VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3519

Malabar · 500 pages · 84 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3519_0125 view scan ↗

English

53 His Honour intends to depart for the north this very day for reasons stated in the text, and during His Honour's absence it shall be attended to by the Honourable Secunde. Furthermore, communication must be kept open between the detachment before Chettua and Your Honour's army, and from Poelicaaro to Cranganoor, and I await the necessary reports from time to time. Finally, after the expedition is completed, I await a general report of all Your Honour's actions, wherein I wish Your Honour good success and remain meanwhile, below stood, Your Honour's Good friend, signed, A: Moens. In margin: Cochim the 2: Janu: 1778. Finally, His Honour also made known his intention to depart for the north immediately and this very day, in order to be closer at hand to be able to give such orders as the occurring circumstances might at times require, so that the expedition will not be delayed for a single moment by the asking for and waiting upon orders, but rather proceed with all the more haste. And that during his absence, the ordinary affairs, and whatever else might happen to occur in the administration, shall as before be attended to by the Honourable Secunde Reinier van Harn, whereof it is understood to keep this note. Thus Done, Resolved and Decreed in the Council of Mallabaar, at the city of Cochim, on the day, month and Year aforesaid. Signed, A: Moens, R: van Harn, SC: Caffin, J: L: van Spall, A: R: Schutz, C: G: Seijffer, A: J: F: Vernede, J: A: Cellarius, W: V: Haesten. Adriaan Portoliel J Samnichen Clerk agrees Apart 54 Batavia To His High Honour, The Right Honourable and Highly Esteemed Lord Reinier De Klerk, Governor General, The Honourable Lords Councillors of Netherlands India. Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord! And Honourable Lords We have had the Honour to receive in duplicate Your High Honours' highly revered separate letter dated 30 September anno passato, whereby Your High Honours were pleased to approve the measures taken by us to prevent further hostile incursions of the Nabab Haider Alij Chan, for which we hereby express our humble gratitude. In the meantime, we are very sorry that our secret Resolutions mentioned therein, dated 20 January and 5 March anno passato, were not received, and we respectfully offer the said Copies of the Resolutions to Your High Honours herewith. In our latest separate letter to Your High Honours of 28 August anno passato, we further most humbly brought to Your High Honours' knowledge the state of affairs here on the coast, and that no reply has been obtained from the Nabab, neither to the letter of Your High Honours nor to that of the first signatory; thus, no opportunity could be found for any peace negotiations, regarding which Your High Honours were pleased to prescribe what was necessary to the first signatory in particular, and for which he shall endeavor to find an opportunity to make good use thereof. Meanwhile, that which has since occurred and been performed with the Nabab's troops is communicated in detail to Your High Honours by the first signatory in a separate letter, 55 Examined wherefore we shall make no further mention of it herein, but give ourselves the high Honour to remain with the utmost Respect and high esteem, below stood, Right Honourable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord, and Honourable Lords! Your High Honours' humble and obedient Servants, signed, A: Moens, R: van Harn, S: E: Sassin, I: L: van Spall, A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, J: A: Cellarius, and W: van Haeften. In margin: Cochim the 26 February Ao 1778. Agrees Adrian Bochobas J Hinnichen Clerk Copy Apart 56 Batavia To His High Honour, Right Honourable Highly Esteemed Lord Reijnier De Klerk, Governor General together with The Honourable Lords Councillors of Netherlands India. Right Honourable, Highly Esteemed Far-ruling Lord Honourable Lords! I avail myself of this opportunity, in continuation of my last separate letter of 26 February past, respectfully to communicate to Your High Honours that, after the siege of Chettua, in order to see whether the enemy might not arrive in the meantime, I made movements toward a second enterprise, and thus in the little Kingdom of Cranganoor and indeed

Dutch transcription

53 zijn Ed: is voorneemens nog heeden na de noord te vertrecken om reeden in den text. en geduurende zijn Ed: absentie door den E: scunde werden waargenoomen: voorts moet de Communicatie tusschen het detachement voor Chettua en VE: leeger en van Poelicaaro tot Cranganoor, open gehouden worden, en ik verwagte van tijd tot tijd de nodige berigten. Eijndelijk verwagte na gedaane expeditie een generaal rapport van alle VE: verrigtin „gen; waar in ik VE: een goed succes toewen„ „sche en verblijve intusschen /:onderstond:/ VE: Goede vriend /(was Get:/ A: Moens /in margine:/ Cochim den 2: Janu: 1778: — Eijndelijk gaf zijn Edele nog te kennen voor„ „nement te zijn, ten eersten en nog heeden na de noord te vertrecken, ten eijnde nader bij de hand te zijn, om zodanige ordres te kunnen geven, als somtijds de voorvallende omstandigheeden zoude kunnen komen te vereijsschen, ten eijnde de expe „ditie door 't vragen van, en door 't wagten op, ordres, geen oogenblik te doen traineeren, maar met des te meer spoed voortgang te doen hebben „ zullen d' ordinaire bestellingen en dat geduurende desselfs absentie, de ordinaire bestellingen, en 't geen verder in de huishouding mogt Nagezin mogt komen voor te vallen, als bevoorens, zal werden waargenoomen door den E: Secunde Reinier van Haan, waar van verstaan is, deese aantekening te houden Aldus Gedaan, Geresolveert en G'arres„ „teerd in Raade van mallabaar, ter steede Cochim, ten daage, maand en Jaare voormeld. /was Get:/ A: Moens, R: van Harn, sC: Caffin J: L: van Spall, A: R: Schutz C: G: seijffer A: J: f: vernede J: A: Cellarius, W: V: Haesten: Adriaan Portoliel J Samnichen Elercq accordeert Apart 54 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer Reinier De Klerk, Gouverneur Generaal, De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Achtbaren, wijd Gebiedende Heere! En Wel Edele Heeren Wij hebben d' Eer gehad twee voudig te ontvangen UW Hoog Edelheedens hoog gevenereerde apparte missive gedateert 30. Zeptember anno passato, waar bij UW Hoog Edelheedens onse genome maatregu„ len, ter beletting van den verderen vijandelijken indrang En indrang van de Nabab Haider Alij Chan gelie„ „ve te approbeeren, waar voor wij bij deesen onse ne„ drige dankbaarheijd betuijgen; intusschen is het ons zeer leed, dat onse daar in vermelte secreete Resolu„ „tien van den 20. Januarij en 5=de maart anno passato niet zijn ontvangen, en bieden de gemelde Copias Resoluties UW Hoog Edelheedens neevens deesen in Eerbied aan. Bij onse Jongst aan UW Hoog Edelheedens aparte missive van den 28. augustus anno passato, hebben wij UW Hoog Edelheedens verder nedrigst ter kon„ „nisse gebragt, de gesteldheijd van zaaken hier ter luste, en dat men geen antwoord van de Nabab erlangd heeft, zoo min op de briev van UW Hoog Edelheedens als op die van den Eerstgeteekende, den heeft er geene gelegentheijd gevonden kunnen worden, tot eenige vreede onderhandelinge, werwegens UW Hoog Edelheedens den Eerstgeteekende in 't bijsonder, het noodige hebben gelieven aanteschrijven, en waar toe hij gelegentheijd zal tragten te vinden, om daar„ van goed gebruijk te kunnen maaken, intusschen word het zedert voorgevallene en verrigte met s nababs troupen, door den eerstgeteekende, bij af„ parte missive, omstandig aan UW Hoog Edelhee„ dens 55 Nagezien „dens bedeelt, waarom wij daer van in deesen niet verder zullen gewagen, maar ons de hooge Eere geeven van met de uijtterste Eerbied en hoog agting te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele, Groot Achtbare Wijd Gebiedende Heere, en Wel Edele Heeren:! UW Hoog Edelheedens onderdanige en gehoorsame Dienaaren /:was Getl:/ A: Moens R: van Harn, S: E: Sassin, I: L: van spall; A: R: Schutz, A: J: S: Vernede, : A: Cellarius en W: van Haeften /:in margi„ „ne:/ Cochim den 26. Februarij A„o 1778. Accordeerd Adrian Bochobas J Hinnichen CClerck Copia Apart 56 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijd gebiedende Heer Wel Edele Heeren! Bediene mij van deeze gelegentheijd, om uw Hoog Edelheedens ten vervolge, van mijn laatste apparte van den 26:' febr: J:o leeden, Eerbiedig te bedeelen, dat ik na 't beleg van Chettua, om tezien ofde vijand in die tusschen tijd niet mogt bijkomen, mouvementen van een tweede onderneeminge ge„ „maakt, en dus in het Cranganoorse Rijkje en wel Copia Apart 56 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijd gebieden de Heer Wel Edele Heeren! Bediene mij van deeze gelegentheijd, om uw Hoog Edelheedens ten vervolge, van mijn laatste apparte van den 26:' febr: J:o leeden, Eerbiedig te bedeelen, dat ik na 't beleg van Chettua, om tezien ofde vijand in die tusschen tijd niet mogt bijkomen, mouvementen van een tweede onderneeminge ge„ „maakt, en dus in het Cranganoorse Rijkje en wel

NL-HaNA_1.04.02_3519_0134 view scan ↗

English

indeed taken up post in the Palace, in order to keep that district in our power and subsequently, as circumstances might permit, also to take up post in the Paponetty district, and to keep the enemy out of there as well, if only to make his stay in that region difficult for him: that meanwhile on the 3rd of this month our post in the Cranganore region was attacked at the break of day by about 3000 men on foot and 150 on horse and some artillerymen, with four cannons, who surrounded our post: Lieutenant Stipp and Ensign van Manderen, who were stationed there with a company of Malays, a company of sepoys, and some native peoples called Chegosses, had orders, if they should be overpowered, to fall back to the Retrenchment: Commander Wohlfarth thereupon sent Lieutenant Weijnsheijmer with the inner picket to Stipp and van Manderen, thereafter Captain von Drieberg with the outer picket, with orders to cover the retreat, so that our people were already back and in front of the Camp by ten o'clock; in which affair we lost only 2 Europeans and 4 Malays, but sustained some wounded, besides some Chegosses who are missing and surely 57 surely will have sought refuge in the woods; yet on which occasion a great massacre occurred among the enemy, both among the infantry and among the cavalry, and wherein even prominent Chiefs fell; a sergeant of the Riflemen shot the foremost Chief from his horse, over whose death the enemy until now remains very affected: as far as can be gathered from the reports, about 500 men are said to have fallen and very many wounded to have arrived at Paponetty, among whom was also one of the Chiefs; however, upon which retreat the enemy destroyed the palisade in which our people had been stationed: meanwhile we immediately took up post again in the Cranganore region, though somewhat closer to the Camp, near the so-called copper pagoda, and have daily patrols sent through the Cranganore region, notwithstanding that some people have since come down again, who, however, only sought to lure ours into the woods, and not daring to come out, departed again; but then burned the pagoda near the King's palace, which had previously or until then still been spared, and several other structures: meanwhile I hope that the Nabob, seeing that we keep our right to that region region alive and will not let him be a peaceful possessor thereof, may resolve to come to terms. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect. Was written below: Right Honorable, highly Respected, wide-ruling Lord, and Honorable Sirs! Your High Honors' obedient and humble servant. Was signed: A.n Moens. In the margin: Cochin, the 10th of March 1778. Agrees Jot Samnichen E Elercq Adriaan Poolvlies Checked. Batavia Separate Copy 58 To His High Honor, The Right Honorable, Highly Respected Lord, Reijnier De Klerk, Governor-General, Together with The Honorable Councilors of the Netherlands Indies. Right Honorable, Highly Respected, Wide-ruling Lord, And Honorable Sirs! After the departure of my last letter of the 10th of March, I finally spoke with the Prime Minister of Travancore; he declared that it had been impossible for His Highness to come in person; but it now appears to me that the King is indeed seeking to avoid a personal meeting, as far as he can conveniently do so; nevertheless, I have turned the arrival of this Minister to as much use as has been possible, the more so because I know that he is a steady and sensible man, who, in the well-known case at Coeriapallij under the previous Ministry, contributed very greatly toward having that affair end in the best manner, and at the settlement of the dispute between us and the King of Cochin over the questionable territory, at the beginning of my administration, also demonstrated his willingness not to have that matter pressed as forcefully on the side of Travancore as other Ministers would gladly have seen, which is why I have since maintained friendship and correspondence with this man through messages and small gifts after the manner of the country. Yet although his arrival could no longer decently be postponed, I have nevertheless, through the constant postponement of his coming, ultimately had to believe that the King might perhaps have postponed this meeting even longer, had not something occurred a few days before his arrival here, on account of which he seems chiefly to have come down, 59 as he, while speaking with me, also inadvertently let slip, and which incident I ought to impart to Your High Honors. It is known that the King of Travancore is properly and in fact master of the King of Cochin; that the latter has no disposal over his lands that lie within the Travancore lines, and thus cannot alienate the same without the consent of Travancore; that therefore the King of Cochin is only a king in name; that Travancore has not entirely subdued him, but allows him to continue in that manner solely out of consideration for the Company; that meanwhile the King of Cochin may do nothing, cannot even negotiate matters with the Company, without there being an onlooker from Travancore present, just as I have never spoken with or met the King, and also seldom the Paliath Achan, without either one of Travancore's Kariakkars or his ordinary Agent always being present; that this is a sensitive thorn in the side for the Cochin ruler, which he nevertheless may not nor dare show; that therefore the King of Cochin, who can fall into no worse state than that in which he already is, seeks to turn all opportunities to his advantage in order to improve his position

Dutch transcription

wel in 't Paleijs, post hebbe laten vatten, om dat district in onze magt te houden en vervolgens na maate de omstandigheeden het mogten toelaten, ook in het Paponettijse post tevatten, en den vijand daar ook uijttehouden, alwas het ook maar om hem zijn verbeijt op die landstreek moeijelijk temaaken: dat intusschen den 3:' dezer onze post in het Cranganoorse, met het Lumiee„ „ren van den dag ge-attacqueert is; door omtrent 3000: man tevoet en 150: tepaard en eenige arthil„ „leristen, met vier Canons die onze post omcin„ „gelden: De Lieutenant stipp en vaandrig van Man„ „deren, die daar met een Comp: Maleijers, een Comp: sipais, en eenige lands volkeren, chegossen genaamt, lagen, hadden order, om als ze mogten overmand worden, dan maar na het Retran„ „chement tekomen: de Commandant wohlfarth zond daarop den Lieutenant weijnsheijmer met het binnen Liquet na stip en van Man„ „deren, daar na Capitain von Drieberg, met het buijten Liquet, met order om de retinaade tedekken, gelijk dan ons volk ten tien uuren reeds terug, en voor't Camp was; in welke affaire wij maar 2: Europeezen en 4: Maleijers verlooren, dog eenige gequetste gekreegen hebben behalven eenige Chegossen, die vermist zijn en zekerlijk 57 zekerlijk in de bossen schuijlplaats zullen gezogt hebben; dog bij welke gelegentheijd een groote massacre onder de vijand, zo onder het voetvolk als onder de Ruijterij geschied is, en waarbij zelfs aanzienelijke Hoofden gebleeven zijn; Een zergeant van de Jaagers, schoot het voornaamste Hoofd van zijn paard, over wiens dood, de vijand tot nog toe zeer aangedaan is: zoveel men uijt de berigten kan nagaan, zouden 'er wel omtrent 500: man gebleeven en zeer veele ge„ „quetste te paponettij aangekomen zijn, waar onder ook een der Hoofden; dog bij welken af„ „trek, de vijand de bepaggeringe, waar in ons volk had gelegen, vernield heeft: Jntusschen hebben we weder ten eersten in het Cranganoorse dog wat nader na het Camp, bij dezo genaam„ „de kopere pagood post gevat, en laten da„ „gelijks door het Cranganoorse patroilleeren niet tegenstaande 'er zedert weder eenig volk afgekomen is, dat egter de onze maar, inhet Bos zogt telokken, en niet buijten durvende komen, weder vertrokken is; maar toen, de pagood bij 's konings paleijs, die bevoorens, of tot dus lange nog geppaard was, en meer andere opstallen, verbrand heeft: Jntusschen Hoope ik, dat de Nabab, ziende dat wij ons regt op die landstreek landstreek levendig houden, en hem geen geruste bezitter daarvan willen laten, rezolveeren mag om maar bij te komen Jnmiddels hebbe de Hooge eere met de meeste Eerbied teverblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele groot Agtbaare wijd gebiedende Heere, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoorzaame en onderdaanige dienaar /:was geter:/ A:n Moens /:in margine:/ Cochim den 10:' Maart accordeert Jot Samnichen E Elercq Adriaan Poolvlies Nagezien a:o 1778:— Batavia Copia Apart 58 Aan zijn Hoog Edelheid, Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer, Reijnier De Klerk. Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbaare Wijdgebiedende Heer, En Wel Edele Heeren! Na het afgaan van mijn laatste van den 10. ' Maart, hebbe ik eijndelijk met den Eersten staats Minister van Jrevancoor gesprooken; Wij verklaarde dat het voor zijn Hoogheijd onmo„ „gelijk was geweest in persoon te komen; maar het 6 het komt mij nu voor, dat de koning een perso„ „neele ontmoetinge wel degelijk zoekt te ontwijken, zo verre blij zulx gevoeglijk doen kan; egter heb„ „be de afkomst van dezen Minister mij zo veel tot nut gemaakt, als mogelijk is geweest, temeer om dat ik weet, dat hij een bezadigt en verstandig Man is, die bij het bekende geval te Coeriapallij onder het voorig Ministerie zeer veel gecontri„ „bueerd heeft, dat die affaire nog op de beste wijze afgeloopen is, en bij de afdoening van het verschil tussen ons en de koning van Cochim over het questieuze Grond gebied, in het begin van mijn bestier, ook zijne gewilligheid betoond heeft, om die zaak zo sterk niet te doen pousseeren aen de zijde van Trevancoor, als wel andere Ministers gaarne gezien hadden, en waarom ik tezedert door boodschappen en geschenkjes na 's lands wijze, de vriendschap en correspondentie met deze„ Man onderhouden hebbe. Dog schoon zijn komste, niet wel met fatzoen langer kon uijtgesteld werden, zo hebbe ik egter door het geduurig uijtstellen van zijn afkomst op het laatste moeten geloven, dat de koning deze ont„ „moetinge mogelijk nog al langer zoude uijt„ „gesteld hebben, indien 'er eenige dagen voor zijn komst hier niet iets voorgevallen was, waarom blij wel voornamentlijk scheijnd afgekomen te zijn gelijk 59 gelijk Hij met mij spreekende zig ook onbedagte„ „lijk heeft laten ontvallen, en welk geval ik uw Hoog Edelheedens diene te bedeelen. Het is bekend, dat de koning van Trevancoor eijgendlijk en in der daat, meester is van den ko„ „ning van Cochim; dat de laatste geene dispositie over zijne landen heeft, die binnen 's Jrevancoors linie leggen, en dus dezelve ook niet veraliee„ „neeren kan, zonder consent van Grevancoor; dat dus de koning van Cochim maar koning in naam is; dat Jrevancoor tem niet ten eenemaal ten ondergebragt heeft, maar op die wijze nog laat continueeren eenelijk uijt discrete voor de Comp:, dat intusschen de koning van Co„ „chins niets mag doen, zelfs geene zaken met de Comp: kan verhandelen, zonder dat er een kijk in de pot van Trevancoor bij is, gelijk ik dan ook nimmer den koning en ook zelden den paljetter gesprooken of ontmoet hebbe, of daar was altoos of een van Jrevancoors Ragiadoors of zijn ordinaire Agent bij; dat dit voor den cochimer een sensible doorn in zijn vlees is, het geen zij egter niet mag nog durvd laten blijken; dat dus de koning van cochim die in geen erger staat kan komen, als waarin blij reets is, alle geleegentheeden zig zoekt ten nutte temaaken, om zijnen stoot te verbeeterg

NL-HaNA_1.04.02_3519_0140 view scan ↗

English

to improve or restore; that we, or rather I should say, his First Minister of State, the Paliath Achan, a shrewd, zealous, and faithful minister for the interests of his king, in the year 1766, when the Nabob came down to this quarter for the first time, had already secretly paid his court to the Nabob, and, as a mortal enemy of the Zamorin's house, practically lured the Nabob to this quarter, merely to have the pleasure of seeing the Zamorin destroyed; that the Paliath Achan, as is believed, was then also already in a kind of negotiation or correspondence with the Nabob, to be restored by him in case the Nabob should conquer Travancore, and that he underhand had also promised the Nabob, as much or as little as might depend on him, not to be an obstacle to him, the Nabob, in his intentions, although it is believed that the Paliath Achan acts as if he now repents of this, having now gotten to know the Nabob in hindsight and well understanding that once having Travancore under his power, he would spare the King of Cochin as little as anyone else: That the Paliath Achan, being in this situation and not knowing how to extricate himself, now now seeks as much as possible to keep the Nabob or his ministers as friends and in the meantime sits behind the curtain to see who will remain the strongest party, in order to join them; that Travancore knows all this very well, but dissembles, yet in the meantime does not trust him in the least, and even has him watched by a bodyguard of the king's best Nairs, who accompany him to watch all his actions, though under the pretext that this is for his state; that however much the King of Travancore for reasons of state did not wish to do the Paliath Achan any harm, the Crown Prince, who is of an entirely different disposition than the king, being full of fire and inclined to war, has more than once urged his uncle the king simply to do away with the Paliath Achan, and to provide the King of Cochin with a less shrewd administrator of state affairs; that this Crown Prince even had this advised to the king by others of his faction, but in vain, as the king judges that the time could never be so unfavorable for it as now. This now having been premised, it serves to report that the Paliath Achan these past days, wishing to pay a visit from Chenotta (where he resides and also has his own estate, situated south of the lines of Travancore, about a quarter of an hour from Cranganore) to the commandant of Travancore's fortress Coeriapally, was attacked on the way in his palanquin by a Nair of the bodyguard, who leveled his musket at him and pulled the trigger; but the musket misfiring, he thereupon swiftly and with violence attempted to thrust the fixed bayonet through the Paliath Achan's body, which the Paliath Achan noticing, dodged to such an extent by making a sudden turn in his palanquin that the bayonet only inflicted a wound to his abdomen, which indeed caused much bloodshed, but was found not to be dangerous, and which wound is also already as good as healed: as soon as the Paliath Achan was wounded, he let me know of it, and at the same time immediately requested the commandant of the camp for a surgeon, in order to report to him whether his wound was dangerous; the commandant immediately sent a surgeon, who assured him that the wound was not dangerous; and I immediately sent someone on my behalf to learn from him what had actually happened there, and the one I sent had orders to express my astonishment at that incident, and that I wished to know how matters stood with this affair; but he concealed his secret thoughts, and simply sent me his thanks for my affection and good intention, adding that he regarded the incident as the act of a drunken or desperate fellow, who was either tired of his life or did not know what he was doing, and that he, the Paliath Achan, had now for some time been and still is in such sorrowful circumstances, that a swift death would be just as agreeable to him as a longer and miserable life, and furthermore, that he would leave everything to chance, although through secret channels I know very well that the Paliath Achan is firmly convinced that if this deed was not brought about by Travancore or the Crown Prince, that it must at least have been done by one or another of Travancore's ministers, who might secretly have a grudge against him. The King's Minister of State mentioned herein has then also been with him to investigate that matter; the Nair, who had been imprisoned for so long in the fort Coeriapally, was interrogated and acted like a mad and desperate person, giving no other answer than that he had been driven by an evil spirit and that he still found himself so strangely affected that he did not even know what ailed him; and on which account the Paliath Achan also declared that he did not desire that a person who lacks his senses should be punished for a deed that he committed in his insanity: in this manner the Paliath Achan handled this matter; however, by special order of Travancore the Nair was punished with death, and I am informed that Travancore's minister used all his eloquence and intellect to make the Paliath Achan understand that this never came from Travancore's side, just as he also did to me when I sought to sound him out on the matter. Furthermore, I also spoke with him regarding the conduct of the King of Cochin, or rather the Paliath Achan, with respect to the satisfaction he seeks to give the Nabob, and inquired how this is understood by the King of Travancore, but I could clearly perceive

