VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3575

Malabar · 1,024 pages · 189 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3575_0970 view scan ↗

English

for the sake of the Marathas also cannot leave unguarded, he can keep no force of any consequence at Calicoet and Chettua, just as the Tutucorijn chief in the aforementioned letter of 21 August, although not in a position where he must make the fullest use of that authorization, nevertheless out of fear that, should the necessity once arise, it would then be too late, therefore from here for the present requests the company of Captain Lever with some artillerymen, as all this can be seen in further detail from the aforementioned letters inserted below. Adriaan Moens To the Noble Lord, Extraordinary Councillor of Netherlands India, Governor and Director over the Company's Important Trade and Establishments, together with the Council, Koetsjien. Noble, stern, valiant, wise, prudent, very discreet sirs! Quite unexpectedly we received these days news of the plundering of Porto Novo and of a township called Kanjepoeram, which lies not far from Madure. These raids were carried out by detachments of two armies of Haidar Alij, one of which has encamped above Trisjenapali, and the second near Dindikalle, not very far from the fortress of Madure. The entire country on the opposite shore has thereby been thrown into commotion and consternation, and the Nabab with his English allies has on that side barely enough people to occupy their fortified places; since the country thus lies open to Haidar, the servants of Tutucorijn have asked for speedy relief, concerning the assessment of which we have been the more perplexed, because the news from Europe, as is known to your honors, is by no means favorable with regard to Netherlands neutrality, and we have received one poorly manned ship, without well-founded hope regarding the crew of the second, which, for lack of men, would only sail out in the spring. For the present we are sending two and a half companies of Easterners and sepoys to Tutucorijn, with which we hope to be able to turn back the marauding parties; but when one of the two enemy armies, as is feared, descends toward the lowlands, European troops, which even the English do not have, will be needed, and we do not know where to find them. Gale and Trinkonamale are weakly garrisoned, and Jaffena no better; nevertheless, the latter place will have to reinforce the garrison of Manaar considerably when Haidar's troops descend; from Kolombo we dare not detach any European troops as long as peace in Europe remains uncertain. Thus no other means remains to us than to authorize the chief, Van Angelbeek, as is done today, in case of pressing need to request from your honors the remainder of our troops sent to Mallabaar. We had to resolve upon this all the sooner, because it is more than probable that Haidar, keeping two considerable armies in the field on the side of Karnatika and unable to leave his northern borders unguarded on account of the Marathas, can maintain no force of any consequence around Calicoet and Chettua; thus we may assume with much reason that Cranganoor and Aijkotta, with the help of the Travancore and Cochin auxiliary troops, run less danger than before, as long as Haidar's enterprises remain confined to the side of Coromandel and Madure. The situation of his country does not allow sending his troops, who are mostly at Trisjenapali and Madure, so quickly toward Mallabaar that we on our side would not have enough time to change our measures along with his. But whatever the aim of Haidar Ali may be, this is certain: that at least the weakened company of Captain Lever with the remainder of the Ceylon artillerymen, in these present circumstances, are more needed at Tutukorijn than at Cranganoor and Aijkotta. We request that your honors take into serious consideration what may be more expedient: to strip the lands of the kings of Travancore and Cochin of troops, or to run the risk of exposing the port of Tutucorijn, to the grievous shame of the Netherlanders, to the fate of a hostile enterprise. Orders have already been given to abandon the small factories if necessity presses. We have the honor, after friendly greetings, to remain with great esteem, below was written: Noble, stern, valiant, wise, prudent, very discreet sirs! Your honors' dutiful friends and servants, was signed: Im. Wiltalck, Daniel de Bok, J: H: Borwater, Geert Engel Hoest, J: de Bordes, M: Mekern, in the margin Kolombo, 16 August 1780. Koetsjien To the Noble and Honorable Lord Adriaan Moens, Extraordinary Councillor of Netherlands India, and Governor and Director of the Netherlands Possessions on the Coast of Mallabaar, together with the Council. Noble and Honorable Lord and Much Esteemed Friends! An unexpected invasion by Haider Alichan with two mighty armies into the Kingdom of Karnatika, of which one, under the command of the well-known Chanderchan, stands close to Madure, and thus seems to have its objective directed at these Lowlands, has thrown the entire country of Madure into turmoil and commotion, all the more so since the troops of the English and of the Nabab Mahmed

Dutch transcription

de wille van de Maratters ook niet onbe„ „waard kunnende laaten, geen naam waar„ „dige magt te Calicoet en Chettua houden kan, gelijk dan ook het Jutucorijnse opper„ „hoofd bij voorschr: brief van den 21. ' Aug„s schoon niet in het geval zijnde om van die qualificatie het ruijmste gebruijk te moeten maken, egter uijt bedugtinge dat de noodzakelijkheijd eens exteerende, het dan te laat zoude zijn, dus van hier voor eerst de Compenie van Capitain Lever met eenige Arthilleristen verzoekt, gelijk dat een en ander nader bij de voorsz: hier onder g'in„ „lereerde brieven te zien is. Adriaan Moens Aan den Edelen Heer Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia, Gouverneur en Directeur over 'skompenies Jmportanten handel en ommeslag, Neevens den Raad koetsjien. Edelen, Erntfesten, Manhaften, wij„ „zen, voorzienigen, zeer Discreeten! Gansch onverwagt ontvingen wij, deezer Mallabaar dagen 448 dagen, tijding van het uijtplunderen van Porto Novo en van een vlek kanjepoeram geheeten, 't welk niet verre van Madure legt. Deeze stroo„ „perijen zijn gedaan door detachementen van twee legers van Haidar Alij, welker een boven Jrisjenapali, en het tweede bij Jindikalle, niet zeer verre van de vesting Madure, zig heeft nedergeslaegen. Het gansche land aan de overwal is daar door in beweeging en verslaegenheid gebragt, en de Nabab met zijne Engelsche bondgenooten heeft aan dien kant, kwaelijk zoo veel volks dat zij hunne vaste plaetsen bezetten kunnen, wijl dus het land voor Haider open legt, heb„ „ben de bedienden van Jutucorijn om een spoedig ontzet gevraegd, omtrent welks begrooting wij te meer verlegen zijn geweest, om dat de tijdingen ii't Europa, zoo als vrold: bekend is, gantsch niet gunstig zijn ten aanzien van Nederlands onzij„ „digheijd, en wij een slecht bemand schip hebben uijtgekrelgen, zonder gegronde hoope omtrent de bemanning van het tweede, 'twelk, door gebrek aan volk, eerst in het voorjaar zoude uitzeilen. wij bezorgen nu, voor eerst, twee en een halve kompenie oosterlingen en sipatris na Tutucorijn, waarmeede wij de stroopende par„ „tijen hoopen te kunnen afkeeren; maar wanneer wanneer een van de twee vijandelijke legers, zoo als 'er geducht wordt, na de beneden landen af zakt, zullen 'er Europische troepen, die zelfs de Engelschen niet hebben, noodig weezen, en wij weeten ze niet te vinden. Gale en Grinkonamale is zwak bezet, en Jaffena niet beter, Nogtans zal laatstgemelde plaets het garnizoen van Manaar, wanneer Haidars troepen afzakken, aanmerkelijk moeten versterken; van kolombo durven wij geen Europische manschap deta„ „cheeren, zoo lang de vreede in Europa onzeker staat Dus blijft ons geen onder middel over„ dan het opperhoofd van Angelbeek te qualificeeren (:gelijk heden geschiedt) om bij dringenden nood, van vuEd: te verzoeken het overschot van onze na Mallabaar gezondene troepen. je eerder moesten wij hier toe besluijten, om dat het meer dan waarschijnlijk is, dat Haider, twee aanmerkelijke legers aan de zijde van Karnatika in het veld houdende, in zijne Noordelijke grenzen om den wille van de Ma„ vatters niet onbewaard kunnende laeten, geen naemwaardige macht om en bij Calicoet en Lettua kan houden: dus wij, met veel gronds, mogen onderstellen, dat Cranganoor en Aijkotta, met behulp van de Grevancoorsche en koetssiensche hulptroepen, minder gevaer dan bevoorens loopen, zoo lang de onderneemingen 449 onderneemingen van Haidar na de zijde van Cormandel en Madure bepaeld blijven. De gelegenheijd van zijn land laet niet toe om zijne troepen, die grootendeels bij Grosjenapali en Maduae staen, zo schielijk na de zijde van Mallabaar te zenden, dat wij van onzen kant, geen tijds genoeg zouden hebben om ook onze maetregelen met de zijne te veranderen. Maar welk ook het oogmerk van Haidar Ali zij, dit is zeker, dat ten minste de verzwak„ te Compenie van Capitain Lever met het over„ „schot der Ceilensche arthillen isten, in deze tijds omstandigheden, noodiger zijn te Jutukorijn, dan te Cranganoor en Aijkotta. wij verzoeken dat uwEd: in ernstige overweeging neeme, wat oir„ baarder zij, de landen van de koningen van Joevancoor en koetsjien van troepen te ontbloo„ „ten, of gevaar te loopen om het port van Jutu„ „corijn tot Grievende schande, van de Neder„ landers aan 't lot eener vijandelijke ondernee„ „ming bloot te stellen. Tot het verlaeten van de kleine faktorijen zoo de nood dringt, is reeds ordre Gegeeven. Wij hebben d'eer na vriendelijke groete met veel achting te verblijven /:onderstond:/ Edelen Erntfesten, Manhaften, wijzen voorzienigen zeer Discreeten! Uwer wel Edelens D: W: vriend en dienaaren /:was getekend:/ Jm: wiltalck, Daniel Moetsien Aan Den wel Edelen Gestrengen Heer Adriaan Moens Raad extra ordinair van Nederlands Jndia, mitsgaders Gouverneur en Directeur van de Nederlandsche bezittingen op de Cust Mallabaar Nevens den Raad. Wel Edele Gestrenge Heer en veel G'achte vrienden! Een onverwagte inval van Aider Alichan met twee machtige Legers in het Rijk van Karna„ tika, waar van het eene, onder bevel van den welbekenden Chanderchan, digt bij Madure staat, en dus het oogmerk op deeze Beneedenlanden schijnt gerigt te hebben, heeft het heele land van Madure in rep en roer gebragt, temeer wijl de troepen van de Engelschen en van den Nabab Daniel de Bok, J: H: Borwater, Gewr„t Eng:l Hoest,„ J: de Bordes, M: Mekern /:inmorgine„ Kolombo den 16. aug=o 1780. Mahmed

