Inventory 3619
Malabar · 338 pages · 201 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
789 197 promised to that end to the prince trapped them into a conference in order to seize them but the treachery discovered, fought the princes their way through and thwarted his achieved progress there and Mahomet Alij to the coast Zamorin forces against the Nabob's men but were defeated For this purpose he qualified the king of Collastrij, promising to pardon his kingdom, to negotiate with the Zamorin party on behalf of the Nabob, namely to restore him to his Kingdom again, provided he paid a certain moderate contribution, even with some alleviating conditions. The king of Collastrij, who some time ago had also been restored to his kingdom in that manner by the Nabob, had arrived in Calicoet and did everything in his power there, by means of letters and messages, to make this matter agreeable to the Zamorin princes; and he had already progressed so far that not only was the place for the conference determined, but also that the Zamorin princes had already arrived there. Meanwhile, the intention of the Nabob's Governor was to surround them and carry them off; but the Zamorin Princes, having prudently brought as many men with them as they could, sensed foul play just in time, and had the good fortune, though not without great danger, to fight their way through and return safely to their hiding places; but one of the princes had fared so badly that he was severely wounded in his left thigh, which deed was regarded along the whole of Mallabaar by everyone with contempt and as one of the ugliest villainies. Subsequently, the Nairs of Cotteatte also put their to bring and Cotteatte Nairs heads together; their expelled king appeared again, and having united with the Zamorin forces, they did everything possible to expel the Nabob's forces and unsettle the country; but whatever they did, they could not overcome the difficulty. While in the meantime the Nabob's general Charder Chan, the very same who began hostile actions against us and had since been summoned to the Nabob, came down with a corps of 5 to 6000 men, and though with the loss of a fourth of his force, fought his way through and arrived in Calicoet, and thus secured the country against the violence of the Nairs, who then returned into the forests again. Furthermore, it is known how the Nabob recently eastward through the mountains, with a considerable Army, so unexpectedly fell upon the English and their Nabob advancing against the English Nabob Mahomet Alij in the Carnatic and Madura regions, that he was there before the English knew of it; how he in passing plundered the Company's lodge at Porto Novo, took our Resident as well as the Danish Resident there prisoner, made a striking massacre among the English troops, subsequently took the strong capital city of Carnatika, named Arkat, besieged another no less strong city named Welder, and in a word, caused both in the Carnatic and in the Madura regions horrible heads
Dutch transcription
789 197 beloofd ten dien eijnde aan den prmi„ Rapt hen tot eenConfrentie on hem den te mangelen dog het verraad ontockt slaan alprincen zig door en ontwoon„ desselfs gemaakte projressen aldaar en Malomot Alij na de kast Lammorijnsen teegers de Nababsen aan„ maar werden gedlaagen Hier toe qualificeerden hij den koning van Collastrij „eert rijk te zullen vergeeven om van wegens den Nabab met de Sammorijnse te han„ „delen, namentlijk om hem weeder in zijn Rijk te herstellen, mits betaalende zeekere matige Contri„ „butie, zelfs met eenige verligtende voorwaarden. De ko„ „ning van Collastrij, die door den Nabab over eenigen tijd ook reeds op die wijze in zijn rijk hersteld is, was te Cali„ „coet gekomen en deed daar alle wat in zijn vermogen was, om door brieven en boodschappen de Cammorijnse prin„ „cen deze zaak smakelijk temaaken, en hij hadden het ook al zo verre, dat niet alleen de plaats tot de Confe„ „ventie bepaalt was, maar ook dat de Cammorijnse prin„ „cen daar reeds al gekomen waaren, Jntusschen was d'inten„ „tie van 's Nababs Gouverneur om hun te omcingelen en meede teneemen; dog de sammorijnse Princen, uijt voorzigtigheijd, zo veel volk meede genomen hebbende, als ze konden, merkten effen van pas onraad, en hadden het geluek, dog niet zonder groot gevaar, zig er door heen te slaan, en weer behouden in hunne schuijlplaatsen te komen, maar een van de princen had het zo erg gehad dat hij in zijn linker dije zwaar gekwetst wierd, welke daad op de geheelen Mallabaar bij ijder een met verag„ „tinge en als een van de leelijkste schelmstukken aange„ „merkt wierd. Vervolgens staken de Nairossen van Cotteatte ook de tebrengen a Cottatse nairos pannen met de koppen bij elkander; hunne verdreeven koning kwam weder ten voorschijn, en zig met de sammorijnse ver„ „eenigt hebbende, deedenze al wat mogelijk was, om de Nababse te verdrijven en het land te ontrusten; dog wat ze ook deeden ze konden het hoekje niet te booven komen: Terwijl intusschen 's Nababs veldheer Charder Chan (:die zelvde, die de vijandelijke bedrij„ „ven tegen ons begonnen heeft, en 't zeedert bij den Nabab opgeroepen was:/ met een koops van 5 â 6000: „man afkwam, en zig wel met een quaart verlies van zijn magt doorsloeg en te Calicoet aankwagen en dus het land bevijligde tegen het geweld der Naij „rossen, die toen weder in de bossen keerden. Voorts is het bekend, hoe de Nabab onlangs oost„ Nabade op ogt, tegen elngesien waards door het gebergte heen, met een aanzienelij„ „ke Leger zo onverwagt tegen de Engelse en hunne Nabab Mahomet Alij in, het Carnatische en Ma„ „dureese gevallen is, dat hij er was, eer de Engelse het wisten, hoe hij empassant 'sComp:s logie Dorto novo gepliendert onzen Resident, zo wel als den Deenschen Resident, aldaar gevangen genomen, onder de Engelse troupes een eclatante massakre gedaan, vervolgens de sterke hoofd stad van Carnatika, gen:t Arkat, ingenoomen een andere niet min sterke stad gen:t Welder belegert en met een woord zo in het Carnatesche als in het Madureesche eijs„ Koppen „selijke
English
790:199 the affairs there are indeed certain is besieged. as if they had had no relief from Bombaij to invade and force to adopt his interests and no hope remaining that he will settle with the Company In what alarming circumstances terrible devastations have been caused, and everything even at Naegapatnam and Tutucorijn has been and still is thrown into such turmoil, that Your Honour, having had the authority over the Company's possessions on the Madurese coast, was forced to request militia from Ceylon against his further incursions or a sudden overrun; and no less is it known what subtle statecraft he practices to make the inhabitants there submit to him, while he meanwhile in the neighborhood here has now already for some time occupied and besieged the English fortress Jallicherij with such earnestness that, if this fort had not recently received a strong relief from Bombaij, it would have already fallen into the Nabab's hands, which the English themselves admit, as they already began to suffer a shortage of everything and the supply of provisions by sea was prevented by the Nabab's vessels, which, notwithstanding that a large part of them was recently destroyed by the English, nevertheless still make the supply of provisions to Jallicherij difficult, so that the English are absolutely forced, by continuation, to secure the coast here with ships equipped for war, all of which, however, until now could not have any influence for the better on us, as the Nabab's power around here has not yet diminished, but Chettua, Chawacattij, and Calicoet remain occupied in the same manner as before. Meanwhile, I have successively tried in every conceivable way whether he would not settle the matter with the Company; but it seems that he does not want to hear of it, and that his whole attitude toward us amounts to deceit, dissimulation, and falsehood. And the more I look into the matter, the more it appears to me that the Nabab acts as if the affair were settled, namely with the assurances given of his friendship while retaining what he has taken from us, being, besides the fort of Chettua, that same territory which the Samorin had until the year 1717, and which has constantly been disputed with us, even down to the time of Commander De Jong in 1758; and that the Nabab, in the hope that we will become careless here or will gradually diminish our forces, meanwhile lies in wait to jump upon us again most unexpectedly whenever his affairs might permit it, and to see whether he cannot break through by surprise, or perhaps draw us into his interests; for it is as if he effectively wants to force the Company to enter into an offensive and defensive treaty with him, which in retrospect becomes more and more evident from all circumstances; indeed, when his advance was checked here and he saw that he could not so easily proceed further.
Dutch transcription
790:199 de zaaken daar ten, wisse staan belegert is. zo ze geen ontzet van bombaij habden aetlert n o te onvalen en wringin sin belang aanteneemen en geen hoop, overig dat hij met de Comp zal bijleggen „selijke verwoestingen aangeregt en alles zelvs te Nae„ In wat sorgelijk omstandigheeden „ gapatnam en Cutucorijn zo zeer in rep en roet gebragt heeft, en nog houd, dat UwEd: als het gezag over 'sComp:s bezittingen op de Madureese kust gehad hebbende, genoodzaakt is geweest tegen zijne verdere indrang, of een subiete overloop Militie van Ceijlon te verzoeken, en niet min is het bekend, welke fijne staat- kunde hij oeffend om de ingezeetene aldaar aan zig te doen onderwerpen, tenwijl hij intusschen hier in de buurt Tuijs Calschuij oo en ok nu al zeedert eenigen tijd, de Engelse portres Jalli„ „cherij met zo veel ernst bezet en belegert houd, dat indien dit fort onlangs niet een sterk ontzet van Bombaij erlangd had, het zelven al in 's Nababs han„ „den zouden gevallen zijn, het geen de Engelse zelfs beken„ „nen, alzo zij reeds aan alles gebrek begonden telijden en de aanvoer van levensmiddelen ter zee beletwierd, door 's Nababs vaartuijgen, die niet teegenstaande on„ „langs een groot deel van dezelve door de Engelse vernield zijn, even wel nog al den aanvoer van levensmiddelen te Jal„ en zelfs al zouden overgegaan zijn „ licherij moeijelijk maaken, zo dat de Engelse absolut genoodzaakt zijn, bij Continuatie de kust alhier met schee„ „pen, ten oorlog toegerust, te bevijligen, welk alles eg„ nog ans blif s abals magt, ter tot nog toe geen influcintie ten goeden op ons heeft mogen hebben, alzo 's Nababs magt, hier omstreeks nog niet verminderd is, maar Chettua, Chawa„ „Cattij en Calicoet op dezelve wijzen als bevoorens be„ „zet blijven Jntusschen hebbe ik successive op allen bedenkelijke wijze beproefd, of hij de zaak met den Comp: niet wild bijleg„ „gen; dog het schijnd dat hij er niet van hooren wild en dat zijn geheele houdinge omtrend ons oplist, bedoogen valschheijd uijtkomt En hoe meer ik de zaak inzie, hoe meer het mij maar wil dat hij na gelegenteed voor komt, dat de Nabab zig houd als of de affaire afge„ „daan was, namentlijk met de gedaane verzekeringe van zijn vriendschap met tehouden, het geen hij ons af„ „genomen, heeft, zijnde /:buijten 't fort Chettua:/ dat zelfde, het geen de sammorijn tot het Jaar 1717. ge„ „had heeft, en ons telkens, tot zelfs ten tijde van den Commandeur De Jong in 1758. betwist heeft; en dat de Nabab in hoop, dat wij hier wel zoogeloos worden, of onze magt gaande weg verminderen zullen, intusschen op zijn luijmen legt, om ons wanneer het zijne zaaken mogten toelaaten, weder eens op het onverwagtst te bespringen, en te zien of hij niet met een overijlinge doorbreeken, of ons ook wel in zijne belangens krijgen kan; want het is, als of hij effec„ „tier de Comp: diingen wild, om met hem een ossen„ „sier en defersier fractaat aan te gaan, het geen van agteren uijt alle omstandigheeden meer en meer blijkt; trouwens toen hij hier in zijn vaart ge„ „stuijt was, en zag dat hij zo gemakkelijk niet zet verder erlangt over al eeven sterk
English
791. - 28 just as was already evident when he found matters not to his liking, regarding how our affairs currently stand with him. When he could not break through any further toward Cranganore and Ayacotta, he made a show, by sending back our officers and releasing the prisoners, as if he wished to settle the matter. Indeed, he even declared then that he did not want war with the Company, undoubtedly merely in the hope that he might yet persuade us, or perhaps that a favorable answer had arrived from Batavia. Indeed, when I informed him that a letter with gifts had arrived, I clearly saw his desire for it. He sent word asking me to dispatch the letter quickly and to inform him what authority I had obtained, without mentioning the gifts or anything else. However, as the contents of the letter were drafted in accordance with the Company's system and not as he would have liked to see, the correspondence came to an abrupt halt. Although I made polite overtures in response to his expressions of friendship, he, on the contrary, spurned all the overtures that I have since made discreetly through every possible suitable channel. And matters still stand in that very same state today, namely that the Nabob holds possession of the region between Cranganore and Chettua, whither the inhabitants have gradually returned to live, while he keeps the fort of Chettua very well garrisoned. As this fort is situated fully 12 hours from Cranganore, it is hardly possible to take it from him without a considerably large force, since experience has taught that the enemy can cut us off there at any time. Thus, we must simply be on our guard at Cranganore and Ayacotta and ensure that he does not surprise us there nor break through. To this end, during the favorable monsoon, our vessels must lie somewhat to the north of this roadstead, near or at the point of Ayacotta, to prevent him from crossing over by sea. Meanwhile, Travancore must keep watch over his lines, for which purpose it is necessary that someone inspect them now and then to see whether everything is well manned and supplied, in order to warn Travancore if anything should be lacking here or there. And concerning his personal qualities, I have been informed about this by several deserters who served under him and also frequently stood guard at his court and durbar, as well as by various Frenchmen and others who have been to his place of residence on several occasions, spoken with him, and had the opportunity to learn many details. But the best reports I have obtained were from his personal physician, a French doctor who was daily with him for fully 8 to 2 years, wandered about with him, and finally, out of aversion and dissatisfaction with his difficult temperament, resigned his service in the year 1778 and stayed here for a few weeks. Although, having since been requested by the then French Governor of Pondicherry, Monsieur Bellecombe, at the instance of Hyder Ali Khan, to serve the Nabob again, he returned to him; and from this Frenchman we were able to learn the most accurate details. Description of his personal qualities. He, namely the Nabob, is nearly 70 years of age. His height is 5 1/3 feet. In person, he is well built and his complexion inclines toward brown. He has a majestic countenance and sharp-sighted eyes. In an instant, he can survey the condition of his army, discover any deficiencies, and immediately remedy them. He has no eyebrows, as he continually has them plucked out. He is very fond of women and has a numerous seraglio. He is also a lover of drink, even of strong liquor, which, however, is much despised in a Moor and Muslim and rarely seen. For this reason, he indulges in drink secretly, mostly in the evening or late at night, so that one must wonder that, being very devoted to both Venus and Bacchus, he is nevertheless still so strong and has not long since shortened his life or weakened himself. He can neither read nor write; nevertheless, he listens at one and the same time to the reports of his spies and the reading of incoming letters, orders immediately how the latter must be answered, and at the same time issues orders concerning his vast dominions, and all this with such quick precision that nothing escapes his eye, hearing, or attention. He exercises despotism to the utmost degree, sometimes having someone put to death immediately in his presence for the slightest fault or merely for a single displeasure. He is extremely greedy for money, and it is indescribable by what most gruesome means of extortion he has managed to draw to himself the treasures of his subjects after having conquered the kingdoms of Mysore, Canara, and others. It is true that he allows his people to acquire money, but that is as good as being for himself, for he places men in an office, allows them to continue in it for some years, and does not prevent them from grasping and hoarding in the service; and when he then thinks they have acquired enough money, he has them relieved and made to turn over the acquired money to him, or else, without mercy, flogged to death with chabuks. Thus, he is absolute master not only of the revenues of his states, which amount to countless treasures, and is very avaricious.
