Inventory 3619
Malabar · 338 pages · 201 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
1748. Must establish How one corresponds with the king About what matters one has to break one's head the most with the king. What to do about that Press, then we would in all cases still be just the same, at least the importance of no longer letting this king participate in the lease, I believe to have shown sufficiently in the aforementioned letters, and it is thus too great not to at least attempt it once; meanwhile I find in the lease conditions of the import and export duties these words, which alone constitute the 18th Article: Merchandises and goods that are bought directly from the Company or sold to the same pay no toll; and I cannot see why the Company could not hold itself to that, namely, to pay no toll on those goods as long as it buys and sells the same. 9th For the rest, as has already been stated, one has nothing of importance left to deal with regarding the King of Cochin, other than now and then some headache over complaints about our subjects, because his district lies very close to the city, so that mischievous or jolly soldiers, sailors, and others, meeting the subjects of the king daily, sometimes insult them; it is thus of the utmost necessity to strictly punish the slightest mischief when complaints are made and the same are found to be true, according to the state of affairs; in particular, one must not tolerate that our people approach the pagodas or temples of the heathens too closely, much less desecrate them or harm their cattle, nor use their washing tanks or washing places; the common man regards such things merely as trifles, and does not understand that the greatest difficulties can arise from them. When there is something to negotiate, one sends a message or a letter to the court, or one has the Regidores requested to come to the city, who then usually come, and to whom one then orally says what one has to say, in order to prevent wrong messages and misunderstanding. 1749. Elucidation regarding the Coesipallijse Lands, on which the Company advanced money Description of Maprana But before I depart from the King of Cochin, I ought also to mention the Coesipallijse Lands, the Lordship of Maprana, and the so-called Eighteen and a Half Villages, because they have the most relation to this king, and then finally also something regarding the King of Repolim. The Coesipallijse Lands of the King of Cochin, situated on the north side of the Island of Baijpin, were mortgaged to the Honorable Company in the year 1762 for 300,000 Cochin fanums, or 85,000 ropias, which sum His Highness then took as a loan and enjoyed in cash, in order to be able to make good the war expenses of his small army, which, according to the agreement entered into with the King of Travancore, he had to bring into the field at that time in order, assisted by Travancore, to drive the Zamorin out of his northern lands; of which the lands of Paroe and Mangattij were to be ceded to Travancore for this help, and the remaining lands returned again to His Cochin Highness, as indeed happened. Thus the aforementioned sum was advanced to the King of Cochin on the security of those lands, and on the condition that His Highness would repay that sum in September 1762, or that otherwise the revenues of those lands would be collected by the Honorable Company, and that the Company would administer those lands until the satisfaction of that sum followed, whereupon the repeatedly mentioned lands would then be returned again. 1750. In what manner one acted with the revenues of those lands In which letters it was written about The appointed time for payment having expired, the king did not pay because of his inability, but consented, upon many reminders given, that the Company should collect the revenues thereof, as they were also collected on behalf of the Company, until His Highness requested that he might collect the revenues himself and that the Company would deduct this amount from what the Company must annually hand over to His Highness from the tolls, which was also granted, since the collection of the duties on behalf of the Honorable Company was subject to much trouble and also costs, so that these revenues have until now been withheld annually from His Highness's contingent from the tolls, but are collected by His Highness himself, the aforementioned revenues amounting to an annual sum of f 1297:1:8. The remainder that serves for information on these mortgaged lands is to be found in the Batavian general letter of 25 September 1772, and in a separate letter to Batavia dated 25 March 1773, together with the reply to it by separate letter from Batavia written here under the date of 30 September 1773. The Lordship of Maprana lies south of the river of Innamaka in the northern land of the King of Cochin, over which previously the landlord was a Belosta Nambiar, who was then under the Zamorin; but when the Zamorin by the peace treaty of the year 1717 ceded to the Honorable Company all his lands situated south of the aforementioned river of Innamaka, this lordship was also among them; of which lands most subsequently came again to the King of Cochin, except the Lordship of Maprana, which remained for the Company, while the old possessor, namely the Belosta Nambiar, holds it as a fief of the Honorable Company.
Dutch transcription
1/748. moet stellen soedanig men met den koning Correspondeert over wel ke dingen men mot den Koning 't meest hoofd breeken heeft. „dringen dan zouden wij in alle gevallen nog maar dezelfde zijn, ten minsten het belang om dezen koning niet, langer in de pagt te doen parti„ „cipeeren, meene ik bij voorschr: brieven genoeg ten minsten niet eens te beproeven, intussen vinden ik bij de pagt Conditie van de in- en uijtgaande regten, deeze woorden die op zig zelfs alleen het 18. Articul uijtmaken, Koop„ „manschappen en Goederen, die direct van den Compagnie gekogt of aan dezelven verkogt worden, betaalen geen Thol; en ik kan niet zien, waarom de Compagnie zig daar aan niet zoude kunnen houden, namentlijk, om van die goederen, geen thol te betalen, zo langen zij dezelve hoopt en verkoopt. 9e Voor het overigen heeft men met den Ko„ „ning van Cochim, gelijk reeds gemeld is, niets van belang meer te doen, als nu en dan wat hoofdbreekens met klagten over onze onderdaa„ „nen, om dat zijn district zeer na bij de stad legt, zo dat baldadigen, of volijke zoldaaten mat„ aangetoond te hebben, en is dus te groot om het wat men daar tegens vn het werk overkoomen, en dezelve waar bevonden worden, „troosen, en andere, de onderdaanen van den Koning dagelijks ontmoetende, sun wel eens beledigen, zo is het van de uijtterste noodzakelijkheijd, de ge„ „dingste baldadigheeden, wanneer en klagten strengelijk te straffen, na bevind van zaaken, inzonderheijd moet men niet gedogen dat ons volk de pagoden, of tempels, van den Leijden, te veel naderen, veel min ontheijlige of hunne hoebeesten kwaad doe ook hun„ „ne Waschtangen, of waschplaatsen, niet ge„ „bruijke, de gemeene man merkt zulke dingen maar aan als bagatellen, en begrijpt niet, dat daar uijt de grootste moeijelijkhee„ „den kunnen ontstaan. Als er iets te verhandelen is, zend men een bootschap of een briev aan het hoff, ook laat men de Ragiadoors wel verzoeken om eens in de stad te komen, die dan ook doorgaans komen en teegens welke, men dan mondeling „ Roosen zegt e A11749 Corsipalijke Landen Elucidatie aangaande de „waar op de Comp: geld heeft ge „schooten zegd, het geen men te zeggen heeft, ter voor„ „kominge van verkeerde boodschappen en mis„ „verstand Dog alvoorens, ik van de Cochimsen Koning afstappe, diende ik nog te melden van de Coesipallijse Landen, de Heerlijkheijd Maprana en de zo genaamde Agthien halve Dorpen, om dat dezelve de mees„ „te relatie tot dezen koning hebben, en dan eijndelijk ook iets weegens den ko„ „ning van Repolim De Coesipallijse Landen van Cochim, gelegen aan den Koning van de Noord zijde van 't Eijland Baijpin, zijn in 't Jaar 1762. aan d' E: Compagnie ver„ „pand voor 300'000:-. Cochimse fanums of ropias 85000: —. welke somma zijn Hoogheijd toen ter leen genomen en in Contant genoo„ „ten heeft, om te kunnen goedmaaken de oorlogs onkosten van zijn Legertje; dat hij, volgens aangegaan accoord, met den koning van Pievancoor, te dien tijd in het veld moest brengen, om geassisteerd van pevancoor, den Sammorijn uijt zijn Noord„ „se Landen te verdrijven waar van de Landen Paroe en Mangattij aan pevancoor voor dezen hulpen zouden afgestaan, en de overige landen weeder aan zijn Cochimsen Hoogheijd overgegeeven worden, zoo als ook geschied is. Dus is gem: somma aan den Cochimsen ge„. Koning geschooten op onderpand van die Landerijen, en onder Conditie, dat zijn Hoog„ „heijd die somma in 7ber: 1762. , weder zou„ „de restitueeren, of dat anders de Jnkomsten van die Landerijen bij d' E Comp: zouden werden geheeven, en dat de Comp: die landen beheeren zou; tot dat de voldoeninge dier somma volg„ „de, als wanneer meerm: landen, dan weeder zouden gerestitueerd worden. oorlogs F 750 op wat wijzen na met de Inkom„ bij welk brieven daar over geschoee„ „ven is Beschrijving van Maprana De bepaalden tijd tot de betaalinge versteeken zijnde, zo betaalde de Koning niet, uijt hoofde van zijn onvermogen, maar Conserteerde, op veele gedaane aanmaaninge, dat de Comp: de revenu„ „en daar van zoude heffen, gelijk die ook van weegens de Compagnie geheven zijn, tot dat zijn hooght verzogt, dat hij de Jnkomsten zelfs mogt laten invorderen en de Compagnie dies bedraa„ „gen wilde korten van het geen de Comp: zijn en das din anden gelandeld hoogheijd Jaarlijks uijt de thollen moet afgee„ „ven, het geen ook toegestaan is, alzo de invor„ „deringe der geregtigheeden van weegens d' E Comp: veel moeijte en ook kosten onderheevig was, gelijk dan die Jnkomsten tot nog toe Jaarlijks van zijn HoogEd Contingent uijt de Thollen ingehouden: dog bij zijn HooghEd zell geheeven worden, bedragende gem: Jonkomsten een Jaarlijksen somma van ƒ 1297:1:8. Het overige dat tot narigt dezer verpande Landen diend, is tevinden bij Bataviasche ge„ „meenen briev van den 25 7ber: 1772, en bij apparte De Heerlijkheijd Maprand, legt bezuijden de revier van Jnnemaka in het Noordelijke Land van den Koning van Co„ „chim, waar over bevoorens Landt Heer geweest is, eene Belosta Nambiaar, die toen onder den Cammorijn stond, dog als „de Cammorijn bij vreeders= fractaat van het Jaar 1717 aan d' E: Comp: afstond alle zijne Landen, gele„ „gen bezuijden, de voorschi: revier van Jnnemaka„ zo is daar onder ook geweest, deze heerlijkheijd, van welke landen de meeste vervolgens weder aan den koning van Cochim gekomen zijn, behalven de heerlijkheid van Maprana, die voor de Comp:e gebleeven is, terwijl de oude bezitter, namentlijk de Belosta Nambiaar, als een leen van dE Comp: briev na Batavia gedateerd den 25. ' Maart 1773, benevens het antwoord daar op bij apparte briev van Batavia dit heen geschreeven onder dato den 30. 7ber: 1773: briev word
English
751. The eighteen and a half villages are a strip of land from the sea up to the river, between the northern limit of the Cranganore realm and the southern limit of the Conquest Papponetti, and formerly belonged to the realm of the Zamorin, but have since come to the King of Cochin. However, how and under what conditions is not known from any papers nor from the tradition of the natives, although I have taken steps to inquire about this from the King's ministers, but they also knew nothing more than that these lands had fallen to His Highness's share after the Zamorin war, without further details, and of which he was and remained the possessor until the year 1719. When His Highness got into a dispute with the King of Cranganore over a piece of land, measuring 100 parras of sowing land, that lay within those villages, which dispute the then Commandeur Hertenberg wanted to settle and decide. But the Cochin King, finding himself perturbed by this, thereupon wrote to the Commandeur that he had acquired those lands through a long war, but that he would now let them go and renounce them, and that the Company could then give those villages to the King of Cranganore. The Commandeur took His Highness (who did not really mean this offer, but made it only out of a kind of resentment) at his word, and declared that he could not refuse this generous gift, so that those eighteen and a half villages then came to the Honorable Company, and remained so until the year 1740, when they were given back again to the King of Cochin under a proper deed of cession, which follows below for consideration. The Belosta Nambiar remained in possession of this fief and had to pay four lasts of paddy yearly. This Nambiar was very slow in fulfilling this payment, so that in the year 1758 he was fully ten years in arrears, in which year the Zamorin, invading the Conquest Papponetti, also invaded part of the Barony of Maprana. This remained so until the years 1762 and 63, when the Cochin King, supported by Travancore, drove the Zamorin out of those lands, whereby Maprana, along with the lands lying thereabouts, remained, according to the agreement between the two aforementioned princes, with the King of Cochin, who declared the Belosta Nambiar to be deprived of them. So the Company then stepped forward as feudal lord for that barony and requested the restoration of the Nambiar, to which, however, the Cochin King was not inclined, but he was willing to acknowledge the Honorable Company as feudal lord and to pay the four lasts of paddy yearly, though not the arrears of the Nambiar. This was then agreed to on the part of the Company, so that the King of Cochin has had those four lasts of paddy paid yearly at Chettua, though he now pays them at Cranganore. 752. Julius Valentijn Stein van Gollenesse, Commandeur and Supreme Ruler of the Coast of Malabar, Canara, and Vingurla, together with the Council. Since it has pleased the Most Noble Lord Governor-General Adriaan Valckenier and the Noble Lords Councillors of the Netherlands Indies to write to and order the undersigned Commandeur of this Coast, in their respected secret letter of 4 July 1740, to restore and hand over in full ownership to the Lord King of Cochin the so-called eighteen and a half villages, situated behind Papponetti in the regions of Eddawillin, Monga, and Padialipoeram, and formerly seized for the Honorable Company by Commandeur Johannes Hertenberg in the year 1719, on the good testimony of the Noble Lord Councillor Ordinary Gustaaf Willem van Imhoff regarding His Highness's goodwill toward the Honorable Company; so now, in fulfillment of the aforementioned respected command and express order of Their Most Noble Lordships, and upon His Highness's repeatedly made request, the aforesaid eighteen and a half villages with their appurtenances and dependencies are restored and handed over in full ownership to His Highness the King of Cochin, just as they were at the time the Honorable Company took them over, with renunciation of every sort of right and ownership, or pretensions, that the Honorable Company has ever had to them or might yet make to them. And in order that this may be evident at all times, we have confirmed and corroborated the aforesaid transfer by this public document and our signature. Cochin, 22 December 1740. (Was signed:) J. V. Stein van Gollenesse. And since then, the King has also administered these villages until the year 1757, when His Highness, joining with the Zamorin and other northern princes to oppose Travancore in its designs, the Zamorin thereupon came down with his forces and invaded the Conquest Papponetti. But these princes, seeing their mistake in the sequel, disagreed among themselves and did not even dare to pursue their operations, while the Zamorin had the deed of that surrender taken into possession.
Dutch transcription
751. De Agthien halve Dorpen zijn een Belosta Nambiaar heeft het „ven inde voldoening van den gereg„ „tigheijd Den koning van Cochim heeft zig Maar naderhand, aangenoomen de te voldoen zo als thans geschied en vervolgens aan de Comp: ove„ „geg Demonstratie van de 18 halven Koning van Cochim zijn ver in de possessie daar van bleef en Jaarlijks van dit leene betalen moest vier lasten Nelij Deze Nambiaar was zeer traag in deze voldoeninge vallen in deen gelad, dog is alaig geble, alzo hij A„o 1758, wel thien Jaaren ter agteren stond, in welke de Cammorijn het Conquest Papponeltij invadeerende, ook deele Heerlijkheijd Maprana invadeerde. Dit is zo gebleeven tot in A:o 1762. en 63. , wanneer de Co„ het zelife wuillen toe Eijgenen „ chimse Koning, ondersteund door Trevancoor, den Cammorijn uijt die Landen verdreef, waar door Ma„ „prana met de daaromstreeks leggende Landen, volgens over eenkomste tusschen gem: twee vorsten verbleeven is, aan de koning van Cochim die de Belosta Nambiaar verklaarde daar van ver„ „steeken te zijn. Zo dat de Comp: toen als leen Heer voor die Heer lijk„ gewoone, gezegtigheijd aan de Compijheijd op quam en herstelling van den Nambiaar ver„ „zogt, waar toe egter de Cochimsen koning niet in cli„ „neerden, maar wel om d'E: Comp: als leen zeer te erkennen, en Jaarlijks de vier lasten Nalij te betalen dog niet den agterstallen van den Nambiaar, waar in dan van den zijde van de Compagnie geconsenteerd is, zo dat den Koning van Cochim Jaarlijks die vier Lasten Nelij te Chettua heeft laaten voldoen, dog nu te Cran„ „ganoor voldoet. —. dorpen en hoe deszelven aan den strook Lands van de zee tot aan de revier, tussen de noordelijke limiet van 't Cranganoorse Rijk en de zuijder limiet van 't Conquest Laponettij, en, heb„ „ben bevoorens tot het sammorijnse rijk behoord, maar zijn 't zeedert aan den koning van Cochim gekomen, dog hoedanig en op welke Condities, is bij geene papie„ „ren nog bij overleeveringe van den inlander bekend, schoon ik wel gebragt hebben om zulks uijt 's ko„ „nings Ministers te verneemen, dog zij wisten ook niets meer, als dat die landen na den sammorijn„ „sen oorlog sijn Hoogh„t ten deele gevallen waaren„ zonder meer, en waar van hij ook bezitten geweest en gebleeven is, tot anno 1719: Wanneer zijn Hoogh„t verschil kroeg met den Cran„ „ganoorsen Koning over een stuk gronds, groot 100: parras zaaijens, dat in die dorpen lag, welk verschil de toenmaalige Commandeur Hertenberg heeft wil„ „len afdoen en decideeren Dog de Cochimen zig daar over gestoord vindende, schreef daar op aan den Commandeur, dat hij die landen door een langjaarigen oorlog had verkreegen, dog dat hij dezelve nu zou laten vaaren en daar van af„ „stand doen, en dat de Comp: dan die dorpen, aan den Cranganoorsen koning konde geven. De Commandeur vatte zijn hoogh„t /:die deeze aan„ „biedinge niet regt meende en maar uijt een zoort van gemelijkheijd deed:) bij het woord, en betuijgde, - 752 alen Cochijmsen koning weeder zijn afgegeven en des Comp: van den Cammorijn weeder hebben in bezit ge wanneer de Koning Cam„ betuijgde die Genereuse gifte niet te kunnen wijge„ „ren, zo dat die 18. halve dorpen, toen aan de hoe deselve naderland aan E: Comp: quamen, en gebleeven zijn, tot in 't Jaar 1740. , als wanneer men deselve weeder aan den Cochim„ „sen koning te rug gegeeven heeft, onder een be„ „hoorlijke acte van Cessie, die tot speculatie hier onder volgt Iulius Valenthijn Stein van Collo„ „nesse, Commandeur en oppergebieden der Cus„ „te mallabaar, Canara en Wingurla, Neevens den Raad Aangezien het den Hoog Edelen Heere Jou„ „verneur Generaal Adriaan Valkenier, en de Edele Heeren Raaden van Nederlands Jndia, behaagt heeft den ondergeteekende Commandeur te deeser Custe, bij derzelver ge-eerde secreete briev van den 4. Julij 1740, aanteschrijven en te beveelen, om de zo genaamde Agthien halve dorpen, gelegen „ga en Padialipoeram, en wel eer door den Commandeur Johannes Hertenberg in den Jaare 1719 voor d' E: Comp: aangeslaagen, aan zijn H„r den Koning van Cochim wederom te restitu„ „eeren, en in vollen eijgendom overtegeeven, op de goede getuigenis van den Edelen Heer Raad ondi„ „nairis Gustaaf Willem van Jmhoff, weegens agter Laponettij in de Landstreeken Eddawillin, „ monj„ „ dievan de ssochimen beheert tot het Jaar 1757, wanneer zijn hoogh„ts met zijn hoogh„ds welmeenentheijd voor d'E Comp:, zo worden tans, in voldoening van voorm: Haar Hoog Edelheedens g'eerde bevel en uijtdrukkelij„ „ken last op zijn hoogh„ts meermaals gedaan ver„ „soek, de voorschr: Agthien halve dorpen met haar ap- en dependenten aan zijn hoogh=d den Koning van Cochim gerestitueerd en in vollen eijgendom overgegeven, zodanig als deselve geweest zijn ten tijde dE: Comp: deselve heeft overgenoomen, onder renunciatie van alle zoort van regt en eij„ „gendom, of pretenties, die dE Comp: daar op ooijt gehad heeft, of nog daar op zoude konnen maa„ zougde En op dat het zelve ten allen tijde blijken, hebben wij de voorschr: overgifte bij dit public„ „que geschrift en onze handteekeninge nader willen bevestigen en Corroboreeren; Cochim den 22. December 1740 /:was getee„ „send:/ I: V: Stein van Gollonesse En 't zedert heeft de koning deze dorpen ook den Cammorijn en Andere noordse vorsten Conjun„ „geerende, om Trevancoon in zijne desseijnen tegen te gaan, de Cammorijn daar op met zijne magt afquam, en het Conquest Paponettij invadeerde. Dog deze vorsten in 't vervolg kunnen mis„ „stap ziende, wierden oneens, en durfden zelfs hun„ „ne operatiel, niet vervolgen, terwijl de sammo„ „ken zijn „rijn acte van dien overgaaven „nomen 215
English
Cochin to be allowed to have those villages back. Their High Mightinesses' reluctance to give them back. Resolution regarding the surrender. Were however at the request of 1769 returned to the same. Zamorin desired compensation from the Cochin ruler for expenses incurred, having arrived upon his summons, and when this did not follow, he attacked the lands of Cochin, and also the 18 half villages fell into the hands of the Zamorin. Yet the Zamorin, making peace with the Honorable Company in the year 1758, restored the Conquest and also ceded to the Company the aforementioned 18 half villages, remaining further in possession of the other Cochin lands. After the King of Cochin was once again in possession of his northern lands, he formed his claim on the 18 half villages, and that ever more earnestly, which was then also communicated in like manner to Batavia, whereupon by secret letter of 25 October 1763 it was replied in writing that they would gladly see that the king could be persuaded to desist from that claim; yet His Highness not having been moved from it, and having pressed his claim even more strongly, it was further written by secret letter of 17 September 1765 that one should, as much as was ever practicable, plead lack of authorization or any other pretext, or else urge the acceptance of another piece, but that in case His Highness showed intent to proceed to acts of hostility on that account, and one saw no chance of opposing them, only then to proceed to the surrender. The Company, however, remained master of these villages until the year 1769, when they were first relinquished and surrendered back to His Highness upon further request of the King of Cochin, as appears from the Malabar Resolution of 18 February 1769, of which I append below the wording that pertains to that matter: Lastly, the Governor announced to the meeting that His Honor, the Governor Censs, and the Commander, Breekpot, had deemed it well, upon the repeated and urgent instances of the King of Cochin, according to the authorization of Their High Mightinesses, to cede and give back again to that ruler the 18 half villages situated by the Conquest of Paponetty, and that as soon as the Paliath Achan returns, commissioners will be appointed to hand the same over properly to His Highness or his envoys, with the fixing of certain and known boundaries to prevent the disputes that might otherwise arise from this in the future. These villages, although indeed the whole region of the Company to the north from Chettua to Cranganore has been invaded by the Nabob Hyder Ali Khan, have nevertheless been left in peace, and the revenues from the same are until now enjoyed undisturbed by the King of Cochin, because this ruler pays the Nabob his imposed contribution in due time. This strip of land is named in the Company's papers in two ways, namely the eighteen half villages and 18½ villages; according to the first expressions it should be nine whole villages, and according to the latter, 18 whole and one half, but the proper designation is eighteen half villages, because the said lands consist of 18 pieces of ground, each of which forms a kind of small village, and why each, instead of a small village, is properly called a half village. I have described these 18 half villages somewhat in detail on account of the remark that was made about the latest surrender of those villages in the General Fatherland letter of 2 October 1771, from which one must deduce that our Lords and Masters have not been informed clearly enough by this administration on what foundation that surrender was made, and how it otherwise stands in its entire connection with those villages; and although we indeed no longer possess the same, I have nevertheless deemed it not useless to mention the aforementioned here, in case it might perhaps still come in useful at some time with the change of times. Repolim, or also named Edapally, is a small kingdom about two miles long and wide, situated next to Anjicaimal on the opposite side of the river in the country of the King of Cochin, being divided into three districts, named Repolim, Beroendde, and Illamacarre, consisting of gardens and lands. On the other hand, this ruler has many pieces of ground in the kingdoms of Travancore, Cochin, the Zamorin, and Collastry, and thus scattered over the whole of Malabar, as follows: In the eastern lands of Travancore at Manjamel, Palottil, Nhalottil, Chakanatto, Coenattonatto, Basalacotta, Cottakaire, and Oypenom, where, on behalf of Repolim, palaces and houses are also built. In the southern lands of Travancore at Zemaloer, where there are also, on behalf of Repolim, palaces and houses; item at Pattanacotta, where a pagoda is founded on behalf of Repolim; likewise Cheremagalam, Oesua, Carcarapallij, Balamboer, Carraporam, and Trieonapase, at which last Repolim has a very large piece of land, almost as large as Repolim itself.
