VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3619

Malabar · 338 pages · 201 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3619_0132 view scan ↗

English

if not even to win over many of the Roman Catholics to us, since, being native Malabars, they know the language, manners, and customs of the native, as well as the particulars of the common people, better than anyone else, and can also manage much more easily and soberly in the countryside, so that the native is best persuaded through daily intercourse with his own nation and in his own language; and I have had the good fortune to meet such a person, who daily has himself instructed in our religion by our Minister with the help of an interpreter, in order afterwards to go into the country and make proselytes. This person, at least as he has told me, is to be followed by one or two others, who are only waiting to see how it will turn out for him, and whether we make much of him. Furthermore, in this regard, I refer to what I have written about this to Batavia by separate letter of 5 January 1779. With this I would have concluded the article on the St. Thomas Christians, had I not, after my completed investigation, accidentally learned that Mr. Lacroze, Librarian to His Prussian Majesty, in a curious little work titled the History of Christianity in the Indies, has already reported several remarkable particulars concerning these Christians. The Ordinary Councillor and Ceylon's Governor Falck sent me in the beginning of the year 1778 some questions regarding the St. Thomas Christians here, which I handed over to the junior merchant Cellarius, currently resident of Cranganoor, a man of languages, reading, and a fondness for good sciences, together with the rough draft that I already had in store at that time regarding these Christians; and I assigned him a linguist in order to further satisfy the purpose of Mr. Falck, with the recommendation to present whatever he might collect directly to Mr. Falck, so as to enter into correspondence with His Honour. Having done so, he obtained from the aforementioned Mr. Falck, some time thereafter, the aforementioned little work of Lacroze for reading, and this was the occasion that I first came to know of it. I do not understand the French language, but I had the summary contents thereof, in so far as it concerns the St. Thomas Christians, explained to me by the frequently mentioned junior merchant Cellarius, and thus saw that that learned writer has indeed recorded many things which I did not know were already known to the learned world, so that I would almost unknowingly have presented known matters as new truths.

Dutch transcription

249 815. poselkten maaken derweegens gedaan noopens de sijn aanen hier heeft laats doer genooten, zo niet zelfs veele van de Roomse tot ons over„ „tehaalen, dewijl zij geboore Mallabaaren zijnde, de taal„ zeden en gewoontens van den Jnlander, beneevens de bij„ 9 „zonderheeden der Leijdenen, beter als een ander kennen, en zig ook vrij gemakkelijker en zoberder ten platte lan„ „den behelpen kunnen, zo dat den inlanderen door een dagen„ „lijksen omgang met zijne eijgene Natie en in zijn eij„ asten risten on e e ene aal best overtehaalen is; en het heeft mij mogen gelukken, zo imand aan te treffen, die zig dagelijks door onzen Predikant met behulp van een Jolk in onzer Godsdienst laat onderwijzen, ten eijnde naderhand in het land te gaan en proseliten te maaken, welke perzoon, ten minsten zo als hij mij gezegt heeft, van nog een of twee andere staat gevolgt teworden, die maar eenelijk wagten, om te zien hoe het met hem afloopen zal, en of we veel werks van hem maaken, voorts refereere ik mij ten dezen, aan het geen ik hier over na Batavia geschreeven hebben bij aparte briev van den 5 Januarij 1779.. Hiermeede zouden ik het articul den S=t Tho„ „mas Christenen beslooten hebben, indien ik na mijn gedaan onderzoek niet toevallig kennisse gekreegen had, dat de Heer Lacrose Bibliotheca„ „vis van zijne Ruissische Majesteijt in een toaaij werkje gen:t de Historie des Christendoms in Jndien, noopens deze Christenen reeds verscheijden merkwaardige bijzonderheeden gemeld heeft De heer ordinair Raad en Ceijlons Gouverneur Falck onderzoeking die de heer palk„ zond mij in 't begin van 't Jaar 1778. eenige vragen toe, met betrekkinge tot de St Thomas Christenen alhier, die ik aan den onderkoopman Cellarius tans opperhoofd van Cranganoor, een Man van taal, lectura en lief„ „hebberij voor goede weetenschappen / ter hand stelde, be„ „nevens het ruwe dat ik te dier tijd nopens deze Chris„ „tenen reeds in voorraad had, en ik voegde hem een taalkundig persoon bij, om aan het oogmerk van den Heer Falck verder te kunnen voldoen, met recom„ „mandatie, om het geen hij daar van mogt bij een bren„ „gen den heer Falck zelfs aantebieden ten eijnde daar door met zijn Ed: in Corrispondentie temogen koomen, gelijk hij dan ook gedaan hebbende, eenigen tijd daar beschijving van de heer Laerosen na, van wel gem: Heer Falck, voorschr: werkje van Lacrose ter lectura erlangde, en dit was de gelegent„ „heijd, dat ik daar eerst kennisse aankreeq: Jk versta de fransche taal niet, maar ik hebbe mij den korten inhoud van het zelve, voor zo verre de S=t Thomas Christenen aangaat, door meerm: onderkoopman Cellarius doen te verstaan geven, en dus gezien, dat die geleerde schrijver in der daad, veele dingen te boek gesteld heeft, die ik niet wist dat reeds bij den geleerde nomt bij na met de bevinding wereld bekend waren, zo dat ik haast onweetender wijze, bekende dingen voor nieuwe waarheeden zoude merkwaardige opgegeven over een

NL-HaNA_1.04.02_3619_0133 view scan ↗

English

251. 816. St. Thomas Christians are currently found, though some particulars have been discovered and given up. One has proofs that the Company favored the Syrian Christians here; the Company favored the Syrian Christians much. The Company only has jurisdiction over the Roman Christians who live along the beaches. I have nevertheless not changed my collection, and still less adjusted it to the pattern of that work, but rather left it as it is, and as the things, without ever having known the work of the gentleman Lacrose, have been dug up right here locally from the antiquities and traditions of the St. Thomas Christians themselves. Therefore I found myself obliged to add this anecdote here. It is meanwhile enough for me that I have moreover indicated the successive Bishops and the state of the Christians up to this present time, and thus further than the gentleman Lacrose has been able to do. But because some periods have come before me regarding which the aforementioned gentleman is not well informed, and which one knows better from close by and can also know, I have judged it necessary to note the following here by way of further elucidation. The gentleman Lacrose believed he had to accuse the Dutch Company as if it had not favored the Malabar Christians of the Eastern church as much as had happened with respect to the Roman Catholics, whose favored status was perceived as the best. But the contrary can be clearly demonstrated by authentic documents that are kept here at the secretariat. The Company has never had nor could have any authority over the St. Thomas Christians, who have always been subjects of the local native rulers. Even the Portuguese exercised no jurisdiction over them, although they, with the consent of the King of Cochim, made the utmost efforts to persuade these Christians to adopt the doctrines of Rome and to recognize the hierarchy of the Pope. The authority and protection of the Company over the Roman Christians extends mainly over those who live along the Cochim beaches, over the Topasses, Lascars, and Fishermen who were under Portuguese rule and as such were taken over by the Dutch Company. Meanwhile, after the conquest of Cochim, one not only favored the revolt of the Eastern Christians against the usurpation of Rome, but also provided the opportunity for new Bishops from Syria to come here, who previously dared not venture except at the risk of their lives, and granted transport to these Bishops on the ships of the Company. The rulers of this coast and the ministers of the Reformed Church have not only maintained correspondence and admonished the St. Thomas Christians to maintain the rights of the Eastern church with steadfastness against the Bishops of the Roman Catholics, but also showed much zeal to unite them with the Protestant church.

Dutch transcription

251. 816. „ S:t Thomas Christen tans vind dog eenige bijsonderheeden ontdekt opgegevaaken men heeft bewijsen dat de Comp: de finianen hier heeft beginstigt de Sijriaansche heeft de Comp: veel de Comp: heeft maar regt over de voomse Christenen die langs de stranden woonen. opgegeeven hebben: Jk heb egter daarom mijne verza„ „melinge niet veranderd en nog minder naar den leest van dat werk verschikt, maar liever gelaten zo als ze is, en zo als den dingen, zonder, ooijt het werk van de seer Lacrose gekend te hebben, hier ter plaats uijt den en de oud heeden die men hier bij den oudheeden en overleeveringen der S:t Thomas Christenen zelvs opgedolven zijn; derhalven heb ik mij verpligt gevonden deze anneedote hier bij te voegen, het is mij intusschen genoeg, dat ik boven dien de successive Bisschoppen, en den staat der Christenen, tot op dezen 1teegenswoordigen tijd toe, en dus werder aangeweezen hebbe, als de Heer Lacrose heeft kunnen doen. Maar om dat mij egter eenigen perioden te vooren niet men vaan nabij anders, als zen wil zijn gekomen, waar omtrend voorsch: heer wel onder„ „digt is, en die men hier van na bij beeter weet en ook wee„ „ten Nan zo heb ik noodig G'oordeeld, het ondervolgende bij wijze van nadere elucidatie hier nog te nooteren De Heer Lacrose heeft vermeent, de Nederlandse Comp: temoeten beschuldigen, als of dezelve de Mal„ „labaarse Christenen van de oosterse kerk zo zeer niet begunstigt had, als wel ten opzigte van de Rooms begtindtigten zin ten besten vermaam gezinden geschied is; maar het tegendeel van duijde„ „lijk aangetoont worden door authenticque stukken die hier ter secretarij berusten: De Maatschappij heeft nooit eenig gezag gehad nog kunnen hebben over de S:t Thomas Christenen, die altoos onderdaanen van de Lands vorsten geweest zijn, ook hebben de Portugeezen zelfs, geen Regts Gebied over dezelve geoef„ „fend, hoe wel zij, met toestemming van den Koning van Cochim, de uijtterste pogingen gedaan, hebben, deze Christenen overtehaalen, de leerstellingen van Roomen aanteneemen, en de Hierarchie van den Puus te erkennen. Het gezag en de protectie van de Maatschappij over de Roomschen Christenen strekt zig voornamentlijk uijt„ over de Geene die langs de Cochimse stranden woonen, over de Joepassen, Lascorijns en Vissers, die onder de Portugeeze Heerschappij stonden, en zodanig door de Nederlandsche Maar„ „schappij overgenoomen zijn, intusschen heeft men niet al„ „leen Na de verovering van Cochim de Revolte der Oostersche, Christenen tegens de usurpatie van komen begunstigt, maar ook gelegentheijd besorgt, dat er nieu„ „we Bisschoppen uijt sijrie hier konden komen, die zig bevoorens niet anders als met levensgevaar derfden wa„ „gen, aan deze Bisschopper Transport met de scheepen der Maatschappij verleend De Gebieders dezer kuste en de Predikanten der Gere„ formeerde Gemeente, hebben niet alleen Corresponden„ „tie gehouden, en de S:t Thomees Christenen vermaand, om de regten der oostersche kerk tegens de Bisschoppen van de Rooms gezinden met standvastigheijd te ma„ „intineeren, maar ook veel ijver getoont om dezelve met de Protestantische kerk te vereenigen onderdaanen Ook c

NL-HaNA_1.04.02_3619_0134 view scan ↗

English

And the Gentlemen Directors have recommended the interest of the Syro-Malabar Christians. Mr. Lacrose must not have been well informed since the arrival of the Dutch, in what manner, and in which lands the Roman Catholics make progress, concerning the Malabar Christians, how it stands with the copper plates they have, omitting some circumstances that actually relate to the matter. The Gentlemen Directors of our Company have also looked after the rights of these Christians and, among other things, by general letters from the Fatherland dated 29 July 1710 and 13 September 1730, recommended their interests to the Malabar Ministry. So that these circumstances were certainly not known to Mr. Lacrose; but it is to be thought that this learned man, had he been able to obtain the necessary information, would have conceded that one could not demand more from the Company, and it was surely not his intention that the Eastern Christians should be brought under the jurisdiction of the Company by force of arms; nor did the St. Thomas Christians ever seek this, and it is certain that these Christians, at least since the arrival of the Dutch here, have not been disturbed in their religious freedom by the native rulers, their lawful sovereigns. It is true that the Roman missionaries, especially those sent by the Congregation de Propaganda Fide, have gained much ground and converted many so-called schismatics to their party, but this happened by ways of persuasion and intrigues, and moreover within the territory of the native rulers, where the Company can exercise no authority. Several other circumstances, especially regarding the civil privileges of the St. Thomas Christians, which Mr. Lacrose seems to have taken from Portuguese writers, and which upon closer on-site investigation were not found to be completely accurate, I pass over in silence as trivialities that do not in the least harm the essentials of the history of the Malabar St. Thomas Christians. Mr. Lacrose also says that Bishop Mar Jacob, out of good faith, supposedly gave the copper plates or tablets on which the alleged privileges of these Christians are written into safekeeping to the Portuguese of that time here, who reportedly stored them slovenly in a warehouse and lost them. From this appears what I have already said above, namely, how it is not improbable that the tradition of a patent for these Christians has been confused with the well-known patent upon which the privileges of the Jews here were granted, as this detail, namely regarding the keeping of the copper patent in a warehouse, having been specially investigated by me here, was found actually to have taken place regarding the patent of the Jews, which is to be mentioned hereafter under the article on the Jews, a detail which Mr. Lacrose may also not have known. The second sort of Christians on this Coast are called Roman Christians, or also concerning new matters.

Dutch transcription

253 /817. En de Heeren Bewind hebberen hebben 't belang der sij nanen aanbevooren de heer Lacrose moet niet wel g' wart zeedert den komste der hollan„ opwat wijze, en in welken landen de rooms gesinden progressen maaken schet vande toonds Christen hodig het gesteld is met den koperen gelad hebben overstaffing van eenige omstandigheeden die reets ter zaake doen. Ook hebben de Heeren Bewindhebberen onzer Maatschappij de Regten dezer Christenen behartigt en onder an„ 29. Julij 1710. en „deren bij Patriase Generaale missives van den „ 13 September 1730, derzelver belangens aan het Mallabaarsche Minis„ „terie Gerecommandeert. Zoo dat deze omstandigheiden den Heer Lacrose Ze„ informeerd zijn gewoest omtrend daden„ kerlijk niet zullen bekend geweest zijn; maar, het is te denken, dat deze geleerde Man, indien hij de noodige informaties had kunnen neemen, toegestaan zoude hebben, dat men van de Maatschappij niet meer veolan„ „gen konde, en het is gewis zijne meening niet ge„ „weest, dat men de oosterse Christenen met geweld van wapenen onder de Jurisdictie van de Maatschappij zoude brengen, ook hebben de S:r Thomas Christenen dit „„der hier geneeten de sijnanen tu nooit gezogt, en het is zeeker, dat deeze Christenen, ten min„ „sten zeedert de komst der Nederlanders alhier, van de lands voosten, hunne wettige overheeden, in hunne Gods„ „dienstige vrijheijd niet gestoort zijn. Het is waar, dat de Roomse Missionarissen, voor„ „mamelijk die van de Congregatie de propogande fide„ zijn gezonden, veel velds gewonnen, en veele zo genaamden schismatiken tot haar Parthij overgehaald hebben„ maar dit is, geschied door weegen van Persuasie en Jntriques en booven dien in het gebied den Landvoosten, waar in de Maatschappij geen gezag oeffenen, kan: Verschijden andere omstandigheeden voornamelijk nopens de burgelicken voorrigten der S:t Thomas Chris„ „tenen, die de heer Lacrose uijt de Portugeeze schrij„ „vers schijnt overgenomen te hebben, en die bij nader on„ „derzoek in loco niet volkomen naauwkeurig bevonden zijn, gaa ik met stilzuijgen voor bij, als kleinigheeden die aan het weezentlijke van de geschiedenis der Malla„ „baarsche J=t Thomas Christenen geenzints schaden. Ook zegt de heer Lacrose dat de Bisschop Max Ja„ „cob de kopere bladen of Taafelen, waar op de vermeende privilegie deezer Christenen geschreeven zijn, uijt een pvaat die de sijnaanen zouden goed vertrouwen ter bewaaringe zoude gegeven hebben, aan de portugeezen van dien tijd alhier, die deselve in een pakhuijs sloodig bewaart, en te zoek gebragt zouden hebben: hier uijt blijkt het geen ik hier vooren al gezegt hebbe, namentlijk, hoe het niet onwaar„ „schijnlijk zij, dat den overleeveringe van een patend voor deze Christenen vermengd is met het bekende patend, waar op de privilegie der Jooden alhier verleend is, alzo deze bijzonderheid, namentlijk van het bewaaren van het kopere patend in een pakhuijs door mij hier speciaal onderzogt, zijnde, bevonden is eijgentlijk plaats 't welk hier na onder het artijkel de verlooden gehade te hebben, omtrend het patent der Jooden ^ staat gemelt teworden, welke bijzonderheijd de heer Lacro„ „se ook mogelijk niet zal geweeten hebben. De tweede zoort van Christenen op deeze Cust worden genoemd Roomse Christenen of, ook wil nopens Nieuwe zaak E 1

