VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3619

Malabar · 338 pages · 201 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3619_0003 view scan ↗

English

Mallabaar 1783 707. Sir Introduction to the Memoir It is a standing order in the Indies that upon departure from a place where one has held authority, one must leave behind a Memoir for one's successor. When I arrived here, my predecessor was unable to do so due to occupations and indisposition, wherefore I, having at that time not the slightest knowledge of the Mallabaar, took refuge in reading the papers, first from the year 1753 onwards (because since that time the system of the Company here has changed) and subsequently from earlier times, by which I found myself very well served. And now that the High Indian Government has been pleased to recall me and to appoint Your Honour as my successor with the special order to provide Your Honour with a concise Memoir, I have—however much Your Honour, on account of Your Honour's known competence, does not need such instruction as another might—known no better way to accommodate Your Honour than to present the main points that one cannot know all at once, unless through reading the old papers or through obtaining information from the native, 708 with which, however diligent one may be, some time is bound to pass. And for that same reason, I have described the history of the Nabab Haijder Alij Chan somewhat circumstantially, in order that one may immediately see in its context what took place with him, which must otherwise first be traced through the outgoing and incoming letters; regarding which formidable conqueror one cannot be vigilant or cautious enough, so that Your Honour can afterwards always read the original papers further at leisure. I deemed such a piece of writing all the more necessary because the affairs of the Mallabaar are, some more and others less, so entangled and intertwined with one another that, at the beginning of one's administration, by wishing to touch upon a minor matter (out of whatever good intention it might be), one might sometimes cause a disruption, which, through ignorance of the details, one would not be able to foresee. Therefore, I have confined myself, first to the Mallabaar in general; subsequently in particular to the four Princes or Principal Kingdoms that comprise the Mallabaar; further to those princes who, although not directly belonging to the Mallabaar, nevertheless have relations with it; thereafter to the inhabitants of this country, and then further to the Company's possessions, interests, revenues, and domestic administration here, under such main headings as are specifically listed after this preface. However much I might have wished not to have been bound to a Memoir, on account of the business and indispositions that I have had for some time, and however much I had therefore resolved to carry out my project concisely, this writing has nevertheless imperceptibly grown much larger under my hand than I had thought, because during my administration I continuously kept notes of things that appeared to me to be of some use, through which I was able to proceed without having to consult the papers each time, and through which the desire repeatedly seized me to expand a bit here and there. To this is also added that, as a hobby, now and then in my spare hours, I sometimes investigated the origin and progress of the so-called Saint Thomas Christians, the Roman Christians, and the Jews here, which articles, which in themselves take up a few sheets, I have included almost verbatim as I had collected them, except for the article on the Jews, about whom some years ago I first corresponded with Mr. 's Gravezande, Minister of the Divine Word at Middelburg in Zeeland, who presented the contents of our correspondence to the Zeeland Society of Sciences at Vlissingen, and by which society the same was published in the 6th volume of its published transactions, so that regarding the Jews I only

Dutch transcription

Mallabaar 1783 707. is een permanente order in Jndien, om bij een plaats, alwaar men het gezag ge„ een Memorie aan zijn vervanger na te laa„ hier kwam, kon mijn Antecesseur, wegens occu„ lasselijkheijd zulks niet doen, waarom ik, als minste kennissen van de Mallabaar hebbende „, tot het leezen der papieren, eerst van het kom dat 'tzeders dien tijd het Sijsthema„ agnie alhier veranderd is:/ en vervolgens en tijden, waar bij ik mij zeer wel bevon„ En nu de Hooge Jndiase Regeeringe gelieven op teroepen en Uw Ed:s tot mijn te benoemen met speciaale Last; om eene beknopte Memorie ter hand: te zo heb ik /:loe zeer UwEd:s weegens des„ inde kundigheijd; zo zeer geen onderigtingen als onder nodig heeft:/ UwEd: niet beeter weeten te komen, als Hoofd zakelyk op te geeven, het geen zo eensklaps weeten kan, ten zij door het leeken papieren, of door informaties bij den Jn„ Mijn Heer „lander 707. Mijn Heer Het is een permanente order in Jndien, om bij Jnleijding tot den memorie vertrek van een plaats, alwaar men het gezag ge„ „had heeft, een Memorie aan zijn vervanger na te laa„ „ten. Doe ik hier kwam, kon mijn Antecesseur, wegens occu„ „paties en onpasselijkheijd zulks niet doen, waarom ik, als toen geen de minste kennissen van de Mallabaar hebbende toevlugt nam, tot het leezen der papieren, eerst van het Jaar 1753: af (:om dat 't zedert dien tijd het Sijsthema van de Compagnie alhier veranderd is:/ en vervolgens van vroegeren tijden, waar bij ik mij zeer wel bevon„ „dien hebbe, En nu de Hooge Jndiase Regeeringe mij heeft gelieven opteroepen en Uw Ed:s tot mijn vervanger te benoemen met speciaale Last; om aan UEd: eene beknopte Memorie ter hand: te stellen; zo heb ik /:hoe zeer UwEd:s weegens des„ „selfs bekende kundigheijd; zo zeer geen onderigtingen als wel een ander nodig heeft:/ UwEd: niet beeter weeten tegemoed te komen, als Hoofd zakelyk op te geeven, het geen men niet zo eensklapsweeten kan, ten zij door het leezen van de oude papieren, of door informaties bij den Jn„ „lander 708 „lander, waarmeede, hoe naarstig men ook zijn mag„ tog al eenigen tijd heen gaat, en om die zelvde reeden heb ik de Historie van den Nabab Haijder MijChan„ wat omstandig beschreeven, om daar bij al ten eersten in zijn konnectie te kunnen zien, wat met hem voor„ „gevallen is het geen anders uijt de afgaande en aan komende Brieven eerst moet nagegaan worden, omtrend welken gedugten Conquerant men tan, niet waakzaam nog voorzigtig genoeg kan zijn; zo dat duEd: naderhand altoos op zijn gemak, de origi„ „neelen papieren, nader leezen kan: zo een zoort van schriftuur, heb i des te nodiger g'oordeeld, om dat de zaakken van de Mallabaar, d'eenen meer en d'andere min, zodanig in elkander gewikkeld en aan elkander verknogt zijn, dat men in het begin van zijn bestuur, met een geringen zaak (uijt welk een goed oogmerk het ook mogte zijn:/ tewillen roeren zomtijds een derangement zouden hunne veroorzaaken, het geen bij ignorantie van de bijzonder„ „heeden niet zouden kunnen voor uijt zien; derhalven heb ik mij bepaald, eerst tot de Mallabaar, in Valgemeen vervolgens in 't bijzonder tot de vier Porsten of Hoofd Rijkken die den Mallabaar uijtmaaker; wijders tot die vorsten, de„ „welke schoon wel niet direct tot de Mallabaar behooren egter ook relatie tot dezelve hebben; daar na tot d' Jn„ „woonders dezes Lands, en dan verder tot 'sComp:s Bezit„ „tingen Belangens, Jnkomsten en huijshoudinge alhier onder zodanige Hoofd-deelen, als agter deze voorreedeen specifiek opgegeven worden Dan hoe gaarne ik ook wel gewenscht had aan geen Memorie gebonden geweest te zijn, weegens de beezigheer„ „den en incommaditeijten, die ik zedert eenigen tijd gehad hebben, en hoe zeer ik mij deshalven ook bepaald had, om mijn project beknopt uijt tevoeren, zo is dit schriftuur, eg„ „ter onder de hand, ongevoelig vrij grooter geworden als ik ge„ „dagt had, door dien ik geduurende mijn bestier doorgaans aanteekening gehouden hebbe van dingen die mij van eenig nut voorkwaamen, waar door ik hebbe hunnen voortgaan, zonder telkens de papieren nader te moeten inzien en waar door mij telkens de lust bekooop om hier en daar wat uijttereijden: Hier bij komt ook dat ik uijt liefhebberij nu en dan, in mijne snipper uurtjes wel eens onderzoek gedaan hebbe na de oorspronk en voors„t„ „gang der zo genaamde S=t Thomas Christenen der Roomse Christenen en der Jooden alhier, welke astikul, die op zig zelvs ook al eenige vellen beslaan ik genoegsaam woorde„ „lijk hier bij gevoegd hebbe zo als ik ze versameld had, uijt„ „genomen het artikul van de fooden waar over ik eenige Jaaren geleeden, eers gecorrespondeerd hebben, met den Heer 'T Gra„ „vezande, Bedienaar des Goddelijken woords te Middel„ „burg in Zeeland, die den Jnhoud van onze Correspondentie aan het Zeeuwsche genootschap der weetenschappen te vlissingen aangebooden heeft, en door welk genootschap, de„ „zelven in het 6. e deel van haare uijtgegeevene verhan„ „delingen geplaatst is, zo dat ik nopens de Jooden maar Dan alleen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0007 view scan ↗

English

709 only reported the most essential points and, where appropriate, supplemented these and other details (since obtained here); for example, a second and third translation of the Privileges which the Jews here obtained from the Malabar emperor Cheroemperoemaal, as well as the reasons why there was formerly such a bitter hatred between the white and black Jews, and several other passages besides, which will best reveal themselves upon reading. And since various secret passages are also cited in this writing, I have, without mentioning them specifically by name, made use as much as possible of general expressions, and rather referred Your Honour to the secret papers, letters, and resolutions, even with indication of the dates, so that one may thereby at a glance find the referenced matters in closer and more detailed form. In the same manner, I have also acted with articles that are not even secret, but merely have relation to the arrangements made in the administration and the further interests of the Company here, since a specific indication and treatment of all of them would have made this writing considerably bulkier still. Malabar in General . . . . . folio 1. The King of Trevencoor, under which also - - - - folio 25 The Islands of Moetoecoenoe - - - - - - - folio 14. The King of Cochim, under which - - - - - - folio 53. Our Protection over the Christians and - - - - - - folio 58. Our Protection over the Cannarijns - - - - - folio 63. The Lordship of Maprane - - - - - - folio 79. The Eighteen and a Half Villages and - - - - - - folio 81. The King of Repolin - - - - - - - - folio 87. The Zamorin Realm, under which - - - - - - folio 94. The Hermoettoe Pannicaal - - - - - - - folio 102. The Paijencherijs - - - - - - - - - - folio 104. The King of Aijroer - - - - - - - folio 110 The King of Cranganoor and - - - - - - folio 121. The Prince Cartamana - - - - - - - folio 127. The Collastrij Realm, under which also - - - - - folio 129 The Moorish Regent Adij Ragia - - - - - folio 142. The Nabob Haijder Alij chan - - - - - - - folio 151. The Angrean Pirates - - - - - - - folio 212. The Inhabitants of this Country, consisting of - - - folio 221. Heathen Malabars - - - - - - - folio —. Old Christians - - - - - - - - - - folio 222. New Christians . . . . . . - - - - folio 254. The Maldivian Sultan - - - - - - - - - folio 219. The Marathas - - - - - - - - - - - folio 213. Natives - - - - - - - - - - - - folio —. The Paliath Achan - - - - - - - - - - - - folio 54. Topasses - - - - - - - - - - - - folio 278. and 740. Foreigners . . . . . . . . . . . - Folio 281. Protestant Christians - - - - - - - - folio —. Ditto Jews - - - - - - - - - - - - - - - folio 288. Moors - - - - - - - - - - - - folio 310 Heathens, namely - - - - - folio 314. Northern - - - - folio —. Pundits - - - - - - folio —. Cannarijns - - - - - - - - - folio 315. Banians - - - - - - - - - folio 318 Silversmiths - - - - - - - folio 319. Southern - - - - - - - - - - - folio 321. Dyers and - - - - - - - - folio [illegible] Shoemakers - - - - - - - - folio 323. The Possessions of the Company, consisting of - - folio 324. The Fortifications . . . . . - - - - - - - folio 326. The Buildings and - - - - - - folio 335. The Lands - - folio 336. The Navigation - - - - - - - folio 340. The Militia - - - - - - - - - - . . . folio 343. Artillery - - - - - - - - - - folio 349. Desertion . . . . . . - - folio 353. The Collection of - - - - - - - - folio 356. Pepper - - - - - - - - - - - folio 357. Cardamom - - - - - - - - - - - - - folio 360. Cowhides - - - - - - - - - - - folio 361. Gunny bags and - - - - - - - - - - - - - folio 364. Surat Linens - - - - - - - - - folio 365. The Trade and thereunder also - - - - - - Folio 367. The Sale of Pepper and - - - - - - - - folio 368. The Private Trade - - - - - - folio 384. The Revenues of Paponetty and Chettua - - - - folio 395. The Revenues of the Remaining Gardens and Lands - folio — The Domains or Rights - - - - - folio 399. Religion, under which - - - - - - - folio 433. The Leper House and - - - - - - - folio 441. The Orphanage and - - - - - - - - folio 439. The Household / Economy - - - - - - - - - - - folio 402. Servants - - - - - - - - - - - - folio 420. Justice - - - - - - - folio 443. The - . 711. folio 1. on Malabar In 1774 rumours were circulating as if the Portuguese intended to undertake something at Cochim The Last Conquest made by the Company Why this was deemed probable Malabar in General. Differing opinions: if ever much and diverse things have been written and thought about any factory of the Company in India, it has been about Malabar, for which the constant changing of sides and revolution of affairs continually provided cause. Malabar is the last conquest that the Company took from the Portuguese in India, for immediately thereafter came the news that peace with Portugal had been concluded and ratified. In the year 1774 various sinister rumours circulated here concerning the Portuguese, in relation both to this city and to Ceylon, all of which I communicated in particular overland by letter of 24 May of that year to the then First Advocate of the Company, Mr. van der Hoop, because there was no longer any shipping opportunity available at the time, of which letter a copy is to be found at the secretariat, and to which I refer in this matter. The rumours in relation to this place amounted, among other things, to the Portuguese beginning to make preparations to re-establish themselves in India, and that they would properly demand this city back first, AB

Dutch transcription

709 alleen het hoofdzakelijkste gemeld, en waar het te pas kwam, deze en geene bijzonderheeden /:'t zeedert alhier bekomen:/ aangevuld hebben, bij voorbeeld, nog een tweeden en derde vertaa„ „linge van de Privelegie, die de Jooden alhier van den mallabaar„ „schen keijzer Cheroemperoemaal erlangd hebben, zo meede de reedenen, waarom er tusschen de blanken en zwarte Jooden, wel eer, zo eene bittere haat geweest is, en eenige anderen per„ „rioden meer, die bij de leezinge zig best ontdekken En dewijl in dit schriftuur ook verscheijde secreeten perioden ge-allegeerd worden, zo heb ik zonder dezelven just speciaal te noemen, mij zoo veel mogelijk van Ge„ „neraale uijtdrukkinge bedienden VoEd: liever gezen„ „voijeerd aan de secreete papieren, Brieven en Resoluties zelfs met aanwijsinge van de Datums, om daar bij met een opslag, de gerenvoijeerde zaaken, nader en om„ „standig te kunnen vinden. Op dezelve wijze heb ik ook gedaan met artikule die zelfs niet eers secreet zijn, maar slegts relatie hebben, tot de ge„ „maakte schikkingen in de huijshoudinge en de verdere belangens van de Compagnie alhier, dewijl een speciaale aanwijzinge en verhandelinge van, alle dezelven, dit schriftuur nog vrij pooter zoude hebben doen worden De Mallabaar in 't Algemeen. . . . . fo 1. De koning van Trevencoor, waar onder ook - - - - „ 25 De Eijlanden Moetoecoenoe - - - - - - - „ 14. De Koning van Cochim, waar onder - - - - - - „ 53. onze Protectie over de christenen en - - - - - - „ 58. onze Protectie over de Cannarijns - - - - - „ 63. De Heerlijkheijd Maprane - - - - - - „ 79. De Agthien halve Dorpen en - - - - - - „ 81. De Koning van Repolin - - _ - - - - - - „ 87. Het Sammorijnse Rijk, waar onder - - - - - - „ 94. De Hermoettoe Pannicaal - - - - - - - „ 102. De Paijencherijs - - - - - - - - - - „ 104. De Koning van Aijroer - – – - - - – „ 110 De koning van Cranganoor en - - - - - - „ 121. De Prins Cartamana - - - - - - - „ 127. Het Collastrijse Rijk, waar onder ook - - - - - „ 129 De Moors Regent Adij Ragia - - - - - „ 142. De Nabab Haijder Alij chan - - - - - - - „ 151. De Angrease Zee roovers - - - - - - - „ 212. De Jnwoonderen dezes Lands, bestaande in - - - „ 221. Heijdensche Mallabaaren - - - - - - - „ —. Oude Christenen - - - - - - - - - - „ 222. Nieuwe Christenen. . . . . . - - - - „ 254. De Maldivose Sultan - - - - - - - - - „ 219. De Marhettas - - - - - - - - - - - _ „ 213. Naturellen - - - - - - - - - - - - „ —. De Paljetter - - - - - - - - - - - - „ 54. Toepassen - - - - - - - - - - - - „ 278. en 740. vreemdelingen. . . . . . . . . . . - R:o 281. Protestantse Christenen - - - - - - - - „ —. d Jooden - - - - - - - - - - - - - - - „ 288. Mooren - - - - - - - - - - - - - „ 310 Heijdenen, namendlijk - - - - - „ 314. Noordse- - - - - „ —. Pandieten - - - - - - „ —. Cannarijns - - - - - - - - - „ 315. Benjaanen – – – – – – – – – „ 318 Zilver Smits - - - – – – – „ 319: Zuijdse - - - - - - - - - - - „ 321. verwers en - - – – - - - - - „ Schoenmakers - - - - - - - - „ 323. De Bezittingen van de Comp:, bestaande in - - „ 324. De Fortificatien. . . . . - - - - - - - „ 326. De gebouwen en - - - ---„ 335. De Landerijen- - „ 336. De Zeevaart - - - - - -- „340. De Militie - - - - - - - - - - . . . „ 343. Arthillerij - - - - - - - -- --- „ 349. - Dezertie. . . . . . - - „ 353. De Jnzaam van - - - - - - - - „ 356. Peper - - - - - - - - - - - „ 357. Cardamom - - - - - - - - - - - - - „ 360. Koehuijden - - - - - - - – – – – „ 361. goenijs en - - - - - - - - - - - - - „ 364. Suratse Lijnwaaten - - - - - - - - - „ 365. De Handel en daar onder ook - - - - - - F=o 367. De verkoop van Peper en - - - - - - - - „368. De Particulieren Handel - - - - - - „ 384. De Jnkomsten van Paponetty en Chettua - - - - „ 395. De Inkomsten der overige Thuijnen en Landerijen - „— De Domainen of geregtigheeden - - - - - „ 399. De Godsdienst, waar onder - - - - - - - „ 433. slet Leprosen Huijs en - - - - - - - „ 441. Het wees-Huijs en - - - - - - - - „ 439. De Menagie - - - - - - - - - - - „ 402. Dienaaren - - - - - - - - - - - - „ 420. De Justitie _ _ _ _ - - - - - - „ 443. De - . 711. fo 1. over Mallabaar In 1774 hebben gerugten gelopen als of de Portugeensen iets te Cochim wilden onderneemen Comp:s gemaakt Het Laatste Conquest bij de Waarom dit waarschijnelijk is g„ oordeeld De Mallabaar in het Algemeen. Verschillende sentimenten zo er ooijt over een Comptoir van de Comp: in Jn„ „dien veel en op onderscheijdene wijze geschreeven en gedagt is, het is over de Mallabaar geweest, waar toe de gestadige veranderinge van sijden en onwen„ „telinge van zaken telkens Hoffe verschaften De Mallabaar is het laatste Conquest dat den Comp: in Jndiën van de Portugeezen genomen heeft, want onmiddelijk daar na kwam de tijdin„ „gen, dat de vreede met Portugal gesloten en gera„ „tificeert was In 't Jaar 1774 liepen hier verscheijde misselijke gerugten nopens de Portugeezen, met relatie zo tot deeze stad, als tot Ceijlon, welk een en ander ik bij brief van den 24 Meij van dat Jaar, aan den toenmaaligen Eersten Advocaat van de Comp: den Heer van der Hoop in 't particulier over land bedeelde, om dat er toen geen scheeps gelegentheijd meer voor handen was, van welke brief Copia ter secretarij te vinden is, en waar aan mij ten dezen refereeren. De Gerugten met relatie tot deeze plaats kwa„ „men onder anderen hier op uijt, dat de Portu„ „geezen preparaties begonden temaken, om zig weder in Jndien te herstellen, en deze stad eijgentlijk het eerste zouden te rugge eijsschen, AB

NL-HaNA_1.04.02_3619_0010 view scan ↗

English

712: B Under what condition Cochim and Cannanoor belong to Holland. When Cochim and Cannanoor were conquered and in what times the peace was concluded. The many years of possession give us the right of ownership. It is said that Cochim would have been given back if the Portuguese had wanted to pay the expenses to Holland, and when the proclamation thereof took place in The Hague. Note: as conquered, after the peace was made; these rumours were deemed quite general and even probable, because precisely at that time, at Goa, in naval, artillery, and military affairs, as well as in the political administration in fact, many improvements and changes for the better were made, but since then those rumours have gradually disappeared again. In the national history, volume 13, page 378, it is stated that in the year 1669 it was agreed between Holland and Portugal that Cochim and Cannanoor should remain with Holland as a pledge for the arrears that Portugal still owed to the States: whether these arrears have now been satisfied, and whether anything has since been agreed upon concerning these two cities, is not mentioned in the national history. Cochim was conquered in January and Cannanoor in February 1663. The peace was concluded on 6 August 1661, but the ratification or confirmation was not mutually exchanged before 15 December 1662, according to the same national history, page 72, and the proclamation took place on 11 March 1663; according to the 6th article of the peace, hostilities were to cease two months after the ratification in Europe, and in other regions after the proclamation of the peace. Since the proclamation in The Hague took place only in March 1663, it follows therefrom that the proclamation in the Indies had to occur considerably later, and that therefore Cochim and Cannanoor are lawful conquests: yet why it was then agreed to keep those places in pledge for arrears, we cannot resolve. However, a Portuguese related to me here in conversation, as a matter generally accepted and believed among his nation, that after the concluded peace the Portuguese would indeed have received the city of Cochim back if they had been willing to reimburse the expenses that the Dutch claimed to have incurred before and after the conquest of the city, of which the bill was such an excessive item that Portugal could not see fit to pay it. Be that as it may, our right is sufficiently confirmed by a possession of more than one hundred years *quod ad jus*, and we would have to maintain it *quod ad factum*. Since my arrival here, I have tried as much as possible to trace what has occurred in these regions since. 713: 5 One has little record of the things that happened at the time of the Portuguese rule here. Reason why we have retained this conquest. The situation of Malabar. Of the emperors who divided Malabar among 4 principal kings. Happy reign of one of these emperors. Since the Portuguese first visited this coast and subsequently established themselves there, until the time that the Company made itself master of it and dislodged the Portuguese from this coast, in order to fill the gap that exists in the history of that time and to find something for our instruction through these or other events or from the conduct and maintained management of the Portuguese during their flourishing state; yet I have not been able to discover anything particular beyond what is to be found in Portuguese as well as other published history writers, except for some particulars that relate only to the clergy, which I also obtained mostly from the notes and traditions of the Roman priests, and which I shall introduce in this work wherever it is best suited: The reason why the Company, after having conquered this conquest from the Portuguese, retained the same, seems to have been on the one hand because people were of the opinion that Malabar could yield great advantages, which however has since been experienced otherwise, and on the other hand, to prevent our competitors from nestling too close to the Madura coast and the island of Ceilon. The Malabar coast is situated north of the equator, mostly at ten degrees latitude; beginning south of Cape Commorijn and ending at the outer corner of Montedillij to the north. Malabar was of old an empire, and the emperors generally bore the name of Cheramperoemaal. The last of these emperors was that famous Cheramperoemaal, of whom very much is related by tradition among the Malabars, and especially of his good qualities and wise manner of government, according to whose laws and introduced customs the Malabars are ruled and governed to this day. This Cheramperoemaal, having reigned happily for 48 consecutive years, divided Malabar before his death among his heirs and friends into four parts, from which then originated those four well-known principal kingdoms that make up Malabar, namely Trevancoor, Cochim, Sammorijn, and Colastrij, besides several other minor kingdoms, states, and prominent houses, which were established after and from them by the sea.

