VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3619

Malabar · 338 pages · 201 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3619_0080 view scan ↗

English

782. 149 The advance for the account of the must pay, but must be asked here Adij Ragia's origin from the dynasty of Colastrij The Laccadive Islands were for he continues the petition of Juften revived the same again of the Portuguese. why Adij Ragia was always held in esteem to bear, but of which however as little as of the Company's money was received; subsequently, by Their High Nobilities' secret letter of 26 September 1768, the Company left the aforementioned ropias 84047:14 to the said Mr. Weijerman for compensation, but instructed this Ministry however to consider this debt as one to which the Honourable Company makes direct claim, and to make every effort towards its collection. Now as far as the Moorish Regent Adij Ragia is concerned in particular, with regard to his rise, power, and engagements with the Company: it should be known that he derived his origin from the dynasty of Colastrij, for a certain princess from this dynasty, having lost her caste, or the nobility of her lineage, through intercourse with a person of an inferior, or lower, caste, in order to conceal this shame somewhat, was married off to a rich Arab Moor, and to him was also granted the title of Prince; and further the general name of Adij Ragia, signifying in that region as much as head of the Moors of that kingdom. Furthermore, there were ceded to him for his maintenance given to him for his maintenance, were the Laccadive Islands, and some lands situated around Cannanore, and it is from this that he which lasted until the arrival of the Portuguese, by whom he as well as Collastrij since then to this day is the possessor of those islands, and bears the title of Sultan of the Laccadive Islands, just as the sovereign of the Maldive Islands is called. The Maldive Sultan, who has been raided more than once by Adij Ragia, and must always be on his guard against him. Thus this Moorish Regent was placed in great esteem from the very beginning, and has therefore continuously had very much influence on the affairs of the Kingdom of Collastrij; and if one adds to this his extensive trade, both by sea and in the interior, it is not to be wondered at that Adij Ragia was always very respected and esteemed by his paramount rulers, and by which he not only became rich and powerful, but also caused the entire kingdom to flourish. Yet this lasted no longer than until the arrival of the was very much oppressed and even trade by sea was obstructed. Likewise, as soon as this nation was expelled, after the arrival of the Company his affairs turned again for the better, since he, as mentioned above under the article of Collastrij, was also included in the contract of peace and friendship between that prince and the Company, and was thereby, under certain restrictions, again to the 783. 145 Ragia In the year 1745 the Company's passes were refused to him for his vessels and his councillors were taken from him by the congregation specification of 1755 with Adij Ragia an of pepper and cardamom on advance through mediation disputes of the Company by contract 1752. he concluded a in the year 1750 he requested and obtained again the Company's friendship granted free trade by sea. With respect to his engagements with the Company, he has been unfaithful in the engagement, he has been just as unfaithful as all the other native rulers, and always knew how to shift the blame for the small pepper deliveries onto this or that cause, but mostly onto the domestic troubles, because these were known, although he actually sold his produce secretly to others, who gave him more for it than the Company had stipulated from him. From what is mentioned about him under the article of bad qualities of Adij Collastrij, it appears with what underhanded dealings and crooked tricks this Moorish Regent has generally occupied himself; besides this, he has throughout the whole of Malabar such a bad name that one hears almost nothing but evil things about him, especially the last one, who died in the month of October 1778, who was very cruel by nature and moreover a great squanderer, who could not keep money advance of 12000 ropias In the year 1742, although still a youth, he came to power, and soon made things so intolerable with the Company that in the year 1745 it was resolved not to grant passes for his vessels. Also, the Moorish congregation was compelled to remove his evil councillors and put others bad conduct in their place. Under the article of Collastrij it appears that he, held further not long thereafter, became very negligent in delivering pepper, but rather practiced evil deeds. This seemed to have a good effect, since in the year 1750 he had a request made for the Company's former friendship, which was promised to him, provided he took care that the cardamom growing in his lands was delivered to the Honourable Company. In the year 1752 he had even entered into a new pepper contract with the Chief of Cannanore, and then kept himself neutral regarding the disputes between the English and the Princes of Collastrij. The year thereafter, the Princes had all the lands of Adij Ragia attached; he became embarrassed by this and requested the Company's assistance, settled through whose mediation the old disputes were settled. Hereupon, in the beginning of the year 1755, a solemn contract was concluded with Adij Ragia / for the delivery contract concluded, whereby he promised to deliver annually 2, 3, to 400 candies of pepper to the Company at 83 1/3 ropias per candy, besides 10 candies of cardamom at the market price, on both of which deliveries he would annually, in good time, receive an advance of 12000 ropias. This. practices. quarrels with the Company the year thereafter between him

Dutch transcription

782. 149 De verstrekking voor reek: van de moeten betalen, dog meet hier in ge„ „vraagd worden Adij Ragias oorsprong uijt het stamhuijs van Colastrig De Lekkerderse Eijlanden zijn „om hij de petul van Juften voort zelve weeder opgeleekt der portugeeser. waarom abij Ragia altoos in aan„ „zien is geweest „draagen, dog waar van egter zo weinig als van 's Comp:s gelden ingekoomen is; zijnde vervolgens bij Haar hoog Edelheedens secreet aanschrijvens van den 26. 7ber: 1768. Comp: heeft de seer weijerman de voorm: ropias 84047:14. gem: E: Weijerman ter vergoe„ „ding gelaaten, dog dit Ministerie aanbevoolen deze schild egter, aantemerken, als zodanig waar op d' E: Comp direct poetentie maakt en tot de invordering alle devoiren te doen. Wat nu Den Moors Regent Moij Ragia in 't bijzonder aangaat, met relatie tot desselfs opkomst, vermogen en verbintenissen met de Comp: zo dient men te weeten, dat hij zijn ooosprong bekomen heeft uijt het stamhuijs van Colastrij, want zekere princesse uijt dit stamhuijs door Conversatie met een perzoon van een minder, of lager, geslagt, haare Casta, of het adelijke van haar geslagt, ver„ „te te bedekken, aan een Rijk Arabisch Moor uif„ „gehuwelijkt, en aan den zelven teffens toegevoegt de Jitult van Prins; en voorts de algemeene naam van Adij Ragia, beteekende in die Landstreek, zo veel als hoofd der Mooren van dat rijk. Verders wierden aan hem tot onderhoud afgestaan hem tot onderhoud gegeeven, waarde Lekkerdivose Eijlanden, en eenige Landerijen omtrend Cannanoor gelegen, en hier van daar is het, dat hij „looven hebbende, wierd om deze schande eeniger maa„ die geduurt heeft tot de komste Portugeezen, door welke hij zo wel als Collastrij 't zee„ tot nog toe bezitter van die Eijlanden is, en den titul voerd van sultan der Lekkerdivose Eijlanden, even „gelijk de vorst der Maldivose Eijlanden genoemd word, De Maldivose sultan, die meer als eens door Adij Ragia overvallen is, en altoos op zijn hoede voor hem moet zijn Drus is deze Moorse Regent al van den beginne aff in groot aanzien gesteld geweest, en heeft alzo door„ „gaans zeer veel invloed op de zaaken van het Collas„ „trijsen Rijk gehad; en wanneer men nu daar bij voegd, desselfs uijtgestrekte handel, zo ter zee als binnen slands, dan is het niet te vervonderen, dat Adij Ragia bij zijne oppervorsten altoos zeer geagt en ge „deugt is geweest, en waar door hij niet alleen Rijk en Magtig geworden is, maar ook het geheele Rijk heeft doen floreeren Dog dit duurde niet langen als tot de komst der „dert zeer gedrukt en zelfs den Handel ter zee be„ „let is geworden Gelijk dan ook, zo dra deze Natie verdreeven wierd, Na de komste van de Conpfishet zijne zaken weder ten goede veranderden, alzo hij, gelijk hier boven onder het articul van Collastrij gemeld is, in het Contract van vreede en vriend„ „schap tusschen dien vorst en de Comp:, meede begree„ „pen, en Hem daar bij onder zeekere restrictie weder„ tot e den 783- 145 Ragia In A:o 1745 zij aan em 's Comp:s passen voor zijne vaartuigen ge„ „weigeet en zijne Raadslieden wierden hem affenomen doo de geneenten aanwijzing van 1755 nierd met Udij tagia een van peper en Cardamon op vooruijt„ door bemid„ geschillen „deling van de Comp per Contract 1752. sloot hije in A:o 1750 verzogt en verkreig hij were 's Comp:s voriendschap den vrijen handel ter zee g'accordeert wierd Ten opzigte van zijn verbintenisse met de Comp:, hij r ontrouwe geweest in de verbinte, is Wij even zo ontrouw geweest, als alle den anderen Jnlandse vorsten, en wist altoos de geringe peper leverantie, op deze of geene oorzaken te schuijven, dog meesten tijds, op de Jnlandse onlusten, om dat dien be„ „kend waaren, schoon hij eijgentlijk zijne producten, heij„ „melijk aan anderen verkogt, die hem daar meer voortgaven, als de Comp: van hem bedongen had Uijt het geene nopens hem onder 't artikul van slegte hoedanigheeden van Abij Collasthrij, gemeld is, blijkt, met welke Nonkelarijen en slinkse streeken deze moorse Regent zig doorgaans opgehouden heeft, buiten des, zo heeft hij over de geheele Mallabaar, zo een slegte naam, dat men er genoegzaam niet als quaade dingen van hoord, inzon„ „derheijd de laatste, die in de maand October 1778. over„ „leeden is, die zeer wreed van inboosten en daar bij nog een groote verkurster was, die geen geld bewaaren kamr verstrikking van 12000: ros Jn het Jaar 1742. quam hij, schoon nog een Jongen„ „ling, aan de Regeering, en maakte het omtrend den Comp: binnen korten zo bond, dat A:o 1745 geresolveerd wierd geene passen voor zijne vaartuigen te ver„ „leenen. Ook was de Moorse gemeente genoodzaakt hen zijne Booze Raadslieden te ontneemen en anderen slgt gedoag in de plaats te stellen. Onder het artikul van Collastrij blijkt, dat hij nader gehouden niet lang daar na, zeer nalatig is geworden, omtrend het leveren van peper, maar veel een quade, practi„ Dit scheen van een goede uijtwerking te zijn, alzo hij A:o 1750. verzoek liet doen om 'sComp:s oude vriend„ „schap, die hem toegezegt wierd, mits zoogdraagende, dat de Cardamom, in zijne landen vallende, aan d' E: Comp: gelevert wierde Jn 't Jaar 1752. had hij zelfs een nieuw peper Contract, met het opperhoofd van Cannanoor aan„ „gegaan, en hield zig toen omtrend de geschillen tusschen de Engelsen en de Prinsen van Collastrij neu„ „traal 's Jaars daar aan, lieten de Princen op alle de Lan„ „derijen van Noij Ragia arrest leggen, hij wierd hier door verleegen, verzogt om sComp:s assistentie, legt door welker mediatie de oude geschilden bijgelegt wierden. Hier op wierd en 't begin van anno 1755 met Contriget geslooten / ten everntie Adij Ragia een plegtig Contract geslooten waar„ bij hij beloofde Jaarlijks 2: 3. â 400 Candijlen Peper aan de Comp: te zullen leeveren tegen 83. 1/3. rop:s 't Candijl, benevens 10 Candijlen Cardamon maako prijs, op welke beijde leverantie, hij Jaarlijks vroeg„ „tijdig, een vooruijtverstrekking zoude krijgen van 12000 rop:s Dit. / „ken. „rissen met de Comp: WJaar daar op tusschen hem

NL-HaNA_1.04.02_3619_0082 view scan ↗

English

784. 147 cause why Cannanoor indication of the resolution and letters written concerning this could diminish debt remained in arrears employed schemes, indeed how he even, at the descent of the Nabab Sijder Alij Chan and at the conquest of the Collastrian Kingdom, managed to obtain the governance over the same, whereby, besides his own debt to the Company, he now also became liable for the debt of Collastry, which is true. Mr. Senff having called in at Cannanoor in passing upon his arrival from Souratta, and having spoken with Adij Ragia himself, Adij Ragia then promised that he would deliver 250 Candijls of pepper, which quantity was indeed delivered shortly thereafter, subsequently collected by the ship Valkenburg, and paid for by the servants there. But then he requested some ammunition and other goods to the sum of ropias 17360: 27: under the promise to settle this sum with the delivery of pepper, or otherwise to pay in cash, so that it seems as if he has always merely attempted to get money or goods from the Company into his hands. The meager collection of products, the little vent of merchandise at Cannanoor, and the continuous troubles that were experienced there, gave cause to proposing to divest oneself of Cannanoor and to leave that fortress to one or another for a certain sum of money, for which Their High Nobilities granted authorization by separate letter of 3 August 1770. Subsequently, before the departure of Mr. Senff from here, the fortress Cannanoor was transferred to Adij Ragia for the sum of ropias 100000:-, and he having paid a part thereof, and for the remainder, as well as for the advance provisioning that took place, having executed a private bond in the sum of ropias 56245 9/10 or f 67494:15, one lived in hope that according to those obligations he would soon have paid this debt, the more so because he had mortgaged one of his vessels that lay here in the river. But after much effort expended, writing, and earnest admonitions, one was unable to bring it any further than that this new debt, through the sending of some cardamom, rice, and some other merchandise that were liquidated, was brought down to a balance of f 52677: 6:-. Since that time until the year 1779, notwithstanding all efforts made, nothing more was received from him; he even, casting off all shame, left the Company's letters entirely unanswered, however earnestly one wrote to him about it. To give a better idea of the debts of Adij Ragia, to avoid detailed citations, I refer to the resolutions taken here in Council on 1 February 1769 and 22 January 1770, as well as to the letters written hither from Batavia under dates 26 September 1768, 26 September 1769, 25 September 1770, 1 October 1771, 25 September 1772, 30 September 1773, the last of September 1774, 20 September 1775, 11 September 1776, and 30 September 1777; as well as to the letters written from here to Batavia on 11 March and 10 May 1769, 15 March 1770, 31 March 1771, 1 May 1772, 25 March 1773, 28 March 1774, 8 January 1775, 4 January 1776, 2 January 1777, and 2 January 1778. 785 149 The neglect of Adij Ragia in discharging even these new debts of his having been reported yearly to Batavia, Their High Nobilities had the aforementioned amount of f 52677: 6:- transferred from the estate of the late Mr. Senff into the Company's treasury, however with the recommendation to this administration to nevertheless still continue to employ all possible means for the recovery thereof. Adij Ragia having subsequently died in 1778 and this also having been reported to Batavia, Their High Nobilities, by dispatch of 24 September 1779, ordered this administration simply to sell the mortgaged ship of Adij Ragia; however, on this matter, one first conferred further regarding payment with the successor of Adij Ragia, his niece and regent at Cannanoor. The letters exchanged concerning this are entered in the resolution of 12 and 25 April, as well as 20 September and 24 November 1779; but nothing following except promises and not the least payment on account, one proceeded to the sale of the ship, about which the regent, or Bibi, has since shown herself very displeased. The ship with its appurtenances, beyond expectation, still yielded ropias 8245:-, which sum was paid out to the heirs of the late Honorable Mr. Senff by the High Indian Government and served in reduction of the debt, together with ropias 2436 3/7 which, by order of the High Indian Government contained in the extract from the minutes of what was resolved in Council of India on 7 September 1776, were paid by the members of the Council here who signed the resolutions whereby the advances on credit were granted to Adij Ragia, the debt at present, after deduction of the one and the other, still amounting to ropias 31447 3/4 or f 37737:6:- Netherlands. But besides these, Adij Ragia owes yet other sums of money to the Honorable Company, and also to the late Mr. Weijerman, as former chief at Cannanoor, wherefore for the sake of greater clarity I demonstrate the one and the other below, to wit: Still To