Dutch transcription

verbeeteren of te herstellen; dat wij, of laat ik liever zeggen, zijn Eersten staats minister den Paljetter /:een schaander, ijverend en Getrouw Minister voor de belangens van zijn koning:/ in het jaar 1766. wanneer de Nabab voord eerste maal na deze kant quam afzakken, toen al hijmelijk zijn Hoff bij den Nabab gemaakt heeft, en als een dood vijand van het samenorijns huijs, den Nabab genoegzaam na dezen kant gelokt heeft, om maar het vermaak te hebben, den sammorijn verdelgt te zien; dat de Paljetter„ zo als men meend, toen met de Nabab ook al in een zoort van onderhandelinge of Correspon„ „dentie zoude geweest zijn, om door hem her„ „steld teworden, ingevalle den Nabab foevancoor mogt overheeren, en dat hij onder de hand den Nabab ook zoude beloofd hebben, om zo veel of wijnig van hem mogt afhangen, Hem Nabab in zijne voorneemens niet hinderlijk tezul„ „len zijn, schoon men meend, dat de Paljetter zig houd als of hij tans daar van berouw heeft, als nu van agteren den Nabab hebben„ de leeren kennen en wel begrijpende dat hij Grevancoor eens onder zijn magt hebbende den koning van Cochim zo min als een ander spaaren zoude: Dat de Paljetter in 't Geval zijnde en 'er zig niet weetende uijtteredden tans 60 tans zoo veel mogelijk den Nabab of zijn Mi„ „nisters zoekt te vriend tehouden en intusschen agter het gardijn zit om tezien, wie de sterkste partij zal blijven, ten eijnde zig daar bij tevoe„ „gen; dat Jrevancoor dit alles zeer wel weet, dog ontveijnst maar hem intusschen niet het minste vertrouwt en hem zelfs laat oppassen door een Lijfwagt van 't konings beste Naijros, die hem verzellen, om op al zijn doen teletten, egter onder de naam dat zulx tot zijn statie is; dat hoe zeer de koning van Fre„ „vancoor om reeden van staat den Paljetter geen quaad wilde doen, de kroon Prins, die van een geheel anderen in borst als de koning is Caes zijnde vol vuurs en geneijgh tot den oorlog/ meer als eens zijn Oom den koning aangezet heeft, om den Paljetter maar van kant te helpen, en den koning van Cochim een min schrander der staats be„ „zorger toetevoegen; dat deze kroonprins zelfs zulx door andere van zijn aanhang, den koning heeft laten aanraaden, dog te vergeefs, alzoo de koning oordeelt dat de tijd nimmer zo ongunstig daar toe kon zijn, als tans„ Dit nu vooraf hebbende laaten gaan, zo diend dat de Paljetter dezer dagen van Che„ „notta (alwaar blij relideert en ook zijn eijge land landgoed heeft, geleegen bezuijden de linie van Jrevancoor, omtrend een quart uur van cranganoor / den Commandant van 's Grevan„ „koors fortresse Coeriapallij, een vizite willende geven, onder weege in zijn palenkijn door een Naijro van de lijfwagt is aangevallen die zijn geweer op hem aanleijde en aftrok„ dog het geweer wijgerende, daar op gezwind en met geweld den zaljetter het geflanste bajont door het lijf wilde stooten, het geen de zaljetter merkende, door een schielijke draaij in zijn palenkijn temaken in zoo verre nog ontweek, dat het bajonet hem maar een quetsuure aan de buijk toebragt, die wel veel bloedstortinge veroorzaakte, dog niet gevaarlijk is bevonden, en welke wonde ook reeds zo goed als geneezen is: zo dra de zaljetter gewond was, liet blij wij zulks weeten, en verzogt teffens onmiddelijk aan den Commandant van het Camp om een Chi„ „vurgijn, ten eijnde hem te berigten of zijne wonde gevaarlijk was; de Commandant zoud ten eersten een chirurgijn, die blem verzeekerde, dat de wonde niet gevaarlijk was; en ik zoud onmiddelijk imand mij„ „nentweege om van hem te verstaan, wat 'er „die eijgentlijk gepasseert was, en de geen „ ik zoud had 61 had order om mijne verwonderinge over dat geval tekennen tegeven, en dat ik gaarne wilde weeten, hoe het met deze zaak gelee„ „gen was; dog blij ontveijnsde zijn hijmelijke gedagten, en liet mij eenvoudig bedanken voor mijne geneegentheid en goede intentie met bijvoeginge, dat bij het geval aanmerk te als een stukje van een dronke of disperaate kerel, die of zijn leven moede is geweest of niet geweeten heeft wat hij derd, en dat Hij Paljetter nu al eenigen tijd in zulke bedroefde omstan„ „digheeden geweest en nog is, dat bem een korte dood al zoo aangenaam zoude zijn, als een langer en verdrietig leven en voorts, dat Hij alles aan 't geval zoude overlaaten, schoon ik door geheijme Canaalen zeer wel in eene teweeten, dat de Paljetter vast in begrip is, det zoo hem dit stukje al niet berokkent is door den Goevancoor of den kroonprins, dat het ten minsten dan moet geschied zijn door de een of ander van Grevancoors ministers, die hijmelijk op blem mogten gebeeten zijn. Konings staats Minister in dezen ver„ „meld, is dan ook bij Hem geweest om die zaak te onderzoeken; de Naijro die zo lan„ „ge in het fort Coeriapallij gevangen Gezee„ ten had, is verhoort en hield zig als een dol dol en disperaat mensch, gevende geen andere antwoord als dat hij van een quaade geest bestierd is geweest en dat blij zig tot als nog zo wonderlijk bevond, dat bij zelfs niet wist wat hem manqueerde; en waarom de Pal„ „jetter ook verklaarde dat blij niet begeerde dat een mensch, die zijn verstand niet heeft, zoude gestaafd worden, over een daad, die bij in zijn krankzinnigheid gedaan heeft: op deze wijze behandelde de zaljetter dit stuk; egter is de Naijro op speciaale order van Jrevancoor met de dood gestraft, en ik ben ge-informeert dat Jrevancoors Minister all' zijn wel„ „spreekendheid en verstand gebruijkt heeft, om den zaljetter te doen begrijpen, dat zulks nimmer van 's Jrevancoors zijde ge„ „komen is, gelijk blij dat tegen mij ook ge„ „daan heeft, wanneer ik hem derwegens wilde polsen. Wijders hebbe ik met hem ook gesprooken nopens het gedrag van den koning van cochim of eijgentlijk den zaljetter, met betrekking tot het genoegen dat blij den Nabab tragt te geven, en vernomen hoe zulks bij den koning van Trevancoor begreepen word, maar ik kon duijdelijk merken

NL-HaNA_1.04.02_3519_0145 view scan ↗

English

notice that His Highness not only knows everything that I know about it, but knows more about it than I do; and that he, for the most part, also places faith in it. The Minister also indicated that his King, viewing the matter properly, understands that the Cochiner cannot well do otherwise, although it would indeed be desirable for us if it were otherwise, for he even submitted to my consideration that the King of Cochin, being unable on his own to resist even the slightest force of the Nabab, had his turn first last year and was also the first to be attacked by the Nabab; that when the Nabab's General Charder Chan marched across the river of Jnnemaka into the territory of the Cochiner, neither Jrevancoor nor the Company provided any assistance to the Cochiner; that the Cochiner, in order to prevent the devastation of that territory and bring about the enemy's retreat, made himself tributary on account of that region and committed himself to an annual contribution, with the prior knowledge of Jrevancoor and the Company; that the King of Cochin must therefore in that respect be regarded just like the Nabab's other tributary princes, who must do whatever the Nabab pleases or otherwise run the risk of immediately being treated in the foulest manner through the plundering of the country, the driving away of the inhabitants, and the setting of fire and flame everywhere; that the same would also happen to the Cochiner if he did not wish to please the Nabab; and that the closer the Nabab's acts of violence are committed in this vicinity, the more the land and the people south of Cranganoor and the lines are alarmed and thrown into turmoil; that he knows and has close knowledge that the Nabab has repeatedly desired that the Cochiner, or actually the Paljetter, should take the region from Chettua up to Cranganoor into lease for a certain sum of money and administer that land, just as mentioned above for his other northern territory up to the river of Jnnemaka; that because the Company has not yet renounced its claim to that region, he nevertheless did not dare to do so, but flatly refused, and thereby aroused a secret displeasure with the Nabab; that thus the King of Cochin, as far as his land south of Cranganoor is concerned, must only be regarded as our ally, and as far as his land north of the lines is concerned, as a tributary of the Nabab; and he even added at the last that the present conduct of the Cochiner must in itself be regarded as a natural consequence of the circumstances into which he was brought, and that he at the same time believes that if the Cochiner had known the Nabab in the year 1766 as well as he does now, he might not now be in such circumstances, regarding which he spoke in veiled terms; but that his Master at the same time deems it absolutely necessary to dissemble these matters for the present, and that one must above all avoid showing our displeasure to the Paljetter, in order not to make him desperate or cause him to resort to some desperate act or other. Now although these things may certainly be said, apart from some remarks that one might well bring against them, I exercised the caution of letting him finish speaking entirely on this subject, for the Malabar Ministers are generally accustomed to wait for an answer now and then to sound us out, and then direct their further conversation accordingly, or perhaps moderate phrases they had otherwise intended to put forward; and when he spoke no more of it and had said what he had to say, I answered everything simply by saying that it is merely a pity that the circumstances in which the Cochiner currently finds himself suit our interests so poorly, for I judged that I should not touch upon this matter any further, and still less let him see that if Jrevancoor might think fit to put the Cochiner out of the world, as they say, the Company would gladly also have some of his land, at least the island of Baijpin and the district of Mattancherij with the right to the customs, as I have already preliminarily imparted my thoughts in this regard to Your High Nobilities at the end of my separate letter of August 20th last; and with this answer he seemed to be quite satisfied, for he concluded that conversation by reminding me once more of the absolute necessity there is to conceal our displeasure from the King of Cochin. After this, I conferred with him concerning the war expenses that the Company must currently incur to prevent the further encroachment of the Nabab. I pointed out to him that his preservation or ruin depends upon the preservation of Cranganoor and Aijkotta, in case the Nabab, having his hands free, should come down again with a strong force and could break through, and that this would certainly happen if we did not prevent him from doing so; but that if we are not in some way compensated for the expenses that we currently have at Cranganoor and Aijkotta, we can no longer maintain such a force there, in which case Jrevancoor would be exposed to the utmost danger of losing everything he has; that we could then still rely on our city, and taken at the very worst, here on the coast

Dutch transcription

62 merken dat zijn Hoogheid niet alleen alles weet, wat ik daarvan weet, maar meer daarvan weet, als ik; en dat blij voor het grootste gedeelte ook geloof daar aan staat; De Minister gaf ook te kennen, dat zijn koning de zaak wel inziende begrijpt, dat de Cochimen niet wel anders doen kan, schoon het wel anders voor ons tewenschen waare, want blij gaf mij zelfs in overweeginge dat de koning van Cochim onvermogens zijn„ „de om alleen het geringste geweld van den Nabab te keer tegaan, voorleeden jaar het eerst aan de beurt geleegen heeft en ook het eerst door den Nabab aange„ „tast is; dat toen 's Nababs Generaal Char„ „der Chan over de revier van Jnnemaka in het land van den Cochimer getrokken wat, zo min Jrevancoor als de Comp: den cochimer eenige hulpe hebben toegebragt dat de Cochimer om de verwoestinge van dat Land voortekomen en 's vijands aftogt te bewerken, met voorkennis van Jrevan„ „coor en de Comp: van wegens die Land„ „streek, zig tributair gemaakt en zig voor een jaarlijkse Contributie verbonden heeft; dat de koning van Cochim dus in in dat opzigt moet aangemerkt worden even als snababs overige tributaire vor„ „sten, dewelke doen moeten, wat de Nabab belieft of anders gevaar loopen van ten eersten op de vuijlaardigste wijze behandelt teworden door het laaten spouljeeren van het land, de ingezeetenen te verjagen en vuur en vlaam over al aantesteeken; dat zulx den Cochimer ook zoude overkomen indien hij den Nabab niet wilde believen en dat hoe digter de geweldenarijen van den Nabab hier omstreeks gepleegt wor„ „den, hoe meer 't land en 't volk bezuijden Cranganoor en de linie ge-allermeerd en in rep en roer gebragt word; dat blij van na bij weet en kennis draagt, dat de Nabab eens en andermaal begeert heeft, dat de Cochimer of eijgentlijk de Paljetter de Landstreek van chettua tot Cranganoor toe, zoude in pagt neemen, voor zeeker somma gelds en dat land bestieren, gelijk voorschr: zijn ander noordelijke Land tot aan de revier van Jnnemaka; dat Hij om dat de Comp: van haare pretentie op die Landstreek nog niet afgezien heeft, zulks egter niet heeft durven doen maar glad uijtgewijgert, en daar door bij den Nabab 63 Nabab een hijmelijk ongenoegen verwekt; dat dus de koning van Cochim voor zo verre zijn land bezuijden Cranganoor aangaat, maar alleen moet aangemerkt worden, als onze ge-allieerde en voor zo verre zijn land benoorden de linie aan„ „gaat, als een Gributaire van den Nabab en blij voegde 'er op het laatste zelfs bij dat het tegenswoordig gedrag van den Cochimer op zig zelfs moet aangemerkt worden als een natuurlijk gevolg van de omstandigheeden waarin blij gebragt is, en dat blij teffens geloofd, dat als de Cochi„ „mer de Nabab in 't Jaar 1766. zo wel als nu gekent had, blij mogelijk nu in zulke omstandigheeden niet zoude zijn, waar„ omtrent olij in bedekte termen sprak; dog dat zijn Meester het teffens absolut noodzaakelijk oordeeld, het een en ander voor als nog te ontvijnsen, en dat men voor al moet mijden om den Paljetter ons ongenoegen te laaten blijken, ten eijnde hem niet wanhoopig temaaken of tot deze of gene disperaatheijd te doen overgaan. Dan schoon die dingen zig zeekerlijk laaten zeggen, behalven eenige aanmer„ „kingen die men 'er nog wel tegen zoude kunnen kunnen inbrengen, zo gebruijkte ik de voorzigtigheijd om blem op dit subject geheel en al te laten uijtpraten, want de Mallabaarse Ministers zijn doorgaans gewoon, nu en dan na een antwoord tewag„ „ten, om ons te polsen, en dan hunne verdere Gesprekken daarna te rigten, of ook wel perioden te menageeren, die ze anders gemeent hadden te allegeeren; en toen blij 'en niets meer van spaak en gezegd had, wat blij tezeggen had, be„ „antwoorde ik alles eenvoudig, niet te zeggen, dat het maar jammer is dat de omstan„ „digheeden, waarin de Cochimer tans is, zo weinig in onzen kraam te pas komen, want ik oordeelde dit articul niet verder te moeten roeren en Hem nog minder te laten blijken, dat als Jrevancoor mogt goedvin„ „den om den Cochimen, gelijk men zegd, uijt de wereld te hebben, de Comp: gaarne ook wat van zijn Land zoude willen hebben, ten minsten het Eijland Baijpin en het district van Mattancherij met de geregtigheid van den tol, gelijk ik uw Hoog Edelheedens mijne gedagten derwegen reeds prealabel bedeeld hebbe, aan het eijnde van mijne aparte brief van 64 van den 20. ' Augustus, J:t leeden; en met dit antwoord scheen blij al heel wel te vreeden tezijn, want blij besloot, dat ge„ „sprek met mij nog eens te herinneren, de absolute noodzaakelijkheid die 'er is, om voor den koning van Cochim ons onge„ „noegen te ontvijnsen. Hier na onderhield ik hem, over de oorlogs onkosten, die de Comp: tans om den verderen indrang van den Nabab tebeletten, doen moet; jk toonde hem aan, dat aan het behoud van Cranganoor en Aijkotta zijn behoud of ondergang dependeert, inge„ „valle de Nabab de handen eens ruijmen krijgende, weder met een sterke magt af„ „quano en doorbreeken kon, en dat dit ge„ „wisselijk geschieden zoude indien wij Hem zulks niet beletten; dog dat indien we niet eenigzints in de onkosten die we tans te cranganoor en Aijkotta hebben, te ge„ „moed gekomen worden, wij zo een magt daar niet langer aanhouden kunnen, als wanneer Jrevancoor aan het uijtterste ge„ „vaar bloot gesteld zoude zijn, om alles te verliesen wat blij heeft, dat wij ons dan nog op onze stad verlaten kunnen en ten aller ergsten genomen het hier op de kust -

NL-HaNA_1.04.02_3519_0150 view scan ↗

English

coast no longer being able or willing to hold, would then lose only a portion of our possessions, since we still have so much in the Indies and His Highness only a single realm. And I even added that Chettua and that entire region mattered nothing to us, now that it is known and evident that the northern land of the King of Cochin is entirely at the disposal of the Nabob, but that the Company has only retained the same to prevent the intrusion of foreigners from that side for as long as possible, for the tranquility of Travancore and Cochin; that the revenues of Cranganore and of the few small gardens on Ayacotta are so meager that barely 25 soldiers can be maintained from them; that Vypin did not belong to us anyway, and we also hold nothing upon it except some small gardens at the northern end of Ayacotta and a strip of land at the southern end, of which we gradually have the trees felled due to necessity; that it would therefore be in our interest merely to withdraw our force into the city, 65 in which case we could defend our city with half of our force much more easily than Cranganore and Ayacotta with our present force; that Malabar in this manner must become a ruin for the Company. And as he then interrupted me and asked as if in private whether it is indeed the truth that the Company some time ago had the intention to abandon its remaining strongholds and possessions on the Malabar coast, just as the Company had already made a beginning with the abandonment of Cannanore, adding that the English at Anjengo had said so, to which I nevertheless did not consider it necessary to answer yes or no, I answered this question by continuing my discourse: namely, that circumstances such as the present might at least very easily give cause for serious consideration by our Lords Superiors, namely whether it would suit the Company to continue residing here any longer in this costly manner, which is so ruinous for it; that if we were willing to abandon our strongholds here, we could obtain a considerable sum of money for them, and with that purchase as much pepper as we want, like other European nations, without having to bear such tremendous expenses for a small quantity of pepper, as is the case at present; that we could then still sell our merchandise just as well, since we would merely send that much more sugar and spices to Surat or other factories, and that we would then have even more profit than otherwise. And I even made him believe that the Company could immediately make peace with the Nabob if only we wished to leave Travancore to fend for itself, but that the Company will not do so if Travancore only shows itself willing to make the present heavy and oppressive burdens bearable for us; that the King ought at least to help us bear the costs of only 1,000 sepoys, whom the Company shall maintain in its service and drill in the use of arms, in order always to be able to be employed and to be able 66 to act whenever the enemy might wish to break through toward this side; that if His Highness should then at least annually noticeably and significantly increase the delivery of pepper so that from it about as much money could be realized as the Company presently spends, and would hereafter still have to spend, for the sake of Travancore; that one even leaves it to his own judgment whether the King is not obliged to accommodate us, and whether it is at all consistent with reason that, instead of accommodating us, nearly 200,000 lb of pepper less was delivered this year than last year, and that therefore a notable change for the better must be made in this regard, since on this footing it is impossible to endure any longer. All the foregoing I presented to him step by step, in serious yet at the same time friendly and persuasive terms; indeed, he also listened to everything with composure and also let slip that he wished the Company had not been brought to the necessity of doing what it now does; but then he continued and demonstrated that the Company does all this as much for its own interest as for the common interest; that if the Company's own particular interest were not at the same time included therein, it is inconceivable that the Company would take so much trouble and incur so many expenses; that his master at present, and for that same reason as the Company, must also bear so many war expenses, both with the daily fortification of his northern lines and with the enlistment and maintenance in service of so many extraordinary soldiers, of whom even 800 men are stationed as auxiliary troops in the camp at Ayacotta, who are paid by his master, while the Company actually ought to make the payment, since those troops effectively on

Dutch transcription

kust eens niet meer kunnende of willen „de houden, dan nog maar een gedeelte van onze bezittingen zouden quijtraaken, daar wij in Jndiën nog zoo veel hebben en zijn Ho:t maar een enkel Rijk, en ik deed 'er zelfs bij, dat ons aan chettua en die geheele landstreek niets geleegen legd, nu het bekend en gebleeken is, dat het noordelijk land van den koning van Cochim, ten eenemaal ter dispositie van den Nabab is, maar dat de Comp: het zelve maar aangehouden heeft, om den indrang van vreemde aan die kant zo lange mogelijk te beletten, tot gerustheijd van Jrevancoor en Cochim; dat de inkomsten van Cranganoor en van de weinige thuijnt, jes op Aijkotta zo gering zijn dat er pas 25. Militairen uijt kunnen onderhouden worden, dat Baijpin ons tog niet toebehoo„ „rende, en wij daar op ook niets hebbende, als aan het noordelijke eijnde van Aij„ „kotta eenige thuijntjes en aan het zuijd eijnde een strockje land waarvan wij de boomen uijt hoofde van de noodzaake „heijd al gaande weg laten om verkappen, het derhalven onze zaak zoude zijn, om maar onze magt in de stad te trek„ „ken 65 „ken, als wanneer wij met de helft van onze magt vrijgemakkelijker onze stad zoude kunnen defenderen als Cranganoor en Aijkotta met onze tegenswoordige magt, dat de Mallabaar op die wijze voor de Comp: een ruine moet worden: en dewijl bij mij toen in de reden vallende als in „het of„ in der daat het particulier afvroeg, de waarheijd is, dat de Comp: over eenigen tijd eens voorneemens is geweest om haare verdere vastigheeden en bezittingen op de Mallabaar te verlaaten, gelijk de Comp: al reeds een begin gemaakt had, met het abandoneeren van Cananoor, met bijvoeginge dat de Engelse te Ansjenga zulx verteld hadden, waar op ik egter niet nodig oordeelde ja nog Neen te antwoorden, zo be- „antwoorde ik deze vraag met het vervolgen van mijn discours, namentlijk dat dierge„ „lijke omstandigheeden als tans ten minsten veel ligt aanleijding zouden kunnen geven, tot ernstige overwreginge van onze Heeren superieuren, namentlijk of het de Comp: wel zoude convenieeren hier op deze kostbaare, en voor blaar zo uineuze wijze langer te blijven woonen, dat wij onze vastigheeden hier eens willende ver„ „laaten „laaten een aanzienlijke somma gelds, daar voor zouden kunnen in handen krijgen, en daar voor gelijk andere Europeeze Naties zo veel peper kopen als we hebben willen, zonder, gelijk tans, om een ge„ „ringe quantiteijt peper zulke ontzag„ „gelijke onkosten te moeten dragen; dat we onze handelwharen, dan even wel zou„ „den kunnen verkopen, alzo wij dan maar zo veel meer zuijker en specerijen na suratta of andere Comptoiren zouden zenden, en dat wij dan zelfs nog meer voordeel zouden hebben als anders, en ik deed blens zelfs gelooven dat de Comp: nu wel aanstands vreede kan maken, met de Nabab, als wij Trevan„ „coor maar op zijn eijge wieken willen laten drijven, dog dat de comp: dat niet doen zal, als frevancoor zig maar laat vinden om ons de tegenswoordige zwaare en drukkende Lasten dragelijk temaken dat de koning ons ten minsten diende te helpen dragen, in de onkosten alleen maar van 1000. Sipaijs, die de Comp: in haaren dienst zal houden en in den wapenhandel oeffenen, om altoos te kunnen gebruijkt worden, en te kun„ nen 66 nen ageeren, wanneer de vijand mogt willen doorbreeken na dezen kant; dat indien zijn blo=t dan ten minsten Jaar„ „lijks de peper leverantie merkelijk en zo zeer diende te vermeerderen dat daaruijt, omtrent zoo veel geld kan gevonden worden, als de Comp: om s' Crevancoors wille tans besteed, en na dezen nog zoude moeten besteeden; dat men het aan zijn eige oor„ „deel zelfs overlaat of de koning niet ver„ „pligt is ons tegemoed tekomen, en of het met redelijkheijd wel bestaanbaar is, dat in steede van ons tegemoed tekomen, dit Jaar wel bij na 200'000. lb: peper minder geleeverd is, als verleeden jaar, en dat derhalven hier omtrent een merke„ „lijke veranderinge ten goeden moet gemaakt worden, alzo het op dien voet onmogelijk langer doorstaan kan„ All dit voorenstaande, hield ik hem voor, traps gewijze, in serieuze, dog tef„ „fens in vriendelijke en overreedende termen; trouwens hij hoorde ook alle met met bedaartheijd aan en liet zig ook ontvallen, dat bij wel wenschte, dat de comp: niet in de noodzaakelijkheijd ge„ „bragt wat, om tedoen het geen ze tons doed; dog toen ging blij voort, en toonde aan; dat de Comp: dit alles zo veel voor Haar eijge, als het algemeene belang doed dat indien 'sComp:s eijge en bijzonder be„ „lang, daar in niet teffens opgeslooten was het niet te denken is, dat de Comp: dan zig wel zo veel moeite zouden geven, en zo veele onkosten doen; dat zijn meeste tans zelfs en om die zelfde reeden als de Comp: ook zo veel oorlogs ongelden moet dragen, zo met het dagelijks fortifi„ „ceeren zijner noordse linie, als met het in dienst neemen en in dienst houden van zo veel extra ordinaire Militairen waar van zelfs 800. man in 't Camp te Aijcotta als auxiliaire troupen leggen die door zijn meester betaald worden waar van de Comp: eijgentlijk de betaling diende te doen, also die troupes, daar effectief op