NL-HaNA_1.04.02_3575_0975 view scan ↗

English

450 Mahmed Alichan in this regional regency is far too weak to withstand that army. Our situation on this coast has therefore become very perilous, since we suspect with good reason that the enemy will spare our establishments here as little as at Porto Novo, where he has not only plundered and destroyed everything, but has also carried off the Company's servants as prisoners. Upon the reports made thereof by me and the Council jointly to our Government, I was, by the reply directed to me alone, separately qualified to request the remainder of the Ceylon militia from your Right Honourable and Honourable Sirs, whenever I should need them. Until today we do not find ourselves in the position of having to make the fullest use of this authorization; however, if matters were to go so far that this became necessary, then in all probability it would also be too late for it, because our European garrison is so weak and poorly conditioned, and of artillerymen we are so bereft, that we would have to leave our entire defense mostly to native troops, and how precarious this is, I dare not first argue in detail to your Right Honourable and Honourable Sirs. I have therefore in this situation, for the preservation of the Company's establishments and for the securing of its trade on this coast, judged it absolutely necessary provisionally to request Your Right Honourable and Honourable Sirs, as I respectfully do hereby, to send us, before the rainy season breaks out on this coast—which makes the marching of a military detachment very difficult and dangerous—a company of Europeans and some artillerymen, in order to be enabled thereby to defend ourselves properly in the event of an enemy attack. Offering the letter concerning this matter from the Ceylon Government addressed to your Right Honourable and Honourable Sirs, I have the honour to be with all respect and high esteem. Below was written: Right Honourable Sir and much-esteemed friends, your Right Honourable and Honourable Sirs' obedient servant, was signed: J. G. van Angelbeek. In the margin: Tuticorin, the 21st of August 1780. Subsequently the Governor presented two returns from the pay bookkeeper showing the number of European soldiers 451 and artillerymen, one indicating how many European soldiers were here four years ago, when there were already two Ceylon companies here, and the other how large the number is at present; whereby it appeared that there are now here on the coast 6 fewer men in European soldiers, and 33 more men in artillerymen, and thus in total only 27 Europeans more than four years ago, when the Nabob, knowing our weakness, attacked our possessions. And whereas the aforementioned letters had already been circulated among the members for perusal, in order to deliberate properly thereon, the same were now read again in this meeting, being deliberated upon and taken into consideration: That in order not to retain the Ceylon troops here any longer than extreme necessity required, we have already gradually sent back all the auxiliary troops that were gradually sent here since the Nabob's invasion, except for the artillerymen, who now only make up primarily 40 heads, in the hope that, since we were instructed to avoid all hostile actions, we might, with the remaining force at hand, through a watchful eye and good prudence, continue to prevent the further progress of the enemy, as indeed has happened up to now. That although the Nabob, since the action of the 3rd of March 1778, when he wished to seize our advance post at Cranganore, and wherein he lost many men, has indeed undertaken nothing further against the Company's possessions, he nevertheless still refuses to yield, and leaves unanswered the letters, both from the High Indian Government and from the Governor, nor does he pay regard to the attempts that the Governor has already made toward that end through various other channels; one must nevertheless not infer from this that, now that he has taken from us what the Zamorin previously held, we leave it at that and he desires no further war with the Honourable Company, as he 452 seems to have indicated in his last letter to the Governor, but rather that he lies in ambush to attack us again at the least sign of weakening and to break through at Cranganore or Ayacotta, in which case we would immediately see him here before the walls of our city. That our city, through the significant improvements and reinforcements obtained, would indeed be able to offer a stout resistance, yet is quite extensive, having six major and four smaller bastions, as well as two newly constructed outworks, one between Gelderland and Holland for the defense of the undefended faces there, and another outwork between Groningen and the Galjoen, to reinforce the weakness of the city on that side; and that one therefore, for the defense of the city alone, ought to have a good number of European soldiers and artillerymen, without whom a city cannot be defended, however strong it may be. That besides this, upon the opening of the

Dutch transcription

450 Mahmed Alichan in dit Landregentschap veel te zwak zijn, om aan dat Leger het Hoofd te bieden. onze toestand op deeze kuste is daar door zeer hachelijk geworden, wijl wij met veel reedenen vermoeden, dat de vijand onze Etablisse„ „menten alhier zo min zal ontzien als te Porto novo, waar hij niet alleen alles geplonderd en verwoest, maar ook 'skomp. s Dienaren ge„ vanklijk weggevoerd heeft. op de door mij en den Raad tezaamen daar van Gedaane rapporten aan onze Regeering, ben ik, bij het aan mij alleen gerigte antwoord, afzonderlijk gequalificeerd, om het overschot van de Ceilonsche Militie van uw wel Edele Gestr: en Ed:n te verzoeken, als ik ze noodig hebbe Tot heeden toe bevinden wij ons wel niet in het geval, om van deeze qualifikaatie het ruijmste gebruijk te moeten maken, dog als het zoo ver mogt koomen, dat dit noodzaake„ lijk wierd, dan zoude het daar toe naar alle waarschijnlijkheidook te laat zijn, want ons Europeesch Guarnisoen is zoo zwak en slegt gesteld. en van Arthilleristen zijn wij zoodanig ontbloot, dat wij onze heele verdeediging meest op jndandsche troepen zou„ „den moeten laaten aankoomen, en hoe hachlijk dit zij, durve ik aan uw wel Edele Gestr: en Ed=s niet eerst breedvoerig betoogen. Jk Ik hebbe derhalven in deeze situaatie tot behoud van 'sComp=s Etablissementen en tot beveiliging van haaren handel op deeze kuste volstrekt noodig geoordeelt Uw wel Edele Gestrenge en Ed=e bij provisie maar te verzoeken Gelijk ik eerbiedig doe bij deezen om ons voor dat de Regentijd op deeze Custe doorbreekt, die het marcheeren van een Militair detachement heel moeielijk en gevaarlijk maakt, toe tezenden eene kom„ „panie Europeeschen en eenige Arthille„ risten, om daar door in staat gesteld te worden, ons bij een vijandigen aanval behoorlijk te kunnen verdeedigen. Jk hebbe de eere onder aanbieding van het hier over handelende schrijven der Ceilonsche Regeering aan uw wel Edele gestrenge en Ed=s gerigt met alle eerbied en Hoog achting te zijn. /:onderstond:/ wel Edele Gestrenge Heer en veel g'agte vrien „den vwer wel Edele Gestrenge en Ed=s G: Gehoorzaame dienaar /was getekend:/ Ju„ G: van Angelbeek /in margine:/ tucorijn den 21:' Aug=o 1780. Vervolgens vertoonde de Gouverneur twee opgaves van den zoldij Boekhouder seijffer van het getal der Europeese Mi„ „litairen 451 „litairen en Arthilleristen, als een aanwij„ zende hoe veel Europeesen militairen hica voor vier Jaaren geleeden geweest zijn, toen er al reeds twee Ceijlonse Compenien hier wa„ „ren, en de onder hoe groot het getal thans is, waar bij bleek, dat 'er thans hier ter custe aan Europeese Militairen 6. man min„ „der, en aan arthilleristen 33. man meer„ „der, en dus in 't geheel maar 27. Europee„ „sen meerder zijn, als voor vier Jaren, toen de Nabab onze swakheijd wetende, onze be„ „zittingen aangetast heeft. En dewijl voorschreeven brieven reets bij de Leeden ter lectura rond gezonden waren, om zig daar over behoorlijk te kun„ „nen braden, zoo is dezelve als nu in deze bij een komste nader geleezen, zijnde daar over gedelibereert en in aanmerking genomen; Dat we, om de Ceilonse troupes hier niet langer aan tehouden als de uijtterste nood vereijschte, alle de hulp troupes, die 't zedert s:' Nabats inval hier successive gesonden zijn, ook reets successive terug Gesonden hebben, uijtgenomen de Arthilleristen, die nu maar 1 maar uijtmaken primo plan 40. koppen, in hoop dat wij, zedert ons aanbevoolen is, alle vijandelijke acties te vermijden, met de overige aan handen hebbende magt, door een wakend oog, en een goed overleg den verderen voortgang van den vijand zouden kunnen blijven beletten, gelijk dan ook tot nog toe geschied is. Dat schoon de Nabab zedert de Actie van den 3. ' Maart 1778. toen Hij onze voor„ „post te Cranganoor wilde opligten, en waar bij Hij veel volk verlooren heeft, wel niets verders tegen 'sComp:s bezittingen ondernomen heeft, hij egter tot als nog toe niet wild bijkomen, en de brieven, zo van de Hooge Jndiase Regeeringe als van de Gouverneur, onbeantwoord laat, nog reflectie slaat op de tentaines die de Gouverneur door verscheijd andere wegen daar toe al ingeslagen heeft men egter hier uijt niet mag opmaken dat (un Hij, het geen de sammorijn bevorens gehad heeft, ons ontnomen heeft Wij het daar bij laten en met D' E: Comp verder geen oorlog wild hebben, zo als Hij 452 Hij schijnt tekennen Gegeven te hebben bij zijn laaste brief aan de Gouverneur, maar wel dat blij op zijn luijmen legd, om ons bij de minste verswakkinge weder te bespringen en bij Cranganoor of Aijkotta door te dringen, als wanneer we bem onmiddelijk hier voor de muur van onze stad zouden zien. Dat onze stad door de erlangde merke„ „lijke verbeteringe en versterkinge, wel in staat zoude zijn, om een dugtige tegen„ „stand te bieden, dog vrij uijtgestrekt is, als heb„ „bende ses Capitaale en vier klijndere Punten, benevens nog twee nieuw aangelegde buijten werken, als een tussen Gelderland en Holland ter defentie van de daar zijnde onbestreeke faacen, en een ander buijten werk tussen Groeningen en het Galjoen, tot versterkinge van de swakheijd der stad aan die kant, en dat men derhalven, tot verdedinge van de stad alleen, een goed getal Europeesen Militairen en Arthilleristen diende te hebben, zonder welk een stad niet te defendeeren is, hoe sterk dezelve ook mogt zijn. Dat wij buijten des bij het openen van de

NL-HaNA_1.04.02_3575_0980 view scan ↗

English

the good monsoon, our snow De Nehellenia and our small vessel De Verwagting, as well as our three war galliots, and if not the latter, then the three stockades on Moetoe Coenoe must be manned not only with soldiers but also with artillerymen, although on the vessels we might manage with native soldiers, which however cannot be the case on the war galliots or stockades, on which there must be at least some Europeans. That it would therefore, even with our present European force, be difficult enough to resist the surprises and enterprises of a cunning and powerful enemy, and that it would consequently also be irresponsible for us to strip ourselves further of Europeans. That as regards the stance of the Ceylon ministers, namely that at present at least the company of Captain Lever and the remainder of the Ceylon artillerymen are more needed at Tuticorin than at Cranganore and Ayacotta (where that company lies divided during this bad monsoon and to which we even recently had to add some of the company of Captain Frankena, because Lever's company is too weak to garrison those two important posts with it, since the remaining troops stationed there are natives), one leaves it undecided whether the preservation of our possessions here is to be preferred over the preservation of Fort Tuticorin, but must remark that those troops do not lie there to cover the country of Travancore or Cochin, but indeed for the preservation of Cranganore and Ayacotta, whose defense has indeed been specially and seriously recommended to us as posts of the utmost importance here, since they are presently the keys to our possessions on the north side, and the enemy, being able to break through there, has an open road to advance immediately, to cause terrible devastations in the country, to invade Travancore (for which pepper kingdom the design is also intended), to encircle our city and to disrupt trade, for all of which the entire coming good monsoon would serve him well, just as he for that reason also about four years ago, very early, namely on 9 October 1776, already attacked our possessions, which does not differ much from the time of year in which we are presently. That further, as regards the stance of the Ceylon ministers, namely that Cranganore and Ayacotta would now run less danger than before with the help of the Travancore and Cochin troops, for the reasons alleged thereof (which at first glance do not seem groundless), it is known with respect to the Travancore and Cochin troops that at Cranganore there are no troops of Travancore nor of Cochin, but indeed at Ayacotta, and these, in proportion as we have sent back the Ceylon militia, have also gradually and imperceptibly decreased, because they are not paid by the Company but are in the pay of the aforementioned kings, about which the Governor has indeed complained at times, but received in reply that they follow our example and would not do so if they had not seen us do so, and did not suppose with us that the strength of Cranganore and Ayacotta can bear such a thing, besides that experience has also taught how little reliance can be placed on these troops in a serious affair, as became evident during the first invasion when the Nabob's troops wanted to force Ayacotta, at which time the aforementioned troops were already giving way and the enemy would thus have crossed over if we had not at that time heavily stripped our city of Europeans and sent them in all haste to Ayacotta, whereby the enemy retreated, and the crossing of those troops has been prevented up to now, not to mention that for known reasons we cannot place too much reliance specifically on the King of Cochin, so that the Travancore and Cochin troops are stationed there more to increase the numbers and so to speak show their act of duty, than to execute anything substantial, and we by our possessions at Cranganore and Ayacotta do not preserve the lands of Travancore and Cochin in their quality as lands of those princes, but those posts as the keys to our further possessions here, and that those posts absolutely cannot be preserved without Europeans. That although the Nabob finds himself with his force in the Carnatic and Madura, we nevertheless perceive on this side to the north no reduction in his force at Chettua and Calicut, since his force, both at those places and at Chavakkad, which lies eastward and as in a triangle between Chettua and Calicut, is still just as great, and he has made such dispositions in his conquered lands that he immediately has a host of auxiliary troops at his service from them, as was evident during the siege of Chettua, which we therefore had to break up; and that he is now also thoroughly active here in the neighborhood to the north, and with the help of the Nairs from the Kolattiri kingdom subjugated to him, supported by