Dutch transcription
85 753 „chimsen om die dorpen weder te mogen hebben haar hoog Edelheeden ongenegentheijd om die terug te gekom Resolutie paar bijven overgave word zijn egter op aanzoek van 1769 aan denselven weder geresitueerd „rijn van den Cochimder vergoeding van ge„ „daane kosten begeerden, als op zijn ontbod afge„ „koomen zijnde, en die niet volgende, de Landen van Cochim aantaste en ook de 18. halve dorpen in handen van den sammorijn. Dog de Sammorijn A„o 1758, de vreede met de E: Comp: maakende, restitueerde het Conquest, en stond ook aan de Comp: af, de voorschr: 18. halven dor„ „pen, blijvende voorts in possessie van de overige Cochimse Landen. Na dat nu den Koning van Cochim weder in Nader verzoek van den Co„ het bezit van zijne noordse landen was, zo for„ „meerde hij zijne pretentie op de 18. halve dorpen„ en dat hoe langen hoe ernstiger, het geen dan ook indiervoegen na Batavia bedeelt is, waar op bij secreeten missive van den 25 8ber: 1763. ge„ „rescribeerd wierd, dat men gaarne zoude, zien, dat de koning gedisponeert konde werden, om van die pratentie aftezien; dog zijn hoogheijd daar van niet te verzetten geweest zijnde, en zijne pretentie nog al sterken aangedrongen heb„ „benden, zo is bij secreete briev van den 17. ' 7ber: 1765. nader aangeschreeven, dat men, zo veel immers doenlijk was, non qualificatie, of eenig ander voorgeeven, zoude pretexteeren, dan wel, op de acceptatie van een ander stiek urgeeren, dog dat bij aldien zijn hoogh„t mine maakte, om in bezit nam, dus waaren deze dorpen weder aen Coehimsen koning in 4=en deze dorpen gebleeven, als wanneer dezelven derwegens tot feijtelijkheeden overtegaan, en men geen kans zag die te kunnen tegen gaan, dan eerst tot de overgave te treeden. De Comp: is egter tot anno 1769 meester van eerst op nader aanzoek van den koning van Co„ „chim weeder aan zijn hoogh„t afgestaan en over„ „gegeven zijn, blijkens Mallabaarse Resolutie van den 18 februarij 1769 waar van ik de bewoor„ „dinge, die tot die materie dienende, hier onder laate volgens Laastelijk maakte de heer Gouverneur nog aan de vergadering bekent— dat zijn Edele /:de Gouverneur Censs:/ en den Heer Commandeur /: Breekpot:/ goedgevonden hadden op de herhaal„ „de en pressante instanties van den Koning van Cochim, volgens qualificatie van Haar Hoog Edelheedens, aan dien vorst wederom afte„ „staan en te rug tegeven, de 18 halve dorpen aan 't Conquest Laponettij geleegen, en dat zo dra de Paljetten wederom te rug komt, gecommitteer„ „dens, zullen werden benoemt, om dezelve aan zijn Hoogh„dt of desselfs zendelingen, behoorlijk op„ „tedraagen onder het vast stellen van zekeren en bekende limieten, tot voorkoming van de verschillen, die daar uijt anders en 't toekomen„ „den zoude kunnen ontstaan. Deeze Dorpen, schoon wel de geheele landstreek derwegens van 754. „den van de Comp om de noord „chimer die doopen nog uitlegging van de regte naam van getn: dooper. Reedenen waar een Zonuimg op welke plaatsen dezelven De vorst van Repolim heeft van andere koningen Repolin son haijde Mijde aen van Chettua tot Cranganoor, door den Nabab Gd heeft genomen, dezit den Co„Maider Alijchan ge-invadeert is, zijn egter met vreede gelaaten, en de revenuen van dezelve worden door den koning van Cochim tot nog toe on„ „gestoord genooten, om de wille dat deze vorst den Nabab op zijn tijd de hem opgelegde Contribu„ „tie betaald. Deese strook Lands word bij 'sComp„s papieren, op twederlij wijze genoemt, namentlijk de ag„ „thien halve dorpen en 18½ dorpen; volgens de eer„ „ste uijtdrukkingen zouden het neegen heele dor„ „pen moeten zijn, en volgens de laatste, 18. heele halve dorpen, om dat gem: Landerijen bestaan uijt 18. stukjes pond, waar van ider een zoort van dorpje uijtmaakt, en waarom ijder, in steede van dorpje, eijgentlijk een halv dorp genoemd word Jk hebben deze 18 halve dorpen wat omstan„ aanlaling daarvn is gdaan „ dig beschreeven, uijt hoofde van de remarque die over de laatste afgave dier dorpen gemaakt is, bij Generaale Patriase briev van den 2„de Octo„ „ber 1771, waar uijt men moet aflijden, dat onse heeren en Meesteren door dit ministerie niet duij„ „delijk genoeg onderregt zijn, op welk fundament die afgave gedaan is, en hoe het verder in zijn ge„ „heele Connexie met die dorpen gelegen is, en schoon we deselve wel nu niet meer bezitten, zo hebben Repolim, of ook wel genaamd Ellen„ „galoer, is een klijn Rijkje omtrend twee mijlen lang en breed, leggende naast Angecaijmaal aan de overkant van de revier in het land van den Koning van Cochim, zijnde verdeeld in drie land„ „scheeppen, genaamt Repolim, Beroendde en Jllamacarre, bestaande in Thuijnen en Landerijen Daar en teegen heeft deze vorst veele stukken den sammorijn en Collastrij, en dus over de geheelen mallabaar versprijd, als volgd Jn de oosterse landen van Jrevancoor op Manja„ „mel, Palottil, Nhalottil, Chakanatto, Coenatto„ „natto, Basalacotta, Cottakaire en oijpenom, al„ „waar, van weegens Repolim, ook Paleijzen en huijsen gebouwd zijn. Jn de zuijdelijke Landen van Jrevancoor, op Ze„ „maloer, alwaar ook, wegens Repolim, Laleijzen en huijsen zijn, item op Pattanacotta, alwaar een pagood van weegens Repolim gestigt is, zo mee„ „de Cheremagalam, Oesua, Carcarapallij, Balam„ „boer, Carraporam en Trieonapase, op welk laat„ „ste Repolim een zeer groot stuk lands heeft, omtrend bij na zo groot als Repolim op zig en een halve, dog de regte benaminge is agthien veele stuckken goonds in de reijken gronds in de koningrijken van pevancoor, Cochim„ egter niet ondienstig geoordeelt het voorschr: hier aantehaalen, of het ook zomtijds bij veranderinge van tijden nog eens tepas mogt komen egter zelfs B e
English
In the year 1740 the Company concluded a contract with this petty king. He is a spiritual king. Itself, built upon with various palaces and houses, as also at Nallanikel, Chepatto, Chenitallo, Pandalom, Toembonom, Bittiekaurom, Caddekatto, Malleapose, Caloeparra, Erowgra, Ballancolom, Cacengaporam, Benikolottam, Balangare, NektoenCarre, Maddetoembagom, CaloerCarre, Benattaren; In Poocase at MoettitaMel; In Jekkencoerse at Wassapalij, Perinellon; In the Kingdom of Cochim at Calloer, Pallariwattam, Bennele, Paddiwattam, Poenoeroenij, Chalicodda, Cherameloer and Ninddacaire; In the Sammorijnse at BallonattoCare and Oerewenoer, which last two have now fallen under the power of the Nabab; In the Collastrijse, it is said, he also had a piece of land here and there, with which the case is the same as with his lands in the Sammorijnse, as the Collastrijse has also long since been brought under the dominion of the Nabab. From all these lands, except those which are now in the power of the Nabab, the king of Repolim still draws certain dues, while the inhabitants of those districts are indeed regarded in that capacity as subjects of Repolim, but nevertheless stand under the authority of those rulers in whose realms those pieces of land lie. The Company in the year 1740 for the first time concluded a contract with this king. By this contract dated 13 October 1740, that ruler promised: 1. The delivery of all the pepper produced in his realm. 2. To prevent smuggling therein, and upon interception to confiscate it for the benefit of himself, the ruler, and the Company. 3. To have deserters apprehended and surrendered. 4. The Company promised to protect the realm, provided the ruler wrongs or wages war on no one without prior knowledge of the Company. This king is a spiritual ruler, being of the oldest and first caste of the Brahmins, and for both reasons, though also solely for that reason, held in high esteem by all the heathen kings and rulers of this country. His way of life is very superstitious, and quite secluded. His duties consist solely of spiritual ceremonies. Among other things, he is obliged every day before sunrise to bathe in his tank, or washing pool, to perform his ceremonies and prayers therein, and to remain there until the sun has reached its zenith, whereupon he proceeds to his apartments, sorts flowers, and decorates the idols of his temple with them. There are also always two pattarees, that is to say holy church or temple servants, standing beside the king when he performs his duties, who watch over everything so that the ceremonies are performed by him precisely on time. Various other superstitions and foolish practices take place with this ruler, which one, upon hearing them, would hardly be able to believe. His devotion and the good opinion that the native rulers have of the effect of his prayers goes so far that this is the reason why he has obtained and retained some pieces of land everywhere in the four principal realms that make up Malabar, namely so that he would pray all the more zealously for those rulers, and their realms would be blessed for the sake of his lands lying therein; except for the few lands he had in the Sammorijnse and Collastrijse, as the Nabab, being a Mohammedan, cares little for the etiquette of Heathendom. Thus the king of Trevancoor in the last war, when he conquered the Cochin lands thereabouts, left the petty realm of Repolim unmolested, but reserved solely to himself that the pepper produced in Repolim must be delivered to Trevancoor, which in reality amounts to very little, so that it is somewhat surprising that in the year 1740 one could have considered it worthwhile to conclude a pepper contract with that ruler, the more so as it nowhere appears that a single grain was ever delivered on the aforementioned contract, nor did he surrender any deserters. This ruler grants audience to no one; but in case necessity requires that someone absolutely must speak with him, one should observe him at noon when he returns from the bath to his palace, and then one must engage the courtiers beforehand, without whose favor one cannot take advantage of that fleeting moment. The kings of Repolim, upon ascending the throne, must then take a legitimate wife by way of marriage, although their brothers and sisters may not marry, but must live according to the improper institution and luxurious manner of the heathen rulers in this country, so that the kings of Repolim must be born of legitimate marriages, which is something rare among heathen rulers, as otherwise the sons born of the unmarried and wanton sisters of the rulers are always the natural successors to the throne.
Dutch transcription
755 verg In A:o 1740 heeft ge Comp: „ning geslooten hij is een geestelijk koning van die die onder den Nabab „tigheijd zelfs, met verscheijde Pallijzen en Huijsen bebouwd, „dalom; Toembonom, Bittiekaurom, Caddekatto, malleapose, Caloeparra, Erowgra, Ballancolom, Cacengaporam, Benikolottam, Balangare, Nek„ „toenCarre, Maddetoembagom, CaloerCarre, Benat„ taren Jn 't Poocase op MoettitaMel Jn 't Jekkencoerse op wassapalij, Perinellon Jn te Rijk van Cochim op Calloer Pallariwat„ „tam, Bennele, Paddiwattam Poenoeroenij, Cha„ „licodda, Cherameloer en Ninddacaire Jn 't Sammorijnse op BallonattoCare en oere„ „wenoer, welke twee laatste tans onder de magt van den Nabab vervallen zijn Jn het Collastrijse, zegt men, heeft hij ook hier en daar een stuk ponds gehad, waar meede het gelegen is, als met zijne gronden in het sammo„ „rijnse, alzo het Collastrijse ook reeds lange onder de weerschappije van den Nabab gebragt is. Van alle deze Landen, behalven die tans in de zijn, trekt hij nog de gereg„ magt van den Nabab zijn, trekt de koning van Repolim zekere geregtigheijd, terwijl de inwoon„ „ders van die districten in die hoedanigheijd wel aangemerkt worden als onderdaanen van repo„ „lim, dog egter onder 't gezag, van die vorsten staan, in welker Rijken die stukken lands leg„ zo meede op Nallanikel Chepatto, Chenitallo, Pan,„ een Contract met deesen 10 „ een Contract met dit koningje geslooten „gen. De Comp: heeft in 't Jaar 1740. voor de eerstemael Bij dit Contract gedateerd 13„en October 1740 beloof„ „de die vorst 1:/ De Leverantie van al de peper die in zijn rijk valt 2:/ De sluijkerij daar in te beletten, en bij agter„ „haaling te Confisqueeren ten voordeele van hem vorst en de Compagnie 3:/ de Dezerteurs te laten opvatten en overleeveren 4:/ de Comp: beloofde het rijk te zullen beschermen, mits de vorst niemand verongelijke of be-oor„ „loge buijten voor kennissie van dE Comp: Deze koning is een geestelijk vorst, zijnde daarom, bij alle heijdens van het oudste en eerste geslagt der Brami„ „neezen, en om bijde redenen, dog ook alleen maar daarom, bij alle de Hijdense Koningen en vorsten dezes lands in hooge agting; zijn leven wijze is zeer supertitieus, en genoegzaam afgezondert; alleen zijne verrigtingen bestaan maar in geestelijke plegtigheeden; Hij is onder andere verpligt alle dagen voor zons opgang, zig in zijn tang, of was- bad te baaden, daar in zijne Ceremonien en gebeeden te doen, en te blijven, tot dat de zon op het hoogste geweest is, als wanneer hij zig na desselfs appartement vervoegd, bloemen zorteerd en d' afgoden van zijn Jimpel daar meede ver„ „cierd, ook staan er altoos twee pattareezen, zo Koning Deer g'agt is zeer devoot 756 gt Dit is de reeden dat hij over al landen, heeft die hem geschonken zijn en dat de andere koningen zyn lijk verschoonen De Koning van Repolim trouwt gerder de heijdenen Moeite om met die vorst te sprieken zo veel als hijlige kerk- of Tempal bediendens, naast den Koning, wanneer hij zijne pligtig„ „heeden verrigt, die op alles letten, ten eijnde de plegtigheeden precies op haar tijd door hem ver„ „rigt worden. Verschijde andere superstitien en zottigheeden hebben bij deezen vorst plaats, die men, als men ze hoord, bij na niet zoude kunnen gelooven zijne devotie en goed gevoelen, dat de inland„ „se vorsten van het effect zijner gebeeden heb„ „ben, gaat zo verre, dat dit de reeden is, waar„ „om hij in de vier hoofd rijken die de malla„ „baar uijtmaken, over al eenigen stukken Lands erlangd en behouden heeft, namentlijk, om dat hij des te ijveriger voor die vorsten zoude bidden, en hunne Rijken, om de wille van zijne daar in leggende ponden, zouden gezegend zijn; except de wijnige Landen, die hij in het sammorijnse en Collashrijse gehad heeft, alzo de Nabab een Mahometaan zijnde, zig wijnig aan de eticettes van het Heijdendom stoort„ Dus heeft de koning van Trevancoor in den laatsten oorlog, toen hij de Cochimse Landen daar omstreeks Conquesteerde, het rijkje van Repolim ongemoeijt gelaten, dog eenelijk aan zig behouden, dat de peper die in het Repolimse valt, aan Jrevancoor geleverd moet worden, het welk wekend maar zeer weijnig bedraagt, zo dat het eenigzinds te verwonderen is, dat men Anno 1740 heeft kunnen de moeijte waardig agten, om met dien vorst een peper Contract te sluijten, temeer, het nergens blijkt, dat ooit een korl op gemelde Contract geleverd is„ en hij ook geen dezerteurs uijtgeleverd heeft. Deese vorst verleend aan niemand audientie„ dog ingevalle de noodzakelijkheijd vereijscht, dat iemand hem absolut spreeken moet, dan diend men hem waarteneemen, des middags wan„ „neer hij van het bad na zijn Pallijs neert, en dan moet men de hofs-pooten daar toe voor af in den arm neemen, zonder welker gunst, men van dat voor bijgaande ogenblik niet kan profiteeren De Koningen van Repolim in de Regeerin¬ is de eenigste die een vrouw „ ge optreedende, moeten als dan een wettige vrouw bij weege van Huwelijk neemen, schoon hunne Broeders en zusters niet mogen trou„ „wen, maar leeven moeten, na de ombetame„ „lijke instellinge en wellustige manier van de hijdense vorsten hier te landen, zo dat de konin„ „gen van repolim, uijt egte huwelijken moe„ „ten zijn, het geen iets zeldszaamds is, bij hij„ „dense vorsten, alzoo anders de zoons, gebooren uijt de ongetrouwde en weelderige zusters der vorsten, altoos de natuurlijke troon= opvolgers zijn. zo De e
English
757 49 The realm is administered by ministers and is a place of refuge for all evildoers, but the fugitive slave was retrieved, and a Canarese was also fetched from there. The affairs concerning his little realm are conducted by his ministers, who report on their activities to the prince on certain days in the week fixed for that purpose. Thus one can easily understand that the governance of the realm depends mostly on the court grandees who, in that vicinity, outdo one another and pursue their own interests according to the degree of credit they enjoy with the prince and know how to maintain. The Company also has little of importance to do with this petty king. However, it serves for our information that his little realm is a place of refuge, like a free city, where people who fear prosecution or punishment take shelter and are safe, especially when they can reach a temple, or pagoda, there, this being a prerogative that is acknowledged and respected by all Malabar princes. However, we have not been able to learn on what right or foundation this prerogative rests, unless it may have become peculiar to this little realm because the king is a spiritual and very devout prince, from the most prominent priestly lineage among the natives, as he is therefore sometimes titled with a word that is said to mean as much as a priestly king, who through his royal dignity makes refuge at the altars safe. However, I once had a Canarese fetched out of Repolim who had severely mistreated a Christian and had retired there, partly because the mistreatment was too great and too blatant, and partly to show that we are not precisely bound to respect this assumed prerogative. Yet the less such must happen, the better it is, because it would offend all the native princes if one does such too often. However, I have never been willing to tolerate that the native Christians, fleeing to that little realm on account of crimes, had their safety there, partly because the land would then quickly become full of murderers and thieves, in view of the large number of Christians hereabouts, among whom and by whom, besides continuous murders, thefts are committed almost daily, and partly because, in my opinion, it is improper for Roman Christians to take their refuge in pagan idols and temples. For when such a case occurred to me, I merely demanded them back calmly, with a warning that, being Christians, they could have no hiding place there, whereupon I generally received them back. 758 95 A letter written to the King shows how one should conduct oneself toward him. Description of the mighty realm of the Zamorin. Request of the Zamorin to the Dutch Admiral to besiege Cochim. The Moors contributed greatly to the ruin of this realm. With the arrival of the Portuguese this realm fell into decline. And if one does it just for a single time out of necessity, then one must give the strictest orders and take good care that one does not approach the temples, and even less enter into them to fetch the fugitive out from there, and thus not seize him unless he is outside the bounds of the pagoda. A certain letter, which I among others wrote to this king on 2 January 1774, indicates clearly enough how one must conduct oneself in this regard, and to which I refer in this matter; it is to be found in the bundle of outgoing letters to the native princes. The third realm of Malabar is that of the Zamorin, which from ancient times has been the mightiest and most powerful of the four Malabar realms, and on account of which the Zamorin formerly had the title of Emperor attributed to himself. The mightiest on account of its numerous and brave Nayars, as it is known that the Zamorin Nayars have always been the boldest and most resolute among all the Malabar Nayars. To this was also added the extent of the realm, as its boundaries then extended in the north up to the realm of Collastrij, and in the south up to that river of Cranganore, and in the east running out against the mountains and the realms of Palcatcherij and Maisoer; and thus it was incomparably larger and more extensive than the then realm of Trevancore. And I say the richest, on account of the extensive trade that was carried on there from the Red Sea, Persia, and Suratta with the Zamorin Moors, and very especially at that ancient and famous free trading place Calicout, just as the Portuguese, on arriving at Malabar, first sought out and called at this trading place. Yet as soon as the Portuguese had made themselves master of the navigation and trade in these regions, the commerce at Calicout diminished and fell into decline, as the Zamorin, at the conclusion of the contract under date 18 October 1608 with Admiral Pieter Willem Verhoeven, made known not indistinctly when he urged that sea commander to besiege the city of Cochim, then still in the hands of the Portuguese. Besides this, this realm has also diminished in power and wealth, and was finally brought to that state in which it currently finds itself, principally through its Moorish subjects and the bad form of government, as the Moors there.
