Inventory 3512
Coromandel · 784 pages · 113 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
about which Your Honour complained, we have only done pursuant to the trust reposed in us, and that nothing is further from our intention than to encroach upon any of Your Honour's just rights or privileges. We have the honour to be, was written below, Honourable Sir and Sirs, Your Honours' very obedient and very humble servants, was signed, Thomas Rumbold, John Whitehill, Hector Munro, Charles Smith, Samuel Johnson, J. Perring, in the margin, Fort St. George, the 15th of May anno 1778. Whereupon, after deliberation, it was resolved and agreed to treat at a later opportunity of the contents of the aforementioned letter, which is designed solely to render invalid, through far-fetched remarks and deductions, the lawfulness of this Government's protest against the English taking possession of Naoer, and thereupon to frame an appropriate and detailed reply for the further demonstration of the lawfulness of the prerogative which our Company holds above all other nations in the maritime place of Naoer, and of the unlawfulness of the remarks which the Government of Madraspatnam has been pleased to make against it in its aforesaid letter. Furthermore, the Governor, following what was recorded regarding the matter of the evacuated inhabitants in the secret Resolution of the 14th of this month, communicated to the meeting: That although at the aforesaid session one had almost entirely condescended to the points of grievance presented by them, of which they had already been notified on the 18th of this month by the posting of notices, they nevertheless remained unwilling thus far to return to their houses and possessions. That it was indeed true that since the posting of the aforesaid notice, some departed inhabitants of this city and villages, and some fishermen from the Northern Coupang, had returned, but that nevertheless a great number of Chettis, Cornettus, shopkeepers, painters, washers, and all the craftsmen continued to stay outside the territory of the Company, whereby all trades and commerce both within and outside this city remained at a standstill, just as before the posting of the notice, to the notable detriment of the public, without His Honour having been able thus far to discover the true reason or actual cause why the aforesaid mutinous and rebellious inhabitants did not return to their previous livelihoods, especially since this Government had indeed suspended the placard of the 1st of April, to which the aforesaid mutinous inhabitants and subjects had attributed the cause of their departure and rebellious conduct. That among other things, during their absence, nothing had surprised His Honour more than how such a multitude of fully 10000 people, men, women as well as children, who for the most part consist of people who must earn their living through daily labour, or of common coolies and beggars, had now been able to find their sustenance at the places of their sojourn for nearly two months; especially since the head of their castes, Canjema Chetti, was just as destitute as all those who had departed with him. That this consideration had, upon further reflection, provided His Honour with indisputable proof that they must have had concealed funds since their departure, from which they had managed to find, and thus far still found, their sustenance. That His Honour had frequently caused inquiries into this secret to be made by trusted persons, in order to learn if possible from where or by whom assistance was offered to them, without His Honour ever having been able to truly find out, although this might perhaps be discovered of its own accord hereafter. That nevertheless, on the day of the posting of the notice, it had been reported in secrecy to His Honour by a very credible person that the aforementioned head of the castes, Canjema Chetti, had written olas or threatening letters to this city, and principally to the Company's merchants and interpreter, for financial assistance, and that 300 pagodas had thereupon been collected by those traders and sent thither, but that the interpreter had not given the 25 pagodas demanded of him. That from this account, even though not all the accomplices were mentioned therein, it nevertheless became evident that the Company's merchants were also guilty of the departure of our inhabitants, as they had supported them with money and thereby enabled them thus far to oppose the placards and orders of this Government. That however much they deserved to be interrogated earnestly at once about such mutinous conduct, His Honour had nevertheless delayed doing so until the 21st of this month, in order first to see what effect the posting of the notice would have on them and the mutineers. Yet His Honour, having then still observed no notable change in their conduct, had finally considered it advisable. Company's Merchants Sieromenij Chetti Ramalinga Poele Moetoe
Dutch transcription
189 waar over uweld: zog bezwaren, wij alleen gedaan heb„ „ben ingevolge vande op ons gestelde vertrouwen, en dat niets van ons meenings verder is, dan ons in te dringen in eenige van uwelEd: Juste regten of privilegien wij hebbende eer te zijn /:onderstond:/ wel Edele Heer en Heeren! uwel Edelens zeer gehoorsamen en zeer onderdanige dienaaren /:was geteekend:/ Tho=s Rumboed, John whitehill, Hector Munro, Charles Smith, Samuel Johnson, I: Terring (:in margine, Fort S=t George den 15: Maij a:o 1778. waarop, na deliberatie is goedgevonden en verstaan over den inhoud van den evengemelde missive, die al„ leen is ingerigt om de wettigheijd van het pro„ test deezer Regeering tegen het in bezit neemen van Naoer door de Engelschen door vergezogte remarques en gevolg trekkingen kragteloos te maaken, bij een nadere gelegendheijd te besoigna„ nen, en ir als dan een gepast en uijtvoerig ant„ woord op te beraamen, ter nadere betooging van de wettigheijd van het voorregt het geen onze Maatschappij boven alle andere Natien op op de zeeplaats Naoer heeft, en vande onwettig„ „heijd van de remarques die de Regeering van Madraspatnam daar tegen bij haaren opgemel„ den missive hebben gelieven te maaken. wijders heeft den Heer gouverneur ten ver„ volge van het genoteerde, omtrend de zaak van de uijtgeweekene inwooners bij secreete Resolutie van den 14: deezer, ter vergaderinge gecommuniceerd. Dat schoon men ter voorsz: sessie genoeg„ „zaam ten eenemaal gecondescendeerd hadt in de door hun opgegeeve poincten van bezwaar (:waar van hun bereeds op den 18: deezer kennisse gegeeven is door afficie van Biljetten :) zij egter tot nog toe onwillig bleeven na hunne huijzen en bezittingen te rug te keeren. Dat het wel waar was dat sedert de afficie van het voorsz: Biljet, eenige uijtgeweeke in„ wooners van deeze stad en dorpen, en eenige visschers van de Noorder Coupang te 190 te rug gekomen waren, maar dat egter nog ien groot getal van Chittijs, Cornettus, winkeliers, schil„ „ders wasschers, en al de ambagtslieden zig, buijten het territoir van de Compagnie bleeven ophouden, waar door alle neeringen en hanteeringen zoo in als buijten deeze stad, gelijk als voor de afficie van het biljet bleeven stilstaan, tot merkelijk na„ „deel voor het algemeen, zonder dat door zijn Edele tot nog toe hadt kunnen worden ontdekt, de waare reeden of de eijgentlijke oorzaak waarom de voorsz: muijtzeeke en oproerige inwooners, zig niet weder kwamen te begeeven tot haare voorige kost en broodwinningen, alzoo door deeze Re„ geeering immers was gesurcheerd geworden Naar placcaat van den 1: April, waar aan de voorsz: muijtineerende inwooners en onderdaanen de oorzaak van haare uijtwij„ king en oproerig gedrag hadden toegeschreeven. Dat onder anderen geduurende haare uijtwijking niets meerder zijn Edele verwonderd hadt. hadt, dan hoe zulk een meenigte van wel 10000: menschen, zoo mannen, vrouwen als kinderen, die voor het grootste gedeelte bestaan in lieden die door hunne dagelijkschen arbeijd de kost moeten winnen, of in gemeene koelis en bedelaars, nu bij na twee maanden lang, hun leevens onderhoud hadden kunnen vinden, ter plaatzen van haar verblijf; voor al daar het hoofd van haare Castens Canjema Chittij even zoo nord„ drujftig was, als alle die met hem woeren uijtge„ weeken. Dat deeze bedinking aan zijn Edele, bij een nadere overweeging een onwederspreekelijk bewijs hadt opgeleverd, dat zij zedert hunne uijtwijking bedekte fondsen moesten gehad hebben, waaruijt zij hun leevens onderhoud hadden weeten te vinden en tot nog toe vonden. Dat zijn Edele na dit geheijm dikwerff on„ derzoek hadt laaten doen, door vertrouwde per„ „soonen, om was het mogelijk te ervaaren van 191 van waar of door wie aan haar onderstand ge booden wierdt, zonder dat zijn Edele daar ooijt regt hadt kunnen agter komen, schoon men dit mogelijk hier na, wel van zelfs zou ontdekken: Dat egter op den dag: van de afficie van het biljet door een zeer geloofwaardig persoon aan zijn Edele in secretesse was gerapporteerd geworden; dat het voormeede hoofd van de Cas„ „tens Canjema Chittij, olas of brandbrieven na deeze stad, en wel principaal aan Com„ „panies kooplieden en „ Tolk geschreeven hadt om onderstand van penningen, mitsgaders dat daar op door die handelaaren gecollecteerd en derwaarts gezonden was 300: pagooden dog dat den Thoek, de van hem gevorderde 25: pagooden niet gegeeven hadt. Dat uijt dit verhaal, schoon 'er al de meede pligtigtigen niet in vermeld waren, egter egter evident kwamen te blijken, dat sComp:s koop„ „lieden meede schuldig waren aan het uijtwijken van onze inwooners, alzo zij ze met geld ondersteund en daar door in staat gesteld hadden van zig tot nog toe te opposeeren tegen de placcaten en ordres deezer Regeering. Dat hoe zeer zij ook verdiend hadden over zoodanig een muijtziek gedrag, ten eersten met ernst ondervraagd te worden, zijn Edele egter daarmeede gesupercedeerd hadt tot den 21: deezer, ten eijnde eerst eens te zien wat uijtwerking de afficie van het biljet op hun ende muijtelingen zou hebben. Dog dat zijn Edele toen nog geen merke„ lijke verandering hebbende bespeurt in hun gedrag, eijndelijk te raaden was geworden. Compagnies Cooplieden Sieromenij Chitfij Ramalinga Poele. Moetoe
English
To have notice served to Moetoe waijtelinga Moddelij, Ankiem Patawiera ma Naijker, goedawarti goeroemoerti Chittij cum suis, and Namboer wengatarama kistna Chittij cum suis, together with the Company's Saraff Ponambalam Chittij (who, with the Company's merchant Tieromenij Chittij, had been one of the principal instigators), to appear before His Honour in the Castle. That, they having appeared there before His Honour, the same had, through the Company's Interpreter and Brahmin, addressed them in very grave terms concerning the condemnable conduct pursued by them during the departure of the aforesaid inhabitants, and subsequently had made known in very emphatic terms that His Honour had been reliably informed how they had recently gathered together and sent to the mutineers an assistance of 300: pagoden. That upon this accusation they had indeed confessed to having received olas or threatening letters from the head of the Castes, but at the same time had denied that any money had been furnished by them thereupon. That how far this pretense deserved credit would soon become clearer, but that His Honour, meanwhile, could not fail to remark concerning the same that their aforesaid confession of having received threatening letters from the head of the Castes, in His Honour's judgment, yielded complete proof of their rebellious conduct, because they ought otherwise to have given notice thereof to His Honour, and they could thus be considered just as condemnable as if they had delivered the money upon those olas or threatening letters. That however much the aforesaid traders, by this conduct of theirs and the stubborn denial of having furnished any money to the mutineers, had well deserved to be treated in a severe manner, His Honour nevertheless wished to take the mildest course with those obstinate merchants, and consequently had proposed the following three points to them and the saraff: First: That they should promise to furnish no more money nor offer assistance to the departed inhabitants who remained outside. Second: That they must endeavour, by means of their servants or Cannecappels, to bring it about that the inhabitants who had still departed, or at least the greatest part of them, return within three to four days to this city and villages, and Third: That they must then also take care that within the space of four twenty-four-hour periods, both within this city and elsewhere, all the shops and boutiques be opened again, and likewise that everything on the bazaar be sold again as before, without it being noticeable that a departure had taken place. That His Honour, upon the acceptance of the three proposed points, had demanded a signed certificate or ola from the aforesaid merchants and the saraff, not doubting in the least that they would willingly comply therewith, in order thereby partly to wipe out the crime they had committed by instigating and supporting a mutinous crowd. Yet that instead of giving heed to such reasonable proposals of His Honour, they had absolutely and indeed in a very brusque manner refused to comply therewith, and especially to bind themselves thereto by a signed ola. That during the conference His Honour had concerning this with the merchants, the merchant Tieromenij Chittij and Saraff Ponambalam Chittij had stood out as the principal ringleaders of the revolt, and had conducted themselves just as if they were of the opinion that they had been entitled, with the greatest right in the world, to have the fire of revolt kindled from time to time by their servants, who throughout the entire time of the departure had stayed with the mutinous crowd. That such extreme obstinacy and disobedience had finally moved His Honour to order the aforesaid traders and the saraff to remain inside the Castle, in order by that means to see for once whether those insolent fellows could not be brought to reason. Yet that this had likewise been in vain, since they had had no other request made to His Honour than for release from their arrest, on the grounds that in the Castle they could neither eat nor perform their ceremonies. That His Honour, being informed on the following day that they refused to consume anything, had finally, upon the lamentable petition of their friends, allowed himself to be moved again to release them from their arrest, provided that pursuant to His Honour's order they went directly to their houses and did not appear on the street again unless they had first given His Honour reasonable satisfaction for their proud and disobedient conduct against his reasonable proposals. That this emphatic admonition, and above all the confining of the merchants to their houses, seemed to have been of particularly great use, or at least that four of them, possibly out of fear of punishment, having submitted the day before yesterday, had requested His Honour to be permitted to meet with him; that this being granted, they on that occasion had not only fully confessed that the aforementioned money was actually sent by them and their companions to the departed mutinous inhabitants (except by the merchant Ankiem Patawirama Naijker, who
Dutch transcription
Moetoe waijtelinga Moddelij Ankiem Patawiera ma Naijker, goedawarti goeroemoerti Chittij C: s: en Namboer wengatarama kistna Chittij C: S: nevens Compagnies Saraff Ponambalam Chittij /: die met 'sComp: koopman Tieromenij Chittij geweest was, een van de voornaamste stoke brander :/ te laaten aanzeggen om bij zijn Edele in het Casteel te komen.. Dat zij aldaar voor zijn wel Edele verscheenen zijnde, dezelve door Compagnies Tolk, en bramine haar in zeer ernstige termen hadt laaten onderhouden, over het Condemnabel gedrag het geen door hun ge„ duurende de uijtwijking van de voorsz: inwoo„ „ners gehouden was, en vervolgens in zeer na„ „drukkelijke bewoordingen hadt doen te kennen geeven, dat zijn Edele van na bij geinformeerd geworden was, hoe zij nog onlangs bij een ver zameld en de muijtelingen toegezonden had„ den „den, eenen onderstand van 300: pagoden. Dat zij op deeze beschuldiging wel hadden bekend van het hoofd der Castens olas of brand„ brieven te hebben ontvangen, maar teffens genegeerd hadden, dat daar op eenig geld door hun was verstrekt geworden. Dat hoe ver dit voorgeeven geloof ver„ diende straks nader zoude blijken, dog dat zijn Edele intusschen niet nalaaten kon omtrend het zelve te remarqueeren, dat hun ne voorsz: bekentenis, dat zij brandbrieven van het hoofd den Castens ontvangen had„ „den, naar zijn Edeles oordeel een volkomen preuve op leverde van hun oproerig gedrag, want zij er anders kennis van hadden dienen te gee„ ven aan zijn Edele, en zij dus even Condem nabel konden geagt worden, dan of zij het geld op die olas of brandbrieven afgegeeven hadden. Dat hoe zeer de voorschreeve handelaa„ ren door dit hun gedrag, en het halstarrig ont 192 ontkennen van eenig geld aan de muijtelingen verstrekt te hebben, wel verdiend hadden op eene strenge wijze behandeld te zijn, zijn Edele egter met die Stijfhoofdige Marchiandeurs nog al den sagtsten weg hadt willen in„ slaan, en dienvolgens aan hun en den saraf de drie volgende poincten hadt voorgesteld Primo; Dat zij belooven zouden, van aan de buijten gebleeven uijt geweeken inwoo„ „ners geen geld meer te verstrekken of onderstand te beeden. Secundo: Dat zij door middel van hunne bediendens of Cannecappels moesten tragten te bewerken, dat de nog uijtgeweeken inwoo„ „nerd, of ten minsten den grootsten hoop, binnen drie â vier dagen te rug keerden naar deeze stad en dorpen, en Tertio: Dat zij dan ook zorgen moesten draagen 13 draagen dat binnen den tijd van vier etmaa„ len zo binnen deeze stad als elders, alle de winkels en bouticquen weder wierden open gesteld, mitsgaders dat ook op de bazaar wederom alles, gelijk bevorens verkogt wierd, zonder dat men merken kon, dat er een uijtwyjking hadt plaats gehadt. Dat zijn Edele van het aanneemen der drie voorgeslaegen poincten, van de voorschre„ „ve kooplieden en den saraf een geteekend be„ „wijs of ola gevorderd hadt, geenzins tewijfelende of zij zouden daar aan gewillig voldoen, om daar door voor een gedeelte uijt te wisschen de misdaat die zij bedreeven hadden, door het opruijen en ondersteunen van een muijt zieke meenigte. Dog dat in steede van gehoor te geeven aan de zoo billijke voorslaagen van zijn Edele, zij absolut en wel op eene, zeer brusque 193 brusque wijze geweijgerd hadden daaraan te voldoen, en voor al om er zig toe te verbinden door een geteekende ola. Dat geduurende het onderhoud dat zijn Edele hier over met de kooplieden gehad hadt den koopman Sieromenij Chittij en Sara„ Ponambalam Chittij als de voornaamste belhamels van het oproer hadden uijtge„ blonken, en zig even zoodanig gedraagen had„ „den, als of zij van meening waren, dat zij met het grootste regt van de wereld, het vuur van op roer van tijd tot tijd hadden mogen laaten aansteeken; door hunne bedunden die zig geduurende al den tyd van de uijtwij king, bij den muijtzieken hoop hadden opge„ houden. Dat zulk een verregaande halstarrig„ heijd en disobedientien zijn Edele eijndelijk bewogen hadt de voorsz: handelaaren en en den saraff te ordonneeren van binnen het Casteel te blijven, ten eijnde door dien weg- eens te zien of die brutaale snaaken niet tot reeden zouden te brengen weezen. Dog dat dit almeede vrugteloos ge„ weest was, alzo zij van zijn Edele net an„ ders hadden laaten verzoeken dan ont„ slag uijt hun arrest, uijt hoofden zij in het Casteel nog eeten nog hunne Ceremo„ min verrigten konden: Dat zijn Edele Sdaags daaraan geinformeerd zijnde dat zij niets begeerde te nuttigen, eijndelijk op de lamentabele beede van hunne vruenden zig weder hadt laaten beweegen, om hun uijt haar arrest te ontslaan, mits zij zig ingevolge zijn Edeles bevel direct naar hunne huijzen begaven, en niet weder op straat kwamen„ ten 194 ten zij alvoorens aan zijn Edele gegeeven had„ den eene billijke satisfactie, voor haar trots: en ongehoorzaam gedrag tegens deszelfs billijke voorslagen. Dat deeze nadrukkelijke recommandatie en voor al het arresteeren van de kooplieden in haare huijzen, van bij zonder veel nits scheen geweest te zijn, ten minsten dat vier van hun, mogelijk uijt vrees voor Staaff, op eergisteren het hoofd in de schoot gelegd heb„ p bende, zijn Edele hadden laaten verzoeken, om dezelven te mogen ontmoeten; dat dit toegestaan zijnde, zij bij die gelegend„ heijd niet alleen volmondig beleeden hadden dat het voorwaarts vermelde geld, wee„ zentlijk door haar en haare makkers aan de uijtgeweeke muijtzeeke inwooners was toegezonden geworden /: behalven door den koopman Ankien Patawirama Naijker, die
English
who had completely refused to give anything; but also that at His Honour's request they had put this confession of theirs in writing, signed it, and presented it to him. That as soon as this confession had been made by them, that very same evening all the six merchants had requested and obtained permission to appear before His Honour, that on that occasion they had not only very humbly begged pardon for their mutinous and obstinate conduct, but had also shown themselves very ready to use all their power in order to induce the departed inhabitants to return to their occupations, and that His Honour having accepted this offer of theirs, they had directly dispatched some persons to the place of stay of the mutineers, from whose actions one had to await the outcome. That His Honour hoped to communicate this to the council on a later occasion, but in the meantime requested that a note might be kept of what had now been made known, in today's Resolution. Whereupon, after deliberation, it was approved and understood to make a record in this resolution of the actions taken by His Honour with respect to the merchants and the departed inhabitants, as well as to thank His Honour at the same time in the name of the council for the ample report that His Honour has been pleased to give thereof to the Council. Thus Done and Resolved in the Castle at Nagapatnam on the date as aforesaid; was signed as before. Tuesday the 16th of June 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy. Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning, due to indisposition. The Lord Governor produced to the council a draft letter prepared by His Honour, in order that the same, if the Council could agree with its contents, might serve in reply to the letter inserted in the secret Resolution of this Board of the 26th of May, and written by the Lord Governor and Council of Madraspatnam on the 15th of May previously to this Government, in reply to its letter of the 14th of April of this year and the Protest sent therewith. Whereupon, because in the aforesaid draft letter not only are all the remarks which the Madraspatnam Government has thought fit to make against the lawfulness of the Protest of this Government of the 14th of April concerning the taking possession of Naoer by the English to the prejudice of the privileges of the Company refuted very clearly and fundamentally, but moreover it is further demonstrated and shown in a very concise manner the right of possession which belongs to our Company in the first place, above all other European Nations, to Naoer, should it ever be alienated from the Kingdom of Tansjour, it was approved and understood after mature deliberation with unanimity of votes to fully conform with the aforesaid draft letter, and consequently to adopt it by these presents, just as the same is inserted here below verbatim, so that it may be dispatched in that form to Madraspatnam; the aforementioned letter reading as follows: Madraspatnam. To the Honourable Lord Thomas Rumbold, President and Governor of Fort St. George, and the Coast of Coromandel, on behalf of the Royal English East India Company, besides the Council there. Honourable Lord and Gentlemen. We had the honour to receive on the 20th of the past month of May Your Honours' letter of the 15th preceding, containing among other things communication that Your Honours had duly received our letter of the 14th of April, and the Protest sent therewith against the taking possession of Naoer by Your Honours. Yet, since it also pleased Your Honours in the aforementioned letter to make some remarks against our protest, although Your Honours appear to have judged it unnecessary to answer the remarks appearing in our letter of the 14th of April (the reason for which, however, can very well be guessed), we have also judged it necessary to answer and refute in detail by these presents the objections raised by Your Honours against the contents of our Protest (however much they run contrary to equity and sound reason), in order thereby finally to convince Your Honours fully of the right that we have to protest against Your Honours. To knock the bottom out of the grounds upon which our Protest rests, if that were possible, Your Honours in the first place remarked against it: that whatever assurances might have been given to us by the father of the present ruler, Your Honours were of the opinion that the same could not be used with the least application in support of any of our claims on Naoer, as the privilege obtained by us from that ruler had been signed at least 20 years earlier
Dutch transcription
