig te handelen een volstrekte onwaarheijd, Ik vordere dierhalven van de aanklagers dienaangaande bewijzen die op goede gronden steunen, wanneer ik als dan mijne verdeediging 'er tegens inbrengen zal Ik vraag de aanklaagers op welk een manier, en wat voor een zaak mijn dienaar Porwea Poeli mij verkeerd te verstaan gegeeven heeft.! Zeekerlijk zal het doelen, op de brutaale bejegening door dien Anga„ ma 11 ma Naijken, waar van bevoorens meer gewag gemaakt is: Deeze oude rapportganger /:schoon hij diens dienst 50: Jaaren lang bekleed heeft:/ meriteerde dan in 't een een vijftigste Jaar zijner bediening over het quaad rapport dat hij toen der tijd aanden Tolk en mijn bediende gedaan heeft, helden afgerost te worden, 't welk zelf beleeden wordt zo wel door de men schen van DE Comp: als van den serkaar, die bij het doen van zoo een ongroorloofde boodschap present zijn geweest. Het oproen dat hij bood„ schap brenger bij die gelegendheijd in het Casteel gemaakt heeft, en tot der omstanders verbaazing was, kan wel een oorzaak gegeeven hebben, dat hij juijst niet op het vruendelijkst behandeld is geworden, dog dat ik ordre zou gegeeven hebben hem door 20: pions /:NB: of een niet genoeg was:/ bij de hals te laaten vatten, en buijten het Casteel brengen, is verdigt, welkendwegen zo wel als over de verkeerde verstaan geeving van mijn dienaar de aanklagers sufficante bewijzen zullen dienen inte brengen. De Rormsche Christenen alhier zijn niet gehouden zonder mijn ordre iemand te moeten bedienen Jk heb ze egter nooijt aan den serkar geweijgerd wanneer hij mij om hun assistentie gevraagd heeft, dus

NL-HaNA_1.04.02_3512_0355 view scan ↗

English

178 Thus it is once again a misrepresentation that I, at the instigation of my servants, prevented the sailors from going to the vessel that had arrived from Walesom on the [illegible] March; the untruth of this is admitted even generally by the headmen of the Chialingiers, both of the Company and of the Sarkar, in Interrogatories No. 16. Since it is the custom here that whenever a sling is needed to send to one vessel or another, or to other places, one asks the Chief for permission, it follows naturally that this must be complied with, but in no way that one must recognize the Sarkar in this regard and ask for leave, as the headmen of the Chialenginiers likewise confirm in their given responses to the aforesaid query points Nos. 16 and 17; thus the statement in the Persian Declaration that, according to custom, the Sarkar's people were not obliged to ask permission from the Chief to obtain Chialengen is to be regarded as originating from the brains of such persons as possess not a single grain of sense. That the conduct of the Toek would be identical to that of Sjina Poele is forged in a detestable and treacherous manner, and with no other intention than thereby to make the actions of that man appear suspicious, whose doings, however, were not censured in any of the query articles nor found punishable; regarding this matter, the accusers will likewise have to bring forward sufficient proof. It appears most clearly that the accusers brought their unfounded knowledge to light in the Persian Declaration; for who has ever heard of linens delivered to private individuals being unpacked in the Castle? A statement that does not merit the slightest reflection, and which is completely denied in the confession by the collective merchants to the query points put to them numbered 3; consequently, the unfounded grievance regarding this being cleanly resolved, those who thereby wished to instill a suspicious impression deserve exemplary punishment. As well as for their further rash accusation that I, through the bad advice 179 of the servants, had caused the linens of the Company's merchant Moelinga Letjemana Chittij (in the Persian Declaration: Moelinga Warde) to be brought into the Castle, and after the same were packed into 14 large bales, had sent them on the 3rd of March at night by catamarans to Madras under the pretext that those bales belonged to the Company: that this is a fictitious and presumptuous pretext is proved most clearly, and indeed explained in favor of me and my servants in the queries No. 18, in which that trader utterly denies that far-fetched malice. That the Company and the Sarkar would have lost an amount of 200 pagodas in the dispatch of the aforementioned 14 bales merits my explaining myself somewhat extensively against the accusers in that regard, and first of all to ask them what the sum was that those linens imported. It seems to me that those people possess somewhat more ingenuity than the ordinary, and if I am not mistaken, are already very far advanced in algebra, for the reason that they determine something about which they can have had not the least knowledge: if, then, the Company and the Duan had a loss of 200 pagodas at the said turnover of the 14 bales, the amount of those linens must certainly, according to their determination, have been around 20,500; a proposition that will be found very consistent if your Honors, at your pleasure, inspect the declaration by the collective Company merchants of this office under No. 19, in which you will come to perceive that the aforesaid 14 bales of linens were delivered by the said merchants and sold to me and the second merchant for a sum of only N. N. pC. 2951:4; consequently, the Company and the Sarkar—if it could be proved that one of the previous chiefs paid lease to the Duan for his trade in linens which he sent from here to whatever place—would have no more to claim from me and the second merchant than the one percent income, or a sum of pC. 29:½ r=m; truly a difference that deserves notice; but what the accusers deserve for their rash proposition, I leave to the decision 180 of him who has authority over them. How is it possible that the accusers can say that the said 14 bales were shipped at night, and that by catamarans, an error exceeding all others in magnitude: regarding this, I have nothing more to say than that I refer to the articles under No. 16, wherein your Honors will observe that the aforesaid 14 bales were shipped in the afternoon, not on catamarans, but in two Chialengen. Sending bales of linens by catamarans would be a new invention, and a practice one would only have to use in case of necessity and for lack of Chialengen. Everyone in this place knows that our massuliers own sufficient Chialingen, so it is easy to assume that one will choose those vessels rather than rafts, upon which the linens are subject to getting wet: the punishment that the proponents of such or similar unfounded inventions have deserved will have to be pronounced by their master here, as I do not wish to make any determination in that regard. The