NL-HaNA_1.04.02_3519_0155 view scan ↗

English

on the Company's territory and, just like our people, serve under the general authority of the commandant of Aijcotta; that he was quite willing to admit that if we had not checked the Nabab's advance before Cranganoor and Aijcotta, he certainly would have penetrated further, whether against the Company or against Travancore itself; that he nevertheless trusted that the Company would also be willing to admit that if Travancore had not also reinforced its northern lines and manned them with troops, the Nabab would have been able to penetrate there as well, and would then have had it at his own discretion to attack further whomever he pleased, whether the Company or him, Travancore; and that everyone must therefore bear the burdens that fall to him; that Travancore cannot yet say that the Nabab has offended him, but he certainly has offended the Company, and that he therefore cannot and may not do anything north of Cranganoor; but that if the Nabab should wish to break through, he then has his militia at hand to act at the place where the breach might occur, or wherever we might deem that his troops ought to come; that his Master heartily wishes that the Company may never think, much less decide, to leave him alone here; but that his Master—I must not, after all, take it amiss of him that he declared it frankly so as not to mislead me—would never consent to paying military personnel who are in our service, and that if the Company, contrary to expectations, should see fit to remain here no longer, he then requested that his master might be warned of this first, before others might know it, in order to be able to take his measures accordingly in time; that his master, however, being convinced that the Company currently incurs many expenses, would gladly deliver more pepper than ordinary; but that this cannot happen unless he greatly reduces the contingent for the English; that this could cause him unpleasantness, the more so because the English are currently very jealous because we are now so openly allied with Travancore, of which the minister related many particulars to me in confidence, but that Travancore nevertheless, in order to convince the Company of his goodwill, would endeavor to increase the pepper deliveries to such an extent that he did not doubt the Company would be satisfied with it; and finally, that he was also quite willing to believe that we could perhaps make peace with the Nabab immediately, and that the Nabab would also immediately promise to leave us unmolested henceforth, if the Company would be indifferent regarding the interests of his Master, merely granting the Nabab free passage and letting him push through Cranganoor or Aijcotta; but that he holds himself assured that the Company is too sensible to allow itself to be misled by the Nabab, whose greatest successes are achieved not only by superior force but also by his well-known cunning; that the Company knows very well that as soon as he can only push through where he was recently checked, he would go his own way and care little for his promised peace; that the Company knows well that the Nabab does everything for which he sees an opportunity, and the breaking of faith, word, and oath is everyday business with him; that if anyone has experience of this, it is the Company, since he, having had not the slightest dispute with the Company, on his march out of the Cochin territory unexpectedly attacked the possessions of the Company with hostility, plundered, burned, and wreaked devastation upon the same, besieged Chettua and attacked Cranganoor, and all that still under the guise of friendship; that it could certainly not be unknown to me how he had been shameless enough to write to Cochin that he had sent Sardar Khan to speak about some matters, but that our people of Chettua had fired upon him, and that this was not friendly of us; that Sardar Khan had made the hostile attack on Cranganoor also under the guise of friendship and ostensibly to speak with the commandant, in the hope of misleading the commandant and taking the fort by surprise; that he holds himself assured that the Nabab will also gladly promise Travancore never to offend him, if he will only allow him to pass through his lines, or if he will only promise not to help prevent his intrusion at Cranganoor or Aijcotta; but that his King will not be so foolish as to believe such a thing; that besides this, his King has too good an opinion of the Company to believe that the Company, even if it could and might rely on the Nabab, would want to make peace with this tyrant who has so injured the Company, to the prejudice of its allies; but that if the Company, on account of present expenses, should nevertheless resolve to do so, he then requests that his King may be warned of it in time, in order then to make use of the help of the English and Mahomet Alij, who are also obligated to help him against those who might offend him, since the Nabab, through the neutrality

Dutch transcription

67 op 's Comp:s grond gebied en even als ons volk onder het Generaal gezag, van den commandant van Aijcotta dienst doen, dat hij wel wild bekennen, dat als wij de Nabab voor Cranganoor en Aijcotta „hadden, niet in zijn vaart gesluijt „ blij zeekerlijk verder zoude doorgedrongen zijn, het zij tegen de Comp: het zij tegen Joevancoor zelfs; dat blij egter vertrouwd, dat de comp: ook wel zal willen bekennen, dat indien foevancoor zijn noordelijke linie ook niet had laten versterken en met volk be„ „zetten de Nabab daar ook zoude hebben kunnen doordringen, en het dan in zijn keur ook gehad had, om verder aan te lasten wien bij wilde, het zij de comp:, het zij blein Jaevancoor; en dat dus een ijder zig de lasten getroosten moet, die blij te dragen heeft; dat Jevancoor nog niet kan zeg„ „gen dat de Nabab blem beleedigt heeft, maar wel de Comp: en dat vlij daar om niets benoorden Cranganoor kan nog mag doen; dog dat als de Nabab mogt willen willen doorbreeken, als dan zijne Mi„ „litie onder heeft, om te ageeren ter plaatse waar de doorbraake mogt geschieden, of waar wij mogten oordeelen dat zijne troupes dienden te komen; dat zijn Meester van harten wenscht, dat de Comp: nimmer denken veel min be„ „sluijten mag, om hem hier alleen te laten; dog dat zijn Meester /:ik moest het hem tog niet qualijk neemen dat blij het rond uijt verklaarde om mij niet te mislijden. / nooit treeden zou om Militaire te betalen, die in onzen dienst zijn, en dat indien de Comp: onverhoopt eens mogt goedvinden hier niet meer te blijven, Hij dan verzogt dat zijn meester daar van het eerste mogt gewaarschouwd worden, eer het andere mogten weeten, om in tijds zijne maatregulen daar na te kun„ „nen neemen; dat zijn meester egter over„ tuijgt zijnde dat de Comp: tans veel onkosten heeft, gaarne wel meer peper wild leveren als ordinaia; dog dat dit niet geschieden kan, ƒ 68 kan, of blij moet het Contingent van de Engelse zeer verminderen; dat hem dit onaangenaamheiden kan baaren, te meer de Engelse tans zeer Jalours zijn, om dat wij tans met Trevancoor zo opend„ „lijk verbonden zijn, waar van de minister mij in vertrouwen al veel bijsonderheeden verhaalde, dog dat Juevancoor even wel om de Comp: te overtuijgen van zijn goed„ „willigheijd, de peper leverantie, zo zeer zoude tragten te vergrooten, dat bij niet twijffelde, of de Comp: zou daarin genoegen neemen, en eijndelijk, dat hij ook wel gelooven wild, namentlijk, dat wij mogelijk met de Nabab aanstonds wel vreede zouden kunnen maken, en dat de Nabab ook aanstonds wel belooven zoude om ons voortaan onge„ „molesteert telaaten; indien de comp: om„ „trent de belangens van zijn Meester on„ „verschillig wild zijn; den Nabab maar vrije passagie verleenen en door Cranganoot of Aijcotta heen laten dringen maar dat blij zig verzeekerd houd, dat de Comp: te verstandig verstandig is, om zig door den Nabab (wiens meeste progressen niet alleen door overmagt maar ook door zijne bekende listen gemaakt worden/ te laten mislijden; dat de Comp: zeer wel weet dat zo dra blij maar door kan doen „gen, waar blij laatst gestuijst is, Wij zijn Gang zoude Gaan, en zig weinig stooven aan zijne beloofde vreede; dat de Comp: wel weet dat de Nabab alles doet, waartoe vlij maar kans ziet„ en het schenden van trouw woord en een bij dem dagelijks werk is; dat zo iemand onder„ „vindinge daar van heeft; de comp: het is alzo hij met de Comp: geen het minste verschil gehad hebbende, bij den afmarsch uijt het Cochimse op het onverwagts de bezittingen van de Comp: vijandelijk aangetast, op dezelve geroofd, gebrand, en verwoestingen aangeregt chettua belegerd en Cranganoor g'attacqueerd heeft, en dat alles nog onder de naam van vriend „schap, dat het immers mij niet onbekend kon zijn, hoe Hij onbeschaamd genoeg is geweest, „namentlijk om na Cochim te schrijven, dat wij charder chan gezonden had, om over eenige zaaken te spreeken, maar dat ons volk van 69 van chettua op hem geschooten had, en dat zulx niet vriendelijk van ons was; dat chardea chan de vijandelijke attacque op cranganoor gedaan heeft ook onder de naam van vriendschap en quantwijs, om den commandant te spreeken, in hoop om den Commandant maar te mislijden en het fort te overrompelen, dat blij zig verzee„ „kend houd, dat de Nabab Grevancoor ook wel belooven zal, Hem nimmer te beleedigen, in„ dien bij hem ook maar wild toelaaten, om door zijn linie tekomen, of indien hij maar belooven wild zijn indrang te cranganoor of Aijcotta niet te willen helpen, beletten; dog dat zijn koning zo dwaas niet zal zijn om zulx te gelooven, dat buijten des, zijn koning al te goeden denkbeeld van de comp: heeft om te ge„ looven, dat de comp. , schoon al eens op de Nabab staat kunnende, en mogende maken, met dezen geweldenaar die de comp: zo geledeert heeft, een vreede zoude willen maken, tot prejuditie van baare bondgenooten, dog dat als de comp: om de wille van tegenswoordige kosten, egter daartoe mogt resolveeren, hij dan verzoekt dat zijn koning daarvan in tijds mag gewaarschouwd worden, ten eijnde dan zig van de hulp van de Engel„ „sche en Mahomet Alij te bedienen, dewelke ook verpligt zijn, blein te helpen, tegen de geene die htem mogten beleedigen alzoo de Nabab, door de neutraliteijt

NL-HaNA_1.04.02_3519_0160 view scan ↗

English

might at times break the neutrality of the Company, and he could inform the English and Mahomet Alij of this, and they could assist him. After I had heard him out, and had made the necessary replies to the points that required a reply, just as those matters are easily answered, or at least can and must be answered to the Native, I clearly saw nonetheless that nothing could be done about it; and since I deem it of the utmost necessity to remain ever more closely allied with Trevancoor and to avoid all suspicion, I did not dare press the article of the war expenses more strongly than I had already done, and I brought the conversation back to a less serious tone. However, I remained all the more insistent on the article of the pepper, and that with all the seriousness I could muster, just as he also seemed pleased with everything I presented to him in that regard; and he finally requested of me that I would not make myself uneasy or anxious about it, and gave me the strongest promises that his master would satisfy the Company regarding the article of the pepper, and that he, for his part, would also use his utmost endeavors to that end. How How far this promise will now be fulfilled, time must tell; however, I do not think that the delivery will be increased in such a manner that the Company will thereby be relieved for a large part of the heavy expenses. The Chief Supplier, together with the second supplier and the King's Agent Ananda Malen, have also these days settled the pepper account for the pepper delivered this year with me, and received the credit balance thereof amounting to ro/as 42255: 42:—. On that occasion I again made the strongest and most earnest representations possible regarding the meager pepper delivery this year, and warned them in a serious manner that it can never continue on this footing, and that if indeed far more pepper is not delivered annually than has been delivered up to now, one will perhaps lament it too late. The answer was once again the old song, namely, that as much is delivered as is possible; that either excessive drought or too much rain is repeatedly the cause of a crop failure, so that it is beyond the King's power to deliver more pepper than is picked, and more such ordinary excuses. Nevertheless, they made strong and solemn promises to deliver more pepper, and gave assurances that the King, since the return of his Prime Minister, minister, who had recently visited me, had sent strict orders to the pepper suppliers and his other pepper officials to give me more satisfaction regarding this article. Furthermore, I must inform Your High Excellencies that the Governor of Ceylon, Mr. Falck, by a separate letter of 21 March last, on account of the uncertain outcomes of the war rumors heard concerning the Candians, has been obliged to request back, out of the five European companies, three native companies, and one company of sepoys present here, two European companies and three native companies, in order to be able to be in Ceylon by the end of the good monsoon. Your High Excellencies can easily understand that, although the bad monsoon is indeed approaching—during which one does not have to fear hostile attacks so much as during the good monsoon—this nevertheless disrupted me somewhat and even caused me some anxiety to give the dispatch of five companies at once the best appearance or pretext here; which is why I let my thoughts wander to devise something for this purpose, while simultaneously reducing the heavy costs of an army lying in the field, and yet remaining in a good state of defense according to the circumstances of the times. Among Among other things, it came into my consideration: That experience has recently taught that our force was not large enough, even now that the Nabab has only a moderate force in these lowlands, to retake Chettua and once again become master of the region from there to Caanganoor. That there is also no likelihood that for the present we shall be able to obtain such a considerable further assistance of European soldiers, which is what is principally lacking—I say such a considerable further assistance because two to three hundred men, more or less, are not to be counted upon heavily against this mighty enemy, experienced in war; That therefore little hope remains for us to recapture what was lost for the time being. That even if we could do this once, we would nevertheless have to have and maintain a considerable force to hold it, now that the Nabab has a free passage through the Cochin country on the other side of the river. That it is thus unlikely that we shall be able to become and remain master of it again, unless the same is returned to us by the Nabab and an agreement is reached with him, for which as yet there is not the least likelihood, since he leaves the letters unanswered and has not yet

Dutch transcription

neutraliteijt van de comp: zomtijds zoude kun„ „nen doorbreeken, een hij aan de Engelse en Mahomet Alij daar van konden kennis geven en dezen hem konden afsisteeren. Na dat ik Hem aangehoord had, en op de poincten, die replicq vereijschten, het nodige gere„ „pliceerd had, gelijk die dingen ook ligt te beant„ „woorden zijn, ten minsten bij den Jnlander kunnen en moeten beantwoord worden, zo zag ik tog duij„ „delijk dat 'er niets aantedoen wat, en dewijl ik het van d' uijtterste noodzakelijkheid oordeele om met Jrevancoor hoe langer hoe nauwer verbon„ „den te blijven en alle aagwaan te vermijden, zo hebbe ik het articul van de oorlogs ongelden, niet sterken durven pouseeren, als ik reeds gedaan had, en ik bragt de discoursen weder in een min ernstigen trant; dog ik bleef det te sterken staan op het articul van de peper, en dat met all den ernst, die ik gebruijken kon, gelijk blij zig ook alles liet welgevallen, wat ik hem daar omtrent voorhield en blij verzogt mij op 't laatst, dat ik mij daar om„ „trent tog niet moeijlijk nog ongerust wilde maa„ „ken, en deed mij de kragtigste beloften dat zijn meester de Comp: omtrend het articul van de peper genoegen zoude geeven en dat hij aan zijne zijde daartoe ook zijne uijtterste vermogen aanwenden zoude Hoe 70 Hoe verre nu aan deeze belofte zal voldaan werden, moet de tijd leeren, egter denke niet, dat de leverantie zodanig zal vermeendert werden, dat de Comp: daardoor, voor een groot deel in de swaare onkosten werde gesoulageert: De Hoofd Leverancier benevens de tweede leverancier, en 's ko„ „nings Agent Ananda Malen, hebben ook dezer dagen de peper reekeninge van de J:o geleverde Peper met mij geslooten en het zaldo daar bij tegoed groot ro/as 42255: 42:—. ontfangen: bij die gelegent„ „heijd hebbe ik over de J:o geringe peper leverantie weder de kragtigste en ernstigste vertoogen gedaan, die mij mogelijk waaren, en hin op een serieuse wijze gewaarschouwd, dat het op dien voet nimmer zodanig kan voortduuren, en dat als 'er niet met er daad Jaarlijks veel meer peper Gele„ „verd werd, als 'er tot dus lange gelevert is, men het zig mogelijk telaat beklaagen zal: Het antwoord was al weder, het oude liedje, na„ „mentlijk, dat er zo veel geleverd word, als mo„ „gelijk is, dat of te groote droogte ofte veel regens telkens oorzaaken van een mis gewas zijnde, het buijten 's konings vermoogen is, meer peper te leveren als 'er geplukt word, en diergelijke or„ „dinaire excepties meer; egter deedenze krag„ „tige en duure beloften, van meer peper te zullen leveren en verzeekeringen, dat de koning, 'tzedert de terug komste van zijn Eersten staads minister minister, die onlangs bij mij geweest was, scherpe ordres aan de Peper leveranciers en zijne verdere peper Bediendens gezonden had, om mij omtrent dit articul meer genoegen tegeven wijders moet ik uw Hoog Edelheedens nog ter kennisse brengen, dat de Heer Ceijlons Gouverneur Falck bij apparte brief van den 21:' Maart J:o leden uijt hoofde van de onzeekere uijtkomsten der oorlogs gerugten, die van de Candianen vernoomen wierden, genoodzaakt is geweest, van de hier zijnde vijf Companien Europeezen, drie Comp=e oosterlingen en een Comp:s sipais, twee Companien Europeezen en drie Companien oosterlingen terug te verzoeken, ten eijnde met het eijndigen van de goede Mousson op Ceijlon te kunnen zijn. Uw Hoog Edelheedens kunnen ligt begrijpen, dat schoon de quaade Mousson wel aanstaande is waar in men zo zeer niet voorvijandelijke aan„ „vallen, als wel in de goede Mousson tevreezen heeft, mij zulks egter eenigzints gederangeerd en zelfs wat bezorgd gemaakt heeft, om de verzen„ „dinge van vijf Companien tegelijk, alhier den besten naam ofschijn tegeven, waarom hebbe laten gaan, om daar ik mijne gedagten toe iets uijttevinden, teffens de zwaare kosten van een ten velde leggend leger te verminderen, en egter in een goeden staat van defensie na maate van de tijds omstandigheiden te blijven onder 71 Onder andere kwam bij mij in Consideratie. Dat de ondervindinge tog laatst geleert heeft, dat onse magt niet groot genoeg is geweest, om zelfs nu de Nabab maar een tamelijke magt in deeze beneeden landen heeft, Chettua te herneemen en weeder meester vande landstreek van daar tot Caan„ „ganoor tewerden. dat 'er ook geen apparentie is, dat wij voor eerst ro een aanmerkelijke meerder assistentie van Europeeze militairen zullen kunnen bekomen, en waar aan het voornamentlijk ontbreekt, ik zegge zo een aanmerkelijke meerder assistentie, om dat op twee à drie hondert man, meer of min, tegens deezen magtigen en in den oorlog bedreevenen vijand niet Hoog te reekenen is; dat 'er derhalven voor ons weijnige Hoope overblijft, om het verloorene voor eerst weder te bemagtigen. dat zo wij dit al eens konden doen, wij egter een aanmerkelijke magt zouden moeten hebben en houden om het te bewaaren, nu de Nabab een vrije doortogt door het Cochimse land aan de overkant der revier heeft. dat het dus geen schijn heeft, dat wij weder daar van meester zullen kunnen werden en blijven, zo ons het zelve niet door de Nabab, word terug gege„ „ven, en met hem een vergelijk getroffen worde, waar toe als nog geene deminste apparentie is, dewijl hij de brieven onbeantwoord laat, en nog geene

NL-HaNA_1.04.02_3519_0164 view scan ↗

English

shown no opportunity or inclination to enter into negotiations: that besides this I see up to now not the least suitable opportunity to bring the matter to an end, not even in that manner for which Your High Nobilities, in case of absolute necessity and if it could be done in no other way, have qualified me. that since we shall therefore for the present have to abandon this region almost entirely, it might perhaps be best to allow the Paliath Achan merely connivingly to accept that region in lease or in contribution, without on that account relinquishing our right to the same that the Nabob then without doubt will withdraw his troops from that country, except from Chettua, in which he will certainly always leave a proper garrison: that the Paliath Achan, seeing that we do not disturb him in the possession thereof, and finding his interest in this new lease, will on account of his own interest and ambition try to move the Nabob to refrain from further undertakings, at least so long as he is not absolutely inclined to make conquests on Travancore: that seeing the troops of the Nabob withdraw from there, one then need not leave such an expensive army encamped below Cranganore, but Cranganore being strongly garrisoned and well provided with everything, could let our further force come to Cochin and keep it there to be able to assist Cranganore if necessary, and also to reinforce Ayacotta; having considered all this, I believe that this is the only path that can for the present be taken in these current circumstances, and I have fallen upon these thoughts all the more, namely to allow the Paliath Achan connivingly to take the aforementioned region in lease and thereby cause the enemy troops to depart from there, partly because the sending back of the Ceylonese troops can then bear the semblance of one no longer needing so many men here, which then also at the same time may cause some change in the designs of the Candians on Ceylon, and partly because I judge the connived administration over the region by the Paliath Achan, in my humble opinion, to be even better than making peace with the Nabob, who, even if we wished it, would nevertheless enter into it in no other way than that for which Your High Nobilities have qualified me as an utter last resort; for then we would have completely lost our right to the region and moreover be in the same situation we are in now, namely to remain in a good state of defense, and under the name of peace and friendship to grant him all kinds of troublesome and exorbitant requests, which he would make continually, and which we would also have to grant if we did not want to get into trouble with him again immediately, for such is his nature, and such is his manner of dealing; besides that, now that he has already dropped his mask and showed no respect for the Company, nothing else is to be expected from him than that he will keep the peace no longer than his interests and capabilities dictate, and until he only sees a chance, under the pretext of friendship, to break through the Lines of Travancore or our posts Cranganore and Ayacotta: for if he saw a chance for that now, he would surely do so now, so that both in peace and out of peace we nevertheless remain for the present in a posture of defense, and in the good monsoon will have to secure Vypeen by sea; meanwhile one can see how his affairs further turn out in the North, whether the Marathas can subdue him, or whether he, on account of his advanced age, will not die soon, in which case matters must naturally change and we will then still have retained our right to the region. However, my greatest difficulty was not to let the Paliath Achan notice that I did this out of necessity on our part, but to make him believe that I did this as a favor, to accommodate him in his circumstances: and thus there would have been no other way than to have him prepared by a confidant, and as if without my knowledge, have him advised to request me for it: yet however much I would have liked to keep this to myself alone, I would nevertheless have had to take that path, had I not these past days accidentally received the most splendid opportunity to treat my project with him himself without any suspicion. For the Paliath Achan having the other day made known to me through his brother that he was very despondent, and almost no longer knew what he should do or refrain from doing in these current circumstances; that neither the King of Cochin nor other Malabar kings are in a position to resist the Nabob, but that the Company, if it effectively wishes to do so, can truly do it alone, if it would only let a large force of men and ships come here; that his king well knows that this costs very much money, and the Company for that reason may perhaps not want to do it