Dutch transcription

de Goede mousson, onze snauw De Nehellenia en ons smalschip De verwagting benevens onze drie oorlogs gamellen, en zo deeze laatste al niet, als dan de drie paggers op Moetoe coenoe niet alleen met Militairen maar ook met Arthilleristen moeten beman„ nen, schoon we het op de vaartuijgen wel met Jnlands Militairen afkunnen, het geen egter op de oorlogs gemellen of Paggers geen plaats kan hebben, waar op ten minsten eenige Europeesen moeten zijn. Dat het dus met onze presente Europeese magt zelve beswaarlijk genoeg zoude zijn, de surprilen en ondernemingen van een listigen en magtigen vijand te keer te gaan, en dat het dus ook voor ons onverantwoordelijk zou „de zijn ons verder van Europeesen te ont„ „blooten Dat wat de sustenue der Ceilouse Mi„ „nisters aangaat, namentlijk dat thans ten minsten de Compenie van Capitain Lever, en het restant der Ceilonse Arthilleris ten te Gutucorijn nodiger zijn, als te Orangano Comp: geduurende en Aijkotta /:alwaar die deze 453 deze quade mousson verdeeld legd en waar bij we zalfs onlang nog eenige van de Comp: van Capitain Frankena hebben moeten voe„ „gen, om dat Levers Compenie te swak is, om daar meede die twee aangelegene posten te bezetten, alzoo de overige daar leggende troupes inlanders zijn:) men het aan zijn plaats laat, of het behoud van onze bezittin„ „gen alhier boven het behoud van 't Fort Ju„ „tucorijn te prefereeren is, dog moet remar„ „queeren, dat die troupen daar niet leggen om het land van Jaevancoor of Cochim te dekken; maar wel tot behoud van Cranganoor en Aijkotta, welkers bewaringe ons wel speciaal en serieus aanbevoolen is, als posten van de uijtterste aangelegentheijd alhier, ver„ „mits ze thans de sleutels zijn van onze bezittingen aan de noord kant, en de vijand daar kunnende doorbreeken, een opene weg heeft, om ten eersten voort te rukken, in het land ijsselijke verwoestingen aanteregten, het Jrevancoorse (:om welke peper Rijk, het blein ook te doen is) te invadeeren onze stad te omcingelen en en den koophandel te stremmen, tot welk een en ander Hem de aanstaande geheele Goede mousson te stade zoude komen, gelijk Hlij ook daarom nu omtrend vier jaaren gelee„ „den; heel voeg, namentlijk den 9. ' October 1776. onze bezittinge al aangetast heeft, het geen niet veel verschild, van den tijd des zijn. Jaars waar in we tans Dat wat verder de sustenue der Ceilonse Ministers aangaat, namentlijk dat Cranganoo en Aijkotta met behulp van de Trevancoorse en Cochimse troupen tans minder gevaar dan be„ „voorens zoude loopen, om de daar van g'allegeerde redenen, /:dewelke in den eersten opslag niet onge„ „grond schijnen te zijn:/ het ten opligte van de Jrevancoorse en Cochimse troupen bekend is, dat te Cranganoor geelre troupes van Jrevan„ „coor nog van Cochim, maar wel te Aijkotta leggen, en die, na mate wij de Ceijlonse mili„ „tie terug gesonden hebben, ook al successive ongevoelig vermindert zijn, dewijl dezelve niet door de Comp: maar in der voorschr: ko„ „ningen besoldingen staan, waar over de Gou„ „verneur wel eens gedoleert, dog ten antwoord gekoegen 454 gekreegen heeft, dat zij ons voorbeeld volgen en zulx niet zouden doen, indien zij ons zulx niet hadden zien doen, en met ons niet veronderstellen, dat zulx de sterkte van Cranganoor en Aijkotta veelen kan, behal„ „ven dat ook de ondervindinge geleert heeft, hoe wijnig staat te maaken is, op deze trou„ „pes in een serieuse affaire, gelijk bij den eersten inval gebleeken is, toen 's Nababs trou„ „pes Aijkotta wilden forceeren, als wanneer voorsz: troupes al aan het wijken waren en de vijand dus zoude overgekomen zijn, indien we te dier tijd, onze stad van Europeesen niet zeer ontblood en dezelve in allerijl na Aij„ „kotta gesonden hadden, waar door de vijand retireerde, en tot dus verre verhindert is, de overkomste dier troupes, gezwijge dat we om bekende redenen, juijst niet te veel staat op den koning van Cochim kunnen maken, zo dat de Trevancoorse en Cochimse troupes daar meer leggen om den hoop te vergrooten en zo genaemd hunne actie van divoir te toonen, als om iets wesentlijks uijttevoe„ „ren, en wij door onze bezittingen te Cranganoor Cranganoor en Aijkotta niet de Landen van Grevancoor en Cochim, in hoedanig hei als landen van die vorsten, maar die kosten als de sleutels van onze verdere bezittingen alhier bewaren en dat die posten absolut niet zonder Europeesen te bewaaren zijn. Dat we schoon de Nabab met zijn magt in het Carnattise en Madureese zig bevind, egter aan deze zijde om de Noord, geene ver„ „minderinge in zijne magt te Chettua e Calicoet ontwaaren, alzo zijne magt, zo wel op die plaatsen als te chawakattij, dat oos waards en als in een drie hoek tusschen chettua en Calicoet legd, nog even Groot is, en Hlij zodanige disposities in zijn over neerde landen gemaakt heeft, dat hij uijt dezelve aanstonds een turbe van hulp trou „pes tot zijn dienst heeft, gelijk dat geblee„ „ken is, bij het beleg van Chettua, het geen we daarom moesten opbreeken; en dat hij tans hier in den buurt om den Noord ook wel voor goed bezig is, en met behulp van de Naijrossen, uijt het hem onderworpene Collastrijse Rijk, ondersteund met

NL-HaNA_1.04.02_3575_0985 view scan ↗

English

455 with his troops keeps the English post Jalicherij besieged and still causes much trouble, not to mention that he recently already took possession of an outer post named Dhermapatnam a little north of Galicherij, which had been abandoned by the English because native troops were stationed there who could not hold it. That according to all reports the army of Charder chan before Jalicherij, with the auxiliary troops of Collastrij, is estimated to be 15. to 16000. men strong, and that one must believe it is not much weaker, because the English in Jallicherij have circa 200. Europeans, a regiment of regular sipaijs, and another 3000. other native troops, and yet are not capable of lifting the siege, so that they will ultimately have to surrender or abandon the place, for which, as is said, the Commander there awaits orders from Bombaij, and that in such a case Charder chan can very easily march to this side, which is all the more to be expected because Trevancoor has already sent 5000. men of auxiliary troops to to Mahomet Alij chan, as that king has informed the Governor. That besides this the Nabab, although he is indeed in the Carnatic and Madura regions, has nevertheless shown more than once that he is here in a short time and there again in a short time; that when the impending bad monsoon breaks on the Cormandel coast, the force present here can be reinforced with troops from that quarter, because at that time there is not much to be accomplished there. That while the Tutucorijn chief rightly remarks that although he is not yet in distress, if he should come into distress it might be too late to request assistance from here, he could, after all, if necessity arose, obtain some Europeans, or at least closer help, within a few days for some time from Ceilon rather than from here, just as two and a half companies of Malays have already been sent from Ceijlon in a short time. That while it is reported from Tutucorijn that 456 that there are only five artillerymen there, and we, as demonstrated herebefore, currently have somewhat more artillerymen than four years ago, we could, however reluctantly, nevertheless send some artillerymen, at most to the number of 10. men, and such a small troop will still be transportable despite the rainy weather, especially if one provides them with everything and procures coolies to assist them somewhat in carrying the provisions and their baggage. Finally, that however much we might wish to be able to spare the two weak companies of Europeans, consisting together of 211. heads effective strength, and the artillerymen to the number of 40. effective strength, we are in good conscience and after serious consideration convinced that we cannot spare them under any circumstances without exposing our possessions here, even now, not to mention in the future, to the utmost danger, and that we therefore find no freedom to weaken ourselves further for the sake of of Tutucorijn, that it is therefore necessary to make this known to the Ceijlon Ministers with modesty, yet frankly and without any restriction, so that they, by finally demanding their remaining troops here, may not expose us to any danger, and we who in such a case would have to send back the auxiliary troops, that is to say if they should be absolutely recalled, since Ceilon might sometimes even be in distress itself, and that government is of greater importance than our possessions here may not then remain accountable for whatever might befall the Company's possessions here through that absolute recall. And thus it has been unanimously resolved and agreed to send ten artillerymen, provided with what is necessary, at once by vessel across the river to Coilan, in order to let them depart from there further to Tutucorijn, having been provided with some coolies, furthermore to excuse the dispatch of the 457 the requested military personnel and to demonstrate clearly to the Ceijlon Ministers that under no circumstances can we spare any more Europeans without exposing the Company's possessions here to the utmost danger, while it was simultaneously agreed, upon dispatching the artillerymen, to send an extract thereof to the chief of Tutucorijn, insofar as it may serve for His Honour's information. Furthermore, the Governor made known for the record how he, having already received preliminary news of the Nabab's invasion on 29 August last by a letter from the Cormandel Governor van Vlissingen dated 3 August, gave notice thereof on 31 August following, for greater certainty, to both Ceilon and Tutucorijn, lest it might have happened that the communication thereof to Ceijlon and Tutucorijn had miscarried by some accident, and which passage from the aforementioned Nagapatnam letter has also been inserted below for reflection. Extract from a letter written by the Nagapatnam Governor Reinier van Vlissingen to the Right Honourable Adriaan Moens, Governor and Director at Cochim, under date 3 August 1780. Finally, the long-rumoured departure of Haijder Alichan to the Carnatic lowlands has in fact been confirmed, because the army of that general, which is estimated at 80000. men, without encountering any resistance on the part of the English, who have caused their main force to march northwards, pushed through the mountains and is encamped on this side of the same, more than two days' journey above Jritsnapalij, from where some detachments have been sent off to the seashores, among which one of 4. to 5000. cavalry made an invasion most unexpectedly into the seaside village of Portonovo on the 22nd of the previous month, and acted there in such a violent manner, as the enclosed translation [illegible] by the Company's

