VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3618

Malabar · 330 pages · 108 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3618_0227 view scan ↗

English

might sometimes tempt Your Highness to undertake things that conflict with the friendship of the Company. I even already hear whispers that Your Highness intends to place militia at Anjekaimaale and elsewhere, contrary to the custom that has been observed until now. And because for my part I sincerely intend to prevent all estrangements between the Company and Your Highness, and further to maintain the friendship that has held fast until now to mutual pleasure and advantage, I therefore write this detailed letter, in which I lay open all the above matters before Your Highness according to the truth, in the hope that Your Highness will place some trust in me and will dismiss all evil suspicions regarding our Company. As soon as the news arrived here from Europe that the English had declared war on us in the most immoral manner, I understood that our Company ought to settle the disputes with the Lord Nabab Haider Alichan in order to be able to oppose her new enemies with all the greater force. I notified Your Highness of this intention of mine and requested to hold an oral conference about this with Your Highness, but Your Highness did not see fit to approve this latter request. I therefore sought to convince Your Highness further of my good intentions and wrote that my intention was to stipulate in the contract with the Lord Nabab that Your Highness should henceforth be regarded by the Lord Nabab as a close ally of the Company and on that account be left unmolested. And I requested Your Highness once more to grant me the opportunity for an oral conference, or otherwise to send your First Minister to me to deliberate with one another on this weighty matter, but this too Your Highness did not see fit to do. I have since written to Sarderchan concerning peace, and he immediately requested full powers from the Lord Nabab to enter into a treaty with us, and the matter is presently on such a good footing that there is no longer any doubt that I shall shortly conclude an advantageous peace with the Lord Nabab. Meanwhile, the Honorable Lord Governor of Nagapatnam has also concluded a treaty with the Lord Nabab Waider Alichan to the advantage of the Company; it concerns only Kormandel, and there is not a word in it about the Malabaar coast. Since we are now on such a good footing with the Lord Nabab and there is no longer any doubt about an advantageous peace, I have had the artillery that was stationed at Kranganoor beyond the ordinary establishment on account of the war, along with the superfluous ammunition, brought here, partly because it was no longer necessary there, and partly because I wish to employ it here in the outer works that I am having constructed. From the garrison I have until now recalled nothing, save for a few artillerymen to attend the annual exercises, and a few soldiers from the Ceylon auxiliary troops who must depart back to Kolombo, in whose place I have sent other Europeans from our own garrison. Instead of a company of Malays that I have recalled from there, I have sent a company of sepoys thither in their stead, and the garrison there is currently still much more numerous than the establishment permits; also, the fort is presently still provided with the necessary artillery and ammunition, far more amply than in former times. From this detailed report Your Highness sees that there are no reasons at all to be anxious or to mistrust us concerning the reduction of the establishment at Kranganoor. And as for what still concerns the treaty that I intend to make with the Lord Nabab Waider Alichan, in that regard I abide by my previous writing, and I assure Your Highness hereby that it will not tend to the detriment of Your Highness or your land, and in particular that I will bring no troops of Waider Alichan into the country, nor will I yield the fort of Kranganoor to him, this being a malicious fabrication which our enemies spread to make Your Highness suspicious of us and to draw you away from us. But on the other hand, I also expect from Your Highness a strict observance of the treaties and of the promise of neutrality only recently made; in particular also, that Your Highness will place no forces at Anjekaimale, which I would not be able to permit. And I must simultaneously warn Your Highness that in the event Your Highness, contrary to my hope and expectation, should undertake anything to the detriment of the Company, I will no longer be bound to the promise that I make here, and that Your Highness will then have to blame yourself for the consequences that will arise from the breaking of the faith and friendship of our Company. But I hope and wish that Your Highness will act with wisdom and caution under these circumstances of time, and undertake nothing to the detriment of our Company, and then Your Highness can also firmly trust that the Company will never abandon Your Highness, but will conduct itself as a faithful friend and ally. JH Dannicheu Te Cret Akkor zal F

Dutch transcription

637 word, zoude uwe Hoogheid somtijds kunnen verleiden, tot het onderneemen van dingen, die strijdig zijn met de vriendschap van de kompanie zelfs hoore ik reets mompelen, dat uwe Hoogheid van voorneemen is, om milietsie op Anjekaimaale en elders te plaatsen teegen de gewoonte, die tot dus ver heeft plaats gehad, en wijl ik van mijne zijde oprechtelijk bedoele, om alle verwijde vingen tusschen de kompanie, en uwe Hoogheid te voor„ „koomen, ende vriendschap, die tot dus lange stand gegreepen heeft, verder te onderhouden, tot wedersijds genoegen en voordeel zoo schrijve ik deezen omstandige brief, waar bij ik alle de bovenstaande zaaken voor uwe Hoogheid naar waarheid openlegge, in hoope, dat uwe Hoogheid op mij eenig vertrouwen stellen, en alle quaade vermoedens nopens onze komp: vaaren laaten zal. zoo dra de tijding uit Europa hier quam, dat de Engelschen ons, op de aller onzeedelijkste wijze, den oorlog aangedaan hadden, begreep ik, dat onze kompa„ „nie de oneenigheeden met den Heer Nabab Haider Alichan diende bij te leggen om haare nieuwe vijanden met te meerder macht tegen te kunnen gaan, en ik gaf uwe Hoogheid van dit mijn voorneemen kennis, en verzocht, daar over met uwe Hoogheid een mond gesprek te houden, doch dit laaste geliefde uwe Hoogheid met goed te vinden. - Ik zocht uwe Hoogheid derhalven nader van mijne goede oogmerken te overluigen en schreef, dat mijn voorneemen was, om bij het kontrakt met den Heer Nabab te bedingen dat uwe Hoogheid voor „taan van den heer Nabab als een nauwe Bondgenoot van de komp: zoude aangemerkt en als dien hoofde ongemoeid gelaaten worden en ik verzocht uwe Hoogheid nochmaals, om mij geleegenheid tot een mond gesprek te geeven, of anders zijnen eersten Minister bij mij tezenden, om over deeze wigtige zaake met elkanderen te raadpleegen, doch ook dit geliefde uwe Hoogheid niet te doen. Jk hebbe zeder aan Sarderchan over den vreede geschreeven en hij heeft ten eersten van den Heer Nabab volmacht verzocht, om met ons een verdrag aantegaan, en de zaake staat thans op zulk een goeden voet, dat er geen twijfel meer is, of ik zal binnen korten met den Heer Nabab eenen voordeeligen vreede sluiten Middeler wijle heeft de Edele Heer goeverneur van Nagapatnam ook een verdrag met den Heer Nabab Waider Alichan geslooten, tot voordeel van de kompanie, het zelve raakt alleen kormandel, en daar staat geen woord en van de kust Malabaar Wijl wij nu met den Heer Nabab op zulk een goeden voet staan, en aan een voordeeligen vreede geen twijfel meer is zoo hebbe ik liet geschut, het welk te kranganoor om den wille van den oorlog boven de ordinaire bepaaling, geleegen heeft, met de overtollige ammunietsie, hier laaten koomen, eensdeels, wijl het daar niet verder noodig wat met 638 en anderendeels, wijl ik het zelve hier gebruiken, wil„ in de buiten werken, die ik laate aanleggen; van het garnisoen hebbe ik tot nu toe niets laaten op koomen, als eenige Artilleristen, om de Jaarlijxe exen„ „cietsie bij tewoonen, en eenige soldaaten van de Ceilonsche hulptroepen; die weder naar kolombo moeten vertrekken; in welker plaats ik andere Europeeschen uit ons eigen garnisoen gezonden hebbe Jnsteede van eene kompanie Maleirs, die ik van daar hebbe laaten opkoomen, hebbe ik er weder eene komp:e sipalus na toe gezonden, en het garnisoen aldaar is thans noch veel talrijker, als de bepaaling toelaat, ook is het fort tegens„ „woordig noch van het noodige geschut en ammunietsie voorzien, veel ruiner, dan in voorigen tijden uit dit omslandig bericht ziet uwe Hoogheid, dat er in 't geheel geene reedenen zijn, om bekommerd te weezen, of om ons te mistrouwen over de verminde„ „ring van den omslag te kranganoor, en wat nu noch het verdrag betreft, het geen ik met den Heer Nabab Waider Alichan meene te maaken, daar omtrend gedraage ik mij aan mijn voorig schrijven, en ik verzeekere uwe Hoogheid bij deezen. dat het zelve niet zal strekken tot nadeel van uw Hoogheid, of deszelfs land, en inzonderheid, dat ik geene troepen van Waider Alichan zal in 't land brengen noch aan hem 't fort krangemoor zal inruimen, zijnde dit een quaadaardig verdichtzel, het geen onze vijanden uitstroien, om uwe Hoogheid tegen ons argwaarig te maaken en van ons af te trekken, Doch daar en tegen verwacht ik ook van uwe Hoogheid een stipte onderhouding van de Traktaal „ten en van de noch Jongst eerst gedaane belofte van neutvali„ „teit, inzonderheid ook, dat uwe Hoogheid geen volk zal plaatzen, op Anjekaimale, het welk ik niet zoude kunnen toelaaten, en ik moet uwe Hoogheid teffens waarschuwen, dat ingevalle uwe Hoogheid, tegen mijne hoope en verwachting, iets tot nadeel van de kompanie mogt onderneemen, ik aan de belofte, die ik hier doe, niet verder wil gebonden zijn, en dat uwe Hoogheid zich als dan zelve zal moeten wijten de gevolgen die uit het verbreeken van de trouwe en vriendschap van onze komp:e zullen ontstaan, doch ik hoope en wensche, dat uwe Hoogjheid in deeze tijds omstandigheid met wijsheid en voorzichtigheid zal handelen, en niets tot nadeel van onze komp:e onderneemen, en als dan kan uwe Hoogheid ook vast vertrouwen, dat de komp:e uwe Hooghd noit verlaaten, maar zich als een getrouwe vriend en bondgenoot gedraagen zal JH Dannicheu Te Cret Akkor zal F -

NL-HaNA_1.04.02_3618_0230 view scan ↗

English

I have received Your Right Honourable's letter and understood its contents with great pleasure. It was very agreeable and pleasant to me that the Governor of Nagapatnam has concluded a treaty of peace and friendship with the Nabob Haider Alichan, and that Your Right Honourable was also about to conclude a treaty of peace and friendship with Pardercan on behalf of the Nabob, which the members communicated to me on behalf of Your Right Honourable; and what I negotiated with them regarding that, they will certainly have conveyed to Your Right Honourable, so there remains nothing more to write to Your Right Honourable in that regard. I have also seen from Your Right Honourable's letter that the fort of Kranganoor is provided with the necessary troops and ammunition, and that the superfluous ammunition, goods, and people have been removed from there, and that the Honourable Company itself will guard the said fort, but not surrender it to others, much less that any troops of the Nabob Haider Alichan will be brought into the country, about which I am very glad. Furthermore, I saw from Your Right Honourable's missive that Your Right Honourable had supposedly heard that, at the instigation of enemies, I intended to place some militia at Anjekaimaal, which seemed very strange to me, for since the established friendship between me and the Honourable Company up to the present day, no distrust has found a place therein, but the same has accrued and increased from day to day. Thus I am very affected by the suspicion that Your Right Honourable has conceived against me and has written to me as such, and I cannot understand the reason for it. According to customs, I occasionally have my troops rotate from one fortification work to the other, and contrary to those maxims, I have sent no troops to Anjekaimaal to remain there. I firmly rely on all that Your Right Honourable has written to me, and if any change is made in that regard, whereby any breach is caused in the friendship that resides between the Honourable Company and me, I shall leave the consequences thereof to the account of Your Right Honourable, as Your Right Honourable can well understand. Written by Balia melesetta Canako Matanda Madewen and signed by His Highness. Underneath stood: For the translation, Cochin, date as above. Was signed: P. v. Tongeren. Agrees: J. A. Damnicheus, Secretary. Translation of a letter written by the King of Travancore to the Right Honourable Commander Johan Gerard van Angelbeek. Received the 24th of October 1781. Number [illegible] Copy of the requisition of the following for the service of this Commandery, with the humble request that the same, with the pleasure of His High Nobility the High Noble, Highly Esteemed Master Willem Arnold Alting, Governor-General, and the Right Honourable Councillors of the Dutch Indies, may be fulfilled and sent hither, namely: 4, say four pieces of Mortars of 12 or at least 10 inches. 6, ditto six ditto of 8 inches, for which 934 pieces of bombs are already in stock. 3 pieces of Mortars of 6 inches. 4 pieces of Howitzers of 8 inches. 2 pieces ditto of 6 inches, with the necessary bombs and stone balls. 800, say eight hundred pieces of bombs of 12 or 10 inches, insofar as the mortars are supplied. 300, say three hundred pieces of bombs of 8 inches, under the previous condition. 400 pieces ditto of 6 inches, insofar as the mortars are supplied. 50,000 lbs of Gunpowder. 30 pieces of Pincers for the field artillery. 10 leagers of Cape white wine. 20 barrels of Dutch beef. 20 barrels of ditto bacon. 12 aams of olive oil. 12 barrels of Frisian butter. 200 pieces of rifled muskets. 10,000 loose musket balls for the same. 16 pieces of powder sieves. 24 pieces of sieve rims for the powder mill. 50, say fifty pieces of Hair blankets for the artillery. 300 sheets of tinplate. 3 pieces of double jacks. 5 Fire engines. 3,000 lbs of sheet lead. Underneath stood: Cochin, the 21st of November Anno 1781. Was signed: J. G. van Angelbeek and R. v. Harn. Agrees: A. Schude Revised: Dirk Kellens. No. 10. Tellicherry 11th November 1781 To John Gerard van Angelbeck Esqre., Governor for their High Mightinesses the States General at Cochin. Sir, The Honourable the President and Select Committee of Bombay having agreed to Mr. van de Graaf's being exchanged for Mr. Firth, and having accordingly signified to that gentleman that he might proceed to Cochin whenever he thought proper, I am directed by them to inform you of the same, and am also authorized and empowered to stipulate with you for the release of Mr. Firth in exchange for Mr. van de Graaf; which I assure myself you will agree to upon this information, and that Mr. Firth in consequence will be immediately set at liberty with permission to return to this place. I have the honour to be, Sir, Your most obedient, humble servant, Was signed: William Freeman. Agrees: J. A. Dainicheus, Secretary. No. 11.

Dutch transcription

639 Uweledelen Achtb: brief heb ik ontvangen en met veel aangenaamheid, dies inhoud, verstaan het is mij zeer lief en aangenaam geweest, dat de Heer goeverneur van Nagapatnam een traktaat, van vreede en vriendschap gemaakt heeft met den Nabab Hlaider Alichan, en dat uweledele achtb: met Pardercan van weegens den Nabab ook een traktaat van vreede, en vriendschap stond te maaken, het geen de leeden mij uijt de naam van uweledele achtb: bekent gemaakt, hebben, en wat ik daar op met haar verhandelt, heb, zul= =len zij zeekerlijk aan uweledele achtb: te verstaan gegeven hebben, dus valt, er niets meer over, om aan uweledele achtb: dier weegens te schreiven, ook heb ik uit uweledelen achtb: brief gesien, dat het fort, kranganoor voorzien is, met de noodige manschappen en ammonutie goederen, en dat de overtollige, ammonietie, goederen en volk daar van daar afgehaalt zijn, en dat gem: fort DE: komp: zelfs zal bewaaren, maar niet, aan anderen, Overgeven, veel min dat, oo eenige troupen Translaat, briev door den koning van Crevankoor gesch: aan den wel= edele Achtb: heer Kommandeur Johan Gerard, van Angelbeek Ontv: den 24. Oktober 1781:— van No 640 van den nabab: Haider Alichan in het land, zal gebragt worden, waar over ik zeer verblijd, ben, voorts zag ik uit uweledele achtb: aanschreevens, dat Uweledele achtb: zoude gehoort hebben, dat ik door de opstooking van de vijanden van voorneemens was, eenige militie op Anjekaimaal, te plaatzen, het geen mij zeer vreemd, is voorgekoomen, want ze= =dert, de gemaakte vriendschap tussen mij en DE: komp: tot heeden toe, is er geen misvertrouwentheid, daar in plaats gevonden, maar dezelve is van dag tot dag g'akkresseert, en toegenomen, dus ben ik zeer aan= gedaan over de argwaan die uweledele achtb: tegens mij opgevat, en zoodanig aan mij geschree= ven heeft en ik kan de reeden daar van niet, be„ greijpen mijne troupes laat, ik, volgens de kostu men nu en dan verwisselen van de eene fortifikatie „werken naar de andere, en Strijdende tegens die maximen, heb ik geen troupes naar Anje= =kaimaal gezonden om daar te blyven, Ik vertrouwe vast, op alle het geene uweledele Achtb: my geschr: heeft en zoo daar omtrent eenige verandering gemaakt, en waar door eenige kreuk toegebragt word, in de vriendschap die tussen de E komp: en mij rezideerd, zal ik de gevolgen daar van laaten voor Reekening van uweledele achtbaare, ge= =lyk uweledele achtb: zulx wel begreipen kan ge= „schreeven bij Balia, melesetta Canako Matanda Madewen en geteekend bij zijn Hoogheid /:onderstond /:/ voor de Translatie Cochim dato als boven /:was geteekend :/ P v: Tongeren Akkordeerd J: A Damnicheus Le Cret Maderven 641 Copia Eysch van 't ondervolgende ten dienste deeses Commandements, met nedrig verzoek dat het zelve met believen van zijn Hoog Edelheid den Hoog Edelen Groot Achtbaren Heer M:r Willem Arnold Alting Gouverneur Generaal, en De welEdele Heeren Raaden van Neederlands Jndia, mogen voldaan en herwaarts gezonden werden, Namentlijk: 4: – /:zegge:/ vier p:s Mortiers van 12: of ten minsten 10: d=m 6: — /: d=o: / ses. . . „. d=o - - - - „ 8: d=m waar toe reeds 934: p:s bommen in voorraad zijn. 3:—: „: / drie p:s Mortiers van 6: d=m 4:–/. „: / vier „ Houbitzers „ 8: „. 2:-/: „ twee „ d=o - - - - „ 6: „ met de nodige bommen en steene kogels. 800: —/: „. /agt hondert p:s bommen van 12: of 10: d=m voor zo verre de mortiers voldaan werden. 300: -/: „ :/ drie hondert p:s bommen van 8: d=m onder vorige Conditie. 400: —: „ :/ vier hondert „ d=o - - - - - - „ 6: „ voor zo verre de mortiers voldaan werden. 50'000: —/: „:/ vijftig duijzend lb: Buskruijt 30:—: „ dertig p:s Nijptangen voor de veld Arthillerij 10:–/: „:/ thien Leggers Caabse witte wijn 20:–½ „:/ twintig vaten vlees Hollands 20:—: „:/ d=o - - - - d=o spek d=o 12:— /:„. / twaalf aamen olijven olij 12:—/:„:/ twaalf vaten boter vriese 200: /:„:/ twee hondert p:s getrokkene geweiren 10000:—/:„:/ thien duijsend „ Losse koegels tot dezelve 16:—½ „ :/ sesthien p:s kruijt siften 24: —/: „: / vier en twintig p:s sift randen voor de kruijtmoolen. 50: p:s No„ 10. 50: —: zegge:/ vijftig p:s Haire deekens voor de Arthillerij 300: - /: d=o:/ drie hondert blaaden blik 3:—: „ :/ drie p:s dubbelde domme kragten 5:—:„:/ vijf „ Brandspuijten 3000: —. „ drie duijsend lb: platlood /:onderstond:/ Cochim den 21. ste November A=o 1781. /:was geteek:/ J G: van Angelbeek en R: v: Harn Accordeerd. A: Schud e 1 Nagezien Dirk Kellens. 642 30 Tellicherry 11te. November 1781 the States General Tor The Houble the President, and Select Committee of Bombay having agreed to Mr. van de Graaf s being exchanged for Mr. Firth, and having accordingly signiffied to that Gentlemen that he might proceed to Cochin whenever he thought proper, Iam directed by them to inform you of the same, and am also authorized, and empowered to Stipuelate with you for the release of Mr. Firth in exchan¬ ge for Mr. van de Graaf; which Iassure my self you will agree to upon this Information, and that Mr. Firth in consequence will be immediately set at Liberty with Permission to return to this Place Sir Your most Obedt. hble servant /:was geteekend:) Willm. Freeman I have the Honor to be at Cochin Governor for their high Mightenesses John Gerard van Angelbeck Esqre. Akkordeerd J: A Dainicheus Secret. No 11.

NL-HaNA_1.04.02_3618_0236 view scan ↗

English

643 To the Sir, The President and Members of the Select Committee at Bombai having agreed to exchange Mr. van de Graaff for Mr. Firth, have for that reason informed the said Gentleman that he could depart for Cochin whenever it pleased him, and have also written to me to give your Honour notice thereof; I am likewise authorized and empowered to reach an agreement with your Honour regarding the exchange of Mr. van de Graaff for Mr. Firth, which I hope your Honour will be willing to grant upon this information, and that Mr. Firth may immediately be set at liberty, with permission to depart for this place. I have the honour to be below Sir: your Honour's most obedient humble servant, Sir! Johan Gerard van Angelbeek on behalf of their High Mightinesses the States General, Governor at Cochin was was signed: W: Freeman in the margin: Tellicheri the 11th November 1781. For the translation from the English was signed: J: A: Cellarius J: H: Damiechen Secretary Agreed. Extract of a Letter from the Honourable the Select Committee We have agreed to exchange Mr. van de Graaf for Mr. Firth, and have accordingly signified to that Gentleman that he is at Liberty to proceed to Cochin, whenever he may think proper. You will ap¬ prize Mr. Angelbeck of what we have done, and we hereby authorize you to stipulate with him for the Release of Mr. Firth, in Exchange for Mr. van de Graaf, and we doubt not upon the assurance you will give, that Mr. Firth will be immediately set at Liberty. A true Copy was signed: Jno. Watson Hull Secretary Agreed J: A Dannicheur Secretary of Bombay dated 15th October, and received 10th November 1781. No. 12. 644 1 645 We have seen fit to exchange Mr. van de Graaff for Mr. Firth, and have to that end informed the said Gentleman that he has the liberty, whenever it pleases him, to depart for Cochin. Your Honour may inform Mr. van Angelbeek of this our resolution, and we hereby authorize your Honour to reach an agreement with him regarding the setting at liberty of Mr. Firth by way of exchange for Mr. van de Graaff, nor do we doubt upon your Honour's assurance that Mr. Firth will be immediately released. below: an authentic copy was signed: Jno Watson Secretary; for the translation from the English was signed: J: A: Cellarius Extract from a Letter from the Select Committee at Bombay of the 15th October, received the 10th November 1781. Agreed J: A Daunichen Secretary Secret 646 To the Right Honourable, highly esteemed Sir, Master Iman Willem Falck Ordinary Councillor of the Netherlands Indies as well as Governor and Director of the Island of Ceilon and the Madura Coast etc. etc. together with the Secret Council. Right Honourable, stern, valiant, prudent, most generous Sir and friends! I have had the honour to receive your Honours' secret letter of the 11th November last on the 20th of this month with Lascars from Tuticorin. Since the first news of the war with England, I have already, of my own accord, consulted with the Honourable Mr. Falck on matters relating thereto; your Honours will therefore easily understand that it was very agreeable to me to see from the just mentioned secret letter and further from the Colombo therewith