NL-HaNA_1.04.02_3619_0135 view scan ↗

English

255. 818. New Christians Probability that before the arrival of the Portuguese, Roman priests arrived here. Vasco da Gama. Forbidden to become Christians again. History also shows that they arrived. I have also deemed it not unserviceable to make a citation of these Christians and of their Bishops, as far as I have been able to speak of them here, down to the present time, and to note down at the same time for information how one must deal with those clergy and keep a close eye on them. That before the arrival of the Portuguese in India some missionaries of the Roman church travelled through these regions is not improbable; at least it is found recorded that a Father Jordanus, Roman priest of the Preaching Order, having preached with great zeal against the Mohammedan doctrine at Thana and Salsette, was put to death by the Moors there, without the time of that event being specified, but that in the year 1320 four Franciscans named Brother Thomas de Tolentino, Brother Jacopo de Padua, Brother Demetrius, and Brother Pedro are said to have been in Persia. Vasco da Gama in the year 1498 and subsequently with the other Portuguese sea commanders and viceroys of Goa, many Roman clergy have arrived, the more so as it is a well-known fact that almost no Portuguese ships of note go to sea, much less on distant voyages, without having an ordained priest on board: at least from the History of the Portuguese it is known that late in the year 1500 some Franciscans came out with Admiral Pedro Alvares Cabral, and that Father Rodrigo, a Dominican, in the year 1503 was already engaged at Quilon in converting the heathens, which however only made its real progress, both at Goa and here, after the Jesuit Francis Xavier, contemporary and one of the first disciples of Ignatius of Loyola, founder of the Jesuit order, had landed at Goa on the 6th of May in the year 1542; which zealous missionary contributed very much to the propagation of the Roman religion, and after having brought many to Christianity for 10 years on the Madura Coast and on the Island of Ceylon, indeed even converted many Japanese and Chinese, finally died a martyr's death in China in the year 1552. The King of Cochin, since the arrival of the Portuguese in these lands, forbade his subjects under very heavy penalties to embrace the Roman religion, but in the year 1560 that prohibition was revoked, and everyone was granted the freedom to believe what he wished. Also in this same year 1560 a sort of Inquisition was introduced here, in order to restrain the Jews who mocked the preaching of the Roman clergy. 257. 819. Through the Synod of Diamper many Syrians were brought under the obedience of the Pope. Roman bishops who succeeded in Malabar. Regarding the interval of almost 40 years, one finds nothing remarkable recorded, except that the famous Archbishop of Goa and Primate of India, Aleixo de Menezes, held the Synod of Diamper and brought the Syrian Christians for the greatest part, with their Bishop, under the obedience of the Pope, just as that passage has already been noted under the article of the St. Thomas Christians. This Aleixo de Menezes, after having made many good arrangements on this Coast regarding ecclesiastical matters, returned to Goa in the same year. The Roman clergy who have usually been here, and still are, consist of Europeans and natives; among the first belong the Jesuits, the Franciscans, and the Carmelites; among the second can be placed the Topass priests and the Cattanars, or Malabar Priests. In the year 1600, by order of Pope Clement the 8th, the Jesuit Father Francisco Roz, a Spaniard by birth, was appointed as Bishop on this Coast over the church of Angamaly, a village belonging to the King of Travancore, situated 6 hours from Cochin, where formerly the seat of the Archbishops had been. In the year 1609, according to a decree of Pope Paul the 5th, the title of Bishop of the Church of Angamaly was exchanged for that of Archbishop of Cranganore, and in the year 1617 the said Archbishop died. In the year 1617 the Father Jesuit Jeronimo Xavier, also a Spaniard, was chosen for the Archbishopric of Cranganore, but died in the same year at Goa. In the year 1618, the Father Jesuit Stephen de Britto, a native Portuguese, was ordained to take possession of and govern the Cranganore Archbishopric; he died in the year 1634. In the year 1636 the Father Jesuit Francisco Garcia Mendes occupied his place; he died at Cochin in the year 1659 after a rule of almost 23 years. After his death, no one among the Jesuits was elevated to this dignity until the year 1701. Meanwhile, the Vicars Apostolic, as Archbishops of Cranganore, have held authority over the churches; of which further mention is to be made below. In the year 1701, the Father Jesuit and Missionary who had been here for many years previously among the Christians

Dutch transcription

255. 818. Nieuwe Christenen waarscheijnlijk heid dat voor de kopste pan portigreden toomsen priesters hier zijn aangekoomen Vasco den Gama verboden weeder tgestemming van worden uit de historie blijkt meede dat zyn aangekoomen Jk het het ook niet ondienstig g'agt van deeze Christenen en van hunne Bisschoppen voor zo verre ik hier hebben kunnen gesprooken een aanhaalinge te doen tot op den tegenwoordigen tijd, en daar bij teffens tot narigt te noteeren; hoedanig men met die gees„ „telijken handelen en hug op de vingeren letten moet. Dat voor de komste der Portugeezen in Jndien ee„ „nige zendelingen van de Roomse kerk deze ge„ „westen doorwandelt hebben is niet onwaarschijnlijk, ten minsten men vind aangeteekend, dat eene Jre Jor„ „dan Rtoomse priester van de Predik order te Jhan„ „na en salset, met grooten ijver tegens de Mahome„ „taarse leere gepredikt hebbende, door de Mooren aldaar om 't leeven gebragt zoude zijn, zonder dat den tijd van dat Geval bepaeld word, maar wel dat in 't Jaar 1320. in Persien zouden geweest zijn, vier Francis„ „caners Gen=t Jre Thomas de Jolentina, fre Jaco„ „mo de Padua, Jre Dementrino en fre Pedro. Vasco de Jama in het Jaar 1498. en vervolgens met den anderen Portugeesen zee voogden en onder koningen van Joa, veele Roomse geestelijken zijn aangekoomen, temeer het een bekende zaak is, dat er bij na geen Portugeeze scheepen van aanmerkinge in zee, veel min op verre reisen, gaan, zonder geordende ook met den portigeeden admirael zonder twijffel zullen alhier met den Admirael den koning van Cochim on koomste der Portugeezen in deze Landen, zijne onderdaanen priester aan boord te hebben: ten minsten uijt den 't sedert veel roomde priester hier Historie der Portugeezen is het bekent, dat er in 't laatste van Anno 1500 eenige franciscanen met den Admiraal Pedro Alvarez Cabral uijtgekomen en dat Pater Rhoterie, een Dominicaan, A:o 1503. al„ op Coilan beezig zouden geweest zijn om heijdenen te bekeeren, het geen egter eerst zijn regten voort„ „gang kreeg, zo te Goa als hier, na dat de Jezuit Franciscus paverienius (tijdgenooten een der eerste Discipels van Jgnatius de Lacola, pond legger der Jesuitsche order:/ op den 6: Meij A„o 1542. te Goa„ aangeland was, welke ijverige Missionariss zeer veel toegebragt heeft, tot voortplanting van den Roomsen Godsdienst en na dat hij 10 Jaaren lang op de Cust Madure en op het Eijland Ceilon veelen tot het Christendom gebragt, Ja zelvs viele Japan„ „ders en Chineezen bekeerd hadde, eijndelijk in China Anno 1552. den martel-dood gestorven is: De Koning van Cochim verbood zeedert de komst op zeer swaare straffen, den Roomsen Godsdienst aanteneemen, maar in 't Jaar 1560 is dat verbod in„ „getrokken, en aan ijder vrijheijd vergund te mogen geloven wat hij wilde Ook is hier in dit zelvde Jaar 1560. een zoort van Jnquisitie ingevoerd, om de Jooden, die met de priesters Predikinge 257 819. door de fijnoden van adiamper zyn rele sipi aanen on der de Gsehoog suam„ held va den pans gebragt Roomse bisschoppen die sucessien mallatoe d„o geverschilrap prediktinge der Roomse Jeestelijken den spot dree„ „ven, in toom te houden Omtrend de tusschen ruimte van bij na 40. Jaaren, vind men niets merkwaardigs aangeteekend; als dat de beroemde Jdasie Aards-Bisschop, en Prie„ „maat van Jndie Alexius de Menezes, t odiampe„ „ritaanse sijnnoode gehouden, en de sijnaansche Christenen voor het Grootste gedeelte, met hunne Bisschop onder de Gehoorzaamheijd van den Paus gebragt heeft, gelijk die passagie reeds onder het articul der S:t Thomas Christenen genoteerd is. Deze Alexius de Menezes, is, na dat hij veele goede schikkingen op deeze Cust, omtrend de Kerke„ „lijke zaaken gemaakt had, in 't zelfde Jaar naar Goa weder gekeert. De Roomse Geestelijkheijd, die hier doorgaans geweest is, en nog is, bestaat uijt Europeezen en Jnlanders; onder den eerste behooren de Jesuiten de Franciscanen en de Carmelieten onder de tweede kunnen gebragt worden, de toepassen Priesters en de Cassenaars, of Mallabaarse Priesters Anno 1600: is te dezer Custe op last van Paus Cle„ „ment de 0=ten de Jesuite Later Franciskus Rotz,, een sparsaard van geboorte, als Bisschop aangesteld over de kerk van Angemale, een Dorp toebehoorende den koning van Crevancoor, 6. uuren van Cochim geleegen, alwaar wel eer de zitel is geweest der Htards„ „bisschoppen. Anno 1609. is volgens besluijt van Paus Paulus de 5=de de titul van Bisschop der Kerke van Angema„ „le verwisseld met die van Aards Bisschop van Cranganoor, en A=o 1617 is gem: Aardsbisschop gestor„ „ven Anno 1617 is de Pater Jesuit Hieronimus xa„ „vierre meede een spansaard tot het Aards bisschop„ „schap van Cranganoor verkooren dog in 't zelvde Jaar te Goa overleeden. Anno 1678. is on, het Cranganoorse Aardbisdom in bezit teneemen en te regeeren, veroodent de Pater Jesuit Stephanus de Britto, een gebooren portugees; deze is Anno 1634 overleeden. Anno 1636. heeft zijn plaats bekleed den pater Jesuit Franciscu Garzia Mendes; deze is na een bij na 23. Jaarige regeering Anno 1659 te Cochim overleeden. Na de dood van dezen, is tot het Jaar 1701. niemand der Jesuiten tot deze waardigheijd verheven. Jntusschen hebben de vicarie Apostolici, als Nards„ Bisschoppen van Cranganoor, het gebied over de kerken gehad; waar van hier onder nader staat gesprooken te worden Anno 1701. heeft de alhier lange Jaaren te vooren geweest zijnde pater Jesuit en Missionaris onder de Chris„ geleegen P. „tenen F P vervolg 1

NL-HaNA_1.04.02_3619_0137 view scan ↗

English

254 820. ... bishops are where the Jesuits have settled had to leave the country is of the order of the Franciscans: who live very soberly two of that order are still here only in being a certain Johannes de Ribeirs, a Portuguese by birth, brought the dignity of Archbishop of Cranganoor back to the Jesuits again. Anno 1724. in his place the Jesuit Father Antonius Limentel was elevated to Archbishop of Cranganoor and died Anno 1751. Anno 1752: he was succeeded by the Jesuit Father Johannes Aloisius and passed away A=o 1755. Anno 1756. in his place was chosen the Jesuit Father Salvador à Regibus, a born Portuguese, who governed the Archdiocese of Cranganoor with great prudence until A=o 1777., and then died at an advanced age. This Archdiocese has under it 36 Syrian churches, all of which acknowledge the Pope as their head, preserving their old church ceremonies; two of these 36 churches belong in part under the Vicar Apostolic or Bishop at Parapolij, and 7 of these 36 are half under the Syrian Bishop, the Syrian Cattanars also performing their religious services therein around Cochim and elsewhere. The Jesuits who had to leave these lands upon our arrival here have since not only returned, but have also obtained the government of the Archdiocese, and have settled outside the Company's territory, or properly speaking at Ambelecatte, a village three hours above Cranganoor, indeed spreading themselves again throughout almost all of Mallabaar by establishing a seminary in the above-mentioned place Ambelecatte; they taught the Mallabaar youth there in all sciences and languages for free, whereby almost all native priests have been instilled with their sentiments. Currently, as far as we are aware, no one of this order is here any longer except the German Father Matthias Scherpenzeel and the Father Rector who, upon the dissolution of the Jesuit order, having altered their attire slightly, now call themselves ex-Jesuits. Because these Fathers for some years have not drawn their annual salary from the King of Portugal, and the money which they received from their fellow brethren at Goa before their departure for Lisbon is now much diminished and probably exhausted, they must manage very meagerly, as they have only small revenues from their churches. Of the order of the Franciscans there is, as far as I know, no priest or bishop hereabouts, as the two fathers of this order who upon the capture of this city obtained permission to remain in the city and to officiate in the Great Church, not long thereafter abandoned their church and departed from here, so that the Company as the next party thereto took possession of that church. Mallabaar Marey 201 821. Indication of the Carmelite clergy 1676 here in the region to appoint a Roman Coadjutor were also not satisfied, and have appointed another But as regards the Discalced Carmelites, these certainly were also in this country already in Portuguese times, at least it is known that Pope Alexander the 7th Anno 1660. sent to Mallabaar the Carmelite Father Josephus à Sta Maria, to administer the Archdiocese of Cranganoor as Vicar Apostolic, under the title of Archbishop of Hierapolis, who, after a stay of three years (since he was not only hated and thwarted by the Portuguese, who preferred to see one of their own nation promoted to that dignity, but also by Mar Thome), departed again for Europe, appointing in his place first Anno 1663. a native priest named Alexander de Campo, as administrator of the Cranganoor church and Apostolic Vicar under the title of Bishop of Megara; he passed away at a very advanced age A=o 1691. Anno 1676. there arrived in Mallabaar 3 Carmelite Fathers with a passport from the Honorable Company, namely Father Bartholomeus de Spiritu Sancto, and Father Angelus Franciscus de Sta Therezia, as well as Bartholomeus Anna, Professor in the Syrian language. in A:o 1676 arrives a Carmelite father. The first of these three, after requesting and obtaining permission to enter the city, declared to the government here that he had a commission and order from the Pope to choose and appoint a Coadjutor and successor in place of the aged Bishop Alexander de Campo, but with the further addition that he had special orders from His Holiness to choose such a one as would be agreeable to the Honorable Company, wherefore he also left to the pleasure of the government to nominate whomever it might please, as then also, for many reasons and particularly to keep out the Europeans forever, the nephew of Bishop Alexander de Campo, named Matthias de Campo, was chosen for this, and to exclude the Jesuits from the Cranganoor Archdiocese as much as possible, all the churches situated under the territory of the Honorable Company were placed under him; but in such a manner that they could not be disposed of except with the express prior knowledge and approval of this government. yet the Carmelite fathers are there. It appears nevertheless from the notes of the Carmelite Fathers that they were not satisfied with this election, as the two just mentioned Fathers Anno 1677. at Mangattij chose by order of the Pope, as coadjutor and future successor of the old Bishop, a certain Raphael de Figueredo