Dutch transcription

455 met zijne troupes, het Engels port Jalicherij belegerd houd en als nog veel werks geeft, geswijge dat Hij onlangs reets een buijten portje Gen=t Dhermapatnam een wijnig benoorden Galicherij, in bezit genomen heeft, het welk door de Engelse verlaten was, om dat 'er Jnlandse troupes inlagen, die het niet houden konden. Dat volgens alle berigten het leger van Char„ „der chan voor Jalicherij met de hulp troupen van Collastrij, gestelt word groot te zijn 15. à 16000. mannen, en dat men moet geloven dat het niet veel swakker is, om dat de Engelse je Jallicherij Circa 200. Europeesen, een regi„ „ment reguliere sipaijs en nog 3000. andere Jnlandse troupes hebben, en egter niet ver„ „mogens zijn het beleg opteslaan, dat ze dus op het laast de plaats zullen moeten over„ „geven of verlaaten, waartoe, als gesegd word, het Hoofd aldaar ordre van Bombaij ver„ „wagt, en dat in zulken gevalle Charder chan zeer gemakkelijk na deze kant kan trekken, dat te eerder teverwagten is, om dat Trevancoor reeds 5000. man hulp- troupen aan aan Mahomet Alij chan heeft gezonden, zo als die koning de Gouverneur heeft laten weeten. Dat de Nabab buijten des, schoon Hij zig wel in het Carnattise en Madureese bevind, egter meer als eens getoond heeft, dat vlij in een kerte tijd hier en in een korte tijd weer daar is; dat als te Cormandel de daar op handen zijnde kwaade mousson doorbreekt, de hier zijnde magt kan werden versterkt met Troupen van dien kant, om dat als dan daar niet veel uijttevoeren is. Dat dewijl het Jutucorijns opperhoofd te regt aanmerkt, dat schoon bij wel niet in nood is, egter in nood komende, het te laat zoude kunnen zijn, om van hier secours te vragen, Hij immers als de nood aan de man kwam, in wijnige etmalen voor eenigen tijd wat Euro„ „peezen, ten minsten nader hulp zoude kun„ „nen krijgen van Ceilon dan van hier gelijk nu al aanstonds in korte tijd twee en een halve Campenie Mallijers van Ceijlon geson„ „den zijn. Dat dewijl van Tutucorijn gemeld word, dat 456 dat daar maar vijf arthilleristen zijn, en wij, gelijk hier vooren aangetoond is, tans wat meer Arthilleristen als over vier Jaaren hebben, wij, hoe ongaarne ook, egter wel eenige Arthilleristen zoude kunnen zenden, uijtterlijk ten getalle van 10. man, en zo een klijn troup, ongeagt het regen- weer nog wel te transporteeren zal zijn, voor al, wanneer men hun alles meede Geeft, en Ovelijs bezorgd, om hhun in het dragen van de provisien en van hunne equipagie wat te gemoed te komen. Eijndelijk dat hoe zeer wij wel wenschen, om de twee zwakke Compenien Europeesen, be„ staande tesamen in 211. koppen primo plan„ en de arthilleristen ten getalle van 40. primd plan, te kunnen missen, wij in gemoede, en na serieuse overweginge overtuijgd zijn, dezelve, in welk geval het ook zoude mogen zijn, niet te kunnen missen zonder onze bezittin„ „gen alhier zelfs tans geswijge in het ver„ volg, aan het uijtterste gevaar te exponeeren, en dat wij derhalven geen vrijheid vinden ons verder te verzwakken, om de wille van van Tutucorijn, dat het derhalven nood„ zakelijk is, zulx met beschijdenheid, dog openhartig zonder eenige restrictie aan de Ceijlonse Ministers tekennen tegeven, op dat dezelve door het finaal eijschen van Hunne restant troupes alhier, ons aan geen gevaar mogen exponeeren, en wij /:die in zo een geval de hulp-troupen zouden moeten terug zenden, dat is wanneer „ze absolut mogten terug g'eijlcht worden, de„ wijl Ceilon somtijds zelfs in nood zoude kunnen zijn, en dat Gouvernement van meer aangelegentheid is, als onze bezittin„ „ge alhier :/ als dan niet aansprekelijk mogen blijven, voor het geen 'sComp:s bezit „tingen alhier door die absolute opeijssching mogte overkomen En is dus unaminiter Goedgevonden en verstaan, thien Arthilleristen, van het nodige voorzien ten eersten met een voar¬ „tuijg over de revier na Coilan tezenden, om van daar, van wat Coelies voorzien zijnde verder na Tutucorijn te laten vertrekken, wijders de verzendinge van de 457 de ge-eijschte Militairen te excuseeren en de Ceijlonse Ministers duijdelijk te vertoonen, dat wij in welk geval het ook zoude mogen zijn, geen Europeesen meer kunnen missen, zonder 'sComp=s bezittin„ „gen alhier aan het uijtterste gevaar te exponeeren, terwijl teffens verstaan wierd, bij het verzenden van de Arthilleristen, Extract daar van aan het opperhoofd van Tutucorijn tezenden, voor zo verre tot narigt van zijn Ed: dienen kan. Nog Gaf de Gouverneur ter aanteekeninge te kennen, hoe Hij reeds den 29. ' Aug=s J=o leeden bij briev van den Heer Cormandelse Gouverneur van vlissingen gedateert den 3. ' Aug=t praalabel tijdinge van 's Nababs inval erlangd hebbende, den 31. ' daar aan, daar van ten overvloede zo wel na Ceilon, als na Tutucorijn kennisse gegeven heeft, of het ook zomtijds mogt gebeurt zijn dat de communicatie daar van na Ceijlon en Tutucorijn door het een of ander toeval mogt absent geraakt zijn, en welke periode uijt gem: an gem: Nagapatnamse briev tot speculatie hier onder ook geinsereerd is Extract uijt een brief door den Heer Nagapatnamse Gouverneur Reinier van Vlissingen aan den wel Edelen Groot Agtb: Heer Adriaan Moens Gouverneur en directeur te Cochim geschr: onder dato 3. ' aug=o 1780. Eijndelijk is de zo lang gespargeerde af„ togt van Haijder Alichan na de Carnaticase beneede Landen met 'er daad bevestigd geworden, door dien het leeger van dien veldheer dat op 80000. man begroot word, zonder eenige tegenstand van de zijde der Engelsen, te ontmoe„ „ten, die haar grootste magt noordwaards hebben doen trekken, door het gebergte gedrengen, mits„ „gaders aan deeze zijde van dezelve, ruijm twee dag reijsens boven Jritsnapalij gelegerd is, van waar Eenige detachementen na de zee stranden afgesonden zijn, onder welke een van 4. a 5000. Cavalleristen op den 22. ' der voorige maand, op het aller onverwagtst in het zeedorp Portonovo Een invasie Gedaan, en aldaar zodanig geweldadig gehandelt heeft, als de ingeslotene Translaat ofassen door 'sComp:s Goek

NL-HaNA_1.04.02_3575_0991 view scan ↗

English

hoek of Portonovo written thither, and to dictate a copy of the declaration made by the peon who brought me the first news of the event, to which I take the liberty humbly to refer. Meanwhile, reports have been brought here from elsewhere which do nothing but confirm the violent and predatory intentions of Hyder's troops along the countryside and in the surrounding villages. As is communicated from Madras by letter of 24 July, that there on the evening of the 23rd reliable news had arrived that Hyder Naick had approached close to Arcot, and had seized a few thousand pack animals; that thereupon the securing of goods by the English, who lived in their garden houses, and by the natives had strongly begun; and several gentlemen, who had dined in the garden houses with the intention of resting there for the night as usual, had come inside the fort as late as twelve o'clock. That the Nabob had already secured his goods and women in the Black Town, and that it was said that he himself had also moved thither. Furthermore, that the securing of goods and the the fleeing of the people had become general on the date of the aforementioned letter, when the further news arrived there that Hyder Ali's horses had invaded Conjeveram, situated seven miles from Madras, and had cut off, surrounded, and either killed or captured a troop of the cavalry of the Nabob Mahomed Ali Khan there. That everyone was occupied with his own interests, and one could get no coolies for money. As also has been written hither from Pulicat by letter of that very same date, that the dreaded Hyder Ali Khan with his mighty army had passed the mountains, and according to the general rumor had approached Kistnagherry, being two days' journey from Arcot, and had ruined and plundered several villages situated thereabouts. That upon that rumor an untold number of the neighboring villagers had fled with their families, both to Madras and to Pulicat. And from Sadraspatnam by letter of 25 July, that everything there was in turmoil over the descent of the army of the notorious general Hyder Ali Khan, who was said to have already passed the mountain passes, and that the the place was full of strangers who had gone thither to seek personal safety. To this are the incoming reports as yet confined; what further disadvantageous consequences the same will have, we must await from time. Meanwhile it still remains uncertain whither our Portonovo resident Topander, together with the two clerks stationed there, has been carried off by that band of robbers; I have reclaimed the same by a letter written in the Gentoo language to the head of that cavalry troop that made the incursion into Portonovo, but have received no answer as yet. Through the descent of thousands of people with their possessions, this city is now packed full, and it is estimated that the first day of the news that Portonovo was invaded, fully 4 times a hundred thousand pagodas, both in cash, gold, silver works, and jewels, were brought inside by various persons. And notwithstanding our small garrison, I have nevertheless given the necessary orders so as not to be taken by surprise upon an unexpected arrival of those Examined. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Cochin, on the day, month, and year aforementioned. /was signed:/ A. Moens, R. v. Harn, C. C. Laffin, J. L. van Spall, C. G. Seyffer, W. O. Haeften, and J. A. Daimichen. Agrees. — J. A. Daimichen those warriors, for which they are still somewhat far off. J. A. Daimichen Secretary Ceylon Colombo. To The Right Honorable, Highly Esteemed Sir Iman Willem Falck Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, as well as Governor and Director of the aforementioned extensive island, the Coast of Madura and the dependencies thereof, together with the Political Council. At Right Honorable, Valiant, Manly, Wise, Prudent, Very Generous Sir and Friends. Through the delivery by the Tuticorin servants we received on the 8th of this month your Right Honorable, Highly Esteemed secret letter dated 16 August prior, whereby your Right Honors communicate to us the unexpected incursion of Hyder Secret Ali Khan into the Carnatic and the plundering of Portonovo and Conjeveram, and that the Tuticorin servants, because the country lies open to this warlike Nabob, have requested relief, and your Right Honor, on account of the critical circumstances of the times and the neutrality in which our Republic finds itself, not daring to send any Europeans from Ceylon, have been pleased to authorize the Chief van Angelbeek, in case of urgent necessity, to request from us the troops from Ceylon still present here. The Tuticorin Chief aforementioned has also, pursuant to that given authorization, requested a company of Europeans and some artillerymen, with the notification that although he was not yet in the position to make the fullest use of that authorization, he nevertheless, on account of the weakness of his garrison, requested this company and artillerymen for the present, because if the case of necessity existed, it would probably be too late to do so. We think that your Right Honor did not know