die volstrekt geweijgerd hadt, iets te geeven:/ maar ook dat zij op zijn Ed: begeerte dee„ „ze hunne bekentenis in geschrifte gesteld, geteekend en hem aangebooden hadden. Dat zoo dra deeze bekentenis door hun geschied was, nog dien eijgen avond al de zes kooplieden verzogt en permissie bekomen hadden, om voor zijn Edele te ver„ schijnen, dat zij bij die occagie niet alleen zeer ootmoedig om excuus verzogt had„ „den, over hun oproerig en halsterrig ge „drag maar ook zig zeer berijdvaardig hadden betoond om al hun vermogen aan te wenden, ten eijnde de uijtgeweeke inwoo„ ners te beweegen van weder tot hunne bezettingen te rug te keeren, en dat zijn Edele deeze hunne aanbieding geaccep„ „teerd hebbende, zij direct eenige perzoonen afgezonden handen na de verblijfplaats den 195 der muijtetingen, van welkers verrigtingen men den uijtslag moeste verwagten. Dat zijn Edele dit aan de vergadering bij een nadere gelegendheijd hoopte te communi„ ceeren, dog intusschen verzogt dat van het thans te kennen gegeevene notitie mogt gehouden worden, bij de Resolutie van heeden. waarop na deliberatie is goedgevonden en verstaan, van het verrigte door zijn Edele met opzigt tot de kooplieden en de uijtgeweeken inwooners, bij deezen aan„ teekening te houden, mitsgaders zijn Edele teffens uijt naam van de vergadering te bedanken, voor het ampel verhaal, dat zijn Edele daarvan aan den Raad heeft gelieven te doen. - Aldus Gedaan en Gear¬ /:onderstond./ „resteerd in het Casteel tot Nagapatnam dat dato voorsz: /:was geteekend:/ als vooren Dingsdag den 16: Iunij 17788. Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie Absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning mits indispositie. Is door den Heer Gouverneur ter vergaderinge geproduceerd een Concept missive door zijn Edele ontworpen, om denzelven, zoo den Raad, zig met dies inhoud konde conformeeren, te laaten dienen in antwoord op den Brief, bij secreete Resolutie deezer Tafel van den 26: Maij geinsereerd, en door den Heer Gouverneur en Raad van Madraspatnam op den 15: Maij bevoorens aan deeze Regeering ge schreeven, in antwoord op Haaren brief van den 14: April deezes Jaars en het daar 196 daar bij overgezonden Protest. waarop, wijl bij den voorschreeven Con¬ cept missive niet alleen zeer duijdelijk, en op een fundamenteele wijze wederlegt zijn. alle de remarques die de Madraspatnamsche Regeering goedgevonden heeft te maaken, tegens de wettigheijd van het Protest deezer Regee„ ring van den 14: April over het in bezit nee„ men van Nader door de Engelschen in preju„ dicie van de voorregten der Maatschappij ^ op een zeer bondige wijse maar daar en boven nog bij denzelven ^ nader en aangetoond, an den dag gelegdt wort, het regt van possessie, dat onze Maatschappij in de eerste plaats, boven alle andere Europesche Natien op Naoer toekomt, zoo het ooijt van het Rijk van Tansjour mogt worden ver¬ vreemd, na rijpe deliberatie met eenparig heijd van stemmen is goedgevonden en ver„ staan, zig met den voorschreeven: Concept Missive Missive volkomen te conformeeren, en hem dienvolgende bij deezen te arresteeren, zooda¬ nig als denzelven hier onder woordelijk staat geinsereerd, om zoodanig naar Ma„ draspatnam afgezonden te kunnen worden: luijden de den evengemelde Missive als volgd Madraspatnam, Aan den Edelen Heer Thomas CRumbold President en Gouverneur van t Fort P:t George, en de Custe Chormandel wegens de Roijale Engelsche oost Indische Compagnie, Nevens den Raad aldaar. WelEdele Heer en Heeren. wij hebben op den 20: van de voorleede maand Maij de eer gehadt te ontvangen uwel Ed: brief van den 15: bevoorens: behelzende onder anderen communica„ tie, dat bij uwelE:s wel ontvangen was, onzen brief van den 14: April, en het daar nevens over„ gezonden Protest tegen het in 't bezit neemen van 197 van Naoer, door uwe wel Ed= Dan dewijl het uwe wel Ed:s teffens behaag bij den evengemelde missive eenige remanques, tegen ons protest te maaken, schoon uwe welEd:s het on„ noodig schijnen geoordeeld te hebben; te beantwoorden de remarques bij onzen brief van den 14: April voor komende (:dog waarvan de reeden zeer wel te gissen is:) hebben wij ook noodsakelijk geoordeeld, de beden„ kingen door uwe wel Edele tegen den inhoud van den ons Protest gemaakt (: hoe zeer die tegen de billijkheijd en de gezonde reeden aan loopen:) bij deezen omstan„ „dijlijk te beantwoorden en te wederleggen, ten eijnde daar door uwe wel Edele eindelijk eens volkomen te overtuijgen, van het regt dat wij hebben, om tegen uwe welEd: te mogen protesteeren om de gronden waarop ons Protest berust, was het mogelijk den bodem in te slaan, hebben uwe welEd: tegen het zelve, in de eerste plaatse gere„ marqueert: dat wat verzekering door den vader van den tegenwoordigen vorst aan ons ook mogten gegee„ „ven zijn, uwe wel Edele van oordeel was, dat de zel„ „ve met geen de minste toepassing gebruijkt kon„ den worden tot ondersteuning van eenige onzer pre„ tensien op Naoer, alzo het door ons van dien vorst verkreegen privilegie wel 20: Jaaren vroeger getee„ „kend
English
known than the Act of renunciation of Naoer by us. And secondly, considering that from the Treaty concluded in the Year 1773 between the Soubah of the Carnatic and us, nothing else appeared than that the seaport of Naoer had been sold to us by the present Prince of Tanjore, and that we, after Tanjore was conquered by the arms of the Nabob, had sold those same places and lands again to the Nabob, and thus, according to the contents of the Agreement, had not the least claim remaining on the lands of the Prince: citing at the same time as further proof of this unfounded proposition, that by another Instrument dated on the same day that the Contract was concluded, it had been declared by us that, having received from the Sircar the amount of the purchase of Naoer and the further Lands, we had surrendered all those districts to the Sircar: from which Your Honours further please to draw this conclusion, that by that Cession we must have made known that we had no claims or rights outstanding any longer with the said lands, and thus had renounced all claims upon the same. To someone, Gentlemen, to whom the events of the Year 1773 that occurred in the Kingdom of Tanjore are unknown, the aforesaid reasons might appear very probable; but we trust that the whole world, as soon as it has been properly informed of the situation of those times, will have to hold Your Honours in the wrong regarding the erroneous interpretations that Your Honours have been pleased to give to the words of the Treaty concluded between the Nabob and us. For it is indeed well enough known to the world, Gentlemen, and no one can be better informed of the case itself than Your Honours, how His Excellency the Nabob, after he had overpowered the Kingdom of Tanjore, laid claim by letter of the month of September to all lands and places that had been lawfully purchased by us from the Prince of Tanjore; claiming the same under this far-fetched pretext: that he could not recognize that purchase as lawful, since the Prince had no power to surrender or sell any of his lands to another. It is also sufficiently known to everyone, but especially to Your Honours, that we replied to this by letter of 16 October that we believed that the Prince from of old, being Lord and master of his Lands, had the right and the power to surrender and sell, without contradiction from anyone, all such lands and places as he might see fit, and that we consequently considered our completed purchase, for which the money had been paid and the bills of sale ratified with the Prince's seal had been received by us, to be lawful, and therefore could not resolve to renounce places and Lands that had become our own property through a lawful purchase. Yet instead of recognizing this lawful right of ours, His Excellency, against these our equitable protests grounded on public law, indeed the most sacred right that exists in human society, namely the right of lawful ownership, wrote to us in very threatening terms by letter of 21 October: that if we did not voluntarily surrender those Lands to him, he had ordered his son to take them by force. And without even awaiting our answer to this, the Young Nabob Madaroel Moelk marched with the troops under his command into the province of Kiwaloer purchased by us, and from there, assisted by English Company troops under the Command of General Smith, into Naoer, where he (although we solemnly protested in writing against this incursion to His Excellency and General Smith) immediately had our flag pulled down; and thus the Young Nabob took possession by force, and through the support of English troops, of that which he knew he could not take possession of according to the right belonging to us. From this account, Gentlemen, which rests upon the pure truth, it is indeed most clearly established that Your Honours' far-fetched remark that we sold those Lands and places of our own free and unconstrained will to the Nabob and thus surrendered all our right, is far too weak to withstand scrutiny when one allows equity to judge; and thus it surprises us greatly that Your Honours have been able to make use of such an erroneous argument. An argument that rather confirms our good right than that anything should thereby be weakened, as Your Honours suppose; the more so since we can, if necessary, demonstrate with authentic proofs that those lands were forced from us with violence by the Nabob and your Troops, which were under the Command of General Smith and various other officers. For which reason we still repeat with emphasis that those Lands were never sold by us. But we judged it best, in order to avoid all further disputes with the Nabob, to renounce the aforesaid Lands again, upon such conditions as are described in the Treaty concluded thereof with the Nabob, the more so because he previously offered us the restitution of the money that we had paid for them to the Prince of Tanjore. This surely cannot be called a willing sale, since those lands were forced from us, as it were, with the saber in hand. It is true that we, through this renunciation, in such
Dutch transcription
„kend was, dan de Acte van renunciatie van Naven„ door ons En ten tweeden, aangemerkt dat uijt het Trac„ taat in den Jaare 1773 tusschen den souda van Carnatica en ons gesloten niets anders kwame te blijken, dan dat de zeeplaats Naoen door den tegenwoordigen vorst van Tansjour aan ons was verkogt geworden, en dat wij, na dat Tan„ sjour door de wapenen van den Nabab overwon„ nen was, die zelfde plaats en landen wederom aan den Nabab verkogt hadden, en dus vol„ gens den inhoud van het Accoord geen de minste pretensie meer hadden op des vorsten landen: haalende teffens tot een nader bewijs van deeze ongefundeerde stelling aan, dat door ons bij een ander Jnstrument, op den zelfden dag dat het Contract gesloten was, gedateerd, was gedeclareerd geworden dat wij van den sercar ontvangen hebbende, het montant van den koop van Naver en de verdere Landen, alle die districten over„ geleverd hadden aan den sercar: waar uijt uwe welEdele wijders dit gevolg gelieven te trekken, dat wij door die Cedeering, zouden hebben te ken„ „nen gegeven, dat wij geene Eijsschen op of iceht= meer 198 meer met de gemelde landen uijtstaande hadden, en dus afstand zouden gedaan hebben van alle eijsschen op dezelve. Aan iemand mijn Heeren, die de gebeurtenissen van het Jaar 1773, in het Tansjoursche Rijk voorge„ vallen onbekend zijn, zoude de voorsz: reedenen al zeer waarschijnlijk kunnen voorkomen; maar wij vertrouwen, dat de gansche waereld zo dra men haar slegts van den toestand dier tijden be„ hoorlijk geinformeerdt. heeft, uwe wel Edele zullen moeten in het ongelijk stellen; over de ver„ keerde uijtleggingen die uwe welEdele hebben ge„ lieven te geven, aan de woorden van het tractaat tusschen den Nabab en ons gesloten. want het is immers waereld kundig ge noeg mijn Heeren, en niemand kan van het geval zelfs beter geinformeerd weezen als uwwel Edeles; hoe zijn Excellentie aen Nabab, na dat hij het rijk van Tansjour overweldigd hadt bij brief van de maand septemter pretensie formeerde op alle landen en plaatsen die door ons van den vorst van Tansjour wettig gekogt geworden waren; dezelve onder dit vergezogt praetetext reclameerende dat dat hij die koop niet voor wettig kon erkennen, na dien den vorst geen magt hadt, om eenige zyner landen aan een ander af te staan of te verkoopen „ ook is het aan een iegelijk, maar vooral aan uwe wel Edele bekend genoeg, dat wij hier op bij brief van den 16: october geantwoord hebben, hoe wij vermeenden, dat den vorst van ouds, als Heer en meester van zijne Landen zijnde het regt en de magt hadt om zonder tegenzeggen van iemand, alzulke lan„ „den en plaatsen als hij mogte komen goed te vin„ „den af te staan, en te verkoopen, wij dien volgende onzen gedaanen koop, waar voor het geld betaald was„ ende koop brieven met 's vorsten zegel bekragtigd bij ons ontvangen waren, voor wettig hielden, en dier„ halven niet resolveeren konden om afstand te doen van plaatsen en Landen, die door een wettige koop onseijgen geworden waren. Dan in plaatze, van dit ons wettig regt, te erkennen, heeft zijn Excellentie, te geen deeze onze billijke, en op het publicque, Ja het heijligste regt dat er in de menschelijke samenleeving is, na„ meelijk het regt van wettige eijgendom, steu„ nende protestatien, bij brief van den 21: october in zeer drijgende termen aanons geschreeven, dat 199 „dat zoo wij die Landen niet goedwillig aan „ hem afstonden, hij zijn zoon gelast hadt die met „ geweld na zig te neemen. En zonder hier op ons antwoord eens af te wagten, rukte den Jongen Nabab Madaroel Moek, met zijne bij„ hebbende troupes in de door ons gekogte provincie kiwaloer, en van daar, geassisteerd door Engelsche Com„ pagnies troupes onder Commando van den Generaal Smith tot in Naoer waar hij (:schoon wij tegen dit inrukken plegtiglijk en in scriptis geprotesteerd hebben, bij zijn Excellentie, en de Heer Generaal smith:) aanstonds onze vlag liet neerhaalen; en dus nam de Jonge Nabab met geweld, en door ondersteuning van Engelsche troupes bezit van dat geene, waar van hij wist, dat hij volgens het regt ons Compe„ teerende geen possessie neemen kon„ uijt dit verhaal Heeren! het geen op de zuijvere waarheijd berust, consteerd immers ten allerklaarsten, dat uwel Edeles te vergezogte aan„ merking als of wij die Landen en plaatsen met onzen eijgen vrijen en onbedwongen wille aan den Nabab verkogt en dus al ons regt overgegeeven had„ „den, veel te zwak is, om proef te kunnen houden; wanneer men de billijkheijd laat oordeelen: en dus verwonderd, het ons zeer dat uwe wel Ed: zig van zulke zulke een verkeerd argument hebben kunnen bedienen Een argument het geen veel eer ons goed regt ver„ „zekerd, dan dat het daar door, gelijk uwe welEd: vermeenen, iets zou ontzenuwt worden; te meer daar wij des noods met authentique bewijzen kun„ nen aantoonen, dat die landen ons met geweld, zijn afgedwongen geworden door den Nabab en uwe Troupes, die onder Commando van den generaal Smith en verscheijde andere officieren gestaan heb„ ben weshalven wij als nog met nadruk herhaalen dat die Landen door ons nimmer verkogt zijn geworden. Maar wij hebben best geoordeeld tot vermijding van alle verdere differenten met den Nabab, van de voorsz: Landen weder afstand te doen, op zoodanige voorwaarden, als bij het daar van gesloten Tractaat met den Nabab beschreeven staat, te meer wijl hij ons voor af aanbood de restitutie van het geld dat wij daarvoor aan den vorst van Tansjour betaald hadden. Dit kan men immers geen gewilligen verkoop noemen alzoo die landen ons als met den sabel in de vuijst zijn afgedwongen. wel is waar, dat wij door deezen afstand, in zoo e 14
English
have no further right to the aforesaid Lands as far as legal ownership is concerned, but it is no less true that, immediately upon the signing of the Treaty, we returned to our ancient right that we held over those Lands according to the privilege granted to us by the father of the present prince of Tansjour; which can never be deemed to have become invalid or lapsed through the purchase of the aforesaid Lands from the present prince of Tansjour, as Your Honours also, though on what grounds we do not know, assume; since by that purchase the main purpose of the aforesaid Privilege had been fulfilled. Should this purchase, however legally executed, not proceed, or should superior force choose to understand it thus, we have therefore lost nothing of our prerogative, since the Nabab, as conqueror of Tansjour, was indeed bound and obliged to maintain and protect everyone in their prerogatives and privileges, and thus also our Company; consequently, the right has always remained with us to reclaim the privileges that were granted to us by the father of the present prince of Tansjour in the Year 1753. Herewith, Gentlemen, we believe we have fully proven the legitimacy of our prerogative, which we hold above all other Nations regarding Naver, according to the privilege of the father of the present prince of Tansjour, and the illegitimacy of Your Honours' assumption. We shall next proceed to demonstrate to Your Honours that, above all this, we still retain the right to reclaim the upholding of what was contracted with the Nabab by the Treaty of the Year 1773, which Your Honours also attempt to render invalid. By remarking, in the third place, that the words appearing in the aforementioned treaty, namely that His Highness's own flag should always fly over the Sea Places Naver and Topotorre, belonging to the Lands of Tansjour, considered in their true and natural substance, would indicate nothing other than that we had purchased the aforementioned places from the Tansjour Government and, in consequence thereof, had flown the Dutch flag from them, it was a very necessary article in the agreement with the Nabab that he, purchasing those Lands from us, stipulated that his own flag should fly there instead of ours, since the aforesaid words, standing expressed in the Treaty without any further explanation, could signify nothing other than that we had transferred our right to the Nabab, and that consequently this article, instead of answering the purpose for which we had cited it, served all the more strongly to exclude us from the claims which we pleased to advance for the present—astonished at the incorrect explanation which Your Honours have pleased to give to an article of the Treaty concluded between us and the Nabab, the right to interpret those words belonging to none other than the Nabab and us, we now proceed to explain to Your Honours the true meaning of those words: and accordingly we assure Your Honours that not the Nabab, but we, stipulated the aforementioned article in the treaty, in order thereby to prevent forever that those Lands should be ceded to any other, especially to any European Nation; and consequently the aforesaid words, according to the true sense and meaning of the treaty, indicate that the Nabab should never be allowed to cede or sell those sea places to any other Nation, but that he must always continue to possess them: and this we expressed in the treaty at the express desire of the Young Nabab, who wished to give no one any cause for offense, through the words that His Highness's own flag should always fly over the sea places Naoer and Topotorre. That this is the true sense and meaning of the aforementioned article will, as we firmly trust, not only be conceded by the Nabab, but must also be acknowledged by every impartial person, if one merely considers for a moment that if no exception of flags had been intended with the aforesaid article, it would indeed have been completely unnecessary to insert it into the Treaty, since as soon as we had ceded the aforesaid Sea Places to the Nabab (even though that cession was not obtained by the Nabab with quite such a right as it ought to have been), that prince nonetheless naturally acquired the right to fly his own flag there without contradiction from anyone. And by this, Gentlemen, we believe we have completely refuted the incorrect interpretation that Your Honours have pleased to give to the aforesaid article of the Treaty. At least we trust that the remarks made by Your Honours in your aforementioned letter of the 15th of May last against our privilege could not stand the test with any Nation in the world, if they wish to judge fairly and justly. And accordingly, being principally concerned in this matter, we cannot regard the aforesaid remarks as lawful; but on the contrary we hold them to be of not the slightest value, and incapable of casting any doubt upon our right to Naver. Wherefore
Dutch transcription
200 zoo ver den wettigen eijgendom betreft geen regt meer op de voorsz: Landen hebben, Maar het is „na ook niet minder waar, dat wij oogenbliklijk het teekenen van het Tractaat wederom te rug ge„ treeden zijn in ons oud regt, dat wij op die Landen gehadt hebben, volgens het aan ons verleende privilegie door den vader van den tegenwoordigen vorst van Tansjour; het geen nooijt kan geagt worden door het koopen van de voorsz: Landen, van den presenten vorst van Tansjour kragte, loos geworden of vervallen te zijn; gelijk uwe welEdele almeede, dog op wat grond weeten wij niet, veronderstellen; alzoo door dien koop aan het groote oogmerk van het voorsz: Privilegie was voldaan geworden. Mogt deezen koop, hoe wettig ook ge„ schied niet doorgaan, of wilde het de overmagt dusdanig begrijpen, wij hebben daarom niets van ons voorregt verlooren, alzo den Nabab als over„ winnaar van Tansjour, immers gehouden en verpligt was, een ieder bij zijne voorregten, en privilegien te handhaven en te beschermen. en dus ook onze Compagnie; gevolgelijk is aan ons al„ toos het regt gebleeven om te mogen reclameeren de voorregten die door den vader vanden presenten vorst van Tansjour in den Jaare 1753: aan ons 14 ons zijn geschonken geworden. Hiermeede mijn Heeren, vorneemen wij de wettigheijd van ons voorregt, dat wij boven alle andere Natien op Naver hebben, volgens het privilegie van den vader van den tegenwoordigen vorst van Tan„ sjour ende onwettigheijd van uwel Edeles ver„ onderstelling volkomen beweezen te hebben. - wij zullen vervolgens nu overgaan, om uwe wel„ Edele aan te toonen, dat boven dit alles, ons nog Com„ peteerd het regt om te reclameeren de standhou„ „ding van het gecontracteerde met den Nabab bij Tractaat van den Jaare 1773: het geen uwe wel„ Edele almeede tragten kragteloos te maaken. Door in de Derde plaats te remarqueeren „ dat de woorden bij het voormelde tract aatvoor„ komende, namentlijk, dat op de Zeeplaatsen Naver en Topotorre, behoorende aan de Landen van Tansjour altoos de eige vlag van zijn Hoogheijd zoude waaijen, in haare waare en natuurlijke „zelfstandigheijd beschouwd weezende, niet anders zoude te kennen geeven dan dat wij de voormelde plaatzen van de Tansjoursche Regeering gekogt en ingevolge van dien de Hollandsche vlag van de„ „ zelve hadden laaten waaijen, het een zeer nood zaakelijk „ 201 „zaakelijk articul in het accoord met den Nabab „ was dat hij die Landen van ons koopende be„ „ paalde, dat zijne eijge vlag in plaatze van de onze aldaar waaijen zoude, alzoo de voorsz: woorden, zonder eenige verdere exblicatie, bij het Tractaat uijtgedrukt staande, niets anders konde te kennen geven, als dat wij ons regt aan den Nabab hadden overgedragen, en dat ge„ „ „ volgelijk dit articul in plaatze, van te be„ antwoorden aan het oogmerk waarom wij „ het zelve aangehaald hadden, des te meer dienden om ons nog sterker uijt te sluijten van de pretensien welke wij voor het tegen„ woordige geliefden te avanceeren, - ver„ „ wonderd over de verkeerde explicatie die uwelEdeles hebben gelieven te geeven aan een articul van het Tractaat tusschen ons en den Nabab gesloten, waarvan het regt om die woorden te verklaaren: aan niemand anders dan den Nabab en ons Compe„ „teerd, gaan wij thans over om aan uwe welEdele den waaren zin van die woorden te verklaaren: en dienvolgende verzekeren wij uwe wel Edele, dat niet den Nabab maar wij, het voorschre„ ve articul bij het tractaat hebben bedongen, om om daar door voor altoos voor te komen, dat die Lan„ den aangeen andere zoude worden afgestaan; vooral aan eenige Europeesche Natie: en gevolgelijk geven de voorsz: woorden volgens den waaren sin en meening van het tractaat te kennen, dat den Nabab die zeeplaatsen nimmer zoude mogen afstaan of verkopen aan eenige andere Natio, maar dat hij dezelve altoos zou moeten blijven bezitten: en dit hebben wij op de expresse begeerte van den Jongen Nabab, die niemand eenige reedenen van offensie wilde geven, bij het tractaat uijtge drukt door de woorden, dat op de zeeplaatsen Naoer en Topotorre altoos zijn Hoogheijds eijgen vlag zou waaijen Dat dit den waaren zin en meening is, van het voorschreeven articul zal gelijk wij vastelijk„ vertrouwen, niet alleen den Nabab toestaan maar ook elk onpartijdig mensch moeten erken„ nen, wanneer men slegts voor een oogen blik overweegd, dat zoo men met het voorsz: articul geene uijtzondering van vlaggen bedoeld hadt, het immers ten eenemaal onnoodig zoude ge weest zijn het zelve in het Tractaat te laaten invloeijen, nadien zo dra wij afstand van de voorz Zee 202 zeeplaatsen aan den Nabab gedaan hadden (:schoon dien afstand door den Nabab Juijst niet met dat regt verkreegen was, als wel hadt behooren te wee„ „zen:/ dien vorst egter natuurlijker wijze het regt aan zig gekreegen hadt, om aldaar, zon„ „der tegen zeggen van iemand zijn eijgen vlag te mogen laaten waaijen En hier door Heeren, vermenen wij, volko„ men wederlegd te hebben de verkeerde uijtleg„ ging die uwe welEdele aan het voorsz: articul van het Tractaat hebben gelieven te geeven. Ten minsten wij vertrouwen dat de aan„ merkingen die door uwe welEdele bij haaren op„ gemelden brief van den 15: Maij Jongstleeden p gemaakt zijn tegen onze privilegie bij geen Natie in de waereld zoo zij billijk en regtvaar„ dig willen oordeelen, zouden kunnen proef houden. En deinvolgende, kunnen wij, als in deeze zaak principaal betrokken zijnde, de voorsz: remarques niet voor regtmatig aanzien; maar wij houden die daar en teegen van geen het minste valeur, en onbequaam om ons regt op Naver eenigzints te kunnen doen in twijf„ „fel trekken. - weswegens
English