Dutch transcription
757 49 De Rijsk voord basteerd door ministers En is een wijk plaats voor alle kwaad doender dog den derwaards vlugtende „elama weeder erlangd En een Cannarijn is ok daar De zaken betreffende zijn Rijkje worden door desselfs Ministers verrigt, die van hunne verrigtingen aan den vorst kennisse geven, op zekere dagen in de week daar toe vast ge„ „steld, en dies kan men ligt begrijpen, dat de directie van 't Rijk meest afhangd van de hofs-grooten die daar- omtrend, na maate„ ze bij den vorst in Credit zijn, en zig weeten staande tehouden, elkander de loef af-steeken en hun eijge belang bedoelen. De Compagnie heeft ook met dit koningje weijnig van belang te doen, egter diend tot ons narigt, dat zijn rijkje een vlugt-plaats is, even als een vrij-stad, alwaar lieden, die be„ „dugt zijn voor vervolginge of straffe de wijk neemen en vijlig zijn, inzonderheijd, wanneer„ „ze daar een Jempel, of Pagood, kunnen bereij„ „ken, als zijnde een prerogatief, dat bij alle mallabaarse vorsten erkent en gerespecteerd word; egter hebben niet kunnen te weeten krijgen, op welk regt of fundament, dit prerogatiev steund, ten waare het zelve aan dit rijkje mogt eijgen ge„ „worden zijn, om dat de koning een geestelijk en zeer de voot vorst is, van het aller- aanzien„ „lijkst priesterlijk geslagt onder den inlander gelijk hij daarom zomtijds wel getituleerd word, met een woord, dat zo veel zoude beteekenen, als een priesterlijke koning, die door zijn koning Egter hebbe ik eens een Cannarijn uijt Repolim laten haalen die een Christen deer„ „lijk mishandelt; en zig daar geretireerd had, deels om dat de mishandelinge al te groot en te eclatant was, en anderdeels om te toonen, dat wij Juijst niet gehouden zijn, dit aange„ „maatigt prerogatiev, te respecteeren, dog hoe minder zulks moet geschieden, hoe beter het is, om dat het alle de Jnlandse vorsten ont„ „lijke waardigheijd den toevlugt tot de altaaren vijlig maakt Egter hebbe nimmer willen gedoogen, dat de Christenen heeft mgt bij ren „ nlandse Christenen, om de wille van misdaden, na dat Rijkje vlugtende, daar hunne vijligheijd hadden, deels om dat het land dan schielijk vol zoude worden van moordenaars en dieven, uijt hoofde van het groot getal der Christenen hier omstreeks, waar onder, en door welke, buijten der geduurig moorden en genoegzaam dagelijks die„ „verijen gepleegd worden, en ander -deels, om dat het meijns bedunkens oneijgen is, dat Roomse Christenen, hun toevlugt tot sijdense afgoden en Jempel neemen, want als mij zo een ge„ „val voorquaam, eijschte ik de zelve maar tran„ „quil terug, onder waarschouwinge, datze Chris„ „tenen zijnde, daar geen schuijlplaats konden hebben, waar op ik dezelve doorgaans terug erlangde. „lijke „stigten E uit gehaald gl. 758 95 Een brieff aan den Koningg „schr: loont aan, hoe men Beschriving van het Mag„ „tige sammorijnse Rijk/ verzoek van den Cammorijn om Cochim te belegeren De Mooren hebben groote„ „lijke tot ruinen van dit rijk „tugeezen taakte dit rijk aan het queijnen „stigten zoude als men zulks te veel doed, en als men het al eens voor eene enkelde keer, uijt hoofde van noodzaakelijkheijd doed, dan moet men de sterkste order geven, en wel zorgen, dat men de Tempels niet nadere, en nog minder in dezel„ „ve treede, om den gevlugten daar uijt tehaalen, en dus niet op tevatten, ten zij hij buijten het bestek van de pagood is: zekere briev, die zig omtrend hem gedragen moet: 1k onder andere den 2. Januarij 1774:, aan dee„ „zen koning geschreeven hebben, geeft ligt ge„ „noeg, hoe men zig daaromtrend te gedraagen heeft, en waar aan mij ten deezen refereeren; ze is te vinden in de bondel afgaande brieven aan de Jnlandse vorsten. Het Derde Rijk van de Mallabaar is dat Met de komste der por„ van den Sammorijn, het geen van ouds her het magtigste en vermogenste, van de vier Malla„ „baarse Rijken is geweest, en waarom de sam„ „morijn zig wel eer de naam van Reijser heeft laten aanleunen magtigste weegens desselfs talrij„ A het ^ alzo het bekend is, dat de Sammorijnsche Najoos „ke en Dappere Nairos ^ altoos de stoudste en ge„ „rezolveerdste onder alle de Mallabaarse Nai„ „ros geweest zijn, waar bij ook quam, de uijtge„ „strektheijd van het rijk, alzo desselfs grenspa„ „len zig toen uijtstoekten om de Nootd tot aan het rijk van Collastrij en ten zuijden tot aan 5 dat Rivier van krangenoor en ten Oosten den uijtloops tegen de gebergtens en de rijken van Palcatcherij en Maisoer; en dus ongelijk grooter en uijtgestrekten, als het toenmaalig Rijk van Trevancoor En zegge het Rijkste, weegens den uijtge„ „strekten Handel, die aldaar uijt de roode zee, Persien en suratta met de Cammorijnse Mooren gedreeven wierd, en wel inzonderheijd op die al oude en berugten vrije Handelplaats Calicout, gelijk dan ook de Portugeezen op de Mallabaar komende, het eerste deese handel plaats opgezogt en aangedaan hebben. Dog zo dra de Portugeezen zig van de vaart en den handel in dese gewesten hadden mees„ „ter gemaakt, verminderde de koop handel te Calicout en raakte aan het quijnen, gelijk de Sammorijn bij het sluijten van het Contract onder dato 18. October 1608. met den Admiraal Pieter Willem Verhoeven, niet onduijdelijk te aan de holhandsehen Aompral kennen gaf, wanneer hij bij dien zeevoogd aan„ „drong, om de stad Cochim, als toen nog in han„ „den van de Portugeezen, te belegeren. Buijten des, zo is dit Rijk ook in magt en Rijkdom vermindert, en eijndelijk tot dien staat gebragt, waar in het zig thans bevind, voor„ „namentlijk door zijne moorse onderdaanen, en de slegte Regeerings-vorm, alzo de mooren het e daar 1 gestrekt E
English
The Company has had many difficulties with that monarch, and dominating this realm has generally called the shots there, and they always knew how to create divisions at court, to such an extent that they often held the major faction, so that this realm frequently had to struggle against its own subjects, and thus had its enemies, as the saying goes, within its own bosom; while the monarchs, for their part, were also generally too weak and did not maintain their authority sufficiently, but tolerated so much that virtually all courtiers interfered in the affairs of the realm, indeed even the women had a say in governance matters, especially the mothers of the crown princes. The Company has also generally had many difficulties with the Zamorin monarchs, indeed has had to wage costly wars time and again, and found that they were the most faithless among the Malabar monarchs, besides the fact that they even now and then connived unpleasantly with the English, French, and Portuguese. Which aforesaid difficulties, however, mostly arose on account of the Cochin realm, since those two realms always harbored an irreconcilable hatred against each other, and we had to meddle in this, more or less, in favor of the king of Cochin, because of the known state interest that the Company had in the preservation of the Cochin realm. These difficulties took their beginning principally since the year 1707, when the Company wished to build the fort Chettua against the will of the Zamorin, the substance of which is set down in the secret resolution of 5 March 1777, and from which it appears that the fort Chettua and the conquest of Paponetty have always been disputed with us. Furthermore, this realm had to undergo a complete revolution in the year 1766 by the Nawab Hyder Ali Khan, which possibly would not have gone so far had the matter been handled better at court. For when the Nawab sent envoys to the Zamorin to demand tribute, he sent them back with the utmost contempt, whereas he, knowing that everything at that time had to bow before the Nawab, ought to have answered the envoys with discretion, and managed to bring things so far that he could have negotiated over the tribute, and bargained it down as much as possible. The Nawab, embittered by this, thereupon occupied his entire realm and arrested the king without wishing to see him, who finally even became the victim of all those calamities, because, fearing that he might at some point be put to death by the Nawab and his body would not be cremated according to the manner of the heathens, he managed to set fire to the room in which he was imprisoned on four sides, and burned himself alive in this manner, without there being an opportunity to extinguish the fire. The Zamorin Nairs, along with the Nairs of other small dispossessed princes, meanwhile continually gave the Nawab's troops trouble, with which some time still passed, until finally the Marathas advanced upon the Nawab with their greatest force, as a result of which the Nawab had to move his forces northward, and restored the crown prince to the realm, provided he pay a certain annual tribute to him. However, having thus been restored, the Zamorin did not think of paying his tribute, just as if he believed that the Nawab would not escape the dance with the Marathas, whereas in the year 1773, after having first reached an agreement with the Marathas, the Nawab marched upon him again, mastered his realm, and holds it in possession to this day. I had to wonder at the indifference of the Zamorin during the most recent or last incursions of the Nawab. He heard that the Nawab was occupying his neighboring realms, Kottayam, Kadathanad, and the further lands thereabouts, one after the other, and that his turn was next; and yet, instead of thinking about the preservation of his realm, he continued to occupy himself with trifles. Not a month before he had to take flight, I received letter after letter from him solely concerning the secret appointment of a Nambudiri, or priest, in the pagoda of Triprayar by the king of Cochin, in which appointment he, the Zamorin, had not been recognized, whereas that pagoda has precisely the privilege that the appointment of its Nambudiris must be made with the prior knowledge of both the Zamorin and the king of Cochin; and concerning this he requested my strong support, just as if capital and state affairs depended on it. And while he was engaged with this pagoda dispute, the Nawab captured his strongholds one after the other, until, without offering any resistance of note, and after first having had himself handsomely outfitted with clothes by the French Governor of Mahé, he took flight and left his realm as a prey to the Nawab. And here is the end of that realm, which was brought about mostly by his Moorish subjects.
Dutch transcription
759 97 De Comp: heeft veel moeijen „lijkheeden mel dien vorst gehad overheering van dit Rijk door daar, doorgaans den baas gespeelt, en altoos ver„ „dieltheijd aan het hoff hebben weeten te bewer„ „ken, en wel zodanig, dat zij veel tijds, de groote factie hadden, zo dat dit Rijk meenigmaal tegens zijn eijge onderdanen heeft moeten worste„ „len, en dus zijne vijanden, gelijk men zegd, binnen in zijn boezem had, terwijl de vor„ „sten aan hunne zijde, ook doorgaans telaf ge„ „weest zijn, en zig zelven niet genoeg in hun gezag gemaintineerd, maar zo veel getolle„ „reerd hebben, dat genoegzaam alle hoovelingen zig met de zaken des Rijks bemoeiden, Ja dat zelfs de vrouwen in de Regeerings-zaken te zeggen hadden, inzonderheijd de Moeders van de Kroon- Ook heeft de Comp: met de sammorijnse vorsten doorgaans veele moeijelijkheeden gehad, Ja eens en andermaal kostbaare oorlogen moeten voeren, en bevonden, dat zij de allen-ontrouwste onder de mallabaarse vorsten zijn geweest, behal„ „ven, datze zelfs nu en dan met de Engelse,„ franse en Portugeezen leelijk gekonkeld hebben, welke voorschr: moeijelijkheeden, egter meest ge-ex„ „teerd zijn, om de wille van het Cochimse rijk, dewijl die twee rijken altoos een onversoenelijke haar, tegen elkander gehad hebben, en wij ons den Nadal daar in, min of meer, ten voordeele van den koning van Cochim moesten melleeren, we„ „princen. „gens het bekende staats-belang, dat de Comp: bij het behoud van het Cochimse rijk had. Deze moeijelijkheeden, hebben voornaament„ „lijk haar begin genomen zeedert het Jaar 1707. toen de Comp: het fort Chettua tegen den zin van den Cammorijn wilde bouwen, waar van het Hoofdzakelijke ten neder gesteld is, bij secreete Resolutie van den 5 Maart 1777, en waar uijt blijkt, dat ons het fort Chettua en het Conquest Laponettij altoos is betwist. Voorts heeft dit Rijk in het Jaar 1766: door den Nabab Haijder Alijchan een geheele omwenteling moeten ondergaan, het geen mogelijk, zo verre niet zoude gekomen zijn, indien men aan het hof de zaak beter behandeld had. Want toen de Nabab, aan den Cammorijn zen„ wagt daar oe heeft gecon„ „delingen zond, om Contributie te vragen, zond hij dezelve met de uijtterste versmadinge te rug, daar hij (:weetende dat alles te dier tijd voor den Nabab moest bulken:/ de gezanten met beschijdendheijd had dienen te antwoorden, en het zo verre te bren„ „gen, dat hij over de Contributie had kunnen han„ „delen, en op dezelve zo veel afdingen als moge„ „lijk was De Nabab hier door verbitterd, nam daar op zijn geheele Rijk in, en arresteerde den Koning zonder hem tewillen zien, die eijndelijk zelfs het slagt-offer van alle die onheijlen wierd, also „gens hij wanneer dien moeijelijkheeden aanvang hebben / genomen „tribueert 760 99 de kroon prins is in dat rijk „derhand weder daar uijt ver„ „brieven onverschilligheijd van den Cam„ Calveoet kwam afzakken De Jransen hebben hij, uijt bedugtinge, dat hij zomtijds door den Na„ „bab om 't leeven gebragt, en zijn lighaam niet na de wijze der heijdenen zoude verbrand worden, het vertrek, waar in hij gevangen zat, aan vier zeijde in de brand wist te steeken, en zig zelver, zo levendig verbrandde, zonder dat men gelegent„ „heijd had den brand te blussen. De Sammorijnse Nairossen, benevens de Nairos„ wel weeder hersteld, den ha„sen van andere klijne verdreevene vorsten, gaven 's Nababs troupes intusschen geduurig werk, waar„ „meede nog al eenigen tijd verliep, tot eijndelijk de Marattes met hun grootste magt op den nabab afkwaamen, waar door de Nabab zijne magt noordwaards moest brengen, en den Kroon princ weder in het rijk herstelde, mits Jaarlijks zee„ „ker Contributie aan hem betalende. Maar de Cammorijn dus hersteld zijnde, dogt niet aan het betaalen zijner Contributie, even als of hij meende, dat de Nabab, den dans met de wea„ „rattas niet zoude ontspringen, daar hij egter in 't Jaar 1773. , na alvoorens met de marattas over een gekoomen te zijn, weder op hem afge„ „komen is, zijn Rijk vermeesterd en tot nog toe in bezit heeft. Jn hebben mij moeten verwonderen, over de on„ „mone tofen den Nacas na „ verschilligheijd van den sammorijn, bij de Jong„ „ste of laatste afkomsten van den Nabab; Hij hoorde, dat de Nabab zijne nabuurige rijken Cotteatte, Coddagamale en de verdere Landen daar omstreeks, de eene voor, en de andere na, innam, en dat hij nu aan de beurt lag; en ee„ „venwel bleef hij, in steede van op het behoud van zijn rijk te denken, zig ophouden met beu„ „zelingen: geen maand voor dat hij de vlugt moes neemen, kreeg ik nog brief op brief van hem, eenelijk over de heijmelijke aanstellinge: van een namboerij of Priester, in de Lagood Tripo„ „rattij, door den koning van Cochim, in welke aanstellinge hij Cammorijn niet gekend was, daar die pagood Juijst die previlegie heeft, dat de aanstellinge van dies Namboeris, met voor„ „kennissie zo wel van den sammorijn als van den koning van Cochim diend gedaan teworden; en hier over verzogt hij mij zo kragtig main„ „tenue, even als of er hals- en Rijks-zaaken aanhingen. En terwijl hij met dit Lagoods disput bezig was, nam de nabab de eene sterkte voor de an„ „dere na, van hem in, tot dat hij, zonder eeni„ „ge tegenstand van belang te doen, en na zig eerst door den fransen Gouverneur van Mahé nog mooij in de kleederen te hebben laten steeken, de vlugt nam, en zijn Rijk ten prooije van den Nabab liet. En hier is het uijt- eijnde van dat Rijk, het geen hem het meeste door zijne moorse on„ Cotteatten „derdaanen get
English
761. 181 The king Zamorin stays at Travancore. Now and then the Zamorin still opposed in the Payencheri. Relinquishment intended to make. Designation of the lands that the Zamorin had, of which he has not wanted to relinquish. But afterward seized by the Company for 12,000 ropias, as he was indebted. was brewed by the subjects, who had better opinions of the government of the Nabab, he being a Moor, than they now, to their regret, experience. The king has taken his retreat in the kingdom of Travancore, where he still is; but the princes remain near and on the borders of the Zamorin realm in the forests and mountains with a party of Zamorin Nairs who continually harass the Nabab's people, and up to now will not submit. Now and then the governor of Calicut gathers the force, which was scattered here and there in the Zamorin realm, together, to make a good sally upon the Nairs; but these have several times caused quite a number of the Nabab's people to perish, and when they in the end could hold it no longer, they retire into the forests and mountains, this being the only one of the realms conquered by him with which he has so much trouble, since the rest submitted immediately, and having been subjugated, made not the slightest movement anymore. Now I should also speak separately of some lands and gardens that the Zamorin possessed outside his realm, and these are some arable fields and gardens situated in the Chettua or properly in the district of the Payencheri, which have belonged to His Highness from ancient times. And although the same lie outside his realm, he nevertheless never wanted to relinquish them, undoubtedly so as always to retain a foothold in the region between Chettua and Cranganore, of which entire region he had formerly been the master; for by the contract of 1717 concluded with the Honorable Company, he specifically reserved to himself all the ownership of these little lands, and thus also managed the same until the year 1763, when the Zamorin still owing the Company well over 12,000 ropias on account of the last war expenses, the Company held these lands as a pledge for that money, as one was then apprehensive that Travancore, which had then marched against the Zamorin, would make itself master thereof, and thus gain a foothold in the said region. It is true, the Zamorin did not oppose this, indeed his circumstances did not permit undertaking anything of importance against it, yet for some time he left unanswered the ola that was written to him concerning the taking in pawn of those lands. But afterward having come to an agreement with Travancore, he claimed those lands back. Whereupon immediate payment of his debt was demanded, under the assurance that otherwise those lands would be kept attached for the Honorable Company, and the revenues thereof made to serve toward the reduction of the debt. The discharge of the debt he did promise, but nothing came of it, and the Honorable Company therefore continued to administer those lands, of which the income was applied and entered in reduction of His Highness's debt, which at the time of the invasion of the Nabab still amounted to 6202 1/40 ropias. And these are properly those lands with which the Nabab's General Sardar Khan, at the latest invasion, began his first chicanery and pretensions, as they were refuted in detail, first by letters to the said general, subsequently by letters to the Nabab, of which the drafts are to be found and described in separate bundles of that time, outgoing regarding the Nabab. For the rest, with respect to these lands and gardens, I refer to what was written to Batavia in a separate letter of 7 March 1777, which particular ought to be kept secret. While under the main section of the Zamorin it also ought to be mentioned of Dharmoth Panickar, as having been not only one of the four chief Rajadors, but also a nobleman of the Zamorin, who possessed many lands freely and in full ownership. He was the principal firebrand of the war anno 1717 between the Zamorin and the Honorable Company, and was even the one who at that time committed the treason of Chettua, for which reason in the peace treaty concluded with the Zamorin in that same year, it was specifically stipulated that he, as unworthy to profit from the peace, should be dismissed by the Zamorin from all his offices in the kingdom, and that all his lands and properties situated in the lands then conquered from the Zamorin and ceded to the Honorable Company, should fall and be forfeited to the benefit of the Honorable Company, as then also, although there was some delay with his dismissal, his lands situated in the region of Chettua were seized by the Honorable Company, situated properly on the northern limits of the conquest of Paponetty, around and about the pagoda Triprayar, consisting of 437 Malabar paras of arable lands, 63 pieces of gardens, and 22 slaves belonging thereto, all of which lately, or properly in 1766, to wit, were leased for 20 years for 630 Cochin paras of paddy and 700 Cochin fanams.