Dutch transcription
791. - 28t zo als zulx al heeft gebleeken toen „ mrasdie hief verkoof na zijn smaak gevonden hebben„ hoedanig thans onze zaaken met hen staat op Cranganoon en aijkotta verder doorbreeken kon, maakte hij immers mine, met hij onsen offe ciern afzond op de bata„ het afzenden van de officiers en t'Largeeren van de gevan„ „gen, als of hij de zaak wilde bijleggen, Ja hij verklaa„ „de toen zelfs, dat hij met de Comp: geen oorlog wilde heb„ „ber ongehuijsseld alleen maar, in hoop, dat hij ons nog wel eens zouden overhaalen, of ook wel, dat er een goed antwoord van Batavia gekomen was; Ja toen ik hem bedeelden, dat er een briev met geschenken gekomen was, zag ik duijdelijk zijn verlangen na dezelve, hij liet mij weeten, om de briev tog maar schielijk tezen„ maarderin houd van de brefmiet„ den, en hem te bedeelen welke qualificatie ik erlang n den brak hij de Corespondentie asa, zonder van de geschenken of iets anders te reppen„ dog den inhoud van de brief na het Sijsthema van de Comp: ingezigt zijnde, en niet zo als hij wel gaarne zoude gezien hebben; zo stond de Correspondentie eensklap stil, schoon ik hem op zijn vriendschaps betuiginge de beleeftheijd aanbiedinge gedaan hebben, integendeel zo heeft hij alle mijne tertamens, die ik 't zeedert onder de handen door allerleij best voegelijkste wegen gedaan hebben versmaad En in dien zelvden staat, staan de zaaken tans nog namentlijk dat de Nabab de Landstreek tusschen Cran„ „ganoor en Chettua en bezit houd, werwaards de inge„ „zetenen zig gaande weg weeder ter woon begeven heb„ „ben; terwijl hij het fort: Chettua zeer wel bezet houd, welk fort, als leggende wil 12. uuren van Crar„ „ganoor, niet wel mogelijk is hem afteneemen, zon„ en hoe wij op onse hoede moeten zijn, der een Considerable groote magt, door dien de ondervin„ „dinge geleert heeft, dat de vijand ons daar telkens afsnijden kan, zo dat wij te Cranganoor en te Aijkot„ „ta maar op ons hoede moeten zijn, en zorgen dat hij ons daar niet overrassen, nog doorkomen, en waar toe in de goede Mousson onze vaartuijgen wat benoorden deze rheede, bij of aan de hoek van Aijkotta moeten leggen, om hem zijne overkomste daar ter zee te als meede lagten dat Juvankoorn beletten; Terwijl Grevancoor in zijne linie zorgen moet, waar toe het nodig is, dat men nu en dan eens laat zien, of daar alles wel bezeten voorzien is, ten eijn„ „de Trevancoor te kunnen waarschouwen, indien er hier en daar iets mogt manqueren. En zijne Personeele Hoedanigheeden betref„ van we men narigten van den Nababsende, hier omtrend ben ik ge-informeerd, door ver„ „scheijde Dezerteurs, die bij hem gedient, en ook veel„ „maals bij zijn Hoff en Derbaar de wagt gehad hebben, zo ook door deze en geene zo franschen als andere, die eens en andermaal in zijn Residentie plaats geweest zijn, met hem gesprooken en gelegentheijd gehad hebben, om nog al veele bijzonderheeden te verneemen, maar de beste berigten hebbe ik gekreegen van zijn Lijf„ „medicus, een frans Doctor, die wel 82. Jaaren lang „dagelijks bij hem geweest is, met hem omgezworven en eijndelijk uijt tegenzin en onvergenoegheijd over „ganoor zijne goede wagt houd heeft erlangd 792: 203. „danigheeden beschrijving van zijnen personeelen koe„ deffend faeriaare stoaffen zijne ongemakkelijkheijd anno 1778. zijn dienst ge„ „quiteerd hebbende, zig hier eenige weeken opge„ „houden heeft; schoon hij t zeedert door den toemaligen franschen Gouverneur van Londicherij, de Heer Bellecombe, op de instanties van Haijder Alij Chan verzogt zijnde, om weder den Nabab te bedie„ „nen, daar op ook weder na hem toe gegaan is; en van deze Foransman hebben het naaste kunnen ver„ „neemen Hij, namentlijk de Nabab, is bij de 70. Jaaren oud, zijne hoogte is 5 1/3 voet, van perzoon is hij wel ge„ „maakt en zijn kouleur trekt naar het bruijne, Hij heeft een Majestieus weezen en scherpziende oogen, in een ogenblik kan Hij de gesteldheijd van zijn ar„ „mee overzien, de manquementen ontdekken, en terstond verhelpen; Wij heeft geene wenkbrauwen, alzo hij dezelve bij Continuatie laat uijttrekken: Hij bemind desere zeer, heeft een memereus serrail: ook is hij een liefhebber van den drank en zelfs van sterken brank„ het geen egter in een Moor en Mahometaan zeer ver„ „agt word en weijnig plaats heeft, om welken reden hij ook in 't geheijm en meest des avonds, of laat in den nagt, zig met den drank dilecteerd, zo dat men zig moet verwvonderen, dat hij Penus en Bachus, beijden zeer toegedaan zijnde, egter nog zo sterk is en niet reeds lange zijn leven verkort, of zig verzwakt heeft: Hij kan nog leezen nog schrijven, egter hoord hij op een en dezelve tid de Rapporten van zijne spions en de aankomende brieven leezen, or„ „donneerd onmiddelijk, hoe de laatste moeten beant„ „woord worden, en geeft teffens ordres over het geene zijne uijtgestrekte staaten betreft, en dat alles met eenen, zodanige vlugen preciesheijd, dat zijn oog, ge„ „hoor, en attentie, niets ontslipt: Hij aessent, den Dispo„ „tismus in den uijtterste graad, en laat iemand somtijds om de geringste fouten, of maar om een enkeld mis„ „haagen, terstond in zijn presentie om 't leeven boen„ „gen; is ten uijttersten geldgieng, en het is niet te be„ „schrijven door welke aller-gruwelijkste die angmid„ „delen hij de schatten zijner onderdaanen heeft weeten aan zig te trekken, na dat hij de Rijken van Maij„ „soer, Canara en andere had verovert; 't is waar, hij laat de zijne wel geld winnen, dog dat is zo goed als voor hem, want hij steld de lieden in een bedie„ „ninge, laat hun daar in eenige Jaaren Continuee„ „ven, en verhindert ze niet, om in den dienst te vaa„ „pen en te schraapen, en als hij dan meend, dat ze„ geld genoeg gewonnen hebben, dan laat hij hun aflossen en aanwijzinge van het gewonne geld voor hem doen, of anders zonder genaden dood Cham„ „bokken, dus is hij volstrekt meester niet alleen van de inkomsten zijner staaten, die onnoemelijk schat„ heeft „ten is zeer geld gierig
English
yield annually, but also from all his subjects without distinction, for if he notices that one of his subjects possesses anything, no matter how secretly it is kept, he manages to discover it through his spies, of whom he keeps a great number as if on a hunt, and then they must surrender it as an offering, or they are forced to do so in the most cruel manner. And this is also the reason why he does not possess the affection of his subjects and servants, but that they, driven by the utmost fear, show him the most slavish submission and reverence, while the slightest failing in this regard has fatal consequences. This tyrannical and cruel conduct has increased in him more and more as he succeeded in his victories, as he was previously never so tyrannical and cruel. Although he has Europeans of various nations in his service, he nevertheless has little respect for them. He pays them well, but not overly abundantly. All his soldiers, both Europeans and natives, must purchase everything they need from his sutlers and other peddlers, according to the prices set by himself. These sutlers and peddlers are obliged to render an accurate accounting monthly to his servants and to pay for the goods sold, so that most of the disbursed pay returns back into his treasury, and the Europeans retain little or nothing for themselves. And those who imagine making a fortune under the Nabab and to that end take service with him or desert to him find themselves most miserably deceived, without even daring to show their regret in the least; for if such were only noticed by their guards, they would immediately be taken further inland and guarded in such a way that escaping is utterly impossible and they cannot desert. Upon desertion, the certain death penalty is imposed if overtaken. The situation of his lands is also such that one cannot get out of them except with the greatest danger and the enduring of many fatalities; it happens, however, that some, through long detours, still successfully get through. Besides his militia, he also has a numerous artillery, which he has successively purchased from European nations. It is very well maintained, and he is very well served in this by European gunners whom he employs in his service. He knows as well as anyone that money is the sinew of war and that one can achieve all one's aims with it; for when he sees that he cannot succeed by his arms, he seeks to obtain it with money.
Dutch transcription
793 205. agfte utopen wienig betaald hem wel maar wiet het geld weeder in zijn beurs te en wat hij met den wapens niet nan rutoderen doed hij met geld zijne Arthillerij is zeer groot er hem bog duren het miet lasten bijken „ten Jaarlijks opbrengen, maar ook van alle zijnen on„ „derdanen, zonder onderscheijd, want bemerkt hij, dat een zijner onderdaanen maar iets heeft, hoe verborgen het ook gehouden word, zo weet hij door zijne spi„ en kiranik omtrend zijn onderdang, ons, waar van hij een menigte als op de Jagt heeft, daar agter te komen, en dan moeten ze daar meede ten osser komen, of werden op de aller-Cruelste reijze„ daar toe genoodzaakt, en dit is dus ook de reeden, dat hij de genegentheijd zijner onderdaanen en dienaaren niet bezit, maar datze alle door de uijtterste vreezen en Eerbied bewijzen, terwijl het minste geboek daar aan, van doodelyke gevolgen is, welke tiranike en wreede handelwijze, bij hem meeren meer toegenoomen heeft, na maate hij in zijne overwinningen reuseerden, „alzo hij bevoorens nimmer zo teranicken voreed is ge„ „weest. Schoon hij Europeezen van verscheijde naties in zijn dienst heeft, zo heeft hij egter weijnig agting voor dezelve, hij betaald te wel, maar niet te overvloedig: alle zijne zoldaaten zo Europeezen als Jnlanders, moeten alles koopen watze nodig hebben, van zijne zoetelaars en andere kramers, volgens de prijzen door hem zelfs daar opgesteld; deze zoetelaar en kramers zijn gehouden maandelijks, aan de Bediendens van hem naauwkeurig reekenschap te doen, en de ver„ gedreeven, hem de allerslaatagtigste onderwerping en dezerteeren unnen ze niet het ontkoomen volstrekt onmogelijk is: op het Dezer„ „kogte goederen te betaalen, zo dat de meest uijtgegeevene zoldijen, weederom in zijn kassa te rug keeren, en de Europeezen voor zig zelven weijnig of niets overhouden, en de geene, die zig verbeelden bij den Nabab fortuijn temaaken, en ten dien eijnde, bij den zelven dienst nee„ de Eirsheeden hebben het slegt bij man, of tot hem overloopen, zig op de deerlijkste wijze bedroogen vinden, zonder datze zelfs hun berouw in het minst durven laaten blijken; alzo zulx maar door, hun„ „ne bewaakens bemerkt werdende, zij terstond verder landwaards in gebragt en zodanig bezorgt worden, dat „teeren is bij agterhaaling, de zeekere doodstraffe ge„ „steld; de situatie van zijn landen is ook zodanig, dat men niet als met het grootste gevaar en het uijtstaan van veelen fataliteijten er uijtgeraaken kan; het ge„ „beurd egter dat er sommige door langduurige om„ „weegen, nog gelukkig doorkomen Behalven zijne Militie, heeft hij ook eene tal„ „rijken Arthillerije, die hij van Europeeze Naties suc„ „cessive ingekogt heeft, dezelve word zeer wel onder„ „houden, en hij word door Europeeze Canoniers, die hij in dienst heeft, daar meede zeer wel bediend. Hij weet zo wel als iemand, dat geld den zenuwe des oorlogs is, en dat men daarmeede alle zijne oog„ „merken bereijken kan; want als hij ziet, dat hij door zijne wapenen niet reuisseeren kan, dan zockt „kogte hij krugen wood wel bediend
English
794: 207 hoping thereby the commanders of the armies to great affronts from him had to undergo given when they by the English state interests he buying peace with money, which has succeeded for him more than once, and then he is quickly bent upon recovering his losses from others; he also has another and virtually infallible means to win battles, since seeing his enemy too strong, he immediately sets out to have his spies sound out the commanders or the principal officers of his enemy, and to offer considerable, yes one may well say, incredible sums, and if he succeeds in that, then he is virtually assured of victory, as not everyone has the power to resist the strength of money, and in this manner it is said that he won four arranged battles; besides this, he is also a prince who respects no one, not even those who have done him good. The French, who indeed rendered him very many services and assisted him with munitions of war when he was at war with the English, have never derived any use or advantage from him, but on the contrary have even had to suffer affronts from him, first at Calicoet on the occasion when the Cammorijn had transferred his realm to the French, and thereafter at Mahe itself, where he not only stripped a certain Coenja Nairo, who had long been under the protection of the French, of his lands, but also demanded from the French, because they opposed it, a lakh of rupees, which they also had to pay him for good, while besides this they still had to abandon the said Coenja Nairo to his violence; and notwithstanding all this, they nevertheless continued to seek his friendship, in order by means of him in due time to inflict damage on the English; I still remember how a certain lieutenant colonel of the French, sent to him on a mission to settle the affairs concerning Coenja Nairo, staying here for a few days upon his return to Pondicherij and recounting the case to me, thought he would burst with regret that he had not been able to negotiate that fine down to less than a lakh of rupees, adding these words in substance: indeed, what shall we do, we must not become embroiled with him after all, on account of our state interests; yet how little benefit they have had from him, and how greatly he left them in the lurch when they recently needed him, has become apparent; I am informed on good authority that when Pondicherij was recently besieged by the English and an ambassador was sent to him to ask for help, he dismissed the ambassadors in a mocking manner with these words: write to your king that first a fleet of warships and some
Dutch transcription
794: 207 hopenden daar meede de Chefs van den legers om groote affronten van hem moester ondergaan gegeeven ton ze door de Engelschen staat in igten hij de vreede met geld te koopen, het geen hem meer als eens gelukt is, en dan is hij schielijk daar op uijt, om zijne schaaden op andere te verhaalen; nog heeft hij een ander en genoegzaam onfeilbaar middel, om Battailjes te win „nen, dewijl hij zijn vijand te sterk ziende, ter stond, daar op uijt is, om door zijna spions de Chefs of de voornaam„ „ste officieren, van zijn vijand te laaten ondertasten, en aanzienelijke, Ja men mag wel zeggen, ongeloof verdraagen om de wille van hunne „telijke sommas aan tebieder, en slaagt hij daar in, dan is hij van de overwinninge genoegzaam ver„ zeekert, alzo ijder een het vermogen niet heeft om de kragt van geld te wederstaan, en op deze wijze zegt men, dat hij vier gevangeerde Batailles ge„ „wonnen heeft, buijten des, zo is hij ook een vorst, die niemand ontziet, zelfs niet de geene die hem goed daan hebben. De Franschen die hem in der daad zeer veele diensten sten hebben beweden heben agtengedaan en met Ammonietie van oorlog geassisteerd hebben, toen hij met de Engelschen in oorlog was, hebben nimmer eenig niet of voordeel van hem getrokken, maar inteegendeel zelfs affronten van hem moeten lijden, eerst op Calicoet bij gelegentheijd de Cammorijn zijn Rijk aan de franschen had opgedraagen en daar na te Mare zelfs, alwaar hij niet alleen eenen Coenja Nairo, die al lange, onder den bescherming van de ook de franschen, om datze zig daar tegen stelden, een Lak ropijen afgevordert heeft, die ze ook aan hem voor goed hebben moeten betaalen, terwijl ze buij„ „ten des, gemelde Coense Nairo nog aan zijn geweld hebben moeten overlaaten en ongeagt dit alles, zo hebbenze egter nog zijne vriendschap blijven zoeken, wat de paren van aen derkeijen, om door middel van hem in der tijd, de Engelschen af„ „breuk te doen; het staat mij nog voor, hoe zeeker Luijtenant Collonel van de franschen bij hem in Commis„ „sie gezonden, om de assairen over Coense Nairo afte„ „maaken, bij zijn retour na Pondicherij hier eenige daagen vertoevende, en mij het geval verhaalende, van spijt meende te bersten, dat hij die boete niet minder als tot een lak ropijen had kunnen bedingen, met bijvoeginge van deeze woorden in substantie, prouwens, wat zullen wij doer, wij mogen tog met hem niet gebroulleert vaaken, uijt hoofde van onze staads inzigten, dog hoe weijnig niet ze van hem gehad hebben, en hoe zeer hij hun in de pekel heeft laaten zitten, toen zij hem laatst nodig hadden, is gebleeken, ik ben van goederhand onderrigt, dat toen nu laatst Londicherij door de Engelse beleegert en een ambas„ „sadecer na hem gezonden wierd, om hulp te vragen„ hij op eene riante wijze, de Ambassadeurs af„ antwoord door hem an de pransche, scheepte, met deeze woorden: schrijf aan Uw ko„ franschen had gestaan, zijn landjes afgenomen, maar op Pondicterij beligert waar „ning, dat eerst een vloot oorlogs-scheepen en ook eenige
English
795: 209 that when they asked back for the people they had lent him, one could expect nothing better from him. The [illegible] he has done and to the Portuguese at Mangalore. some regiments of militia to come here, and then I shall help your King to restore himself in India and to predominate; and that, after Pondicherry had surrendered, he laughingly asked the French officers who are in his service whether the French were mad to surrender Pondicherry to the English for the second time. Yet another example: the Governor of Mahe requested the return of the 160 French troops who had been sent to the Nabab from Mahe the year before, and he also requested assistance in case Mahe should be attacked. Regarding the aforesaid Europeans, also when the French asked back for their people, he answered that he had demanded them the previous year in order to use them himself, and that he therefore did not intend to return them, but that since Mahe lay in the Colastry kingdom, and the Colastry was tributary to him, he would order the King of Colastry to assist Mahe, who indeed sent 200 Nairs and 1000 native Moors, who however, upon the approach of the English, took to flight without offering any resistance; and I remain convinced that, having us in his interest, he would not deal much better with us either, and far from letting himself—like Mahomet Aly—be employed for another's designs, he would allow himself to be found for nothing other than what his own interests, and not ours, entail. The Portuguese at Goa have also miscalculated greatly regarding him, and likewise had to suffer from him; for when he had made himself master of the Canarese Kingdom, and the Marattas waged war on him for that reason (since Canara had been subject to their contribution), the Portuguese in truth assisted him secretly very much, and yet they found that they had an even worse neighbor in him than in the Marattas; for as soon as he was master of the Canarese and Sunda Kingdoms, he extended his dominion north of Goa, where he did not spare the petty princes who stood under the protection of the Portuguese either, but also made them bow under his yoke, which the Portuguese had to look upon with favor; even a district north of Goa that the Portuguese held in possession, they had to surrender, because the Nabab pretended that it belonged to the kingdoms conquered by him, in almost the same manner as he forms his claim on our claimed district, namely because it previously belonged to the Zamorin; and notwithstanding all this compliance, they are still tormented by him and impaired in their privileges: the Portuguese previously had a privilege in Canara, namely that they received annually some lasts of rice for nothing, either as a recognition or by way of contribution, but when the Nabab had conquered Canara, he indeed at first promised to make no change therein.