Dutch transcription

geene Gelegentheijd of genegentheijd betoond, om tot een onderhandelinge te komen: dat ik buijten des tot nog toe geene de minste voege„ „lijke gelegentheijd zie, om aan de zaak een eijnde te brengen, zelfs niet op die wijze, waar toe uw Hoog Edelheedens in cas van absolute noodzaake„ „lijkheijd, en als het op geene andere wijze te doen mogt zijn, mij gequalificeerd hebben. dat dewijl wij dus deeze landstreek voor eerst ge„ „noegzaam zullen moeten abandonneeren, het mogelijk wel het beste zoude zijn, den Paljetter eenelijk oogluijkende toetelaten, die landstreek in pagt of in Contributie te aanvaarden, zonder daarom van ons regt op dezelve aftezien dat de Nabab als dan ongetwijffeld zijne troupen uijt dat land wel zal trekken, behalven uijt Chettua, waar in hij zekerlijk altoos wel een behoorlijk guarnizoen zal laaten: dat de saljetter ziende dat wij htem in de be„ zittinge daarvan met stooren en wij zijn intrest bij deeze nieuwe pagt vindende, uijt hoofde van zijn eijge belang en staat-zugt, den Nabab wel zal tragten te beweegen, om aftezien van verdere onderneemingen, ten minsten zo lange, hij niet volstrekt van zints is, om Conquesten op frevan„ Coor temaaken: dat men ziende, de troupen van den Nabab door uijt trekken, men als dan zo geen koftbaar leeger onder 8 72 Campeeren, onder Cranganoor behoefd telaaten Cranganoor sterk bezet, en van alles wel maar verzien zijnde, onze verdere magt na Cochim kon laaten komen, en daar aanhouden, om Cranganoor des noods te kunnen bijspringen, en ook aijkotta te versterken; dit alles zegge ik, bij mij overwoogen zijnde, zo meene ik dat dit de eenigste weg is, die men in deeze tijds omstan„ „digheeden voor eerst kan inslaan, en ik ben op deeze gedagten des temeer gevallen, namentlijk om den Paljetter oogluijkende toetelaaten, de beweste land„ „streek in pagt teneemen en daar door de vijande„ „lijke troupes daar uijt tedoen vertrekken, deels om dat dan het terug zenden vanden Ceijlonsen Troupen, de naam kan draagen als of men hier zo veel volk niet meer noodig heeft, het geen dan teffens, in't bestek van de Candianen op Ceijlon ook min of meer, veranderinge kan maaken, en anderdeels, om dat ik het oogluij„ „kend bestier over de landstreek door den Paejetter na mijn gering oordeel, nog beter oordeele als den vreede met den Nabab temaaken, die alwilde wij, daar toe tog niet anders treeden zoude als op die wijze waar op uw Hoog Edelheed:s mij tot het alleruijttersten gequalificeerd hebben; want dan waaren we ons regt op de Landstreek ten eenemaal quijt en boven dien in't zelfde geval waarwe nu inzijn, namentlijk om in in een goeden staat van defensie te blijven, en hem onder den naam van vreede en vriendschap allerleije lastige en uijtzigtelijke verzoeken intewilligen, die hij voor goed doen zoude, en wij ook zouden moeten inwilligen, indien we niet weder aanstonds in moeijelijkheeden met hem wilden geraaken, want zodanig bestaat wij, en zodanig is zijne Handelwijze; behalven dat, zo heeft men van Hem nu Hij zijn masker reeds afgelegt en de comp: niet ontzien heeft, niets anders tewagten, als dat hij den vreede niet langer gestand houden zal, als zijne belangen en vermoogens meede brengen, en tot dat hij maar eens kans riet, om onderschijn van vriendschap door de Linie van Trevancoor of onze posten Cranganoor en Aijcotta door tebreeken: want rag hij daar nu kans toe, hij deed het nu ge„ „wisselijk ook, zodat we zowel in vreede als buijten vreede evenwel voor eerst nog in postuur van defensie blijven, en in de goede Mousson, ter zee Baijpin zullen moeten beveijligen; Jn„ „tusschen kan men zien hoe zijne zaaken om de Noord verder uijtvallen, of de Marattas Hein kunnen ten onderbrengen, dan wel of hij mits zijne Hooge Jaaren niet haast sterven zal als wanneer de zaaken natuurlijken wijze moeten veranderen en wij dan ons regt op de landstreek nog behouden hebben Dog 73 Dog mijn grootste zwarigheijd was, om den Paljetten niet tedoen merken, dat ik zulx uijt hoefde van noodzakelijkheijd aan onze zijde deed, maar om hem tedoen gelooven, dat ik zulks als een gunst deed, om hem in zijne omstan„ „digheeden tegemoed tekomen: en dus zoude daar geen andere weg toegeweest zijn, als htem door een vertrouweling telaaten voor berijden, en als zonder mijn weeten, tedoen aanraaden om mij daarom te verzoeken: dan hoe zeer ik dit gaarne voor mij alleen zoude hebben willen houden, zo zoude ik egter dien weg wel hebben moeten inslaan, indien ik dezer dagen niet toevallig de allerschoonste gelegentheijd gekree„ „gen had, om mijn project zonder eenig argwaan„ met hem zelvs teverhandelen. want De Paljetter mij onderdaags door zijn Broe„ „der hebbende laten bekent maaken, dat hij zeer mistroostig was, en bij na niet meer wist wat hij in deeze tijds omstandigheeden doen of laten moest; dat nog de koning van Cochim nog ander mallabaarse koningen in staat zijn, om den Nabab tegen testaan, maar dat de Comp: zulks Effectief willende doen, ook waar„ „lijk wel alleen kan doen, als zij maar een groote magt van volk en scheepen hier wild laten komen:; dat zijn koning wel weet, dat zulks zeer veel geld kost, ende comp: het daarom mogelijk niet doen wild

NL-HaNA_1.04.02_3519_0168 view scan ↗

English

would, but that if the Company might abandon it on account of the expenses, his king would then be quite willing to surrender his lands to the Company, so that it might enjoy the revenues thereof until the expenses should be satisfied, provided that in the meantime the necessary maintenance were provided for the king. This appeared to me very suspicious for several reasons, and after having well considered both one and the other, as well in relation to the person of the Paliath Achan and his circumstances, as in relation to the conferences which I recently held with the Minister of Travancore, and the secret prospect that I have, in the event that Travancore might do away with the ruler of Cochin, to also stipulate a portion for the Company; I say, after I had well considered both one and the other, both in the abstract and in connection with each other, I thought I might safely conclude that this took place for no other reason than merely to sound out our inclination, since the Paliath Achan knows very well that his doings and conduct regarding the Nabab are conspicuous and suspicious to us as well as to Travancore; and he also knows all too well that the ruler of Cochin cannot make this offer, nor can the same be accepted, because the King of Cochin has no power of disposal over any of his lands; therefore I let him know hereupon that I regarded this proposal as a dejection on account of the accident that had recently befallen him with the Nayar of Travancore, but that this was not of such a nature that he needed to be so very uneasy about it; that after all, upon investigation, it had become evident that this had happened accidentally, and therefore could be of no consequence; that he is indeed presently in difficult circumstances, but that these are nevertheless not such that he therefore needs to change measures so suddenly; that thus far, through good management, he has governed his lands in tolerable peace, and can do so by the same means and ways even longer, and possibly even until circumstances take a more advantageous turn; that the Company, instead of taking over his king's lands, wishes His Highness much rather even greater power and more land; and that, since the difficult circumstances in which he finds himself may partly arise from his being pressed again by the Nabab to accept the lease of the region from Cranganore to Chettua, he should not take that matter so hard; since, this being then absolutely demanded and he no longer being able to excuse himself from it, I might then perhaps, for his sake, be willing to overlook it with connivance and put an end for a time to those troublesome demands. This last I actually let him know solely to sound him out as to whether he still has an inclination to take over that region on lease. This brother of the Paliath Achan had, in order not to be recognized, put himself into European clothing, and was thus dressed as the most well-to-do Topasses go dressed: the place and time of our conversation was in the evening between nine and ten o'clock in the outer garden, and he paid his visit so covertly that until now no one knows that he was even away from home, much less with me; but the Paliath Achan had already let me know beforehand that his brother would come to me incognito to speak with me for and on behalf of him. He seemed to be pleased with my answer and promised me to return soon, but until now he has not returned, but has let me know that he is ill; and from this pretended illness, merely to gain time, I firmly conclude that the Paliath Achan is presently in correspondence with the Nabab about it. But if I, in this intention of mine (which I hope will carry Your Right Nobleness's honored approval, because we give away nothing thereby, but retain our previous right to this land to retake it as soon as we can), might not succeed in relieving the Company of heavy expenses in that manner, then I think that, if the circumstances remain thus and the Nabab does not dispatch any greater force, we might nevertheless withdraw the encampment and let it depend on Fort Cranganore, provided the same be garrisoned with a company of Europeans and a company of Easterners, together with 25 to 30 good artillerymen, and properly provided with the necessary ammunition and provisions, under the command of a capable and calm commandant; and for this I most respectfully request to be furnished with Your Right Nobleness's highly esteemed orders. In the meantime, as being now in all cases necessary, I have already provisionally caused the fort to be sufficiently strengthened wherever it was in any way needed, the dilapidated outer work and the faussebraye, which for many years had lain collapsed in several places, to be rebuilt, and in a word brought the fort into that condition in which it was of old, because it was previously judged that it was not necessary to rebuild what had fallen down beyond the solid main rampart wall.

Dutch transcription

wild, maar, dat indien de comp: het om de onkoste„ laten mogt, zijn koning als dan Desselfs landen aan de Comp: wel zoude willen overgeeven, om daar van de revenuen te genieten, tot dat de onkosten voldaan zouden zijn, mits de koning intusschen maar het nodig onderhoud bezorgd werde. Dit kwam mij om verscheijde reeden zeer verdagt voor, en na het een en ander, zo met relatie tot den Perzoon van den Paljetter en zijne om„ „standigheeden, als met relatie tot de conferenties, die ik laatst met Trevancoors Minister ge„ „houden, en het heijmelijk uitzigt dat ik hebbe, om wanneer frevancoor den Cochinder eens mogt van kant helpen, ook een portie voor de Comp: te bedingen, ik zegge, nadat ik het een en ander zo in abstracto als in Connectie wel overwoogen had, zomeende ik gerustelijk temogen besluijten, dat dit niet anders ge„ „schiedde, als alleen maar om onze genegent„ „heijd te polsen, alzo de paljetten zeer wel weet dat zijne gedoentens en believingen omtrent den Nabab bij ons zo wel als bij Trevancoor in het oog loopen, en verdagt zijn; en Hij ook maar al te wel weet, dat de Cochimer deeze aanbieding niet kan doen, nog dat dezelve ook niet kan ge-accepteerd worden, om dat de koning van Cochim geene dispositie over eenige van zijne landen heeft; dus liet ik htem hier op 74 op weeten, dat ik deezen voorstel aanmerkte, als eene neerslagtigheijd, wegens Het hem Jongst over„ „gekomen ongeval met den Naier van Trevancoor maar dat dit van dien aard niet was, dat hij daar over zo zeer ongerust behoefde te zijn; dat im„ „mers bij onderzoek gebleeken is, dat dit toevallig was gebeurt, en dus van geen gevolg konde zijn, dat hij tans wel in moeijelijke omstandigheeden is, maar dat die egter zo niet zijn, dat hij daarom zo eens klaps van maatregulen behoefd te ver„ „anderen; dat hij dus lange door goed beleijd zijne landen in tamelijke rust heeft beheert en het door dezelvde middelen en weegen nog langer en mogelijk wel zolang kan doen, tot dat de omstandigheeden een voordeeliger keer neemen; dat de Comp:e insteede van zijn konings landen overteneemen, zijn Ho:t veel liever nog grooten vermoogen en meerder lands toewenscht, en dat dewijl de moeijelijke omstandigheeden waar in hij zig bevind, mo„ „gelijk voor een gedeelte voortkomen, om dat hij weder door de Nabab gedrongen word, om de landstreek van Cranganoer tot Chettua in pagt te aanvaarden; hij die zaak, zo swaar niet moet opneemen; alzo dit dan absolut begeert, wordende, en hij 'er zig niet langer van kunnende excuseeren, ik zulks dan mogelijk om zijnent wille wel oogluij„ „kende „kende zouden willen aanzien, en voor een tijd van die moeyelijke aanzoekingen een eijnde maaken dit laatste hebbe ik hem eijgentlijk laaten weeten, eenelijk, om hem te polsen of hij nog ge„ „negentheijd heeft om die landstreek in pagt overteneemen. Deeze Broeder van den Paljetter had om niet bekend tezijn, zig in Europeeze kleedinge gestooken, en was dus gekleed gelijk de gegoedste toepassen gekleed gaan: de plaats en tijd van ons gesprek was 's avonds tussen negen en tien uuren in de buijten thuijn, en zijne visite heeft hij zo be„ „dekt afgelegd, dat tot nog toe niemand weet dat Hij zelvs van huijs veel min bij mij geweest is, dog de Paljetter had mij van tevooren reeds laten weeten, dat zijn broeder in Cognito bij mij zoude komen, om met mij voor en van weegens Item te spreeken Wij scheen met mijn antwoord in zijn schik tezijn en beloofde mij spoedig wederom tezullen komen dog tot nog toe is hij niet weder gekomen, maar heeft mij laten weeten, dat hij ziek is, en uijt deze voorgewende ziekte, om maar tijd tewinnen, besluijte ik vast, dat de Paljetten daar over tans met den Nabab in Correspon„ dentie is. Maar zo ik in dit mijn voorneemen (dat ik Hoope Va Hoog Edelheed:s geeerde goedkeuring zal 75 zal wegdragen, om dat wij daarbij niets weg„ „geven, maar ons voorig regt houden op dit land, om het wederom teneemen zodra wij kunnen niet mogte slagen, om op die wijze de Comp:e van swaare kosten te ontlasten, dan meene ik, dat wij zode omstandigheeden zo blijven, en dat de Nabab geen grooter magt afsend, even„ „wel het Campement zouden kunnen intrekken en het laaten aankomen op het fort Cranganoor mits het zelve met een Companie Europeeze en een Comp:e oosterlingen benevens 25: â 30: goede arthilleristen bezet, en met de noodige ammointie en provisie behoorlijk voorzien werde, onder 't gezag van een kundig en bedaard Comman„ „dant; en hier toe verzoek ik eerbiedigst om met uw Hoog Edelheeds veel g'eerde ordre gemunieert temogen werden. Intusschen hebbe bij provisie, als zijnde nu in alle gevallen, noodzakelijk, reeds het port, waar het maar eenigzints noodig was, suffiçant laten versterken, het vervallene buijtenwerk en de Tausebraij, die al van lange Jaaren op verscheijde plaatzen ingestort lag, laaten ophaalen, en met een woord het port gebragt, in dien staat, waar in het van ouds geweest is, om dat men bevoo„ „vens, geoordeelt heeft, dat het niet noodig was het vervallene, buijten de vaste wal= muur optehaalen

NL-HaNA_1.04.02_3519_0172 view scan ↗

English

to pull down, but that it could well remain as it is, just as it would certainly be able to remain so if one did not presently have to fear so enterprising and powerful an aggressor, and which fort, when it is well commanded, is very strong and not easily captured; while in the meantime the entrenchment in front of it, which is surrounded on all sides by a dry moat and further provided with chevaux-de-frise and sharp storm palisades, can remain and be maintained as it is, and can be of not the least use to the enemy, even if he were to make his trenches so close and dare to advance so near as to enter it, because it can be entirely and from all sides commanded and raked by fire from the fort. Presently I am engaged in having the moat of the fort deepened, which through the length of time had silted up and filled with washings to such an extent that at high water (for the moat obtains its water through a sluice from the river, which there as well as here rises and falls with the ebb and flow) one could wade through it, and at low water pass through it virtually dry. It is indeed not yet finished, and if the rainy monsoon sets in rather suddenly, it will indeed be somewhat hindered, but I intend at intervals, whenever the weather is good, to have it continued, and I hold myself assured that the moat will be entirely finished before the good monsoon arrives, the more so as it, as can be seen from the map, is not very extensive, but only lies on the land side of the fort, because the fort on the other side lies virtually to the right and left, and thus well for half of it along the river. And may Your Right Honourables be assured that regarding the strengthening of Cranganore the necessary attentiveness and economy are observed; I dare safely rely on the accuracy and attentiveness of the Commandant, who until today has kept the general eye upon it, and on the other persons who have held the specific supervision both over the work and over the workmen and materials, and I myself continually go there for a single day, as far as I can occasionally break away from here, but I am very satisfied with what is being done there, with regard both to the work itself and to the economy and the deliberation that is observed in it. When the moat shall be deepened and the main rampart touched up here and there a little further where some stones have fallen out through age, then I shall have the honour of communicating the cost thereof to Your Right Honourables; this however I can already say of it, that it will not amount to very much. In the meantime, I shall during the upcoming bad monsoon again keep Cranganore and Aycotta garrisoned in such a manner as last year, only with this difference, that in order not to arouse in the enemy, who will surely immediately have news of the dispatch of the aforementioned five companies, any impression of our weakness, I shall now leave in the camp before Cranganore two European companies instead of one. On the 7th of this month I had the honour to receive via Ceylon Your Right Honourables' secret dispatch of the 2nd of January last, whereby Your Right Honourables are pleased to commission me to recruit 300 Moorish sailors at most for 6 rupees per month. The circumstances of the times here make it impossible for me, as in former times, to obtain Moors from Calicut and Mangalore, since both of these places currently belong under the Nabob, who does not permit the recruitment thereof, but rather would prevent it. But because I had already been privately informed of the shortage of seafaring men over there, and because the ships the Indiaan and Groenendaal, but especially the Indiaan, were also weak in crew due to illness and mortality, I had already in anticipation thought of that, and at the same time managed to gather some Moorish seafaring men around here and distributed them among the said ships; but as soon as I received Your Right Honourables' honoured order, I immediately sought to gather even more, but up to the date of this letter, all in all, have not been able to obtain more than 102 heads, of which 42 are on Groenendaal and 60 on the Indiaan, but I still have hope, or at least a promise, of obtaining a few more before the departure of the Indiaan, it having been utterly impossible for me to engage them for less than 6 rupees, for they stated outright that many Moorish seafaring men with the Company also earned that much, and that they would not serve for less; they also demanded 5 months in advance, yet I satisfied them with 3 months to give to their wives and children. The same have been closely examined by judicial members who conducted the muster of the ship Groenendaal, and their report thereof I have the honour to present herewith to Your Right Honourables, along with the triplicate of my last separate letter addressed to Your Right Honourables. Meanwhile I have the high honour to remain with the greatest respect, Right Honourable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord, and Honourable Sirs, Your Right Honourables' humble and obedient servant. Was signed: A. Moens. In the margin: Cochin, the 24th of April 1788. Examined: Ariaan Porbrkel Agreed: Jb Sannichen E. E. Clercq Copy Separate Batavia To His Right Honour, The Right Honourable, Highly Esteemed Lord, Reinier De Klerk, Governor-General; Together with The Honourable Gentlemen, Council of Dutch India Right Honourable, Highly Esteemed, Far-ruling Lord, And Honourable Sirs, Herewith I have the honour to present to Your Right Honourables the duplicate of my last separate letter of the 24th instant. Since then, the Lord Governor of Ceylon, Falck, has requested the return of two companies of Europeans and

Dutch transcription

optehaalen, maar, dat hetzelve zodanig wel kon blijven, gelijk het ook wel zodanig zoude kunnen blijven, indien men tegenswoordig, niet zo een onderneemend en magtig gewelde„ naar tevreezen had, en welk fort, als het wel gecommandeerd word, zeer sterk en net ligt wegteneemen is; Terwijl intusschen het Retranchement voor het zelve, dat rond„ „som met een drooge gragt en voorts met spaanse Ruijters en scherpe stormpaalen voor„ „zien is, zodanig kan blijven en onderhouden worden, als het is, en voor den vijand van geen het minste nut kan zijn, schoon hij al eens zo na bij zijne tranchees maakte en zo na durvde advanceeren, dat hij 'er inkwam, alzo het ten eenemaal en van alle kanten van het bort ge„ commandeerd en bestreeken kan worden: thans ben ik bezig, om de gragt van het fort uijttelaaten diepen, die door langheijd des tijds zodanig verland en vol gespoeld was, dat men bij hoogwater (want degragt erlangd haar waater, door een sluijs uijt de revier, die daar zowel als hier met eb en vloed af en toeneemd /: dezelve doorwaaden en bijlaag water genoegzaam droog daar door gaan kan: ze is wel nog niet klaar en als de regen Mousson wat schielijk invald, zal hetwel wat tegen ge„ „houden worden, dog ik denke bij tussen tijden, wanneer 10 76 wanneer het goed weer is, daarmeede telaten voortvaaren, en houde mij verzekert dat de gragt ten eenemaal zal klaar zijn, eer de goede mousson aankomt, temeer dezelve zoals uijt dekaart tezien is, niet zeer uijtgestrekt is, maar alleenlijk aan de land zijde, van't fort legd, alzo het bort van de andere kant genoeg„ „zaam regts en links, en dus wel voorde helfte aan de revier legt: en uw Hoog Edelheed. s gelieven verzekerd te zijn, dat omtrent het versterken van Cranganoor de noodige oplettend„ „heijd en ruijnigheijd betragt word; ik durve mij gerust verlaaten, op de accuratesse en oplettendheijd van den Commandant, die tot heeden toe het Generaale oog daar op ge„ „houden heeft, en op de verdere perzoonen die het speciaale toezigt, zo over het werk; als 't werksvolk ende materialen gehouden heb„ „ben, en ik zelvs gaa geduurig voor een enkelde dag daar natoe, na maate ik hier somtijds afbreeken kan, maar ik ben over het geen daar gedaan word, zeer voldaan, met be„ „trekkinge zo tot het werk zelvs, als tot de zuijnigheijd en 't overleg, dat 'er bij gehouden word: als de gragt uijtgediept en de hoofd„ „wal hier en daar nog een weijnig aangestreeken zal zijn, alwaar eenige steenen door ouderdom uijtgevallen zijn, dan zal ik de eene hebben vor uw Hoog Edelheedens het kostende daar van te bederlen dit kan ik 'er egter reeds van zeggen, dat het niet zeer veel bedragen zal. Intusschen zal ik Cranganoor en Aijcotta in de aanstaande quade mousson weder zodanig bezet houden als verleede Jaar alleen met dit on„ „derscheijd, dat ik om bij den vijand, die tog ten eersten narigt zal hebben van de verzendinge der voorsz: vijf Compannen, geen gevoelen van onze zwakheijd tedoen verwekken, in't Camp voor cranganoor in steede van eene, nu twee Companien Europeezen laaten zal. Den 7:' dezer hebbe over ceilon de eer gehad te ontvangen uw Hoog Edelheedens secreete missive van den 2:' Janu: Jongstb:, waarbij va Hoog Edelheedens mij gelieven optedragen het werven van 300: moorse mattroosen ten uijttersten voor 6: rop:s per maand; de tijds omstandigheeden alhier maaken het voor mij onmogelijk, om gelijk in voorige tijden, mooren van Calicoet en Mangaloor tekrijgen, alzo beijde deze plaatzen tans onder den Nabab sorteeren, die de wervinge daar van niet toestaan; maar veel eer beletten zoude: dan om dat ik reets in't particulier g'informeert was van het gebrek van zeevaarende ginter, en om dat de scheepen de Jndiaan en Groenendaal dog in zonderheijd de Jndiaan door ziekte en sterfte, ook swak van volk waaren, zo hadde ik reeds in voorraad daar 7 77 daar aan gedagt, en teffens hier omstreeks eenige moorse zeevaarende weeten bij elkander te krijgen en op gem: scheepen verdeelt, dog zodra ik vur„ Hoog Edelheed:s ge-eerde ordre en langde, hebbe ten eersten nog meer bij elkander zoeken te krijgen maar tot onder dato dezes met alles en alles niet meer als 102: koppen kunnen krijgen, waar van 42: op Groenendaal en 60: op de Jndiaan zijn, dog ik hebbe nog hoop ten minsten belofte voor het vertrek van de Jndiaan nog eenige te zullen erlangen, zijnde het mij volstrekt on„ „mogelijk geweest, hun voor minder als 6: rop:s te engageeren, want ze zeijden regt uijt, dat veele moorse zeevaarende bij de Comp: ook zo veel wonnen, en dat ze voor niet minder wil„ „den dienen; ze begeerden ook 5: maanden op de hand, egter hebbe ik hun tevreeden gesteld met 3: maanden om aan Hunne vrouwen en kinderen tegeven: dezelve zijn door Justitieele leeden, die de monsteringe van het schip Groenendaal ge„ „daan hebben, naauwkeurig ge-examineerd, en hun berigt daar van hebbe de eere uw Hoog Edel„ „heedens hier neevens aantebieden, benevens het triplicaat van mijn laatste apparte aan Uw Hoog Edelh:s gerigt Inmiddels hebbe de Hooge Eere met de meeste Eerbied te verblijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer, en wel Edele 1 en gehoorzaame dienaar /:was getekent:/ A: Moens /:in margine:/ Cochim den 24:' April 1788: Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens onderdaanige Nagezien Ariaan Porbrkel Accordeerd Jb Sannichen E EClercq - Copia Apart 78 Batavia Aan zijn Hoog Edelheijd, Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Heer, Reijnier De Klerk Gouverneur Generaal; Benevens De Wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele, Groot Agtbaare. Wijd gebiedende Heer, En Wel Edele Heeren Hier nevens hebbe de eere uw Hoog Edelheedens aantebieden het Duplicaat mijner laatste aparte van den 24:' Courant Zedert heeft de Heer Ceilons Gouverneur Falck de terug zendinge van twee Companien Europeesen en

NL-HaNA_1.04.02_3519_0178 view scan ↗

English

and further requested three companies of Eastern soldiers, because the Kandians are gathering along the borders of the Putulang and Chilauw lands, and are also assembling many people in the Three and Four Corles as well as in Saffergam, and they are making much fuss of their intention to force us, with the help of the mainland, into the retrocession of the conquered beaches; one company of Europeans and two companies of Eastern soldiers already departed on the 24th of this month aboard the ship Groenendaal, and now the second company of Europeans, or actually the company of Jagers, and the third company of Eastern soldiers under Captain Moendoe are departing aboard the ship De Indiaan. I had already heard of these Kandian rumors during the good monsoon, and because they could influence circumstances here, and I was thus already prepared for the sending back of a large part of the Ceylon troops, I therefore, in case these rumors might perhaps have any consequence, already turned all my thoughts to engaging some local people here to be used as native soldiers, and for that purpose I have also obtained voluntarily some native Christians and Chegoffen, native Malabars, solely for 3¾ rupees per month, without rice or anything else, who, being diligently exercised in the trade of arms, are already progressing fairly well therein and in the latest action of 3 March behaved reasonably boldly: and although they are not a bellicose people, they are nevertheless at least as good as the Nairds of Trevancoor and Cochim and even better, because they are disciplined in our manner, and on account of a light uniform which they wear, they display the same appearance as sepoys, to which is also added that they, as inhabitants who have wives, children, and family here, will, for their peaceful habitation and thus out of their own interest, fight almost as well and desert less than the sepoys, who, being foreigners, frequently run away from one to the other as the fortune of war turns; I even have some of them perform garrison duty in turns to accustom them to everything and to be able to use them for everything if necessary: the Chegossen are pagans and bolder than the Christians, but the native Christians, being Roman Catholics, are at my private request stirred up and encouraged by the Roman priests to serve the Lord of the land with arms; and because these Chegossen and Christians cost little, I shall see to keeping on foot a certain fixed number of these people from among the strongest and most capable lads, in order to make use of them according to the circumstances of the times, so as not to be at a loss if matters here do not turn to the good in time and the rumors of war on Ceylon should take effect; of which I shall make my special business in the coming bad monsoon, and when I have brought these people further into good order, I shall have the honor to render your High Mightinesses a further report thereof, and when they are properly regulated, to present them also in the short muster rolls under the native troops, whereas for now they still pass only as native warriors, trusting that the employment of these people will gain your High Mightinesses' approval because they cost the Company very little and know better how to crawl through woods and thickets than Eastern soldiers and sepoys; and then one can always keep a fairly good force at hand here for little money, and thereby make up for the shortage of men here, but one cannot obtain from them that they go from this Coast to elsewhere, not even for a time, for they stipulate that very specifically, and without that stipulation or assurance of not being sent from this Coast, they will not let themselves be engaged. The French seem to wish to make themselves strong on this Coast, or at least to obtain a harbor: the Governor of Pondicherry, Mr. Belcombe, on his way to Mahé, paid me a visit here for a single day on 27 February last, having with him two ships, one of which was a warship named Le Baillant; I deliberately refrained from conversing with him about his voyage, but he told me of his own accord that he had orders from the King his Master to take ocular inspection of all the French establishments as occasion offered, and that on returning from Mahé he intended also to inspect the French establishment in Bengal; I answered him simply that local knowledge and ocular inspection of places over which one has authority can be of much use to a ruler: he went no further than Mahé, but the ships went further northward, and as I hear, as far as Goa: the English from Bombay followed the ships.