Dutch transcription

458 Joek van portonovo na derwaards Geschreeven, en Een Copia van de verklaring, door de pion die de Eerste tijding van het gebeurde bij mij Gebragt heeft, gepasseerd, komen te dicteeren, waar aan ik de vrijheijd neem mij nedrig te refereeren. Jnmiddens zijn alhier van elders tijdingen aangebragt, die niets anders dan het geweldig en roofziek voorneemen van Haijders troupen, langs het platte Land, en in de omleggende dorpen komen te bevestigen. zoo als van Madras bij brief van den 24. ' Julij bedeeld word, dat aldaar den 23. 'savonds lecuure tijding was gekomen, dat Haijder Nack tot bij Arcadoe was genadert, en zig van een paar duijsend draagbeesten hadde meester gemaakt; Dat daar op het bergen van Goederen der Engelsen, die in hunne Ghuij„ „nen woonden, en van Jnlanders sterk zijn de„ „gin Genomen hadde; en verscheijdene heeren, die in Thuijnen g'avondmaald hadden, met voorneemen om daar ook gelijk althoos, hun„ „ne nagt, rust te houden, nog te Twaalff uuren, binnen het port gekomen waren Dat de Nabab zijne goederen en vrouwen be„ reeds in de swarte stad gesecureerd hadde, en dat men zeijde dat hij ook zelve derwaarde zoude verhuijst zijn. voorts dat het bergen der Goederen, en het het vlugten der menschen op de dag teekening van voormelde brief algemeen geworden was, toen de nadere tijding aldaar aankwam, dat slaijder alijs paarden te langewarom seven mijlen van Madras geleegen, ingevallen waa„ ren, En Een troup van de Nabab Machomet Alichan Zijne Cavallerie aldaar afgesneden omsingeld, en of gedood of gevongen Genomen hadden. Dat een ijder met zijne eijgene belangens g'oc„ cupeerd was, en men geen Coelijs voor geld konde krijer Gelijk meede van Palleacatta bij brief van dien eijgensten datum dit heen geschreeven is, dat den gedugten Haijder Alichan met zijn magtig leeger de gebergtens gepasseerd, en volgens het algemeen gerugt te Kistna Gerij, zijnde twee dag reijsens van Arcadoe Genadert wal, mitsgaders verschijdene daar omtrent leggend dorpen geruineerd, en geplundert hadde. Dat op dat gerugt een onnoemlijk getal van de nabuurige dorpelingen met hunne familien, zoo na Madras als Palleacatta waaren komen vlugten. En van sadraspatnam bij brief van den 25. Julij, dat aldaar alles in rep en roer was, om de afkomst van de armee van den berugten veldheer Haijder Alijchan, die bereeds de berg weegen zoude gepasseerd zijn, En dat de 459 de plaats vol vreemdelingen was, die zig om lijfberging te zoeken derwaards begeeven hadden. Jot hier toe bepalen zig als nog de ingekomene tijdingen, wat voor nadeelige gevolgen de„ „zelve nog verder hebben zullen, moeten wij van de tijd blijven afwagten. Jnmiddens blijft het nog onzeker wer„ waards onzen Portonooosen resident Jopan„ „der nevens de aldaar bescheijden geweest zijnde twee pennisten, door die roofbende is vervoerd geworden; ik heb dezelve bij een brief in de Jentiefse taall. geschreeven van het hoofd dier ruijter bende, die de invalie in Portonovo gedaan heeft, Gere„ „lameerd, dog tot nog toe geen antwoord bekomen. Door het afkomen van duijsenden van menschen met haare bezittingen, is thans deeze stad opgepropt vol, en men reekent, dat de Eerste dog van de tijding dat Porto„ novo geinvadeerd: was, ruijm 4. maal hondert duijsend zagooden, zoo aan contanten Goud zilver werken en ju„ weelen door diverse persoonen binnen gebragt zijn. En niet tegenstaande ons Gering guar„ nisoen, heb ik egter de noodige ordres gesteld, om bij een onverwagte aankomst dier Nagesien Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearres„ „teerd, in Raade van Mallabaar ter staede Cochim, ten dage maand en Jaare voormeldt. /was getekend:/ A„n Moens, R: v: Harn, C: C: Laffin, J: L: van Spall, C: G: Seijffer, W: O: Haeften en J: A: Daimichen. Accordeert. — Gobojf Dimichen dien krijgers niet overrompeld te worden waar toe ze nog wat verre van de hand zijn. J:A Dannicheu s Le Cret 460 Ceijlon Colombo. Aan Den Wel Edelen Groot Achtbaren Heer Willem Falck Iman M. Raad ordinair van Nederlands Jndiën. mitsgaders Gouverneur en Directeur van 't bov: gem: Wijd uijtgestrekte Eijland, de Kuste Madure en den Resorte van dien, nevens den Politicquen Raad. Tot Wel Edele Erntfeste, Manhafte, Wijze Voorsienige, Seer Genereuse Heer en Vrienden. Door de bestellinge van de Tutucorijnse bediendens hebben wij den 8. ' deser ontvangen VW Wel Edele Seer Geagte Secreete missive in dato 16. Augustus bevorens, waar bij VW Wel Edelens ons bedeelen, den onverwagten inval van Haij„ Secreet „der der Alijchan in het Carnatile en het uijtplunderen, van Portonovo en Canjepoeram, en dat de Iutu„ corijnse bediendens, dewijl het Land voor dezen oorlogsugtigen Nabab open leijd, ontzet hebben verzogt, en UW Wel Edele, om de Wille der Criti„ „ke tijds omstandigheden en de onzijdigheijd waar in onze Republiek zig bevind, geeen Europeesen van Ceijlon durvende zenden, het opperhoofd van Angelbeek, hebben gelieven te Qualificeeren om, bij dringende nood van ons te verzoeken de van Ceijlon hier nog zijn„ de troupen. Het Tutucorijnse Opperhoofd Voormt: heeft ook volgens die gegeve Qualificatie, verzogt, eene Compenie Europeesen en eenige Alsthil„ beristen, onder te kenne-gevinge, dat of schoon hij als nog niet was in het geval om van die Qualificatie het ruijmste gebruijk te mogen maken, hij egter, om de Swakheijd van zijn Guarnisoen, voor eerst deze Compenie en Ar„ thilleristen verzogt, om dat als het geval van noodzakelijkheijd Exteerde, het waarschijnelijk te laat zoude zijn, het te doen. Wij denken dat UW Wel Edele niet geweeten hebben

NL-HaNA_1.04.02_3575_0997 view scan ↗

English

have, just as Your Honour could not have known, how lamentably weak we are in Europeans, apart from the two already quite weakened Ceylonese companies, as Your Honour otherwise without doubt would not have given the aforementioned qualification to Tuticorin: However, in an express meeting, we took into serious consideration whether one could comply with the request of the Tuticorin Chief without endangering the Company's possessions here, and having examined the state of our European militia thereupon, it was found that our European militia is no stronger or larger, but indeed still 6 men fewer than it was when the Nawab's forces invaded the Company's possessions, though there are indeed 33 artillerymen more than at that time. Here at Cochin are stationed in the first line of Europeans, with the company of Captain Frankena, together 404 heads, of whom normally 20 men are in the hospital, and about 60 to 70 heads are old or infirm people of our own weak garrison, who at best can be regarded as invalids. At Cranganore and Ayacotta lies the company of Captain Lever, currently in the first line 99 heads, with another ten men from Frankena's company, and this militia is most highly necessary there even in the bad monsoon, not for the country of Travancore and Cochin, but to guard the posts of Cranganore as the key to our possessions on that side, and which, as posts of the utmost importance, we are specially ordered to maintain and defend to the utmost, because the enemy, having broken through there, would have an open door before them to settle down before Cochin and prevent us from all trade and supply, both in and out of the river as well as by land; for that these important posts could be guarded by native troops and, as Your Honour seems to suppose, even with Travancore and Cochin troops, has by experience proved to be the contrary, when the enemy, in the beginning of the disturbances, wanted to cross over to Ayacotta with vessels, as those troops were already retreating, and the enemy was about to cross over, if we, having caught wind of that undertaking, had not severely stripped our city of Europeans and sent a detachment thither in all haste, which arrived at that very moment, and whereby the enemy retreated. If now the company of Captain Lever had to be sent to Tuticorin, then an equal number of troops would absolutely have to be detached thither again: In the good monsoon, the vessels, particularly three armed gamels, must also be manned with some European soldiers and artillerymen, for which no natives can be used, and also in the three stockades constructed on Mutucunu some European soldiers and artillerymen must be placed with the Chegos; thus 130 to 140 men would absolutely have to be sent from the Cochin garrison, when not 200 able Europeans would remain to us; which number of men we hope Your Honour will judge with us to be far too small to defend therewith, with the help of native troops, the extensive city of Cochin, which is fully as large as the castle of Colombo, consisting of six large and four somewhat smaller bastions and two outworks; so that on account of the critical circumstances of the times, and also because of the neutrality of our Republic: since we, in case of European hostilities, might sometimes receive the first visit here, at least as early as at any other factory: we had intended to request Your Honour to send us, from the returned auxiliary troops, a company of Europeans with the pepper ship, in order to be here at least during the good monsoon for the reinforcement of our Europeans; and thus we heartily wish that circumstances may in the meantime soon take such a turn that Your Honour will still be able to send us a company of Europeans with the pepper ship, which we, in such a case, hereby most earnestly request, as we also hold ourselves assured, and have already experienced, that Your Honour, in case of possibility, will not leave us in any embarrassment. As to the circumstances on this coast, we consider them to be in just as bad a state as at Tuticorin: It were to be wished that Hyder Ali Khan, having two armies on the other coast, had no forces of importance remaining on the Malabar; but we experience the contrary: Sardar Khan, who in the year 1776 invaded the Company's lands, is still here with the force that he brought into these lowlands some time ago; whether there is now another Sardar Khan with an army on Coromandel, or whether this designation is more a title of an army commander than the name of a person, we cannot know with certainty, but we do know that the notorious Sardar Khan, who previously first had the English at Tellicherry secretly alarmed by the Kolattiri Nairs, has now recently, joined with the Kolattiri troops, openly marched before Tellicherry, hostilely attacked the English there, captured some outposts, where