Dutch transcription

784. 147 hend den en zin Comporte heer ser oorsaak waarom Cannanoor aanwijzing van de resolutie en brieven derweegers geschreeven kunnen verminderen „ge schuld ten agteren is gebleeven „ken in 't werk stelde, Ja hoe hij zelfs bij de afkomst van den Nabab Sijder Alij Chan, en bij de overheeringe van het Collastrijse Rijk, de bestierin„ „ge over het zelve heeft weeten te krijgen, waar door hij, behalven zijn eijge schuld aan de Comp:, nu ook aanspreekelijk wierd, voor de schuld van Collas„ sio waar, den weer Serff met zijn komst van Sou„ „ratta empassant te Cannanoor aangeweest zijn„ „den, en met Adij Ragia zelfs gesprooken hebbende, zo beloofde Adij Ragia toen, dat hij 250. Candijlen peper zoude leveren, welke quantiteijt kort daar op ook in der daad geleverd, vervolgens met het schip Lopkensburg afgehaald, en door de bediendens aldaar betaald is, dog toen verzogt hij om eenige ammonietie tot hoe verremen zijn debet heeft en andere goederen, ter somma van rop:s 17360: 27: onder belofte deze somma met den leverantie van peper te zullen vereffenen, of anders in Contant te voldoen, zo dat het schijnd als of hij altoos, maar getragt heeft, geld: of goed van de Comp: in handen te roijgen. De geringe inzaam van producten, de weijnige ver„ aan AAbij Ragra is verkogt „ tier van koopmanschappen te Cannanoor, en den ge„ „duurige moeijelijkheeden die men daar had, gaven aanlijdinge, dat men in voorstel bragt, om zig van Cannanoor te ontslaan, en die vesting aan den eenen of anderen voor zeker, somma gelds over te laaten, waar toe Haar Hoog Edelheedens bij aparte briev van den 3. Augustus 1770. , qualificatie verleenden vervolgens wierd voor 't vertrek van den heer Senf en wat hij daar op en op zijne voorm an hier, de fortresse Cannandor aan Adij Ragia, voor de somma van ropias 100'000:-. overgelaten, en hij daar van een gedeelte betaald, en voor het an„ „dere, zo meede voor de gedaane voor-uijtverstock„ „king een onderhands obligatie gepasseert hebbenden, ter somma van Ropias 56245 9/10 of ƒ 67494:15—, zo leefden men in hoope, dat hij volgens die verbintenissen, deze schuld haastelijk zoude hebben voldaan, temeer hij een zijner scheepjes, dat hier, in de revier lag, tot onder„ „pand gesteld had. Maar na veel aangewende moeijte, schrijvens en ern„ „stige vermaningen, heeft men het niet verder kunnen brengen, dan dat deeze nieuwe schuld, door het zenden van wat Cardamom, Rijst en eenige andere koopman„ „schappen, die ten gelde gemaakt zijn, gebragt is tot op een restand van ƒ52677. 6: — Zedert dien tijd tot anno 1779 is, ongeagt alle aange„ „wende pogingen, niets meer van hem ingekomen, zelfs heeft hij met aflegginge van alle schaamte, 's Comp:s brieven ten eenemaal onbeantwoord gelaaten; hoe ernstig men hem ook daar over schreef. Om een beeter denkbeeld tegeeven van de schulden van Adij Ragia, zo refereere mij, ter vermijdinge waar van 785 149 De nieuwe schuld van Adij ragiar serf gollean, maar Comp:s weegen moet men die invorderen „ 'ts bet veronderpande schip van dematrakie van sin schild van omstandigge allegaties, aan de Resoluties alhier in Raade genomen den 1. februarij 1769. en 22. Janua: 1770. zo ook aan de brieven van Batavia dit heen geschreeven onder datis den 26. September 1768. , 26. 7ber: 1769, 25 7ber: 1770, 1: 8ber: 1771, 25 7ber: 1772, 30. 7ber: 1773, laatsten 7ber: 1774, 20 7ber: 175„ 11. 7ber: 1776, en 30. 7ber: 1777. — zo meede aan de brieven van hier na Batavia geschree„ „ven den 11. Maart en 10 meij 1769, 15 Maart 1770„ 31. maart 1771: 1. Maij 1772, 25 maart 1773, 28. maart 1774, 8. Januar: 1775, 4. Janua: 1776. 2. Janua: 1777. en 2. Janu: 1778. De nalatigheijd van Adij Ragia in het afleggen, is door de Erfgenaamen van den Hleer zelfs van deeze zijne nieuwe schulden Jaarlijks na Batavia bedeelt zijnde, hebben hun hoog Edelheedens voorschreeven bedraagen van ƒ52677. 6. — uijt de Nala„ „tenschap van wijlen den Heer Serff in 'sCompagnies Rassa laten overbrengen, egter met recommandatie aan dit ministerie om tot de inpalminge daar van even„ „wel als nog alle mogelijke middelen te blijven in het werk stellen. Vervolgens Adij Ragia in 1778. overleeden en zulx Adij Ragia is hier verkogt ook na Batavia bedeelt zijnde, hebben haar hoog Edelheedens, bij missive van den 24. september 1779: dit ministerie gelast om het veronderpande schip van Adij Ragia maar te verkoopen; men heeft egter hier op, de opvolgster van Adij Ragia, zijne Nigt en regentesse te Cannanoor, over de voldoeninge nog eerst nader onderhouden, de gewisselde brieven daar over zijn in de Resolutie van den 12. en 25 April, mitsgaders 20. 7ber: en 24. November 1779 ingeschreeven dog niets als beloften, en geen de minste betalinge in minderinge volgende, is men tot den verkoop van het schip overgegaan, waar over de Regentesse, of Bibi, zig 't zedert zeer te onvreede getoont heeft; het schip met zijn toebehooren heeft, buijten ver„ „wagting; nog gerendeert ropias 82450:–, welke somma aan de Erfgenaamen van wijlen den Edelen Heer Serff door de hooge Jndiase regeeringe is uijtgekeert, en in mindering van de schuld heeft gestrekt, benevens rop=s 2436 3/7, welke, op order van de hooge Jndiase regeering, vervat bij Extract uijt de notulen van het geresolveer„ „de in Raade van Jndia op den 7. 7ber: 1776, betaalt zijn, door de Leeden van den Raad alhier, die de Resolu„ „ties, waar bij de verstrekkingen op Coediet aan Adij Ragia geaccordeert zijn, getekend hebben, zijnde hij blijfd nog schuldig rp: 34 :thans na aftrek van dit een en ander, de schuld nog poot rop=s 31447. ¾ of ƒ 37737:6:- Nederlands. Maar behalven deze, is Adij Ragia nog andere sommen gelds schuldig aan d'E Compagnie, en ook aan weijlen den Heer Weijerman, als geweezen opper„ „hoofd te Cannanoor, waarom ik meerder duijde„ „lijkshalven het een en ander hier onder vertoo„ „nen te weeten nog Aan

NL-HaNA_1.04.02_3619_0084 view scan ↗

English

786. 1/35= ƒ 37737:6.— - - -„ 84400: —:— mn ƒ 27336:19— appearance Saijder Mij and achievements Malabar poor prospect for the recovery of that debt, and that because of his no opportunity will arise To the Company On account of the new debt On account of the old debt, or that advanced on the pepper contract The advance given to Colastrij Together to the Company ƒ 69474: 5. — Private To Mr. Weyerman ropias 11080:30:— ƒ 13296:8. — And the further sum advanced by Mr. Weyerman, as stipulated by contract and by the same paid to the Honorable Company ƒ 1945: 12. 8. Indian or Dutch „ „ 2556:9. –„ 24852: 17. – And is all together, without counting that which Collastrij privately remained indebted to Mr. Weyerman, Dutch ƒ84327:2:— . Thus it were well to be wished that a good opportunity might arise to collect this money, and also the old debt of Adij Ragia, to the end that the heirs of the late aforementioned Messrs. Senff and Weyerman may remain without loss; but in the present state of affairs there seems to be no prospect at all of getting anything more paid on it; and indeed I think that there will be no other means than seizing his ships whenever they might enter our harbor, for which, however, there also seems to be little hope, since for some time now his ships Huijder Alijchan, of whom there is very much to report, but I shall confine myself only to his rise, achievements, and personal qualities, from which it will at the same time appear in its entire context what he has undertaken against us, where and when no longer call at this port or even this roadstead, which doubtless happens by his express order so as not to be seized here: These aforesaid princes, both great and small, have always belonged solely to Malabar, but some time ago the notorious Nabob Haider Alijchan played such a singular role there that it is one of the most remarkable periods that occur in Malabar history, since he not only is already master of the Colastrian and Zamorin territories, but also recently, having made the King of Cochin tributary to him as far as his lands lie north of Cranganore, immediately thereafter attacked the Company's possessions in a hostile manner, made himself master of the tract of land from Cranganore up to Chettua, and of Fort Chettua itself, yea, also attempted to break through past Cranganore, and thus to invade the Travancore kingdom as well; therefore, special mention must also be made here of this these when 787 -155 for what high offices he successively held yea even a conspiracy to take his life jealousy that he thereby brought upon himself his rendered service to his when he was stopped, and how affairs presently stand. His rise he owes to the Mysore Kingdom, being born at Cholbalapour, situated in that kingdom. It is generally said that he is only of low descent, and even served as a common cavalryman, but this is merely a fabrication of the English, who have portrayed him as a common and contemptible person; but I have made careful inquiries about him and found that, while he is indeed a man of fortune, a usurper, and a self-appointed prince, he is at the same time of respectable, or at least of no low, descent: his father was in the service of the King of Mysore, governor of a province, and also had under him a corps of sepoys, among whom Hyder /:for such was he still called at that time:/ himself served as an officer in his youth; subsequently he also became head over a corps of sepoys of 500 men, with which corps he entered the service of the French Company around the year 1752, where he diligently exercised himself in the art of war, and carefully observed everything; but some time thereafter he left the service of the French and passed into the service of the English, where he increased his corps to 3000 men, provided it with artillery, inquired further into everything belonging to military affairs, and thus quickly gained an understanding of European maneuvers, so that with his corps of 3000 men, and well provided with artillery, he already acted quite regularly and did much harm wherever he was used or stationed. But while with the English, and receiving news that the Marathas had invaded his fatherland, or properly the Mysore Kingdom, with a strong raiding party, he left the English as well and marched with all haste to his country, where he arrived most unexpectedly with his well-trained troops, and thus surprised the Marathas, who thereupon immediately retreated from the kingdom; by which deed he gained a great name and fame, but at the same time brought upon himself the greatest jealousy and the bitterest enmity of the Mysore courtiers; and this latter was indeed primarily the foundation of his further progress, since it caused him to act the desperate man and set himself up as a usurper. For the courtiers, unable to endure that he was the chief favorite of the king and was regarded by the common people in the kingdom as the preserver of the same, consulted with one another to bring him into disgrace with the prince, and subsequently to put him out of the way, contriving this plot with every conceivable cunning and testing him on that side where man is weakest, namely, self-love and the aversion with to his rise who his father was cessively held fatherland

Dutch transcription

786. 1/35= ƒ 37737:6.— - - -„ 84400: —:— mn ƒ 27336:19— verschijning Saijder Mij en verrigting mallabaar„ slegte apparentie, tot den inpal„ „ming dier schuld en dat om zijne geen gelegentheid zal voorkoomen Aan de Compagnie Weegens de nieuwe schuld weegens de oude schuld ofte het verstrek„ „te op het peper Contract Het voor uijt verstrekte aan Colastriy te samen aan de Comp: ƒ 69'474: 5. — Particulier Aan de heer Weijerman. ropp:s 11080:30:— ƒ 13296:8. — En het meerdere geschootene door de heer Weijerman, als bij Contract bepaald en door denzelven aan d'E: Comp: vol„ „daan is ƒ 1945: 12. 8. Jndias of Needer„ „lands „ „ 2556:9. –„ 24852: 17. – En is alles tesamen, zonder te reekenen het geen Collastrij particulier aan de heer Weijerman is schuldig gebleeven, Neederlands. ƒ84327:2:— . Dus was het wel te wenschen, dat zig een goede ge„ scheppen aan te slaan schijnt en „ leegentheijd mogt op doen, om dit geld, en ook de oude schuld van Adij Ragia te kunnen in palmen, ten eijnde de Erfgenamen van wijlen gem: Heeren Senff en Weijerman buijten schaade moogen blijven dog in den tegenwoordigen stand der zaaken, schijnt er gants geen apparentie te zijn, om iets meer daar op voldaan te krijgen; en zelfs meene ik dat er geen ander middel zal zijn, als het aanslaan zijner scheepen, wanneer die in onze haven mogte komen, waar toe egter ook weijnig hoope schijnd te zijn, al„ „zoo zijne scheepen, nu al 't zeedert eenigen tijd Huijder Alijchan, van wien wil zeer veel te melden vald, dog ik zal mij maar bepaalen tot zijn opkomst, Verrigtingen en Perzoneele Hoedanigheeden, waar uijt dan teffens in zijn geheele t' samenhang blijken. zal, wat hij tegen ons ondernoomen heeft, waar en wan„ deze haven en zelfs deze rheede niet eens meer aan„ „doen, het geen ongeheijffeld op zijne expresse order geschied om hier niet in beslag genoomen teworden: Deze voorschr: vorsten, zo groote als klijne hebben altoos maar alleen tot de Mallabaar behoort, dog nu eenigen tijd geleden, heeft de berugte Nabab Hai„ „der Mijchan er zo eene zonderlinge rol opge„ „speelt datze een van de aanmerkelijkste peri„ „oden is, die in de Mallabaarse historie voorkomen, alzo hij niet alleen reedsmeester is van het Colas„ „wrijse en Cammorijnse maar ook onlangs den Ko„ „ning van Cochim, voor zo verre zijne landen benoorden Cranganoor leggen, aan zig tributair gemaakt hebbende, onmiddelijk daar na Comp:s Be„ zittingen vijandelijk aangetast, zig van de Land„ „streek van Cranganoor tot Chettua toe, en van het fort. Chettua zelfs, meester gemaakt, Ja ook ge„ „tragt heeft voor bij Cranganoor door te breeken, en dus in het pevancoorse rijk ook te vallen, derhalven dient hier ook speciaal gemeld te worden, van dezen deze „neer 787 -155 voor wat qualikuijken hij suce„ Ja selfs een samenswiering hem het leeven te benamen afgunst die hij zij daar door heeft op den hals gehaalt zijn beweesen dienstaan zyn „neer hij gestuijt is, en hoedanig de zaaken tans staan zijn Opkomst, is hij schuldig aan het Maijsoerse Rijk, zijnde gebooren te Cholbalapour, gelegen in dat rijk. Men zegt, doorgaans dat hij maar van een gemeene afkomste is, en zelfs als gemeen Ruijter zoude gediend hebben, dog dit is eene„ „lijk een uijtstoovijsel van de Engelse, die hem als een ge„ „meen en veragtelijk perzoon hebben gecraijonneerd, maar ik hebben mij nauwkeurig na hem geinformeerd, en bevonden, dat hij wel een man van fortuijn, een Usur„ „pateur, en een opgeworpe vorst, maar teffens van eene ordentelijken, ten minsten van geen gemeene, afkomsten is: zijn vader was in dienst van den Koning van Maijsoer, Gouverneur van een provintie, en had ook onder zig een korps Sipaijs waar onder Haider /:want zodanig wierd hij te dier tijd nog genoemd:/ zelve in zijne Jeugt als officier gedient heeft:; vervolgens is hij ook hoofd over een Corps sipais van 500: Man geworden, met welk Corps hij omtrend het Jaar 1752 in dienst van de fran„ „sche Compagnie toad, alwaar hij zig naarstig oeffende en uia hij al heeft gedient in de krijgs- kunde, en alles nauwkeurig observeerde, maar eenigen tijd daar na, verliet hij den dienst der franschen en ging over in dienst der Engelsen, alwaar hij zijn Corps tot 3000: Man vermeerderde, van Arthil„ „lerij voorzag, zig verder informeerde na alles, wat tot het oorlogs weezen behoort, en dus schielijk een denk„ „beeld van de Europeeze Maneurres kreeg, zo dat hij met zijn Corps van 3000 Man, en wel voorzien van Arthillerij, al tamelijk regulier ageerde en veel quaad deed, waar hij gebruijkt of geplaatst wierd. Maar bij de Engelse zijnde, en tijdinge krijgende, dat de Marattas met een sterke srooppartij in zijn vader„ „land, of eijgentlijk in het Maijsoerse Rijk, gevallen waaren, verliet hij de Engelse ook, en trok ten spoe„ „digsten na zijnd land, alwaar hij met zijne wel geoif„ „fende troupes, op het onverwagtst aankwaam, en dus de Marattas overraste, die daar op ten eersten uijt het rijk weeken, door welke daad hij een posten naam en roem, dog teffens de grootste salougie en de bitterste wangunst van de Maijsoerse Hofs-porten op zig haalde; en dit laatste heeft wel voornaamt„ „lijk den Grond gelegd, tot zijnen verderen voortgang, vermits het hem den disperaten heeft doen speelen, en zig tot een Usurpateur doen opwerpen. Want de Hofs-posten, niet kunnende dulden, dat hij de Eerste gunsteling des konings was, en in het rijk bij de gemeente aangemerkt wierd, als de behou„ „der van het zelve raadpleegden met elkander, om hem in ongenade bij de vorst te brengen, en vervol„ „gens van kant te helpen, overleggende dit werk, met alle bedenkelijke list, en beproevende het aan die zijde, alwaar de Mensch het swakste is, namenk„ „lijk, de eijge liefden tot zig zelfs, en de afkeer met om desselfs op komst wre zin vader in geweest „cessive, heeft bekleed Patria

NL-HaNA_1.04.02_3619_0086 view scan ↗

English

to make him feel [illegible] to let another share in his interests; for they made the king understand and believe from all kinds of apparent circumstances that Haijder was pregnant with projects, namely to attract to himself the love of the people, to retain the force of the militia for himself, and to seek the prince's crown, yes, that he had already secretly put in motion what was necessary for this, and that the actual execution was about to happen at any moment, which could not be prevented except by quickly putting Saider out of the way without a moment's delay. The king had the weakness to swallow that bait and to resolve to put Haider out of the world unexpectedly. This, however, was discovered by him just in time, and forced him, for the preservation of his life, to take flight in all haste to a considerable distance with 25 resolute horsemen, just as the attempt on him was about to occur. But he, now knowing of what he had been suspected, remembering what service he had rendered his prince and discovering how poorly he was rewarded or what reliance he could place upon his prince, then resolved to undertake that very thing of which he had been suspected and to avenge the evil that they had sought to do to him. The reputation he had acquired in the empire gave him the opportunity for this, and before the incident was even known throughout the realm, he had already reassembled his corps in an instant, enlarging it with soldiers whom he had been able to gather in the meantime and who also willingly took service under him. With this force he revolted openly against his king, but gave it the pretext that he only wished to wage war against the ministers of the king, who gave his prince bad counsel, misled him, and would be the cause of the king's ruin; whereby the inhabitants conceived no unfavorable idea of these his actions, and in a short time he overpowered the entire Maijsoerse empire. He even took the king prisoner, but did not mistreat him, having him kept and guarded under the pretense that the king was virtually dotard and had no sense to govern the country, and that he would administer the realm for and on behalf of the king, as he still does to this day, in the name of the crown prince of the since deceased king, who is still young and well-statured, yet at the same time very closely guarded. And this is properly the circumstance and the origin whereby he has since become so great as he is now. Regarding his exploits and how he further expanded his arms, this alone contains a detailed history in itself, so far as has come to our knowledge; therefore I will only show how, having become possessor of the Maisoerse empire, he further played his part up to the point in time in which we now are. As soon then as he was possessor of the Maisoerse empire, he removed everything out of the way that could only be a hindrance to him, and having still retained respect among the common people through his previous exploits, he moreover made use of a political measure to win the affection of the people more and more. For although he was a Moor or Mahometan and the Maijsoerse a heathen empire, in which latter, as is known, no cattle are eaten, much less killed, he at once caused a strict prohibition to go out against the killing of cattle, with the announcement that everyone was free in the exercise of his religion, and that if anyone was hindered therein, he could complain directly and should obtain satisfaction. Meanwhile he also grew eager for that extraordinarily rich kingdom of Canara, which was then ruled by a queen. To give this undertaking some appearance of justice, he spread the rumor that he had with him the legitimate heir of the Cannareeze empire, who had been missing for some years, and wished to place him upon the throne. Under that pretext, in the latter part of the year 1762, he unexpectedly made himself master of Biddroer, the ordinary residence city of the kings of that empire. But because the queen regent had fled just before with most of her treasures, he pursued her in haste and overtook her with her treasures, which victory, through the cowardice of the Cannareesen, was shortly followed by the surrender of the entire realm, in which he found indescribably great treasures, besides this Canara being one of the most blessed, fertile and richest lands that may possibly be on this side of the peninsula; so that he was now possessor of those formidable and famous empires Maisoer and Canara. Thus was his first care to secure and fortify the capital Bidddoer, the four seaports of Canara, namely Mor [illegible], Barsaloor, Bakkanoor and Mangaloor, as well as the frontiers of the upper lands, primarily the seaport Mangaloon. He also made himself strong at sea at the same time, with the construction of some ships, grabs, galwets and other vessels, and furthermore drew to himself the wealth of the grandees by violent means; thus he became steadily more powerful and formidable to such an extent.