Dutch transcription

178 dus is het alweeder een verbloeming, dat ik op aan„ raading van mijn dienaars de mattroosen belet zoude hebben om niet na het vaartuijg dat den. . . . . . . Maart van walesom gekomen was, te gaan, de onwaarheijd bekennen zelfs generaliter de hoofden der Chialim„ geniers zoo wel van D E Compagnie als van den serkaar bij de Jnterrog atorien N:o 16: Dewijl het hier de gewoonte is, dat wanneer men een sling benodigd heeft, om naar het een of 't ander vaartuijg dan wel naar andere plaatzen te zenden, dat men het opperhoofd daarom permissie verzoekt, zoo volgd het van zelf dat zulks naarge„ komen moet worden, maar geenzints dat men daar omtrend den serkaar moet erkennen, en om verloff vragen gelijk de hoofden der Chialenginiers het zelve insgelijks bevestigen bij hunne gegeevene res„ ponsen op voorm: vraag poincten N:ta 16: en N:o 17:; dus is het gezegde bij de Persiaansche Verklaaring dat volgens usantie het volk van den serkaar niet verpligt was, wegens het erlangen van Chia„ lengen permissie van het opperhoofd te vraagen, aan temerken, als voortkomstig te zijn uijt de herssenen van zulke persoonen, dewelke zelfs geen greijn verstand bezetten. Dat het gedrag van den Toek gelijksten„ dig GB dig zoude weezen met dat van Sjina Poele is op een verfoeijelijke en verradelijke wijze gesmeet, en tot geen ander inzigt dan daar door de handelingen van die man suspectelijk te doen voor komen wiens gedoentens egter bij geene der vraag articulen werden gelaakt, of strafwaardig bevonden; omtrend deeze zaak zullen de aan klagers almeede sup„ ficante bewijzen voor den dag dienen te brengen. Ten klaarsten blijkt het dat de aanklagers hun ongegronde kennis bij de Persiaansche verklaa„ ring aan het dag ligt gebragt hebben; want wie heeft ooijt gehoord, dat er lijwaaten aan particu lieren geleverd, die in het Casteel afgepakt gewor„ den zijn; Een gezegde het geen de minste reflee„ „tie meriteerd, en het welk ten eenemaal bij de belijding door de gezamentlijke kooplieden op de vraag poincten aan hun gedaan genommerd 3. ontkend word, dienvolgens de ongegronde beswaar„ nis daaromtrend zuijver opgelost zijnde, verdienen de geenen die daar door een verdenkelijk schets hebben willen inboezemen, een voorbeeldige straffe Alsmeede wegens hun verdere onbezonne ten laste legging, dat ik door de quaade raad„ geeving 179 „geeving der dienaars de lijwaaten van 's Comp:s koopman Moelinga Letjemana Chittij (: bij de persiaansche verklaaring Moelinga warde :/ in het Casteel hadde laaten brengen, en na dat de„ zelve in 14: groote pakken afgepakt waren, op den 3: Maart bij nagt met Cattemarauws na Madras, onder voorgeeven dat die pakken d E: Comp: toebehoorden, hadde verzonden: Dat dit een gefingeerd en vermeetel voorwendzel is, wordt ten klaarsten beweezen, en wel in faveure van mij en mijne bediendens uijtgelegd bij de vraag stukken N:o 18: waar bij dien handelaar die uijtgezogte maligniteijt finaal ontkend Dat DE Comp: en den serkar bij de verzen„ ding van gem: 14: pakken een bedragen van 200: pagooden verlooren zoude hebben, verdiend, dat ik mij daar omtrend tegens de aanklagers wat wijdloopig uijtlaate, En voor eerst hen koome afte vragen, hoe groot dan het quotum ge„ weest is, dat die lijwaaten geimporteerd heb„ ben: Mij komt voor, dat, die menschen wat meerder vernift bezitten dan gemeene, en zo ik niet mis heb, al zeer verre, in de algebra gevorderd zijn, uijt hoofde, om dat zij iets be„ paalen paalen, waaromtrend tegeen de minste weet kunnen gehad hebben: zoo dan D E Comp: en den Daan bij gemelde omzetting der 14: pakken een verlies van 200: pagoode gehad hebben, moet zeekerlijk volgens hun bepaaling het bedragen van die lijwaaten groot geweest zijn pr: 20500: een stelling die zeer overeenkomstig bevon„ den zal worden, zoo uwel Edele Gestrengens bij believige beschouwing nagaan de declaratie door de gezamentlijke Compagnies kooplieden deezes Comptoirs onder N:o 19: waar bij Hoogst derselver zullen komen te ontwaaren, dat voorsz: 14: pakken Lijwaaten door gezegde kooplieden, geleverd en aan mij en den secunde koffier voor een somme van maar N: N. pC: 2951: 4: verkogt zijn ge„ worden, gevolgelijk D EComp:s en den verklaar„ zoo t bewezen konde werden, dat een der voorige opperhoofden voor zijn Negotie in lijwaaten die hij van hier t zij na wat plaats ook verzonden, aan den Duan pagt betaald heeft van mij en den secunde niet meer zouden te pretendeeren hebben, dan de eene percento in komsten, of een tantum van pC: 29:½ r=m waarlijk een differentie die aanmerking ver dient; dog wat de aanklagers over hunne onbe„ zonnen stelling meriteeren, laat ik aan de decisie 180 decisie van den geenen die over hem het gebied heeft. Hoe is 't mogelijk, dat de aanklagers kun„ nen zeggen dat gemelde 14: pakken bij nagt afgescheept zijn geworden, en dat per Catte„ marauws, een dewaaling die alles in grootheijd te bovengaat: omtrend dit een en ander heb ik niets meer te zeggen, dan dat ik mij gedrage aan de articulen onder N:o 16; waar bij uwel Edele Gestr: beoogen zullen dat voorsz: 14: pakken des agtermiddags niet op Cattemarauws maar in twee Chialengen afgescheept zijn geworden. Pakken met lijwaaten per Cattemarauws te verzenden, zoude een nieuwe uijtvinding wee„ zen; en een practijk daar men zig bij nood en uijt gebrek van Chialengen van zou moeten bedienen. Een ieder ter diezer plaatze is bekend, dat onze massuliers genoegzaame Chialingen in eijgendom hebben, dus ligtelijk afte neemen is, dat men die vaartuijgen eerder, zal kiesen dan vlothouten, waar op de lijwaaten nat wording onderheevig zijn: De straffe dewelke de voorbrengers van zulke of diergelijke ongegronde inventien, verdient hebben zal hunnen betaals hier dienen uijt te spreeken als daaromtrend geen bepaling wil maaken. Het