Dutch transcription

en drie Companien oosterlingen nader verzogt, dewijl de Candianen zig langs de grenzen van de Putulangse en Chilauwse landen verzamelen en ook veel volks in de drie en vier Corles zo meede in saffergam bij een trekt, en datze veel ophefs maken van Hun voorneemen om ons door hulp van de vaste Cust tot den weder afstand, van de veroverde stran„ „den te noodzaken; de eene Comp:e Europeezen en twee Companien oosterlingen zijn reets den 24: dezer per het schip Groenendaal vertrok„ „ken en tans vertrekken de tweede Companie Europeezen of eijgentlijk de Comp:e Jagers en de derde Comp:e oosterlingen van Capitain Moendoe per het schip de Jndiaan. Ik had van die Candiaanse gerugten in de goede mousson reets al gehoord en om dat dezelve op de omstandigheeden alhier invloed konden hebben, en ik dus op de terug zendinge van een groot deel der Ceijlonsen Troupes al verdagt was, zo hebbe ik of die gerugten ook zomtijds van eenig gevolg mogten zijn, toen al mijne gedagten laten gaan, om hier eenig lands volk te engageeren, om zig als inlandse militairen telaten gebruijken, en hebbe daar toe ook vrijwillig gekreege„ eenige 79 eenige inlandse Christenen en Chegoffen natu„ „relle mallabaaren, eenelijk voor 3¾ ropijen 's maands, zonder rijst of iets anders, dewelke in den wapenhandel naarstig geoeffend wor„ „dende, daar in al tamelijk vorderen en bij de Jongste actie van den 3:' maart zig nog al rede„ „lijk stout gedragen hebben: en schoon het geen belleus volk is, zo zijnze tog ten minsten zo goed als de Nairds van Trevancoor en Cochim en nog beter, om datze na onze wijze gediscipli„ „neerd worden, en uijt hoofde van een ligte mon„ „teeringe, dieze dragen dezelfde gedaante als sipais vertoonen, waar bij ook komt, dat zij als ingezeetenen die hier vrouwen kinderen en familie hebben, voor Hunne geruste in woo„ „ninge, en dus uijt hoofde van Hun eijge belang, bij na zo goed vegten en minder dezerteeren zullen, als desipais, die als vreemdelingen, veel„ „tijds van den eene naden andere wegloopen, na maate de kans van den oorlog held; ik laat er zelfs bij beurte eenige van in het Guarnizoen dienst doen, om hun aan alles te gewennen en des noods tot alles te kunnen gebruijken: de Chegossen zijn wijdenen en stouter als de Christenen, maar de inlandse Christenen als rooms zijnde worden door de Roomse paters, op mijn particulier verzoek opge„ „wekt „wekt en aangemoedigt, om den Heere van den lande, met de wapens te dienen; en dewijl deze Chegossen en Christenen wijnig kosten, zo zal ik zien een zeeker vast getal van dat volk van de sterkste en veugste knapen, op de been te houden, om 'er na tijds omstandigheeden gebruijk van te kunnen maa„ „ken, om niet verleegen te zijn als de zaken hier in tijds niet ten goeden veranderen en de gerugten van oorlog op Ceijlon gevolg mogten neemen; waar van ik in de aanstaande quaade mousson mijn speciaal werk maken zal, en als ik dat volk nader in goede order gebragt hebbe, zal ik de eer hebben, uw Hoog Edelheedens daar van nader verslag te doen en als ze regt gereguliert zijn, dan ook bij de korte sterkte onder de inlandse troupes vertoonen, daar ze nu voor eerst nog maar loopen als inlandse krijgers, in vertrouwen, dat het Emplooij van dit volk uw Hoog Edelheedens goedkeuringe zal wegdragen om datze de Comp:e zeerwijnig kosten en beter door bossen en ruijgtens weeten heen te kruijpen als oosterlingen en sipais; en dan kan men hier altoos voor weijnig geld, nog al een tamelijke magt bij de hand houden en daar door het gebrek van volk hier suppleeren, dog men kan van Hun niet verkrijgen van deze Cust na elders overtegaan. relos 80 zelvs niet maar voor een tijd, want dat bedingen ze wel speciaal, en zonder dat beding of ver„ „zeekeringe van niet van deze Cust gezonden te zullen worden willenze zig net laaten en ga„ „geeren De franschen schijnen zig op deze Cust sterk tewillen maken, ten minsten een haven te verkrijgen: de Gouverneur van Pondicherij de Heer Belcombe heeft den 27:' feb: J:o leeden na Mahé gaande, mij hier voor een enkelde dag, een visite gegeven, hebbende bij zig twee scheepen waar van het eene een oorlogs schip was, gen:t le Baillant, ik mena„ „geerde mij expres om hem over zijn togt te on„ „derhouden, maar wij vertelde mij van zelfs dat Wij van den koning zijn Meester order had, om „bij gelegentheid van alle de franse Etablissementen „ occulaire inspectie teneemen, en dat Hij van Mahe terug komende voorneemens was het franse Etablisse„ „ment in Bengale ook tegaan bezien; ik hebbe hem eenvoudig geantwoord dat een locaa„ „le kennis en occulaire inspectie van plaatsen waar over men het gezag heeft voor een gebie„ „der van veel nut kan zijn: Hij is niet verder als Mahié, maar de scheepen zijn verder noord opwaarts geweest, en zo als ik hoore tot Goa toe: de Engelse van Bombaij hebben de scheepen nagevolgt -. .

NL-HaNA_1.04.02_3519_0182 view scan ↗

English

followed, in order to trace their actions, as the voyage of Monsieur de Bellecombe was regarded by them with suspicion and as somewhat strange. Between Tellicherry and Mahe, or actually close to Tellicherry, lies a hill in the Kingdom of Colastry, which kingdom since the year 1766 has already been tributary to the Nabob Hyder Ali Khan, lying north of the Zamorin kingdom, and being the fourth kingdom of the Malabar Coast, since the kingdoms of Colastry, Zamorin, Cochin, and Travancore actually constitute Malabar. This mountain the French, when Monsieur de Bellecombe was at Mahe, obtained in ownership from Colastry, and it is of such nature and situation that from there one can rake the best outer work or advance work of Tellicherry. As soon as the English at Tellicherry learned of this, they lodged a protest against it with Monsieur Bellecombe, and he, not respecting that protest, gave notice thereof to Bombay without my knowing the further consequences thereof; at first this required further confirmation, but now I am informed that it is indeed so. To this is added that the French last year already made an attempt to obtain a harbor from the Marathas at Chaul in the district of the Marathas not far from Bombay, and that since the arrival of Monsieur Bellecombe at Mahe, the strongest attempts have again been applied thereto, whereupon the English demanded and obtained from the Marathas permission to have the English flag flown at Chaul, so that the French did not succeed in that respect. But another matter of greater importance, and which may also in a certain respect offer some prospect for the better for our circumstances here, if not in general also for the worse, I must impart to your High Nobilities, of which I was first properly informed after the departure of Groenendaal: namely, that the two principal ministers who until now have conducted the imperial government of the Marathas, having fallen into discord, one has left the court and the other thereupon, with the consent of the principal people, has caused Raghoba, who until now is with the English at Bombay, to be proclaimed ruler of the Marathas; that Raghoba was thereupon requested to come to Pune; that Raghoba, however, not yet trusting himself alone in Pune and not knowing whether this invitation was made merely as a contrivance to lure him out of Bombay in this manner, is therefore brought thither for security with an English army, namely with 1300 Europeans and 10,000 sepoys, besides the artillery; that for this purpose directly from Bengal 500 Europeans and 4000 sepoys, and from Bombay 800 Europeans and 6000 sepoys have departed for Pune; that Raghoba has promised 32 lakh rupees to the English for this; that by the dispatch of so many troops from Bombay, where as many troops had been gathered from Surat as well as from Broach as had been possible, that place, having virtually no militia, is now assisted with troops from Madras, which troops from Madras have marched overland through the Madura region and are already at Anjengo, from where they are transported to Bombay both by the Company's and private ships, the latter for very high payment, just as ships from Bombay have already called here and departed for Anjengo; and while I am writing this, another three three-masted ships have arrived here in the roads for water for that same purpose, with which great haste is also being made on account of the approaching bad monsoon. And that the English expect much money from Raghoba is evident because they pay private ships uncommonly much for the transport of the troops from Anjengo to Bombay, which is after all only a mediocre distance; Captain Richardson, a man who frequently arrives and departs here, has seriously related to me that he might possibly be deprived of a voyage by this which he otherwise intended to make, but that he preferred the Anjengo voyage as a certain profit over an uncertain chance, adding that he had agreed to transport 400 men for 13,000 rupees, provided he also supplied them with food and drink during the voyage. I said just now that these events could possibly bring about changes for the better here, if not in some respects for the worse on the whole. By the former I mean that, although I have private knowledge that this Raghoba, as the former antagonist of the Maratha ministry, has been a great friend of the Nabob Hyder Ali, and the latter last year made him a substantial present of three lakh rupees merely to keep him in his interests,

Dutch transcription

nagevolgt, om hen doen en laten opte spooren alzo de togt, van den Heer de Belecombe bij hun verdagt en wat vreemd gehouden wierd: Tusschen Tallicherij en Mahe of eijgentlijk digt bij Jallicherij, legt een heuvel in het Rijk van Collastrij, welk Rijk zedert het Jaar 1766: al tributair is aan den Nabab Haider Alijcha leggende benoorden het sammorijnse Rijk, en zijnde het vierde Rijk van de Mallabaarse Cust dewijl de Rijken van Colastrij, Sammorijn Cochim en Trevancoor eijgentlijk, de Mallabaar uijtmaken deze berg, hebben de franschen toen de Heer De Bele„ combe te Mahe was, van Colastaij in eijgendom verkreegen, en is van die Natuur en gelegentheijd dat men van daar het beste buijten of voorwerk van Jallicherij kan bestrijken; zodaa de Engelse te Jallicherij dit vernamen, hebbense bij de Heer Belcombe daartegen laten protesteeren, en deeze dat protest niet respecteerende, daarvan na Bom„ „baij kennis gegeven zonder dat ik het verder gevolg daarvan weete; in't eerste verEijschte dit nadere confirmatie, dog nu ben ik geinformeerd dat het wezendlijk zo is; Hier bij komt nog, dat de franschen verleede om van Jaar al een tentamen gedaan hebben, de Marattas een haven te erlangen te 'sJaue in het 81 het district van de Marettas niet verre van Bombaij, en dat zedert dekomste van de Heer Belcombe te Mahé, daar weder de kragtigste tentament toegedaan zijn, waar op de Engelse van de Marettas begeert en verkregen hebben, om de Engelse vlag van 's Jaul telaten waaijen; zodat de franse in dat opzigt niet gereuseert zijn. Maar nog een zaak van meerder belang en die ook op onze omstandigheeden alhier in zeker opzigt eenige uijtzigt ten goede zo maar niet over het Generaal ook ten quaden kan hebben, moet ik uw Hoog Edelheedens bedeelen, waar van ik na het vertrek van Groenendaal eerst regt ge-informeert ben: namentlijk, dat de twee voornaamste Ministers die tot hier toe, het Rijks bestier der Marhettas hebben waar genomen, oneenig geworden zijnde, de eene het Hoff verlaten en de andere daar op met bewilliging van de voornaamste van het volk Ragabooij, die tot nog toe bij de Engelsen te Bombaij is, voor vorst der Maratten heeft doen uijtroepen, dat Ragabooij daarop verzogt is, om na Poena tekomen; dat Ragabooij egter zig alleen te Poena, nog niet zeeker vertrouwende en niet weetende, of deeze nodiginge niet maar alleen alleen geschied is, als een gemaakt werk om Item op deeze wijze maar uijt Bombaij te lokken, en daarom tot securiteijt met een Engels leger daar na toe gebragt word, namentlijk met 1300: Europeezen en 10'000: sipais, behalven de arthillerij, dat daartoe direct uijt Bengale 500: Europeezen en 4000. sipail en van Bom„ „baij 800: Europeezen en 6000: sipais na Poena vertrokken zijn: dat Ragabooij daar voor aan de Engelse 32: lak rop:s beloofd heeft; dat door de verzendinge van zo veel volk van Bombaij, al„ „waar, men zo uijt Suratta als uijt Brootchia zo veel volk had verzameld als maar mogelijk was geweest, die plaats genoegzaam geen militie hebbende, tans met volk van Madras geassis„ „teerd word, welke troupes van Madaas overland door het Madureese gemarcheerd en reeds op Ansjenga zijn, van waar ze zo met 's Comp. s als particuliere scheepen, de laatste voor zeer hooge betalinge na Bombaij overgevoert worden gelijk 'er dan ook reeds scheepen van Bombaij hier aangeweest en na Ansjenga vertrocken zijn; en terwijl ik dezen schrijve nog drie drie „mastige scheepen tot dat zelfde oogmerk, hier ter rheede om water gekomen zijn en waar„ „meede ook groote haast gemaakt word, uijt hoofde van 82 van de aanstaande quade mousson: en dat de Engelse veel gelds van Ragabooij verwagten blijkt, om datze de particuliere scheepen ongemeen „ voor het overvoeren den troupes veel betaalen „ van Ansjenga tot Bombaaij het geen tog maar slegts maar „ een mediocre distantie is; Capitain Richardjon, een man die hier veelmaals af en aankomt, heeft mij serieuslijk verhaald, dat Hij hier door mogelijk wel van een togt zal gepre„ „veerd raaken, die Hij anders van sints was te doen, dog dat hij de Antjengase togt als een zekere winst boven een onzekere kans geprefereerd had, met bijvoeginge, dat hij ge-accordeerd was 400: man overtebrengen, voor 13000: rop:s mits Hun dan ook geduurende de rijze, van eeten en drinken te voorzien Ik zeijde daareven dat deze gebeurtenisse moge„ „lijk veranderinge ten goede alhier, zo net eenig rints over het geheele ten quaade zoulden kunnen baaren Met het eerste bedoele ik, dat schoon ik par„ „ticulier kennisse drage, dat deze Ragabooij, als geweeze Anthagomist van het Maratje Ministerie, een groote vriend van den Nabab Haider Alij geweest is, en deze Hem verleede Jaar nog een reeel Compliment van drie lak ropijen gemaakt heeft, alleen maar om htem in zijne belangens te houden h alleen geschied is; als een gemaakt werk om Item op deeze wijze maar uijt Bombaij te lokken, en daarom tot securiteijt met een Engels daar na toe gebragt word, namentlijk met 1300: Europeezen en 10'000: sipais, behalven de arthillerij, dat daartoe direct uijt Benga 500: Europeezen en 4000. sipais en van Bo „baij 800: Europeezen en 6000: sipais na 2 vertrokken zijn: dat Ragabooij daar voo de Engelse 32: lak rop:s beloofd heeft; dat verzendinge van zo veel volk van Bombaij „waar, men zo uijt Suratta als uijt Broot zo veel volk had verzameld als maar m was geweest, die plaats genoegzaam geen m hebbende, tans met volk van Madras ged „teerd word, welke troupes van Madras ov door het Madureese gemarcheerd en reeds Ansjenga zijn, van waar ze zo met 's Con als particuliere scheepen, de laatste voor zeer betalinge na Bombaij overgevoert worden gelijk 'er dan ook reeds scheepen van Bom hier aangeweest en na Ansjenga vertrock zijn; en terwijl ik dezen schrijve nog drie dag „mastige scheepen tot dat zelfde oogmerk ter rheede om water gekomen zijn en waar „meede ook groote haaft gemaakt word, uijt van

NL-HaNA_1.04.02_3519_0187 view scan ↗

English

of the approaching bad monsoon; and that the English expect much money from Ragabooij is evident because they pay private ships uncommonly much for transporting the troops from Ansjenga to Bombaaij, which is after all only a mediocre distance; Captain Richardson, a man who frequently arrives and departs here, has seriously told me that he might thereby be deprived of a voyage that he otherwise intended to make, but that he preferred the Anjengo voyage as a certain profit over an uncertain chance, adding that he had agreed to transport 400 men for 13000 rop:s provided he also furnish them with food and drink during the journey. I said just now that these events could possibly bring about a change for the better here, even if in some respects it might turn out for the worse on the whole. By the former, I mean that although I have private knowledge that this Ragabooij, as the former antagonist of the Maratha Ministry, has been a great friend of the Nabob Haider Alij, and the latter made him a real compliment of three lakh rupees only last year, just to keep him in his interests to keep him in his interests in the course of time, it nevertheless does not seem improbable to me that if Ragabooij assumes the government in Poona, the influence of the English Ministry and their interests will bring it about that the war against Haider will be pursued with vigor, not only because the English so dearly wish to have the Mangalore territory back, but also because they consider Haider to be devoted to the interests of the French, and it is thus in their interest to diminish him as much as possible, which may give us room here and give matters an entirely favorable turn. But by the latter, I mean the preponderance of power that the English will then obtain in the Indies, for which I foresee no sufficient counterbalance, for I cannot conceal my thoughts on this, and believe I may assume not without grounds that if Ragabooij is dealt with in good faith at Poona, this revolution and event will pave the way for the English to achieve mastery over the entire peninsula of the Indies, for it is known what influence they already have in Bengal and on the Coromandel Coast over the Nabobs there; and this, added to the influence they would then have over the Marathas, then then it may easily happen that they will soon play a role for which they have long studied and made plans. Recently I thought I would obtain more Moorish seamen, but to my regret I could obtain no more than 10, who have been placed on the Juliaan above the 60 that were already placed on her recently, so that 70 now cross over on the Juliaan; the report of the commissioners who examined them is attached hereto; I strongly doubt whether I will be able to engage more Moors here, but in view of the pressing necessity I will nevertheless leave nothing untried, and thus try to collect as many along the way as will be in any way possible; perhaps in the bad monsoon, when the services and employments of many people here are less than in the good monsoon because trade and navigation then stand still, some Moors may yet be found who, having no work, can then be engaged. The Captain of the Company of Easterners who came here on the Juliaan, named Jam Examined Sam Sale, conducted himself meanly and poorly on the voyage here, to such an extent that it resembled connivance with the crew rather than command, and during his stay here as well; therefore I judged it best to send him back and to merge his company into that of Abdulla Patuakan, which two companies together now consist on the first establishment of 110 heads. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect. Beneath stood: High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord, and Noble Lords! Your High Nobles' obedient and humble servant. Was signed: A:n Moens. In the margin: Cochin, the 30th of April 1778. Agreed. Adriaan Poortvliet Jn Sannichem EClercx Batavia Separate Copy. 84 To His High Nobleness The High Noble, Right Honorable Lord! Reijnier De Klerk, Governor General Together with The Noble Lords Councilors of the Netherlands Indies High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord, Noble Lords! casual I take advantage of this opportunity to present to Your High Nobles the triplicate of my latest separate letter dated the 24th and 30th of April last, sent via Ceylon on the Juliaan and Groenendaal. the Examined The Paliath Achan has let me know nothing further up to now, and his brother is said to still be ill as well, and so I now believe even more that he is still corresponding with the Nabob about the matter, unless having heard of Ragabooij's march to Poona and thus well understanding that this could bring about a change in the state of affairs here, he first wants to see which way the cat jumps, and at the same time wait to see whether I will have him sounded out a second time, which I will certainly carefully avoid, since that cunning and shrewd minister would then soon notice that it was my own solicitation. Meanwhile I have the high honor to remain with the greatest respect. Beneath stood: High Noble, Right Honorable, Far-Ruling Lord and Noble Lords! Lower: Your High Nobles' obedient and humble servant. Was signed: A: Moens. In the margin: Cochin, the 9th of May 1778. Agreed. Adriaan Poortvliet J v Sanichen EClerck