Dutch transcription

712: B onder wat Conditie Cochim en Cannanoon aan Holland zijn Wanneer Cochim en Cannanoor vreeden is gestooten De langjaarigen Dosie gest ons vroegt van Bezitting Men zegt, dat Cochim weder zoude sen de Wosten aan Holland hadden en wanneer des afhondiging daa NB: als veroverd, na de gemaakte vreeden; deze gerugten wierden genoegzaam algemeen en zelfs waarschijnelijk ge-oordeelt, om dat Juijst te van in den daag is geschifd dier tijd, te God, op het zee, Arthillerij en Militaire weezen, zo meede in het politicque bestier in de daad, veelen verbeeteringe en veranderingen ten goe„ „den gemaakt wierden, dog 't zedert zijn die ge„ „nugten weeder gaande weg verdweenen Bij de vaderlandsen historie 13. deel blad 378. staat, dat in 't Jaar 1669: tusschen Holland en Portugal over een gekomen is, dat Cochim en Cannanoor aan holland zoude blijven tot onderpand van den wullen betaalen agterstallen, die portugal den staten nog schul„ „dig was: of nu deze agterstallen voldaan zijn, en op en zedert iets weegens deze twee steeden over een gekomen zij, word in de vaderlandse Hestorie niet gemeld. Cochim is in Januarij en Cannanoor in fe„ zijn verovers en in welke tijden de „bruarij: 1663. veroverd. De vreede is geslooten den 6. Aug„s 1661 maar de ratificatie, of bekragtiging is wederzijds niet voor den 15 december 1662. uijtge„ „wisseld, volgens de zelfde vaderlandse Historie blad 72. en de afkondiging is den 11. Maart 1663 geschied; volgens het 6. artikul van de vreede moes„ „ten de vijandelijkheeden ophouden, twee maan„ „den na de ratificatie in Europa en in andere gewesten na de afkondiging van de vreede Wijl nu de afkondiging in den Haag eerst in maart 1663. is geschied, volgt van dezelve, dat de afkondiginge in Jndien, merkelijker laaten moest geschieden, en dat overzulx Cochim en Cannanoor, wettige veroveringen zijn: dog waar„ „om men dan over een gekoomen is, om die plaatsen in pandschap te houden voor agter stallen! weeten niet optelossen Dog mij is hier een door een Portugees discursi„ terug gegeven zijd zo de portigee„ ven verhaalt, als een zaak die bij zijn Natie in t algemeen aangenoomen en geloofd word, dat de Portugeezen na den getroffen vreede, de stad Cochim wel zouden te rug gekreegen hebben, indien ze hadden willen vergoeden de onkos„ „ten, die de hollanders voor en na de overmees„ „tering van de stad voorgaven, gemaakt te hebben, en waar van de reek: zo excessiev post was, dat Portugal niet kon goedvinden dezelve te betaalen Dog het zij hier meede hoe het zij, ons regt is door eene meer dan hondert Jaarige bezitting genoeg bevestigt quod adsus en we zouden het quod ad factum moeten staande houden. Zedert mijne komste alhier, heb ik zo veel mogelijk, tragten op te spooren, het ge-exteerde gewesten 'tzeedert verbleeven. F 713. 5 men heeft wienig heft van den gebeurden dinger ten teijde der portugeele Regeering hier Reeden waarom wij dit Com„ „quest hebben aangehouden dier keijkers dite mallabaar onder 4. hoofd koningen heeft Gelukkige Regeering van een aer een kuij tzeedert dat de portugeezen deze Cust het eerst bezogt en zig vervolgens daar ge-etabliceerd hebben, tot dien tijd dat de Comp: er zig meester van gemaakt en de portugeezen, daar uijt gedelo„se hust „geert heeft, om de Gapinge, dewelke in de histo„ „rie van dien tijd is, te vullen en door deze of gee„ „ne gebeurtenissen of wel uijt de handelwijze, en gehoude directie der Portugeezen, geduurende hunne bloeiende staat, iets tot ons narigt te vinden; dog ik heb niets bijzonders kunnen op„ „doen, buijten het geen zo bij Portugeeze als anderen publicque Historie schrijvers te vinden is, uijtgenoo„ „men eenige bijzonderheeden, die maar betrek„ „kinge hebben tot de Jeestelijkheijd, het geen ik ook meest uijt de aanteekingen en overleeve„ „ringen van de Roomse Priesters te weeten ge„ „kreegen hebben, en in dezen waar het zig best voegd, ergens te pas brengen zal: De reeden waarom de Comp: na datze dit Conquest van de portugeezen veroverd had, het zelven aangehouden heeft, schijnt geweest te zijn aan de eene zijde om dat men van gevoe„ „len was, als of de Mallabaar proote voordeelen zoude konnen opbrengen, het geen egter 't zee„ „dert anders ondervonden is, en aan de andere zijden, om teffens onze Competiteuren niet te De legging na bij, de Madureeder Cust en het Eijland Ceilon te laten nestelen De Mallabaarse Cust is gelegen benoorden aar de middellijn meest op tien graaden breete; begin„ „nende ten zuijden van de Caab Commorijn en eijn„ „digende aan de uijtkoek vant Montedillij ten Noor„ „den De Mallabaar was van oudsher een Kijzer Rijk„ en de keijsers voerde doorgaans den Naam van Che„ „ramperoemaal, de laatste dezer keijzers was die beroemde Cheramperoemaal, waar van onder de Mallabaaren, bij overleveringe, zeer veel ver„ „haald word, en inzonderheijd van zijne goede hoe„ „danigheeden en verstandige Regeerings wijze, en volgens wiens wetten en ingevoerde Usan„ „ties de Mallabaaren tot als nog geregeerd en bestierd worden. Deze Cheramperoemaal 48. Jaaren agter el„ „hander, gelukkig geregeerd hebbende, verdeelde voor zijn dood, de Mallabaar onder zijne Erfge„ „namen en vrienden, in vier deelen waar uijt dan die vier bekende Hoofd-Rijken gesprooten, die de Mallabaar uijtmaken namentlijk TrevanCoor, Cochim, Sammorijn en Colastrij, behalven verscheijde andere mindere koningrijken„ stenden en aanzienelijke stamhuijsen, dewelke na & op van zee „steld

NL-HaNA_1.04.02_3619_0012 view scan ↗

English

here on Malabar exist, had reference again to one or the other of the four aforementioned kingdoms, of which some still exist, but most have been driven out and exterminated. The kingdoms of Jrevancoor, Sammorijn, and Colastrij he gave to his three illegitimate sons, but the kingdom of Cochim to his sister's son and thus, according to the Malabar succession, to the natural or nearest heir to his kingdom. The Emperor, already advanced in age, seeking rest and the practice of his religion, spent the last years of his life, or actually after he had divided his kingdom, in a religious state, namely in the renowned pagoda Triwanchacollam, situated in the little kingdom of Cranganoor, in which pagoda he also died, although the Malabar Moors maintain that Cheramperoemaal, having embraced the Moorish faith, departed across the sea on a pilgrimage to Mocha. The chief concern of the Company here on Malabar is properly the pepper collection, trade, the revenues of the country, and the levying of tolls. For the sake of pepper, one formerly had contracts of peace and friendship with the native princes, both great and small, whereby one stipulated for pepper at fixed prices, and the political system was to maintain the balance of power among those princes. This also went well in the beginning; pepper was not lacking; the Company was formidable; they laid down the law to everyone; the name of the Company alone had at that time almost as much effect as her powder and lead have now. Yet that golden age did not last long, for just as everything sublunary has its periods of rise, flourishing, and decline, so disadvantageous changes also arose regarding that profitable pepper trade. The great consumption of pepper in Europe, the transport to China and elsewhere, as well as the purchases by our competitors, who, seeing us flourish here, came hither, not only caused pepper to rise, but also made the princes first enticed by, and finally accustomed to, higher prices, because our aforesaid competitors bought up the pepper at higher prices than we did. Thus the native princes began to fail in that article, and showed that with them contracts, as is generally the case with all native princes, weighed less than self-interest over the observance of treaties. Both from Europe and from Batavia there were just complaints made concerning the decline of such an important branch of the Company's trade. The ministers here indeed sought by admonitions, insinuations, and threats to move the princes to the fulfillment of the contracts, but without effect, for the Malabars had already acquired too great a taste for the high prices. Moreover, others who were not settled here in such a manner, and did not have that overhead as we did, could also easily pay more for the pepper than we could. The princes pretended that they could not well compel their subjects to give the fruits of their land and labor for a lower price than they could get for them from others. The princes also constantly winked at one and the other, and caused the Company very many headaches and displeasure, both by the lesser delivery of pepper and by continuous faithlessness. Jrevancoor, who had long gone pregnant with ambitious and mercantile designs, also imperceptibly began to grow larger and to draw most of the pepper to himself. For in the year 1734 he had already in an unlawful manner seized the kingdoms of Doritallij, Cali, Leritallij, and the Martha, and some time thereafter the kingdoms... The decline of the pepper delivery finally went so far that under the administration of Mr. Siersma, or actually in the year 1743, practically no more pepper was delivered. Continually the Company indeed considered means of redress in this regard, mainly coming down to this: 1: to follow the market, or 2: to compel the princes by force to fulfill the contracts; but The costly maintenance of forts and towns for the sake of pepper and other state concerns did not permit following the market along with others (who do not bear those costs). Also, one had learned from the ruinous Jrevancoor war that it was not advisable to entangle the Company again in a war whereof the expenses are always certain and the outcome uncertain.

Dutch transcription

714. -7. — hier de grooten aanzoek peper de vorsten traag vielen om die hier op Mallabade bestaar, op de een of andere der vier voorsch: Rijken weder betrekking hadden, waar van nog eenige in weezen, dog de meeste verdreeven en uijtgeroeijt zijn. De Rijken van Jrevancoor, Sammorijn en Colastrij gaf hij aan zijne drie onegte zoonen, dog het rijk van Cochim aan zijn zusters zoon en dus volgens de mallabaarse successie, aan de natuurlijke of naaste Erfgenaam tot zijn rijk. De Keijzer reeds Hoog bejaard, de ruste en oeffeninge van zijn Godsdienst zoekende, heeft de laatste Jaaren van zijn leven, of eijgentlijk na dat hij zijn rijk verdeelt had, in een gees„ „telijken staat doorgebragt, en wel in de ver„ „maarde Pagood Triwanchacollam, leggende in het Rijkje van Cranganoor, in welke Pagood hij ook gestorven is, schoon de Malla„ „baarsen Mooren willen, dat Cheramperoemaal het moors geloof aangenoomen hebbende, over zee na Mocha in beedevaart vertrokken zou„ „de zijn waar in de voorde van de Comp Het voornaamste waarom het de Comp: hier op de Mallabaar te doen is, is eijgentlijk de Peper Jnzaam, den Handel, De Jnkomsten des Lands en het heffen van Jollen. Om de wille der Peper had, men van ouds Homfr: Sijs Contracten van vreede en vriendschap, met de Jnlandse vorsten, zo groote als klijne, waar bij men den Peper voor bepaalde, prijzen bedong en het Politicque Sijsthema was, om onder die vorsten het evenwigt te houden. Dit ging ook in den beginne goed, Peper man„ „queerde en niet, de Comp: was ontzaggelijk; zij stelden ieder een de wet, de naam van de Comp: alleen had te dier tijd bij na zo veel uijtwerkin„ „gen, als thans haar kruijd en lood. Dog die gulden heuw, duurde niet lang, want ge„ „lijk all het ondermaansche zijne perioden van opkomst, bloeijstand en ondergang heeft, zo deed zig omtrend die voordeelige Peper Handel ook nadeelige veranderinge op. De Groote sleet van peper in Europa, het maakte dat die huurder word. vervoeren na China en elders, benevens de Jnkoop onzer Competiteuren, die ons hier zien„ „de floreeren dit heen quamen, deeden de peper niet alleen rijzen, maar maakten ook de vor„ „sten eerst verlekkerd, en eijndelijk gewend aan hooger prijzen, door dien voorsz: onze Competiteu„ „ven de peper voor hooger prijzen op kogten als wij Dus begonden de inlandse vorsten in dat ar„ „tikul te manqueeren, en toonder, dat bij hun Contracten gelijk waar dien keijzer leeden de sijde bijven ged og ander „ te leeveren 715 g om dat vremdelingen er meerder prijs voorgeeven de pepergoed koop te leeveren de vorsten zeijden hunne onderda„ en gaven door hon Melgr „blijkheeden aan Desselfs overheezing van de Rijkken Dessiner van Jre van Coorn slegte Leverantie van peper 1 8b: 1743. gelijk doorgaans bij alle inlandse vorsten het eijge„ belang swaarder woog als de nakominge van Tractaten Soo uijt Europa als van Batavia wierd ten regte, zeer geklaagd, over den verval van zo een gewigtigen tak van 'sComp„s Handel De Ministers alhier zogten wel door ver„ adhatatie en digementen hel,„ maningen, insinuaties en drijgementen, de vorsten tot het nakomen van de Contracten te beweegen, dog zonder effect, want de Malla„ „baaren hadden reeds te veel smaak in de hooge prijzen gekreegen. souwens andere, die hier, zo niet gezeeten waa„ „ren, en dien omslag niet hadden, als wij, mon„ „den ook ligtelijk meer voor den peper betaa„ „len als wij De vorsten gaven voor, dat zij hunne onder„ „nen, nijt te hunnen pwringen, om„daanen niet wel dwingen konden, de vrugten van hun Land, en arbeijd, voor een lager prijs te geven, als zij van andere daar voor konder Ook nonkelden de vorsten telkens met de eenen en den anderen, en gaven, zoo door de mindere Leverantie van Peper, als door ge„ „duurige, trouwloosheijd, aan de Comp: zeer veel hoofdbreekers en ongenoegen. moeij„ Krijgen. pevancoor, die al lange met heerschzugtige en mercantile Desseijnen, zwanger, had gegaan, begon ook al ongevoelig grooter te worden, en de meeste Peper nazig te sleepen. Want in het Jaar 1734. had hij de rijken van Doritallij, de Maptha Coniers Cali, Leritallij en de Martha al op een onwettige„ wijze vermeesterd en eenigen tijd daar na de Het verval van de Peper leverantie quam eijndelijk zo verre, dat er met de regeeringe van de seer Siersma of eijgentlijk in het Jaar 1743. genoegsaam geen Peper meer geleverd wierd Bij Continuatie dagt de Comp: wel op mid„ drs „delen van redres ten deezen opzigte, komende, Hoofdzakelijk hier op uijt 2: om de markt te volgen, of 2: om de voosten tot het nakomen van de Contrac„ „ten met geweld te dwingen; maar Het kostbaar onderhoud van forten en steeden om de wille van de Peper en andere staats in„ „zigten liet niet toe, om met andere (:welke die kosten niet dragen:) de markt te volgen. Ook had men uijt de ruineuzen pevancoorsen oorlog geleerd, dat het niet raadsaam was, om de Comp: weder in een oorlog te witkelen, waar van de onkosten altoos gewis, en de uijtkomste onzeker zijn. het rijken „ken niet middelen die men bed Ionsitdeatie der oer „coilan

NL-HaNA_1.04.02_3619_0014 view scan ↗

English

716. whereby the war between the Company and Trevancoor arose, but which turned out to the advantage of Trevan Coor, so that the Company had to change its system. Why it is best to deal with Trevan Coor alone, and the ungratefulness of the Malabar princes, and that the war turned out disadvantageously for the Company, which brought no advantage to the Company. kingdoms of Coilan and Calicoilan, which two kingdoms were then under one ruler who bore the name of Signatty, from which that well-known Trevancore war of A:o 1739 with the Company sprang, because the Company, out of apprehension that Trevancoor would become too strong, wanted to support the Signatty, which war went somewhat prosperously in the beginning, but afterwards turned out very disadvantageously for us, and whereby the Company uselessly squandered immense costs, as the Signatty lost everything; while Trevancoor meanwhile remained master of the aforesaid kingdoms in which very much pepper grows, besides that the pepper-rich Attinga, a realm on his mother's side, meanwhile also became entirely dependent on him, so that one consequently had to fight or contract primarily with Trevancoor for the pepper, if one did not wish to follow the market. Thus this remained a shibboleth, until finally, through proposals and representations both from Batavia and from here, it was taken into consideration: That, if one wished to continue directing the Company's interests here on the old footing, one had to expect a total decline. That Trevancoor, both through his power and the lethargy of the other princes, was about to become master of the whole of Malabar in time, unless the Company also entered the game and thwarted those far-reaching designs. That this latter could not take place without excessive costs and without certainty whether such would be of duration, because Trevancoor, even if succumbing once, nevertheless would not remain quiet, but now that he has already grown so great, would emerge again each time, and thus continually keep the Company in toil. That, even if succeeding in everything, one still would not obtain much advantage, at least no advantage proportionate to the war costs, because the other princes, having then obtained room again, would go their old way again out of their well-known and proven ungratefulness, without therefore delivering more pepper than before. That, besides this, the wars had rather served partly to expose the inability of the Europeans against the natives of the country when they must be brought to reason by force of arms, and partly 717. to help us into great and intolerable burdens, rather than to procure anything real for the Company proportionate to so much hazard, inconvenience, burdens, and substantial losses as one has repeatedly subjected oneself to here on the coast through the wars. That each time after the ending of the wars, the establishment of garrison-keeping cannot be reduced at once, and that thus, in proportion as something occurred again each time, the establishment increased gradually and imperceptibly. That the Company in both cases, whether Trevancoor alone became master of Malabar, or also that one continued to support the other princes, would nevertheless have no hope for more pepper, and yet continue to bear excessive burdens. That therefore a contract, whereby the Company and Trevancoor might both profit, was the best and most certain. That this would consist in this, namely, not to be a hindrance to Trevancoor in his great designs, by maintaining neutrality and assisting with ammunition, and that the Company for that would receive a certain determined quantity of pepper below the market price. That one should therefore henceforth look upon matters here with another eye, much rather letting the native princes go their own way among one another, even though they might ruin each other, than putting on the armor each time for their sake. That entering into such a contract with Trevancoor, one would then have to deal only with one alone and not with so many. That against this it would certainly be taken into consideration that such would give everywhere here on the coast a poor impression of the Company, especially now that we have exercised mastery for so long, and have even waged open war with Trevancoor for that reason, and that therefore entering into such an alliance with him, and precisely at a time when the balance of dominion seemed to incline to his side, would cause more or less of a stir. That on the other hand it was taken into consideration again that our war with Trevancoor was only a defensive and auxiliary war, and in which, especially in the first campaign of 1734, it was sufficiently demonstrated what the Company could do, and also in the sequel would have done further, if one then in Batavia

Dutch transcription

716 #. waar door den oorlog tusschen deg Comp: en prevascon is ontstaan „gevalle dog ten voordeelen van Jrevan Coor heeft gestrekt dor rijel e Corst: ag sijsthena heeft moeten veranderen. t waarom best gooodeel is met Jrevan Coor alleen te „dankbaar zijn d oe a op aen voordel aande Comp: heeft toegebragt rijken van Coilan en Calicoilan, welke twee rijken toen onder een vorst stonden, die de naam vroeg van signatten, waar uijt die bekende pe„ „vancoorse oorlog van A„o 1739. met de Comp: gesproo„ „ten is, om dat de Comp: uijt bedugting dat pre„ „vancoor te sterk zoude worden, den signatten wilde ondersteinen, welke oorlog in den begin en de Mallabaarsen vorsten on„ en nadulig voo de Compis uijt wel eenigzints voorspoedig ging, dog naderhand zeer nadeelig voor ons uijtgevallen is, en waar bij de Comp: ontzaggelijke kosten nutteloos ver„ „spild heeft, alzoo de signatter alles verloor; Terwijl Tevancoor intusschen meester bleef van voorsz: rijken waar in zeer veel peper groeijt, behalven dat het peper rijke Attinga, een rijk van zijn 's Moeders zijde, intusschen ook ten eenemaal van hem afhankelijk, is geworden, zo dat men derhalven, voornament„ „lijk met Jevancoor, om de Peper heeft moeten vegten, of Contracteeren, indien men de markt niet wilde volgen. Dus bleef dit een schibbolet, tot eijndelijk bij voorstellen en vertoogen zo van Batavia als van hier in aanmerking genomen wierd Dat, indien men 's Comp„s belangen alhier op den ouden voet verder wilde dirigeeren, men een totaal verval te verwagten had Dat pevancoor, zo, door zijne magt als de lathar„ „tigheijd der overige vorsten, met ter tijd meester van geheel mallabaar stond te worden, indien de Comp niet meede in het spel quam, en die verren gaan„ „de desseijnen verijdelde Dat dit laatste niet zoude konnen geschieden zonder, excessive kosten en zonder zeekerheijd of zulks van duur zoude zijn, dewijl perancoor, al eens succumbeerende, evenwel niet stil blijven, maar nu hij reets zo groot geworden is, telkens weder te voorschijn komen, en dur de Comp: bij Continuatie in 't labeur zouden houden Dat men, al eens in alles reuseerende, tog niet veel voordeel, ten minsten geen voordeel, evenredig met de oorlogs kosten daar bij behaa„ „len zoude, om dat de overige vorsten dan wee„ „der ruijmte gekreegen hebbende, uijt hoofde van hun bekende en beproefde ondankbaar„ „heijd weder hunnen ouden gang zouden gaan, zonder daarom meerder Peper te leveren als bevoorens Dat buijten des, den oorlogen veel een gedient hebben, deels om het onvermogen der Europee„ „sen aan den dag te leggen, tegens de naturellen van het land, als zij met de wapenen, tot reden moeten gebragt worden, en anderdeels, Dat: om 717. Schoon dit aen gering denkbeeld van De reederen zijn agter daar voor „om dat men dan maar met een en om ons aan groote en ondragelijke lasten te hel„ „pen, dan om de Comp: iets re-eels te besorgen, geproportioneerd, na zo veel hazard, ongerief, las„ „ten en weezendlijke verliesen, als men zig eens en andermaal hier ter Custe door de oorlogen heeft subject gemaakt. Dat telkens na het eijndigen van de oorlogen den omslag van Guarnisoen-houdinge, niet ten eersten kan gereduceert worden, en dat dus na maate er telkens weer wat voorviel, den ommeslag trapsuijze en ongevoelig aangroeijde de Comp: zouden geven. Dat de Comp: in beijde gevallen, het zij pe„ „vancoor alleen Meester van de Mallabaar wierd of ook wel dat men de andere vorsten bleef ondersteunen tog evenwel geen hoop op meer„ „der Peper zoude hebben, en evenwel excessive „lasten blijven dragen. Dat dus een Contract, waar bij de Comp: en Trevancoor beijde mogten profiteeren, het beste en zeekerste was „Dat zulks, hier in zoude bestaan, nament„ „niet met zo veelen zoude tedoen „ lijk om pevancoor in zijne groote oogmerken niet hinderlijk te zijn, door het houden van de neutraliteijt en het assisteeren met am„ „monitie, en dat de Comp: daar voor zekere bepaalde quantiteijd Peper, beneden de marktj„ „prijs zoude erlangen Dat men dus voortaan de zaken hier met een ander oog zoude aanzien, de inlandse vor„ „sten veel liever onder den anderen laten begaan schoon zij elkander ook mogten bederven, als om harentwille telkens het harnas aantetrekken. Dat men met Grevancoor in zodanigen Con„ „tract treedende, dan maar alleen met een en niet met zo veele te doen zoude hebben. Dat hier tegen wel in aanmerkinge zoude komen, dat zulks hier ter Custe over al een. ge„ „ring denkbeeld van de Comp: zoude geeven, in zon„ „derheijd nu wij al zo langen, het meesterschap g'exerceerd, en daarom zelfs openbaren oorlog met pevancoor gevoert hebben, en dat dus het aangaan van zodanigen alliantie, met hem en Juijst in een tijd, dat de balars van Heer„ „schappij aan zijne zijde scheen overtehellen, min of meer opzien zoude baaren. Dat daar en tegen weder in aanmerkinge quam, dat onze oorlog met pevancoor maar eene defensive en auxiliaire oorlog is geweest, en waar in voor al bij de eerste Campagne van 1734 genoegzaam gebleeken is, wat de Comp: doen kon, en ook bij vervolg wel verder zoude gedaan hebben, indien men toen te Bata„ „prijs „via hebben „