Dutch transcription

643 Aan den Heer De President en Leden van de gedeputeerde kommissie te Bombai hebbende toegestaan den Heer van de Graaff teegen den Heer Firth uittewisselen, hebben uitdien hoofde gem: Heer laaten weeten, dat hij naar koetsiem kon„ „de vertrekken, wanneer het hem behaagde, en mij tevens aangeschreeven uwwel edele hier van kennis te geven, ook ben ik geautoriseert en gemagtigt met uw weledele nopens de uitwisseling van den Heer van de Graaff teegen den Heer Firth een vergelijk te treffen„ het welk ik hoop, dat uw weledele op deeze Jnformaatsie wel zal willen toestaan, en dat de Heer Firth onmiddelijk in vrijheid gesteld worde, met verlof naar deeze plaats te moogen vertrekken. Jk heb de eere te zijn /:onderstond:/ Mijn Heer: uwweledele zeer gehoorz: nedrige dienaar Mijn Heer! Johan Gerard van Angelbiek van weegens húnne Hoog mogende de staaten Generaal, Gouverneur te koetsiem /:was /:was geteekend:/ W: Freeman /:in margi„ „ne:/ Tellicheri den 11: November 1781. voor J: A: Cellarius de vertaling uit het Engelsch /:was geteekend: J: H: Damiechen Lecrets Akkordeerd. Extract. of a Letter from the Houble the Select Committee We have agreed to exchange Mr. van de Graaf for Mr. Firth, and have accordingly signified to that Gentleman that he is at Liberty to proceed to Cochin, whenever he may think proper. You will ap¬ prize Mr. Angelbeck of what we have done, and we hereby authorize you to stipulate with him for the Release of Mr. Firth, in Exchange for Mr. van de Graaf, and we doubt not upon the assurance you will give, that Mr. Firth will be immediately set at Liberty a tree Copy (:was geteekend:) Jmo. Watsonffull Serry Akkor J: A Dannicheur Secrets of Rombay dated 15th. October, and received 10te November 1781. No. 12. 644 1 645 Wij hebben goedgevonden, den Heer van de Graap tegen den Heer Firth uittewisselen, en hebben ten dien einde gem: Heer laaten weeten, dat hij de vrijheid heeft, wanneer het hem behaagt naar koetsiem te vertrekken. UEd: kan den Heer van Angelbeek van dit ons besluit kennis geeven, en wij autoriseeren UEd: bij deezen, met hem een vergelijk te treffen nopens het in vrijheid stellen van den Heer Firth bij weege van uitwisseling teegen den Heer van de Graaff, ook twijfelen wij niet op UEd: ver„ „zekering, dat de Heer Firth onmidde„ „lijk gelurgeert zal worden. /onderstond:/ een aulentieke afschrift /:was getekend:/ J=n Wal„ „son secret:s; voor de vertaling uit het En„ „gelsch /was getekend:/ J: A: Cellarius Extrakt uit een Brief van de gedeputeerde kommissie te Bom„ „bai van den 15. Oktober, ontvan„ „gen den 10. November 1781: — Akkordeerd J: A Daunichen Le Crat sekreet 646 Aan den weledelen Groot achtbaaren Heer M„r Iman Willem Falck Raad ordinair van Nederlands Jndien mitsgaders Goeverneur en Direkteur van het Eiland Ceilon en de kuste Madure &=a &a nevens den sekreeten Raad. Weledele, Erntfeste, Manhafte, voorzienige zeer Genereuze Heer en vrienden! Ik hebbe de eere gehad uwer weledelen sekree„ „ten brief van den 11=ste November Jongstleeden op den 20.=ste dezer te ontvangen met Laskorijns van Jutukoijn. zeder de eerste tijding van den oorlog met Engeland hebbe ik reets, uit eigene beweeging, over de zaaken daar toe betreklijk met den Edelen Heer Falck geraad„ „pleegd, uwe weledelen zullen derhalven ligt begrij„ „pen, dat het mij zeer aangenaam geweest zij, uit eeven gemelden sekreeten brief en nader uit de daar Kolombo mede

NL-HaNA_1.04.02_3618_0243 view scan ↗

English

647. also received secret missive from the High Indian Government of the 10th of July last to see that this agrees so closely with the pleasure of Their High Excellencies, and that the same now expressly refer me thereto. Since Their High Excellencies have left it to me either to establish a secret committee for the handling of matters of peace and war, or to bring such points thereof as I might judge fitting and equitable to the knowledge and deliberation of the Political Council, I shall for the time being keep to the latter; because most matters of that nature are already settled, and those which also concern the native princes must be handled by me alone, and especially because, by establishing a secret committee in matters where I most needed good advice, I would deprive myself of the opinions of the most capable members, who sit too low in the assembly to be preferred over others. Secrecy, the principal object, gains here by the fact that I handle and even write down alone those matters regarding which it is necessary, and keep detailed notes of everything to serve for the information of my successor upon my decease. The negotiations with the army chief of the Nabab, Naider Alichan, have advanced so far that he has not only promised me all friendship and help against our common enemy, but has also sent a copy of a letter written to him by his master, containing the order to treat us as friends and to request from us the necessary ammunition for payment, as well as to assist us here with people and with everything else we may need. Thus, the principal objective for the present circumstance of the times has been achieved. The old dispute over Settua, Paponettij, and the sandy land is indeed not yet settled, but I do not intend to make haste with that, but to take advantage of a more favorable moment for it than the present. The Prince of Trevankoor has made repeated promises that he will observe a strict neutrality during this war; more, I think, we shall not be able to obtain from him, at least especially not so long as our enemies keep the upper hand over us and over Naider Alichan by land and by sea. Should our present condition change so far for the better that Naider Alichan could once again withstand the English by land, and that the long-expected French fleet and above all also a Dutch squadron should appear and triumph over the enemy naval power; then I believe that Trevankoor could indeed be persuaded to conclude an advantageous contract, without threats, which at present lack force and are thus fruitless and would even have a bad effect. The demand for our requirements is transmitted with the Company's letter from me and the Council, with which are also made known the merchandise that we had demanded for this year from Batavia, which I hope can at least partly be satisfied from the cargoes of the Batavian ships for Kormandel that have put in over there. I hope that Your Honour may find opportunity to send the two tons of gold allotted to us from Batavia with the French fleet, as we are in the highest need of it. The coir must be purchased here in the wet monsoon and is not to be had in large quantities at present, yet the Master of Equipage will do his best to bring together at least one hundred thousand pounds. I immediately made a trial of baking ship's biscuit and from a candy /500 lb/ of wheat obtained three hundred seventy pounds of well-dried biscuit, of which a sample is sent over in a sealed canister; the hundred pounds comes to fifteen rupees, and I have contracted for that with the five bakers who are here, provided that the wheat is delivered to them for the purchase price, but as their ovens are too small, I am having four large ones built in the Company's garden, by which I think to manage so that monthly more or less seventy-five thousand biscuits can be baked, and thus 300,000 pieces in about four months, over which I have assigned the supervision to the Purveyor, who shall enjoy five percent for it, which is not too much, because he must first store the wheat and supply it to the bakers and afterwards receive and keep the biscuit again, for which latter he is obliged to rent rice paddies from private persons. I have also, as far as could be done without commotion and too great an increase in price, made myself master of the as yet unsold wheat, but the stock thereof does not suffice for the requested three hundred thousand pieces, and therefore I shall buy up all that is still brought in, but whether that supply will be so large as to provide forty lasts for Kolombo out of it as well is somewhat doubtful; nevertheless, I shall use my utmost endeavors for that too. Furthermore, the fleet will be provided with rice and coconut oil, for which care was already taken early, but I must

Dutch transcription

647. mede ontvangene sekreete missive van de Hooge In„ „dische Regeering van den 10.=de Juli jongstleeden te mogen zien, dat dit met het welbehaagen van Hlun„ „ne Hoog edelheeden zoo zeer over eenstemd, en dat Hoogst dezelven mij daar toe thans expres overwijzen. — Wijl Hunne Hoogedelheeden het aan mij gelaaten hebben, om, tot de behandeling van de zaaken van vreede en oorlog, een geheim Committé opterichten, dan wel daarvan zoodaanige poincten, als ik gepast en billijk oordeelen mogte, ter kennis en deliberaatsie van den politieken Raad te brengen, zoo zal ik mij bij provi„ „sie aan het laaste houden; wijl de meeste zaaken van dien aart reets hun beslag hebben, en de geenen, die de inlandsche vorsten mede aangaan, door mij alleen moeten behandeld worden, en inzonderheid wijl ik mij, door het oprichten van een geheim Com„ „nutte, in zaaken, daar ik goeden raad het meest be„ „hoofde berooven zoude van de advisen der kundigste Leden, die te laag in vergadering zitten, om anderen voorgetrokken te worden. De geheimhouding, het voornaamste oogmerk, wint hier hij, door dien ik de zaaken, omtrend welken ze noodig is, alleen behandele en zelfs beschrijve, en van alles omstan„ „dige aanteekeningen houde, om, bij mijn overlijden, tot narigt van mijnen vervanger te dienen. De onderhandelingen met het Legerhoofd van den Nabab, Naider Alichan, zijn zoo verre gevorderd, dat hij mij niet alleen alle vriendschap en hulpe tee„ „gen onzen algemeenen vijand beloofd, maar ook een afschrift gezonden heeft van eenen brief, van zijnen Meester aan hem geschreeven, inhoudende het bevel, om ons als vrienden te handelen en van ons de noodige ammunietsie tegen betaaling te ver„ „zoeken, mitsgaders ons hier, met volk en met al wat wij verder noodig hebben, te assisteeren. Hier door is dus het voornaamste oogwit, voor de tegenwoordige tijds- omstandigheid, bereikt. Het oude geschil over settua, Paponettij, en het zandige land is wel noch niet vereffend doch daar meene ik geenen haast me„ „de te maaken, maar daar toe een gunstiger tijdstip dan het tegenwoordige waar teneemen. De vorst van Trevankoor heeft herhaalde beloften gedaan, dat hij, geduurende deezen oorlog, eene stipte neutraliteit in acht zal neemen, meer, denke ik, dat wij van hem niet zullen kunnen verkrijgen, al„ „thans voor al niet, zoo lange onze vijanden de over„ „hand te lande en ter zee over ons en over Naider ^ behhouden. Mogt onze teegenwoordige toestant zoo verre ten goeden veranderen, dat Naider Alichan Alicham den Engelschen te lande wederom het hoofd kost bieden, en dat de zoo lang verwachte Fran„ „sche vloot en voor al ook een Hollandsch Esquader op„ „doogden en over de vijandige zeemacht zeegepraalden; dan geloove ik, dat Trevankoor zich tot het sluiten Nabab van 648. van een voordeelig kontrakt, wel zoude laaten be„ „weegen, zonder dreigementen, die thons zonder klen en dus vruchtloos zijn en zelfs wel eene verkeerde uitwerking doen zouden. — De eisch van onze benoodigdheeden gaat met 's komp:s brief van mij en den Raad over, waar bij ook de koopmanschappen bekend gesteld zijn, die wij voor dit jaar van Batavia ge-eischt hadden, die ik hoope dat uit de laadingen der Bataviasche schepen voor kormandel, die ginter ingevallen zijn, ten minsten voor een gedeelte zullen kunnen voldaan worden. Jk hoope dat uw weledelen geleegenheid vinden moge, de ons van Batavia toe gedeelde twee tonnen gouds met de fransche vloot toete zenden wijl wij die ten hoogsten noodig hebben. De Kaijer moet hier in de natte mousson ingekocht worden, en is thans niet bij groote partijen te bekoomen, echter zal de Equipagiemeester zijn best doen om ten minsten eenmaal honderd duizend pond bij een te brengen. Jk hebbe ten eersten eene proeve genoomen van het bakken van scheeps bisschuit en uit een kandijl /500. lb/ tarwe drie honderd zeeventig pond wel gedroogde bis„ „schuit bekoomen, waar van een monster in eene ver„ „zeegelde trommel overgaat, de honderd pond komt te staan op vijftien ropijen, en ik hebbe te daar voor aan de vijf bakkers die hier zijn aanbesteedt mits hun de tarwe daar toe voor inkoops prijs be„ „zorgt worde, doch wijl hunne ovens te kleen zijn; zoo laate ik vier grooten in 's komp:s tuin aanleggen, waar door ik denke het zoo ver te brengen, dat maandelijx min of meer vijf en zeeventig duizend beschuiten zullen kunnen gebakken worden en dus 300'000. p:s in omtrend vier maanden, waar over ik het toezicht aan den Dispensier hebbe opgedraa„ „gen die daar voor vijf percent genieten zal, het welk niet te veel is, door dien hij eerst de tarwe opleggen en aan de bakkers verstrekken en daarna de bis„ „schuit wederom ontvangen en bewaaren moet, tot welk laaste hij genoodzaakt is, van partikuliere menschen rijs-pattijs in huur te nemen. - ook hebbe ik, voor zoo veel zulx zonder ophet en al te groote verduuring geschieden kost, mij meester gemaakt van de noch onverkochte tarwe, doch de voorraad daarvan rijkt niet toe, voor de verzochte driemaal„ „honderd duizend stux en daarom zal ik, al wat 'er noch aangebragt word inkoopen, doch of die aan„ „breng zoo groot zal zijn, om daar uit ook noch veertig lasten voor kolombo te bezorgen, is wat twijfel„ „achtig, echter zal ik ook daar toe mijn uiterste best aanwenden. Voorts zal de vloot van rijs en kokus-olie voorzien worden, waar voor reets vroeg gezorgt is, doch ik aan diene

NL-HaNA_1.04.02_3618_0245 view scan ↗

English

I ought to know as soon as possible whether the rice that is supplied to the French fleet may be deducted from the six hundred lasts that are stored for Ceilon, or whether it must be delivered in addition to that, for now there is still an opportunity to purchase it, but later on I fear high prices and even scarcity, because the army of Haider Alichan near Arkat must be supplied from the lands on this side of the mountains. The Commissioners and Resident of Nagapatnam in the army of the Nabab Haider Alichan, following the surrender of that city to the English, have addressed me and the Council by letters of the 26th of November and the 3rd, 5th, and 6th of this month, wherein they ask us for advice on what they should do next, and at the same time request four thousand star pagodas for their expenses. I attach the reply from me and the Council herewith for the respected consideration of Your Right Honours, and all the more so since they also request advice from the same in the letter that accompanies this. I commend Your Right Honours to the protection of the Almighty and remain with respect and esteem. Below stood: Right Honourable, Firm, Valiant, Prudent, Most Generous Lord and Friends! Your Right Honours' obedient friend and servant. Signed: J: G van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 30th of December 1781. Adriaan Poohlert Agrees. Rykwok 649 Register of the Secret Papers that are now sent to Batavia to Their High Excellencies, namely: No. 1: Original secret letter from the Commander Johan Gerard van Angelbeek addressed to the said Their High Excellencies, dated today. No. 2: Original secret packet written by the said Commander and Council to the said Their High Excellencies, dated 24 November of last year. 3: Copy of a letter written by the Commander to the Governor of Kalikoet, Sarder chan, on 3 August 1781. 4: Copy of a letter written by the said Governor to the Commander on 15 September 1781. 5: Copy of a letter written by and to the same as before on 24 September just mentioned. 6: Copy of a letter written by the Commander to the said Governor on 3 October 1781. 7: Copy of a letter written by the repeatedly mentioned Governor to the Commander on the 14th of the said month. 8: Copy of a letter written by the Commander to the said Governor on the 18th of the said month. 9: Copy of a letter written by the aforesaid Governor to the Commander on the 28th of October aforesaid. No. 10: Copy of a letter written by and to the same as before on the 30th of the said month of October. 11: Ditto written by the Lord Nabab to the said Governor. 12: Ditto written by the Commander to the said Governor on 31 October aforesaid. 13: Ditto written by the aforesaid Governor to the Commander on 8 November 1781. 14: Ditto written by and to the same as before on the 14th of the said month of November. 15: Ditto written by the Commander to the aforesaid Governor on 28 November aforesaid. 16: Ditto written by the aforesaid Governor to the Commander on the 28th of the said month of November. 17: Ditto written by the said Governor to the Commander on 30 November aforesaid. 18: Ditto written by and to the same as before on 7 December 1781. 19: Ditto written by the Commander to the said Governor on 21 December just mentioned. 20: Copy of a letter written by the repeatedly mentioned Governor to the Commander on the 27th of the said month of December. 21: Ditto ditto written by and to the same as before on 3 January 1782. 22: Secret letter written by the Commander to the Honourable Lord Governor of Ceilon, Falck, on 4 September 1781. 23: Secret letter written by the Honourable Lord Governor of Ceilon, Falck, to the Commander on 27 September 1781. 24: Letter written by the Commander to the King of Trevankoor on the 19th of this month. 25: Letter written by the King of Koetsiem to the Commander on the 21st of this month. 26: Letter written by the Commander to the said King, also dated the 21st of this month. 27: Three copy letters from the Commissioned Resident and scribe who are with the Nabab Haider Alichan in the army on behalf of the Ministry of Kormandel, dated 26 November, 5 and 6 December 1781. 650 No. 28: Copy of a letter written by the Commander and Council to the said Commissioners and Resident, dated 27 December 1781. No. 29: Letter addressed by the Lords Majors in Europe to Their High Excellencies. No. 30: Copy of a letter written by the Lords Directors of the East India Company at the Presidial Chamber of Amsterdam on 3 January 1781 to the ministers in the East Indies, accompanying two captains, von Sauer and Fornbauer. No. 31: Copy of instructions dated Amsterdam, 3 January 1781, for the information of the aforesaid Captain Georg Fornbauer, granted upon his departure overland to the Indies. Koetsiem, the 22nd of January 1782. Adriaan Bootvliek First Clerk. Secret 651 Batavia Register To His High Excellency, The High Honourable, Highly Respected, Widely Ruling Lord Mr. Willem Arnold Alling Governor-General on behalf of the State of the Free United Netherlands and the General Chartered East India Company, and the Right Honourable Stern Lords Councillors of the Netherlands Indies. High Honourable, Highly Respected, Widely Ruling Lord! Right Honourable Stern Lords! As a safe opportunity to Kolombo unexpectedly presents itself to me with a Portuguese snow that is going thither from Goa with a cargo of rice, and remains anchored here for a few days at my request, and as I have hitherto looked in vain for a direct opportunity with neutral ships to the Capital, with little hope of finding the same in this season and

Dutch transcription

diene hoe eer hoe liever teweeten, of de rijs, die aan de fransche vloot verstrekt word, van de ses honderd lasten, die voor Ceilon opgelegt zijn mag afgetrokken, dan wel daar boven moet geleeverd worden, want nu is 'er noch kans, om ze intekopen, doch naderhand vreeze ik voor groote duurte en zelfs voor schaarsheid, door dien het Leger van Haider Alichan bij Arkat uit de landen aan deezen kant van 't gebergte moet De Gekommitteerden en Resident van Nagapatnam in 't leger van den Nabab Haider Alichan hebben zich, mits de overgave van die stad aan de Engelschen, aan mij en den Raad geaddresseerd bij brieven van den 26.=ten 9ber: en 3=e 5=de en 6.=de dezer, waar bij zij ons om raadvraagen, wat ze verder doen zullen, en teffens om vier duizend sterve pagooden tot hunne onkosten verzoek doen, ik voege het antwoord van mij en den Raad hier nevens tot ge-eerde spekulaatsie van uw weledelen en zulx te eerder wijl ze Hoogst dezelve meede om raad verzoeken, bij den brief die hier nevens gaat. Jk beveele uw weledelen in de bescherming des Aller„ hoogsten en blijve met eerbied en achting. /:onderstond:/ wel edele, Erntfeste, Manhafte, voorzienige, zeer Genereuze Heer en vrienden! Uwer weledelen dienstwillige vriend en dienaar /:was getekend:/ J: G van Angelbeek /:in margine:/ voorzien worden. Koetsiem den 30. ' December 1781. Adriaan Poohlert Akkordeert. Rykwok 649 Papieren, die thans naar Batavia aan Hun Hoogedelheeden wor„ „den verzonden, als. N„o 1: Origineele sekreete brief door den Heer Kommandeur Johan Gerard van Angelbeek aan welm: Hun Hoogedelheeden gerigt gedateerd heeden. gent in kapij over „ 2: Origineele sekreet pakket door gem: Heer Kommandeur en Raad aan welgem: Hun Hoog edelheeden geschreeven onder dato 24: november J„o leeden. kopij brief door den Heer kommandeur aan den goever„ neur van Kalikoet Sarder chan geschreeven den 3. August 1781. 4. kopij brief door gem: goeverneur aan den Heer Komman„ „deur geschreeven den 15. September 1781. kopij brief door en aan als vooren gesch: den 24: september even gem: 6: kopij brief door den Heer Kommandeur aan gem: goeverneur gesch: den 3. Oktober 1781: 7: kopij brief door meerm: Goeverneur aan den Heer kommandeur gesch: den 14: der gem: Register van de Sekreete 8: kopij brief door den Heer kommandeur aan gem: goeverneur gesch: den 18. van even gem: maand kopij brief door voorsch: Goeverneur aan den Heer kommandeur L:a D. maand. 650. kommandeur geschreeven den 28. Oktober voorm: N„o 10: kopij brief door en aan als vooren gesch: den 30. der gem: maand Oktober 11: „ d„o door den Heer Nabab aan gem: goever„ neur gesch: door den Heer Kommandeur aan gedagte goeverneur gesch den 31. Oktober voorm: door voorm: goeverneur aan den Heer kommandeur gesch: den 8. Novem„ ber 1781. „ door en aan als vooren gesch: den 14: der gem: maand november door den Heer kommandeur aan voorsch: goeverneur gesch: den 28. november voorm: „ door voorm: goeverneur aan den Heer kommandeur gesch: den 28. der gem: maand november „ door gem: goeverneur aan den Heer kom„ „mandeur gesch: den 30. november voorm: „ door en aan als vooren gesch: den 7: december 1781. „ door den Heer kommandeur aan gem: Goeverneur gesch: den 21. december even gem: 25. „ brief door den koning van Koetsiem aan den Heer Kommandeur gesch: den 21. deezer 26. „ brief door den Heer Kommandeur aan gem: koning gesch: ook ged:t 27: drie kopij brieven door gekommitteerde Resident en scriba die zig van weegen het Ministerium van Kormandel bij den Nabab Haider Alichan in het Leger bevinden ged:t 26. 9ber: 5: en 6 xber 1781. 24: „ brief door den Heer kommandeur aan den koning van Trevankoor gesch den 19. deezer. 23. „ sekreete brief door den Edelen Heer Ceilons goeverneur Falck aan den Heer kommandeur gesch: den 27: september 1781. N„o 20: kopij brief door den meerm: goeverneur aan den Heer Kommandeur gesch: den 27. der gem: maand december 21: d„o d:o door en aan als vooren gesch: den 3. Januari 1782: 22. „ sekreete brief door den Heer kommandeur aan den Edelen Heer Ceilons goeverneur Falck gesch den No 20. No. 28. In 12: „ „ 13. „ 14 „ 15. „ 16. „ „ 17. „ 18. „ „ 19. „ „ „ 4: 7ber: 1781: 21. deezer. 51. N=o 28. Kopij brief door den Heer Kommandeur en Raad aan gem: gekommitteerden en Resident geschreeven onder dato 27. xber: 1781. niet „ 29. brief door de Heeren Majoores in Europa aan Hun Hoogedelheeden gericht mit „ 30. kopij brief door de Heeren Bewindhebberen van de Oostindische Kompanie ter presidiale kamer Amsterdam gesch: den 3. Januari 1781. aan de ministers in Oostindien ten gelijde van twee kapiteinen von: Sauer en Fornbauer mit „ 31. kopij Jnstruksie ged:t Amsterdam den 3 Januari 1781. tot naricht van voorm: kapitain Georg Fornbauer verleend op zyn vertrek overland koetsiem Den 22. ' Januari 1782. Adriaan Bootvliek naar Jndien Egklerk. sekreet 651. Batavia Register Aan zijn Hoog edelheid. Den Hoog edelen, Groot achtbaaren Wijd gebiedende Heer M:r Willem Arnold Alling wegens den staat der vrije vereenigde Nederlanden en de Generaale geoktroieerde Oostindische kompanie Goeverneur Generaal De wel edele Gestrenge Heeren Raaden van Nederlands Jndien. Hoog edele Groot achtbaare Wijd- gebiedende Heer! Wel edele Gestrengen Heeren! Wijl mij onverwacht eene velige geleegenheid naar Kolombo voorkoomt, met eene Portugeesche snau, die van Goa met eene lading rijs derwaards gaat en op mijn verzoek hier een paar dagen blijft leggen en ik tot nu toe vruchteloos naar eene direkte gelee„ „genheid met neutraale schepen naar de Hoofd„ „plaatse uitsie, met luttelhoops, van deselve in dit en en ze