Dutch transcription
761. 181 de Koning Cammorijn houd zig bij Joe vanCoon op „len nu en dan nog tegens de Sammonin in het paijer Cherijsen afstand heeft willen doen aanwijzinge der landen die den dog naderzand bijde Compaan„ „geslaagen voor 12000 rop:s de ij chullig wa „derdaanen gebrouwen is, die betere gevoelens van de Regeering van den Nabab /:als zijnde een moor:/ gehad hebben, als zij nu, tot hun leed„ „weezen, ondervinden De koning heeft zijn retracte genomen in het Rijk van Tevancoor, alwaar hij zig nog bevind; dog de Princen houden zig op, bij en op de grensen van het sammorijnse rijk in de bossen en gebergtens met een parthij sammorijnse naij„ „ros die geduurig 's Nababs volk ontrusten, en zig tot als nog, niet onderwerpen willen. Nue en dan verzameld de Gouverneur van dog desselfs Nairossen voe„ Calicoet wel eens de magt, die in 't sammorijn„ „se hier en daar verspreijd was, bij een, om op de nairossen een goede uijtval te doen, dog deeze hebben verscheijde maalen, al vrij veel van 's na„ „babs volk, doen sneuvelen, en als ze het, op het laatste niet meer houden konden, retireerenze in de bossen en gebergtens, zijnde dit het eenig„ „ste van de door hem overheerde rijken, waar„ „meede hij zo veel spels heeft, vermits de overige zig aanstonds onderwierpen, en onderworpen zijnde, geene de minste beweeginge meer maakten. Nu diende ik ook afzonderlijk nog tespreeken heeft gehad, waar van hij geen van eenige landen en thuijnen, die de sammorijn buijten zijn rijk bezeeten heeft, en deze zijn eenige Zaaijvelden en Thuijnen, in het Chettuase of eijgentlijk in het district der LaijenCherijs geleegen, dewelke zijn hoogheijd van all' oude tijden toebehoord hebben. En schoon dezelve buijten zijn Rijk leggen, zo heeft hij egter nooijt van dezelve afstand willen, doen, ongetwijffeld, om maar altoos nog een voet te hebben op de Landstreek tussen Chettua en Cran„ „ganoor, van welke geheele landstreek hij bevoo„ „vens meester was geweest; want bij het Contract van 1717 met d' E Comp: geslooten, heeft hij zig al den eijgendom dezer landjes wel speciaal voor behouden, en dus ook dezelve beheert, tot het Jaar 1763, wanneer de Cammorijn aan de Comp: nog ruim 12000: ropias, wegens de laatste oorlogs ongelden schuldig zijnde, de Comp: deze landen als een on„ „derhand van dat geld onder zig hield, dewijl men toen bedugt was, dat Trevancoor, die als toen te„ „gens den Cammorijn opgetrokken was, zig daar van meester zoude maken, en dus voet krijgen op gem: Landstreek. Het is waar, de Cammorijn stelde zig daar wel niet tegen, trouwens zijne omstandigheeden lieten niet toe, daar tegen iets van belang te onderneemen, egter liet hij eenige tijd de ola onbe„ „antwoord, die hem geschreeven wierd, over het in pand neemen dien Landen. Maar vervolgens met Trevancoor over een ge„ „komen zijnde, reclameerde hij die Landen te rug„ of waar Nababsen 103. 762: waar van den reveruren in afkorting van die schuld, heb 1 dtos in be landegeraan„ op Chardor Chai hooft 0 geweest is nae of d„ Permatoe fanicaal En desselfs landen, omtrend hijir bij het vreedens Contract de sammorijnen de Comp: in zijn landen. waar op men toen inmediate voldoeninge van zijn schuld eijschte, onder verzeekeringe, dat men anders die Landen voor d' E: Comp: zoude in beslag houden; en de revenuen daar van laaten strekken, tot verminderinge der schuld. Het afleggen der schuld beloofden hij wel, maar daar quam niets van, en d' EComp: bleef dies die Landen beheeren, waar van de Jnkomsten wierden „heijds schult, die bij de invasie van den Nabab nog beliep rop„s 6202. 1/40. , En dit zijn eijgentlijk die lan„ „den, waar meede 's Nababs Generaal Charder Chan, bij de Jongste invasie, zijne eerste Chicanen en pre„ „tensies begon, gelijk die omstandig wederlegd zijn, eerst bij brieven aan gem: Generaal, vervolgens bij brieven aan den Nabab, waar van de mi„ „nuten, in apparte bondels van dien tijd tevin„ „den zijn en beschreeven, Afgaande weegens den Nabab; voor het overige refereere mij, noopens deze Landen en tuijnen, aan het geen bij apparte briev van den 7. Maart 1777. na Batavia geschree„ „ven is, en welke bijzonderheijd secreet dient ge„ „houden teworden; Terwijl onder 't Hoofddeel van den sammorijn ook nog diend gemeld te worden geleeven en geboekt in minderinge van zijn hoog ^ uiet geslodten wan e estelig „ taat, met den Cammorijn nog in dat zelve van D Hermoettij Lannicaal, als geweest zijnde, niet alleen een van de vier hoofd Ragiadoors; maar ook een stand van den sammorijn, die veele Landen vrij en in eijgen„ „dom bezeeten heeft. Bij was de voornaamste stooke-brand, van den oorlog, anno 1717 tusschen den Cammorijn en d' EComp:, en is zelfs die geene geweest, de„ „welke te dier tijd, het verraad van Chettu„ gepleegt heeft, waarom bij het vreedens Fac„ Jaar geslooten, wel speciaal bedongen is, dat hij als onwaardig, om van den vreede te profitee„ „ren, door den Cammorijn, van alle zijne be„ „dieningen in het Rijk zoude werden gedimo„ „veerd en dat alle zijn landen en eijgendommen, gelegen, in de toen van den Cammorijn verover„ „de, en aan d'E: Comp: afgestaane Landen, ten be„ „hoeve van d' EComp: zouden vervallen en verbeurt zijn, gelijk dan ook /:schoon het met zijne dimo„ „tie wat tardeerden:/ zijne landen op de Landstreek Cristue gelegenan deComp: van Chettua geleegen, bij d' E Comp: aangeslagen zijn, leggende eijgentlijk aan de noordelijke limieten van het Conquest Paponettij, om en omtrend de pagood Triporattij, bestaande in 437. mallabaarse pavas Zaaijlanden, 63. –. stuks thuijnen en 22. slaven, daar bij behoo„ „rende, welk een en ander laatst, of eijgent„ „lijk 1766:, teweeten, voor 20. Jaaren verpagt. zijn voor 630. Cochimse paras Nelij, en 700. Cochimse hoofd fanums „ben gepiert vervallen e
English
763: 405 fanums per year, which revenues were usually received at Paponetty and in the Company's papers were called the right of the Hermoettoe Lannicaal, but have now fallen to the Nabob since he conquered the Sandy Land. And just as by the aforementioned contract of the Zamorin of the year 1717 the aforementioned lands partly fell to the Company, so according to that same contract they came for the first time under the protection of the Company: The Paijencherijs, being actually families of a prominent landholder from a very old dynasty named Paijen Cherij Nair. The district of Paijencherij constitutes a large part, namely the northern part, of the land lying between the fortresses of Cranganore and Chettua. The Paijencherij district is usually called the Sandy Land by the natives; in the Company's papers it is usually called the Sandy Land of Chettua, although otherwise the entire region from Chettua to Cranganore is also called by the natives the Sandy Land, without more. I took the interest to trace the origin of these families as far as possible from old chronicles of the Malabars, and also from the notes and traditions of these families themselves. In ancient times this land was a subject petty realm, named Charcaire, but the last possessor thereof, having begotten a natural son by a woman from the aforementioned dynasty of Paijencherij, thereby came into great discord with his family, who made such odious family commotions over it and embittered him so much that he bequeathed this land, together with a number of 2500 Nairs, to this natural son, passing over his heirs; and thus this land first came to the family of the Paijencherij Nairs. And since the renowned Emperor Cheramperoemaal, in dividing his lands into four chief kingdoms, also presented several lands to lesser princes, he also presented some lands in the Zamorin's district to the eldest of this Paijencherij dynasty, who was named Manattamparambatto and was a bodyguard of the Emperor, and at the same time placed 500 Nairs from those lands under him, so this Manattamparambatto was consequently the possessor not only of the Chettua district, but also of the aforementioned lands in the Zamorin's, and thus at the same time lord over 3000 Nairs. 764. 407: This dynasty, having since expanded into several families, was subsequently divided further by general consent into three principal families, one of which was the aforementioned Manattamparambatto, while for the other two Panangatto and Oelatto were chosen, whereby there were then three principal families; I say three principal families because the family of Manattamparambatto is further divided into two special ones, and the family of Panangatto into as many as four special families, as appears from the following demonstration: First principal family named Manattamparambatto, at present divided into two families, namely: Tekkentale and Manjalij Baddakentale. Second principal family named Panangatto, at present divided into four families, namely: Pannangatto, Blaga, Sahiel, and Cherierto. Third principal family named Oelatoe, remains until today solely under that same name. Meanwhile, each of the aforementioned families still has very many lesser families under it, but when one wishes to name these three principal families together, they are called by the general name of Paijencherij Nairs. Thus this land has already been governed for a long time by these principal families; the eldest from each principal family has the special governance over his family, in the manner of a patriarchal government, and these three elders are regarded as elders of the people; but the very eldest of these three exercises the general authority over everything, governs the land at his pleasure, and exercises therein the power of life and death. Above, I said that this dynasty received some lands in the Zamorin's territory from Emperor Cheramperoemaal; and concerning that, I must further note that this was actually the first cause of that deep hatred and envy which the Zamorin has since conceived against these families, which went so far at last that, although they maintained their own estates and freedoms, he nevertheless began to impose heavy burdens and taxes, and through the discords he had already sown among them, would have made these families almost entirely tributary to him, had the Company not taken them under its protection, on condition that they paid a certain tolerable duty for it; as they then also, by the contract with the Zamorin of 1717, were openly placed for the first time under
Dutch transcription
763: 405 170 den de Maper leri7 protex„ Naos onder 's Comp „tij ijn De gelegen „selver an fanums 's Jaars, welke Jnkomsten doorgaans te Paponettij ontvangen en bij 's Comp„s papieren ge„ „noemd wierden De Geregtigheijd van d' Hermoet„ „toe Lannicaal, dog nu aan den Nabab ver„ „vallen zijn, 'tzedert hij het zandigland overheerd heeft. En gelijk bij voorschr: Contract van den sam„ „morijn van 't Jaar 1717. , voorscht: Landen de Comp: ten deele gevallen zijn, zo zijn ook volgens dat zelfde Contract voor de eerstemaal onder pro„ „tectie van de Comp: gekomen De Laijencherijs, zijnde eijgentlijk familier van een aanzienlijk Landheer, uijt een zeer oud stamhuijs gen„t Paijen Cherij Naird. Het District van Paijencherij, maakt een groot gedeelte, en wel het noordelijke gedeelte uijt„ van het Land, dat tussen de fortressen Cran„ „ganoor en Chettua legd, Het PaijenCherijse district word doorgaans bij den inlander genaamd het Zandigland, bij 'sComp„s papieren word het doorgaans genoemd het zandigland van Chettua „ schoon anders de geheele Landstreek van Chettua tot Cranga„ „noor, bij den inlander ook wel genoemd word, het Zandigland, zonder meer. Jk hebbe de liefhebberij gehad, om uijt oude gedenk schriften, der Mallabaaren, en ook uijt de aanteekeningen en overleveringen dezer, fa„ „milies zelfs, de oorsprong van dezelve zo verre opte spooren als mij mogelijk is geweest. Dit land was in all' oude tijden een onderhoo„ oorspronk van die Land heern „ rig Rijkje, gen„t Charcaire, dog de laatste bezitter daar van een natuurlijke zoon verwekt hebben„ „de, bij een vrouw, uijt het voorschreve stamhuijs van Laijencherij, quam daar door in groote onee„ „nigheijd met zijn familie, dewelke zo veel familie haatelijke beweeginge daar over maakte, en hem zo zeer verbitterde, dat hij dit Land, benee„ „vens een getal van 2500. nairos, aan deeze na„ „tuuerlijke zoon vermaakte, met voor bij gaan van zijne Erfgenamen; en dus quam dit land het eerst aan de familie van LaijenCherij Nairo„ En dewijl de berugten kijzer Cheramperoe„ „maal bij de verdeelinge zijner landen in vier hoofd Koningrijken, ook verschijde Landen aan mindere vorsten verëerende, aan de oudsten uijt dit Zaijen Cherijs Stamhuijs /:die ten Manat„ „tamparambatto genaamt, en Lijftrawant van den Keijser was:/ ook eenige Landerijen in het Sammorijnze district verëerde, en teffens 500. Nairos uijt die Landerijen onder hem stelde, zo was deze Manattamparambatto derhalven bezitten, niet alleen van het Chettuase district, maar ook van voorschr: landen in het sammo„ „rijnse, en dus teffens heer over 3000. nairos de Dit In boeze worden 764. 407: Namens van ieder derselven vorspronk van den Raad die de Cammorijn tegen Eijnsbaar, z:j / geragt z niet waren gebragt Dit stamhuijs, 't zeedert in verscheijde families uijtgebreijd zijnde, wierd met algemeene goedkeuringe vervolgens verder in drie hoofd families verdeelt, waar van de eene was voorsch: Manattamparam„ „batto, terwijl tot de twee andere verkooren wier„ „den Panangatto en Oelatto, waar door er toen drie hoofd familier waaren; ik zegge drie hoofd-fami„ „lies, om dat de familie van Manattamparam„ „batto, nog in twee bijzondere, en de familiez van Panangatto wel in vier bijzondere families ver„ „deelt zijn, gelijk bij de ondervolgende aantoonin„ „ge blijkt Eerste hoofd familie genaamt Manattam, waas heeft „parambatto, tans in twee families verdeelt, als Tekkentale en Manjalij Baddakentale Tweede hoofd familie genaamt Panangatto thans in vier families verdeelt, als Pannangatto Blaga Sahiel en Cherierto. Derde hoofdfamilie genaamt Oelatoe, blijft tot heeden nog alleen onder dien zelfden naam. Jntusschen heeft ijder der voorschr: families nog zeer veele mindere families onder zig, dog als men deeze drie hoofd families tesamen wild noe„ „men, dan noemd men ze met die Generaale naam van Paijencherij Nairos Dus word dit land nu al van lange tijden af¬ bestierd door deze hoofd Families; de oudste uijt ijder hoofd familie, heeft het bijzondere bestier over zijne familie, bij wijze van een Patriarchale Regee„ „ringe, en deze drie oudste worden aangemerkt, als oudstens des volks; dog de aller oudste van deeze drie, voerd het generaale gezag over al„ „les, bestierd het land na welgevallen, en erer„ „ceerd in het zelve, het regt over leven en dood. Hier boven heb ik gezegd, dat dit stam„ „huijs van de keijser Cheramperoemaal, eeni„ „ge Landerijen in het sammorijnse gekreegen heeft; en daar omtrend moet ik nog noteeren, dat dit eijgentlijk de eerste oorzaak is geweest, van die innige haat en wangunst, die de sam„ „morijn 'tzedert, tegens deze families opgevat heeft, het geen op het laatst zo verre ging, dat hij dezelve, schoon zij hunne eijge staten en vrijhee„ „den wel behielden, egter swaare lasten en in„ „posten begon opteleggen en door de onëenig„ „heeden, die hij reets onder hun gezaaijt had, zouden aan den ammorijn deze families bij na finaal Cijnsbaar, aan zin onder 's' Comp:s potercien hem zoude gemaakt hebben, indien de Comp: hun niet onder zig genomen had, mits dat zij daar voor opbragten zekere dragelijke geregtigheijd; gelijk zij dan ook bij het Contract met den sam„ „morijn van 1717:;, voor het eerste opentlijk onder naam P
English
765. 109 surrender by them to the Company of their rights further rights Their aim to thereby enjoy the Company's strong protection placed under the protection of the Company, nevertheless these families have always had to give something to the Zamorin as well, in order to peacefully possess their lands in the Zamorin's territory, and even so they have often had to endure harassment from the Zamorin, so that the Honourable Company had to intervene each time. Subsequently, in the year 1755, in order all the more to enjoy the protection of the Company, these families surrendered half of certain land revenues to the Company, amounting annually to 492½ gold fanums, making about 98 rupees and 523 paras of paddy. And in the year 1764 they entered into a further agreement, namely, to give half of the tithe rights of their entire land to the Honourable Company, whereby the annual amount of these tithes, or the half for the Honourable Company, now amounts to 960 paras of paddy and 1709½ gold fanums, or about 342 rupees, both of which were collected at Chettua. But since there is a distinction between a tithe of the grain and a tithe of what is outside of it, because a tithe of the grain can be understood both from the sowing and the reaping, and the other speaks for itself, since everything outside of arable land consists of revenues, one must know in this regard that in the agreement only the word of a tithe of the arable fields is spoken of, without any further specification. At least the Paijencherijs, who virtually voluntarily and as if of their own accord promised the aforementioned half tithe, have also interpreted the half tithe of the arable lands as a half tithe of the sowing and not of the reaping, which was then also accepted as such. But their lands, which they managed themselves, and those of the pagoda, as well as some belonging to other grandees, were left exempt from taxation; but from the lands which they owned in the Paponetty district, through purchase or otherwise, they had to give, just as from all lands situated therein, a tithe of the reaping to the Company. The aim of these families in the voluntary surrender of the aforementioned half tithe from their district seems to have been to enjoy the protection of the Company all the more, just as they have also from that time on possessed their land in peace and quiet, without harassment from anyone, and in the previous upheaval of affairs on the Malabar Coast suffered no damage, whereas on the contrary, all kings, princes, and land grandees, with their subjects, have felt the plagues and consequences of war, and have had to yield heavy contributions, so that Paijencherij Nairo has been the only remnant of the Emperor Cheramperumaal that, through the protection of the Honourable Company, has preserved his former liberties, until recently the Nabob Haider Alijchan made himself master of the entire region from Chettua up to Cranganore, which the Company, owing to his superior power, could not prevent him from doing; but they currently receive from the Company, for the present and until further orders, a monthly maintenance of 30 rupees, as can be seen further in the resolution of 14 July 1777. These families have sometimes had disputes among themselves and even sought to undermine one another, but I have always maintained the eldest, even if the others were sometimes not entirely in the wrong, which I then pointed out to the eldest privately and face to face, and that has also proved to me to be the best means to maintain the equilibrium among those families, for otherwise one would be constantly plagued with them. I have reflected from the old papers that they have sometimes engaged with the Zamorin according as it suited their purposes, but for a long time now nothing has been heard of it; and if this did ever exist, then I believe most likely that this will only have happened for reasons of state or rather to humor the Zamorin a bit, who after all, bordering upon them, was capable of unsettling them each time in an adroit manner without it being possible always to prove it, so that for that reason, and for the sake of their lands which they had in the Zamorin's territory, they kept on friendly terms with the Zamorin. I must further remark something concerning these families which one seldom finds among any heathen, at least among no Malabar princes, namely, that in the administration of affairs no violence or extortion takes place, and that in the administration of justice the giving of gifts or bribes is not much in practice. I say not much, because however reasonably this district is governed, the regents still do not possess a soul firm enough to be able always and entirely to decline gifts and bribes, although I have heard very few complaints about it, so that the inhabitants of this district, in comparison with others, were very happily governed, and therefore I have always judged it best to interfere as little as possible with their affairs of governance, and just to let them deal with each other, unless this that of them [illegible]
Dutch transcription