NL-HaNA_1.04.02_3512_0360 view scan ↗

English

It has been more than abundantly proven that the Sarkar may levy toll neither on the trade goods of the Company's village of Erikan, nor on the linens brought from Wente Palium for the Company's merchants; thus, that citation in the Persian declaration is superfluous and deserves no attention. In question articles No. 1 and 2, your Right Honourable Worships may observe, if you please, that the weavers and inhabitants of Palleacatta in their answers have fully admitted that their livelihood was not taken away by the Company's interpreter Coepaijen and my servant Porira Poele, nor that they were thereby forced to betake themselves to other places; a trumped-up pretense that must serve my adversaries for the praise peculiar to the meanest common folk, while they put to paper something that has not the least semblance of truth. That the interpreter Coepaijen and my servant Porwea Poele bought goods from the servants of the Sarkar and traded them again at a profit, and furthermore refused to follow up the payment thereof according to the agreement made, appears to me to be another piece of the complainant's cunning inventions; they will therefore have to produce clear and sufficient evidence, as it is unknown to me that the said servants have been guilty of such irregularities, however subtly they were depicted in the translated Persian declaration. That I allegedly cursed the servants of the Sarkar is unknown to me; however, if it should indeed have happened, then they certainly doubly deserved it, and if the complainants have in mind the frequently mentioned messenger Angama Naijker therewith, then he merits not mere cursing, but such a punishment as will serve him at all times as an example. That the paddy in the warehouses is being measured by force by my peons through the masters of the Sarkar—concerning that, no one has yet complained either to me or to my servants; ergo, I consider the complainant's allegation to be fabricated, and they will therefore have to supply sufficient evidence on that account to demonstrate the contrary of my statement. What the dealings of Sjina Tambij were when the French were at war does not concern me; it is enough for me that I am convinced that the Company's interpreter Coepaijen and my servant Poreura Poele are not instigators, but people who attend to the welfare of their Lords and Masters, as will appear not unclearly to your Right Honourable Worships from the answers to such question points as relate to those two persons. I am well assured that if the inhabitants of Palleacatta could obtain sufficient evidence regarding the said servants on account of even a slight accusation, they would gladly wish to rescue the Haweldar from his embarrassment; but sincerity prevails, which must be evident not only in this, but also in all other cases. As for the persons who are on the side of the Sarkar and were allegedly threatened by me upon the evil counsel of my servants, I pray that they may come forward with sufficient evidence; otherwise I declare their given testimony to be malicious fabrications. The renowned knowledge that His Highness has concerning all matters gives me courage enough that His Excellency will prove the Haweldar to be in the wrong. What causes me the most wonder is that such a great Lord as the Nabab, without conferring with me beforehand concerning one thing or another, can immediately place such great trust in the untrue positions that the Haweldar or some of his servants come to present to His Highness in a writing; being papers without the least trace of truth and entirely devoid of evidence. His Highness mentions in one of his letters addressed to me that he was very well-disposed toward the Dutch; and since I have received no answer to all my letters written to His Highness, which contain solely the interest of the Honourable Company, I can find no other cause for that silence than that His Excellency regards the Chief as someone to whom His Honour cannot deign to write. I desire nothing else than that His Highness order an investigation into all these weighty matters; then I doubt not in the least that His Highness will acknowledge the legitimacy of my thorough defense given; requesting moreover that His Highness give the Haweldar Hassen Alij an explanation of his misunderstanding, not to allow himself to be advised by people who are accustomed and inclined to have people live in unrest at Palliacatta, and furthermore that he no longer cause the old privileges of the Dutch inhabitants of Palliacatta to be disputed; promising meanwhile not to make myself guilty of any new introductions; whereupon I firmly imagine that the harmony between me and the Haweldar will remain durable; yet, unless I am mistaken, our Company does not suffer our privileges, which belong to us in ownership according to the Parwannas and Firmans resting at Nagapatnam and here at the office, to be taken away. Otherwise one might indeed soon cry out: adieu, our lawful and precious privileges. I hold myself assured that your Right Honourable Worships will have perceived everything in this writing that is serviceable and necessary to the defense of myself and my servants, and drawn the confidence therefrom that they are all well-founded and consistent with the truth; with which flattering expectation I have the high honour to call myself, with the deepest respect. Below stood: Right Honourable Worshipful Lord and Lords, your Right Honourable Worships' humble and very obedient servant. Was signed: N:s Tadama. In the margin: Palliacatta in the Castle.