NL-HaNA_1.04.02_3619_0016 view scan ↗

English

718 conclusion of the Contract with Jrevan Coor in the Year 1753 whereby the Malabar princes the Company's protection is withdrawn This Contract has caused astonishment among the remaining princes even could one the king Batavia, because of that well-known and most unexpected incident had not had its hands full of work, and had been unable to send more people here, whereby the war here turned out so unfortunately. That one could also most suitably shift the change of System to the movements that the European Nations then made against each other in the Indies. That it is in any case better to let our authority imperceptibly increase again under the new system, than, remaining with the old System, to see our authority gradually more and more mocked. These and similar reflections finally brought about that in the Year 1753 a Contract was concluded with the king of Travancore, whereby the old system lapsed and the chief rule of the Malabar government became, as it still is, maintain friendship with Travancore. By which Contract then among other things in the 9th Article of the utmost importance for Travancore was stipulated That the Company shall henceforth entirely refrain from all alliances made with the other Malabar princes and grandees whom His Highness might wish to wage war upon, and shall in no manner interfere therein, giving them no place of shelter, nor opposing His Highness's undertakings and leaving them at Travancore's discretion. Behold, all the princes and old allies of the Company abandoned, and left to the discretion of the King of Travancore, with whom the Company is now exclusively engaged. Upon the making of that Contract, attempts were indeed made not to leave Cochin under it to exclude the king of Cochin, as our first and oldest ally, and also as our nearest neighbour, from the neutrality, and to stipulate that this His Highness should remain in possession of his lands and states; but all efforts to that end proved fruitless, and one had to be content with the verbal promise that Travancore would treat the ruler of Cochin as a friend, as long as he was given no reason for a different conduct, that is to say, as long as it suited his purpose: Nor had this Contract sooner become known, or one perceived a great astonishment among the other princes, who otherwise had a support and protection in the Company. made left to the discretion created said 719 and gave Travancore the opportunity to bring under the same opposed it but in vain king of Cochin written to Their High Noblenesses And shortly after the conclusion thereof, Travancore also took full advantage of it, attacked his neighbours and made such progress, that having soon conquered the kingdoms of Porakad, Thekkumkur and Vadakkumkur, he became Master of the northern princes of the whole of southern and a part of Northern Malabar, whereby the king of Cochin not only lost his best pepper lands, but moreover has become very small, indeed truly all too small; not to mention that in the Year 1762 he obtained possession of those fine Kingdoms of Paravur and Mangatti situated between our city and Cranganore, indeed practically adjacent to Cranganore. It is true, the king of Cochin and some other princes, especially those of Vadakkumkur and Thekkumkur, did raise a small Army, to oppose Travancore with it as an utmost effort, but they were totally defeated, and the king of Cochin remained, as it were, out of respect for the Company, king of the few remaining lands, so that Travancore, partly by cunning and in an unlawful manner, and partly by his arms, is now master of the kingdoms of Peritaly, Marta, Kollam, Kayamkulam, Porakad, Thekkumkur, Vadakkumkur, Paravur and Mangatti, and of the best part of the Cochin Kingdom. Speculative is the letter that the king of Cochin remarkable letter written by the under date 14 October 1753 has written to Batavia, of which the main content is literally as follows: With the greatest sorrow in the world we write this ola and make known to Your High Nobleness that the Honourable Company has united with the king of Travancore by concluding and ratifying a Contract, and we believe that Your Nobleness has handed us, as an old friend and ally, along with other Malabar princes, over to a Mighty prince, and has discarded all previous Contracts: When our ancestors from the beginning attempted to bring some under the rein and obedience, the Honourable Company constantly intervened; observing that order, this kingdom has become divided into so many parts and thereby become unable to subdue its moderate enemies; in earlier days the ruler of Travancore and the Zamorin were subordinate to no one; now that the ruler of Travancore has become a mighty prince through his progress, he has known how to appease the Honourable Company under promise of observing everything, whereby he sees an opportunity to bring the remaining kings under Cochin his it

Dutch transcription

718 sluijting van het Contract met Jn oan Comn in A:o 173.. eMallabaarse waar bij de vorsten s Comp:s protexie woord ont„ Dit Contract heeft verbaast „heijd onder de overigen vorsten zelfs konde men den kioning „via, door dat bekende en aller onverwagtst incidents de handen niet vol werks gekreegen had, en buijten staat was geweest meerder volk dit hier te zenden, war door dan den oorlog alhier zo ongelukkig uijt„ „gevallen is. Dat men de verandering van Sijsthema toen zoude ook gevoeglijkst konnen schuijven, op de bewee„ „gingen die de Europeeze Natien toen in Jndien tegen elkander maakten. Dat het in allen gevalle tog beter is, onze authoriteijt bij het nieuw sijsthema weder ongevoelig te doen aangroeijen, als, bij het oude Sijsthema blijvende, onze authoriteijd allengskens meer en meer bespot te zien. „Deeze en diergelijke bedenkingen hebben eijn„ „delijk te weege gebragt, dat in het Jaar 1753. een Contract met den koning van JevanCoor, gesloten wierd, waar door het oude sijsthema verviel en den hoofdregel van het Mallabaars bestier wierd, gelijk, het nog is, houd vriendschap met Joevan„ coor Bij welk Contract dan onder anderen in het 9. Artikel van het uijtterste belang voor Tre„ „vancoor bedongen is „ Dat de Comp: van alle verbintenissen met de „ overigen Mallabaarsen vorsten en Landsgrooten „gemaakt en die zijn Ho:r zoude willen be-oor„ „„loogen, voortaan zeel afzien, en zig daarmeede op geenerhande wijzen bemoeijen, aan dezelven en deselve aan sovan Coors dis Cra„ ook geen schuijlplaets geven, nog zig tegens zijn „ Ho„ts onderneemingen aan Nanten zie daar alle de vorsten en oude bondgenooten van de Comp: g'abandonneerd, en gelaaten ter discoe„ „tie van den Koning van pevancoor, met wien de Comp: nu alleen g'engageerd is. Bij het maaken van dat Contract, heeft men van Cochim daar onder niet vase,„ wel getragt, om den koning van Cochim, als onze eerste en oudste bondgenoot, en ook als onze naas„ „te buurman buijten de netraliteijt te sluijten en te bedingen, dat deze zijn H„r in 't bezit van zijne landen en staaten zoude blijven; dog alle pogingen, tot dat eijnde zijn vrugteloos geweest, en men moest zig vergenoegen met de monde„ „linge belofte, dat pevancoor, den Cochinder, als een vriend zoude behandelen, zo lang als hem geene reeden tot een ander gedrag gegeven word, dat is te zeggen, zo lange 't hem in zijn koaam te pas komt: Dit Contract was ook zo dra niet rugtbaar ge„ „worden, of men bespeurde eene poste verbaast„ „heijd onder de overige vorsten, die anders een steun en bescherminge aan de Comp: hadden „gemaakt „otie gelaten „den. verwekt „ zejd 719 en aan te van Coor gelegenstheijd „der te brengen dezelve hebben zig daar teegen gesteld dog mey te loos „ning van Cochim aan Hun hoog Edelheedens geschreeven En kort na het sluijten van het zelve, bedienden pevancoor zig ook voor goed daar van, viel zijne na„ „buuren op het lijff en maakte zulke progressen, dat hij wel haast de rijken van Porka, Jecken„ „koer en Berkencoer veroverd hebbende, Meester „schaff den noordse hoorsten von„ van geheel zuijder en een gedeelte van Noorder Mallabaar wierd, waar bij de koning van Cochim, niet alleen zijne beste peper landen verloor, maar boven dien zeer klijn, sa waarlijk al te klijn geworden is: gezwijge dat hij in 't Jaar 1762. die schoo„ „ne Rijken van Paroe en Mangattij leggende, tus„ „sen onze stad en Cranganoor, Ja genoegzaam naast aan Cranganoor, in bezit gekreegen heeft Tis waar, de koning van Cochim en eenige an„ „dere vorsten, inzonderheijd die van Berkencoer en jekkencoer, bragten wel een Legertje op de been, om daar meede als een uijtterste poginge, den pevancoor tegen te gaan, dog ze wierden to„ „taliter geslagen, en die van Cochim bleef quans„ „wijt, ten respecte van de Comp:, koning van het nog wijnige overgeschotene land, zo dat Joevan Coor deels door list en op een onwettige wijze, en anderdeels door zijne wapens tans meester is van de rijken van Peritallij, de Martha, Coilan, Calicoilan, Porka, Jekkencoer, Bernencoer, Paroe en Mangattij, en van het beste gedeelte van het Cochimse Rijk Speculatief is de briev die de koning van Cochim aanmerkelijke brief door de zo„ onder dato den 14. 8ber: 1753 na Batavia geschree„ „ven heeft, waar van de grootste inhoud bewoorde„ „lijk is, als volgd Met de prootste droefheijd des wenelds schrijven wij deze ola en maken uw Hoog Edelheijd bekent, dat d' E: Comp: met den koning van JrevanCoor, met het sluijten en ratificeeren van een Contract vereenigt is, en wij gelooven dat waar Ed: ons als een oude vriend en bondgenoot neevens andere Mallabaarse vorsten aan een Magtigen vorst op„ „gedragen, mitsgaders alle voorige Contracten, ver„ „worpen heeft: Joen onze voorzaaten van den beginne af aan, sommige onder den teugel en gehoorsaamheijd hebben getragt te brengen, is d' E Comp: geduurig daar tussen ingekomen; „ die ordre observeerende, is dit rijk in zo veel dee„ „len verdeelt geraakt en daar door onbequaam geworden, zijne matige vijanden te dwingen; in vroegere dagen heeft den Jrevancoorder en sam„ „morijn onder niemand gestaan, nu den pevan„ „coor door zijne progressen een magtigen vorst is geworden, heeft hij d'E: Comp:, onder belofte van „ alles te observeeren, weeten te paaijen waar door hij kans siet de overige koningen onder Cochimse) zijn t

NL-HaNA_1.04.02_3619_0018 view scan ↗

English

...to bring under his obedience, but we believe that he will within a short time also seek to subjugate the Honorable Company, and that he will cause Their Honors to gain great profits we strongly doubt, and then one has thereby all the opportunity to undergo everything, and if the Honorable Company had favored the others also in such manner as was done for him, the Honorable Company would have obtained greater advantages and renown forever, whereas Their Honors certainly have no harm to expect from this; the benefactions which Their Honors bestow upon their old allies can never be forgotten, but everything that was done for a mighty king will surely, when he has achieved his aim, be rewarded with ingratitude. Now, when the Lord Commander went to meet the Travancore at Mavelikkara, we went along; the aforementioned king, with his eloquent spirit, assured us of good understanding, but we have thereby thus far perceived no improvement regarding our affairs, and what was transacted on that occasion is impossible for us to write, but be that as it may, one cannot trust him, considering he has not the least affection and love for his fellow man, playing with great and small in such a manner as a cat with a mouse, seeking nothing other than his own gains and profits, which we make known to Their Honors, and we are assured that his intention is none other than to divide our kingdom for the sake of the Zamorin, and after that has also occurred, to bring everything under his control. And it was not without reason that apprehension had already arisen in the Netherlands regarding the advances of Travancore since the aforementioned contract, as appears from the following passage written by the assembly of the Gentlemen Seventeen from Amsterdam to Batavia under date of 13 October 1755: "The peace contract that Commander Cunes has finally concluded with the King of Travancore, and for which we commend him, we hope will tend to the advantage of the Company, but when we reflect upon the ambitious designs of that prince, and upon the conduct which he has maintained from time to time, even with regard to the Company, we are more and more strengthened in the thought that not much reliance is to be placed upon the said Raja, wherefore we once again recommend the Ministers to constantly observe the undertakings of the said prince and to be on their guard on all occurring occasions, so that what the King of Cochin wrote to Your Honors in this regard in his letter may never come true." Likewise by letter of 4 October 1756: "With relation to the King of Travancore, whose advances we cannot, however, view with indifferent eyes, remaining constantly apprehensive that if the said prince should overcome the Kings of Cochin, Berkenkoer and Thekkumkoor, he would become a dangerous neighbor for the Company; it is therefore desirable that the combined arms of the said three princes may be so prosperous that the one can be held in check by the other, and he of Travancore thus be stopped in the execution of his ambitious designs, of which he has already given several proofs, and which accordingly require all attention." Let one not ask why he, having been so fortunate in everything, did not extend his conquests much further and entirely subjugate the Cochiner. For this he would certainly have done, and he indeed still has that firmly in view, but Travancore is far-sighted and cautious; he knows very well that the preservation of his conquered territories requires as much management as their acquisition; he lies in wait, watches for opportunities, and also seldom lets anything slip from which he can derive any advantage; at present it is above all his business merely to keep quiet and preserve what he has, on account of the Nawab Hyder Ali Khan, who has long yearned for his kingdom and will undoubtedly attack him at some point as soon as he sees an opportunity for it, and for which reason Travancore at present more or less spares the King of Cochin and even entirely conceals his displeasure with him, although he has the Cochin King sufficiently under his thumb, and would therefore also not like to see another take anything from him, because he considers everything that the Cochiner has as his own, which became truly evident in the year 1770, during the dispute we then had with the King of Cochin concerning the Chetwai territory, behind which curtain Travancore at first secretly played his role, and wherein he afterward openly claimed to be arbitrator and mediator and...

Dutch transcription

F 720 ver daar op gemaak „zijn gehoorzaamheijd te brengen, dog wij geloo„ „„ven, dat hij binnen korten d' E: Comp: ook zal zoeken te onderbrengen, en dat hij haar Ed: groote „ winsten zal doen geworden twijffelen wij sterk, en als dan heeft men daar door alle apporte „omtrend alles te ondergaan, en zo d' E: komp: de an„ „„deren ook zoodanig als aan hem geschied is, hadde „begunstigt, zoude d' E: Comp: grosteren voordeelen „ en roem voor altijd bekomen, daar Haar Ed: immer Remarque voor de eeren Maso „ hier bij geen schade te wagten heeft; de weldaden „ die haar Ed: aan zijne oude bondgenoten bewijst, „ zal nimmer konnen vergeeter worden, maar alle het geene aan een magtigen koning werd gedaan zal immers, als hij zijn doolwit zal hebben bereijkt, met ondank beloonen. Nu, toen „ den Heer Commandeur, den Crevancoor op Ma„ „velicairen heeft gaan ontmoeten, zijn wij meede gegaan, gem: koning heeft met zijn welspreekende „geest, ons van weegens de goede verstandhouding verzeekert, dog wij hebben daar door tot nog, geen „beeterschap omtrend onze zaken bespeurt, en „wat bij die occagie is verhandelt, valt ons onmo„ „„gelijk te schrijven, dog het zij daar meede, zo het „wil, men kan hem niet vertrouwen, aange„ „„zien denzelven geen deminste zugt en liefde „ voor zijne eeven naasten heeft, speelende „ met grooten en klijnen op zodanigen wijze; als een „kat met de muijs, zoekende niets anders als eijge „ winsten en profijten, 't gunt wij haar Ed: bekent „maaken, en wij zijn verzekert, dat zijne betrag„ „tinge niet anders en is, dan om ons rijk om de „wille van den Jambaan te verdeelen, en na zulx ook geschied te weesen, alles onder hem te brengen En het is niet zonder gond geweest, dat voor den progressen van pevancoor, 'tzedert voorm: Contract in Nederland al bedugtinge gemaakt heeft, blijkens de ondervolgende periode door de verga„ „deringe der Heeren seventhienen uijt Am„ „sterdam na Batavia geschreeven onder dato den 13. October 1755. Het vreedens Contract, dat den Commandeur Cunes eijndelijk heeft geslooten met den koning „van Jrevancoor, en waar over wij denzelven „landeeren, hoopen wij dat ten voordeele van de „ Maatschappij zal strekken, maar wanneer wij reflecteeren, op de ambitieuze desseijnen van „dien vorst, en op het gedrag, dat hij van tijd tot tijd, zelfs met opzigte tot de Comp: heeft „gehouden, werden wij meer en meer versterkt „in de gedagten, dat op gem: Radja niet veel „staat is te maaken, waaromme wij de Mi„ „„nisters nogmaals recommandeeren, de onder„ met „„neemingen P 721 waarom Coevan Coor geen verderen desselfs oogmee Cochimsa Konin „„neemingen van gem: vorst steeds gaaden te slaan „en bij alle voorvallende gelegentheijd op hunne hoe, „ broglosen heeft gemaakt „„de, te zijn, ten eijnde nooijt bewaarheijd werden, „het geene den koning van Cochim bij zijne mis„ „„sive aan UE: op dit respect heeft geschreeven. Zo meede bij brief van den 4. October 1756. „ Met relatie tot den Koning van Joevancoor, „welkers progressen wij egter met geene onver„ „schillende oogen kunnen aanzien, steeds in „bedugting blijvende, dat zo gemelde vorst, de „koningen van Cochim, Berkencoer en JekMencoen „quam te overmeesteren, hij een gevaarlijke na„ „„buur voor de Comp: zouden werden; wenschelijk „is het derhalven, dat de gecombineerde wapenen „van gem: drie vorsten zo voorspoedig mogen zijn, „dat den een door den anderen in teugel kan wer„ „„den gehouden, en die van Jrevancoor alzo gestuijt „werden in de executie van zijne ambitieuse desseij„ „„nen, waar van hij bereeds verscheijde blijken „heeft gegeven, en die overzulks alle oplettend„ „heijd vereijsschen. Men vraagen niet, waarom wij in alles zo geluk„ „nig geweest zijnde, zijne Conquesten niet nog eel verder uijtgebreijd en den Cochimer geheel onder gebragt heeft. Want dit zoude hij voor zeeker gedaan hebben, en dat heeft hij ook nog wel voor goed in 't oog, maar Jrevancoor is verre voor uijt zienden, en voorzigtig, hij weet zeer wel, dat de Conservatie van zijn wingewesten zo veel beleijd als acquisitie vereijscht, hij legd op zijne luijmen, ziet de ge„ „legentheeden af, laat ook zelden iets slippen, waar uijt hij eenig voordeel kan haalen, tans is het voor al zijn zaak, zig maar stil te houden en te bewaaren wat hij heeft, om den willen van den Nabab Haijder Alij Chan, die allange, na zijn rijk gehunkert, heeft, en hem ongetwijffeld nog wel eens aanvallen zal, zo dra hij daar toe maar kans ziet, en om welke reeden prevancoor den teegenswoordig den koning van Cochim min of meer ontziet en zelfs zijn ongenoegen tegen hem ten eenemaal ontvijnsd, schoon hij den Co„ „chimsen Koning genoegzaam onder den duijm heeft, en daarom ook niet gaarne zien zouden, dat een ander hem iets ontnam, om dat hij alles, wat de Cochimder heeft als het zijne ree„ „kend, het geen in 't Jaar 1770. regt gebleeken is, bij het verschil dat wij toen met den Koning van Cochim gehad hebben, over het pond gebied, agter welke Gardijn Trevancoor eerst hijme„ „lijk zijn rol speelde, en waar in hij naderhand, opentlijk pretendeerde, schijdsman en mediateur en te

NL-HaNA_1.04.02_3619_0020 view scan ↗

English

and what he did to clear up the vexations that one experiences concerning his deficient pepper deliveries, through which incident the Company could have ended up in unpleasant embroilments if that affair had not been decided in time, as otherwise Travancore would have taken possession of the disputed territory in the name of the Cochiner, which was the sole aim of this prince and for which he was lying in wait, in which case we would have had to decide the dispute over it not with the Cochiner, but with Travancore; regarding which we refer to that which was written about it to Batavia by separate letter of 4 March 1772. Besides this, Travancore has also had another method of gradually making the Cochin king smaller without offending the Company, namely by means of the Zamorin, when the latter had not yet been expelled from his realm, and which prince of old has been a bitter enemy of the Cochin realm. For when the Zamorin—I do not wish to say by secret instigation of Travancore—wished to take some piece of land from the King of Cochin, Travancore seemingly permitted this, but afterward helped the Cochiner to retake those lands, but then retained, under the name of expenses incurred, the best lands for himself. It is true, according to the 4th Article of the contract, he must deliver annually from his hereditary lands 3000 candyls of pepper at 65 rupees the candyl of 500 lb and from his conquered lands 2000 candyls at 55 rupees the candyl, but the fulfillment thereof has hitherto been very deficient. Not in a single year has he delivered the contracted quantity, always knowing how to make exceptions of accidents, smuggling, and similar pretexts, and delivering the pepper for considerably more money to the English, or selling it to others, or even wishing to send it to Coromandel, giving us now more and then less according as it suits him, and also according to how one knows how to deal with him. It is indeed a pity that for such a contract one at least does not get more pepper, and the zeal of a minister stationed here must sometimes be stirred when, in order to secure some pepper, he must continually humble himself so greatly before that prince, so that he well deserved to be kept and compelled by means of force to the strict observance of the contract and thus to the full delivery of the pepper promised therein. Yet his friendship is necessary. Wish that the Cochin King were not so small. Having exposed himself to the will of the Company. Travancore. Such one will have to try to arrange in time. Yet as long as the Company persists in its present pacific system, friendship with that prince is and remains of the utmost necessity. It was nevertheless to be wished that Travancore had not become so extraordinarily large and the King of Cochin so small as they are, in order to maintain the latter as a counterweight to the former. Indeed, no prince is more necessary and suited for this than the King of Cochin. He is our oldest ally, and virtually rooted in us; his territory lies in sight of and virtually under the cannon of our walls; he even shares the town revenues with us, has been faithful to the Company at the capture of Cochin, and even exposed himself almost to total ruin for our sake, to the extent that he was attacked by the Portuguese, so that at that time he had already lost his palace, but was generously restored to it by the Company, and therefore has publicly recognized the Company by contract as his Protector; besides, he is our nearest neighbor, and the partition wall between us and Travancore; yet times and circumstances can change so much that the necessity of this system might fall away. The proverb says, when the sandbanks shift, one moves the beacons; this is a delicate article, and in this regard I refer to that which Their High Excellencies have written here concerning this by separate missives of 2 October 1771 and 25 September 1772, and that which was written by me concerning it to Their High Excellencies by separate missives of 28 August 1777 and 24 April 1778. Now I proceed to the Malabar princes in particular, and thus first to the King of Travancore, whose realm is the southernmost of the four principal realms that make up Malabar. The present king is the nephew, or properly the son of the sister, of that prince with whom the Company was last at war, and since then concluded the latest famous contract—for it is known that among the Malabar princes the sons of their sisters are crown princes, and not the sons of the princes themselves, because they are thus assured that the successors to the realm can then at least to that extent not be outside the royal blood. He is not as enterprising and political as his uncle, but on the other hand he has the shrewdest and most capable ministers. His character.