wherefore we also in the strongest manner continue to persist in the contents of our protest, under express declaration to Your Honours that we hold the grounds upon which it rests, or the privileges granted to our Company by the father of the present Prince of Tansjour and His Highness the Nabab Machomet Alichan in relation to the aforesaid seaport of Naoer, in their full force and value; by no means admitting that we should have lost anything of our right to the aforesaid seaport. And although we might herewith consider Your Honours' letter of 15 May to be completely refuted and answered, we nevertheless, before we conclude, request permission to make a single remark for the further defense of our rightful claim. Your Honours have, among other things, in order, if possible, to invalidate the ground of our claim founded upon the privilege of the Prince of Tansjour, also thought fit to remark that this ground was all too weak to be maintained, and that we ourselves appeared not to place much reliance upon it, since we passed so abruptly from this to our second privilege. A singular manner of drawing conclusions, Gentlemen, from the concise style or content of a writing; it is, we confess, entirely new to us; and we trust that it cannot imply anything to our disadvantage, since the true reason that moved us in our protest not to speak at length of the privilege granted to our Company by the father of the present Prince of Tansjour, simply consists in the confidence that we have always placed, and still place, in the legality of our right founded upon the contents of this Privilege. Remarks of less importance that we might yet make, we pass over in silence, while in concluding we assure Your Honours that we, on our part, shall ever strive to avoid all actions that might run counter to good understanding and friendship, so that the good harmony that has hitherto subsisted between the two Nations, instead of diminishing, may steadily increase more and more and long endure. We have the honour to be. Below stood: Right Honourable Sir and Sirs, Your Honours' humble and obedient Servants. Was signed: R: van Vlissingen, P: J: Dormieux, I: E: g: Hazelman, M: koning, S: Mossel, Wm Duijnevelt, I: D: Simons, J: Aspengh, Ms Htoffenberg. In the margin: Nagapatnam in the Castle, 16 June 1778. Furthermore, the Governor, in continuation of the proceedings conducted by His Honour concerning the departed inhabitants, communicated to the meeting: That His Honour, on 26 May last, had made known in this Council that the Company's merchants had undertaken to send some persons on their part to the dwelling place of the departed inhabitants, in order to oblige them to return: That, they having actually done this that very same afternoon, the persons sent out by them had returned the following day, or on the morning of 27 May; bringing with them some written olas containing further points of grievance, upon which a satisfactory answer had been requested by the aforesaid mutineers. That the Company's merchants, having brought the aforesaid points of grievance, containing some domestic matters concerning their castes, to His Honour that very same afternoon, he had answered them in part on that evening, and on Friday the 29th and Sunday the 31st of May; That this answer having been conveyed to the mutineers by the aforementioned persons, they appeared well satisfied with it, and had only sent them back with some further questions; which had likewise been answered by His Honour: but that the aforementioned persons having arrived therewith at the mutineers, they had found the entire matter misconstrued, and thus had returned again without having accomplished anything. That the merchants, having first given notice of this incident to His Honour on the 13th of this month, had at the same time pretended that the persons dispatched by them, being too lowly to negotiate with the mutineers, had therefore been dismissed by them with contempt: Yet how far this pretext of the merchants (who appeared more and more as the heads of the rioters) deserved belief, had become evident to His Honour early on; since yesterday afternoon the painters and shopkeepers of the village of Wellepalium had returned; That these, immediately after their return, having appeared before His Honour at their express request to the number of fully 150 heads, had in the most humble manner begged for forgiveness for their committed transgression, declaring that they had departed for no other reason than to follow the customs of their caste, but that if they were now permitted to return to their dwellings, they would attend to their affairs with greater zeal than before: That His Honour, preferring compassion over severity, had forgiven them their rebellious conduct; after having first sharply reproached them for it, and admonished them to proper behavior (with submission to the laws); and that thereupon, after this, and having likewise promised promptly to deliver the chintzes commissioned to them for the Company, they had quietly returned to their dwellings. That from the return of the aforesaid
Dutch transcription
weswegens wij dan ook op de kragtigste wijze blijven persisteeren bij den inhoud van ons protest„ onder expresse verklaaring aan uwe wel Ed:, dat wij de gronden waarop het zelve berust of de privilegien door de vader van den tegenwoordige„ vorst van Tansjour, en zijn Hoogheijd den Nabab Machomet Alichan, met relatie tot de voorsz: zeeplaats Naoer aan onze Maat„ schappij verleent in haar volle kragt en waarde houden: geenzins toestaande dat wij op de voorsz: zeeplaats iets van ons regt zouden ver„ looren hebben— En schoon wij hiermeede Uwel Edeles mis„ sive van den 15: Maij voor volkomen wederlegd en beantwoord kunnen houden vraagen wij egter, eer wij eijndigen nog verloff, om een enkelde aanmer„ „king te mogen maaken tot verdere verdediging van ons goed regt. Uwer welEdeles hebben onder anderen, om den grond van onzen Eijsch, gefundeerd op het pri„ vilegie van den vorst van Tansjour, was het mogelijk kragteloos te maaken, ook goedgevon„ „den te remarqueeren, dat dien grond al te zwak was om gemaintineerd te kunnen worden, en dat wij 203 wij zelve daarop niet veel vertrouwen scheenen te stellen, wijl wij zoo subiet van dit tot ons tweede voorregt overstapten; Een particuliere manier van gevolg trekking Heeren! uijt den korten stijl, of inhoud van een schriftuur; zij is, dit bekennen wij bij ons geheel nieuw; en wij ver„ trouwen dat zij niets in ons nadeel kan includeeren, daar de waare reeden, die ons bewogen heeft om bij ons protest niet breedvoerig te spreken van het voorregt door den vader van den tegenwoor„ digen vorst van Tansjour aan onze Compagnie verleend, eenvoudiglijk bestaat in het vertrouwen dat wij op de wetttigheijd van ons regt op den inhoud van dit Privilegie gefundeerd, altoos gesteld hebben en nog stellen. Remarques van minder aangelegend haid die wij nog zouden kunnen maaken, gaan wij stil swij gende voor bij, terwijl wij eijndigende uwe wel Edele verzekeren, dat wij van onze zijde steeds tragten zullen te vermijden alle handelingen die tegens de goede verstandhouding en vriendschap zou„ den aanloopen, op dat de goede harmonie die tot nog toe tusschen de beijde Natien subsisteerd, in steede van af te neemen steeds meer en meer accresseeren en lang bestendig blijven mag. wij e wij hebben de Eer te zijn. - /onderstond:/ welEdele Heer en Heer, uwel Ed=s onderdanige en gehoorsame Dienaaren /:was get:/ R: v„n Vlissingen, P: J: Dormieux I: E: g: Hazelman, M: koning S: Mossel, W:m Duij„ nevelt, I: D: Simons, J: Aspengh, M:s Htoffen„ berg /:in margine:/ Nagapatnam in 't Cas„ teel den 16: Junij 1778. Gouverneur ten vervol„ wijders heeft den Heer ge van het verhandelde door zijn Edele met betrekking tot de uijtgeweeke inwooners, ter vergaderinge ge„ communiceerd. Dat zijn Edele, op den 26:' Maij laastleeden in deezen Raade hadt te kennen gegeeven, dat com„ pagnies kooplieden aangenomen hadden, om van haare p zijde eenige Persoonen na de verblijfplaats der uijt„ geweeke inwooners te zenden, ten eijnde hun te verpligten weder te rug te keeren: Dat zij dit nog dien eijgen middag werke„ lijk gedaan hebbende, de door hun uijtgezonden per„ zoonen sdaags daaraan, of den 27: Maij des mor „gens weder waren te rug gekomen; meede brengende eenige 204 eenige geschreeven olas behelzende nader poincten van bezwaar, waarop door hua de voorschreeve Muijtelingen en voldoenend antwoord was ver„ zogt geworden. Dat 's Compagnies kooplieden, nog dien eij„ gen agtermiddag, de voorschreeve poincten van bezwaar, behelzende eenige Huijzelijke Zaaken, omtrent hunne kastens, bij zijn Edele gebragt hebbende, hij die gedeeltelijk op dien avond, en op vrijdag den 29: en Zondag den 31: Maij hadt beantwoord; Dat dit antwoord door de voormelde persoo„ nen aan de Muijtelingen gebragt weezende, zij daarmeede wel te vreeden gescheenen, en hun slegts met eenige nadere vraage te rug gezonden had„ „den; die door zijn Edele almeede beantwoord geworden waren: dog dat de voormelde persoo„ „nen daarmeede bij de Muijtelingen gekomen zijnde, zij de gansche zaak verdraaijd ge„ vonden hadden, en dus weder onverrigter zaake zaake waren te rug gekeerd. Dat de kooplieden van dit voorval aan zijn Edele eerst op den 13: deezer kennis hebben„ „de gegeeven, teffens voorgewend hadden, dat de door hun afgezonden perzoonen als te gering zijnde, om met de muijtelingen te kunnen handelen, daarom door haar met veragting waren afgeweezen: Dog hoever, dit voorgeven der kooplieden (:die zig meer en meer als de hoofden der op„ roermakers quamen te vertoonen) geloof ver„ dienden, aan zijn Edele al vroeg gebleeken was; alzo gisteren middag waren te rug ge„ keerd de schilders en Boetekeers van het Dorp wellepalium; Dat deeze immediaat na hunne te rug komst, op derzelver expres verzoek welten ge„ tallen van 150: - koppen voor zijn Edele ver„ scheenen weezende, op de demoedigste wijze hadden 205 hadden gesmeekt om vergiffenis over haaren „. . . begaanen misslag, met betuijging dat zij om niets anders uijtgeweeken waren als om de custumados van haare Casta te volgen, dog dat zoo hun nu weder wierd gepermitteerd om tot hunne wooningen te rug te mogen keeren; zij met meerder ijver als voor deezen haare zaaken betragten zouden: Dat zijn Edele het meede lijden boven de strengheijd verkiezende, aan hun, derzel„ ver oproerig gedrag hadt vergeven; na hun eerst daar over scherpelijk gereprocheerd, en tot een geschikt gedrag (:met onderwerping aan de wetten:) vermaand te hebben; en dat zij hier op, na dit, en teffens beloofdt te hebben van de aan haar opgedragen Chitzen voor de Compagnie spoedig te zullen bezorgen, in stilte na hunne woning te rug gekeerd waren. Dat uijt de te rug komst van de voor„ schreeve
English
aforesaid inhabitants of their own accord; His Honour believed that with very good reason it could be maintained that the remaining fled inhabitants, and the principal heads of the mutineers, namely: Canjema Chittij, Head of the Castes Chedeappa Chittij Anna Chittij Commarappa Chittij Chelembron Poele Kastorrie Samia Poele Morgappa Poele Wella Poele, and Wengedasselam Moddelij were supported from here in their malicious and rebellious conduct, and indeed most likely by the Company's merchants: at least, that it had been privately intimated to His Honour that they would have returned to this city and their dwellings long ago if they had not hitherto been restrained therein by the aforementioned merchants, 206. merchants, or rather by the Company's merchant Tieromenij Chittij and the Shroff Ponambalam Chittij, who held great power over them; especially the former, to whom the principal heads of the rebellious were related; obtained their livelihood from him; and thus had to dance to his tune. That, regarding the reason for this rebellious conduct of the merchants or what they intended thereby, the same could not yet be fully discovered by His Honour, but he nevertheless feared with very good reason that it would not only result in an important loss on the leases of this city at the upcoming farming-out at the end of August, especially on the lease of the river and that of the gates; but moreover also foreboded a poor collection of textiles for the demand for this this year, as all the merchants together had not yet delivered any noteworthy quantity of linen to the packing house. And finally, that in consideration of the aforesaid difficulties, which would be further confirmed by the outcome, His Honour had deemed it necessary to give communication of the aforementioned daring conduct of the merchants to the Council, in order to enable them in due time, together with His Honour, to take such resolutions as should be found proper: thus, this matter having been broadly deliberated upon, it was approved and agreed not only to take note hereof, according to the desire of His Honour, regarding the aforesaid rebellious conduct of the merchants and the inhabitants incited by them, as well as of what has again been performed by the Lord Governor towards quelling their rebellion; but also to 107 reverently thank His Honour in the name of the Council for the ample communication given thereof. Furthermore, it having been made known to the assembly by the Lord Governor that the Company's merchants recently, in the name and on behalf of the inhabitants of this city, had submitted a request to His Honour, that with regard to the resolution of this Table of the 14th of May last (whereby the term for the collection of book debts or money loans on olas and other private writings was prolonged from two to five years), it might further be decreed by way of amplification that on all olas or other private writings of money loans, passed before the date hereof, justice may be done during the forthcoming five years, and they might thus be considered as legal bonds for that duration, as they indeed needed that time for the renewal of their olas: thus, in order to deprive them of all reasons for complaint, by accommodating them in their points of objection as far as is in any way compatible with the dignity of this Council, it was approved and agreed to amplify and interpret the resolutions of this Table of the 5th of April 1777 and 14th of May 1778 in the following manner, as well as to decree for the future: That henceforth on all private obligations or money loans on olas, which were granted or passed before the date of this publication (provided they are not older than 1/3 of a tieuw), justice may be requested and obtained at the Court of Justice and the Civil Council here, during the period of the five first following years, or from the 1st of July 1778 to the end of June 1783. 2nd) But that on the contrary, after the expiration of the aforesaid five years, or after the end of June 1783, 208 on no private obligations or money loans by olas, if they are older than five years, judgment may be requested or obtained at the aforesaid Courts of Justice, unless the debtor being alive confesses his debt, or the creditor, through the debtor's absence abroad, after the expiration of the stipulated five years, was unable to claim his demand, or to have the ola or private writing granted thereof renewed: as in both cited cases it has been approved to let the creditor retain his right against the debtor, but not otherwise. And furthermore, outside the aforesaid cases, pursuant to what was decreed on the 14th of May last, everyone shall remain obligated and bound to claim all their book debts or money loans on olas and other private writings writings each time within the term of five years, or to renew the olas or other private obligations granted thereof, under penalty of default. Furthermore, it was agreed not only to give notice of this resolution to the public by the posting of bills, but also to deliver extracts thereof to the Courts of Justice here, in order to govern themselves accordingly in the administration of justice. Underneath was written: Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam, on the date aforesaid. Was signed: as before. Friday, the 10th of July 1778, in the morning at eight o'clock. Meeting of Policy. Absent: The merchant and trade-bookkeeper Peracules Mossel, due to indisposition. After the matters under the joint resolution of
Dutch transcription
schreeve inwooners, uijt eijgen beweging, zijn Edele vermeende dat met zeer veel reeden kon worden gesustineerd, dat de overige uijtgeweeke inwooners, en de voornaamste hoofden der Mluijte¬ lingen, namentlijk Canjema Chittij, Hoofd der Castens Chedeappa Chittij Anna Chittij Commarappa Chittij Chelembron Poele kastorrie Samia Poele, Morgappa Poele wella Poele, en wengedasselam Moddelij in hun kwaardaardig en oproerig gedrag van hier wierden ondersteunt, en wel waar schijn, lijk door Compagnies kooplieden: ten minsten, dat aan zin Edele van ter zijde was te ken„ nen gegeeven, dat zij al lang na deeze stad en haare wooningen zouden zijn te rug ge¬ keerd zoo zij daarin tot nog toe niet weder„ houden geworden waren door de voormelde Handelaarn 206. Handelaaren of eijgentlijk door Comp: koopman Tieromenij Chittij, en Saraf Ponambalam Chittij, die zeer veel op hun vermogten; vooral den eersten waar aan de principaalste hoofden der oproerige vermaagdschapt waren; van hem haar onderhand er langde; en dus na zijne pijpen moesten dansen. Dat, wat de reeden van dit oproerig ge„ drag der kooplieden betroff of wat zij daar meede bedoelde, het zelve tot nog toe door zijn Edele niet volkomen kon worden ontdekt, dog egter met zeer veel reeden vreesde dat het zelve niet alleen ten gevolge zoude heb„ ben, een important verlies op de Pagten deezer Stad, bij de aanstaande ver„ pagting onder ult:o Augustus, voor al op de pagt van de revier en die der Poorten; maar ook boven dien voorspelden, een slegten inzaam van kleeden op den Eijsch voor dit dit Jaar, alzo degezamentlijke kooplieden tot nog toe geen noemen swaardige quantiteijt lijwaa„ „ten ter pakzaal hadden geleverd En eijndelijk dat uijt consideratie van de voorschreeve zwaarig heeden, die door de uijtkomst nader zouden bevestigd worden zijn Edele het noodzaakelijk hadt geagt, van het voorge„ waagd gedrag der kooplieden aan den Raad Communicatie te geven, ten eijnde Haar in staat te stellen, om daaromtrent in der tyd„ nevens zijn Edele zoodanige besluijten te neemen als men bevinden zou te behooren: zoo is hier over in het breede gedelibereerd weezende goedgevonden en verstaan van het voorschreeve opvoerig gedrag der kooplieden, en de door hun op„ geruijde inwooners, mitsgaders van het geen tot stelling van hun oproer, door den Heer Gouverneur alweeder is verrigt, niet alleen na de begeerte van zijn Edele bij deezen notitie te houden; maar ook wel den„ zelven 107 zelven uijt naam van den Raad reverentelijk te bedanken voor de daarvan gegeven ample Commu„ nicatie. - voorts door den Heer Gouverneur ter vergade„ ringe te kennen gegeven zijnde, dat Compagnies kooplieden onlangs uijt naam en van wegen de inwooners deezer stad aan zijn Edele hadden verzoek gedaan, Dat ten aanzien van het besluijt deezer Taffel van den 14: Maij Jongstleeden (:waar bij het termijn op het invorderen van Boek„ schulden of geld leeningen op olas en andere onder¬ handsche geschriften van twee tot vijf Jaaren is geprolongeerd geworden, ) nog bij weege van ampliatie mogt worden gearresteerd, dat op alle olas of andere onderhandsche geschriften van geldleeningen, voor dato deezes gepasseerd, geduurende de eerst komende vijff Jaaren regt gedaan, en zij dus nog zoo lang als wettige schuldbrieven mogten geconsidereerd worden, alzoo zij tot het vernieuwen van haare olas wel wel die tijd noodig hadden: zoo is, om hun alle reedenen van klagten te beneemen, door dezelve in haare poincten van bezwaar zoo ver te gemoet te komen, als maar eenigzins met de waardig heijd van deezen Raad bestaanbaar is, goedge„ vonden in verstaan de Resolutien deezer Tafel van den 5: April 1777 en 14: Maij 1778. , in vol„ gender voegen te amplieeren, en te interpreteeren, mitsgaders voor het vervolg te arresteeren. Dat voortaan op alle onderhandsche obli¬ gatien dan wel geld leeningen op olas, die voor dato deezer publicatie verleend of gepasseerd ge„ worden zijn (:mits niet ouder weezende dan 1/3 van een Tieuw:) regt zal mogen verzogt en geobtineerd worden bij den Raad van Justitie en den Civielen Raad alhier, geduurende den tijd van de vijff eerstvolgende Jaaren of van primo Julij 1778 tot ult:o Junij 1783. 2:) Dog dat daaren tegen na exbiratie van de voorsz: vijf Jaaren, of na ult:o Iunij 1783. 13 208 op geen onderhandsche obligatien of geld leenin„ „gen bij olas zoo die onder zijn als vijf Jaaren, bij de voorsz: Collegien van Justitie vonnis zal mogen verzogt of geobtineerd worden, ten zij den debiteur in leeven zijnde zijne schuld= bekend, of den Crediteur, door uijtlandigheijd, van den debiteur, na expiratie van de bepaal de vijf Jaaren, buijten staat gesteld was zijne pretensie in te vorderen, of de daar van aan hem verleende ola of onderhandsch geschrift te doen vernieuwen: alzoo in de beijde aange„ haalde gevallen is goedgevonden den Crediteur p zijn regt te laaten behouden op den debiteur, dog anders niet. En zal voorts buijten de voorschreeve ge„ vallen, volgens het gearresteerde op den 14: Maij Jongstl: een iegelijk verpligt en gehouden blijven, om alle haare Boekschulden of geldtee ningen op olas en andere onderhandsche geschriften geschriften, telkens binnen den tijd van vijff Jaaren in te vorderen, of de daarvan verleende olas, dan wel andere onderhandsche obligatien te ver¬ „nieuwen subpone van verstek. voorts is niet alleen verstaan van dit be„ sluijt aan de gemeente kennis te geeven, door afficie van Biljetten, maar ook van het zelven Extrac„ ten af te geeven aan de Collegien van Justitie alhier, om zig daarna in het bedienens van de Justitie te reguleeren. /onderstond:/ Aldus Gedaan en gearresteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ als vooren. — Vrijdag den 10: Julij 1778. smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie absent Den koopman en Negotie- boekhouder Peracules Mossel mits indispositie Nadat de zaaken bij de gemeene Resolutie van
English
of today described having ended, the Lord Governor informed the meeting that, although the Jaffanapatnam Ministers had communicated to this Council by their letter of the 13: June that the 12: recognition elephants chosen by our cornacs for the Prince of Tansjour were to be sent hither in two vessels, they had nevertheless been shipped in only one hired vessel, which in the night of the 17: June had the misfortune of being stranded not far from Tripondi, and thus under the territory of the Prince of Tansjour. That His Honour, as soon as he received tidings of this unfortunate event, or on the 18: June, had directly sent thither the Master Attendant Iacob Hartman, together with two chialengas, provided with the necessary crew, ropes, and timbers, in order to see if it were possible to bring the aforementioned 12: elephants alive out of the vessel and from there onto the territory of the Company; who, regarding his proceedings there, had served the following written Report, reading as follows: Right Honourable Stern Sir. Reijnier van Vlissingen Governor and Director of this Coast of Cormandel: with the dependencies thereof Etc. Etc. Right Honourable Stern Sir. According to your Right Honourable Stern's highly respected order under date of the 18: of this month, the undersigned set out on his way to carry out His esteemed orders, namely, that a Jaffanapatnam thonij with 12: Company's elephants had stranded three to four hours' journey south of sinhora de sandi, and out of fear that the elephants would be detained by the servants of the Prince of Tansjour, the humble subscriber was therefore ordered to proceed thither in person with the necessary requisites, partly to see to bringing those elephants alive onto the shore and, if possible, onto the Company's territory. Whereupon the humble subscriber set out on his way on the above-mentioned date at one o'clock in the afternoon with the necessities, such as two argats, two empty chialengas, 80: patnammers, two coir springs, 6: ditto hawsers, two light anchors, and some coir lines, and arrived at sinhora de saudi at half past four o'clock. And as the palanquin coolies were too much exhausted from having worked their way up to here through the loose sand and against the wind, he found himself obliged to remain there until two o'clock at night, having previously sent the argats ahead with the chialengas and men in the early evening to see how the wrecked thonij, together with the elephants loaded therein, were situated, and to effect, in case any means could be devised, that which might serve to salvage the animals and the thonij. At five o'clock in the morning, being the 19:, I arrived in person at the wrecked thonij, went on board, and found the thonij to have split apart on the port side, and further saw ten live elephants, with half their heads and trunks above water. But those animals could not move by reason of a heavy load of more than 500: palmyras, which, through the splitting apart of the thonij, along with the deck beams of that small craft, had collapsed onto the bodies of those animals, and under which they stood like pillars, bearing that load. Seeing this, I ordered the argats to work that load off the animals and throw it overboard as quickly as possible, in order first to give the animals air, which was already done by half past six; and subsequently they set to work to get the elephants out of there. Having now come ashore again, the adigar or one of the servants of Tripondie came to me, asking whether I was sent to unload the elephants, to which I replied yes, and having unloaded them, to bring the same to Nagapatnam. Whereupon he replied again that if I had need of more help, he would procure it for me, and when the elephants were unloaded, that he would then have the same brought to Tripondie, and first write about it to the King of Tansjour, and whatever orders that Prince gave thereto, that he would conduct himself accordingly. Whereupon I gave him for an answer that they were elephants that were brought for the Tansjour King, that if he would give help, that he then might procure some men for further assistance and food for the animals coming ashore; whereupon five coconut leaves were indeed brought as food for the cattle. Subsequently, the first elephant having come ashore, it quickly swallowed down those five leaves, asking then of that adigar whether he would not give more food, that the elephants that came ashore were weak by reason that they had already had nothing to eat in two days, but also that they had already stood under water for more than twenty-four hours; giving me for an answer that he had no men to fetch the leaves from the trees, whereupon I have employed one of my palanquin coolies for that purpose.