Dutch transcription

461 hebben, gelijk Uw Wel Edele ook niet hebben kunnen weeten, hoe bedroeft Swak wij van Europeesen zijn, buijten de twee, al vrij verswakte Ceijlonse Compeniën, alzo UW Wel Edele anders ongetwijfelt voorsch: Qualificatie na Tutucorijn niet zoude gegeven hebben: Egter hebben we in eene Expres„ „se bij eenkomste in Serieuse overweginge geno„ „men of men, zonder 's Comp:s bezittingen hier in gevaar te stellen, aan het verzoek van het Tutucorijns Opperhoofd zouden kunnen voldoen, en hier op den Staat onzer Europeeze Militie nagegaan zijnde bevonden, dat onze Europeese Militie niet sterker, of Grooter, maar wel nog 6. wan minder is, als die is geweest wanneer des Nababs Volk in 's Comp:s bezittingen is gevallen, dog dat 'er Wel 33. koppen Arthille„ „isten meer zijn als ter dier tijd. Hier te Cochim leggen Primo Plan Europeesen, met de Compenie van Capitain Frankena, te samen 404 koppen, waar van ordinair 20. mannen in het Hospitaal zijn, en wel omtrent 60 â 70. koppen zijn oude of gebrekkige menschen van ons eijge swak guarnisoen, die op zijn best als invalides kunnen kunnen werden Aangemerkt. Le Cranganoor en Hijcotte legt de Compenie van Capitain Lever, tans Primo Plan 99. koppen met nog thien man van Frankenas Compienie, en deze Militie is daar zelfs in de Quade mousson ten hoogsten nodig, niet om het Land van Trevan„ „coor en Cochim, maar om de Losten van Cranga„ noot, als de Sleutel van onze bezittingen aan die kant, te bewaren, en dewelke ons, als Posten van de uijterste aangelegendheijd, wel Speciaal gelast zijn te bewaaren en tot het uijterste te Defendeeren, dewijl de Vijand daar, door gebrooken zijnde, eene Opene deur voor zig heeft, om zig voor Cochim ter neder te slaan, en ons allen handel en toevoer, zoo in en uijt de Revier als van Land, te beletten; want die aangelegene Posten met Jnlandse troupes en, zoo als VW Wel Edele Schijnen te veronderstellen, zefs Wel met Frevancoorse en Cochimse zouden te be„ „waren zijn, heeft bij ondervindinge het tegendeel„ gebleeken, toen de vijand, in 't begin der onlus„ ten, op Nijcotte met Vaartuijgen wilde overkomen, alzo die troupes al aan het Retireeren Waren, en de vijand zo stond om over te komen, indien Wij. 462 Wij van die onderneminge de lugt gekregen hebbende, onze stad niet van Europeesen zeer ontbloot, en een Detachement in allerijl der„ waards gezonden hadden, dat Juijst op dat zelfde ogenblik aankwam, en waar door de Vijand Retireerde. Indien nu de Compenie van Capitain Lever na Tutucorijn moest werden gezonden, dan zoude een gelijk getal troupen absolut weder derwaards moeten werden gedetacheerd: In de goede Mousson moeten nog de vaartuijgen, Voornamentlijk drie g'arrneerde Gamellen met Wat Europeese militairen en Arthilleristen werden beset, waar toe geene Jnlanders kunnen werden gebruijkt, en ook in de drie op MoetoeCoenoe g' Extrueerde paggers ook eenige Europeese Militaire en Arthilleristen bij de Chegossen: werden geplaatst; dus zoude uijt het Cochims Guarnisoen 130. â 140. mannen absolut moe„ „ten werden gezonden, Wanneer ons geene 200. bekwaame Europeesen zouden overblijven; welk getal manschap wij hoopen, dat VWw Wel Edele met ons zullen oordeelen al te gering te zijn, om daar meede met behulp van Jnlandse trou„ „pes „pes te defendeeren de uijtgestrekte stad Cochim, die ruijm zo groot is, als het kasteel van Co„ lombo, bestaande uijt Ses groote en vier wat kleendere Bolwerken en twee buijtenwerken; zoo dat wij uijt hoofde van de Critike tijds= omstandigheeden en ook wegens de onzijdig„ „heijd van onze Republiek: dewijl wij, in Cas van Europeese Vijandelijkheijd, zomtijds hier wel de eerste visite zouden kunnen krijgen, ten minsten zoo vroeg als op eenig ander Comptoir: Voornemens waren geweest, VW Wel Edele te verzoeken, van de te rug geson„ „dene hulptroupen, ons met het peper schip een Compenie Europeesen te zenden, om ten minsten geduurende de goede mousson hier te zijn ter Versterkinge van onze Europeeken en dus wenschen wij hartelijk dat de omstan„ „digheeden intussen Spoedig zodanigen keer mogen neemen, dat UW Wel Edele ons met het Peper schip nog een Compenie Europee„ „sen zullen kunnen toesenden, dewelke wij, in zoo een geval, bij desen op het ernstigste versoeken, gelijk wij ons ook versekert houden en reeds ondervonden hebben, dat UW Wel Edele ons 463 ons, in Cas van mogelijkheijd, in geen verle„ „gentheid zullen laten Wat nu de omstandigheider ter dezer kaste aangaan, dezelve vermeenen wij al zo slegt gestelt te zijn als te Tutucorijn: Het Waare te wenschen, dat Haijder AlijChan, twee Leger aan de over-Cust hebbende, geene magt meer van belang op de Mallabaar had; maar Wij ondervinden het tegendeel: (harder Chan die in A:o 1776. in 's Comp:s Landen is gevallen, is nog hier met de magt die hij over eenigen tijd in deze beneden Landen gebragt heeft, of nu op Cormandel eene ander Charder Chan met een Leeger is, dan wel of dese benaming meer een titul van een Legerhoofd is, als een naam van een perzoon, kunnen Wij met zekerheijd niet weten, maar wel dat de berugten Charder Chan, die bevorens eerst de Engelse te Tallecherij hijmelijk, door de Collastrijse Nairossen liet allermee„ ven, nu onlangs, Geconjungeert met de Collastrijse troupen, opentlijk voor Talle„ „cherij is getrokken, de Engelschen aldaar vijandelijk aangelast, eenige buijten posten, Waar

NL-HaNA_1.04.02_3575_1002 view scan ↗

English

Among which a small fort named Dharmapatnam has been captured, and he still holds Tallecherij under siege. According to reports, the army of Charder Chan with the Collastrijse troops is 15 to 16000 men strong, and we have reason to believe that it is not much weaker, because the English have about 200 Europeans, a regiment of regular sepoys, and as many as 3000 native troops of Moors and similar people in service at Tallecherij, and yet are not capable of raising the siege. The English will probably have to abandon or surrender the fort in the end, for which it is said that they await orders from Bombaij, unless they were to obtain relief from elsewhere to be able to raise the siege, which however cannot be of significance at present. Charder Chan then having finished his business with Tallecherij, whether he gains possession of it or breaks off the siege, can then easily rekindle the fire of war on this side, all the sooner because Trevancoor is sending auxiliary troops to Mahomet Alij, and this force under Charder Chan will possibly, with the onset of the good monsoon, be further reinforced by troops that are presently on Cormandel, because they cannot accomplish much there in the rainy season; for how quickly the Nabab can be now here and then there has been demonstrated by his having entered the Carnatic with his force without the English knowing it. In the span of five to six days, Charder Chan can march from Tallecherij to be before Aijcotte or Cranganoor and the Lines of Trevancoor, which he would possibly do all the sooner if we were to weaken ourselves so greatly and he knew that there were no Europeans left. We certainly wished to be able to send the two weakened companies of Europeans, consisting of 211 heads and 40 artillerymen, all first-line, to Tutucorijn, but after serious consideration we are in good conscience convinced that neither these nor a part thereof can be spared without exposing the Company's possessions to considerable danger. For which reason we have jointly judged that we cannot make any dispatch of militia to Tutucorijn, and that we have no liberty to weaken ourselves further, but have nevertheless resolved to send ten artillerymen, namely a bombardier, a gunner, and eight matrosses overland to Tutucorijn, because the Resident Van Angelbeek writes that he is provided with only five artillerymen. Furthermore, we find ourselves obliged to remind Your Right Honorable that we have indeed successively sent back all the auxiliary troops received from Ceylon since the invasion of Haijder Alij Chan, except for the 30 artillerymen still remaining now, who, precisely with the two Ceylon companies of Europeans previously stationed here, are most urgently needed here for the defense of the Company's possessions. We have deemed it all the more necessary to frankly declare to Your Right Honorable that, whatever the case may be, we cannot spare any more Europeans without exposing the Company's possessions here to the utmost danger, so that, if Your Right Honorable should ever be brought into the unexpected necessity of demanding more Europeans from our establishment for the preservation of Ceylon (which is certainly of more importance than the Malabar), at which time we would indeed have to send them, we have at least given Your Right Honorable the necessary warning of our situation here. Meanwhile we have the honor, after dutiful greetings, to remain, below stood, Right Honorable, Respected, Valiant, Wise, Prudent, Most Generous Lord and Friends; Your Right Honorable's Willing Friends and Servants, was signed, A:n Moens, R: V: Harn, S: C: Saffin, I: L: V: Spall, C: G: Seijffer, W: V: Hoeften and I: A: Daimichen. In the margin, Cochim, the 12th of September 1780. Agreed. J: J Dannicken J Tecrets Abr. Marterns zink Tutucorijn To the Honorable Johan Gerard van Angelbeek, Senior Merchant and Resident there. Respected, Pious, Discreet Sir, On the 8th of this month we received your letter of the 21st of August last, together with a dispatch from the Ceylon Ministers, both concerning the hostile invasion of the Carnatic by the Nabab Haijder Alij Chan, and requesting to send the Ceylon military, or the company of Captain Lever, with some artillerymen overland to Tutucorijn, as you initially request of us on the authority of the Ceylon Government. We have taken this request into serious consideration, and at the same time examined the present circumstances of the time on this coast, as well as the state of the European militia present here, and found that there are presently 6 fewer European soldiers here than were here in the secret year 1776, when the Nabab invaded the Company's possessions, though 33 men stronger in artillerymen, which to our regret makes it utterly impossible for us to comply with your request. For the rest, we refer to what we are presently writing regarding this to the Ceylon Ministers, from which we forward an extract to you; however, in order nevertheless to assist you as far as circumstances somewhat permit and because we can, at the very utmost, still spare some artillerymen, we are letting depart overland thither one bombardier, one gunner, and eight matrosses, which assistance, although small, we nevertheless hope will be agreeable to you, with the request to send them back as soon as you can in any way spare them. The roll of their names is enclosed herewith, and we trust that this small number will still find resting places and the necessary sustenance during this rainy season, which still continues here, they having been provided with the necessary provisions from here. For the enclosed packet, addressed to the Ceylon Government, we request conveyance. We