NL-HaNA_1.04.02_3618_0250 view scan ↗

English

652 to receive in hand this season, I have resolved to dispatch therewith to the Ceylon Ministry the original of the secret letter from me and the Council to Your High Nobilities of the 24th of November last, the duplicate of which has already preceded it to Your High Nobilities by that route, in the hope that it will find an opportunity to safely deliver this dispatch to the same. Among the enclosures, there are also forwarded the plans of the Cochin fortifications belonging to the just-mentioned letter, but outside the paper case, under separate address to the Noble Lord Governor Falck, who is requested by me to judge more closely the opportunity that might arise for transmission, whether the plans may be safely entrusted thereto, and to act according to findings regarding retaining or transmitting the same. Furthermore, I have the honor to report that I have duly received Your High Nobilities' most esteemed secret dispatch of the 12th of July last, in original and duplicate, via Ceylon, and that I shall observe wholeheartedly what was recommended therein regarding the war against the English, and conduct myself dutifully in all occurring circumstances, whereto I am not a little encouraged by the finding that what has been resolved and undertaken by us thus far regarding the war fully corresponds in all respects with the commands and orders that Your High Nobilities please to prescribe therein. From the secret dispatch of me and the Council mentioned at the beginning of this, it will already have been satisfactorily evident to Your High Nobilities that we have neglected nothing to put ourselves into a good state of defense, and the improvements indicated therein to the fortifications here have since been completed, as the currently forwarded plan shows, with the exception of the deepening of the moat, upon which they are currently engaged. The recruitment of Sepoys has since not been continued further than only insofar as was necessary to assist Ceylon with some companies if needed, because I have persuaded the King of Cochin to yield to us in case of need a battalion of his Sepoys, which some years ago, at His Highness's request, was trained in arms by our officers. This battalion is currently being exercised again by our officers and non-commissioned officers, for which we have had no other expenses thus far than only the monthly bonuses to an ensign, a sergeant, and a corporal, the first of twenty, the second of eight, and the third of five rupees. But whenever this battalion actually enters our service, the Company must pay for the same. Also, as appears from the aforementioned dispatch, we have sought to strengthen ourselves through alliances; to what extent we have succeeded in this with respect to the princes of Cochin and Travancore is detailed circumstantially therein. 653 The first-mentioned persists since in his faithful attachment to our interests and has recently given the strongest assurances thereof on the occasion of paying me the customary return visit, so that one cannot doubt his sincerity. The second is a tributary of the Nawab Muhammad Ali Khan and, with the same, more or less dependent on the English, whom he therefore must respect and please. I have, however, reasons to think that in his heart he bears the greatest affection toward us, and above all would not like to see us driven from this coast; and in this I am reinforced by the following case. When I made the first proposal to the Prince of Cochin concerning the previously mentioned battalion of Sepoys, I received only an involved answer that His Highness was inclined to serve the Company under all circumstances, but about fourteen days later his Prime Minister came to me with the following message: His master was so bound to the King of Travancore that he consulted with him on all matters of importance, and had thus also through him, the Prime Minister, given notice to the same of my request for Sepoys. The King of Travancore had immediately approved this, adding these words: "It is good for both of us that the Dutch Company maintains itself here. I dare not help them on account of the Nawab and the English, but your master has nothing to do with them, and must therefore not only give the requested battalion, but also all other help that the Company shall ask. The English will possibly urge me to advise your master against this, but I shall excuse myself with the answer that the King of Cochin is independent of me and an ally of the Company, etc." And consequently the King of Cochin then directly had me requested to send the officers and drillmasters as soon as possible to Cochin, where the necessary lodgings were erected for them at the King's expense, and the battalion has since been exercised daily. That we have also sought to settle the disputes with the Nawab Hyder Ali Khan and enter into an alliance, and that negotiations in that regard were also immediately commenced with his Governor of the Samorin's realm, the well-known Sardar Khan, was likewise communicated in the repeatedly mentioned secret letter to Your High Nobilities, with the promise that I would make a further report thereof to the same. I shall, however, in the continuation of this, have another opportunity to speak further of the Prince of Travancore before I

Dutch transcription

652 dit Saisoen te zullen aanhanden krijgen: zoo ben ik te raade geworden, daarmeede aan het Ceilonsche Ministerium afte vaardigen het origineel van den sekreeten brief van mij en den Raad aan Uwe Hoog edelheeden van den 24ste November jongstleeden, waar van het duplikaat reets langs dien weg aan Uwe Hoog edelheeden is voor afgegaan, in hoope, dat het zelve geleegenheid zal vinden om deese depeche veilig aan Hoogst dezelven te bezorgen onder de bylagen gaan dus ook over de plans van de koetsiemsche vesting werken tot eeven gemelden brief gehoorende, doch buiten de papieren= kas, onder aparte addresse aan den Edelen Heer Goeverneur Falck, die door mij verzocht word, de geleegenheid, die tot de verzending voorkoomen mogt, nader te beoordeelen, of de plans daar aan gerust te vertrouwen zijn, en met het aanhouden of verzenden van dezelve naar bevinding te handelen; Voorts hebbe ik de eere te melden, dat ik vwer Hoog Edelheeden zeer geeerde sekreete Missive van den 12=e Julij jongstleeden in origineel en duplikaat richtig over Ceilon ontvangen hebbe, en dat ik het daar bij aanbevoolene, met opzicht tot den oorlog tegen de Engelschen, van gantscher harten zal betrachten en mij in alle voorkomende omstandigheeden plichtmaatig gedraagen, waar toe ik niet weinig aangemoedigd worde door de bevinding, dat het geen, tot nu toe, door ons, met opzicht tot den Oorlog, beslooten en ondernoomen is, alsints overeenstemd met de beveelen en orders, die uwe Hoog Edelheeden daar bij gelieven voor te schrijven Uit de in den aanvange deezes gemelde sekreete missive van mij en den Raad zal Uwen Hoog edelheeden reets ten genoegen gebleeken zijn, dat wij niets verzuimd hebben, om ons in eenen goeden staat van defensie te stellen, en de daar bij aangeweesene verbeeteringen aan de vesting werken alhier zijn Leder voltoid, zoo als het thans overgaande plan aanwijst, op het uitdiepen na van de gracht, waar aan men thans beezig is. De werving van Sipahis is zeder niet verder voort gezet, dan alleen voor zoo verre het noodig was, om Ceilon des noods met eenige kompanien te assisteeren, door dien ik den Koning van koetsiem overgehaald hebbe om een battaljon van zijne Sipahis, het welk voor eenige jaaren, op verzoek van zijn Hoogheid door Officiers van ons in den wapenhandel geoefend is aan ons inval van nood over te laaten, Dit battaljon word thans wederom door onse officiers en Onderofficiers geëxerceerd, waar van wij tot nu toe geene andere onkosten hebben, dan alleen de maan„ „delyxe douceurs aan een vaandrig een serjant en een Korporaal, de eerste van twintig de tweede van agt en de derde van vijf ropijen. Doch wanneer dit battaljon werklijk in onzen dienst overgaat: zoo moet de kom„he „panie het zelve bekostigen. — Ook hebben wij, blykens voormelde Missive, getracht, ons door bondgenoodschap te versterken; in hoe verre dit ons, met opzicht tot de vorsten die van 653 van koethem en Trevankoor, gelukt zij, is bij deselve om „standig beschreeven. - De Eerstgemelde volhardt zeder in zijne getrouwe aankleeving aan onze belangen en heeft daar van op 't nieuw de sterkste verzeekeringen gedaan ter geleegenheid, dat Hij bij mij het gewoone tegen bezoek heeft afgelegt, zoo dat men aan zijne welmeenendheid niet kan twyfelen; de Tweede is een Tributair van den Nabab Mahmed Alichan en met denzelven min off meer afhanklyk van de Engelschen, die hij dus ontzien en believen moet, ik hebbe echter reedenen van te denken, dat hij ons in zyn hart de meeste geneegenheid toedraagd en voor al niet gaarne zien zoude, dat wij van deese kuste verdreeven wierden; en hier in ben ik versterkt door het volgende geval. - Toen ik den vorst van koetsien„ de eerste proposietsie deed, nopens het voorwaards gemelde battaljon Sipahis, kreeg ik eenelijk een ingewikkeld ant„ „woord, dat zijne Hoogheid geneegen was, de komp=e in alle omstandigheeden te dienen, doch omtrend veertien dagen daar quam zijn eerste Minister bij mij met de volgende boodschap: zijn Meester was zoodanig verknacht aan den koning van Trevankoor, dat Hij over alle zaaken van aanbelang met denzelven raad pleegde en had dus ook door hem /eersten Minister:/ aan den zelven kennis gegeeven van mijn verzoek om Sipahis; De koning van Trevankoor had dit ten eersten goedgekeurd, onder byvoeging van deese woorden: Het is Dat wij ook getracht hebben met den Nabab Hlaider Alichan de geschillen bij te leggen en een verbond aantegaan, en dat de onderhandelingen derwegens ook ten eersten met desselfs Goeverneur van 't Sanmorijnsche Bijk den welbekenden sarderchan begonnen zijn, is meede bij meermelde sekreeten brief aan Uwe Hoog edelheeden bedeeld, met de belofte, dat ik daar van aan Hoogst dezelven nader rapport zoude doen, doch „ voor ons beide goed, dat de Hollandsche kompanie zich „ hier staande houdt, jk durve haar niet helpen, „ wegens den Nabab en d' Engelschen, doch vw Meester „ heeft met hen lieden niets uijtstaan, en moet dus „ niet alleen het verzochte battaljon geeven, maar „ ook alle andere hulpe die de kompanie zal „vraagen: D'Engelschen zullen mij mogelijk „ wel vergen, om Uwen Meester dit afte raaden, „ doch ik zal mij verontschuldigen met het „ antwoord, dat de koning van koetsiem van „ mij onafkankelijk en een Bondgenoot van „ de Kompanie is. enz: en dienvolgende liet de koning van koethem mij toen„ zelve verzoeken om de officiers en Drilmeesters hoe eer hoe liever naar koertje te zenden, daar de noodige woo„ „ningen voor dezelven op s' konings kosten op geslaagen zijn, en het battaljon zeder dagelijx ge-exerceerd word. Jk zal echter in 't vervolg deeses noch eens geleegenheid hebben, van den vorst van Trevankoor nader te spreeken voor ik

NL-HaNA_1.04.02_3618_0252 view scan ↗

English

653 of Cochin and Travancore succeeded, has been detailed by the same. The first-mentioned continues his faithful attachment to our interests and has given the strongest assurances thereof anew on the occasion of paying me the customary return visit, so that one cannot doubt his sincere goodwill; the second is a tributary of the Nabob Mahomed Ali Khan and more or less dependent on the English along with him, whom he therefore must respect and please. I have reason to believe, however, that in his heart he bears the greatest affection for us and above all would not like to see us driven from this coast; and in this I am strengthened by the following occurrence. When I made the first proposal to the ruler of Cochin regarding the aforementioned battalion of Sepoys, I received only a complicated reply that His Highness was inclined to serve the Company in all circumstances; however, about fourteen days later his Prime Minister came to me with the following message: his master was so strongly attached to the King of Travancore that he consulted with him on all matters of importance, and thus had also informed him through him, the Prime Minister, of my request for Sepoys. The King of Travancore had immediately approved this, adding these words: It is That we also attempted to settle the disputes with the Nabob Hyder Ali Khan and enter into an alliance, and that negotiations regarding this were also immediately opened with his Governor of the Zamorin Realm, the well-known Sardar Khan, was also imparted to Your High Excellencies in the aforementioned secret letter, with the promise that I would make a further report thereon to Your High Excellencies, but "good for both of us that the Dutch Company maintains itself here. I dare not help her on account of the Nabob and the English, but your master has nothing to do with them, and therefore must not only provide the requested battalion, but also all other assistance that the Company shall ask. The English may perhaps demand of me that I advise your master against this, but I shall excuse myself with the answer that the King of Cochin is independent of me and an ally of the Company," etc. And consequently the King of Cochin then directly requested me to send the officers and drillmasters to Cochin as soon as possible, where the necessary dwellings have been erected for them at the King's expense, and the battalion has been drilled daily ever since. I shall, however, have another opportunity in the remainder of this letter to speak further of the ruler of Travancore. Before I 654 I am currently so limited in my time by the haste made by the Portuguese that I cannot properly detail all that was transacted with this Minister here, but must respectfully refer to the copies of the letters exchanged between us, which are transmitted herewith. However, I will briefly note the most essential points from them here. My first offers of friendship were received with much outward cordiality, but regarding the old disputes over Pettua and Papinivattom he did not express himself, though he did concerning the necessity of mutual assistance against the English, which he readily offered me, and which offers he has since repeated in all letters. The Lord Nabob Hyder Ali Khan, whom he had informed of my request, also made no mention of the old disputes, but only ordered the aforementioned Sardar Khan to assist us here with troops and all that was necessary, acting as a friend, and in return to request ammunition from us against payment, as Your High Excellencies can see further from the copy of the reply sent to me by Sardar Khan along with his letter of October 30th, transmitted among the enclosures to this. I conferred further with him on this matter in a letter of November 28th, also to be found among the enclosures, and thereby repeated my first proposal for settling the old disputes, and further expanded it to the restitution of the lands that the Nabob took into possession from us and our vassals, the King of Cranganore, the Prince of Kartamane, and the Payyancherrys; and his answer, by letter of December 7th, which likewise goes among the enclosures to this, contained: that he had written further to his master regarding these proposals and was expecting a favorable reply, and that he at the same time advised me to write to His Highness about it myself. But since I had now achieved the main objective, which was to have nothing evil to fear from that quarter and, if necessary, to obtain assistance against the common enemy, and meanwhile our affairs on the Coromandel Coast had taken a very unfortunate turn for us through the sudden surrender of Nagapattinam to the enemies, I decided that I must await a more favorable moment for further negotiations, which I hoped to find upon the appearance of our fleet, which might give us greater prestige with His Highness and put him in a better disposition to lend an ear to our proposals. But before I step away from these negotiations, I ought to mention the following as a further accounting of my conduct held in that regard: From the entire conduct of Sardar Khan it appeared most clearly that his master was still eager to attack Travancore; and thereto further now

Dutch transcription

653 van koethem en Trevankoor, gelukt zij, is bij deselve om „standig beschreeven. — . De Eerstgemelde volhardt zeder„ zijne getrouwe aankleering aan onze belangen en heef daar van op 't nieuw de sterkste verzeekeringen gedaan ter geleegenheid, dat Hij bij mij het gewoone tegen bezoe„ heeft afgelegt, zoo dat men aan zijne welmeenendheid niet kan twyfelen; de Tweede is een Tributair van den Nabab Mahmed Alichan en met denzelven off meer afhanklyk van de Engelschen, die hij dus ontzie„ en believen moet, ik hebbe echter reedenen van te der dat hij ons in zyn hart de meeste geneegenheid toedraa„ en voor al niet gaarne zien zoude, dat wij van deese kuste verdreeven wierden; en hier in ben ik versterk door het volgende geval. - Teen ik den vorst van koek de eerste proposietsie deed, nopens het voorwaards ge„ battaljon Sipahis, kreeg ik eenelijk een ingewikkeld an „woord, dat zijne Hoogheid geneegen was, de komp=e alle omstandigheeden te dienen, doch omtrend veerti dagen daar quam zijn eerste Minister bij mij me de volgende boodschap: zijn Meester was zoodanig verknacht aan de koning van Trevankoor, dat Hij over alle Zaak van aanbelang met denzelven raad pleegde en had dus ook door hem /eersten Ministe„ aan den zelven kennis gegeeven van mij verzoek om Sipahis : De koning van Trevankoor had dit ten eersten goed gekeur onder by voeging van deese woorden: Het Dat wij ook getracht hebben met den Nabab Hlaider Alichan de geschillen bij te leggen en een verbond aantegaan, en dat de onderhandelingen derwegens ook ten eersten met desselfs Goeverneur van 't Sanmorijnsche Bijk den welbekenden sarderchan begonnen zijn, is meede bij meermelde sekreeten brief aan Uwe Hoog edelheeden bedeeld, met de belofte, dat ik daar van aan Hoogst dezelven nader rapport zoude doen, doch „ voor ons beide goed, dat de Hollandsche kompanie zich „ hier staande houdt, jk durve haar niet helpen, „ wegens den Nabab en d' Engelschen, doch vw Meester „ heeft met hen lieden niets uijtstaan, en moet dus „ niet alleen het verzochte battaljon geeven, maar „ ook alle andere hulpe die de kompanie zal „vraagen. D' Engelschen zullen mij mogelijk „ wel vergen, om Uwen Meester dit afte raaden, , doch ik zal mij verontschuldigen met het „ antwoord, dat de koning van koetsiem van „ mij onafkankelijk en een Bondgenoot van „ de Kompanie is. enz: en dienvolgende liet de koning van koethiem mij toen„ zelve verzoeken om de officiers en Drilmeesters hoe eer hoe liever naar koertje te zenden, daar de noodige woo„ „ningen voor dezelven op s' konings kosten op geslaagen zijn, en het battaljon zeder dagelijx ge-exerceerd word. Jk zal echter in 't vervolg deeses noch eens geleegenheid hebben, van den vorst van Trevankoor nader te spreeken voor ik 654 ik ben thans zoo nauw bepaald in mijn tijd, door den haaft„ dien de Portugees maakt, dat ik al 't verhandelde met deezen Minister hier niet naar behooren kan detailleeren maar mij in eerbied gedraagen moet, aan de kopijen der tusschen ons gewisselde brieven, die nevens deezen overgaan. Echter zal ik daar uit het aller zaaklykste hier kort noteeren. — Mijne eerste aanbiedingen van vriendschap wierden met veel uiterlijke hartlijkheid, aangenoomen, doch nopens de oude geschillen over Pettua en Paponettij liet hij zich niet uit, maar wel over de noodzaaklijk„ „heid van onderlingen bijstand tegen de Engelschen, dien hij mij gereedelijk aanbood, en welke aanbie„ „dingen hij Leder laast bij alle brieven herhaalden. De Heer Nabab Naider Alichan, aanwien hij van mijn aanzoek had kennis gegeeven, maakte ook geen gewag van de oude geschillen, maar gaf eenlijk aan meer„ „melden Parderchan last, om ons hier, met volk en al wat noodig was, te assisteeren handelende als vriend, en daar tegen van ons ammunietsie tegen betaaling te verzoeken, zoo als uwe Hoog edelheeden dit nader kunnen zien, bij de kopij van het antwoord, mij door Cardarchan nevens zijnen brief van den 30=ste okto„ „ber toegezonden onder de bijlagen deeses overgaande Jk hebbe hem hier over nader onderhouden, bij een brief van den 28:' November, mede onder de bylagen te vinden en daar bij mijne eerste proposietsie tot het byleggen van de oude geschillen herhaald mitsgaders nader uitgebrudt tot de terug gave van de landen, die de Nabab van ons en onse vasallen, den koning van kranga„ „noor, den Prins van Kartamane en de Paijenseris in het bezit genoomen heeft, en zyn antwoord, bij brief van den 7=de december, die mede onder de bijlaagen deezes overgaat, behelsde: dat hij dat hij nader aan zijnen Meester over deeze proposietsien geschreeven had en een goed antwoord verwachtende was, en dat hij mij teffens ried, om zelve ook daar over aan zijne Hoogheijd te schrijven. Doch dewijl ik het voornaamste oogmerk nu bereikt hadde, het welk was, om van dien kant niets quaads te vreezen te hebben en des noods hulpe tegen den gemeenen vijand te kunnen erlangen, en middeler wyle onze zaaken op de Kust kormandel eene voor ons zeer ongelukkige keer genoomen hadden, door de schielijke overgave van Nagapatnam aan de vijanden: zoo besloot ik tot de nadere onderhandelingen een gunstiger tijdstip te moeten afwachten, het welk ik bij verschijning van onze vloot, hoopte te vinden die ons bij zyne hoogheid meerder aanzien geeven en Hem in eene beetere disposietsie brengen mogte, om aan onze voorstellen het oor te leenen. Doch eer ik van deeze onderhandelingen afstafpe, diene ik tot nadere reekenschap van mijn daar omtrend gehouden gedrag, noch het volgende te melden:— Uit de heele handelwijze van sarderchan bleek ten klaarsten, dat zijn Meester noch belust was, om Trevankoor op het lijf te vallen; en zich daar toe nader thans

NL-HaNA_1.04.02_3618_0254 view scan ↗

English

655 now sought to pave the way through an alliance with us, I on the contrary understood that, although Travancore showed more outward affection for the English than for us, and had even rejected the offer to include him in the contract with Haidar, nevertheless the true and lasting interest of our Company required that Travancore be preserved and protected from the conquest of Haidar. Beside this, I was also of the opinion that although we needed the friendship of Haidar in the present circumstances of the times, we nevertheless ought not to engage and bind ourselves further with him than was necessary for the present to secure ourselves against an enemy who was rather more dangerous to our interests than Haidar had ever been, or could become. These considerations, which I now see with great pleasure to agree sufficiently with the sentiments of Your High Noblenesses, made me from the beginning cautious about proceeding hastily with the negotiations. I therefore took refuge with the Noble Lord Governor of Ceylon, Falck, laid these concerns and sentiments of mine open before him, and requested his good advice regarding this in a secret letter of 4 September, of which a copy is transmitted among the enclosures of this letter. He honored my aforementioned considerations and the course of action founded thereon with his approval, and remarked concerning the treaty with the Nabob Haidar Ali Khan that one would probably only ask for help for the capture of Tellicherry and promise help against the English if they should come to besiege Cochin, and that we, in this temporary engagement, could be content with that, as Your High Noblenesses may observe in more detail from the reply of 27 September, likewise enclosed herewith in copy, to which I respectfully refer, and from which it also appears that from the beginning I have consulted on matters of importance with the said Noble Lord, so that it could not be other than highly agreeable to me that Your High Noblenesses are pleased now to refer me thereto by Your very secret missive. Since Your High Noblenesses have left it to me either to establish a secret committee for the handling of matters of peace and war, or else to bring such points thereof as I might deem fitting and proper to the knowledge and deliberation of the Political Council, I shall for the time being keep to the latter, because most matters of that nature are already settled, and those that also concern the native princes must be handled by me alone, and especially because, by establishing a secret committee, I would in matters where I most needed good advice deprive myself of the counsels of the most capable members, who sit too low in the assembly to be preferred over others. Secrecy, the principal objective, gains hereby because I handle the matters concerning which it is necessary alone, and even draft them myself and keep detailed notes of everything to serve upon my death as information for my successor. Now I still find myself obliged to make a humble report to Your High Noblenesses of an unexpected political change in the neighboring realm of the Zamorin, whereby our situation here has noticeably worsened. It is known to Your High Noblenesses that the Nabob Haidar Ali Khan mastered the lands of Kolastri belonging to the Zamorin, and has now for two years besieged the English fort Tellicherry. In the latter part of December three ships and fifteen native vessels arrived from Bombay at Tellicherry with a large number of troops, and since then the rumor spread that the English wanted to abandon that fortress, which was made probable by the departure of several native families to Anjengo and by the flight of some hundreds of Nairs, who until then had formed a part of the garrison, and in particular also found credence with Haidar Ali Khan's General Sardar Khan, who kept the said fortress besieged and wrote the following to me about it in a letter of the 3rd of this month: I am obliged, in consideration of our good friendship, to communicate to Your Honor that these days a fleet of fifteen shibars and the grab Bombay with two battalions of sepoys have arrived at Tellicherry to transport the goods from Tellicherry to Bombay, and I believe it, for these days about three hundred Nairs have fled from Tellicherry and gone into the forest near Konkedana Kunhi Nair, etc. The outcome has shown that that rumor was unfounded and was probably fabricated by the English themselves to lull the aforementioned Sardar Khan to sleep and better execute their secret intention against him, for in the night between the 7th and 8th of this month, when Sardar Khan had gone from the army to a nearby fort called Kureche, the whole garrison, which was in secret collusion with the Nairs of Kolatte, Kadathanadu, and Kolastri, made a sortie, surprised the army in four places, and put it to flight. Sardar Khan indeed came to its aid at once with the men he had with him, and a bloody battle followed, but the English gained a complete victory, captured the entire camp, and took several principal military commanders of Haidar Ali Khan prisoner, and in particular General Sardar Khan himself, who had received two wounds and had fallen from his horse thereby.