Dutch transcription
209 van heeden beschreeven afgelopen waren, heeft den Heer Gouverneur ter vergaderinge te kennen gegeven, dat schoon de Jaffanapatnamsche Ministers bij hunnen brief van den 13: Junij, aan deezen Raade Communicatie gegeven hadden, dat de door onze kornax uijtgekip te 12: stuks recognitie Elifanten voor den vorst van Tansjour in twee vaartuijgen herwaarts stonden gezonden te worden, dezelve egter maar in een afgehuurd vaartuijg, zijn af„ gescheept geworden, het geen in den nagt van den 17. Junij het ongeluk gehadt hadt van niet verre van Tripondi, en dus onder het gebied van den vorst van Tansjour te Stranden Dat zijn Edele zoodra dezelve van dit ongelukkig geval tyding kreeg, of op den 18„ Junij, direct naar derwaarts gezonden hadt den Equipagie-meester Iacob Hartman nevens twee Chialengen, voorzien van de benodigde manschappen, touwen en HL: ten ten eijnde te zien of het mogelijk was de voorschre„ „ve 12: Elifanten nog levendig uijt het vaartuijg en van daar op het territoir van de Compagnie te brengen; die van zijne verrigtingen aldaar, gediend hadt van het ondervolgende schriftelijk Rapport; luijdende aldus WelEdele Gestrenge Heer. Reijnier van Vlissingen Gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel: met den Resorte van dien Etc. a Etc. a WelEdele Gestrenge Heer. Volgens uwel Edele Gestrenge hoog gerespecteerde ordre onder dato 18: deezes, heeft den ondergeteekende zig op weg. begeeven, om Hoogst desselfs geeerde bevelen ter uijtvoer te brengen, te weeten, als dat een Jaffa„ napatnamsche Thonij met 12: sComp:s Elifanten drie â vier uuren gaans Zuijdwaards van sinhora de sandi gestrand was, en uijt vrees van door de bediendens van den vorst van Tansjour de Eli 210 Elifanten zouden aangehouden werden, en dier halven den nedrigen teekenaar gelast, om in per„ zoon na derwaarts met de daar toe benodigt heeden zig daar na toe te vervoegen, om eensdeels te zien, die Elifanten levendig op de wal, en zo het doenlijk is op sComp:s territoir te brengen, zoo als ook den nedrogen teekenaar op bovengem: datum, om een uur in de middag zig op weg heeft be„ geeven, met het noodige, als twee argats, twee leedige slengen, 80: patnammers, twee Caijer sprin„ gen, 6: dito trossen, twee ligte ankers en wat Caijer lijnen, en om half vijf uur tot sinhora de saudi is gearriveerd, en terwijl de palenquin Coelis al te zeer afgemat waren, van door het losse sand en tegen wind, tot hier toe gewerkt te hebben, heeft zig genoodzaakt gevonden om aldaar te vertoe„ ven tot des nagts om twee uuren, na alvoorens„ de argats met de Chialengen en volk in den vroegen avond voor uijt gezonden, om te zien hoedanig de verongelukte thonij nevens de daar in gelaadene Elifanten gesteld waren, en werkstellig te maaken, bij aldien eeenige middelen konden beraamd werden, dat tot het het bergen der beesten en Thonij konde dienen, om vijff uur des morgens zijnde den 19: arriveerde zelfs bij den verongelukten Thonij, ging na boord, en bevond de Thonij aan bakboord zijde uijt malkander geweeken te zijn, en zag verder Thien levendige Elifanten, met de halve kop en Tromp boven water, dog die beesten konden zig niet verroeren, om reeden van eene groote last van palmeeren meer als 500:, die door het uijt malkander wijken van de Thonij met de over„ loops balken van dat kieltje, die beesten was op het lijf gezakt, en waar onder zij als peilaaren stingen, dien last te torsen, dit ziende belaste ik de argats, om zoo spoedig als doenelijk dien last van de beesten af te werken, en over boord te smijten; om voor eerst de beesten lugt te geeven, zoo als ook om half zeven bereeds klaar was, en vervolgens te werk gingen de Eliphanten daaruijt te werken, nu weder aan Land gekomen zijnde, quam den Adigaar of een der bediendens van Tripondie, bij mij vragende of ik gezonden was om de Eliphan„ ten te lossen, waar op antwoorde Ja, en gelost zijnde dezelve na Nagapatnam te brengen 211 brengen; waar op hij weder antwoorde, dat als ik meerder hulp van nooden hadt hij mij die zoude bezorgen, en wanneer de Elifanten gelost waren dat hij dan dezelve na Tripondie zoude laaten bren„ „gen, en schrijven daar eerst over aan den Koning van Tansjour, en wat ordres, dat dien vorst daar toe gaf, dat hij zig daarna zoude gedragen, waar op ik hem ten antwoord gaf, dat het blifanten waren die voor den Tansjourschen koning waren aange bragt, dat als hij hulp wilde geeven, dat hij dan wat volk tot meerder hulp, en kost voor de aan Land komende beesten wilden bezorgen, zo als dan ook vijff klapper bladen zijn aangebragt tot spijs voor het vee, vervolgens de eerste Eliphant aan Land gekomen zijnde, stikte die vijf bladen schie„ lijk in, vragende vervolgens aan dien adigaar of hij geen kost meer wilde geeven, dat de Elifanten vrak, waren die aan land quamen om reeden dat dezelve bereeds in twee dagen niets te eeten hadden gehad, maar ook dat dezelve al bereets meer als een etmaal hadden onder water gestaan, mij ten antwoord geevende, dat hij geen volk hadde om de bladen van de boomen afte haalen, waar op ik een mijner palenquin Coelijs daar toe hebbe
English
employed in the afternoon, around three o'clock, when I had eight live elephants on the shore, after three had previously suffocated in the wreck and one had died while being brought ashore, I asked this adigaar again whether he would now release those elephants so that I could take them to Senhora de Saude, to which he answered no, that he would first write to his king about this and would conduct himself according to his orders; whereupon I handed over to him the eight live elephants on the condition that, since I had neither the power nor orders to quarrel with them, all damage arising therefrom would consequently remain for his account, to which he also replied that he took that upon himself, whereupon he, the Adigaar, further claimed, first, that the Argattijs with the patnammers should tow the wreck closer to the shore and should hand over to him the mast, anchors, ropes, and sail belonging to the wreck, as well as the two anchors and cordage brought from Nagapatnam, and after having surrendered everything, he would let the slingen and the people depart freely, and failing that, he would place both the slengen and the people under arrest. Whereupon I answered him that the wreck was a private vessel, that this did not concern us, that he could employ his shore people for that purpose, and as for the anchors and cordage brought from Nagapatnam, if he absolutely insisted on having them, I would hand them over to him, that these were Company's goods as well as those elephants, and that one as well as the other would then remain for his account and responsibility; whereupon he ordered the argats to go with the slengen off the Triponder Coepang to deliver the goods there, which being done, he had the aforementioned eight elephants driven toward Tripondi, and I also proceeded to the Triponder Coepang. Having arrived there, I waited there until the sun began to set, and seeing that neither the Adigaar nor any of his servants showed up to receive the abovementioned goods, I ordered the argattijs to wait until eight o'clock, and if no one showed up by then, they were to come to Nagapatnam with their slengen and people, and I began my journey toward here. Now according to the report of the Argattijs, shortly after I departed from there, the Trepondian Adigaar came out of the pandanus thickets, accompanied by more than fifty taliars, with whom the Argattijs and patnammers were surrounded, and he subsequently ordered the Argattijs to bring those goods ashore, to which the Argattijs answered that they would not bring any goods out of the chialengen onto the shore, and if he wanted them out of there, he could have them fetched out of there with his own people; whereupon he ordered them to remain with the people in the slengen as prisoners and not to leave. Subsequently they perceived that sepoys lay hidden in those pandanus thickets, so these argattijs and patnammers remained until the night between the 20th and 21st, when, learning that the refugee from here, Canjema chittij of Naoer, was coming to attack them, they quietly withdrew from there with their slengen, just as they also arrived at the house of the undersigned on the morning of the 21st. Hoping herewith to have complied with Your Right Honorable and Highly Respected orders, and taking the high honor to sign with the deepest respect and esteem, beneath was written: Right Honorable Sir, Your Right Honorable humble and fully obedient Servant, was signed: Jacob Hartman, in the margin: Nagapatnam the 22nd of June 1778. That from the aforementioned report it had appeared to His Honor not only that, although every effort had been made for the rescue, of the aforementioned 12 elephants, three had been suffocated in the vessel by the water and one had perished on the beach, and that consequently only eight animals were brought ashore alive, which the Havildar of Tripondi had detained and transported to his place of residence without wishing to release them despite the strong instances of the Master of the Equippage Hartman. That His Honor, having informed the Albeschik of the Tanjore Court of this event, had at the same time, on the basis of the right of free salvage that had been granted to the Company by one of the previous rulers of Tanjore, demanded back the aforementioned eight animals, or requested, if His Highness should not wish to deliver the aforementioned animals, to accept them in deduction of the 27 head which the Company owes to the ruler for arrears of recognition fees up to the year 1777/8 inclusive. And that His Honor, to urge this request further, had also offered, if His Highness would agree thereto, to also have delivered to the ruler the 18 head of elephants that are on hand here, and three years of recognition monies in arrears, whereby the satisfaction of the entire tribute still
Dutch transcription
hebbe g'emploijeerd in den agtermiddag, omtrend drie uur, wanneer ik agt levendige Eliphanten op de wal hadde, na alvoorens drie in het vrak waren gesmoort, en een op in het na Land brengen is dood gebleeven, dien adigaar weder vraagde of hij die Eliphanten nu wilde los laaten, op dat ik dezelve na Senhora de faudi konde brengen ten antwoord gaf neen, dat hij daar eerst over aan zijn koning zoude schrijven, aan diens ordres hij zig zoude gedraagen; waar op ik hem de agt levendige Eliphanten overgaf onder die beding, dat terwijl ik geen magt nog ordres hadde, om tegens haar te hasse bassen dat dierhalven, alle daarvan komende schade voor zijn reekening bleef, hij meede daarop antwoorde, dat hij dat op zig nam, waar op hij Adigaar nog pre„ tendeerde, voor eerst dat de Argattijs met de patnammers het vrak nader aan de wal zouden sleepen, Mast, ankers, touwen en zijl tot het vrak behoorende hem zouden overhan„ digen, zoo meede de twee Ankers en touw wer„ „ken van Nagapatnam gebragt, alles over„ gegeeven te hebben, de slingen en volk zoude vrij 212 vrij laaten vertrekken, en in gebreeke van dien zoo wel de slengen als volk zoude in arrest houden. waarop ik hem ten antwoord gaf, dat het vrak een particulier vaartuijg was, dat ons dat niet aanging, dat hij daar toe zijn strands volk konde emploijeeren en wat aanging de ankers en touwwerken van Nagapatnam meede gebragt, als hij daar absolut op stond van die te willen hebben, dat ik hem die dan zoude overhandigen, dat, dat sComp:s goederen waren zoo wel als die Eliphanten dat dan het eene met ander voor zijn reekening en verantwoording bleef; waar op hij de argats gelaste„ met de slengen voor der Triponder Coepang te gaan, om aldaar de goederen af te geeven, zoo als geschied zijnde, hij de voormelde agt Eliphanten era Tripon die liet drijven, en ik vervoegde mij meede na de Triponder Coepang, daargekomen zijnde vertoevende aldaar, tot de sonne begon onder te gaan, en ziende dat den Adigaar zoo min als een zijner bediendens tot den ontvangst der boven gemelde goederen quiam opdagen gelaste ik de ar„ „gattijs dat zij, zouden vertoeven tot agt uur en wanneer dan niemand quam opdagen, dat zij dan met haare slengen en volk moesten na Nagapatnam komen, en iknam mijne reijze na d na herwaarts aan, nu volgens rapport van de Argattijs zoo is kort na dat ik van daar vertrokken ben, den Trepondischen Adigaaa uijt de Caldeer bosschen gekomen, verzeld met meer als vijftig taljaars, waarmeede de Argattijs en patnammers omzingeld wierden vervolgens de Argattijs gelaste, dat zij die goederen zouden op de wal brengen, waar op zij Argattijs ant„ woorden, dat zij geen goederen uijt de Chialengen op de wal bragten, dat als zij dat daar uijt wilde hebben, dat hij het dan met zijn eijgen daar uijt konde laaten. haalen; waarop hij haar met volk in slengen als arres„ tanten gelaste te blijven, en niet te vertrekken, ver„ volgens ontwaarden zij lieden, dat in die Caldeer bos„ schen sipaijs verborgen lagen, dus zijn zij argattijs en patnammers gebleeven, tot in de nagt tus„ schen den 20: en 21:, wanneer zij vernamen dat den van hier uijtgeweekene Canjema chittij van Naoer quam om haarlieden te bespringen, zijn zij stil met haare Slengen van daar gewee„ ken, zoo als zij ook op den 21: in den morgen stond bij den ondergeteekende aan huijs zijn gekomen. verhoope hiermeede aan uwer wel Edele Testr 213 Gestr: hoog gerespecteerde beveelen voldaan te hebben, en mij de hooge eere aanmatige met het diepst ontzag en hoogagting te onderschrij„ „ven /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer uwer wel Edele Gestrenge ootmoedigen en gantsch gehoorsamen Dienaar /:was geteekend:/ Iacob Hartman /:in margine:/ Nagapatnam den 22: Iunij 1778: Dat uijt het voorschreeven Rapport, aan zijn Edele niet alleen gebleeken was, dat schoon er alle moeijte tot redding was aangewend, en van de voorschreeve 12: stuks Elifanten, drie in het vaartuijg door het water gesmoord en een aan het strand gecreveerd was: en dat er dienvolgende maar agt beesten levendig aan de wal gebragt waren, die den Haweldaar van Tripondi aange„ houden en na zijn verblijf plaats ver„ voerd hadt; zonder die op de sterke in stantien van den Equipagie-meester Hart„ man te willen largeeren Dat Dat zijn Edele van deeze gebeurtenis aan den Albeschik van het Tansjoursche Hoff kennis gegeeven hebbende, teffens op funda„ ment van het regt van vrije strand, het geen, door een der voorige vorsten van Tansjour aan de Compagnie was verleend, de voorschreeve agt animaalen hadt te rug geeijscht, dan wel verzogt, zoo zijn Hoogheijd de voorschree„ ve beesten niet zou willen uijtleeveren, die dan te accepteeren in mindering van de 27: stuks, welke de Compagnie aan den vorst schuldig is voor agterstallige recognitie tot den Jaare 1777/8 inclusive. ! En dat zijn Edele tot meerder aandrang van dit verzoek teffens aangeboden hadt, om zoo zijn Hoogheijd, daar in wilde toestemmen, ook aan den vorst te zullen laaten afgeeven de 18: stuks Elifanten die hier aan handen zijn, en drie Jaaren ag„ terstallige recognitie penningen: waardoor aan de voldoening van het gansche tribut nog
English
only one elephant would still be lacking, which could be delivered in the following year. That, this all being comprehended in more detail in his Honour's letter written to the Albeschik, he would present it to the meeting; and this having been done, the contents were found to be as follows. To the Albeschik of the Tanjore Court, Batjena. A few days ago, a thonij which had been laden at Jaffanapatnam with twelve tribute elephants was smashed to pieces by strong winds and rough seas on the shores of His Highness's territory, specifically near the place called Wallapallam, belonging under the district of Tripondi, whereby the aforementioned elephants were in great danger of all suffocating in the seawater. Having received this news, I immediately sent thither the Master of Attendants of this place with the necessary vessels, men, and various necessities, in order if possible to lighten the said elephants from that stranded and largely shattered vessel, and bring them ashore alive. The aforementioned Master of Attendants executed this order to the extent that he brought eight of the twelve elephants ashore alive, while the remaining four were already suffocated in the water; whereupon the Master of Attendants, in accordance with what I had recommended to him, gave orders to the men he had with him to bring the same directly from there to the territory of the Company, specifically to Welleganij or Senhora de Saude. However, it pleased His Highness's havildar, who exercises authority over the districts belonging under Tripondi, to countermand that order and to detain the said eight elephants, notwithstanding that the Master of Attendants showed him that he had no right to detain those beasts, and that such treatment was contrary to the concluded contracts entered into both with the prince's illustrious ancestors and with His Highness, and the Dutch Company, and that therefore, being unwilling to use violence, he left the eight elephants at his responsibility, as well as the damage that might thereby be caused to the Company for his account. This equitable protest made by the Master of Attendants against the conduct of His Highness's havildar nevertheless did not deter the same from proceeding in his unreasonable intentions, and having those eight elephants transported by his people to Trepondi; of which the Master of Attendants having made a written report to me, the Interpreter of the Company wrote an ola in my name to the aforementioned havildar, whereby I made a claim to him for the eight elephants which he had unlawfully detained and transported to Tripondi, and that upon refusal thereof, he would be held liable for all the detrimental consequences that this unlawful detention might cause to the Company. Whereupon the havildar did not even deign to reply in writing, but told the bearer of the ola that he had to receive orders from Tanjore regarding this. This being the state of affairs with this matter, I considered it necessary to inform your Honour of this, in order to reclaim and demand back those eight elephants on the basis of the privilege that has been granted to the Dutch Company by His Highness's renowned ancestors, and also by His Highness himself, with respect to his shores, as is done herewith. However, in the event that this should not please your Honour, or His Highness should not consent thereto, I request that your Honour order the envoy Annatje Pandida residing here to accept the aforementioned eight elephants into account, along with eighteen more that have been here for a considerable time, and thus to grant a full receipt for the receipt of twenty-six elephants, to serve in reduction of twenty-seven which His Highness claims from the Company for the period of 9 years, or from anno 1769/70 to this year or anno 1777/8, while the one elephant that would then still be lacking is likewise to be satisfied in the following year. Meanwhile, I must express my surprise that your Honour still makes a claim at present for the five elephants which, having been sent from Jaffanapatnam, ran aground in the Bay of Tondi in the year 1767 and were supposedly kept by a certain Nalkoeti, since it appears from an original receipt granted to the Company by the envoy Mahadagie Jaggenada in anno 1770, and resting in my possession, that the 5 beasts have already been delivered to His Highness, and thus that dispute is settled. I expect from the friendship that still subsists between His Highness and the Dutch Company that your Honour will take the foregoing to heart and ensure that everything may be settled to the satisfaction of us both, whereupon the tribute monies which His Highness claims from the Company for the period of three years, or for anno 1775/6, 1776/7, and 1777/8, amounting to 15,000 pardaus, will likewise be handed over to the aforementioned envoy, in which I hope His Highness may find satisfaction, so that all the disputes may be settled and cleared out of the way, and the friendship may flourish constantly as always, to which I will very gladly contribute everything on my part; and therefore it will give me particular pleasure if your Honour informs me from time to time of His Highness's welfare, in which I take a great interest. Nagapatnam, 9 July 1778.
Dutch transcription
214 nog maar een Elifant zou mankeeren, die in het ander Jaar kongeleverd worden. Dat dit een en nieder breeder gecompre„ hendeerd staande bij zijn Edeles brief aan den Albeschik geschreeven, hij die, de vergadering zou voorhouden; en dit hier op geschied zijnde wierdt den inhoud bevonden als volgd. Aan den Albeschik van 'T Tansjoursche Hoff Batjena. voor wijnige dagen geleeden, is een thonij die tot Iaffanapatnam met Twaalf recognitie Eliphanten beladen geworden was, door sterke winden en onstuijmigheijd der zee op de stranden van zijn Hoogheijds gebied, en wel na bij de plaats, die genaamd word, wallapallam gehoorende onder het district van Tripondi, aan stukken gesleegen, waar door voornoemde Eliphanten in groot =gevaar geweest zijn om alle in het zeewater te smoren. De ze tijding ontfangen hebbende, zond ik ten eersten, met de noodige vaartuijgen, manschappen, en diverse benodigtheeden derwaards den Equipagie meester van deze plaats, ten eijnde des mogelijk gedagte Eliphanten uijt dat op staand ge„ slagene en voor een groot gedeelte verbrijselde vaartuijg te ligten, en levendig aan de wal te brengen Dit bevel heeft den voormelden Equipagiemeester in zo verre uijtgevoerd, dat hij agt stuks van de Twaalf Elifanten levendig aan de wal gebragt heeft, Terwijl de de overige vier stuks bereeds in het waater gesmoord waaren; waarop den Equipariemeester aan zijn bij hebbende man schappen, ingevolge het door mij hem aanbevolene, ordre ge„ geven heeft, om dezelve direct van daar te brengen op het territoir van de Comp:, en wel bepaaldelijk op Welleganij off Senhora de Saude, Dog het heeft zijn Hoogheijds haweld haar„ die het gezag voerd over de districten gehoorende onder Tripondi behaagt, die ordre te contramandeeren, en gedagte agt stuks Elifanten, niet tegenstaande den Equipagiemeester aan hem vertoonde, dat hij geen regt hadde, om die beesten aan te houden, En dat een diergelijke behandeling strijdog was, teegens de geslotene Con„ tracten zo met des vorstens doorlugtige voor vaderen als met zijn Hoogheijd, en de Hollandsche Comp: aange„ gaan, en dat hij oversulx, als geen geweld willende gebruijken, de agt stuks Elifanten ter zijner verantwoording, zo wel als de schade die aan de Comp: daar door mogte wer„ „den veroorsaakt voor zijn Reekening liet. Dese billijke protestatie door den Equipagie: mees„ ter teegens het gedrag van zijn Hoogheijds hawel„ dhaar gedaan, heeft egter denselven niet weder houden, om in zijne onreedelijke voornemens voort te vaaren, en die agt bliphanten door zijn volk na Trepondi te laaten vervoeren; waarvan den Equipagie meester 215 „meester mij schriftelijk rapport gedaan hebbende, heeft den Tolk van de Comp: een ola uijt mijn naam, aan voornoemde Haweldaar geschreeven, waar bij ik aan hem deed reclameeren de agt stuks Eliphanten, die hij op een onwettige wijze aangehouden en na Tripondi vervoerd hadde en dat hij bij weijgering van dien, aanspreekelijk ge„ houden wierde, voor alle de nadeelige gevolgen die dee„ ze onwettige aanhouding aan de Comp: mogte komen te veroorsaaken. waar op hij haweldhaar zig niet eens verwaardigt heeft, schriftelijk te antwoorden, maar aan de brenger van de ola gezegd heeft dat hij dier„ weegens van Tansjour ordre moeste ontfangen; Dusdanig het met dit geval geleegen zijnde, heb ik noodig geagt UE: hier van kennis te geeven, ten eijnde die agt Elephanten, of fundament van het voorregt, dat door zijn Hoogheijds roemrugtige voorvaderen, en teffens door zijn Hoogheijd zelve, met betrekking tot desselfs stranden aan de hollandsche Comp: is verleend geworden te reclameeren en terug vorderen, zo als bij dezen ge„ Schied Dog bij aldien uE: zulks niet mogte welgevallen, offte zijn Hoogheijd daarin niet mogte bewilligen, zo versoek ik dat UE: den zig alhier bevindende zendeling annatje Pandi„ daar wilt gelasten om de voormelde agt stuks Elifanten, nevens nog agtien stuks, die zig 't seedert een geruijmin tijd alhier bevinden in reekening te accepteeren, en dus voor voor den ontfangst. van ses en twintig Elephanten, een volleedige quitantie te verleenen, om te strekken in min„ dering van seven en twintig stux die zijn Hoogheijd voor den tijd van 9: Jaaren of van a:o 17 9/10 tot dit Jaar of anno 177 3/8 van de Comp: te pretendeeren heeft, Terwijl de als dan nog man„ „queerende Een Eliphant in het volgende Jaar meede staat voldaan te worden. Inmiddens moet ik mijn verwondering betuijgen„ overdat UE: thans nog pretensie formeerd op de vijff stu Elephanten, die van Jaffanapatnam gezonden weezende, in den Jaare 1767 in de bogt van Iondi vervallen geraakt, en door eenen Nalkoeti zouden gehouden weezen, daar het uijt een origineele quitantie door den zendeling Mahadagie Jaggenada in a:o 1770: aan de Comp: verleend en onder mij berust, komt te blijken dat de 5: beesten bereeds aan zijn Hoogheijd gele„ verd zijn, en dus dat verschil verevend is. Ik verwagt van de vriendschap die tusschen zijn Hoog leijd en de hollandse Comp: als nog subsisteerd, dat uE: het voorenstaande zal ter harten neemen, en bezorgen dat het een en ander tot ons beijder genoegen vereffend worden mag, wanneer de recognitie penningen die zijn Hoogheijd voor den tijd van drie Jaaren of voor anno 177 5/6 1776/7 en 177 7/8 van de Comp: tot 15000: pard:s te pretendeeren heeft, meede aan voor noemde zendeling zullen worden afgegeven, waarin ik hoop dat zijn Hoogheijd vergenoeging scheppen mag op dat die alle de verschillen vereffend en uijt de weg geruijmd weezen mogen, mitsgaders de vriendschap zo als althoos bestendig bloeijen mag, waar toe van mijne zijde zeer geern alles contribueeren wil, en oversulx sal het mij tot een bijsonder vergenoegen strekken, wanneer UE: mij van tijd tot tijd zijn Hoogheijt welvaard bedeeld, waarin ik veel deel neeme; Nagapatnam den 9: Julij 1778. 16
English
216 After reading the aforementioned letter, the Governor continued that, although the aforementioned offer of elephants and recognition monies was contrary to the resolution of this Council of the 26th of February last, His Honour had nevertheless deemed it necessary to make that offer, in order thereby the sooner to induce the prince to accept into account the aforementioned eight captured elephants, of which already as had been reported to His Honour three had perished. And that His Honour, moreover, had also proceeded to do so because the principal reason why the aforementioned resolution had been taken, namely the occupation of our borders, had now almost completely ceased through the return of the Manaairkoil subahdar Cannegasawra Poele, who, having obtained a letter of safe conduct from the Madraspatnam Governor, was shortly to depart from here for Tansjour to account for himself before his prince. The Governor further gave to understand that, according to the qualification obtained from Their High Mightinesses by secret letters of the 31st of December 1777 and 24th of April 1178, one may proceed to that delivery; and consequently that by holding them any longer, one would make oneself responsible for the loss that the Company would suffer if any beasts were to perish, and moreover that one would also be the cause of the further expenses necessary for their maintenance; further declaring that for all the aforementioned reasons His Honour expected that 217 the Council would be pleased to conform with his actions in this matter. Whereupon, after mature deliberation, and considering that the interest of the Company is substantially concerned whether the prince of Tansjour accepts the aforementioned 8 stranded elephants in reduction of the 27 head in arrears to him, or not; it was approved and agreed to conform completely with the prescribed arrangements of His Honour, which seem best suited to achieve the intended purpose, and consequently to deliver to the prince of Tansjour, on the proposed terms, the 18 recognition elephants present here, together with three years of overdue recognition monies, amounting to 15000 pardauws, as soon as His Highness, according to ancient custom, shall be pleased to send an envoy for them, provided with a proper receipt. Furthermore, it was not only agreed to notify the Jaffanapatnam ministers of the aforementioned occurrence, in so far as it is necessary, but also to kindly request Their Honours to inform this Council of the reason why and by whom the prescribed 12 beasts were shipped in a vessel at Kaits, contrary to their explicit orders. However, it was meanwhile agreed to enter the amount of f 17163:6:- charged for this in the Jaffanapatnam invoice of the 10th of June into the Nagapatnam trade books of 1777/8, according to 218 the order on the elephant account, and also to write off f 8246:18:8, being the cost of the aforementioned four perished animals, in favour of this account and to the debit of the Nagapatnam Outer City. Lastly, it was agreed to reply briefly in a separate letter to the secret dispatch of the Jaffanapatnam Ministers of the 26th of June, stating that they are kindly thanked for the communication provided regarding the permission granted to Cannegasawea Poele to depart hither, simultaneously informing them of his arrival here and impending departure for Tansjour. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid. Below stood, signed as before. Monday the 27th of July 1778. In the morning at 9 o'clock. Meeting of Policy. Absent: The Merchant and Fiscal Joan Daniel Simons, and the Titular Merchant Martinus Koning, on account of indisposition. The Bimilipatnam chiefs having communicated at large by secret dispatch of the 24th of June of this year, of which the duplicate was recently received, that in the month of April last an application had again been made to them on the part of Prince Viscarama Rasoe regarding the renewal of the lease of Bimilipatnam; that they, having entered into negotiations thereupon with the prince's dewan Dantaloerie Tirpittij Rasoe, the latter, upon his 219 first arrival, had declared that his prince, for the restoration of the old friendship with the Company, was inclined to lease Bimlipatnam, with the thirteen villages formerly under it, to the Company for five years and 15000 rupees annually; provided that the Company, as a proof of its returned friendship, in the present distressed condition of the Raja, came to his aid with a loan of 300000 rupees at the interest of half a percent per month; that for the repayment of that principal sum, his prince not only offered to allow the aforementioned lease monies to serve in reduction, but furthermore also promised to remit annually as much money as the state of his affairs would permit.