Dutch transcription

254 820. „se bischeppen staan waar de Jesuiten zig hebben neder land hebben moeten niumen van de order der franciscanen is: welke seer sober leeven twie van die order zijn hier nog maar in weezen „tenen Johannes de Ribeirs, een Portugees van geboorte, de waardigheijd van Aardsbisschop te Cranganoor weederom op de Jesuiten gebragt. Anno 1724. is in desselfs plaats tot Aardsbisschop van Cranganoor verheeven de Pater Jesuit Antonius Limen„ „tel en gestorven Anno 1751. Anno 1752: is hem opgevolgt de Pater Jesuit Johan „nes Aloisius en overleeden A=o 1755. Anno 1756. is in dezes plaats verkooren de pater Jesuit Salvador â Regibus, een geboore Portugees, die met groot beleijd, tot A=o 1777. het Aardsbisdom van Cranganoor geregeerd heeft, en toen, in hoogen ouder„ „dom gestorven is. Dit Aandsbisdom heeft onder zig 36. sijniaansche ker„ hoe veel kerken onder de room„ ken, die alle den Paus voor hun hoofd erkennen, behou„ „dens hunne oude kerkplegtigheeden; pwee deser 36. Her„ „nen behooren voor een gedeelte onder den vicaris Apos„ „tolicus of Bisschop te Parapolij, en 7: van deze 36: staan voor de helft onder den sijnaanschen Bisschop, verrigtende de sijnaansche Cassenaar ook daar in hunne Godsdienst omstreks Cochim pen meer De Jesuiten welke met onze komst alhier dese lan„ „gpotele, t zeedert ze tes Cochimp„ den moesten ruijmen, zijn 't zedert niet alleen terug gekeerd, maar hebben ook de Regeeringe van 't etards„ „bisdom verkreegen, en zig buijten 'sComp:s gebied, of eij„ „gentlijk te Ambelecatte, een dorp drie uuren boven Cran„ „ganoor nedergezet, Ja zig genoegzaam wederom geheel Mallabaar verspreijd, door het opregten van een seminari„ „um in boven gem: plaats ambelecatte, zij onderweezen aldaar de Mallabaarse Jeugd in alle weetenschappen en taalen voor niet, waar door dan genoegzaam alle Jnlandse Priesters, haare gevoelens ingeboesemnt zijn geworden. Jans heeft men van deze order hier, zoo veel wij bewust is, niemand meer van den Duijtsen Pater Matthias scherpenzeel, en de pater Rector dewelke, mits de ver„ „nietiginge van de Jesuitse: ordre, hunne kleeder dragd den weijnig veranderd hebbende, zig nu ex sesuiten noemen Door dat deze Pater zederd eenige Jaaren hun Jaar„ „lijk Loon van den koning van Portugal niet hebben getrokken, en het geld „ dat zij van hunne meede Broeders te Goa, voor hun vertrek na Liscabon hebben ontfangen, nu zeer gemindert en waarschijnlijk op is, zo moeten zij zig zeer zober behelpen, alzo zij van hunne ver„ „ken maar geringe inkomsten hebben. van de order der francisscanen, is, zo veel ik weet, hier omstreeks geen Priester of Bisschop, alzo de twee paters van deze ordre die bij d' overneeming van deese stad vrijheijd verkreegen hadden, om in de stad te moogen blijven en in de Groote kerk dienst te doen, niet lange daar na haare kerk verlaaten hebben, en van hier vertrokken zijn, zo dat de Comp: als den naaste daarboe„ die kerk in bezit genomen heeft. Mallabaar Marey 2ot 821. Aanwijsing der Carmalitsae gees„ 1676 hiet zen gewest om een roomsen Coadsietor aan te stellen meeden niet te vreeden gevest, en hebben een ander aangesteld Maar wat belangd den ongeschoeide Carmelie„ „telijken die't zedert a:o 166 tot „ ten, deze zijn hier te lande zeekerlijk, ook al in de Por„ „tugeeze tijden geweest, ten minsten dit is bekend, dat Paus Alexander de 7=de Anno 1660. na de Mallabaar gezonden heeft, den Pater Carmeliet Josephus à Sta Maria, om als vi„ „carius Apostolicus, het Canganoors Aardsbisdom te bestieren, onder den titul van Aardbisschop van Tie„ „rapolia, dewelke, na een verblijf van drie Jaaren (alzoo hij niet alleen van de Portugeezen, die liever eenen van hunne Natie tot die waardigheijd gevordert zagen, maar ook van Mar thome gehaat en gedwarsboomd wierd) werden na Europa vertrokken is, stellende in zijn plaats eerst aan Anno 1663. een Jnlandsen Priester genaamd Ale„ „xander de Campo, tot bestierder der Cranganooose kerk en apostolischen vicaris onder de Titul van Bisschap van Megara deze is in eenen zeer hoogen ouder„ „dom A=o 1691. overleeden. Anno 1676. quamen op de Mallabaar 3. Carmelites Laters met een paspoort van d'E Comp:, namelijk fre Bartholomeus de Spiritie fancko, en Jre Angelus Franciscus de s=ta Cherezia, als meede Bartholo„ „meus Anna, Professor in de Cijpiaansche Jaal. in A:o 1676 komt een Caampelik pater De eerste dezer drie, na verzogte en verkreegene vrijheijd om in de stad te moogen komen, verklaar„ „den aan de Regeeringe alhier, van den Laus last en order te hebben, om een Coadjutor en opvolger in plaatse van den afgeleefden Bisschop Alexander de Campo te kie„ „zen en aatestellen, dog met nadere bijvoeging, dat hij bijzonder bevel van zijne Heijligheijd had, omzo„ „danig eenen te verkiesen, die de E: Comp: zoude aange„ „naam zijn, waarom hij ook aan het welgevallen van de Regeeringe overliet te nomineeren, wien dezelve mogte behaagen, gelijk dan ook, om veele reedenen en bijzonderlijk, om voor altijd de Europeesen buijten te houden, den Neef van den Bisschop Alexander de Campo, gen:t Matthias de: Campo daar toe ver„ „kooren wierd, en om de Jesuiten van het Cranganoors„ Aardsbisdom zo veel mogelijk uijttesluijten, zo wierden alle den kerken, staande, onder het gebied van de E: Comp:, onder den zelven gesteld; dog zodanig dat niet over deselve mogt werden gedisponeert, dan met uijtdrukkelijke voor kennis, en goed vinden van deze Regeeringe. dogen paters Carmeliten zijn daar Het blijkt nogtans uijt de aanteekeningen der Laters Carmeliten, dat zij met dese verkiezinge, niet zijn te vreeden geweest, alzoo de twee even gem: Paters Anno 1677. te Mangattij tot Medehelper en aanstaande opvolger van den ouden Bisschop uijt last van den Paus verkoosen, eenen Raphael de figa„ „de 1de E „redo

NL-HaNA_1.04.02_3619_0139 view scan ↗

English

269 822. Appointment of a Father Didacus as Archbishop of Cranganore. The Carmelites are permitted to work, teach, and convert here. Father Angelus Franciscus de S.ta Theresia appointed as bishop. Redo Salgado, formerly Canon, visitor and Governor of the vacant Episcopal See of Cochin, under the title of Bishop of Adnimeta and Apostolic Vicar of the churches of Cranganore; but he died in the year 1643. In the year 1694, under the title of Archbishop of Cranganore, Father Didacus ab Annuntiatione was inaugurated, an alumnus of the Congregation of the Holy Evangelist John in Portugal, who, after having held the episcopal dignity for 7 years, voluntarily abdicated from the same. From a letter of the Assembly of the Lords Seventeen in Amsterdam of 8 April 1648, written to the Government here, it appears that to Lord Pieter Paul de Palma, Archbishop of Ancyra, Privy Councillor to the Emperor and His Imperial Majesty's Envoy Extraordinary to the Kings of Persia and Ethiopia, as well as to the Great Mogul, upon the request and promise of His Imperial Majesty that Protestants living in His lands shall be granted free exercise of religion, it has been allowed, and by open Act freedom has been granted, to the exclusion of all other Roman clergy, to send to these lands, as before, some priests of the order of the Discalced Carmelites. Their number, beyond the four that were here, was fixed at six or eight, but on the condition that the aforesaid Carmelites must all be Netherlanders, Germans, or Italians, and acceptable to the Honourable Company, and that they shall be obliged to submit to and obey the orders and regulations of the same Company, in the same manner as all other inhabitants are bound to do. In the year 1701, in place of the aforementioned Archbishop Didacus ab Annuntiatione, in the Apostolic Vicariate, under the title of Bishop of Metellopolis, succeeded the Carmelite Father Fra Angelus Franciscus de S:ta Theresia, who until the year 1704 had jurisdiction over the churches of the Malabar mountains. But Didacus ab Annuntiatione having written to Rome that everything here was ruled in peace by him, an order came from Rome that Fra Angelus Franciscus de S:ta Theresia had to surrender the government back to the Archbishop, which command he also obeyed. But seeing that the greatest part of the Christians in the course of time went over again to the schismatic church (for the Romanists call the Syrian Christians schismatic), and having given notice of this to His Holiness, he again in the year 1711 took upon himself the government of the Churches of the Malabar mountains as Vicar Apostolic.

Dutch transcription

269 822. aanstelling van eenen pater didacus tot aardsbisschop van Cranganoor aan de Carmelieten is vergund werken „liet angelus franciscus de St Thereista tot bisschap „redo salgado, wel eer Canonik, visitateur en Gouver„ „neur van de leedig zijnde Bisschops-stoel van Cochim, onder den Titul van Bisschop van Adnimeta en Apos„ „tolise visaris der kerken van Cranganoor; dog deze is anno 1643. gestorven. Anno 1694. is met de titul van Aards-bisschop van Cranganoor ingehuldigt, de Later Didacus ab An„ „nuntiatione, een voedsterling van de Congregatie van den H: Evangelist Johannes in Portugal, die de Bisschoppelijke waardigheijd, na 7. Jaaren bekleed te hebben, van dezelve vrijwillig afstand doed. Uijt een brief van de Vergadering der Heeren Te„ hier te leeraar en bekenig te ben„ venthienen te Amsterdam van den 8. April 1648. — aan de Regeering alhier geschreeven, blijkt, dat aan den Heer Pieter Paul de Palma Hardsbisschop van Ancijre, secreete Raad van den keijzer en hoogst desselfs Envose extra ordinair aan de Koninge van Persien en Ethiopiëen, als meede aan den Grooten Mogel„ op verzoek en belofte van zijnen keijzerlijke Majesteijd, dat aan de Protestanten in Hoogst desselfs landen woo„ „nende, vrije oeffening van Godsdienst zal vergund worden, is toegestaan, en bij opene Acte vrijheijd verleend, om, met uijtsluiting van alle andere Roomse Geestelijken, na deze landen, gelijk bevoorens, te mogen zenden eenige Priester van den order der ongeschoude Carmeliten, met de Camelits fustlijkje vn welker getal, boven de vier die hier waaren, wierd be„ „derlanders hoogdukchers of staliang paald op ses of agt: dog onder die mits, dat de voor gem: Carmeliten alle zullen moeten zijn Nederlanders, Hoogduijtschers of Nalianen mitsgaders de E: Comp: aangenaam en dat zij gehouden zullen weezen, haar te onderwerpen en op tevolgen de ordres en reglementen van deselve Comp:, zo, en gelijk alle andere ingezee„ „tenen, dat schuldig zijn te doen. Anno 1701. is in de plaats van voorschr: Aards„ ansigling van de pater Carmer bioschop Didacus ab Annuntiatione, in het Apostolis vicariaat, met den Titul van Bisschop van Mettepolis opgevolgt, de Later Carmeliet Jre Ange„ „lus Franciscus de S:t Cherezia, welk tot het Jaar 1704. het gebied gehad heeft, over de kerken van 't Malla„ „baars gebergte; dog Didacus ab. Anuntiatione naar Rome„ geschreeven hebbende, dat hier alle door hem in ruste bestierd wierd, kwam er uijt Rome order dat Jre Angelus Franciscus de S:t Therezia, het bestier weder aan de Hardsbisschop overgeven moest, welk last hij ook gehoorzaamde: maar ziende, dat het grootste gedeelte der Christenen in vervolg van tijd, wederom tot de schismatise kerke /:immers de Roomse, noemen de sijnaanen schismatiee:/ overging, en hier van aan zijn Heijligheijd kennis gegeven hebbende, heeft hij wederom Anno 1711. de Regeering der Kerken van 't Mallabaars gebergte, als nicarius Apostolicus op welker zig zijn

NL-HaNA_1.04.02_3619_0140 view scan ↗

English

/65 823 The Syrians have made known the vexations and persecutions of the Jesuits, and requested that no one else should govern their churches, against the Jesuits with the Pope, and seated at Warapolij in 1776, the appointment of Johannes Baptista, and their request to let the churches be governed by Bishop Fra Angelus, and assumed, and died in the following year 1712. In the above-mentioned year 1704, the so-called schismatic Christians, having fallen away from the Roman Court, gathered with their Bishop Mar Thome in the church of the Holy Martyr Gregorius at Repolin, and wrote a petition to the Pope, complaining therein that, on account of the manifold harassment by the Paulists, they had long been compelled to separate themselves from the Roman Church. Furthermore, they thanked His Holiness for the dispatch of the Carmelite Fathers hither, requesting at the same time that they might retain their ancient church customs, and that no one else might govern their churches of the Malabar mountains except only Mar Thome and Bishop Fra Angelus of Saint Therezia; which petition, besides by Mar Thome, was also signed by as many as 82 priests of the principal churches. On that occasion, the Roman-minded laymen also sent a petition to the Pope, requesting among other things to be relieved from the Jesuit government, stating at the same time that, through the agency of the Carmelite Fathers after the disputes that had arisen, 71 churches were still entirely subject to the Pope, and in addition another 18, one half of which consisted of Roman Syrians and the other half of schismatics; and that the remaining 28 belonged solely to the last-mentioned, though these nevertheless could easily be brought under the obedience of His Holiness by the good example and the zeal of the Carmelite Fathers. And since the Malabar Church is divided into two, namely into a southern and a northern part, as into two dioceses, they also requested that the same might be governed by the two Bishops, namely Fra Angelus of Saint Therezia and Mar Thome. In the year 1714, Pope Clement XI appointed the Carmelite Father Johannes Baptista Maria of Saint Therezia as Vicar Apostolic to govern the churches of the Malabar mountains, with the title of Bishop of Limira, who passed away in the month of April 1750 at Warapolij. In the year 1752, the Carmelite Father Fra Florentius of Jesus, a Pole by birth, was chosen in his place with the title of Bishop of Areopolis; he, having valiantly struggled through very many difficulties, died in the month of July 1773 at Warapolij, with whom I have spoken more than once, and who also appeared to me to be a very edifying and knowledgeable man. Since then, the episcopal see was administered by the

Dutch transcription

/65 823 De sijn anen hebben te kennen gegeeven geseeden on de guelingen en sesiten en versogt, dat niemand ghder, als kitis schap han kerken mogten regeeren tegens den sesuiten bij den pans„ „schop en steckt op Warapolij is 1776 aanstelling van Johannes Ba„ en derselver versoek, de Merken te laaten regeeren door den Bisschop Tre angeluis en Maaskome„ zig genomen, en is in het volgende Jaar 1712. komen te overleijden. Jn het boven. gem: Jaar 1704. vergaderden de zo daften van den roomsen Hof wgen, genaamde schismatise Christenen met hunnen Bisschop Max Jhome in den werk van den H: Mar„ „telaar Gregorius te Repolin, en schreeven een smeek„ „schrift aan den Laus, klaagende in hetzelve, dat zij weegens de menigvuldige quelling der Paulisten, voor lange genoodzaakt waaren geworden, zig van de Roomse kerk afteschijden, voorts bedankten zij zijne Tijligheid voor de zendinge der Laters Carme„ „lieten herwaards, verzoekende teffens, dat zij hunne oude kerk= gewoontens mogten blijven behouden, Mar shome en re Angelus en dat niemand anders over hunne kerken mogten van het mallabaarse gebergte regeeren als alleen Marthome en de Bisschop Jre Angelus den S=te Therezia, welk smeek„ „schrift, behalven door Mar thome, ook nog wel door 82: priesters der voornaamste kerken onder„ „teekend wierd. De Roomsgezinden leeken, zonden bij die gelegenth„ „heid ook een smeekschrift aan den Paus, verzoekende klagten van de roomse gesinden onder anderen ook van de Jezuitse regeering te mogen blijven ontslagen, bedeelende teffens, dat door toedoen van den Paters Carmeliten na den Gereezene Geschil„ „len nog 71. kerken geheellijk den Paus onderwor„ „pen waaren, en boven dien nog 18, welker eene helfte uijt Roomse Sijriaanen, en de andere helfte uijt schis„ „matiquen bestond; en dat de overige 28. alleen den laast Gem: toebehoorden, dog dat deeze nogtans gemakkelijk door het goed voorbeeld en den ijver der Laters Carme„ „lieten onder de Gehoorsaamheijd van zijnen Heijlig„ „heijd zouden kunnen gebragt worden. En dewijl de Mallabaarsche kerk gedeelt is in tween, na„ „mentlijk in een zuijdelijk en noordelijk deel, als in twee stigten; zo versogten zij ook, dat dezelve door de twee Bisschoppen, namelijk Jre Angelies de S=te Therezia en Marthome mogten geregeerd worden. Anno 1714 stelde Paus Clement de W=r den pa„ „brista tot neauinus apostolicus „ ter Carmeliet Johannes Baptista Maria de s=ta Therezia tot vicarius Apostolicus aan, om den kerken van het Mallabaarse gebergte te regeeren, met den Titul van Bisschop van Limira, dewelke in den maand April 1750 te waropolij overleeden is. Anno 1752 wierd in zijn plaats de Later Carmeliet A:o 175: wierd fte Rloventien bis, Jre Florentius à Jezu, een Polak van geboorte, ver„ „kooren met den Titul van Bisschop van Areoples; dezen na zeer veele moeijelijkheeden kloekmoediglijk door„ „worsteld te hebben, is in de maand Julij 1773. te waropo„ „lij gestorven, met welken ik meer als eers gesprooken heb, en die wij ook voorkwam een hueps stigtelijk en kundig Man te zijn. 'T zederd wierd de Bisschops-zetel bediend door uijt den