Dutch transcription

655 thans door een verbond met ons den weg zocht te baanen, ik in tegendeel begreep, dat of schoon Trevankoor meer uiterlijke geneegenheid voor d' Engelschen dan voor ons liet blijken, en zelfs de aanbieding, om hem in het kontrakt met Haider in te sluiten, van de hand geweezen had, nochtans het waare en bestendige belang van onze kompanie vorderde, dat Trevankoor voor de overwel„ „diging van Haider bewaard en behouden wierde. Daar nevens was ik ook noch van begrip, dat of schoon wij de vriendschap van Haider in de tegenwoordige tijds omstan„ „digheid noodig hadden: wij ons echter met den zelven niet verder behoorden in telaaten en te verbinden, dan als voor het tegenwoordige noodig was, om ons te beveiligen tegen eenen vijand, die voor onze belangen vrij gevaar„ „lyker was, dan Haider oit geweest was, of dit kost worden. Deeze bedenkingen, die ik thans met veel vermaak zie, genoegzaam over een te stemmen met de gevoelens van UW Hoog edelheeden, maakte mij van den beginne afaan bediecht, om met de onder„ „handelingen haastig voort te gaan. Jk nam der„ „halven mijne toevlugt tot den Edelen Heer Ceilons Goeverneur Falck, leide deeze mijne bekomme„ „ring en gevoelens voor Hem open en verzocht zijnen goeden raad deezen aangaande, bij een sekreeten brief van den 4=e september, waar van een afschrift onder de bylaagen deezes overgaat, die mijne voorschr: bedenkingen ende daar op gefundeerde handelwijze met zyne goedkeuring vereerde, en nopens het braklaat met den Nabab Haider Alichan aanmerkte, dat men waarschynlijk alleen hulpe zoude vraagen, tot de vermeestering van Tellitscheri en hulpe belooven tegen de Engelschen, indien zij koetsiem quamen te beleegeren, en dat wij ons, bij deese kortstondige verbintenis, daer„ „mede konden te vreeden houden: zoo als uw Hoog edelheeden dit omstandiger kunnen beoogen, bij het deezen almeede in kopij bij gevoegde antwoord van den 27=ste Sept: waar aan ik mij in eerbied gedraage, en waar uit teffens blijkt, dat ik reets van den beginne afaan over zaaken van aanbelang, met wel gemelden Edelen Heer te raaden gegaan ben, zulx het mij niet dan ten hoogsten aangenaam heeft kunnen zijn, dat uwe Hoog edelheeden mij mij Hoogst derzelver sekreete missive daar toe thans gelieven over te wijzen. — Wijl Uwe Hoog edelheeden het aan mij gelaaten hebben, om tot de behandeling van de zaaken van vreede en oorlog een geheim Committe opterichten, dan wel daar van zoodanige poincten, als ik gepast en billijk oordeelen mogte, ter kennis en deliberaatsie van den politieken Raad te brengen, zoo zal ik mij bij provisie aan het laaste houden, wijl de meeste zaaken vandien aart reets hun beslag hebben, en de geenen, die de inland„ „sche vorsten mede aangaan, door mij alleen moeten behandeld worden, en inzonderheid, wijl ik mij door het oprichten van een geheim Committe in zaaken, daar ik goeden raad het meest behoefde, berooven zoude van de advisen der kundigste leden, die te laag in met vergadering Vergadering zitten, om andere voorgetrokken te worden De geheimhouding het voornaamste oogmerk, wint hier bij, door dien ik de zaaken, omtrend welke ze noodig is, alleen behandele, en zelfs beschrijve en van alles omstandige aanteekeningen houde, om bij mijn overlijden tot naricht van mijnen vervanger te dienen. — Nu vinde ik mij noch verplicht Uw Hoogedelheeden onderdaanig rapport te doen van eene onverwachte staats„ „wisseling in het nabuurige Rijk van den Samorijn, waar door onze situaatsie alhier merklijk verslim„ „merd is. — Het is Uw Hoog edelheeden bekend, dat de Nabab Haider Alichan de landen van kolastre van den Samorijn meesterd, en nu zeder twee jaaren het Engelsche fort Tellitscherij belegerd heeft. Jn 't laast van December quamen „met een groot getal, krijksvolk drie schepen en vijftien inlandsche vaartuigen „ van Bom„ „baij te Tellitscherij aan, en zeder verspreide zich het gerucht, dat de Engelschen die vesting verlaaten wilden, het welk door het vertrek van verscheidene inlandsche huisgezinnen naar Ansjenge en door de vlucht van eenige honderd Nairos, die tot dus verre een gedeelte van de bezetting hadden uijtgemaakt, waarschijnlijk werd en inzonderheid ook ingang vond bij Haider Ali„ „chans Generaal Sardarchan, die gemelde vesting beleegerd hield en mij daar over bij een brief van den 3=de deezer het volgende aanschreef. Jk ben verplicht, uit aanmerking van onze goede vriendschap, Uw Ed: te kommuniceeren, dat deezer dagen te Jellitscherij eene vloot van vijftien sibaars en de Goerab Bombai met twee battal„ „jons Sipahis aangekomen, om de goederen van Tellitscherij naar Bomboi te transporteere, en ik geloove het, want deezer dagen zijn omtrend drie honderd Nairos van Tellitscherij gevlucht en in het bosch bij konkedana koenje Naird gegaan enz: De uitkomst heeft geleerd, dat dat gerucht ongegrondt en waarschijnlijk van d' Engelschen zelve verdicht ge„ „weest is, om den voornoemder Sarderchan in slaap te wiegen, en hun heimlijk voorneemen tegen hem te beter uit tevoeren, want des nachts tusschen den 7. ' en 8=ste deezer, wanneer Parderchan uit het leger naar een nabij geleegen font, koeretje genaamd, gegaan was, deid de heele bezetting die heimelijke verstandhouding had met de Nairos van Kolatte, kaddatenado en Kolastri eenen uitval, overviel het leger op vier plaatsen, en dreef het op de vlucht, Sadarchan quam het zelve wel ten eersten te hulpe met zijne bij zich hebbende Manschap en daar op volgde een bloedig gerecht, doch de Engelschen behaalden eene volkoomene overwinning, veroverden het heele kamp en kreegen verscheidene voornaame krijgs oversten van Haider Alichan gevangen en inzonder„ „heid der Generaal Sarderchan zelve, die twee wonden bekoomen had en daar door van zijn paard gevallen goede was.

NL-HaNA_1.04.02_3618_0256 view scan ↗

English

656. was. The small remnant of the Nabob's troops that escaped this almost general defeat has fled to the other lands of Haider, and the English are thus currently masters of that entire country. At the same time that this occurred, the chief of Koilang wrote to me in letters of the 9th and 11th of this month, stating that the English were making preparations to restore the princes of the Zamorin realm, who, since Haider Alichan drove them out, have been residing in the land of Trevankoor, to their realm, and that the interpreter of Ansjengs had made an offer to them for that purpose, adding that English troops would advance from Paleamkotta through the land of Trevankoor to escort them to their country. Although this last article, namely the advance of English troops through the land of Trevankoor, is not probable, because according to the latest reports there are not many troops stationed in the lowlands of Tirnevellij, and the king of Trevankoor would also oppose it in order to give us no offense, I nevertheless thought it proper to confer with His Highness on this matter by a letter of the 19th of this month, a copy of which is included among the annexes, containing primarily an earnest request to reassure me by letter in this regard, and furthermore a warning that if His Highness should grant passage through his land, or permit it as if under compulsion, to any troops of Marmee Alichan or of the English as long as we are at war with them, under whatever pretext it might be, even under the promise that this would not be directed against our Company, such an act would be regarded by us as a breach of neutrality, whereby His Highness would break the friendship that he was obligated to maintain with us according to the treaties; to which I can only receive an answer in a few days. That, however, the intention of the English is to restore the old rulers in the Zamorin and Kolastrian lands in order to better exercise supreme authority over them under their cover, is not only very probable in itself and in accordance with their policy in this part of the world, where they everywhere maintain the native princes as their puppets, but is also confirmed by general rumors, and still more specifically by a letter from the king of Koethem, who notifies me of this change of affairs and specifically mentions this, that letter being otherwise mainly directed at seeking my counsel on how he should conduct himself in these circumstances, because the Zamorin princes are his hereditary enemies, and now being united with the English, will without 657. doubt invade and devastate his northern bordering lands. In response, I advised him to secure all rice and paddy from those lands as quickly as possible, and to request the king of Trevankoor to arrange with both the English and the Zamorin princes that those lands be spared, and furthermore, upon the approach of the English, to take refuge in the land of Trevankoor and await a change for the better there, for which I give His Highness hope by assuring him that our and the French fleets will soon appear and restore our affairs; copies of these letters are also included among the annexes. Due to this revolution, our situation here has deteriorated considerably. The English have thereby become our nearest neighbors to the north, and from there, if they intend to lay siege to Koetsiem, they can bring up the necessary supplies much more easily than if they had to do so by sea and disembark in our vicinity; and they now have the assistance of a multitude of natives from the Zamorin realm for all kinds of transport and army services, which they would otherwise have to do without, not to mention that they can also reinforce themselves with several thousand Nairs and Moors from that country, and that in such a case we will not be able to receive as much aid and assistance from the ruler of Koetsiem as otherwise, because his neighbors, the Zamorins, would immediately prevent and avenge it. But our Fort Kranganoor, in particular, is now exposed to the danger of being captured immediately by our enemies; for although it may be called strong with respect to a native enemy, it is nevertheless not capable of withstanding a siege directed with skill by Europeans, because, to say nothing of other less visible defects, it is so small and at the same time so densely built upon that a few bombs would force the garrison to surrender. We consulted today in our meeting on this important matter, and after recapitulating our secret resolution of the 19th of July last, and the secret separate letters written to and from Your Right Excellencies on this subject cited therein, we unanimously decided to keep the fort, as well as Aikotte, garrisoned for the time being on the present footing, but upon the approach of the enemy, to transfer the cannon and ammunition as well as the garrisons to Koetsiem, as everything would otherwise merely fall into the enemy's hands. For the reasons cited above, we have now

Dutch transcription

656. was. Het geringe overschot van 's Nababs troepen het welk deeze schier algemeene nederlaage ontkoomen is, heeft de vlucht genoomen naar d' andere landen van Haider en d' Engelschen zijn dus tegenwoordig Meesters van dat heele land. — Ter zelver tijd, dat dit voorviel, schreef mij het opper„ „hoofd van Koilang, bij brieven van den 9=de en 11ste deezer, dat de Engelschen aanstalt maakten, om de Prinsen van het Samorijnsche Rijk, die Ieder Haider Alichan hen verdreeven heeft, zich in 't land van Trevankoor ophouden, in hun Rijk te herstellen, en daar toe aan deselven door den Jolk van Ansjengs aanbieding gedaan hadden, met byvoeging, dat van Paleamkotta, door het land van Trevankoor, Engelscha troepen zouden optrekken, om hen lieden naar hun land te geleiden. Hoewel nu dit laaste artikel, te weeten de aanmarsch van Engelsch krijgs-volk door 't land van Trevankoor, niet waarschijnlijk is, door dien in de beneede landen van Tirnevellij, vol„ „gens de Jongste berichten, niet veel volk legt, en de koning van Trevankoor zich ook daar tegen stellen zoude, om ons geenen aanstoot te geeven: zoo hebbe ik echter gemeent, zyne Hoogheid daar over te onderhouden, bij een brief van den 19=e deezer, waarvan een afschrift onder de bijlagen overgaat, vervattende voornaamlijk een ernstig verzoek, om mij deezer wegen bij een brief gerust te stellen, en voorts eene waarschuwing, dat indien zijne Hoogheid aan eenig krijgsvolk van Marmee Alichan of van de Engelschen, zoo lange wij met hen in oorlog zijn, den doortocht door zijn land vergunde, of als gedwongen toeliet, onder wat praetext het ook zijn mogt, al was het zelfs onder de belofte, dat dit niet tegen onze kompanie zoude strekken, zulx bij ons als eene daad van partijdigheid zoude aange„ „merkt worden, waar door zyne Hoogheid de vriend„ „schap verbreeken zoude, die hij verplicht was volgens de tractaaten met ons te onderhouden; waar„ „op ik eerst over eenige dagen kan antwoord erlangen. Dat echter t' voorneemen der Engelschen zij om de ouden vorsten in de samorijnsche en kolas„ „trische landen te herstellen, om te beter onder hun„ „nen dekmantel, over dezelven het hoogste gezag te voeren, is niet alleen op zig zelven zeer waar„ „schijnlijk en overeenkomstig met hunne staat„ „kunde in dit wereld deel, daar ze de inlandsche vorsten overal tot hunne speel poppen aanhouden, maar word ook bevestigd door de algemeene geruch„ „ten, en noch nader door een brief van den koning van Koethem, die mij van deese staatwisseling kennis geeft, en dit speciaal mede aanvoerd, zijnde die brief voor het overige voornaamlijk gericht, om mij raad te pleegen, hoedanig hij zich in deeze om„ „standigheeden zal gedraagen, doordien de Samorijnsche vorsten zijne Erfvijanden zijn, en nu met de Engelschen vereenigd zynde, buiten indien. twyfel 657. twyfel zyne noordelijke aangrenzende landen invadeeren en verwoesten zullen, waarop ik hem in antwoord geraaden hebbe, om alle rijs en nelie uit die landen ten spoedigsten te bergen, en den koning van Trevan„ „koor te verzoeken, dat hij zoo wel bij de Engelschen, als de Samorijnsche vorsten, bewerke, dat die landen verschoond blijven, en voorts, om, op de aannadering van de Engelschen, dewijk in 't land van Trevankoor te neemen; en daar verandering ten goeden afte„ „wachten, waar toe ik zijne Hoogheid hoope geeve, door de verzeekering, dat onze en de fransche vlooten eerlang opdaagen en onze zaaken herstellen zullen, de afschriften van deese brieven gaan mede onder de bylaagen over. - Door deese omwenteling is onze situaatsie alhier merklijk verslimmert. D:' Engelschen zijn daar door onse naaste buuren om de Noord ge „worden, en kunnen van daar, wanneer zij het op eene beleegering van koetsiem toeleggen, het noodige daar toe veel maklijker aanvoeren, dan wanneer ze zulx ter zeedoen, en in onze buurt ontschepen moesten, en ze hebben thans den bijstand van een meenigte Jnlanders uijt het samorijn„ „sche tot allerleij trains-en leger-diensten, die zij anders zouden moeten ontbeeren te gezuggen dat zij zich ook met eenige duizenden Nairos en Mooren uit dat land kunnen versterken, en dat wij nu van den vorst van koetsiem in Maar inzonderheid is ons Fort kranganoor als nu aan het gevaar bloot gesteld, om door onze eijanden ten eersten vermeesterd te worden, want hoe wel het zelve, met opzicht tot een inlandschen vijand, sterk mag heeten, zoo is 't doch niet bestand tegen eene beleegering, die van Europeeschen met kundigheid gedirigeerd word, want, om van andere min zicht„ „baare gebreeken te zwijgen, zoo is het zoo kleen en teffens zoo digt bebouwd, dat weinige bommen de bezetting tot de overgave noodzaaken zouden, wij hebben over dit wigtig stuk heeden in onze vergadering geraadpleegd, en na recapitulaatsie van onse sekreete resoluutsie van den 19=e Julij jongstleeden, en van de daar bij geallegeerde sekreete rparte brieven aan en van uwe Hoog edelheeden over dit sujet geschreeven, eenpaarig beslooten om het Fort, zoo wel als Aikotte, voor eerst noch op den teegenwoordigen voet bezette houden, doch, op de aannadering van de vijand het kanon en de ammunietsie mitsgaders de bezettingen naar koetsiem over te brengen; wijl het een en anders maar in der vijanden handen zouden vallen. — Wij hebben, om de vooraangehaalde reedenen, zulk een geval, soo veel hulpe en bystand niet zullen kunnen ontvangen als anders, door dien zijne B uuren, de Samorijners, dit ten eersten beletten en wreeken zouden. zulk thans

NL-HaNA_1.04.02_3618_0258 view scan ↗

English

658. now also much less ground for our previous suspicion that our enemies at Bombay would not be in a position this year to undertake the siege of Koetsiem, but must now rather expect such daily, the more so because the dispatch of so much militia from Bombay to Tellitcherij provides very probable proof that the English there will succeed in their negotiations with the Marathas concerning peace, or at least have advanced so far that they have no hostile acts to expect from them. On which account we are now also preparing ourselves further for this, and have decided today to begin immediately with the demolition of the timber yard and other superstructures on Galwetti, and of the houses and gardens situated too close under the fortress. The Commissioners, Resident, and scribe, who are in the army with the Nabab Haider Alichan on behalf of the Ministry of Coromandel, have, on account of the surrender of Nagapatnam, addressed themselves to me and the council and requested advice as to how they should conduct themselves further, as the said Nabab did not wish to let them depart, as well as for four thousand star pagodas to cover their expenses. We replied thereto: That, as Nagapatnam was lost, and the Government upon which they depended was extinguished, their commission had also eo ipso lapsed and ceased to exist, and they thus had nothing further to accomplish with the Nabab, and therefore ought to request His Highness for a safe transport to this place. And regarding the request for money, we authorized them to draw bills of exchange upon us for such a sum as they would strictly require, as your High Noble Honours can ascertain in more detail from the copies of this correspondence also transmitted among the enclosures. Lastly, I add hereto another letter received from our Lords and Masters from Europe under the envelope and covering letter of His Excellency the Baron van Haesten, Ambassador of the State at the Sublime Porte, and have the honour to be with all respect and fidelity. Below stood: High Noble, Grand Honourable, Widely Commanding Lords and Most Noble Severe Lords, Your High Noble Honours' most humble and faithful servant. Was signed: J. G. van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 22nd of January 1782. Lower down: P.S. After this had already been closed, there arrived here with a native vessel from Muscat the Military Captain George Fornbauer, who, together with fellow Captain Freedrich von Sauer, was sent overland to India on the 3rd of January 1781 by the Lords Directors of Amsterdam 659 with the first news of the war. Von Sauer had arrived here a few days earlier with a native vessel from Surat, but without dispatches, as he had had to throw them into the water in the roadstead of Bombay, owing to the treachery of the Portuguese skipper of the vessel on which he crossed; but Fornbauer delivered his properly, of which I have the honour to send copies herewith. Both captains will each individually deliver an accurate report of their journey and experiences, of which I can mention only the following: they separated at Alexandria; von Sauer took the route via Grand Cairo to Suez, and from there to Mocha; here he hired a vessel to go to Surat, but the Portuguese skipper, who believed he had discovered something, brought him to Bombay in the hope of a rich reward for his treachery, which was foiled by the throwing away of the letters. He, Sauer, had to remain in Bombay for some time, was subsequently sent to Surat, and detained there for three months, but as nothing was discovered, he finally received permission to depart for this place. Fornbauer went via Aleppo, Baghdad, and Basra to Muscat, from whence he arrived here. Both met with great hindrances everywhere along the way from the English consuls and commission agents, who must have had notice of this mission, or at least suspected something of the kind, as such measures had been taken by them everywhere against it that they could not possibly continue their journey with greater speed. Agrees. Adriaan Poolvliet, First Clerk. No. 1. 660 I make use of this opportunity, as Senior Izaak Surjon departs for Calicut, to inform your Honour that I have arrived here in place of Mr. Adriaan Moens and have assumed the Government; and that I wholeheartedly wish that the disputes between the Honourable Company and the Nabab Haider Alichan may be settled, and that we may live together in good friendship and harmony. I hope that your Honour may also be so disposed, and that the Nabab may give your Honour full power to enter into negotiations with me concerning this, and I doubt not in the least that we shall swiftly settle everything. We are at war in Europe with the English, and shall therefore also shortly have war with them in these regions; it is therefore as good for the Nabab as for us that we live together in peace and friendship, in order the better to act against our common enemies. To Mr. Cardarchan, Governor of Calicut. Sir! 663 R Senior Izaak Surjon will confer with your Honour further concerning this, to which end he has been instructed by me. I have the honour to be, below stood: Sir, your Honour's obedient servant. Was signed: P. G. van Angelbeek. In the margin: Koetsiem, the 3rd of August 1781. Agrees. Adriaan Poolvliet, First Clerk.

Dutch transcription

658. thans ook veel minder grond, tot ons voorig vermoeden, dat onze vijanden te Bombaij dit Jaar niet in staat zijn zouden, om de beleegering van koetsrem te onder„ „neemen, maar moeten zulx veel meer thans da„ „gelyx verwachten, te meer wijl de verzending van zoo veel milietsie van Bombai naar Tellitcherij een zeer waarschijnlijk bewijs uijtleeverd, dat de Engelschen aldaar in hunne onderhandelingen met de Maratten over den vreeden zullen recisseeren, of ten minsten zoo verre gevorderd zijn, dat ze van henl: geene vijandige daadelykheeden te wachten hebben. weshalve wij ons daar toe nu ook nader bereiden, en heeden beslooten hebben, met het afbreeken van de timmerwerff en verdere op„ „stallen op Galwetti en van de huisen e tuinen te dicht onder de vesting staande, dadelijk te be„ „ginnen. De Gekommitteerden, Resident en scriba, die zich van wegen het Ministerium van kormandel bij den Nabab Haider Alichan in 't leger bevinden, hebben, mits de overgave van Nagapatnam, zich aan mij en den raad geaddresseerd en verzocht, om raad hoedaanig zij zich verder zouden hebben te gedraagen, wijl: gem: Nabab henl: niet wilde laaten vertrekken, als mede om vierduizend sterpagooden, tot het goedmaaken hunner onkosten wij hebben daar op geantwoordt. Dat, dewijl Nagapatnam verlooren, en het Goeverne„ „ment, waar van zij dependeerden, / ge'exstinqueerd was, hunne kommissie ook eo ipso vervallen en te niet gegaan was, en zij dus niet verder bij den Nabab te verrichten hadden, en dus zijn Hoogheid dienden te verzoeken, om een veilig Transport naar herwaarts. - en op 't verzoek om geld hebben wij dezelven gequa„ „lificeerd om op ons wissels te trekken voor zodanige som, als zij volstrekt zouden noodig hebben - - zoo als vw Hoog edelheeden dit omstandiger kunnen nagaan bij de kopijen van deeze korrespondentsie meede onder de bylaagen overgaande. Laastelyk voege ik hier noch bij eenen brieff van onzen Heeren en Meesters uit Europa ontvangen onder het koevert en de geleide letteren van zijn Exellentsie den Heer Baron van Haesten Ambassa„ „deur van den staat bij de Hooge Poorte, en hebben de eere met alle eerbied en trouwe te zijn. /onderstond:/ Hoog edele groot achtbaare, wijd gebiedende Heer en Wee Edele Gestrenge Heere UWer Hoog edelheeden onderdanig„ „/was getekend/ J: G: van Angselbeek „ste en getrouwe Dienaer„ /in margine/ Koetsiem den 22 Jann: 1782. — /lager:/ P: S: Nadat deese reets geslooten was, quam hier met een inlandsch vaartuijg van Maskette aan, de kapitain Militair George Fornbauer, die nevens den mede kapitain Freedrich von Sauer, op den 3. ' Januari 1781 door Heeren Bewindhebberen van Amsterdam over Dat. land 659 land naar Jndien gezonden is met de eerste tijding van den oorlog, von Sauer was hier eenige dagen vroegen aangekomen, met een inlandsch vaartuig van Soeratte, doch zonder depeches, alzoo hij dezelven had moeten in 't water werpen op de rheede van Bombai, wegens verraad van den Portie geeschen schipper van het vaartuig, daar hij mede overging, doch Fornbauer heeft de zynen richtig besteld, waar van ik de eere hebbe de afschriften hier nevens te zenden. - Beide kapitains zullen ieder in 't be„ „zonder een nauwkeurig bericht leeveren van hunne reize en wedervaaren, waar van ik eenlijk het volgende melden kan, zij hebben zich te Alexandrien gesepareerd, von sauer nam de route over groot- Kairo naar Suez en van daar naar Mocha, hier huurde hij een vaartuig om naar soeratte te gaan, doch de Portugeesche schipper die iets meende ontdekt te hebben, bragt hem naar Bombai, in hoope van een rijke beloning voor zijn verraad, het welk veriedeld werd, door het wegwerpen van de brieven Hij sauer, moest eenigen tijd te Bombai blijven werd vervolgens naar Soeratte gezonden, en daar drie maanden opgehouden, doch wijl men niets ontdekte kreeg hij eijndelijk verlof om naar deeze plaats te vertrekken, Fornbauer ging over Aleppo, Bagdad en Bassora naar Maskette van waar hij hier gekoomen is. Beide hebben onder weg over al groote hindernissen ontmoet, door d' Engelsche konsuls en kommissianten, die van deeze bezending licht moeten gehad, of ten minsten iets dergelyx vermoedt hebben, wijl door henl: daar tegen over al zulke maatregelen genoomen waaren, dat ze hunne reize onmogelijk met meerder spoed kosten voortzetten: Adriaan Poolvhert Akkordeerd Egklerk. d' Engelsche N„o 1. 660 Ik bediene mij van deeze Gelegenheid dat S=r Izaak Purjon naar Kalikut vertrekt, om uw weled: kennis te geeven, dat ik hier aangekoomen ben insteede van den Heer Adriaan Moens, en het Goevernement aangetreeden hebbe; en dat ik van harten wensche, dat de Geschillen tusschen de Edele Komp: en den Heer Nabab Naider Alichan mo„ „gen afgedaan worden, en dat wij met elkanderen in goede vriendschap en harmonie moogen leeven; Jk hoope dat uw Ed: ook zoo gezint mag zijn, en dat de Heer Nabab uwEd: volmacht geeve, om met mij daar over in onderhandeling te treeden, en ik twijffele geen zints, of wij zullen wel schielijk alles afdoen. wij hebben in Europa Oorlog met de Engelschen, en zullen die dus ook eerlange met hen krijgen in dee„ „ze gewesten, het is dus zoo wel voor den Heer Nabab goed als voor ons, dat wij te zaamen in vreede en vriend Mijn Heer! Goeverneur van Kalikut. Aan Den Heer Cardarchan te „schap leeven, om te beeter tegen onze gemeene vijanden 663 R Ed: gehoorzaame dienaar was Geteekend:/ P: G: Van Angelbeek Ik hebbe de eere te zijn /onderstond/ Mijn Heer uwer „der onderhouden, waar toe hij van mij is geinstrueerd. te ageeren. S=r Izaak Surion zal uw Ed: daar over na„ Adriaan Pootliet Egklerk /in margine / Roetsiem den 3 Aug=s 1781:— Akkordeerd