Dutch transcription

788 455. waar van hij de snef koejgeaden de doen gevoelen om een ander in zijn belangens telaaten deel hebben; want ze deeden den koning begrijpen en uijt allerleij schijnbaaren omstandigheeden gelooven, dat Haijder swanger ging met projecten, namentlijk om de liefde des volks aan zig te trekken, de force van de Militie aan zig te behouden en den voost na de kroon te staan, ja dat hij daar toe, reeds hijmelijk het nodige in 't werk ge„ „steld had, en de dadelijke uijtvoeringe alle ogenblik„ „ken stond te geschieden, dewelke niet als door een spoedig van kant helpen van Saider, zonder een ogen„ „blik uijtstel, voortekomen was: de koning had de zwak„ „heijd, om aan dien angel te bijten, en te resolveeren, om Haider op het onverwagts uijt de wereld te helpen, het geen egter nog effen van pas, door hem ontdekt wierd, samens woerder tin wraak heeft en hem noodzaakte, om tot behoud van zijn leven, in allezijl met 25 Gerezolveerde Ruijters, zo als den toeleg op hem stond te geschieden, op een tamelijke distantie, dewijk teneemen. Maar hij, nu weetende, waar van hij verdagt was gehouden, zig herinnende, welken dienst hij zijnen vorst beweezen had en ondervindende, hoe qualijk men hem beloont, of wat staat hij op zijnen voost temaken had, nam toen voor, om te onderneemen, dat geene, waar van men hem verdagt gehouden had, en te wreeken het quaad dat men hem had zoeken te doen; de repuetatie, die hij in 't rijk verkreegen had, gaf hem daar toe gelegentheijd, en eer het geval nog door het Rijk bekend was, had hij al in een ogenblik zijn Corps weeder bij een verzameld, en het zelve vergroot met krijgs-volk, dat hij in die tusschen tijd, had kunnen bij elkander krijgen, en dat ook gewillig onder hem dienst nam: Met deeze magt revolteerde hij opentlijk tegens zijnen koning, dog gaf het de naam, dat hij maar de Ministers des Konings wilde bedorlogen, die zijnen vorst quaden Raad gaven, mislijdden en oor„ „zaak van 'skonings ondergang zouden zijn, waar door de ingezetenen geen ongunstig denkbeeld van deze zijne verrigtinge opvatteden, en hij in korte tijd het gantsche Maijsoerse Rijk overweldigde; sij nam zelvs den koning gevangen, dog mishandelde hem niet, maar liet hem bewaaren en bewaaken, onder voorgeeven, dat de koning genoegzaam kinds was, en geen verstand had, om het land te regeeren, en dat hij het Rijk voor en van wegens, den Koning zoude Administreeren, gelijk hij tot heeden toe ook nog doet, op de naam van des, zedert overledenen konings - Kroon-prins; die nog Jongis, en wel sta„ „tieus, dog teffens zeer nauwkeurig bewaard word: en dit is eijgentlijk het geval en de oorsprong, waar door hij zeedert zo poot geworden is, als hij tans is. zijne Verrigtingen aangaande en hoedanig hij zijne wapenen verder uijtgebreijd heeft, bevat alleen hem eene 789 157 hoedanig hij den genegentheid der invoorders heeft tragter te winnen vervolgens heeft hij zig meester zorge om eene omstandige historie op zig zelfs, voor zo veel tot onze kennisse gekomen is, derhalven zal ik maar aantoonen, hoe hij bezitter van het Maisoerse Rijk geworden zijnde verder zijn rol gespeelt heeft, tot op het tijd stip toe, waar in we tans zyn. So dra hij dan bezitter van het Maisoerse Rijk was, deed hij alles uijt den weg, wat hem maar hinder„ „lijk konde zijn, en door zijne voorige verrigtingen nog agtinge bij de gemeente behouden hebbende, bediende hij zig boven dien nog van een staads-middeltse, om de genegentheijd des volks meer en meer te winnen want schoon, hij een Moor of Mahometaan, en het Maijsoerse een tijdens Rijk was, in welk laatste, ge„ „lijk bekend is, geen koebesten gegeeten viel min ge„ „dood worden, zo liet hij ten eersten een scherp verbod uijtgaan tegen het dooden van koebeesten met bekent„ „makinge, dat een ieder vrijhad had in het oeffenen van zin Godsdienst, en dat imand daar in gehindert wordende, direct klagen kon en satisfactie erlangen zoude Jntusschen wierd hij ook belust op dat schatrijken gemakt van ht eje vanCanen koningrijk van Canara, het geen toen door een konin„ „ginne bestierd wierd. Om aan deeze onderneeminge eenigen scheijn van regtveerdigheijd tegeven, spargeerde hij, dat hij den wettigen Erfgenaam van het Cannareeze Dus was zijn eerste zorg om de Hoofdstad Bidddoer, de vier zeehavens van Canara namentlijk Mor„ Barsaloor, Bakkanoor en Mangaloor, beneevens de frontieren van de boven landen te secureeren en te fortificeeren, voornamentlijk de zee haven Manga„ „loon ook maakte hij zig teffens sterk ter zee, met den aanbouw van eenige scheepen, paalen, galwetten en andere vaartuigen, en trok voorts de Rijkdommen der Grooten door geweldige middelen aan zig, dus wierd hij algaande weg magtiger en ontzaggelijker, in zo Rijk, die al voor eenige Jaaren vermits was, bij hem had, en op den troon wilde stellen: onder dat voorwendsel maak„ „te hij zig in 't laatst van het Jaar 1762. op het onver„ „wagts, meester van Biddroer, de ordinaire Residentie stad der Koningen van dat Rijk, maar dewijl de konin„ „ginnen Regentesse effen te vooren met haaren meeste schatten de vlugt genomen had, zo zette hij haar ijlings na, en agterhaalde ze met haare schatten, welke over„ „winninge door de lafhartigheijd der Cannareesen, in 't kort gevolgd wierd, van de overgave van het geheele rijk„ waar in hij onbeschrijflijk veel schatten, vond, behalven dat dit Canara een van de aller-gezegendste, vrugt„ „baarste en Rijkste landen is, die mogelijk aan deezen zijde van het schier Eijland zijn; zo dat hij nu bezitter van die gedugte en beroemde Rijken Maisoer en Canara was. Rijk verre 1 storken

NL-HaNA_1.04.02_3619_0088 view scan ↗

English

790 159 Expression of affection Request for arms Their High Noble Excellencies order Must Alliance of some princes through the agency of the Portuguese against Haider Alij Prince flees to Goa Pounoen and Wengapoer conquered by him A conspiracy against his life discovered by him and punished He learned from the Portuguese that the Portuguese were giving him secret assistance, even allowing many commoners and indeed officers to pass into his service with leave, merely to keep that dangerous conqueror as a friend, although they have since experienced that he spared or treated them as little on that account as he did other European nations. At that time the Company still had an interpreter at Barssaloor, where the Company formerly had a lodge. When he was busy strengthening himself in the Canarese lands, he thought of the Company and had our interpreter assured of his good intentions and affection toward the Company. He was then at Mangaloor and summoned the aforementioned interpreter to him there, repeated the assurance of his affection for the Company, but also immediately demanded one thousand grenadier muskets. Notice of this was given to Batavia, and it was proposed whether one ought not to compliment him on the Company's behalf and enter into negotiations with him, as well as Sunda, whereof the However, Their High Noble Excellencies, understanding early on how one stood with him here, that he was not the man with whom, according to the system of the Company, something good could be accomplished, recommended that one should endeavor to maintain without flattery the esteem he professed to have for the Company, and to decline his requests for weapons and goods in the most fitting manner, observing that it did not suit the Company to establish itself further between Souratta and Cochim, that one could not rely on the durability of this conqueror's friendship, but that one nevertheless must not lose sight of neutrality. During this time he discovered an attempt made upon his life by 18 prominent Canarese grandees, who, through artifices very common among the heathens, had wished to do away with him; but as soon as he discovered this, he ordered a severe execution to be carried out, having them put to death through the most furious tortures and confiscating their considerable possessions, which they had concealed. Subsequently, he conquered the lands of Counoer and Wengapoer, situated north of Canara. Thereupon he advanced unexpectedly northward and in a short time became master of the realm of Sunda, whose prince took flight to Goa and, through secret cooperation of the Portuguese, entered into an alliance with the Marathas against Haider, which occurred at the beginning of the year 1764. To this alliance joined the princes of Molandin and Bonsolo, to which force the Portuguese incognito also added some troops in order to give him, were it possible, a sensible pinch there, as he already [illegible] on the goods [illegible] obtained.

Dutch transcription

790 159 Betuiging van genegentheid „soek om geevoeren haar Hoog Edelheedens oodre moet verbintenisse van eenigen vorsten door toedoen der portugiesen tegens Haider Alij vorst na Goa vlugten Pounoen en wengapoer door hem ver„ meesterd Een Samenbgeringop zij leven bij hem ontrekt den gestraft heeft hief van de portieten veren dat de Postugeesen hem onder de hand assistentie verleenden, zelvs veele gemeene, Ja zelfs officieren miet verlof in zijn dienst lieten overgaan,„ om dien gevaar„ „lijken Conquerant, maar tot vriend te houden, schoon 't zeedert ondervonden hebben, dat hij hun daarom zo min ontzien of gemenageerd heeft, als andere Europeeze Na„ „ties se dier tijd had de Comp: nog een Jolk te Barssaloor, van hem voor des Comp: en ver„ alwaar de Comp: bevoorens een logie gehad heeft:)Joen hij bezig was, zig in het Cannareeze te versterken, dagt hij aan de Comp:, en liet aan onzen Jolk zijne goede intentie en genegentheijd omtrend de Comp: verzeekeren: sij was toen te Mangaloor en ontbood daar voorsch: solk bij zig, repeteerde de verzekeringe van zijn genegentheijd voor de Comp:, maar eijschte ook al ten eersten, duijsend Granadiers geweiren Men gaf hier van na Batavia kennis en sloeg voor, of men hem 'sComp:s weegen niet diende telaten, zo meede sunda waar van de Complimenteeren, en met hem in onderhandelinge te treeden. Maar Haar hoog Edelheedens, al vroeg begrijpende, hoe men hier met hem leeven dat hij de Man niet was, om, volgens het Pijsthema van de Comp:, met hem iets goets te verrigten, recom„ „mandeerden, dat men de agtinge, die hij voor de Comp: betuijgde te hebben, ongeflatteerd moest. hag„ „ten te Conserveeren, en zijne verzoeken om wapen goederen, op de best voeglijkste wijze te excuseeren, onder remarque, dat het de Comp: niet Convenieerde zig tus„ „schen Souratta en Cochim verder te stablisseeren, dat men op den duur van deezen Conquerants vriendschap geen staat kon maaken, maar dat men egter de neu„ „traliteijt niet uijt het oog moest verliezen. In deze tijd ontdekte hij een onderneeminge die op zijn leven toegelegt was, van 18. voornaamen Cannareesen Grooten, dewelke door konstenarijen, bij de sijdenen zeer gemeen hem hadden willen van kant helpen; dog zo dra hij zulx ontdekte, liet hij een zwaare executie oeffenen, hun door de woeedste pijnen, ter dood brengen, en hunne aanmerkelijke bezittingen, die ze verboogen hadden, verbeurt verklaaren. Vervolgens veroverde hij den Landen van Counoer en wen„ „gapoer, leggende benoorden Canara. Hier op rukte hij op het onverwagts noordwaards op, en wierd in weijnigtijd Meester van het rijk Sunda, waar van de voost na Goa de vlugt, nam, en door hijme„ „lijke mede-werkinge van de Portugeezen, met de Maratters een verbond aanging, tegen haider, het geen voorviel in 't begin van het Jaar 1764. Bij dit verbond, voegden zig de voosten van Molandin en Bonsolo, en bij welke magt de Portugeezen in Cogni„ „to ook eenig volk voegden om hem daar, waare het mo„ „gelijk, een gevoelige neep te geven, alzo hij rieds op de goederen penzen e erlangd .

NL-HaNA_1.04.02_3619_0089 view scan ↗

English

791 164 wishing to make peace with him, he did not want to, assisted in the hope of returning from the camp of Taidu to Goa, since which he wished to raise his horns again, his conquest or peace between and the Marathas near the borders of Goa was approached, just as he also had an encounter there which did not turn out in his favor. But the Portuguese, seeing on closer inspection that it was not their business to interfere in his affairs, changed their plan and sought to make an agreement, but fruitlessly, and the Nabab remained the possessor of Sunda. Among his troops he already had successively European deserters of all nations, besides those who were in his service with leave from Goa; the Portuguese have greatly, but primarily he was provided with Frenchmen, for he, in making his conquests, having also an eye upon the Nabab of Carnatica Mahomet Alij, and knowing how very unfavorable the French are to the interests of this Nabab, generally corresponded with the French both at Mahé and at Pondicherry, and also knew how to obtain from them many Europeans and munitions of war, just as the French on their part also always kept Haijder Alij Chan in view, in order to make use of him in time and upon a revolution of affairs: through them then he had, as has been said, a fine troop of Frenchmen in his service. And at this time actually occurred that well-known case, desertion of a group of towns, namely that about 400 men of these French, both cavalry and infantry, deserted him with their horses and weapons, and sought a good master via Goa on account of dissatisfaction which they had conceived against him because of mistreatment. Meanwhile the Moorish Regent Adij Ragia went to him in person, as I have already noted in the description of him, and it appeared afterwards that he already arranged then to obtain the dominion of the Collastri Kingdom in case it might be conquered by the Nabab. Subsequently, affairs were settled between the Nabab and the Marathas, together with the allied princes, but immediately he prepared anew to extend his arms further, without anyone knowing where to; but shortly thereafter it appeared that he had aimed it at Malabar, for all of a sudden he came southward in the month of February 1766, and unexpectedly made himself master of the entire Kingdom of Collastri; and while the king with his family took flight to the Travancore Kingdom, the administration over the Collastri was assigned to the aforementioned Moorish regent Adij Ragia. Meanwhile the Nabab kept good order among his troops and thereby enticed the fled inhabitants to return. However, the Collastri Nairs put their heads together, attacked the Nabab's troops, and cut down about 100 men thereof, but for this he took immediate revenge.

Dutch transcription

791 164 hem vreeden willende mgaaken heeft hij niet gewilt g'assisteerd op hoop van weeder uit het Camp van Taidu na Goa zedert vider hoorens willen opsteeken zijn veroring of vreede tusschen en de Ma„ gia bij prenzen van Goas genadeat was, gelijk hij dan ook daar een rescontre gehad heeft, die niet in zijn voordeel uijtviel. Maar de Portugeezen nader inziende, dat het hunne de portugeesen naderhand met zaak niet was zig met zijne zaaken te bemoeijen, ver„ „anderden van Concept, en zogten een vergelijk te ma„ „ken, maar vrugteloos, en de Nabab bleef bezitter van Sunda. Onder zijne troupes had hij toen reeds sucessive Ein„ „ropeeze Dezerteurs van allerleij Natie, behalve de geenen die van Goa met verlof bij hem in dienst waaren: de parschen hebben hem zaer maar voornamentlijk was hij voorzien van fransen, want hij (:bij zijn maken van Conquesten, der Nabab van Car„ „natika Mahomet Alij, ook al in 't oog hebbende, en weetende, hoe zeer de franschen de belangens van dezen Nabab: ongunstig zijn:/ heeft doorgaans met de pansen zo te Mehé als te zondicherij gecorrespondert, van hun ook veele Europeezen en ammunitie van oor„ „logen weeten te krijgen, gelijk dan ook de franschen aan hunne zijde Haijder AlijChan, ook altoos in 't vizier gehouden hebben, om zig met er tijd en bij onwenteling van zaken van hem te bedienen: door hun dan, had hij, gelijk gezegd is, een schoone troup Fransen in zijn, dienst„ en in dezen tijd gebeurde eijgentlijk, dat bekent geval decertie vi e houp staden namentlijk dat hem omtrend 400 Man zo Cavallatie als infanterie van deze franschen, met hunne paarden en wapenen ontliepen, en over Goa een goed heer komen zogten, uijt hoofde van onvergenoegdheijd, die ze tegens hem, wegens mishandelinge, opgevat hadden, Jntusschen ging de Moors Regent Adij Ragia in persoon na hem toe, gelijk ik bij de beschrijvinge van hem reeds genoteerd hebben, en het is naderhand gebleeken, dat hij toen al bewerkt heeft, om de seerschappije van het Collastrijse Rijk te verkrijgen, ingevalle het door den Nabab mogte overheert worden Vervolgens wierden de zaken bijgelegt, tusschen de Nabab en de Marhettas, beneevens de geconfingeerde vorsten, maar onmiddelijk prepareerde hij zig op nieuw, om zijne wapenen verder uijttebrijden, zonder dat men wist, waar baarheen, maar kort daar op, bleek het, dat hij het op de mallabaar, gemunt had, want eensklaps quam hij zuijd„ „waards af, in de maand februarij 1766: en maakte zig op het onverwagts Meester van het geheele rijk van Collastrij„ en terwijl de koning met zijn familie de vlugt nam na het Jevancomrse Rijk, zo wierd de bestieringe over het Collashijse opgebragen aan den voorschr: Moors regert Adij Ragia. Jntusschen kield de Nabab goede order onder zijne tooupen en lokte daar door de gevlugte Jngezetenen, om weder de Colashijsen Neuwssen hebben welfe keezen; egter hebben de Collastrijse Nairossen de Kop„ „pen eens bij elkander gestooken, op 's Nababs troupen aangevallen en omtrend 100 Man daar van neder gezabelt, maar hier over, nam hij ten eersten wraak„ ijse komen gunot „rattas all en over rijk