Dutch transcription
795: 209 datken aan hem geleend hadden te rug verzogten men nan van hem niets bee„ „tero wagten De sboedang hijde patigeeden hef bade en den portugeseser op Mangaloon Compt gedaan heeft eenige Regimenten Militie dit heen komen, en dan zal ik uw koning helpen om zig in Jndien te her„ „stellen en te doen predommineeren, en dat hij, na dat Pondicherij, was overgegaan, tegen de franschen officiers die in zijn dienst zijn, al lagchende vraagde of de franschen gek waaren, dat ze Pondicherij nie voor de tweede maal aan de Engelse overgaven, nog een tweede staaltje, de Gouver„ „neur van Mahe verzogt de 160. koppen franschen terug; die het Jaar bevoorens van Mlahe aan de Nabab gezonden waa „ven en hij verzogt ook assistentie, ingevalle Mlahe mogte geattacqueert worden, nopens de voorschreve Europeezen ant„ ook toen de franschen hun volk„ woorde hij dat hij die verleede Jaar ge-eijscht had, om ze zelfs te gebruijken, en dat wij ze dus niet meende te rug te geven, maar dat dewijl Mahe in het Colastrijse rijk lag, en het Collastrijse van hem tributair was, zij den ko„ „ning van Colastrij zoude gelasten om Maie te assisteeren die dan ook 200. Naijrossen en 1000 inlandse mooren gezonden heeft, dog op den aannaderinge van de Engelse, zonder eenige tegenstand te doen, de vlugt namen; en ik houde mij ver„ „zeekerd dat hij ons in zijn belang, hebbende, met ons ook niet veel beter handelen zoude, en wel verre van zig /:gelijk Mlahomet Alij:/ tot een anders inzigten te laaten als eenelijk zijne, en niet onze, belangens meede brengen E Portugeezen te Joa, hebben zig ook zeer omtrend hem misreekend, en insgelijks apporten van hem moetien gebruijken, zig tot niets anders zoude laaten vinden, het g'exteerde geval tusschen hem een voorregt, namentlijk dat ze Jaarlijks eenige las„ ondergaan; want toen hij zig meester gemaakt had, van het Cannareeze Rijk, en de Marattas hem daarom be„ „oorloogden /: vermits Canara onder hunne Contributie gestaan had:/ hebben de Portugeezen hem onderhands waarlijk zeer veel geassisteerd, en even wel hebben zi ondervonden, dat ze aan hem nog quaader buurman hadden, als aan de Marattas; want zo dra hij van het Canareese en Sundase Rijk meester was, breijdden hij zijne Heerschappije uijt, benoorden Jda, alwaar hij de vorstjes, die onder de protectie der Portugeezen stonden ook niet spaarden, maar meede onder zijn suk deed bukken, het geen de Portugeezen met goede oogen moesten aanzien, zelfs een landstreek benoorden Goa die de Portugeezen in bezit hadden, moesterze over„ genoegzaam zodanig als hij den „ geven, om dat de Nabab voorgaf, dat het behoorde aan de door hem vermeesterde Rijken, genoegzaam op dezelve wijze, als hij zijne pretentie op onze ge= „imadeerde landstreek formeerd, namentlijk om dat het bevoorens der sammorijn toebehoord heeft; en niet tee„ „genstaande, alle deze inschikkelijkheijd, worden ze nog door hem gequelt en in hunne voorregten bera„ „deelt: de Portugeezen hadden bevoorens in Canara „ten Rijst voor niet, het zij als een erkentenisse, of bij wijze van Contributie kreegen, dog toen de Nabab Canara veroverd had, beloofden hij wel eerst daar in geene ondergaan veranderinge
English
211: 796. how he does not even spare the English. and how dangerous it is to ask him for anything how affairs will have to change to his disadvantage done. to make changes, yet they have profited little from that promise since; at first he gave them something, but after he had a free hand, he dismissed them flatly: in the month of March 1777, the Portuguese sent some vessels from Goa to Mangalore to purchase rice, as they are always accustomed to do twice a year, yet these vessels were not only prevented from loading and transporting rice, but also detained, and at the same time the Portuguese Resident at Mangalore was also arrested, and furthermore the Portuguese flag standing before the Residency was torn down, and according to the accounts of people who passed through here from that direction, this reportedly occurred because the Portuguese had not wanted to let him march under their forts when he recently had his eye on conquering the country of Morarouw. He does not even spare the English, who are nevertheless the most feared in the Indies; they experienced this at Tellicherry, when he first arrived against the Zamorin, where, as has already been mentioned here before, wishing to meddle in his affairs, they were driven away by him, leaving behind the cannons and mortars they had brought with them; and it is well known, when he was at war with the English, how very delighted they were merely to have made peace with him and to be rid of him: very proudly he expresses himself in his latest letter written to Batavia: proud expression by the same concerning his waged wars against the English and Marathas: "Fame will undoubtedly have made known to you the fortunate manner in which Providence has allowed me to bring to an end the wars which I have been forced to wage against the English and against the Marathas, and how on many occasions I have shown them the power of my arms through the victories I have achieved over them, and have compelled them to ask me for peace." And how greatly the English are now saddled with him and will have much work to hold their ground against him, time will soon make clearer. So that he spares no one and is not a ruler with whom to ally oneself or accomplish anything; the only thing upon which one can rely is that he is a usurper and self-made prince, on whose longevity one can, at the very most, rely no longer than as long as he lives, that he is already advanced in years, that he weakens himself greatly through his way of life, and that after his death a complete revolution of affairs undoubtedly stands at the door, unless the English, who are currently engaged with him, could reach an agreement with the Marathas, together with their ally Nawab Muhammad Ali, to 797. what the Angrians have carried out two Dutch ships taken by them in the year 1738 in the year 1739 against them their destruction in the year 1756 by the English and the Marathas their operations in the year 1746 fall upon his body, and if not completely eradicate him, at least reduce him so small that he can no longer play such a role as he has done until now. Now I should also mention with a word the Angrian pirates, as for more than half a century consecutively they have rendered the sea around these regions unsafe with their piracies, dragging away to their pirate nest Gheriah (known among us by the name of Biesevoek, and on the Company's sea charts called Carapatnam) and destroying numerous ships and lesser vessels of European as well as native passengers, two Company's ships and a bark, whereof the Honorable Company has also had to suffer the painful consequences. For in the year 1738, off the latitude of Honavar, they attacked the Honorable Company's ship Noordwolfsbergen, together with the yachts Zeelands Welvaaren and the Magdalena, which latter two mentioned, after a stubborn fight of three days, fell into their hands; while Noordwolfsbergen returned here to the roadstead disabled from its intended voyage. The poor success of the enterprise Their High Excellencies thereupon sent a squadron from Batavia under the command of Major Siersma to take reprisals, or else compel the pirate to pay compensation and enter into a contract with the Honorable Company, but how that expedition ended may be seen in the general letter written from here to Batavia dated 30 April 1739. Anno 1746 they captured an English ship in sight of Cochin, and anno 1749 they appeared once more with a fleet of 7 grabs and 6 gallivats in sight of this city; several times they made landings to the north and plundered Honavar and Mangalore. Anno 1754 they attacked the Company's ships Wemmenum, Vreede, and the bark Jaccatra destined for Surat: both ships caught fire and blew up into the air, the bark was captured, and the crew taken prisoner. attacked by them, burned, and captured Finally, in the year 1756, they were completely eradicated by the combined naval forces of the English and Marathas, whereupon the Marathas in the year 1757 took possession of Gheriah and the district lying thereabout, as that place was left to them by the English; since which time nothing more has been heard of the Angrians, but certainly of the Marathas, a nation that in former times roved far and wide across the land after the decline of the Deccan, yes even from Surat up to Bengal, who, having come into possession of Gheriah, have from that time on shown themselves on this coast instead of the Angrians and likewise practiced their piracies at sea, whereas they otherwise
Dutch transcription
211: 796. hoe hi de Engelschen zelfs niet ontziet. en gevaarlijk is wiet hem iets aan te vargen hoedanig de zaken zullen moeten veranden tot zijn bedef gedaan. veranderinge te zullen maaken, dog ze hebben van dien belofte zeedert weijnig geprofiteerd; in het eerste heeft hij hun wat gegeeven, maar na dat hij de handen reijm had, hun glad afgeweezen: in de maand Maart 1777. —. zonden de Portugeezen eenige vaartuigen van Goa na Mangaloor, om rijst te koopen, zo als ze altijd tweemaal 's Jaars gewoon zijn te doen, dog deeze vaartuigen, wierde niet alleen belet, om rijst teladen en te vervoeren, maar ook g'arresteerd en tegelijk wierd ook de Portugeeze Resident te Mangaloor g'arresteerd, mitsgaeders den portugeeze vlag, voor de Residentie staande, ver„ „scheeert, en volgens verhaal van menschen, die van die kant, hier gepasseerd zijn, zoude zulks geschied zijn, om dat de Portugeezen hem niet onder hunne fosten hadden willen laten trekken, toen hij laast op 't ook om het land van Morarouw te Conquesteeren. zelfs ontziet hij de Engelse niet, die egter in Jndien nog het meest gevreest zijn, dit hebben ze ondervonden bij sallicherij, toen hij voor de eerstemaeal op den Sammorijn aanquaam, alwaar zij, gelijk hier vooren reeds gemeld is, zig met zijn zaken willende bemoeijen door hem wegge„ „jaagd zijn, met agterlatinge van hunne mede gebragte Canons en mortiers, en het is bekent, toen hij met de Engelse in oorlog is geweest, hoe zeer ze in haar schik mer„ „ren, datze hem maar vreede gemaakt hadden, en van hem ontslagen waren: vegt toost drukt hij zig uijt, bij zijn laatste briev na Batavia geschreeven brotse uitdrikking door denselven over zijn gevoerde oorlogen met de Engelse en Maret„ „tas „ De Jaam zal uw ongetwijffeld hebben doen ken„ „„nis krijgen van de gelukkige wijze, waar op de voor„ „zienigheijd mij heeft doen ten eijnde brengen, de oor„ „„loogen, die ik genoodzaakt geweest ben te voeren „teegens de Engelsen en tegen de Maratten, en hoe „ik in veele gelegentheijden hen heb doen zien, de magt „van mijne wapenen, door de overwinningen, die ik „op hun heb behaalt, en hun genoodzaakt hebbe, mij „om de vreeden te vraagen. en hoe zeer de Engelse vans met hem opgescheept zijn en veel werks zullen hebben om zig tegen hem staande te houden, zal eerstdaags de tijd nader leeren. Zo dat hij niemand ontziet en geen vorst is, om zig mede te verbinden of iets meede uijtteregten het een„ „nigste waar op men reekenen kan, is, dat hij een Isurpateur en opgeworpen vorst is, op wiens duurzaam„ „heijd men, ten hoogsten genomen, niet langer rekenen kan, als zo lange hij leeft, dat hij reeds hooge Jaaren heeft, dat hij door zijn leevenswijze, zig zeer verzwakt, en dat na zijn dood ongetwijffeld, eene geheelen om wer„ „telinge van zaaken, voor de deur staat, ten waren de Engelse, die tans met hem aan den gang zijn, het met de Masettas konden eens worden, om 'tzamen met hunne ge-allieerde Nabab Mahomed Alij, uijt hem 797. wat de anpeanen als uietgevoert hebben twee hollandse scheepen door hen den A=o 17380 genomen in A:o 1739 tegens hen hunge rictwijing in A„o1756 door den Engelschen en de Marattas hunne verrigting dn A:o 1746 hem op 't lijf te vallen, en zo al niet ten eenemaal uijtteroeijen, ten minsten zo kleijn te maaken, dat hij zodanige rol niet meer speelen kan, als hij tot nie toe gedaan heeft. Nue diende ik ook met een woord te melden van den d Angreaze Lee rovers, alzoo zij meer als een halven Eeuw agter-een, de zee hier omstreks met hunnen rove„ „rijen onvijlig gemaakt, meenigvueldige scheepen en min„ „deren vaartuigen van Europeeze als Jnlandse passigua twee skomp:s scheepen en een bark „ten na hun roof-nest Geria /bij ons onder de naam van Biesevoek, en in 'sComp:s Zeekaarten genaamt Carapatnam / weg gesleept en vernield hebben, waar van d'E Comp: ook het smartelijk gevoel heeft moeten ondervinden. Want in 't Jaar 1738 attacqueerden ze, op de hoogte van Onoor, het 'sComp:s schip Noordwolffbergen, beneevens de Jachten Zeelands Welvaaren en de Mag„ „dalena, welke twee laatst gem:, na een hardrek„ „kig gevegt van drie daagen, in hunnen handen vielen; terwijl Noordwolfsbergen reddeloos hier ter rheeden van zijn voorgenoomen reijse terug kwam. De Haar Hoog Edelheedens zonder daar op een Esquader slegt succes van de onderneming van Batavia, onder Commando van den Majoor Siersma, om represailje teneemen, dan wel den Rover te noodzaaken tot scha-vergoeding, en 't aangaan van een Contract met DE Comp: dog hoedanig die ex pe„ „ditie afgeloopen is, kan men zien bij gemeene briev in dato 30. April 1739. van hier na Batavia geschreeven. Anno 1746. namen ze, in 't gezigt van Cochim een Engels schip en anno 1749 verscheenen ze andermaal met een vloot van 7: goerats en 6. galwets in 't gezigt deeser stad verscheijden maalen hebbenze om de Noord landingen ge„ „daan en Onoop en Mangaloor uijtgeplundert. Anno 1754 attacqueerden ze 'sComp:s, na souratte gedes„ door hen g'attacqueert verbrand, „ tineerde scheepen de Wemmenum, de Vreede en de bark Jaccatra: De beijde scheepen raakte in de branden vlogen in de lugt, de bank wierde vermeesterd, en de Equipa„ „gie gevangen genomen. Eeijndelijk zijn ze in den Jaaren 1756. door de gecon„ „Jungeerde zee-magt der Engelschen en Marhettas ten eenemaal uijtgeroeijd, waarop Marhettas in te Jaar 1757 van Gena en van 't distrikt dat daar om„ „trend: legd, bezit namen, alzoo hun die plaats door den Engelsen gelaten wierd, zeedert welken tijd men niets „meer van de Angreanen gehoord heeft, maar wel van den Marhettas, een Natie die in vroegere tijden het land na de onderpang van te dag vaan wijd en zeijd doorstroopte, Ja zelfs van souratte af, tot in Bengale toe / die in 't bezit van Jeria gekoomen zijnde, van die tijd aan in plaats van de Ar„ „peanen aan deze kant zig ook vertoond en hunne rovereijen ter zee insgelijk g'oeffend hebben, daar ze an„ van „ders en vermeestert „nen
English
215 798. struck on a reef their attack with a arrival of the same sea admiral to want to conclude a contract with the Company 2 armed vessels to the roads but in 1768 they took a Company Cannanore which he had taken previously only to the North and near Suratte where their lands are situated / but had sailed at sea. the Company ship De Getrouwigheid In the year 1762 they attacked the ship De Getrouwigheid, attacked by them and at Goa destined for Souratta, which while fleeing to Goa defended itself and at night beside the Goa castle struck on a reef, where the same was heavily fired upon by the enemy but finally abandoned, and thus indeed escaped, but unfortunately was wrecked on the reefs there. Anno 1766 they attacked near Cannanoor, two Portuguese frigate in anno 1766 days one after the other, a large well-manned Portuguese frigate, which however they had to abandon with losses. Thereafter they arrived at the Cannanoor roads, at Cannanoor with offering and the sea admiral sent a person to the chief with a compliment of his goodwill, adding that he would shortly come in person to the shore to the chief, to see if a contract of peace and friendship could not be made with the Honourable Company and his prince. The said sea admiral also came ashore after a few days, and promised the chief that in 2½ months no hindrance would be inflicted upon the Company's ships and vessels by him nor his, and that he would arrange that his prince would make a formal contract with the Honourable Company, and on that occasion he returned three native vessels taken by him and belonging at Cannanoor, without having taken anything from them in the least. In the year 1768 they took, at the latitude of Calicoet, the Company sloop De Mosselschulp destined from Colombo to Souratte, and on the Calicoet roads 3 Moorish ships and a bombasa their arrival on the Cochin coast Anno 1770 they arrived with a fleet of around 30 sail on the outer roads of Cochim; they were asked the reason for their arrival, and the answer of the Admiral was that he came as a friend, to contract with the Honourable Company; whereupon he was requested to come ashore, yet he wanted written assurance, which was also sent to him, but even so he did not come ashore, and after he had kept the river as if closed for 18 days, he departed with his fleet back to the North. Anno 1772 they took a Portuguese It was in the year 1772 that at the latitude of Montedellij they took a Portuguese and a Macao ship. The Portuguese at Goa thereupon fitted out one of their largest frigates and two well-armed vessels to retake what was lost, alongside another large frigate and sloop, but this expedition was beaten and captured by the Marattas at the latitude of Angedivo; the Portuguese 217 799. Surat ship in 1775 under what pretext the Marattas wish to justify their sea-robberies lease it out as a privilege remark concerning the Marattas Portuguese sent once again a frigate and several armed vessels after them, which then retook the captured vessels, except the frigate which the Marhettas had already towed to their robber's nest Geria. attack between and a Company In the year 1775, at the latitude of 18 degrees, 29 minutes, they stubbornly fought for two days in succession the Company ship De Vrouwe Geertruijda coming from Suratte, yet due to the brave resistance, they finally had to abandon it; since then they have achieved nothing of importance at sea. To this plundering at sea, they give an appearance of equity, as they pretend to have mastery of the sea along this side of the peninsula, or actually desire that all who wish to pass through those waters must enter into an agreement with them by constitutional choice, or take passports from them for a certain payment; while in default of these they seize such vessels as forfeited, if they can; and this privilege is leased out by them to the highest-bidding fortune-hunters and daredevils, who then at their own expense buy or hire and maintain ships, vessels, ammunition, men and whatever else belongs to such a pirate fleet, and must recover those expenses from the vessels and booty they capture; there are also some chiefs on them, whom the Marhettas add thereto, to lend that fleet status and authority, and among these also the chief of the whole fleet; this lease has not yet been higher than one lakh of rupees, and it is to be wondered at that so much is still given for it, because most of the booty to be made consists only of native trade goods; it is true that most bombaras and other native vessels that must pass Geria do take passes from them for a high price, yet both can nevertheless not amount to so much that, after deduction of expenses, very much would remain, for capital prizes seldom fall into their hands. Yet it is not for that reason alone that I make mention of the Marhettas, namely, because since they possess the Angrian robber's nest Geria, they have rendered this coast unsafe, but also because it does not appear improbable to me that this nation might well at some point obtain an effective relation to Malabar, especially if they should manage to subdue the Nawab Hyder Ali Khan, or if they, as their aim seems to be, might be able to restore the kingdoms of Mysore, Canara, Sunda and those further subjugated by the Nawab, which had previously been tributary under the Marhettas; for then the kingdoms of Collastry and Cannorijn would certainly also be restored.