NL-HaNA_1.04.02_3618_0262 view scan ↗

English

No 3. 661. Sir Through Mr Izaak Surson, I have received Your Honour's welcome letter, and I am very glad of Your Honour's arrival and assumption of government, although Your Honour has the ability for a higher office according to the assurances of Mr Izaak Surson. I wish that Your Honour may demonstrate your ability in this region, so that I and the Nabab here may enjoy the glory of having so good and faithful a friend, in order to subdue our enemy, the English. Regarding the alliance that Your Honour and the Honorable Company wish to conclude with me and the Nabab, I have written to him, and in the manner in which I have written, without flattery, I dare assure Your Honour that I shortly expect a favorable answer from that lord, as I know that the said Nabab also attaches great importance to dealing with the Dutch in the same manner as with the French; and neither Your Honour nor the Honorable Company should refuse to conclude the alliance in the same manner as the French, that is, to be assured among themselves that they are all brothers and ought to act as such, helping one another on whatever occasion necessity should require it. All further matters I have discussed with Mr Izaak Surson, who will likely also write the same to Your Honour, and Governor of Cochin J. van Angelbeek especially 661 H also report in particular that as soon as the answer of the Nabab comes into my hands, I shall immediately give notice thereof to Your Honour, in order to ratify our alliance at once without hindrance, and without us needing to doubt in any way, through the willingness that we have for this on behalf of our sovereigns, the Nabab and the Honorable Company. Meanwhile, Your Honour will please be mindful not to allow the people of Tellicherry, who are in your city and subordinate places, to depart, nor permit them to go with goods to Tellicherry, these being lands of our enemies. Above all, I wish Your Honour good health, much happiness, and tranquility in Your Honour's government, and I am very, yes, very much obliged to Your Honour for the bottle of cinnamon oil, an item that I value greatly, not only for its virtue, but also because it was sent by Your Honour. Be ever assured that I remain in everything most ready to please Your Honour. May God preserve Your Honour for a length of years. Below was written: Your Honour's humble servant. Was signed with some Moorish characters. In the margin: In the camp near Curretse, the 15 September 1781. Adriaan Poolvliet Clerk Agreed No 4. 662 Although it appears to me that the Nabab is not informed of the war that the Honorable Company has against the English, nor of the alliance that the said Company desires to conclude with him, I nevertheless consider myself obliged, as the nearest neighbour, to write this. News was brought to me today that the English ships are cruising from the lands of Cranganore to Cochin; as also that Travancore is preparing his people against the Honorable Company. I advise Your Honour: if this should be true, let me know, and I will send two or three thousand men, and if this should not be enough, I will go thither personally and inquire of him, Travancore, regarding the audacity he has to set himself against the Honorable Company. Therefore, I request Your Honour not to let me miss this good opportunity that I have to show my goodwill to serve the Honorable Company, and to take cognizance of our enemies. Your Honour must not doubt the power To: Johan Gerard van Angelbeek, of the Nabab to provide troops to whoever comes to request them, and therefore, as soon as I receive Your Honour's answer, I will give notice when I am ready. Do not think, Your Honour, that I am occupied with Tellicherry and cannot go thither to help Your Honour; that is not so, for at the very time Your Honour needs me, Your Honour will find me at your side, not only to defend against our enemies, but even to penetrate into their lands and make them experience the power of the Nabab and of the Honorable Company. Thus Your Honour must know that I do not take Tellicherry, not because I cannot, as everyone knows, but out of compassion toward its people, to see whether they will not leave without us having to kill them. And having nothing more to write at present, I remain ready to give Your Honour satisfaction. May God preserve Your Honour for many years. Below was written: Your Honour's friend and very humble servant. Was signed with some Moorish characters. In the margin: In the camp at Curretse, the 24 September 1781. Agreed Adrian Poolvliet

Dutch transcription

N„o 3. 661. Mijn Heer Ik heb door den heer Izaak Surson ontvangen den ge„ „wenschten brief van UwEd: en ik ben zeer verblijd, over UwEd: komste en opvreeding in de reegering, of schoon UwEd: be„ „kwaamheid heeft, tot grooter ampt volgens verzeeke„ „ring van den Heer Kaak Surson - Jk wensch dat uw Ed: desselfs bequaamheid laat blijken in dit gewest, op dat ik en de hier Nabab de glorie mogen genieten van eenen zo goeden en getrouwen vriend te hebben, om onze vijand de Engelschen te onder te brengen Onder de aliancie, die UwEd: en de Donorable Kompanie wenschen te maaken met mij in den heer Nabab, heb ik aan hem geschreeven, en op de wijze; als ik geschreeven heb /:zonder vleierij:/ durve ik UwEd: verzeekeren, dat ik binnen korten een „goed antwoord van dien seer verwachten, wijl ik weet dat gem: heer Nabab ook groot belang steld, om op dezelf de wijze /:met de Hollanders:/ te handelen als met de fransschen, en uwEd: noch de Honorable kompanie behoord niet te weigeren de aliancie te maaken op dezelfde wijze als de franschen, dat is bij zich zelve verzeekerd te zijn, dat ze alle, die broe„ „ders zijn en als zodanig behooren te handelen, helpende de een den anderen in wat voor geleegentheid het zij, daar den noodzaakelijkheid, komt te vereisschen. Alle het verdere heb ik met den Heer Izaak Surson gesprooken die het zelve denkelijk ook aan UwEd: zal schrijven en Goeverneur van Koetsiem . J. van Angelbeek inzonderheid 661 H inzonderheid ook melden dat, zoo dra het antwoord van den Heer Nabab in mijne handen komt, Mer aan UwEd: Kennis„ „se van geeven zal, om ten eersten onze aliancie te bekragtigen zonder, hindernisse, en zonder dat wij eenigzints behoeven te tuijfelen, door de gewilligheid die wij daar toe hebben van wee„ „gens onze souverainen de Heer Nabab en de honorable Kom„ „panie. - UwEd: gelieve middelerwijle daar op verdagt te zijn, om het volk van Jallischerij, het welk zich in uwe stad en onderhoorige plaatsen bevind, niet te laaten vertrekken, noch staa hen toe om met goederen naar sallischerij te geean als zijnde landen van onze vijanden. Boven al wensche ik UwEd: goede gezondheid, veel geluk en gerustheid in UwEd: regeering, en ik ben UwEd: zeer Ja zeer verpligt voor het flessen met Kaneel olie, een ding die ik zeer wardeere niet alleen om zijne deugd, maar ook om dat het door Uw Ed: is gezonden Weest UwEd seeds verzeekerd, dat ik blijf in allesen alles om UwEd: te behaagen volvaardiglijk: Jod, bewaare UwEd: tot een lengte van Jaaren /:onderstond:/ UEd: nedrige die„ „naar /:was geteekend:/ met eenige moorsche karakters /:in margine:/ In het Camp bij Curretse den 15 Septemb: 1781 Adriaan Pooheler Reklork Akkordeerd N. o 4. 662 Alschoon het mij toeschijnt dat de Heer Nabab niet g'informeerd is van den oorlog die de Honora„ „bel kompanie heeft tegens de Engelschen, nog ook van de aliantsie die gem: kompenie begeerd met hem te maaken, egter acht ik mij als naaste Buurman verplicht om deezen te schrijven Bij mij is dan op heeden tijding gebragt dat de Engelsche scheepen zijn kruissende van de landen van Kranganoor tot koetsiem; als ook dat Jraankoor, prepareerd zijn volk tegens de Honorabel kompanie, ik adverteere uwEd: zoo dit waar mogt zijn, laat mij weeten, dan wil ik zenden twee of drie duizend man, en zoo dit niet genoeg mogt zijn, dan zal ik perzoonelijk derwaards gaan en van hem Jrevankoor verneemen, wegens de Htoutmoedigheid die hij heeft van zig te stellen tegens de Henorabel kompanie: derhalven verzoek ik uwEd: mij niet te doen ontslippen deeze goede geleegenheid die ik heb, om te toonen mijne goede wille deze Honorabel kompanie, te dienen, en te neemen kennisse van onze vijanden UwEd: moet niet twijffelen aan het vermoo„ Mijn heer Johan Gerard van Angelbeek, gen „gen van den Heer Nabab volk te geeven die komt te begeeren, en daarom, zoo dra ik van UwEd: ant„ „woord erlange, zal ik kennisse van geeven tot wan„ „neer ik gereed ben. Denkt niet uwEd: dat ik mijn bezigheid heb met Jallicheri, en derwaards niet kan gaan om UwEd: te helpen, dat niet, want ter zelver tid dat uwEd: mij noodig heeft, zal uw Ed: mij bij uwEd: vinden, niet alleen om tegens onze vij„ „anden te verdeedigen, maar ook selfs, om in hunne landen te dringen; en hen te doen ondervinden het vermoogen van den Heer Nabab en van de Honorable kompanie, dus moet uw Ed: weeten dat ik Tallicheri niet neeme, niet dat ik het niet en kan, zoo als ieder een weet maar wel uit meedoogen omtrend zijn volk te zien of ze niet zullen weg gaan, zonder dat wij hen behoeven te dooden. En wijl thans niets meer heb te schrijven zoo blijf ik om UWEd: genoegen te geeven met volvaar„ „digheid, God bewaare UwEd: lange jaaren /:onder„ „stond:/ UWE: vriend en zeer ootmoedige Dienaar /:was gets:/ met eenige moorsche karakters /:in margine:/ In het kamp te koeretje den 24. September 1781. Akkordeerd Adrian Bolpler

NL-HaNA_1.04.02_3618_0266 view scan ↗

English

No. 5. 663 To Mr. Sarder chan Governor of Kalikul Sir I have had the honor to receive your pleasant letters of the 15th and 24th of September and seen from them with pleasure that Your Honor has immediately written to the Lord Nabab and firmly trust that His Highness will also be very inclined to settle the disputes that arose here some time ago between him and us. I do not doubt this either, for the matters over which those disputes arose are of minor importance; on the other hand, it is presently of the greatest consequence for both that we become good friends together, in order to subdue the English, who are our common enemies. I doubt this so much the less because the Lord Nabab has already concluded a contract with us on the Coromandel Coast, and lives with us in good friendship and close alliance. I am also assured that Your Honor will share with me immediately the news that Your Honor is to receive from the Lord Nabab, and if the Lord Nabab is inclined toward the alliance, and Your Honor receives orders to treat with me about it, then it will be best that I and Your Honor speak with one another about it in person at Aikotta or at Kranganoor, if it pleases Your Honor 664 to come to me there, for then matters can not only be settled much more quickly than by letters or through emissaries, but I would also gladly speak with Your Honor in private about matters that others may not know. If Your Honor can therefore approve of this, I request to know which of the two places Your Honor prefers and when I should come there. I will ensure that Your Honor will enjoy every comfort and a good reception there. Your Honor requests of me that I do not allow the people of Tallitschere who are here to depart, nor allow them to go to Tallitscheri with goods. I reply to this that since the war I have forbidden provisions to be transported thither, and that on the contrary I detain everything that comes from there; six weeks ago the second of Tallitscheri arrived here with two shibars to purchase provisions; I took him prisoner of war and had the vessels publicly sold. From your last letter I see with joy that Your Honor means well with us and is ready to assist us, for which inclination I heartily thank Your Honor. Koetsiem is a very strong fortress and is now being fortified with all diligence; the English fleet still lies on the other side and cannot come here before November, and even if it comes, it is nevertheless not capable or powerful enough to attack Koetsiem; I also hope that in the coming year the Dutch warships will appear in these regions and drive the English away. The Raja of Trevankoor is an old ally of the Honorable Company and will undertake no hostilities against us; I even hope that he, as well as the Raja of Koetsiem, who is the first and oldest ally of the Honorable Company, will also be included in the treaty that the Honorable Company seeks to enter into with the Lord Nabab, and this is precisely one of the points as well about which I would gladly treat with Your Honor in person. All the rest Mr. Jzaak Surjon will tell Your Honor verbally. I greatly long to meet Your Honor in person and declare with all respect to be, it stood below: Your Honor's sincere friend and obedient servant, was signed: J: G: van Angelbeek, in the margin: Koetsiem the 3rd of October 1781. Agreed Adriaan Bootvliet Clerk The 69 . No. 6 665 To Mr. Johan Gerhard van Angelbeek Governor of Koetsiem Sir. I have today received Your Honor's letter of the 3rd of October and seen thereby what Your Honor writes to me. Your Honor must take good care regarding the fort at Kranganoor and not be careless, because it lies in my neighborhood, for the enemy, seeing the carelessness, could land there; it is certain that he will not be able to accomplish anything, yet it is not good to give him a taste for landing. The King of Koetsiem will send me two thousand men; if Your Honor wants five hundred of them, I will send an order to give them to Your Honor, or if Your Honor wants me to send them from here, then I will provide Your Honor with as many of them as Your Honor wants, all according to Your Honor's commands, as they can be used to keep watch outside and Your Honor's people inside. I have already written this same to Your Honor, that needing anything from here, merely to ask, as I will also ask of Your Honor what I might need, since I know that nothing will be lacking from the friendship that we profess. The report that Your Honor desires to have from the Lord Nabab, I share: that on the Coromandel Coast a chief commander has gone to Nagoer

Dutch transcription

N„o 5. 663 Aan den Heer Sarder chan Goeverneur van Kalikul Mijn Heer Ik hebbe de eere gehad uwe aangenaame brieven van den 15=de en 24ste September te ontvangen en daar uit uit met genoegen gezien, dat UwEd: ten eersten aan den Heer Nabab heeft geschreeven en vast vertrouwd, dat zijne Hoogheid ook zeer geneegen zyn zal, om de geschillen die voor eenigen tijd tusschen Item en ons alhier gereezen zijn, bijteleggen, Ik twijffele daar ook niet aan, want de zaaken, waar over die geschillen ontstaan zijn, zijn van gering belang daar en tegen is het voor beide thans van de grootste aangelegenheid, dat wij te zaamen goede vrienden worden, om de Engelschen die onze gemeene vijanden zijn, te onder te brengen. Jk twijfele hier om zoo veel te minder aan, wijl de Heer Nabab reets op de kuste Kormandel met ons een kontrakt geslooten heeft, en met ons in goede vriendschap en nauwe alliancie leeft; Jk ben ook verzeekerd, dat uwEd: my de tijding, die uwel Ed: van den Heer Nabab staat te ont„ „vangen, ten eersten zal bedeelen, en als de Heer Nabab tot de alliancie geneegen is, en uwEd: last krijgt om daar over met mij te handelen, zoo zal het best zijn, dat ik en uwEd: daar over met malkander in persoon spreeken te Aikotta of te kranganoor, indien het uwel edele 664 Uweledele behaagd, om daar bij mij te koomen want dan kunnen de dingen niet alleen veel spoediger afgedaan worden, als bij brieven of door zendelingen, maar ik wilde UwEd: ook gaarne onder vier oogen spreeken over zaaken, die anderen niet weeten mogen. Jndien uwEd: dit derhalven goed kan vinden, zoo verzoeke, ik te weeten, welk van de twee plaatsen uwEd: verkiest en wanneer ik daar koomen moet. Jk zal zorgen dat UwEd: daar alle gemak en goed onthaal zal genieten uwEd: verzoekt mij dat ik het volk van Tallitschere het welk zich hier bevindt niet zal laaten vertrekken noch hen toestaan datze met goederen naar Tallitscheri gaan, ik antwoorde hier op dat ik zeder den oorlog verboden hebbe leevensmiddelen daar na toe te voeren, en dat ik integendeel al wat van daar komt aanhoude voor ses weeken geleeden quam hier de sekunde van Tallitscheri met twee sibaars om provisien te koopen ik heb hem krijgs gevangen gemaakt en de vaartuigen opentlijk doen verkoopen Uit uwen laatsten brief zie ik met blijdschap dat uw Ed het wel met ons meent en bereid is om ons bij te staan„ voorwelke geneegenheid ik uwEd: hartlijk danke. Koetsiem is een heel sterke vesting en word nu noch met alle vlijt meer bevestigd, D' Engelsche vloot legt noch aan d'andere zijde en kan hier voor November niet koomen en al komt zij, zoo is zij doch niet in staat of machtig genoeg om koetsiem aante lasten, ook hoope ik dat in 't aanstaande Jaar de Hollandsche Oorlogs-scheepen in deeze gewesten verschijnen ende Engelschen verdrijven zullen. De Rasia van Trevankoor is een oude Bondgenood van de Ed: komp: en zal geene vijandigheeden tegen ons onderneemen, ik hoope zelfs, dat hij zoo wel als de Rasia van koetsiem die de eerste en oudste Bondge„ noot van d' Ed: komp: is, meede begreepen zal worden in het Traktaal, dat de Ed: komp met den Heer Nabab zoekt aantegaan, en dit is Juist een van de punten mede waar over ik gaarne mondeling met uw Ed: wilde handelen Al het overige zal de heer Jzaak Surjon uwEd: mondeling zeggen, Ik verlange zeer uwEd: in perzoon te ontmoeten en betuige met alle achting te zijn /:onderstond/ UwEd: opregte vriend en gehoorzaame dienaar /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek /in margine:/ Koetsiem den 3. Oktober 1781: Akkordeerd Adriaan Bootvliet Enklock De 69 . N. o 6 665 Aan den Heer Johan Gerhard van Angelbeek Goeverneur van Koetsiem Mijn Heer. Jk heb heden ontvangen uw Ed: brief van den 3. ok„ „tober en daar bij gezien wat uw Ed aan my schryft uw Ed moet goede zorge draagen omtrend het fort te kranganoor en niet zorgeloos zyn, om dat 't legd en mijne buurte, want de vijand ziende de zorgeloosheid zoude aldaar kunnen landen het is zeker dat hy niets zal kunnen uitrechten, doch 't is niet goed dat men hem de smaak geift in het landen, De koning van koetsiem zal aan mij twee duizend man zenden zo uw Ed daar van vyfhonderd hebben wil, zal ik order zenden, om aan uw Ed te geeven of zoo uw Ed wil dat ik die van hier zende, dan zal ik uw Ed zoo veel van besorgen als uw Ed wil, alles volgens uw Ed beveelen, wijl ze kunnen gebruikt worden, om de wacht te houden buiden en uw Ed volk binnen dit zelfde heb ik al reets aan uw Ed geschreeven, dat iets van hier nodig hebbende maar te vraagen wijl ik ook van uw Ed vraagen zal wat ik noodig mogt hebben, alzoo ik weet dat niet onbrooken zal uit de vriendschap die wy belijden Het bericht dat uw Ed begeerd te hebben van den Heer Nabab bedeele ik, dat op de kust kormandel naar Nagoer gegaan is een hoofd kommandant

NL-HaNA_1.04.02_3618_0269 view scan ↗

English

666 by name Daoelkan, my friend, with twelve thousand men sent by the Lord Nabab to assist Your Honour's Company against the English, and the said Lord Nabab is ready to send as many men as are requested, as well as everything else the Company might need, and Your Honour must not think that I will be negligent in doing the same, as also Your Honour, since we are obliged to follow our masters in this. I have received no answer from the Lord Nabab until now; as soon as I obtain it I shall inform Your Honour in order to go thither and meet Your Honour personally. Do not doubt that I will always do as Your Honour desires, and now that I am here and Your Honour there, we can render better service by informing one another of all movements and reports that arise, through letters that should be sent overland and will arrive sooner, for I shall send mine to Kranganoor and Your Honour must keep your people there to receive them and deliver them to Your Honour. I have my own people there to receive and deliver the letters without delay. One of these days the fleet will go out from here to cruise; when it arrives there and should need anything, Your Honour will please give it to them as a friend, but first inform me what sign Your Honour desires my vessels to carry so they can be distinguished from those of the enemy, since flags alone are not to be trusted in wartime. I wish Your Honour good health, assuring that Your Honour will always find me ready according to your desire. At Tjawckatte and Ramagarij five hundred horsemen are ready at all times that Your Honour might need them; let me know and I will send them at once without delay. Send the letters to Modtotij, where I have people to forward my letters. I inform Your Honour that when my fleet or any vessels sail out, it might happen that they meet the enemy and, having no power to hold out against him, are forced to go under Your Honour's flag, in which case Your Honour will take them under Your Honour's protection, defend them, provide them with necessities, and inform me of everything that occurs, as I am prepared to do the same. Your Honour says you wish to have a place prepared for our meeting; this is not strictly necessary, for when I go my provisions will also follow, and the place is the same wherever we meet. I have report that people are going to transport provisions from Pallichery to Anjenga; Your Honour must put cruisers to sea. I am now also having the same done to capture the vessels. I profess to be, below stood, Your Honour's great friend and humble servant, was signed with some Moorish characters. In the margin: P.S. I have written that that I have report that Your Honour has taken two vessels of Tallicherij with the second from there, and that a public auction was held of those vessels. With this news the Lord Nabab will be rejoiced. Lower: In the Camp of Tallicheri, the 14th of October 1781. Agrees, Adriaan Bool, First Clerk. 667. Sir, To the Lord Sardarchan, Governor of Calicut. No. 7. I receive report from the commander of our camp at Aikotta that the Moor Markar, who handles the affairs of the Lord Nabab on the other side of the river, has written to him that the Lord Nabab had sent a person to act as supervisor over the ferries, and that therefore the ferry at Aikotta must also be surrendered to the same. The Rajah of Kranganoor, who unfortunately had to lose his lands during the disturbances, has nevertheless retained that ferry until now, and since he is a friend and vassal of the Honourable Company, and therefore ought also to take part in the treaty of peace and friendship which I hope to conclude with Your Honour on behalf of our high sovereigns, I request Your Honour to order the said Markar not to interfere with this ferry. Upon the news that the English at Anjengo were preparing seven tonies with goods for Tellicherry, I have sent out our cruisers to capture them. I wish Your Honour health and remain with much respect, below stood, Sir, Your Honour's obedient servant, was signed, J. G. van Angelbeek. In the margin: Cochin, the 18th of October 1781. Agrees, Adriaan Poopsket, Clerk. No. 8. 668 I have received Your Right Honourable's letter and understood its contents. The French Resident of Calicut is in great need of some provisions, for which purpose he will send his people to Cochin to collect various items; therefore I request Your Right Honourable to lend him a helping hand in this. Because the Dutch and the English are now in discord, the Travancorean together with the English seeks to initiate some hostilities against the Dutch, for the English have already taken some places from the Dutch, leaving currently only the cities of Nagapatnam and Cochin free. The Governor and Council of Nagapatnam are gentlemen of great knowledge, and they have mounted a strong defense against the enemy with the assistance of the Nabab, and in the same manner Your Right Honourable ought also to act, employing the required capacity in all things for the mutual welfare, as they have done at Nagapatnam. Translated Marathi letter written by Sardarchan to the Right Honourable Lord Commander, 1781, the 28th of October 1781.