Dutch transcription

722. 23 en wat hij gedaan heeft om dar„ ergernissen, die men heeft om zijn gebrekkigen peper Leve„ te zijn, door welk geval, de Comp: in misselijke brouljerien zoude hebben konnen komen, indien die affairen, niet in tijds gedecideert was geworden, alzo anders privancoor, het questieus grond gebied op de naam van den Cochimder in bezit zoude ge„ trantie aan dE Comp „nomen hebben, waarom het dezen vorst maar te doen was en waar toe hij op zijn luijmen lag, als wanneer wij het verschil daar over, niet met de Cochimer, maar met de pevancoor zouden hebben moeten decideeren, waar omtrend wij refereere aan het geene daar over, na Batavia geschreeven is, bij aparte briev van den 4. maart 1772. Buijten des, zo heeft Jrevancoor nog een an„ „den loopse gehad, om den Cochimsen Koning gaan„ „de weg kleijnder temaaken, zonder de Comp: voor het te stooten, namentlijk door middel van den Lammorijn, toen deze nog niet uijt zijn rijk verdreeven was, en welke vorst van ouds een bittere vijand van het Cochimse rijk is geweest. want als de Cammorijn /:ik wil nu niet zeg„ „gen door heijmelijk aanraadinge van pevan„ „coor:/ den koning van Cochim, het een of ander stuk land wilde afneemen, dan liet prevan„ „coor zulks quantuijs toe, maer hielp den Cochimer dan naderhand om die landen weder te hernemen dog behield als dan, onder de naam van gedaane onkosten, de beste landen voor zig zelven Het is waar, volgens het 4„e Articul van het Con„ „tract, moet hij Jaarlijks uijt zijne Erflanden 3000:—. – Candijlen peper teegens 65 rop:s het Candijl van ^en uit zijne gekonquitteerde landen 2000. kandijlen 500 lb tegens 55 rop: het Candijl leeveren, dog met de voldoeninge daar van is het tot nog toe maar zeer gebrekkig geweest, geen een Jaar heeft hij de gecon„ „tracteerde quantiteijt geleverd, weetende altoos excep„ „ties van misgeval; sluijkerije en diergelijke uijtvlug„ „ten te maaken, en de peper voor vrij meerder geld aan de Engelse te leeveren, of aan andere te verkopen, of ook wil na Cormandel te zenden, ge„ „vende ons dan eens meer en dan eens min, na maate het hem Convenieerd, en ook wel na maa„ „te men met hem weet omtegaan 'T is in der daad Jammer, dat men voor zo een „Contract, ten minsten niet meer peper krijgt, en den ijver van een ministers, die hier legt, moet somtijds gaande worden, als hij, om wat Peper magtig te worden, met dien vorst bij Continuatie zoo zeer kathalsen moet, zo dat hij wel ver„ „dienden, door middel van geweld tot het stipte„ „lijk onderhouden van het Contract en dus tot den volle leverantie van de daar bij beloofden Peper Cochimer O gehouden „selver koleen te maaken paper te krijgen 723 25 desselfs vmiendschap is egter nood„ „zakelijk wensch dat de Cochimse koning zo klein niet was als zig g'exponeert hebbende tot wil zijn van de Comp: Joevan Cooris. zulx zal men met ern tijd moeten zien te schikken gehouden en gedwongen te worden Dog zo lang de Comp: bij haar tegenswoordige paci„ „ticq Sijsthema persisteerd, zo is en blijfd de vriend„ „schap met dien vorst van de uijtterste noodzakelijk„ „heijd Het was egter wel te wenschen dat pevancoor, zo ongemeen groot en de koning van Cochim zo kleijn niet geworden waeren, als zij zijn, om den laatsten tot een even-wigt van den eersten te houden Trouwens geen vorst is daar noodzakelijken en eijgener toe, als de koning van Cochim, Hij is onze able oudste bondgenoot, en genoegzaam in ons als g'irradiceerd; zyn gebied legt in 't gezigt en genoeg„ „zaam onder 't geschut van onse wallen; hij deeld zelfs de pagten der stad met ons, heeft de Comp: bij het inneemen van Cochim getrouw geweest, en zig zelfs bij na aan een totale nune om onzentwille g'exponeerd, in zo verre dat hij door den Portugeezen besprongen wierd, zo dat hij te dier tijd zijn paleijs „al quijt was, dog door den Comp: edelmoedig daar in hersteld wierd, en daarom de Comp: bij Contract publicq erkend heeft, als zijn Pdotector; buijten des, zo is hij onze naeste buurman, en den schijds„ „muur tusschen ons en pevancoor; egter kunnen de tijden en omstandigheeden, zo zeer veranderen, dat de noodzakelijkheijd van dit sijsthema zoude Nevancoor, wiens rijk het zuijdelijkste is van wie de teegenwoordige koning van de vier Hoofd-Rijken, die Mallabaar uijtmaaken; De tegenswoordige koning is de Neeff, of eijgentlijk de zoon van de zuster, van dien vorst, waarmeede de Comp: het laatste in oorlog geweest is, en 't ze„ „dert het Jongste berugte Contract geslooten heeft, /:want het is bekend, dat onder de Mallabaarse vorsten de zoons van hunne zusters, kroon-prin„ „cen zijn, en niet de zoons van de vorsten zelve, om datze dus verzekerd zijn, dat de opvolgers van het rijk dan ten minsten in zo verre niet buij„ „ten het vorstelijke bloed konnen zijn :/ Wij is wel zo onderneemenden staatkundig niet, als zijn oom„ dog daar en tegen heeft hij de schranderste en vervallen; het spreekwoord zegt, als de banken verspoelen verlegd men de bakens, dit is een deli„ „caat artikiel en refereeren, mij ten dezen, aan het geen Haar Hoog Edelheedens derweegens dit heen geschreeven hebben bij aparte missiven van den 2 October 1771. en 25 7ber: 1772. en het geen door mij derweegens aan haar hoog Edelheedens geschreeven is, bij aparte missiven van den 28. Aug„s 1777. en 24 April 1778. Nu ga ik over tot den Mallabaarse vorsten in 't bijzonder, en dul eerst tot den koning van vervallen bequaamste desselfs hoedanigheijd d

NL-HaNA_1.04.02_3619_0022 view scan ↗

English

724 27 And what he has done to elevate his lineage. The qualities of the state minister. most capable Ministers, practically trained in everything and capable of the most important negotiations; yet he directs the principal affairs himself, and takes and possesses knowledge of everything that is of any importance. He is indeed not of noble lineage, but has had himself created as such, following the example of his uncle, who was the first to have himself ennobled, which among the Malabars, according to the force of the word by which they express it, is called being reborn, derived from the curious ceremony that the ennobled person must undergo, namely passing through a large cow made of gold, after which the golden cow is broken into pieces and distributed among the Namboeris or Priests, and thus this king was also elevated to nobility, however with this distinction, that the ceremonies performed for this king were much more elaborate and costly than those of his uncle, whereby he was elevated to nobility once and for all, not only for himself, but also for his descendants, without his descendants needing to undergo the aforesaid ceremony. Furthermore, he is rather devout in his religion, which all Malabar rulers are in the highest degree, hanging practically upon the lips of the Priests; for although Travancore does not exactly reveal all his secrets to his Priests, he nevertheless frequently consults with them, and I am very well assured that they even have quite a great deal of influence over him; which is why I have also occasionally attempted to corrupt one or the other with gifts, but here I found myself deceived, for they have so much revenue from Temples and Lands, not to mention constant extras, that a thousand rupees, five or six, is not worth the trouble for them to expose themselves, much less to become unfaithful. His Ministers or Political Servants are threefold; consisting of those with whom he consults, those who administer his finances, and those who, being placed everywhere in the country, govern the provinces; of all of whom, one is elevated in esteem above all others, who is properly called Dalawa, though no longer known under that name, because two Dalawas having recently died in close succession, according to their usual superstition they do not willingly accept that office under that name, but rather under the name of First State Minister. This is the one who was present at the Cochin Court, and here in the city, at the settlement of the dispute with the king of Cochin regarding the territory, though at that time he was not yet first Minister, 725 29 Corresponding of what has occurred. It is with him to what encounters one with him but with the head pepper supplier with him one has the most to do as he was only elevated to that dignity in the year 1777, on the occasion when the previous First Minister died so suspiciously and suddenly, which case is found circumstantially related in the separate letter written to Batavia of 28 August of the same year. This one is, for his kind, not an unreasonable man: one has practically nothing to do with him except in extraordinary occurrences, as when a First Minister is dispatched; but because I had already known this man upon my arrival here, and had maintained friendship with him, I thereby also obtained the opportunity, since he became first minister, to correspond with him much more familiarly than one can otherwise do with such a man, and through this one can settle various trifles that sometimes occur in the country by sending a single message to him, whereas otherwise one must continually have letters written to the Native Chiefs, and if that cannot help, one must then write to the king himself about it, and I would advise everyone who holds authority here always to make acquaintance with the First Minister, which is easily done by sending a small present now and then, and accommodating him with trifles that he asks for. However, the one with whom one has the most to do here is a certain Coemara Poela, who holds one of the most burdensome offices of the king's finances, having not only the management over the Trade in Jaffnapatnam Tobacco, but also over the entire Pepper Trade, by virtue of which latter he is called by us the Chief Pepper Supplier. This is a sly, insolent, and brazen man, yet he is only so insofar as one lets him advance with his manner of proceeding, for according as one knows how to keep him at a certain distance, according to that he is also manageable; he also has many enemies at court, yet nevertheless knows how to maintain his position; I have not exactly had any extraordinary reason for complaints about him, although now and then I have had a bone to pick with him; among the annexes of this, marked No. 1, is to be found a record kept by the junior merchant and First Interpreter van Jongeren, of an incident that I, among others, had with him in the month of January 1772, of which he was effectively the cause, as he had attempted, regarding the sale of Tobacco, to use violence on our territory, or rather in a garden which, although situated practically entirely within the King's land, nevertheless belongs to the Company in ownership. Yet E one has had

Dutch transcription

724 27 En wat hig gedaan heeft om zijn geslagt doger te maaken De hoedanigheijd de „dige slaast= min bequaamste Ministers, genoegzaam op alles afgerigt en bequaam tot de gewigtigste onderhandelinge, egter dirigeerd hij zelvs de voornaamste zaken, neemt en draagt kennisse van alles, wat maar van eenig belang is Zij is wel niet van het Adelijk geslagt, dog heeft er zig toe laaten Creeren, in navolging van zijn oom, die zig het eerst heeft laten veraadelen, het geen bij de Mallabaaren volgens de kragt van het woord, waar„ „meede zij dat uijtdrukken genoemd word, herboven te zijn, afgeleijd van het grappig Ceremonieel dat de veraadelde moet ondergaan, namentlijk door een van Goud gemaak„ „te Groote koen te passeeren, waar na de Goude koe aan stukken geslagen en onder de Namboeris of Priesters verdeelt word, en dus is deeze koning dan ook tot den Adeldom verheven, egter met dit onderscheijd, dat de Ceremonien bij dezen koning verrigt, veel omstandiger en pretieuzen geweest zijn, als die van zijn oom, waar door hij niet alleen voor zig zelfs, maar ook voor zijne nakomelingen nu eens voor al, tot den Adel verheven is, zonder dat zijne nakomelingen het voorschr Ceremonieel behoeven te ondergaan. Voorts is hij tamelijk de voot in zijn Godsdienst, het geen alle Mallabaarse vorsten bij uijtstek zijn, han„ „gende genoegzaam van de lippen der Priesteren af„ want schoon Joevancoor wel juijst alle zijne geheijmen niet aan zijne Priesters ontdekt, zo Consulteert hij egter dikmaals met hun, en ik ben zeer wel verzee„ „kerd, dat zij zelfs al vrij veel influentie op hem heb„ „ben; waarom ik ook wel eens getragt heb, den eenen of anderen met geschenken te Corrumpeeren, dog hier vond ik mij bedrogen, want zij hebben zo veel reve„ „nuen van Jempels en Landerijen, gezwijge van ge„ „duurige Extraatjes, dat een duijzend ropijen vijf of ses voor hun de moeite niet waard is, om zig te erpo„ „neeren, veel min ontrouw teworden. zijne Ministers of Politicque Bediendens, zijn driederleij; bestaande in de zulke, met welke hij Raadpleegt die zijn finaties administreeren en die over al in het land geplaatst zijnde, de provin„ „tien bestieren, van alle welke, een boven alle ande¬ „ren in aanzien verheven is, die eijgentlijk genoemd word Dellawa, dog nu niet meer, onder dien naam bekend, om dat er onlangs twee Dellawas kort agter elkander gestorven zijnde, zij volgens hunn gewoone superstitie, dat ampt op dien naam niet gaarne aanvaarden, maar wel onder de naam van Eersten staats-ministers. Deeze is het, die aan het Cochimse Hoff, en hier „in de stad present is geweest, bij het afdoen van het verschil met den koning van Cochim, over het grondgebied, dog toen was hij nog geen eersten Minis„ niet „ter 1 is tamelijk 725 29= Corre sondeesen van wa s rrigt. 't is met hemte wat Renconstes men met hem maar mel de hofd peper leveren „dien heeft men meest te doen „ter, alzo hij maar eerst A„o 1777. tot die waardig„ „heijd verheeven is, bij gelegentheijd de voorige Eerste Mi„ „nister zo suspect en subit overleden is, welk geval men omstandig bedeeld vind, bij na Batavia ge„ „setr: apparte missive van den 28. Aug„s desselvden Jaars, deze is zijn zoort geen onbillik man: men heeft met hem fuist niets te doen behalven in Extra voorvallen, als wanneer een Eerste Minister afgezonden word„ maar om dat ik dezen Man, met mijn komste hier al gekend, en met hem de vriendschap onder„ „houden hadde, zo heb ik daar door ook gelegentheijd gekregen, om met hem, 't zedert hij eerste minister geworden is, veel gemeenzamer te Correspondeeren, als men anders met zo een Man doen kan, en hier door kan men verscheijde klijnigheeden, die zomtijds in 't land voorvallen, door een enkelde boodschap aan hem te zenden, afgedaan krijgen, daar men anders bij Continuatie aan de Jnlandse Hoofden moet laten schrijven, en als dat niet helpen kan, dan aan den koning zelve daar over diend te schrijven, en ik zoude het ieder een, die hier het gezag voerd, raaden om altoos met den Eer„ „sten Minister kennisse te maaken, het geen ge„ „makkelijk te doen is, met nu en dan eens een pre„ „zentje te zenden, en hem te gerieven met kleijnig„ „heeden daar hij om vraagt Dog de geen, waar meede men hier het meeste te doen heeft, is eenen Coemara Poela, die een van de zwaar„ „ste bedieningen van 'skonings finanties bekleed, als hebbende niet alleen de Directie over den Handel in Jaffanapatnamse Jabak, maar ook over, den geheele Peper Handel, uijt Hoofde van welk laatste hij bij ons genoemd word de Hoofd Peper Leverantier. Deze is een doortrapt, Brutaal en onbeschaamt Man, dog dat is hij ook, maar voor zoo verre men hem met zijn manier van doen, laat advanceeren, want na maate men hem op een zeker distantie, weet tehouden, na maate van dien, is hij dan ook handelbaar ook heeft hij veel vijanden aan het hoff, dog weet zig evenwel staande tehouden; ik heb Juijst geen extra reden van klagen over hem ge„ „had, schoon ik nu en dan wel eens een eijtje met hem te pellen gehad heb; onder de bijlagen dezes gem: N„o 1. —. is te vinden, een gehouden aanteekeninge door den onderkoopman en Eerste Jolk van Jongeren, van een geval dat ik onder andere in de maand Januarij 1772. met hem gehad heb, waar van hij effectief oorzaak was, alzo hij geprobeerd had, om omtrend den verkoop van Tabak, geweld te gebruijken op ons grondgebied, of eijgentlijk in een tuijn, die schoon genoegzaam rondsom in 's Konings land legt, egter de Comp: in eijgendom toebehoord, Dog E ieen gehad heeft

NL-HaNA_1.04.02_3619_0024 view scan ↗

English

and thus is also leased out to the advantage of the Company, in which case one can see how that man must be treated. The Malabars are very dilatory in their actions and speech, and so is this Minister in particular; for therewith they seek to divert one from the subject. Therefore I have always received this Minister very kindly, yet held not much parley with him, but dispatched what was to be transacted briefly and in few words, and if at times a serious word was spoken, ended the conversation with a friendly countenance, and hereby I have always kept him manageable; for as he can still do a great deal regarding the pepper delivery, one must also treat him accordingly and even keep him as a friend. During my time he has already twice been dismissed from service in order to give me a sort of satisfaction when, in the event of a meager pepper delivery, I made so much commotion that the King, being unable to dismiss my grievances any longer, cast the blame upon the pepper supplier, whereupon his antagonists whom he has at Court are usually the first to advise the King to dismiss him from his service, just as he is indeed out of service again at present. Another official with whom one has almost daily dealings is the King's so-called Agent, named Ananda Mallen, who generally resides here, keeps a watchful eye on everything that goes on, receives supplies of cash or firearms against receipt, and as often as he receives orders from the Court to propose something, then requests an audience, or when one needs to speak with him, comes into the town after a prior invitation, being a courteous and manageable man, a Canarese by birth. Concerning the King and his Ministers, I have generally found that they are not only shrewd, but also possess considerable self-control, are entirely masters of their passions, and even know how to conceal their displeasure with a friendly smile, just as if they were not disturbed. I have also been able to observe that they have a contempt for hasty and hot-tempered people, so that if one has the weakness of being somewhat hasty or hot-tempered, one should guard against it in their presence. Yet I have also found at the same time that one need not be reserved before them, but that it is even very good to address them seriously now and then and speak the truth straight out. The principal matter one actually has to deal with regarding Travancore concerns the Pepper. I have already stated here before that according to the aforementioned Contract he must deliver 3000 Candies from his hereditary lands at 65 rupees per Candy, and from his conquered lands 2000 Candies at 55 rupees, but that he seldom fulfills this; instead he delivers so much the more to the English, and transports much pepper, both by sea and by land, to Coromandel; for it cannot be told what considerable quantities are transported to Coromandel, for which money, en passant, Jaffnapatnam tobacco is brought back, which he alone permits to be brought into his country, thus with the special exclusion of other tobacco, upon which, setting the price thereof at his pleasure, he also gains a considerably large amount of money. It were to be wished that the transport of pepper to Coromandel could be prevented him, but that we cannot do, as he causes the pepper which he cannot transport to Coromandel by sea to be transported inland with pack oxen. Under the Contract it is properly stipulated that after the delivery, NB: of the full quantity, a pass shall be given to His Highness for every 300 Candies, upon which he may then transport 100 Candies of pepper to the south, which makes ten passes for the 3000 Candies from his hereditary lands. Yet one has generally already given him the ten passes before the delivery, whether he had delivered his full quantity the year before or not; yea, what is more, even renewed passes that were expired, or properly speaking, of which he had been unable to make use in the previous year, to which he had become entirely accustomed. This is very much to the detriment of our delivery, for thus he first transports as much pepper to Coromandel over land and upon his passes as he can, subsequently delivers to the English their contingent for 80 rupees the Candy, to say nothing of what he delivers for much more to the Danes at Colletsen, or sells there to others for a still higher price, and then the Company gets the remainder, which in case of unseasonable rain or drought (whereby crop failure is caused) yields a meager delivery. And nevertheless he was already so accustomed thereto that he annually sent for his ten pepper passes precisely before the delivery began. His Highness has indeed been made to understand at various times, both by letters and through conversations with his Ministers, that he must first deliver pepper and otherwise can receive no passes.

Dutch transcription

726 # „labaaren zijn hoedanigheeden van de ginisters van pevancoor in het algemeen wat voor dienst ien, ander Agent en dus ook ten voordeelen van de Comp: verpagt word, bij welk geval men zien kan, hoe die man moet hoedanig den manieren van den Mal„ behandelt worden: de Mallabaaren zijn zeer langdwaar „ lan hier verrigt „dig in hun doen en spreeken, en zo is deeze Minister in 't bijzonder; want daarmeede zoeken ze iemand van den text afteleijden; daarom heb ik dezen Minis„ „ter, althoos zeer vriendelijk ontvangen, dog niet veel morgen - spraak met hem gehouden, maar het geen en te verhandelen was, kort en in weinig woon„ hoedanig men met hem omgaen„ den afgedaan, en als er zomtijds een ernstig woordsen gesprooken was, het gesprek met een vriendelijk ge„ „zigt g'eijndigt, en hier door heb ik hem althoos handel„ „baar gehouden, want dewijl hij nog al veel omtrend den peper Leverantie kan doen, zo diend men hem ook„ daar na te behandelen, en zelvs tot vriend te houden: Geduurende mijn tijd, is hij al tweemaalen uijt dienst gesteld, om mijn quarswijs satisfactie tegen„ „ven, wanneer ik in kas van een geringen peper Leverantie, zoo veel beweeginge maakte, dat de koning mijne doleantien niet verder ontleggen kunnende, dan de schuld op den peper Leverantier wierp, als wanneer zijn Anthagonisten, dewelke hij aan 't Hoff heeft, doorgaans de eerste zijn, om den koning aanteraaden hem uijt zijn dienst te en hoe stellen, gelijk hij dan nu thans alweeder buijten den dienst is. Een ander Bendiende; met wien men genoeg„ van Ttevarcoor gen„t Amanda Mansaam dagelijks te doen heeft, is 's konings zo ge„ „naamde Agent in naame Ananda Mallen, die doorgaan zig hier ophoud, als een Rijk in de pot„ agt geeft op alles wat er omgaat, verstrekkinge van Contant, of geweiren, op quitantie ontvangt, en zo dikmaals hij ordres van het heff krijgt, om iets voortedraagen, als dan audientie laat versoeken wel wanneer men hem te spreeken heeft, na voor afgegaane invitatie, in de stad komt, zijnde een heefs en handelbaar Man, een Cannarijn van geboorten. Nopens de koning en desselfs Ministers hebben in 't algemeen ondervonden, dat ze niet alleen schrander zijn, maar ook zig zelfs tamelijk wel bezitten, ten eenemaal Meester van hunne driften zijn, en zelvs hunne onvergenoegtheijd weeten te verbergen, met een vriendelijke Grimlag, even als ofze niet gestoort waa„ „ven, en ik heb ook kunnen bemerken, dat ze een veragtinge hebben voor haastige en oploopende lieden, zo dat men de zwakheijd hebbende, wat haas„ „tig of oploopende te zijn, zig daarvan in hunne tegenwoordigheijd diende te wagten; dog ik heb ook teffens bevonden, dat men voor hun niet behoeft ge„ „retireert te zijn, maar dat het zelfs zeer goet is, hun nu en dan eens ernstig toetespreeken en voor den handelt zijn vuijst moet Een 727. 97 Jrevan Coos hraagheid in de leve„ prartie van den peper aan de Comp: dog is gragen ann de Engelsen die te ommogelijkheid om den vervoer van aan poeran Cop is beloofd 0 peper pas„ san, ieder van 100 Cand„s te geeven als hij aan t' Contract voldoed men heeft gekagt van na atger en heeft tot omerkelijk vadeel dog dit is nit g'obserneerd vuijst weg, de waarheijd te zeggen. Het voornaamste dat men eijgentlijk met frevan„ coor te doen heeft, is om de Peper Ik hebben hier vooren reeds gezegt, dat hij volgens voorz: Contract moet leveren 3000: - Candijlen uijt zijne Erflanden tegens 65 rop=s 'tCandijl en uijt zijne geconques„ „teerden Landen 2000: - Cand:s tegens 55 rop„s, dog dat hij zelden daar aan voldoed, maar zo veel te meer, leverd „aan de Engelse, en veel peper, zoo over zee als over land, leereden, en ok na Cormandel te na Cormandel vervoert; want Het is niet te zeggen, welke aanmerkelijke quantiteijten na Cormandel ver„ van de Compt gestrkt „voert worden voor welke geld em passant van Jassa„ en voor hef geld daar van konende nrapatnam Jabak terug gebragt word, die hij alleen Japanepatn: tabak te laaten brengen in zyn land maar permitteerd en derhalven met speciaalen uijtsluijtinge, van andere Jabak, waar op hij, als de prijs daar van na believen stellende, ook Considerabel veel geld wind Het was te wenschen, dat hem de vervoer van peper na Cormandil te beletten dien Corl na Cormandel non belet worden, dog dat kunnen we niet doen, alzo hij de peper, die hij over zee na Cormandel niet kan vervoeren, met draage ossen binnen door het land, laat vervoeren Bij het Contract staat eijgentlijk bedongen, dat aan zijn Ho: na de Leverantie, NB: de volle quantiteijt op ieder 300 Candijlen een pas zal gegeven worden, waar op hij dan 800 kandijlen peper na de zuijd mag ver„ „voeren het geen op de 3000: - Candijlen uijt zijn Erf„ „landen thien passen uitmaakt. Dog men heeft hem de thien passen doorgaans voor den Leverantie al gegeven, het zij hij het Jaar bevoorens, zijn volle quantiteijt gelevert had, of niet, Ja wat meer c, zelvs passen vernieuwd, die verjaard waaren, of eij„ „gentlijk waar van hij in 't voorig Jaar geen gebruik had konnen maaken, en waar aan hij al ten eenemaal gewend was. Dit is zeer ten nadeelen van onze Leverantie, want dus vervoert hij eerst zo veel peper na Cormandel over land, en op zijn passen als hij maar kan, ver„ „volgens leverd hij aan de Engelse hun Contingent voor 80. rop„s het Candijl, gezuijgen van het geen hij aan de Deenen te Colletsen ook voor viel meer leverd, of daar wel aan andere voor nog al hooger prijs verkoopt, en dan krijgt de Comp: het overschot, het geen bij on„ „tijdige regen of droogte (: waar door misgewas ver„ „oorzaakt word:/ een geringe Leverantie geeft. En evenwel was hij daar reets zodanig aangewend, dat hij Jaarlijks precis, voor dat de leverantie be„ „gind, om zijn thien peper passen zond. Men heeft zijn Hoogh„t wel eens en andermaal paper geleverd word passen afte zo door brieven als door gesprekken met zijne minis„ „ters doen begrijpen, dat hij eerst peper moet leveren en anders geen passen krijgen kan. „voeren Den versenden leggen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0026 view scan ↗

English

728. how one must treat Travancore at present in order to get pepper delivered. orders of their High Nobilities however this did not succeed. On 5 March Anno 1772, I wrote among other things to His Highness about this for the first time, as follows: for I was long in deliberation about demanding back as many pepper passes from last year as less pepper had been delivered, or whether to give no new passes this year at all before the missing quantity on the last delivery had been supplied. Indeed, I even deliberated about granting no more passes in advance at all, but rather having one pepper pass issued for every 300 Candyls only after they have first been delivered, and to that end sending some passes in stock to Porca and Calicoilan in order to give a pass de facto each time upon the delivery of every 300 Candyls. However, Coemara Poela very strongly requested me not to do so, under solemn promise and expensive assurance that now not only the 3000 Candyls of pepper to the south, but also the missing amount from last year, would be delivered without any failure, so that I allowed myself to be persuaded once again; and thus, in the firm confidence that henceforth nothing more will be lacking, I have issued the requested pepper passes. However, he did not heed that, for while he did answer the letter in which I wrote that, he did not even touch upon those passages. Exceptions he alleges to push this around. To what extent one may now insist on that and press such matter can be seen in the separate missive of Their High Nobilities of 1 October 1771, wherein they have circumstantially declared themselves in that regard, which must be kept secret. Yet for several years now, by gentle persuasion and with the king's full consent, we have given only 6 and at most 8 passes, in proportion to how meager the delivery had been, to such an extent that after a lean pepper delivery His Highness does not even dare demand 10 pepper passes anymore, but accommodates his demand to his delivery; however, I have entirely abolished the renewal of old pepper passes. And although Travancore is indeed very negligent in the pepper, one should nevertheless continuously press strongly for it as something that must not weary us, and that article may well be treated so earnestly that His Highness becomes somewhat ashamed or embarrassed, as can be seen in the letters written to Batavia, especially in those of 25 March 1773, 28 March 1774, 1 January and 18 November 1775, and 24 April 1778. Meanwhile, of the 2000 Candyls of pepper from his conquered lands virtually nothing arrives, at least very little; Travancore appeals in this regard to the clause in the 4th and 6th Articles of the contract, which are not admissible. He must be held to the fulfillment of the 2000 Candyls. What he has already delivered of those 2000 Candyls. One has sometimes thought to promise more for the northern pepper, but abandoned this because of bad consequences. namely that he must deliver those 2000 Candyls not only from his already conquered lands, but also from those lands which he might yet conquer; that his conquered lands do not yield so much pepper and that he has not yet had the opportunity to conquer further lands to the north; that if he had been able or permitted to bring the Cochin and Zamorin realms under his dominion, he would then be able to deliver more pepper; that he could not subdue the Zamorin realm so easily without first bringing the Cochin realm under his power, because the latter lies between him and the Zamorin realm, and that he, out of respect for the Company, has spared the Cochin realm until now and left it in the state in which it is. However, those are mere chicanery; for it is known what fertile and rich pepper lands he already possessed before the contract, but especially which ones he conquered thereafter, besides the fact that the king of Cochin must now also deliver the pepper that still grows in his land to Travancore; so that he now has all the pepper that grows in the entire Cochin realm, and he alone could easily deliver the full 5000 Candyls from his conquered lands. Therefore one must not let this slip, but he must be continuously reminded of it so that he may not think that he can suffice merely with 3000 Candyls from his hereditary lands, and that one can thus always form a claim on the successive lesser delivered quantities of 5000 Candyls. It is true, he has now and then delivered something annually of those 2000 Candyls at Cranganore for 55 rupees per Candyl, but that is so little that, since the contract, taken on average, it has amounted to a good 3 Candyls annually; for the pepper which he collects on that side, he has transported to his warehouses to the south, without that transport to the south being preventable by us. And for that reason, the thought has sometimes occurred to me whether it would not be better to pay him 65 rupees for it as well, provided that he would then also deliver the full 3000 Candyls to the south and these 2000 Candyls properly to the north. However, he might well be willing to promise this, and perhaps keep his word in the first or at latest the second year, but afterwards bring his delivery back to the old footing once again; besides this, I am apprehensive that such would only make a breach in the contract, and give him imperceptible cause to then demand more money for the pepper from his hereditary lands as well, since the slightest increase in price, in my opinion, as long as he