NL-HaNA_1.04.02_3619_0090 view scan ↗

English

The realm of Adij Ragia; defeats the Zamorin King; makes himself master of Calicoet; has an encounter with the English; the same who takes his own life. He gave orders to murder everyone who was a Nair, which caused a terrible massacre and a panic, so that those who could escape fled, and those who could hide hid themselves, and after the blood had been stanched, gradually came out into the open and thereafter kept quiet, just as the Collastrian inhabitants have likewise kept quiet since then and subjected themselves to the yoke of their new lord, although heavy burdens were nevertheless imposed upon them, because Adij Ragia, upon assuming the realm, was simultaneously stipulated to pay an annual contribution from the realm so great that it could not properly be raised from it, which is also why Adij Ragia has always remained in arrears with his contribution. Takes the Zamorin King prisoner, mistreats the same. Subsequently he turned further toward the Zamorin realm, marched on as far as Callicherij and encamped with his army there at the river that separates the Zamorin realm from the Colastrian realm. But the King of the Zamorin and the other princes of Collastrij had assembled and encamped on this side of the river to prevent the Nabab from crossing, and it was thought at that time that he would have much trouble there and would have to lose men before he could get across; nevertheless, shortly thereafter he crossed the river with some loss, advanced immediately, broke through the Zamorin and the Colastrian Nairs assembled with them, and caused such a great slaughter that few of them escaped, while he had those who fled pursued by his cavalry and most of them massacred, continuing his march further southward, while in the Zamorin realm everything gave way before him, and he thus arrived at Calicoet on 20 April 1768, and with little effort became master of the entire Zamorin realm; so that he was then already master of half of the Malabar Coast. Having possession of the Zamorin realm, he also took its King prisoner, whom he treated contemptuously, held prisoner in his own palace, mocked, and threatened that he would have him whipped with a sjambok like a common Malabar if he did not point out treasures, because of which the Zamorin took his own life, as that event is further set forth under the article on the Zamorin. After this he had an encounter with the English at Tellicherij, who wished to interfere in his affairs and wanted to make his people, who were lodged there in a nearby pagoda, move out; but there the English came up short and had to take flight in the utmost confusion, leaving behind their 3 metal cannons and 2 mortars. The Zamorin Nairs, however, did not remain quiet. Made some movements, but were defeated. Restoration of the Crown Prince of the Zamorin to the realm provided he pays contributions. Dispatch of Chief Commissioners to the Nabab. What the commission consisted of. The answer of the Nabab to the commissioners. The Zamorin Nairs did not remain quiet, but constantly grouped together in the country; several skirmishes took place, but as soon as the Nabab's troops made but a sound sally, the Nairs retreated into the woods and onto the mountains; but since the Marattas were then assembling again to advance upon Haider, and he thus had to send all his forces upcountry, the Crown Prince, who had stayed close at hand, though in the realm of Travancore, namely in the Parur district, was restored to the realm, provided he paid a contribution to the Nabab. Meanwhile, or before the Marattas had come down, people here were fearful that this conqueror would continue his conquests further southward; it was therefore resolved here to have him complimented on his victories by express commissioners, and to see whether his further intentions could be fathomed. He was then still at Calicoet, where he received our commissioners politely and responded favorably to their proposals. The main substance of the commission was to inform him what privileges the Company had possessed of old in the Zamorin realm, and that the King of Cochin and of Travancore were allies of the Company, with the request that the district from Chettua to Cranganore might therefore be spared by him, and the aforementioned kings left unmolested. His answer boiled down principally to this: 1. That he wished to make an everlasting alliance with the Company, and deliver products from his land, provided that he was also accommodated whenever he might need anything. 2. That if the Company needed it, he wished to assist it with 30000 men on land and with his forces at sea, provided he might expect the same from the Company. 3. That if he should march further southward, the Company must provide him with 2000 men, Europeans, whom he himself would pay and maintain. 4. That when passing the district of Chettua he would not molest the Company's vassals and subjects, and out of respect for the Company would not alarm the lands of the King of Cochin. Note: it is speculative that he did not mention Travancore, but did mention Cochin, which proves that he already had his eye on that pepper kingdom at that time; it is also not unworthy of note that he did not promise not to let armed men march across our territory, but rather that when passing our territory he would do no harm to the inhabitants, which proves that he was already not inclined at that time to spare the Company's territory. 5. That he even wished to cede more lands to the Company unmolested.

Dutch transcription

792. 469 het Rijk van Adij Ragia ga„ verslagt de Cammorjesse Koning zig meester van Caligoet krijgt een tescontoe met de En„ deselve die sig zelfs het leeven beneemt gaf order, om all' wat Nairos was, te vermoorden, waar maar zijn deerlijk door de Na„ door een ijsselijke masacoe, en een schrik veroorzaakte, zo dat de geene, die 't ontkoomen konden, vlugten, die zig ver„ „bergen konden, zig verbergden, en na dat het bloed ge„ „stilt was, gaande weg voor den dag quamen en zig voorts stil hielden, gelijk dan ook de Collastrijse ingezetenen, zig zedert stil gehouden en het Jok van hunne nieuwen heer onderworpen hebben, schoon hen egter zwaare lasten opgelegt wierden alzo Adij Ragia, bij het aanwaar„ „den van het blijk teffens bepaalt wierd, eene Jaarlijk„ „se Contributie uijt het rijk op te brengen, zo groot dat dezelve niet wel voegelijk daar uijt kon geformeerd Neemt den Cammorijnsen koning worden, en waarom Adij Ragia ook altoos met zijne Contributie ten agter gebleeven is. soek werder na 't Cammonirsen Vervolgens wendede hij het verder na het Sammorijnse Rijk, took door tot voor Callicherij en Campeerde met zijn armee aan de revier aldaar, die het sammorijnse van het Colastrijse afschijd„ Dog de koning van Sammorijn en de verdere prin„ en de Colasheijse prineen en maarst„ een van Collastrij, hadden zig verzameld, en gele„ „gert aan deze zijde van de revier, om den Nabab den overtogt te beletten en men dagt te dier tijd ook, dat hij daar veel werks zoude hebben en volk moeten verliezen, een hij over kon komen; nogtans passeer„ „de hij kort daar op de Revier met eenig verlies, rukte ommiddelijk voort, sloeg door Cammorijnse, en de daar bij verzamelde Colastrijse Nairos heen, en rigtte eene zo groote slagtinge aan, dat er weijnige van ontquamen, terwijl hij de geene, die 't ontliepen, met zijn ruijterij liet nazetten, en de meeste daar van massacreeren, vervolgende zijnen marsch verder Zuijdwaards op, terwijl in 't Sammorijnse alles voor hem week en hij dus den 20. April 1768. te Calicoet aanquaam, en met weijnig moeijte van het geheele Cammorijnse rijk meester wierd; zo dat hij toen van de helft van de mallabaarse Cust reeds meester was. Het Cammorijnse Rijk, inhebbende, kreeg hij ook den gevangen, mishandelt derselven Koning gevangen, den welken hij veragtelijk handelden, in zijn eijgen paleijs gevangen hield„s bespottede en drijgden hem als een gemeen Mallabaar, te zullen la„ „ten Chambokken, indien hij geen aanwijzinge van schatten deed, waar door de Cammorijn zig zelfs om het leven bragt, gelijk dat geval onder het artikul van den sammorijn nader aangetoond is. Hier na had hij een rencontre met de Engelse „gulschen te Cadicter, en verslaat te Jallicherij, die zig met zijne zaken wilden bemoeijen en zijn volk, dat daar in een na bij gelegene pagood lag, wilde doen verhuijzen, dog alwaar, de Engelsen, te kort schooten, en in de uijtterste Confusie de vlugt moes„ „ten neemen, met agterlatinge van de bij hun hebbende 3. Metale kanons en 2. mortieren. De sammorijnse Nairossen bleeven egter niet stil „ bobsel daar over ge „geeven 793 -165 „ten wel eenigen beweegingen maar wierden verslagen van den Cammorijn in het rek mits betalende Contributien zending van Hooft gecommit„ „teerdens na der Nalbas war inde Comnisse bestond 4bet antwoord van den Nabab aan de gecommitteerdens d: Canons raijnslen maat stil, maar shoopten geduurig in 't land, verscheijde scher„ „mutselingen vielen en voor, maar zo dra 's Nababstrou„ „pes maar een dugtigen uijtval deden weeken de Nai„ „rossen in de bossen, en op de gebergten: maar vermits den Marattes zig toen weder verzamelden om op Haider herstelling van den kroor prins aftekomen en dus alle zijn magt na boven moest zen„ „den, zo wierd den kroonprins /die zig bij de hand, dog in het rijk van Joevancoor, namentlijk in het Paroese opge„ „houden had / in het rijk hersteld, mits Contributie aan„ den Nabab betalende. Jntusschen, of voor dat den Marattas afgekomen waa„ „ven, was men hier bedugt, dat deze Conquerant zijn overwinninge verder zuijdwaards zoude voortezetten; dus rezolveerde men hier, om hem per expresse Com„ „missianten, wegens zijn overwinningen te laten Complimenteeren, en te zien of men zijne verderen intentie doorgronden kon. sij bevond zig toen nog te Calicoet; alwaar hij onze Ge„ „committeerdens beleeft, ontving en op hunne voorslagen favorabel antwoorde het hoofdzakelijke van den Commissie bestond, om hem te informeeren, welke voorregten de Comp:e in het sam„ „morijnse van ouds bezat, en dat den koning van Cochim en pevancoor, bondgenooten van den Comp: waaren, met verzoek dat dus de landstreek van Chettua tot Cranga„ „noor door hem gemenageert, en voorsch: koningen on„ „gemollesteerd mogten gelaten werden zijn antwoord quam hoofd=zakelijk hier op uijt. 1:/ Dat hij een eeuring-duurende verbond, met de Comp wilde maaken, en producten uijt zijn land leveren, mits hij ook gerieft werde, wanneer hij iets mogte nodig hebben. 2. /. Dat indien de Comp: het nodig had, hij haar wilde assisteeren met 30000 Man te lande en met zijner magt ter zee, mits hij zulx van de Comp: ook te wag„ „ten had. 3. /. Dat zo hij verder zuijdwaards mogt optrekken de Comp: hem 2000 Man /Europeezen/ moest bij zetten, die hij zelfs betalen en onderhouden zoude 4. / Dat hij den Landstreek van Chettua passeerende 's Comp:s vassallen en onderdanen niet molesteeren en de Landen van den koning van Cochim ten respecte van de Comp: niet allarmeeren zoude /:NB: het is speculatief dat hij Joevancoor niet noemde, maar wel Cochim„ ten bewijze dat hij dat Peper Rijk toen al in het oog had: ook is het niet buijten remarque, dat hij niet be „loofde, geen gewapend volk over onze landstreek te zullen laten trekken, maar wel, dat hij onze land„ „streek passeerde, de ingezitenen geen quaad zoude, doen, ten bewijzen, dat hij toen al niet van sints was 'sComp:s pond te menageeren:/ 5. Dat hij zelfs de Comp: nog meer Landen wilden af„ „gemollesteerd e „staan

NL-HaNA_1.04.02_3619_0092 view scan ↗

English

his intention to conclude a treaty with the Company. Men promised to write to him about this from Batavia. Regarding the King of Travancore, they excused themselves on behalf of the Company from making it known, as it stands. 6. That he granted us free trade as far north as his territory extends, or might yet extend in time. That we could restore the residency at Barsaloor, and also establish a residency at Ponnani or Calicut, and more besides. In a word, he already sought then what he has sought until the very last, namely, merely to lead the Company on a string and enter into an offensive or defensive treaty with him; he also wrote a letter to Batavia about this. All this was answered here in the most friendly manner, and regarding his principal aim it was stated that one would address Batavia about it. But his promise, namely not to trouble the King of Cochin, he subsequently made conditional, as he demanded that something must nevertheless be contributed to him to make good his war expenses, and that the Company should not only take the mediation upon itself, but also dispose Travancore to the payment of a good sum, adding that if the latter was not inclined, he would then pay him a visit, demanding at the same time from the King of Cochin 4 lakh rupees and 8 elephants, and from the King of Travancore 15 lakh rupees and 30 elephants. These princes were consulted on this, but Travancore declared that he had given this conqueror no reason to demand money from him; that being a tributary of the Nawab Mahomet Ali, he could not contribute to two sides; but that he was willing to send envoys with a present to the Nawab, and at the same time have it proposed to the Nawab to restore the Kings of Collastri and the Zamorin for a good sum of money which these princes would contribute to him, provided the Nawab then returned from Malabar to the north again; yet Travancore also specially added that the Company must let its commissioners go along. And the King of Cochin answered that he left his affairs to the Company, likewise requesting that one might bring about the restoration of Collastri and the Zamorin. However, it was understood that nothing would come of such a negotiation, that the Nawab demanded too much and the aforementioned kings wished to give little or nothing; that one could thereby get into precarious circumstances and easily take a step contrary to neutrality. At least it was decided on the Company's behalf not to let any commissioners go along, but to let the matter rest and await Their High Mightinesses' orders. Thus this was made known to Cochin and Travancore, who thereupon declared that they would not send any envoys to the Nawab either. So the Nawab was notified that his proposals had been made known to the Kings of Cochin and Travancore, without more; and all this was reported in detail to Batavia, sending along the Nawab's letter and gifts, as can be seen from the separate letters to Batavia of that time, or properly speaking of the year 1766. But in the year 1766, in the month of October (for then it is time to begin something here, because the good monsoon opens then), it was thought that he would advance upon Cochin and Travancore; but in the month of January following, receiving report that the Marathas were on the march with the Nawab of the Deccan named Nizam Ali to invade Mysore, he broke camp with his army and threw himself with it into his capital Seringapatam, wherein he was blockaded and surrounded. Two months thereafter he found means to rid himself of the enemy with money, who thereupon withdrew. Meanwhile, or while he was still engaged with the Marathas, at the beginning of the year 1767 a letter with counter-gifts arrived from Batavia for the Nawab. On 20 February 1767 his fleet arrived in the roads here, consisting of 28 sails. Two envoys from the fleet came ashore, making known that this fleet had come to seek out the Marathas and secure this coast, whereupon it departed again the following day for the north; and since he had meanwhile come to terms with the Marathas, nothing further was heard of these fleets seeking each other out. Now having his hands free again, he persuaded the aforementioned Deccan Nawab Nizam Ali to march together against Nawab Mahomet Ali and the English, and first to overwhelm Trichinopoly and the Madura country, as they also marched together, on which occasion Nizam Ali, through his influence, procured from the Mughal a Nawab's patent and a robe of honor for Hyder Ali Khan, from which time onward he properly first bore the title of Nawab. However, these two now marching together toward the Trichinopoly area, and the English lying encamped there with Mahomet Ali, it came to a general action. Nizam Ali took flight quickly and in time, and Hyder Ali Khan had to take refuge in Mysore with great loss. Meanwhile, Nizam Ali gave a good sum of money to the English and Mahomet Ali.

Dutch transcription

794. -467 zijn, intentie om met de Comp: een Min beloefte hen da over van Batavia te zullen schrijven van der Koningen van Srevan Coor men heeft zig g'excuseerd die 'sComp:s weegens bekent te maaken „staan, als ze heeft, 6:/ Dat hij ons vrijen handel toestond, zo verre zijn gebied antwoord a noordwaards strekt, of in der tijd nog mogt komen te strekken. Dat wij de Residentie op Barssaloor weder konden her„ „stellen, en te Leenanij, ofte Calicoet, ook een Residentie mogten stellen en wesmeer Met een woord, hij zogt toen al, het geen hij tot op het of en deverhede poretaat te suijte laatste toegezogt heeft, namentlijk, om de Comp: maar aan het lijntje te krijgen, en met hem een offensier of defensier Tractaat aantegaan; ook schreef hij een briev na Batavia hier over. Dit een en ander wierd hier op het vriendelijkste be„ „antwoord, en nopens zijn hooft oogmerk verklaard, dat men zig daar over na Batavia zoude addresseeren Maar zijn belofte, namentlijk om de koning van Cochim niet te zullen moeijen „ maakte hij naderhand Condi„ „tioneel, alzo hij begeerde, dat hem egter iets moest en Cochim Eejeste hij Contidutie, gecontribueerd worden, ter goed-makinge van zijn oor„ „logs=ongelden, en dat de Comp: niet alleen de media„ „tie daar toe op zig zoude neemen, maar ook Coevan„ „coor insgelijks disponeeren tot de afgave van een goede somma, met bijvoeginge, dat indien deze niet inclineerde hij hem dan een visite zoude geven, eijsschende teffens van den koning van Cochim 4. Lak ropijen en 8 Eliphan„ „ten, en van den koning van Joevancoor 15 Lak ropijen en 30 Eliphanten Hier over onderhield men deze vorsten, dog pevan„ daar op Coor verklaarde, dat hij dezen Conquerant geen reeden gegeven had, om van hem geld te Eijsschen dat hij een tributair van den Nabab Mlahomet Alij zijnde, aan geen twee zijden Contribueeren kon, dog dat hij wil gezan„ „ten met een present, aan den Nabab wilde zenden, en teffens den Nabab laten voorslaan, om de koningen van Collastrij en sammozijn weder te herstellen, voor eene goede somma gelds, die deeze vorsten hem zouden Contri„ „bueeren, mits de Nabab dan van de Mallabaar, weeder na de Noord keerde; dog Joevancoor voegde er ook wil spe„ „ciaal bij, dat de Comp: haare gekommitteerdens meede moest laten qaan, en de koning van Cochim antwoorde dat hij zijne zaaken aan de Comp: overliet, verzoe„ „kende insgelijx dat men mogt bewerken, dat Collas„ „trij en Jammorijn hersteld wierden. Dog men begreep, dat er van zo een onderhandelin„ „ge niets komen zoude, dat de Nabab te veel Eijschte en voorsehr: koningen wijnig of niets geven wilden; dat men hier door in netelige omstandigheeden zoude kunnen geraaken, en ligtelijk een staf doen, strijdende tegen de neutraliteijd, ten minsten men besloot van sComp:s weege geen Gecommitteerdens meede te laten gaan, maar het daar bij telaten berusten en Haar Hoog Edelheedens ordres aftewagten, gelijk men dan Zuk 795 169 van den Nabab na Baffaia vertrek van den Nababaia Ceringa„ vijanden aangetast dog wiet weeder wyj te vaassen ontvangst van een briev en Contra present voor den Nabab van Batavia Dog krijgt den neederlaag van Ma„ lomet Alij en de Engelschen en rijkt van de haijsoer Confunctie van Nababmat Navam Alij teegens Malomet a blij en de Enge verschijning van s Nababsvloot voor Cochim zulx aan Cochim en pevancoor bekent maakte, dien daar op verklaarden, dan ook geene zendelingen aan den Nabab te willen zenden; dus gaf men den Nabab kennisse dat men zijne voorslagen, aan de koningen van Cochim en pevancoor had bekent gemaakt, zonder meer; en men bedeelde dit een, en ander omstan„ „dig na Batavia, onder afzending van 's Nababs zonding van en briven gescherten brief en geschenken, gelijk bij de aparte brieven na Batavia van dien tijd, of eijgentlijk van 't Jaar 1766: — te zien is Maar anno 1766: in den maand October (want dan is het tijd, om hier wat te beginnen, om dat dan den goede mousson opengaat:/: meende men, dat hij op Cochim en pevancoor zoude afkomen maar hij in de maand Januarij daar aan berigt krijgende, dat de Ma„ „rattas met de Nabab van de Cam. genaamt Nisam gedrieerd Alij in aantogt waaren om in het Maisoersen te „pathan, werd aldaar door verseheede vallen, brak hij met zijn leger op, en wierp zig daar meede in zijnen Hoofd- stad Ceringa pat„ „nam, waar in hij geblocqueert en omeingeld wierd, twee maanden daar na, vond hij weet middel, om zig. van de vijand door geld te ontslaan, die daar op aftrok. Jntusschen, of terwijl hij nog met den Marattas doer„ „de was, quam in 't begin van 't Jaar 1767. een briev met Contra geschenken van Batavia voor den Nabab Den 20: Februarij 1767. quam zijn vloot hier ter rheede, bestaande in 28 zeijlen, twee afgezanten uijt de vloot, quamen aan de wal te kennen geevende, dat deze vloot gekoomen was, om de Marattas op te zoeken en deese Cust te beveijligen waar op ze 'sanderen daags weder na de Noord vertrok, en dewijl hij intus„ „schen zig met de Marattas verdragen had, zo hoorde men ook niet, dat deze vlooten elkander verder opgezogt hebben. Maar nu de handen weder ruijm hebbende disponeer„ de hij voorschreeven Decams Nabab Nisam Alij, om te zamen tegen den Nabab Mahomet Alij en de Engelse optetrekken, en voor eerst pisnapallij, en het Madureese te overweldigen, gelijk ze ook te zaa„ erd oe den Madot tot Nabamen optrokken en bij welke gelegentheijd Nisam Alij, door zijn vermoogen, van den Mochol een Na„ „bads Patent en een Eere kleed voor Paijder Mlij Char„ bezoogde, van welken tijd af, hij eijgentlijk eerst de Naam„ van Nabab gevoerd heeft. Dog deze twee nu te zamen na het pisnapal„ „lijse optrekkende, en de Engelse met Mahomet Alij daar gecampeerd leggende, zo quam het tot een hoofd, tressen Nisam Alij nam schielijk en in tijds de vlugt en Haijder Alijchan moest met goot verlies na het Maisoerse de wijk neemen, intusschen gaf Nisam Alij een goede somma gelds aan de Engelse en Maromet Den Alij le