Dutch transcription

666 bij naame Daoelkan mijn vriend met twaalf duizend man gesonden door den Heer Nabab tot hulp van uw Ed kompanie tegen de Engelschen en gem: Heer Nabab is gereed te zenden zoo veel volk als ge„ „vraagd word, ook alles wat verder de komp noodig mogt hebben en uw Ed moet niet denken dat ik na „laatig zal blyven om het zelfde tedoen gelyk ook uw Ed wijl wij verplicht zyn onze meesters daar in te volgen Ik heb tot noch toe geen antwoord van den Heer Nabab ontvangen zo dra ik erlange zal ik uw Ed kennis van Geeven om derwaards te gaan uw Ed perzonelijk te ontmoeten, twijfel niet dat ik altoos als uu Ed begeerd doen zal, en nu dat ik hier ben en uw Ed daar kunnen wij beeter dienst doen bedeelende de een den anderen van alle beweegin„ „gen en berichten die voorkomen door brieven die over land dienen gezonden teworden en spoediger in han„ „den koomen want ik zal de mijne naar krangemoor zenden en uw Ed moet zyn volk aldaar laaten omze te ontvangen en aan uw Ed te bezorgen, ik heb aldaar eigen volk om de brieven te ontvangen en te bezorgen zonder uitstel Deezer dagen zal van hier de vloot uitgaan om te kruissen wanneer hij aldaar komt en nodig mogt hebben eenige dingen geeft uw Ed hen die als vriend doch bedeeld mij eerst, welke teeken uw Ed begeerd dat mijne vaartuigen voeren zullen om te kunnen onderscheiden van die van den vijand dewijl aan de vlaggens alleen niet te betrouwen is in oorlogs tijd Ik wensche uw Ed veel gezondheid verzeeke„ „rende dat uw Ed mij altoos volvaardig zal vinden naar begeerte op Tjawckatte en Ramagarij zijn vijf honderd Ruiters gereed ten allen tijden dat uw Ed noodig mogt hebben laat mij weeten zal ik ten eersten zonder uitstel toezenden de brieven zend die op Mod „totij alwaar ik volk heb om mijne brieven voort te „porten Jk adverteere mwEd dat wanneer mijn vloot of eenige vaartuigen uitzeild, zoude het kunnen gebeuren dat ze den vijand ontmoet en geen macht hebbende om tegen hem te houden genoodzaakt worden te gaan onder uw Ed vlag in welk geval neemt uw Ed hen onder uw Ed bescherming verdeedigt hen bezorgt hen het noodige en bedeeld my alles wat voorvalt, alzo ik 't selfde staa te doen uw Ed: zegd een plaats te willen, laaten maaken tot onze ontmoeting, dit is zoo zeer niet noodig want als ik gar zullen mijne toeberadzelen ook volgen, ende plaats is de„ „selfde waar wij ontmoeten Ik heb naricht dat volkeren van Pallichery naar Anjenga gaan mondbehoeftens vervoeren uw Ed. moet kruissers in zee stellen ik laat nu ook zulx doen, om de vaartuigen te bemagtigen, Jk betuige te zijn /:onderstond:/ uw Ed„s groote vriend en on„ derdanige Dienaar /:was getver: / met eenige moorsche karachters /in margine:/ P: S: Ik heb geschreev en dat dat ik naricht heb dat uw Ed heeft genoomen twee daar en dat er venduntsie gehouden is van die vaartuigen, Met deeze tijding zal de Heer Nabab verheugd worden /:lager:/ In 't Camp van Tallicheri vaartuigen van Tallicherij met de sekunde van Akkordeerd Adriaan Bool t Egklerk den 14: oktober 1781. 667. Ik krijge van den kommandant van ons kamp bij Aikotta bericht, dat de Moor Markar„ die aan de overzijde van de revier de zaaken van den Heer Nabab waarneemt, aan hem geschreeven heeft, dat de Meer Nabab een par„ „zoon had afgezonden, om als opzichter over de overvaarten te ageeren, en dat dus de overvaart bij Aikotta ook aan denzelven moet afgestaan de Rasia van kranganoor, die zijne landen geduurende de onlusten ongelukkiger wijze heeft moeten missen, heeft echter tot nu toe die overvaart behouden en wijl hij een vriend en vasal van de Ekomp: is, en daarom ook behoord deel te neemen aan het traktaat van vreede en vriendschap, het welk ik met uw Ed. van weegens onze hooge souverainen, hoope te maaken, zoo verzoeke ik uwEd. om gemelden markaar te gelasten zich net Mijn Heer Aan den Heer Sardarchan N.o 7. Goeverneur van Kalikoet worden. deeze overvaart niet te bemoeien. zeeven tonies klaar maakten met goederen voor Jellitscherie, hebbe ik onze kruitsers uitgezonden, om dezelven weg te neemen. Jk wensche uwEd: gesondheid en blijve met veel achting /:onderstond:/ Mijn Heer, uwEd. gehoorzame dienaar /:was getekend:/ J. G: van Angelbeek /in margine:/ Koethiein den 18=e op de tijding dat de Engelschen te Ansjengo Oktober 1781. — Akkordeerd Adriaan Poopsket Eyklke N. o 8. 668 Uewel Edele Agtb: brief heb ik ontfangen, en dies Jnhoud verstaan; de france Resident van Calicoit is seer verleegen om eenige levens„ „middelen, ten welken fine hij zijn volk na Cochim senden zal, om het een en ander afte„ „halen, dierhalven versoeke ik uwel Ed: Agtb: hem daarinne de behulpsame hand tebeeden; ver„ „mits nu de hollandere ende Engelsen in oneenig„ „heeden zijn, soekt elen Grevancoorder met de En„ „gelsen te samen tegens de hollanders eenige hosti„ „liteijten te beginnen, want de Engelsen hebben reets eenige plaatsen van de hollanders weg geno„ „men, blijvende thans maar alleenig vrij de stee„ „den van Nagapatnam en Cochim den gouver„ „neur en Raad van Nagapatnam zijn heeren van Groote Kennisse en zij hebben sterke degentie tegens den vijand gedaan met assis„ „tentie van den Nabab en in dierselver voegen dient uwel Ed: Agtb: ook te doen in alles de ver„ „eijschte Capaciteijt tegebruijken, tot wel zijn van weder zijden, zoo als zij op Nagapatnam gedaan 17n4: den 28. 8ber 1781: wel Ed: agtb Heer Commandeur door Pardarchan gesz: aan den Translaat Marattase brief hebben

NL-HaNA_1.04.02_3618_0274 view scan ↗

English

No. 8. 668 I have received Your Right Honourable's letter and understood its contents; the French Resident of Calicoit is in great need of some provisions, for which purpose he will send his people to Cochim to collect various things; therefore, I request Your Right Honourable to lend him a helping hand in this matter; since the Dutch and the English are now at odds, the Travancorean seeks to start some hostilities together with the English against the Dutch, for the English have already taken away some places from the Dutch, with only the cities of Nagapatnam and Cochim remaining free at present; the Governor and Council of Nagapatnam are gentlemen of great knowledge, and they have mounted a strong defence against the enemy with the assistance of the Nabab, and in the very same manner Your Right Honourable ought also to do, employing all required capacity for the well-being of both sides, just as they have done at Nagapatnam. Received the 28th of October 1781: Written by Sardarchan to the Right Honourable Lord Commander Translation of a Marathi letter If anything here may be of service to Your Right Honourable, please let me know through the channel of Izaak Suriom; may Your Right Honourable be mindful to assist Nagapatnam in whatever they might be lacking, and they will not fail to do the same in a similar case. Agreed. Adriaan Poophet, clerk. No. 9 669 To the Lord Johan Gerard van Angelbeek, Governor of Koetsiem. Friend and Lord, Today I have received two letters from Your Right Honourable, one of the 11th instant and the other of the 18th following; in the first, a request was made to me to grant passage to two pattamaars, who have not yet arrived here, but I have given orders that at whatever place they might arrive, free passage is to be granted to them; in the second, Your Right Honourable says that the mukkuvar wanted to interfere with the crossing of Nikotta; therefore, I send orders herewith that the same shall introduce no innovation in this matter, but leave it as of old. I have received a letter from the Lord Nabab, a copy of which is enclosed herein for Your Right Honourable's perusal, and I further state that Your Right Honourable, the Company, and the Lord Nabab live in good friendship on the Coromandel coast, and it seems to me that Your Right Honourable will have received notice of this, 670 for seven Councillors of your Honourable Company remain with the Lord Nabab. On a previous occasion, I told Isaak Surion to write to Your Right Honourable and to request two cannons of 24-pounder calibre with their shot, as I am in great need thereof, and I request Your Right Honourable to send me the aforementioned two cannons with their shot as soon as possible, each with its weight, stating the cost thereof so that it may immediately be paid by Isaak, and this the sooner the better. Also, whenever any ships might arrive that bring cannons of whatever quality, as well as iron, gunpowder, shot, saltpetre, or lead, whether those goods are there on behalf of the Company or from others, to purchase for me up to twenty lakh rupees and to notify us so that we may send money and collect them. On a previous occasion, I requested Your Right Honourable to make use of men, cavalry, or any other matters whenever necessity requires, which I shall send immediately upon Your Right Honourable's advice, and the correspondence of the letters via Modlotij and Aikotta will also be maintained, so that they may quickly come to hand. I thank Your Right Honourable very kindly for the notice that Your Right Honourable gives me, that you have caused seven English jonis to be seized, for one must not lose an opportunity to inflict damage upon our enemy as much as is in our power, as our duty also entails making some progress in the service of our sovereigns, so that we may obtain the name of good vassals and chiefs of the place, as others do in his presence, and although we are far from him, by doing good service we are nearer to him. I have stationed patrol vessels everywhere at sea so that not a single canoe, let alone other vessels, should pass to Tellicherry; but Your Right Honourable can do better service than I, since Your Right Honourable's lands lie close to the place where the vessels set out to go to Tellicherry. I request Your Right Honourable once and again that, in addition to the 24-pounder cannons, I am also in need of 2 cannons of 18-pounder calibre with their appurtenances, and if there is no shot, please send the four cannons without fail, and it is enough that they be brought to Kalikoel, brought, for which I shall remain very much obliged to Your Right Honourable, as I am presently in great difficulty in these circumstances of the time. In these days, we shall receive other news from the Lord Nabab and on behalf of Your Right Honourable's Company regarding the war with the English on the Coromandel; I wish Your Right Honourable good health, and remain, underneath, Your Right Honourable's friend and humble servant, was signed, Sarder Chan, in the encampment of Tellicherry, the 30th of October 1781. Agreed. Adriaan Roophet, clerk.

Dutch transcription

N. o 8. 668 Uewel Edele Agtb: brief heb ik ontfangen, en dies Jnhoud verstaan; de france Resident van Calicoit is seer verleegen om eenige levens„ „middelen, ten welken fine hij zijn volk na Cochim senden zal, om het een en ander afte„ „halen, dierhalven versoeke ik uwel Ed: Agtb: hem daar inne de behulpsame hand tebieden; ver„ „mits nu de hollandere ende Engelsen in oneenig„ „heeden zijn, soekt elen frevancoorder met de En„ „gelsen te samen tegens de hollanders eenige hosti„ „liteijten te beginnen, want de Engelsen hebben reets eenige plaatsen van de hollanders weg geno„ „men, blijvende thans maar alleenig vrij de stee„ „den van Nagapatnam en Cochim den gouver„ „neur en Raad van Nagapatnam zijn heeren van Groote Kennisse en zij hebben sterke degentie tegens den vijand gedaan met assis„ „tentie van den Nabab en in dierselver voegen dient uwel Ed: Agtb: ook tedoen in alles de ver„ „eijschte Capaciteijt tegebruijken, tot wel zijn van weder zijden, zoo als zij op Nagapatnam gedaan ontg: den 28. 8ber 1781: wel Ed: agtb Heer Commandeur door Sardarchan gesz: aan den Translaat Marattase brief hebben hebben, hier iets van uwel Ed: agtb: dienst zijnde, gelieve mij te laten weeten door het Canaal van Izaak Suriom, uwelEd: agtb: gelieve gedagtig tewezen om Nagapatnam te assisteeren in het geen zij mogten verleegen zijn en zij zullen niet nalaten van het Akkordeerd Adriaan Poophet Egklek ook te doen in selvstandig. geval N„o 9 669 Johan Gerard van Angelbeek Goeverneur van Koetsiem. Vriend en Heer Ik heb heeden twee brieven van uwel edele achtbaaren ontfangen, een van den 11. Courant en de andere van den 18. daar aan, bij de eerste is mij verzoek gedaan om passasie te verleenen aan twee Pattamaars, dewelke tot nog toe alhier niet zijn aangekomen, maar ik heb order gegaeven, dat zij op wat plaats mogte komen, een vrije passasie te verleenen bij de tweede zegt uweledele achtb: dat den maakar zig bemoeien wilde met de overvaart van Nikotta, derhalven sende ik order bij dezen dat den zelven daar in geen nieuwigheid zoude invoeren maar dezelve te laten als van ouds. Ik heb een brief van de Heer Nabab ontfangen, welkers kopia gaat hier in g'inkluseerd tot uwel edele achtbaren spekulaatsie, en zegge voorts, dat Uwel edele achtb:, komp: en de heer Nabab in goede vriend„ „schap ter kuste Chormandel leeven, en mij dunkt dat uwel edele achtb: daar notiettie van zal bekomen Aan d' Heer 670 bekomen hebben, want bij de Heer Nabab, blijven zeven Raadslieden, van uweledele kompenie Bij voorgaande okkasie heb ik aan Jsaak surion gezegt om aan uweledele achtbaaren te schrijven en te verzoeken om twee kanons van 24 lb:s kaliber met hare kogels, alzoo ik daarom zeer verleegen ben, en verzoeke uweledele achtb: mij gem: twee kanons met haare kogels ten spoedigste te zenden ieder met haar gewigt, meldende het kostende van dien om ten eersten door Isaak betaald te worden ende zulx hoe eer hoe liever. Ook wanneer daar eenige schee„ „pen mogte komen die kanons van wat quali„ „teid brengen, als ook ijzer, kruid, kogels, sal„ „peter, lood, of dat die goederen van weegens de komp: daar zijn, of van andere voor mij op te doen tot twintig Lak ropijen en wij te waarschouwen om geld te zenden en aftehaalen, Bij voorige gelegenheid heb ik uwel edele achtb: verzocht gebruik te maken wanneer de noodzakelijkheid, verlischt van volk, ka„ vallerie of eenige andere zaken, dewelke ik met uwel edele achtb: advis ten eersten zenden zal, en ook zal ik de korrespondentsie van de brieven over Modlotij en Aikotta ge„ „houden worden, op datze spoedig in handen mogen komen. Ik bedanke uwel edele achtbaaren zeer vriendelijk voor de notietsie die uwel edele achtb: mij geeft, dat uweledele seven engelse Jonis heeft laaten wegneemen, want men moet geen okkasie verliesen om onze vijand afbreuk te doen zoo veel als in ons vermogen is, alzoo onze pligt mede brengt eenige voortgang te maken in den dienst van onze souverainen op dat wij de naam mogen bekomen van goede vassalen en hoofden van de plaats, daar andere in zijne tegenwoordigheid doen, en schoon wij verre van hem zijn, doende goede dienst dan zijn wij hem nader bij jk heb ronde vaar„ „tuigen in zee over al gesteld op dat er geen een tond zoude passeeren veel min andere vaartuigen na sallitscheri maar uwel Edele achtb: kan beeter dienst doen als ik, alzoo uweledele achtbaaren landen leggen digte bij ter plaatze daar de vaartuigen afvaren om na Jallitscheri te gaan. Ik versoeke uweledele achtb: eens en andermaal, dat be„ „halven de kanons van 24. lb: ik nog ver„ „leegen ben, om 2. kanons van 18. At:s met haar toebehooren, en zoo daar geen kogels zijn, gelieve de vier kanons zonder fout te zenden en het is genoeg dat ze op kalikoel Ik gebragt gebragt worden, waar voor ik uweledele achtb: zeer verpligt blijven zal, wijl ik thans in deze tijds omstandigheeden zeer verleegen ben. Jn dezer dagen zullen wij andere tijding van de hier Nabab bekomen en van uwel edele achtb: komp:s wegen den oorlog met de Engelschen op Chormandel; wensche uweledele achtbaren gesondheid. en blijve /:onderstond:/ uwel edele achtb: vriend en Ootmoedigen Dienaar /:was gete„ „kend / sarder chan, in het kampement van Jellitscheri den 30 oktober 1781. Akkordeerd Adriaan Roophet Rklerk

NL-HaNA_1.04.02_3618_0279 view scan ↗

English

No 10. 671 I have received your letter and noted therein what you write regarding the French factor who wishes to depart for Cochim, to whom Your Honour may give consent to attend to his affairs, as it is said that he finds himself in great embarrassment; as regards the note given by the Governor of Cochim that his Company is at war with the English, it is the truth, which is also being waged here, and some Council members and others remain with me, and I have sent people to Naoer to assist the Dutch, and such can also be done there, acting as a friend and helping in everything that is necessary, and from here I also let that note be given to the said Governor. Your Honour may request some munitions of war that Your Honour has need of, and may have it agreed through Izaak and pay the money through him personally. I will send people to Cochim for their relief, but before they arrive, if necessity requires it and the Governor comes to request it, Your Honour may give him what he needs etc. Agreed Friend Sardarchan, I greet you Copy of letter written by the Lord Nabab to Sardarchan, Governor of Kalikoet, in their language and translated here as appears below Adriaan Pootvliet First Clerk No 11. 672 I have duly received and understood your two letters, the first in the Portuguese and the last in the Marathi language. Regarding the King of Jrevankoor, I must elucidate to Your Honour that he is no enemy, but a faithful friend and ally of the Dutch Company, and that we have nothing to fear from him; Fort Kranganoor is properly supplied with men, cannons and munitions, so that there is nothing to fear there; the enemy will not dare to attack it, because he would then place himself between two fires, and if he does so, he shall repent it, for there is no lack of men and munitions here. The King of Koetsiem is likewise a faithful ally of the Dutch Company and has promised us a battalion of sepoys when we shall have need of them; and although I do not think that the English will undertake anything against Koetsiem, it is nevertheless a good precaution that one thousand men of that prince always remain at hand, to serve us in case of need. Sir To the Lord Sardarchan Governor at Kalikut. I 673 I thank Your Honour very much for the kind offer to also dispatch auxiliary troops to us; however, I hope that we will not have need of them, as our garrison is presently considerably reinforced. That which Your Honour has the goodness to inform me concerning the good assistance that the Lord Nabab has rendered to Nagapatnam has also been written to me by the Lord Governor of that city, who has also sent me the treaty which was concluded between the Lord Nabab and him, and I await with longing the answer of the Lord Nabab to conclude an alliance here too with Your Honour, to our mutual well-being. This letter passes into the hands of the Portuguese who was sent by Jzaak Surjon, but henceforth I shall send my letters to Your Honour to Kranganoor and from there to Modlotij, and the letters that Your Honour wishes to send to me need only be delivered to the Chief at Kranganoor, who will deliver them to me without delay. When your ships arrive here, they will be treated in friendship; only, I request Your Honour to order the captains and commanders of the vessels to behave as friends and not cause or tolerate any nuisance being caused by their crews; and that, if they have anything to say or request, they must address me; doing so, they may rely on my friendship. Agreed If Your Honour pleases to order that your vessels fly a blue pennant in addition to the customary flag, I will be able to recognize them by that sign. I am having cruisers watch the vessels of Ansjengo, and do not believe that they now dare to sail past here; a few days ago, the English of Ansjengo had dispatched seven vessels with goods for Gellitscherie, but, for fear of our cruisers, they have turned back. When the people of the French Resident of Kalikoet arrive here, I shall be helpful to them. The places that the English have taken from us on Coromandel are of little consequence, and as soon as our warships appear, we shall take them back and much more besides. Below stood: Your Honour's sincere friend and obliged servant. Was signed: J. G. van Angelbeek. In margin: Koetsiem the 31st of October 1781. Adriaan Pootvliet First Clerk

Dutch transcription

N„o 10. 671 Ik heb u brief ontvangen en daar bij gezien wat u schrijft wegens de franse faktoor die na Cochim vertrekken wil, aan wien VE konsent geven kan, om zijne zaken te verrigten, alzoo men zegd dat hij zig in groote verleegentheid bevind; wat belangt de notitie die den Goeverneur van Cochim geeft, dat desselfs komp: in oorlog is met de Engelschen, is de waarheid, die hier ook gevoert word, en bij mij blijven eenige Raadslieden, en meer anderen en ik heb volk na Naoer gezonden om de Hollanders te assistee¬ „ren, en daar kan ook zulx gedaan worden, handelende als vriend en helpende in alles wat noodzaakelijk is, en van hier laate ik die notitie ook aan gem: Goeverneur geven„ VE kan eenige ammonitie van oorlog verzoeken die VE van nooden heeft, en kan door Izaak laaten akkordeeren en door hem selfs het geld betaalen. Ik zal volk na Cochim zenden tot secours van haar maar eer se komt, wanneer de noodzakelijkheid vereisschen, en den Gouverneur komt te ver„ „zoeken kan UE hem geven, wat hij noodig heeft &=ra Akkordeerd Vriend Sardarchan, ik Groete U „bab geschreeven aan Sardarchan gouverneur van Kalikoet in haar taal en alhier overgezet zoo als hier Kopia Brief door de Heer Na¬ Adriaan Pootvket onder blijkt Eyklerk - N„o 11. 672 Ik hebbe uwe twee brieven de eerste in de por„ „tugeesche en de laaste in de marattische taal wel ontvangen en verstaan. Nopens den koning van Jrevankoor diene ik uw Ed. te elucideeren, dat dezelve geen vijand maar een getrouwe vriend en bondgenoot van de Hol „landsche kompanie is, en dat wij van hem niets te vreezen hebben; Het fort kranganoor is behoor„ „lijk voorzien van volk, kanons en ammunietsie zoo dat daar niet voor te vreezen is, de vijand zal het zelve niet durven aantasten, om dat hij zich als dan zoude stellen tusschen twee vuuren, en zoo hij het doet, dan zal het hem berouwen, want hier is geen gebrek aan volk en ammunietsie. De koning van koetsiem is meede een ge„ „trouwe Bondgenoot van de Hollandsche kompenie en heeft ons een Battaillon sipahis beloofd, als wij ze zullen noodig hebben; en hoewel ik niet denke, dat de Engelschen iets tegen koetsiem onder„ „neemen zullen, zoo is 't doch een goede voorzorge, dat van dien vorst altijd duizend man bij der hand blijven, om in val van nood ons te dienen. Mijn Heer Aan den Heer Sardarchan Goeverneur te Kalikut. Ik N„o 11. 672 Ik hebbe uwe twee brieven de eerste in de por„ „tugeesche en de laaste in de marattische taal wel ontvangen en verstaan. Nopens den koning van Jrevankoor diene ik uw Ed. te elucideeren, dat dezelve geen vijand maar een getrouwe vriend en bondgenoot van de Hol „landsche kompanie is, en dat wij van hem niets te vreezen hebben; Het fort kranganoor is behoor„ „lijk voorzien van volk, kanons en ammunietsie zoo dat daar niet voor te vreezen is, de vijand zal het zelve niet durven aantasten, om dat hij zich als dan zoude stellen tusschen twee vuuren, en zoo hij het doet, dan zal het hem berouwen, want hier is geen geboek aan volk en ammunietsie. De Koning van koetsiem is meede een ge„ „trouwe Bondgenoot van de Hollandsche kompenie en heeft ons een Battaillon sipahis beloofd, als wij ze zullen noodig hebben; en hoewel ik niet denke, dat de Engelschen iets tegen koetsiem onder„ neemen zullen, zoo is 't doch een goede voorzorge, dat van dien vorst altijd duizend man bij der hand blijven, om in val van nood ons te dienen. Mijn Heer Aan den Heer Sardarchan Goeverneur te Kalikut. Ik 673 Ik bedanke uw Edele heel zeer voor de vriendelijke aanbieding, om ons meede hulp troepen toe te zetten, edoch ik hoope, dat wij die niet zullen noodig hebben, alzoo ons garnisoen thans merkelijk ver„ „strekt is. Het geen uw Ed: de goedheid heeft mij te bedeelen nopens de goede hulpe die de Heer Nabab aan Nagapatnam beweezen heeft is wij ook geschreeven door den Heer Goeverneur van die stad, die mij ook het traklaat gezonden heeft, het welk tusschen den Heer Nabab en hem geslooten is, en ik wachte met verlangen op het antwoord van den Heer Nabab, ook hier een verbond met uwEd. te sluiten, tot wederzijds wel zijn. Deeze brief gaat over in handen van den Por„ „tugees, die door Jzaak surjon gezonden is, doch voortaan zal ik mijne brieven aan uw Ed: zenden naar kranganoor en van daar waar Modlotij, en de brieven die uwEd: aan mij zenden wil be„ „hoeven slegts aan het opperhoofd te kranganoor afgegeeven te worden, die ze mij ten eersten bezorgen zal Als uwe scheepen hier aankoomen, zullen de„ „zelven in vriendschap behandeld worden eenelijk verzoeke ik, uw Ed: de kapitains en hoofden van de vaartuigen te gelasten, dat zij zich als vrienden gedraagen en geen overlast doen of gedogen, dat die door hun volk gedaan worde; en dat, als ze iets te zeggen of te verzoeken hebben, ze zich aan wij moeten addresseeren, zoo doende, kunnen ze op mijne vriendschap staat maaken Akkordeerd Als uw Ed. gelieft te gelasten dat uwe vaartuigen buiten de gewoone vlag noch een blauwe wimpel laaten waaren: zoo zal ik ze aan dat teeken kunnen kennen. Ik laat op de vaartuigen van Ansjengo kruis, „sen en gelove niet dat ze nu hier voor bij vaaren durven; voor eenige dagen hadden de Engelschen van Ansjengo zeeven vaartuigen met goederen voor gellitscherie afgezonden, doch die zijn, uit vreeze voor onze kruissers, weder te rug gekeerd. Als het volk van den franschen Resident van kalikoet hier komt, zal ik het zelve behulp „zaam zijn. De plaatzen, die de Engelschen op kormandel van ons genoomen hebben, zijn van weinig aan= gelegenheid en als onze oorlogs scheepen maar eerst opdagen, zullen wij ze weerom neemen en noel meer daar bij /:onderstond:/ uwEd: opregte vriend en verplichte dienaar /:was getekend:/ J. g: van An„ „gelbeek /: in margine:/ Koetsiem den 31. okto= „ber 1781. — Adriaan Poossbiet Eyklerk als