Dutch transcription

Het is te overvloedig beweezen, dat den serkaar nog wegens de negotie goederen van sComp:s dorp Erikan, nog voor de lijwaaten die voor 's Comp:s koop„ lieden van wente palium aangebragt werden, thol mag heffen, dus die aanhaaling bij de persiaan sche verklaaring overboodig en verdiend geene attentie. Bij de vraag articulen N:o 1: en 2: zullen uwel Edele Destr: des gelievende beoogen, dat de weevers en Inwoonders van Palleacatta bij hun „ne antwoorden volmondig bekend hebben, dat haar broodwinning door sComp:s Tolk Coepaijen en mijn dienaar Porira Poele niet is afgenomen geworden, nog dat ze daardoor genoodsaakt zouden zijn geweest, zig naar andere plaatsen te moeten begeeven; Een opgeraapte voorwending die mijne tegen streevers tot den loff die het gemeenste volkje eijgen is, strekken moet, ter„ wijl zij iets op het papier brengen, dat geen de minste schijn van waarheijd heeft. Dat den Tholk Coepaijen en mijn dienaar Porwea Poele, goederen van de bediendens der ser¬ haar gekogt en dezelve weder met profijt omgezet hebben, mitsgaders de betaaling er van volgens aan„ gegaan accoord niet hebben willen agtervolgen, schijnt 181 schijnt mij weder een stukje te zijn van 's aankla„ „gers listige uijtvindingen; zij zullen dierhalven duij„ delijke en sufficante bewijzen moeten bij brengen, wijl mij niet bekend is, dat gemelde bediendens zig aan diergelijke onregtmaatigheeden, hoe sub„ „tiel zij ook bij de translaat persiaansche ver klaaring afgebeeld zijn geworden, schuldig hebben gemaakt. Dat ik de bediendens van den serkar uijtge scholden zoude hebben, is mij niet bekend, egter, zoo het al mogte geschied zijn, dan hebben ze het zekerlijk dubbeld verdiend gehad, en indien de aanklagers meer gerepten boodschapper Anga„ ma naijker daarmeede in het ooghebben, zoo meriteerd hij geen schelden, maar zoodanig een straffe die hem ten allen dage tot een exem„ pel strekt. Dat de nelij in de Pakhuijzen met geweld van mijne pions door de meesters van den serkaar gemeeten word, daaromtrend is niemand nog bij mij, nog bij mijne bediendens klagtig geweest, ergo aanmerk ik des aanklagers voorgeeven als gefingeerd, en dierhalven zullen ze deswegens, voldoende bewijzen moeten suppediteeren, die 't Contrarie van mijn gezegde komen aante toonen Hoedanig de gedoentens van Sjina Tambij, toen toen de Franschen oorlog hadden, geweest zijn, gaat mij niet aan, 't is mij genoeg dat ik overtuijgd ben, dat sComp:s Tholk Coepaijen in mijn dienaar Poreura Poele geene opstokers, maar menschen zijn, die het welzijn hunner Heeren en Meesters be„ hartigen, gelijk uwel Edele Gestr: zulks niet onduij„ „delijk te vooren komen zal uijt de antwoorden, op zoodanige vraag poincten, als tot die beijde per„ soonen hunne betrekking hebben. Ik ben wel verzekerd, zoo de inroonens van Palleacatta omtrent gem: bediendens wegen s een geringe ten laste legging, voldoende bewijzen kon„ den krijgen, zij gaarne den Waweldaar uijt zijn verlegendheijd zouden willen redden, dog de opregtig heijd drijft boven, het geen niet alleen in dit, maar ook in alle andere gevallen moet blijken. De persoonen die aan de zyde van den serkaar zijn, en door mij op quaade raadgeeving mijner be„ diendens gedreijgd zijn geworden, bid ik dat met sufficante bewijzen mogen voor den dag komen, an„ derzints verklaar ik hun gegeeven getuijgenis voor quaadaardige verdigtzelen. De beroemde kennis die zijn Hoog heijd omtrend alle zaaken heeft, geeft my moed genoeg dat zijn Excellentie den Haweldaar in het 182 het ongelijk zal stellen. Het meeste dat mij doet verwonderen is, dat zoo een groot Heer als de Nababis„ zonder mij omtrend het een of ander vooraf te onder„ houden, ten eersten zoo een groot vertrouwen kan hebben aan de onwaare positien die den Haweldaar of eenige zijner bediendens zijn Hoogheijd in een geschrift komen aan te bieden, sa papieren zonder de minste steur van waarheijd en ten eenemaal ontblood van bewijzen. zijn Hoogheijd meld bij een zijner aan mij gerigte brieven, dat denzelven de Hollanders zeer toegedaan was; en dewijl ik op alle mijne brieven die eenlijk het belang van DE: Comp: behelsen, aan zijn Hoogheijd geschreeven, geen antwoord bekomen heb, zo kan ik uijt dat stilswij„ „gen geen ander oorzaak vinden, dan dat zijn Excellen„ „tie het opperhoofd aanziet voor iemand aan wien zijn Edele zig niet verwaardigen kan te schrijven Ik wensch niet anders dan dat zijn Hoog„ „heijd onderzoek naar alle deeze gewigtige zaaken laat doen, dan twijfel ik geensins of zijn Hoogheijd zal de regtmatigheijd mijner gegeevene grondige verdeediging erkennen; verzoekende bovendien zijn Hoogheijd om den Haweldaar Hassen Alij van zijn mis verstand opening te geeven, zig. niet te laaten raaden door menschen die gewoon engeneegen zijn, dat men te Palliacatta in in onrust leeft, mitsgaders dat hij de oude privi„ legien de Hollandsche inwoonderen van Pallia„ „catta niet meer doet betwisten; /: intusschen be„ lovende, mij aan geene nieuwe invoeringen schuldig te zullen maaken:/ als wanneer ik mij voor vast verbeelde, dat de harmonie tusschen mij en den Haweldaar duurzaam zal blijven, dog van onze voorregten, die ons in eijgendom, volgens de op Nagapatnam en alhier ten Comptoire berustende Parwannas en Fimans toebehooren, af te laaten neemen, leijd onze Compagnie zoo ik niet beter weet, niet. ook zou men dan in het korten wel mogen uijtroepen, adieu onze wettige en dierbaare privilegien. Ir hond mij verzekerd dat uwelEdele Gestren„ ge alles wat dienlijk en tot mijne en mijner be„ diendens defentien noodzaakelijk is, bij dit ge„ schrift zullen ontwaard en daar uijt het vertron„ „wen getrokken hebben, dat ze alle gefundeerd, in met de waarheijd overeenkomende zijn; met wel„ ke vleijende verwagting ik de hooge eere heb, met het diepst ontzag mij te noemen. /:onderstond: welEdele gestr: Heer en Heeren. uwelEdele Gestr: onderdanige en zeer gehoorsaame Dienaar /:was geteekend:/ N:s Ta„ „dama /:in margine :/ Palliacatta in het Cas„ deel