Dutch transcription

82 van de aanstaande quade mousson: en dat de Engelse veel gelds van Ragabooij verwagten blijkt, om datze de particuliere scheepen ongemeen voor het overvoeren den troupes veel betaalen „ van Ansjenga tot Bombaaij het geen tog maar segts maar „ een mediocre distantie is; Capitain Richardjon, een man die hier veelmaals af en aankomt, heeft mij serieuslijk verhaald, dat Wij hier door mogelijk wel van een togt zal gepre„ „veerd raaken, die Hij anders van sints was te doen, dog dat hij de Antjengase tegt als een zekere winst boven een onzekere kans geprefereerd had, met bijvoeginge, dat wij ge-accordeerd was 400: man overtebrengen, voor 13000: rop:s mits Hun dan ook geduurende de rijze, van eeten en drinken te voorzien Ik zeijde daareven dat deze gebeurtenisse moge„ „lijk veranderinge ten goede alhier, zo met eenig„ „rints over het geheele ten quaade zoulden kunnen baaren Met het eerste bedoele ik, dat schoon ik par„ „ticulier kennisse drage, dat deze Ragabooij, als geweeze Anthagomist van het Maratse Ministerie, een groote vriend van den Nabab Haider Alij geweest is, en deze hem verleede Jaar nog een reeel Compliment van drie lak ropijen gemaakt heeft, alleen maar om htem in zijne belangens te houden te houden bij vervolg van tijd, het mij egter met onwaarschijnlijk voorkomt dat als Ragabooij in Loena de Regeering aanvaart, de invloed van het Engels Ministerie en dier belang voort„ „brengen zal, dat de oorlog tegen Haider met vigeur zal worden voortgezet, niet alleen omdat de Engelse zo gaarne het Mangaloorse willen terug hebben, maar ook, om datze Haijder Mij houden, de belan„ „gens der franschen toegedaan te zijn, en het dus Hun intrest mede brengt, Item zoveel mogelijk te verklijnen, het geen voor ons hier ruijmte en aan de zaaken oa een geheele keer ten goede geven kan. Maar met het andere bedoele ik de overmagt„ die de Engelse dan in Jndien zullen krijgen, waar toe ik geen evenwigt genoeg vooruijt zie, want ik kan mijne gedagten daarover niet ver„ „bergen, en meene niet zonder Grond te„ „mogen gelooven, dat indien 'er te Poena met Ragabooij ter goeder trouw gehandelt word, deze omwentelinge en gebeurtenisse, aan de Engelse den weg zal baanen, tot het meesterschap over het geheele half Eijland van Jndiën, want men wiet, wat invloed ze reeds in Bengale en op Cormandel op de Nababs aldaar hebben; en dit gevoegt bij den invloed, dieze dan op de Marattas zouden hebben, dan 83 dan kan het ligtelijk gebeuren datze haast ol een roll zullen speelen daar ze al lange opgestudeert, en projecten toe gemaakt hebben Laast meende ik nog meer moorse zeevaa„ „rende te zullen krijgen, dog ik hebbe tot mijn leetweezen geen meer kunnen krijgen als 10: die op de Jndiaan boven de 60: die 'er laatst al op waaren geplaatst zijn, zodat en nu met de Jndiaan ro: overgaan: het Rapport der gecommitteerdens die hun geexamineerd hebben, gaat hier nevens; ik twijffele sterk of ik wel meer mooren hier zal kunnen engageeren, maar ik zal egter uijt hoofde van de hooge noodzakelijkheijd, niets on„ „beproeft laten, en dus gaande weg zo veel bij malkander roeken te krijgen als maar eenigzints mogelijk zal zijn, mischien zullen in de quade mousson wanneer de diensten en bezigheeden van veele lieden hier minder zijn als in de goede mousson omdat dan den handel en scheeps vaart stie staat nog wel mooren gevonden wor„ „den die geen werk hebbende, dan wel te en„ „gageeren zullen zijn. De Capitain vande Companie Oosterlingen per de Jndiaan dit heen gekomen in naame Jam Nagezien sam sale heeft zig op de reijze dit heen gemeen en slegt gedragen, in zo verre, dat het eer na gekonkel met het volk, als na Commando geleek, en geduurende zijn verblijf alhier ook; dus hebbe best geoordeelt hem terug te zenden, en zijne Companie bij die van Addulla Patuakan in een tetrekken, welke beijde Com„ „panien, tesamen nu bestaan primo plan in 110: koppen. Inmiddels hebbe de Hooge eere met de meeste Eerbied te verblijven. /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer, en wel Edele Heeren! uw Hoog Edelheedens gehoorzame en onderdanige Dienaar /:was getekend:/ A:n Moens, /in margine:/ Cochim den 30: April 1778: Accordeerd Adriaan Porbvliel Jn Sannicheu EClercx Batavia Copia Apart. 84 Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Agtbaaren Neer! Reijnier De Klerk, Gouverneur Generaal Benevens De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands India Hoog Edele Groot Agtbaare wijdgebiedende Heer Wel Edele Heeren! „toevallige Bediene mij van deze geleegendheijd om uw Hoog Edelheedens aantebieden triplicaat van mijn Jongste apparte gedateerd den 24: en 30: April Jongst leeden, per de Jndiaan en Groenendaal over Ceijlon verzonden. de Nagezien De Paljetter laat mij tot nog toe niets naders weeten en zijn Broeder word gezegd ook nog ziek te zijn, en dus gelove nu nog meer dat Hij met den Nabac over de zaak nog Correspondeert, ten waare dat Hij van Ragabooijs optogt na Poena gehoord hebbende en dus wel begrijpende, dat zulks veranderinge in het staats weezen alhier zoude kunnen marken de kat eerst uijt den boom wild zien, en teffens af„ „wogten of ik Hem niet voor de tweede reijs zal laaten polsen, hetgeen ik wel zorgvuldig vermijden zal, alzo die slomme en schrandere Minister, dan wel haast zoude merken dat het mijn eijge aanzoek was. Jnmiddels hebben de hooge eere met de meeste eerbied te verblijven. /onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtb: wijdgebiedende Heer en welEdele Heeren !. /:lager:/ uw Hoog Edel„ „heedens gehoorzaame en onderdanige dienaar /:was geteekend:/ A: Moens /:in margine:/ Co= „chim den 9: Maij 1778: Accordeerd Adriaan Borlrkel J v Sauiichen EClerck

NL-HaNA_1.04.02_3519_0193 view scan ↗

English

85 Register of the Papers which, by order of the Right Honorable Great Respected Lord Adriaan Moens, Extraordinary Councillor of Netherlands India, as well as Governor and Director of the Malabar Coast, Canara, and Vingurla, together with the Council of this city of Cochin, are sent in duplicate to Ceylon, consigned to the Noble High Respected Lords Directors at the Assembly of the Seventeen, representing the General East India Company of the United Netherlands at the Presidial Chamber of Amsterdam; in order to reach address with the return ships. Number 1: Original letter under today's date, written by and to those mentioned in the heading of this document. Already sent in the month of September of the past year: Number 2: Original letter written by and to the same as just mentioned under the date 30 September 1778. Number 3: Original letter under the date just mentioned written to the Lords Directors at the Chamber of Zeeland. Number 4: Copy of letters written to their High Excellencies the High Government of Netherlands India at Batavia under dates 26 September, 10 and 20 March, 24 and 30 April, as well as 9 May and today. Number 5: A bundle with secret papers. Number 6: Copy of the Secret Resolution of the date 16 July 1778, concerning the newly made work on the point Holland. Number 7: Three plans of the aforementioned point Holland. Number 8: Copy of the Resolution book beginning with 2 January 1778 and ending with 19 December following, with a register at the front. Number 9: Copy of the answered Batavian requisition for the year 1778 dated Batavia 26 August 1777. 86 Number 10: Copy of the answered Batavian requisition for the year 1778 dated Batavia 6 November 1777. Number 11: Copy of the answered Batavian requisition for the year 1779 dated Batavia 15 September 1778. Number 12: Note of such European merchandise as was sold here in the city on behalf of the Honorable Company and private individuals in the past year, with citation of the prices obtained for them. Number 13: Return of the traded commercial goods in the financial year 1777/8. Number 14: Statement of accounts drawn from the trade books of this Government of the year 1777/8. Number 15: Extract from the Cochin trade books of the cloves sold here successively from the first of September 1750 to the last of August 1778. Number 16: Memorandum of such pepper as has been gathered and delivered on this Coast since mid-December 1777 to mid-December recently past. Number 17: Current account of the sold powdered sugar in the financial year 1777/8. Number 18: Copy of the list showing the quantity and quality of the goods brought by foreign ships and native vessels, the prices and what they were sold for, and which merchandise was transported away again, dated the last of August 1778. Number 19: Copy of the muster roll and qualified roll of all the Company's salaried servants who were found to be present on this Malabar Coast under the date the last of June 1778. 87 Number 20: Roll of the families as they reside and are recorded within the city of Cochin, to the number of 2655 heads, dated the last of June 1778. Number 21: Name roll of the school children who were to be found here in the city under the date of second [illegible]. Number 22: Name roll of the persons who have deserted from here successively since the last of December in the year 1777 until the last of December recently past. Number 23: Statement of accounts of the Diaconate poor and the Leper house of the financial year 1777/8, annexed with a copy of the report of the commissioners and a small name roll of the lepers and dated the last of December recently past. Number 24: Current account of the King of Travancore dated 6 April 1778. Number 25: Current account of the King of Cochin dated the last of August 1778. Number 26: Extract of the resolution taken in the Council of Malabar on 19 December 1778 concerning the outstanding debts in the books of the year 1777/8. Number 27: Copy of the native daily journal of the year 1778. Number 28: Note on the state of the treasury of this Government, dated the last of August recently past. 88 Cochin, 5 January 1779. Number 29: List of five pieces of assignation to the Netherlands. For the packing: J. Schevering Godef. Dannicken J. A. Dannicken P. Sicoet 89 Netherlands To the Right Honorable High Respected Lords Directors at the Assembly of the Seventeen, representing the General Netherlands Chartered East India Company at the Presidial Chamber of Amsterdam. Noble High Respected, Far-Commanding Masters! Our most recent respectful letters of 30 September of the past year, we hope that your Right Honorable High Respected will already have received, and seen from them the present state of affairs on this Coast, which to this day is still the same, as will be shown to your Right Honorable High Respected from the accompanying copies of the General Annual Description and copy of the secret letter of today's date, accompanied by such usual annual enclosures as are specified on the register, to which we respectfully refer. Concerning the memorandum regarding the discovered differences in the requisitions of this and other offices of the west of India, of which mention was made in our above-mentioned letter of 30 September of the past year, their Excellencies, the High Indian Government at Batavia, have informed us that this memorandum has there also

Dutch transcription

„85 Register der Papieren N„o dewelke ter ordre van den WelEde¬ len Groot Agtb: Heer Adriaan Moens, Raad Extra Ordinair Van Neederlands India, mitsgaaders Gouverneur en Directeur der Custe Mallabaar Canara en Wingurla neevens den Raad ter deeser steede Cochim twee Voudig naCeilon werden gesonden, geconsigneerd Aan de Edele Hoog Agtb: Heeren Bewindhebberen ter Ver„ gaadering Van seeventhienen, Representeerende De Generaale Oostindische Maatschappeije der Vereenigde Neederlanden ter Presidiaale Kaamer Amsterdam; ten Eijnde met de Retour scheepen Addrea te erlangen 1: Orrigineele Messive onder heedigen datum, door en aan, als in den hoofde deeses geschreeven N„o in de maand„ 7ber: a:o passo reets ver= „sonden. 4. 6. tweede deel in 't Boekij de sans aan Orrigineele Messive door en als Even geschreeven onder dato 30. 7ber 1778. Origineele Messive onder dato Even gem: geschi aan de heeren Bewindhebberen ter Kaamer Zeeland. Copia brieven aan haar hoog Edelheed„s de hooge Regeering van Neederlands India tot Batavia geschreeven onder datos 26 7ber:, 10. en 20. Maart, 24. en 30. Aprill, Mitsgaaders 9. Maij en heeden, Een Nondel met secrete Papieren, Copia Secrete Resolutie de dato 16 Iulij 1778, betrekkelijk tot het Nieuw gemaakte werk op de Punt Holland Drie Blans van gem: Bunt Holland, Copia Resolutie boek beginnende met den 2 Jan: 1778 en Eijndigende met den 19 December daar aan, met een Register voor aan Copia beantwoorde Bataviase Eijsch voor den Jaare 1778 ged:t bata¬ via den 26. August 1777. Ro 7 2. 3. 5 7. 8 86 „ N„o 10 Copia beantwoorde Bataviase Eijsch voor den Iaare 1778 ged„t Batavia den 6 9ber 17717: 4. Copia beantwoorde Bataviase Eijsch voor den Iaare 1779 ged„t Batavia den 15. 7ber. 1778. 12. Notitie van sodaanige Europave koopman schappen, Alv er Anno passato hier ter steede van weegens d' E Compagnie en Particulieren Verkogt sijn, met aanhaaling der Preijsen daar voor behaald 13. Rendement van de Verhandelde Negotie Waaren in het Boekjaar 177 7/8. 14. Staat Reekening getrokken uit de Negotie boeken deeser Gouvernements van A=o 177 7/8. 15. Extract uit de Coehimwe Negotie boeken van de successive hier Verkogte Garioffel Naguls zeedert primo Septm: 1750 tot Ultimo August 1778. „ 16 Memorie van sodaanige Peesser als er seedert Medio xb=r 1777 tot Medio schu N„o 17. apart Reekening Courant vande Verkogte Poe„ der Suiker, in het Boekjaar 177 7/8. Copia Leijste, waarbij aangetoond, werd de quant en qualiteit der Goederen, welke de Vreemde scheepen en Inlandse Vaartuigen Aan„ brengen, de Preijsen, en waarvoor deselve verkogt, en welke koop„ manschappen weeder vervoert sijn, gedateert ultimo August 1778. Copia Monster en gequalificeerde Rolle vaa alle s Compagniev Loon trekkende Dienaaren, die op deese Mallabaarse Cust in weesen zijn be„ Vonden, onder dato Ultimo Junij 1778. Medio December I=o leeden te deeser Custe in gesaamelt en geleevert is; N„o 18 „ 79: 87 No. 20. Rolle der huisgesinnen, zodanig deselve binnen de Stad Cochim woonagtig en Aangeteekend sijn ten getalle van 2655: Koppen, gedatteert ultimo Iunij 1778. Naam Rolle der School Kinderen, dewelke onder dato Tweeden Reever Alhier in de Stad zijn te vinden geweest, 21. 22. Naam Rolle der Persoonen die Succes„ sivelijk van hier gedeserteert sijn, t seedert den Laasten December A:o 1777. tot Ultimo December J=o leeden 23 Staat Reekening van de Diaconij= Armen, en het Leproosenhuijs Van het BoekJaar 177 7/8. Annex Copia Rapport van Ge Commiteerdens en Een Naam Rolletje der Ze„ stros en ged=t den laasten December Iongstleeden Ao 5 Reekening Courant van den Koning van Trevencoer gedateert den 6 Aprill 1778. Reekening Courant van den Koning 25 van Jochim de dato Ultima August 1778. 26 „ Extract Resolutie genoomen in de Raade van Mallabaar op den 19. December 1778. Raakende de Uit staande Schulden bij de soeken Van A=o 177 7/8. Copia Inlands dag Verhaal van den Jaare 1778. Notitie van den Staet der Casse deeses Gouvernemente, gedateert Ultimo„ Augustus Iongstleeden 28 27. No No 24. ƒ 88 Oetrom den 5„e Jennuarij 1749. No 29. Leijst van Vijf St ulie Asinatir Na Neederland Voor het afpakken J Sekemering Godef Danmichen J. A Damnicken r. SeCoet es Jister 89 Nederland Aan De Wel Edele Hoog Achbaare Heeren Bewindhebberen Ter vergaderinge van Seventhienen Representeerende de Generaale Nederlandse G'octroijeerde Oostjndische Compagnie ter Presidiale kamer Amsterdam Edele Hoog Achtbaare, Wijd Gebiedende Meesen! Onse Jongste Eerbiedige letteren van den 30: September Anno pass:o, Hoopen wij dat uw wel Edele Hoog Achtbaare bereets bereets zullen hebben ontvangen en uijt deselve gesien, den tegenswoordigen toesland van zaaken ter deeser Custe, welke ten deesen daage nog het selvde is, zoo als uw wel Edele Hoog Achtbaare zal komen te blijken, uijt de nevensgaande afschriften der Generaale Jaarlijkse beschrijving en Copia Secreete missive van heedigen datum, verselt van zoodanige. Gewoone Jaarlijkse bijlaagen als op het Register gespecificeert staan, waar aan ons Reverentelijk gedragen. Aangaande de Memorie no= „pens de ontwaarde differenten bij de Eijsschen van dit en andere Comptoiren van de west van Jndia, waar van bij onse meermelte missive van den 30: Zeptember Anno pass:o is gewaagt, hebben haar Edelheedens, de Hooge Jndiase Regeering te Batavia, ons bedeelt, dat die memorie aldaar meede

NL-HaNA_1.04.02_3519_0203 view scan ↗

English

90 Rep: 55 8/68 also has not been received. We accompany this with a list of five bills of exchange together amounting to ƒ16757:9— and humbly request that the same may be honored by Your Noble and Right Honorables, as: Paid into the Company's Treasury by the Jew and the Company's Chief Merchant David Rabbij, to be paid out again to Messrs. Tobias Boas and Abraham Simon Boas, merchants in The Hague, together or each individually, or to their authorized attorneys or heirs, with --ƒ 750. —. —. 400:—. Paid into the Company's Treasury by the merchant and fiscal Samuel Constantin Saffin, to be paid out again to the Noble and Strict Lord Jacobus Saffin living in Amsterdam, or Carried over ƒ 750. —. — Rps 700:— „ 750 19/14 Per or to his authorized attorneys or heirs, with Paid into the Company's Treasury by the bookkeeper Hendrik Dirksz:, to be paid out again to Messrs. Hendrik Soet and Jan van Wanningen, merchants in Amsterdam, together or each individually, or to their authorized attorneys or heirs, with 1945. – –. 10,000: Paid into the Company's Treasury by the sea captain Evert Wessling, commanding the Company's ship the Concordia, to be paid out again to Messrs. Cornelis Wessling, captain in private service, and Daniel Denis, merchant, both living in Middelburg, together, or each individually, or to their authorized attorneys or heirs, with . „. 13500: – – Paid into the Company's Treasury by the executors of the late free citizen Carried over ƒ15735. —. —. with Brought forward - - - ƒ 750: — —. -„ 540: —. –. 91 Brought forward . - ƒ 15735. — —. citizen Hendrik Raams, the ordinary pyrotechnician Andries van Eijk and the sergeant Anthonij Breijll, to be paid out again to Elisabeth Raams, widow of Jacobus Raams, and Bernardus Raams, both living in Rotterdam, or to their authorized attorneys or heirs, with . „ 1022: 9 —: Total - ƒ16757: 9: —. We currently send no requisition for equipage goods and other European necessities, because it has appeared to us from an extract of Your Noble and Right Honorables' resolution taken at Middelburg in Zeeland on 15 October 1777, that Your Noble and Right Honorables have been pleased to exempt those requisitions. Wherewith Cochin the 5th of January Anno 1779 Your Noble and Right Honorables' Humble and Dutiful Servants. J. W. Soens. H. V. Harn J. Wroetsfurth J: C Saffin Jacq. Heijster A: J: C: Vernede J. A. Danielsz. Noble and Right Honorable Broadly Ruling Lords! Wherewith we give ourselves the honor of naming ourselves with the utmost respect and high esteem. Waeften 4th Debt No. 1. No. 2 Middelburg To the Noble and Right Honorable Lords Directors of the Dutch Chartered East India Company at the Chamber Zeeland Noble and Right Honorable Broadly Ruling Lords! In compliance with the highly esteemed order, contained in the missive of 17 October 1717, written to Malabar by the assembly representing the General Dutch Chartered East India Company, we presently send to Your Noble and Right Honorables the duplicates of the papers which were dispatched from this office via Ceylon with the ship Overhout, which was lost to our particular sorrow, for the Netherlands, and let this therefore serve solely to accompany them, while we otherwise have 93 Cochin the 30th of September Anno 1778. Your Noble and Right Honorables' humble and obedient servants. A. W. Soens. P. V. Harn G Noble, Right Honorable Broadly Ruling Lords! have the honor to remain, with deep respect. S: C: Saffin H. Spaen sser A: J: C: Vernede W. V. Haeften b: No. 3. 94 Batavia The duplicate general missive of 2 January of last year To His High Nobility The High Noble Great Honorable Lord, Reinier de Klerk Governor General The Noble Lords Councilors of the Dutch Indies. High Noble, Great Honorable Broadly Ruling Lord and Noble Lords! Shortly after the dispatching of our general respectful missive and enclosures of 2 January of last year, of which the duplicate accompanies this, there appeared here in the roadstead on the same day the ship De Indiaan, and subsequently on the 23rd thereafter also general reply, and duplicate the passing of His High Nobility van Riemsdijk tion of the Noble Lord Director General de Klerk to Governor General. also the ship Groenendaal, with both of which receipt of Their High Nobilities' vessels, we have had the honor to receive in duplicate Your High Nobilities' venerated general reply dated 30 September 1777 with the enclosures mentioned on the register, and with the last-mentioned and of a circular missive vessel also an original circular missive of 4 October of the same year, whereby it was revealed to us to our particular sorrow the passing the day before of the late His High Nobility the Lord expression of sorrow over Jeremias van Riemsdijk, Governor General of the Dutch Indies, but on the other hand also to our joy and gladness the election that followed thereupon, on the very same mentioned day, of the Noble Lord Director General Reinier de Klerk, to that highly important and eminent post, wherewith we hereby congratulate His High Nobility in the all and congratulation on the elec- most respectful manner, with the heartfelt wish that God the Lord will maintain his high self in health and physical strength, in order to be able and permitted to occupy that important and highly distinguished office for a long time yet with much luster, to the benefit and well-being of the interests of the Noble Company and the full glory of His High Nobility itself

Dutch transcription

90 Rep: 55 8/68 meede niet ontfangen is. Wy laaten deesen versellen Een Lijst van vijff Assignaties Jsamen groot ƒ16757:9— en versoeken ootmoedig, dat deselve door uw wel Edele Hoog Achtbaare moogen werden voldaan, als. Jn 's Compagnies Kassa geteld door den Jood en sCompagnies Eerste koopman David Rlabbij, om aan de Heeren Tobias Boas en Abraham Simon Boas, kooplieden te 's hage, te samen of ieder in 't bijsonder dan wel derselver ge„ „magtigdens of Erven weeder uijtgekeert --ƒ 750. —. —. te werden niet 400:—. Jn 'sCompagnies Kassa geteld door den koopman en fiskaal Samuel Constantin Sapfin, om aan de wel Edele gestrenge Heer Jacobus Saffin woonende te Amsterdam dan Transporteere ƒ 750. —. — Rops 700:— „ 750 19/14 Pr dan wel desselfs gemagtigdens of Erven weeder uijtgekeert te Jn 'sComp:s Kassa geteld door den boekhouder Hendrik Dirksz:, om aan de heeren Hendrik Soet en Jan van Wanningen koop„ lieden te amsterdam tesamen of ieder in 't bijsonder dan wel der„ selver gemagtigd:s of Erven weder uijtgekeert te werden met 1945. – –. 10'000: Jn 'sCompagnies kassa geteld door den schipper Evert Wessling Commandeerende 'sComp:s schip de Concordia, om aan de Heeren Cornelis Wessling schipper in particulieren dienst en Daniel Denis, koopman, beyde woonagtig te middelburg tesamen, of ieder in 't bijsonder, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weeder uijt„ „gekeert te werden met . „. 13500: – – 'sCompagnies kassa geteld door de Executeurs van wijlen den vrij burger Transporteere ƒ15735. —. —. werden met r Transport - - - ƒ 750: — —. -„ 540: —. –. 91 P:r Transport . - ƒ 15735. — —. „burger Hendrik Raams, den ordinair vuurwerker Andries van Eijk en den zergeant Anthonij Breijll om aan Elisabeth Raams, weduwe van Jacobus Raams, en Bernardus Raems, beijde woonagtig te Rotterdam, dan wel derselver gemagtigdens of Erven weder uijtgekeert te warden mit . „ 1022: 9 —: Somma - ƒ16757: 9: —. Wij zenden thans geenen Eysch van Equipagie goederen en andere Europase benoodigtheeden, om dat ons gebleeken is bij een Extract uijt uw wel Edele Hoog Achtbaare Re„ „solutie genomen te Middelburg in Zeeland op den 15. october 1007:, dat Uw wel Edele Hoog Achtbaare die eijsschen hebben gelieven te Excuseeren. Waar Cochim den 5. Jannuarij Ao. 1779 Vuw wel Edele Hoog Adlh Onderdanige en Jafouwschuld Dienaaren. JWWsoens. HVHlarn =Wroktfurth J: C Stkten pacg. Heijster A: J: C: Vernede JA Dauniclau Edele Hoog Achtbaare wijd Gebiedende Heeren! Waar meede ons de Eere geeven van met de uijtterste Eerbied en hoog agtinge te noemen. Waeften 4 e Schuld N„o 1. N2 Middelburg Aan de wel Edele Hoog Achtbaare Meeren Bewindhebberen „ van De Nederlandse G'octroijeerde Oostjndische Compagnie Ter kamer Zeeland Edele Hoog Achtbare Wijd Gebiedende Heeren! Jn voldoeninge van de veel g'Eerde ordre, vervat bij missive van den 17: october 1717, door de ver vergaderinge, Representeerende de Generaale Nederlandse g'octroijeerde Oostjndische Com„ pagnie, na mallabaar geschreeven, zenden wij thans aan uw wel Edele Hoog Achtb: de weergades van de papieren die van dit Comptoir over Ceij„ C lon met het tot ons bij sonder leedweesen; veronge„ „ lukte schip Overhout voor Nederland zijn versonden, en laaten dus deesen Eenelijk dienen tot geleijde daar van Terwijl wij overigens de 93 Cochim den 30: september. Ao. 1778. Vuw Wel Edele Hoog Achtbaarens onderdanige en Gehoorsame Dienaren. AWsoens. R VHarn G Edele, Hoog Achtbaare Wijd Gebiedende weeren! de Eere hebben, met diepe Eer„ bied te blijven. S: b: Pattin H. Spael sser N: J: J: Vernede W.V. Haoften b: N„o 3. 94 Batavia De dupli„t generale missive van 2. Januarij J„o leeden gecat over Aan zijn Hoog Edelheijd Den Hoog Edelen Groot Achtbaaren Heer, Reinier de Klerk Gouverneur Generaal De wel Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia. Hoog Edele, Groot Agtbare wijd gebiedende Heer En Wel Edele Heeren! kort na het depecheeren van onse generaale eer„ „biedige missive en bijlagen van den 2. Janu: Jolea„ den, waar van 't dup„t hier nevens gaat, is hier ten zelven dage ter Rheede verscheenen het schip De Jndiaan, en vervolgens op den 23. daar aan ook generaale rescriptie, en duplo 't overlijden van zijn Hoog Edel„ h„t van Riemselijk ling van den wel Edele Heer di„ reel„ gen„t de klerk tot gou„ verneur generaal. ook het schip Groenendaal, met welke beijde ontvangst van haar Hoog Edelhe„s bodems, wij d' Eer gehad hebben twee-voudig te ont„ „vangen UW Hoog Edelheedens gevenereerde gene„ „raale rescriptie in dato 30. 7ber: 1777. met de bij„ „lagen op het Register vermeld, en met laast gem: en van een Circulaire missive bodem nog een orrigineele Circulaire missive van den 4. october desselven Jaars, waar bij ons tot bij „zonder leedweesen gebleeken is het overlijden sdaags „ bevoorens „van wijlen zijn hoog Edelheijd den Heere betuijging van leedweesen over Jeremias van Riemsdijk gouverneur Gene„ „raal van Nederlands Jndia, dog daar en tegen ook tot onse vreugde en blijdschap de daar op gevolg„ de verkiesing, ten even gem: dage van den Wel Edele Heer Directeur Generaal Reinier de klerk, tot die hoog wigtige en emiente Charge„ waar meede wij bij deesen zijn Hoog Edelheijd op ^aller en felicitatie over de verkie„ het Eerbiedigst felisiteeren, onder hertelijke wensch, dat god de Heere hoog denselven in gesondheijd en lighaams kragten wil onderhouden, om dat importante en hoog aansienlijk ampt nog lange met veel luijster te kunnen en mogen bekleeden, tot nuet en wel zijn van de belangens der Edele maatschappije en volle glorie van zijn Hoog Edel„ li „heijd lken