NL-HaNA_1.04.02_3619_0141 view scan ↗

English

267. 824. In the year 1775 a Franciscan, Franciscus de Sales, was nominated Bishop of Cochin by the improper Father Governor Fra Anastatius à St. Hieronimo. Thereupon, in the year 1775, Fra Franciscus de Sales came here, appointed Bishop by the Pope with the title of Bishop of Germanicia. Before his departure from Europe, on the occasion when he was in Paris, this Bishop had addressed himself to the Lord Ambassador of Their High Mightinesses at the Court of France with a memorial containing a request that he, the Bishop, and his missionaries might be granted a house in this city, in order to be able to bring their property and ecclesiastical goods into safety there in case of need, with further urgent instance to bring that memorial to the notice of Their High Mightinesses. The Lord Ambassador complied with this by letter of 1 December 1774, and Their High Mightinesses resolved in their assembly on the 7th following to have a copy of the said letter and enclosure delivered to the Lords Directors to serve for information; which letter and enclosures were thereupon sent to Batavia by the Assembly of the Seventeen by general letter of 10 April 1775, with orders to comply with that request, unless such might give rise to difficulties with the native princes, or if one might have any other considerations against that permission, in which case those considerations had to be sent over. And hereupon Their High Excellencies sent the aforementioned letter and memorial on 6 March 1776 to me and the Council, with an identical order, but adding that, whether we should grant that request or might have considerations against it, we were to communicate this directly to the Netherlands at the first opportunity. The said letter arrived here on 19 September last, at the time when the Nabob Hyder Ali Khan had invaded our possessions; wherefore I judged that for more than one reason it was better to keep this matter to myself and, finding difficulty in that permission, I set forth my considerations regarding it, according to my best knowledge, in a separate letter of 12 October 1776, addressed to the Assembly of the Seventeen, to which was replied by letter of 25 September 1778 that the same entirely deserved reflection. However, this Bishop was so prudent that, upon his arrival on this coast, when sending his papal bulls granted by Pope Clement XIV, together with his letter from His Holiness and an instrument of consecration as Bishop (which papers these Bishops are obliged to present here, in order for copies thereof to be taken by this Government), he showed as little trace of it then as afterwards. During the short time he was here, I also could not perceive the least inclination in him regarding it, so that I believe he himself never expected much from that permission. I mentioned just now his short stay here, as scarcely a year after his arrival here he fell into great discord with the European priests at Warapoly, which went so far that he departed from Warapoly and took up his residence at Mangatty in order to separate himself from the other fathers. From there, however, he returned back to Warapoly after some fathers whom he believed to have been the chief causes of those disputes had departed; where (namely at Warapoly) he then also remained until the year 1779, when the Bishop of Carman, named Fra Carlos Vanischt, arrived here from Bombay with authorization from the Pope, which he showed to me, to investigate and settle the disputes between the aforementioned Bishop and the fathers. For this purpose he proceeded from here to Warapoly, and having been occupied there for a long time in vain to effect a reconciliation, he was at last obliged to direct matters so that Bishop Franciscus de Sales resigned his office in favor of him, Vanischt, who according to the orders from Rome was to remain there, and still resides there as Administrator until further orders from the Pope. Under the jurisdiction of this Bishop, or as he is generally called here after his place of residence, the Bishop of Warapoly, are not only the 4 Latin churches that follow the Roman Catholic rites, namely: Chatliatte, Warapoly, The Chapel at Mattancherry, and Lerimani, behind the Island of Bendoerty on the other side of the river; but also another 47 Roman Catholic Syrian churches, of which 4 belong partly under the Archbishopric of Putenchera or Cranganore, and 2 are also used for half by the schismatics. Besides these, there are also more Latin churches here, which however stand solely under the dominion of the Company, namely: The Churches of Vaipen, Cruz Milagre, Balaxparto, Paliaporto, Cranganore, Paponetty, Chettua, Bendoerti.

Dutch transcription

267. 824. En A:o 175 is ren franciseur de sales Bisschop geooden in de stofd te mogen nopen „ters van Cochim van den ongevoeglijk„ den Pater Gouverneur Jre Anastatius à St. Hiernimo Daar op is anno 1775 hier gekoomen en door den Paus tot Bisschop aangesteld, Jre Franciscus de Sales met de fi„ „tel van Bisschop van Germanicia. Deze Bisschop had voor zijn vertrek uijt Europe bij gelegentheijd hij te Larijs was, zig geaddresseerd bij den Heer Ambassadeur van Haar Hoog Mogen„ „de aan het Hoff van Frankrijk met een Memorie, in„ „houdende verzoek, dat hem Bisschop en zijne zende„ die gebragt heeft een huir hier, lingen mogt vergund worden een huijs in deze stad, om„ daar in hun eijgendom en kerkelijke goederen, des noods„ „tie om die Memorie onder het oog van Haar Hoog heid verkindert is Mogende te brengen: de heer Ambassadeur voldeed hier aan, bij briev van den Eersten xber: 1774. en Haar hoog Mogende besloten ter vergaderinge van den 7. daar aan, Copia van gem: brief en bijlage aan den Heeren Bewindhebberen ter hand te doen stellen om te dienen van berigt, welken briev en bijlagen daar op door de vergaderinge van Zeventhienen bij Generaale brief van den 10:' April 1775 na Batavia gezonden wierd met Last, om aan dat verzoek te voldoen, ten waa„ „ve zulks aanlijdinge zoude kunnen geven tot moeijelijkheeden met den Jnlandse vorsten, of dat men tegen die vergunninge eenige andere Consideratien mogt hebben, in welk geval, die Consideraties dar moesten overgezonden worden: en hier op zonden Haar hoog Edelheeders, voorschr: briev en Memorie den 6: Maart 1776 aan mij en den Raad, met even zodanige aanschrij„ „vinge, dog met bijvoeginge dat wij, het zij we dat verzoek zouden toestaan, of Consideratien daar teegen mogten hebben, zulks bij eerste gelegentheijd direkt na Nederland te bedeelen, gem: briev quam hier den 19:' 7ber: Just:s inden tijd, dat de Nabad Haider Alij Chan in onze bezittinge was gevallen; dies oordeelde ik, dat het om meer als eene reden beter was, deze zaak onder mij te houden en alleen te in die vergunninge zwaarigheijd vindende, mijne Consideratien derweegens opgaf, bij aparte briev van den 12. 8ber: 1776. aan de vergaderinge van seventhienen gezigt, en waar op bij briev van den 25 7ber: 1778 gerescri„ „beerd wierd, dat deselve allezints reflectie verdienen, egter was deeze Bisschop zo voorzigtig, dat hij met zijn komst ter deeser kuste bij het toezenden van zijne pau„ „selijken Bullen, door Paus Clement de 14=e verleend, benee„ „vens zijne briev van zijne Teijligheijd en een acte van inwijinge als Bisschop (welke papieren die Bisschop„ „pen verpligt zijn hier te vertoonen, om door deeze Regeeringe Copia daar van genomen te werden:) zo min als daar na niets daar van liet blijken, Jk heb ook aan hem geduurende de korte tijd, die hij hier is ge„ in vijligheijd te kunnen brengen, met naderen instan,„ dat door de atoning van de minij behandelen, gelijk ik dan na mijne beste kennissen moesten „weest E 825. - 269 „ deeze boschop raakte in oneenigheid „reirden na Mangattij toe Carlos vanischt is onderdogt en (niet kunnenden werden afge„ Roomse Kerken die onder de Comp: Hoevul Nerken onder het ge„ „weest, geene de minste gemeestlijkheijd kunnen ont„ „waaren, zo dat ik gelooven, dat hij zig zelfs nooit veel van die vergunninge beloofd heeft. Jk melden daar eeven, van zijn kort verblijf alhier, al„ met de Europeesen pagter, en reti„ zo hij pas een Jaar van zijn aanweesen alhier, met den Europeese Puesters te Warapolij in Groote oneenigheijd geraakte, welke zo verre ging, dat hij van Warapolij vertrok, en zijn verblijf te Mangattij ging neemen, om zig van de andere Laters afftezonderen, van waar hij egter weder terug na warapolij is gekeert, na dat eenige pater, die hij meende de pootste oor„ „zaken dier oneenigheeden geweest te zijn, vertrokken waaren, alwaar (namentlijk te warapolij ) hij dan ook gebleeven is, tot het Jaar 1779, als wanneer hier van Bombaij aankwastmn, de Bisschop van Carman, in na„ welke meenighed door den bschp, me Jtre Carlos Vanischt, met qualificatie van den „dan is franciskus de Saler afgese Laus, die hij mij vertoonde, om de geschillen tusschen voorschr: Bisschop en de paters te onderzoeken en bijteleggen, ten welken eijnde hij zig van hier na warapolij begaf, en daar langen tijd te vergeefs be„ „zig geweest zijnde, om de vereenigheijd te bemer„ „ken op het laatst genoodzaakt was, het daar heenen, te devigeeren, dat de Bisschop Francisco de sales afstand deed van zijn officie, ten behoeven van hem Vanischt, die volgens de ordres van Roomen daar moest blijven, en tot als nog zig daar ophoud, als Ad„ „ministrateur tot nader order van den Paus Onder het gebied van dezen Bisschop, of gelijk „bied van en dischop van war appolij men hem hier doorgaans noemd van weegens zijn residentie plaats, den Bisschop van Warapolij, staan„ niet alleen de 4. Latijnse kerken die de Roomse kerk gebaaren volgen, namentlijk Chatliatte Warapolij De Capel op Mattancherij en Lerimani agter het Eijland Bendoertij aan de overkant van de revier maar ook nog 47. Rooms gezinde sijnaansche kerken, waar van 4. voor een gedeelte onder het Aardsbisdom van Poetenchera of Coan„ „ganoon behooren en 2. ook voor de helfte door de schismatiquen gebruijkt worden. Ook zijn er buijten des hier nog meer Latijnsche kerken, dog die alleen onder den heerschappij van de Comp: staan namelijk De Kerken van Baipin Kruz Milagre, Balaxparto, Paliaporto Cranganoor, Laponettij, Chettua „ministrateur Bendoerti staa staan

NL-HaNA_1.04.02_3619_0143 view scan ↗

English

826. 27 served Cassenaars, who they are seminary of Warapoli where priests are educated who the Roman priests are Bendoiatij And Naimaal, for although this church previously belonged to the Syrian Christians, it has since first passed over to the Roman Christians, and thereafter, by the Topasses and Christian Lascars who live there, was also brought under the protection of the Company. Mattancherij Senhora de Saude, and under it the Chapel of St. Jan Guebrado. St. Louis and under it the Chapel of St. Jago. Castella St. Andre, and under it the Chapels of Sangie. Combolie. Catoertij and Manihoorde. By whom the Roman churches are served. The Roman churches on this Coast are served by native Priests, being Topasses or Cassenaars. These last-mentioned are properly Malabars, and are also called Malabar Priests, and perform the service in the Roman Catholic Syrian churches, which belong under the Archbishop of Cranganore as well as under the Bishop of Warapoli. Yet the first-mentioned are called Topass Priests, because they are of Topass parents, except for a few Mestizos or properly sons of Roman European fathers, who have been here in the service of the Company and, being married to native Roman Catholic women, have trained their sons for the church service; these have Latin ceremonies and church solemnities, and are vicars, or Parish Priests, of the churches that stand under the Company. It nevertheless happens sometimes that, for lack of Latin Priests, the Cassenaars perform the service in these churches and administer the sacraments. In which places these two sorts are educated. These Topass priests are educated in the Seminaries of Warapoli and Poeterchera, and the Cassenaars also in a kind of Seminary, or school, in the church of Canddanattij, situated about three miles southwards from here. The Seminary of Warapoli is the best of these three, and in the same are properly two distinct Seminaries of the Carmelites, namely one for the Latin, and one for the Syrian united Christians: in the first, six, and in the second, ten youths alongside two teachers are maintained at the expense of the Congregation de Propaganda Fide, while those who are admitted above this fixed number must pay for board and tuition, until such time as they can fill vacancies: these alumni are named The number of youths who are in it to become priests. The Latin that they learn there is only common church Latin. If an individual seminarist has an inclination to learn sciences, they are well taught by the Fathers. The native vicars, upon misconduct, are removed from their office by the Bishop. Occupations of the European Fathers. Warapoli is also under the Governance. The church is visited and in the absence of a Bishop, the authority rests under the European Fathers. In what languages they study there. They are instructed in the Latin and Syrian languages, so far as is necessary to conduct church service, and furthermore they learn so much of Theology that they can be employed as Priests and Missionaries. In the Latin Seminary, Latin and Portuguese books are used, as good as the same are to be had, and in the Syrian Seminary, Malabar and Syrian writings. But because I had previously heard so much praise made of this Seminary, I inquired carefully whether they are also instructed there, besides in Theology, in any other necessary sciences, but found on the contrary that they even learn only common church Latin, and in relation to Theology, more the church solemnities than the dogmatic parts of Religion, much less natural theology, church or secular histories, and even less anything of Geography, Logic, Physics, or Metaphysics, unless a seminarist might be found who has of himself a liking for it, in which case the Fathers will indeed train such a single disciple in that to which his inclination extends, just as I have under me a map of India or properly from the Ganges to near Suratta, with the Island of Ceylon, copied by a seminarist, and quite neatly drawn, which youth has also applied himself more than the others to the Latin language, being now an ordinary Priest, so that this Seminary in itself has a greater reputation than is warranted, and one can then easily form an idea of those of Poeterchera and Canddenattij as well. If it happens that one or another vicar, or Parish Priest, does not conduct himself well, and will not reform through censure or other correction, then such a one is removed from his office, and another installed in his place; but when this occurs concerning the aforementioned churches that stand under the Company, then such may not be done without prior knowledge of the Government. All these Priests and churches are continually visited and inspected by European Priests who are sent to and fro from Rome, among whom is one who is called Father Governor, being the first among them in rank and who administers the affairs in case of illness or death of the Bishop. A part of these European Priests instruct the youth in the seminary and the rest visit the churches, inquire into the conduct, both of the vicars and of the congregations belonging to the churches, whereof they then make report to the Bishop, unless there might be matters that they can settle themselves.