Dutch transcription

728 . het thans ze En ho me mes Joevan ooleven moet om peper te krijgen te leeveren dog dit is niet gelukt Den 5. maart A„o 1772. heb ik onder andere aan zijn Hoogh„t daarover voor den eerste maal geschreeven als volgt ordre van S hun hoog Edelheed:s „ want ik stond lange in bedenkinge, om zo veel peper „passen van verleeden Jaar terug te eijsschen, als er min„ „der peper geleverd was, of ook wil dit Jaar geene nieuwen „passen te geeven, voor dat de manquerende quantiteijd vprhoedagnig „op de laatste Leverantie geleverd was, Ja zelfs stond ik „in beraad, om in 't geheel geen passen meer voor uijt te „verleenen, maar voor ieder 300. Candijlen, na datzen eerst „geleverd zijn, een peper pas te laten afgeven, en daar „toe eenige passen in voorraad na Looka en Calicoi„ „„lan te zenden, om telkens bij de afleveringe van „ieder 300. Candijlen defacto een pas tegeven, dog Coe„ „mara Poela heeft mij zeer sterk verzogt, om tog „zulx niet te doen, onder plegtige belofte en duuren ver„ „zeekeringe, dat nu niet alleen om de zuijd de 3000: Cand„s „peper, maar ook de manqueerende van verleede Jaar, „zonder eenig manquement zouden gelevert worden, „zo dat ik mij weeder hebbe laaten bepraaten, en: dus heb „ik dan ook in dat vast vertrouwen, dat er voortaan „niets meer aan manqueeren zal, de versogte peper „passen afgegeeven. Dog hij kreunde zig daar niet aan, alzoo hij de briev, waar bij ik dat schreef wel beantwoorde, dog die perioden CExeeptie die hij voorwegd om de niet eens aanroerde Jn hoe verre men nu daar op staan en zulks pou„ e =„seeren mag, is te zien bij aparte missive van Haar Hoog Edelheedens van den 1. 8ber: 1771, waar bij hoogst dezelven zig derweegens omstandig verklaart hebben, het geen secreet diend gehouden te worden. Egter hebben nu al verscheiden Jaaren met een zoet lijntsen en met 'skonings volle bewillinge, maar 6. en uijtterlijk 8. passen gegeven na maten de Leveran„ „tie gering was geweest, in zoo verre dat zijn H:t na„ een mageren peper leverantie zelfs geen 10 peper passen meer durfd eijsschen, maar zijn Eijsch zelfs schikt, na zijn leverantie; dog het vernieuwen van den oude peper passen, heb ten eenemaal afge„ En schoon Jzevancoon wel zeer nalatig in de peper is, zo diend men egter bij Continuatie sterk daar op aan te dringen, als iets, dat ons niet verveelen moet, Jan en gesreven dat articul mag wel zo ernstig getracteerd, worden, dat zijn hoogh: of eenigzints beschaamd of verleegen wood, gelijk dat tezien is, bij den brieven na Batavia geschreeven, inzonderheijd bij dien van den 25 Maart 1773, 28. maart 1774, 1: Jann: en 18 Novemb:r 1775. en 24 A„ April 1778. Intusschen komt er van den 2000. Candijlen peper behoofden 2000: „ and„s peper niet uijt zijne geconquesteerde Landen genoegzaam niets, ten minsten zeer weinig; prevancoor beroep zig ten deezen op de Clauzule bij het 4„e en 6. e Arti kul „schaft. „seeren van daar omtrend 72 97. dewelke niet aanneemelijk zijn aangehouden werden tot den voldoening van de 2000 Candulen Men heeft wyjl gens gedag tom voor „ven dog om slegte gevolgen daar wat hij al gelevert heeft wvan die 2000 Rand„, van het Contract, namentlijk, dat hij die 2000: Can„ „dijlen leveren moet, niet alleen uijt zijne reeds ge„ „conquesteerde Landen, maar ook uijt die landen, dewelke hij nog mogt Conquesteeren; dat zijne geconquesteerden lan„ „den zo veel peper niet uitleeveren en dat hij nog geen gelegentheijd gehad heeft, verderen Landen om de Noord te Conquesteeren; dat als hij het Cochimse en sammorijnse Rijk onder zijne staten had konnen of mogen brengen, hij dan meer peper zoude kunnen leveren; dat hij het Cammorijnse zo gemakkelijk niet heeft kunnen onder„ „brengen, zonder het Cochimse eerst onder zyne magt te brengen, om dat dit laatste tusschen hem en het sam„ „morijnse legd, en dat hij het Cochimse Rijk, tot als nog, ten respecte van de Comp: spaart en in dien staat laat„ waar in het is. Dog dat zijn maar Chicaanen; want men weet wel„ „ken vrugtbaaren en rijke peper-landen hij voor het Contract al gehad, dog voornamentlijk, welke hij daar na eerst geconquesteerd heeft, behalven dat de koning van Cochim de peper, die in zijn land nog vald, nu aan Trevancoor, ook moet leveren; zo dat hij tans all de peper heeft, die in 't geheele Cochimse rijk groeijd, en hij alleen uijt zijne geconquesteerde landen wel de volle 5000: Candijlen leveren kan. maar hij mat bij aansoudentheijd Derhalven moet men dit niet laten slippen, maar stelkens renoveeren op dat hij niet denken moge dat hij alleen met 3000 Candijlen uijt zijn Erflanden vol„ „staan kan, en men dus op de successive mindere geleverde quantiteijten van 5000: Candijlen nog altoos pretentie formeeren kan. T is waar, hij heeft nu en dan Jaarlijks wel iets van die 2000: Candijlen op Cranganoor voor 55 rop„s tCandijl gelevert, maar dat is zo weijnig, dat het, zeedert ruim het Contract, door elkander gerekent Jaarlijx 3. Candijlen bedragen heeft, want de peper die hij aan die kant insamelt, laat hij na zijne Pakhuijsen om de zuijd voeren, zonder dat hem dien vervoer na de Zuijd, door ons kan belet worden En daarom ben ik wel eens op die gedagten gevallen den noodsen paper meer te beloo„ of het niet beter zoude zijn, hem ook maar 65 rop„s daar voor te betaalen, mits hij dan ook de volle 3000:—. Candijlen om de zuijd en dezen 2000. Candijlen wette om den Noord leveren Dog dit zouden hij mogelijk wel willen beloven, en daar in misschien het eerste of uijtterlijk het tweeden zijn Jaar woord houden, maar naderhand zijn leverantie alweder op den ouden voet brengen, buijten des, zo be„ ik bedugt, dat zulks maar een inbreuk in het Contract zouden maken, en hem ongevoelig aanlijdinge geven, om voor de peper uijt zijn erflanden, dan ook weder meer geld tevragen, dewijl de geringste ver„ „meerdering in de prijs, na mijn gedagten /:zo lange hij hij men van afgezien

NL-HaNA_1.04.02_3619_0028 view scan ↗

English

730. 34 means proposed by the previous rulers to compel Travancore to deliver more pepper, which was not accepted by Their High Excellencies. One might try whether his... willing to exchange for Jaffnapatnam tobacco for the Travancore pepper that was sold at Coromandel, let... tobacco that brings... one remains with the present system: is far too dangerous, and would only open a door for him gradually to demand more and more, as much as he gets from the English, for it is with this prince as the proverb says: if one gives him a finger, he quickly grasps, or wants to have, the whole hand; and what would we then have of the contract, not to mention the burdens which we here, above others, must bear if we did not have the pepper cheaper than others. My predecessor indeed suggested a means to force Travancore to a better delivery of pepper, or at least to make him see that he cannot entirely do without the Company either, or that the Company can also cause him displeasure, namely by preventing him from purchasing tobacco at Jaffnapatnam, which he absolutely must have and cannot well do without in his country, even if the Company were to buy up that tobacco at Jaffnapatnam and send it here, or even let it spoil. On this Their High Excellencies have not declared themselves, possibly out of apprehension that this might sometimes cause an estrangement between us and Travancore, or possibly also because through the execution of that proposal the farm of the export of tobacco at Jaffnapatnam would decline; at least I think that not only the tobacco farm, but also the trade in tobacco at Jaffnapatnam would be greatly harmed thereby; otherwise there is also something else that has its considerations. It is known that Travancore is accustomed to send pepper annually on his passes by native vessels to the coast of Coromandel. The pepper is sold there at higher prices according to the market, and the King's factors pay the money they receive for it in Jaffnapatnam tobacco, which on their return they procure at Jaffnapatnam, charging it at 16 pagodas per three hundred pounds, which is 23, 33, or 45 percent more than tobacco usually costs at Jaffnapatnam if it is obtained first-hand, for as far as I know, the first sort costs 13, the second 12, and the third 11 pagodas per 300 lb there. Thus one could test whether His Highness might be persuaded to deliver to the Company the pepper which he is accustomed to send annually to Coromandel, with the promise that we will also pay him for that pepper, not in cash, but properly in Jaffnapatnam tobacco, in such a manner that he obtains just as much tobacco for it as at present, and thus can carry on this trade with equal profit and at the same time with less danger and trouble. For this purpose the Company would have to buy all the tobacco that Jaffnapatnam produces, leaving, however, to the Ceylon traders as much as is consumed on the island itself. 73 How it can be transported to Jaffna... manner how one can manage with Travancore... though it is uncertain whether Travancore will gain thereby... and what profit results therefrom... how the tobacco from Cochin will... rather must... and what demand there is for it... When as much is paid at Jaffnapatnam for that tobacco as the cultivators are accustomed to make from their tobacco, and it is subsequently taken by the Company for a reasonable price, provided the tobacco farmer of Jaffnapatnam is paid the ordinary toll (whereby Jaffnapatnam would not be harmed, neither in relation to the tobacco farm nor to the livelihood of the inhabitants), then that pepper which is secured in this way, besides the benefit that would thereby be brought to the Cochin trade, could still be sold here at a net advance of at least 85 percent, if not 20. The transport from Ceylon hither would also not noticeably burden this tobacco, because it could be conveyed in good time from Jaffnapatnam, if not with the Company's sloops, with native vessels to Colombo, and could be brought hither without any expense by the ships or vessels that come here annually, mostly in ballast, to collect pepper from there. At least if all the Jaffnapatnam tobacco belongs to be delivered to the Company, and all that Ceylon itself does not consume had to pass through our hands here, then we would always have it in our power to hold Travancore thereby to the delivery of pepper. And as soon as the Company obtains much pepper by means of this tobacco in the aforesaid manner, so much more pepper could then be sold here, very much trade brought to Cochin, and thereby the improvement of the Company's trade and state on the Malabar Coast effected at the same time. Yet this will perhaps also have its counter-considerations; for example, that Travancore is too crafty not to understand that he would then lose the upper hand, and that this might only cause distrust in him. It is, however, a project that one can keep in reserve as an article for further consideration. And thus continuing on the present footing, it is best continually to press His Honour strongly for the delivery of pepper, and to represent seriously the smallness thereof; indeed, now and then to tell him the plain truth, to promise nothing that one cannot do, but to refuse such with modesty and by way of persuasion, yet sacredly to perform what has been promised, to push nothing that one cannot sustain, and further to accommodate oneself.

Dutch transcription

730. 34 middel door den voorige gebieders voorgeslagen, om peveencoor te nood meerder peper het geen bij hun hoog Edelheed niet is g'ampleeten Men mogt eens probeeren of zijn willen over doen vor Japfanasa tabak voor de Caevan Coorsen pepery die Cormandel werd verkogt, laat „bak die bruingern men bij het present Sijsthema blijfd:/ al te gevaar„ „lijk is, en voor hem maar een openduur zoude stellen, om allengsken meer en meer zo veel te eijsschen, als hij van de Engelsen kerijgt, wart het gaat met dezen vorst, gelijk het spreekwoord zegt, dat als men hem den vinger geeft, hij dan al schielijk de geheele hand prijpt, of hebben wild, en wat zouden wij tog dan aan het Contract hebben. gesuijge van de Lasten, die wij hier, boven andere, moeten dragen, indien wij de peper niet goed kooper als anderen hadden Mijn Antecesseur heeft wel een middel aan de „zaaken tet hegt leeveren van hand gegeven, om pevancoor te noodzaaken tot eene beteren peper Leverantie, ten minsten om hem te doen zien, dat hij de Comp: ook niet geheel missen, of dat de Comp: hem ook wel dis-plaijzier kan doen, namentlijk om hem dan den inkoop van Tabak te Jaffanapatnam te beletten, die hij tog absolut hebben moet, en in zijn, te Jaffanapatnam laten op kopen, en dit heer zenden, of ook wel laten bederven le Hier op hebben Haar hoog Edelheedens zig niet ver„ „klaard, mogelijk uijt bedugtinge, dat dit zomtijds ver„ „wijderinge tusschen onser Pevancoor, zoude veroorzaa„ „ken, of mogelijk ook wel om dat door de uijtvoeringe van dien voorstel, de pagt van den uijtvoer der Jabak te Jaffanappatnam daalen zouden, ten minsten, ik den ken land niet wel missen kan, al zoude de Comp: die Tabak v: die paper aan de Comp: zouken niet te beweegen zij, om de peper, welke hij gewoon is dat niet alleen de Jabaks pagt, maar ook den handel in de Tabak te Jaffanapatnam daar door zeer zoude benadeelt worden; anders is en ook nog wel iets, dat al„ „meede zijne bedenkinge heeft. Het is bekent, dat pevancoor op zijn passen, per inlands„ digen vos Jafanapathams en te vaartuigen, Jaarlijks peper na den kust van Cormandel gewoon is te zenden: de Peper word daar, volgens de marko„ voor Hoogeren prijzen verkogt en 'skonings factoors be„ „taalen het geld datse daar voor ontvangen, in Jaffana„ „patnamse Jabak, dieze in het weederkeeren te Jaffana„ „patnam opdoen, en teegen 16. pagoden de drie hondert ponden in reekening brengen het geen 23. 33. of 45 pr C=to meerder is, als de Tabak op Jaffanapatnam gewoon„ „lijk kost, indien zo uijt de eerste hand genomen word, want zo ik niet beter weet, kost daar de eerst zoort 13. de tweede 12. en de derde 11. pagoden de 300 lb Dus zoude men wel kunnen beproeven of zijn hoogheijt Jaarlijks na Cormandel te zenden, aan de Comp: te leveren, met belofte, dat wij hem die peper ook zullen betaa„ „len niet met Contant maar eijgentlijken Jasfanapat„ „namse Tabak, op zodanige wijze, dat hij daar voor even zo veel Tabak erlangen als tans, en dus dezen handel met een gelijk voordeel en teffens met minder„ gevaar en moeijte drijven kan. Hier toe nu zoude de Comp: all de Tabak die dat JassanaCatham 73 # Hoedanig het op Jaffana te kunnen transporteeren hebben kan wijse hoe men met jeranCoor dog ' is onzeeken of Jre van Coor daar aen zal winnen by ten Jaffanapatnam uijtlevert dienen te kopen, dog aan de Ceijlonse handelaaren zo veel overtelaten, als op het Eijland zelve gesleeten word. Wanneer nu te Jaffanapatnam voor die Jabak zo veel betaald werd, als de aanplanters voor hunne Tabak gewoon zijn te maaken en vervolgens door de Comp: voor een ordentelijke prijs genoomen, mits den Jabaks pagter van Jaffanapatnam de ordinaire tholl betaald werde /:waar door Jaffanapatnam dan niet benadeelt zoude worden, zo min met relatie tot de Jabaks-pagt, als tot het bestaan der ingezeetenen:/ en wat voordeel daar uijt voort„ dan zou die peper, die men langs dezen weg meester word, behalven het voordeel dat daar door den Cochimsen Handel zoude worden toegebragt, nog ten minsten zo al niet met 20. , ten minsten met 85 pr C„to zuijver ad„ „vans hier kunnen verkogt worden. hoe me de sabass va ochim zal Het Transport van Ceijlon na herwaards, zouden deeze Tabak ook niet merkelijk beswaaren, door dien ze van Jaffanapatnam, zoal niet met 'sComp„s Chialoupen liever moet. met inlandse vaartuigen in tijds na Colombo vervoert en door de scheepen of vaartuigen, die tog hier Jaar„ „lijks meest ballast scheeps komen, om Peper te haalen van daar, zonder eenige onkosten, herwaards zoude kunnen, gebragt werden. Ten minsten indien dus alle de Jaffanapatnamse Jabak aan den Comp: geleverd hoord, en al wat Ceijlon en wat voor eijs zegt me daar van zelfs niet slijt, hier onzen handen passeeren moest, dan zouden wij het altoos in onze magt hebben, om pe„ „vancoor hiermeede tot den leverantie van peper te houden En zo dra de Comp: nu door middel van deze Jabak op voorsz: wijze, veel peper bekomt, zo zouden dan ook hier zo veel te meer peper kunnen verkogt, zeer veel handel na Cochim overgebragt, en daar door de verbee„ „tering van 'sComp„s handelij en staat op den Mallabaar teffens uijtgewerkt worden. Dog dit zal mogelijk ook al zyne Contra beder„ „kinge hebben, bij voorbeeld, dat pevancoor te door„ „sleepen is, om niet te begrijpen, dat hij als dan het hegt uijt de handen quijt is, en dat dit mogelijk maar een wantrouwen bij hem zoude veroorzaaken. Het is egter een project, dat men in reselven kan houden, als een artikuel van nadere overweeginge En dus op den presenten voet voortgaande, is het best, maar bij Continuatie sterk op de peper leverantie bij zijn Ed:ts aantedringen, en de geringheijd daar van se„ „rieuslijk te vertoonen, Ja nu en dan hem eens de ronde waarheijd te seggen, niets te belooven het geen men niet doen kan, maar zulx met beschijdentheijd en bij wijze van overredinge te ontzeggen, dog heij„ „lig natekomen het geen men beloofd, niets te pous„ „seeren het geen men niet souteneeren kan, voorts zelfs deezen schikken „vloeijt

NL-HaNA_1.04.02_3619_0030 view scan ↗

English

advances as well as settling accounts with him annually it is necessary for the Company to please this prince in other respects as much as possible, to maintain friendship and to keep correspondence active both through letters and messages, according to our obligations by contract, to supply him now and then with some firearms and similar articles, and when he requests money, to make advance payments in proportion to the delivery as much as possible to his satisfaction, provided everything is settled on the pepper account. Regarding advance payments, however, one must and be frugal with advances, be cautious, and in case of too large demands, divert him from them in a suitable manner, without upsetting him, however, or causing the pepper delivery to come to a standstill, in which respect one should act according to the findings of times, matters, and circumstances, as I have not yet settled a pepper account with him without him having, instead of being in arrears, quite a nice little sum to his credit each time, which was then paid out to him, as can be seen in more detail in the annual settlements that are inserted in the successive resolutions. But above all it is necessary to settle accounts with him annually, for otherwise one year runs into the next, and confusion is caused thereby. Finally, I can still say of this prince that, however bold and enterprising he may be, he has not yet laid aside all respect for the Company, but on the contrary, still respects the Company. Travancore is not so formidable and unmanageable as he is sometimes made out to be, and when the Nabob Hyder Ali Khan attacked our possessions and wanted to penetrate further, I came to know Travancore even better in that matter and saw that he is not the man he was made out to be; and I have also experienced that he is not at all unmanageable; it is true, he is bold and sometimes tries how far the Company's indulgence goes, but if one also shows him his teeth now and then, he will not push his boldness too far, for if he did not greatly respect the Company, he would not have insisted so strongly during the making of the latest contract and stipulated almost as an absolute condition that the Company must not hinder him in subjugating the other Malabar princes; at least as long as we do not support a bad cause, do not insult him first, or give no reason for bitterness on our side, I do not believe that he will dare to break with the Company. He knows by experience that the Dutch are the most modest people he has ever dealt with; he is also prudent enough to use us as a counterweight against the English, and respect why what the claim of Travancore is to Moetoecoenoe, which we have taken in pledge from the Zamorin and such why in any case should the Company insult him first! The Company has a good name, and that it must also maintain; Travancore wants to be flattered a little, and that can easily be done; it costs no money and is something peculiar to many people, but especially to the Malabar princes. But before I leave this prince, I must mention something of a claim he thinks he has on the three islands known by the name Moetoecoenoe, which at present belong to the Company and are leased out for 1150 rupees a year, regarding which it should be known that the Zamorin, at the latest peace concluded in the year 1758, undertook to reimburse the war expenses and the further damages suffered to the Honorable Company, and to pay for this a sum of 65000 rupees, of which he had successively paid off already more than half up until the year 1762, at which time he still owed circa 30000 rupees, without our seeing any chance then of collecting that balance. Yet because he was then on the verge of getting into war with Travancore and the King of Cochin, and was urged even more strongly by us to make payment, he presented for it, or for a part thereof, in pledge, the islands of Moetoecoenoe belonging to the kingdom of Parur, which had previously been conquered by the Zamorin from the King of Cochin. Therefore, it was resolved to take those islands in pledge for an appraised sum of 16000 rupees. Yet it was also deemed proper to make this known to His Highness at a meeting with Travancore at Cherthala, who, according to the kept notes of that conference, declared that the Honorable Company could freely do so. Thus those lands were taken in pledge by the Honorable Company for 16000 rupees in reduction of the Zamorin's debt, and under this condition: that the Company would enjoy the fruits and profits thereof, and if he, the king, did not redeem the same after the expiration of two years for that sum, the same would pass into full ownership to the Honorable Company. The said time having expired, the Zamorin was approached about that redemption, but then declared that he could not redeem the same. Yet this was afterwards contested by them. Travancore, getting wind of this, then formed a claim to those islands, consisting in this: that the Zamorin had never been the lawful possessor of the kingdom of Parur, and that consequently the cession of lands belonging to that kingdom could not be lawful. And although it was argued against his claim that Travancore