NL-HaNA_1.04.02_3512_0365 view scan ↗

English

castle Geldria the 1st of May Anno 1778. so, after reading the aforementioned defense and the declarations forwarded therewith from the inhabitants of Palliacatta, which all fully demonstrate the man's innocence, and at the same time clearly prove that instead of the chief, the Haweldar greatly exceeds his duty, and, as it were, seems intent upon destroying the privileges which the Dutch Company has enjoyed in Palliacatta from time immemorial, it was not only approved and agreed to remain completely satisfied with the aforementioned defense of the chief Iadama, but also to have the same written in Persian and Dutch, together with the attestations belonging thereto (though these latter in the Dutch language alone, since translating them would cost too much time, and His Highness moreover has better interpreters for that purpose), and to offer them amicably to the Nabab Machometh Alichan, stating in the accompanying letter that it is trusted that His Highness will be fully convinced by the contents of the aforementioned papers that the chief Iadama has never conducted himself contrary to the old usages, and that neither the souk Coepaijen nor the servant Porreweapoele can be accused of ill-treatment with respect to the inhabitants of Palleacatta. However, because on the contrary from the contents of the aforementioned documents, and principally from the chief's secret missive of the 1st of May, it is completely established and proven: Firstly, that the Haweldar Hoesseen Ali has not shrunk from arresting the pyrotechnicians and violently demanding from them 20 to 30 pagodas worth of jewels, although those people are directly under the protection of the Company, and he therefore has no authority over them. Secondly: That by the people of Triponciwarom he caused the inhabitants of the Company's village of Mangiewake to be prevented from cultivating 900 kuijlen of land situated within the district of that village, whereby those poor people have been deprived of the crops. Thirdly: That he also thought fit to have some tanks dug and sowing fields laid out upon the usual road to Mangewake, although the public passage to that village was thereby blocked, and moreover the same still runs the risk in heavy rains of being flooded, to the considerable prejudice of the inhabitants. And fourthly: That the Haweldar recently also prevented some sowing roots, which had been brought thither with the Company's thonij the Johanna Maria for the Company's merchant Maddawarderasoe, from being carried from the beach for several days, although this had always been done previously, as he demanded that they should be weighed in the presence of the Divan people or else, if they were stored in the Company's warehouses, that the same should be sealed with his seal; although several days later, upon the strong insistences of the chief, he again permitted those sowing roots to be carried up from the beach unweighed, with the exception of 8 packs which still lay there: so, having reasoned at length concerning the aforementioned irregular conduct of the Palliacatta Haweldar Hoesseen Ali (who for many years has borne no goodwill toward the Company), in defense of the privileges of our Company, which he seems entirely intent on suppressing, it was likewise approved and agreed to give notice to His Highness the Nabab of the aforesaid unlawful actions of the Haweldar, with the request to His Highness: 1) to prohibit the said Haweldar from exercising any authority over persons who are under the protection of the Company, such as the pyrotechnicians; 2) likewise to order him no longer to prevent the inhabitants of the village of Mangiewake from cultivating a certain piece of sowing land belonging to that village, as has happened; 3) similarly to order him to open the road to Mangiewake, by filling in the tanks which he had dug there, and destroying the sowing fields laid out by him. And 4) finally likewise to command him immediately to release the 8 bales of sowing roots still being detained on the beach at Palliacatta, and henceforth to conduct himself according to the old usages both in that regard and with respect to other goods brought or transported by the Company's vessels, with an assurance at the same time to His Highness that necessary orders will be given from here that henceforth nothing more shall be done or performed by the chief of Palleacatta and his servants contrary to the old customs and the interest of the sarkar. Thus done and resolved at Nagapatnam on the date aforesaid. Was signed as before. Tuesday the 26th of May 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy. Absent: The Senior Merchant and Honorable Chief Administrator Philippus Jacobus Dormieux, and The Merchant and Trade Bookkeeper Peracules Mossel, on account of indisposition. The matters described in today's ordinary resolution having been settled, the Governor in Council of Coromandel produced a missive received by his Honor on the 20th of this month, written to this Council on the 15th preceding by the Governor and Council of Madraspatnam; reading word for word as follows, having been translated from the English into the Dutch language: To