NL-HaNA_1.04.02_3619_0094 view scan ↗

English

76 171 was pursued thither and besieged in the fortress Bengaloor the English capture a part of Mangaloor and the English possession treated severely makes peace with them for a large sum of money fights again against the Marattas Necessity of peace with them the Nabob's troops advance up to the gates of Madras Alij, wherewith he got free Here the English and Mahomet Alij approached the Mysore territory and besieged Haider Alij Chan in his border fortress Bengaloor, wherein he offered brave resistance: One of his sons, being in the field with a flying army, did the besiegers all possible damage; the English, to give him work on two sides, fitted out a fleet at Bombaij in the month of March 1768, and having thereby captured a part of the Nabob's fleet, undertook a landing at the fortress Mangaloor, which they conquered, and wherein, as well as outside in the entrenchments, they maintained themselves until the month of July; but the Nabob's son, with a good number of troops, both cavalry and infantry, surprised them in the entrenchments and conquered the same: while the greatest part of the English was cut off from the fort, put to the sword or taken prisoner, whereto was also added that the English had to abandon the fort and, with a vessel lying in the river, leaving everything behind, take flight to Bombaij; the captured Europeans were led inland, treated badly, and the Topasses who had been in their service, after the cutting off of noses and ears, were sent back contemptuously: the Nabob's troops marched further through the Mysore territory toward the Coromandel coast, raided the lands up to the gates of Madras, and hindered the supply to the army before Bengaloor, where the English made little progress. Affairs standing in this state, the parties entered into negotiations and made peace by a contract of the month of April 1769, of whose contents people were ignorant for some time; however, it was known that it was not very much in favor of the English, but that the King of Travancore, as tributary of Mahomet Alij, was also included in that contract; but since an opportunity was obtained to get a copy thereof, it has appeared, namely by the first article of that contract, that Travancore is indeed specially included therein as a friend of Mahomet Alij. But Haider Alij Chan hardly had his hands free before he again became involved in war with the Marattas, which lasted until the beginning of the year 1773, at which time he made peace for a considerable sum of money; in which intervening time of seven years, or actually since the Nabob had marched from the Zamorin's territory to the north, the King of the Zamorin had not paid a single penny of contribution, just as if the Nabob would never escape the dance with the Marattas, and so he merely lived quietly. Coast away retaken

Dutch transcription

76 171 werd derwaarseravnlgt en belegert in de versting Bengaloo de Engelsen vermeesteren een gedeelte „ Mangaloon En de Engelsen bezitting streng„ „lyk gehandeld maakt met dezelve vreeden voor groote pokt weder tegens de Marattas Noodzagh met hen vreede 's Nabals troupen pekken tot voor de poorten van Madras Mlij, waar meede hij vrij gezaakte Hier naderden de Engelse en Mahomet Alij het Maisoerse en belegerder Haider AlijChan in zijne Grensvestinge Bengaloer, waar in hij dapperen tegen„ „stand bood: Een zijner zoonen, met een vliegend Leger in het veld zijnde, deed de belegeraas alle mogelijke afbreek; de Engelse, om hem aan twee zijde werk te„ van de Nababs vloot en versoeren „ gen, nisteden te Bombaij in de maand Maart 1768. een vloot uijt, en daarmeede een gedeelte van 'S Na„ „babs vloot vermeesterd: hebbende, ondernamen, een landinge op de vesting Mangaloor, dewelke ze ver„ „overden, en waar in ze zo wel als buijten in de retran„ „chementen, tot in de maand Julij zig maintineer„ „den; maar 's Nababs zoon, met een goed aantal wierdor's Nababs zo weder troupen, zo Cavallerij als Jnfanterij overasteden hun in de retrarchementen en veroverde dezelve: terwijl het grootste gedeelte der Engelse van het fort af„ „gesneeden, nedergesabelt of gevangen genomen, wierd, waar bij ook kwam, dat de Engelse het fort verlaten, en met een vaartuig, dat in de revier lag, met agterlating van alles, de vlugt na Bombaij moes en pot somma geldf „ten neemen, de gevangen Europeezen wierden landwaard ingevoert, slegt gehandelt, en de toepassen, die in hun dienst geweest waaren, na afsnijding van neuzen en ooven, veragtelijk te rug gezonden: 's Nababs troupen trokken voorts door het Maisoerse, na de kust Cormandel, stooopte de landen tot voor de poorten van Madrast en belemmerden den toevoer, na het Leger voor Bengaloor alwaar de Engelse weij„ „nig vorderde De zaaken in deese staat staande, vaden partlijen, in onderhandelinge, en maakten vreede bij een Contract van de maand, April 1769. van welks inhoud men eenigen tijd ignorant is geweest, egter wist men dat het niet zeer in faveur der Engelse was, dog dat de Koning van Pevancoor, als tributair van Maho„ „met Alij, en dat Contract ook ingeslooten was, dog 't zeedert men gelegentheijd gekreegen heeft, om een afschrift daar van te krijgen, is het gebleeken en wel bij het eerste artikul van dat Contract, dat frevancoot wel speciaal, als een vriend van Maho„ „met Alij, daar inne begreepen is. Maar Haider Alij Chan, had zijnen handen zo dra niet vrij of geraakte weder met de Marattas in Oorlog, dewelke duurde tot in 't begin van 't Jaar 1773. als wanneer hij vreede maakte, voor eene Consideraabele Somma gelds in welke tussen tijd van zeven Jaaren of eij„ „gentlijk zedert de Nabab uijt het Sammorijnse na de Noord opgetrokken was, de koning van Sam„ „morijn geen enkelde penning Contributie betaald had„ even als of de Nabab met de Marattas nimmer den dans ontspringen zoude, en dus leefden hij, maar gerust Kust weg hernomen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0095 view scan ↗

English

797. sends his general against the Zamorin and subjected himself to the same planted in the Zamorin's territory but the Nabob's forces cared not there the French to retreat demanded: one lakh rupees, two elephants the King of Cochin has been addressed and has also promised to give to the Nabob the Zamorin King sought in second time by the Nabob's forces conquered However, it was not long before the Nabob sent his army commander to Lalcatcherij to attack the Zamorin. Hearing this, the Zamorin sought the French at Mahe for help and concluded a contract on 12 January 1774 with Governor Duprat, who had arrived there from France just shortly before, whereby he subjected himself with his kingdom and subjects to the King of France and obtained the promise that he would be protected against his enemies. After this contract had been made, Mr. Duprat marched with a detachment to Calicut, where he was politely received by the King Zamorin, who transferred the governance of his kingdom to Mr. Duprat, whereupon the latter planted French flags everywhere and took possession of the Zamorin's fort at Calicut. Subsequently, he notified the Nabob's general that on behalf of the King of France he had taken the Zamorin's kingdom under his protection, but the general cared little about this and continued his march to Calicut aforesaid. Mr. Duprat went to meet the Nabob's army commander and thus intended to bring his further march to a halt through a conference, but in vain; therefore he returned back to Calicut and occupied the fort, which was subsequently demanded by the Nabob's army commander and hastily abandoned on the 19th of that month by the French, who beat their retreat to Mahe with the ship in which they had come, on which occasion the French flags were treated quite contemptuously, about which strong complaints have since been made by the ministry of Pondicherry to the Nabob, who, however, cared not in the least. The Zamorin Kingdom for the The King of Zamorin thereupon abandoned Calicut, which, along with the entire kingdom, was once again captured by the Nabob's forces and was then governed by one of the Nabob's governors himself. When the Zamorin took flight, he wished to hide in the Company's lands, from which I dissuaded him, so that he retreated by sea with his family by native vessel southward into the Travancore Kingdom, where he still resides with their connivance. In the meantime, the King of Cochin was called upon for two lakh rupees and several elephants, which he also promised and subsequently gave, with the prior knowledge of Travancore, who not only advised him to do so but also lent him money for it, in order to prevent the Nabob by all means from advancing any further than the Zamorin's territory. However, in the month of March, the kingdom of Cranganore was also called upon for one lakh rupees and two elephants, as I only later understood. 173

Dutch transcription

797. zend zijn leegen hoofd af teegen den sammorien en aan dezelven zig onderwier in het Cammorijnse geplant dog den Nababsen Hoorden zig daar de fansen te rekireeren gevergl: Een lak refien twee Eliphanten de koning van Cochim is aange„ „sprooken en heeft ook beloofd teere aan den Nabab te geeven de Cammorijnse Koningsogt in tweede maal door de Nababse ver„ Dog het duurde niet lang, of de Nabab zond zijn leger hoofd af na Lalcatcherij om den Sammorijn te atta„ „queeren, De sammorijn dit hoorende, zogt de fransche te Mahe tot hulp en sloot met den Gouverneur Duprat die die de franse tot luep niep effen tevooren uijt Drankrijk daar gekomen was, den 12. Januarij 1774 een Contract, waar bij hij zig met zijn Rijk en onderdanen aan den koning van Vrankrijk onderwierp en belofte erlangde, van teegens zijne vijanden beschermt te zullen worden: na dat dit Contract ge„ „maakt was, toot de seer Duprat met een Detache„ „ment na Calicoet, wierd aldaar door den koning van Sammorijn beleefd ontfangen, die het bestier over zijn Rijk aan den heer Duprat opdroeg, waar op deze Alom at gewesen de parso vlaggen weerd over als fpranse vlaggen plantte en bezit nam van 't sammo„ „rijnse fort te Calicoet: vervolgens liet hij aan de Gene„ „daal van de Nabab weeten, dat hij van weegens den koning van Trankrijk het Cammorijnsche Rijk onder zijne Pro„ „tectie genomen had, dog deze stoorde zig weinig daar niet aan madr genoodsaakte aan, maar Lette zijn marsch na Calicoet voorz: De heer Duprat ging sevababs Leger- hoofd te gemoed, en meende dus desselfs verderen marsch door een za„ „menspraak te doen staken, maar te vergeefs; dus keerde hij weder terug na Calicoet, en bezette 't fort, het welke vervolgens door 's Nababs Leger-hoofd op„ „ge-Eijscht, en den 19 dier maand door de franschen schie„ „lijk verlaten wierd, die met het schip, waarmeede ze gekomen waaren, hunne retracte na Mate namen, bij welke gelegentheijd met de franse vlaggen al wij veragtelijk geleefd wierd, waarover 't zedert door het Ministerie van Londicherij bij de Nabab hevig ge„ „doleerd Curaat, dog waar aan hij zig niet het minste Het Cemmoniase Rijk voor de De koning van sammorijn verleet daar op Calicoet, heet welk nevens het gantsche Rijk door de Nababse ander„ „maal vermeesterd en toen door een van 's Nababs Gou„ „verneur zelfs beheert wierd. Joen de sammorijn de vlugt nam, wilde hij zig in 'sComp:s land te schuijven do g wvierd onze landstreek verschuijlen, waar van ik hem diver„ „teerde, zo dat hij met zijn familie per een inlands vaartuijg over zee, na de zuijd retireerde in het pe„ „vanCoorse Rijk, alwaar hij Connivendo, zig als nog op„ „houd Middelerwijl was den koning van Cochim aangesprooken, lak, rop:s en eenigen Eliphanten om twee Lak ropijen en eenige Eliphanten, die hij ook beloofden, en naderhand ook gegeven heeft met voor kennis„ van Joevancoor, die hem zulx niet alleen aanraadde maar ook daar toe geld leende, om den Nabab tog maal niet verder als het sammorijnse telaten komen. Maar in de maand Maart, wierd het koningse van de Crangaroonsen koningewierd van Cranganoor ook aangesprooken om een Lak ropijen en twee Eliphanten, zo als ik naderhand eerst ver„ stoorde „lijk „staan „overd 173

NL-HaNA_1.04.02_3619_0096 view scan ↗

English

The Company was unable to assist the king of Cranganoor. The king of Cranganoor went to the Nabab's army commander and settled the matter with a bond of 50000 rop:s. The said army commander investigated the Company's lands. Proof was demanded regarding the treasures of the Sammorijn. The cause of the Nabab's coolness towards the Company. Why the counter-gift was not sent to the Nabab. The trouble the Company had on that occasion. had stood by him on account of a certain promise that he had already made, without the Company's knowledge, when the Nabab had come down in the year 1766. The king of Cranganoor was meanwhile forced to raise the demanded sum, and since this little king has stood under the special protection of the Company ever since the year 1717, I indeed tried to deliver him from this, but in vain; for the Nabab's general sent some armed sepoys across the Chettua river, through the land of the king of Cochim, and also some on this side of the river, across the region behind Paponettij to Cranganoor. In these circumstances, the little king of Cranganoor left the court and departed for the Nabab's army commander, who lay across the river near Chettua, and settled the matter there by signing a bond of 50000 rop:s, to be paid in two installments. However, the Nabab's army commander, still seeking to quibble with the Company, complained that we had allowed the Sammorijn to pass through our land, and that he had hidden his treasures in our region, here and there among the inhabitants; whereupon I requested him to provide proof of this, promising to have an inspection conducted in the presence of his people, which was also done, simply to satisfy every measure of demand. What trouble I had at that time, both for the sake of the little king of Cranganoor and in keeping the Sammorijn out of our land, so as to give no cause for offense and yet preserve the Company's authority, and what I wrote at that time continuously to the Nabab, to his army commander, and to our residents in the North, can be seen in further detail in a separate letter of 18 June 1774 written from here to Batavia. Meanwhile, I began to perceive the Nabab's coolness more and more, and I was all the more confirmed in this because he did not even reply to my letters, as well as because I was aware of various offensive remarks made by his ministers. Finally, I discovered the reason for his coolness, and learned that it was not only caused by the fact that the Company had made no use of his previous offers, but also because, having sent a present to Batavia in the year 1766, he had received no counter-present, and regarded this as a slight. I inquired into this and found that a counter-gift had indeed arrived from Batavia, but that at the time of the arrival of that gift he was engaged with the Marattas, on account of which the delivery may possibly have been excused at the time. Although