NL-HaNA_1.04.02_3618_0284 view scan ↗

English

No 12. 674 To the Gentleman Johan Gerard van Angelbeek Governor of Koetsiem Sir I have received two letters from Your Honour of identical contents dated the 31st of the past month; one through Izaak Purson and the other through Ansivala, who delivered my letters, and have seen therein what Your Honour tells me. It is certain that the King of Travancore is a friend and ally of the Company, and therefore he ought not to be against the said Company; yet precaution is always good. It is very pleasing to me that Your Honour has provided the fort of Kranganoor with everything necessary, and thus we ought to do regarding everything, so as to convince our Lords and Masters thereby of our zeal; I have also seen that the King of Koetsiem has one thousand men ready to give if necessary, and should this not be enough, I have plenty to give to Your Honour. It seems certain that the English cannot undertake anything against Koetsiem, nor against any other places, because they cannot defend their own lands, for I have reliable news from people who have deserted from Tallicherry that they are in want of everything, even of men. A few days ago I wrote to Your Honour, and that letter must already have been delivered, sending with it the copy of the letter from the Lord Nabab, sharing at the same time that Your Honour would already have obtained another there, by way of 675 the Council members of Your Honour's Company who are with the Lord Nabab, concerning the treaty that has been concluded between them. Concerning the forwarding of the letters, I have already written to Your Honour, as Your Honour writes to me, in order that they may be delivered more quickly and meet with no delay by sea. I have put to sea some manchuas and galwets, and have others here; to all of them I have given orders that when they come into Your Honour's district, they are to hoist a blue pennant as Your Honour has instructed me besides the flag; also that they must commit no improper acts, but if they should find themselves in any necessity, to apply to Your Honour, and that Your Honour will show the favour of providing everything that is required for it, which I shall also do when Your Honour recommends matters to me that may serve Your Honour's pleasure. I have seized a manchua and two tonis that were going to Tallicherry from Anjenga with provisions, and am very glad that Your Honour made the seven tonis from Anjenga that wished to go to Tallicherry turn back; for one must be watchful, as I also am, and I have posted many guards in order to let no vessels with provisions pass, nor anyone else through my district, as long as they belong to the English. On a previous occasion I wrote and requested that there be sent to me four cannon, namely two twenty-four-pounders and two other eighteen-pounders, with their balls that are available, and if this can be done quickly it would be best of all, for I need them greatly, not because I lack them, but solely to have them in stock before what is yet to happen; I shall remain greatly obliged if they can be delivered to me speedily, the cost of which I shall satisfy at once according to orders through Izaak. And since I now have many balls and no cannon of those calibres, I request Your Honour to send me a cannon of that calibre, to which end I send alongside this letter, as a model of the balls, their moulds, so that Your Honour may see the calibre of the balls and can send me the cannon, the cost of which I shall satisfy at once with the same Izaak Purson. There is no news here, save only that I keep Tallicherry blockaded, and have no desire to attack it, because I know that they will abandon it of their own accord. I greatly wish that Your Honour would share all news with me, which I shall also do. May God preserve Your Honour for many years. Below was written: Your Honour's friend and obliged servant. Was signed: Pardarkan. In the margin: In the Camp, the 8th of November 1781. Attested: Agreed, Adriaan Pootliek, First Clerk. No 13 676 To the Gentleman Johan Gerard van Angelbeek Governor of Koetsiem Sir This serves solely to inform Your Right Honourable Sir that I have taken a galwet with a hat-wearer who was going from Tallicherry to Anjenga with some money and letters from Tallicherry and Bombay; the letters are written by Mr Scott to Bengal, who was to depart with a ship that previously set sail in the company of a Bombay grab and a gallivat to Anjenga to load 2000 candies of pepper, and takes 100 candies of cotton and much cordage. The said ship is named Faiselam, bought privately by Mr Scott for one hundred thousand rupees of Thelebij, and currently chartered by the English Company for twenty-five thousand rupees on a Bengal voyage to fetch ten thousand bags of rice; these are the notes via those letters that came from Bombay for the Governor of Tallicherry, whose disposition was to let the ship sail to Anjenga, and from there to Bengal. It also appears from that letter that Mr Scott and the General of Bombay have bought a diamond stone of 100 carats for five lakhs of rupees, and it is said that they do not want to sell it, but to

Dutch transcription

N„o 12. 674 Aan den Heer Johan Gerard van Angelbeek Goeverneur van Koetsiem Mijn Heer Ik heb ontvangen twee brieven van Uw Ed: van eenen inhoud ged:t den 31 van de Jongstleiden maand; eenen door Izaak Purson en den anderen door Ansivala, die mijn brieven bestelden is, en heb daar in gezien, wat uwEd: mij segt Het is zeeker, dat de Koning van Jnevan Koor een vriend en g'allieerden is van de Komp:, en daarom behoord: hij niet te zijn teegen gem: komp: doch voorzorge is altoos goed. Het is mij zeer aangenaam dat uwEd: het fort kranganoor heeft voorzien van al het noodige en alsoo dienen: wij te doen omtrend alles om daar door aan onze Heeren Meesters te overtuigen van onzen ijver, ook heb ik gezien dat de koning van koetsiem gereed heeft een duizend man, om, noodig zijnde, tegeeven, en zoo dit niet genoeg mogt zijn, heb ik rijkelijk om aan UwEd te geeven: wet schijnt zeeker, dat de Engelschen niet kunnen beginnen tegen koetsiem, noch ook eenige andere plaatsen, wijl ze hunne eige landen niet kunnen verdeedigen, want ik heb zeekere tijding van menschen die uit sallicheeri weg geloopen zijn, dat zij gebrek in alles hebben, zelfs aan volk Voor eenige daagen heb ik aan UwEd: geschreeven en die brief moet al besteld zijn, en daar bij gezonden de Kopij van den brief van den Heer Nabab, onder beeling teffens dat UwEd: aldaar al zoude erlangt hebben eenen andere, door wegen van 675 de Raadsleden van UwEd: Komp die zich bij den Heer Nabab be„ „vinden, aangaande het traktaat, dat tusschen hen geslooten is. Belangende de voortporting der brieven heb ik bereets aan UwEd: geschr:, zoo als uwEd: mij schrijft om schielijker besteld te worden, en geene vertraging te ontmoeten over Zee. Ik heb in zee gezet eenige manssouws en galwets, en hebbe andere hier; aan alle heb ik gegeeven order, om als ze koomen in UwEd: distrikt, een blauwe wimpel op te heisschen /: zoo als UwEd: mij heeft g'in„ „struceerd:/ behalven de vlag; ook dat ze geen onbehoorlijkheeden moeten pleegen, maar wanneer zij in eenige noodzaaklijkheid mogt koomen, zich te vervoegen bij uwEd:, en dat uwEd de gunst bewijzen zal; van in alles voorziening te doen, wat er toe ver„ „eischt, 't geen ik ook doen zal, als uwEd mij aan beveeld zaaken die tot uwEd: behaagen strekken zullen Jk: hebben aangeslaagen een manssouw en twee tonis, die naar Jallischerij gingen van Anssenga met leevensmiddelen, en ben zeer verheugd dat uwEd: de zeeven tonis van Ansenga, die naar Jallischerij wilden, had te rugge doen keeren; want waakzaam moet men zijn, zoo als ik ook ben, en ik: hebbe veele wagten gesteld, om geene vaartuigen met leevens middelen te laaten pas„ „seeren, nog ook iemand anders door mijn distrikt zoo 't maar van de Engelschen is Bij voorige gelegenheid heb ik geschreeven, en verzocht aan mij te zenden vier kanons, als twee van vier en twintig en twee andere van agtien ponders, met hunne koogels die er zijn en zoo zulks schielijk Aan geschieden is aller best, want ik heb„ „be dezelven grootelijks noodig, niet om dat mij die ontbreekt maar eenlijk om die in voorraad te hebben, voor dat noch staat te gebeuren, grootelijkx zal ik verplicht blijven zoo mij die spoedig kunnen bezorgt worden, dies kostende, zal ik volgens order ten eersten voldoen door weegen van Izaak. En wijl thans. hebbe veele koegels en geene kanons van die Kali„ „bers, verzoeke ik uwEd: mij te zenden een kanon van dat Kaliber, ten welken einde zende ik nevens dezen brief tot een model van den Roegels, derzelver mallen, op dat uwEd: zien kan het Raliber van de Roegels en mij zenden kan het kanon welkers kostende ten eersten voldoen zal met dezelf„ „de Izaak Surson, Nieuws alhier heeft men geen, alleenlijk dat ik Jallischerij geblokkeerd houde, en hebbe geen lust om„ het zelve aan te tasten, wijl ik weet dat ze van zelfs het verlaaten zullen: Wenschte zeer dat UwEd: mij bedeeld alle nieuws, 't welk ik ook doen zal God bewaare uwEd lange Jaaren /:onderstond:/ Uw Ed=l vriend en verplichte dienaar /:was geteekend:/ Pardarkan /:in margine:/ In het Kamp den 8. November 1781 staat Akkordeerd Adriaan Pootliek Eyklerk N„o 13 676 Aan D' Heer Johan Gerard van Angelbeek goeverneur van Roetsiene Mijn Heer Deeze dient eenelijk om uwel Edele Agtb: bekent te maken, dat ik een Galvet genoomen heb met een hoede drager, die van Tallicherij na Anjenga ging met eenig Geld, en brieven van Talicherij en Bombaij, de brieven zijn van M=r Skott geschreeven na Ben„ „geelen die met een schip zoude vertrekken dat bevoo„ „rens onder zijl is gegaan en gezelschap van Bombaij Goerab en Reventje naar Oirzjenga om 2000: kand: peper te laaden, en neemt 100: kand: kattoen, en veel touwerken, Gem: schip is gen=t faijsalme, partiku„ „lier gekogt door M=r Skolt voor hondert duijzent rop=s van 't helebij, en thans door d'Engelsche Komp: bevragt voor vijf en twintig duijzent rop:s, op een Bengaalse rijse om thien duijsent sakken rijst te halen; deeze zijn de notitien per die brieven gekomen van Bombaij voor de gouverneur van Talicherij wiens dispositie was, om het schip op An„ „jenga te laten zeijlen, en van daar naar Benga„ „len. Ook blijkt bij die brief dat M=r Skolt en de generaal van Bombaij hebben gekogt een Diaman„ „te steen van 100: Karaten voor vijf lak rop=s, in men segt dat zij niet verkopen willen maar naar

NL-HaNA_1.04.02_3618_0287 view scan ↗

English

677. send to Europe, and it is also said that that stone might be from Nadarsja. The other letter reports that there are three French ships at Maskatta and Bassora, one of 28 guns, one of 18, and another of 12, and that they are very pleased that their two ships are freely in the harbor without the French being able to do them any harm, and they are waiting until the French have departed to leave from there and arrive at Bombaij; there is also a note that there is a French ship of 24 guns at Goa as well, and it is made known at Talicherij that they do not need to fear the French, as their ships that are at Talicherij will be accompanied by Bombaij Goerap and Reventje; the Lord Governor of Palicherij is also warned that if the ships cannot be convoyed by Bombaij Goerab and Reventje to Anjenga, then they are not to be sent from Talicherij to Bengalen without calling at Anjenga. The other letter directed from Salecherij to Aenjenga reports: that there is a great lack of everything, and that a vessel belonging to a certain Moor that is at Koenkitaijkel is said to be laden with provisions and is expected to arrive at Talicherij shortly; may Your Right Honorable please take note when that vessel puts to sea in order to have it seized, setting a good watch for that purpose, which I shall also do; this was written by Antonis Rodrigos to Molevi Astam at Anjenga; as long as Bombaij Goerab and Reventje are going to convoy the ship Fabsalem to Aujinga to load pepper and some planks and to sail to Bengalen, they are in no danger from our ships, for the ship cannot sail alone, although it is a large ship, as it has a great lack of munitions of war; besides these letters, there was found in another a clean sheet of paper somewhat cut at the top, and another half sheet, so for the present one cannot know what it means, and as soon as this is discovered, I shall give Your Right Honorable notice thereof; it is also found in another letter that 28 European letters were to be sent by another ship, and where any circumstance is contained, the same will surely be remitted; it is also said that it is now a month ago that the General of Bombaij departed for the north to transact his affairs and to collect some money. I have written twice to Your Right Honorable concerning the cannons and the cannonballs, and once again through Izaak Surion, without receiving any answer thereto to this day, and if I did not have certainty of our friendship I would not have requested it of Your Right Honorable; Your Right Honorable will also have understood what the Lord Nabab has recommended to me concerning broadcloth and other things, and since I am currently in need of 50 pieces of broadcloth of all sorts of colors and 100 kandies of iron, I request Your Right Honorable to let me have the same sent to Kalikoet with a notification of the cost thereof to be paid here, by way of Jzaak Sierion without delay, and I await Your Right Honorable's answer at the earliest, for necessity demands such in order to dispatch the letters promptly; Your Right Honorable knows the way, for they are sent forward every day and hour, and if they are detained underway one can know such upon receipt. The letter that Mr. Tkolt writes from Bombaij to Bengalen is directed to Mr. John Forgeesson, and breaking this off here for the present, I remain with high esteem, and await the answer to this. I am always /was signed/ Your Right Honorable's very humble servant /was signed/ Sardarchan /in the margin/ In the Camp, the 14th of November 1781. 677 H Agreed Adriaan Poolvleet clerk 678 No. 14. To the Lord Sardarchan, Governor of Kalikut My Lord, With your letter of the 30th of October Your Honor sent me a copy of the letter from the Lord Nabab, which was supposed to contain the answer to my first letter to Your Honor, in which I proposed to settle the disputes that have arisen here on this coast between the Company and the Lord Nabab. However, I find not a single word of this in the Nabab's letter, which surprises me greatly. I nevertheless still hoped that I would receive some further report from Kormandel, but in the letters written to me by the Lord Governor of Nagapatnam, mention is only made of the treaty concluded on Kormandel, without mentioning a word about settling the disputes that have arisen here. Instead thereof, the letter from the Lord Nabab states that His Highness wished to give men to assist us here against the English, and thus I see that my request has not been presented to His Highness in the manner that was my intention, which will likely be partly the fault of Izaak Surjon, who will not have presented this to Your Honor as clearly as I had instructed him.

Dutch transcription

677. naar Europa senden, en men segt ook dat die steen zoude weesen van Nadarsja: De andere brief meld dat op Maskatta en Bassora drie franse scheepen zoude weesen een van 28. kanons, een van 18:, en nog een van 12: en dat zij seer vergenoegt zijn dat hunne twee scheepen vrij in de haven zijn son„ „der dat de fransen haar eenig quaad kan doen, en zij wagten tot dat de fransen zoude vertrokken zijn om van daar aftegaan en op Bombaij te komen; ook is er notitie dat op Goa ook een franse schip is van 24: kanons, en men laat op Talicherij weeten, dat zij voor de fransen met hoeven te vreesen, alzoo hun„ „ne scheepen die op Talicherij zijn, zullen g'akompag„ „neert worden van Bombaij Goerap, en Reventje, ook word de Heer Gouverneur van Palicherij gewaarschout dat zoo men de scheepen niet kan laten konvoijeeren door Bombaij Goerab en Reventje tot Anjenga, als dan van Talichezij naar Bengalen niet te senden zonder Anjenga aantedoen. De ander brief van Salecherij naar Aenjenga geregt, meld: dat er een groote gebrek aan alles is, en dat een vaartuijg van zeker moor dat op koen„ kitaijkel is, beladen zoude weezen met leevens middelen, en staat binnen korten op Talicherij te komen, uwel Edele agtb: gelieve notitie te neemen wanneer dat vaartuijg in zee komt om te laten wegneemen stellende goede wagt daar toe, het geen ik ook doen zal, dit is geschreeven door Antonis Rodrigos, aan Molevi astam tot Anjenga, zoo lang als Bombaij Goerab, en Reventje gaan het schip fabsalem komvoijeeren tot Aujinga om peper en eenige planken te laaden in naar Bengalen te zeijlen, hebben zij geen nood voor onse scheepen, want het schip kan alleen niet zeijlen schoon het een Groot schip is, zoo heeft het groot gebrek aan aemmonitie van oorlog buijten deeze brieven heeft men in een ander ge„ „vonden een schoon blad papier aan het hoofd wat gesneeden, en nog een halve blad, dus kan men voor teegenwoordig niet weeten wat het beduijt, en zoo dra men daar agter komt, zal ik uwel Edele agtb: daar ken „nisse van Geeven; ook vind men in een ander brief dat er 28. Europase brieven per een ander schip stond toegesonden te worden, en waar en eenige sirkunstan„ „tie behelst, zal dezelve sehuur Geremitteerd worden, men segt ook dat het nu een maand geleeden is, dat den Generaal van Bombaij vertrokken is naar de noord, om te verhandelen zijne zaaken en eenig geld in tevragen. Ik heb twee malen aan Uwel Edele Agtb: ge-„ „schreeven over de Kanons in de kogels, en nog eens door Izaak Surion, sonder tot heden daarop eenig antwoord te bekomen, en zoo ik geen zeekerheit had van onse vriendschap zoude ik uwel Edele agtb niet verzogt hebben; uwel Edele agtb zal ook verstaan hebben het gem D' Heer Nabab mij gere„ „kommandeert heeft, weegens laken en andere dingen„ Rodrigos en en dewijl ik thans verleegen ben om 50: p=s Laken van aller hande Roleuren, en 100 Rand:ijzer, verzoe„ „ke uwel Edele Agtb: mij dezelve op Ralikoet te la„ „ten toekomen met bekentmaking van dies kos„ „tende om alhier behaald te werden, door weegen van Jzaak Sierion sonder lardanse en verwagte ten spoedigsten uwel Edele agtb: antwoord, want de noodzakelijkheit zulx vereijscht om de brieven ten eersten te bestellen, weet Uwel Edele Agtb: de weg want alle dagen en uuren werden zij voortge„ „sonden, en zoo zij onderweegens opgehouden worden kan men zulx bij den ontvang weeten. De brief die M„r Tkolt van Bombaij naar Bengalen schrijft is geregt aan M=r John Forgeesson en voor teegenwoordig deeze hier meede afbreekende blij„ „ve ik met veel agting, en verwagte het antwoord deezes. Jk ben altoos /onderstond/ uwel Edele agtb seer ootmoedigen dienaar /was get / Sardarchan /in margine/ Jn het Kamp den 14: 9ber 1781:— 677 H Akkordeerd Adriaan Poolvbeet lyklerk 678 N„ o 14. Aan den Heer Sardarchan. Goeverneur van Kalikut Mijn Heer Bij uwen brief van den 30. oktober heeft uwEd mij een kopij gezonden van den briev van den Heer Nabab, die het antwoord behelzen zoude op mijnen eersten brief aan uwEd: waar bij ik voorstelde, om de ge„ „schillen bij te leggen, die hier op deeze kuste tus= „schen de Kompanie en den Heer Nabab ontstaan zijn, Doch ik vinde daar van bij 's Nababs brief geen enkeld woord, het welk mij zeer verwonderd, jk hebbe echter noch al gehoopt, dat ik van kormandel eenig nader bericht zoude krijgen, doch bij de brieven van den Heer Goeverneur van Nagapatnam aan mij geschreeven, word alleen maar mentsie gemaakt van het traktaat dat op kormandel geslooten is, zonder een woord te melden van het afdoen van de geschillen die hier ontstaan zijn. Jn steede van dien staat bij den brief van den Heer Nabab dat zijn Hoogheid volk wilde geven om ons hier tegen de Engelschen te assisteeren, en dus zie ik, dat ik aan zijne Hoogheid mijn verzoek niet zoodanig is voorgedraagen, als mijne intentsie ge„ „weest is, het welk wel gedeeltelijk de schuld zal weezen van Izaak Surjon, die dit aan UwEd: zoo duidelijk niet zal voorgedraagen hebben, als ik hem opgegeeven

NL-HaNA_1.04.02_3618_0290 view scan ↗

English

679 had surrendered, I therefore repeat hereby my first proposal, namely that I am very inclined to settle the disputes that have arisen between us and the Lord Nabab over certain claims that His Highness made to the sandy land near Settua, on account of which His Highness took possession of the Company's fort at Chetwai and the region of Papinivattam and several other lands of Their Excellencies and of their vassals, the King of Cranganore, the Payenchery, and Prince Karlamana, and has not yet returned them to this day; and I hereby further request Your Honour that Your Honour please obtain authorization from His Highness the Lord Nabab to settle those disputes equitably, and in return to restore the seized lands to the Company and its vassals as a token of the sincere friendship that His Highness professes to have for the Dutch Company. Through this, a firm foundation will be laid for a good alliance between both our sovereigns, which we both, as faithful servants of our superiors, shall endeavor to maintain and confirm. The offer of the Lord Nabab to assist us here with auxiliary troops against our enemies is certainly very kind and deserves my special gratitude, but Cochin is such a strong fortress and so well provided with everything that the enemy will not easily undertake to besiege it, and should he begin to do so, I am capable of defying him. Concerning the requested cannons of 24-pound caliber, I have already written to Izaak Surjon that there are none here, but there are two eighteen-pounders that I am willing to relinquish to Your Honour with one hundred cannonballs for each piece and furthermore with carriages and loading tools, for the price that is recorded in the Company's books, of which a specific account is enclosed herewith, but to send them to Calicut is impossible for me at this time, since English cruisers are roaming everywhere, so Your Honour would have to have them fetched from here. If Your Honour would please send me a cannonball of the caliber of the cannons Your Honour desires, I will let Your Honour know whether such cannons can be obtained here, and then purchase them for Your Honour. Saltpeter, lead, and sulfur, as well as cloth and iron, are not to be had here; in these restless times trade is at a standstill and no trade goods at all are being brought in; whenever any of those goods should be brought here, I shall endeavor to purchase some of them for Your Honour. I would have written sooner, but was prevented from doing so by a multitude of affairs, and I do not wish to let others write the letters to Your Honour. May Your Honour please not take this amiss and be assured of my great desire to maintain friendship with Your Honour. The latest news from Coromandel is not favorable at all. Nagapatnam is besieged by our enemies and will probably already have surrendered, for it is not a strong fortress. I hope that our and the French fleets from Europe and from the French Islands may appear quickly in order to be able to enclose our enemies. In Colombo in the past month, a two-masted vessel arrived from Mauritius with letters from the French Governor-General to the Governor of Ceylon, containing word that shortly a strong squadron of four ships of 72 cannons, six of 64, one of 54, two of 40, and one of 26, and three small frigates will arrive, and with them three thousand five hundred European soldiers, and that mighty fleet is expected at Colombo in the coming month, from where it will go to Madras to besiege that city. I have made inquiries regarding the vessel that was supposedly loading provisions here for Tellicherry, but discovered nothing. From here, shibars and other vessels depart daily with all kinds of products of the land; this I cannot prevent, but I assure Your Honour that not a single English ship or vessel dares to come here to load anything or to send it to Tellicherry. May God preserve Your Honour for many years. Subscribed: Your Honour's true friend and obliged servant. Was signed: I: G: van Angelbeek. In the margin: Cochin, the 28th of November 1781. Agreed. Adriaan Bootlek, First Clerk.