Dutch transcription

183 „tul Geldria den 1: Maij Anno 1778. zoo is na lectuure van de voorsz: verdeediging en de daar bij overgezonden verklaaringen van de PPalleacattasche inwooners, die alle 'smans onschuld volkomen aantoonen, en teffens niet on„ duijdelijk bewijzen, dat in steede van het opper„ hoofd, den Haweld haar verre zijn pligt te buijten gaat, en het als het waare schijnd toeteleggen op het vernietigen van de voorreg„ „ten die de Nederlandsche Maatschappij van onheugelijke tijden op Palliacatta genoten heeft, niet alleen goedgevonden en verstaan zig met de voorsz: verdeediging van het opperhoofd Iadama volkomen voldaan te houden, maar ook dezelve in de Persiaansche en de Nederlandsche laaten geschreeven, nevens de daar bij behoorende attestatien. (:dog deeze laatste maar in de Nederland„ „sche taale alleen, alzo dies vertaaling te veltijds zoude kosten, en zijn Hoogheijd bo„ „ven dien daar toe beter tolken heeft:) den Nabub Machometh Alichan vriendelijk aantebieden, on„ der aanhaaling bij den daarmeede afgaanden brief„ dat men vertrouwt dat zijn Hoogheijd uijt den inhoud van de voorsz: papieren volkomen zal worden overtuijgd dat het opperhoofd: Iadama zig nimmer tegen de oude usantien gedraagen heeft, mitsgaders dat hij den soek Coepaijen en den dienaar Porrewea (Poele nog minder van quaade behandeling met opligt tot de Pallea„ cattesch inwooners kunnen beschuldigd wor„ den. Dan dewijl daar en teegen zoo uijt den in„ houd van de voorschreeve documenten in wel principaal uijt 's opperhoofds secreete missive van den 1: Maij volkomen consteerd en beweezen wordt Eerstelijk dat den Wawveld haar Hoesseen Ali zig niet ontzien heeft de vuur werkers te 184 te arresteeren, en van hun gewveldadiglijk af te vorderen voor 20: â 30: pagooden aan Juweelen, schoon die menschen direct onder de bescherming van de Comp: staan, en hij er dus niets over te zeggen heeft. Ten Tweeden: Dat hij de inwooners van sComp:s dorp Mangiewake door het voek van Triponciwarom heeft doen beletten het bebou„ „wen van 900: kuijlen lands onder het dis„ „trict van dat Dorp geleegen waardoor die arme menschen verstooken geworden zijn van de vrugten: senderden: Dat hij ook heeft kunnen goedvinden op den gewoonen weg naar Man„ gewake eenige tanken te laaten graven en zaaijvelden aan te leggen, schoon daar door de gemeene passagie naar dat dorp ge stopt geworden was, en daar en boven het zelve nog gevaar loopt om bij zwaare regens 1 1. regens onder water gezet te worden tot merke„ „lijk bezwaar van de inwooners. En ten vierden: Dat den Waweld haar ook on langs heeft belet gehad, dat eenige zaaij wortels die met sComp:s Thonij de Johanna Maria aldaar waren aangebragt voor sComp:s koopman Maddawarderasoe, in verscheijde dagen van het strand mogten gedragen worden, Schoon dit voor deezen altoos gedaan was, als begeerende denzelven dat die in het bijweezen van 't Duand volk zoude gewogen of anders zoo zij in sCompagnies Pakhuijzen geborgen wierden het zelve met zijn zegul zou verzegeld wor„ den, schoon hij egter eenige dagen naderhand op de sterke instantien van het opperhoofd weder gepermitteerd heeft, dat die zaaijwor„ „telen ongewogen van het strand mogten wer„ „den opgedraagen, uijtgezonderd 8: pakken die 'er nog lagen: zoo is over de voorschreeve irriguliere 185 irriguliere handelwijze van den Palliacat„ „taschen Haweldaar Hoesseen Ali /: die de Comp: al voor lange Jaaren geen goed hart heeft toegedraagen:) breedsprakig geraizonneerd zijnde, tot voorstand van de voorregten van onze Maatschappij, die hij geheel en al schijnd te willen onderdrukken, almeede goedgevonden en verstaan van de voorgewaagde onwettige be„ handelingen van den Haweldhaar aan zijn Hoogheijd den Nabab kennis te geeven, met verzoek aan Hoog dezelven 1. ) om gemelden Haweldhaar te interdiceeren het oeffenen van eenig gezag over perzoonen die onder de bescherming van de Comp: staan, ge„ lijk de vuurwerkers; 2. / Item te gelasten de inwooners van het Dorp Mangiewake, niet meer te beletten het bebouwen van zeeker stuk za aijland onder dat Dorp gehoorende gelijk geschied is; 3. ) Desgelijks denzelven te beveelen het openen 8 openin van de weg na Mangiewake, door het dempen der Tanken, die hij daar heeft laaten graven, en het vernietigen van de zaaijvelden door hem aangelegd. En 4. ) Hem eijndelijk almeede te ordonneeren om de nog aan het strand te Palliacatta aangehouden wordende 8: baalen met zaaij wortelen ten eersten te largeeren en zig voortaan zoo daar omtrend als met opzigt tot andere goederen die met Comp:s vaar„ „. tuijgen aangebragt of vervoerd worden te gedraagen na de oude usantien onder verzee„ „kering teffens aan zijn Hoogheijd dat men van hier de nodige ordre stellen zal, dat door het opperhoofd van Palleacatta en zijne bedienden voortaan niets meer gedaan of verrigt zal worden, strijdig met de oude gebruijken, en het intrest van den sercar Aldus Gedaan en gear„ /:onderstond resteerd 186 resteerd tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend :/ als vooren: Dingsdag den 26: Maij 1778. smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie Absent Den opperkoopman en E: Hoofd administrateur Philippus Jacobus Dormieux. en Den koopman en Negotie boekhouder Peracules Mossel, mits Jndispositie De zaaken bij de gemeene Resolutie van heeden beschreeven, afgehandeld zijnde, heeft den Heer Gouver„ „neur in Raade van Chormandel geproduceerd, een op den 20: deezer maand bij zijn Edele ontvangen missive, door den Heer gouverneur en Raad van Madraspatnam op den 15: bevoorens aan deezen Raade geschreeven; luijdende uijt de Engelsche in de Nederlandsche taale getranslateerd zijnde van woorde tot woorde als volgd. Aan