Dutch transcription

798 -175 De Comp: heeft den Cranganoordee „teloos de Cranganoordern gaat na het na„ „babsen legerhoofd en maakte het af met een opligatie van 50000 res:s „gem: Leger hoofd hoed ondersoek in 'sComp:s „morijen aan den Nabab niet was verzonden. onrzaak van zijn koelheid Roelheid van den Nabab omtrend de moeite, dig de Comp: bij de gelegert„ „heid heeft gehad „staan hebbe, uijt hoofde van zekere belofte, die hij, toen de Nabab in het Jaar 1766. was afgekomen, buijten 'sComp:s weeten al gedaan had. De koning van Cranganoor wierd intusschen ge„ daar van willen bewijsen dog rig„ dwongen, tot het opbrengen van de ge-eijschte Som, en dewijl dit koningse, al zedert het Jaar 1717:, onder de speciale protectie van de Comp: staat, zo hebben ik wel getragt, hem daar van te bevijden, dog te vergeefs„ want 'S Nababs Generaal, zond eenige gewapende Sipais aan de overzijde van de Chettuase revier, door het land van den koning van Cochim; en ook eenige aan deze zijde van de revier, over de landstreek agter Paponettij heen„ na Coanganoor. Jn deze omstandigheijd verliet het koningje van Cranganoor het hoff, vertrok na 'S Nababs Leger Hoofd, die aan de overkant van de Revier bij Chettua lag, maak„ „te de zaak daar af, met een obligatie van 50000 rop:s te teekenen, om die in twee termijnen te betalen. Maar 's Nababs Leger Hoofd, tog Chikanen met landswheek ona de schaten van den Jam„ de Comp: zoekende, doleerde dat we den Sammorijn door ons land hadden laten passeeren, en dat hij zijn schat„ „ten op onze landstreek, hier en daar bij de Jngezeetenen; had geborgen, waar op ik hem verzogt, om aanwij„ „zinge daar van met belofte om visitatie te zullen laten doen, ten bijweezen van de zijnen, het geen ook ge„ „schiedde, om de maat maar vol te meeten. Wat moeijte ik te dier tijd gehad hebben, zo om de wille van het koningje van Cranganoor als om den Cam„ „morijn uijt ons land te houden, ten eijnde geene reeden van aanstoot tegeven, en egter 'sComp:s gezag te be„ „waaren, en wat ik te dier tijd zo aan den Nabab als aan zijn Leger Hoofd, en aan onze Residenten om de Noord bij Continuatie, geschreeven hebbe, is nader te zzeen bij aparte briev van den 18 Junij 1774. van hier na Batavia geschreeven. Jk begon intusschen, hoe langer hoe meer S Nubabs koel, „heijd te ontdekken en hier in wierde ik des te meer gesterkt, zo om dat hij mij op mijne brieven niet eens antwoordden, als om dat ik kennis droeg van verscheij„ „de Chokante discoiersen van zijne Ministers: Eijndelijk quam ik agter de reeden van zijn koel„ „heijd, en verstond, dat dezelve niet alleen was ver„ „oorzaakt, om dat de Comp: van zijn voorige aanbiedingen geen gebruik gemaakt had, maar ook, om dat hij in 't Jaar 1766: een present na Batavia gezonden hebben„ „de, geen Contra present ontvangen had, en zulx als een kleijnagting aanmerkte: Jk informeerde mij hier na en bevond dat er wel waarom het present aan Batavia een Contra- geschenk van Batavia gekomen was, maar dat hij bij den aanbreng van dat geschenk met de Marattas aan den gang was, waar door men toen mogelijk den afzendinge ge-excuseert zal hebben Wat Schoon

NL-HaNA_1.04.02_3619_0097 view scan ↗

English

799 177 to redress dispatch of this gift by delegates Return of the delegates with letters and gifts the long voyage of the Company's ship to Batavia delayed the answer to the Nabab's letter purpose of the Nabab to, with the Company, enter into an offensive and defensive treaty although the administration of that time seems to have been intending at first to dispatch the same, since it has appeared to us that they did specifically ask at that time in a letter to the King of Coimbatoer (who at that time somewhat handled the Nabab's correspondence in the north) where the Nabab was then residing, in order to send him the aforementioned gift. Now the only matter of importance was how to redress this, how one should conceal this negligence and remove every appearance of neglect, as if only now, by chance, the first opportunity for it had presented itself. And this succeeded too; however, I drew out this commission a little longer, and first corresponded with the Calicut Governor, ostensibly about the condition of the lands and the inland routes which our delegates had to traverse, to see whether in the meantime anything might happen that could have any influence on this commission. Thus on the 23. February 1775 I sent two delegates with the gifts, provided with a written instruction as to how they were to conduct themselves, which delegates were received by the Nabab in a distinguished manner. The aforementioned delegates brought back with them upon their return letters and gifts, which along with the rest were sent to Batavia on the ship De Princesse van Orange on the 12. May 1775, on which occasion everything was communicated very circumstantial, with the insertion of the instruction, the report of the delegates, the letters, the Nabab's objective, together with my thoughts on the matter. The purpose was so far indeed achieved that the Nabab's coolness had receded and I had entered into correspondence with him, but the actual objective, to enter into a contract of friendship with him, was not achieved; besides that, one clearly saw that the Nabab sought only that which suited the Company least of all, namely, to enter into an offensive and defensive pact with him, for which he had even attached a draft of nine articles to his letter to Batavia; but I still had hope (since I was now after all in correspondence with him) of keeping him in good humor and bringing him to a treaty of friendship. But unfortunately, the ship De Princesse van Orange had a very long voyage, so that with the arrival of the Batavian ships in the following monsoon no answer came, and thus, so as not to cause him any suspicion regarding the delay of the answer, I informed him in good time that the ship had had such a long voyage, and that therefore the answer without doubt could only arrive in the next good monsoon, and I even sought to make him believe that the death of the Governor, which had occurred in the meantime, circumstantial Governor Mi

Dutch transcription

799 177 redsisseeren zending van dit geschenk per gekommitteerdens Te rug komst van de gecommit„ de lange reijsen van 's Comp:s schip na „babs briev veragter oogmerk van den Nabab om, met den schoon het ministerie van dien tijd egter eerst voorneement schijnd geweest te zijn, het zelve aftezenden, alsoo wij ge„ „bleeken is, dat men toen bij een briev aan den Koning van Coimbatoer (:die te dier tijd 's Nababs Corespon„ „dentie om de Noord zo wat waar naam:/ wel speciaal gevraagt heeft, waar de Nabab zig toen bevond, ten eijnde hem het gem: geschenk toe te zenden. Nu quam het er maar op aan, om dit te redresseeren, hoe men dit verduijm moest en alle schijn van verzuijm weg teneemen, even als of zig tans toevallig, de eerste gelegentheijd, daar toe maar op deed„ en dit gelukte ook, egter rekte ik deze Commissie nog een weijnigtsen uijt, en Correspondeerde eerst met den Cali„ „coutsen Gouverneur, quasie over de gesteldheid der landen en de binnen weegen, dewelke onze gecommitteerdens pas„ „seeren moesten om te zien of er intusschen, niet iets mogt voorvallen, dat eenigen invloed op deze Commis„ „sie konde hebbe. Dus Zonad ik den 23. februarij 1775 twee gecommit„ „teerdens met de geschenken, voorzien van een schriftelijk instructie, hoedanig zij zig te gedragen hadden, welke gecommitteerdens op eene distingueerde wijze van den Nabab ontvangen wierden. Gem: Gecommitteerdens bragten met hun retour mede„ „teerdens met brieven en geschenk brieven en geschenken, welke eene en andere per het schip De Princesse van orange den 12.' Maij 1775. na Batavia verzonden zijn, bij welke gelegentheijd alles zeer omstandig, met insertie van de Jnstructie het Rapport van gecommitteerdens, de brieven 's Nababs doelwit, be„ „nevens mijde gedagten over het een en ander bedeeld is Het oogmerk was in zo verre nu wel bereikt, dat Comt: en of an defenter traelaat 's Nababs koelheijd geweeken en ik met hem in Correspondentie geraakt was, dog het eijgentlijk doelwit, om met hem een Contrakt van vriendschap aantegaan„ was niet bereikt; buijten des, zo zag men duijdelijk, dat de Nabab dat geen alleen maar zogt, het geen de Comp: juijst het minst Convenieerd, namentlijk, om met hem„ een offensief en defensier pactaat aantegaan, waar toe hij zelvs een project van negen articuls bij zijn briev na Ba„ „tavia gevoegd had; dog ik had nog al hoop /:dewijl ik tog nu met hem in Correspondentie was:/ om hem wel in een goede luijm te houden, en tot een vriendschaps accoord te brengen. Maar per ongeluk, had het schip de Princesse Batavia heeft het, andwoord op 3 Ma„ van Orange een zeer lange reijze, zo dat met de komst van de Bataviase scheepen, in de volgende mous„ „son geen antwoord quam, en om dus hem geen argesaan te doen krijgen, over het agterblijven van het antwoord; zo informeerde ik hem in tijds, dat het schip zo eer lange reijs gehad had, en dat dus het antwoord onge„ „twijffeld maar eerst in de volgende goede mousson kon koomen, en ik zogt hem zelfs te doen gelooven, dat het intusschen ge-exteerde sterfgeval van den zeer omstandig Gouverneur Mi

NL-HaNA_1.04.02_3619_0098 view scan ↗

English

Although he without that nevertheless there has. The Kings of Cochim and Cranganoor were in the meantime again addressed for money. Departure of the Cochim emissaries to Seringapatnam to negotiate with the Nabab as occurred. Governor General van der Parra could also have caused some delay, which however seems to have found no favor with him; at least he suddenly ceased writing to me, and some time thereafter it came to my ears that he was embittered against me, and me further that there had already been authorization from Batavia in time to enter into such an offensive and defensive alliance with him as he had sought, but that I had withheld the letter and presents, and in the meantime had vigorously written and worked against it so that another letter arrived, and that this was the reason why he had to wait so long for an answer. Yet from his conduct observed since then, one may rightly conclude that even had he received an answer that year, he nevertheless would not have refrained from doing what he did, and might possibly already have attempted earlier to compel us by force into his proposed engagement, which he then still seemed to have postponed that year to see whether an answer might yet arrive via Ceilon or in some other manner. However, during the first good monsoon in which he had expected the answer from Batavia, he undertook nothing against the Company, but had the kings of Cochim and Cranganoor addressed for money again through his Governor of Calicoet, which gave me plenty of work again for almost the entire good monsoon with the Governor of Calicoet, the petty king of Cranganoor, and the Residents to the North, until I finally managed to arrange that the demand for money was not pursued further, but was left in abeyance, while he in the meantime set about taking away some lands of the Marattas, as they were at that time engaged with the English over the capture of Salsette, of which opportunity he availed himself. But when the next good monsoon arrived, he began to turn his weapons in this direction and finally to cast off the mask, for while still in the bad monsoon, or rather in the month of August, Charder Chan, the Nabab's Governor and Army Commander, began to frame his demands upon the kings of Cochim and Cranganoor anew and increasingly more strongly: the former now for a sum of eight Laks, the latter for one Lak of rupees; and to this end Charder Chan had already invaded the northern part of the Cochim Kingdom with his troops, also immediately capturing the northern pagoda of Jritsjoer. The king of Cochim meanwhile sent his emissaries to Seringapatnam to the Nabab and was finally compelled to authorize his emissaries to accept the harsh condition, namely to bind himself for four Laks of rupees and four elephants, and further yearly

Dutch transcription

780. 179- „worden Bboewel hij zonder dat erenwil. „daar; heeft de Koningen van Cochim en Cranganoor wierden, intusschen weder om geld aan„ vertrek van de Cochimse zendelingen „Nabab te Ankordeeren zoo als geschied Gouverneur Generaal van der Parra, ook eenige tardance had kunnen toebrengen; het geen egter bij hem geen ingang schijnd gehad te hebben, ten minsten hij hield eensklaps daarop is den Nabab verbitterd ge„ op aan mij te schrijven, en eenige tijd daar na ir mij ter ooren gekoomen, dat hij op mij verbitterd is, en mij verder ki atthas eenige banden weg dat er reeds in tijds van Batavia hier qualificatie zou„ „de geweest zijn, om met hem zo een offersiev en defen„ „kier alliantie aantegaan, als hij gezogt had, maar dat ik de briev en geschenken aangehouden, en intusschen krag „tig daar teegen geschreeven, en bewerkt zoude hebben„ dat er een ander briev gekoomen is, en dit de reeden zoude moal van de Nababse troupen zijn, waarom hij zo lange na antwoord heeft moeten wagten. zog uijt zijn zedert gehouden gedrag mag men te regt be„ gedaen zouden hebben wat hij gem, sluijten, dat al hadde hij dat Jaar antwoord erlangd, hij even„ „wel daarom niet zoude gelaten hebben, het geen hij gedaan heeft, en mogelijk toen al vroeger zoude beproefd hebben, om ons door geweld te dwingen, tot zijn voorgeslaagene engage„ „ment, het geen hij toen dat Jaar nog scheijnd uijtgesteld te hebben, of er ook mogelijk over Ceilon, of op een andere wijze, nog antwoord mogt komen. Egter ondernaam hij in de eerste goede mousson waar „gesprooken, door de kababse gouver, in het antwoord van Batavia verwagt had, nog niets tee„ na seringapasa am om met den „gen de Comp: maar liet door zijn Gouverneur van Calicoet de koningen van Cochim en Cranganoor weder om geld aan„ „spreeken, het geen mij genoegzaam de geheele goede mousson weder werks gaf, met den Gouverneur van Calicoet het koningje van Cranganoor en de Residenten om de Noood„ tot dat ik het eijndelijk zo verre kreeg, dat er met het eijs„ de Nababsen neemen van den May„schen van geld niet verder voortgevaaren, maar het zelve in statie gelaten wierd, terwijl hij intusschen eenige landen van de Marattas ging wegneemen, alzo deze te dier tijd met de Engelse, over het wegneemen van Sal„ „sette aan den gang waaren, van welke gelegentheijd hij zig bediende. Maar toen de volgende goede mousson aanquam, begoe„ in de Cochimse noordelike landen hij zijne wapenen dit heen te wenden, en eijndelijk het masker afteleggen, want nog in de quaade mous„ „son, of eijgentlijk in de maand Augustus, begon Charder Chan 's Nababs Gouverneur en Legerhoofd, zijne pretentie bij de koningen van Cochim en Cranga„ „noor weer op nieuws en gaande weg sterker te formee„ „ven; de eerste nu om een somma van agt Laken de tweede om een Lak ropijen en hier toe was Charder Chan al met zijne troupes in het noordelijke deel van het Cochim„ „se Rijk gevallen, vermeesterende, ook al ten eersten het Noordelijke Joot Jritsjoer. De koning van Cochim zond immiddels zijne zendelingen na Seringapatnam bij den Nabab en was eijndelijk ge„ „noodzaakt, zijn zendelingen te qualificeeren, om de har„ „de Conditie aan tegaan, namentlijk zig voor vier Lak ropijen en vier Eliphanten te verbinden, en voorts Jaar„ Mousson „lijks neur

NL-HaNA_1.04.02_3619_0099 view scan ↗

English

781:-18 The Nabob's army commander seeks cavils with the Company falls upon the garrisons takes the Company's writer and interpreter of Chettua prisoner attacks Cranganoor the Company's land towards Porapkoon plunders Paponetty surrounds Chettua to pay yearly one and one-fifth lak ropijen in contribution, under which the petty king of Cranganoor was included, namely now for 1½ lak ropijen, and further yearly for 1/5 lak ropijen alone, and because I could not prevent the latter, I had to let it pass connivingly. Hereupon the Nabob's army commander withdrew northwards with his people, and it was now flattered that through this accord, peace would be restored, but the army commander, not having had his way, began to pick quarrels with us, and demanded by letter an account of the Sandy land up to Chettua, adding that he would otherwise lay waste to the land. It was thought at first that this concerned the sequestered lands of the Zamorin, of which mention is made above under the section of the Zamorin: thus a proper account of this was sent to him, which showed that the Zamorin was still indebted to the Company for it, but the army commander, without waiting for an answer, meanwhile came unexpectedly with his troops on the 9th of October across the river of Chettua near Poelicarro, a little south of the fort of Chettua, where the crossing is easiest, and subsequently marched to Chettua, took prisoner the Company's interpreter and sworn writer, who had been sent to him, demanded from the Chettua servants 20 years' dues, and the money of the Zamorin; further elucidation was sought from the army commander, and protest was made against the hostilities; but half of the Nabob's people remained encircling Chettua and keeping it shut in, and the other half marched to the conquest Paponetty, burned, robbed, and plundered; the Resident meanwhile retired with the Company's money to Cranganoor, and the army commander took up his residence in the Residency, who then wrote a letter, and therein complained about the leaving of his letters unanswered, adding that he had orders from his master to march into the Company's lands, but at the same time testified that his master wished to live in friendship with the Company, and thus desired free passage over the Company's land, and past Cochin, in order to attack Travancore, and if not, that friendship was then at an end: I answered him, that his profession of friendship was well received, but that I found what had occurred on the Company's ground very strange, and hoped that he would cause all hostilities to cease, spare the Company's territory, and not let his troops come within range of the cannon, and I offered mediation between the Nabob and Travancore: but before this answer could be delivered, the Nabob's troops came before Cranganoor on the 11th of October and attempted to surprise it: they engaged in fight with our men; the garrison drove them from beneath the walls, and sent them back with bloody heads; Sardar Khan wrote a further letter and declared therein, that he would take possession of

Dutch transcription

781:-18 Her Nababs Legenhoofd zoekt Chikanen met de Comp: ralten onde besetengen neemt 'sComp:s schriba en tolk van Chettua quargen attacquard Cranganoor 's Comp:s land na porapkoon Pliendert paponettij om eingelt Chettica „lijks Een en een vijfde Lak ropijen aan Contributie te betaalen, waar onder het koningje van Canganoor be„ „greepen wierd, namentlijk nu voor 1½ lak ropijen, en voorts Jaarlijks voor — 1/5 lak ropijen alleen, en dewijl ik het laatste niet beletten kon, moest ik zulx oog„ „luijkende passeeren. Heer op took 's Nabats leeger- hoofd, met zijn volk noordwaards te rug, en men vleijde zig nu dat door dit accoord, de rust zoude zijn hersteld, dog 't leeger„ „hoofd en zijn afsogt sijnde, begon met ons Chieanen, en begeerde bij een brief teek: van het Sandigland tot Chettua, met bijvoeginge dat hij anders het land zoude venwoesten men meende in 't eerst, dat dit de in se„ „quistratie genomen landen van den Sammorijn be„ „hooff, waar van hier boven onder het hoofdeel van den sammorijn gemeld is: dus zond men hem een behoor„ „lijken reekeninge daar van, waar bij bleek, dat den Cam„ „morijn aan de Comp: daar op nog te quaad stond, dog het Leger: hoofd, zonder na antwoord te wagten kwam, in„ „tusschen met zijn houpes den 9. October op het onverwagts over de revier van Chettua bij Poelicarro, een weijnig bezuijden 't fort Chettua, alwaar de overtogt het ge„ „makkelijkste is, en marcheerde vervolgens na Chet„ „tua, nam 'sComp:s tolk en gesw: scriba, die aan hem gezonden waaren, gevangen, eijschte van de Chettua„ „se bediendens 20: Jaarige geregtigheeden, en het geld van den Cammorijn; men vooeg nadere elucidatie, van 't leger-hoofd, en protesteerde tegen de vijandelijk„ „heeden; maar de helft van 's Nabats volk bleef Chettua om„ „cingelen en ingeslooten houden, en de andere helft took na 't Conquest Paponettij, brandden, hoofde en plunderde; de Resident rekireerde intussen met 'sComp:s geld na Car„ „ganoor, en het leeger hoofd nam zijn verblijf in de Resi„ „dentie, die toen een brief schreef, en daar bij klaagde, over het onbeantwoord laaten van zijner brieven, met bijvoeginge, ordre te hebben, van zijne meester, om in 'sComp:s landen te trekken, dog betuigde teffens, dat zijn meester met de Comp: in en begeerde wije passagie over vriendscheep wilde leven, en begeerde dus vrij passagie over 'sComp:s pond, en voor bij Cochim, om Jrevancoor te attacqueeren en zo niet, dat dan de vriendschap uijt was: ik antwoorde hem, dat desselfs betuiging van vriendschap wel was, dog dat ik het voorgevalene op 's Comp:s prond zeer vreemd vond, en hoop„ „te dat hij alle hosteliteijten zoude doen ophouden 'sComp:s grond gebied menageeren, en zijne troupen onder 't bereijk van het Canon niet laaten komen, en ik presenteerde de mediatie tusschen de Nabab en pevancoor: maar eer dit antwoord kon besteld zijn, kwamen 's Nababs troupen den 11: 8ber: tot voor Cranganoor en tragten het zelve te overrompelen: ze raakten in gevigt met de onze; de be „setting verjaagden hun van onder de muuren, en zondze met bebloeden koppen terug; CharderChan schreeff een naderen briev en verklaarde daar bij, dat hij zig in de pos„ van „sessie