Dutch transcription

826. 27 bediend Cassenaar wie die zijn seminarim van warapsolie werden van priesteel werden onderweesen rie de roomse priesters zijn Bendoiatij AnC Naimaal, want schoon deze kerk bevooren de sijnsche Christenen toebehoorde, zo is dezelve 't zee„ „dert eerst aan de Roomsche Christenen overgegaan, en daar na door de Joepassen en Christen Lascorijns die daar woonen, ook onder de protectie van DE Comp: gebragt Mattancherij Senhora de Saude, en daar onder de Capelle van St. Jan Guebrado. S:t Louis en daar onder de Capel van S:t Jago. Castella S:t Andre, en daar onder de Capellen van Sangie. Combolie. Catoertij en Manihoorde. dor we de roomden kerken werden de Roomse kerken ter dezer Custe worden, bediend door Jnlandse Priesters, zijnde Joepassen of Cassenaar /onderbouden Deze laast gem: zijn eijgendlijk Mallabaaren, en worden ook wel Mallabaarse Priesters genoemd, en doen den dienst in de Roomsgezinde Sijriaansche nerken, die zo wel onder den AardsBisschop van Cranganoor, als onder den Bisschop van warapolij. behooren. Dog de eerst gem: worden toepasse Priesters genoemd, om dat ze Joepassen ouders zijn, behalven enkelde Alixtiesen of eijgendlijk zoons van Roomse Europeesen, die hier in dienst van de Comp: geweest en met Jnlandse Roomse vrouwen getrouwd zijnde, hunne zoone tot den kerk dienst opgeleijd hebben; Deze hebben Latijnse Ceremonien en kerkplegtigheeden, en zijn vicarissen, of Parochie-Puesters, der kerken, die onder de Comp: staan, het gebeurt nogtans zomtijds, dat bij gebrek van Latijnse Priesters, de Cassenaar in deze kerken den dienst verrigten, en de sacramenten bedienen. ten welke plaasen deezen beieden zoortien Deze Joepasse priesters worden onderweesen in de Seminariums van Warapolij en PoeterChera, en de Cassenar ook in een zoort van Siminarium, of school„ in de kerk van Canddanattij, leggende omtrend drie mijlen Zuijdwaards van hier. Het Seminarium van Warapdlij is het beste van deze drie, en in het zelve zijn eijgendlijk twee onder„ het getal, der Jongelingen ie in het scheidene Seminariums der Carmelieten, als een voor de Latijnse, en een voor de sijniaanse ge-unieerde Christenen: in het eerste worden des, en in het tweeden tien Jongelingen neevens twee Leevaars onderhouden op kosten van de Congregatie de Poopaganda fide te komen, terwijl de geene die boven dit bepaald getal g'admitteerd worden, onderhouden en onder„ „wijs betalen moeten, tot tijd en wijle dezelve bij vacaturen kunnen invallen: deeze alumnen worden e genoemd in 27 827. „ven om prister te worden het laten dat ze daar leeren is maar gemeen kerk latein zo er een enkeld semmarist Jndina„ „schappen te leeren, wordenden door den Laters eel onderweesen de Jalandsen viegiiros, bij wangedrag Bezigheden van den Uurocheeren Paters „rapolij e alto aen de Goueverneusie de kerk, beloekt en bij aftujrigheid van aen Vischaop, het gezag veet in wat voor talen ze daar in stulen, in de Latijnse en Sijpiaansche taal onderweezen, voor zo veel nodig is, om den kerken dienst waarteneemen, en voorts leeren ze, zo veel van de Theologie, dat zij tot Priesters en Missionarissen kunnen gebruijkt worden: Jn het Lakijnse Geminarium worden Latijnsche en portugeezen Boeken gebruikt, zo goed als dezelve te krijgen zijn: en in het sijnaanse Ceminarium, Mallabaarse en sijnische schriften: Dan om dat ik bevoorens zo veel ophefs van dit Seminarium had hooren maken, zo heb mij nauwkeurig G'informeerd, of ze daar, be„ halven in de Theologie, ook niet in eenige andere nodige weetenschappen onderleijd worden, maar inteegendeel bevonden, dat ze er zelvs maar ge„ „meen kerk- Latijn, en niet relatie tot de Theologie, meer de kerk-plegtigheeden als wel de Dogmati„ „sche stukken van den Godsdienst, veel min de natuur„ „lijke Godgeleerdheijd kerk of wereldlijke historien, en nog minder iets van de Geographie, Logica, Phij„ „sica of Methaphijsica leeven, ten waare er een semi„ „tie krijgt eenigen andere weten „ „ narist gevonden mogt worden, die uijt zig zelfs liefhebberij heeft, als wanneer de Laters dan zo ee„ „nen en kelden Discipel, nog wel opleijden, tot dat geene, waar toe zijn genie strekt, gelijk ik een naart onder mij hebbe van Jndien of eijgendlijk van de Ganges tot bij suratta, met het Eijland Ceilon, door een seminarist gecopieerd, en damelijk Jndien het gebeurd, dat d' een of andere vicair, of werden dor denbisie uit hin vint Doop- Priester, zig niet wel gedraagd, en door Consure of andere Correctie niet beteren wild, dan word zo een; uijt zijn Ampt: gezet, en een ander daar ingesteld, maar wanneer dit geschied, omtrend de voorschree„ „ve kerken, die onder de Comp: staan, dan mag zulx wel afgezet, welke Jongeling zig ook meer als de andere op de Latijnse taal toegelegt heeft, zijnde tans ordinair Priester, zo dat dit Seminarium op zig zelfs grooter naam heeft, als er wel van gezegd word, en dan kan men ligt een denkbeeld van die van Poeter Chera en Canddenattij ook maaken. Alle deze Priesters en kerken worden bij Continua„ onder de Curopeden pates te van„ tie bezogd en gevisiteerd door Europeese Priesters die van Roomen heer en weeder gezonden worden, waar onder een is, die pater Gouverneur genoemd word, zijnde de eerste van hun in waardigheijd en die de zaa„ „ken bij ziekte of overleijden van den Bisschop waar„ „neemd. Een gedeelte van deese Europeese. Priesters onderwij„ „sen de Jeugd in het seminarium en de overige bezoeken de kerken, verneemen naar het gedrag, zo wel van den „vicarien als van de Gemeentens tot de kerken behooren„ „de, waar van ze dan aan den Bisschop rapport doen, ten waaren er zaaken mogten zijn, die ze zelvs kunnen afdoen. wel niet 2 gesteld

NL-HaNA_1.04.02_3619_0145 view scan ↗

English

275. 828. under the Company, may not with the permission of the ruler here one must not abandon this right the European fathers interfered with the Honourable Company's churches recently exercised at Aikotta European fathers must not interfere not, except with the special knowledge and permission of yet the vicars of the churches that the Company occur, thus the Bishop first of such a priest's be deposed, without their misconduct must give proper notice to the ruler here, knowledge to whom then, after the same has been found true upon inquiry made among the congregation, it is usually requested to propose another, whom one usually accepts and is then appointed thereto by written act by the ruler here, which right one must not let out of hand, however much that clergy seeks to wrest this insensibly from us; indeed one need not even permit that the Bishop, or the Priests of Warapolij, interfere in the least with nor also allow, that the bishops the Company's churches, or visit the same, much less take cognizance of the conduct of our vicars, because one can always know enough of such from the congregation, or those who represent the congregation, just as little as in the Netherlands the Roman See, or any neighbouring Bishop, would be permitted to arrogate to himself the slightest authority over the Roman churches and Priests that are permitted in our Netherlands; so that the visiting of those churches, and the taking cognizance of the conduct of the vicars is only passed connivendo, yet ought gradually to be diminished, and lastly, completely prevented; concerning a certain case, that such just as I recently declared openly null and void the conduct of the present Bishop concerning a subject of the Company in the Honourable church of Aijkotta, wherein he had proceeded rather despotically and too arbitrarily, and ordered our vicar not to permit any authority of Warapolij in his church, much less to obey it, which that prelate had not expected, and in his manner took very ill, yet has had the consequence that since then, as far as I am aware, he has no longer interfered so much with our churches, and I do not doubt, if he should make another attempt, and be exposed again in such a manner, whether he will then completely refrain from making a third attempt in the future. There is still something one must take care of, namely, one must also take care that the that the European Priests do not interfere with the money and finances of the with the money and finances of the churches; for every church has some of the most prominent persons from the congregation, by way of elders of the people, and who represent the congregation, who together with the vicar have the superintendence over the lands and gardens belonging to each church, and in a word, who handle the expenditure and receipt, and render an account thereof to the congregation once a year; when the European Priests come to visit the churches, then some have now and then pretended

Dutch transcription

275. 828. sonder den Comp: staan, mogen niet „ming van de gebieder hier dit regt moet men niet laten varen de Europeese patero zig bemoide met E Comp:s kerken Jongst op Aikotta geExteerd Europeese patero zig niet bemoeien niet, als met speciaale kennisse en toestemminge van dog vicairossen van de terken die de Comp: geschieden, alzoo de Bisschop eerst van zo een pries„ afgezet worden, zonder horslem „ „ ters wangedrag aan den gebieder alhier behoorlijke ker„ „nisse geven moet, aan wien dan, na dat het zelve, na gedaan onderzoek bij de gemeente waar bevonden is, door„ „gaans verzogd word, om een ander voortedraagen, die men doorgaans accepteerd en dan bij schriftelijke Acte, door den gebieder alhier daar toe aangesteld word, welk hegt men niet uijt de hand geven moet, hoe zeer die Geeste„ „lijkheijd, ons zulx ongevoelig tragt te ontwangen zelvs behoefd men niet eens toetelaaten dat de Bis„ „schop, of de Priesters van warapolij, zig het minste met nog book boistag, dat de bischoppeofs Comp:s kerken bemoeijen, of dezelve bezoeken, veel min kennis neemen van het gedrag onzer vigairen, om dat men zulx van de gemeente, of die de gemeente represen„ „teeren, altoos genoeg weeten kan, zo min als in Ne„ „derland de Roomse stoel, of eenig nabuurig Bis„ „schop, zig het geringste gezag over de roomse Ner„ „ken en Priesters, die in onze Neederlanden geper„ „mitteerd zijn, zouden, mogen aanmatigen; zo dat het bezoeken van die kerken, en het kennis neemen van het gedrag der vigairen ook maar Connivendo gepasseerd word, dog gaande weg weder diend ver„ „minderd, en laatstelijk, ten eenemaal belet terworden zeeker geval rakenden, dat sucx ect gelijk ik dan onlangs het gedrag van den tegens„ „woordigen Bisschop omtrend een onderdaan van de Comp: in haar Edele Kerk van Aijkotta, waar in hij al vrij wat dispotick en te willekeurig had te werk gegaan, opentlijk voor nul verklaard en onze vigair gelast hebbe, in zijn kerk geen Gezag van Warapolij toetestaan, veel min te obedieeren, het geen die Poelaat niet gedagt, en op zijn wijze zeer kwalijk genomen heeft, egter van dat gevolg is ge„ „weest, dat hij 't zeedert, zoo veel mij bewust is, zig met onze kerken, zo veel niet meer bemoeijd, en ik twijffele niet, indien hij weeder eens een tentamen mogt doen, en daar in weder zodanig ten toon ge„ „steld word, of hij zal dan voortaan wel ten eene„ „maal afzien, om een derde tentamen tedoen. Nog is er iets waar voor men zorgen moet, na„ ook moet magn zog dragen dat den „ mendlijk dat de Europeeze Priesters zig niet be„ met het geld en de franties der „ moeijen met het geld en finanties der kerken; want ieder nerk heeft eenige van de voornaam„ „ste Perzoonen uijt de Gemeente, bij wijze van oudstens des volks, en die de Gemeente reprezen„ „teeren, dewelke met den vicair tezamen, het opzigt hebben over de Landerijen en Thuijnen, tot ieder kerk behoorende, en met een woord, die den uijtgaav en ontfangst doen, en daar van aan de gemeente eenmaal 's Jaars reekeninge doen, wanneer de Europeese Priesters de kerken komen bezoeken, dan hebben zommige nue en dan wel eens Compt gepretendeert

NL-HaNA_1.04.02_3619_0146 view scan ↗

English

277 829 [illegible] to forbid this, as before the bishop was received by the commander. This made him and the priests bold to try to gain supervision over the Company's churches here, but this was rejected and Their High Excellencies ordered them to be kept out of those churches. The Company reduces [illegible] pretended to have direction over that administration, through which, on account of the respect held for them, they played the master and advantaged themselves, about which the administrators of the church, as well as the bishop, were already ordered [illegible]. The church properties originated from charitable gifts and legacies of the congregation, and for that reason I forbade the European priests to meddle with them, and furthermore warned the bishop to forbid the priests from interfering with the church accounts. When I arrived here, the Bishop of Warapolij enjoyed so much prestige that when paying a visit to the Commander, he was fetched by two members of the Council in a carriage and escorted to the house of the Commander, where the so-called Lifeguard, which existed at that time, stood stationed under the command of an officer; by whom, as well as by the main guard when the Bishop passed them, arms were presented, and the customary salute with spontaneous honors was given by the officers, and upon ascending the steps, he was saluted from the town ramparts with 4 cannon shots, as is recorded in the Daily Register of that time. Meanwhile, both the Bishop and the other Roman priests had acquired so much influence that they despotically exercised particular management over the Company's churches and direction over the vicars, just as over their own churches, so that the vicar scarcely dared to complain. I immediately abolished that carriage escort, and gradually and imperceptibly reduced the authority over our churches, namely the outward honors paid to the Bishop; I say gradually, for however easily and quickly an improper practice or abuse can creep in through indulgence, it is just as difficult to restore such things immediately, especially since the Roman clergy have much influence over the Roman Christians, who make up a very large number here, and in critical times can sometimes do as much harm as good. Nevertheless, I think it necessary that our rights and authority over those churches must be absolutely maintained, and the Roman clergy kept out of them, because they are always striving to gradually gain the upper hand in everything and make themselves independent, which cannot be tolerated, not to mention that this would only give a foothold to the Portuguese clergy, who would gladly intrude themselves here, but for reasons of state must by no means be permitted. Regarding this matter, I refer to what I wrote to Batavia in a letter of 31 March 1780, showing that the Archbishop of Goa had attempted through the channel of the court of Portugal to gain supervision over our churches, which request I flatly turned down from the very beginning, and Their High Excellencies, by a separate letter of 30 September following, recommended directly opposing such innovations, especially in these present times. 279 830 Among the Roman Christians one must also reckon the Topasses living around here and along this coast. Who the Topasses are: they are descended from the Portuguese, some having been slaves of the Portuguese and freed by them, and others were procreated through mixing with native women, so that they belong rather to the natives of the country than to foreigners. Since the departure of the Portuguese from this coast, they have assumed the names of their former masters or of old Portuguese families, so that there are few great lineages in Portugal whose names are not also found among these Topasses. They also generally still speak Portuguese, or as it is called here, Low Portuguese, yet dress in the European manner, though mostly barefoot with a white linen cap on the head and a hat over it. A great number of these Topasses are found along the Malabar Coast, particularly on the seaside and near the Company's ports. Many also live in and around the city of Cochin, where they earn their living in all kinds of trades, there being many carpenters, masons, smiths, coppersmiths, tailors, shoemakers, etc. among them. Among them are also some who earn a living solely by making decorations for feast days in the Roman churches, as well as for weddings and other extraordinary occasions among us, in which they are very skilled. Many also maintain themselves by agriculture, and some take service with the Company as soldiers, though these are generally a lazy and poor sort of people who know no trade or do not want to work and therefore take service out of necessity. In garrison they are still useful enough to stand sentry, but in the field and under fire I would place no trust in them. Besides this, they lean toward the Portuguese, are Portuguese in their hearts, and are staunchly Roman Catholic. Where they live and in what trades: this can best be seen when Portuguese from Goa or elsewhere arrive here, for then one sees them truly in their element. Their religion is, as said, Roman, having been made proselytes by the Portuguese, to which religion they are still so firmly devoted that they practice it passionately.