Dutch transcription

679 opgegeeven had, jk herhale derhalven bij deezen mijne eerste proposietsie te weeten dat ik zeer geneegen ben„ om de disputen af te doen, die tusschen ons en de Heer Nabab ontstaan zijn, over eenige pretensiën, die zijne Hoogh=d maakte op het zandig land bij settua om wel, „kers wille zijne Hoogheid 's komp=s fort le Tettua en het landschap Paponetlij en meer andere landen van Haar Ede„ „le en van haare vasalen, den koning van kranganoor de Pai„ „enseeri en de Prins Karlamana in bezit genoomen en tot heeden toe noch niet wederom te rug gegeeven heeft en ik verzoeke UWEd: bij deezen nader dat UUE: gelieve van zijn Hoogh=d den Heer Nabab quaalifikaatsie te verwerven, om die geschillen naar bil„ „lijkheid bij te leggen en daar en teegen de in bezit genoomen landen aan de komp: en haare vasallen te rug te geeven tot een blijk van de oprechte vriendschap, die zijne Hoogheid betuigd voor de Hollandsche komp: te hebben, Hier door zal een vast fun„ „dament gelegd worden tot een goede alliance tusschen ouze bei„ „de souverainen, die wij beiden als getrouwe dienaaren van onze superieuren zullen trachten te onderhouden en te bevestigen. De aanbieding van den Heer Nabab om ons hier met hulp= „troepen tegen onze vijanden te assisteeren is zeeker zeer vriende„ „lijk en verdiend mijne bezondere dankbaarheid, doch koet„ „siem is zulk een sterke vesting en zoo wel van alles voor„ zien, dat de vijand niet ligt onderneemen zal, dezelve te belegeren, en indien hij dit mogt beginnen, zoo ben ik in staat om hem het hoofd te bieden. Nopens de verzochte kanons van 24. pond kaliber hebbe ik reets aan Jzaak Surjon gesz: dat, die hier niet zijn, maar wel twee agthien ponders die ik UwEd: met honderd kogels voor ieder stuk en voorts met afuiten en laad gereed„ „schappen wil afstaan, voor de prijs die bij 's komp=s bee„ ken bekent staat, waar van een specificque reekening je kolombo is in de voorleeden maand een twee mas„ tig scheepje van Mauricius aangekoomen met brieven van den franschen Goeverneur Generaal aan den Goever„ neur van Ceilon, behelzende dat binnen korten een hier neevens, doch om ze naar kalikut te zenden is mij in deeze tijd, daar de Engelsche kruissers overal zwerven, onmogelijk, dus zoude UUEd: dezelven van hier moeten laaten afhaalen. Jndien UwEd: mij gelieft een kogel te zenden van het Kaliber, waar van UwEd: kanons begeerd, dan zal ik uw Ed: bescheid laaten weeten, of hier zulke kanons te bekomen zijn, en ze als dan voor UwEd: inkoopen. Salpeeter, lood en zwavel, mitsgaders laaken en ijzer is hier niet te krijgen; in deeze onrustige tijden staat de negootsie stil en daar word in 't geheel geen negoctsie aangebragt zoo wanneer van die goederen hier iets mogt aangebragt worden, zoo zal ik trachten daar van voor UwEd: in te koopen. Jk zoude al eer geschreeven hebben, doch ben daar aan verhinderd door, een menigte bezigheeden, en ik wil de brieven aan UwEd: niet door anderen laaten schrijven, UWEd: gelieve dit niet qualijk te neemen en verzee„ kerd te zijn van mijn groot verlangen om de vriend„ „schap met UwEd: te onderhouden het laaste nieuws van kormandel is gantsch niet gunstig, Nagapatnam is door onze vijanden belegerd, en zal waarschijnlijk reets al overgegaan zijn, want het is geen sterke vestinge. jk hoope dat onze en de fran„ sche vlooten uit Europa en van de fransche Eilanden schielijk opdagen mogen om onze vijanden te kun„ „nen sluiten hier sterk ses van 64, een van 54. twee van 40. en een van 26. en drie kleene fregatten zal komen en daar meede drie duizend vijf honderd Europeesche soldaten en die mach„ „tige vloot word in de aanstaande maand te kolombo verwacht van waar ze naar Madras zal gaan om die stad te beleegeren. sterk Esquader van vier scheepen van 72. kanons, Jk heb onderzoek gedaan naar het vaartuig, het welk hier leevensmiddelen voor Jellitscheri laaden zou„ „de doch niets ontdekt, hier van daan vertrekken dage„ „lijf sibaars en andere vaartuigen met allerlij produk, „ten van 't land, dit kan ik niet beletten maar ik verzeekere uwEd: dat geen een Engelsch schip of vaar„ tuig hier durfo komen om iets te laaden, of naar Jel„ „litscheri te zenden; God bewaare UwEd: lange Jaaren /:onderstond:/ uw Ed=s waare vriend en verplichte dienaar /:was geteekend:/ I: G: van Angelbeek /:in margine:/ koetsiem, den 28. November 1781. Akkordeerd Adriaan Bootlek Egklerk ses van 64, een van 54., twee van 40. en een van 26. en drie kleene fregatten zal komen en daar meede de duizend vijf honderd Europeesche soldaten en die mac „tige vloot word in de aanstaande maand te kolomb verwacht van waar ze naar Madras zal gaan om d stad te beleegeren. sterk Esquader van vier scheepen van 72. kanons, Jk heb onderzoek gedaan naar het vaartuig, het welk hier leevensmiddelen voor Jellitscheri laaden zo „de doch niets ontdekt, hier van daan vertrekken da„ „lijf sibaars en andere vaartuigen met allerlij produ„ „ten van 't land, dit kan ik niet beletten maar ik verzeekere uwEd: dat geen een Engelsch schip of vaa „tuig hier durfo komen om iets te laaden, of naar Je„ God bewaare uwEd: lange Jaaren /:onderstond:/ uur waare vriend en verplichte dienaar /:was geteekend/ I: G: van Angelbeek /:in margine:/ koetsiem den „litscheri te zenden; 28. November 1781. Akkordard Adriaan Bootlek Egklerk

NL-HaNA_1.04.02_3618_0293 view scan ↗

English

No. 15. 680 To Mr. Johan Gerard van Angelbeek Governor of Cochim My Lord We have received notice here with the arrival of Seebranno that Naver and Nagapatnam are said to be besieged by the English, during which siege a heavy battle occurred, and that our Commander Dautikan then came to the rescue with some men, whereby the English retreated because they were unable to resist our force and that of Your Right Honourable, during which retreat the English lost four to five cannons. This is the news that was brought here, which I believe Your Right Honourable will have heard better, thus I await that Your Right Honourable will please inform me whether it is so, or what the truth thereof may be, and what has passed there on the Coromandel Coast. I have written two letters to Your Right Honourable, but have received no reply to them, and I do not know what the reason for that may be, for Your Right Honourable will surely have received the same, because I sent them to the place Your Right Honourable instructed me, to be carried further from there to Cochine. The letters which I wrote to Your Right Honourable, and to which no reply followed, made mention of some iron, sulphur, and cannons with the calibre of the balls, and some pieces of cloth of various colours. I request that Your Right Honourable please send the reply upon receipt of this, with the notice from the coast. For the rest, I commend Your Right Honourable's person to God's keeping. Was underwritten: Your Right Honourable's humble servant. Was signed: Sardar Khan. Agreed Adriaan Pootkek In the camp, the 28th of November 1781. No. 16 681 To Mr. Johan Gerard Van Angelbeek Governor at Cochim. My Lord. I am in great need of a mortar, for I have many bombs, and no mortar to throw those bombs. I request Your Right Honourable to send me a mortar with all speed, and to let me know the cost thereof, in order to be paid. I am sending the bomb so as to know the calibre of the mortar that I require, at the same time making it known to me that, in case Your Right Honourable cannot sell it, then at least lend it to me for some time, which I undertake to return again. I expect this without fail, and with all speed. It is enough that it arrives at Chawacattij, or Chettua, when with Your Right Honourable's advice I shall have it fetched from there. Also, I request Your Right Honourable, if there is a person who can cast the mortar, please send him hither, I shall pay him well. Also, may Your Right Honourable please let me know whether Your Right Honourable has any notice of Naver and Nagapatnam. The notice that I received yesterday has already been written to Your Right Honourable, and I judge that the same will have been delivered to Your Right Honourable. I am very surprised that I have received no answer to the letters which I have sent several times to Your Right Honourable. I know very well that my couriers will indeed have delivered the letters to the place that Your Right Honourable designated. I have written to Your Right Honourable about cannons, cloth, and the notice of Bombay, which I obtained by a vessel from Tellicherry with letters for Anjengo on several occasions, to which I have received no answer, and I cannot understand the reason for this, for when I make a request of Your Right Honourable, it is not that I am in distress, and although I do not have it here, my sovereign has all the more, and also to fetch it from Pattana and Mangalore will not be too difficult, but since our sovereigns live in friendship, and beyond their determination it is my desire to serve Your Right Honourable, and with Your Right Honourable's Company there will be much, and reflecting upon that good friendship I wish to make use of it. I await an answer to this, and also to let me know whether it is true that English ships are cruising there in the roadstead of Your Right Honourable, for I have received notice from Chettua that it is so. I remain to serve Your Right Honourable, whose person may God preserve for long years. Was underwritten: Your Right Honourable's humble servant. Was signed: Sardar Khan. In the camp, the 30th of November 1781. Agreed Adriaan Borthet

Dutch transcription

N„o 15. 680 Man d' Heer Johan Gerard van Angelbeek Gouverneur van Cochim Mijn Heer Hier hebben wij notitie bekomen met de komste van Seebranno dat Naver en Nagapatnam zoude bele„ „gert wezen door de Engelsen, bij welke belegering is een sware batailje voorgevallen dat toen onse Commandant Dautikan, met eenig volk is te hulpe gekomen, waar door de Engelsen zijn geretireert, om dat zij niet hadden, komnen tegenstaan de magt van ons en die van uwelEd agtb:, bij welke retirade hebben de Engelsen vier a vijf Canons verlooren, dit is het nieuws dat hier aangebragt is, 't geen ik geloove dat uwEd Agtb. beter sal gehoort hebben, dus verwagte dat uwelEd: agtb mij gelieve te bedeelen of het soodanig is, dan wel wat daar de waarheid van zij, en wat daar op de Cust kormandel gepas„ „seert is; Ik heb twee brieven aan uwelEd: agtb: gesz, dog daar op geen antw: bekomen en ik weet niet wat daar de reeden van zij, want uwelEd: agtb: zal zeekerlijk deselve ontfangen heb„ „ben, om dat ik gesonden heb ter plaatse daar uwelEd: agtb: mij gesz heeft, om van daar verders na Cochine voortgeport te werden, B De geen antw: op gevolgt is, daar is melding gedaan van eenig ijser swabel, en kanons met de Kaliber van de kogels. en eenige p.:s Laken van verscheijde Couleuren: Jk verzoeke dat uwelEd: agtb: op de voor het overige beveele ik uwelEd: agtb: per„ zoon godt ter bewaring /onderstond/ uwelEd: agtb: ootmoedige Dienaar /was getekend/ Sarder Chan„ de notitie van de kust. ontvangst deses het antw: gelieve te senden, met De brieven die ik aan uwelEd: ges=z heb, en daar Akkordeerd Adriaan Pootkek Egklok In het kamp den 28. November 1781. N„o 16 681 Ik ben sees verleegen om een mortier, want ik heb veele bommen, en geen mortier om die bom„ „men te gooijen; Ik versoeke UwelEd: Agtb mij een mortier met alle spoed te senden, en dies kostende te laten weeten, om betaalt te worden, ik zende de bom om het Kaliber van de mortier te weeten, die ik benoodigt ben, teffens mij bekeert makende, dat bij aldien uwel Ed Agtb: niet verkoopen kan, dan ten minsten mij te leenen voor eenigen tijd die ik aenneeme om wederom te besorgen, ik verwagte zulks sonder fout, en met alle spoed, het is genoeg dat zij op Chawacattij, of Chettera komt, wanneer met uwelEd: agtb: advis dit heen zal laten halen ook versoeke Uwel Ed: Agtb: zoo daer een persoon is die de mortier kan gieten, geleeve hem herwaerts tesenden, ik zal hem wel betaelen, ook gelieve uwel Edele Agtb: mij telaeten waten of uwel Ed: agtb eenige notitie heeft van Naaer en Nagapatnam, de notitie die ik gesteren bekomen heb, is reets aen uwel Ed: Agtb. geschreeven, en ik oordeele, dat deselve uwelEd Agtb: zal verhandigt zijn, ik ben seer ver„ „wondert dat ik geen antwoord van de brieven ont„ Mijn eer. Gouverneeur te Cochim. Aan d' Har Iohan Gerard Van Angelbeek fangen N„o 16 681 Ik ben sees verleegen om een mortier, want ik heb veele bommen, en geen mortier om die bom„ „men te gooijen; Ik versoeke UwelEd: Agtb mij een mortier met alle spoed te senden, en dies kostende te laten weeten, om betaalt te worden, ik zende de bom om het Kaliber van de mortier te weeten, die ik benoodigt ben, teffens mij bekent makende, dat bij aldien uwel Ed Agtb: niet verkoopen kan, dan ten minsten mij te leenen voor eenigen tijd die ik aenneeme om wederom te besorgen, ik verwagte zulks sonder fout, en met alle spoed, het is genoeg dat zij op Chawacattij, of Chettela komt, wanneer met uwelEd: agtb: advis dit heen zal laten halen, ook versoeke Uwel Ed: Agtb: zoo daer een persoon is die de mortier kan gieten, geleeve hem herwaerts tesenden, ik zal hem wel betaelen, ook gelieve uwel Edele Agtb: mij telaeten weeten of uwel Ed: agtb eenige notitie heeft van Nader en Nagapatnam, de notitie die ik gisteren bekomen heb, is reets aen uwel Ed: Agtb. geschreeven, en ik oordeele, dat deselve uwelEd Agtb: zal verhandigt zijn, ik ben seer ver„ „wondert dat ik geen antwoord van de brieven ont„ Mijn Heer. Gouverneeur te Cochim. Aan d' Wer Johan Derard Van Angelbeek faengen 682 „fangen heb, die ik verscheide keeren aen Uwel Ed: Agtb. gesonden heb, ik weet zeer wel dat mijne posten de brieven wel zullen besteld hebben, ter plaetse daer uwel Ed: Agtb: gedetermineert heeft. ik heb aen uweld agtb: geschreven over kanons, laken, en de notitie van Bombaij, die ik per een vaertuig van Tallecherij gekreegen heb met brieven voor Aujenga in verscheide okasien, waer op ik geen antwoord ontfangen heb, en ik kan niet begrijpen de raden daar van, want als ik uwelEd: Agtb: iets laat versoeken, is niet dat ik verleegen ben / en schoon ik alhier niet en hub, en mijn souverain heeft des te meer, en ook van Pattana, en Mangaloor tehalen zal niet te swaer vallen:/ maer dewijl onse souverainen in vriendschap leeven, en buiten haere determi„ natie is mijn begeerte om uwel Edele Agtb: te deenen, en bij uwel Edele Agtb: Comp: zal er veel weesen, en overdenkende die goede vriendschap wil ik daer gebruik van maken, ik verwagte hier op antec:, en ook mij telaten weeten, of 't waer is dat daar ter rheede van Uwel Ed: agtb: Engelsche scheepen krui„ „sen, want ik heb notitie van Chettua gekreegen dat het zoodanig is. Blijve om uwelEd: Agtb te dienen, wiens persoon God bew: lange Jaeren /onderstond/ uwel Ed: Agtb: ootmn: Dien=r /was gete/ Sardar khan in het Camp den Ryklrk Akkordeerd Adriaan Borthet 30 30: November 1781

NL-HaNA_1.04.02_3618_0298 view scan ↗

English

No 17 683 To the Honorable Johan Gerard van Angelbeek Governor of Cochim Sir and Friend I have received Your Right Honorable letter of 28 November, in which Your Right Honorable says to have received the copy of the letter from the Lord Nabab, my sovereign, serving as an answer to the letter that I wrote to the said Lord. I have again written to the Lord Nabab the proposals that Your Right Honorable made to me in your letter, and as soon as I receive the answer to it, I shall inform Your Right Honorable of what occurs, and I expect that it will turn out according to my and Your Right Honorable's wish, which I gladly wish to show how very much I desire to preserve a true friendship with Your Right Honorable, advising Your Right Honorable that it appears better to me that Your Right Honorable should write a letter to the Lord Nabab yourself with all the proposals, and that well explained, and if Your Right Honorable sends that letter to me, I shall deliver the same to that Lord by my couriers, accompanied by another from me, and the same should be written in an amicable manner so that the answer may come quite easily. I 684 I have seen what Your Right Honorable writes to me regarding the cannons of 24 lb, that the same are not there, but rather heavy ones of 18 lb, and the cost thereof; now I send a sample of many cannonballs that I have, so that Your Right Honorable might have the goodness to see whether cannons of that caliber could be obtained, and upon Your Right Honorable's advice I shall have four of those cannons fetched, and also others that Your Right Honorable might be able to dispose of, sending at the same time the money for them. I thank Your Right Honorable very kindly for the news shared, that the ships are about to arrive at Madrast, where the same are destined, as Your Right Honorable says in your letter. I understand very well that Your Right Honorable cannot answer all my letters, not for lack of affection, but solely due to manifold occupations. Regarding the news of Naoer and Nagapatnam, I have written to Your Right Honorable; I have understood from my sovereign that Commander Daukhan, with the forces of Your Right Honorable's company, caused the English to retreat in an attack they launched, on which occasion the English lost five cannons. I remain always ready to serve Your Right Honorable, whom God preserve for long years. Below was written: Your Right Honorable's humble servant, was signed: Sarder Chan. Agrees. P.S. I request Your Right Honorable to send me the weight of the French 18 lb cannons that Your Right Honorable has. In the camp, 7 December 1781. Adriaan Boowsaet Egdark 685 No 18 I do not doubt that Your Honor will have duly received my letter of 22 November, and seen therein my answer to all your previous requests for cannons, saltpeter, sulfur, cloth, and other goods. It were to be wished that the news Your Honor gave me concerning the state of the war on Coromandel were true, yet to my regret I must report to Your Honor that affairs there have turned out very badly: the Lord Nabab has been forced to retreat, and the city of Nagapatnam was thereby forced to surrender to the English. I hope that the Lord Nabab will find means to recover, to confront his enemies anew, to which the powerful fleets of French and Dutch warships, which according to further news from Kolombo must now arrive any day, will render a great deal of assistance. Yet for this it is especially necessary that the Lord Nabab seek to persuade the Marathas that they do not make peace with the English, for I have been informed that the English are currently attempting to settle the disputes with the Marathas in order to employ their entire force against the Lord Nabab; Your Honor please advise the Lord Nabab. Sir. To the Lord Cardarchan, Governor of Kalikut, here.

Dutch transcription

N„o 17 683 Aan d' Heer Iohan Gerard van Angelbeek Gouverneur van Cochim Mijn Heer en Vriend Ik heb uwel Ed: agtb brief van den 28: November ontfangen waar by uwel Ed agtb: zegt de Copia brief van de heer Nabab mijn souverain ontfangen te hebben dienende tot antwoord van mijn brief die ik aan gem Heer gesz heb. Ik heb wederom aan de heer Nabab gesz: de pro„ positien die uwel Ed agtb: mij gedaan heeft bij des„ „selfs brief en zo dra ik het antw: daar op krijge zalik uw el Ed agtb: bekent maken wat er passeert, en ik ver„ „wagte dat het komen zal zo als mijn en uwel Ed agtb begeerte is die ik gaarne wensche te toonen hoe seer ik verlange een waare vriendsz: met uwel Ed: agtb te konserveeren advertierende uwel Ed agtb: dat 't mij beter toeschijnt dat uwel Ed agtb selfs een brief aan d' Heer Nabab quam te schrijven met alle de propo„ sitien, ende zulx wel g'expliceert en als uwel Ed agtb die brief aan mi komt tesenden, zal ik deselve per mine posten aan dien heer besorgen vergesel„ „schapt met een ander van my en deselve dient op een minsame wijze gesz: te werden op dat het antw: gants gemakkelyk kan komen rige Ik 684 Ik heb gezien wat uwel Ed agtb my schryft wegens ^ dat dezelve daar niet zijn, swaar wel van 18: lb: de canons van 24: lb: ^ en dies kostende nu sende ik een monster van veele kogels die ik hebbe, op dat uwelEd. agtb: de goedheid zoude hebben van te zien of Ca„ „nons van dat caliber te krijgen zoude zijn en op uwel Ed: agtb advis zal ik vier van die canons laten halen en nog andere die uwel Ed. agtb zoude konnen van de hand afzetten, sendende tegelyk 't geld van dies Ik bedanke uwel Ed agtb seer vriendelijk voor het bedeeld nieuws, dat de scheepen staan te komen op Madrast daar deselve gedestineert zijn zoo als uwel Ed agtb by zyn brief komt te zeggen Ik begrijp sier wel dat uwel Ed agtb alle mijne brieven niet kan b'antwoorden niet om de wille van ongenegenth„t, maar alleenig om menig vuldige accupatien wegens de notitie van Naoer en Nagapatnam heb ik aan uwel Ed agtb gesz: ik heb van mijn sou veraen verstaan dat den Commandant Daukhan met het volk van uwel Ed agtb: komp de Engelsen hebben doen retireeren bij een attacque die zij gele„ „vert hebben, bij welke gelegentheid de Engelsen vijf canons verlooren hadden Ik blijve altijd bereid om uwel Ed: agtb te die„ „nen die God bew: lange Iaren /:onderstond uwelEd agtb ootmoedigen Dien, /was get:/ sarder chan Akkordeerd P: S: versoeke uwel Ed: agtb mij de swaarte te senden van de Canons die uwel Ed agtb: heeft van 18: lb: france. , In 't kamp den 7: December 1781. Adriaan Boowsaet Egdark ƒ P. S kostende do 685 N„o 18. Ik tuijfele niet of uwEd: zal mijnen brief van den 22. 9ber: wel ontvangen en daar bij mijn antwoord op alle uwe voorige verzoeken om kanons, salpeter, Zwavel, laakens en andere goederen gezien hebben. Het waare te wenschen dat de tijding die Uw Ed:s mij no:„ „pens den toestand des oorlogs op Kormandel in waarheid be„ „stond, doch tot mijn leetweezen moet ik uwEd: melden dat de zaaken daar heel slecht afgeloopen zijn: De seer Nabab: is genoodzaakt geweest te retireeren en de stad Na„ „gapatnam is daar door genoodzaakt geweest om zich aan de Engelschen over te geeven. Ik hoope, dat de heer Nabab middelen zal vinden om zich te herstellen, om aan zijne vijande op het nieuw het hoofd te bieden waar toe de machtige vlooten van transche en Holland„ „sche Oorlogs scheepen, die volgens nadere tijding van Kolombo nu dagelijx koomen moeten, heel veel hulpe zullen toebrengen Doch hiertoe is inzonderheid noodzakelijk, dat de heer Nabab de Maratten zocht te persucadeeren dat zijlieden met de Engelschen geen vreede maaken, want ik: ben onderricht dat de Engelschen thans trachten de geschillen met de Maratten bij te leggen, om hunne heele macht tegen den Heer Nabab te gebruiken, uwEd: gelieve den Heer Nabab Mijn Heel Aan den Heer Cardarchan. Goeverneur van Klikut hier

← previousnext →