Dutch transcription

732-4G „verstekking mitsgaders Jaarlijks met hen afreekeng prevan Con onthit de Comp: deezen vorst in andere opzigten, zo veel mogelijk te believen, de vriendschap te onderhouden en de Corres„ „pondentie zoo door brieven als boodschappen levendig te houden, volgens onze gehoudenissen bij Contract, nu en dan wat geweeren en diergelijken artikuls bij tezetten en wanneer hij om geld verzoekt, na maate van de Leverantie, zo veel mogelijk ten zijnen genoegen voor uijt- verstrekkinge te doen, mits alles op de peper- reekeninge afgereekend werde Omtrend de vooruijtverstrekkinge diend men egter En spaardaan zijn in von rijt, voorzigtig te zijn, en hem in nas van te groote eijsschen op een gevoeglijke wijze, daar van te diverteeren, zonder hem egter te verstooren, of de peper Leverantie te doen stil staan, waaromtrend na bevind van tijden, zaken en omstandigheeden diend gehandelt tewerden, gelijk ik dan ook nog geen peper reek: met hem van Effend heb, of hij stond telkens insteede van te quaad, nog al een mooij sommetse te goed, dat hem dan afgegeven wierd, ge„ en zal niet met dezelve brien„ „lijk dat bij de Jaarlijkse afreekeningen die bij de succes„ soutineerd „sive resolutien ge-insereerd zijn, nader te zien is. Dog voor al is het noodzakelijk, dat men Jaarlijks met hem afreekenen, want anders loopt het eene Jaar meer in het andere, en word daar door verwarringe veroorzaakt. Eijndelijk kan ik van deezer voost nog zeggen, dat hoe stout en onderneemend hij ook is, hij egter alle ontzag voor de Comp: nog niet afgelegt heeft, maar integendeel, de Comp:s nog wel ontziet. Trevancoor is zo ontzaggelijk en onhandelbaar niet, als hij zomtijds wil opgevijseld is, en toen de Nabab Haider Alij Chan onze bezittingen aantaste, en ver„ „der doordringen wilde, heb ik Crevancoor, in dat ar„ „ticul nog nader leeren kennen en gezien, dat hij de Man niet is, waar voor men hem wel heeft opgegeven; en ik hebben ook ondervonden, dat hij in het geheel niet onhandelbaar is; het is waar, hij is stout en probeert wel eens hoe verre 'sComp„s toegevendheijd gaat, dog als men hem nie en dan ook maar eens de Janden laat zien, dan zal hij zijn stoutheijd niet te verre pousseeren, want indien hij de Comp: niet zeer ontzag, dan zoude hij bij 't maaken van het Jongste Contract zo sterk niet aangedrongen en genoegzaam als een absolute Conditie bedongen hebben, dat de Comp: hem niet hin„ „ken als men geen kwaade zaak„ derlijk mogt zijn, in het ten onderbrengen van de ove„ „rige Mallabaarse vorsten; ten minsten zo lange wij geen quade zaak souteneeren, hem niet eerst belee„ „digen of aan onze zijde geen reeden van verbitteringe geven, dan gelooven ik niet, dat hij met de Comp: zal durven breeken, Hij weet bij ondervindinge, dat de hollanders de beschijdens te zijn, met welke hij ooijt te doen gehad heeft, ook is hij wel zoo voorzigtig, dat hij ons tot een eevenwigt tegen de Engelsen houd, en ontzag waarom 733 45 hoedanig de pretentie van Corevaa„ „coor is, op Moetoe Coenog dat wij van den Cammorig in pand genomen hebben en zulx waarom zouden de Comp: tog in alle gevalle, hem eerst beleedigen! de Comp: heeft een goede naam, en die dient zij ook te behouden; Trevancoor wild wat gevlijt wezen, en dat kan men ligt doen, het kost geen geld, en is iets dat veele menschen, dog inzonderheijd de mallabaarse vorsten, eijgen is. Dog alvoorens ik van dezen vorst afstappen, moet ik nog iets melden van eene pretentie die hij meend te hebben, op de drie Eijlanden bekend onder den naam Moetoecoenoe, dewelke thans tot den Comp: be„ „hooren en verpagt zijn voor 1150 rop:s 's Jaars, waar omtrend men diend teweeten, dat de Cammorijn, bij de Jongste gemaakte vreeden in het Jaar 1758. aange„ „nomen heeft, de oorlogs-onkosten en de verderen geleden schaden aan dE Comp: te vergoeden, en daar voor te betalen eene somma van 65000 ropias, waar op hij dan ook successive al ruijm de helfte afgelegd had, tot in het Jaar 1762. , als wanneer hij nog Circa 30000 ropias schul„ „dig was, zonder dat men toen kans zag, dat restant in te palmen. Dog dewijl hij toen met Joevancoor en den koning van Cochim in oorlog stond te geraaken en door ons tot de betaaling nog sterker aangemaand wierd, zo presen„ „teerde hij daar voor, of voor een deel, daar van, en pand, de Eijlanden Moetoecoenoe behoorende aan het rijk van van Paroe, dat bevoorens door den Sammorijn van den Koning van Cochim was geconquesteerd Derhalven resolveerde, men om die Eijlanden, in pand teneemen voor een gewaadeerde somma van 16000: rop„s Dog men vond teffens goed om zulks in een ontmoe„ „ting met Trevancoor op Chertalle aan zijn Ho:t be„ „kent temaaken, die volgens gehoudene aanteekeninge van die Conferentie, verklaarde dat dE Comp: zulx vrijen„ „lijk kon doen Dus zijn die landen bij d'E Comp: in pand genoo„ „men voor 16000 rop„s in minderinge van des sam„ „morijns schuld, en onder deze Conditie, dat de Comp: de vrugten en baaten daar van zouden genieten, en hij koning dezelve na verloop van twee Jaa„ „ren voor die somma niet inlossende, dezelve in eijgendom zouden overgaan aan d' E: Comp: gem: tijd verstreeken zijnde, wierd de Cammorijn onderhouden over die inlossing, dog verklaarde toen dezelve niet te kunnen inlossen. dog is nadershard door hen bekhruest Trevancoor, de lugt hier van krijgende, formeerder toen pretentie op die Eijlanden, hier in bestaande, dat de Cammorijn nooit wettig bezitter van het rijk van Laroe was geweest, en dat derhalven de afstand van Landen aan dat Rijk behoorende, niet wettig Ronde zijn. En schoon men tegen zijne pretentie wel inbragt van dat Fevan Coor

NL-HaNA_1.04.02_3619_0032 view scan ↗

English

734 47 even if he were charged with the same again, it would not be of so much interest to Travancore that he had consented to that takeover, yet this did not alter the fact that these islands were repeatedly encumbered by Travancore during the sowing and harvest seasons with attachments, as they are called here, namely preventing sowing and reaping. And this continued until the years 1766 to 1767, when attachments were again imposed, which were then openly lifted by our men sent expressly from Cranganore for that purpose, while the King of Travancore was then informed that this was not the way to settle matters in dispute, but that if His Highness believed he had any right to those islands, the matter ought to be investigated by both sides. And since then, as far as I know, they have not been encumbered with any more attachments, nor have similar indecencies been undertaken against them. how one ought to conduct oneself then But since it is believed that Travancore, which seldom forgets anything and always knows how to bide its time, will perhaps not let that claim slip away so easily, but might well formulate it again upon a convenient occasion, Their High Mightinesses have specifically declared themselves regarding this matter in a separate letter of 8 October 1772, which also must be kept secret, to which reference is made in this regard. Although it is feared, due to the situation of [illegible], that Travancore, possessing those islands as they lie in the middle of the river and the waterway directly opposite Cranganore and placing a fort upon them, would then simultaneously claim the same right over the river that the Company has hitherto possessed exclusively. That he, having Moetoecoenoe in his possession, would place a fort there, I am quite willing to believe. For since the Nabob Hyder Ali Khan attempted to force our fort Cranganore and break through there, Travancore, as well as the King of Cochin, has repeatedly and most strongly requested me to build a strong fort on Moetoecoenoe on the side of the Cranganore river, in order to prevent the enemy, should he break through, from crossing to Moetoecoenoe and subsequently passing toward Aykotta or to the island of Vypeen, as it is understood that the enemy would absolutely pursue his route there and not through the creek behind Moetoekoenoe, because Travancore has the fort Coeriapally in his lines at the beginning of that creek. Concerning that fort, that well-known incident occurred in the year 1764, which fort he built against the will and wish of the Company, notwithstanding that we attempted to prevent him from doing so with earnestness and even with force, and which fort, and interest remains when they have ceased. 735 49 [illegible] Travancore will not be angry with us. as we now see in hindsight, can be of much use under the present circumstances, not only for us in case of retreat, but also to prevent the advance of the enemy along that route. Just as he still declares that he constructed that fort for no other reason than in general for mutual defense, and in particular to cover his country on that side and to stop an enemy there if he should manage to slip past Cranganore; likewise that he, for the same aforementioned reasons, has also had another fort of earth and wood built a quarter of an hour to the west on the same land upon which Coeriapally stands, across from the Lazaretto, where his lines end, with some three-pounders, in order to also stop the enemy pursuing his route from or past Moetoecoenoe at that place where the river is narrow. And these forts he has since also provided with a stone revetment, from which I could not dissuade him under the present circumstances, both because it is on his own land and because it serves for the general defense; so that if Travancore should obtain possession of the aforementioned islands of Moetoecoenoe, he would undoubtedly build a fort there. But that he would only then first claim the right over the river, as if he would not do so otherwise, is too strong an assumption. For to the south, barely 3 miles from the city, where the river is at its narrowest, he also has as many as three forts, and north of Cochin on the road to Cranganore at the southern corner of Parur near the village of Chatanatty also a fort, and thus, together with the one across from the Lazaretto and Coeriapally, a total of 6 forts along the river, besides the two that lie opposite Cranganore and also belong to his lines; so that if he wished to contest the river with us, he could have done so long ago without having to wait precisely until he has Moetoecoenoe, unless one wished to apply that river right solely to that side of the Cranganore River. Yet then that fear ought also to have existed when the Zamorin still possessed those islands, who was continually embroiled with us. The entire matter merely depends on how we stand with Travancore. It is unthinkable that Travancore will break with us, especially now that we have been so closely allied with him since the enterprise of the Nabob, and therefore his forts to the north do in fact serve the general defense, without any expense on our part.

Dutch transcription

734 47 zohij met dezelve weder begigt dog zou voor pevancoor tegen „pen zoo veel belang niet zin dat hij in die overneeming geconsenteerd had, zo nam dit niet weg, dat niet weg, dat die Eijlanden in den Zaaij oegstlidtelkens door pevancoor met arresten, zo als men dat hier noemd, namentlijk het beletten van zaaijen en maaijen, belegt wierden En dit heeft zo geduurt tot in 't Jaar 1766. a 1767: van„ „neer weder arresten gelegt wierden, welke als toen door, ons daar toe expres uijtgezonden volk van Cranganoor opent„ „lijk zijn opgeheeven, terwijl men toen den koning van frevancoor voorhield, dat zulx de weg niet was, om de in verschil zijnde zaaken aftedoen, maar dat zo zijn Ho:t meende eenig regt op die Eijlanden te hebben, als dan de zaak van wederzijden diende tewerden onderzogt; en 't zeedert zijn deselve, zo veel ik weet, met geen arresten meer belegt, nog diergelijke onhebbelijkheeden tegen dezelven onder„ „noomen. Maar dewijl men meend dat pevancoor, die hoe men zig dan gedragen moet zelden iets vergeet, maar altoos zijn tijd wel weet waarteneemen, die pretentie mogelijk zo ligt niet zal laten slippen, maar bij voorkoomende gelee„ „gentheijd, wel weeder zoude kunnen formeeren, zo hebben Haar Hoog Edelheedens zig daar omtrend speciaal verklaart bij aparte briev van den 8: 8ber: 1772, het geen ook diend secreet gehouden teworden, waar aan ten deezen refereeren, schoon men bedugt aangelegestheid van meetereers dat pevaencoor die Eijlanden, als leggende in 't midden van de revier en 't vaarwater, regt tegen over Cranganoor bezittende, en daar op een fort leg„ „gende, dan teffens het zelvde regt over de revier„ zouden poetendeeren, dat de Comp: tog nog toe maar alleen geheerd heeft. Dat hij Moetoecoenoe in bezit hebbende, daar een fort zou leggen, wil ik wel gelooven, want zee„ „dert de Nabab. Haijder Alij Chan getragt heeft, ons fort Cranganoor te forceeren en daar door te breeken, heeft Jevancoor, zo wel als de Koning van Cochim, mij verscheijde maalen, op het kragtigste la„ „ten verzoeken, om tog op Moetoecoenoe aan den zijde van den Cranganoorse revier een sterk fort te bouwen, ten eijnde den vijand, wanneer hij mogt doorbreeken, zijn overkomst op Moetoecoende, en vervolgens zijn passagie naar Aijkotta of na het Eijland Baijpin te beletten, als zijnde in begrip, dat de vijand daar absolut zijn weg zou vervolgen en niet door de spruijt agter Moetoekoenoe heen, om dat pevan Coor aan 't begin van die spruijt, in zijne lienie, het fort Coeriapallij heeft, over welk fort in 't Jaar 1764. dat bekende geval is ge-exteerd, en het welk hij tegen wil en dank van de Comp: opgebouwt heeft, niet tegenstaande men hem zulx met ernst en zelfs met geweld heeft willen beletten, en welk is, fort En intamnst belijft wanneer die hebben opgehouden 735 49 hodegel mnan den pevan Coon met ons niet bose zal. port wa nu van agteren zien, dat in deze tijds om„ „standigheeden van veel niet kan zijn, niet alleen voor ons in kas van retraite, maar ook om den vorstgang van den vijand langs die roeg te beletten, gelijk hij als nog verklaart, dat port om geen andere reeden aangelegt te hebben, als in 't alge„ „meen tot onderlinge defensie, en in 't bijzonder om zijn land aan die kant te deken, en een vijand daar teegen te houden, indien hij Cranga„ „noor mogt weeten door te slippen, zo meede dat hij, om die zelfde voorm: reedenen, een quart uur westwaards op het zelvde land, waar op Coeria„ „pallij staat, over het Lazarus-Huijs, alwaar zijn lienie eijndigd, ook nog een ander port, van aarde en hout heeft laten aanleggen, met eenige, drie ponders, om den vijand van, of voor bij Moetoecoenoe zijn weg vervolgende, daar ter plaats, alwaar den revier smal is, ook tegen te houden: en welke fortsen hij 't zeedert ook met een steene bekleedsel voor„ „zien heeft, waar van ik hem in deze tijds om„ „standigheeden niet kon diverteeren, zo om dat het op zijn eijgen land is, als om dat het tot de algemeene defensie diend; zo dat indien Crevancoor de voorschr: Eijlanden Moetoecoenoe in bezit mogt krijgen, hij daar ongetuijffeld een port zouden bouwen, Maar dat hij Juijst als dan eerst het regt over de revier zoude pretendeeren, even als of hij dat anderzints niet zoude doen, is te sterk van onderstelt; want om de zuijd pas 3. meijlen van de stad, alwaar de revier op zijn naauwste is, heeft hij ook wel drie forten, en benoorden Cochim in den weg na Cranganoor op de zuijder hoek van Paroe bij het dorp Chatanattij ook een fort, en dus benevens dat over het Lazarus huijs en Coeriapallij, tesamen 6: porten aan de revier„ behalven de teeee die over Cranganoor leggen, en ook tot zijne linie behooren zo dat hij ons den revier willende behorsten, zulx al lang zouden hebben kunnen doen, zonder juijst tewagten, tot dat hij Moetoecoenoe heeft, ten waare dat revier-regt maar alleen tot de Cranganoorse Revier aan die kant betrekkelijk wilden maken, dog dan zoude die bedugtinge ook plaats moeten gehad hebben, toen de sammorijn die Eijlanden nog bezat, welke voost telkens met ons gebroui„ „leerd was: de geheele zaak hangd maar af, hoe wij met pevancoor staan; het is niet te denken, dat Trevancoor met ons breeken zal, inzonderheijd nu wij 't zederd de onderneeminge van den Nabab zo nauw met hem vereenigt zijn, en dies zijn zijne porten om de Noord, in den daad tot den algemeene defensie dienende, zonder onze over kosten F

NL-HaNA_1.04.02_3619_0034 view scan ↗

English

736 5/1: but Travancore offers to pay the debt of the Zamorin; then one must adhere to the order of Their High Noble Excellencies [illegible] to the satisfaction of Travancore. However, one cannot be certain that Travancore would [illegible] the same; while on the contrary, if we ever became engaged in war with him, we would not be ruined people merely because he had a fort on Moetoecoenoe, since he could otherwise prevent us everywhere along the river: the great main question is only whether he has a legitimate claim to it, provided he reimburses us the 16000 rop:s paid for it, and whether, if he were to make that claim in earnest, we would reasonably be allowed to refuse him, or whether it appears from the description I have given of the origin of this claim to what extent it is grounded or ungrounded. At least, I am of the opinion that the order of Their High Noble Excellencies regarding these islands is the most prudent that can be given regarding this matter, according to the system of the Honorable Company on this coast. However, I recently had three stockades of earth and coconut trees constructed on the islands of Moetoecoenoe, and had them connected to each other with dams, so that they have good communication with one another, and are divided in such a manner that they can not only assist each other, but also that the eastern one can be covered from the fort of Cranganoor and the western one from our post at Aijkotta, as may be seen in detail in my separate letters to Batavia of 2 January and 7 May 1780, with which Travancore is particularly pleased; while his strong and persistent requests made to us, namely to build a fortification on those disputed islands, or upon which he at least once laid claim, may well be regarded as a tacit renunciation of that claim, since he would otherwise have made movements or preparations to establish a post there himself. Yet, since I dare not vouch that he will never make any claim on those islands hereafter, and the expenses of the aforementioned stockades, which amount to rop:s 7000: -, would now also have to be added to the aforementioned sum of 16000 ropp:s, whereby those islands together now cost the Company ropias 23000:—:—, I have deemed it not unserviceable to make mention of this herewith, because the Malabars seldom let slip a claim they have once made, but always keep it in reserve, in order to assert it as often as any opportunity arises. I recall here how Travancore's ministers, at the beginning of my administration, upon settling 737. - 55 a certain old claim that the Company had on Travancore, known under the name of the old Attingal debt, in a private conversation outside the session I held with them about it, reproached me in a friendly manner that the Company, just as well as the Malabars, does not forget an old claim, as that claim had already existed for about 80 years. But although this was a valid debt, I nevertheless deemed it unnecessary to reply to this, so that I just glossed over it, and it was enough for me that the Company finally obtained satisfaction regarding that matter; concerning the settlement of which affairs I refer to the secret resolution taken here under the date of 22 July 1771, and to what was written from here to Batavia concerning it by separate letter of 7 January 1772, as well as to the conferences held on that subject at that time on 18, 22, 23, 25, and 26 July, and 4 and 10 August 1772, which latter is not unserviceable to read, because one finds therein not only the true nature of that debt, as being a debt that the kingdom of Attingal had of old genuinely owed to the Company, and which debt the Company, since the Attingal kingdom was united with the Travancore kingdom, has continued to claim and has also stipulated in successive contracts each time as a special article, but also because one can see therein what patience and what manner of arguing one must employ to negotiate matters of that nature with Malabar ministers, for which reasons I expressly had the conferences held on that subject recorded with all their details. Next follows the second kingdom of Malabar, namely that of the King of Cochin, formerly a large and considerable kingdom, but since then successively diminished by the Zamorin, but primarily after the year 1753 by the King of Travancore, as has already been shown under the first chapter dealing with Malabar in general. The kings of this kingdom have generally been great devotees in their religion, but at the same time simple in their state affairs, having always let themselves be led by their ministers; so that the Company has generally had much trouble with that kingdom; for when the Company still maintained the balance of power among the native princes, this kingdom constantly schemed with other princes, and continually committed

Dutch transcription

736 5/1: maar tosseran Coor ge schuld van den Cammorijn presenteerd te betalen; dan dierd men zig ten houden aan den ordre van Haar Hoog Edelheed:s versterft is ten genoegen van tevan Coon Evenwel kan men niet zeker„ zijn dat pevancoor het zelve kosten; terwijl wij in teegendeel met hem eens in oorlog raakende de geen bedorve lieden zouden zijn, alleen om dat hij Juijst een fort op Moe„ „toecoenoe had, dewijl hij ons buijten des evenwel over al de revier zoude kunnen beletten: de Groote Hoofdvraeg is maar, of hij er met regt pretentie op heeft, mits ons de daar voor betaelden 16000 rop:s restitueerende, en of wij, indien hij die pretentie met ernst mogt formeeren, hem de„ „zelven reedelijker wijze zouden mogen wijgeren, of niet uijt de beschrijvinge die ik van den oorspronk dezer pretentie gegeven heb blijkt, in hoe verre dezelve gegrond of ongegrond is, ten minsten ik ben in begrip, dat de order van Haar hoog Edelheedens omtrend deze Eijlanden, de voorzigtigste is, die volgens het sijsthema van d' E: Comp: ter dezer Custe in kas subject kan gegeven worden. Egter heb ik onlangs op de Eijlanden Moetoe„ hoedanig Moetoeroenoe thans „ coenoe drie paggers van aarde en klapperboomen laten aanleggen, en dezelve met dammen aan elkander laten verbinden, zo datze goede Commu„ „nicatie met elkander hebben, en zodanig verdeeld zijn, dat niet alleen, dezelve elkander secundeeren kunnen, maar ook, dat de oostelijke zelfs van het port Cranganoor en de westelijken van onze post Aijkotta kan bestreeken: worden, gelijk zulx naden a ne dae iet vorgef tezien is bij mijn apparte brieven na Batavia wan„ den 2. Januarij en 7. Meij 1780, en waarmeede pe„ „vancoor bijzonder in zijn schik is; terwijl zijne „sterke en aanhoudende sollicitaties aan ons ge„ „daan, namentlijk, om op die questieuse Eijlanden of waar op hij ten minsten wel eer poetentie gemaakt heeft, een sterkte te bouwen wel mag aangemerkt worden als een stilzuijgende afstand van die pre„ „tentie, dewijl hij anders wel mouvementen zoude gemaakt of reparaties gedaan hebben, om zelvs daar een post aanteleggen Dan dewijl ik er niet voor durve instaan, dat hij na deezen nooijt meer pretentie op die Eijlanden maaken zal, en de onkosten van de voorschreeve paggers dewelke bedraagen rop„ 7000: - nu ook zouden moeten gevoegd worden bij de voorsz: som van 16000 ropp„s haar door die Eijlan„ Comp: „ den de Comp: te samen nie kosten ropias 23000:—:— zo heb ik niet ondienstig geoordeelt hier van bij dezen gewaag temaaken, om dat de Mallabaaren hunne petentie dieze eens gemaakt hebben, zelder laten slippen, maar altoos in reserve houden, om zo meenigmaal te doen gelden als er zig. maar eenige gelegentheijd opdoed. berigt van de Mallabaar dat deComp: Ik herinneren mij hier, hoe 's Jevancoors Mi„ „nisters in 't begin van mijn bestier bij het afdoen te zien van noort versschen Dal hoe ve veel than 737. - 55 Resolutie en briev, waar bij bekent i de onroscheid van de konings daj briekens gegeeven van zeekeren oude poetentie, die de Comp: op Jre„ „vancoor had, bekend onder de naam van de oude Attingase schuld in een particulier gesprek„ buijten de zittinge die ik daar over met hun gehouden heb, mij op een vriendelijke reijze ver„ „weeten, dat de Comp: zo wel als de Mallabaaren den oude pretentie niet vergeet, alzo die pretentie nual omtrend 80. Jaaren plaats gehad had, dan schoon dit een deugdelijke schuld was, zo oordeelde ik egter onnodig hier op te antwoorden; zo dat ik er maar over heen praatte en het mij ge„ „noeg was, dat den Comp: eijndelijk omtrend die zaak eens genoegen gekregen had; nopens het afdoen van welke affairen in mij refereeren aan de secree„ „te resolutie alhier genomen onder dato den 22. Julij 1771. , en aan het derweegens van hier na saart de afdoening van det schuld van Batavia geschr: bij apparte brief van den 7. Janur: 1772. Z meede aan de daar over gehoudene Con„ „ferenties van dien tijd op den 183. 4, 22. 23, 25. en 26. Julij. 4. en 10 Augustus 1772. , welk laatste niet ondienstig is te leezen, om dat men daar bij niet alleen bevind de waaren geschapentheijd dier schuld, als zijnde een schuld die het rijk van Attinga van ouds aan de Comp: deugdelijk schuldig was ge„ „bleeven, en welke schuld de Comp: 'tzeedert het Attingase Rijk met het Jrevancoorse Rijk Koning van Cochim, wel een een groot en aan„ „zienelijk Rijkk, dog'te zedert successiven door den sam„ „morijn, maar voornamentlijk na het Jaar 1753: door den koning van pevancoor zeer verklijnt, gelijk dat onder het eerste Hoofd-deel, handelende over de Mal„ „labaar in 't algemeen, reeds aangetoont is De koningen van dit Rijk zijn doorgaans groote zijka heeft de Comp:s veel hoofd Devotarissen in hunnen Godsdienst geweest, dog teffens eenvoudig in hunne Rijkszaaken, hebbende zig al¬ „thoos laten leijden, door hunne Ministers; zo dat de Comp: doorgaans veel Hoofdbreekens met dat rijk gehad heeft; want toen de Comp: nog het even„ „wigt onder de Jnlandse vorsten hield konkelde dit Rijk telkens met anderen vorsten, en beging ge„ vereenigd is, heeft blijven pretendeeren, en ook bij de successive Contracten telkens als een speciaal Antikel bedongen is, maar ook, om dat men daar bij zien kan, wat geduld en welke wijze, van Argumen„ „teeren men gebruiken moet, om met Mallabaarsen Ministers zaaken van die natuur te verhandelen, en om welke reedenen ik de Conferenties daar over gehouden, expres met alle haare omstandigheeden heb laten boeken Nae volgd het tweede Rijk van den Mallabaar, na„ „mentlijk, dat van den vereenigd. „duurig 8 Cochim verklaaring van 't rijk van 6