NL-HaNA_1.04.02_3512_0372 view scan ↗

English

To the Honorable Reijnier van Vlissingen, Extraordinary Councillor and Director for the interests of the Dutch Company on the Coast of Coromandel, along with the further Council thereof at Nagapatnam. Honorable Sir and Gentlemen! We have had the honor to receive Your Honors' letter of the 14th of the last month, accompanying a protest from Your Honors' government against ours regarding the flying of the English flag at Naver. An article so formal as that of a public protest, however slightly it may be founded, may very well carry some weight with those who are not immediately informed of the circumstances that give rise to it or have any knowledge thereof; it is for this reason that we deem it incumbent upon us to make some remarks in reply to Your Honors' protest, not doubting that the same will be fully sufficient to clear up the objections that Your Honors have formulated against the above-mentioned conduct. Your Honors say that the flying of our flag at Naver is an infringement upon Your Honors' privileges, as it cannot be unknown to us, or at least we could have been informed long ago, that the father of the present Rajah of Tanjore, by a letter dated March 25, 1750, strictly assured and promised to the then Governor of Nagapatnam that the Circar village of Nagore would never be sold or alienated, but if it should happen that it were sold, it would be done to no one other than the Dutch Company; that these assurances were confirmed by the present Rajah, along with the other privileges formerly granted to the Dutch Company, and even were we ignorant of this, it must nevertheless have been well known to us that in the last agreement between the Subah of the Carnatic, Mahomet Ali Khan, and the Dutch East India Company, concluded on November 23, 1773 at Nhioer, it was stipulated on Your Honors' side, and promised and assured by the said Subah, that at the seaports of Naver and Topotorre, belonging to the lands of Tanjore, the flag of His Highness should fly forever. These are the only grounds upon which Your Honors have founded your protest; we shall then proceed to observe, firstly, that whatever assurances may have been given to Your Honors by the father of the present Rajah, we submit that the same cannot be used with the slightest applicability in support of any claims that Your Honors may have formulated regarding Naver. It appears from the treaty previously cited between the Nabob of the Carnatic and your government that the city of Naver was sold to Your Honors by the present Rajah of Tanjore, and that after the conquest of Tanjore by the arms of the Nabob, Your Honors sold the same city and lands back to the Nabob, declaring, as appears from the words of the agreement, that Your Honors from that time onward had not the least claim upon the prince's lands. In another instrument under Your Honors' hands, bearing the same date as the treaty, Your Honors declare that having received from the Circar the amount of the said purchase /: Naver and other districts :/ Your Honors have delivered all those districts to the Circar and give this engagement that Your Honors have no claim upon or business with the said lands. Having thus, Gentlemen, by acts of the most public and sacred nature surrendered in the strongest terms all future claims or pretensions to the city of Naver and other districts of the Tanjore lands formerly in Your Honors' possession, it appears to us very extraordinary that Your Honors would now contradict these express declarations, and renew a claim of privileges founded on a letter from the father of the present Rajah, dated more than twenty years before that formal article of renunciation took place. The ground of this claim appearing too tender to be mentioned, Your Honors yourselves not placing too much confidence in it by abruptly passing on to say that even if we were ignorant of the assurances mentioned in the letter from the present Rajah's father, it was nevertheless well known that by the treaty between the Subah of the Carnatic, Mahomet Ali Khan, and the Dutch Company, concluded on November 23, 1773, it was agreed on both sides that in the seaports of Nagore and Topotorre, belonging to the lands of Tanjore, the own flag of His Highness should always fly. These words, in their true and natural meaning, can mean nothing other than this: that whereas Your Honors had purchased the above-mentioned towns from the Tanjore government, and had consequently caused the Dutch flag to fly in the same, that a very necessary article in the Nabob's agreement, purchasing the same back from Your Honors, was to stipulate that his own flag should fly in the future instead of that of Your Honors. These words standing as they do without any further explanations could serve or mean nothing other than to transfer Your Honors' right to the Nabob forever, and instead of answering the end for which Your Honors have cited them, they serve to exclude Your Honors even more strongly from those claims which Your Honors are pleased to advance at present. In all, Gentlemen, we request Your Honors to be assured that in the conduct where