NL-HaNA_1.04.02_3619_0100 view scan ↗

English

782. 183 Years of the sandy land of Chettua. Union of the Company with the King of Travancore and Cochin. Aijkotta was reinforced. Relief was received from Ceilon. Informed the Nabab of the invasions. Promise of the King of Travancore to [illegible] the Company and the King. possession of the sandy land had placed: one saw then that the entire conquest of Paponettij with the entire region from Cranganoor up to Chettua was included in his unjust demand. He demanded moreover twenty years' dues from those lands, along with the produce of yet another piece of land, 15 miles in size, and finally demanding then that he had requested passage over the Company's lands to Travancore. The matter changed its appearance through this and had thus come entirely outside the terms of neutrality: now we ourselves were attacked, and thus the question was whether one ought to act with our own force or rather with reinforcement from Travancore and Cochin. The necessity of remaining linked with Travancore and our own circumstances caused us to decide to prevent it together with Travancore and Cochin. The ministers of Travancore and Cochin offered their help, but their goodwill was greater than their capacity and courage, which became apparent afterwards. Thus, one immediately had the northern corner of the island of Baijpin, named Aijkotta, reinforced, in order to prevent the enemy there from crossing over onto Baijpin. Some troops of Travancore also went to Aijkotta, and the Nabab's troops made preparations to cross over the river onto Aijkotta at the west corner, behind Fort Cranganoor, whereupon the troops of Travancore were already retreating; but a detachment of ours sent over land, and the small ship De Verwagting sent by sea, arriving at Aijkotta, the Nabab's troops retreated. Hereupon I sent an embassy to the King of Travancore and the King of Cochin to act together against the enemy, and had already given notice of the matter to the Nabab Machomet Alij and the English, who had also given him promises of help, namely if he should be attacked. Travancore thus declared that he indeed wished to help oppose the enemy's further advance with united force, but could not act offensively against him because he had not yet been offended by him. Thus it was decided for the time being to remain on the joint defensive until relief from Ceilon might arrive; nevertheless, by a letter I gave notice of the occurred hostilities to the Nabab, to see whether he might yet reconsider and disapprove of the action of his army commander. In the beginning of the month of November, relief came from Ceilon, and then we intended not only to prevent the enemy's further breakthrough, but also, if it were possible, to make them clear out of the region, and thereby to avenge the insult that had been done to the Company, the more so as he finally demanded contribution from the Company and [illegible], the King made good promises to stop the further advance of the Nabab's troops together with the Honourable Company, [illegible] relief from Ceilon and [illegible] corner.

Dutch transcription

782. 183 Jaaren van het zandigland van Chettua Conpinctie van de Comp: met de Koning van Juran Hoorn en Cochim Aijkotta wierd versterkt van Ceilon krueg men ontzat gaf de Nabab van de invasien kennissen Boelofte van den koning van pre„ „vankorn om de Comp en den koning met offerbue „sessie van het zandigland gesteld had: men zag toen, dat het geheele Conquest Paponettij met de geheelen landstreek van Cranganoor tot Chettua toe, in zijnen on begeet weijtigheijd van 20. eijsch begreepen was, hij Eijschte nog daar en boven 20: Jaarige geregtigheijd, van die landen beneevens de prodric„ „ten van nog een stuk lands, groot 15 meijlen, en eijnde „nende toen, dat hij passagie over 's Comp:s landen na Joe„ „vancoor verzogt had. De zaak veranderde hier door van gedaante en was dus ge„ „koomen geheel buijten de termen van Neutraliteijt: nu wier„ „den wij zelfs aangetast en dus was de vraag, of men met eij „gen magt dan wel met versterking van Jrevancoor en Co„ „chim diende te ageeren: de noodzaakelijkheijd om met Joevancoor verknogt te blijven, en onze eijgen omstandig„ „heeden deeden ons besluijten, met Joevancoor en Cochim te beletten; de Ministers van Crevancoor en Cochim poe„ „senteerden hunne hulpe, dog hun goede wil was grooter als hun vermogen en Couragie, het geen naderhand ge„ „bleeken is. Dus liet men ten eersten de noorder hoek van het Eij„ „land Baijpin, genaamd Aijkotta, versterken, om den vijand daar, het overkoomen op Baijpin te beletten: Ee„ „nigen troupes van Joevancoor gingen ook na Aijkotta en 's Nababs troupen maakten toestel om op de west hoek, agter 't fort Cranganoor, over de revier op Nijcotta„ overtekoomen waar op de troupes van Jrevancoor al aan 't retireeren waaren, maar een detachement van ons over land, en het smalschip De Verwagting over zee gezonden te Aijkotta aankoomende, retireerden de Nababse R Hier op zond ik een bezendinge aan den koning van Joe„ en den koning van Cochim tezamen tegen den vijand te ageeren, en had reets kennisse van de zaak gegeeven aan den Nabab Machomet Alij en de Engelschen, die hem ook belofte van hulpe gegeven hadden, namentlijk indien hij geattacqueert mogt worden, dus verklaarde Cre„ „vancoor, dat hij wel met vereinigde magt den vijand zijnen verderen indrang wilde helpen teegen gaan, maar niet offensier tegen hem ageeren kon, om dat hij van hem nog niet beledigt was; dus besloot men voor eerst bij de mogt komen, egter gaf ik van de voorgevallene vijan„ „delijkheeden, bij een briev kennisse aan den Nabab„ of hij zig ook nog mogt bedenken, en 't bedrijf van zijn Leeger Hoofd disapprobeeren. Jn 't begin van de maand November quaam ontzet van Ceilon en toen meenden wij den vijand niet alleen zijn verder doorbreeken te beletten, maar ook, waare het mo„ „gelijk, uijt de Landstreek te doen, verhuijsen, en dies te wreeken den hoon die de Comp: aangedaan was, temeer „lijk eijschte hij finaal Contributie van de Comp: en ont„ na Cosin am, te geveneg, van oor, de koning deed goeden beloften, om met de E: Comp: te samen den verderen indrang van s. Nababs tooupen, me gerof secour van Cailon en gemeene defensie te blijven, tot dat secours van Ceilon hoek

NL-HaNA_1.04.02_3619_0101 view scan ↗

English

Anno 1783. yet one could not risk against too strongly had entrenched himself Chettua was in danger They sought to relieve it but together, and to keep garrison surrender of Chettua the kings of Travancore and Cochin, especially the former, had made great promises to march along since the aforementioned auxiliary troops had arrived. But as the enemy in the meantime had entrenched himself behind stockades and fortifications from Chettua to Cranganore and had laid ambushes, we then deemed it not advisable to let our troops just march against them, for although we were here indeed in a tolerable state of defense, we were nevertheless not prepared to take the field against an enemy accustomed to war, who had meanwhile entrenched himself everywhere and lay in ambuscades, so that we at once had the necessary preparations made for such an expedition. But while one was engaged with this, the Resident of Chettua had found means to give us notice that he could no longer hold the fort; the preservation of this fort was then of the utmost importance to our purpose, as it was situated at the north of the region just as the fort Cranganore lies to the south thereof; so that the enemy would then have had no other retreat than to take refuge to the east across the river, as the sea lies to the west. Thus it was resolved first to relieve Chettua by sea, and this expedition was undertaken on the 11th of November, but we had the sorrow that the same did not take place immediately after the arrival before Chettua, according to what had been so specially prescribed by instructions, but only the following day, so that the enemy had gained time to march up from Paponetty, and to bury themselves in the night in pits, whereby the Nabob's troops, after ours had landed, came forth like ants from all sides, prevented the retreat, surrounded our detachment, partly killed them and partly took them prisoner, among whom was also the commanding officer of the expedition, while a few still escaped into the fort Chettua. Two days after this failed expedition, when the enemy applied every effort and was already placing ladders against the walls of the fort, the surrender of the fort also followed, which had taken place on condition that the garrison should march out freely to Cranganore, but the army commander, contrary to his given word, took the entire garrison, along with those of the detachment who had entered it, prisoner and furthermore transported everything that was there, women, children, and slaves inclusively, to Calicut, but the military men to his place of residence Seringapatam, where most of them, out of destitution, entered the service of the Nabob, except the officer of the expedition, the commander of Chettua, and the Resident, which three absolutely refused to take service. These fatal occurrences made us resolve to keep our forces together, for the present only Cranganore.

Dutch transcription

Ab 1783. dog men konde het niet wagen tegen te sterk sig verschayshad Chittea stond in gevaar Men zogte let te ontzetten maar bij, en te houden bezetting overgave van Chettua„ de koningen van Joevancoor en Cochim inzonderheijd de eerste, 'tzeedert de voorsch: hulptroupen gekoomen waaren groote beloften gedaan hadden, om meede optetrekken. Maar de vijand zig intusschen van Chettua tot den vijand op te bekken on dat hij Cranganoor agter paggers en sterktens verscharst en in hindeslagen gelegd hebbende, oordeelden wij het toen niet raadzaam, onze troupes er zo maar te laten op afgaan, want schoon wij hier wel in een tamelijke staat van defensie waaren, zo waaren wij egter niet ingerigt, om te velde te trekken, tegen een vijand, op den oorlog afgezigt, die zig intusschen over al verschansd had, en in hinderlagen lag, zo dat we ten eersten den nodigen aan„ „stalte tot zo eene togt lieten maaken. Maar toen men hier meede bezig was, had de Resi„ „dent van Chettua middel weeten te vinden, om ons kennissen te geeven, dat hij het fort niet langer houden konde; het behoud van dit fort was tot ons oogmerk toen van de uijtter„ „ste aangeleegentheijd, als aan het Noorden van de Landstreek leggende gelijk het fort Crangaroor aan het zuijden daar van legd; zo dat de vijand dan geen andere retraite had, als de wijk te neemen ten oosten over de revier, alzo de zee ten westen legd Dus resolveerde men Chettua eerst over zee, te ontzetten, en deze Expeditie wierd den 81. November ondernoomen, maar we hadden het verdriet, dat dezelve niet, volgens het zo speciaal bij Jnstructie voorgeschreevene, ommid„ „delijk na de aankomst voor Chettua zon geschieden, maar eerst des anderen daags zo dat de vijand tijd gekreegen tongelukkig uit had, om uijt het Paponettijse optertikken, en in de nagt zig in Ruijlen te begraven, waar door 's Nababs poupen, na dat de onze geland waaren, van alle kanten als de mieren ten voorschijn quamen, de retraite beletten, ons detachement om eingelden, gedeeltelijk ombragten en ge„ „deeltelijk gevangen namen, waar onder ook den Comman„ „deerenden officier van de Expeditie, terwijl er eenige wij„ „nige nog in 't fort Chettua ontkwaamen. Twee daagen na deeze mislukte Expeditie, wanneer de vijand alles aan wendde, en reeds de ladders aan de muuren van het fort aanbragt, volgde den overgave van het fort ook, welke geschied was, op Conditie dat het Guarnisoen vrij uijt na Cranganoor zoude trekken, maar het Leger Hoofd- Nam, tegen zijn gegeve woord, de gansche bezet„ en gevangen neeming der gankerytinge benevens die er van het detachement ingekomen waaren, gevangen en voerden voorts alles wat er was, tot vrouwen, kinderen en slaven inclusive na Calicoet, dog de militairen na zijn residentie plaats Jeringapat„ „nam, alwaar de meeste, uijt gebrek, bij den Nabab dienst genomen hebben, behalven de officier van de Expeditie, den Commandant van Chettua, en den Resident, welke drie absolut geen dienst wilden neemen. man beslot hie op's Comp: magt Deeze fatale gebeurtenisse, deeden ons besluijten, om onze magt bij een tehouden, voor eerst maar „delijk Cranganoor val

NL-HaNA_1.04.02_3619_0102 view scan ↗

English

187 784. to march against the enemy to accompany Cochin to meet the Governor of Travancore to advise against it the precautions used by Travancore nullified that of the Nawab with receipt of a letter and gifts for the Nawab from Batavia where itself to cover Cranganore, to protect the Island of Vypeen, and to entrench ourselves in front of Cranganore until an opportunity should arise to undertake something further. But when in the meantime the retrenchment in front of Cranganore was completed, I put to the test how far one could actually count on Travancore and Cochin, and when we were ready, if it should be necessary, to undertake something real with them. I therefore notified the Travancore and Cochin ministers that we now intended to advance, to drive the enemy out of the Chettuvai area, and to recapture what he had taken from us; asking whether they were now also ready to march along according to promise, and whether the coolies they had promised us were now at hand. But then the truth came out, namely that they had orders from their masters to do nothing other than what they had done up to this day, namely merely to help prevent the enemy's further undertakings, nothing more, with the anxious addition that if we should fail to succeed, the Nawab would afterwards come down with his entire force and destroy the whole of Malabar; so that their offered willingness had been nothing but big talk. I declared that if they did not wish to march out, our force would advance alone. In the meantime, Travancore's agent, named Ananda Mallen, came to me with a further message from the Kariakkar of Travancore, namely that he had just been summoned by his master and at the same time instructed to inform me in His Highness's name how His Highness, having learned that the Company was preparing to advance against the enemy, requested me by no means to do so for the time being, for whatever reason, before His Highness had spoken with me in person; that His Highness was about to come here in person expressly to speak with me about the present state of affairs as well as about several other articles of importance. Immediately, on 9 January 1777, the ship Groenendaal arrived here, bringing the reply and gifts for the Nawab, of which I immediately gave him notice. Meanwhile, a rumor circulated here that the Nawab, having now fallen into enmity with the Company, secretly wished that he had not started with the Company, because he now had less hope of being able to surprise Travancore than otherwise; and it is also for that reason that I phrased my letters to the Nawab at that time as if I assumed that his general had exceeded his authority. In the meantime, Travancore finally let me know, in order not to let the Company advance, that a severe illness of his mother made his departure utterly impossible, to which was also added that he had since discovered an ugly trick by his prime minister, because of which he could not leave his court.

Dutch transcription

187 784. teegens den vijand op te trekken Cochimer meede te gaan „coor der gouverneur te ontmoeten om het af te raaden pevancoors gebruikte voor zorge genielt dat van Nabab steek met ontvangst van een brief en geschenken voor den Nabab van Batavia waar selven Cranganoor te dekken, het Eijland Baijpin te bewaaren en voor Cranganoor ons te verschansen tot men gelegentheijd zoude hebben, iets verder te onderneemen. Maar toen intusschen het Rettarchement voor Cran„ „ganoor klaar gekomen, nam ik een preuve, in hoe verre men op Joevancoor, en Cochim wel zoude kunnen reekenen, en toen wij klaar waaren om als het eens nodig mogt zijn met hun iets re-eels te onder„ reculaeerden de porankoose en„ neemen: dies gaff ik de Joevancoorse en Cochimse Ministers kennissen, dat we nu voorneemens waaren, om opterukken, de vijand uijt het Chettuase te verdrijven en te herneemen, het geen hij ons afgenomen had; vragende ofze nu ook klaar waaren, om, volgens belofte, meede te gaanen ofr de Coelijs, die ze ons beloofd hadden, nu bij de hand vaaren! dog toen quam de aap uijt de mouw, namentlijk dat zij van hun„ „ne Meesters onder hadden, om niets anders te doen, als ze tot heeden toe gedaan hadden, namentlijk, de vijand zijne verdere onderneeminge te helpen beletten, zonder meer met angstvallige bijvoeginge, dat als wij eens niet mog„ dan „ten reuseeren de Nabab (naderhand met zijn geheele magt zoude afkomen, en de gantsche Mallabaar vernielen; zo dat hun aanboden betoonde gewilligheijd; niet anders als groot spreeken is geweest: ik verklaarde, dat als zij niet wilden optrekken, onze magt dan alleen zoude „ zelf zogt de koning van Joeran„ optrekken: intusschen kwam Pevancoors agent, gen:t Ananda Mallen bij mij, met een nadere boodschap van den Ragiadoor van Joevancoor, namentlijk dat hij zo aanstonds door zijn meester opgeroepen, en teffens ge„ „last was, mij uijt zijn hoogh:ts naam te laaten weezen, hoe zijn hoogheijt vernomen hebbende, dat de Comp: stopd op den vijand aftegaan, mij liet versoeken, om zulx voor eerst tog niet te doen, om geene reeden waarom, alvoorens zijn Hoogheid mij mondeling gesprooken had; dat zijn Hoogheijt in perzoon dit heen stond: te komen, expres om met mij zo wel over de tegenswoordige gesteld„ „heijd van zaaken, als over meer andere articulen van gewigt te spreeken: Onmiddelijk arriveerde alhier den 9. Januarij 1777. het van kenrisn wierd gegeven aan den schip Groenendaal, meede brengende het antwoord en „geschenken voor de Nabab, waar van ik. ten eersten aan hem kennis gaf. Middelerwijl liep hier een gerugt dat de Nabab nu de Comp: in rijandschap qeaakt te zijn van agteren wel wenschte, dat hij met de Comp: niet be„ „gonnen had, om dat hij nu minder hoop had, om pe„ „vancoor te kunnen overrassen, als anders; en het is ook om die reeden, dat ik te dier tijd mijne brieven zodanig aan den Nabab inrigtte, als of ik veronderstelden, dat zijn veldheer buijten zijne qualificatie gegaan was Jntusschen liet Jevancoor mij op 't laatste weeten, om de Comp: niet te laaten operbeken dat een zwaare ziekte van zijn Moeder, zijne afkomsten volstrekt onmogelijk maakte, waar bij ook kwarm, dat hij 'tzeedert een leelijk stuksen van zijnen Eersten staads Ministers ontdekt had, waardoor hij niet van zijn Hoff zo