Dutch transcription

277 829 de do desen de e egenente te verblieden zulx to door „vorens der bisschop wierd ontvangen gekieders dit heeft hem en de patero stout gemaakt het opsigt over 's Comp:s kerken hhie te krijgen, maar is afgeweesen en door Haar hoog Edelheeders gelandeert uit die terken te bouden de Comp: vermindert war tal zij daar in oomen peelen, gepretendeert directie in die administratie te hebben, waar door ze dan uijt hoofde van d' eerbied, die men voor hun heeft, den baas: speelden en zig bevoordeelden, waar over de Administrateurs van de herk, zo min, de Goederen van de kerk, uijt liefde gaaven en ver„ de bischop is rets geecommandert maakinge van de gemeente voortgekomen zijn, en daarom heb ik de Europeese Priesters belet, zig daar meede te bemoeijen, en ten overvloede den Bisschop gewaar„ „schouwd om de Priesters te verbieden zig met de kerk reekeningen te bemoeijen Toen ik hier kwam, had de Bisschop van Warapolij zoo veel aanzien, dat hij bij den Gebieder een visite afleggen„ met hoodanigen eerbewisingen ben„de, door twee Leeden uijt den Raad met een tijtuijg als ijen wate keren don bij off afgehaald en geconduiceerd wierd na het huijs„ van den gebieder, alwaar de zo genaamde Lijfwagt, wel„ „ke en te dier tijd was, onder Commando van een officier gezancheerd stond; bij dewelke, zo wel als bij de hoofdwagt, toen de Bisschop dezelve passeerden, het ge„ „weer gepresenteerd, en door de officiers het gewoon salut met de spontongs gedaan, mitsgaders bij het optreeden van de stoep, van de stads-wallen met 4. Canon schooten gesalueert wierd, gelijk dat aangeteekend staat bij het Dag register van dien tijd, terwijl intusschen zo wel de Bisschop als den overi„ „ge Roomse Priesters zo veel influentie gekreegen als de vieair bij na niet klagen durfden, daar egter meedien tuijing ele estonds af geschaft, en het gezag over onze kerken Gra„ hadden, dat ze de bijzondere bestieringe over 's Comp:s kerken en de directie over de vigairen even als hun eij„ „ge kerken dispotick oessenden: het eerste namentlijk het uijtterlijk honneur van den Bisschop, heb ik aan„ „datum en ongevoelig vermindert; ik zegge padatim„ want hoe gemakkelijk enspoedig men een oneijgene zaak of misbruijkt door toegeevendheijd kan laten insluijpen, even zo moeijelijk is het om dingen van die natuur weder ten eersten te herstellen, te minder de Roomse Geestelijken op den Roomse Christenen, die hier een zeer poot getal uijtmaken, veel influëntie heb„ „ben, en in Criticque stijds-omstandigheeden zomtijds al zo veel quaad als goed kunnen doen; egter denken noorzateliskheid de koomsen gesteltijk, dat men ons regt en gezag over die kerken abso„ „lut diend te maintineeren, en de roomse Geestelijken daar uijt tehouden, om dat zij er althoos op uijt zijn, om gaande weg de land in alles te krijgen en zig onafhankelijk temaken, het geen niet gedoogt kan worden, gezwijge, dat dit maar een voet zouden geven, aan den Portugeese Geestelijkheijd, die zo gaarne zig alhier zouden willen indringen, dog om reeden van staat, hier voor al niet mag toegelaaten worden, n aards sischop van doe het getag omtrend welk artikul ik mij referiere aan het geen ik derweegens na Batavia geschreeven hebben, bij briev van den 31: maart 1780, waar bij blijkt dat hadden het 279 830 wie de toepasse zyjn trekt nade portugeesen en zijn hard room van Gos- dirst waar zo woonen in wat voor arbacht het hof van Portugal, door het Canaal van Hards-Bis„ „schop van Joa, een tentamen heeft laaten doen, om het opzigt over onze kerken te hebben, welk aanzoek ik ten eersten slad uijt van de hand geweesen hebbe, en haar hoog Edelheedens hebben bij aparte briev van den 30. 7ber: daar aan, Gerecommandeerd zulken nieu„ „reigheeden, bijzonder in deze prezente tijd in zelver voegen direct tegen te gaan Onder de Roomse Christenen moet men ook reeke„ „nen De Joepassen hier omstreeks en langs deeze kust woonagtig, en afkomstig van de Portugeezen sommi„ vrij gegeeven, en andere zijn door vermenging met in„ „landse vrouwen geprocre-eerd, zo dat ze eer tot den Naturellen van het land als tot de vreemdelingen behooren, en hebben zederd het vertoek der Portu„ „geezen van deese kust de naamen van haar oude heeren of van oude Portugeeze families aangenomen zo dat er weijnig groote geslagten in Portugaal te vinden zijn, of men vind haare namen ook onder dese Joepas„ „sen, ze spreeken ook als nog doorgaans gemeen Lor„ „tugees, of zo als men dat hier noemd, laag Porbu„ „gees, dog gaan gekleed na d' Europeeze wijze, egter meest bloots voets met een eertte linne muts op 't „ge zijn slaven van de Portugeezen geweest en door hun zommig an zier luij en hin hart„ men ook wel dienst bij de Comp: als zoldaat, dog dat hoofd, en een hoed daar op Daar word een Groot getal van deese toepassen gevonden langs de kust Mallabaar, voornaamentlijk aan de Zeekant, en bij de porten van de Comp:, ook woonen en veele in en rondom de stad Cochim, die zig geneeven met allerlij Ambagten, als zijnde onder huen veele Jimmerlieden, Metselaar, smeeden, kooperslagers, kleermaakers,„ schoenmakers etc:a Men heeft onder hun ook zommige, die zig alleen geneeven met vercieringe bij feestdagen in de Roomsche kerken, zo meede op bruijloften, en andere extra. ordinaire geleegentheeden onder ons, temaaken, waar toe ze zeer habiel zijn; veele Geneeren zig ook met den Landbouw, en zommige nee„ is doorgaans Luij en slegt volkje, het welk geen am„ „bagt kan, of niet werken wild, en daarom uijt nood dienst neemd; Jn 't Guamizoen zijn ze nog wel te ge„ „bruijken om op schildwagt te staan, maar te velden en in 't vuur, zoude ik er niets opbetrouwen; buijten „des, zo hebben ze den Portiegeezen aardrijgen, en zijn portugees in hun hart, het geen men best zien kan, als hier Portugeezen van Goa, of elders komen, wand dan ziet men ze regt in hun Element. Hunne Religie is, gelijk gezegd is, Rooms, als zijnde door de portugeezen tot proseliten gemaakt, aan welke Godsdienst, ze nog zo vast verslaaft zijn, hoofd dat Zoeffenen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0148 view scan ↗

English

that they can by no means be dissuaded from it; indeed, their superstition far exceeds that of the Portuguese and Spaniards. They were formerly governed on their own by a bishop, who had his cathedral church within the city of Cochin, just as that of the Saint Thomas Christians formerly had theirs within Cranganore. Upon the conquest of the city, these people were accepted as the Company's subjects and citizens, and were left to the free exercise of their religion. Appointed over them is now one captain, two lieutenants, four ensigns, and other non-commissioned officers, making together a number of around 450 men, whom during my administration I had muster annually for a month under the Company's arms to teach them the handling of the musket. However, if they should ever be called to arms in case of emergency, I believe that one would have a long task in bringing them together, and in such a case I would not dare count on more than the smaller half of them at the utmost. For they live mostly scattered here and there in the country, and at the slightest breach or approach of an enemy they would seek some refuge just to stay out of danger, for they are a cowardly and wretchedly faint-hearted people, full of Portuguese pride on the one hand, but who in time of need could manage just as well as the lowest Malabar in the woods or in the country, merely to avoid exposing themselves. I know best by experience how much trouble I had in the beginning to have them come under arms annually. Now concerning the foreigners. These are the Protestant Christians, Jews, Moors, and also Heathens. The Protestant Christians came to this coast with the conquest of Cochin, since which time a minister has generally been stationed in this city. The Remonstrants, Lutherans, and Mennonites also frequent this church, and thus practice the same worship with us. It is true that this happens because they have no separate church, yet there is something proper in this, as one sees them all united here. To this also greatly contributes the considerate manner of our minister Pieter Cornelisz, who takes care as far as possible not to bring up the differences that exist, but only mentions them when it is necessary, and especially that he does not then lash out at those persuasions, much less speaks contemptuously of them, but treats that subject quite amiably with a Christian tolerance, which however does not in the least resemble indifference on that point. For his Reverence, treating the dogmatic matters and rejecting those that conflict with them, confines himself only to the conflicting opinions as opinions, and not to the persons who embrace them, regarding which latter he always wishes that they might agree with us in those respects: a way of acting that is indeed edifying and truly Christian, as some are also still added to our congregation. And his Reverence's labor here is not entirely in vain, but with relation to the making of proselytes, it is quite as blessed as possibly in any place in the Indies, in proportion at least. I have seen come over to us here, be baptized, and partake of the Lord's Supper: two Mennonites, one [illegible], one Roman Catholic, three Jews, four Mohammedans, and two Heathens, altogether 13 individuals, all adult people who had their proper years of discretion. Also recently introduced here is the new rhymed version of the Psalms and the singing of the Psalms with whole and half notes. On the other hand, the burying of corpses in the church and in the city has been discontinued by setting aside two separate burial grounds outside the city, whereby, and by many other domestic precautions, this city, which was otherwise generally close, dirty, and I may well say unhealthy, is now clean everywhere and has fresh air, which must continue to be maintained. Besides a minister, one also has here two readers or comforters of the sick, a sexton, and an organist. The two last-mentioned, along with the church, have since the year 1765 been maintained out of the diaconate fund, of which, so far as I know, there is no example in the Indies, this having been arranged in this manner for the sake of economy. However, it was to be wished that the church here, as well as in other places, might be maintained by the Company, especially here, where we, in the midst of so many Roman churches that lie all around here just like the villages in the Netherlands, have no more than that single church; while even the ports of Quilon and Cranganore have no comforter of the sick, although I have taken care that religious worship is nevertheless performed there, in which regard I refer to the Malabar Resolution of 22 August 1771. And I cannot refrain from noting here how I have once and again heard the Roman Catholics speak of us with contempt on that account.

Dutch transcription

831. 28 zij hadden eertijgf een afzonderlijken disschap bij verovering van Cochin zijn ze als 'sComp:s onderdanen en burgers aangenoomen 450 koppen sterk en lcerceeren met het geweer hen te zullen vinden. hem heer predikant pieter Cornelisz uere al in de Protestant den rerk hier den god renst affert dat ze door geen middel daar van kunnen afgetrok„ „ken worden; zelfs gaat hun bij geloovigheijd die der Portugeezen en spapnsaards verre te booven. zij wierden eertijds door een Bisschop op zig zelven ge„ „regeerd, dewelke zijn Cathedraale kerk binnen de stad Cochim had, gelijk die der S„t Thomas Christenen de hunne bevoorens binnen Cranganoor hadden. Deze Lieden zijn met de verovering van de stad aangenoomen als 'sComp:s onderdanen en Burgers en gelaaten bij de vrije oeffening van hunne Godsdienst Over hun is tans gesteld een Capitain, twee Luijte„ 27 saer, odr en Capitain zijn „ mants en vier Vaendrigs en verdere onder officieren ma„ „kende te saamen uijt, een getal van omtrend 450. kop„ „pen die ik geduurende mijn bestier Jaarlijks een maand lang, onder 'sComp:s wapen hebbe doen komen, om hun de behandelinge van het geweer te leeven; dog indien ze in Cas van nood eens tot de wapens mog„ „ten geroepen worden, dan geloove ik dat men lang werk zou hebben om ze bij elkander te krijgen, en ik zou in zo een geval op niet meer als uijtterlijk dog bij nood dent: men wring van op de klijne helfte van hun durver reekenen, de„ „wijl ze meest hier en daar versprijd in het land van een vijand een goed heer, komen zouder zoeken, om levense hiet verarigt maar buijten gevaar te blijven, want het is een het ven ladeu en kwadig woet lacheus volk, aan d'eene zijde vol met Portugeeze Christenen zijn met Protestantse de verovering van Cochimop dese Cust gekomen; zedert welke tijd in deze stad doorgaans een Predi„ „kant heeft gestaan Jn deze kerk begeeven zig ook de Remonstran„ „ten, Lutheranen en Mennonisten, en oesfenen dus met ons denzelvden Godsdienst; wel is waar, dat zulx geschied, om dat zij geen afzonderlijke kerk heb„ „ben, egter is hier in iets behoorlijks, dewijl men, die alle hier als vereenigd ziet, waartoe ook veel Con„ zo veel mogelijk menageerd, om de verschillen die er plaats hebben, te berde te brengen, maar de zel„ „ve alleen te pas brengd, wanneer het noodzaa„ woonen, en bij de minste rupture of aannaderinge dog de Compileste mianiue van den „tribueerd, dat onze Predikant Pieter Cornelisz: zig hovaardij, dog dat in tijd van nood zig zo goed als den Geringste Mallabaar in het bosch of in het land zouden kunnen behelpen, om zig maar niet te exponeeren; Jk weet best bij ondervindinge, hoe veel werk ik in den beginne gehad hebbe, om hun Jaarlijks onder de wapenen te doen komen. Wat nu aangaat. De Preemdelingen, Deze zijn homst de prstestanten der op oetin De Protestantse Christenen, Jooden Moozen en ook Heijdenen hovecardij „kelijk De 832. 283. tot de Protestantden werk overgebragt psalmen hebben geen krankbesoeker senden gondomen heet hol viel hooms ge„ dia conen onderhond is de serk „kelijk is, en inzonderheijd dat hij, als dan niet uijtvaar op die gezindheeden veel min van dezelve veragtelijk spreekt maar dat artikul regt vriendelijk behandeld met een Christelijke verdraagzaamheijd, die egter in 't geheel niet zweemd na onverschilligheijd in dat stuk, alzoo zijn Eerw: de Dogmaksche stukken verhandelen„ „de, en de geene die daar tegen strijden, verwerpende, zig maar alleen bepaald, tot de strijdende gevoelens, als gevoelen en niet tot de perzoonen, die ze om„ „helden, omtrend welke laatste hij altoos winscht dat ze in die opzigten met ons mogten eens zijn: een wijze van doen, die in der daad stigtelijk en regt Chris„ om de wille van den managie word den „telijk is, gelijk er dan ook nog al eenige tot onze Je„ En zij Eeri: heeft hie al enige ,„ meente toegedaan worden, en zijn Eerw: arbijd alhier niet geheel ijdel, maar met relatie tot het maaken van Proseliten, wel zo gezegend is, als mogelijk op eenige plaats in Jndien, na proportie, ten minsten ik hebbe hier tot ons zien overkomen, doopen en het Nagtmaal des Heeren genieten, twee Mennonisten, een Iuriaan, een Roomsgezinde, drie Jooden, vier Machomedaanen en twee seijdenen, tezamen 13 stux alle volwasse Lieden, en die hunne behoorlijke Jaa„ „ven van onderscheid hadden. Ook is hier onlangs de Nieuwe Psalm beveij„ imopering van den nieuw berzijnden „ minge en het zingen der Psalmen met heele en halve nooten ingevoerd, dog daar en teegen buijten gebruijk gebragt, het begraaven der Leijken in de kerk en in de stad, door het appropriëeren van twee onderschijdene afscheffing van het bepoven een like begraafplaatsen buijten de stad, waar door, en door meer andere huijselijke voorzorgen, dese stad, die anders door„ „gaans bedompt morsig, en ik mag wel zeggen onge„ „zond was, nu overal zijn is, en een frisse lugt heeft waaraan de hand zal dienen gehouden teworden. Behalven een Predikant, heeft men ook hier twee voorleezers of krankbezoekers, een koster en organist, wordende de twee laatstgem: neevens de kerk, zeedert het Jaar 1765 uijt de Diaconijs kas onderhouden, waar reek, de kosten en een oganst oor den van in Jndie, zo veel ik wiet, geen exempel is, het geen om de wille van de meenagie in diervoegen geschikt is: egter was het te wenschen, dat de kerk alhier zo wel als op andere plaatsen, door de Comp: mogt on„ 't gegnen wonscht anders wiesen „derhouden worden, inzonderheijd hier, daar wij in 't midden van zo veele Roomse kerken die hier even als de Dorper in Nederland over al om het leggen, niet meer dan die eene enkelde kerk hebben; tewijl zelvs de porten Coilan en Cranganoor geen krankbe„ „zoeker hebben, schoon ik nog gezorgd hebbe, dat daar de porten Crlan en Cranganoor de Godsdienst even wel verrigt word, ten welken belangen mij refereeren, aan de Mallabaarse Resolutie van den 22. Augustus 1771. en ik kan niet voor- bij, hier nog aantemerken, hoe ik eens en andermaal door de Roomsgesinden daar over met veragtinge van ons, gebruik hebben

NL-HaNA_1.04.02_3619_0150 view scan ↗

English

which the Roman Catholic party speak of with contempt regarding the ministers of Cochin, it was not well done delivered the first sermon after the conquest of Cochin held names of the further ministers who were in Cochin, and in which time have heard speaking against foreign nations, who continuously arrive and depart here; besides that the poor fund here is so meager that it would not even be sufficient to maintain the orphanage and the outdoor poor, if not sometimes the poor fund is so meager some extraordinary charity was shown to the poor, which however cannot be counted upon, since such is only temporary and accidental. The Church Council of this city consists of a Political Commissioner, always being the secunde or the second person here, the Minister, two elders, and four deacons. And just as I have provided a list of the Roman clergy, so shall I let follow here a list of the ministers of our Reformed Congregation who have been here from the beginning until now, all the more because, upon confronting the church records with the account of Mr. Valentijn here, I have found that Mr. Valentijn has several errors in his list of the Cochin ministers, and may perhaps not have been well informed in that regard. Dominie Anthonius Scherius, who probably arrived here with Admiral Rijklof van Goens, delivered the first sermon here on the 23rd of that same month, after the city was conquered on 8 January 1663, and thereafter on 21 March held a solemn day of thanksgiving for the fortunate conquest of this city, Minister Anthonius Scherius whereof the Church Council here consists and thereafter held a solemn day of thanksgiving as well as administered the Holy Communion for the first time on 15 April; on 8 January 1664 his Reverence again delivered a solemn thanksgiving sermon on account of the conquest of this city, which custom is still observed annually to this day, and departed in February for Galle. Dominie Henricus Wallius arrived here in November 1663 from Colombo and also died here in July 1665. Dominie Philippus Baldeus arrived here on 28 January 1664 and must have departed again shortly thereafter, as nothing further concerning his Reverence is recorded. Dominie Jacobus Marwez and Bartholomeus Heijnen arrived here in November 1664 from Batavia for the service of the churches of Ceylon, and departed further from here for Ceylon in January 1665. Dominie Balthazar de Meter arrived here from Ceylon in February 1665; but his Reverence died in March thereafter. Dominie Marcus Mazius arrived here from Ceylon circa 1666; but was suspended and sent to Batavia in April 1675. Dominie Johannes Casearius arrived here from Ceylon in February 1669 and departed again, probably in the beginning of 1677, since his last signature is found in the church minute book of Cochin on 25 December 1676. Dominie Rudolphus Meerland arrived here from Batavia in December 1676, and departed for Ceylon in February 1692. Dominie Gerardus D'oude arrived here from Ceylon in the month of February 1692, but having since been appointed Rector of the seminary there, departed from here in the month of March 1700. Dominie Gosuinus Hupperts arrived here from Batavia in February in the year 1700, and must have departed from here again in April 1705, since his last signature is found in the church minute book of Cochin on 30 March 1705. Dominie Philippus Gooting arrived here in the year 1705 and departed in February 1717. Dominie Cornelius Petrus Schrevelius arrived here in January 1717 and died in May of the same year. Dominie Jacobus Canter Visscher arrived here in December 1717 and departed for Batavia in December 1723. Dominie Petrus Paulus van Breen arrived here in November 1723 and departed for Batavia in November 1726. Dominie Walenus Nicolai arrived here in the month of November 1726 and died in April 1736. Dominie Carel Sezilles arrived here from Batavia in March 1752 and departed for Jaffanapatnam in the beginning of 1761. Dominie Pieter Cornelisz arrived here on 3 January 1761. Dominie Johannes Philippus Wetzelius, minister at Colombo, arrived here in March 1738 to conduct divine service, and departed again in the month of April of the same year for his station. Dominie Godefridus Johannes Weijerman arrived here from Galle on 22 January 1739 and passed away three months thereafter. Dominie Johannes Scherius arrived here from Batavia in January 1740 and died in August 1746. Dominie Matthias Wermelskircher, minister at Colombo, arrived here at the request of the Government in February 1747, and having conducted divine service, departed again for Colombo. In February 1748 his Reverence came for the second time and departed again after a short time; and in the month of March 1749 his Reverence arrived here for the third time, and then returned again to Colombo after a short stay. Dominie Hermanus Griesen was called at Batavia in the year 1750 to Malabar, and departed thither in the same year with the ship Patmos, which was lost at sea with all hands. continuation continuation