765. 109 afstand door hen aan de Comp: „heeden vorderen geregtigheiden Hun oogmerk om daar door 'sComp:s d protexie de protectie van de Comp: gesteld zijn, des niet te min, hebben deze families den Sammorijn ook altoos nog iets moeten geven, ten eijnde hunne Landerijen in het Sammorijnse gerust te bezitten, en evenwel hebben zij nog dik„ „wils overlast van den sammorijn moeten lij„ „den, zo dat d' EComp: telkens daar tusschen moest komen Vervolgens hebben die families in 't Jaar 1755, vae enige hunner geregtig„ om des temeer de protectie van de Comp: te ge„ „nieten, de helfte van zekere lands- inkomsten, aan de Comp: afgestaan, bedraagende Jaarlijks 492:½ goude fanums, uijtmakende omtrend 98: rop„s en 523. pavias nelij. En in 't Jaar 1764 gingen zij nog een na„ nader afstand van eenigen der accoord aan, mamentlijk, om de helfte van de thiende geregtigheijd van hun geheele Land, aan d' EComp: tegeven, waar door nu het Jaarlijks be„ „dragen dien thiendens, of de helfte voor d' E: Comp: 960. pances Nelij en 1709½. goude fanume, of omtrend 342 rop„s bedraagd, welk een en ander te Chettua ingevordert wierd, dog dewijl en een onderscheijd is, tusschen een tiende van het graan en een thiende van het geen daar buijten is, om dat een thiende van het graan, zo wel van 't gezaaij als 't gemaaij, kan verstaan worden, en het andere zig van zelvs verstaat, dewijl all' wat buijten zaaijlanden is; in revenuen be„ „staat, zo moet men ten dezen weeten, dat er bij 't accoord maar alleen het woord van een tiende der zaaijvelden, zonder eenige nadere bepalinge, gesprooken word, ten min„ „sten de Paijencherijs, die genoegzaam, vrijwil„ „lig en als uijt zig zelve, voorschr: halve tiende beloofden, hebben de halve thiende van de zaaij„ „landen ook uijtgelegd als een halve tiende van het gezaaij en niet van het gemaaij, het geen men dan ook zodanig geaccepteerd heeft, dog hunne Landen, die ze zelfs beliepen, en die van de pagood benevens nog eenige van an„ „dere grooten, wierden vrij gelaten van belas„ „tinge: maar van de landen die ze in het Paponettijsche district; door inkoop of anderzints in eijgendom hadden, moesten ze even, ge„ „lijk van alle landen, die daar in leggen, aan de Comp: een thiende van 't gemaaij geven. Het oogmerk van deeze familjes, in de gewil„ kragtige„ lige afstand van voorschr: halve tiende, uijt hun district, schijnt geweest te zijn, om des te meer de protectie van de Comp: te genieten, gelijk zij dan ook van dien tijd af, hun land met rust en vree„ „de, zonder overlast van iemand, bezeten, en bij de voorige omwentelinge van zaaken op de Mal„ „labaar geen schaade geleeden hebben, daar in te„ „gendeel, alle koningen, vorsten en Lands-grooten, met der zelver onderdaanen, de plagen en gevol„ „staat „gen te genieten 766 : gelijk zij die ook genooten hebben sot de komste van den Nabab van de Comp: op nat uijtzs zij door de Comp werden gemaintineerd Zomuijlen hebben zo zig wel Prijsselijke Regeerings von„ „gen des oorlogs gevoeld, en zwaare Contributie heb„ „ben moeten opbrengen, zo dat Laijen Cherij Nai„ „ro, het eenigste overblijfzel van den kijzer Che„ „ramperoemaal is geweest, dat door de protectie van d EComp: zijne voorige vrijheeden behouden heeft, tot nu onlangs de Nabab Haider Alij„ „chan zig meester gemaakt heeft, van de ge„ „heele Landstreek van Chettua tot Cranganoor toe, het geen de Comp: hem, weegens zijn overmagt, en nu vrijgen ze onderhoud niet heeft kunnen beletten; dog ze krijgen tans van de Comp: voor eerst en tot nadere order, maanden„ „lijks een onderhoud van 30. rop„s , gelijk dat bij de re„ „solutie van den 14. Julij 1777, nader te zien is Dese families hebben zomtijds wel disputen sonder elkander gehad en zogten zelfs elkander wel te Contramineeren, dog ik hebbe altoos, de oudste ge„ „maintineerd, al was het ook, dat de andere zam„ „tijds wel eens niet ten eenemaal ongelijk hadden, het geen ik dan den oudsten in 't particulier en onder vier oogen voorhield, en dat is mij ook als het beste middel gebleeken, om het equilibrium, onder die families te houden, want anders zoude men geduurig met hun gequelt zijn. Jk heb uijt de oude papieren gereflecteerd, met den sammorijn ingewik, dat zij zig zomtijds wel eens met den Cam„ „morijn hebben ingelaten, na maate zulks in hun kraam tepas quam, dog nu in lange heeft men niets daar van gehoord; en indien dit al eens ge-exteerd mogt zijn, dan geloove ik voor het naaste, dat zulx maar zal ge„ „schied zijn, om reeden van staat of eijgentlijk, om den Cammorijn wat te vieren, die tog tegen hun aangrenzende in staat was, om hun telkens, op een behendige wijze te ontrusten, zonder dat zulks Juijst altoos beweezen kon worden, zo datze daarom, en om dewille van hunne Lan„ „derijen, die ze in het sammorijnse hadden, den sammorijn te vriend hielden. Nog moet ik iets nopens deze families aan„ merken, het geen men zelden bij eenige hij dense„ ten minsten bij geene Mallabaarse, vorsten vind, namentlijk, dat in de bestieringe der zaaken, geen geweld of knevelarijen plaats heeft, en dat in het oeffenen van regt, het doen van giften of gaeven, niet zo veel in practic is, ik zegge niet zo veel, om dat hoe redelijk dit district ook bestierd word, de Regenten tog zo geen firme ziel genoeg bezitten, om giften en gaven altoos en ten eenemaal te kunnen declineeren, schoon ik 'er maar zeer weijnig over het hooren klagen, zo dat de ingezetenen van dit district, in ver„ „gelijk van andere, zeer gelukkig bestierd wier„ „den, en daarom hebbe altoos best geoordeelt, mij zo wijnig met hunne Regeerings-zaaken te bemoeijen, als mogelijk was, en hun maar met elkander telaten omspringen, ten waaren dit dat van hen g keld
English
noor and the Prince Cassamana from whom Ayvoer obtained its own principality that excesses were committed, whenever I took direct cognizance thereof and acted in accordance with equity. The Kings of Ayvoer, Cranganoor and the Prince Cartamana should also follow here, because they formerly likewise had their primary and principal relation to the Zamorin. I shall speak of them, first in general regarding their relationship to one another, and after that report something in particular about each of them. Ayvoer is the oldest kingdom, after that follows Cranganoor and after that the Principality of Cartamana, all three however originating from the older kingdom of Ayroer; thus that old kingdom, having first been divided between two brothers, the share of the eldest was afterwards divided once more into two. In no papers do I find any noteworthy light concerning these petty princes; I have therefore taken the pleasure to inquire from the antiquities and most credible traditions, and from their own memoirs, into their real relationship to one another, and deemed it not unserviceable to note the following particulars thereof here. The kings of Ayroer are of the first and most prominent lineage among the Malabars. The first king of Ayroer received his principality from the renowned Emperor Cheremperoemaal, with the title of King, the authority to execute justice over life and death, but under the sovereignty of the Zamorin. For this purpose some pieces of land were given to him, but divided into parcels, mostly situated between the Cranganoor and Chettua districts, or properly in the Paponetty district, and the remainder across the river, or properly obliquely across from Paponetty in the northernmost part of the Cochin Kingdom, where the Kings of Ayroer have always resided and held their court, just as the present king still keeps his residence there, which place is called Belanga. I mention this name of Belanga for clarification, because in several papers the house of Ayroer is for that reason alternately also called the house of Belanga. This Ayvoer family, having in the course of many years been reduced to two brothers and one sister, separated from one another due to disagreement that took place among them, after the lands were divided between them: the eldest brother kept his residence in the ordinary palace, and the youngest went with his sister to live in the Paponetty district in a separate palace, governing his lands as an ordinary landlord, while the eldest brother retained the principality and the other prerogatives as king. But a certain land regent of Cranganoor, also of high lineage and having free access to the Zamorin princesses, bequeathed his Cranganoor lands to the aforesaid younger brother of Ayroer, who thereupon went to Cranganoor, built the present palace there, settled down, and finally obtained from the Zamorin, under whom the deceased Cranganoor land regent had also stood, the title of king, not only with the right over life and death, but also with the privilege of free access to the Zamorin princesses, just as the Cranganoor kings are for that reason still called the fathers of the Zamorin kings. And in this manner the king of Cranganoor would, as they say, have come into the world, and should be regarded as a younger brother from the house of Ayroer, possessing, besides the Cranganoor lands, about half of the Ayroer lands that had fallen to his share in the division. Yet long after that, the house of Ayvoer was once more separated, under two brothers of the eldest of that time, of whom the eldest again retained the dignity of the king and the palace across the river, while the younger brother, being properly the Prince Cartamana, governed the lands fallen to his share in the Paponetty district as land regent, which two families, namely the King of Ayvoer and the Prince Cartamana, are frequently called in the papers the houses of Coesicatto and Cartamana. So that these three petty princes, according to the Malabar genealogy, are brothers from the ancestral house of Ayroer, and the present King of Ayroer possesses, so to speak, one quarter, Prince Cartamana one quarter, and the king of Cranganoor half of the old Ayroer lands, besides his own lands. Other particulars, the authenticity of which has not been sufficiently evident to me concerning these petty princes, I have passed over. Furthermore, the aforesaid three kingdoms, or principalities, upon the conclusion of the contract of peace with the Zamorin in the years 1710 and 1717, were placed under the Company. Yet although Ayroer and Cranganoor did have the right over life and death regarding their subjects on this side of the river in Paponetty, they nevertheless did not have that right over those who were resident elsewhere.
Dutch transcription
767. 419 „noor en de prins Cassamana van wien Oijvoer desselfss vorstordop heeft erlangd dat en excessen begaan wierden, als wanneer ik daar van direct kennisnam, en daaromtrend, na de bil„ „lijkheijd handelden De Koningen van Aijvoer, Cranga„ ge sen janigen e a nan„ 002 en de Prins Cartamana, dienen hier ook te volgen, om dat zij bevoorens insgelijks haare eerste en meeste betrekkinge op den sammorijn gehad hebben Jk zal van dezelve, eerst in 't Generaal, nopens hunne betrekkinge op elkander, en daar na, van een ijder iets in 't bijzonder melden, Mijvoer is het oudste Rijk, daar na volgd Cranganoor en daar na het Prinsdom Cartamana, egter alle drie afkomstig, uijt het ouder rijk van Aij„ „roer, alzo dat oude rijk eerst onder twee broeders ver„ „deelt zijnde, het deel van de oudste zedert nog eens in twee verdeelt is. Bij geene papieren, vinde ik eenig naamwaar„ „dig ligt nopens deze vorstjes; dies hebbe de liefheb„ „berij gehad, om uijt de oudheeden en geloofwaar„ „digste overleeveringen en uijt hunne eijgene ge„ „denkschriften, na hunne wezendlijke betrekkin„ „ge op elkander te verneemen, en niet ondien„ „stig geagt, de volgende bijzonderheeden daar van hier te noteeren De koningen van Aijroer, zijn van het eerste en aanzienlijkste geslagte onder de mallabaaren De Eerste koning van Aijroer, heeft zijn vor„ „stendom ontvangen van den berugten Keijser Cheremperoemaal, met den titul van Koning, de authoriteijt om regt over leeven en dood te voeren, dog onder de heerschappij van den sammorijn. Hier toe wierden hem eenige stukken land ge„ „geven, dog verdeelt in perceelen, de meeste tus„ „schen het Cranganoorse en Chettuase, of eijgent„ „lijk in het Paponettijse district, gelegen, en de overige aan de overzijde van de revier, of eijgentlijk schuijns over Paponettij in het noordelijkste deel van het Cochimse Rijk, alwaar de Koningen van Aijroer altoos gewoont en hun hoff gehouden hebben, gelijk de tegenswoordige koning, tot als nog zijn Residentie daar houd, welke plaats genoemd word Belanga, Deze naam van Belanga, melde ik tot elucidatie, om dat bij verscheijde Papieren, het huijs van Aijroez, om die reden, bij verwisselinge ook wel genoemd word het huijs van Belanga. Deze Aipoerse Famielie, na verloop van veele en hoe hyt zelve naderland Jaaren vermindert zijnde, tot op twee Broeders en eene zuster, is weegens oneenigheijd, dewelke on„ „der hun plaats had, van een gesepareerd, na dat de Landerijen onder elkander verdeelt zijn: de oud„ „ste Broeder bleef zijn verblijf houden in het or„ „dinair paleijs, en de Jongste ging met zijn zus„ en „ter verdeel 768. 115: „oorsprong van het Cranga„ „ noor tkoning lijk is verdeeld en onder de Comp: geraakt over hunne onderdanen op pa „nette woonagtig Aijroerse Ronsterdom „tijse woonen in een apart paleijs, bestierende zijne landen als een ordinair landheer, terwijl de oudste Broeder het vorstendom en de overige preroga„ „tiven als koning behield. Dog zeker land Regent van Cranganoor, meede van een hoog geslagt, en een vrijen toegang tot de Cammorijnse princessen hebbende, vermaakte zij„ „ne Cranganoorse Landen, aan voorschr: Jonger Broe„ „der van Aijroer, die daar op na panganoor ge„ „komen is, daar het teegenswoordige paleijs gebouwt„ zig ter neer gezet, en eijndelijk van den sam„ „morijn, onder wien de overleedene Cranganoor„ „se landregent ook gestaan had, den titul van koning bekomen heeft, niet alleen met het regt over leven en dood, maar ook met het voorregt van een vrijen toegang bij de sammorijnse princessen, gelijk de Cranganoorse koningen daarom ook tot nog toe, de vaders van de sam„ „morijnse koningen genoemd worden En op deze wijze zoude de koning van Cran„ „ganoor, gelijk men zegt, in de wereld gekomen zijn, en aangemerkt moeten worden als een Jongen Broeder uijt het huijs van Aijroer, bezittende, behalven de Cranganoorse landen, omtrend de helft van de Airoerse Landen, die hem bij de verdeelinge, te beurte gevallen waaren. Dog lange daar na, is het huijs van de oudste van dien tijd, waar van de oudste ook weder de waardigheijd van den koning en het paleijs aan de overkant van de revier behield, terwijl de Jon„ „ger Broeder, zijnde eijgentlijk de Prins Cartama„ „na, de hem ten deele gevallen landerijen in het Paponettijse als Land regent bestierde, welke twee famielies, namentlijk de Koning van Aij„ „voer en de prins Cartamana, bij de papieren veeltijds genoemd worden, de huijsen Coesicatto en Cartamana. Zo dat deze drie vorstjes, na de Mallabaarse hoedanig het zelve egjgentl: k: Geanalogie Broeders zijn, uijt het stamhuijs van Aijroez, en de tegenswoordige Koning van Aijroer, om zo tespreeken, een quart, prins Cartamana, een quart, en de koning van Cranganoor de helft, van de oude Aijpoerse landen bezit, behalven zijn ge- ende landen. Andere bijzonderheeden, wel ker egtheijd mij niet genoeg gebleeken is, hebbe ik, nopens deeze vorstjes„ ge- excuseerd Wijders zijn voorm: drie Rijken, of vorstendom, bij het sluijten van het Contract van vreede met den sammorijn in de Jaare 1710 en 1717, onder de Comp: gesteld Dog schoon Aijroer en Cranganoor wel het regt, Bepaling van hun, dat zij hadden over leven en dood omtrend hunne onderdanen oossenen, zo hadden zij egter dat regt niet over „ter aan deze kant van de revier in het Paponet,„ nader verdeeling van het Aijvoer nog eens Gesepareerd, onder twee Broeders Aijpoen die
English
those subjects who reside on the lands that lay within our conquest, since the region of Paponetty was ceded to us by the Zamorin under the aforementioned contracts after we had taken it from him by force of arms; and since Cartamana possessed no lands outside our conquest, this prince held no right whatsoever over life and death. Whenever, therefore, capital punishment or severe justice short of death had to be administered, notice thereof was first given to the Company, which then granted the so-called qualification. If it was found that these petty princes exceeded their authority in this regard, they were corrected by seizing a portion of the crops standing in the fields, or already harvested, or something similar. It is in itself somewhat speculative that a prince should be so restricted regarding the punishment of his subjects; yet this has long been arranged in this manner, and one could not let it slip, if only to maintain our supreme authority over them, as they never missed the slightest opportunity insensibly to introduce superiority and independence. They have even raised their horns quite boldly more than once, and through their Nayars committed outrages in the country against our inhabitants, so that it was occasionally necessary to send some troops into the country to quiet them. Indeed, they sometimes went so far off track that they secretly sought help and protection against the Company from the native rulers, such as Travancore, the ruler of Cochin, and the Zamorin. Although these rulers did not dare to do so openly, they nevertheless insensibly made use of this as it suited their purpose, merely to torment the Company and stir up trouble. These petty princes were also constantly at odds with one another over their estates lying within our conquest, as they repeatedly laid claim to one piece of land or another and pursued that claim by placing attachments upon it. The aggrieved party would then come to complain to the Company and request maintenance of possession, because, when having disputes among themselves over such matters, they are not permitted to take the law into their own hands, but must leave the decision to the Company. These were nevertheless difficult disputes to decide, since none of them could produce any proper proof of ownership, which is caused by the fact that, at their separation from one another, they did not divide the lands properly, but seized as much for themselves as each could obtain or thought belonged to him. When such matters came before me and I received complaints that one party had placed an attachment on the lands of the other, I immediately had that attachment publicly withdrawn and restored the dispute to the state in which it was before the attachment, even if I did not yet know who was in the right or in the wrong, solely to show them that they were not permitted to be their own judges in our conquest, and that whoever had a claim had to appear with that claim before the Company as their sovereign lord. In deciding such matters, I first inquired of old and impartial natives regarding the length of possession, the condition, and the situation of the disputed parcels of land in relation to the undisputed lands of both the complaining and the defending parties, in order to be able to judge more or less whereto those disputed grounds would most naturally have belonged during the ancient division of the estates. This was nevertheless somewhat difficult, because there is no proper map of the lands that the Company possesses here, which is a capital defect. There is indeed a map, but it shows more the course of the rivers and the borders of the lands, while the true internal situation is not evident from it. It is said that the lands here cannot properly be measured and surveyed on a map because the native rulers, being overly suspicious, would harbor distrust and would make the survey difficult and obstruct it in all sorts of crafty ways. This certainly has some validity; yet the usefulness and necessity of a good map seems to me of great importance, and a trial should be made of it with proper deliberation when occasion permits, beginning, for example, with our nearest districts, and so on, in order gradually to accustom the native to it and show him that it involves nothing strange or suspicious. When I had informed myself of everything that could serve the case and had given everyone the freedom to prove the authenticity of their claim or possession as best they could, I decided the dispute to the best of my knowledge, and generally found that the claims were groundless and that the party in possession was merely being troubled and harassed. However, when there were too many arguments for and against on both sides, and I did not feel at liberty to decide their dispute definitively, I sometimes made use of another remedy: I recommended that they deliberate the matter calmly once more and come to terms with one another, reminding them that they would otherwise run the risk of having the lands taken under the Company's administration.