Dutch transcription
215 798. op een klip geraakt hunne astakque met een komste van der zelven zeevoogd een pnhract te willen sluten met d Comp 2 g'armeerde vaartuigen tot het rheeden maar in 1768 namen zij een sComp: Cananoor die hij genomen led„ „ders bevoorens alleen om de Noord en bij Suratta Cal„ „waar hunne landen geleegen zijn / maar wat ter zee Paogeerd drie vaartuigen van gevaaren hadden. 'sComp:s schip de gehouwig hed Jn het Jaar 1762. attacqueerden ze het na Souratta door hen g'attakqueerd en bij Joa gedestineerde schip De Getrouwigheijd, 't welke al vlugtende na Goazig defendeerde en 's Nagts be„ „zijden het Gouse kasteel, op een klip geraakte, al„ „waar het zelve door den vijand heevig beschooten dog eijndelijk verlaten wierd, en dus wel ontkwam, maar„ ongelukkig op de klippen aldaar verongelukte. Anno 1766. attacqueerden ze bij Cannanoor, twee portugees fregat in anno 1766. daagen na den anderen, een klock wil bemand Por„ „tugees prequat, dog 't welke ze met verlies moesten „verlaaten. Vervolgens kwamen ze op de Cannanoorse rheeden, op Cannaroon met aanbiding en de zeevoogd zond een persoon bij het opperhoofd met een Compliment van zijn welmeenentheijd, on„ „der bijvoeginge, dat hij eerstdaags in persoon bij het opperhoofd aan de wall zoude komen, om te zien of er„ niet een Contract van vreede en vriendschap met DE: Comp: en zijn vorst: te maaken was. Gem: zee- voogd en een maecaus schip kwam ook na eenige dagen aan de wal, en beloof„ „den het opperhoofd, dat in 2½. maanden aan 'sComp=s scheepen en vaartuigen door hem nog de zijne geen hinder zouden toegebragt worden, en dat hij bewerken maakte, en bij die gelegentheijd gaf hij drie, door hem genomene, en te Cannanoor te huijshoorende, inland„ „se vaartuigen tenug, zonder in 't minst iets daar uijt genomen te hebben. Jn 't Jaar 1768. namen ze, op de hoogte van Cali„ „coet„ de van Colombo na souratte gedestineerde 'sComp:s Chialoup De Mosselschulp, en op de Cali„ „ Coetse rheede 3. Moorse scheepen en een bombasa hunne Ronste op den Cotimda Cuit Anno 1770. kwamen ze met een vloot van in den 30. Zeijlen op de buijten rheede van Cochim: hen wierd de reeden van hun komst afgevraagd, en 't antwoord van den Admiraal was, dat hij als vriend kwam, om met d'E: Comp: te Contracteeren; waarop hij ver„ „zogt wierd aan de wal te komen, dog hij wilde schriftelijke verzeekeringe hebben, die hem ook ge„ „zonden wierd, maar even wel kwam hij niet aan de wal, en na dat hij de revier 18. dagen lang als geslooten gehouden had, vertrok hij met zijn vloot weeder na de Noord. A„o 172. nenen 2r een portiges Het was in 't Jaar 1772. dat ze op de hoogte van Montedellij een Portugees en een Maccauws schip naamen, De Portugeezen te Goa rusten hier op een van hunne pootste peguatten en twee wel ge-armeerden vaartuijgen uijt, om het verloorene te herneemen, neevens nog en grot focquart en maar deeze uijtrusting wierd geslagen en door de Ma„ zou, dat zijn vorst met dE Comp: een formeel Contract dnine van en un uit gsmen „ ettas op de hoogte van Angedivo veroverd; De Por„ maakten „tugeezen sloep 217 799. surats schip in 1775 onder wat perotent de narattas hunne Zee- roverijen willen billikken zals een pnrvelegie verpagten aanmerking omtrend de marattas „tugeezen zonden andermaal een frequat en eenige ge-armeerde vaartuigen op hun af, die toen de geno„ „mene vaartuigen hemamen behalven het freguat„ reets het geen de Marhettas na hun toofnest Geria, ge„ „sleept hadden attadique tusschen in en een Comp:s In 't Jaar 1775 hebben ze op de hoogte van 18. graa„ „den, 29. minuten het van Suratte komende 'sComp:s schip De Vrouwe Geertruijda twere daagen agter aan, hardnettig bevogten, dog door de tapperen resis„ „tentie, het zelve eijndelijk moeten verlaten, zeedert hebbenze, niets van belang ter zee uijtgeregt. Aan dit rooven ter zee, gevenze een schijn van billijkheijd, alzoo zij het meesterschap van de zee langs deze zijde van het schier- Eijland pretendeerende te heb„ „ben, of eijgendlijk begeeren, dat alle die dat vaarwaar, bij staats verkeesing „ter passeeren willen, met hun daar over een accoord moeten aangaan, of van hun Paspoorten voor zeekeren betaalinge neemen; terwijl zij bij manquement van die zulken vaartuigen, als verbeurd, wegneemen, indien te kunnen: en deze privilegie word door hun verpagt, aan de meestbiedende fortuijn -zoekers en waaghalsen, die dan op hun eijgen kosten; scheepen, Iaar„ „tuigen, Ammunitie, volk en wat er verder tot zo een roofvloot behoord, kopen of huuren, en onder„ „houden, en die ongelden vinden moeten uijt de vaartuigen en buijt, die ze magtig worden: ook zijn er eenige hoofden op, die de Marhettas daar bij doen, om die vloot aanzien en gezeg bij te zetten, en onder deze ook het hoofd van de geheele vloot: deze pagt is nog niet hoger geweest als een Lak ropijen en het is te verwonderen, dat er nog zo veel voor gegeeven word, om dat de meeste buijt, die te maken, maar bestaat in Jnlandse Negotie Goederen; Het is waar de meeste Bombarassen en andere inlandse vaartuijgen, dewel„ „ke Geria passeeren moeten, neemen wel passen voor een hooge prijs van hun, dog het een en ander kan egter zo veel niet bedraagen, dat, na aftrek van d'onkosten, heel veel zou„ „de overschieten, want Capitaale prijsen vallen weijnig in hun handen. Dog het is om die reeden niet alleen, dat ik van de Ma„ „thettas melde, namentlijk, om datze zedert het An„ „peaanse Roopmess Geria bezitten, deze kust onvijlig ge„ „maakt hebben, maar ook, om dat het mij niet onwaar„ „schijnlijk voorkomt, dat deeze Natie wil eens effectiev relatie tot de mallabaar zou kunnen krijgen, in zonder„ „heijd, wanneer Ze de Nabab Saijder Alijchan mog„ „ten ten onder brengen, of wanneer ze zo als hun oog„ „merk scheijnd te zijn, de rijsken van Maisoer, Canara, Cunda en die door den Nabab verder overheerd, dog bevoo„ „vens onder de Marhettas tributair geweest zijn, mog„ „ten kunnen herstellen; want als dan zouden zeekerlijk ook de Rijken van Collastrij en Cammorijn hersteld wer„ er „den
English
219 800. qualities of the Marathas and their power how the letter from the Maldivians is received here what kind of goods the Maldive traders bring here and take away from here and then the Marhettas would undoubtedly also demand from these princes an annual contribution for the opportunity they provided them to be restored, under which the king of Cochim, as far as his northern lands are concerned, might possibly also be addressed, so that the Marhettas could then more or less become our neighbors; and it is known that they are as rough and difficult guests as any native nation can be. At least the arrival of a certain Marhetta envoy, who once brought letters here for the King of Cochim and Trevancoor to encourage them, seems to have been an imperceptible preparation for this, or at least it appeared so to me, as can be seen further in my separate letter to Batavia under the date of 5 May 1777, although Trevancoor later thought that he was not an envoy of the Marhattas, but on the contrary of the Nabab Haijder Alijchan, under the guise of the Marhettas, to see how the Cochim and Trevancoor rulers would conduct themselves upon the receipt of such encouragement from the Marhettas. It is a heathen nation that has very great respect for its Brahmins or clergy, consisting of various large as well as small principalities, of which the lesser are tributary to the greatest, and from which the name of greater and lesser Marhettas undoubtedly originates. Furthermore, it is a nation whose number is legion, serving mostly on horseback, though also partly on foot. The place of residence of the great Marhetta is Poona, lying 7 or 8 days' journey east of Bombaij. Now, lastly, I must say something about the Maldivian Sultan, for although we have nothing to do with him here, and the purchase of cowries has been prohibited according to the Batavia letter of 18 December 1750, with orders to direct the Maldive traders with their cowries to Ceilon, vessels still arrive here annually with cowries, coir, kats, a kind of dried fish called comblamas, which they sell to private individuals, and in return take back rice, cotton, katjang, angelica wood, and Chinese buyangs. Not a year passes without the Sultan writing a letter here, solely to recommend his small vessels that might arrive here; which letter is brought by a person under the title of Ambassador. His reception takes place with little ceremony: when he sends to ask and has received an answer as to when he can come for an audience, a servant is sent to him with a parasol and for his state, or actually in honor of the letter.
Dutch transcription
219 800. „ling hier met brieven voor de hoedanigheeden van Marathas en hun vermoogen hoedanig de brief man de Maldivosen, sulken hier woord ontfangen wat voor goederen de maldioor- vaar„ „den, en dan zouden de Marhettas ongetwijffeld van deze vorsten ook begeeren een Jaarlijkse Contributie voor de geleegentheijd, die ze hun beschikt hebben, om hersteld te worden, en waar onder de koning van Cochim, voor zoo ver„ „re zijn noordse Landen betreft, mogelijk ook wel aange„ sprooken zoude worden, zo dat den Marhettas dan min of meer onze buurlieden zoude kunnen worden, en het is bekent, dat zij zulken ruwe en ongemakkelijke gasten zijn, als een inlandse natie wezen kan, ten minsten de komste van een Marathasen zende „ afkomst van zeekere Marhettase zendeling, die eens Koningen van Cochim en perankom hier brieven voor den koning van Cochim en Jrevancoor ter hunner aanmoediginge aangebragt heeft, scheijnd al een ongevoelige preparatie daar toe geweest te zijn, ten minsten het is mij zodanig voorgekoomen gelijk dat nader te zien is bij mijn aparte briev na Bata„ „via onder dato den 5 meij 1777. schoon Trevancoor nader„ „hand gemeend heeft, dat het geen zendeling van de Marhattas maar inteegendeel van den Nabab Haijder Alijchan was, quasie op de naam van de Marhettas, om eens te zien, hoe de Cochimer en pevancoorder, zig op den ontvangst van zo een aanmoediginge der Marhettas gedragen zoude. Der Het is een heijdense Natie die zeer veel agtin„ „ge voor haare bramineezen of geestelijken heeft, be„ „staande uijt verscheijde zo groote als klijne vorsten„ „dommen, en waar van de mindere aan het grootsten Den Maldivosen Sultan, want schoon men „ders hier aanbrengen en van hier werder hier met hem niets te doen heeft, en den inkoop van Cauns, volgens Bataviase briev van den 18. xber: 1750, ge= „interdiceerd is, met order om de Maldivos-vaarders me hunne Cauris na Ceilon overtewijzen, zo komen hier egter Jaarlijks nog vaartuijgen met Cauris, Caijer, Caast„ een soort van gedroogte vis genaamt Combelmaas, den„ „welken ze aan particulieren verkopen, en daar voor weder Rijst, kattoen, Katjoen katjang, Angelik-hout. en Chineese boeijangs in retour meede neemen: geen Jaar gaat voor bij of de sultaan schrijfd een briev dit- heen, eenelijk om zijne vaartuijgses, die hier mogten komen, te recommandeeren; welke briev door een persoon on„ „der de naam van Ambassadeur, gebragt word: zijn receptie geschied met wijnig Ceremonie, als hij laat vraagen en antwoord gekreegen heeft, wanneer hij ter audientie kan komen, zend men hem een dienaar met een zonne - „scherm en tot zijn statie, of eijgentlijk ter eer van Jnbutair zijn, en waar uijt ongetwijffeld de naam af„ „komstig is van groote en klijne Marhettas; voorts is het een natie welks getal Legio is, dienende meest te paard„ dog ook gedeeltelijk te voet; de Residentie =plaats van de groote Marhetta, is Loena, leggende oost van Bombaij 7. of 8. dag-rijzen, daar van daar, Nu diene ik voor het laatste nog iets te zeggen van Tributair vervoeden 80 de
English
221 801. the letter, from the Main Guard a Corporal with 6 men, who escorts him to the audience hall, and as soon as the letter is delivered, leaves again; and then they let him sit for a moment. Since the year 1754, when Adij Ragia made that well-known raid on the Maldives, the first question is usually about Adij Ragia, and after a short, indifferent conversation, the entire audience is concluded. Upon his return to the Maldives, he is also given a complimentary letter, which is handed to him by the shahbandar without further ceremony. I have occasionally sounded out these envoys concerning the cowries, asking why they no longer bring more of them to Ceylon, but it seems to me that they receive too little money for the cowries, and therefore transport them in their own vessels to Bengal, taking rice from there in return; likewise, that some time ago they sold a great deal to the French, who for that purpose recently sailed frequently to the Maldives. And although, as I have already said, one has virtually nothing to do with them, I nevertheless find it not only good, but even necessary to maintain friendship with that monarch and to lend a helping hand to his vessels when they arrive here, with services that cost us no money, because they in turn can be of service to us if our ships or vessels should happen to end up in the Maldives, as does happen, and on which occasions our vessels have generally been provided with such assistance as circumstances permitted. In the month of October 1776, when the Nabob Haijder Alijchan attacked our possessions here, and the favorable monsoon had not yet set in, a Maldivian vessel happened to be lying here in the river, while there was still heavy surf on the bank at the mouth of the river. Yet as soon as I proposed that he carry a letter for the Company to Colombo, he resolved to do so without a second thought, put out to sea, and brought the letter to Colombo in a few days, through which we received relief from Ceylon here so quickly, and by this willingness, a great service was indeed rendered to the Company. Having thus far dealt with the rulers and grandees of this country, as well as those who, although not directly belonging to Malabar, nevertheless have relations with this Coast, I now proceed to the description of the inhabitants of this Coast, consisting of natives of the country and of foreigners. The native inhabitants are called Malabars, who are again divided into two kinds, namely Heathens and Christians. The Heathen Malabars themselves are again distinguished into very many lineages or castes, of which I append a separate description of the Heathen Malabars among the annexes of this document.