Dutch transcription
216 Na het leezen van den voorsz: missive heeft den Heer Gouverneur vervolgd, dat hoewel de voorsz: aanbieding van Elifanten en recognitie penningen strijdig was tegens het besluijt dee„ „zer Taffel van den 26:e Februarij Jongst„ leeden, zijn Edeles egter noodig geoordeeld hadt„ die aanbieding te doen, om daar door den vorst te eerder te beweegen tot het in reekening accepteeren van de voormelde agt stuks aan„ gehouden Elifanten, waar van er reeds. (:zoo men zijn Edele gerapporteerd hadt:/ drie ge„ creveerd waren. En dat zijn Edele, boven dien, daartoe ook was overgegaan, wijl de voornaamste ree„ „den, waarom het opgemeld besluijt genomen was, namentlijk het bezetten onzer limiten, tans genoegzaam ten eenemaal was gecesseerd door de terug komst van den Ma„ naair koilschen soubedhaar Cannegasawra Poele gen Poele, die een brief van vrijgeleijde van den Ma„ draspatnamschen Gouverneur erlangd hebben„ „de, binnen kort van hier naar Tansjour stond te vertrekken om zig voor zijnen vorst te verantwoorden. Gevende den Heer Gouverneur wijders nog te kennen, dat, volgens de erlangde qua„ lificatie van Hunne Hoog Edelheeden bij secreete letteren van den 31: December 1777 en 24: April 1178. men tot die afgave tree„ den mag; en gevolgelijk dat men door hun langer aan te houden, zig zou verant„ woordelijk stellen voor het verlies dat de Compagnie zou lijden, zo er eenige beesten kwamen te creveeren, en boven dien dat men ook Oorzaak zou weezen, van de verdere ongelden die tot hun onderhoud noodig waren onder verklaaring verder, dat om alle de voormelde reedenen zijn Edele verwagte, dat 217 dat den Raad zig wel met desselfs verrigtingen in deezen zou gelieven te conformeeren. waarop na rijpe deliberatie, en uijt aan„ merking dat het belang van de Compagnie en merkelijk aangeleegen is, of den vorst van Tansjour, de voormelde 8: stuks ge„ strande Elifanten in mindering van de aan hem agterstallige 27: stuks, accepteere of niets goedgevon en verstaan zig met de voorschreeve schikkingen van zijn Edele, die best het daarmeede bedoeld wordend oogmerk schijnen te zullen bereijken, volkomen te con¬ formeeren, en dien volgende op den gepropo„ neerden voet aan den vorst van Tansjour af te geven de alhier aan handen zijnde 18: stuks recognitie Elifanten, nevens drie Jaar agterstallige recognitie penningen, bedragende 15000: pardauws, zoo dra zijn Hoogheijd volgens volgens het oud gebruijk, daarm ee zendeling zal gelieven te zenden, voorzien van een behoorlijke quitantie. voorts is niet alleen verstaan van het voorgewaagd geval, voor zoo ver het noodig is, kennis te geeven aan de Iaffanapatnam sche ministers, maar ook Haar Ed: vrien delijk te verzoeken, om deezen Raade te in„ formeeren van de reeden waarom ? mitsga„ ders door wie, de voorschreeve 12: beesten tot kaits in een vaartuijg afgescheept geworden zijn, tegens haare nadrukkelijke ordre aan: Dog is ondertusschen egter verstaan, „ het bij Iaffanapatnamsche Factuur van den 10e Junij. daar voor aangeree„ „kend bedraagen van ƒ 17163: 6:— bij de Naga„ „patnamsche Negotie boeken van 177 7/8, na de 218 de ordre op de reekening van Elifanten te laaten inneemen, mitsgaders weder ten faveure van deeze reekening, en ten lasten van de Naga„ patnamsche Buijtenstad met ƒ 8246:18:8: afte schrijven het kostende van de voormelde vier gecreveerde animalen. Laastelijk is verstaan op het secreet-schrij„ „ven der Iaffanapatnamsche Ministers van den 26: Junij kortelijk bij een apart briefje te antwoorden, dat men dezelve vriendelijk be„ dankt voor de gegeven communicatie van de verleende permissie aan Cannegasawea Poele om naar herwaarts te mogen vertrekken; onder bedeeling teffens van zyn aankomst alhier en aanstaande vertrek naar Tan„ „sjour Aldus Gedaan en Gearres¬ /:onderstond:/ teerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was get:/ als vooren. — Maandag den 27:' Iulij 1778. Smorgens ten 9: uuren vergadering van Politie Absent Martinus Koning Den koopman en Fiscaal Joan Daniel Simons en den koopman titulair mits indispositie Door de Bimilipatnamsche opperhoofden bij Secreete missive van den 24: Junij deezes Jaars, waarvan het Duplicaat onlangs ontvangen is, in het breede gecommuniceerd zijnde, Dat in de maand April Jongstleeden van de zijde van den Prins viscarama Rasoe, weder bij hun aanzoek was gedaan wegens het vernieuwen van de Pagt van Bimili „patnam Dat zij daar op in onderhandeling getreeden weezende met Svorsten Duan Dantaloerie Tirpittij Rasoe; deeze bij zijne 219 zijne eerste aankomst verklaard hadt, dat zijnen vorst tot herstelling van de oude vrand„ „schap met de Maatschappij genegen was Bim„ „lipatnam met de van te vooren daar onder ge„ weest zijnde dertien Dorpen aan de Compagnie in pagt over te laaten voor vijff Jaaren en 15000: ropijen sjaars; mits dat de Maatschappij, als een bewijs van haare wedergekeerde vriendschap, in den tegenwoordigen kommer„ lijken toestand van den Radja, hem te hulp kwam, met een geld leening van 30'0000: — ropijen tegen den interest van een half per„ cent smaands: Dat tot voldoening van dat capitaal zij„ nen vorst niet alleen aan bood de voorsz: pagt penn: in mindering te zullen laaten dienen, maar daar en boven nog beloofde om Jaarelijks zoo veel geld over te maaken, als de gesteldheijd van zijne zaaken zoude gedogen
English
tolerate; and that the remainder would be promptly paid by His Highness upon the expiration of the lease: or that otherwise Bimilipatnam and the villages belonging under it would remain as an amicable pledge under the administration of the Company until that debt was paid, and finally that, if the Company over and above all this still desired sureties to prevent damage, His Highness offered the Government of Madras or one of the most prominent Saukaars of this coast as his guarantors. That they, the chiefs, considering on the one hand the advantageous opportunity to regain the lease of Bimilipatnam on very favorable conditions that should not be neglected, and on the other hand the uncertainty in which they were as to whether this Government would be inclined to do so, seeing that they had not yet received the letter of this assembly of the 20: March, in that uncertainty had judged it best to enter into negotiations with His Highness's envoy concerning the entering into a new Contract, but everything only conditionally or under this express proviso, that the complete confirmation of the Contract would be left entirely to this Government: the chiefs declaring further that they would not be able to engage in any contracting on any other footing, because the Raja's extraordinary demand for money was a matter to which they had never been permitted to give the least encouragement. After which was further continued by them: That upon entering into negotiations with the Duan hereupon, as a proof of the prince's willingness to maintain the Company in all its rights, they had desired and stipulated by a preceding article the return of the Sanadoes or bond-deeds of the merchants, which had been extorted from them nearly three years ago now, and this because those bond-deeds not only could not fail to make a bad impression on the authority of the Company in those lands and the freedom of the merchants, but in addition were also very detrimental to the interest of the Society itself, seeing that the merchants thereby had been obliged to bind themselves to pay nearly a thousand Pagodas annually to the prince and his Ministers, which must excessively degrade their affairs and at the same time their credit. That the Duan had not only confirmed the aforementioned remarks of the chiefs, but had also declared that the Prince Visiarama Rasoe entirely disapproved of the extortion of the aforementioned sanadoes and would make not the slightest objection to returning the same in originali, or to annul them by virtue of his authority through a counter-document; and that the Duan subsequently had also not made the least difficulty in promising this preliminary condition in the name of his prince: That hereupon, to mutual satisfaction, a Contract was drafted on the previously mentioned conditions, after the model of the previous five-year Contract; after which the Duan had departed to report on his proceedings. However, that as soon as he had arrived at Bopie, difficulties had arisen concerning the sanadoes of the merchants, of which first the prince through an equivocal answer, and afterwards his Ministers under the pretext that they could not be found, had sought to evade the return thereof, and that this duplicitous treatment had had such an effect on the servants that, to prevent bad consequences, they had resolved to refrain entirely from entering into any Contract. And that in consequence of this decision they, the chiefs, had taken back the copy of the Contract; and subsequently had given the prince to know that if His Highness was of a mind to contract concerning Bimilipatnam, he would then please address himself directly to this Government: with a request at the same time to send someone to take over the lands held in lease for so long, which subsequently had occurred on the 20: June, The chiefs further not only making a declaration that, since the Raja was about to be restored again to his former esteem, they had regarded the entering into such a Contract as a very desirable matter for the interest of the Company, but also an earnest request to this Government that, if one here, as they supposed, might enter into negotiations with the prince concerning the entering into a new Contract, one would please above all stipulate the return of the Sanadoes of the merchants, for the reasons cited above, to which they added in conclusion that by the retention of those sanadoes, the article in the Contract was entirely destroyed whereby the prince promises not to molest the merchants, nor theirs, directly or indirectly. Whereupon, after reading the aforementioned missive, its contents having been maturely deliberated upon, and everything that could be brought forward both for and against taking Bimilipatnam into lease again having been attentively considered under the present circumstances of the times on this coast, above all since the war has broken out in Europe between England and France, through which the theater of war on the Coromandel will possibly also be opened between the two Nations within a few days: thus it has been approved and resolved, in answer to the aforementioned missive, to write to the Bimilipatnam chiefs
Dutch transcription
gedogen; en dat het resteerende door zijn Hoog„ „heijd prompt zouw worden voldaan bij het expireeren van de pagt: of dat anders Bi„ milipatnam en de daar onder behoorende „der dorpen, zoo lang als een pand „ minne, on„ „der het beheer van de Comp: zou blijven tot die Schuld voldaan was, en En eijndelijk dat, zoo de Comp: boven dit alles nog borgen begeerden tot voorkoming van schaade, zijn Hoogheijd de Regeering van Madras of een van de voornaamste Sau„ kaars ter deezer kust als zijne waar borgen aan bood Dat zij opperhoofden overweegende aan de eene zijde, de voordeelige gelegendheijd om Bimilipatnam weder in pagt te krijgen op zeer favorable kunnen voorwaardens, die niet moesten worden verwaarloost, en aan den anderen kant, de 220 de onzekerheijd waarin zij waaren, of deeze Regeering daartoe wel zou inclineeren, ge„ merkt dezelven de brief deezer vergadering van den 20: Maart nog niet ontvangen hadden, in die onzekerheijd best geoordeeld met zijn Hoogheijds zendeling hadden, in onderhandeling te treeden over het aan gaan van een nieuw Contract, dog alles maar conditioneel of onder deeze expresse mits, dat de volkome bevestiging van het Contract ge„ heelijk zou worden overgelaaten aan deeze Regeering: verklaarende de opperhoofden verder dat zij sig op geen anderen voet in eenige Contractatie zouden kunnen in laa„ ten, uijt hoofden den buijten gewoonen Geld Eijsch van den Radja, een zaak was waar toe zij nimmer de minste aanmoediging hadden mogen geven. waarna wederom door dezelven wierd vervolgd vervolgd. Dat zij hier op met den Duan in onder„ handeling treedende, tot een bewijs van 's vor„ sten bereijdwilligheijd om de Comp: in alle haare geregtigheeden te handhaven bij een voorafgaand articul begeerden bedongen had„ „den de te rug gave van de Sanadoes of ver„ bandschriften der kooplieden, die men nu bijna drie Jaaren geleden, hun hadt afge„ dwongen, en zulks uijt hoofden die verband„ schriften niet alleen een kwaaden indruk moesten maaken op het gezag van de Compag„ nie daar te landen, en de vrijheijd van de kooplieden, maar boven dien ook zeer nadeelig waren voor het belang van de Maatschappij zelve, gemerkt, de kooplieden zig daarbij hadden moeten verbinden, om Jaarelijks bij naduijzend Pagooden aan den vorst en zijne Ministers op te brengen, dat hunne zaa„ ken 221. ken en teffens haar Crediet te zeer moest ver„ agteren. Dat den Duan de voorschreeve aanmer„ kingen van de opperhoofden niet alleen gewestigd maar teffens verklaardt hadt dat den Prins visiarama Rasoe het afperschen van de voor„ schreeve sanadoes geheel afkeurde en geen de minste bedenking zou maaken om de „zelve in originali te rug te geeven, of uijt krag„ „te van zijn gezag door een tegengeschrift Duan vervol¬ te vernietigen; en dat den gens ook geen de minste zwaarigheijd ge maakt hadt, om uijt den naam van zijnen vorst dit voor afgaand beding te beloven: Dat hier op tot weder zijds genoegen op de voorwaards gemelde Conditien, een Con„ tract ontworpen was, na het voorbeeld van Contract; waarna het voorig vijfjaarig den Duan was vertrokken om verslagte doen doen van zijne verrigtingen. Dog dat zoo dra hij te Bopie was aan„ gekomen er zig zwaarigheeden hadden opge„ daan omtrent de sanadoes der kooplieden waarvan eerst den vorst door een twijfelag„ tig antwoord, en daarna zijne Ministers, onder voorwend zel dat zij niet te vinden waren, de te rug gave daarvan hadden zoe„ ken te ontwijken, en dat deeze dubbelhartige behandeling van die uijtwerking op de Be„ dienden geweest was, dat zij tot voorkoming van kwaade gevolgen besloten hadden geheelijk af te zien van het aangaan van eenig Con„ „tract En dat ingevolge van dit besluijt zij opper„ hoofden te ruggenomen hadden het afschrift van het Contract; en vervolgens aan den vorst hadden laaten te kennen geven, dat zoo zijn Hoogheijd van meening was om wegens Bimilipatnam te Contracteeren, hij zig dan 222 dan direct geliefden te addresseeren bij deeze Regeering: met verzoek teffens om iemand te zenden, tot het overnemen van de dus lang in pagt gehouden landen, het geen vervol„ „gens op den 20: Junij geschied was, Doende de opperhoofden wijders niet alleen betuijging dat dewijl den Radja we„ „der in zijn voorig aanzien stond te worden hersteld, zij het aangaan van een dierge „lijk Contract, als een zeer wenschelijk zaak voor het belang van de Compagnie hadden aangezien, maar ook een ernstig verzoek aan deeze Regeering, om zoo men hier gelijk zij supponeerde, met de vorst in onder„ handeling mogt treeden over het aangaan van een nieuw Contract, men voor al de te rug gave van de Sanadoes der kooplie„ den geliefden te bedingen, om de voor„ waarts aangehaalde reedenen, waar bij zij tot slot nog voegde, dat door het aanhou„ de den van die sanadoes, geheelijk vernietigt wierdt, het art: in het Contract, waar bij den vorst beloofd de kooplieden, nog de hun„ „ne, directelijk of indirectelijk te zullen molesteeren. waarop, na lectuure van den voorschree ven missive, over dies inhoud rijpelyk gede„ libereerd, en met aandagt overwogen zijnde al het geen zoo voor als tegen het weder in pagt neemen van Bimilipatnam kon worden bij gebragt in de presente tijds omstandigheeden ter deezer kuste, voor al daar den oorlog, in Europa tusschen Enge„ „land en vrankrijk, ontstooken is, waar door mogelijk binnen wijnig dagen het toneel des oorlogs, op Chormandel ook zal geopend worden tusschen de beijde Natien: zoo is goedgevonden en verstaan, in antwoord op den voorschreeve missive, de Bimi„ lipatnamsche opperhoofden aan te schrij„ ven
English
that this Government, in the present precarious times, has found the condition of the Vizianagaram Princes to be so constituted that it was rather advisable not to contract with them at all; that however, since the servants trusted that a much more advantageous contract could now be entered into with Prince Viziarama Razu than the previous one had been, because he had already offered to lease Bimilipatnam and its subordinate villages anew to the Company for the term of five years and 15000 rupees per year, one wished, if necessity absolutely required the retaking of Bimilipatnam and dependencies on lease, to persist in what had been written to them in that regard by secret letter of 23 March last, namely: that if an opportunity should present itself to them to take Bimilipatnam with its dependencies again on lease for the term of three years (but no longer), for a lower price and on more reasonable terms than were stipulated in the previous contract, they might proceed thereto, but not otherwise. That however, since that advantageous offer from the side of the Princes had been conditional or on this proviso, namely that the Company, as a proof of its returned friendship, should assist the Raja with a loan of 300000 rupees at the interest of ½ percent per month, this Government was very pleased that, owing to an intervening dispute over the return of the Sanads of the merchants, no provisional contract had been concluded, as one would never have approved it on such a footing; and that they are consequently recommended, if they should enter into negotiations once more with the Princes concerning the retaking of Bimilipatnam on lease, not to give the slightest hearing to requests that might be made on the part of the Princes with respect to any money loan, but on the contrary to decline them outright in the most civil manner, even if they were to offer ever so much security and the most favorable conditions. Furthermore, it having been taken into consideration whether, upon entering into an advantageous contract in which the return of the Sanads of the merchants especially ought to be stipulated, one might indeed proceed to an advance provision to the Princes of the entire amount of the whole lease for three years: it was approved and understood, in view of the fact that one is sufficiently secured for that sum by the lands taken on lease, to qualify the servants thereto as well in the outgoing letter, provided the aforementioned condition is specifically stipulated. And further to write to them that as soon as the Prince's letter (of which they make mention) is received here, one will deliberate further on this matter, and in case anything else should be resolved here concerning it, one will notify them directly or convey the further order of the Council. Further, in continuation of what was discussed concerning the rebellious inhabitants, it was shown to the meeting by the Governor that His Honour, in the last held session of the 16th of this month, had notified the Council of the return to the village of Willepalium of a portion of the departed shopkeepers and painters, and at the same time remarked that His Honour had derived hope from this that the remaining inhabitants of this city and villages, following this example, would also have returned to their dwellings within a few days. Yet that His Honour had found himself not a little deceived in this opinion when he came to learn that the aforementioned painters, rejecting their promises, having absented themselves again, had returned to their previously departed comrades; That this mutinous behavior, and the staying away of the remaining troublemakers, had finally, and as it were against his will, compelled His Honour to employ the merchant Tieromeny Chitty, who was involved in this matter, in order to see whether he might not, through his influence, cause them to return again. That hereupon the said Tieromeny Chitty had departed thither on 19 June and returned on the 22nd thereafter, bringing with him a paper on which were written in the Malabar language all the points of grievance which the inhabitants, having previously submitted them, had been answered by His Honour; with an urgent request to be allowed to obtain a further clarification on some responses given by His Honour. That having received this elucidation shortly thereafter, he had departed thither again with it, alongside the Company's interpreter and Brahmin, under assurance that if they were satisfied with the aforementioned answer of His Honour, he would return within 2 to 3 days. Yet that this, with the asking of questions and answers back and forth, had nevertheless been delayed until the 17th of this month, when all the departed inhabitants of this city and the villages situated thereunder, with the exception of the craftsmen, the carpenters, masons, smiths, and coppersmiths, had returned, and indeed to a number of eight thousand heads had appeared before His Honour. That on that occasion the heads of each caste had presented their thanks to his
Dutch transcription
223 „ven, dat deeze Regeering in den presenten hageelijken tijd, den toestand van de visia nagaramsche Princen, zoodanig geconsti„ tiuceerd heeft gevonden, dat het eerder raad„ zaam was met hun niet als al te con„ tracteeren; dat egter wijl de Bediend en vertrouden dat er thans met den Prins visiarama Rasoe een vrij voordeeliger Con¬ „tract zou kunnen worden aangegaan, als het voorige geweest was, door dien hij reets aangeboden hadt om Bimilipatnam en Com¬ onderhoorige Dorpen, op nieuw aan de pagnie in pagt over te laaten voor den tijd van vijff Jaaren; en 15000: ropijen des jaars, men, zoo de noodzaakelijkheijd het abso„ lut vorderde om Bimilipatnam en HL: weder in pagt te moeten neemen, wel„ wilden persisteeren bij het geen hun dierwegens was aangeschreeven bij se„ creete creete missive van den 23: Maart Jongst„ leeden naamentlijk dat zoo hun occasie mogt voorkomen om „ Bimilipatnam met dies onderhoorig heeden, wederom voor den tijd van drie Jaa¬ ren (:dog langer niet:) in pagt te kun„ nen neemen, voor minder prijs en op redelijker voorwaarde als er bij het voorige Contract be„ dongen waren, zij daartoe konden overgaan, dog anders niet.„ Dat egter, wijl die voordeelige aanbie ding van de zijde der Prineen Conditioneel of onder deeze mits was geweest, dat nament„ „lijk de Maatschappij, als een bewijs van haare wedergekeerde vriendschap den Radja be„ hulpzaam zou dienen te weezen met een leening van 300000: Ropijen tegens den intrest van ½ percent smaands, deeze Regeering zeer verblijd was, dat er door een tusschen beijde gekomen verschil over de te rug gave „ „ 724 gave van de Sanadoes der kooplieden, geen provisioneel Contract was gesloten geworden, al„ zoo men het nimmer op zoodanigen voet zou hebben geapprobeert; en dat men hun gevolge„ lijk recommandeerd, zoo zij nog eens met de Princen mogten in onderhandeling 'treeden over het weder in pagt neemen van Bimili„ „patnam, om geen het minste gehoor te geeven aan verzoeken die van weegen de Princen mog„ ten worden gedaan met opzigt tot eenige geld„ leening, maar die daar en tegen op de civielste wijze Glad van de hand te wijzen, schoon min hun nog zoo veel securiteijt en de favorabelste voorwaarde mogt aanbieden. wijders in overweeging genomen zijnde of men bij het aangaan van een voordeelig contract waarbij vooral dienden bedongen te weezen, de te ruggave van de Sanadoes der kooplieden, wel zou kunnen overgaan, tot tot eene voor uijt verstrekking aan de Princen„ van het geheel bedragen van de gansche pagt in drie Jaaren: zoo is uijt aanmerking dat men voor die som genoeg gesecureerd wordt door de in pagt genomen landen, goed gevonden en verstaan de Bedienden daar toe bij den affgaanden brief almeede te qualificeeren, mits bepaaldelijk bedingende de opgemelde voorwaarde. En hun voorts nog aan te schrijven, dat zoodra 's Princen brief (:waarvan zij gewage:) alhier ontvangen wordt, men over deeze ma„ terie nader zal besoigneeren, en ingeval daaromtrent alhier iets anders mogt worden geresolveerd, men er hun direct kennis van geven, of de nadere ordre van den Raad zal doen toekomen. wijder is, ten vervolge van het ver„ handelde, omtrent de oproerige inwooners, door 225 door den Heer Gouverneur ter vergaderinge ver„ „toond, dat zijn Edele in de laast gehouden sessie van den 16: deezer maand, aan den Raad kennis gegeven hadt vande te rug komst in het Dorp willepalium van een gedeelte der „. uijtgeweeken Boutiqueers en schilders, en teffens geremarqueerd, dat zijn Edele hier door hoope geschept hadt, dat de overige in„ wooners van deeze stad en Dorpen, dit voet„ spoor volgende, ook binnen wijnig dagen zouden zijn te rug gekeerd na haare woo„ ningen. Dan dat zijn Edele zig in deeze meening niet wijnig bedroogen gevonden hadt, toen dezelve kwam te verneemen, dat de voorschreeve schilders met verwerping van hunne beloften, zig weder geabsenteerd heb„ „bende, te rug gekeerd weren na haare bevorens uijt geweeken makkers; Dat Dat dit muijtzeek gedrag, en het weg blij„ „ven van de overige oproermakers, zijn Edele Eijndelijk, en als tegens wil en dank genood„ zaakt hadt, om den in deeze zaak geme„ leerden koopman Tieromenij Chittij, te ge„ bruijken, ten eijnde, te zien, of hij door zijn vermogen hun niet weder zou kunnen doen te rug keeren. Dat hier op den gemelden Tieromeni„ Chittij op den 19: Junij derwaarts ver„ „trokken en den 22: daaraan weder te rug gekeerd was, meede brengende een papier, waarop in de Mallabaarsche taale ge schreeven stonden alle de poincten van be„ zwaar die de inwooners bevoorens opgegeven hebbende, door zijn Edele beantwoord ge¬ worden waren; met instantie, om op eenige door zijn Edele gegeven response een nadere opheldering te mogen erlangen. Dat 226 Dat hij deeze elucidatie kort daarop bekomen hebbende, daarmeede, nevens Comp: Tolk, en Bramine wederom derwaarts vertrok „ken was, onder verzekering dat zij met het voorschreeve antwoord van zijn Edele verge„ noegd weezen, binnen 2: â 3: dagen te rug komen zoude. Dog dat dit egter, met het doen van vra„ gen en antwoorden over en weder nog getand„ deerd hadt tot op den 17: deezer, wanneer alle de uijtgeweeken invooners van deeze stad en de daar onder gelegen Dorpen, excepto van de Ambagtslieden, de Timmerlieden, Met„ zelaars, smits, en kooper slagers, te rug „ge gekeerd, en wel tot een getal vernagt duijzend koppen voor zijn Edele verschenen waren. Dat bij die gelegendheijd de Hoofden van 1. ieder Casta hunne dank betuijgingen bij zijn