Dutch transcription
769 417 ondlijdvan die besaling Moijelijkheeden die de heeft gelad met die von sChop „den g'emploij die onderdanen, dewelke woonen op de Landen, dewelke in ons Conquest lagen, alzo de Land„ „streek Paponettij ons, bij voorschr: Contracten, door den sammorijn afgestaan is, na dat wij het van hem door de wapens ingenoomen hadden, en vermits Cartamana buijten ons Conquest geene landen had; zo had deze prins, in 't geheel geen regt over leeven en dood Wanneer derhalven dood straffe, of swaare Jus„ „titie, naast de dood, moest geoessend worden, dan wierd daar van eerst kennis gegeven aan de Comp: die dan daar toe zo genaamd, qualificatie gaf, en als men bevond, dat deze vorstjes zig daaromtrend te buijten gingen, Corrigeerde men hun, in een ge„ „deelte van het gewas, dat te velden stond, of reeds gesneeden was, of iets diergelijks. Dit is op zig zelvs wel wat speculatief, dat een voost omtrend het straffen zijner onderdanen zodanig bepaald is, dog dit is reeds van lange op die wijse geschikt en dus non men dat niet laten slippen, al was het ook maar, om daar door ons oppergezag over hun te maintineeren, alzo zij nooijt de minste gelegentheijd lieten voor bij gaan, om ongevoelig eene superieuri„ „teijd, en onafhangelijkheijd intevoeren. zelfs hebben zij meer als eens al vrij wat de hoorens opgestooken, en door hunne Nairos balda„ „digheeden in het Land aan onze ingezetenen gepleegd; zo dat men nu en dan wel genoodsaakt was, eenige militairen in het Land te zenden, om hun stil te doen zijn, Ja somtijds hebbenze zig wel zo ver„ „re vergallopeert, datze heijmelijk bij de inlandse vorsten, haar hulp en protectie tegens de Comp: zogten, gelijk bij Toevancoor, den Cochimder en den sammorijn, die schoon zulks niet opentlijk duwden doen, egter na maate het in hun kraam tepasquam, zig ongevoelig daar van bedienden, om de Comp: maar tequellen en moeijelijkheijd te verweken. Deze vorstjes lagen ook altoos met elkander En midel des daar, tegens mien over hoop, over hunne landerijen, in ons Conquest leggende, alzo zij telkens op het een of ander stuk lands pretentie maakten, en die pretentie pro„ siqueerden door het leggen van arresten op de„ „zelve, als wanneer de beledigde partij bij den Comp: kuam klagen, en maintenue verzoeken, om dat zij met elkander daar over questie hebben„ „de hebbende, zig zelfs geen regt mogen doen, maar de decisie aan de Comp: moeten overlaten, het geen egter moeijelijke verschillen waaren, om te decidee„ „ven, dewijl niemand van hun eenig regt bewijs van eijgendom kon produceeren, het geen veroor„ „zaakt is, om dat zij bij schijdinge van elkander, de landen niet behoorlijk verdeelt, maar zo veel na zig genoomen hebben, als een ijder maar non verkrijgen, of meende dat hem toekwam. Als mij diergelijke dingen voorquaamen, en gepleegd ik 770. 119 hen Regtoverschaffe geprobeerd te worden te ontslaaen over Land goederen Hunne landen van men niet wil op de naget stellen om dat ze die met rgt willen opgeven Mltgalen hoedang man ik klagte kreeg, dat de eene arrest gelegd had„ op de gronden van den anderen, dan liet ik ten eersten, dat arrest publicq intrecken, en de ques„ „tie brengen in dien staat, waar in ze was voor het arrest, al wist ik ook niet, wie gelijk of onge„ „lijk had, eenlijk om hun te doen zien, datze hun eijge regter in ons Conquest niet mogten zijn, en dat de geen, die iets te pretendeeren had, met zijn pretentie bij de Comp:, als haar opperheer, Jn het decideeren van diergelijke dingen, in„ „formeerde ik mij eerst bij oude en onpartijdige inlanders, na de langte possessie, de gesteldheijd en legginge der questieuse stukjes grond, met betrekkinge tot de buijten questie zijnde landen, zo van de klagende als beklaagde parthij, om daar uijt min of meer te kunnen beoordeelen, waar toe die questieuse gronden bij de oude dee„ „linge der Landerijen wel het natuurlijkste zouden behoord hebben, het geen egter wat moeije„ „lijk viel, om dat men geene behoorlijke naart heeft van de Landen die de Comp: hier bezit„ het geen een Capitael defect is; daar is wel een kaart, maar die bevat meer de sterkkinge der „reviere en de boorden der landen, maar de inni„ „ge regte gesteldheijd, blijkt daar niet bij Alen zegt, dat de Landen hier niet wel„ voegelijk gemeeten en in de kaart kunnen kan komen gebragt worden, om dat de inlandse vorsten, te ag„ „terkouzig zijnde, argwaar opvatten en de meetinge, op allerleij listige wijze moeijelijk zouden ma„ „ken en beletten; dit heeft zekerlijk eenigzints zijn bedenkinge; dog het nut en de noodzakelijk„ „heijd van een goede kant, dienkt mij is van te en dient bij gelegentheijd eens grooten belang; om daar van niet eens met goed over„ „leg een preuve teneemen, en zulks te beginnen bij voorbeeld met onze naast bij gelegenste districten, en zo vervolgens, om den inlander ongevoelig daar aan te gewennen, en te doen zien, dat zulks niets vreemds, nog uijtzigtelijk in zig behelscht. Als ik mij dan na alles, wat ter zaak dienen kon, ge-informeerd en een ider vrijheijd gelaten had, de egtheijd van zijn pretentie, of possessie, zo goed hij kon te bewijzen, dan decideerde ik de questie na mijn beste kennisse, en bevond ook doorgaans, dat de pretenties ongefundeert waaren, en dat de parthij, die in de possessie was, maar gezogt en moeijelijkheijd aangedaan wierd. Maar als er wederzijds te veel voor en tegen hoedanig men handelt was, en ik ook voor mij geen vrijheijd vond, om als er questien onder hen kome hun verschil finaal te decideeren, dan hebbe ik mij wel eens van een ander huijsmiddeltjes be„ „diend, want dan recommandeerde ik hun, om de zaak nog eens bedaard te overleggen, en zig met elkander te verdragen, onder herinne„ „ringe, dat zij anders gevaar zouden loopen, dat gebragt 0 de e
English
771. +21 to the Company, there was much dispute. Nature of the ruler of Cranganore. Yet, after serious persuasion, they finally yielded, as the disputed land would otherwise have been confiscated for the Company, according to the proverb that where two fight over a bone, a third runs off with it; and then I usually saw that they came to an agreement with one another. Also, during the examination of their complaints, I occasionally noticed that they brought forward disputes that had long since been settled by one or another governor, though under a completely different guise; but whenever I noticed this, I always referred them back to the original decision, so as not to let their disputes drag on indefinitely. There is still something to be mentioned concerning these rulers collectively. Previously, they had never contributed anything to the Company for its protection; but since, or rather from the year 1760, tithes have been levied with great difficulty from their lands situated in the Conquest of Paponetty, and as for the arable fields therein, a tenth of the crop and not of the seed sown. Yet it is impossible to describe how unwilling they were in this regard, and how many evasive maneuvers they made about it. Indeed, how Cartamane, although possessing the least land, was the worst and most stubborn in these oppositions, and even remained unwilling after AyCotta and Cranganore had already condescended to it, until he too was finally compelled to assent. And although these tithes were subsequently collected without hindrance, they nevertheless repeatedly attempted to get rid of them again, making the strongest representations to that effect whenever an opportunity arose. But since I made them understand that they were never to expect any change in this matter, and that if they caused further unrest over it, they ran the risk of having to pay the tithes dating back from the time they came under the protection of the Company—namely, since the Zamorin Contract of 1710 and 1717 until 1760—they have left me in peace regarding it. These tithes were properly leased out and collected annually at Paponetty. Now I shall say something about each of these three petty rulers in particular, and begin with Cranganore, who, as may be deduced from the foregoing, is the most noteworthy among them. The King himself is of a particularly good-natured disposition and simple intellect, being, by virtue of his caste, very devout. 772. 123. The affairs of the realm were not governed by him, but by two of his grandees who found the most favor with him, which lasted until they were dismissed and replaced by others. But when matters of importance arose that caused them embarrassment or made them fear evil consequences, all the court nobles assembled together, who then bickered miserably because everyone wanted to push his own opinion through without regard for the common interest. If they could not agree, the ruler took his refuge in the great pagoda, from which the verdict was supposedly sought in secret from the idol by one of the most prominent and shrewd pagoda servants and brought outside by that same servant; however, it was usually ambiguous and in a manner sufficiently in accordance with the state of affairs, yet tailored to the notion that the common people held of it, and then that pronouncement was regarded as a divine oracle, just like the oracles of the ancients. I have never been able to obtain accurate knowledge of the Cranganore revenues, because it is generally customary among the Malabars to conceal the details of their revenues from others, no matter how small they may be. However, I know that the revenues from the sowing have amounted to around 20 to 25000 parras of Nelij, and about as many Cochin fanums a year. Furthermore, this ruler is practically defenseless and has no power to mount any defense, and thus his petty realm would long ago have been seized by one or another native ruler had he not stood first under the special protection of the Zamorin and subsequently under that of the Company, although the Company was recently unable to protect him against the superior force of the Nabob Hyder Ali Khan, and had work enough to protect itself against that tyrant and to block him in his further advance. For this reason, the King of Cranganore receives for his maintenance, for the time being and until further orders from the Company, a monthly allowance of 50 ropias, as evidenced by the resolution of 14 July 1777. Yet, some time before the Nabob's hostile invasion, when he already had his sights set on Cranganore, I managed with great difficulty to preserve this petty king, maintaining the Company's authority while giving no offense to the Nabob; I say giving no offense because at that time he had not yet done anything hostile against us, and we were then obliged to observe the strictly enjoined neutrality and take care not to provoke him.
Dutch transcription
771. +21 om thiendens aan de Comp: opt rostjen veel toet zeggen gehad Hoedarigheijd van de Cranga„ „noorser/ vorst Dog na ernstigen overtruiging habben ze deen in gewisl: lijt de questieuze grond voor de Comp: zoude ingetrok„ „ken worden, volgens het spreekwoord, dat waar twee om een been vigten, een derde daar meede heen gaat, en dan zag ik doorgaans, dat zij zig met elkander verdroegen. Ook hebbe bij de examinatie van hunne klag„ „ten nu en dan wel eens gemerkt, dat zij verschil„ „len, die reets lange door de een of ander hoofd„ „gebieder uijtgeweezen waaren, weder te voorschijn bragten, egter onder een geheel ander gedaante; dog als ik dit merkte renvoijeerde ik hun altoos na de eerste decisie, om hunne verschillen niet in het oneijdige telaten loopen. Nog is en iets dat nopens deze vorsten gezament„ „lijk temelden valt Voor dezen hebben zij nooijt iets aan de Comp: bringn dartgen wet e e oer haare protectie gecontribueert; maar t: Zee„ „dert, of eijgentlijk van 't Jaar 1760. , heeft men met veel moeijte van hunne landerijen, die in 't Conquest Paponettij leggen, Thienders geheven en wat de Zaaijvelden in dezelve aangaat, een thiende van het gewasch, en niet van 't gezaaij„ dog het is niet te zeggen hoe onwillig zij daar toe geweest zijn, en hoe veel kromme sprongen zij daar over gemaakt hebben, Ja hoe Cartamane, schoon de minste landen bezitten„ „de, in die tegenstrubbelingen de ergste en hardnekkigste geweest, en zelfs nog onwillig Cranganoor, die gelijk uijt het voorschreeven afteleijden is, onder hun wel het meeste in aan„ „merkinge komt De koning op zig zelfs, is van een bijsonder goedaardigen inborst, en eenvoudige verdiepinge, zijnde, uijt hoofde van zijne Casta, zeer devoot gebleeven is, na dat AijCotta en Cranganoor al reets daar in gecondescendeert hadden, tot dat hij eijndelijk ook wel genoodsaakt is geworden bij tevallen En schoon die Thiendens 'tzeedert onverhin„ „dert ingevordert wierden, zo probeerden zij eg„ „ter telkens om daar van weder bevrijd te raken, en zo dat zij, als het maar tepas kwam, de kragtig„ „ste representatie daar toe deeden, dog zedert ik hun hebbe doen begrijpen, dat zij daar omtrend nooijt eenige veranderinge te wagten hadden, en zij verdere beweeginge daar over maakende, gevaar liepen om zelfs de thiendens temoeten betalen, van dien tijd al af, dat zij onder de protectie van de Comp: gekomen zijn, namentlijk 'tzeedert het sammorijnse Contract van 1710 en 1717. „ tot 1760. , zo hebben ze mij daaromtrend met rust gelaten: deze Thiendens wierden eijgentlijk Jaar„ „lijks te Paponettij verpagt en ingezamelt. Nu zal) ik iets van een ieder, dezer drie vorst= „jes, in het bijzonder melden, en beginnen met gebleeven De t 772 123. waargenoomen word soo proot de Jnkkomsten van d to rijssse zijn bij den voorigen indrang van den gelijkheeden gehaed hem te beheuden hoe gering De zaaken van het rijk wierden niet door hoe desself Rijkl bestiering hem, maar door twee zijner rijks-grooten bestierd, die bij hem het meeste gezien waaren, het geen zo lange duurden, tot datze daar uijt gebonst en wee„ „der door ander vervangen wierden: Dog als er zaken van belang voorkwaamen die hun verlegen maakten, of voor quade gevol„ „gen deeden dugten, dan kwamen de gezamentlij„ „ke hofs-pooten bij een, die als dan elendig harie — „warden, om dat een ieder zijn gevoelen wilde doen in zaaken van belangnunt doorgaan, zonder te letten op het algemeen belang, dien vorst zijn toeglugt tot den als zij het niet eens konden worden dan na„ pagood, waar van de uijtspraak, door een der aanzien„ „lijkste en schranderste pagood-bediendens, quans„ „wijs in 't verborgene, den afgod afgevraagd en door die zelfde bediende buijten gebragt wierd, dog doorgaans dubbelzinnig, en op eene wijze, ge„ „noegsaem over- een-komstig met de gesteldheijd der zaken, maar al geschikt, na het denkbeeld, dat het gemeen daar van had, en dan wierd die uijtspraak ook als een Godspraak gehouden, even als de orakels der ouden. De Cranganoorse inkomsten hebbe ik nooijt regt teweeten kunnen krijgen, om dat het in 't algemeen de mallabaaren eijgen is, het articul hunner re„ „venuën, hoe gering die ook zijn, voor andere te ver„ „bergen, dog de inkomsten van het gezaaij, weete ik, hebben beloopen omtrend op 20 à 25000. par„ „ras Nelij, en omtrend even zo veel Cochimse fa„ „nums 's Jaars. Voorts is deze vorst genoegzaam weerloos en heeft geen vermoogen om eenige defensie te doen, en dus zoude zijn rijkje al lange door de een of andere inlandse vorst weggenomen zijn, indien hij niet eerst onder de speciaal protectie van den sammorijn, en 't zedert onder die van de Comp: gestaan had, schoon de Comp: hem laatst tegen de overmagt van den Nabab Haijder Alij„ „chan niet heeft kunnen beschermen, en zelfs „naar te bevijligen, en hem in zijn verderen vaart te sluijten, en daarom geniet de koning van Cranganoor ook tot onderhoud voor eerst, en tot nadere order van de Comp:, 'smaands een Commetse van 50. ropias, „ blijkens resolutie van den 14. Julij 1777. Egter heb ik eenigen tijd voor 's Nababs vijan„ „delijken inval, toen hij het al op Cranganoor gemunt had, dit koningje nog weeten te behou„ Nabab heeft met viel moeijden, 'sComp„s gezag te bewaaren en evenwel de Nabab geen ongenoegen toe tebrengen; ik zegge geen ongenoegen toe tebrengen, om dat hij te dier tijd nog niets vijandelijks tegen ons gedaan had, en wij toen de zo zeer aanbevoolene neutrali„ „tuijt, moesten in agt neemen, en zorgen om hem, „men zij den toevlugt tot hun afgod in de groote werk genoeg had, zig zelven tegen dien gewelde„ ik afgod is geweog
English
The Company's fort Cranganore is located in this realm to prevent smuggling. Anno 1772, regarding the pepper. The attachment of this petty king to the Zamorin has caused many difficulties. To keep him in good humor as long as possible, notwithstanding that the king of Cranganore himself was indeed the cause of the Nabob already demanding a tribute from him then, because of his scheming behind the Company's back and his secret attachment to the Zamorin; all of which has been dealt with in its details in a separate letter written to Batavia, dated the 18th of June 1774; whereby he had well deserved that the Company should merely have eradicated him and annexed his land for itself; at least, had he behaved in such a manner under the protection of any other European nation, such would undoubtedly have happened to him. And because this realm, on account of the sea inlet of Aycotta, is so well situated for smuggling, the Company therefore has the well-known little fort Cranganore in a very well-situated place; past which fort everything must pass that goes across the river from the north to the south, yet now and then some pepper was indeed smuggled, and I have even reflected that, if the king or his court dignitaries did not directly have a part in it, they nevertheless permitted it connivingly in order to obtain a gratuity, to which they, because of their greed and meager circumstances, were amenable; but in that regard I once made an example, which can be found in the resolution of the 20th of February 1772, and further communicated to Batavia by letter of the first of May following, and since then we have not heard so much of smuggling in pepper on that side, but now that the Nabob is master of that region, smuggling on that side will not be able to be prevented as much, yet I must also say that not very much pepper actually grows in that region; at least not so much that it could significantly harm us. Yet, however insignificant this kinglet has been, one has nevertheless not had to treat him too much as a trifle, not because he was so troublesome of his own accord, but because, being related to the House of the Zamorin, in case of dissatisfaction and when he thought he was wronged, he always intrigued with the Zamorin, who then also always secretly supported him in one way or another, which caused only trouble for the Company, at least how very much he is inwardly attached to the Zamorin has been best demonstrated, among other things, during the first and second incursions of the Nabob upon the Zamorin, whereby this kinglet brought the uttermost misery upon himself, as proof that he wished to respect the secret support that he has to expect from the Zamorin. As for what specifically concerns the particulars of the person, lineage, and reign of the Cranganore king, the qualities of this king do not differ from those of his predecessors; his Rajadors also direct affairs according to their pleasure, and when something must be signed by the king, they simply place a writing or ola into his hand, which he signs without hesitation. Anno 1774 the old King died, and the crown prince succeeded him. This one immediately began to put on airs, for when a single subject of his, who lived in the Company's conquest, had not come to court quickly enough to mourn the deceased king according to custom, he had a seizure placed on that piece of land upon which that man lived, and the fruits of the land taken away, even uprooting some trees, but I, having received knowledge of this, immediately had the seizure revoked, and let the king know that such harsh executions of justice, having occurred without my prior knowledge, were not permitted in our conquest; I would not have done this so strictly, but I thought that such was not bad in the beginning, all the more because the seizure had been placed on a piece of land that was in dispute, and since then the young King has undertaken nothing of the kind. Presently he still resides, as previously always, namely on the other side of the river in his palace, and since he still holds lands there and can find his maintenance from them, he receives no assistance from the Company like the others who have retained nothing. It is true, he has requested it of me several times, but I have convinced him and shown him that he, being more fortunate than the others who have lost everything, cannot aspire to any maintenance, and since then he has also made no further applications. Cartamana is one of the restless princes. I have reflected from the papers that the Cartamana princes have always been very troublesome, and generally occupied themselves with trifles and tricks, just as the present Prince especially understands that art very well. In the beginning of my administration, he immediately had a dispute with the other petty rulers; he also complained constantly, first about the Resident Medeler, thereafter about the Resident Breekpot; on the one hand, I understood well that much calmness and even local experience is required to keep the balance in equilibrium in that place and among the natives, but it appeared to me at the same time that Cartamana did not act straightforwardly and continually gave the residents their hands full of work, which is why I once had Cartamana come into the city, and, after his retinue had gone outside, told him the thorough truth, upon which occasion
Dutch transcription
773 125 Het Comp=s Jort Cranganoor legd in dit Eijksen om den sluijkerig te beletten A:o o 172. omtrend de peper De verknogtheid van dit wr „je aan den Cammorijn heeft veelen moeijelijk heeden verschaft zo lang mogelijk, in een goeden luijm te houden, niet tegenstaande het koningje van Cranganoor zelfs wel de oorzaak was, dat de Nabab, toen al een Contributie van hem eijschte, weegens zijn gemonkel, buijten 'sComp„s weeten en hijmelijke gekleeftheijd aan den Cammorijn; welk een en ander in zijne omstan„ „digheeden verhandelt is, bij aparte briev na Bata„ „via geschreeven, onder dato den 18 Junij 1774; waar door hij wel verdiend had, dat de Comp: hem maar uijtgeroeijd en zijn land aan zig getrokken had; ten minsten, indien hij onder de protectie van ee„ „nig ander Europeeze natie zig zodanig gedragen had, zoude hem zulx ongetwijffeld overgekoomen zijn. En om dat dit rijk weegens het zeegat van Aij„ „cotta zo wel gelegen is, voor sluijk-handel, zo heeft de Comp: daarom het bekende fortje Cranganoor of eene zeer wel gelegene plaats; voor bij welk fort alles passeeren moet, dat over de revier van de noord na de zuijd gaat, egter wierd en nu en dan wel wat peper geslooken, en ik heb zelfs gereflecteerd, dat, indien de koning of desselfs hofs-grooten, daar al eens, geen deelin, mogten gehad, zij egter zulx oogluijkende toegelaten hebben, ter erlanging van een douceurtje, waar toe zij weegens hunne hebzugt en sobere omstandig„ een gestatueerd Exempesin„heeden, zig lieten vinden; dog ik heb daar omtrend eens een exempel gestatueerd, het geen te vinden is bij resolutie van den 20. februarij 1772. , en nader na Batavia bedeelt, bij briev van den eersten Meij daar aan, en zeedert hebben aan die kant van geen sluijkerije in peper zo zeer meer gehoord, dog nu de Nabab van die Landstreek meester is, zal het sluijken aan die kant zo veel niet kunnen belet worden, egter moet ik ook zeggen, dat er op die Landstreek Juijst niet heel veel peper vald; ten minsten niet zo veel, dat het ons van belang scha„ „den kan. Dog hoe gering egter dit koningje geweest is, zo heeft men hem evenwel niet te veel en bagatel moeten tracteeren, niet om dat hij van zig zelfs zo ongemakkelijk was, maar, om dat hij op het huijs„ van den Cammorijn betrekking hebbende, in Cas van onvergenoegdheijd, en als hij meende, dat hem on„ „gelijk aangedaan word; altoos met den sammo„ „rijn konkelde, die hem dan ook altoos op de een of anderwijze hijmelijk ondersteunde, het geen voor„ de Comp: maar moeijelijkheijd baarde, ten minsten hoe zeer hij innerlijk den Cammorijn toegedaan is, heeft men ander andere het beste kunnen zien, bij de eerste en tweede afkomste van den Nabab op den sammorijn, waar, door dit Koning„ „je zig de uijtterste miserie op den hals; gehaald heeft, ten bewijze, dat hij heeft willen respec„ „teeren, de hijmelijke ondersteuninge, die hij van de sammorijn te wagten heeft. wat nu eijgentlijk het bijzondere van Hijvoer aangaat, de hoedanigheeden Meij van sluijkerij 774 127. De hoedanigheiden van het cijner„ van die van den Cranganoor den het tegenwoordig koning s heeft willen toonen maaris tijdig daar ingesluijt overkant van pap:s „tijse willen zoeken „sen keningsen verschillen niet van zijn Perzoon, geslagt en regeering, is meede als die van Cranganoor. zijn Ragiadoors dirigeeren, de zaaken ook na hun believen, en als er iets door de koning moet getekend worden, stoppen zij hem maar zo een schrift „tuur of ola in de hand, het geen hij gerust weg tij„ „kend, Anno 1774 is de oude Koning gestorven, en de kroon-prins, is hem opgevolgd. Deze begon al ten eersten figuuren temaaken, zin vermogen op paponattij want toen een enkel onderdaan van hem, die in 'sComp„s Conquest woonde, niet spoedig genoeg ten hoove gekoomen was, om na den gebruijken, den rouw van den overleedene koning te beklagen, liet hij arrest leg„ „gen op dat stuk grond, waar op die man woonde, en de vrugten van 't Land wegneemen, Ja zelfs ee„ „nige boomen uijtroeijen, dog ik hier van Nennis krijgende, liet het arrest ten eersten intrekken, en den koning weeten, dat die harde regts-oeffeningen; buijten mijn voorkennisse geschied zijnde, niet ge „permitteerd was, in ons Conquest; ik zoude dit zo zeer niet gedaan hebben, dog ik meende, dat zulks in 't begin niet quaad was, te meer, om dat het arrest gelegd was, op een plaats, die in ques„ „tie was, en zederd heeft de Jonge Koning niets diergelijks meer ondernoomen. Jans houd hij zig nog op, gelijk bevoorens hij houd zigthan, op aan den altoos, namentlijk aan den overzijde van de revier in zijn paleij, en dewijl hij daar nog landen heeft, en daar uijt zijn onderhoud vinden kan, zo krijgt hij van de Comp: geen onderstand, gelijk de andere, die niets over behouden hebben, 't is waar, hij heeft mij eens en andermaal daar om versogt, dog ik hebben hem overtuijgt, en doen zien, dat hij geluk„ „niger zijnde, als de andere, die alles verlooren hebben, na geen onderhoud aspireeren kan, en 'tzedert heeft hij ook geen aanzoek meer gedaan Cartamana is een van de onrustige princen; zieken ik hebbe uijt de papieren gereflecteerd, dat de Cartamaanse princen altoos zeer quastig geweest zijn, en zig doorgaans met beuzels en streeken opgehouden hebben, gelijk dan de tegenswoordige Bins, inzonderheijd dat kunstje zeer wel verstaat. Jn het begin van mijn bestier, had hij al ten eersten questie met de andere vorstjes; ook klaag„ „de hij telkens, eerst over de Resident Medelen: daar na over de Resident Breekpot; ik be„ „greep aan de eene kant wel, dat er veel be„ „daardheijd en zelfs eene landkundige enarent„ „heijd vereijscht, om daar ter plaatse en onder de inlander, de balan in evenwigt tehouden, dog heeft questij in het paponet„ mij bleek teffens, dat Cartamana niet voor de vuijst handelde en bij Continuatie de resi„ „denten de handen vol werks gaf, waarom ik Car„ „tamana eens in de stad hebbe laten komen, en hem, na dat zijn gevolg buijten was ge„ „gaan, van deeg de waarheijd gezegt, bij welke daar occagien Carta geest e E
English
775 129 but having once been thoroughly admonished, he thereupon came to improvement. The Paijencherijs keep themselves here, their lands. Colastrij, is also for reasons. Reasons why a detailed account. occasion, I unmasked him entirely, clearly presented his tricks and doings to him, and showed all his faults to him as in a mirror, so that he would at least see that he was known to me; yet I had the satisfaction that he hardly dared to deny anything to me, and when I reminded him of his mature years, and how ugly such qualities are in a man of birth and still uglier in a prince, he requested of me that I would not expose him, and promised improvement, as he has indeed taken somewhat better care of himself since then than before, as proof that heartfelt words sometimes achieve more than those two extremes of being all too good or all too severe. According to the Resolution of 8 September 1777, he also enjoys, until further orders, 40 ropias a month for maintenance. These princes as well as the aforementioned landlords, the Paijer Cherij Nairos, having been driven out of their lands by the Nabab, these last-mentioned princes keep themselves here and there in the vicinity and around their lands, hoping for a change of times for the better, and manage in a frugal manner with what the Company provides them monthly for maintenance, except Aijroer, who does not need it as desperately as the others, as is mentioned hereinbefore. An account of the kingdom of Colastrij, to which we presently have even less relation than to the Samorijn; nevertheless I have also deemed myself obliged to give briefly the essentials of the same in their context, and of what the Company had to do with that kingdom until its subversion, all the more because one can thereby at the same time obtain better light, as well regarding the Moors. One will possibly say that all this preceding regarding those princes, namely of Cranganoor, Aipoer, Cartamana and the Paijencherijs, lapses, at least is no longer so much relevant now; yet I have deemed myself obliged to set down the one and the other nevertheless, because in case affairs here should change for the better, and the lost region might come into our hands again, the cited particulars in this may still serve for some information to the person who holds authority here; at least, arriving here and finding no proper light in the papers regarding the connection these princes have with one another, I had quite a bit of work to obtain a coherent idea of those details, without which, however, one cannot handle affairs properly, nor be at ease with oneself that one has acted on one's part according to conscience and duty. The fourth or last chief kingdom of the Mallabaar is.