Dutch transcription
221 801. „ling voest reedenen waarom den maldivos vaar„ de Jnwoonderen van Mallabaar waar in te bestaan de briev, van de Hoofdwagt een Corporaal met 6: Man, die hem tot voor de audientie plaats geleijd, en zo dra de briev overgegeven is, weeder heen gaat; en dan laat men ordinair discours dat zijn zende, hem een ogenblik zitten, zeedert het Jaar 1754. toen Adij Ragia, dien bekenden inval op de Maldivose ge„ „daan heeft, is doorgaans de eerste vraag na Adij Ragia, en na een kort onverschillig discours, is den geheele audientie klaar bij zijn retour na de Maldivos geeft men hem ook een Compliment briefje meede, die hem door den sabandhaar ter hand gesteld word: zonder verder Ceremonie: Jk hebben deze zendelingen nu en dan wil eers gepolst, nopens de „ders geen Cauris na Ceelon veroen Cauris, waarom ze niet meer daar van na Ceijlon brengen, maar het komt mij voor, datze te weijnig geld voor de Cauris krijgen, en deselve daarom met hunne eijgen vaar„ „tuigen na Bengalen vervoeren, en van daar Rijst meede neemen zo meede dat zij nu eenigen tijd geleeden, veel aan de fransen verkogt hebben, die ten dien eijnde, laatst op den Maldivos sterk gevaaren hebben, en schoon, gelijk ik reeds gezegd hebben, men van wat nut hin vrendschapis Juijst wel niets met hun te doen heeft, zo vinde ik het egter niet alleen goed, maar zelfs nodig de vriendschap met dien vorst te onderhouden en zijne vaartuigen als ze hier komen, de behulpzamen hand te bieden, met gedienstig„ „heeden die ons Juijst geen geld kosten, om dat ze ons weder dienst kunnen doen, wanneer onse scheepen of vaartuijgen is, en als wanneer aan onze vaartuigen dan ook door„ Inwoonderen, deeser Custe bestaande in Naturel„ „len des Lands en in Vreemdelingen. De Natúrelle Inwoonderen, worden genoemde Mal¬ „labaaren, dewelke weder in tweederleij soort verdeelt zijn, namentlijk in Heijdenen en Christenen. De Heijdensche Mallabaaren, op zig zelvs zijn weder waar van ik onder den Bijlagen deses, een apparte in de maldivos mogten vervallen, gelijk dat wel gebeur beschreiving van de hedensch waren zeer veele geslagten of kasten onderscheijden, „gaans zodanige hulpen is toegebragt, als de mogelijk„ „heijd daar toeliet; Jn de maand October 1776. toen, den Nabab Haijder Alijchan onze bezittingen hier aan„ „taste, en de goede mousson nog niet doorgebrooken was„ lag hier toevallig een Maldivos-vaarder, in de revier„ terwijl er op de bank in de mond van de revier nog zware branding stond, dog zo dra ik hem voorsloeg om„ een briev voor de Comp: na Colombo tebrengen, rezol„ „veerde hij, zonder zig eens te bedenken, stak in zee„ en bragt de briev in weinige dagen te Colombo, waar door we hier zo spoedig ontzet van Ceilon kreegen, en aan de Comp: dies, door deeze gewilligheijd, in der daad een grooten dienst beweezen wierd. Tot hier toe gehandelt hebbende, van de vorsten en Grooten deses lands, zo meede van de zulke, die schoon wel niet direct tot de Mallabaar behooren, egter tot deze Cust relatie hebben, zo ge ik nu over tot de „gaans beschrijvinge „lobaar
English
their qualities how the old Christians are from their traditions it appears been they have monuments of a Thomas not proven they became St. Thomas Christians their ancestors were said to have converted have added a description (in so far as I have been informed of it by knowledgeable natives, to which I refer). In general, concerning the Malabars, I must remark that they possess the common characteristics of all the Indian nations, namely: distrustful, cunning, and very attached to their ancient customs, from which they cannot be dissuaded, even if their own prosperity should suffer by it. In particular, however, they are lazy, shameless, not keeping their word, and mendacious in the highest degree, which one must always remember whenever one has anything to negotiate with them. Christian Malabars are again divided into two sorts, namely into old or new Christians. The old Christians, according to a common opinion, would properly be the remnant of the so-called St. Thomas Christians, who here are usually called Syrian Christians. I have deemed it well worth the trouble, as much as possible, to unearth the history of these Christians up to this present time, at least in so far as it has been possible to trace from their memoirs and ancient traditions, and from which it appears that, even if they might not entirely descend from the Apostle Thomas, they have nevertheless not only been here for a very long time and are very distinct from the Roman Christians, named 3. nevertheless they deserve some credit but also, regardless of all the efforts expended by the Roman priests, have for the most part hitherto refused to embrace the Roman religion. According to the common opinion, these Christians are named after the Apostle Thomas, who is said to have preached the Gospel in these and various other countries, according to the traditions of both the Coromandel and Malabar old Christians, with indications of the places where he is said to have been and to have propagated the Christian religion. One must certainly admit that the Syrian Christians, both on Coromandel and Malabar, have traditions and monuments of a Thomas who proclaimed the Christian religion in these lands; but one must simultaneously admit that, outside the aforesaid traditions, it has nowhere yet been clearly proven that this Thomas was indeed the Apostle Thomas. Nevertheless, it is believed that there is no doubt of it, though whether he was the Apostle, since all the ancient traditions and chronicles of the Malabars unanimously say that the Apostle Thomas arrived in the year 52 after the birth of Christ at Maliapoer, a city on the Coromandel Coast, and having converted many there, subsequently departed for the Malabar Coast, and arrived very first at Cranganoor. are there Description of the Christians of Maliapoer have, but that plate cannot be discovered And of a Thomas Cnaij who came to Cranganoor having arrived at Cranganoor, he brought many to Christianity at that place as well as at Maliankarte, Cottecaij, Repolim, Jekkomangalam, Pernetta, and Jiroewangotta, founded several churches, and appointed 2 priests, whereupon he is said to have returned to the Coromandel Coast, and there to have won so many Christians anew that the Brahmins, out of spite that the falsehood of their religion was exposed and that of the Apostle was confirmed with public miracles, stoned him and pierced him through with a spear: not to mention many other particulars, and among others of the journeys, miracles, and the work of conversion of this Apostle, of which so much is related and invented, especially by the Romans, that it resembles fable and trifles rather than any semblance of truth. Meanwhile, it is known that the Christians at Maliapoer have from antiquity been very great in number, indeed have multiplied there greatly, and that they flourished there for a long time, despite the scorn and harsh treatments inflicted upon them by the heathens, until that city was destroyed and, being persecuted with fire and sword, they became dispersed into other lands, where they enjoyed milder treatment, principally on the Malabar Coast, and especially in the realms of Cranganoor, Coilan, Pevancoor, also in the cities of Calicoet and Jodomale, as well as in the places of the Malabar mountains. Among the most remarkable periods of the St. Thomas Christians is indeed this, namely that according to the reckoning of the Malabars, in the 4th century a merchant from Syria named Thomas Cnaij, or also called Cana, arrived at Cranganoor with some priests and other Christians from Bagdad, Mosul, and Jerusalem, and having there attained great esteem with the princes through his wealth and power, obtained great privileges for the Christians (who accepted him as their Head) and brought it about that they were not only counted among the Malabar nobility, but were also preferred over the royal Nairos (with which honorific title the distinguished and noble among the Malabars are designated), whereby they were also granted permission to trade throughout the entire country, to build shops and churches, and to use certain tokens that may be used by no one except by special permission of the princes. The chronicles even maintain that this Thomas obtained a written permission for the aforesaid privileges engraved on a copper plate, which is kept with the utmost care and is said still to be found in the church of as Jewalkarsen
Dutch transcription
223: 802. „bunne hoedanigheiden ure de oude Christenen zijn uit hunne overleveringein scheijnt geweest zij hebben monumenten van een Jhomas niet bewasen zij wesden S:t Thomas Christenen hunne voorouders zoude, bekeert hebben beschrijvinge gevoegd hebben (voor zo verre ik daar van door kun„ „dige Jnlanderen onderrigt ben waar aan mij refereeren. Jn het algemeen moet ik nopens de Mallabaaren aan„ „merken, datze de algemeine kenmerken hebben van alle de Jndische Naatsies namentlijk, wantrouwing, listig en zeer verkleeft aan Hunne oude gewoontens, waar van ze niet aftetrekken zijn, al was het ook, dat hun eijgen welvaart daar bij zouden moeten lijden. Maar in het bijzonder, zijn ze Luij, onbeschaamt niet woord- houdende en leugenagtig in den hoogsten Graad, het geen men zig althoos rezinneren moet, als men iets met hun te verhandelen heeft. Christen Mallabaaren zijn weder in twee zoorten verdeeld, namentlijk in oude of nieuwe Christenen. De oude Christenen, zouden volgens een algemeen gevoelen, eijgentlijk het overblijfzel zijn van de zo genaamde S=t Thomas Christenen, die hier doorgaans genoemd worden Sijriaanse Christenen. Jk hebbe het wel der moite waard ge-agt, zo veel datzen van zeer langn ten hier zen mogelijk de historie dezer Christenen, tot op dezen tijd toe, uijt den pond op tedelven, ten minsten voor zo ver„ „re uijt hunne gedenkschriften en oude overleeveringe, nategaan is geweest, en waar uijt blijkt, dat indien zij als eens efschier niet van den Apostel Thomas mogten af„ „komstig zijn, zij egter niet alleen hier, van zeer langen tijd geweest, en van de Roomse Chiristenen zeer onderschijden gen:t 3. egter verdienen ze wel eenig geloof zijn, maar ook ongeagt alle aangewende moeite van de Roomse Priesters, tot nog toe voor een Groot gedeelte den Roomsen Godsdienst niet hebben willen, amplecteeren. Volgens het algemeen gevoelen, zouden deze Christenen genoemt na de apostel Thomas die genaamd worden, naar den Apostel Thomas, die in deze en verscheijden andere landen het Evangelium zoude gepredikt hebben, volgens de overleeveringen, zo wel van de Cormandelse als Mallabaarse oude Chris„ „tenen met aanwijzinge der plaatzen, waar hij zou„ „de geweest zijn, en den Christlijken Godsdienst voort„ „geplant hebben Men moet zekerlijk bekennen, dat de sijnaanse Christenen, zo op Cormandel als mallabaar overleeve„ „ringen en monumenten van eene Thomas hebben, die in deze landen den Christelijken Godsdienst verkon„ „digt heeft; maar men moet teffens bekennen dat buij„ „ten voorsz: overleeveringen, nog nergens duijdelijk be„ „weesen is, dat deze Thomas Juijst den Apostel Thomas zoude geweest zijn. Evenwel meend men, dat er niet aantetwijffelen is, doog of hij de apstelie geweest sinog dewijl alle de oude overleeveringen en gedenk-boeken der Mallabaaren, eenparig zeggen, dat den Apostel Tho„ „mas in 't Jaar 52. na Christus gebooste, te maliapoer, een stad op de Cust Cormandel, aangekoomen, en aldaar „veelen bekeerd hebbende, sedert na de mallabaarse Cust vertrokken, en zelvs het allerneerst te Cranga„ „noor zijn 225 803. aldaar Beschrijving van den Christeren van Maliapoer hebben, dog die plaat is niet te ontdeke En van eenen Thomas Cnaij die te Cran„ gandven gekoomen is „noor aangekoomen ter dier plaats zo wel als op Ma„ „liankarte, Cottecaij, Repolim, Jekkomangalam, Per„ „netta en Jiroewangotta, veele tot het Christendom gebragt, eenige kerken gestigt en 2. priesters aange„ „steld hebbende, weeder na de Cust Cormandel zoude gekeert zijn, en aldaar op nieuw weder zo veele Chris„ „tenen gewonnen hebben, dat de Bramineesen uijt deselp verkek na den Raster od spijt, dat de valsheijd van hunnen Godsdienst ontdekt, en die van den Apostel, met openbaare wonderteekenen bevestigd wierd, hem gesteenigt en met een speer door„ „stoken hebben: om nu niet te spreeken van veele an„ „dere bijzonderheeden, en onder andere van de Rijzen, woon„ „derwerken, en 't bekeerings-werk van dezen Apostel, waarvan, inzonderheijd door de Roomse zo veel verhaald en verdigt word, dat het eer na Fabel en beuzelingen als na eenige schijn van waarheijd gelijkt. Jntusschen is bekent, dat de Christenen te Maliapoer van al ouds, zeer groot in getal geweest, Ja daar zeer vermeerderd zijn, en datze daar lange gebloeijd hebben, ongeagt de versmadinge en harde behandelingen, die hun van de heijdenen aangedaan wierden, tot dat die stad verwoest is, en zig te vuur en te zwaard vervolgt worden„ „de, in andere landen versprijd geraakt zijn, alwaar zij zagteren behandelinge genooten, voornaamentlijk op de Mal„ „labaarse Cust, en inzonderheijd, in de rijken van Cranganoor, Coilan, pevancoor ook in steeden Calicoet en Jodomale als meede in de plaatzen van het Mallabaarse geberg„ „te Onder de merkwaardigste perioden der S=r Thomas Chris„ „tenen, is wel deze, namentlijk, dat volgens de reekening der Mallabaaren in de 4=e Eeuw een koopman uijt Sijrie gen:t Thomas Cnaij, of ook wil genaamd Cana, met ee„ „nige priesters en andere Christenen van Bagdad, Mosul en Jeruzalem, te Cranganoor aangekoomen is, en aldaar door zijn Rijkdom en vermogen bij de vorsten in Groot aanzien geraakt zijnde, voor de Christenen (die hem voor hun Hoofd aannamen/ Groote voorregten verkreegen en bewerkt heeft, dat zij niet alleen onder den Mallabaarsen Adel gereekend, maar ook den koninglijken Nairos (: met welken eernaam men de aanzienelijke en Edele onder de Mallabaaren benoemt:) voorgetrokken wierden, waar bij hun ook vergiend wierd, door 't Gantsche land, handel te drijven, winkels en ker„ „ken te bouwen, en eene teekenen te gebruijken, dien door niemand, als bij speciaalen vergunninge der vor„ „sten, gebruijkt mogen worden. De gedenkschriften willen zelvs, dat deze Thomas Gesch: steen koperen pat goweegen een schriftelijke vergunninge van voorsz: voorregten op een kopere plaat gegraveerd, zoude erlangd hebben. welken met de uijtterste zoogvuldigheijd bewaart word, en als nog te vinden zouden zijn in de kerk van als Jewalkarsen c C
English
nor also the stone upon which it is said those privileges were engraved, near Calicoilan; but whatever effort I made, yea, however much money I offered, merely to see that plate for a moment and to obtain a copy thereof, it was not granted to me. It was not exactly denied to me that there was such a copper plate in the church, but the reason why I could not get to see it was assured to me in great secrecy to consist in this: namely, that when the King of Travancore, after the contract recently made with the Company in the year 1753, made movements to expel the Kings of Coilan, Calicoilan, Porca, Tekkencour, and Berkencoor (as he also indeed did afterwards), His Highness at that time was said to have inquired after the aforesaid copper plate, and that the church officials, out of fear that the King would keep that plate and then also expel them, having openly discovered that there was such a plate, must now deny it to everyone. However, I was told in addition that at the end of the said copper plate it was made known by a note that the particulars of that privilege could be read further on a large stone to be found in the Cranganore pagoda. After which stone I also inquired, though likewise in vain, as the King of Cranganore, as well as his ministers and the pagoda servants, assured me that no such stone was to be found in the pagoda. I regarded this at first as a well-known reticence of the native, and a common habit which the heathens have, to keep secret from us everything concerning their religion and especially the monuments in their religious edifices. And since I am not in favor of it, and it is also not good to force such things, I left it at that, with the intention to discover the truth on occasion by subtle searching, and if there truly should be such a stone, then to obtain a copy of it by secretly greasing the palms of the pagoda servants. Although it was strongly sought after; when the Nawab Hyder Ali Khan, at the end of the year 1776, invaded the Company's possessions along with the petty kingdom of Cranganore, and thereafter desecrated and destroyed the aforesaid pagoda, I seized the opportunity to have the said pagoda examined, as indeed two stones were found in the same, namely a very large one and a mediocre one, both carved with ancient Malabar letters. With this I was particularly pleased, and now I thought I had found something that could shed much light on the history of the St. Thomas Christians, and at the same time decide several things about which one is now in uncertainty. But when I, after very much effort, finally had them translated (for it was a language that differed from the contemporary Malabar as much as the old Dutch language differs from the present one), I saw that the one was a sort of panegyric to one of their gods and the other a heathen prayer. Since then, I have understood from a Syrian priest who came over to us, and of whom mention will yet be made below, that he has no knowledge that the copper plate is still to be found; at least that, although he was born here on the Malabar coast, brought up among the Syrian Christians, and even was a priest among them, such is nevertheless not known to him. So that that written patent is sought after in vain, and one might well call into doubt from this whether in fact such a patent was ever granted to this Mar Thome, or properly to these Christians; and who knows whether the tradition of a patent for these Christians has not been borrowed from, or mixed with, the well-known patent on copper plates upon which a privilege was granted to the Jews here, of which more detailed mention is to be made hereafter under the article on the Jews. Assemanus believes that the aforesaid Mar Thomas would have been that Bishop Thomas who, with some others and several monks, was sent to India around the year 800 from the Beth Abhe monastery by Timothy, the Patriarch of the Nestorians. This Assemanus was by birth a Maronite from Mount Lebanon, and later a Bishop, whose brother is still to be found in the Propaganda Fide, according to the report of the present Father Clemens, Carmelite and Vicar at Verapoly here. Others believe that this Thomas was the first to give occasion to the corruption of the pure doctrine by having priests brought hither from Syria. It is indeed not impossible that Nestorianism was introduced here among the Christians at that time, but the memoirs of these Christians place this somewhat later and mention that after the year 829 two bishops named Mar Sapor and Mar Peroz were said to have come thither from Babylonia and obtained permission from the King of Coilan, Sangara Iravissi, to build churches in his lands, for which the King is even said to have endowed them with some revenues. By which Babylonia one should properly understand Madain or Seleucia, to wit, the ancient seat of the Nestorian Catholicos, or Patriarch, which, although now buried under the ruins, lay in the old Persian Empire, and has often been confused by many with ancient Babylon in Mesopotamia, and the present-day Baghdad. Yet because it is nevertheless beyond the Malabar tradition.
Dutch transcription
227. 804 nog ok de steen, waar op men zegd die priveilegies zouden hebben gegraveerd gestaan sewalkarre, digt bij Calicoilan: maar wat moeijte ik gedaan, Ja hoe veel geld ik ook aangebooden hebbe, om die plaat maar eens voor een ogenblik te zien, en een afschrift daar van te bekoomen; zo heeft mij zulx niet mogen ge„ mij wierd wel Juist niet ontkend, „liekken, dat er zo een kopere plaat in de kerk was, maar de reeden waarom ik deselve niet te zien kon krijgen, wierd mij in zeer veel secretesse, verzekerd, hier in te bestaan, namentlijk, dat wanneer de koning van pevar„ „coor, na het Jongst gemaakte Contract met de Comp: in 't Jaar 1753. , beweeginge maakte, om de koningen van Coilan, Calicoilan, Porca, Jekkencour en Berken„ „kelijk gedaan heeft:) zijn Hoogheijd te dier tijd na voorsz: kopere plaat zig soude geinformeerd hebben, en dat de kerkbediendens, uijt bedrigtinge, dat de koning die plaat houden, en hun dan ook verdrijven zoude, opentlijk ont„ „dekt hebbende, dat er zodanig een plaat was, dezelve nu voor ijder een verlochenen moeten; egter wierd mij daar bij gezegt, dat aan het eijnde van gem: kopere plaat„ met een Nota bekent gestaan had, dat de bijzonder„ „heeden van die privilegie nader teleezen zijn, op een groote steen, tevinden in de Cranganoorse pagood: na welken steen ik ook vernoomen hebben, dog almeede te vergeefs alzo de koning van Cranganoor, zo wel als zijne Ministers en de pagoods bediendens mij verzee„ „kerden, dat zodanigen steen in de pagood niet tevinden was: ik merkte zulx eerst aan, als een bekende agter„ „houdigheijd van den inlander, en een ordinaire gewoonte, die de heijdenen hebben, om alles wat hun Godsdienst en voor al de monumenten, in hunne Godsdienstige gestigten aangaat, voor ons geheijm te houden en dewijl ik er niet voor ben, en het ook niet Goed is, dierge„ „lijke dingen te fooceeren, zo liet ik het daar bij, met voorneemen, om bij gelegentheijd met een zoek lijntse agter de waarheijd te komen, en indien er wezendlijk zo een steen mogt zijn, als dan door den pagoods bediendens „heijmelijk de handen te vullen, een afschrift van dezelve 't laatste van 't Jaar 1776: 's Comp:s bezittingen, beneevens het rijkje van Cranganoor ge-invadeerd, daar na de voorschr: Pagood ontveijnigd en vernield had, nam ik de gelegentheid waar om meerm: pagood te laten visitee„ „ven, gelijk dan ook in dezelve gevonden wierden, twee steenen, te weeten een zeer groote, en een medioere, beijde uijtgehouwen, met oude Mallabaarse letters hiermeede was ik bijzonder in mijn schik, en nu meende ik iets gevonden te hebben, het geen veel ligt over de Historie der s=t Thomas Christenen zouden kunnen verspreijden, een teffens decideeren verscheijde dingen, waar omtrend men nu in 't onzeker is, maar toen ik dezelve, na zeer veel moeijte, eijndelijk vertaald gekreegen had, (want het was een taal die van het heedendaagsch Mal„ „koer te verdrijven (gelijk hij zulks ook naderhand wer,„ schonsterk na dezelve gezogtit te bekoomen; maar toen de Nabab Heider Alij Chan in was „labaars 229 805. wi assenanus is geweest roat andere van voorsh: kome inkneiping der Nestoriaanse, seette als Comanus gedagten omtrend gem: Shome Cnaij „labaars, zo zeer verschikt als den oude Duijtsche taal van den tegenswoordige verschokkt:/ zag ik, dat het eene was, een zoort van lofgedigt op een hunner Goden en het anderen een Heijdens gebed, zedert heb ik van een sijn„ „aans: Priester, die tot ons overgekomen is, en waar van hier onder, nog zal gemeld worden, verstaan, dat hij geen kennis draagt, dat die koperen plaat nog te vinden is, ten minsten, dat schoon hij hier op de Mallabaar gebooren, onder de sijniaanse Christenen Groot gebragt en zelfs een priester van hun geweest zijnde, hem zulx egter niet bekend is; zo dat 'er te vergeefs gezogt word na dat schrif„ „telijk patent, en men hier uijt wel zouden mogen in heijf„ „fel toekken, of er in der daad wel ooijt zo een patent aan dezen Marjhome, of eijgentlijk aan deeze Christenen, verleend is, en wie weet, of de overleeveringe van een patert voor deeze Christenen, niet ontleend of vermengd zal zijn ge„ „worden, van of met, het bekende patent op kopere plaa„ „ten, waarop een privilegie voor de Jooden alhier ver„ „leend is, waar van hier na, onder het artikiel der Jooden omstandiger staat gesprooken te worden. Assemanus meend, dat voorsz: Marthomas zou„ „den geweest zijn, die Bisschop Thomas, die met nog eenige andere en verscheijde Munnikken: uijt 't Best„ Mensis klooster door Timotheus den Patriasch der Nestorianen, omtrend: 't Jaar 800. na Jndien gezonden Deze Assemanus was van geboorte een Maronict, van den berg Libanon, en naderhand Bisschop, wiens broeder nog te komen is, in de propaganda fida, volgens berigt van den tegenswoordige Later Clemens barroever Carmeliet en Kicarius te Warapolij alhier. Andere meenen, dat deeze Thomas de eerste zouden geweest zijn, die gelegentheijd gegeven heeft tot verbastering der zuijvere leer, met Priesters uijt Sijnien herwaards te laa„ „ten komen. Het is wel niet onmogelijk, dat het Nestorianismus in die tijd alhier onder de Christenen zoude ingevoerd zijn, dog de gedenkschriften dezer Christenen stellen, dit wat later en gewaagen, dat na 't Jaar 829. twee Bisschoppen, genaamd Mdt Papor en Mat Proses aldaar uijt Babilonia gekomen zouden zijn en van den Coilangsen koning 's Jan„ „gara frawissi de vrijheijd verkreegen hebben, om in zijne Landen, kerken te bouwen, waar toe de koning zelfs hun met eenige inkomsten zoude begiftigt hebben, te verstaan: door welk Babilonia men eijgentlijk diende Mlodaim of Seleucia, de oude zetel van den Nestoriaanschen Catholicus, of Patriarch, het geen, schoon thans onder de Zuinhopen begraven, in het oude Pastische Rijk lag, en door veele dikmaels verwisselt is, met het al oude Babel in Mesopotamie, en het oude hedendaagsche Bag„ „dad. Dan dewijl het tog buijten de Mallabaarse overlee„ Deeze „veringe derken is.