Dutch transcription

833. - 483 waar over de loomse gesinde met veragting sprecken welgens de Cochimsen predikanten is niet wel geedeest heeft den eerste, predikasie na het veroveren van Cochem gedaan gehouden namens der verderen predikanten die en in welk te soff Cochim zin geweest hebbe hooren spreeken tegen vreemde Naties, die hier bij Continuatie af-en aankoomen; behalven dat het Jons van den armen alhier zo gering is, dat het zelfs niet toereijkende zoude zijn, om t' weeshuijs en de buijten armen te onderhouden, indien er hier somtijds niet het fonds den aam, is zen gering eenige buijten- gewoone weldadigheijd aan den Armen beweezen wierd, waar op egter niet te reekenen is, alzoo zulks maar temporeel, en toevallig is. De kerken Raad van deese stad bestaat uijt een Commissaris Politicus (zijnde altoos de secunde of de tweede persoon alhier / den Predikant, twee ouder„ „lingen en vier Diaconen. En zo wel ik een Lijste van de Roomse Jeestelijken opgegeeven hebbe, zo zal ik hier een lijst laten volgen van de Predikanten van onze Gereformeerde Gemeente, die hier van 't begin af tot nu toe geweest zijn, temeer om dat ik de Confrontatie der kerkelijke aanteekeningen de ofgaave van de heer Jalenthin alhier bevonden hebbe, dat den Heer Valentijn in zijne Lijst der Cochimse predikanten verscheide abuijsen heeft, en mogen„ „lijk daar omtrend niet wel g'informeerd zal zijn geweest D=s Anthonius Scherius, die waarschipnelijk met Predikant Anthonius Cedericus den Heer Admiraal Rijklof van Goens hier aange„ „komen is, heeft, na dat de stad den 8. Januarij 1663 was veroverd, den 23. ' derzelver maand, de eerste predikatie alhier en daar na er Colemnaele der noag gedaan, en den 21. Maart een solemneele dankdag gehou„ „den, weegens de gelukkige overwinninge van deeze stad, waar uit de kerken raad hier bestaat mitsgaders den 15:' April voor d' eerste maal het H: Avondmaal bediend: den 8. Januarij 1664. deed zijn Eerw: weder een solemneele dankpredikatie weegens de verovering deser stad, welke gewoonte tot heeden toe, nog 's Jaar lijnonderhouden word, en is in februarij na Sale vertrokken. D:e Henricus Wallius kwam hier in Novem„ „ber 1663. van Colombo en stiero ook hier in Julij 1665 D=r Philippus Baldeus, kwam hier den 28. Januarij 1664. en moet kort daar na weer vertrok„ „ken zijn, alzoo verder van zijn Eerw: niets aangetee„ „kend is. D: D=k Jacobus Marwez en Bartholomeus Heijnen, kwamen in November 1664. van Batavia alhier, tot dienst der kerken van Ceilon en zijn in Januarij 1665. van hier verder na Ceilon vertrokken D:l Balthazar obie de Meter kwam hier van Ceijlon in februarij 1665; dog zijn Eerus stierw in Maart daar aan. D:s Marcus Mazius Kwam hier van Ceijlon Ed=a 1666: dog wierd gesuspendeert. naar Batavia gezonden in April 1675 D=s Johannes Casearius Kwam hier van Ceijlon in februarij 1669 en vertrok weer, waarschijnelijk in 't begin van 1677. alzoo zijne laatste handteekening gevonden word, in het sterkelijk Acte Boek van mitsgaders Cochim 9 834. 287 Cochim den 25 december 1676. D:l Rudolphus Meerland, kwam van Batavia alhier in december 1676, en vertrok naar Ceijlon in feebri„ „arij 1692 D=s Gerardus D'oude, Kwam hier van Ceilon in de maand Februarij 1692, dog 't zeedert als Rector van het seminarium aldaar aangesteld zijnde, vertrok van hier in de maand Maart 1700. D=s Gosuinus Hupperts, kwam hier van Ba„ „tavia in februarij Anno 1700 en moet van hier weeder„ vertrokken zijn, in April 1705, alzoo zijne laatste handteekeninge gevonden word in het kerkelijke Acte Boek van Cochim: 30. Maart 1705. D=s Philippus Gooting arriveerde hier in 't Jaar 1705. en vertrok in februarij 1717. D=s. Cornelius Petrus Schrevelius Kwam hier in Januarij 1717. en stiew in Maij van 't zel„ „ve Jaer D: Jacobus Canter Visscher kwam hier in december 1717. en vertrok naar Batavia in decem„ „ber 1723. D=s Petrus Paulus van Breen, Kwam hier in November 1723. en vertrok naar Batavia in 9ber: 1726. D:s Walenus Nicolai, kwam hier in de maand November 1726. en stierf in April 1736. D=s Carel Sezilles kwam van Batavia hier in maart 1752; en vertrok naar Jaffanapat„ „nam in 't begin van 1761 D=s Pieter Cornelisz: kwam hier den 3. Januarij D:o Johannes Philippus Wetzelius, Predikaat te Colombo, kwam hier in Maart 1738: om den H: dienst te verrigten, en vertrok weder in de maand April van 't zelvde Jaar na zijn standplaats. Dk. Godefridus Johannes Weijerman arriveerde hier van Jale den 22. Januarij 1739 en is drie maan„ „den daar na overleeden. D:s Johannes Scherius kwam hier van Batavia in Januarij 1740. en stien in Aug=s 1746. D=s Matthias Wennels kircher Predikant te Colombo, kwam op versoek van de Regeering alhier in februarij 1747 en den H: dienst verrigt hebbende vertrok weeder naar Colombo, Jn februarij 1748 kwam zijn Eerw: voor de tweede maal en vertrok na kosten tijd: weder, en in de maand Maart 1749 kwaam zijn Eerw: hier voor de derde maal en keerde toen na een kort verblijf weeder naar Colombo. D:s Hermanus Griesen is te Batavia in 't Jaar 1750 met de mallabaar beroepen, en in 't selvde Jaar dit heen vertrokken, met het schip Pat„ „mos dat op de reijse met man en muis, gebleeven 1761 vervolg vervolg is.

NL-HaNA_1.04.02_3619_0152 view scan ↗

English

835 289 possibility that the Jews might have arrived here with the captivity, though no evidence thereof is known, and the generations of the number of Jews here after the overthrow of the commonwealth of the Jews were dispersed. 1761: and still continues as ordinary Teacher. The Reverend Bastiaan Jansz: arrived here in April 1763 to study the Portuguese language, but has since been called to the Portuguese Congregation at Batavia, and departed thither in February 1764. The Jews are the oldest of all the foreign inhabitants, and knowing their origin and the time when they arrived here lies buried in darkness; at least until now no notes of any value or monuments have been found among them that properly indicate their arrival and history on this Coast, and remove all doubts in that regard. It is possible that the first Jews arrived here with Solomon's Fleet, as Mr. Basnage assumes, or on the occasion of the Assyrian captivity of the ten tribes under Shalmaneser, or the Babylonian captivity of the two tribes under Nebuchadnezzar, as Mr. Hamilton maintains; but one does not have the slightest evidence to make these conjectures probable. On the contrary, according to the general traditions of the Malabar Jews, around 1000 souls arrived in these regions a few years after the destruction of the second Temple in Jerusalem; thus, according to this proposition, this must have occurred 70 years after the Birth of Christ, under Titus Vespasianus, when Jerusalem suffered a great destruction, or in the year 136, when said city, by order of Emperor Aelius Hadrianus, after an uprising among the Jews against the Roman Government, was entirely demolished and on its site a new city named Aelia Capitolina was built, and the Jews were forbidden on pain of death to approach within two hours of this city. Meanwhile, it is known that after the overthrow of the commonwealth of the Jews, and the destruction of the Levitical Religion, this people dispersed throughout the entire East: one finds them in multitude in Asia Minor, in Arabia, in Persia, in Great Tartary, and in China, even in the region of Rajapore. A few miles north of Bombay live black people who call themselves Israelites, and observe circumcision along with the Sabbath, but keep no other Jewish customs or laws. I have said that no monuments are found among the Malabar Jews that properly elucidate their history; notwithstanding the contents of a certain Patent by the renowned Emperor of Malabar, Cherumperumal, because the various translations thereof somewhat 836 295 reduce the value or authenticity of those pieces. This Patent usually rested among the successive elders of this people, or properly speaking under their Modliaars, and that in a chest in which the gold and silver ornaments of the synagogue were kept, which chest, moreover, was itself kept in a pandiaal, being a kind of secure place of safekeeping in the manner of a warehouse, in which the most precious goods of the merchants are safest: now, in such a pandiaal this Patent was kept when, in the year 1742, it came into the hands of the merchant Ezekiel Rahabi, who was then the first and most prominent among the Jews, and who first made it his work, when the same was translated for the first time, to have this patent translated by native linguists into the common Malabar language, from which it was subsequently rendered into the Dutch language: and of this, Mr. La Croze undoubtedly recorded through incorrect information that the supposed patent of the St. Thomas Christians was kept for some time in a warehouse and had since been lost, as I have noted in its proper place under that article. These copper plates, like the olas of the Malabars, are pierced without damaging the writing, in order to be bound with a cord; they are inscribed with engraved characters, which are still found today in the three different dialects of the Malabar speech, namely in the Tulinga, Samscrudom, and Tamil languages. Linguists do not doubt the antiquity and authenticity of this Monument, but the translations thereof, which differ greatly from one another, seem to prove that this ancient monument is nowadays difficult to explain. The following translation is from the aforementioned Jewish merchant Ezekiel Rahabi, who was a diligent researcher of everything concerning his Nation. After this, I shall provide another translation, which our second Interpreter Barend Deventer procured for me with the help of an old and learned Malabar linguist, and after that I shall add yet a third, which our First Interpreter Simon van Tongeren later procured for me with the help of a pagan scholar of Calicut, so as not to make the Jews judges in their own cause, and thereby enable the Reader to judge for himself in this doubtful matter. The first translation reads as follows: "With God's help, Who created the world, and appointed the Kings, Whom I honor. We, Eravi Wanwara, Emperor of Malabar, in

Dutch transcription

835 289 mogeleckheid dat de Jooden met wegroering hier zouden zyn gekoomen dog geen bruijsen tin er van honis en die genenatin an ee matal ra„e sooden hier hebben „keering van het gemeeren bist der is verspreid 1761: en Continueerd nog als ordinair Leeraar. D:o Bastiaan Jansz: arriveerde hier in April 1763. om de Portugeesche taal aanteleeven, dog 't zeedert beroepen in de Portugeese Gemeente te Batavia, en is in februarij 1764. derwaards vertrokken. De Jooden, zijn de oudste van alle de vreemde Jnwoon„ e een e e endende hun oorprongen dat lijstab, wanneer de zelven hier aangekoomen zijn, legd in een duijsterheijd begra„ „ven, ten minsten tot nog toe heeft men geene aantee„ „keningen van eenige waarde, nog gedenkstukken on„ „der hem gevonden, die hunne komste en geschiedenis„ „sen ter deser Custe behoorlijk aanwijzen, en alle twijffelingen daar omtrend wegneemen Het is mogelijk, dat de eerste Jooden hier gekoomen Salomons vlost ok bijden afcriscte zijn met Salomons Vloot, zo als de Heer Basnage aanneemt, ook bij geleegentheijd der Assijpische weg„ „voering der thien stammen onder salmanasser, of der Babelsche gevankenisse der twee stammen onder Nabucadnezar, zo als de Heer Hamieton wild; maar men heeft, niet de minste bewijzen, om deze Gissingen waarschijnlijk temaaken, In het te„ „gendeel, zo zouden volgens de algemeene overleeve„ huwe de Mallabaren Coten zegen „ ringen der mallabaarsche Jooden wijnige Jaaren na de verwoesting van tweeden Jempel te Jeruzalem omtrend 1000: zielen in deeze gewesten aangekoomen zijn, dus zoude zulx naar deze stelling moeten voorgevallen zijn, 70. Jaaren na Christus Geboorten, onder Titus Vespazianus, wanneer Jeruzalem eene Groote verwoesting onderging, of in 't Jaar 136. wan„ „neer gem: stad, ter ordre van den Keijzer Aelius Adrianus, na een oproep onder de Jooden tegen, den Romeijnsche Regeering, geheel gesloopt en op derzelver plaats eene nieuwe stad gen:t Aelia Capitolina gebouwd, en den Cooden op leeven straffe verbooden en het is ook bekend dat aj de om„ wierd deze stad op twee uuren te naderen: Jntris„ booren dit volk door geheloten „ schen wiet men, dat na de omkeerig van het ge„ „meene best der Jooden, en de vernieling van de Livitischen Godsdienst, dit volk zig door het geheele oosten verspreijd heeft: Men vind dezelve in me„ „nigte in klein Azie, in Arabie in Lessie, in de Groote Jartarij en in China zelvs in het Landschap Rajapoer: Eenige mijlen benoorden Bombaij, woonen swarte die zig Irailiten noemen, en de besnijde„ „nisse neevens den Sabath, dog geene andere Jood„ „sche gebruiken, nog wetten, onderhouden: Jk hebben gezegd, dat er geene gedenkstukken onder de Mal„ „labaarsche Jooden gevonden worden, die derzelver geschiedenis behoorlijk ophelderen; niet tegenstaan„ „de den inhoud van zeeker Patert door den bekenden Keijzer van de Mallabaar Cheroemperoemaal, om dat de onderscheidene vertaalingen, van dezelve Zip eenigzints 836: 295: geboogen maal is vertaalt dit patert zal hebben aangemerkt Translaat die Eachiel heeft laten doen. door diversche getranslateert niet gehuisfeld dog den verschillenen oversettingen wijnt aan dat het in een moeijlike taal geschr: is eenigzints de waerde of de egtheijd dier stukken ver; on nat unde dat pater t ge: om met een oorde vast gesonden te worden: zij zijn beschree„ „minderd Dit Latent was doorgaans berustende onder de succes„ „sive oudste deeses volks, of eijgentlijk onder hunne Mo„ „dliaaren, en dat wel in een kist, waar in de Gouden en zilvere ornementen der sinagoge wierden geborgen, welke kist booven dien zelvs bewaard wierd in een waardat ditepatert steck is pandiaal, zijnde een zoort van secuure bewaar- plaats bij wijze van een pakhuijs waar in de kostbaarste goederen der kooplieden het veijligst zijn: in zoo een pandiaal nu, was dit patert bewaard, toen het in 't Jaar 1742 quam in handen van den koopman Ezechiel Rabbij, die toen de eerste en Aanzienlijk„ „ste onder de Jooden was, en het eerste zijn werk: ge„ wanner tet zelve voor de est, maakt heeft om dit patent door vaalkundige in„ „landers in de gemeene Mallabaarse taal te laa„ „ten overzetten, waar uijt dezelve vervolgens in de Neederlandse taal overgebragt is: en hier van dan, zal de heer Lacroze ongetwijffeld door verkeerden mij deg at dat dat de heer Laemaen onderrigtinge geboekt hebbe, dat het vermeende als een van de s homas Christern patent der S=t Thomas Christenen eenigen tijd in een Pakhuijs bewaard en 't zeedert te zoek ge„ „raakt is, gelijk ik zulx ter zijner plaats onder dat artikul genoteerd hebbe: Deese kopere platen, zijn gelijk de olassen der Mal„ „labaaren, zonder het schrift te beschadigen, door boort „ven met gegraveerde Caracters, die nog heden=daags in de drie diverse Dialeeten der Mallabaarse spraak, na„ „mentlijk in de Julingische, Camserudomsche en Jamul„ „sche taal gevonden worden: De Jaalkundige twijffelen aan deoudheid van het zelve word niet aan de oudheijd, en egtheijd van dit Monument, maar de zeer val elkander verschillende vertaalingen daar van, schijnen te bewijzen, dat dit oude gederk stuk tegenwoordig moeijelijk te verklaaren is. De volgende vertaaling is van voorschreeven Joodskoop„ „man Ezechiel Rabbij die een naarstige onder„ „zoeker was van alles wat zijn Natie aanging: verscheiden versettingen van dit patut op deze zal ik laten volgen, eene andere overzettinge die onse tweede Jolk Barend Deventer mij door be „hulp van een oud en Jaalkundig Mallabaar, bezorgd heeft, en daar na zal ik er nog een derde bijvoegen, dewelke onze Eerste Jolk Simon van Jongezen mij daarna bezorgd heeft, door behulp van een heij„ „dens schriftgeleerden van Culicoet, om dus de Jooden in haare eijgene zaak niet tot Regters te stellen. en daar door den Leezer in staat stellen in deze heijf„ „felagtige zaak, zelve te oordeelen. De eerste verta„ „ling luijd aldus „ Met Gods hulpe, die den wereld geschapen „ heeft, en de Koningen aangesteld, welke ik eeze. „ wij Eraire wanwara Keijzer van de Mallabaar lb om „ in