NL-HaNA_1.04.02_3619_0036 view scan ↗

English

738 5/5- where the present king mostly resides performed by that prince his commander-in-chief or Paliat Achen who is under the protection of the Company continual, bad measures, and whenever the matter had been spoiled, the Company was then the refuge, which then often had much work to restore the situation. The king who was in the government at the beginning of my administration died in the year 1775, and was succeeded, according to the custom of the country, by his sister's eldest son; he resides mostly in his palace at Pipontarre, about 3 miles from here, though he also comes now and then for a few weeks or days to his palace, which is situated about half an hour outside this town, by the river, next to the village where the white Jews reside. How the meeting presently with The visits, or meetings, with that prince were formerly troublesome; but I have introduced a familiar intercourse with the king, in order to unaccustom him from that stiffness and awkwardness which usually takes place when meeting native princes; we have even paid private visits to each other several times, without ceremony. The affairs of this realm are generally administered by The Paliat Achen; he is a considerable nobleman of the country— Birth and status of permanent commander-in-chief, and First Minister of State of the Cochin realm, being born free Lord of Chenotta and of a part of the island of Vypeen, in both of which places he also has sorts of palaces, but he resides mostly at Chenotta, situated close to Cranganore, or properly east on the other side of the river around the northern end of Parur; to him also belongs the ancient realm named Walliawattam, an island a little to the northward of here, close to the southern end of the aforementioned Parur, which he obtained anciently from the Cochin King, who had inherited the same from a Nair prince; and furthermore to him also belongs the Lordship of Moeloercasse, situated east of Pitsjoer at the northern end of the Cochin realm, which Lordship formerly belonged to a second family branch of the Paliat Achen, named Manna Cotta Atsen, which, having since been extinguished, thus passed over to the other family branch, being that of the present Paliat Achen. This free lord of Vypeen and Chenotta stands in that capacity under the special protection of the Company; for when we were busy conquering this Coast, he placed himself immediately under the Company and surrendered his person, land, and subjects by written deed to the Company, which deed was also accepted by the late Mr. van Goens on 12 March 1661 on the ship den Muscaatboom. Vypeen accepted 88 739 57 Deed of cession granted to the same on that account. Statesmanship of the deceased Paliat Achen is accepted, as further appears from the deed of cession and proxy, and which is inserted hereunder for observation: I, Paliat Come Menone, free Lord of the island of Vypeen, finding myself in this difficulty that the Portuguese and other surrounding enemies have greatly damaged me, my lands, and subjects, and have treated them as their enemies and caused trouble, for which cause, finding myself powerless to save myself and to resist the aforementioned enemies, I am obliged to seek a powerful nation that will maintain and secure my land and subjects; wherefore I hereby request and accept the Honourable United Netherlands East India Company for my protectors, to protect and defend me in time of need, together with the King Zamorin, against all ill-disposed persons and enemies of my state, hereby yielding and surrendering to the said Honourable Company my person, land, and all my subjects. The Council of this defensive fleet having considered the urgent desire and earnest persistence of the Paliat Come Menone, free lord of the island of Vypeen and Chenotta, the same is accepted under the protection of the United Netherlands East India Company, subject to the approval of the Honourable Lord Governor-General and Council of India; at least so far as Her Honourable power and circumstance, by God's help, shall be able to contribute, provided he secures us on his part that he or his lawful successors shall never be allowed to enter into any contract or alliance with the Portuguese, directly or indirectly, upon penalty as provided by law for that purpose, and especially under the obligation of his land, person, subjects, and goods, as he has surrendered to us by separate ola thereof; on the ship De Muscaatboom, this 12 March 1661 /:below was written:/ Upon approval of the Honourable Lords Councillors of India /:was signed:/ Ryckloff van Goens /:at the side stood:/ the Company's seal, and under the same by order of His Honour was signed:/ M:r Huysman, Sworn Clerk. The late Paliat Achen and First Minister of State of the Cochin King, who passed away on 17 June of the year 1774, was a statesmanlike man, and went pregnant with designs to restore his king; I refer in this respect to that which was written concerning this to Batavia by separate letters of 5 May 1777, and especially by those of 24 April 1778. Indian No 1

Dutch transcription

738 5/5- naar de tegenwoordige koning zig mast ophoud dien vorst geschied desselfs veldover oft aer palfetter die onder de protectie van de Compts staat „duurig, quade passen, en als men dan de zaak verbood had, dan was de Comp: de toevlugt, die dan veel tijds werk had, om de zaak te herstellen. De koning die in 't begin van mijn bestier in de regee„ „ring was, is in A„o 1775. overleeden, en na slands wijze opgevolgt, door zijn zusters oudste zoon, zij woond meest in zijn Paleijs te pipontarre omtrend 3: meijlen van hier, dog komt nu en dan ook wel eens voor eenige weeken of dagen in zijn Paleijs, dat omtrend een halv uur buijten deze stad legd, aan de Revier, naast het dorp, alwaar de blanke Jooden woonen., so bor de ontmoeting thans met De visites, of ontmoetingen van dien voost, waaren, bevoorens lastig; dog ik hebben met den koning een familiaren omgang in train gebragt, om hem te ont„ „wenren, van die stijfheijd en ongemakkelijkheijd, dewelke anders doorgaan plaats heeft, bij het ont„ „moeten van Jnlandse voosten, zelfs hebben wij verscheij„ „den maalen particulieren visiten bij elkander afgelegt, zonder Ceremonieel De zaaken van dit rijk worden doorgaans be„ „stierd door Den Zaljetter; Dezen is een aanzienlijk Land- seer„ Geboorte en hoedanigheijd van permanent veld overste, en Eerste staats-Minister van het Cochimse Rijk, zijnde gebooren vrij Heer van Chenotta en van een gedeelte van het Eijland Baijpin, op welke beijde plaatsen hij ook zoorten van paleijzen heeft, dog hij woont meest op Che„ „notta leggende digt bij Crangandor, of eijgent„ „lijk beoosten aan de overkant van de Revier om„ „streeks het Noordelijke eijnde van Paroe, ook komt hem toe, het oude rijkse, gen:t Walliawattam, een Eijland een weijnig Noordwaards van hier, digt bij het zuijdelijke, eijnde van voorschr: Paroe, het geen hij van ouds van den Cochimsen Koning verkreegen heeft; die het zelven van een Naerdsse voost g'erft had, en dan komt hem boven diens nog toe, de Heerlijkheijd van Moeloercasse, leggende b'oosten pitsjoer aan het Noordelijken eijnde van het Cochimse rijk, welke Heerlijkheijd bevoorens toebehoord heeft aan een twee„ „den Stamhuijs van den Paljetter, gen:t Manna cotta Atsen, welke zedert uijtgeroeijt zijnde, dus overge„ „gaan is aan het andere stamhuijs, zijnde dat van den tegenswoordige Paljetter. Deze vrij heer van Baipin en Chenotta staat in die hoedanigheijd, onder den speciaale, protectie van de Comp:, want toen wij bezig waaren, om deeze Cust te Conquesteeren, begaef hij zig immediaat onder de Comp: en droeg zijn persoon, Land en onderhoorigen per schriftelijke opdragt aan de Comp: op, welke op„ „dragt, ook door wijlen den Heer van Goens den 12. maart 1661. op het schip den MusCaatboom Baijpin geaccepteerd 88 73957 opdragt brief ves wegens aan den selven verleend. staat hundigheijd van overledene pasjettee geaccepteerd is, gelijk bij de opdragts en procuratie briev, nader blijkt, en dewelke hier onder tot speculatie ge-insereerd is Ik Paljetter Come Menone, vrij Heer van „'t Eijland Buijpin, bevindende mij in deze ongele„ „gentheijd, dat de Portugeezen en andere omleggende „vijanden, mij, mijn Landen onderdanen grootelijks „beschadigt, en als haaren vijanden gehandelt en moeije„ „„lijkheijd aangedaan hebben, uijt welke oorzaake „mij onmagtig vindende te redden, en de voorschr: vijan„ „den tegen te staan, ben ik genoodzaakt te zoeken een „magtige Natie, die mijn Land en onderdaanen main„ „tineerd, en verzeekerd, waaromme ik bij deezen „verzoeke en aanneeme de Ed: vereenigde Needer„ „landen OostIndische Comp: voor mijne bescherm „zeeren, om beneevens den Koning Sammorijn, mij in „tijd van Nood te beschermen en protegeeren tegen „alle quaatwillige en vijanden van mijnen staat, bij „dezen aan de zelve Ed: Comp: intrageerende en op„ „„dragende mijn perzoon; Land en alle mijne onder„ „„daanen. Bij den Raad dezer defensive vloot gelet zijnde „op 't instantig begeeren en ernstig aanhouden van „den Paljetter Come Menone, vrij heer van 't Eijland „Baijpin en Chenottij, werd den zelven, op approbatie „van d' Ed: Heer Gouverneur Generaal en Raden van „Jndia; onder beschuttting van de vereenigde Nee„ „„derlandse OostIndische Comp: aangenoomen, im„ „„mers voor zo veel haar Edele Magt, en gelegent„ „„heijd, door Godes Hulpe, zal kunnen toedraagen, „mits ons verzeekerende, aan zijn zijde, dat hij „of zijne wettige successeeren, nooit eenig Contract „ofte alliantie met de Portugeezen zullen mogen „aangaan, directelijk nog indirectelijk op pene „als na regten daar toe staande „ en specialijk „onder verband van zijn Land, perzoon, onderdaa„ „„nen en goederen, gelijk ons bij aparte ola daar „van opdragt gedaan heeft; Jn 't schip De Mus„ „„caatboom adij 12. maart 1687: /:onderstond:/ Op „approbatie van d' Ed: heeren Raaden van India „ /:was geteekend:/ Rijklof van Goens /:ter zijden „stond:/ sComp„s zegul en onder 't selve ter ordon„ „„nantie van zijn Ed: geteekend:/ M:r Huijsman Gesw: Clerq. De Laatste Paljetter en Eerste staads Minister van den Cochimsen Koning, die den 17. Junij A=o 1774. over„ „leeden is, was een staat-kundig Man, en jing swanger met desseijnen, om zijn koning te her„ „stellen; ik refereeren mij ten dezen opzigte aan het geen derweegens na Batavia geschreeven is, bij apparte brieven van den 5. Meij 1777. en in„ „zonderheijd bij die van den 24. April 1778. Jndian Nie 1

NL-HaNA_1.04.02_3619_0038 view scan ↗

English

One has little to do with the king of Cochim; the most relates to the protection over the Christians and Canarese. According to the influence the chief ruler may have on the prince, one may push that protection more or less. Now that the king of Cochim has lost most of his pepper lands, we receive no more pepper from him, and that which he still has, he must deliver to Jrevan Coor, as already mentioned under the article on Crevancoor, so that we currently do not have as much to do with him as before, except for the ordinary and daily country affairs, which are sometimes numerous and troublesome, generally revolving around the native, or Roman, Christians living in his land, and the Canarese, over whom the Company has protection. Protection over the Christians is a delicate matter, concerning which one needs, so to speak, to give and take a little, because experience teaches that most Christians rely too much on the protection of the Company, and under that favor seek to withdraw themselves from that which they are obliged to pay to their king; just as on the other hand, the Christians, being held in great contempt among the heathens, would have to suffer much insult and mistreatment if one did not protect them. For they are indeed under the protection of the Company, yet are effectively subjects of the king, that is to say those who live in the king's land, whereas there are also very many Christians who live on the Company's territory, and thus are per se subjects of the Company. And the same is the case with the native Christians under the dominion of the king of Trevancoor, so far as they live in and on those lands which formerly belonged to the king of Cochim and were taken by Trevancoor, over which the Company has retained its protection. The protection of the Company over them, pursuant to the 4th Article of the Contract concluded between the Company and the King of Cochim on 22 March 1663, consists in this: that they are under the judicature of the Company, and having committed a crime, are punished only by the Company. Yet this protection is imperceptibly pushed further, so that when they are hindered in the exercise of their religion or in other cases are mistreated, and come to the Company to complain or seek comfort, the Company then actually speaks for them, takes an interest in it, and even calls the king or his ministers to account over it. This depends much on the influence that a chief ruler here has on the prince, for in proportion to that, one can push that article much or little, because by insisting upon it too strongly, one cannot after all sustain it with any proper right. Besides the aforesaid protection, the Christian subjects of this king, over and above the other subjects, also have this privilege: namely, that they pay only half as much dues to the King as the others, whereas a heathen subject, having become a Christian and having thereby also immediately obtained the protection of the Company, must nevertheless continue to pay the dues which he paid to his king as a heathen, pursuant to the 4th article of a further treaty of 25 February 1664. I have found that some become Christians merely to escape one or another deserved punishment for committed crimes which are punished more severely among the heathens than among us; for example, shooting a cow to death, even if unforeseen, is punished with death without mercy, whereas a murderer of a human being, if he has money, can still get off free either with a heavy fine or by not being sold as a slave. Experience has shown me that many become Christians intentionally in the notion that they may always still hope for a reduction of lordly dues; but I have never wished to make any motion to the king about that, because I judged it unreasonable, and such would also yield no good consequences. The King now prevents no one from becoming a Christian, and tolerates the Roman churches in his land, but if the making of Christians were to tend to the prejudice of his revenues, then one would quickly see a persecution of the Christians appear, or at least an obstruction in that work of conversion. The Roman Fathers must undoubtedly have portrayed the protection that these people enjoy here quite grandly to Rome, for in the year 1773 two Priests came to me on a mission from the Bishop of Varapoly to compliment me on behalf of His Holiness the Pope of Rome; but when they had delivered their commission, they let me read the letter which the Pope had written to the Bishop, of which I since obtained the duplicate from them to keep for myself, the copy of which, being written in Latin, has been added for inspection among the appendices hereto, marked No. 2, but whose contents were mainly to this effect: To the Venerable Brother, Bishop of Areopolis

Dutch transcription

740 59 wen heeft khan weinig te soen met den koning van Cochim het meeste is wegens de pro„ „tectie over den Custenen en Cannara„ hoe Na rato de gebieder „moogen op den vorst protectie dog Koning as Nu de koning van Cochim zijne meeste peper landen quijt is, krijgen wij geen peper meer van het en de geene die hij nog heeft, moet hij, gelijk onder 't articul van Crevancoor reeds gemeld is, aan Jrevan Coor leveren, zo dat we tans zo veel niet met hem te doen hebben als bevoorens, behalven de ordinaire en dag „lijkse landzaaken, die zomtijds veel en verdrie„ „tig zijn, doorgaans rouldeerende over den in zijn land woonende Jnlandse, of Roomse, Christenen, en de Cannarijns, waar over de Comp: de protectie heeft. Protectie over de Christenen is een de„ „licaat artikel waar omtrend men, om zo te spree„ „ken, wat diend te geven en te neemen, om dat de ondervindinge leerd, dat de meeste Christenen; te veel steunen, op de protectie van de Comp: en onder dat faveur, zig zoeken te ontrekken, van het geen zij aan hun Koning verpligt zijn optebrengen, ge„ „lijk ook aan d'andere zijde, de Christenen, als in proo„ „te veragtinge bij de Heijdenen zijnde, veel smaar en mishandelinge zoude moeten ondergaan, in„ leeven „ dien men hun niet beschermde, want zij staan wel onder de protectie van de Comp:, dog zijn effec„ „tive onderdaanen van den koning, teweeten die in 's konings land woonen, alzo er ook zeer veele Dog deze Protectie, pousseert men ongevoe„ „lig verder, zo dat, als zij in de oeffeninge van hun„ „ne Godsdienst verhindert, of in andere gevallen qua„ „lijk gehandelt worden, en bij den Comp: daar over komen klagen of troost zoeken, de Comp: dan eij„ „gentlijk voor hun spreekt en zig daar aan gelegen laat leggen en zelvs den koning of zyne Ministers daar over te reden steld. Dit hangd veel af, van de influintie, die een hoofd gebieder hier, op den vorst heeft, want na maate van dien, kan men dat artikul veel of weijnig Christenen zijn, die op 'sComp„s grond-gebied woo„ „nen, en dus perse onderdanen van de Comp: zijn, en zo is het ook gelegen met de Jnlandse Christenen onder het gebied van den koning van pevancoor, voor zo verre zij woonen, in en op die landen, welke bevoorens den koning van Cochim toe„ „behoord hebben en door Trevancoor genomen zijn, waar over de Comp: haar protectie behouden heeft. De Protectie van de Comp: over hun, inge„ „volge het 4' Articul van het Contract tusschen de Comp: en den Koning van Cochim geslooten den 22. Maart 1663. , bestaat hier in, dat zij ter Ju„ „dicature van de Comp: staan, en een misdaad begaan hebbende, alleen door de Comp: gestraft worden Christenen pousseeren De moe wat ii hoedanig deert den 61 741. „denen Christenen worden oorzaken waarom zommigeh Genoegen van den Laus van Romen over de protectie die de Christenen hier genieten briev van den Paus daar geschr: poresseeren, om dat men en testerk op staande, het tog met geen behoorlijk regt souteneeren kan Buijten voorsz: protectie hebben de Christenen onder„ „danen van dezen koning boven de anderen onderdanen, ook nog dit voorregt, namentlijk: datze maar half zo veel geregtigheijd aan den Koning opbrengen als de andere, Jerwijl een Heijders onderdaan, Christen geworden zijnde, en daar door ook onmiddelijk de Protectie van de Comp: verkreegen hebbende, egter de geregtigheijd, die hij als heijden aan zijn koning betaald had, moet blijven betalen ingevolge het 4. articul van een nader verdrag van den 25 februa„ Jk hebbe ondervonden, dat zommige Christenen worden, alleen maar om de eene of andere ver„ „diende straffen te ontgaan, over gepleegde misda„ „den die bij de Heijdenen zwaerder, als bij ons, gestraft worden, bij voorbeeld een koebeest, schoon ook on„ „voorziens, dood te schieten, word zonder genade met de dood gestraft, daar een menschen moordenaar„ als hij geld heeft, of met een swaaren geld boete, of niet als slaar verkogt teworden, nog wel vrij raaken „rij 1664. daren De ondervindinge heeft mij doen zien, dat meenigen„ expres Christen worden in begrip, datze op een ver„ „minderinge van Heere Geregtigheijd nog althoos kan Den Eerwaardigen Broeder Areopolitaansen Bisschop te hoopen hebben; dog ik hebbe nimmer, bij den koning eenige beweeginge daar over willen maaken, om dat ik het onreedelijk oordeelde, en zulks ook geen goeden gevolgen zoude gevan, de Koning belet nu niemand om Christen, tewor„ „den, en tollereerd de Roomsche kerken in zijn land, dog als het maaken van Christenen tot prejuditie van zijne inkomsten zouden strekken, dan zoude men schie„ „lijk een vervolginge van de Christenen, ten minsten een stremminge in dat bekeerings werk, zien te voorschijn komen De Roomse Paters moeten ongehuijsseld, den Botee„ „tie, die deeze menschen hier genieten, al vrij groot na Roomen uijtgemeeten hebben, pant in 't Jaar 1773. kwaa„ „men twee Priesters bij mij in Commissie van den Bisschop van Warapolij, om mij, van weegens zijn Hij„ „ligheijd den Paus van Roomen, te Complimenteeren, dog toen sij hunne Commissie afgelegd hadden, lieten ze mij leezen den brief die de Laus aan den Bisschop ge„ „schreeven had, en waar van ik 't zeedert het diepli„ „kaat van hun erlangde, om voor mij te behouden, waar van de Copia, als zijnde in 't Latijn geschreeven, tot speculatie onder de bijlagen dezes, gemerkt N„o 2. —. gevoegd is dog welks inhoud hoofdzakelijk dies da„ „nig was te loopen en voor de Christenond

NL-HaNA_1.04.02_3619_0040 view scan ↗

English

how the protection over the Canarins was exercised here and how one ought to treat them To the Reverend Brother, greeting. Our beloved son Stephanus Borgia, secretary of the Congregation for the Propagation of the Faith, has informed us in detail of the care and effort which the Dutch Governor devotes to the safety of the Christians over there. And since such Christian benefactions concern us the most, and we are thereby indebted to him, it is our earnest desire that at least our feelings of gratitude in this regard may be known and evident to that man. Therefore, in order to express our gratitude, we wish hereby to recommend to your Reverence to assure him of our grateful sentiments in the strongest and most striking manner, and at the same time to testify that we consider ourselves all the more indebted to him by that act, as we flatter ourselves that he will continue in this manner to oblige the Christians and us further to him. Finally, we give to you, Reverend Brother, together with the peoples entrusted to your care, as a pledge of our pontifical affection, the Apostolic Blessing. Below was written: given at Rome the 23. July 1772 in the fourth year of our Pontifical Reign. The present copy agrees in all respects with the original brief. Date of coming from the house of the Holy Congregation for the Propagation of the Faith. Signed: Stephanus Borgia, Secretary of the Holy Congregation for the Propagation of the Faith. Clemens P.P. XIV. and Apostolic Overseer of Malabar. The protection over the Canarins is somewhat distinct from that which the Company exercises over the Christians, and relates more to their civil disputes. This can be seen in detail in the separate dispatches written to Batavia on 4. March 1772 concerning the settlement of the dispute with the King regarding the territory here. Since the question concerning that and concerning the jurisdiction over the Canarins, likewise concerning the toll which the King has outside the city at Mattancherry, was decided, I have had no difficulties of importance regarding the Canarins. However, in this matter one must also proceed with deliberation, according to the circumstances and the cases that occasionally arise in this regard. At least since that time, the Company has had and exercised even more authority over the Canarins than before, and the King has also acquiesced to this, possibly because one acted with discretion in this regard and it was enough for him to have the reputation that the Canarins are under him. For although the governance over them in that settlement was indeed left to the King under certain limitations, and particularly under this one, that they may complain against the King to the Honorable Company, it is nevertheless necessary that one from time to time asserts our retained supreme authority over them, especially in cases where one notices that the Canarins do not obtain proper justice from the King, whether in the case of debts or other disputes, so that it may be openly evident that justice and righteousness are exercised by the Company. For it is nothing new on this Coast among the native princes that when two persons come to complain, the one who offers the most money for a favorable verdict is deemed right, even if he were the most in the wrong in the world. At least, I have never wanted to allow such a thing, and as soon as I had knowledge of it, I campaigned strongly against it, even if the matter was sometimes ever so slight, which cost me much trouble in the beginning, because the Canarins have an extraordinary number of relations with the community. It is true, they are in themselves the most refined cheats among the Malabars, doing mostly street-trade, just like the Chetties and Moors on Ceylon and the common Jews in the Netherlands, but they are absolutely necessary here, and conduct practically all the retail trade, down to the smallest items. And one could, except for live animals, because trading in them is against their religion, and for which reason they are brought to market by the Black Jews, purchase the general necessities from practically no one else but them. For this purpose they have their bazaar in their neighborhood not far from the city, and furthermore everywhere there is any passage, both outside and inside the city, they have their stalls. Thus, by them goods are daily bought and sold, bartered, lent, and credited, among both whites and blacks, and it is therefore natural that continual disputes and complaints arise therefrom, which are sometimes so tangled up with one another that one has difficulty finding the original cause of the dispute. Thus, as the Canarins have the most relations with our inhabitants, and the latter reciprocally with them, the Canarins cannot well and properly be entirely entrusted with their matters and complaints to a court where one can obtain a verdict to one's liking for gifts or bribes, and since this folk is here in truth a necessary evil among the Malabars.