NL-HaNA_1.04.02_3519_0219 view scan ↗

English

95 The Right Honorable Ordinary Councilor Alting to Director General. Arrival of the ships De Jonge Lieve and Stavonesse from Suratta. Highness, whom we shall not fail to acknowledge, honor, respect, and obey as our Lord Governor General, as also to that end the necessary notices and orders concerning the election of the former have been dispatched to all offices subordinate hereto. Furthermore, we have the honor heartily to congratulate the Right Honorable Ordinary Councilor Willem Arnold Alting on his elevation to Director General of Netherlands India. On the evening of January 16 last, the ship De Jonge Lieve and the following day the ship Stavonesse from Souratta arrived here in the roads; the first destined for Batavia and the other for Gale. Both skippers made known to us that in the first-mentioned ship at Souratta, among other things, ten packs designated for Cabo de Goede Hoop were loaded, and that the ship Stavonesse had received all linen packs for the Netherlands at Souratta, and that the ship's officers thus not having been able to understand how the ten packs for Cabo de Goede Hoop had been loaded into the ship for Batavia, they had therefore resolved in their ship's council 10 packs for Cabo de Goede Hoop, mistakenly shipped in De Jonge Lieve, have been transferred into Stavonesse, and therewith it has departed for Gale. De Jonge Lieve detained until today, why. Now departs via Ceilon. to put in with their vessels to the Cochin roads, in order to check here against the invoices whether those packs had been shipped mistakenly, and if so, then to transship the same into the ship Stavonesse to be carried to Gale. The invoice of Stavonesse being opened hereupon, it was found that the ten packs had been shipped mistakenly and probably through haste in the ship destined directly for Batavia, wherefore we had these ten packs transshipped onto Stavonesse, and that with so much speed that Stavonesse continued its voyage to Gale that very same day, of which transshipment the Ceylon and Galle officials were informed by accompanying letters. But we have detained the ship De Jonge Lieve here until today in order to place it off Aijkotta in the meantime, so that the ship D'Indiaan, from which only the spices and a little sugar had been brought ashore and which had been dispatched to Aijkotta, could be brought from there to here and unloaded, as has indeed happened, and wherefore we now let De Jonge Lieve proceed on its voyage today, but touching at Ceylon in passing to deliver a further 174 pieces of teak planks of 2 to 3 inches, for which the ministers of Ceijlon were in such great need, of which opportunity we 96 Their High Mightinesses' aforementioned rescript is answered. Pardon is requested for incorrectly entering the advanced 115000 ropias to Trevancoor, as also for not filling in the Paiencherij Nair duties. have at the same time availed ourselves, so far as space permitted, to send to Ceijlon 2100 packs or 51 123000 lasts of rice, of which we are now provided in abundance and for a long time, while we at the same time avail ourselves of this opportunity to answer Your High Mightinesses' aforementioned revered general rescript. With respect to the remark that Your High Mightinesses were pleased to make regarding the advance of 115000 Ropias to the King of Jrevancoor, whereas His Highness would only have required a sum of 100000 ropias, we respectfully submit that this entry was incorrectly extended by resolution, for which we hereby request pardon, the King of Trevancoor having requested 115000 ropias, namely 100000 ropias to be transported to Porca and from there to his ordinary residence, and 15000 to be brought to the north to Coeriapallij for the payment of his troops encamped there and at Aijkotta. In the same manner, we request that Your High Mightinesses, in view of the present circumstances of the times here on the Coast, wherein the business and the paperwork are manifold, may favorably excuse that it was omitted in our previous missive to fill in how much the Paiencherij Arrack, and one will attempt to dispose of what was sent. Reasons why the merchants have been given an account on the books. One hopes by the next to be able to report its reduction. duty amounted to. In the minute kept here, the same is recorded at 960 Cochin parras of paddy and 1709 7/12 gold fanums, or f 410. 6. -. Netherlands currency, which is about what that duty has amounted to annually since it was introduced, though one year it is sometimes a guilder and a parra of paddy less or more than another year. Elucidation concerning the purchased arrack. Regarding the arrack that was purchased here for the Company to be traded again, it serves for respectful elucidation that that arrack was purchased together with a good quantity of sugar from someone who would not part with the one alone, and wherefore that arrack was only taken over for the sake of the sugar; we shall nevertheless attempt to dispose of the 50 leggers sent to us at a similar price or at least for 62. 24. -. rixdollars, so far as it is not needed for household use. The merchants can now sell the Japanese bar copper only in small parcels, for which and other reasons we have, in accordance with what was noted in our general missive, given them some extension regarding the payment of their debit on an account for it on the books, upon which, however, they have since already brought considerable sums.

Dutch transcription

95 den wel Edele eer raad ord„Alting tot directeur generaal„ arrivement van de scheepen de Jonge Lieve en stavonesse van Suratta „heijd, wien wij niet nalaaten zullen te erkennen, eeren, Respecteeren, en gehoorsamen als onsen heere Gou„ „verneur Generaal, zoo als ook ten dien eijnde ten zoo meede over den verkiesing van eersten de noodige kennisse en ordres afgevaardigt zijn aan alle hier onderhoorige Comptoiren. Verders hebben wij de eere den wel Edele Heer Raad ordinair Willem Arnold Alting hartgrondiglijk te gratuleeren, met desselfs verhessing tot Directeur Generaal van nederlands Jndia. Op den 16. Januarij J„o leeden savonds is het schip De Jonge Lieve en sdaags daar aan het schip Sta„ „vonesse van souratta hier ter Rheede g'arrie„ „veert; het eerste na Batavia en het ander na Gale gedestineert, beijde de schippers hebben aan ^schip ons te kennen gegeven, dat in eerst gem: te sou„ ratta onder anderen waaren ingescheept, thien pakken beschreeven voor Cabo de Goede Hoop, en dat het schip Stavonesse, alle lijwaat packen voor Nederland te souratta had ontvangen, en dat ze scheeps Hoofden dus niet hebbende kunnen begrijpen, hoe„ „danig dethien packen voor Cabo de Goede Hoop in het schip voor Batavia waaren ingescheept, ze der„ „halven in haare scheeps vergaderinge beslooten had„ den 10. packen voor Cabo de goede koop: abusivelijk in de Jonge Lieve afge„ scheepsh:/ zijn in stavonesse overge„ scheept en daar mede is die ver„ trokken na gale Den Jonge lieve tot heden aange„ houden waarom. vertrekt thans over Ceilon „den, met Hunne onderhebbende bodems ter Cochien„ „se Rheede aantegieren, om hier bij defactuuren na„ gesien tewerden, of die packen abusivelijk waaren af„ gescheept en zo ja, dan dezelve in het schip Stavo„ „nesse weder overtescheepen, om na Gale vervoert te worden, de factuur van stavonesse hier op geopent zijnde, is bevonden, dat de thien packen abusivelijk en denkelijk door haast, in het schip direct na Ba„ tavia gedestineert, waaren afgescheept, waarom wij deze thien packen op stavonesse hebben laten over„ scheepen, en dat met zo veel spoed, dat stavonesse nog denzelven dag, zijne reijze heeft vervolgt na Gale en van welke overscheepinge de Eijlonse en gaalse bedien„ dens bij geleijde letteren is kennisse gegeven, dog het schip De Jonge Lieve hebben we hier tot heden aange„ houden om zo lange voor stijkotta te plaatsen, ten eijn„ de het schip D' Indiaan, waar van maar de specerijen en wijnig zuijker aan de wal waaren gebragt, en dat na Aijkotta gedepecheert was, van daar na herwaarss te kunnen laten komen, en ontlossen, zo als ook is geschied en waarom wij thans de Ionge Lieve hedan laten reijs vorderen, dog empeissant Cijlon laten aan„ doen, ter overbreng van nog 174. p„s lekke planken van 2. tot 3. d„m, waarom, de Ministers van Ceijlon zo zeer verleegen waaren, van welke gelegentheijd we . men hw bevad al van tighe 96 haar Hoog Edlhe, gem: riscriptie word beantwoord. men verzocht verschoninge over„ hwalijk afteredeeren van de versterk„ te 115000. ros„s aen trevan coos. als ook wegens het niet invullen van de paiencherij Nairos gereg„ trheede we ons teffens bediend hebben, om daer meede, zo veel de ruijmte heeft toegelaaten, na Ceijlon afte„ zonden 2100. pakken of 51. 123000: lasten rijst, waar van we tans in overvloed en voor lange tijd voorzien zijn, van terwijl we ons teffens deze gelegentheijd bedienen, om voorm: gevenereerde te beantwoorden uw Hoog Edelheedens (generaale riscriptie. Jen opzigte van de remarque die UW Hoog Edel„ „heedens, hebben gelieven temaken, over het verstrek„ „ken van 115000. Ropias aan den koning van Jre„ „vancoor, daar zijn Hoogheijd maar eene somma van 10'0'000. rop„s zoude gerequireerd hebben, dienen wij in alle eerbied, dat deze post abusive bij resolutie is g'ex„ lendeert, waar over bij dezen verschooninge verzoeken, hebbende den koning van Trevancoor versogt 115000. rop„s, als 10'0000. ross„s om na Porca en van daar na zijn ordinair stof getransporteerd en 15000: om na de noord na Coeriapallij gebragt tewerden, tot afbetee„ ling van zijne daar en te Aijkotta Campeerende „troepen Inzzelver voegen verzoeken wij dat UW Hoog Edel„ heedens, uijt aanmerkinge van de tegenswoordige tijds omstandigheeden hier ter Custe, waar in de bestellinge en het schrijfwerk menigvuldig is, gun„ stig gelieven in te schikken, dat verzuint is, bij onse voorige missive intevullen, hoe veel de Puijen„ cherijse arrak. en men zal tracten de gezon„ dene van de hand te zetten. reedenen waarom de kooplieden Reek: bij de Boeken is gegeven. men hoopt per naasten dies ver„ hessing te kunnen bedeelen. cherijse geregtigheijd heeft bedragen, bij de minut hier berustende staat deselve bekent met 960. Cochimse parras Melij en 1709 7/12. goude fanums, ofte ƒ410. 6. —. ne derlands, hoe veel die geregtigheid zedert dat ze inge„ voert is genoegsaam Jaarlijks heeft bedragen, dog het eene Jaar somtijds wel een gulden en een parra neel„ „lij minder of meerder als het ander Jaar, Eluaidatie, nepens de ingekogte Betreffende de arrak die alhier is ingekogt voor de Comp: om weder te verhandelen, dient tot eer„ biediege elucidatie, dat die arrak met een goede quantiteijt zuijker tesamen is ingekogt, van iemand die het een alleen niet wilde afstaan, en waarom die arrak maar eenelijk om de wille van de zuijker mede is overgenomen; de ons toegezondene 50. leggers zullen wij egter tragten tegens een ge„ lijks prijs ofte ten minsten voor rd„s 62. 24. -. van de hand tezetten, voor zo verre die niet in de huijs „houding benodigt is. Het Japans slaafkoper kunnen de kooplieden tans maar bij kleene parthijtjes verkoopen, waaromme en andere reedenen meer, wij volgens het genoteerde bij onse generaale missive, deselve eenig uijtstel omtrend, de voldoening van hun Debet een Reke„ ning daar voor bij de boeken hebben gegeven, waar op deselve egter zeedert al aanmerkelijke sammen hebben bregt

NL-HaNA_1.04.02_3519_0223 view scan ↗

English

97 as well as for what price the delivered wares were ceded. The ruling concerning the taxes and compensations will serve as guidance. Chests to be provided with a cross-band and sealed. have satisfied, and by the next opportunity or upon the departure of one of the ships we hope to be able to report to Your Right Nobles that their accounts have been properly cleared, and also at what price the recently delivered wares were again ceded to them. If matters on this Coast should take such a favourable turn that we become and remain masters of Saponettij and place a Resident there, we shall take care as much as possible that the outstanding debts of the departed Resident Breekpot are collected, just as if it were for the Company. Concerning the taxes and compensations, Your Right Nobles' esteemed ruling, conveyed by Extract Resolution taken in the Council of India on the 12th of August last, shall serve as our dutiful guidance, a copy of which has been delivered to the trade officials to handle in the books. If we should happen to make any purchase of cardamom for the Netherlands again, we shall not fail to have the chests in which it is packed provided with a cross-band and to seal them. The 21 eastern soldiers who were put ashore here last year from Ouwerkerk, returning from Souratta, were inclined to remain here, but those from the vessels recently arrived from Souratta, De Jonge Lieve and Stavenisse, not having been inclined thereto, were left on board. We express our gratitude for the communication concerning the examination of a Colombo, Galle, and Malabar weight, and for the improvement and return of ours, according to which our further weights have already been regulated and corrected. For the confirmation and promotion of the servants provisionally appointed by us and nominated for promotion, we express our humble gratitude, just as all of them have requested us to offer their most humble acknowledgements for this to Your Right Nobles, with the assurance that they will endeavour to merit this and further favours through loyalty and vigilance in the service. Captain Lieutenant Fredrik van den Busch also expresses his particular gratitude to Your Right Nobles for the 180 Rupees granted to him for travel expenses from Souratta to this place, as does the Junior Merchant Willem van Haeften, appointed in the Netherlands, for Your Right Nobles having been pleased to favour him with a junior merchant's commission. 98 Among the commissions sent to us for the officers was found an ensign's commission for the former Sergeant Johan Godfried Reijchel of Piljum, which person was already pensioned last year at his own request on account of long years of service, old age, and many bodily infirmities, as appears from the Cochin Resolution of the 14th of July of last year; but on the other hand the ensign's commission was not received for the ensign provisionally appointed by us, Johan Fredrik van Strijke of Bremen, who nevertheless has been confirmed according to the aforementioned latest general rescription. Thus there appears to be an error in names here, or one person was taken for the other, probably caused because this Johan Fredrik van Strijke, as he is indeed so named, referred to himself as such in his petition, whereas it now appears that he is listed under another and indeed very different name in the pay books, namely August Fredrik van Bremen. We therefore take the liberty of presenting the commission of the pensioned Johan Godfried Reijchel of Piljum to Your Right Nobles, and of requesting the commission for the ensign favourably confirmed by Your Right Nobles, Johan Fredrik van Strijke of Bremen, and who in the

Dutch transcription

97 als ook voor wat prijs den aange„ bragte ware zijn afgesleen „Men zal tot narigt laten strekken „de dispositie nopens de belas„ tingen en vergoedingen kesten met een kruijsband voorzien en vertegulen. soneen hebben voldaan, en per naasten of net het vertrek van een der scheepen Hoopen wij UW Hoog Edelheedens te zullen kunnen berigten, dat behoorlijk hunne Reekeningen ^ verlssent zijn, en teffens tegens wat prijs de Jongst aangebragte wharen wederom aan hen zijn afgestaan. Jndien de zaaken zoo een gunstigen keer, ter deeser Custe mogten neemen, dat wij meester van Saponettij worden en blijven en daar een Resident plaatzen, zullen wij zoo veel mogelijk sorgen dat de uijtstaande schulden van den afgegaan ne Resident Breekpot ingevordert worden, even als of het voor de Compagnie was; Aangaande de belastingen en vergoedingen zal tot„ onse schuldige narigt strekken UW Hoog Edel„ heedens g'eerde dispositie, ververt bij Extract Resolu„ tie genomen in Raade van Jndia, op den 12: augus„ tus J:o leeden, waar van Copia aan de Negotie bedien„ dens, om het bij de boeken te verhandelen ter han„ de gesteld is. Wij zullen vorlaan de ardamon Jndien wij weder eenigen inkoop van Cardamom voor Nederland mogten komen te doen, zullen wij niet nalaaten, de kisten waar in deselve afgepakt werd, met kruijsband te laaten voorsien en die te versegulen. De 21. oosterse militairen, die voorleden Jaar van ouwerkerk. de voorleeden Jaar van ouwerkerk geligt oosterlingen zijn genegen ge„ weest op locum te blijven. Dankbetuijging voor 't beleven en te rug zenden van het gewigt danckbeleujging voor de bevestging en bevordering der dieneeren verzekeringen derzelve deelze zulx zullen trachten te meriteeren. dankbetuiging van van den reijs onkosten. en van van Hlaeften voor de ac„ te van onderkoopmen. ouwerkerk van souratta te rug komende, hier aan de wal zijn gelegt zijn genegen geweest hier te ver„ „blijven, dog die van de Jongst van souratta aangeko„ mene bodems de Jonge Lieve en Stavonesse daar toe niet g'inclineert hebbende, zijn deselve aan boord gelaaten, Wij betuijgen onse dankbaarheijd voor het bedeelden no„ pens het Examineeren van een Colombos, gaals, en mallabaars gewigt, en voor het verbeteren en te rug„ zenden van het onse, waar na onse verdere gewigten reets zijn gereguleert en verbeterd. voor de bevestiging en bevordering van de bij ons bij voorraad aangestelde en ter bevorderinge voorgedragene Dienaren, betuijgen wij onse nedrige dankbaarheijd, ge„ lijk ook alle deselve ons versogt hebben hunne de„ moedigste erkentenisse daar voor aan Uw Hoog Edelheedens afteleggen; onder versekeringe, dat ze die en de verdere gunsten door trouwe en vigelantie in den dienst zullen tragten te meriteeren. Nog betuijgt zijne bijzondere dankbaarheijd aan uw Hoog Edelheedens den Capitain Lieutenant Busch voor den hem toegeleyde Fredrik van den Busch, voor de hem toegeleg„ de Rop„s 180. , voor Reijs-onkosten van souratta na V herwaarts, en den in Nederland aangestelden onder„ „koopman Willem van Haeften, voor dat uw Hoog Edelheedens hem met een onderkoopmans acte hebben gelieven en d 20 98 men heeft onder de ontvontgene actens ook een voor den serg„t Reije„ het ontvangen. en daar en tegen niet ontvaagen ede verzogten acte voor van strijke rug en verzocht om die van van strijke gelieven te verleren. onder de ons toegesondene actens voor d'officieren is gevonden een acte van vaandrig voor den gewee„ „sen zergeant Johan Godfried Reijchel van Piljum, welke persoon reets anno passato of zijn versoek mits. langjaarige dienst, ouderdom en veele lichaams ge„ breeken gegagieerd is, blijkens Cochimse Resolutie van den 14. Julij A„o passato, dog daar en tegen is niet ont„ vangen de acte van vaandrig voor den door ons p„l aangestelde vaandrig Johan Fredrik van Strijke van breemen, die egter volgens meermelte Jongst gene„ „raale Rescriptie bevestigt is, zoo dat hier in, een a„ buijs in naamen schijnt te zijn, of de eene persoon voor de andere genomen is, denkelijk veroorsaakt, om dat deese Johan Fredrik van Strijke als in der daad zoodanig genaamt, zig dues zodanig bij zijn Request genoemd heeft, daar het nu blijkt dat hij met een an„ der naam bij de zoldij boeken loopt, en wel zeer ver„ „schillende, namentlijk August Fredrik van Bree„ men zeid den acten van reijchel te men, wij gebruijken derhalven de vrijheijd de acte van den Emeritus gestelden Johan Godfried Reijchel van Piljum Uw Hoog Edelheedens aantebieden, en te versoeken, de acte voor den door UW Hoog Edel„ „heedens gunstiglijk bevestigden vaandrig Johan Fredrik van Strijke van breemen, en die bij de

NL-HaNA_1.04.02_3519_0226 view scan ↗

English

Fremke returns. Goods, etc. Supercargoes at Canton in China. Home Circular Dispatch dated 12 November 1776. August Fredrik van Breemen is listed in the pay books, as was already mentioned here before, and this error should not prejudice his earned [illegible] and bond. Likewise, this is accompanied by the commission received for Lieutenant Pieter Fremke, since he, having passed away in the meantime, cannot benefit from Your High Excellencies' favor. Thanks for the sent goods and necessities with the ships the Indiaan and Groenendaal; we express our humble gratitude. We shall attempt to sell the same to the greatest advantage of the Company and report further on this by the next opportunity, as aforesaid. The packet from the supercargoes at Canton in China, under cachet volant, was sent in duplicate to the Portuguese government at Goa, and the contents of the extracts from the resolutions and from the minutes of what was resolved in the Council of India on 27 August, 11 October, and 26 November 1776, as well as 16 May, 1 July, and 1 August 1777, we shall let serve for our dutiful information and observance. Acknowledging receipt of a separate dispatch from Your High Excellencies dated 25 June 1777, we have received an extract from the Home Circular Dispatch written by the Noble High Honorable Directors of the General Dutch East India Company in the Assembly of Seventeen to the Governors and Directors, together with their Councils, at Ceylon, Coromandel, Bengal, Surat, and Malabar, dated Middelburg in Zeeland, 12 November 1776, regarding the noticed discrepancies in the consumption and stock upon the requisitions of necessities, noticed by the Right Noble High Honorable Committee Directors, and the artillery matters, particularly the annual transmission of a proper statement and inventory of the ordnance on hand, together with its appurtenances. However, we have not received along with it the memorandum mentioned in that extract, prepared by the aforesaid Committee Directors, of the entries that are most conspicuous, nor the extract from the dispatch written that day by the Lords Masters to Your High Excellencies containing the arranged measures and issued orders with regard to artillery matters, etc. Thus, we have not been able to provide the elucidation desired by the Lords Masters concerning the discrepancies noticed in the requisitions, nor to comply with the order regarding the transmission of the statement and inventory of the artillery. We flattered ourselves that we would still receive that memorandum and extract dispatch with the general rescript now arrived, but as these are not to be found among them either, we find ourselves obliged to humbly notify Your High Excellencies of their omission and to request that they be sent to us, if possible via Ceylon, and so early that we may receive them before our next letter to be dispatched to Europe, in order to then still be able to comply with the honored requisitions of the Lords Masters. Inconveniences caused by the late arrival of the ships carrying merchandise, through which the brought goods could not yet be turned into money and can only be disposed of on credit, mean that we shall not be able to manage the expenses that are so great in these current circumstances, especially for so many European, Eastern, and other native troops, both detached from Ceylon and enlisted here, to whom regular monthly payment must be made. Consequently, we shall not be able to send any Persian and Surat rupees to the capital, but have even been forced to take 50,000 rupees from the ship the Jonge Lieve out of the 100,000 rupees brought with it. However, in the event that upon the departure of the Indiaan and Groenendaal for Malacca trade turns out as the circumstances of the time then allow, we shall be able to [illegible].