Dutch transcription
775 129 dog eens ter deeg vermaand zijnde is hij daar op tot beter„ „schap geekomen in hijood ok, vonde Compsonder„ de Paijencherijs houden zig hier hunne landen Colastrij, word ook om reedenge Reedenen waarom een zo „standig verhaal occagie, ik hem geheel ontmaskerde, zijne stree„ „ken en gedoentens, duijdelijk voorhield, en alle zijne gebreeken, aan hem, als in een spiegel, ver„„ „toonden, op dat hij ten minsten zien zoude, dat hij bij mij bekend was, dog ik hadde het genoe„ „gen, dat hij mij genoegsaam niets duwde ont„ „kennen, en toen ik hem herinnerde zijne wijze Jaaren, en hoe lielijk zulke hoedanigheeden in een man van geboorte en nog leelijker in een pijs prins zijn, zo verzogt hij mij, dat ik hem niet ten toon wilde stellen, en beloofde beterschap, gelijk hij zig dan ook 't zeedert wat meer, als be„ „voorens, in agt genoomen heeft, ten bewijze, dat een hartelijke taal, zomtijds meer vermag, als die twee uijtterstens van al: te goed, of al te straf, ter„ zijn. Volgens Resolutie van 8 september 1777, ge„ „niet hij ook, tot nadere ordre, 'smaands aan onderhoud 40 ropias. Deze vorsten zo wel als de voorschreeven landheeren de Paijer Cherij Nairos, door den Nabab uijt hunne landen Deezen laastgen: vorstses en verdreeven zijnde, houden zig hier en daar op in de buurt en daar op„ om het gemijt van en omstreeks hunne landen, hoopende op veranderinge van tijden ten goede, en behelpen zig op een sobere wijze, met het geen de Comp: hun maandelijks tot onderhoud verstrekt, uijtgenomen Aijroer, die 't zo hoogst niet noodig heeft als de andere, gelijk hier boven ge„ meld is. Colastrij; waar toe wij tans nog minder Een verhaal van het rijk van betrekkinge, als tot den sammorijn, hebben; egter hebben mij ook verpligt geoordeelt, het Hoofdzakelijk van het zelve, en van het geen de Comp: met dat rijk tot zijn overkeeringe toe, te doen gehad heeft, in zijn te sa„ „menlang kortelijk op te geven, temeer men daardoor teffens beter ligt kan krijgen, zo nopens den Moors Men zal mogelijk zeggen, dat all dit voorgaan„ die vorst :o„ =e, namentlijk van Cranganoor, Aipoer, Cartamana en de Paijencherijs vervald, ten minsten nu zo zeer niet meer te pas komt, dog ik hebben mij verpligt geoordeelt, het een en ander evenwel ter neder te stellen, want ingevalle de zaaken hier eens ten goeden veranderden, en de verloorene Landstreek„ weeder in onse handen mogt komen, dan van het aangehaalde in dezen nog al tot eenig narigt strekken, van den geenen die hier het gezag heeft; ten minsten ik hebben hier komende en bij de papieren geen behoorlijk ligt vindende, weegens de Connectie die deze vorstses op elkander hebben al vrij wat werks gehad om een aangeschakteld denkbeeld van die bij„ „zonderheeden te erlangen, en zonder welk men eg„ „ter de zaaken niet behoorlijk behandelen kan, nog bij zich zelve gerust kan zijn, dat men aan zijne zijde na gemoeden en pligt gehandelt heeft. Het vierde of Laatste Hoofd Koningrijk van de Mallabaar is Men Regent d ahouden E „daan e gedaan
English
it has extended 52 miles in its length Laccadive Islands Adij Ragia's shipping trade has made this kingdom flourish yet this prince has also caused many disturbances in the same conclusion of the contracts between Colastrij and the Company conquest of Cannanoor by the Company from the Portuguese under the state of the Portuguese of that kingdom Regent Adij Ragia and his debt to the Company, as well as the so-called Collastrij debt, or a certain sum that the Company still has to claim from the king of Colastrij. This kingdom was formerly also in a flourishing state, through the favorable sale of its products, especially pepper, cardamom, and sandalwood, as well as through the advantageous and extensive trade to various regions in the Indies. The same extends northward up to Cape Monte Delly, 9 miles north of Cannanoor, and southward to the river that separates Cotteer and Bargare from each other, for a length of 52 miles, thus lying between the kingdoms of Canara and Sammorijn. One must also know that the Laccadive Islands in ancient times likewise belonged under the kingdom of Colastrij, although the Moorish regent Adij Ragia has since become master of them. To the flourishing of this kingdom, this Adij Ragia contributed not a little by means of his small vessels, which transported the domestic products and brought back all kinds of sought-after return goods. This Moor became in time so rich and powerful for his princes and supreme lords, that in the course of time he almost always played the leading role in the numerous confusions and division with which this kingdom continually had to struggle. Until the arrival of the Portuguese at the beginning of the 15th century, this kingdom was still in a flourishing state; but no sooner had the Portuguese obtained the freedom to build a fortress at Cannanoor, than they not only made themselves masters of the products of the land, but also of the maritime trade, so that the prosperity of this kingdom was brought to naught, and the tyrannical conduct of the Portuguese went so far that prince and subjects longed to get rid of the Portuguese. This succeeded at the beginning of the year 1663, when the fortress of Cannanoor was captured from the Portuguese by the Company's arms. Shortly thereafter, the princes of Colastrij concluded a contract of peace and friendship with the Company, subsequently a commercial treaty, and toward the end of 1664 Adij Ragia was also included therein. Yet these treaties, however solemnly entered into, were from the beginning observed very poorly, even though they were further confirmed in the years 1680 and 1682. The continual disagreements among the princes of the realm and intrigues with our competitors revealed themselves very early, and Adij Ragia knew how to make such good use of these disagreements that he meanwhile strongly fortified himself in his bazaar and [illegible] several fortifications around the same.
Dutch transcription
776 137 et ilar geboekgen en boo heeft zig uijtgestekf 52: mij„ „len in zijne lengte o kerdivose Eijlkenden Afdij Rapias scheeps vaard heeft dist zijk doen bloeijen doog dezen vorst heeft in t zelven ook veelen verweeringen ver„ ges voe sluijting der Confracten tusschen Colasfrij en de Con: verovering van Canpanoor door de Comp: van Ee portigeezen ondare de gesteling van den partuigae„ van die Rlijk gewrst Regent Adij Ragia en zijn schuld aan de Comp:, als van de zo genaamde Collastrijse schuld, of zeekere som„ „ma die de Comp: van den koning van Colastrij nog te pretendeeren heeft. Dit rijk dan was wel eer, meede in een bloeijen„ „den staat; door favorablen vertier van desselfs pro„ „ducten, inzonderheijd van peper, Cardamom en zan„ „delhout, gelijk ook door den voordeeligen en uijtge„ „strekten handel, naar verscheijden gewesten in Jndien Het zelve strekt zig noordwaards tot aan Caab monte Dellij. 9. mijlen benoorden Cannanoor, en be „zuijden tot aan de Revier die Cotteer en Bargare van elkander scheijd, ter lengte van 52. meijlen, leggende dus tusschen de rijken van Canara en Sammorijn Ook diend men teweeten, dat de Lakkerdivose en zonder zig gehad de lat „ Eijlanden, in al oude tijden insgelijk onder het rijk van Colastrij behoord hebben, schoon de Moors regent meester Adij Ragia, 'tzedert daar van geworden is. Tot den Bloeij van dit rijk Contribueerde niet weijnig, deze Adij ragia, door middel van zijne scheepjes, die de Landsproducten vervoerden, en aller„ „lij gewilde retouren te rug bragten. Deeze moorman, wierd hier door met er tijd zo rijk, zijn van en magtig voor zijne vorsten en opperHeeren, dat hij in het vervolg van tijd, bij na altoos de voornaamste Roll gespeelt heeft, in de meenigvuldige ver„ „warringen en verdeeltheijd, waarmeede dit rijk bij Continuatie te worstelen gehad heeft. Tot de komste der Portugeezen in het begin van „zen op Canpangen is gen ondergang de 15=e Eeuw was dit rijk nog in een bloeijende staat, dog zo dra, hadden de Portugeezen geen vrijheijd ver„ „worven, om te Cannanoor, een vesting te bouwen, of ze maakten zig niet alleen meester, van de producten des lands, maar ook van den handel ter zee, zo dat de welvaart van dit rijk te niet, en de tirancque handelwijze der Portugeezen zo verre ging, dat vorst en onderdanen verlangden, om van de Portugeezen ontslagen teraken. Dit gelukte in 't begin van 't Jaar 1663. , wanneer de vesting Cannanoor, door 'sCompagnies wapenen op de Portugeezen verovert wierd. kort hier na, slooten de vorsten van Colastrij met de Comp: een Contract van vreede en vriendschap„ vervolgens een Commercie Tractaat, en teegen het eijnde van 1664. wierd Adij Ragia daar ook onder begreepen. Dog deze tractaaten, hoe plegtig ook aangegaan, wierden al in den beginne zeer gebrekig nagekomen, hoe wil dezelven, in den Jaaren 1680 en 1682. nader bei„ „vestigt wierden. De Continueele oneenigheeden, onder de rijks vor„ d„sten, en honkelarijen, met onze Competiteuren, openbaarden, zig al vroeg, en Adij Ragia wist zig van deese oneenigheeden, zo wel te bedienen, dat hij zig intusschen op desselfs bazaar, zeer ver„ „sterkte en verscheijde vesting-werken rondom de„ Continuatien „selve getwekt iteuren E
English
777. 497 entirely quiet, due to an arisen murmur that subsequently burst out into a war. Colastrij was supported by the English and Adij Ragia by the Company. undertaken by Colastrij, the peace was concluded. Colastrij, was, by the superior force of the Canarese forced to submit to them but with the appearance of the [illegible] they settled the matter without minding the mediation offered to them by the Sammorijn and the Company and went further raised itself. These disputes went so far around the year 1718, in the year 1718 to the Company's trade, that the Company's trade at Cannanoor came to a complete standstill between the Nairos and the Moors, caused by an irreconcilable bitterness between the Nairos of Collastrij and the Moors, or rather the people of Adij Ragia, on account of a murder committed upon a Moorish priest; so that the servants of Cannanoor were instructed to offer the Company's mediation to the disputing parties, in order, if possible, to reach a settlement, but this was fruitless. The disputing parties entered into open war in the year 1721; a general attack was made on the Moors, in which the same suffered significantly. The Collastrij people were supported by the English, and Adij Ragia was shown assistance from our side by the servants of Cranganoor. The English had hopes that if the bazaar of Adij Ragia were captured, it would be left to them. The Collastrij Naijros indeed attempted a general storm, but after an unsuccessful storm on the bazaar they were repulsed, and in the year 1723 a settlement was reached between the parties, whereby it was agreed that Adij Ragia had to pay a handsome sum of money to Collastrij. This peace, however, was of short duration, for one of the disgruntled princes could not forget the affront done to him by the Moors, fell short. Thus the hostilities began anew. Adij Ragia fell short at first, but in his turn again gained some advantages over Collastrij. The King Sammorijn sent his envoys to pacify the parties, and the Company's mediation was also offered, but in vain, so that one had to let the disputing parties drift. Finally they were compelled to set aside their dispute for a while, King of Canara against Colastrij, and to unite against the military force of the King of Canara, who, in the year 1732, made an invasion into the Kingdom of Collastrij with a considerable force. The Princes, reinforced with English and Sammorijn auxiliary troops, indeed offered brave resistance, but were defeated and lost many people, cannons, and firearms. Shortly after this, the King of Colastrij died, and the state of the Kingdom deteriorated to such an extent that the then ruling prince abdicated his entire kingdom to the King of Canara. Because of this, the Canarese General became so formidable that, whereafter the Canarese sought to persecute the Moors, he intended to exterminate the Moors of Adij Ragia and Cotteate, as in the Cotteate territory, belonging under the Collastrij Kingdom, there are also very many Moors. report 6 there there [illegible] submit persecute Moors
Dutch transcription
777. 497 gants stil, door een ontstaanen ge„ mooren Dat vervolgens tot een oorlog uij „bersten Solastrij wierd door de Engelsen en adij Ragia door den sComp: ondersteurt door Clastrij ondernomen, wierd de vreeden getroffen Colastrj, woord, door den overmagt der Cannareesen gedwoongen zig aan hen te maar met de verschijning van den lijden zij de zaak bij zonder zig te stooren aan de mediatie door den sammorijn en de Comp: hen aang en raa te verder „selve opwierp Deze oneenigheeden gingen, omtrend het Jaar 1718 in A:o 1718 to d' Comp:s handel zo verre, dat 's Comp„s Negotie te Cannanoor geheel esche tescen den Nairosen en den stil stond, veroorsaakt, door eene onversoenelijke ver„ „bittering, tusschen de Nairos van Collastrij en de moo„ „ven, of eijgentlijk het volk van Adij Ragia, om de wille van een moord, aan een moors priester ge„ „pleegd; zo dat men de bediendens van Cannanoor last gaf, om ss Comp„s mediatie de twistende parthijen aantebieden, ten eijnde, des mogelijk, een vergelijk te tressen, dog zulx was vrugteloos. De twistende parthijen geraakten Anno 1721 in openbaaren oorlog; daar wierd een Generaale attacque op de mooren gedaan, waar bij deselve merkelijk te Den Collastrijsen wierden ondersteunt door de Engel„ „schen, en Adij Ragia wierd van onze zijde hulpen beweezen, door de bediendens van Cranganoor. De Engelschen hadden hoopen, dat indien de bazaar van Adij Ragia vermeesterd wierd, dezelve aan hun zouden overgelaaten werden. De Collastrijse, naijros, waagden wel een generaale storm, Maar na een mislukte storm op de bazaar, dog wierden afgeslagen, en anno 1723, wierd tusschen parthijen, een vergelijk getroffen, waar bij bedorgen wierd, dat Adij Ragia een goede somma gelds aan Collastrij betaalen moest. Deeze vreede, was egter van weijnig duur„ want een der misnoegde princen konde het kort schooten. affront, hem door de mooren aan gedaan niet vergeeten; Dus begonden de vijandelijkheeden weder op nieuw, Adij Ragia schoot in 't lrst te kort, dog behaalden op zijn beurt, weederom eenige voordeelen op Collastrij. De koning Sammorijn zond zijne afgezanten, om de parthijen te bevreedigen, en 'sComp:s mediatie wierd ook aangebooden, dog te vergeefs, zo dat men de twistende parthijen moest laaten drijven Eijndelijk wierden ze genoodzaakt hunnen twist, koning van Commarattegen Clasthij voor een tijd lang aan een kant testellen, en zig te vereenigen tegen de krijgsmagt van den koning van Canara, die, in 't Jaar 1732. met een aanzie„ „nelijke magt, een inval in het Rijk van Collas„ „trij deed. De Princen, versterkt met de Engelse en Sam„ „morijnsche hulptroupen, booden wel een dappere tegenstand, dog wierden geslaagen en verlooren veel volk, Cannons en schiet-jeweiren. Kort hier na, overleed de koning van Colastrij, en de toe„ „stand van 't Rijk verergerde zodanig, dat de toen regee„ „venden prins afstand deed, van desselfs geheele rijk aan den koning van Canata. Hier door wierd de Canareese veld Heen zo gedugt, dat waar nae de Canareeten zogten den hij voornam, om de mooren van Adij Ragia en Cottea„ „te uijt te voeijen, alzo in het Colteastese, behoorende onder het Collastrijse Rijk, ook zeer veele mooren zijn. apport 6 Daar „daar rog onderwerpen mooren te verzolgen
English
778. -195. With the Company, the Canarese also became involved in war, but it did not last long before peace was made again, and they continued to hold a port near Cannanoor. It was carried out to the disadvantage of Colastrij. The Company brought about attempts to negotiate peace, but in vain. Now and then some skirmishes occurred, and the said prince complained too late about his submission to the Canarese, who sought nothing other than to exhaust the country. Finally, the Company also became engaged with the Canarese, because, despite the protest made, he refused to abandon the construction of a fort on the hill Carla close to Cannanoor. Subsequently, peace was concluded between the Company and the Canarese, and on that occasion part of an old debt was recovered, namely from a certain Canarese merchant who, when residents were still stationed at Baassaloor and trade was conducted there, had purchased various goods from the Company on credit and had not paid for them. Much effort was made to uphold the concluded contract with the Canarese and to secure the remaining debt, but in vain. Meanwhile, the unrest between the Canarese and the people of Colastrij continued, since the Company's mediation met with no success. The Canarese were masters of the fort on the hill Carlag, close to Cannanoor; it was feared that if the Collastrij people became masters of it again, the English would become the owners of it. To prevent this, the fort was captured and destroyed by the Company's force, joined with that of Collastrij. In gratitude for that rendered assistance, among other things, a contract was concluded with the prince of Colastrij at the beginning of the year 1737 to deliver 1000 Candijlen of pepper annually to the Honourable Company. Thus, circumstances arose to assist this kingdom further; meanwhile, the Canarese had invaded the kingdom anew, while on our side every effort was again made to bring about peace between the parties, but in vain, due to the exorbitant demands of the Canarese and the refusal of the people of Colastrij to comply with them. Finally, through the intervention of the English, peace was concluded. The Canarese retained the conquered lands, and thereby the best part of this kingdom passed under the dominion of the Canarese, while the worst part remained with the Collastrij king. For their rendered mediation, the English also received ownership of a fine piece of land called mattumen. This peace, however, was not of long duration.