English
231. 806 closest assumption of who the the St. Thomas Christians would previously have had kings and filled the lack of teachers for the heathen to be allowed to advance the parish deacons St. Thomas Christians originally [illegible] nowhere clearly appears that the Apostle Thomas actually preached the Gospel in these lands, and on the contrary it is known with great certainty that the Cypriot Thomas came to these lands in the seventh century for the sake of the Gospel and left behind a great reputation of holiness, so it might be questioned whether the St. Thomas Christians actually bear the name of St. Thomas Christians after this Thomas, but leaving this aside, I proceed with the most important things known from their records and traditions. These St. Thomas Christians, having then been favored with privileges, having increased in esteem, power, and number among the peoples of the land, and having become emboldened by these advantages, are also said, like the people of Israel of old, to have desired a king over them, and indeed to have appointed one named Balearte as king over them, and to have given him the title of King of the St. Thomas Christians, just as his descendants are said to have succeeded him in the government until the last one happened to die childless, whereupon in his place, with the common consent of the people, there was chosen as king over them a king who at that time was also king of Diamper, or Odiamper, situated three miles south of Cochim, in the present territory of the king of Travancore, thus wrongly placed by Mr. Valentijn near Maliapoer, or St. Thome, but after the kings of this lineage were also completely extinct, the kings of Cochim are said to have obtained that realm. It is therefore probably in that great intervening time that the persecution occurred of which their writings make mention, namely that the persecutions by the heathen kings against the Christian teachers (who arrived here from elsewhere) was so great that they feared a total destruction of Christianity. To this was also added that the teachers who were still living at that time also died in the course of time, whereby the churches were stripped of overseers, leaving only a single deacon whom everyone obeyed as a churchwarden, even to such an extent that the Christians, through impatience and ignorance, forced this deacon to perform priestly services until such time as other capable church ministers should be summoned from elsewhere, by which lack of overseers, as well as by an increasing decay in zeal, it was caused that gradually many heathen errors and superstitions were introduced among them, and even many fell away from the Christian faith and became heathens. Permission by the king of Cochim. These Christians subsequently obtained permission from the kings of Cochim to select one from among their priests of [illegible]
Dutch transcription
231. 806 naaste veronderstelling van wie de de S:t Chanas Chirstien zoudn bevo„ „rens koningen gelad hebben en vervul don gebrek van leenaars oor de heidena„ aan het somaards-diacons te mogen voorkleieden P=r Thomas Christenen orsgonkelik„ veringe nergens regt blijkt, dat effectief de Apostel Thomas het Evangelium in deze landen zoude verkon„ „digt hebben, en men integendeel zeer zeker weet, dat de sijpier Thomas, in de sevende leuw, in deze landen, om de wille van het Evangelium, gekomen is, en eenen Grooten reuk van Weijligheijd nagelaten heeft, zo zoude het zijne bedenkinge hebben, of den S=r Thomas Christenen eij„ „gentlijk niet na dezen Thomas, de naam van S=t Jho„ „mas Christenen dragen, dog dit aan zijn plaats gelaaten, gaa ik voort met het voornaamste dat men uijt hunne gedenk-stukken en overleeveringen wiet. Deeze S=t Thomas Christenen dan met voorregten be„ „gunstigt, bij de volkeren des lands in aanzien, magt en getal toegenoomen en door deeze voordeelen moedig gewor„ „den zijnde, zouden ook, als wel eer het volk Jsraëls, een koning over hunn, begeerd, ook in der daad eenen, met name Balearte, tot koning over hun aangesteld, en hem den titul van koning der S:t Thomas Christe„ „nen gegeven hebben, gelijk dan ook desselfs afstamme„ „lingen, hem inde Regeeringe zouden opgevolgt hebben, tot dat de laatste zonder kinderen is komende te sterven, als wanneer in zijn plaats, met gemeene toestemminge des volks, tot koning over hun verkoo„ „ven is, een koning, die toenmaal teffens was koning van Diamper, of Odiamper, leggende van Cochim drie meijlen om de zuijd, in 't tegenswoordig gebied van den koning van pevarcoor, dus ten onregte door den heer Valentijn geplaatst na bij Maliapoer, of S„t Thome, dog na dat de koningen van dezen stam ook geheel uijtgestorven waaren, zo zouden de konin„ „gen van Cochim, dat Rijk verkreegen hebben. Waarschijnelijk is dus in die Groote tusschen tijd, die vervolginge geschied, waar van hunnen schriften mel„ „den, namentlijk, dat de vervolgingen der seijdense ko„ „ningen, tegens de Christen Leevaars (die van elders al„ „hier aanquaamen:/ zo groot geweest is, dat men vrees„ „de, voor eene gantsche verdelging der Christenheijd. Hier bij kwam ook, dat de Leevaars, die toen nog in weezen waaren, mede na verloop van tijd stierven, waar door de kerken van opzigters ontblood waaren, blijvende maar over een eenige Diacon, wien een ieder als een kerkvoogd gehoorzaamde, zelfs zo verre, dat de Christe„ „nen, door ongedield en onkunde, dezen Diacon dwongen Priesterlijke diensten waarteneemen, tot tijd en wijle, andere bequaame kerke=dienaaren, van elders zou„ „den ontboden zijn, door welkgebrek van opzigters, zo wel als door een toeneemend venal in den ijver, veroorsaakt is, dat er gaande weg, veele Heijdense dwaalingen en bij geloovigheeden onder hun ingevoerd en zelfs verle„ van het Christen geloof afvielen, en heijdene wierden. vergunning, door den koning van Cochim„ Deze Christenen verkreegen vervolgens van de koningen van Cochim verloff, om eenen uijt hunne priesteren van zin.
English
235 807. besides its protection and other privileges arrival of the Portuguese on Mallabaar in A:o 1498 departure of the same to Lisbon and return arrival of 4 Syrian bishops yet they never remained free from vexations submission of the S:t Thomas Christians to the Portuguese to elect as Archdeacon, who was also confirmed by the king, obtaining the rank of a Ragiadoor of the Realm, and the power to settle all civil disputes among his coreligionists. Under the Cochim kings, they also suffered no persecutions, but on the contrary enjoyed a kind of protection which they still have from the Cochim king to this day, on condition that they must pay to the king, above the usual dues, the Peroesandram, being a certain sum of money estimated according to whether the estate is large or small that must be paid by the heirs when a head of the family happens to die; yet this only related to the Syrian Christians of Odiamper, since there were still very many scattered here and there under other princes. Such was the state of affairs with the Mallabaar S:t Thomas Christians when the Portuguese, under the command of the Admiral Vasco de Gama, arrived at Calicoet with three ships on 18 May 1498. This Admiral, having stayed here for three months, returned to Lisbon and in A:o 1502 came for the second time, raised to Don by King Emanuel, with 20 ships to Mallabaar; and since the S:t Thomas Christians on Mallabaar had received reports that he would bring these lands under the dominion of a Christian prince, they sent their emissaries to him, with the request to be taken under his powerful protection, in order thereby to be freed from the vexations of the heathen princes; for although they were better off under the Cochim king than with others, they were nonetheless not entirely free from unpleasant treatment; these emissaries gave the Admiral, as proof of their voluntary submission, a red staff whose tips or ends were mounted with gold and above one of them was provided with three small gold bells, this being among those peoples a scepter, and a token of royal dignity. Don Vasco de Gama promised to grant their request, but the course of events did not permit their wishes to be fulfilled, so they have never been able to cast off entirely the yoke of the heathen kings, although the heathen kings have since become more accommodating regarding religious matters than before, and have scarcely interfered with the civil affairs of these Christians, but have even left their jurisdiction over the same to the Bishops. Yet after the year 1500 four Syrian Bishops arrived on this coast, named Mar Mardina, Jena Alleij, Mar Jacob and Mar Thomas. Besides this, it is also found recorded that prince two
Dutch transcription
235 807. neevens desselfs protexie en andere vooregten klomste der portungeezen op Malla„ „baar in A:o 1498 porug verhik van derelve n lis„ „bon en wederkomst komste van 4. seijriaansche bisschap dog zin noort aan kuwellingen bevrijd gebleeven onderwerping der Srt Thomas Chin „tenen aan de Porhigeesen tot Aardsdiacon te verkiesern, welke door den koning ook bevestigd wierd, verkrijgende den rang van een Ragiadoor des Rijks, en de magt om alle Civile geschillen onder zijne geloofs genooten aftemaaken. Onder de Cochimse koningen, hebben zij ook zo geene ver„ „volgingen ondergaan, maar integendeel een zoort van pro„ „tectie genooten dewelke ze tot heeden toe nog van den Cochimsen koning hebben, onder voorwaarden, datze aan den koning moeten betaalen, boven de gewoone geregtig„ „heeden, de Peroesandram, zijnde een zekeren somma Gelds /:geschat na maate de nalatenschap groot of kleijn is:/ dien door de erfgenaamen, wanneer een hoofd der familie komt te sterven, moet betaald worden; dog dit had alleen maar betrekking tot de sijpniaanse Christenen van Odiamper, dewijl er nog zeer veele hier en daar onder andere vor„ „sten verstrooijt waaren. Dusdanig was het gesteld, met de Mallabaarse C:t Thomas Christenen, toen de portugeezen, onder het beleijd van den Admiraal Vasco de Gama, den 88. Meij 1498. —. met drie scheepen te Calicoet aanquamen. Deeze Admiraal, drie maanden hier vertoeft heb„ „bende, keerde weder naar Lissabon en kwam A:o 1502., voor de tweedemaal, van den koning Emanuel tot Don„ verheeven, met 20. scheepen op de Mallabaar; en dewijl opde Mallabaar de S:t Thomas Christenen berigten hadden gekreegen dat hij deze landen onder de seerschappij van een Christen vorst zouden brengen, zonden hunne afgezanten aan hem, met verzoek om in zijne kragtdadige bescherming te mogen worden aangenoomen, ten eijnde hier door van de quellingen der Heijdense voosten bevreid te zijn; de„ „wijl zij, schoon onder den Cochimsen koning het wel be„ „ter als bij andere hebbende, egter niet ten eenemaal van onaangenaamen behandelingen bevrijd waaren; de„ „ze zendelingen gaven aan den Admiraal, tot een bewijs van hunne vrijwillige onderwerping, een rood stokse welks toppen of eijndens met Goud beslagen en boven een derzelven, met drie Goudene schelletjes voorzien was, zijnde dit bij die volkeren een scepter, en een teken van koninglijke waardigheijd. Don dasco de Guma beloofden hun verzoek toete staan maar de loop der zaaken heeft niet gedoogd, dat hunne wenschen vervuld wierden, dus hebbenze 't Jok der Heij„ „dense koningen nooit ten eenemaal kunnen afwerpen, hoe wel de Heijdense Koninge, omtrend Religie zaken, ' zee„ „dert inschikkelijker, als bevoorens, zijn geworden, en zig naauwelijks ook met de burgerlijke zaken dezer Christenen bemoeijd, maar zelfs hunne regtsgebied over dezelve, aan de Bisschoppen overgelaaten hebben. Dog na 't Jaar 1500 kwaamen op deze Cust vier sijniaansche Bisschoppen, met name Mar Mardina, Jena Alleij, Max Jacob en Mat Thomas. Buijten des, zo vind men nog aangeteekend, dat vorst. twee
English
23/5. 808. have distributed on Mallabaar persecution by the Portuguese against the Syrian Christians among the Saint Thomas Christians How the Portuguese since then have brought persuaded to it, but the Christian ceremonies he did not want to change to bring the Syrian Christians under the Pope to bring all Syrian Christians back again one sent to Goa. also and ... two Bishops named Thomas Sabaillaha and Jacobus Denha in the Year 1504, made known to their Patriarch by a letter the arrival of the Portuguese in these lands: possibly these are the last two of the aforementioned four Bishops, who there bear the name of Mar Jacob and Mar Thomas, at least these Mar Jacob and Mar Thomas governed the churches for many Years, and passed away here at a good old age. After these, around the Year 1550, came another bishop named Mar Abraham. The Portuguese meanwhile, seeking by all ways and means to introduce the Roman faith, let an order go forth that henceforth no Syrian Bishops or Priests might come to Mallabaar, established guards everywhere for that purpose, and caused those whom they got into their hands to be seized and killed. In the Year 1558, an Archbishop named Mar Joze found himself here as head of the Saint Thomas Christians. In order to win the favor of the Portuguese, he introduced among the Saint Thomas Christians the Roman manner regarding the celebration of the Mass, but this courtesy was only used by him to bring over the Syrian Christians, who had gone over to the Roman faith, back to their old faith. The Portuguese finding this out, summoned him to a public defense of religion with the Roman Clergy, for which purpose he appeared within the city of Cochim, but was seized by the Portuguese, sent first to Goa, and subsequently to Lisbon. The Roman Priests and Portuguese present here meanwhile continually made every effort to unite the Syrian Christians with them, and to bring them under the obedience of the Pope, to which the Syrian Christians could never be moved, until finally the Portuguese managed to persuade the aforementioned Syrian Bishop Mar Abraham to travel via Portugal to Rome and to swear the Oath of loyalty to the king in temporal matters and to the Pope in spiritual matters, but under the condition that the Syrian Christians should be allowed to retain their old church customs, which the Pope granted them, as this Mar Abraham then also returned here in such manner, but also never would tolerate that any change was made regarding the church ceremonies customary among them, notwithstanding that the Romans made several and powerful attempts to that end. After the death of this Mar Abraham, which occurred in the Year 1549, the Archdeacon Jorge, in the absence of a Bishop, remained their Head, but he could not get along with the Portuguese, and also refused them ...