Dutch transcription

fremke gaat te rug ne koopmanschappen enz: superaargus te Canton in Chi„ extra patriase Circulaire mis„ sive de deto 12. 9ber: 1776. de zoldij boeken loopt August Fredrik van bree„ men, gelijk reets hier vooren gemelt is, en dat heen dit abuijs niet nadeelig mag zijn, omtrend zijne verdien„ de adte van den overleden uijternt de geegie en verband, Jnsgelijks verselt deesen de acte, voor den Lieutenant Pieter Fremke ontvangen, alzoo hij intusschen overleeden zijnde, van UW Hoog Edelheedens gunst niet kan profiteeren, „ dankbetuijging voor de gesonde, voor de ons toegesondene koopmanschappen en benodigt„ heeden met de scheepen de Jndiaan en Groenendaal, be„ tuijgen wij onse nedrige dankbaarheijd, wij zullen de„ selve ten meesten voordeele van de Compagnie zien te debiteeren en daar van als voorzegt per naasten verder verslag doen. men heeft het pacquet van de Het pacquet onder Cachet volant van de suppercargas na twee voudig verzonden; te Canton in China, is twee-voudig aan de portiegeeze regeeringe te goa versonden, en den Jnhoud der Ex„ tracten uijt de Resolutien en uijt de Notulen van het geresolveerde in Raede van Jndia op den 27: au„ gustus, 11. october en 26. November 1776. , item 16. maij eersten Julij, en eersten augustus 1777. zullen wij tot onse schuldige narigt en observantie laaten strekken, men bedeeld den ontrangst van een Nevens UW Hoog Edelheedens gerespecteerde aparte missive van den 25. Junij 1777. hebben wij ontvangen een Extract Patriase Circulaire missive door de Edele Hoog Achtbaare Heeren Bewindhebberen van de ge„ „nieraale Nederlandse oostindsche Compagnie ter verga„ i T deringe .. 99 en voorraad bij de eijsschen ont„ waard ent dog men de bij Est„ts vermelte memorie niet ontvangen geweest de vereijschte Eluci„ datie tegeven men heeft zig gevlijd die papie„ ren nog niet dle gen: rescriptie te zullen ontvangen deringe van 17. aan de Gouverneurs en Directeurs nevens derselver Raaden te Ceijlon, Cormandel, Benga„ „le, souratta en mallabaar geschreeven gedateert mid„ rakende de verschillen in den verter delburg in Zeeland den 12. November 1776, rakende de ontwaarde verschillen in den verthier en voorraed bij de Eijsschen van Benodigtheeden, door de wel Edele Hoog Agtb: Heeren gecommitteerde Bewindhebberen ontwaard, en de Arthillerie zaaken, voornamentlijk het oversenden jaarlijks van behoorlijke staat en Jn„ „ventaris van het voor handen zijnde geschiet, met het geen er toebehoort, dog wij hebben daar benevens niet ontvangen de bij dat Extract vermelte memorie door„ welmelte heeren gecommitteerde bewindhebberen ge„ formeert, van de posten, die het meest in het oog loopen, nog ook het Extract uijt de missive door de heeren Majores ten dien dage aan UW Hoog Edelhee„ „dens geschreeven, vervattende de beraamde schik„ kingen en gestelde ordres met opsigt tot de Arthil„ men is daar door niet in staat lerije zaaken, ensz:, dus wij niet in staat geweest zijn om de door de heeren Majoores begeerde Elucidatie nopens de verschillen in de Eijsschen ontwaard, te geven, nog te voldoen aan de ordre omtrend het oversenden van staat en Jnventaris van de Ar„ „thillerije, wij vlijden ons nog die memorie en Ex„ tract missive met de nu aangebragte generaale res zijnde, verzoekt men daarom. blijven der scheepen met negotie wharen. ven. rop„s uijt de Jonga lieve te lug„ rescriptie te zullen ontvangen, maar deselve daar onder ook niet zijnde te vinden, zo vinden wij ons maar daar onder niet geweest verpligt UW Hoog Edelheedens van het agterblijven der„ selve nedrigst kennisse tegeven en te versoeken, dat ons deselve mogen werden toegesonden des doenlijk over Ceilon, en zoo vroeg dat wij deselve voor ons naast aftegaan schrijvens na Europa mogen Erlangen, om als dan nog aan de g'eerde Requisiten der heeren mees„ teren te kunnen voldoen. Inconvenienten door't laat uijt Door het laat uijtblijven der scheepen waar door de aangebragte wharen nog niet hebben kunnen werden ten gelde gemaakt, en niet als op Crediet zul„ „len van de hand te zetten zijn, zoo zullen wij niet kunnen rondschieten tot het doen van de in men heeft tans groote uijtgen„ deese tijdsomstandigheeden zoo groote uijtgaven, in zon„ derheijd aan zoo veele Europeese, oosterse, en andere inlandse troupes, zo van Ceilon gedetacheerd als hier in dienst genomen, en aan welke maandelijks rigtige betalinge dient te geschieden, en derhalven zullen wij geene persiaanse en souratse ropias na de hoofdplaatse kunnen versenden, maar zijn zelfs en is genoodzaakt geweest 10000 genoodzaakt geweest om uijt het schip de JongeLieve van de daar meede aangebragte 10'0'000. rop„s 50'000: te ligten, dog ingevalle we bij vertrek van de Jndiaan en Groenendaal na maale den Handel uijtvalden de omstandigheeden des tijds dan zijn, zullen kunnen ten

NL-HaNA_1.04.02_3519_0229 view scan ↗

English

The Lieutenant Willeke having passed away. Appointed Ensign Claasz Lieutenant Gunnot and Ensign and the latter deceased. can calculate that with good consultation we can spare those 50000. rop.s, we shall then still send the same afterward. Lieutenant Johan Martin Willeke having passed away on the 27. January last, We have at our session of the 29. following provisionally appointed as Lieutenant the senior ensign of our garrison Jan Gustaaf Claasz, and in his place as commanding sergeant the under-adjutant Pieter Smit; which persons we request may be confirmed by Your Right Honourables and provided with acts of Lieutenant and Ensign, for which they most humbly request in their accompanying humble petitions in the latest attack before Chettua Blindouw severely wounded. In the latest attack before Chettua, Lieutenant Etienne Guinot of the Ceylon Company of Captain Leever, and Ensign Jacob Benediet Blindouw, actually of the Company of Captain Frankena, but owing to the indisposition of Ensign Hofman belonging to the Company of Leever, placed with the Company of Captain Leever, were severely wounded, and the latter passed away from his wounds three days thereafter. Sergeant Louis van Mandre of appointed as commanding sergeant. of ensign for them. requests to be transferred as ensign in the militia. increase in wage Nijmegen, of Captain Lever's Company, and the Captain of Arms Johan Fredrik Andere of Ceeldiets, of Captain Berskij's Company, then took up the command in the place of the wounded, having repaired the confusion that had already taken place there as much as possible, and conducted themselves as brave and gallant men, wherefore, on the nomination of the Commandant Christiaan Constantin Wohlfarth, they have been appointed as commanding sergeants to fill the places of the aforementioned severely wounded and already deceased officers; and we request Your Right Honourables to be pleased to grant them the rank and acts of ensigns, just as they most humbly apply for the same in their attached petitions. Furthermore, we attach hereto a petition from the assistant Jacob Klinkhamer, who recently arrived from Batavia, requesting to be transferred from the clerical service to become an ensign in the militia; and another from the chief surgeon Harmanus Leitner, insisting most humbly, on account of ample expiration of time, for a favorable increase in wage. The widow of Major Medeler requests half the emoluments of her husband, her destitute condition, from the military fund no disbursements can yet be made. The widow of Major Medeler has requested us by the accompanying petition to be allowed to address Your Right Honourables to obtain half the emoluments of her husband, on account of her destitute condition. We could not deny her access to Your Right Honourables, all the less because we are aware that she is truly in impoverished circumstances and has no support from which she can subsist, while the capital of the military fund recently established here, as was already reported to Your Right Honourables in the Governor's separate letter of 28 March 1774, mostly supplied from fines that have little relation to the military, is presently still only 3490. Rupiahs, and thus still so small that for the present no disbursement can yet be made from its interest, at least not as much as a major's widow with children may enjoy according to the same article stipulated on that subject, or the capital would have to be drawn upon, as therefore no widow has profited from it up to now, until the capital shall permit such, since in giving to one, one would have to give to all others, if one in that regard. 14 Pilgrims sail across. and to 22 transport is denied for reasons in the text. The roll of the same goes over. The skipper of De Graaff has made a request for 110. lb of nails, with which the Master of Equipage has agreed, wanted to make. With the bearer of this, we grant transport thither to 14 Moorish pilgrims who have shown that they departed from Batavia on the Company's vessels; we attach the roll of their names hereto. Another number of 22 persons of such pilgrim travelers have insisted with us for transport on the Company's vessels, but since transport may be granted to none of the same except those who have crossed on the Company's ships, and these could show no proof thereof, we have denied their request. We nonetheless attach a roll of their names hereto with an annotation of their dwelling places. The skipper of the bearer of this, Adriaan Fredrik van de Graaff, has submitted a request to us for a supply of 110. lb of nails of diverse sorts, indicating that he was completely unprovided therewith, and yet needed them very often on various occasions or mishaps on board, with which our Master of Equipage in his report submitted in that regard did not wish to make any offensive preference or postponement.

Dutch transcription

100 Din luit„t willeke overleeden. steld den vaandrig Claasz is den luitart gunnot en vaandrigj en laast gen: ovderleeden. kunnen uijtreekenen, dat we die 50000. rop„s bij een goed overleg kunnen missen, zoo zullen we deselve als dan nog nazenden. Den Lieutenant Johan Martin Willeke op den 27. Januarij J„o leeden overleeden zijnde, Hebben wij ter onser sitting van den 29. daar aan p„l tot Lieu„ tenant aangesteld den oudsten vaandrig van ons na heeft p„s in diens plats aange„n guarnisoen Jan gustaaf Claasz, en in zijn plaatz tot Commandeerend zergeant den onder adjudant Pieter Smit; welke persoonen wij versoeken, dat door UW Hoog Edelheedens mogen bevestigt en van actens van Lieutenant en vaandrig voorsien werden, waarom deselve bij hunne overkomende nedrige Re„ questen ootmoedigst versoeken in de vongste attacque voor Chettua Jn de Jongste attacque voor Chettua is den Lieute, Blindouw swaar gequest geraakt nant Ehienne Guinot van de Ceilonse Compagnie van Capitain Leever, en den vaandrig Jacob Bene„ diet Blindouw, eijgentlijk van de Compagnie van Capitain Frankena, dog niets indispositie van den tot de Comp: van leever behoorende vaan„ drig Hofman, bij de Compagnie van Capitain Leever geplaatst, swaar gequest geraakt, en den laatsten drie dagen daar na aan zijne quetsuure overleeden, den sergeant Louis van Mandre van deeren zergt aangesteld. van vaandrig voor hen. zoekt om tot vaandrig bij de militie gecharigeert te werden. verhoging in gagie van namwegen van Capt„n Lever sCompagnie en de ver den Capt„n des armes Johan Fredrik Andere van Ceeldiets, van Capt„n Berskij skompagnie, heb„ ben als toen het Commando in der gequetsten plaatse opgevat, de Confusie daar door reets plaats gevonden nen heeft dezelve tot Comman„ hebbende, zoo veel mogelijk hersteld, en zig als brave en dappere lieden gedragen, waarom deselve op voor„ dragt van den Commandant Christiaan Con„ „stantin Wohlsarth aangesteld zijn, tot Com„ „mandeerend sergeants, tot vervulling van de plaatzen, van gemelde Swaar gequetsten en reets overleede„ en verzoekt om de qualiteit ne officier, en wij versoeken UW Hoog Edelhee„ dens deselve met de qualiteijt en actens van vaandrigs te willen verleren; gelijk ze daar omme bij hunne hier bijgevoegde smeekschriften nedrigst solliciteeren de abbisteet klinkhamer ver„ Wijders voegen wij hier nevens een Request van den Jongst van Batavia overgekomen assistend Jacob klinkhamer, versoekende om van de penne dienst, als vaandrig bij de militie te mogen werden en den oppermeester leituner om gechangeert, en een ander van den opperchirurgijn Harmanus Leitner, insteerende op het ootmoedigste, mits ruijme tijds Expiratie om een gunstige ver„ hoging in gegee - uij De ten 101 de weduwe van den Majoos Medeler verzoekt om de halve Emoluuren„ ten van haaar men haar bekrompen staat uijt den krijgscassan hem nog geene verstrekkinge gedaan worden Den Weduwe van den Majoor Medeler heeft ons versogt om per nevens gaande Request zig bij UW Hoog Edelheedens te moogen addresseeren, ter erlan„ ging van de halve emolumenten van haar man, uijt hoofde van haar bekrompen staat, wij hebben haar den toegang tot UW Hoog Edelheedens niet mogen weijgeren, te minder wij kennisse dragen, dat zij waarlijk in bekrompene omstandigheeden is, en geen soutjain heeft, waar uijt ze bestaan kan, terwijl het Capitaal der Jongst hier opge„ rigte krijgt kas, zo als dat Uw Hoog Edelheedens bij sgouverneurs apparte van den 28. maart 1774. reets bedeelt is, meest uijt boetens gefourneerd, die weijnig betrekking tot het militaire hebben, thans nog maar groot Ropias 3490. en dus nog zo gering is, dat er van dies intrest voor eerst nog geen verstrekkinge kan gedaan worden, ten minsten niet zo veel als een majoors weduwe met kinderen volgens het selve articul op dat stuk bepaald genieten mag, of het Capitaal zoude moeten aangesprooken werden, ge„ lijk daarom tot nog toe geen een weduwe daar van Profiteerd, tot dat het Capitaal zulx zal toe„ laaten, dewijl men aan eene gevende, aan alle andere zoude dienen te geven, indien men daar omtrend „ 14. Bedevaart gangers varen over. en aan 22: is transpoort, ontsegt om reeden in den text. De naamlijst van dezelve gaat over Den schipper van de graaff heeft ver„ ter zig heeft geconfirmeerd. maaken. Met brenger deeser verleenen wij transport na derwaerts aan 14. moorse beede vaart=gangers, wel„ ke aangetoond hebben dat ze met s. Compagnies bo„ dens van Batavia vertrokken zijn, de naam lijste van deselve voegen wij hier nevens. Een ander getal van 22. koppen diergelijke beede vaartreijsigers, heeft bij ons g'insteerd om transport met 'sCompagnies bodems, maar dewijl niemand derselve als die met scompagnies scheepen over„ „gekomen zijn, Transport mag werden verleent en deese daar van geen blijk konden toonen, zo heb„ „ben wij hun versoek ontsegt. Wij voegen egter een Naamlijst van deselve hier nevens met annotatie hunner woonplaatse. Den schipper van Brenger deeser Adriaan Fre„ zoek gedaen om 10. lb: spijkers drik van de Graaff heeft bij Request aan ons versoek gedaan om een verstrekking van 110. lb: spij„ kers diverse soorten, onder te kennen gevinge, dat hij daar van ten eenemaal onvoorsien was, en eg ter deselve veelmaals bij verscheijde gelegentheeden of waar meeden dese quipagiemas, toevallen aan boord zeer benodigen, waar meede zig onzen Equipagiemeester bij zijn derwegens inge„ omtrend, geen aanstootelijke pre of postferentie wilde komen thie

NL-HaNA_1.04.02_3519_0233 view scan ↗

English

Artillery goods discharged from the ship de Jonge Lieve. Reasons why. Sent back on board for Batavia. To require. The Surat sample cloths have been shown to the bombadas. They have promised to bring along some assortments as a trial. Will do. Batavia. To as before. Report confirmed, we have had the mentioned 110 lb of nails provided for the benefit of the aforesaid vessel. In consideration of the present circumstances of the times here on the coast, we have discharged from this vessel the guns mentioned in the margin, namely four field serpents of 8 and two of 4 lb, together with one howitzer of 4 inches, with the ammunition belonging thereto, as well as ten swivel guns of 1 lb, since we have not a single field serpent here and only few swivel guns of 1 lb, which nevertheless come in very handy on our smalschip and the war gemellen, and one of our howitzers was lost in the latest expedition; against which, on the other hand, we have sent on board the seven metal swivel guns of 2 to 2½ lb noted alongside, with twenty chambers for them, which cannot be used here, to be transported to Batavia, unless the same might be discharged by the Ceylon ministers and could serve for the chaloups on Ceylon, which are always in the fairway anyway, to fire signal shots with; which is why we also currently give notice of this shipment to the Ceylon ministers. According to what was noted in our humble letter of 5 May of the past year, we showed the sample cloths received from Surat to the recently departed bombadas traders and discussed the prices with them; they have agreed to bring along some assortments, as a trial, in the coming sailing season. We await the outcome thereof and, having examined and compared the same against the samples, will make a further respectful report thereof to Your High Nobilities. Wherewith giving ourselves the high honor to remain with the utmost respect, below was written, High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord and Well-Noble Lords, Your High Nobilities' humble and obedient servants, was signed, A: Moens, R: V: Harn, S: E: Sassin, I: L: van Spall, A: R: Schutsz, A: J: S: Vernede, A: Cellarius, and W: van Haesten. In the margin: Cochin, 26 February 1778. The English private ship Hunter, commanded by Captain Jhon Gooden from Bombay, having arrived here in the roads in order to depart for Batavia, we avail ourselves of this opportunity to present to Your High Nobilities the triplicate of our last respectful missive of 26 February of this current year, and further let this be accompanied by a list and three duplicate drafts for such moneys as have been counted into the cash box here by various persons and accepted by us, on the grounds that few bombadas traders arrive and it is already getting late in the season for us to expect many more; which is why, due to the late arrival of the ships, not much of the imported trade merchandise can be converted into money, and we have to fear a shortage of money, which in these dangerous circumstances of the times could cause us great embarrassment; and we most humbly request that Your High Nobilities please honor the same with payment, being together the amount of f 29700. –. —, to wit: One amount of Rs 10000. —. counted into the Company's cash box by the undersigned Governor Adriaan Moens, to be paid out again to the Honorable Carel Jan Boers, senior merchant and shahbandar at Batavia, or to his attorneys or heirs, with 3600 milled ducatoons or f 11880. Netherlands currency. One amount of Rs 8000. counted into the Company's cash box by the senior merchant and second-in-command of this coast Reinier van Harn, to be paid out again to the very same Honorable Boers, or to his attorneys or heirs, with 2880 milled ducatoons or f 9504. Netherlands currency. One amount of Rs 7000. -. counted into the Company's cash box by the Bookkeeper Hendrik Dirksz, to be paid out again to the frequently mentioned Boers, or to his attorneys or heirs, with 2520 milled ducatoons or f 8316. Netherlands currency. Wherewith giving ourselves the high honor to remain with the utmost respect, below was written, High Noble, Highly Honorable, Far-Ruling Lord, and Well-Noble Lords, Your High Nobilities' humble and obedient servants, was signed, A: Moens, R: V: Harn, S: E: Sassin, A: R: Schulsz, E: G: Seijsser, A: I: S: Vernede, J: A: Cellarius, and W: van Haeften. In the margin: Cochin, 10 March 1778. The English private ship Fort William, commanded by Captain John Popham, having arrived here from Surat, and intending to depart for Batavia, we avail ourselves of this opportunity to present to Your High Nobilities the duplicate of our last respectful letter of the 10th of this month, and further let this be accompanied by a list and duplicate of a draft amounting to f 15444. -. -

Dutch transcription

102 thillerij goederen van 't schip de Jonge lieve geligt. reedenen waederom. weder aen boord gesonden voor Batavia. te benodigen de seratse monster kleeden zijn aan de bombadas vertoond. komen Rapport, Confirmeerde, hebben wij de gemelde 110. lb: spijkers ten behoeve van voorsz: bodem laaten verstrekken. uijt overweging van de teegenswoordige tijdsomstan„ men haeft de terzide stande en, digheeden hier ter kuste, hebben wij van desen bodem ^ beneevens thien draaijbassen van hen lb: geligt vier veld slangen van 8. en twee van 4. lb: mitsga„ ders een houbits van 4. d„m met de daar toe behoorende ammunitie, alzoo wij hier geen eene veldslange heb„ ben en maar wijnig draaijbassen van 1. lb: welke eg„ ter op ons smalschip en de oorlogs gemellen zeer wel te pas komen en een van onse houbitzen in de Jongste Expeditie is verlooren gegaan, waar en te„ en daar en tegen 't nevens staande gen wij weeder seven metale draaij-bassen van 2. tot 2½ lb: met twintig kamer stukken daar toe aan boord hebben gesonden, welke hier niet gebruijkt ten waare 't zelve op Ceelen mg kunnen werden, om na batavia overgevoert, ten waa„ re deselve door de Ceilonse ministers mogten wer„ den geligt en dienen konde voor de Chialoupen op Ceilon, die tog Altoos in het vaarwater zijn, om daar uijt seijn schooten te doen, waarom wij van deese afscheep ook thans aan de Ceilonse minis„ ters kennisse geven; volgens het genoteerde bij onse nedrige van den 5. maij deselve hebben beloofd eenige sos„ teering en tot een proef meede te brengen. zal doen. —. Batavia Aan Als Voren. 5. maij Ad„o passato hebben wij de van souratta ontvan„ „gene monster kleeden aan de Jongst vertrockene bom„ „badas vaarders vertoond en met hen over de prijsen ge sprooken, deselve hebben aangenoomen eenige sorterin„ gen, tot een proef, in de aanstaande vaarbaare tijd meede te brengen, wij verwagten het effect daar van en zullen deselve g'examineerd en teegens de mon„ waar van men nader verslag sters geconfronteerd hebbende, Uw Hoog Edelheedens daar van nader eerbiedig verslag doen. Waar meede ons de Hooge Eere geven van met de uijterste Eerbied te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot„ Agtbaare wijdgebiedende Heer en Wel Edele Heeren, UW Hoog Edelheedens onderdanige en Gehoorsame Dienaren /:was getl:/ A: Moens. R: V: Harn, S: E: Sassin, I: L: van Spall, A: R: Schutsz, A: J: S: Vernede, /, A: Cellarius, en W: van Haesten. /:in margine:/ Co„ chim den 26. febr: 1778. —. Het Engelsch Particulier schip Hunter, gecom„ „mandeert bij Capitain Jhon Gooden van Bombaij hier ter rheede aangekomen zijnde, om na Ba„ tavia te vertrekken, bedienen wij ons van deese geleegentheid om UW Hoog Edelheedens aantebieden het d. 70 wan ter 103 het Jriplicaat van onse laatste eerbiedige missi„ „ve van den 26. februarij J„o Leeden en laaten deesen wijders, versellen van Een lijst en Drie Duppli„ caat Assignaties van sodanige gelden als alhier door diverse incassa getelt en bij ons g'accepteert zijn, uijt hoofde er weijnig bombadas=vaarders aan„ komen en het al laat in den tijd word ons er veel meer te kunnen verwagten, waarom van de aan„ „gebragte negotie wharen, mits het laat arrivement der scheepen, niet veel kunnen werden ten gelde gemaakt en wij gebrek aan geld te vreesen hebben, dat ons in deese dangereuse tijds=omstandigheeden in groote ongelegentheid konde brengen, en wij ver„ soeken nedrigst dat Uw Hoog Edelheedens deselve met betalinge gelieve te honoreeren, zijnde tesamen groot ƒ 29700. –. —. te weeten. Een groot Rop„s 10000. —. In 's Comp„s kassa geleld door den ondergeteken„ de gouverneur Adriaan Moens, om aan DE: Carel Jan Boers opperkoopman en sabandhaar te Bata„ via, dan wel desselfs gemagtigdens of Erven weeder uijtgekeert te werden, met gecartelde ducatons 3600. of ƒ 11880. Nederlands „ „ 8000. Jn sComp:s Cassa getelt door den oppercoopman en secunde deser kuste Reinier van Harn, om aan even gem: E: Boers, dan wel desselvs gemagtig„ dens o „ Batavia Aan Als Voren „dens of Erven weder uijtgekeert te werden met ge„ calterlde ducatons 2880. of ƒ 9504. Nederlands. Een groot Rop„s 7000. -. in 's Comp„s Cassa getelt door den Boekhouder Hen„ „drik Dirksz, om aan meermelte Boers, dan wel desselfs gemagtigdens of Erven weeder uijtgekeert te werden met gecartelde Ducatons 2520. of ƒ 8316. Nedl„s, Waar meede ons de hooge Eere geven van met de uijterste Eerbied te blijven /:onderstond:/ Hoog Edele Groot Agtb: wijd gebiedende Heer, en Wel Edele Heeren. UW Hoog Edelheedens onderdanige en Gehoorsame die„ naren /:waes getc:/ A: Moens, R: V: Harn, S: E: Sassin, A: R: Schulsz, E: G: Seijsser, A: I: S: Vernede, J: A: Cellarius, en W: van Haeften /:in margine:/ Co„ chim den 10. Maart 1778. Van souratta hier aangekoomen zijnde het Engelsch Particulier schip Fort william, gecommandeert bij Capitain John Popham, ende wel hebbende na Batavia te vertrecken, zoo bedienen wij ons van deese gelegentheijd om UW Hoog Edelheedens aante„ bieden het duplicaat van onse laaste eerbiedige van den 10. deeser, en laaten deesen wijders versellen van een lijst en duplicaat van een assignatie groot ƒ15444. -. -

← previousnext →