Dutch transcription

Waar onder een Fortje, gen:t Dharmapatnam, heeft Vermeestert en Tallecherij nog belegert houd: Volgens berigten is het Leger van Char„ „der Chan met de Collastrijse troupen 15. â 16000. mannen sterk, en wij hebben reeden om te geloven, dat het niet veel swakker is, om dat de Engelschen bij de 200. Europeesen, Een Regiment Reguliere Sipaijs en Wel 3000. inlandse troupes van Mooren en dier„ „gelijk volk te Tallecherij in dienst hebben, en egter niet in staat zijn het beleg op te slaan; denkelijk zullen de Engelschen het Fort op het laast moeten verlaten ofte overgeven, waar toe gesegt word, datze ordre van Bombaij Ver„ „wagten, ten waare datze van elders Secours erlangden om het beleg te kunnen op slaan, dat egter tans niet van belang weezen kan. Charder Chan dan met Tallecherij Gedaan werk hebbende, het zij dat hij het in handen krijge, of dat hij het beleg opbreeke, kan dan„ gemakkelijk het Oorlogs-vuur weder aan dezen kant ontsteeken, te eerder, om dat Trevancoor hulptroupen aan Mahomet Alij zend, en mogelijk word deze magt, onder Charder Chan„ met 464 met het verschijnen van de goede Mousson nog ver„ „sterkt door troupes, die tans op Cormandel zijn, om datze aldaar in den Regentijd niet veel kunnen uijtvroeren; want hoe schielijk de Nabab dan hier„ en dan daar kan zijn, is gebleeken, dat met zijn magt in het Carnatische gekomen is, zonder dat de Engelse het geweeten hebben: In den tijd van Vijf â ses dagen kan Charder Chan van Zollecherij voor Hijcotte of Cranganoor en de Linie van Trevancoor zijn, het geen hij mogelijk des te eer doen zoude, als wij ons zo zeer ver„ „swakten, en hij wist dat ee geen Europeesen meer waaren Wij hebben wel gewenscht, de twee verswak„ „te Compenien Europeesen, bestaande in 211. kop„ „pen en 40. Arthilleristen, alles Primo Plan, na Tutucorijn te kunnen verzenden, maar na se„ rieuse overweginge zijn wij in gemoede overtuijgt, dat die, nog een deel daar van, niet te missen zijn, zonder 's Comp:s bezittingen aan een mer„ „kelijk gevaar te Exponeeren, Weshalven Wij dan Gesamentlijk hebben ge-oordeeld geene Ver„ zending van Militie na Tutucorijn te kunnen doen, en dat wij geene Voijheijd hebben ons ver„ „ „der „der te verzwakken, dog egter besloten thien Ar„ „thilleristen, als een Bombardier, een Canon„ „nier en Agt Handlangers over Land na Iu„ „tucorijn te zenden, om dat het opperhoofd Van Angelbeek Schrijft, maar van vijf Arthil„ beristen verzien te zijn. Nog vinden ons verpligt VW Wel Edele te herinneren, dat wij immers alle de van Ceij „lon, zedert den inval van Haijder AlijChan, ontvangene hulptroupen Successive te rug hebben gezonden, uijtgenomen de nu nog blijvende 30. koppen Arthilleristen, welke net de twee bevorens hier gelegen hebbende Ceijlonse Compeniën En„ „topeesen, hier ten hoogsten nodig zijn tot de bewa„ „ringe van 's Comp:s bezittingen. Wij hebben des te noodzakelijk geoordeeld, VW Wel Edele openhartig te moeten betuijgen; dat wij, in welk geval het ook mogt zijn, geen Europeesen meer kunnen missen, zonder 's Comp:s bezittingen alhier aan het uijterste gevaar te Exponeeren, op dat, wanneer UW Wel Edele eens in de onverhoopte noodzakelijkheijd mog„ ten gebragt worden, om tot behoud van Ceijlon /:Waar aan zekerlijk meer als aan de Mallabaar Gelegen 465 Nagekien geleegen legt:/ nog Europeesen van ons firaal op te eijsschen, als wanneer we dezelve wel zouden moe„ „ten zenden, wij ten minsten VW Wel Edele de nodige waarschouwinge van onze toestand al„ hier gedaan hebben. Intusschen hebben we de Eere van na gedienstige Groete te blijven /:onderstond:/ Wel Edele, Erntfeste, Manhafte, Wijze, Voorsieni„ „ge, Seer Genereuse Heer en Vrienden; VW Wel Edelens Dienstwillige Vrienden en Diena„ ren /:was get:/ A=n Moens, R: V: Harn, S: C: Saffin, I: L: V: Spall, C: G: Seijffer, W: V: Hoeften en I: A: Daimichen /:in mar„ „gine:/ Cochim Den 12=de September 1780. Accordeerd. J: J Dannicken J Tecrets Abr. Marterns zink „ 466 Tutucorijn Aan DE Johan Gerard van Angelbeek Opperkoopman en opperhoofd aldaar Erntfeste Vroome, Discreete Den 8: dezer hebben Wij ontvangen VE brief van den 21:' Augustus J=o leeden, benevens een Missive van de Ceijlonse Ministers, beide behelsende den Vijandelijken inval van den Nabab Haijder Alij Chan in het Carnattijse, en Verzoek om de Ceijlon„ „se Militairen, of de Compenie van Capitain Lever, met eenige Arthilleristen over Land na Tutu„ „corijn te zenden, zoo als UE dat, op Qualificatie van de Ceijlonse Regeeringe, voor eerst van ons verzoekt; Wij hebben dit verzoek in ernstige over„ „weginge genomen, en teffens ook de tegenswoordige tijds omstandigheeden ter dezer kuste, mitsgaders den Slaat der hier zijnde Europeese Militie nage„ „gaan, en bevonden dat hier tans 6. Europeese Militairen minder zijn, als hier zijn geweest in secreet. A:o a:o 1776. Wanneer de Nabab in 's Comp:s bezittingen is gevallen, dog aan Arthilleristen 33. man sterken, waar door wij tot ons leedweesen, in de volstrekte on„ mogelijkheijd zijn, om aan UE verzoek te voldoen. Voorts Refereeren wij ons aan het geen Wij tans derweegens aan de Ceijlonse Ministers Schrij„ ven, waar uijt wij UE Extract toeschikken; dog om UE egter, zoo veel de omstandigheeden eenigsints toelaten en om dat wij, ten alleruijtersten genomen, nog wel eenigee Arthilleristen kunnen missen, te assisteeren, laten wij over Land derwaards Vertrekken Een Bombardier, een Canonnier en Acht Handlangers, welke Assistentie, hoewel Gering, Wij egter hopen dat UE aangenaam zal zijn, met verzoek om dezelve te rug te zenden, zoo dra UE die maar eenigsints zal kunnen missen. De naamlijst derselve legd hier nevens, en wij vertrouwen, dat dit gering getal in desen Regentijd, die hier nog blijft aanhouden, nog wel Rustplaatse en het nodig onderhoud zal vinden, zijnde dezelve hier van het nodige voorzien. Voor 't bijleggend Laquet, aan de Ceijlon „se Regeeringe beschreven, verzoeken Wij be„ stellinge. Wij

NL-HaNA_1.04.02_3575_1009 view scan ↗

English

467 468 We wish that affairs on the Coast of Coromandel may change for the best or in such a manner that the Company's possessions remain freed from all difficulties, in which hope, after friendly greetings, we remain, underneath stood, Your Good Friends, was signed, H:n Moens, R: V: Harn, S: C: Saffin, I: L: v: Spall, C: G: Seijffer, W: V: Haeften and I: A: Dämichen. In the margin: Cochin, the 12th of September 1780. Agreed. Examined J: A: Dämichen Secretary [illegible] 468 Sum 866. 13. 8. List of the assignments which, arranged according to the latest orders by the homeland missive of the 3rd of April 1778, and under the dates to be mentioned, were granted here in duplicate on the Netherlands to the persons to be named for the principal sums counted by them into the Honorable Company's treasury with their 7/13 premium, that is 13 1/3 per cent deduction from the sum counted entirely into the treasury, or otherwise the Surat silver rupees of 30 Indian stuivers calculated at 26 of the same stuivers each; namely: rupees 10000. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish merchant Samuel Abrahamsz, to be paid out again to Messrs. van de Perre and Meijnens in Middelburg in Zeeland, jointly, or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with . . . . . 6000. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the said Jewish merchant, to be paid out again to the abovementioned gentlemen in the same manner as above, with 7800. –. –. 666: 32. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Right Honorable, Highly Esteemed Mr. Adriaan Moens, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies and also Governor and Director of the Malabar Coast, to be paid out again to the Right Honorable, Severe Mr. Ewout van Haeften, Rear Admiral on behalf of the State under the jurisdiction of the Noble Mighty Board of the Admiralty on the Maze at Delft, or to his authorized representatives or heirs, with - - - - - 200. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the well-mentioned Governor, to be paid out again to Miss Clara Gerhuij Mitternach, widow of the late Mr. Cornelis Crouwel at Harmelen in the province of Utrecht, or to her authorized representatives or heirs, with - - - - – – – - - - 260: —: — making rupees 16866 2/3: which are carried forward, with - - - - - - - ƒ 21926. 18. 8. - - - - - ƒ 13000. -. -. 468 Sum List of the assignments which, arranged according to the latest orders by the homeland missive of the 3rd of April 1778, and under the dates to be mentioned, were granted here in duplicate on the Netherlands to the persons to be named for the principal sums counted by them into the Honorable Company's treasury with their 7/13 premium, that is 13 1/3 per cent deduction from the sum counted entirely into the treasury, or otherwise the Surat silver rupees of 30 Indian stuivers calculated at 26 of the same stuivers each; namely: rupees 10000. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish merchant Samuel Abrahamsz, to be paid out again to Messrs. van de Perre and Meijnens in Middelburg in Zeeland, jointly, or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with . . . . . 6000. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the said Jewish merchant, to be paid out again to the abovementioned gentlemen in the same manner as above, with 7800. —. —. 666: 32. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Right Honorable, Highly Esteemed Mr. Adriaan Moens, Extraordinary Councillor of the Dutch East Indies and also Governor and Director of the Malabar Coast, to be paid out again to the Right Honorable, Severe Mr. Ewout van Haeften, Rear Admiral on behalf of the State under the jurisdiction of the Noble Mighty Board of the Admiralty on the Maze at Delft, or to his authorized representatives or heirs, with - - - - - 200. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the well-mentioned Governor, to be paid out again to Miss Clara Gerhuij Mitternach, widow of the late Mr. Cornelis Crouwel at Harmelen in the province of Utrecht, or to her authorized representatives or heirs, with - - - - – – – - - - 260: —: —: making rupees 16866 2/3: which are carried forward, with - - - - - - - ƒ 21926. 18. 8. - - - - - ƒ 13000. -. -. . 866. 13. 8.