Dutch transcription
23/5. 808. op Mallabaarn hebben bedeelt vervolging der Portugeesen tegens de siphaanen onder de S=r Thomas Christenu Hoedanig de portigeezen sedert gebragt hebben toe overgehaald, dog den kerstelijke plegtigheeden heeft t hij niet willen vevanditen sijnaaren onder dan Lido te brengen „valle Sijnianen weder te neg te brengen een na Goa gesonden. mede en dond: e peatgijent wre Bischoppen gen:t Thomas Sabaillaha en Iacobus Denha in 't Jaar 1504., aan hunnen Patiarch, bij een briev, de komst der Portugeezen in deeze landen, bekend maaken: mogelijk zijn dit de twee laatste der vooren Gem: vier Bisschoppen, die daar de naam van Mar Jacob en Har Thomas dragen, ten minsten deeze Mar Jacob en Mat Thomas hebben lange Jaaren de kerken bestierd, en zijn alhier in goeden ouderdom overlee„ „den. Na deze quam omtrent 't Jaar 1550. een ander bis„ „schop genaamt Mar Abraham. De Portugeezen intusschen door allen weegen en midde„ „len 't Roomse gelosf zoekende intevoeren, lieten eer„ ofte Priesters op Mallabaar mogten komen, stelden ten dien eijnde over al wagten, en deeden de geene, dieze in„ „handen kreegen opvatten en dooden. In 't Jaar 1558. bevond, zig hier, als hoofd der s=t Jho„ invoering der roomse manier „ mas. Christenen, een Aardsbisschop gen:t Mlar Joze, dezen om de gunste der Portugeezen tewinnen, voerde onder de S„t Thomas Christenen de Roomsen manier in, omtrend 't bedienen van de Misse, dog deze beleefdheijd wierd bij hem maar gebruikt om de sijnaanschen, die tot de overtebrengen. De Portugeezen hier agter komende, riepen hem tot de Bdischop ded zule onde ogen en openbaare verdedinginge over den Godsdienst met de en werd door de portugeresen opgevak Roomse Geestelijken, waar toe hij binnen de stad Cochim ver„ „scheen, maar wierd door de Portugeezen opgepakt, eerst naar Joa, en vervolgens naar Lissabon gezonden. De hier zijnde Roomse Qriesters en Portugeezen wendende, vlijt der roomse priester om den intusschen bij Continuatie alle modite aan, om de Sijniaan„ „se Christenen met hen te vereenigen, en onder de ge„ „hoorzaamheijd van den Laus te brengen, waar toen den sijviaanen, nimmer te beweegen waaren, tot dat eijnde„ „lijk de Portugeesen, den hier vooren gemelde sijn„ „aanschen Bisschop Mar Abraham, hebben weeten overtehaalen, om over Portugal naar Romen te veij„ „zen en den Eed van getrouwigheijd aan den koning in 't dog onder voorwaarde, dat de sijniaanen hunne ouden kerk gebaaren zoude mogen behouden, het geen de Paus„ hun toestand, gelijk deze Mar Abraham dan ook zodanig hier te rug gekomen is, dog ook nooijt heeft willen dulden, dat er omtrend de kerkplegtigheeden, on„ „der hen gebruijkelijk, eenige veranderinge gemaakt wierd, niet tegenstaande de Roomsen, daar toe ver„ „scheijde en kragtige tentamens gedaan hebben Na de dood van dezen Mar Abraham, voorgevallen Bisschop, hun Hoofdgebleeven, dog deze kon zig met de Portugeesen niet verdragen, en wijgerde, hen ook gebod uijtgaan, dat voortaan geene sijniaanse Bisschoppen Een sijnaansen bischop is daar wereldlijke en aan den Paus in 't geestelijke te doen, Roomse overgegaan waaren, weder tot hun oud geloof mog gewolt en de simaan onder hen Anno 1549. is den Aardsdiacon Jonge bij geboek van een een alle .. 8
English
237. 809 except for some who remained steadfast with what expressions the acknowledged murder of a Syrian bishop by the Portuguese in the year 1644. the Christians under the Portuguese paid the King of Cochin arrival of two Syrian bishops from Antioch in the year 1655 whereby the Syrians rid themselves of Roman obedience all obedience until finally Dom Frei Aleixo de Meneses, Archbishop and Primate of India, and on account of the passing of the Viceroy, also supreme head of the secular government in India from Goa, arrived here, who by his great prestige, supported by the Jesuit Roz, a capable theologian and linguist, and furthermore by gifts and presents, managed to settle the disputes for a time, and brought the Archdeacon George with his Christians entirely back under Roman obedience, with the exception of one church of Tiruvan Kotta, near Cape Comorin, currently still belonging to a sort of Saint Thomas Christians called Tondayiken Mara, which did not apostatize, while the 5 parishes to the north, belonging under the Zamorin, had indeed also apostatized at that time, but returned again soon thereafter. And from the 18th canon, 13th session, of the synod that this de Meneses held at Diamper (of which the acts were printed in Rome), it appears that George rejected the faith of Nestorius, as well as the Patriarch of Mosul pro forma, and found himself compelled to recognize the hierarchy of the Pope. Thus the Syrian Christians were for the time being united with the Roman Church until the year 1644, when the Portuguese, having understood that a Syrian bishop was about to arrive on the Coromandel Coast with a Moorish ship, sent out ships to cruise for it, captured the said bishop named Attalla (others call him Mar Matti) into their power and threw him into the sea here in the roadstead with a stone tied around his neck, which atrocious deed is branded as if with a black coal in the chronicle of the Syrians. As soon as the Syrian Christians heard this, they held a meeting at Mattancherry about a quarter of an hour outside this city, and bound themselves to one another by an oath that they would never again obey the Roman bishops or Portuguese, choosing at the same time as their bishop the Archdeacon Mar Thoma, who however lacked sufficient ability to preserve unity among his flock, as many of them, after the lapse of some years, submitted themselves again under Portuguese obedience until the year 1655, when two bishops came here from Antioch named Mar Basilius and Mar Johannes, who were received with joy by these Christians, whereupon many of these Christians abandoned the Roman See and subjected themselves to the Patriarch of Antioch. It is nevertheless remarkable that these Christians, even at that time when they were under the obedience of the Portuguese, nevertheless paid tribute to the King of Cochin. Yet
Dutch transcription
237. 809 uitgezondert eenigen die standvastig zijn gebleeven met hoedanige, uitdrikkingen de „den erkent onbrenging van een Sijriaansen bis„ „schop door de portugeesen i „o 1644. de Christenen onder de portugeesen Cochimsen koning betaald komste van twee Lijviaansen bis„ „ scheppen van Antioclien in A:o 1815 waar door de sijniaanen zig van den roomsen Gehooosaamheid hebben ontdoen alle gehoorsaamheijd tot dat eijndelijk Don fre atleixo de Meneses, Aardsbisschop en Primaat van Jndië, en mits 't overleijden van den onderkoning, op perste ook van 't wereld„ „lijke in Jndie van Goa, hier quam, die door zijn Groote aan„ „zien, ondersteund door den Jesuit Ross, een bekwame The„ „dloog en Jaalkundige, voorts door giften en Geschenken, de geschillen voor een tijd heeft weeten bij teleggen, den aardsdiacon Jooge met zijne Christenen, ten eenemaal wederom gebragt heeft, onder de roomse Gehoorsaamheid, uijtgezondert eene kerk van Jiroewan Kotta, bij de Caas Comorijn, tans nog toebehoorende aan een soort van S:t Thomas Christenen gen:t Jandaijken: mara, dewelke niet afgevallen is, teneijl de 5. Parochien om de Noord, onder het sammorijnse behoorende, te dier tijd ook wel meede af„ „gevallen, dog schielijk daar na weder tenug gekeerd zijn. En uijt de 18. Can: 13: ses, van de kerk vergadering die dee„ afgevallen, de roomsen stel heb„ze de Meneses te odiamper gehouden heeft (waar van de acte te komen gedrukt zijn) blijkt, dat Jooge het geloof van Nestorius, mitsgaders den Patriarch van Mosul pro forma verworpen, en zig genoodzaakt vond, de Flierarchie van den Paus te komen te erkennen. Dus waeren de sijnische Christenen voor eerst met den Roomsche kerk vereenigt tot het Jaar 1644. , wanneer Bisschop met een moors schip op Cormandel stond te komen; scheepen uijt zonden, om daar op te kruijssen, die gedagten misschop genaamd Attala /:andere, noemen hem Aar Motti:/ in hunne magt gekreegen en hier op de Rheede, met een steen aan den hals ge„ „bonden, in zee geworpen hebben, welke gruweldaad bij den gedenkschrift der sijn aanen, als met een zwarte Kool gebrandmeakt staat. So dra de Sijriaanse Christenen, dit hoorden, hielden zij eene vergadering te Mattancherij omtrend een quartier uur buiten dese stad, en verbonden zig onder elkander met eenen Eed, dat zij nooijt meer de Roomse Bisschoppen of Portugeezen zouden gehoorzaamen, ver„ „kiezende met een tot hunne Besschop, den Aardsdi„ „akon Max Thome Ganpho, die egter geene genoegzaamen bequaamheid had, om de eenigheid onder zijne hudde ten bewaaren, alzoo veele van dezelve, na verloop van eenige Jaaren, zig weeder onder de portugeezen gehoorzaam„ „heid begaven tot het Jaar 1655, wanneer, hier van Anko„ „chien twee Besschoppen kwamen met wamen Max Basilius en Mar Johannes, dewelke met blijdschap van deeze Christenen ontfangen wierden, en waar op veele dezer Christenen den Roomschen stoel verlieten, en zig den Patriasel van Antiochien onderwiespen. Aanmerkelijk ist nogtans, dat deese Christenen, Portugeezen stonden, echter schattinge aan den koning van Cochim hebben betaald. de Portugeesen verstaan hebbende, dat 'er een sijriaanse staanden hebben schattinge aan den zelfs te dier tijd, toen zij onder de gehoorsaamheijd der dien Dog
English
239. 810. Goens, the Company took Cochin was gifts many Syrians to himself and made that the princes the Syrian Christians troubled wholly to his bishopric his nephew appointed a bishop would adhere difference between 2 Syrian bishops arrival at Cochin of the Syrian bishop Mar Gabriel bishop by the Jesuits and Carmelites of Antioch Yet the above-mentioned Mar Thome was a native Mar Thoma supreme pastor of Malabar and supreme pastor of the Syrian Christians when Admiral Ryckloff van Goens captured the city of Cochin and the other fortifications on this coast: the Portuguese bishop had through After the above-mentioned heinous deed had been committed, the Portuguese bishop went to Cranganore and wrote letters secretly to the Syrian Christians, and also sent them gifts, at which many marveled, so that several defected. The Portuguese meanwhile filled the hands of those princes in whose lands the Syrian Christians lived, in order to inflict upon them all manner of evil, grief, and torment; so that these Christians were divided among themselves and a part of them remained devoted to the Roman see, election of an Alexander and chose a priest named Alexander de Campo, a nephew of the aforesaid Mar Thome de Campo, as their bishop. This bishop resided mostly in the lands lying nearest to the shores, yet inland he also had some churches that obeyed him: yet in his old age his But on account of his advanced age, in the year 1676, there was appointed bishop in his place his nephew Matthias de Campo, he remaining, as long as the old bishop lived, his coadjutor or assistant. but the largest part of the Syrians The other and indeed the largest part remained faithful adherents to their bishop Mar Thome de Campo, being also a After this, there arrived here in the year 1705 the bishop Mar Gabriel from Baghdad; he died here in Malabar in the year 1730, after having suffered much grief from Mar Thome. At the time of this bishop Mar Gabriel, there was also another bishop here named Mar Thome, a native of Malabar; these two prelates lived in continual dispute and strife with one another, because the first was a Nestorian and the second an Eutychian. In the year 1735 the previously mentioned Mar nephew of Alexander de Campo; this one resided in the mountains, and also had many churches under him in the lowlands. arrival of the Jacobite bishop In the year 1665 a Jacobite bishop named Mar Gregorius arrived here from Antioch. At the beginning of the year 1700 the Patriarch of Antioch sent a bishop to Malabar named Mar Simon: he had, by letters, given notice of capture of a Syrian his impending arrival to the Syrian Christians residing here, but the letters having accidentally fallen into the hands of the Jesuits and Carmelites, these posted guards everywhere, and having gotten him into their hands, transported him as a prisoner to Pondicherry, where he was put in irons. nephew Thome Syrians
Dutch transcription
239. 810. Goen, de Comp: Cochim innam was geschenken veelen simaanen aen zig en maakt dat de vorsten de sipi„ „aanen Nevelden gansto lot sijn aande bschap meefin zijn pelat aangesteld eenen bisschop Mat komen aankleeven verschit tussen 2. spiaarden bis schappen komste op Cochim van den Sijniaansen disschop Mhar Gabriel bisschop door de Jusuiten en Carmeliten van Antidelien Dog boven gemelde Man Thome, was een gebooren Marchomen opperherder van den Mallabaar en opperste herder der Sipiaanse Christenen, toen de Admiraal Rijkloff van Goens de Stad Cochim en de verdere sterkkens op deese Cust vermeesterde: de portugele, kischop hasden door Na dat, de hier boven genoemde prieveldaad gepleegt was, ging de Portugeese Bisschop naar Cranganoor en schreeff bedektelijk brieven aan de Sijnaansche Chinistenen ook zond hij hun geschenken, waar aan veele zig vergaapte, zo dat er verscheide overliepen. De portugeeze vulden intusschen de handen dier voor„ „sten in wier landen de Sijnaanse Christenen woonden, om hun maar, alle quaad, verdrief en quellinge aante doen; zo dat dese Christenen onder elkander verdeelt wierden en een deel van hen den Roomschen stoel, toegedaan bleef, verskieding van eenen alex andere en een Prester gen:t Alexander de Gampho, een neef van vondeht: Mar thome de Gampho tot haar Vasschap verkoos. Deese Bisschop kielt zig meest op in de naast aan de stranden peligene landen, egter had hij binnen slands ook „nog eenige kerken, die hem gehoorzaamden: doog op zijn hoen guderdom is desselfs Dog om desselfs hoogen ouderdom wierd in het Jeer 1676. in zijn plaats tot Bisschop aangesteld, zijn neeff Matthias de Jampho blijvende hij zo lange den oude Bisschop leefden zijn Condpitor of meede helpen mar het pooste del e spjianen leer Het ander en wel 't grootste gedeelden, bleef hunnen Bisschop Mdr Thome de Samph /:zijnde ook een Na deezen quam hier in 't Jaar 1705 de Bisschop Mar Gabriel van Bagdad, hij is hier op de mal„ „labaar, na zeer vel verdrief van Mar jhome gele„ „den te hebben, gestorven in 't Jaar 1730 Ten tijde dezen Bisschop Mar Gabriel, was hier ook een ander Bisschop genaamt Manthome, een geboore Mallabaar, deeze twee prelaten leefden, in een geduurige scheeering en twist met elkander, wart de eerste was een Nestoriaan en de tweede een Eatij„ „chiaan Jn den Jaar 1735 is den tevooren genoemde Mar neef van Alexander de Gampho /:getruuw aankleeven deeze hield zig op in 't gebergte, en had ook veele kerken in de beneeden landen, onder zig. komste van den Jakobikhschen koschap Anno 1665 is hier van Introchien een Iacobitische Bisschop gekomen genaamt Mar Gregorius Met het begin van 't Jaar 1700 heeft de Patriasch van Antiochien een Bisschop na de Mallabaar gezonden genaamt Marsimon: deeze had door brieven van gevangen neeming van een ijn aans en zijn aanstaande komst, kennisse gegeeven aan de alhier zijnde Sijriaanse Christenen, dog de brieven bij ongeluk vervallen zijnde in de handen der Jesuiten en Carmeliten, hebben deze over al wagten gesteld, en hem in handen gekreegen hebbende, gevankelijk naar Pondi„ „cherij; vervoerd, alwaar hij in de ijser geklonken neef Thome suriaaren is.