NL-HaNA_1.04.02_3619_0103 view scan ↗

English

785 189 It was then resolved not to march out until the answer of the Nabab arrived. Proposal made to wish to live in friendship with the Company. Dispatch to the same of Batavian letters and gifts, with the request to send persons to settle the disputes. Letters from the same regarding that assurance. Return of the Commander and of the Resident of that fort. The Nabab's assurance of his court could, just as that case is described in my separate dispatch to Batavia, under date of 28 August 1777; yet it has subsequently appeared to me that he sought to avoid the oral interview with me, and would not gladly have seen that the Company had marched out, out of fear that if we were to be beaten, it would then be his turn, serving as proof that he well understood that his preservation depended upon ours. Therefore, we resolved on 5 March 1777 still to undertake nothing, but to await what consequence the communication would have, that a letter with gifts from Batavia had arrived for the Nabab, as was indeed effective, for on 25 February the Commander of the Chettua Expedition arrived here, together with the Resident of Chettua, while the Commander of Chettua also came down shortly thereafter. These made known to me that our captured military men, out of poverty and want, had taken service with the Nabab, but that, on the other hand, the other people with women, children, and slaves, who had been imprisoned until that time, had likewise received freedom to come hither, who have also actually returned since; that both the officer and the Resident were charged by the Nabab in person to say to me that he would gladly continue to live in peace and friendship with the Company, in hope that the Company on its side would also wish to do so, and that I would further see his good intention in the letter which he writes to me; likewise that each having been presented with a native robe, together with 100 ropias for betel and travel money, they had departed, and that here various speculative questions had been asked by the Nabab, just as he also further offered his friendship by two distinct letters, so that one had to presume that he indeed inclined to settle the matter with the Company. And we further resolved by the aforementioned resolution to put his offered friendship to the test, to see whether he truly sought friendship and wished to settle the matter, by sending to him the letters and gifts of Their High Excellencies, and to ask of him whether, for the investigation and settlement of the formed claim, he wished to send hither two persons of whom he had made mention in one of the aforementioned two letters, or rather preferred to have two commissioners from here, and furthermore to answer the said two letters of his in a friendly and pertinent manner, as may be further seen in the secret Resolution of 5 March 1777; and we flattered ourselves at that time with the hope that the matter was now about to change for the better, the more so as the rumors were confirmed that the Nabab had his hands full with the Marattas. But far from that, as when he read the letter

Dutch transcription

785 189 men resolveerde dan niet op te trek„ „ken, tot het andwoord van den Nabab Kwam „danten van de Expeditie van Chet„ gedaan van met de Comp: in miend„ „schap te willen leemen zending van der selven van Bata„ „riapobijes en geschenken met vra„„ „zoek perzooken te zenden om den verschillen af te maaken brieven van dezelve noopens die verzeekering hoff kon, gelijk dat geval beschreeven is bij mijne aparte na Batavia, onder dato den 28. Aug:s 1777. , dog het is mij naderhand gebleeken, dat hij het mondgesprek met mij heeft zoeken te ontwijken en niet gaannen zoude gezien hebben, dat de Comp: opgetrokken was, uijt bedugtinge, dat als wen geslagen mogten worden hij dan aan de beurt lag, ten bewijze dat hij wel begreep, dat zijn, be„ „houd van het onze afhing Derhalven resolveerden wij den 5 Maart 1777 om als nog niets te onderneemen, maar aftewagten, van wat gevolg de Communicatie zouden zijn, dat er een briev met geschen„ „ken van Batavia voor den Nabab gekomen was, gelijk zulx dan ook van effect was, want den 25 februarij ar„ „riveerden alhier de Commandant van de Chettuase Expe„ te nig komste van de Comman„ „ditie, benevens de Resident van Chettua, terwijl de „tuer en van den resiedert van dat Commandant van Chettua kort daar na ook afquam: deze maakten mij bekent, dat onze gevangene Mili„ „tairen uijt armoede en gebrek bij den Nabab dienst ge„ „nomen, dog dat daaren teegen de andere lieden met vrori„ „wen, kinderen en slaven, die tot dies lange gevangen ge„ „weest waaren, insgelijks vrijheijd gekreegen hadden, dit heen te komen, die ook zeedert werkelijk te rug gekoomen zijn; Nadalse verzekering aan her dat zo wel officier als Resident, door den Nabab in perzoon gelast waaren, om aan mij te zeggen, dat hij met de Comp: gaarne in vreeden en vriendschap wilden blijven leven, in hoop„ dat de Comp: zulks aan haar zijde ook wilden doen, en dat ik zijn goede intentie nader zouden zien, bij de brief die hij aan mij schrijft, zo meede datze ider met een inlands kleed, beneevens 100 ropias betel en reijsgelt beschonken zijnde, afgekomen waaren, en dat hier ver„ „schijde speculative vragen door den Nabab gedaan waaren, gelijk hij dan ook bij twee onderscheijdene brieven zijne vriend„ „schap nader aanbood, zo dat men moest veronderstellen dat hij en der daad in elineerden om de zaak met de Comp: bij teleggen, en wij bij voorschreeve resolutie nader be„ „slooten van zijne aangeboode vriendschap een preuve te neemen, om te zien, of hij waarlijk de vriendschap zogten de zaak wilden bijleggen, met aan hem toete„ zenden haar hoog Edelheedens brieven en geschen„ „ken, en van hem te vragen of hij ter onderzoek en afdoeninge van de geformeerde pretentie, twee per„ „soonen waar van hij in een voorschreeven twee brieven gemeld had, dit heen wilde zenden, dan wel, twee ge „committeerdens van hier geliefden te hebben, en voorts gem: zijne twee brieven vriendelijk en ter zaakte beantwoorden, zo als bij secreete Resolutie van den 5. ' maart 1777, nader te zien is, en wij vlijden ons te dier tijd, met de hoop dat de zaak nu ten goeden stond te veranderen, te meer, de gerugten beves„ „tigt wierden, dat de Nabab met de Marattes den handen vol kreeg. Maar wel verre daar van daan, alzo hij de brief Ek gelezen fort

NL-HaNA_1.04.02_3619_0104 view scan ↗

English

They showed indifference under all these circumstances, by which letter information was given regarding this. The Zamorin Nayars made movements. A Moorish chief deserted the Nabob's side and went to Travancore. Having read the reply, he has not even deigned to this day to answer the Batavian letter, much less mine, but, as it seems, considers the matter settled with the assurances given of his friendship and the retention of the conquered territory, without having undertaken anything further against us since then. How the English, whose interest indeed dictates not allowing this Nabob to become more powerful, looked on at the Nabob's conduct at the beginning of these troubles with folded arms, and laughed in their sleeves about it, even attempting to fish in those troubled waters, can be seen in my separate missive written to Batavia under date of 2 January 1777. And how the matter actually stands regarding the invaded region, what right we have or do not have both to the same and to the sequestered lands of the Zamorin lying therein, as well as whether Fort Chettua is effectively necessary for us or not, can also be seen in detail in the aforementioned resolution of 5 March and in two different secret letters written from here to Batavia on the 7th following; and with this the good monsoon ended. Meanwhile, as a large part of the Nabob's troops were called northwards on this occasion, and Chettua was very well provisioned and reinforced by the Nabob, the Zamorin Nayars began to emerge from the woods and mountains and disturb the country, so that the Nabob's troops had to be constantly on the alert to drive them off; while nevertheless the Zamorin realm was miserably plundered and ruined, to such an extent that the merchants, from whom Calicut derives most of its income, were also gagged and oppressed, just as if the Nabob wanted to devastate that realm entirely and extract the very last from it. A certain chief of the Moorish faction in the Zamorin realm named Aijderoos Coettij, who, since the conquest of the Zamorin realm, had remained attached to the Nabob and was not only left in his dignity but even placed over the district of Chowghat to raise a certain sum from it annually, which was however so large that he could not collect that money, and was nevertheless forced to do so, also began to grow weary of that violence, deserted the Nabob's side, and openly joined the Zamorin Nayars with his followers in order to harass the Nabob's troops with them, to drive them out if possible and restore the Zamorin; but, seeing himself not secure enough, he sent his family to the south, and immediately thereafter also retired to the south, namely into Travancore territory, which the King condoned.

Dutch transcription

786:191 Sy alle deezen omstandigheeden heb„ „schillig getoond bij welke brief weegens deezen „nis is gegeeven den Cammorinse Nairossen hebben beweeginge gemaakt Een moors hoofd verliet de Nabab„ „se zijden en ging na der Joevankoor dog hen op is ge athoond gekoo„ gelezen hebbende, tot heeden toe, zig nog niet eens ver„ „waardigt heeft, de Bataviase brief veel min de meijne te beantwoorden, maar zo als het scheijnd, de zaak voor afgedaan houd, met de gedaane verzeekeringe van zijn vriendschap en 't behouden van het geconquesteerde zonder 't zedert iets verders tegen ons meer ondernomen te hebben Hoe nu de Engelse, wier belang in der daad mee„ „den de Eungelsehen zig zeer onver„ de brengt, om dezen Nabab niet poter te laaten wor„ „den, in 't begin dezer troebelen 's Nababs gedrag als met gekruijste armen aangezien, en daar over in hun ruijsse gelachgen, Ja zelfs in dat troebel water ge„ „tragt hebben te visschen, is te zien bij mijne aparten missive na Batavia geschreeven, onder dato den 2. affaires haar hoog Edeleed:s den Janua: 1777. en hoe het voorts eijgentlijk gelegen is met de ge-invadeerde landstreek, wat regt wij zo op de„ „zelven, als op de daar inleggende gesequesteerde landen van den Cammorijn hebben, of niet, zo meede of het tort Chettua voor ond effectief noodzaakelijk zij of niet, is ook omstandig te zien bij meerm: resolutie van den 5 Maart en bij twre onderschijdene secreete van brieven van den 7. daar aan hier na Batavia ge„ „schreeven: en hier meede was de goede mousson ge-„ „eijndigt. Jntusschen dat de tooupes van den Nabab voor een ten dezer gelegentheid werden goed deel noordwaards opgeroepen waaren, en Chettua door den Nabab zeer wel voorzien en versterkt was, be„ „gonden de Sammorijnse Nairossen uijt den bossen en ge„ „bergtens zig te vertoonen, en 't' land te ontrusten, zo dat de Nababse geduurig in de wier moesten zijn, om hun te verdrijven; terwijl egter het Cammorijnse rijkelen„ „dig geplukt en geruineerd wierd, in zoo verre, dat de kooplieden, waar van Calicoet zijn meeste inkomsten heeft, ook al gekneveld en gedrukt wierden, even als of de Nabab dat Rijk ten eenemaal venvoes„ „ten, en het laaste er uijt haalen wilde. Seker Hoofd van de Moorse factie in het Cammo„ rijnse gen:t Aijderoos Coettij (:die 't zeedert den over„ „heeringe van het Sammorijnse Rijk den Nabab had blijven aankleeven, en niet alleen in zijne waardig„ „heijd gelaten, maar zelvs over het district van Cha„ „wacattij gesteld was, om Jaarlijks daar zeeker som„ „ma uijt optebrengen, die egter zoo groot was, dat hij dat geld niet bij elkander wist te brengen; en evenwel daar toe geforceerd wierd:/ begon dat geweld ook al„ „moede teworden verliet 's Nababs zijde, en voegden zig opentlijk met zijn aanhang bij de Cammorijn„ „se Nairos, om met hem de Nababse te ontrusten, des mogelijk, te verdrijven en den Sammorijn te her„ „stellen, dog zig niet vijlig genoeg ziende zond zijne familie na de zuijd, en retireerde onmiddelijk daar op ook na de zuid en wel in 't pevancoorse, het geen de koning oogluijkende toelief „gonden De nmen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0105 view scan ↗

English

The Zamorin Nair retreated into the forests attempt to recapture Chettua again march of the Company army from Cranganoor to Chettua and returned to Cranganoor to take but failed the fort there besieged The Zamorin Nair, however much they defended themselves, could nevertheless not turn the corner, and had retreated again into the forests and the mountains. But with the end of the bad monsoon, matters began to change for the better. The Nabob's power was still in the North, where his hands began to be more and more full. The Zamorin Nair raised their horns again at this favorable opportunity, and raided close to Calicoet, and desertion among the Nabob's troops, who were still around here, also began to increase. The inhabitants of the invaded region awaited us every day, and promised to help us carry and haul. The shortage of Coolies was also overcome for the greater part by providing draft and pack oxen, while further the opportunity presented itself favorably on all sides to drive the enemy from our possessions and to recapture the fort of Chettua, while the Expedition was organized in such a way that if one could not obtain the post of Chettua, we would still be the same as before the Expedition, namely in a good state of defense at Canganoor and Aijkotta. The Expedition was then undertaken from Cranganoor on the 6th of the month of January 1778. Our army at once drove off the enemy, who was stationed in the palace of the king of Cranganoor about 300 men strong, but hastily fled to the north. The enemy retreated to Chettua and was posted. The army continued its march and came that day to Paponettij, where no enemy was to be found either. The following day in the morning the march was continued to Ballapattoe, from where the Army on the 3rd day continued the march to Chettua, and arrived before it in the evening at 6 o'clock, which was immediately closely besieged. The fort was subsequently heavily fired upon and bombarded night and day, which the garrison stubbornly endured, whereby the Nabob's troops had time to arrive with a great relief. One sought to cut off the Hormander [illegible], which, along with the failure of an assault that our men undertook against it, as well as several threatening dangers that presented themselves whereby our army was on the verge of being attacked from the rear and cut off from us, to be seen in greater detail in the secret missive written to Batavia dated 26 February thereafter, and in the Report of Commander Wohlfarth, one was compelled to lift the siege, after the Army had lain before it for 7 days and had used all possible force against it. Thus on the 19th of January, after leaving behind some artillery, the siege was then lifted, arriving back in the Camp before Cranganoor in good order, where it was placed again in a state of defense as before the Expedition and also further, extending the outpost as far as into the palace of the king of Cranganoor.

Dutch transcription

787. 193 De Cammorinse Nairor reti¬ „reerden in de bossen probeeren Chettua weeder te her„ „neemen optoelt va 's Comp:s leeger van Cran„ „ganoon na Cattua en kwam wedle op Cangaroor te neemen dog mislukte het fort aldaar beslegert De Sammorijnse Nairos, hoe zeer ze zig ook weerden, konden egter het hoekje niet te boven, komen, en waa„ „ren weder in de bosschen en het gebergte geweeken. Dog met het eijndigen van, de quade mousson begonnen de zaaken ten goeden te veranderen, 's Nababs magt was nog om de Noord, alwaar hij de handen meer en meer vol begon te krijgen; De sammorijnse Nairos staken voordeelige gelegentheid om ten weeder de hoorens op, en stooopten tot digt bij Calicoet en de Dezertie onder 's Nababs troupen, die hier nog om„ „streeks vaaren, begon ook toeteneemen: de ingezee„ „tenen op de geinvadeerde landstreek wagteden ons alle dagen, en beloofden ons te zullen helpen dragen en sleepen: Men had ook gebrek aan Coelijs, voor het post„ „ste gedeelte, gevonden, met toek-en draag ossen aan te leeren, doende wijders de gelegentheijd zig aan alle kanten favorabel op, om de vijand uijt onze bezettin„ „gen te verjaagen, en 't fort Chettua te herneemen, terwijl de Expeditie zodanig ingerigt was, dat w' in„ „dien men het post Chettua niet konde krijgen, nog altoos dezelvde zoude zijn, als voor de Expeditie, te„ „weeten in een goeden staat van defensie te Canganoor en Aijkotta. De Expeditie wierd dan op den 6.: ste van de maand Januarij 1778. van Cranganoor ondernoomen: ons leger verdrief al ten eersten den vijand, die in het paleijs van den koning van Cranganoor, omtrend 300: man sterk de vijand rekreerde na Chettua en geposteerd lag, dog ijlings na den noord vlugtte / Legen vervolgde zijnen marsch en kwam dien dag tot Paponettij, alwaar ook geen vijand meer te vinden was: sanderen daags 's morgens wierd de marsch voortgezet tot Ballapattoe, van waar het Leger den 3=e dag de marsch na Chettua voortzette, en savonds ten 6. uuren er voorquam, 't welk ten eer„ „sten nauw ingesloten wierd: Het fort wierd vervol„ „gens nagt en dag hevig beschooten en gebombardeerd, 't welke de bezettelingen hardnekkig verduurden, waar door de Nababse tijd hadden, om met een groot secours men sogt het Hormander hand in aftekomen, het welk en het mislukte van een storm, die de onze daar op ondernamen, mitsgaders ver„ „scheijde drijgende gevaaren, die zig op deeden waar door ons leger in den rugge gevallen en van ons afgesneeden stond te worden, breeder te zien bij secreete missive, na Batavia geschreeven in dato 26. februarij daar aan, en bij het Rapport van den Commandant Wohlfarth, men genoodzaakt wierd, het beleg optebreeken, na dat het Leger 7: daagen daar voor had geleegen, en alle mogen„ „lijke geweld daar op gedaan had, komende dus den 19. Januarij, na agter-latinge van eenig geschut, daar op brak men fet belegop weeder in het Camp voor Cranganoor in goede order aan, alwaar het zelve zig weeder in postuur van defensie, als voor d' Expeditie en ook verder, de voor„ „post uijtstelden tot in het paleijs van den koning van geposteerd Cranganoor„

← previousnext →