English
having paid their respects to His Honour for the gracious answers given to them regarding the requests they had presented, had at the same time declared that they, being completely satisfied therewith, would now return with peace of mind to their dwelling places and to their occupations, but in the meantime they, on behalf of themselves and all the other inhabitants, begged His Honour for forgiveness for their rebellious and obstinate conduct: and that this had been answered by His Honour in brief but appropriate words, whereupon they had departed in good spirits to their homes; That the reason why the aforesaid craftsmen had hitherto refused to return, solely as had been reported to His Honour, consisted in this, that to them had not yet been granted the privilege which had been promised to them at the time of their departure by Canjema Chithij, as Head of the Castes, and by some other Heads of the inhabitants of this City, namely: the use of a palanquin during their ceremonial solemnities, especially at weddings and deaths, and the freedom to make a circuit over a larger territory with it than had been permitted to them under the administration of the Ordinary Councillor and Governor Pieter Haksteen of blessed memory; That this permission, however insignificant it might appear at first sight, was a matter of great importance among the Malabars, about which very much agitation had been raised in the time of Mr Haksteen, as the Resolutions of that time and His Honour's posthumous Memorandum demonstrated; and that consequently it had thus far not been advisable to interfere in disputes between the castes; That His Honour consequently would for the present leave this dispute to time, but in the meantime requested that a record of what had been communicated by His Honour with regard to the departed inhabitants might be kept in the Resolution of this day, to serve as a conclusion to His Honour's actions in these vexatious affairs. Whereupon, after deliberation, it was not only approved and understood, in accordance with the desire of His Honour, to keep the aforesaid record, but also, with expressions of thanks for the kind communication, to congratulate the Governor on behalf of the assembly upon the good success of His Honour's actions in this matter, and the return of the inhabitants. Furthermore, the Governor produced the letters mutually exchanged between His Honour and Mr William Petri at Naver. And whereas, after the reading thereof, it appeared to this Council that, to the prejudice of the privileges of the Company and contrary to the Protest of the Administration, full possession of the sea-place Naoer has been taken by the English, as they, according to what was communicated by the aforesaid William Petri in his letter of the 12th of this month, have placed him at Naoer as Chief on behalf of the English East India Company: it is therefore, considering that nothing more can be done by the Administration for the preservation of the Company's privilege than what has already been done, approved and understood to keep a record of this conduct of the English, or the taking possession of Naoer, hereby as proof in due time. Below stood: Thus Done and assisted in the Castle at Nagapatnam on the date aforesaid, Saturday the 15th of August 1778, in the morning at 9 o'clock. Council of Policy Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning on account of indisposition. Yesterday morning around eleven o'clock, handed to the Governor by a certain English gentleman named Joseph Revell, and produced today by His Honour, a missive written to this Administration by the Governor and the Gentlemen of the Secret Committee at Madraspatnam on the 3rd of this month, reading, translated into the Dutch language, as follows: To the Right Honourable Reijnier van Vlissingen Esqr, Extraordinary Councillor and Director for the Affairs of the Dutch Company on the Coast of Coromandel, and the further Members of the Council thereof, at Nagapatnam. Right Honourable Sir and Gentlemen, The state of affairs in Europe and the orders we have received to commence hostilities against the French make it necessary that we should have a Resident at Nagapatnam; we have appointed Mr Joseph Revel thereto, to reside in your Fort with your Honour's permission, and rely on your Honour's friendly assistance in providing him with a house, together with a boat or catamarans as circumstances require, as well as to apply to your Honour on all such occasions as he may have need of. We have the honour to be with the highest regard, Below stood: Right Honourable Sir and Gentlemen, Your Honours' very obedient servant, was signed: Thomas Rumbold, John Whitehill, Charles Smith. In the margin: Fort St George, 3 August 1778. Whereupon, the contents of the said missive having been maturely deliberated upon, it was noted that the acceptance of a Resident, Agent, or Consul, whether of the English or French Nation, at Nagapatnam and the other factories of the Company on this coast, was very emphatically prohibited by Their High Mightinesses by letters of 10 July 1759, 10 June 1760, and 15 April 1761; it was approved and understood to politely excuse the acceptance of a Resident, Agent, or Consul on behalf of the English Company at Nagapatnam on the grounds of the aforesaid order, by a missive that shall be prepared forthwith. Furthermore, after reading, it was understood solely to note hereby the receipt from Bimilipatnam of the Chiefs' original secret missive of 24 June last, with the enclosures mentioned therein, from
Dutch transcription
zijn Edele afgelegd hebbende, voorde aan hun gegeve gratieuse antwoorden op de door haar voorgedragen verzoeken, teffens verklaard had„ den, dat zij daarmeede volkomen vergenoegd wee„ zende, nu met gerustheijd na haare woonplaat„ „zen en tot haare verrigtingen zouden te rug keeren, dog intusschen voor hun en alle de overige inwooners zijn Edele baade om ver„ giffenis voor hun oproerig en halsterrig ge„ drag: en dat dit; door zijn Edele in korte dog gepaste woorden beantwoord was, waarna zij wel gemoed vertrokken waren na hunne huijzen Dat de reeden waarom de voorschreeve Ambagtslieden tot nog toe wijgerde te rug te keeren, eenlijk zoo als men aan zijn Edele gerapporteerd hadt, hier in bestond, dat aan hun tot nog toe niet toegestaan was het vooregt, het geen door Canjema Chithij als cd 227 als Hoofd der Castens, en door eenige andere Hoofden van die inwooners deezer Stad, aan haar was beloofd geworden, bij hunne uijtwij„ „king naamelijk: het gebruijk van een palen„ quin bij hunne Ceremonieele plegtigheeden, vooral bij trouw en sterfgevallen, en de vrij„ heijd om daarmeede een grooter terreijn. te mogen rondgaan, als haar onder de Regee¬ „ring van den Heer Raad ordinair en Gouverneur Pieter Haksteen (:L: M: was toegestaan geworden; Dat deeze vergunning hoe gering ook op het oog, onder de mallabaaren een zaak was van groot gewigt; waar over ten tijde van de Heer Haksteen zeer veel bewee„ „ging was gemaakt geworden, gelijk de Resolutien van die tijd en zijn welEdeles nagelaaten Memorie aantoonden; en het dienvolgende tot nog toe niet raadzaam was was zig in verschillen tusschen de castes te meleeren. Dat zijn Edele dienvolgende dit verschil voor eerst den tijd zou bevolen laten, dog onder„ tusschen verzogt dat van het gecommuni„ ceerde door zijn Edele met opzigt tot de uijtgeweeken inwoners bij de Resolutie van heeden aanteekening mogt worden gehou„ den, om tot slot te kunnen dienen van zijn Edeles verrigtingen in deeze verdrie„ tige affairen. - zoo is; na deliberatie niet alleen goed gevonden en verstaan na de begeerte van zijn Edele de voorschreeve aanteekening te houden maar ook onder dankzegging voor de ge„ negene Communicatie, den Heer Gouverneur uijt naam van de vergadering te vergeluk„ „ken met het goed succes van zijn Edeles verrigtingen in deezen, en de te rug komst van de inwooners. - wijsders 228 wijders heeft den Heer Gouverneur geprodu„ ceerd de tusschen zijn Edele en de Heer William Petri te Naver over en weder gewisselde brieven. En dewijl na lectuure van dezelve, deezen Raade gebleken is, dat in prejudicie van de voorregten der Maatschappij, en tegen het Protest der Regeering, door de Engelsche volkomen bezit genomen is van de Zeeplaats Naoer, alzo zij den voorschreeve william Petri, volgens het door hem gecommuniceerde bij brief van den 12: deeser als opperhoofd van wegens de Engelsche Oost- Indische Com¬ pagnie op Naoer geplaatst hebben: zoo is, uijt aanmerking er door de Regeering tot behoudenis van Compagnies voorregt niets meer kan gedaan worden, dan er bereeds gedaan is, goedgevonden en verstaan, van dit gedrag der Engelschen of het in possessie neemen neemen van Naoer, bij deezen aantekening te houden tot bewijs in der tijd. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en gerasisteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: Saturdag den 15: Augustus 1778 Smorgens ten 9: uuren Vergadering van Politie Absent Den koopman en Fiscaal Martinus Koning mits indispositie Gisteren morgen circa elf uuren, door zeker Joseph Revell, Engelsch Heer in naame den Heer Gouverneur ter hand gesteld, en heden door zijn Edele geproduceerd zijnde, een missive door den Heer Gouverneur en de Heeren van het secreet Comitte te Madraspatnam in dato 3: deezen aan deeze Regeering geschreeven: luij dende in de Nederlandsche taale getransla„ teerd 229 teerd zijnde als volgd. Aan den welEd: Reijnier van Vlissingen Esq=r Raad Extra ordinair en Directeur voor de Belangen van de Hollandsche Com„ pagnie op de Cust van Cormandel ende verdere Leeden van den Raad daarvan tot Nagapatnam WelEdele Heer, en Heeren De gesteldheijd van saaken in Europa en de ordres die wij ontfangen hebben van Hostiliteijten tegens de Fransche aan te fangen doet 't noodsaakelijk ƒ ^ te Nagapatnam, wij hebben zijn dat wij een Resident zouden hebben ^ d' Heer Ioseph Revel daartoe aangesteld om met uwelEd: permissie in uwelEd: Fort te Resideeren, en verlaaten ons op uwel Ed: vriendelijk adsistentie van hem met een huijs te besorgen, nevens Een Boot of Cattomarauws zo als de omstandigheeden 't ver„ Eijschen, gelijk ook bij alle zulke voorvallen als hij zal benodigt weezen aansoek bij uwelEd: te doen. wij hebben d' Eer te zijn met de volmaakste agting /:onderstond:/ welEdele Heer en Heeren uwel Edelens zeer gehoorsaame Dienaar /:was geteekend:/ Thr:s Rumbold, John Whitchilt, Charles Smith. /: in margi¬ ne:/ Fort S„t george 3: aug.:s 1778. — zoo zoo is over den inhoud van gemelden missive rijpe„ lijk zijnde gedelibereerd, aangemerkt, dat het accepteeren van een Resident, Agent of Consul„ het zij van de Engelsche of Fransche Natie op Nagapatnam en de andere Comptoiren van de Compagnie ter deezer kuste door Hunne Hoog Edelheeden zeer nadrukkelijk is gein„ terdiceerd geworden bij brieven van den 10: Julij 1759, 10: Junij 1760: en 15: April 1761. , goedgevonden en verstaan het accepteeren van een Resident, Agent of Consul, van wegens de Engesche Compagnie op Nagapatnam, uijt hoofde van de voorschreeve ordre beleefdelijk te excuseeren, bij missive die ten eersten zal worden in gereedheijd gebragt. voorts is na lectuure verstaan, bij dee„ zen eenlijk te noteeren, den ontvangst van Bimilipatnam, van der opperhoofden originee„ le secreete missive van den 24: Junij laast„ leeden, met de daar bij vermelde bijlaagen, uijt
English
because on the 27th of July, upon the duplicate thereof received, the necessary resolutions have already been taken. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date as above. Signed: as before. Sunday the 16th of August 1778 By circular inquiry A letter written by Mr. Joseph Revel to the Lord Governor, dated at Naoer today, having been circulated for reading to the respective Members by the sworn clerk of the secretariat here, Ian Ioachim Wasz, by order of the Lord Governor, the translation of which reads as follows: To the Right Honorable Lord Reijnier van Vlissingen Extraordinary Councillor and Director for the Interests of the Dutch Company on the Coast of Chormandel and to the Members of the Council at Nagapatnam Right Honorable Lord and Gentlemen I have the honor to acknowledge the receipt of Your Honor's letter dated yesterday and to inform Your Honor that I have today communicated the contents thereof to the Right Honorable Lord Governor and Secret Committee of Fort St. George. Since at this time I have no desire to return to Madras, I request to know whether Your Honor would be willing to permit me to reside in Your Honor's Fort as a private person. I have the honor to be with much respect, Right Honorable Gentlemen, Your Honor's very obedient humble servant. Signed: Ioseph Revell. In the margin: Nagoere 16 August 1778. Whereupon, after the reading of the aforementioned letter, upon the alternative question posed in the name of the Lord Governor, namely, whether one shall grant the aforementioned Ioseph Revell, according to his request, permission to come and reside here as a private person, or whether one shall suspend the definitive answer to his request until an answer shall have been received from the Secret Committee at Madras to the letter of this Government which, according to yesterday's resolution, is being dispatched today; it has been approved and resolved not to declare definitively on the letter of Mr. Revell until a reply shall have been obtained to the letter of this assembly which is now being sent to Madras, since from that answer one trusts to be fully informed whether the Madraspatnam Government is inclined to let someone reside here on their behalf without holding a public character. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date as above. Friday the 21st of August 1778 In the evening By circular inquiry It having been seen from a letter dated the 13th instant from the Sadraspatnam chiefs, circulated by the Lord Governor with the sworn clerk Ian Joachim Hasz, that by them, upon the request of the Madraspatnam Government, Mr. Daij had been accepted as Resident on behalf of the English Company at Sadras: so it is that, because the acceptance of Residents, Agents, or Consuls of foreign Nations has been absolutely forbidden by several letters from Their High Excellencies, and particularly by letters of the 10th of July 1759, 10th of June, and 15th of April 1761, of which prohibition, however, the servants seem to have been ignorant, it has been approved and resolved, while sending the necessary extracts from the aforementioned letters, to order the Sadraspatnam chiefs to request Mr. Daij in a polite manner to leave their factory again, or to lay down his character in order to continue residing with them as a private person, since, being invested with the same, he may not be accepted at any factory of the Company according to the orders standing against it; further notifying the servants that they may indeed, in this case, grant him the protection of the flag, but otherwise not, without this permission, however, being allowed to be extended by the servants to more persons of the English or French Nation; since the Council in this regard resolves to refer to the contents of its latest circular letter of the 16th of August. Furthermore, with regard to not accepting a Resident, Agent, or Consul of the English or French Nation, it has been resolved also to write what is necessary to Palleacatta, as the servants there are possibly also ignorant of the orders operating against it, and it is not improbable that a similar application may also be made there on behalf of the English or French Government. Thus done and resolved in the Castle at Nagapatnam on the date as above. Signed: as before. Friday the 28th of August 1778. In the morning at eight o'clock Meeting of the Council of Policy Absent The Merchant and Fiscal Martinus Koning due to indisposition There was produced in the meeting by the Lord Governor a petition presented to His Honor by and on behalf of the collective emigrant castes of craftsmen, namely: the blacksmiths, carpenters, coppersmiths, silversmiths, and stonemasons; the same being of the following content: To the Right Honorable and Highly Esteemed Lord Reijnier van Vlissingen Governor and Director of this Coast of Cormandel, with the jurisdiction thereof, etc., etc. Right Honorable and Highly Esteemed Lord The collective castes of the craftsmen
Dutch transcription
230 uijt hoofde men op den 27: Julij, op het daar„ van ontvangen Dupplicaat bereeds het noodige besloten heeft. Aldus Gedaan en Gearres„ /:onderstond:/ „teerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend: /. als vooren. Sondag den 16: Augustus 1778 Bij rondiraag Door den gezworen klerk ter secretarije al„ hier Ian Ioachim Wasz:, op ordre van den Heer Gouverneur bij de respective Leeden, ter Lectuure rondgebragt zijnde een missive door de Heer Joseph Revel aan den Heer gouver„ neur geschreeve, gedateerd te Naoer op heeden luijdende dies Translaat als volgd. Aan den welEd: Heer Reijnier van Vlissingen Raad Extra- ordinaire in Directeur voor de Belangen van van de Hollandsche Compagnie op de kust van Chormandel en aan de Leeden van den Raad tot WelEdele Heer en Heeren Ik heb de Eer te bekennen 't ontfangst van uwel Ed: Brief van de datum van gisteren en uwelEd: te informeeren als dat ik heeden den inhoud„ daarvan aan den welEd: Heer gouverneur en secreete Committéé van Fort St: George gecommuni¬ ceert hebbe. Terwijl ik ter deezer tijd geen verlangen hebbe om na Madras weerom te gaan zo versoek ik te mogen weeten of uwelEd: mij wel wil permit„ „teeren in uwelEd: Fort te woonen als een par„ ticulaire perzoon. Jk heb de Eer te zijn met veele agting /:onderstond:/ wel Edele Heeren Heeren uwelEd:s zeer gehoorsamen onderdanige Dienaar /:was get:/ Ioseph Revell /:in margine Nagoere 16: aug:s 1778 zoo is, na lectuure van den evengemelden Nagapatnam missive 231 missive, op de alternative vraage uijt naam van den Heer gouverneur gedaan, of men nament„ „lijk, den voorschreeven Ioseph Revell, volgens zijn versoek, zal toestaan om hier als een particulier Perzoon te mogen komen woonen, dan of men het positief antwoord op zijn ver„ soek zoo lang surcheeren zal, tot men op den brief den Regeering die volgens besluijt van gisteren, op heeden verzonden wordt, van het secreet Committe te Madras antwoord zal erlangd hebben, goedgevonden en verstaan op den brief van M:r Revell niet eerder positief te verklaaren, tot men op den brief deezer ver„ gadering, die thans na Madras verzonden wordt, rescriptie zal erlangd hebben, nadien men uijt dat antwoord, vertrouwt volkomen te zullen worden onderrigt, of de Madras pat„ namsche Regeering genegen is, hier iemand van haarentweegen te laaten woonen, zonder het bekleeden van een publicq Caracter /:onderstond:/ van /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gearresteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: Vrijdag den 21: Augustus 1778 d's avonds Bij rondvraag uijt een door den Heer Gouverneur met den Ge„ „zwooren klerk Ian Joachim Hasz: rond ge„ zonden brief van de sadraspatnamsche opper„ „hoofden in dato 13: deezer, gezien zijnde, dat door hun, op het verzoek van de Madraspat„ sche Regeering, den Heer Daij als Resident van wegen de Engelsche Compagnie tot sadras was geaccepteerd geworden: zoo is, wijl het accepteeren van Residenten, Agenten of Con„ „suls van vreemde Natien bij verscheijde brie„ ven van Hunne Hoog Edelheeden en wel speci„ aal bij brieven van den 10: Julij 1759. 10: Junij en 15: April 1761. absolutelijk is verboden geworden 18 232 1778 geworden, dog van welk verbod de Bedienden onkundig schijnen geweest te zijn, goedge„ vonden en verstaan onder toezending van de nodige Extracten uijt de voorschreeve brieven, de Sadraspatnamsche opperhoofden te gelasten, om den Heer Daij op eene beleef„ „de wijze te verzoeken om hun Comptoir weder te verlaaten, of zijn Caracter afte leggen om bij hun als een particulier per„ zoon te blijven woonen. nadien hij met het zelve bekleed weezende op geen Comptoir van de Compagnie mag worden geaccepteerd, volgens de daar teegen leggende ordres, onder aanschrijving verder aan de Bedienden, dat zij aan hem in dit geval, de protectie van de vlag wel kunnen toestaan, maar anders niet, zonder dat deeze vergunning egter door de Bedienden zal mogen worden g'extendeerd, tot meerder perzoonen van de Engelsche of Fransche Natie; wijl den 137 den Raad ten deezen op zigte verstaat, zig te refereeren aan den inhoud van Haaren Iongsten circulaire missive van den 16: Aug:s voorts is met op zigt tot het niet accep„ Resident, Agent, of Consul „teeren van een van de Engelsche of Fransche Natie, verstaan ook het noodige na Palleacatta aan te schrijven, wijl mogelijk de Bedienden aldaar meede onkundig zijn van de daar tegen meliteerende ordres, en het niet onwaar Schijnlijk is, dat daar ook van wegen de Engelsche of Fransche Regeering, een diergelijk aanzoek kan worden gedaan. /:onderstond:/ Aldus Gedaan en gearres„ „teerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/: als vooren. — Vrijdag 233 Vrijdag den 28: Augustus 1778. Smorgens ten agt uuren Vergadering van Politie Absent Den koopman en Fiscaal Martinus koning mits indispositie Is door den Heer Gouverneur ten vergade„ ringe geproduceerd, een Request aan zijn Edele gepresenteerd door en van wegens de gezament„ „lijke uijtgeweeken castens den Ambagtslieden, te weeten: de Smits; Timmerlieden, koper slaagers zilver Smiths en steenhouwers: zijnde het zelve, van den volgenden inhoud Aan den wel Edelen Groot Agtb: Heer Reijnier van Vlissingen gouverneur en Directeur deezer Custe Cormandel, met den resor„ „te van dien etc: eta: Wel Edele groot Agtbaare Heer De gezamentlijke Castens der ambagtsleeden te de che
English