Dutch transcription

467 468 Wij wenschen dat de zaken ter Custe Cormandel ten beste of zodanig mogen veranderen, dat 's Comp:s bezittingen van alle moeijelijkheeden be„ „vrijd blijven, in welke hoope, na Vriendelijke Groete blijven /:onderstond:/ UE Goede Vrienden /:was get:/ H=n Moens, R: V: Harn, S: C: Saf„ „fin, I: L: v: Spall, C: G: Seijffer, W: V: Haeften en I: A: Daimichen /: in margine:/ Cochim Den 12=de September 1780. Accordeerd. Magesien J: A Danincken SeCrets oe Maten t2 p 468 Groot 866. 13. 8. Eijste, van de Assignaties die volgens de Iongsten Ordres bij patriase Missive van den 3=e April 1778. ingerigt, en onder de te melde„ „ne datums alhier op Nederland twee vou„ „dig verleend zijn, aan de te noemene per„ „soonen voor de door dezelve in sE. Comp„s Cassa getelden Capitaalen met dies 7/13. opgeld dat is 13. 1/3. p:r c=to afkorting van de Gehee„ „lijk in Cassa getelden somma dan wel an„ „ders de souratsen silvere Ropias van 30. Indiage stuive=s gerek=d tegens 26. dito stuijvers idop; te weten: rops 10000. —. dien in SE. Comp„s kassa getald zijn, door den Joods koopman Samuel Abrahamsz, om aan den Heeren van de Perre en Meij„ „nens te Middelburg in Zeeland, te zamen, of ider in 't bijson„ „der dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtge„ „keert te werden met. . . . . . 6000. —. dien in sE. Comps kassa geteld zijn, door gem: Joods koopman, om aan boven gemelde Heeren, in voo„ „gen als Even, weder uijtgekeerd te werden, met „ 7800. –. –. 666: 32. dien in sE. Comp.s . kassa geteld zijn, door den wel„ „Edelen Groot Achtbaaren Heer Adriaan Moens, Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia„ mitsgaders gouverneur en directeur der kuste Mallabaar, om aan den welEd: Gestr: Heer Ewout van Haeften Schout bij Nacht van We„ „gens den staat onder het Resort van 't Edel mogende Collegie ter admiraliteijt op den Maar„ „zen ten Delft, dan wel desselvs gemagtigdens of En„ „ven weder uijtgekenrd te werden, met - - - - -„ 200. —. dis in sE: Comp„s kassa geteld zijn, door welmelden Heer gouverneur, om aan Mejuff=w. Clara gerhuij Mitternach, weduwe Wijlen den Heer Cornelis Crouwel ten Harmelen in de provintie van Ut„ „recht, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden met - - - - – – – - - - „ 260: —: — matier Rop:s 168632: Die Transporteere, met - - - - - - - ƒ21926. 18. 8. - - - - - ƒ 13000. -. -. 468 Groot Eijste, van de Assignaties die volgens de Iongste Ordres bij patriase Missive van den 3=e April 1778. ingerigt, en onder de te melde„ „ne datums alhier op Nederland twee vou„ „dig verleend zijn, aan de te noemene per„ „soonen voor de door dezelve in sE. Comp=s Cassa getelden Cappitaalen met dies 7/13. opgeld dat is 13. 1/3. p r c=to afkorting van de Gehee„ „lyk in Cassa getelden somma dan wel an„ „ders den souratsen silvere Ropias van 30. Indiage stuvve=s gerek=d tegens 26. dito stuijvers idor; te weten: regs 10000. —. dien in SE. Comp„s kassa getald zijn, door den Joods koopman Samuel Abrahamsz, om aan den Heeren van de Perre en Meij„ „nens te Middelburg in Zeeland, te zamen, of ider in 't bijson„ „der dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtge„ „keert te werden met. . . . . 6000. —. dien in sE. Comps kassa geteld zijn, door Gem: Joods koopman, om aan boven gemelde Heeren, in voo„ „gen als Even, weder uijtgekeerd te werden, met „ 7800. —. —. 666:32. dien in sE. Comp=s kassa geteld zijn, door den wel„ „ Edelen Groot Achtbaaren Heer Adriaan Moens, Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia„ mitsgaders gouverneur en directeur der kuste Mallabaar, om aan den welEd: Gestr: Heer Ewout van Haeften Schout bij Nacht van We„ „gens den staat onder het Resort van 't Edel mogende Collegie ter admiraliteijt op den Maac„ „zen te Delft, dan wel desselvs gemagtigdens of En„ „ven weder uijtgekeerd te werden, met - - - - - „ 200. —. dis in sE: Comp„s kassa geteld zijn, door welmelden Heer gouverneur, om aan Mejuff=w. Clara gerhuij Mitternach, weduwe Wijlen den Heer Cornelis Crouwel te Harmelen in de provintie van Ut„ „recht, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden met - - - - – – – - - - „ 260: —:—: makier Rops 168632: Die Transporteere, met - - - - - - - ƒ 21926. 18. 8. - - - - - ƒ 13000. -. -. . 866. 13. 8.

NL-HaNA_1.04.02_3575_1015 view scan ↗

English

468 Amount Dated 1 18th ditto 1780 18 ditto 1780 List of the bills of exchange which, in accordance with the latest orders established by the dispatch from the Homeland dated 3 April 1778, and under the dates to be mentioned, have been granted here in duplicate on the Netherlands to the persons to be named, for the principal sums counted by the same into the Honorable Company's treasury with their 7/13 premium, that is a 13 1/3 per cent deduction from the entire sum counted into the treasury, or otherwise the Surat silver rupees of 30 Indian stuivers calculated at 26 ditto stuivers each; namely: the 3rd of September 1780 rupees 10000. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish merchant Samuel Abrahamsz, to be paid out again to Messrs. van de Perre and Meijnens at Middelburg in Zeeland, together or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with ƒ 13000. –. –. 12 do 1780 6000. —: which were counted into the Honorable Company's treasury by the said Jewish merchant, to be paid out again to the above-mentioned gentlemen, in the same manner as above, with 7800. -.- 666:32. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Right Honorable, Highly Esteemed Mr. Adriaan Moens, Extraordinary Councillor of the Dutch Indies as well as Governor and Director of the Malabar Coast, to be paid out again to the Right Honorable, Well-Born Mr. Ewout van Haeften, Rear Admiral on behalf of the State under the jurisdiction of the Noble and Mighty College of the Admiralty of the Meuse at Delft, or to his authorized representatives or heirs, with 866. 18. 8. 200. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the said Governor, to be paid out again to Miss Clara Gertruij Mitternach, widow of the late Mr. Cornelis Crouwel at Harmelen in the province of Utrecht, or to her authorized representatives or heirs, with 260. —:— 4 bills of exchange rupees 16866. 32. Carried forward, with ƒ 21926. 18. 8. Amount 20 ditto 1780 21 ditto 1780 22 ditto 1780 9 items of bills of exchange 4 bills of exchange rupees 16866. 32. Brought forward, with ƒ 21926. 18. 8. the 19th of September 1780 1400. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the said Governor, to be paid out again to the Reverend Mr. Petrus Moens, Minister of the Divine Word at Aardenburg, or to his authorized representatives or heirs, with 1820. -.- 19 ditto 1780 20000. –. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish and Honorable Company's merchant David Rhabbij, to be paid out again to Messrs. Pieter Spiering, alderman of the city of Vlissingen, and Levinus Moens, bookseller at Middelburg, together or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with 26000. — 4000. –. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish merchant Samuel Abrahamsz, to be paid out again to Messrs. van de Perre and Meijnens at Middelburg in Zeeland, together or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with 5200. –. –. 692. 15. —. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Jewish and Honorable Company's merchant David Rhabbij, to be paid out again to Messrs. Tobias Boas and Abraham Simon Boas, merchants at The Hague, together or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with 900. -.- 346. 7. which were counted into the Honorable Company's treasury by the Junior Merchant and Pay Bookkeeper Coenraad Gorgen Seijsser, to be paid out again to Messrs. Wesling and Determeijer Wesling, merchants at Amsterdam, together or each individually, or to their authorized representatives or heirs, with 450. -.- Total rupees 43305. 3/48. Granted as stated in the heading of this document with ƒ 56296. 18. 8. Cochin, the 26th of September Anno 1780. Dated AVHarn collated Dirk Kellens

Dutch transcription

468 Groot Gedateerd 1 18:e d=n. 1780„ „. 18. . d=o. . 1780. „ Eijste, van de Assignaties die volgens de Iongsten Ordres bij patriase Missive van den 3=e April 1778. ingerigt, en onder de te melde„ „ne datums alhier op Nederland twee vou„ „dig verleend zijn, aan de te noemene per„ „soonen voor de door dezelve in sE. Comp=s Cassa getelden Capitaalen met dies 7/13. opgeld dat is 13. 1/3. p. r c=to afkorting van de Gehee„ „lijk in Cassa getelden somma dan wel an„ „ders de souratsen silvere Ropias van 30. Indiage suviv=s gerek=d tegens 26. dito stuijvrs idor; teweten: den 3e 7ber: 1780 gp: 100. —. dien in sE: Comp„s kassa geteld zijn, door den Joods kooppman Samuel Abrahamsz, om aan den Heeren van de Perre en Meij„ „nens ten Middelburg in Zeeland, te zamen, of ider in 't bijson„ „der dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtge„ „keert ten werden met. . . . . . . . . . . ƒ 13000. –. –. „. 12. . do . . 780. „ „ 6000. —: dien in sE. Comp=s kassa geteld zijn, door Gem: Joods koopman, om aan boven gemelde Heeren, in voo„ 7800. -.- „gen als Even, weder uijtgekeerd te werden, met„ 666:32. dien in sE. Comps . kassa geteld zijn, door den wel„ „Edelen Groot Achtbaaren Heer Adriaan Moens, Raad Extra ordinair van Nederlands Jndia„ mitsgaders gouverneur en directeur der kuste Mallabaar, om aan den welEd: Gestr: Heer Ewout van Haeften Schout bij Nacht van We„ „gens den staat onder het Resort van 't Edel mogende Collegie ter admiraliteijt op den Maac„ „zen ten Delft, dan wel desselvs gemagtigdens of En „ven weder uijtgekeerd te werden, met - - - - -„ 200. —. Dis in sE: Comps kassa geteld zijn, door welmelden Heer gouverneur, om aan Mejuff=w. Clara gerhuij Mitternach, weduwe Wijlen den Heer Cornelis Crouwel ten Harmelen in de provintie van Ut„ „recht, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden met - - - - - - - - - - „ 260. —:— 4. Assignaties Rop:s 68632. Die Transporteere, met - - - - - - - ƒ 21926. 18. 8. 866. 18. 8. Groot. „ 20. d=o. 1780. „. „. 21. d= o. 1780.„ „. 22. d=o. . 1780. . „. 9. Stuks Assignaties 4. Assignaties Rop 16866. 32. P Transport, met - - - - - - - - - - - - - ƒ 21926. 13. 8. den 19:e 7ber. . 1780. „ 1400. —. die in sE. Comp=s. kassa geteld zijn, door wes„ „melde Heer Gouverneur, om aan den Eerwaar„ „den Heer Petrus Moens, Bedienaar des God„ „delijken / woords te Aardenburg, dan wel des„ „zelvs gemagtigdens of Erven, weder uijtge„ „keerd te werden met – – – — — — — — — — – – „ „. 19. d=o. . 1780. - „ . 20000. –. die in sE. Comp=s. kassa geteld zijn, door den Ioods- en sE. Comp=s koopman David Rhabbij, om aan de Heeren Pieter Spiering, scheepen der stad Vlissingen, en Levinus Moens boekhande„ „laar ten Middelburg, tesamen of ider in 't bij„ „sonden, dan wel der zelver Gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden met - . . „ 26000. — 4000. –. die in sE. Comp„s. kassa geteld zijn, door den Iood koopman Samuel Abrahamsz, om aan de Hee„ „ren van den perre, en Meijners te Middelburg in Zeeland tesamen of ider in 't bijsonder, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden met - - – – – – – – – „ 5200. –. –. 692. 15. —. dien in sE. Comp. s Cassa geteld sijn, door den Joods, en sE. Comp=s koopman David Rhabbij, om aan den Heeren Tobias Boas, en Abraham Simon Boas, kooplieden ten 's Hage, tesamen of ider in 't bijsonder, dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtgekeerd te werden, met„ 346. 7. die in sE. Comp=s kassa geteld zijn, door den on„ „derkoopman en zoldij boekhouder Coenraad Gorgen Seijsser, om aan de Heeren Wesling, en Determeijer wesling Kooplieden te Amster„ „dam, tesamen of ider in't bijsonder dan wel derselver gemagtigdens of Erven, weder uijtge„ „keerd te werden, met - - - - - - - - „ 450:— Tesamen. . Rop=s 43305. 3/48. Verleend gelijk in den hoofde deezes vor„ „meld staat met - - - - - - - - - - - - - - - ƒ 56296. 13. 8. Cochim, den 26=e September Ao 1780. 900. - 1820. Gedateerd AVHarn „ 50— gecollationeerd 4 DirkKellens. G ƒ

← previous