Dutch transcription

742. 65 hoedanig men de protectie over„ den Cannarijns hier oeffenden en hoe men hen handelen moe Den Eerwaardigen Booeder zij Heijl, onzen ge„ „liefden zoon Stephanus Borgia secretaris van „ het Collegie ter voortplantinge van het Christendom, „ heeft ons omstandig bedeeld, de attentie en moeijte„ „die den Hollandse Landvoogt besteed, tot de vijligheijd „der Christenen, die ginter zijn; En vermits zulke „ Christelijke weldaden, ons wel het meeste aangaan, en wij daar door aan hem verpligt zijn, zo is onze „ernstige begeerte, dat ten minsten onze gevoelens „van dankbaarheijd derweegens, aan dien man „bekend en blijkbaar mogen zijn, derhalven hebben wij ter aflegginge van onze dankbaarheijd, vr„ „„Eerwaarden bij deezen willen aanbeveelen, om „hem van onze erkentelijken gevoelens op de krag„ „tigste en eelatantste wijze te verzekeren en teffens „ te betuijgen, dat wij ons zo veel temeer door die „daad aan hem verpligt agter als wij ons vleijen dat „ hij voort zal gaan, om op die wijze de Christenen „ en ons verder aan hem te verpligten. Eijndelijk geeven, wij dwEeerwaardige Broeder „beneevens de volkeren, die uwe zooge toevertrouwt Clemens P. P. X X V: en Apostolisch opziender van Mallabaar „zijn, tot een pand van onze Lausselijke genegentheijd, den „Apostolischen zegen /:onderstond:/ gegeven te Roomen den „ 23. Julij 1772: in het vierden Jaar onzer Lausselijke „Regeering, het tegenwoordig Exemplaar accordeert in „allen met 't origineel brevet. Datum te komen uijt het „huijs der H: Congrigatie ter voortplanting van het Chris„ „„tendom /:geteekend:/ Stephanus Borgia, den H: Con„ „„gratie der voorplanting van het geloove Secretaris De Protectie over de Cannarijns is wat onder„ schijden van die, dewelken de Comp: over de Christenen oessend, en heeft meer betrekking op hunne Civiele verschillen: dit is omstandig tezien, bij apparte missi„ „ven van den 4. maart 1772. na Batavia geschreeven over 't afdoen van 't verschil met den koning over het grond gebied alhier. zedert dat de questij, daar over en over den Juristictie, over de Cannazijns, item over de Thol die de koning buij„ „ten de stad op Mattancherij heeft, gedecideert is, heb ik geene moeijelijkheeden over de Cannarijns, van belang gehad, dog waar omtrend men ook al met overleg diend te werk te gaan, na maate de omstandigheeden en de zaaken zijn, die desweegens nu en dan wel een voorvallen; ten minsten de Comp: heeft zedert dien tijd, zelfs meer gezag over de Cannarijns gehad en ge-oeffend als bevoorens, en de Koning heeft zig zulx zijn ook F 8 743. zjn hier nerdrendig op wat Conduites den Cannarijn ook laten welgevallen, mogelijk om dat men daar„ „omtrend met discretie te werk ging en het hem ge„ „noeg was, de naam te hebben, dat den Cannasijns on„ „der hem staan, want schoon de bestieringe over de zel„ „ve, bij die afdoeninge, wel aan den Koning onder zeke limitatie gelaten is, en, wel voornamentlijk onder deze, dat zij zig over den koning bij de E: Comp: mogen beklagen, zo is het egter nodig, dat men het aan ons behoudene oppergezag, over dezelve nu en dan doe gel„ „den, inzonderheijd ingevallen, waar in men bemerkt dat de Cannazijnt geen behoorlijk regt bij den koning erlangen, het zij in Cas van schulden, of andere dus„ „puten, op dat het opentlijk blijken dat bij den Comp: regt en geregtigheijd geoessend word, want het is op de „ze Cust, bij de inlandse vorsten niets nieuws, dat wanneer twee perzoonen komen klagen, die geene, „cedeerd dewelke het meeste geld voor een gunstige uijt„ „spraak bied, gelijk krijgd, al hadden hij ook het grootste ongelijk des wiereld, ten minsten, ik hebben zulx nooijt willen toelaten, en als ik er maar nen„ „nis van kreeg, daar zeer tegen g'ijverd, al was ook zomtijds de zaak nog zo gering, het geen mij in den beginne veel hoofdbreeken gekost heeft, om dat de Cannazijns ongemeen veel betrekkinge tot de gemeente hebben, 't is waar zij zijn op zig zelfs, de geraffineerdste bedriegers onder de Mallabaaren, doende meest straat- negotie, even gelijk de Chetties en mooren op Ceijlon en de gemeene Nederland Jooden, dog ze zijn hier absolut nodig, en doen genoeg„ „zaam all' de klijne Negotie, tot de geringste ar„ „ticlusive, en men zou /:behaelven het levendig ge„ „dierte, om dat de handel daar in teegen hun Goosdienst strijd, en waarom het zelve door de swarte Jooden te markt gebragt word :/ de algemee„ „ne benoodigthieden genoegzaam bij niemand anders, als bij hun kunnen koopen, waar toe zij in hunne buurt niet verre van de stad, Haare Bazaar, en voorts over al, waar maar eenige passagie is, zo buijten als binnen de stad hunne kraamtses hebben, dies word door hun dagelijks gekogt en verkogt, geruijld, geleend en gecre„ „diteerd, zo onder blanke als zwarte, en het is dus pro„ natuurlijk, dat daar door geduurige questies en klagten ontstaan, die zomtijds zo zeer door elkien„ „der gehaspelt zijn, dat men werk heeft, om de eerste oorspronk van de questie te vinden, zo dat de Canna„ „rijns, de meeste betrekkinge op onze ingezetenen, en deze reciproque, op hun hebbende, de Cannatijns niet wel voegelijk met hunne zaaken en klagten ten eenemaal aan een hof kunnen toevertrouwt worden, alwaar men voor giften of gaven, een uijt„ „spraak na zijn zin kan erlangen, en dewijl dit volkje, hier in der daad, een malum necessarium Mallabaaren

NL-HaNA_1.04.02_3619_0042 view scan ↗

English

744 the Company and the King of Cochin arose is, so one must maintain the rule of ensuring they receive fair justice on the one hand, but if they are caught engaging in monopolies or intrigues with slaves, in fraud or roguish tricks, punishing them severely; but concerning other matters that relate to ancient customs and privileges of the King, for example, the small revenues of their bazaar outside the city, the administration of their pagoda, or temple, the portion of the estate that falls to the King after their death, one must not give the Canarese a hearing, but directly dismiss them, as something in which they have no change or help to hope for, and if one does not indulge them in things of that nature, then the King will also not take it amiss why the recent dispute between that we concern ourselves with their other complaints, for this was really why the King in the year 1770 took it so much to heart, when they wished to take away his authority over the Canarese, because he feared that if he consented thereto, he would then also have to lose the benefit both of their estates and of their bazaar. Another matter regarding the King of Cochin and the Canarese is still to be observed, which was the first occasion of the recent dispute with this King, namely, the toll that he holds at Mattancherry and the Canarese Bazaar. Mattancherry is properly that place on the river just outside the city, beginning with the end of Calvethy, or properly with the Canarese stream, over which the great bridge lies, and a short distance further, where everywhere there are warehouses of native merchants, it is also precisely the place where the native vessels arrive with their trade. At this place now, as well as at the Canarese Bazaar and at still a third place near the small pagoda, and therefore called Pagodinho, the King has from ancient times collected a certain toll, but His Highness had for some time imperceptibly increased that toll and collected more than before, where it had always been paid, which broke out the most at Mattancherry, because this also had an effect on the arriving and departing merchants, whereby trade in that respect was oppressed, so that my predecessor thereby found occasion to enter into dispute with His Highness over the sovereign jurisdiction, and to pretend that Mattancherry, the Canarese Bazaar, and Pagodinho belong under the Company, and not under the King, but this dispute is now decided, namely that the King should retain the benefits of the aforesaid three places, provided that he hereafter collect no more therefrom than was collected there of old, and that he should provide a specific list of 745 That one must take care to maintain the old customs because of the necessity that is attached thereto. what he should collect in those places in the future in order to have it examined; which list he has since submitted, which subsequently was handed over to the most experienced land- and language-expert servants here, in order, assisted by Company's and other native merchants, in the presence of the King's ministers, to examine and verify whether any novelty, or any increase of toll, in comparison with earlier times, might be found therein, which examination has since taken place, and in which, both by our servants, as well as by the Jewish and other native merchants, it was unanimously declared that this list was drawn up reasonably, and that they previously had even had to pay rather more, with the addition that they had no reason to complain about this payment, as everything agreed with the ancient usage and customs, of which commission a proper document was drafted and signed by the King's ministers, under special promise that the collection would be levied in that manner and according to that list, and that that list should be the decision of the complaints that might be raised thereabout, for which end the said list was also made public to everyone, which particulars are further to be seen in my separate letters directed to Batavia, dated 4 March and 1 May 1772, and 25 March 1773, and still further in the resolution of 23 August 1772. And this is a matter concerning which one must take care that no infringement occurs, so that that toll is not again imperceptibly raised, which, if not done directly by the King or his ministers, might sometimes be done by the farmers, because the King does not have those tolls collected, but farms them out to the highest bidder. The necessity of keeping an eye on this is because the Canarese Bazaar, the bazaar at Pagodinho, and Mattancherry are the nearest market places where the community buys its daily necessities, so that through the least increase of the toll, foodstuffs would become more expensive for the poor inhabitants, not to mention that it is a decided matter whereby the Company has reserved to itself not only to take cognizance of its violation, but also to prevent the same, so that if one were to wink at the slightest excess in this regard, and not inquire closely into it now and then, the Company's supreme authority over that sovereign jurisdiction would be given away, or at least it would cause trouble to arise over it again in the course of time; but the principal reason to pay attention thereto is because the increase of the toll at Mattancherry has too much relation to the trade here, whereby the merchants

Dutch transcription

744 de Compt en den Koning van Cochimas enstaan is, zo dient men en de hand aantehouden hun aan Mattancherij is eijgentlijk die plaats aan de eene zijde goed regt te bezorgen, dog als men ze den Revier essen buijten de stad, beginnende met het op monopolij of gekonkel met slaven, op bedrog of eijnde van Calwettij, of eijgentlijk met den Canna„ schelmerijen attrapeerd, strengelijk te straffen, maar „rijnse spruijt, waar over de groote brug legd, en een omtrend andere artikuls, die haare betrekkinge heb„ end weegs verder, alwaar, over al Pakhuijsen van inland„ „ben, op oude Costuimen en voorregten des konings, bij „se kooplieden zijn, ook Juijst de plaats is, alwaar de voorbeeld, de gezinge revenuën van hun bazaar buijten Jnlandse vaartuigen met haar Negotie aankomen: Op de stad, de bestieringen over hunne pagood, of Jempel, deze plaats nu zo wel als op de Cannatijnse bazaar het gedeelte der nalaatenschap dat na hun overleijden en op nog een derde plaats bij de klijne pagood, en de koning nadert, dient men de Cannazijns geen gehoor daarom Pagodinjo genaamd, heeft de koning van te geven, maar direct van de hand te wijzen, als iets, alle oude tijden zekere thol geheven, dog zijn H=r daar zij geene veranderinge of hulpe in te hoopen heb„ had 't zedert eenigen tijd ongevoelig dien thol ver„ „ben, en als men hun in dingen van die natuur, niet „groot en meer ingevordert als bevoorens, daar te wil is, dan zal de koning het ook niet qualijk neemen altoos geleven was, het geen op Mattancherij het waaron Jongst questij tusschen dat wij ons met hunne andere klagten bemoeijen, wan meeste eelatteerde, om dat zulks ook aspect had, daarom eijgentlijk had de koning A:o 1770 het zo zeer op de af en aankomende Handelaars, waar door op zijn lijf, toen men hem het gezag over den Canna„ de handel in dat opzigt gedrukt wierd, zo dat mijn „rijns wilde afneemen, om dat hij bedugt was, dat Antecesseur daar door aanlijdinge gekreegen heeft, om indien hij daar in bewilligde, dan het voordeel zo van met zijn Hoogh:t over het pond gebied in questi te ko„ hunne nalatenschap, als van hunne Bazaar ook „men, en te pretendeeren, dat Mattancherij, de zoude moeten missen. Cannarijnse Bazaar en Pagodinso onder de Comp:, en Een ander articul is er nog nopens den koning van niet onder den koning, behooren, dog deze questie is nu at Js. hoe Cochim en de Cannarijns te observeeren, het geen de gedecideert, namentlijk dat de koning zoude behouden eerste aanlijdinge tot de Jongste questie met dezen de voordeelen van voorsz: drie plaatzen, mits hij na dezen koning gegeven heeft, namentlijk, de thol die hij op niet meer daar van heffen als van ouds daar geheeven Mattancherij en de Cannarijnse Bazaar heeft. is, en dat hij eenen specificque Notitie zouden bezorgen Mattan Cherij van e 745 Dat men tagten moet in sand te houden onde uile vande odt Jaklijkheijd die daar aan verkrogt id. van het geen hij op die plaatzen voortaan zoude invor„ „deren om die te laten examineeren; welke lijst hij ook 'tzeedert overgegeeven heeft, die vervolgens ter hand gesteld is aan de ervarendste Land en taalkundigste Bedienden alhier, om, g'assisteerd van 's Comp:s en anderen inlandse koop„ „liedan, ten overstaan van 's konings Ministers, te exa„ „mineeren en nategaan, of er ook eenige nieuwigheijd, dan wel eenige vermieerdering van Thol, in vergelijk van vroegere tijden, bij mogte te vinden zijn, welke exami„ „natie 't zeedert geschied, en waar bij zo wel door onzen bediendens, als door de Joodse en anderen inlandse koop„ „lieden eenstemmig verklaard is, dat die lijste drage„ „lijk opgemaakt was, en zij voor deezen zelfs vrij mee hadden moeten betalen, met bijvoeginge, dat zij geen reden hadden, zig over deze betaalinge te bezwaren, al„ „zo alles met de oude Usartie en Costumen over een quam van welke Commissie, een behoorlijk papier geformeert, en door 's konings Ministers onderteekend is, onder speci„ „aalen belofte, dat de invorderinge op die wijze, en na die lijste geheven zouden worden, en dat die Lijst, den decisie zouden zijn, van de klagten, die daar over mogten gemoveerd wor„ „den, ten welken eijnde gedagte lijst ook aan ieder een publicq gemaakt is, welke een en ander nader te zien is bij mijn aparte missiven na Batavia gerigt, gedateerd den 4. maart en 1: meij 1772. en 25 Maart 1773 en nog nader bij resolutie van den 83. Aug:s 1772. En dit is een artikul waar omtrend men diend te zorgen, dat geen inbreuk kome, op dat die thol weder niet ongevaalig verhoogt worden, het geen zo al niet direct door de koning of zijne Ministers mogten geschieden, zom„ „tijds door de pagters zoude kunnen gedaan worden om dat de koning die thollen niet laat Collecteeren maar aan de meest biedende verpagt De noodzakelijkheijd om hier omtrend het oog te houden is, om dat de Cannarijnse Bazaar, de bazaar op Pago„ „dinj en Mattancherij de na-bij gelegenste markts plaat„ „zen zijn, alwaar de gemeente haar dagelijkse beno„ „digtheeden koopt, zo dat door de minste verhooginge van den thol de levens middelen voor de arme inge„ „zetenen duurder zoude worden, gezuijge dat het een gedecideert articul is, waar bij den Comp: aan zig be„ „houden heeft, niet alleen van dies overtreedinge, ken„ „nis teneemen, maar ook dezelven te beletten, zo dat men het geringste exces daaromtrend door den vingeren ziende, en nu en dan zig niet naauwkeurig daar na informeerde 'sComp:s oppergezag, over dat pond gebied uijt de hand gegeven, ten minsten veroor„ zaakt zoude worden, dat na verloop van tijd daar over weder moeijelijkheijd komen, dog de voornaam„ „ste reeden, om daar opteletten is, om dat de verhoo„ „ging van de Thol op Mattancherij, teveel betrekking op den Handel alhier heeft, waar door den kooplie„ den e

NL-HaNA_1.04.02_3619_0044 view scan ↗

English

746. The king of Cochim receives a sum of money from the outgoing duties that is entirely written from the Homeland, against which there shall be pressed, and the merchants will obtain an aversion to coming here to trade, because Mattancherry is the place where, as has already been said, all native vessels, and thus also the Bombarasses, unload and load in front of the warehouses there. At least since the dispute regarding these matters has been decided, I have from time to time sent my servants expressly to those places, to ascertain whether no excesses were committed there, sometimes secretly, to arrive at the real truth, and sometimes by known servants, to show openly that I was concerned about it. Finally there is still something that one has to do with the king of Cochim, namely, that one must annually give to his Padrinho half of the import and export duties, that is of all trade merchandise brought into and out of the river here and cleared of duty; an income that he had already at the time of the Portuguese, and which was left to him according to contract. Both for political and mercantile reasons, I once proposed to Their High Nobles to buy off the relinquishment of that right for an annual fixed sum, and Their High Nobles granted authorization for this. But the Gentlemen Majors have made very well-founded counter-considerations regarding this, as one and the other can be seen in detail in separate letters to Batavia of 10 February 1775, 4 January 1776, 7 March 1777, and 5 January 1779, as well as by separate missives written hither from Batavia dated 20 September 1775, 11 November 1776, and 15 September 1778, along with the general letter by the assembly of the Gentlemen Seventeen dated 8 October 1777. This is an article that one should nevertheless not lose sight of, although upon closer consideration it now appears to me that the relinquishment of that right would be difficult to obtain, because this is virtually the only remnant of his former greatness. However, if in the future it should be convenient for the Company to keep that entire farm for itself alone rather than to share it with the king, then one should attempt to present to His Highness an acceptable round sum for it once and for all, and that precisely at a time when he is in extreme distress, which happens to this king more than once, and now that he is tributary to the Nabob will happen to him even more; and I think if he were permitted to do so, being once in extreme distress, he would well wish to do so. I say if he were permitted to do so, because I fear that the king of Cochim of his land only is 747. king in name, and Travancore is in deed. The matter can nevertheless be attempted, and if one saw that he would be willing, but was prevented therein by Travancore, then one could, as the circumstances of the time allow, discuss it directly with Travancore and see to push it through with some firmness. Otherwise there is still something that comes into consideration in this regard: the Company currently trades in some goods in which private individuals formerly traded, and can still trade if they wish or can pay so much for them; as the Company pays on these goods, the Company pays the farm just as the private individuals do, pursuant to the Malabar Secret Resolution of 26 November 1773. This was resolved because that trade was then only first taken on trial, and one could not yet confidently assure oneself that the same would continue with that success in the long run and would possibly increase even more annually, so that one did not wish to disadvantage the farmer thereby, who, when taking the farm, particularly calculates not only on the piece-goods that the Bombarasses primarily bring along among other articles, but also on the sugar and arrack, which the sailors also bring along as permitted freight, although of the latter only half is paid. So that if that duty had been withheld from the farmer, he might then rightfully have asked some reduction on his farm, and also been able to bid so much less for that farm the following year. And this latter is actually what I meant, namely that if the Company pays no farm for goods that it itself buys and sells here, the farm of the import and export duties would thereby diminish greatly, in which loss the King of Cochim would share for half, as well as the Company. But against which that entire loss, through the greater profit upon the sale, would again come into the lap of the Company, and by which reduction the King on his side might resolve all the sooner to just cede his share, in one or the other of the aforesaid manners. But the question is whether one could and may do that with right and in good faith; I think so, but I will not vouch that the king, hearing such, will not make representations against it. But one would have to show him the reasonableness that exists, namely, that the Company is free of the farm concerning the goods that it might buy and sell, and if one could not push that through with kindness or with firmness.

Dutch transcription

746. De koning van Cochim frekt de uijtgaande Repter een somma gelds die gantschen ge en uijt t Patria is geschreeven daar teegen zal weezen „den gedrukt worden, en de baffiquanten een wierzien krijgen, om hier te komen handelen, vermits Mattan„ „Cherij de plaats is, alwaar, gelijk reets gezegd is, alle inlandse vaartuigen, en dus ook de Bombarassen, voor de daar zijne Pakhuijsen lossen en laden, ten minsten zedert dat de questij over het een en ander gedecideert is, zo heb ik nu en dan mijn bediendens wel eens er pres„ na die plaatzen gezonden, om te verneemen of daar om„ „trend geen buijten - stappen begaan wierden, dan eenshij„ „melijk, om agter de regte waarheijd te komen, en dan eens door bekende bediendens, om opentlijk tetoowen, dat ik mij daar aan gelegen liet leggen. Eijndelijk is er nog iets dat men met den Cochimsen helfte der geregtigheijd van de in en koning te doen heeft, namentlijk, dat men Jaarlijks, aan zijn P=r de helfte van de in en uijtgaande regten moet afgeven, dat is van alle handelwhaaren, die hier in en uijt de revier gebragt en vertold worden; een inkomsten, die hij al ten tijde van de Portugeezen gehad, en die men volgens Contract aan hem gelaten heeft. Zo om politicque als mer cantile redenen heb ik, Haar Hoog Edelheedens eens voorgeslagen om den af„ „stand van dat regt voor een Jaarlijkse vaste somma aftekoopen en haar hoog Edelheedens hebben daar toe qualificatie verleend dog de heeren Majores heb„ gemaakt, gelijk dat een en ander omstandig te „ben derweegens zeer gegronde Contra Bedenkingen dog men mest dat Joevan Coor Toevancoor hem zulx beletten zouden, als bekend zijnde, wat hier oe naer van Batavia zien is bij aparte brieven na Batavia van den 10 februa„ „rij 1775, 4. Janua: 1776. 7. maart 1777. en 5 Januarij 1779. zomeede bij apparte missiven van Batavia dit heen geschreeven de datis 20: 7ber: 1775. 11. 9ber: 1776. en 15 7ber: 1778. mitsgaders bij generaale brief door de ver„ „gaderinge van V7=men in dato den 8. October 1777: Dit is een articul dat men egter niet uijt het oogdien„ „de te verliezen, schoon het mij nu bij nader inzien voorkomt, dat de afstand van dat regt bezwaarlijk te verkrijgen zoude zijn, om dat dit genoegzaam nog het eenigste overblijffel van zijn voorige groot„ „nen moet in der tijd tragten voorn„ heijd is, dog indien het de Comp: in 't vervolg mogt vegtigen vo de Comp: te verkijn onvenceeren om die geheele pagt liever voor zig alleen te houden, als dezelve met de koning te deelen, dan zoude men het moeten beproeven met zijn Hoogh=t daar voor eene aanneemelijke ronde somma eens voor al te presenteeren, en dat wel Juijst in een tijd wanneer hij in de uitterste verle„ „gentheijd is, dewelke dezen koning meer als eens over„ „komt en nu hij mibutair aan den Nabab is, hem nog wel meer zal overkomen, en ik denken als hij het zoude mogen doen, dat hij het eens in d' uijtterste verlegentheijd zijnde, wel zouden willen doen; ik zeggen als hij het zouden mogen doen, om dat ik vreeze dat „dat de koning van Cochim van zijn land maar zien Koning 747. Middelen waar door men tot dat reedenen die men daar voor zoude kunnen inbrengen koning is, naam en pevarcoor in der daad is, het een en an„ „der kan egter beproevd worden, en als men zag, dat hij wel zoude willen, maar door pevancoor daar in belet wierd, dan zouden men, na maate de tijds-omstandighee„ „den het toelaaten, pevancoor daar over eens direct kunnen onderhouden en het met wat ernst zien door„ „tedringen Anders is er nog wel iets, dat ten dezen in aanmerking oopmelk zouden hinnen geraaken komt: de Comp: negotieerd tans in eenige goederen, waar in bevoorens particulieren genegotieerd hebben, en ook nog kunnen negotieeren, als ze er zo veel voor willen of kunnen geven; als de Comp: van deze goederen betaald den Comp: zo wel pagt, als den particulieren, ingevolge Mallabaarse secreete Resolutie van den 26. 9ber: 1773 dit is beslooten, om dat die handel toen maar eerst ter preuve genomen wierd, en men zig toen nog niet vast durv„ „de verzekeren, dat dezelve met dat succes op den duur zouden Continueeren en mogelijk Jaarlijks nog al meer accresseeren zal, zo dat men den pagter daarmeede niet heeft willen benadeelen, die bij het meijnen van zijn pagt, wel speciaal Ceijffert, niet alleen op de Na„ „pok, die de Bombarassen onder meer anderen articuld voornamentlijk meede brengen, maar ook op de zuij„ „ken en Arak; die de scheepelingen als gepermitteerde lasten, ook meede brengen schoon van het laatste, maar den helft betaald word, zo dat indien de pagten die geregtigheijd onthouden was geworden, wij dan met regt eenige afslag op zijn pagt zoude hebben: mogen vraagen, en ook het volgende Jaar zoo veel minder voor die pagt Kunnen bieden: en dit laatste is eijgentlijk, het geen ik bedoelde, namentlijk dat als den Comp: geen pagt be„ „taald voor goederen dieze zelfs hier hoopt en ver„ „hoopt, de pagt van de in en uijtgaande regten, daar door veel verminderen zouden, in welk verlies de Koning van Cochim voor den helft zoude deelen, zo wel als de Comp: dog waar en teegen weeder dat geheel verlies, door den meerderen winst, bij den verkoop, in den schoot van den Compagnie zoude komen, en door welke, minderheijd de Koning aan zijne zijde, zomtijds te eerder zoude resolveeren, om zijn aandeel maar aftestaan, op den eenen of andere der voorschr: wijze, dog den vraage is, of men dat met regt en ter goeder trouwe zoude kunnen en mogen doen; ik denk van Ja; dog ik wil er niet voor instaan, dat de koning zulks hoorende, daar tegen geen representaties doen zal, maar men zouden hem moeten vertoonen de redelijkheijd die er is, na„ „mentlijk, dat den Comp: vrij van pagt is, omtrend de goederen die zij mogt kopen en verkoopen en als men dat met koopen en verkoopen en als men dat met goedheijd of met Ernst niet kon door„ geregtigheijd „dringen 8

next →