Dutch transcription

Aan den wel Edelen Heer Reijnier van Vlissingen, Raad Extra ordinair en Directeur voor de belangen van de Hollandsche Compagnie op de Cust van Cormandel nevens de verdere Raad daarvan tot Nagapatnam. WelEdele Heer in Heeren! Wij hebben de eer gehad te ontvangen uwel Edelens brief van den 14: laaste maand, begelijdendende een protest van uwelEdelens Regeering tegens de onze over het doen waaijen van de Engelsche vlag op Naver Een articul zoo formeel als dat van een publicque protest, hoe ligt dezelve ook gegrond mag weezen kan zeer wel eenige gewigt neemen bij die geenen die niet terstond geinformeerd zijn van de omstandigheeden die tot dezelve aanleijding geeven of eenige Connizie daar toe hebben; het is om deeze reeden dat wij meenen dat het ons incumbeerd om eenige remarques te maaken als antwoord op uwel Edelens protest, niet twijffelende of dezelve zullen volkomende voldoende zijn, om op te ligten de objectien die uwel Edelens geformeerd heeft tegens 187 tegens bovengemelde behandeling. uwe lEdelens zeggen dat het waaijen van onze vlag tot Naver een inbreuk is op uwel Edelens privi„ legies, alzo het ons niet kan ontekend zijn, of ten min„ „sten wij zouden al voor lang hebben kunnen gein„ op formeerd zijn, dat de vader van den tegenswoordigen Radja van Tansjour door een brieff gedagteekend den 25: Maart 1750: aan den ter dier tijd Gouverneur van Nagapatnam bondig verzekerd en belooft heeft, dat het servars Dorp Nagoer nooijt zoude verkogt worden of geallieneerd, dog zoo 't mogte gebeuren dat het zelve verkogt wierd, het aan niemand anders zoude geschieden als aan de Hollandsche Compagnie; dat deeze verzeekering geconfirmeerd waren door den tegenswoordigen Radja, nevens de andere prisilegies voormaals aan de Hollandsche Comp: toegestaan, en alwaaren wij hier van ignorant 't ons egter wel moest bekend zijn, als dat bij de laaste accoord tusschen den souba van de Carnatica Machomet Alichan en de Nederlandsche oost-indische Com„ pagnie, geslooten den 23: November 1773 op Nhioer, het van uwel Edelens zijde geconditioneerd is, en versproken, en verzeekerd bij gemelde souba als dat op de zee plaatsen Nader en Topotorre toebehoorende aan de Landen van Tansjour voor voor altijd de vlag van zijn Hoogheijd zoude waaijin. Deeze zijn de eenigste gronden waarop uwel Ede„ „lens derzelver protest gefundeert hebben; wij zullen dan't voortgaan tot observeeren voor eerste, Dat wat verzeekerings uwel Edelens ook mogen zijn gegeven geworden door den vader van den tegenswoordigen Rad„ „ja wij voorstellen dat dezelve niet met de geringste toepasselijkheijd kunnen gebruijkt worden tot onder„ steuning van eenige pretenties die uwel Edelens mogen geformeerd hebben aangaande Nader. Het blijkt door de tractaat voorens aangehaald tusschen den Nabab van Carnatica en uw gouvernement. dat de stad Naver aan uwel Edele door den tegenwoordigen Radja van Tansjour verkogt is geworden, en dat na de overwinning van Tansjour door de wapens van den Nabab uwel Edelens dezelve stad en Landen wederom verkogt heeft aan den Nabab, verkla„ rende zoo als het blijkt in de woorden van het accoord dat uwe Edelens van dien tijd af geen de minste pre„ tensies hadt op des vorstens Landen. In een andere Instrument onder Uwel- Edelens handen van den zelven dag gedagteekend als de Tractaat, declarieren uwel Edelens dat ont„ vangen hebbende van den Sercar 't montant van gemelde koop /: Naver en andere districten:/ uwel Ed: 188 uwelEd: overgeleverd heeft alle die districten aan den sercan en geeven deeze engagement als dat uwel Edelens geen eijsch op- of gedoents met gemelde Landen hebben. Hebbende alzoo Heeren door daaden van de publicqste en heijligste natuure afgestaan in de sterkste termen alle aanstaande eijsschen of pre„ tenties op de stad Nader en andere districten van de Tansjoursche Landen voormaals in uwel Ed: be„ zitting, zoo komt het ons zeer Extra ordinair voor dat uwelEd: tegenswoordig zouden Contradiceeren deeze expresse declaraties, en vernieuwen een pretentie van privilegies gegrond op een brief van den vader van de tegenwoordige Radja ge„ dagteekend voor meer als twintig Jaaren, dat die formeele articul van renunciatie plaats heeft gehadt. De grond van deezen eijsch voorkomende als de te teder om gementioneerd te worden uwel Ed: daarop zelfs niet al te veel vertrouwen stellende door de subite overgaande aan het zeggen, dat al was 't dat wij egno„ „rant waren aan de verzeekerings gemeld in den brief van den tegenwoordigen Radjas vader het egter nog wel bekend was, dat bij de tractaat tusschen den souba van Carnatica Machomith Alichan en de Hollandsche Compagnie gesloten den 23: November 1773 1773 het aan beijde zeijde geaccordeerd is dat op de zeesteeden Naoer en Topotorre toebehoorende aan de Landen van Tansjour, de eijgen vlag van zijn Hoogheijd altijd zoude waaijen. Deeze woorden in haare waare en natuurlijke meening, kunnen niets anders meenen als dit, dat terwijl uwelEd: gekogt hadden de bovengemelde steeden vande Tansjoursche Regeering, en had in„ gevolge de hollandsche vlag doen waaijen in dezelve, dat een zeer noodzaakelijk articul in de Nababs accoord was, dezelve van uwelEd: wederom koopende te stepuleeren dat zijn eijgen vlag in het aanstaan„ de in plaats van die van uwelEdele zoute waaijen Deeze woorden staande zo als zij doen zonder eenige meerdere explicaties konden tot niets an„ „ders dienen of meenen als om uwel Edelens regt aan den Nabab voor altijd over te brengen, en in plaatze van te beantwoorden het eijnde waar voor uwelEd: dezelve aangehaald heeft, zoo dienen dezelve uwel Edelens nog sterker uijt te sluijten van die pretenties dewelke uwel Edelens voor te genswoordig gelieven te avanceeren. - In het geheel Heeren, wij verzoeken uwelEde„ lens verzekerd te weezen dat in de behandeling waar

← previousnext →