namely blacksmiths, carpenters, coppersmiths, silversmiths, and stonemasons, take the respectful liberty most humbly to represent to Your Right Honourable: 1. That the Right Honourable Pieter Haksteen, of blessed memory, having visited the Northern Factories at the beginning of his administration here as Governor and Director of this Coast, his Right Honour on that occasion, at all those factories as well as at other foreign places, saw and also learned that it was customary everywhere that whenever someone from the aforementioned castes married, he had the privilege of having himself, together with the bride, carried in a palanquin around the town. Consequently, having returned from that journey, he spoke about this matter with the merchants, painters, etcetera here, and likewise granted the same to the petitioners, but only around two certain blocks that were designated to them, as well as in the villages, with the sole exception of the remaining streets or five blocks where other heathen castes live. Having wished, on a certain occasion or shortly after obtaining it, to make use of this permission at the wedding of one of their caste, a great opposition immediately arose against it from the other castes outside of their own, committing various hostilities and acts of coercion, to such an extent that the aforementioned Governor had a detachment of soldiers sent out to counter that hostile act, which was also quelled by the shooting dead and wounding of some people who had opposed it. 2. That notwithstanding this, during the recent exodus of the inhabitants of this town to Naoer, the head of the castes Canjema Chittij and some of his so-called councillors or managers sent an ola or letter to this town to the petitioners and persuaded them to leave this place immediately and join their mutinous plot in order, as the saying goes, to pull on the same rope with them; while the Company merchant here, Tieromenij Chittij, had promised the humble petitioners, because they had continuous disputes regarding the use of palanquins at their weddings, that he would give them 100 pardauws and would also ensure that they would obtain that permission from the other castes, if only they would abandon this place and join the gathered mob at Naoer. Upon this promise, the petitioners, hoping that in this way they would attain their wish, against all given orders, presumed to leave this place and go to Naoer. 3. That, having arrived there, the principal ringleaders of the mutiny to be named below, who had assumed the role of or claimed to be heads of the castes, namely Coenja Chittij, Anna Chittij, Moergappa Poele, Commarappa Chuttij, Soeraatje Chittij, Bimilipatnam Chidembara Poele, Lamia Poele, Wengadassale Moddelij, Rittij Rengen, and Welepalium Natamakara (being the principal ones) alongside Armogata Poele and Naijnaar, in the presence of the Havildar of Naoer, promised to secure for them the same privilege that they, for their part, sought to obtain for themselves through this exodus; and in confirmation of this promise, mutual gifts of linens were made, so that the petitioners, relying on this, remained there. Meanwhile, after the passage of some days, the aforementioned heads called the petitioners and asked them whether they had anything to say or complain about regarding any gentlemen at Nagapatnam. Answering this, they said that they had nothing against any of the gentlemen, but on the contrary had complaints against themselves, because the permission obtained by them to be allowed to use a palanquin at their weddings had been taken away by them in a violent manner. Upon this, they promised that when the merchant arrived there, they would then grant them an ola in accordance with the petitioners' desires; but in the meantime, they said, you must see to it that the blacksmiths and carpenters who work in the garden China, along with the other craftsmen still residing at Nagapatnam, come hither, without any of them remaining in the town. Meanwhile, Tieromenij Chittij went to Naoer, joining Canjama Chittij and the aforementioned first-named principal 11 ringleaders of the mutiny, saying while expressing their pleasure that the petitioners had done very well to be present at Naoer, with the promise
Dutch transcription
te weeten Smits, timmerlieden, kooperslagers zilver smits en steenhouwers, neemen de eerbiedige vrijheijd uwel Edele Groot Agtbaare nedrigst te vertoonen 1. ) Dat den wel Edelen Groot Agtbaaren Heer Pieter Haksteen /:L: M:/ in het begin van Hoogst desselfs besteer alhier, als Gouverneur en Directeur deezer Custe, naar de Noorder Comp„ „toiren ter visite geweest zijnde, zijn welEdele groot Agtb: bij die occagie op alle die Fac„ „torijen zoo wel, als andere vreemde plaatzen gezien en ook vernomen hebbende, dat alomme dezelve in usantie was, wanneer eene van de bovengemelde Castens trouwde, dat dan het voorregt hadt, om zig nevens de bruijd in een palen„ quin rondsom de stad te mogen laaten dra„ „gen, en dus na dat van die reijze te rug gekomen was, met de kooplieden, schilders etc:a alhier, dierwegens gesproken, aan de supplianten zulx meede toegestaan hadde, dog alleen maar Rond„ som twee zeekere blokken, die haar aangewee„ zen wierden, en ook in de Dorpen, met uijt„ sondering alleen van de overige straaten of vijf blokken, alwaar andere heijdensche Cas„ tens 234. „tens woonen; van welke permissie de supplianten dan ook op zeekeren tijd, of te kort na de optinee„ ring derzelve, een gebruijk, bij gelegendheijd van de bruijloft van eene van haare Casta hebbende willen maaken; wanneer zig direct door de overige Castens die buijten haar zijn, een groote oppo„ sitie daar tegen opdeed, onder het pleegen van verscheijde hostiliteijten en dwangmiddelen, in zoo verre zelfs dat welmelden Heer Gouver„ neur een Commando van militairen lief af gaan, om die vijandelijke daad tegen te komen, het geen ook gestut wierd door het doodschieten en blesseeren van eenige menschen, die daar te„ „gens aangekant hadden. - 2:/ Dat ongeogt dezelve bij de Jongste uijtwij„ king der inwoonders deezer stad na Nader, den hoofd der Castens Canjema Chittij en eenige van zijne zoo genaamde raadslieden of de zaak bezongers, aan de Supplianten een ola of brief na deeze stad gezonden en gepersuadeerd hadden, om deeze plaatse ten eersten te verlaaten en bij haare gemuijte com„ plot te vervoegen, ten eijnde met haar zo als men zegd, aan een lijn te treken; terwijl den Compag„ niet Coopman alhier Tieromenij Chittij aan de nedrige vertooners beloofd hadt, dewijl zij dog dog geduurig disputen hadden, wegens het gebruij„ „ken van palenquins op haare bruijloften, hij haar 100: pardauws geeven, en teffens maaken zoude, dat zij die permissie van de overige Castens quamen te erlangen, wanneer zij slegts deeze plaatze abon„ donneeren en na Naoer bij de te zaamen gerotte complot zig vervoegen wilde; Op welke belofte dan de vertoonders, in hoope dat zij door deezen weg, haaren wensch erlangen zouden, tegens alle gegevene ordres aan, zig verstouwd hadden, deeze plaatze te verlaaten, en na Naoer te gaan. 3. ) Dat zij daar gekomen weezende, door de naar te noemene principaalste muijtemakers, die zig als hoofden den Castens aangematigt ofte uijtge„ geven hadden, te weeten Coenja Chittij, Anna Chittij, Moergappa Poele, Commarappa Chuttij, soeraatje Chittij, Bimilipatnam Chidembara Poele Lamia Poele, wengadassale Moddelij, Rittij Rengen, en welepalium Natamakara /:zijn„ „de de voornaamste :/ nevens Armogata Poele en Naijnaar, ten bijweesen van den Naoerschen Ha„ weldaar beloofd hadden, hun het zelfde voorregt te zullen bezorgen, wat zij aan haare zijde door deeze uijtwijking, voor haar zelven zogten uijtte werken 235 werken, en tot bevestiging van deeze belofte, wierd over en weder presenten van lijwaaten gedaan, invoegen de vertooners daarop zig verlaatende, aldaar gebleven waren; terwijl na verloop van eenige dagen de voor„ „melde hoofden de supplianten geroepen en haar ge„ „vraagd, of zij iets op eenige Heeren op Nagapat„ nam te zeggen of te klagen hadden, zij daar op antwoordende zeijden, dat op niemand der Heeren iets, maar in tegendeel op haar zelven te zeggen wis„ ten, door dien door haar de verkreegene permissie om op hunne bruijloften een palenquin te mogen gebruij „ken, op eene geweldadige wijze ontnomen was gewor„ „den. Hier op beloofden zij, wanneer den koopman al„ daar quam, als dan volgens der supplianten begeer„ tens een ola aan haar te zullen verleenen; dog in tusschen zeijden zij, moet gijlieden maaken dat de Smits en timmerlieden die in de thuijn China wer„ ken, nevens de overig te Nagapatnam zig nog ophoudende ambagtslieden herwaarts komen, zonder dat iemand van haar in de stad blijft. on„ derwijlen begaf zig Tieromenij Chittij op Naver„ vervoegende hem bij Canjama Chittij en de voorsz: eerstgenoemde voornaamste 11: muijtemakers, zeijdende onder het betuijgen van haare genoe„ „gen, dat de supplianten zeer wel gedaan hadden, dat zij zig op Naoer lieten vinden, onder be„ lofte ij uij
English
promise, of securing for them the same desire which they on their part also wished to have; and as assurance of this their renewed promise, they further said, while presenting betel and areca, that they would jointly grant an ola to the petitioners as proof thereof. In like manner, the frequently mentioned Iuromenij Chittij, having since returned to Naoer 2 to 3 times, had repeatedly told the petitioners that he would, according to their agreement and the promise made, arrange for them that which they claim; but contrary to this, they subsequently departed from Naoer and went to this city, without giving the petitioners the slightest notice or word regarding their departure or their made promise. Then, because to this date the aforementioned heads of the defected do not appear to wish to fulfill their made promise: the petitioners very humbly request Your Right Honourable to be pleased to compel them to grant the aforesaid promised ola, in proof that the petitioners may freely and unhindered use palanquins at their weddings, or, in case of unwillingness thereto, to kindly order them to pay the expenses 236 the expenses which they, the petitioners, jointly to the number of well over 900 heads, have been forced to incur for about four months through their summons, or at their persuasion and instigation, according to the records kept by the petitioners, whereupon they would then very gladly return to this city and to their former peace, to continue their craft for the Company and the other gentlemen, etc., as before; provided, however, that they never intend to work again for any of the aforesaid natives or their castes who have become their adversaries, both those in this city and those who live in the villages, as they wish to hold themselves expressly excused therefrom. It was subscribed: Which doing, etc. And this document having been carefully deliberated upon, it was remarked, among other things, by the Governor; that the Company's merchant Tieromeni Chittij in the first place, and the collective heads of the castes that had defected in the second place, must be regarded as the sole instigators instigators of the defection of the craftsmen, as having persuaded and induced them thereto by promising them the free and unhindered use of a palanquin at their weddings, a matter which they knew the aforesaid castes were very keen on; although they now did not wish to permit them this, and furthermore that, because by making these promises, the truth of which they could not deny, they had been the cause of the desertion of the craftsmen, the aforesaid heads, or rather in the first place Tiromenij Chittij, who after all had to be regarded as the principal ringleader or rather the sole instigator of the recently committed riot, consequently also ought to be compelled to give satisfaction to the aforesaid craftsmen in order thereby to facilitate their return; which 237 had become extremely necessary, seeing that since their defection not only the principal work of the Mint had stood still, but also not the slightest repair to Company and private buildings, much less to the ships and vessels lying here in the roadstead, had been able to take place. And subsequently, on the basis of the weighty motives just cited, upon the further proposition of His Honour, it was approved and resolved to summon the Company's merchant Tieromenij Chittij into the meeting during this assembly; and to announce to him and command him in serious terms on behalf of the Council that, since he must be regarded as the sole cause of the defection of the craftsmen, he shall also have to ensure without any failure that the aforesaid craftsmen return to their homes within the time time of eight days, either by securing for them, according to their twofold request, the free use of a palanquin when holding their weddings, as had been promised to them, or by paying them the expenses which they all together, or rather to the number of 900 heads, had been obliged to incur during their defection, or finally to settle this matter in one amicable way or another to the satisfaction of those castes; with a threat at the same time to him, that otherwise he will be held liable for all the adverse consequences that might arise therefrom. And the repeatedly mentioned Iieromenij Chittij having thereupon been summoned into the meeting, the Governor caused the just-mentioned resolution of the Council to be made known to him through the mouth of the interpreter, with orders 238 to comply therewith without any pretexts or exceptions; and also to report in writing to this Government concerning the return of the aforesaid craftsmen, of which it is at the same time understood to keep a record hereby. It was subscribed: Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam, date as aforesaid. It was signed: As before. — Monday the 31st of August 1778. In the morning at eight o'clock. Council of Policy Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning, the titular Mint Master and Adigar Willem Duijnevelt, and the junior merchant and Dispenser Ian Appengh, due to indisposition. Upon the demonstrated necessity by the chief of Sadraspatnam, the merchant
Dutch transcription
loft teffen, van, aan haar dezelfde begeerte te zul„ len doen erlangen, die zij van haare zeijde meede verlangden te hebben; en tot verzeekering van deeze haare andermalige promesse, zeijden zij, onder het geven van betel en arreek alverder, dat zij geza„ mentlijk een ola aan de supplianten tot bewijs voon dien verleenen zouden. gelijk meermelde Iuromenij Chittij sedert weder 2: â 3: maalen op Naoer gekomen weezende, telkens aan de supplianten gezegt hadt aan haar volgens hunne afspraake en gedaane belofte dat geene te sullen besorgen, wat zij pre„ tendeeren; dog in tegendeel van dien braken zijlieden sedert van Naoer op, en begaven zig na deeze stad, zonder aan de supplianten iets of het geringste van hun vertrek, ofte derzelver gedaane belofte kennisse te geeven, dan wel te zeggen. Dan dewijl tot dato deezes de voormelde hoof„ den der uijtgeweekenen, haare gedaane promesse niet schijnen te willen naarkomen: zoo versoe„ „ken de supplianten uwel Edele Groot Agtb: zeer demoedig, haar te willen constringeeren tot het verleenen van de voorsz beloofde ola, ten bewijze dat de Supplianten op haare bruijloften vrij en onverhinderd palenquins mogen gebruijken, dan wel bij onwilligheijd hier toe, haar goedgunstig lijk te ordonneeren tot de voldoening van de on„ gelden 236 „gelden die zij supplianten gezamentlijk ten getalle van ruijm 900: koppen, circum circa vier maanden lang door haare oproeping, ofte op derzelver persuca„ „tie en toedoen genoodzaakt zijn geweest, te doen, volgens de aanteekeningen die zij supplianten daar van gehouden hebben, wanneer zij dan zeer gaarne weder na deeze stad en tot haare voo„ rige rust komen zouden, om haaren ambagt voor de Compagnie en de verdere Heeren etc: als voor heen voorte zetten; onder deeze mits nog„ tans, dat zij nooijt meer voorneemens zijn om voor iemand der voorsz: Inlanders ofte haare Castens die haare partijen geworden zijn, zo wel die in deeze stad, als de geene die in de Dorpen woonen te werken, alzo zij zig expresselijk daar van g'excuseerd willen houden. /:onderstond:/ Twelk doende &a. En is over dit schriftuur met aandagt ge„ delibereerd zijnde, onder anderen door den Heer Gouverneur aangemerkt; dat Compagnies koop„ man Tieromeni Chittij in de eerste plaats, en de gezamentlijke Hoofden van de uijtge„ weeken geweest zijnde Castens in de twee de plaatsche, voor de eenige bewerkers moe„ „ten „ten gehouden worden van het uijtwijken der Am„ bagtslieden, als hebbende dezelve daartoe overgehaald, en bewogen, door hun het vrije en onverhinderd gebruijk van een Palenguin op haare bruijloften te belooven, een zaak waar op zij wisten dat de voorschreeve Castens sterk gesteld waren; schoon zij hun dit nu niet wil„ den permitteeren, mitsgaders dat wijl zij door het doen van deeze beloften, waarvan zij de waarheijd niet konden ontkennen oorzaak geweest waren van het ontwijken der Ambagtslieden de voorschreeve Hoofden, of wel in de eerste plaats Tiromenij Chittij, die tog moest worden gehouden voor den voor„ naamste belhamel of liever den eenigen bewerker van het jongst gepleegde oproer gevolgelijk ook diende te worden geconstrin„ geerd om de voorschreeve Ambagtslieden ge„ noegen te geven ten eijnde daar door hunne te rug komst te bevorderen; die ten 237 ten uijtersten noodzaakelijk geworden was, ge„ merkt sedert hunne uijtwijking niet alleen het principale werk van de Munt stilgestaan hadt, maar ook geen de minste reparatie aan Compagnies en particuliere gebouwen, veel min nog aan de alhier ter Rheede leggende Scheepen en vaartuijgen hadt kunnen geschieden. En vervolgens uijt hoofde van de zo even aangehaalde gewigtige motiven op de verdere propositie van zijn Edele goedgevonden en ver„ Tieromenij Chittij staan Comp:s koopman staande deeze bij eenkomst in vergadering te ontbieden; en denzelven uijt naam van den Raad in ernstige termen aan te zeggen en te gelasten, dat nadien hij, als de eenigste oor„ zaak van het uijtwijken der Ambagtslie„ „den moet worden aangemerkt, hij ook zonder eenig manquement zal hebben te bezorgen, dat de voorsz: Ambagtslieden binnen den tijd tijd van agt daagen, weder te rug keeren na hunne huijzen, het zij, door hun, volgens den zelver tweeleedig verzoek, het vrij gebruijk van een Palenquin, bij het houden van hunne bruij loften, gelijk aan hun beloofd was, te bezorgen, dan wel aan haar te voldoen, de kosten die zij met hun alle of wel ten getallen van 900:— koppen, geduurende hunne uijtwijking verpligt geweest waren, te maaken, of eindelijk die affaire op deeze of geene andere minzaame wijze tot genoegen van die castens af te maa„ ken; met bedrijging teffens aan dezelven, dat men anders; hem aansprekelijk houden zal, voor alle de nadeelige gevolgen die daar uijt zou„ den komen te ontstaan. En hier op den meergemelden Iieromenij Chittij in vergadering ontbooden weezende, heeft den Heer Gouverneur door monde van den Tolk het evengemeld besluijt vanden Raad aan hem doen bekend maaken, met last om 238 om daar aan zonder eenige uijtvlugten of exceptien te voldoen; mitsgaders van de te rug komst der voorschreeve ambagtslieden, aan deeze Re„ geering rapport te doen in scribtis waar van teffens verstaan is bij deezen notitie te houden.- Aldus Gedaan en gear¬ /:onderstond:/ resteerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ als vooren. — Maandag den 31: Augustus 1778. Smorgens ten agt uuren. Vergadering van Politie absent. den koopman en Fiscaal Martinus Koning, den _„ tit: Muntmeester en Adigaar Willem Duijnevelt, en „ onderkoopman en Dispencier Ian Appengh mits indispositie Op de aangetoonde noodzaakelijkheijd door het opperhoofd van Sadraspatnam den Koopman
English
merchant Willem Blaaukamer (who, pursuant to the Resolution of this Board of 26 March of this year, had been qualified to execute a certain momentous Commission on behalf of the Ceylon Government to the Court of the Nabob Machomet Alichan) that one must not appear before the Nabob with empty hands, that is, without a substantial gift, if one wished to advance his cause; and having obtained the authorization for this from the Ceylon Government, the Governor having written to the aforementioned chief by secret letter of 27 July instructing him to state to His Honour what gifts would be most agreeable to the Nabob and what the entire gift should amount to; the same has answered thereupon by a separate letter of the 12th of this month, that the Gift ought to be substantial and properly proportioned to the wealth and prestige of the Giver and recipient, as well as to the nature of the interest that one sought to advance through its bestowal; which in respect of his Commission was not small, but rather large; and that he consequently, however difficult it was to make a good guess in such a matter, had judged that the aforementioned gift should consist of: 2 small Elephants, males, as equal as possible, between three and four feet high 2 pieces of floral velvet 2 to 3 pieces of gold or silver fabrics 50 lb cloves 50 lb nutmegs 50 lb mace 50 lb cinnamon 2 ounces oil of cloves 2 ounces oil of nutmeg 2 ounces oil of mace, and 2 ounces cinnamon. Wherefore, having maturely deliberated upon this, in view of the importance of the matter—regarding which Governor Falck of Ceylon, in his secret letter written to the Governor, even deigned to remark that it must not be neglected through untimely parsimony—it was approved and resolved to fix the gift for the Nabob at 800 to 900 Old Pagodas, and furthermore to request the Governor hereby to undertake the arrangement thereof, as has been readily done by His Honour. Thus Done and Resolved in the Castle at Nagapatnam, date as above. Signed as above. Saturday, 5 September 1778. In the morning at nine o'clock. Council of Policy. Absent: The merchant and Fiscal Martinus Koning The merchant titular Mintmaster and Adigaar Willem Duynevelte The junior merchant and Dispenser Ian Appengh, due to indisposition. After the offering of the prayer, it was remarked by the Governor that during the last-held meeting of 28 August, the Company's merchant Tieromenij Chittij had been notified that, whereas he had been accused in the Petition of the five Castes of Craftsmen of being the principal cause or instigator of the departure of the aforementioned Craftsmen, he should also ensure, without any failure, that the aforementioned Castes returned to their houses or dwellings within the space of eight days, either by providing them, in accordance with their two-fold request, with the free use of a Palanquin, or else by reimbursing them for the expenses they were compelled to incur during their departure, or otherwise by settling that affair in the most amicable manner to the satisfaction of the Craftsmen; with the simultaneous threat that he would otherwise be held accountable for all the adverse consequences that might result therefrom. However, instead of literally fulfilling this order, the joint merchants, having come to His Honour on the 3rd of this month, declared that all of them together, and thus much less the Company's merchant Teeromenij Chittij alone, saw no chance in the world of persuading all the different Right-Hand castes to allow the five castes of Craftsmen the free use of a palanquin at their weddings, and the carrying of the Bridegroom and Bride therein through a larger perimeter of the town than was granted to them in the time of Governor Haksteen; but that they, as far as it concerned them, willingly consented thereto, and as proof thereof were inclined to hand over to His Honour a document signed by all of them confirming this agreement of theirs: That His Honour, upon this declaration of theirs (made in the presence of the Company's Interpreter and several other prominent Malabars of the Right-Hand Caste), ordered the Company's Brahmin to draw up a document thereof in the form of a declaration in the Malabar language, which was willingly signed by all of them, and the contents of which were as follows: Translation of a Malabar Paper, the Contents of Which Are as Follows: We, the undersigned Company merchants, grant this to the Right Honourable Reinier van Vlissingen, Governor and Director of this Coast of Coromandel and its dependencies. Whereas the carpenters, blacksmiths, coppersmiths, etc., of the five Castes, have requested of Your Right Honour for a palanquin, both in the north street where the processional chariot of the idol Sjattanada Swamiar is pulled, and on the east side of the pagoda Naganada Swamiar, or close to the town wall, and
Dutch transcription