Dutch transcription
778. -195. Metd de Comp: Raakt de Canareers ook in doorlog maar duurden niet lang of men maakte weder vreede Contract niet En bleeven een port anst Canna „noor nog houden de Engels chen een wierd het g'effectueerd tot nadeel van Colastrij de Comp: heeft hier op gebragt de vreeden te beweeken dog vrigteloos slot met de Colashijsen en otract de Comp: Consungeerde, met de De Colastrijs Daar vielen nu en dan eenige renContres voor en gem: prins beklaagde zig te laat, over desselfs onder„ „werping aan de Cannareesen, die niets anders zogten, en vermegstende het fort als het land uijtteputten. Eijndelijk raakte de Compagnie met den Cana„ „ries meede aan den gang, dewijl hij op de gedaan van 100 Cand: sese „ne protestatie niet afzien wilde, van den opbouw van een fort op den Heuwel Carla digt bij Canna„ „noor Vervolgens wierd de vreede tusschen de Comp: en de Cannareezen geslooten, en bij die gelegentheijd een gedeelte van een oude schuld ingepalmt, namentlijk van zeeker Canarees koopman die te Baassaloor, toen men daar nog residenten had, en handel drief, van den Comp: verscheijde waaren op Crediet gekogt en niet betaald had. veel moeijte wierden gedaan, om het geslooten do de anaresen voldoen an het Contract, met den Canarees te doen stand houden, en de Resteerende schuld te bemagtigen, dog vrug„ „teloos. Jntusschen, bleeven de onlusten tussen de Cannareezen en die van Colastrij nog al voortduuren, dewijl 'sComp:s mediatie van geen succes was. De Cannareezen waaren meester van het fort op den heuvel Carlag, digt bij Cannanoor; men was bedrigt, dat indien de Collastrijse wederom daar van meesten wier den lands ƒ De Engelschen kreegen, voor hunne beweezend me„ sut„ diatie, ook een schoon stuk land in eijgendom, ge„ „naamt mattumen. Deeze vreeder was egter van geen langen duur de Engelschen daar van bezitters zouden werden, Om dit voor te komen, wierd het fort door 'sComp=s Magt, geconjungeert met die van Collastrij, ingenoomen en gesuineert. van die bewoezene assistentsie, wierd, onder anderen tot dakentenisse ^ in 't begin van 't Jaar 1737, met de prins van Colastrij een Contract gesloten van 1000 Candijlen peper Jaarlijks. aan d' E: Comp: te zullen leeveren. Men wierd, alzo in omstandigheeden gebragt tudschen de Cannareesen, en Colastn; om dit Rijk verder te assisteeren; de Cannarees was intusschen de novo in 't rijk gevallen; terwijl wederom van onze zijde alle moeijte aangewend wierd, om een vreede tusschen parthijen te bewer„ „ken, dog vrugteloos, door de buijten sporige Eijsschen van den Cannarees, en de weijgering van die van Colastrij, om daar aan te voldoen Eijndelijk wierd, door toedoen, der Engelschen, den maar door bemydgeling den Engelsen vreeden getroffen, de Cannarees bleef de veroverde landen behouden; en hier door ging het beste deel van dit koning„ „rijk over, onder de Heer schappij van de Cannareezen, en het slegtste deel, verbleef aan de Collastrijsen ko„ „ning. de in E
English
At the end of 1738 and the beginning of 1739, hostilities between the parties already began anew, and the Company received satisfaction from the King of Canara for the missing 10000 pagodas; a good quantity of rice was traded, and the lodge at Barssaloor was restored. However, since the King of Canara had died in the meantime, the turbulent princes and chiefs in this realm began to renew their old disputes, so that the confusions and discords were once again as great as before, which continued until late in the year 1745, when an agreement was again reached among the parties. The intrigues of Adij Ragia, as well as those of the princes of Collastrij, now with the Marattas, then with the English, and then with the French, still continued. Around the years 1750 and 1751, the French at Mahe assisted the princes of Colastrij against the Cannareese and obtained a possession in the province of Ramatallij. The English, on the other hand, undertook to remove two princes from the government and place another in their stead; however, after their attempt failed, they carried the old king of Collastrij as a captive to Jallicherij, which caused no small commotion. Nevertheless, the circumstances of this nation deteriorated to such an extent that they were forced to set the captive king at liberty, and finally make peace. In the year 1753, the princes of Colastrij and Adij Ragia seemed about to come to blows again; however, this rupture was prevented through our mediation, and the old disputes were amicably settled. Subsequently, in the year 1754, two pepper contracts were concluded, namely one with the Collastrij princes for 300, and one with Adij Ragia for 200 candijlen. The English, being envious of this, sought to prevent the fulfillment of these contracts. And the French, perceiving that the intention of the English was to tear the princes away from their interests, had the Prince Regent fetched from the land of Bargara and brought to his court. The English, being even more embittered by this, threatened the Collastrij regent with fire and sword, by which he was intimidated from concluding another new pepper contract with the Company's servants. Nevertheless, matters were managed in such a way that the princes renounced all engagements with the English.
Dutch transcription
779 137 maarde Compt„ 10000 pagoo „ning hiel den den vijandelijkheeden teus„ „ser dezelve en Colastrij ten dede Colastij beasten oneeneg„ „heeden uijt En den ronkelarijen van Colastry en abij Ragia bleeven voortduuren en A:o 1751: kreegen de fransen van Colastrij een beszetting op Rama„ en de Engelse daar en teegen ver dien En schrifken Colasfija s„om met de Comp: verder te Contracteeren de Engelse wierden hier over neidig „trij en Adij Ragia twe peper in A:o 1753 zoude Adij Ragiaren Colas„ indiende Comprnant uijes ide wa gekoomen Zaaken oogthan deenden die meede niets in 't laatst: van 1738. en begin van 1739. begonnen de vijandelijkheeden tusschen partheijen reets op nieuw, en de Comp: kreeg van den Koning van Canara voldoening van van den manqueerende 10'000 pagoden, men negotieerde een goede quantiteijt Rijst, en de logie tot Barssaloor wierd hersteld. Maar vermits de koning van Canara, intusschen en door de bood van den Canareesen te„ overleeden was, zo hadden de begonnene vijandelijkhee„ begonnen, de woelzieken Princen en Hoofden in dit rijk hunne oude geschillen te vernieuwen; zo dat de ver„ dog tusschen de koning en de ponin„warringen en oneenigheeden weder zo poot als be„ „voorens waaren, 't welk zo bleef: voortduuren, tot dat in A:o 1754 soot de Comp:s met Colas„ in het laatst van anno 1745, weeder een vergelijk on„ „der parthijen getrosfen wierd. De Ronkelarijen van Adij Ragia, zo wel als van de princen van Collastrij, dan met de Marattas, dan met de Engelschen, en dan met fransschen, bleeven nog al voortduuren. Omtrend de Jaaren 1750. en 1751. assisteerden de fran„ „schen te Mahe den princen van Colastrij, tegen de Can„ „nareese en verkreager een bezitting in de Provincie Ramatallij. De Engelschen daar en tegen ondernaamen om twee de Colaphijse koning bievankelijk Princen uijt de Regeeringe te stellen, en een ander daar weder in te plaatzen; dog na dat hun aan„ „den in 't rijk van Colastrij, geen gevolg, dog daar en tegen hij weder aan degong en geraakt Ragia, wederom aan den gang te zullen geraaken, dog „slag mislukt was, voerden zij den ouden koning van Col„ „lastrij gevankelijk na Jallicherij, 't welk geen klijne opschud„ „dinge veroekte. Egter vevergerden de omstandigheeden dezer natie, zo„ en orvergeneden daardoor hunnen „danig, dat ze genoodzaakt wierden, den gevangen Koning op vrije voeten te stellen, en eijndelijk vreede te maa„ „kin. Anno 1753 scheenen de Prineen van Colashrij en Abij deze Ruptuur wierd door onze mediatie voorgekoomen en de oude geschillen in der minne bijgelegd. Vervolgens wierden in anno 1754. twee peper Contracten geslooten als een met de Collastrijse Princen van 300: een een met Adij Ragia van 200 Candijlen De Engelschen hier over nijdig, zogten de voldoening de zer Contracten te beletten. En de pranschen bemeakende, dat de boeleg der Engel„ „schen was, om de Princen van hunne belangens afte„ „scheuren, lieten den Prins Regent uijt het land van Bargara afhaalen, en na zijn hoff brengen. De Engelse hier door meer verbitterd, dreijgde den Collas„ „trijsen regent met vuur en swaard, waar door hij g'in„ „timideert wierd, om met 'sComp:s bediendens weder een nieuw peper Contract te sluijten. Egter wierden de zaken, zodanig gedirigeert dat den Princen van alle Engagementen met de Engelschen „slag renuncieerden lang gtalle 1eg Contracten
English
780. 439 However, Colastrij concluded a pepper contract with the Company, 12000 rupees thereon. Colastrij and Adij Ragia complied with those contracts for only a few years, brought about, made peace again. Those who declared war on Adij Ragia, but through lack of assistance had to veer away against Colastrij, renounced it and made a firm pepper contract in the year 1754 with the Honorable Company, whereby they bound themselves to deliver annually 2, 3, 4 to 500 candies of pepper against 83 rupees, and the Company promised to be helpful to them with ammunition according to the circumstance of the times, and so forth. Upon this delivery of pepper, the then chief D. E. Weijerman, with a good intention, namely thereby to obtain much pepper, advanced 12000 rupees to the Princes annually in advance, after the delivery was completed and the previous advance was settled, although this was not expressly stipulated in that contract, as was specifically conditioned in the contract concluded with Adij Ragia the year after, or in the year 1755, of which further mention will be made hereafter under the section on that Regent. For about three consecutive years, these contracts were fulfilled by both the Princes and Adij Ragia, but not long thereafter Adij Ragia defaulted on delivering pepper towards the reduction of his arrears, and continually schemed with our competitors. Adij Ragia caused hindrance therein, and with the help of the English fomented divisions among the princes of Collastrij, even began to play the master in the realm, and committed all manner of wicked acts. The pepper delivery of the Collastrij princes then also ceased entirely, and Adij Ragia's insolence went so far, owing to his provocative conduct, that he claimed rights that belonged to the princes, and placed a golden finial atop his Moorish temple on the Bazaar, expressly in contempt of the heathen religion. And because he did not respect the mediation of the Honorable Company and also refused to remove the said stone of stumbling, namely the golden finial, the Princes of Collastrij with their allies, supported by the English, finally fell upon Adij Ragia and besieged him on his Bazaar, close to Cannanoor, but before long the Princes' lack of money became apparent. Their requests for further assistance, both to the Honorable Company and its allies as well as the English, were fruitless. The youngest Prince Regent, out of grief over the bad success of his undertakings, departed from his realm to Travancore with the help of Travancore, and requested his uncle to settle the disputes with the Moors as well as possible, and thus peace was offered to Adij Ragia, accepted by him, and tranquility in the realm was so far restored. But Adij Ragia now openly played the master.
Dutch transcription
780. 439 Egter lot Colastij e ost pepern Contract met de Comp „ 12000 rop:s daarop Colastrij en adij Ragia hebben maar eenigen Jaaren aan die Con„ ertract en voldaan e toegebragt weeder vreede maakte die Adij Ragia den ooolog aandeelen dog door gebrek van assistentie moesten te vireeren „gens Colastry renuncieerden, en een vast Peper Contract in anno 1754. met de E Comp: maakten; waar bij dezelve zig ^ Leeper verbonden Jaarlijks te leveren 2. 3. 4. â 500 Candijlen ^ ten„ „gens 83. /. ropias, en de Comp: beloofde hun behulpzaam en wesmeer. Op deeze leverantie van Peper, heeft het toenma„ En het opperhoof gestrekt„ lige opperhoofd D: E: Weijerman met een goed oog„ „merk, namentlijk om daar door maar veel Peper magtig teworden, aan de Princen Jaarlijks voor uijt verstrekt 12000- rop:s, na dat de leverantie afgeloopen„ en de voorige verstrekkinge verreekent was, schoon zulks juijst bij dat Contract zo niet bedongen was, gelijk bij 't Contract dat met Adij Ragia 't Jaar daar aan, ofte A:o 1755 geslooten is, zulks wel speciaal geconditioneerd wierd, waar van hier na, onder 't Hoofddeel van dien Regent, nader zal ge„ „sprooken worden Een Jaar of drie agter een, is zo wel door den Princen als door Adij Ragia aan deeze Contracten voldaan, maar niet lange daar na, bleev Adij Ragia ingebreeken met het leveren van Peper, in afkostinge zijner agterstallen, en konkelde bij Continuatie met onse Competiteuren adij Ragia heeft daar in hindeen verwekte met hulp der Engelschen verdeeltheeden onder de princen van Collastrij, Ja begon zelfs den mees„ „ten te speelen in 't rijk, en pleegde allerhanden boose stukken. De Peper leverantie van de Collastrijse princen hield toen ook ten eenemaal op, en Adij Ragias vootsheijd ging zo ver, dat hij geregtigheijden in vorderde, die den princen „pel op de Bazaar sette, expres, tot versmadinge van de Heijdensen Godsdienst. En dewijl hij de mediatie van d' E: Comp: niet agterde en ook de gem: steen des aanstoots, nament„ „lijk den gouden knop, niet afneemen wilden, zo nie„ „len eijndelijk de Princen van Collastrij met hun„ „ne Bondgenooten, ondersteurt door de Engelse, Adij Ragia op 't liff en belegerden hem op zijn Bazaar, digt bij Cannanoor, maar eerlang openbaarde zig het gebrek aan geld bij de Princen: Hunne ver„ „zoeken om verderen onderstand, zo wel bij d: E: Comp: als haare Bondgenooten en de Engelschen, waaren vrugte„ „loos: De Jongste Prins Regent, week uijt verdrief over en met behulp var tewvanCoon, het slegt succes zijner onderneemingen uijt zijn Rijk na Pevancoor, en versogt zijnen oom, om de ver„ „schillen met de mooren, zo goed mogelijk, te veresse„ „nen, en dus wierd den vreeden Adij Ragia aange„ „booden, door hem geaccepteerd en de rust in het Rijk in zo verre hersteld. Maar Adij Ragia speelden nu opentlijk den meester te zullen zijn, naar tijds gelegentheijd met ammonitien daar zijn tergend gedragten toekwamen, en een Goude, knop boven zijn moorse Jem„ stukken
English
whereby Collastrie could deliver no pepper to the Company. And with the arrival of Saijder Alij in the Canara country, Adij Ragia sought, with the help of that Nabob, to become master of the entire Collastrij, or at least to obtain the administration thereof. To that end, he went to meet the Nabob. Meanwhile, the Prince Regent of Collastrij, upon his return from the King of Travancore, was brought to his court by an English detachment and restored to the government, and the English obtained an exclusive commerce contract. However, this was of little use to them, for in the beginning of 1766, the Nabob unexpectedly, and virtually without a blow, made himself master of the Collastrij realm, as the Prince Regent, along with the entire royal family, took to flight upon the approach of the Nabob's troops and went to the court and to the King of Travancore. Thus this realm met its downfall and fell under the dominion of a usurper, while Adij Ragia obtained the governance and the administration over the same. The old debt of Collastrie derived its origin from this, and the princes of Collastrij remained indebted to the Honorable Weyerman. However, Adij Ragia having since remained negligent in the paying of contribution to the Nabob, the governance over the Collastrij country was taken from him, and recently conferred again upon the Prince Regent, provided he pays annually the contribution that was previously imposed upon Adij Ragia, whereupon the Prince Regent departed again from the Travancore country to his realm. And Adij Ragia was made administrator. But Adij Ragia then remained in the realm, and had set aside all fear of the Company and of the princes of the country. Meanwhile, the Princes of Collastrij were continually urged to continue the delivery of pepper and to settle their debit, but in vain, as they repeatedly excused themselves on account of their inability. And because the Nabob Haider Alij Chan in the year 1763 had unexpectedly made himself master of Bednore, the capital and residential city of Canara, Adij Ragia immediately formed a plan to make himself master of the realm of Collastrij with the help of this conqueror, if not entirely, then at least to obtain as a reward the administration over it. With this aim he went to meet the Nabob, gave great presents, and received promises of assistance. In this manner the Collastrij Princes remained in default to the Honorable Company, both on account of cash advances on the contract or delivery of pepper, as well as on account of some provisions of ammunition goods on account, amounting to a sum of rupees 14047. 14. To the former resident the Honorable Weyerman, the Collastrij princes remained privately indebted in the amount of rupees 10080: 10: and further upon gold pledges 4400: 7: 8, which is noted here merely in passing, because these private matters have been assigned to his authorized agents.
Dutch transcription
781 -4 meeste Aspeelen in het Collastrijsen de Comp nonde leeveren En met de komste van Saijder Alij in 't Canareesen zogt adij Ragia, met gant Colasthij te worden ging te die eijnden de Nababont„ steden slot mt ane o e aa mie dat da op naste de nabal zig meester van Colastij aan d' heer weijerman schuldig zijn gebleeven oude schuld van Collastrie heeft hier uijt haar onsprong gekore„ Dog hij nalatig blijvenden de Contri„ van Colashij en weeder in gesteld En Adij tagia wierd administra„ „Maar adij Rapia, bleef dan in 't rijk, en had allen bedugtinge voor de Comp: en de vorsten van 't land, aan een zijde gesteld. De Princen van Collastrij waaren intusschen wel ge„ weeder waar door Colostig geen peper aan „duurig aangemaand om de leverantie van peper voort„ „tezetten, en hun debet te vereffenen, dog te vergeefs, alzo zij telkens op hun onvermogens excipieerden En dewijl De Nabab Haider Alij Chan anno 1763. , behulp van dien Nabals meester van zig op het onverwagts had meester gemaakt van Bidroer, de hoofd en Residentie stad van Canara, zo formeerde Adij Ragia al aanstonds een voorneemen„ om zig met behulp van dezen Conquerant, zo niet meester temaaken van het rijk van Collastrij, ten ceminsten tot een belooning, de administratie daar over te verkrijgen. Met dit oogmerk ging hij den Nabab ontmoeten, gaf groote geschenken en kreeg beloften van assistentie. Jntusschen wierd de prins. regent van Colastrij bij zijne de prins van Colashi, wierdintusen te nig komst van den koning van pevancoor, door een Engelschen detachement aan zijn hoff gebragt en in de Regeering hersteld, en de Engelschen verkreegen een Exelusiev Commercie Contract. Dog dit was van weijning nut voor deselve, want „wagts, en genoegsaam zonder slag of stoot, zig mees„ „ter van het Collastrijse Rijk, alzo de prins regent beneevens de geheele koninglijke familie op het aannaderen van 's Nababs troupen, de vlugt nam en zig aan het hoff en bij den koning van Treveen„ „Cook vervoegde.. Dies vond dit Rijk zijn ondergang en geraakte onder de Heerschappij van een usurpateur, terwijl Adij Ragia, het bestier en de Administratie over het zelve verkreeg. Dog Adij Ragia 't zedert nalatig gebleeven zijnde, „biutie te betaalen wierd de prins in het opbrengen van Contributie aan den Nabab„ is het bestier over 't Collastrijse hem afgenomen, en nu onlangs weder aan den Prins Regert opge„ „draagen, mits betaalende Jaarlijks de Contributie, die Adij Ragia bevoorens opgelegd was, en waar op de Poins, Regent uijt het soevancoorsen weder na zijn Rijk vertrokken is. Op deeze wijze zijn de Collastrijse Princen aan dE Comp: te quaad gebleeven, zo weegens Contante voor uijt verstrekking op het Contract of leveran„ „tie van Peper, als weegens eenige verstrekking van ammonitie goederen op reek:, eene somma van rop:s 14047. 14. Aan het geweesen opperhoofd d'E: Weijerman „as 10080: 10: en nog op goude panden 4400: 7: 8, het geen hier maar als ter loops genoteerd word, dewijl deze particuliere zaaken desselfs gemagtigdens zijn opge„ in 't begin van 1766. , maakte de Nabab op het onver„ hoe veel de Colastijse prineen, in het particulier bleeven dezelven schuldig ropi„ aannaderen „draagen „moeten 688 „gen „teur van het zelve