English
who had been proclaimed by the Syrian Christians here, but some time thereafter Mar Thoma, through underhanded tricks, succeeded, and later, through the intervention of the [illegible], but was ignored by the congregation, and accepted late. Thoma died, and was succeeded by his nephew Mar Thoma. Upon the request of the latter, along with that of the Syrian congregations, the Patriarch of Antioch sent three bishops, Mar Basilius, Mar Gregorius, and Mar Johannes, to Malabar in the year 1751. Arriving first at Bassora in Persia, they were kindly received there by the servants of our Company, and subsequently brought hither aboard one of the Company's ships. During their stay in this city, the Lord Commander provided them with suitable lodging and showed them every courtesy. The arrival of these bishops was also made known to Mar Thoma, with a recommendation to come hither; but Mar Thoma, denouncing the newly arrived bishops to the Syrian congregation as heretics, refused to appear despite three letters sent to him from time to time, even though many Syrian priests and Christians came to pay their respects to them. Thereupon the Commander wished to have him brought by force, but he, getting wind of this, took flight into the interior, without it being possible to apprehend him. Hereupon the congregation of Candanattij came into the city, received the bishops, and escorted them to Candanattij, which is a village belonging to the King of Travancore, situated about 5 hours south of Cochin, where the Syrian bishops have always kept their residence; and although there were still some other congregations that recognized these bishops as legitimate, they were nevertheless incited and encouraged by Mar Thoma not to submit to them. Anno 1753, on the occasion when the King of Travancore and the then Lord Commander met each other at Mavelicarre, which is a village belonging to the King of Travancore, 20 hours south of Cochin, he presented those bishops, who were then present there, to the King and recommended them to his protection. Whereupon His said Highness ordered Mar Thoma and his adherents to recognize those bishops and to live in mutual friendship with one another, which Mar Thoma also complied with for some time. But when he saw that the bishops were zealously engaged in purifying the church from many Roman ceremonies and heathen superstitions, as well as from many unworthy teachers and members who, through lack of proper instruction in doctrine and through the decay of the exercise of discipline, had crept into it from time to time, and especially when he saw that they opposed him in the ordaining of unqualified youths as priests, and in the distribution of ecclesiastical offices to unworthy persons, he restrained himself for some time out of respect for the King and the Company. But after the death of the late King of Travancore, which occurred in the year 1758, having won over the chief favorite of the new King and other regidors to his side through gifts, he not only stirred up strife and discord between the bishops and their congregations, but also, in the year 1760, managed to obtain for his nephew, an inexperienced youth, the dignity of bishop, to be his heir and successor after his death. The Archbishop Mar Basilius, together with the two suffragan bishops, being very grieved and discontented about this, the former went to take up his residence in a house at Mattancherij, just outside this city, where, after the lapse of three years, anno 1763, he died. His successor Mar Gregorius, no longer wishing to have the governance over the church due to old age and sickness, went to live at Molendoertij above Candanattij, and also died there in the year 1773. Anno 1765, Mar Thoma also finally died, and his nephew Mar Thoma succeeded him in the bishopric, but likewise always lived in discord with the bishop Mar Johannes; but finally, through my mediation and upon my continual admonitions, they were reconciled with each other in the year 1773. At present they have two bishops, Mar Johannes and Mar Thoma. The first is white and a venerable gray-haired man with a long beard, being dressed in almost the same manner as the ancient Jewish priests, having upon his head a cap like a turban, appearing to be a pious, modest, and sincere Christian. But the second, being a native Malabarese, seems to be a haughty man. These Christians dress in the same manner as all the other Malabarese, merely with a small cloth around the lower body and with a cloth over the head. Their priests, or Cassanars, mostly wear white linen underdrawers, which are wide and hang down over the knees; and over these a loose robe of white linen, sometimes also made of another fabric, hanging down to the knees; on the head they mostly have a cloth, but the Maronites and others a black cap, not unlike a sugarloaf, being narrow where it fits on the head and broader toward the top. Around the neck they are adorned with a rosary of black coral, and in the hand they carry a painted or rather a lacquered staff, though much longer than
Dutch transcription
2 4t 811. die door de hier zijnden sipiaanse vierden uitgekreeten dog een tijd daar na heeft Mar skomen, door slinkoen streeken, zijn naderhand, door toedoen van den „silieerd Maar door de gemeente genegeet„ „lat aangenoemen Thome overleeden, en opgevolgt door desselfs neef Mat„ Thome Op verzoek van deeze neevens dat der sijnaanse ge„ komst van 3 bscapen i do 7, meenten, heeft den Patriaacl van Antioctien de drie disschop, „pen Meer Basilius, Mar Gregorius en Mar Johannes in 't Jaar, 1751: naar de Mallabaar gezon„ „den. Zy eerst op Bassora in Persien aankomende wierden door de bediendens van onze Compagnie al„ „daar vriendelijk ontfangen, en vervolgens met een van sComp=s scheepen herwaards overgebragt, geduurende hun ver„ „blijf in deze stad, wierd her door den Heer Comman„ „deur eene bequaamen huisvisting bezorgd, en alle beleeft„ „heid betoond, ook wierd aan Man Jhome de komst van deze Bisschoppen bekent gemaakt, met te komman„ „datie om herwaards te nomen, dog Marjhome de brschiep Mar skomen von rettenrs aangekoomene Bisschoppen, bij de Sijniaanse gemeen„ „te voor ketters uijtmaakende, wilde op de drie van tijd tot tijd afgezondenen brieven niet verschijnen, hoe wel veele sijniaarse priesters en Christenen hunnen eerbied bij hen quamen afleggen, waar op de Comman„ „deur hem met geweld wilde laaten haalen, dog hij hier van kennis krijgende, nam de vlugt naar de binnen landen, zonder dat men hem kon magtig worden. Hier op quam de gemeente van Candanattij in de stad, die de Bisschoppen afhaalde en na Canda„ „nattij begeleijden, zijnde een Dorp dat den koning van Jrevancoor toebehoord, leggende omtrend 5: uuren bezuijden Cochim, alwaar de Sijnaanse Bisschoppen altoos hunne residentie gehouden hebben, en schoon er nog eenige an„ „dere gemeentens waaren, die deze Bisschoppen voor wettig erkenden, zo wierden dezelve egter door Mar„ Thome aangezat en gestijft, om zig aan hun niet te onderwerpen. Anno 1753 bij gelegentheijd de Koning van Je„ koning van JevanCoor gerskon„ van coor en de toenmalige heer Commandeur el„ „kander ontmoetten op Mavelicarre, zijnde een Dorp, toebehoorende den Koning van Pevancoer, 20:— uuren bezuijden Cochim, heeft hij die Bisschoppen, als toen daar tegenwoordig, den koning voorgedragen en in desselfs bescherming aanbevoolen, waar op gem: zijn hoogheijd Mar home en zijn aanhangelingen gelaste die Bisschoppen te erkennen, en in onderlinge vriendschap met elkander te leeven, gelijk Mar, Thome dit ook eenigen tijd heeft nagekomen dog toen hij zag, dat de wisschoppen ijverig beezig waaren, om de kerk te zuij„ de rianschap wader gebrooken „ veren van veele roomse Ceremonien, en heijdense bij geloovigheeden, als meede van veele onwaardige leevaars en leedemaaten die door gebrek van behoor„ „lijk onderwijs in de leeve, en door verval van de oesse„ „ning der tugt, in dezelve van tijd tot tijd waaren in te ingesloopen 243 812:- de aards-bisschop Max Basilius woonen en aldaar gestorven dood van deslfs op volgee Mae de Gregoriu het overleeden van Marthome en verzoering van desselfs opvolger, met „n den bischap mar Johannes kleeding der sijniaarsen Christeren hoedanigheid van de twee thans ingesloopen, maar voor al toen hij zag, dat zij hem tegen stonden in het ordenen van onbequame Jongelinge tot Priesters, en in het uijtdeelen van kerkelijken ampten aan onwaardige persoonen, zo heeft hij uijt ontzag voor den koning en de Comp: eenigen tijd zig nog wel weet zijnde bschoppen ingetoomt, maar na de dood van den laatsten Jevan Coorsen koning, die in 't Jaar 1758. voorviel, door geschenken, den Eersten gunsteling van de nieuwen koning, en andere Ragiadoors op zijne zijde gekreegen hebbende, niet al„ „leen twist en tweedragt tusschen de wisschoppen en hunne gemeenten verwoekt, maar, ook in 't Jaar 1760. voor zij„ „nen Neeff, eenen onbedreevenen Jongeling, de waardig„ „heijd van Bisschop weeten te verkrijgen, om na zijn dood zijn Erfgenaam en opvolger te zijn. De Aards-Bisschop Mar Basilius neevens de beijde is daar over op Mattancherij komen onder bisschoppen hier over, zeer bedroeft en te onvree„ „den zijnde, ging de eerste zijn verblijf neemen in een huijs op Mattancherij, essen buijten deese stad, alwaar hij, na verloop van drie Jaaren, anno 1763. overleeden is„ zijn opvolger Mar Goegorius door ouderdom en ziekte 't bestier niet langer over de kerke willende hebben, is op Molendoertij boven Candanattij gaan woonen en aldaar in het Jaar 1773. ook overleeden; Anno 1765. is Max jhome eijndelijk ook overleeden, en zijn Neef Mar thome hem in 't Bisschopschap opgevolgt, dog heeft ook altoos in onmin met den bis„ „schop Mar Johannes geleeft, maar eijndelijk zijn zij, door mijne tusschen komste, en op mijne geduurige vermaningen, in 't Jaar 1773. met elkanderen verzoend. Jegenwoordig hebben zij twee Bisschoppen Mar„ Johannes en Mar Thome: De eerste is blank en een Eerwaardige Grijsaard met een lange baard, zijn„ „den gekleed, bij na op dezelve wijze, als den al oude Joodse Priesters, hebbende op 't hoofd een muts als een tulband, schijnende een vroom, zeedig en opregt Christen te zijn. maar de tweede, zijnde een geboore Mallabaar scheijd een opgeblaasen man te zijn. Deze Christenen gaan op dezelvde wijze als alle de an„ „dere Mallabaaren gekleed, alleen met een kleedje om het beneden lijf en met een doek, boven het hoofd. Hunne Priesters of Cassenaars, dragen meest wit¬ „te linne onderbroeken, die wijd zijn, en over de knijen dragt der sijnaarse presters neederhangen; en boven deze een ruime rok van wit lijnwaat, zomtijds ook van een andere stoff gemaakt tot aan de knijën nederhangende, op het hoofd hebben zij meest een doode, dog de Maronieten en anderen, een zwarte muts, niet ongelijk aan een zuijker boood zijnde daar ze op 't hoofd sluijt, engen naar, boven breeder: om den hals zijnze verciert met een paternoster van zwarte Coraalen en in de hand dragen zij een geschil„ „derde of eijgentlijk een verlakte stok dog veel langer schop & dan
English
245 813. The dwellings of the Christians are separated from those of the other Malabars. They follow the opinions of Nestorius and Eutyches. The differences therefore in the church services, namely contradictory. than our walking sticks; furthermore, they go barefoot and their conduct is unrefined, knowing little of how to live with people. The dwellings of these Christians are not mixed with those of other Malabars, but they have separate villages in which they live among one another; they also appear to be very meticulous in preserving their genealogies. They will not mix or intermarry with the new Christians of low castes or lineages, most of them being of the Nayar castes or of the lineage of the nobility, for which reason they also, just like the Nayars, generally carry a sword in hand, as a sign of that dignity. The opinions of these Christians, or principally of their Bishops and Priests, are those of Nestorius and of Eutyches, on account of which the former are called Nestorians, and the latter Eutychians or Jacobites, also Monophysites, which two latter names are properly only synonyms, and there is also still a third sort, namely the Maronites, yet these have united themselves here with the Roman church, whereas the Maronites in the eastern Christian churches in Asia Minor and Syria keep themselves separated from the Roman church, as well as the Nestorians and Eutychians there. These contradictory opinions predominate alternately with the arrival of new Bishops, who are either Nestorians or Eutychians. The Jacobites, along with the Greek church, venerate the Saints, but not the Nestorians, who reject the service of images and tolerate only a Cross in their churches. In the Jacobite Churches one sees, besides the cross, images painted on paper and engraved on metal plates. They celebrate Mass in the Eastern manner with leavened bread and wine, or for lack of wine, they use raisin water, or something else that according to their opinion comes closest to wine. They take Communion under both kinds, with this particularity, that they break the bread into a dish, pour the wine from the chalice onto it, and distribute this mixture to the congregation with a spoon. The Nestorians teach that in the Holy Supper the Body and blood are received not essentially, but in figura, and that the substance of Bread and wine remains unchanged, but the Jacobites seem to accept Transubstantiation. They do not baptize their children before they are 40 days old, unless in danger of death or other necessary cases. The Baptismal water consists of cold and warm water with salt and consecrated oil. The Nestorians deny purgatory, but posit a third place, where the souls remain in an insensible state until the time of the resurrection.
Dutch transcription
245 813. de wooningen der sijnaanen, zijn afgesondert van die der andere malla„ „baaren zij volgen de gevoelens van Nasto„ „nius en Eutijches de verschillen diearom in de Nerka„ da„lijke diensten dan onze wandelstokken: voorts gaanze bloots voets en hun ommegang is onbeschrift, weetende weijnig hoe men met menschen moet leeven. De wooningen deser Christenen zijn niet die van andere Mallabaaren vermengd maar zij hebben afge„ „zonderde negerijen waar in zij onder elkanderen leeven; ook schijnen zij zeer naauwkeurig te zijn in 't bewaaren van hunne geslagtreekeningen zij zullen zig met de nieuwe Christenen van laage Casten of geslugten niet vermengen nog verhuwelijken, zijnde de meesten van hen, van Nairos Casten of van 't geslagte der Edellieden, waarom zij ook, even gelijk de Nairos, door„ „gaans een Cabel in de hand dragen, tot een teken van die waardigheijd. De gevoelens dezer Christenen, of voornamentlijk hunner Bisschoppen en Priesters zijn die van Nestorius en van hutijches, en waarom de eerste genoemd worden Nestoriaanen, en de laatste Euthijchianen of Jako„ „bieten ook wel Monophijsieten, welke twee laatste naamen eijgentlijk maar sijnonijma zijn, en men heeft ook nog een derde zoort, namentlijk de Maro„ „nieten, dog deze hebben zig hier met den Roomse kerk vereenigt, daar egter de Maroniten in de oosterse Christelijke kerken in klijn Asia en sijrien zig van de Roomse kerk afgezonderd houden, zo wel als de Nestoriaar en Eutijchianen aldaar, Deze tegenstrijdige gevoelens predomineeren beurtelings met de aankomst van nieuwe Bisschoppen die of Nestoriaa„ „nen of Eukijchianen zijn, De Jakobieten vereeren met de Grieksche kerk de Teijligen, maar niet de Nestori„ „aanen die den Beelden dienst verwerpen en alleen een Kruijs in haare kerken dulden: Jn de Jacobikische Ker„ „ken ziet men, behalven het kruijs op papier geschilder„ „de en op metale pelaten gegraveerde beelder: zij Cele„ „breeven de Misse op de Oostersche wijse met gezuurd brood en wijn, of bij geboek van wijn, gebruijkenze Rozijne wa„ aanwijzinge van die veroetillen, ter, of iets anders, dat naar hun gevoelen het naast bij den wijn komt; ze Communiceeren onder beijden ge„ „daantens, met deze bijzonderheijd, dat zij het brood in een schootel breeken, den wijn uijt den kelk daar op gieten, en aan de gemeente met een lepel dit mengzel uijtdeelen: De Nestoriaanen leeven, dat in het H: Nagtmaal het Lighaam en bloed niet wezendlijk maar, in figura genoten word, en dat de substantie van Brood en wijn, on„ „verandert blijft, maar de Jacobieten schijnen de Trans„ „substuntiatie aanteneemen: zij Doopen hunne kinde„ „ven niet, voor datze 40. dagen oud zijn, ten zij in doods nood of andere noodzakelijken gevallen, het Doopwater bestaat uijt houden warmwater met zout en gewijde olie; De Nestrianen ontkennen het vagevuur, maar stellen een derde plaats, waar de zielen in een onge„ „voelige staat tot den tijd der opstandige verblijven, tegenstrijdige namentlijk.
English
247. 814. Probability of uniting the Nestorians with the Protestants. How many churches the Syrians still possess. Uniting with the Protestants. Language is printed at Rome. However, it is permitted by the Pope to use the Syrian language in the Mass. namely a Paradise for the blessed, and that the Holy Ghost proceeds only from the Father, and, just as little as the Jacobites, do they maintain communion with the Roman Catholics, by which latter they are called schismatics; they allow marriage to their priests, but not for a second time, and use the Syrian language and religious ceremonies in their churches. Their Bishops, especially the Nestorian ones, generally show a particular respect for Protestant doctrines, and for that reason it is to be thought that there would be a greater likelihood of uniting these Christians with the Protestant church than there was of uniting them with the Roman Church, notwithstanding that the Roman clergy has applied every effort here toward that end, and has left virtually nothing untried. Of the so many churches that were formerly under the Syrian Bishops, they now possess no more than about fifty, of which they hold about ten in common with the Roman Catholics; the remainder, and especially the Maronite ones, have, as has already been said, been united with this church by the Roman missionaries; which I repeat here in order to add beside it the following particulars, which are indeed worthy of some note: namely that although they, for the damned, they further teach that the Holy Ghost proceeds only, although the Maronites previously, yet it has been permitted them to use the Chaldean or Syrian rite and language in religious worship, although they accept Roman doctrines in everything, and likewise that this rite, which previously was only written, was printed in the year 1774 at Rome for the use of these Malabar united congregations with Syrian characters under the following title: Ordo Chaldaicus Missae Beatorum Apostolorum juxta ritum Ecclesiae Malabaricae, and that a Catechism in the Malabar, that also a Catechism written by the Carmelite Fathers in the Malabar language, or properly speaking in the Sanskrit, and approved by the Congregation de Propaganda Fide at Rome, was printed there in the year 1772 with Sanskrit letters, and is already used here with great profit. I just noted that there would be a greater likelihood of uniting the Syrian Christians with the Protestant church than with the Roman church, toward which they brought the Syrians, toward which the Romans have taken so much trouble; at least I have considered it my duty to attempt such a thing, and to that end have endeavored to have one or another Syrian priest come over to us, because these people, if they possess the right earnestness and the required ability, are better suited than other missionaries to preach the Gospel among the heathens, and at the same time their coreligionists in
Dutch transcription
247. 814. apparentie die en is de nestoriaanen met de protestanten te verienigen Hoe veel testen de sinaanen nog besitten met de protestanten doen vereenigen taal is te romen gedrukt „worden zijn is egter door den paus toegestaan de sirische taeal in den miet te gebruiken namentlijk een Paradijs voor de zalige, en de afgoonde van den vader uijtgaat, en onderhouden zo weijnig als de Jacobieters Gemeenschap met de Roomsch gezinden, van welke laatste zij schismatice genoemd worden, te laten den Priesters het huwelijk toe, maar niet voor, de tweede reijze, en gebruiken de Sijnische taal en Godsdienstelijke plegtigheeden in Haare Nerken, hunne Bisschoppen, voornamelijk de Nestoriaansche betoonen doorgaans een bijzondere agting voor de Bo„ „testantsche Leerstellingen te hebben, en daarom is het te denken, dat er meer apparentie zoude zijn, om deze Christenen, met de Protestantsche kerk te vereenigen als er geweest is om hun met de Roomse Kerk te vereenigen, niet tegenstaande de Roon„ „sche Geestelijkheid, daar toe hier alles aangewend, en ge„ „noegzaam niets onbeproefd gelaten heeft. Van zo veelen kerken, die wel een onder de Sijrische Bisschoppen stonden, hebben zij thans niet meer als omtrend vijftig, waar van zij een tiental met de Roomse in gemeenschap bezitten: de overigen en voornamelijk de Maronitische, zijn gelijk reeds gezegd is, door de Roomse, zendelingen met deze kerk„ vereenigt, het geen ik hier repeteere, om de volgende bij„ „zonderheeden, daar neevens bij tevoegen, die nog al van eenige opmerkingen zijn, namentlijk dat schoon zij voor de onzalige zij leeren verders, dat de 3: feest, alleen de maroniten schoon ze vooren ge„hen egter toegestaan heeft de Caldeeurosche of sijni„ in alles de Roomse Leerstellingen aanneemen, de Laus „sche titus en taal in de Godsdienst te gebruijken zo meede„ dat deze titus, die bevoorens maar geschreeven was, in het Jaar 1774. te komen ten dienste van deze Malla„ „baarsche vereenigde gemeentens, gedrukt is met sijn„ een Catechismus in de mallabaarse,„ sche Karacters onder den volgende titul: „ Ordo Chac„ „daccus missa Beatorum apostolonim Suxeta titum ecclesiae Mallabarica, en dat en ook een Cathechismus door de Paters narmelieten, in de Malla„ „baarsche Jaal, of eijgentlijk en het samseridonsch geschrij en bij de Congregatie de propaganda fide te komen; goed„ „gekeurt, aldaar in het Jaar 1772. met samserudonische letters gedrukt is, en reeds met veel niet alhier Gebruijkt word. Zo even merkte ik aan, dat er meer apparentie zou„ „de zijn, om de sijriaanse Christenen met den Protestantge kerk te vereenigen als met den Roomse kerk, waar men heeft gebracht de sijnaren toe de Roomse zo veel moeite aangewend hebben, ten minsten ik hebbe het van mijn pligt geagt, zulx eens te beproeven, en ten dien eijnde getragt, de eenen of an„ „deren sijniaansen Priester tot ons te doen overkomen om dat dese menschen, indienze den regten ernst en de vereijschte bequaamheijd hebben, beter als anderen Missionarissen geschikt zijn, om het Evangelium on„ „den de seijdenen te verkondigen, en teffens hun geloofs in genooten