koopman willem Blaaukamer (die volgens Re„ solutie deezer Taffel van den 26: Maart deezes Jaars, was gequalificeerd geworden, om een zekere gewigtige Commissie van wegen de Ceijlonsche Re„ geering aan het Hoff van den Nabab Machomet Alichan ten uijtvoer te brengen:/ dat men met geen leedige handen, dat is zonder een aanzien „lijk geschenk voor den Nabal moest verschijnen„ zoo men wenschte zijne zaak te bevorderen, en op de daar toe erlangde qualificatie van de Ceijlonsche Regeering, den Heer Gouverneur het voorschreeve opperhoofd bij secreete missive van den 27: Julij aangeschreeven hebbende om aan zijn Edele op te geeven wat geschen ken den Nabab het aangenaamst zoude weezen, en wat het geheel geschenk wel zou dienen te bedraagen! heeft denzelven daar op bij Aparte missive van den 12: hugjus, ge„ antwoord, dat het Geschenk aanzienlyk en zoo wel geschikt diende te weezen na het vermogen 239 vermogen en aanzien van den Schenker en ontvanger, als na de geleegendheijd van het be„ lang dat men door dies afgaave tragte te bevor„ „deren; het geen ten aanzien van zijne Commis„ „sie niet gering maar wel groot was; en dat hij dienvolgende hoe moeijelijk het ook in zulk een zaak was wel te gissen, geoordeelt hadt dat het voorschreeve geschenk zou dienen te bestaan in 2: kleijne Elifanten, mannetjes, zoo na mogelijk equaal, tusschen de drie en vier voeten hoog 2: stukken gebloemd fluweel 2: a 3: stukken goude of zilvere Stoffen 50: lb: nagelen 50: „ nooten 50: „ foelij 50: „ kanneel 2: „ oneen nagel olij 2: „ „ nooten olij 2: „ „ foelij, en „ Caneel. zoo . 2: „ zoo is; hier over rijpelijk gedelibereerd zijnde, uijt hoofde van het gewigt der zaak, waar omtrent den Heer Ceijlons Gouverneur Falck bij zijnen secreeten brief aan den Heer gouverneur geschreeven, zelfs heeft gelieven te remarqueeren, dat die door geen ontijdige zuijnigheijd moest verwaarloost worden, goedgevonden en verstaan het ge„ schenk voor den Nabab te bepaalen op 800: â 900: Oude Pagooden, mitsgaders den Heer Gouverneur bij deezen te verzoeken, van de schikking daarvan op zig te willen neemen, gelijk door zijn Edele berijdwilliglijk gedaan is. Aldus Gedaan en Gearres„ /:onderstond:/ „teerd in 't Casteel tot Nagapatnam dato voorsz: /:was geteekend:/ als vooren Saturdag 240 Saturdag den 5:' September 1778. Smorgens ten negen uuren Vergadering van Politie absent den koopman en Fiscaal Martinus Koning den koopman tit Muntmeester en Adigaar Willem Duijnevelte den onderkoopman en Dispencier Ian Appengh. mits indispositie Is na het doen van het gebet door den Heer Gouverneur Geremarqueerd, dat min in de Jongst gehoudene bij een komste van den 28: aug:s 'S Compagnies koopman Tieromenij Chittij hadt aangekundigd, dat dewijl hij bij het Request van de vijff Castens der Ambagtslie„ den beschuldigt geworden was, als de voor„ naamste oorzaak of bewerken van het uijt wijken der voorschreeve Ambagtslieden, hij ook zonder eenig manquement zou hebben te zorgen, dat de voorsz: Castens binnen den den tyd van agt dagen weder te rug keerden na hunne huijzen of woningen, het zij door hun, volgens derzelver twee -leedig verzoek het vrij gebruijk van een Palenquin te bezorgen, dan wel aan haar te voldoen de kosten, die zij geduurende haare uijtwij„ king verpligt geweest waren te maaken: of anders die affaire op de minzaamste wijze tot genoegen van de Ambagtslieden, af te maaken. met bedrijging teffens; dat men hem anders aanspreekelijk houden zon voor alle de nadeelige gevolgen die daar uijt zouden kunnen resulteeren. - Dog dat in steede van dit bevel letter„ „lijk te voldoen, de gezamentlijke kooplieden op den 3: deezer bij zijn Edele gekomen zijnde, verklaard hadden, dat zij met haar allen, en dus nog veel minder Comp:s 241 Teeromenij Chittij Compagnies koopman alleen, geen kans ter waereld zagen om alle de differente Regterhandsche kastens te beweegen om aan de vijff castens der Am„ bagtslieden toe te staan het vrij gebruijk van een palenquin op haare bruijloften, en het rondgaan daarmeede van Bruijde gom en Bruijd door een grooter omtrek van de stad, als ten tijden van den Edelen Heer Haksteen aan haar was ver„ Gouverneur gund geworden; maar dat zij, voor zoo ver het haar betroff daar in gaarne wilde toestemmen, mitsgaders tot een bewijs daarvan genegen waren van deeze hunne bewilliging, aan zijn Edele over te geven, een geschrift door hun alle onderteekend: Dat zijn Edele, op deze hunne be„ tuijging (:in presentie van Compagnies Folk Tolk en verscheijde andere voornaame Malla„ baaren van de Regterhandsche Casten ge daan:) 's Compagnies Bramine gelast hadt, daarvan een geschrift bij wijze van eene ver„ klaaring op te stellen in de Mallabaarsche taale, dat door hun alle gewilliglijk was onderteekend geworden, mitsgaders van inhoude was al volgd. Translaat Eener Mallabaarsche Papier van Jnhoude als volgd wij ondergeteekende sComp:s kooplieden verleenen deeze aan den wel Edele groot Agtb: Heer Reijnier van vlissingen gouverneur en directeur deser Custe Cormandel met den resorte van dien. Nadien de timmerlieden, Smits, koper slagers &:a van de vijf Castens, aan uwelEdele Groot Agtb: versogt hebben, om palenquin, zo wel in de noorder straat daar de hoerewagen van den afgod Sjattanada swamiar ge trokken word, als aan de oost zijde van de pagood Naganada Swarnaan, of digt bij de stads wal„ En
English
242 And in the East Street where the temple car of the pagoda passes, up to the house of the master carpenter Kiestna Mestre; and it having also pleased His Excellency to announce to us that that request ought to be granted, we thus declare that we are content therewith. Below stood: Nagapatnam the 3rd September 1778. Was signed: Ieromenij Clustij, Ramalingam, Moetoe Waijtelingam, Ankim: Pataui Ramadoe Goedawarti Goermoertie and Namboor Wenkata Kistna Chittij. Lower: for the translation according to the translation of the Brahmin Wengata Souberaijer Aijen, Nagapatnam the 3rd September 1778. Was signed: A:m Dormieux, Sworn Translator. And since the aforementioned deed can be regarded as a sufficient assurance on the part of the merchants, it was furthermore proposed by the Governor to permit the five castes of the artisans the free use of a palanquin at their weddings, through such a part of the town as requested by them and granted in the aforementioned deed, not only for the promotion of the general peace within this town, but also by virtue of the absolute necessity in which one presently finds oneself, to ensure that the artisans artisans return within a few days, since otherwise, apart from the damage that the Company's buildings suffer if they are not repaired in time, one will be unable to dispatch the ships the Patriot and 't Veldhoen to the Netherlands and Batavia at the proper time, because they must first be refitted and caulked, which cannot be done without carpenters; all the more so since the work of the mint, or the embarrassment in which one already finds oneself due to a five-month standstill regarding fanums, also absolutely requires that the minters, who belong under the silversmiths, come inside, as one will otherwise not have enough fanums on hand for the disbursement in the upcoming month of October for the payment of the garrison; from which many detrimental consequences for the Company could arise, especially 243 especially in a time such as this in which the French and English are already acting hostilely against each other on this coast, as it is apparent that each of the two nations would now gladly accept our deserters, although this is contrary to the mutually concluded cartel. And the aforementioned weighty proposal of His Excellency having been maturely deliberated, it was noted among other things that the use of a palanquin had already been permitted in the time of the Honorable Mr. Haksteen of blessed memory, so that nothing new would presently be granted, except only carrying it around through a larger part of the town, in which, apart from three or four households of the right-hand castes, no one lived other than artisans; That since this compliance was of little or no importance, and the return of the artisans of the utmost necessity, as had already been pointed out by His Excellency, one should therefore proceed to it without any hesitation, especially since the principal chiefs of the Malabars, namely the Company's merchants, had consented to it, and even more so because through this consent no migration of the right-hand castes was to be feared; and even assuming that one had to fear such a thing, in this matter, as they say, the lesser of two evils had to be chosen: which without contradiction was the return of the artisans, as they could for no reason in the world be spared any longer. And finally that one moreover 244 could proceed to such a resolution with all the more freedom because the aforementioned Mr. Waksteen, in His Excellency's left behind Memoir, especially recommends showing more consideration to the artisans than to the other castes, because through the migration of the former one is brought into the greatest embarrassment, whereas the migration of the others causes the Company and private individuals scarcely any inconvenience. And consequently, by virtue of the aforementioned reasons, it was also approved and agreed upon the proposed proposal of His Excellency to grant to the aforementioned five castes of the artisans, just as and in the same manner as took place under the administration of the Ordinary Councillor Mr. Pieter Waksteen, the free, unhindered use of a palanquin quin at their weddings with the ceremonies belonging thereto; with this distinction only, that in place of the blocks designated at that time, they shall now be allowed to go around through the North Street where the temple car of the idol Sjattanada Swamiaan is pulled, and from there along the east side of the Pagoda Naganada Swamiar or close past the town wall, through the East Street where the temple car of the Pagoda Rhee passes, up to the house of the Master Carpenter Kiestna Mestrie; but no further. After taking this Resolution, the Governor continued that, since it might occasionally happen that when the artisans wished to make use of this privilege of theirs, 245 a riot might be undertaken by some of the basest people of the right-hand castes, such as the coolies and pariahs, who after all have nothing to lose, just as had happened in the time of the Honorable Mr. Haksteen, His Excellency had also deemed it necessary to guard against such malicious conduct in time, and consequently proposed to the Council, first of all, during the celebration of such weddings, to place for that time one or two guards of European soldiers under the command of a non-commissioned officer in the two principal streets through which the passage of the bridegroom and bride with the palanquin must take place, with orders to the same that as soon as any gathering of common people is observed by them, to give notice thereof immediately
Dutch transcription
242 En in de oost straat daar de hoerewagen van de pagood rhee passeerd, tot aan het huijs van de baas timmerman kiestna mestre; te mogen gebruijken en Hoogst din„ selven ook behaagd hebbende ons aantekundigen dat dat versoek dient ingewilligd te worden, zoo verklaaren dat wij daarmeede content zijn. /:onderstond :/ Nagapatnam den 3:e Sep„ tember 178 /:was geteekend:/ Ieromenij Clustij, Ramalingam, Moetoe waijtelingam, Ankim: Pataui Ramadoe goedawarti goermoertie„ en namboer wenkata kistna Chittij. /:lager:/ voor de oversetting volgens vertaling van den bramine wengata souberaijer aijen Nagap:n den 3:' 7ber: 1778 /:was get:/ A:m Dormieux g: Transloteur En dewijl de voorschreeve Acte kan worden aangemerkt als een voldoende verzekering van de zijde der kooplieden, is alverder door den Heer Gouverneur geproponeerd om aan de vijf Casten der Ambagts„ lieden, het vrij gebruijk van een palenquin op haare bruijloften, door zoodanig een gedeelte der stad, als door haar verzogt en bij de voor„ schreeve Acte is toegestaan, te permitteeren, tot bevordering niet alleen van de algemeene rust binnen deeze stad, maar ook uijt hoofde van de absolute noodsaakelijkheijd waarin men thans is, om zorg te dragen dat de Ambagtslieden Ambagtsleeden binnen wijnig dagen weder binnen komen, nadien min anders, behalven nog het nadeel dat Comp=s gebouwen lijden, als zij niet tijdig worden gerepareerd, buyten staat zal weezen, om de schaepen de Patriot en 'T veldhoen, ten behoorelijker tijd na Neder„ land en Batavia te depecheeren, wijl zij eerst dienen te worden voorsien en gecalfaat, dat zonder Timmerlieden niet geschieden kan; te meer, daar het werk van de munt, of de verlegendheijd waarin men bereeds door een vijf maandigen stilstand is, om fanums„ ook absolut vorderd, dat de Munters, die onder de zilver smits sorteeren binnen komen, alzo men anders, voor de verstrekking in de aanstaande maand october geen fanums genoeg zal aan handen hebben, tot afbe„ „taaling van het guarnisoen; waaruijt veel nadeelige gevolgen voor de Maatschappij zouden kunnen gebooren worden, princi„ paal 243 paal in een tijd als deezen waarin de Fran„ sche en Engelschen bereeds ter deezer kuste vijandelijk tegen elkanderen ageeren, alzoo het apparant zij, dat een ieder van de bij de Na„ tien, onze weglopers tans gaarne zou accep„ teeren, schoon strijdig zijnde met het weder„ zijds gesloten Cartel En is over de voorschreeve gewigtige propo„ „sitie van zijn Edele rijpelijk gedelibereerd weezende, onder anderen aangemerkt, dat het gebruijk van een palenquin, bereeds ten tijde van den Edelen Heer Haksteen (:L: M:) toegestaan zijnde, er thans niets nieuws zou worden geaccordeerd, als slegts het ronddra„ gen door een grooter gedeelte van de stad, waarin buijten drie â vier huijs houd in„ gen van de regterhands kasten niet anders als ambagtsleeden woonden; Dat nadien deeze inschikkelijk heijd „heijd van wijnig of geen belang was, en de te rug komst der Ambagtslieden van de alleruij „terste noodzaakelijkheijd, gelijk bereeds door zijn Edele was aangeweezen, men dus ook daar„ toe zonder eenigen schroom dienden over te gaan, voor al wijl er de voornaamste hoof„ „den der Mallabaaren, namentlijk compag„ nies kooplieden in toegestemd hadden en nog te meer, wijl er door deeze toestem„ ming geen uijtwijking van de regterhand sche Castens te vreezen was: en Schoon genomen men zulks al te dugten hadde. er in deeze zaak, van twee kwaade gelijk men zegt het best moest gekosen worden: het geen zonder tegenspraak de te rug komst der Ambagtslieden was, alzoo die om geen reeden ter waereld langer gemist konden worden En eijndelijk dat men boven dien nog 244 nog met te meer vrijheijd tot zoodanig een besluijt kon overgaan, wijl de Heer Waksteen voornoemd, bij zijn Ed: nagelaaten Memorie vooral recommandeerd, om de Ambagtslieden meerder als de andere lastens te ontzien, wijl men door het uijtwijken van de eerste gebragt wordt in de grootste verlegendheijd, daar het uijtwijken van de andere de Maatschappij en particuliere nauwelijks eenige ongele„ gendheijd toebrengd, En gevolgelijk uijt hoofde van de voorsz: reedenen op de voorgewaagde propositie van zin Edele ook goedgevonden en verstaan, aan de voorschreeve vijff castens der Am„ bagtslieden, even en inselvervoegen als onder de Regeering van den Heer Raad ordinair Pieter Waksteen is geschied toe te staan het vrij onverhinderd gebruijk van een Pa„ linquin quin op haare Bruijloften met de daarbij behoorende plegtigheeden; met dit onder„ scheijd alleenig dat zij daarmeede in plaats van de toen aangeweezen blokken, thans zullen mogen rondgaan door de Noor„ der straat daar de hoerewagen van den Afgod sjattanada Swamiaan getrokken wordt, en van daar langs de oost zijde van de Pagord Naganada Swamiar of digt voor bij de stads wal, door de Ooststraat daar de Hoerewagen van de Pagood Rhee passeerd, tot aan het huijs van den Baas Timmerman Kiestna Mestrie toe; maar verder niet. Na het neemen van deeze Resolutie, is door den Heer Gouverneur vervolgt, dat de„ wijl het somwijlen wel eens zou kunnen gebeuren, dat wanneer de Ambagtslieden van dit hun privilegie gebruijk wilden maaken 245 maaken, er door eenige van het slegtste volk uijt de regterhandsche Castens, als de koelies en parcassen, die tog niets te verliezen heb„ „ben, een oproer mogt worden ondernomen, gelijk ten tijden van de Edel Heer Haksteen gebeurt was, zijn Edele teffens noodig ge„ oordeelt hadt, om in tijds tegens diergelijke kwaadaardige gedoentens te waaken, en dienvolgende den Raad proponeerde om voor eerst bij het vieren van diergelijke bruijl often, in de twee voornaamste straa„ ten waardoor de passagie, van Bruijdegom en Bruijd met de palenquin geschieden moet, voor die tijd een a twee wagten van Europe„ sche militairen onder Commando van een onder officier te plaatzen, met bevel aan denzelven om zoo dra door hen eenige t' Za minrotting van gemeen volk wordt ver„ nomen, daarvan ten eersten kennis te
English
to give to Major Iohan Ernst Gottlieb Hazelman, as Head of the Militia in this garrison, who likewise in the name of this assembly should be authorized, immediately upon receiving such a report, to send a detachment of European Grenadiers from the Castle under the command of an ensign thither to quell the riot, with orders to that officer that, should necessity require it, he may have blank cartridges fired at the mutinous crowd in order to disperse them by shock and terror, but with an express prohibition at the same time to him under no circumstances to allow live ammunition to be fired, unless the riot went so far that they even dared to attack his detachment by throwing stones or otherwise. Whereupon, after mature deliberation, by virtue of the obligation incumbent upon the Governor and the Council to maintain freedom and good order in this city, it was also approved and agreed to conform entirely with His Honour's aforementioned proposal to counter all disorders, and consequently to convert His Honour's proposal, as it stands, hereby into a Resolution of the assembly. Furthermore, considering that the aforementioned matter is of such a nature that it ought properly to have been deliberated in pleno consilio, but which could not take place due to the indisposition of three Members of this assembly, it was approved and agreed to circulate the aforementioned proposals by the First Sworn Police Clerk to the absent Members, Koning, Duynevelt, and Appengh, with a request to them to provide the assembly with their advice thereon. And the First Sworn Clerk Bronsveld having been circulated hereupon among the aforementioned Members, he reported during the sitting of the assembly that the Members Koning, Duynevelt, and Appengh had been pleased to conform entirely with the repeatedly mentioned proposals of the Governor; thus the aforementioned decisions were taken unanimously. Whereof it is also understood to keep record hereby. Subsequently, there being further produced in the assembly by the Governor an extract translation of a Marathi missive written to His Honour by the Prime Minister of the Tanjore Court, Singa Raja Naragarie Pandit alias Bajana, being of the following content: Extract Translation of a Marathi Letter written by the Prime Minister of the Tanjore Court, Singa Raja Naragarie Pandit, alias Bajana, dated 22 July 1778. I have duly received the undated letter which Your Honour sent to me by way of the envoy Anaje Pandit. When the vessel in which the elephants for the Company were conveyed arrived from Jaffnapatnam, it broke up, and eight of those beasts came into our boundaries for keeping, but three of them having perished, the remaining five pieces were obtained in our lands. Our Regent sent the mentioned elephants to the sovereign, for the reason that they belonged to His Highness. Your Honour wrote that for a long time 18 recognition elephants had been brought there for the sovereign, and that I should therefore send orders to the envoy Anaatje Pandit to receive them and to grant a receipt according to custom for 26 ditto, among which had to be counted the 8 elephants that came into our boundaries from the wrecked vessel, and of which 3 have perished. Of those eight elephants, three pieces having succumbed, the remaining 5 ditto will never be credited to Your Honour. Thus, since it has become fully evident to the assembly from the aforementioned missive, which contains an answer to His Honour's letter of 9 July, that regarding the eight pieces of stranded elephants, of which detailed mention is made in the secret Resolution of this Table of 10 July, for the present nothing good will be accomplished at the Court of Tanjore, it was approved and agreed, in order to avoid needless writing, to leave the aforementioned letter unanswered, as it contains merely a repetition. Underneath stood: Thus done and decreed in the Castle at Nagapatnam, date as aforesaid. Was signed: as before. Agrees, M: Stoffenbergh Secr Jn. Oolun To Their High Honours at Batavia, under date 25 September 1778, respectfully dispatched for the Presidial Chamber Amsterdam. Copy of the letter to No. 3. Copy. Register of the letters and papers, both from the Secretariat, Trade, and Pay Offices, which today are addressed in all respect to Their High Honours, the Honorable High Indian Government at Batavia, by the Governor and Council of Nagapatnam, and are dispatched from here via the sloop De Walvisch to Jaggernaikpoeram, to be carried from there via the ship 't Veldhoen to the principal place of the Indies, consisting of: No. 1. Original general missive directed by and to those named in the heading of this under today's date; behind which is added the register of the same. No. 2. Original separate missive that is presented by the Governor alone to Their High Honours under today's date. No. 3. Original further separate missive directed by and to the aforementioned, also of today's date. No. 4. Duplicate general letter directed by and to the aforementioned, dated 10 June 1778, dispatched via Ceylon. No. 5.
Dutch transcription
te geven aan den Majoor Iohan Ernst God„ „lieb Hazelman als Hoofd der Militie in dit guarnisoen, die teffens uijt naam deezer vergadering dienden te worden gequalificeerd, om direct na het ontvangen van een diergelijk Rapport, een detachement Europesche Grana„ diers uijt het Casteel, onder Commando van een vaandrig derwaarts te zenden, tot stel„ ling van het oproer, met ordre aan dien officier, om zoo het den nood vereijsschen mogt„ op den muijtzieken hoop met loskruijt te mogen laten vuurgeven, ten eijnde hun door schrik en vroeze te verdrijven, dog met expresse interdictie teffens aan denzelven om vooral met geen scherp te laaten schie„ „ten ten zij het oproer, zo verging, dat zij zelfs zijn detachement door het werpen van steenen als andersints, durfden atta„ queeren. waarop 246 waarop, na rijpe deliberatie, uijt hoofde van de verpligting, die op den Heer Gouverneur en den Raad legt, om de vrijheijd en goede on„ dre in deeze stad te bewaaren almeede goed gevonden en verstaan is, zig met de voor„ schreve propositie van zijn Edele tot te „ gengang van alle dis ordres, volkomen te Conformeeren, en dienvolgende zijn Edeles voorstelling, zoo als dezelve legt, bij deezen te converteeren in een Resolutie van de vergadering. wijders is, uijt aanmerking, de voorsz: zaak van die natuur is, dat daarover wel in pleno consilio hadt dienen gedelibereerd te weezen, dog het geen door de indispositie van drie Leden dezer vergadering niet heeft mogen gebeuren, goedgevonden en ver„ „staan, de voorgewaagde propositien door den Eersten gesworen Clercq van Politie rond rond te zenden bij de absente Leeden, koning, Duijnevelt;, en Appengh, met verzoek aan dezelven om daar op de vergadering te dienen van haar advies. En hier op den Eersten gezworen klerk Bronsveld rondgezonden zijnde bij de voor¬ schreeve Leeden, heeft denzelven staande ver„ gadering gerapporteerd, dat de Leeden koning, Duijnevelt en Appengh, zig volkomen had„ den gelieven te conformeeren met de meer gemelde propositien van den Heer Gouverneur„ dus de voorschreeve besluijten unanim ge„ nomen zijn. waarvan almeede verstaan is bij deezen aanteekening te houden. vervolgens door den Heer Gouverneur nog ter vergaderinge geproduceerd zynde, een Extract translaat Marrattijsche missive door den Albeschik van het Tan„ Sjoursche Hoff Singa Raja Naragarie Sandit 247 Pandit /:alias:/ ajana, aan zijn Edele geschreeven, zijnde van den volgende in„ „houd. Extract Translaat eener Marat„ tijde Brief gesz: door den Albe„ schik van het Tansjoursche Hoff, sinha Raja Naragarie Pandit, /: alias Bajana :/ ged:t den 22:' Julij 1778. Ik heb wel ontvangen de ongedateerde brief, die uwel Edele door weegen van den zendeling Anaje Pan„ „dit mij toegeschikt heeft. Toen het vaartuijg, daar de Elifanten voor de Comp: in waaren, van Iaffenapatnam quam is het selve gebrooken, en agt van die beesten op onze limiten ter houde gekomen, dog drie van dezelve gecreveerd. zijnde, heeft men de resteerende vijf stux in onze Landen gekreegen. Den Regent van ons, heeft gem: Elifanten aan den vorst gesonden, om reeden dat z' zijn Hoog heijd toequamen uwe Edele heeft geschreeven dat 't zedert lange tijd 18: Recognitie Eliphanten aldaar voor de vorst aan„ gebragt waaren, en dat ik dierhalven ordre aan den sendeling Anaatje Pandidaar senden moeste, om g nagasien om deselve te ontfangen, en Een quitantie volgens ge„ „bruijk te verleenen weegens 26: d:os, waar onder gereekent moeste werden de 8: Eliphanten die uijt het veronge„ lukte vaartuijg op onze Limiten gekomen, en waarvan, 3: gecreveerd zijn van die agt Elifanten, drie stuks nedergesakt weesende, zullen de resteerende 5: d:os uwel Edele nooijt ten goede gebragt worden. - zoo is, wijl uijt den voorschreeve missive, die een antwoord bevat op zijn Edeles brief van den 9: Julij, de vergadering volkomen gebleken is, dat er omtrent de agt stuks gestrande Eliphanten, waarvan breedvoerig gesprooken wordt bij de secreete Resolutie deezer Tafel van den 10: Julij voor eerst niets goeds bij het Hoff van Tansjour zal te bewerken weezen, tot voorkoming van node loos schrijven goedgevonden en verstaan, den voor¬ schreven brief, als eenlijk rescriptie behelzende onbeantwoord te laaten. — /:onderstond:/ Aldus Gedaan en Gearresteerd in 't Cas„ teel tot Nagapatham dato voorsz: /: was geteekend:/ als vooren. Accordeert M: Stoffenbergh Secr Jn. Oolun Haar Hoog Edelheedens te Batavia onder dato 25L=e September 1778. in Eerbied Afgevaardigd voor de Praesidiciale kamer Amsterdam Copia des Brievs Aan No. 3. Copia. Register der brieven en Papieren soo van het Secretari als Negotie, en zoldij Comptoir, welke op heeden aan Haar Hoog Edelens, de Edele Hov„ ge Indiase Regeering te Batavia door den Gouverneuren Raad Van Nagapatnam in alle Eerbied ge„ „rigt zijn, en van hier per de Chia„ loup de Walvisch naar Jag„ gernaik poeram gedepecheerd Wer„ den, om van daar per het schip 't Veldhoen naar Jndias Hoofd„ plaatse meede genoemen te werden, bestaande in:— N:o 1. Origineele Gemeene missive door en aan als in den hoof„ „de deeses onder heedigen datum gerigt; agter dewelke gevoegd het register op de„ selve „ 2. Origineele apparte missive die door den Heer Gouverneur alleen aan Haar Hoog Ed: onderheedigen datum aangeboden werd—. „ 3. Origineele nader apparte missive door en aan de Eeven ge„ „rigt mede van heedigen datum -. 14. Duplicaat gemeene brief door en aan als Even gerigt, gedateerd 10. Junij 1778. over Ceijlon afgezonden No. 5.