NL-HaNA_1.04.02_3619_0154 view scan ↗

English

837 in the 36th year of our happy reign in the court of Moydincotta otherwise Coanganoon, grant this deed of privileges to the Jew Isoep Rabaar, that he may use the five colours, propagate his faith among the five castes or lineages, fire salutes of honour at all solemnities, ride upon elephants and horses, hold stately processions, make use of the herald of honour, and by day use torches, all kinds of musical instruments, as well as a large parasol, walk upon roads spread with white linen, have the staff-game played, and sit under a stately canopy. These privileges we give to Jsoep Rabbaan, and to the 72 Jewish households, provided that the rest of his nation shall be obliged to obey his commands and those of his descendants, as long as the sun shines upon the earth. This deed was given in the presence of the kings of Pevancoor, Jek Mencoir, BaddekenKoer, Calicoilan, Aringoot, Sammorijn, Palcat Cherij, and Colastrij; written by the secretary Calemk kelapen anno 3481 Nalifogam. The second translation differs in material points from the first, and would deserve more attention if one could find impartial Malabars who could confirm the authenticity of the same. But the trouble I have taken to find such persons has hitherto been in vain. The said second translation reads as follows: Translation by Barend Reventer: In the peaceful and happy time of our reign, we, Erawi wanwara, successor to the sceptres that for many hundreds of thousands of years have ruled in law and justice, whose glorious footsteps we follow, now in the second year of our reign, being the 26th year of our residence in the city of Moydiricottae, grant hereby upon the obtained good testimony of the great experience of Jozeph Rabaan, that he shall be permitted to wear long garments of five colours, use riding harnesses with their accessories, and all kinds of noble fans; he shall take precedence before the 5 lineages, burn day-lamps, walk on spread linen, make use of palanquins, canopies, sunscreens, large curved trumpets, drums, staff, and covered seating places. We give him authority over the 72 families with their temples, both to be found here and elsewhere, with the surrender of all rights to taxes on both houses; he shall lawfully enjoy all housing and hearth; all which liberties and prerogatives having been declared by this patent, 838 295 translated by Simen van Jongeren: having declared, we grant to Joseph Rabaan, head of the five lineages, and to his heirs, sons, daughters, grandchildren through the daughters, sons-in-law, with their successors, as long as the sun and moon shine; giving also all power over the five lineages, as long as the names of their descendants endure. Witnesses hereof are: the head of the land wenaddo named Comavaten Mataandden, the head of the land wenaa-odea named Codei Chericanden, the head of the land Eraala named Maana Bepalamaan, the head of the land walonaddo named Jrawaren Chaten, the head of the land Neddoeri aloer named Codei frawi, as well as the first of the lesser land rulers of the part of Coesapaddie Laawagen, being the heir of Moerkom, Chaten, named helohanden; written by the secretary named Junawendde wanaasen Naijer Kisapa Kelapa, signed by the Emperor. The third translation reads as follows: In the name of the Most High God, who created the entire world according to His pleasure, and who maintains right and justice, I, Erwij Barmen, raise my hands and thank His Majesty for the grace and blessing granted over my reign and cities. In the thirty-sixth year of my rule at Cranganoor, being in the fort Moericotta, I have, for good reasons, granted to my minister Joseph Rabaan the following privileges: that he shall be permitted to wear five-coloured fabrics, long coats, hang certain cloths upon the shoulders; shout out a sound together, use drums and small tambourines, light lights by day, spread cloths upon the road, use palanquins, parasols, trumpet, Joom, torches, burning flambeaux, and sit under a throne, and act as head over all other Jews to the number of seventy-two houses, who shall be obliged to render him the tolls and rights of the country, wherever they may be seated in the realm. These privileges I give to Joseph Rabaan and his descendants, whether male or female, as long as any of them is in the world, and the sun and moon shine upon the earth; for which reason, for an eternal memorial, I have caused the same to be written on a copper plate. As witnesses: the kings of pevancoor, Berkenkoet, sammorijn, Arangolla, Palcat Cherij, Collastrij, and Corambenaddo; written by the secretary.

Dutch transcription

837 in het 36: Jaar van onze gelukkige Regeering in „ 't hoff Moijdincotta (anders Coanganoon / verleene „deese Acte van voorregten, aan den Jood Isoep Ra„ „baar dat hij mag gebruijken de vijff Couleuren, zijn „geloof voort planten onder de vijf Casten of geslagten, „op alle plegtigheeden eere- schooten doen, op Elephan„ „„ten en paarden rijden, statelijk ommegange doen, zig „ van de eere uijtroeper bedienen en over dag pakkels, „allerlij muzikalische Jnstrumenten, als meede „een groote niepersol gebruijken, op de weeger met „wit linnen besprijd, wandelen, het stok-speel „laten speelen, en onder een statieus behangsel „zitten. Deze voorregten geeven wij aan Jsoep „ Rabbaan, en aan de 72. Joodsche huijsgezinnen, „mits dat de overige van zijne Natie, zijne en „zijner Nazaten beveelen zullen moeten gehoorsaa„ „„men, zo lang de zon den aardbodem beschijnt. Dese Acte is gegeeven ter presentie van de konin„ „„gen van Pevancoor, Jek Mencoir, BaddekenKoer, „Calicoilan, Aringoot, Sammorijn, Palcat Cherij „en Colastrij; geschreeven door den secretaris Calem„ „„k kelapen anno 3481. Nalifogam. De tweede vertaling verschilt in zakelijke stukken van d' Eerste, en zouden meer oplettentheijd verdienen wanneer men onzijdige Mallabaaren nonde vinden die de geloofwaardigheijd derselve vertaling van Barend Reventer „ Jn de rustige en gebukkige tijd onzer Regeering wij Erawi wanwara, navolger van de seepters die voor veelen hondert duijsend Jaaren in regt en geregtig„ „heijd geregeerd hebben, wier roemrijke voetstappen wij na volgen, tans in het tweede Jaar van onze „ regeering, zijnde het. 26. ste Jaar onzer Residentie „ in de stad Moijdiricottae, vergunnen bij dezen op den „ erlangde goede getuigenis der groote ervarendheijd van Jozeph Rabaan, dat deselve zal mogen dragen langen kleederen van vijf Couleuren, Rijhuijgen met „derselver toebehooren, en alle zoorten van adelijke waijers gebruiken; hij zal den rang voor de 5 ge„ „slagten hebben, daglamper branden, op gespreijd linnen wandelen, zig van Palenkins, Laijengs „zonne schermen, groote geboogde trompetten, trom„ „mels, staf en overdekte sitplaatzen, bedienen „wij geeven hem het gezag over de 72. familien met derzelver tempels zo hier als elders te vinden, onder afstand van alle geregtigheijd op belas„ „tings op de Beijde huijzen; hij zal wet al huijs„ „vesting en haard mogen gebruiken; alle wel„ „„ken vrijheeden en prevogativen bij dit patent konden bekragtigen dog de moeijte, die ik genomen hebbe, om diergelijke perzoonen uijt tevinden, is tot nog toe te vergeevs geweest: gem: tweede vertaaling luijd aldus 293 Nonden verklaart lb 838. 295 door Simen van Jongeren overgeset verklaart hebbende, verleenen wij aan Joseph Rabaan, hoofd van de vijf geslagten en aan desselfs Erfgenamen zoons, Dogters, kinds kinderen, door de Dogters verkreegene, schoon„ „zoons met hunne opvolgers zo lang zon en „maan schijnen; gevende ook alle magt over de „ vijf geslagten, zo lang de namen hunnen na„ „komelingen duuren. Getuijgen hier van zijn, het „hoofd van het land wenaddo genaamd Coma„ „vaten Mataandden, het hoofd van het band wenaa-odea genaamd Codei Chericanden „het hoofd van het land Eraala genaamd Maa„ „na Bepalamaan, het hoofd van het land walo „naddo genaamd Jrawaren Chaten, het hoofd „ van het Land Neddoeri aloer, genaamd Codei frawi „ mitsgaders de eerste der minderen land Regeerten van „'t gedeelte van Coesapaddie Laawagen, zijnde den erf„ „„genaam van Moerkom, Chaten, genaamd, helo„ „handen geschreeven bij den secretaris genaamd „ Junawendde wanaasen Naijer Kisapa Kelapa geteekend bij den Keijzer De Derde vertalinge luijd als volgd „In de naam des Allerhoogsten God, die de geheele „wereld naar zijn welbehagen geschapen heeft, „ en het regt, en de geregtigheijd handhaaft heffe ik Erwij Barmen mijne handen op en danke „zijne Mejesteijd voor de genade en zegen verleend over mijne regeering en steeden in het ses en dertigste Jaar van mijn bestier op Cranganoor, in het fort Moericotta wezende, heb ik om goede reedenen, aan mijn Ministers Joseph Ra„ „baan, devolgende voorregten vergunt, dat hij „zal mogen dragen vijf gecolleurde stoffen, langen rokken, op de schouders zekere doeken hangen; „ met alkander een geluid uijtroepen, Crommels en Jabelijntjes gebruijken, des daags ligten opsteeken, „ op de weg doeken sprijden, pallekijns Commizeels, „ trompet, Joom, Joootsen, brandende fakkels: gebrui„ „„ken, en onder een proon zitten, en als Hoofd over „ allen andere Jooden ten getaale van twee en zeven„ „tig huijzen, ageeren die hem de Thols en 's lands geregtigheijd zullen moeten opbrengen, waar zij „ ook in het Rijk moogen gezeeten zijn; deeze voor„ „„regten geeve ik aan Joseph Rabaan, en zijne „ nakomelingen, t zij mans of vrouwen, zo langer „ijemand van in de wereld is, en de zon en Maan „ het aardrijk beschijnen, waarom ik tot een heuuige „gedagtenisse deselve op een kopere plaat heb laten „schrijven, Als getuigen de koningen van pevancoor „Berkenkoet, sammorijn, Arangolla, Palcat„ „Cherij, Collastrij en Corambenaddo, geschr: bij den lb ik Secrets

NL-HaNA_1.04.02_3619_0156 view scan ↗

English

translations. Secretary Kellapen. The aforementioned copper plate is written in the ancient broken northern Tamil language, but with types of characters such as Samskredams and Tamils, and presently read and translated by a heathen scholar named Calloetie Attja, a native of Calicoet, who fled from there during the war and is now residing in the upper lands. When one compares these three translations with each other, one will immediately see that in the first, these privileges are granted to the Jew Jozeph Rabban and to the 72 Jewish families, whereas in the second, not a trace of the word Jew is found, and Jozeph Rabaan in the third is also not called a Jew, but rather the King's Minister, although from the remainder of those translations he can indeed be considered a Jew, because he is appointed therein as head over all other Jews to the number of 72 houses. It is also certain that the name of Rabaan does not belong exclusively to the Jews. Furthermore, the first and last translations grant the aforementioned privileges not only to Joseph Rabban, but at the same time to the 72 Jewish families, whereas according to the second translation, the same are granted only to Jozeph Rabaan and his family and descendants. Just as little does the second translation know of the granted freedom and the permission to propagate the Jewish faith further among the five castes. It is thus manifest that these three translations do not agree, but that the first and third agree more with each other than with the second, that consequently the first and last deserve somewhat more credit than the second, which stands entirely alone, but that this nevertheless does not yet prove what it actually ought to prove; and since I am ignorant of the Malabar language, I prefer to suspend my judgment on the matter, since up to now, neither among the Malabars and Canarins, nor among the linguist Priests and Natives, have I been able to find anyone who was knowledgeable enough to translate this ancient script for a fourth time, although I have sent a copy of these characters north and south of Cochim in order to have them deciphered. The witnesses who were present at the granting of this Patent also do not agree; however, the first and third translations seem to agree more with each other herein as well than with the second. But the difference of the second translation consists in this: that it does not state the personal names of the witnesses, but only their offices or dignities by which they were known at that time, whereas the error in the first and third translations consists in this: that the witnesses are called Kings there, and indeed of those places as they were named some time thereafter and subsequently with the change of circumstances, and are still named to this day, while the second translation calls them merely heads of the lands as they were known in the time of the Emperor, at which time those heads were not yet kings, since those heads only assumed the title of Kings and Princes after the well-known partition of the Malabar Empire into 4 chief kingdoms and several lesser realms and principalities, although the head of the Land of Cochim is not expressed by that name in the first and third translations, even though the realm of Cochim is otherwise indeed one of the 4 chief realms of the Malabar; which elucidation I add here, so that one should not wonder how in that patent subordinate heads of lands and districts of the Malabar Empire can be called kings, since the Empire was not yet divided then, and thus there were not yet kings, so that this seems to be a liberty that the translators of the first and third translations took upon themselves, and which is pointed out by the second translation. The remaining passages of this deed, principally the authority over the five castes, must be explained from the antiquities, customs, and usages of the Malabars, and do not come into consideration here. Whether this deed was actually granted to the Jews or not, it is nevertheless certain that never has a Jew had extensive power over his coreligionists, much less over the so-called 5 castes; nor have the estates of the Jews ever been fully exempt, although the kings under whom they stood generally appointed heads over the Jews from their own nation, under the name of Modiliaars, who had no other authority than to settle petty civil disputes and impose small monetary fines. However, there is a peculiarity that deserves notice in this regard, namely, that although by this patent some privileges are granted that are also granted to other lineages, nevertheless to no one is the firing of three honor shots at daybreak or during the wedding days of someone who enters into marriage permitted without prior request and special permission, as something that the Kings of Cochim have reserved solely for themselves up to this time, whereas it is nevertheless permitted to the Jews up to now permanently and without prior request; and it is well known that the Native Princes do not easily allow another to share in outward distinctions which they reserve solely for themselves, so that if the Jews had this privilege

Dutch transcription

839 297. „lenden overzettingen. secretaris Kellapen. „voorm: kopere plaat, is geschreeven in de oude ge„ „„brookene noorder Jamoelse Jaal, dog met zoorten „van Caracters als samskredams, en Jamoels en „tans geleezen en vertaald door een hijdens schrift „geleerde genaamt Calloetie Attja geboortig van „ Calicoet die met den oorlog van daar gevlugt, en „zig tan in de boven landen ophoud. Zeien Wanneer men deze drie vertalingen niet elkan„ anmarking omtrend ri 3. verseh, der vergelijkt, zo zal men ten eersten zien, dat in de eerste deze voorregten verleent worden aan den Jood Jozeph Rabban en aan de 72. Joodsche huijsgezinnen terwijl in de tweede geen spoor van 't woord Jood ge„ „vonden, en Jozeph Rabaan in het derde ook geen Jood maar wel 's konings Minister genoemd woord, schoon hij egter uijt het vervolg van die vertalingen, als een Jood kan aangemerkt worden, om dat hij daar bij aangesteld word, als hoofd over alle andere soo„ „den ten getalle van 72. huijsen: ook is het zeeker„ dat de naam van Rabaan niet uijtsluijtender wyze den Jooden toekomt: voorts verlient de eerste en laatste vertalinge, gem: voorregten niet alleen aan Joseph Rabaan maar tevens aan de 72. Joodsche familien, terwijl dezelve naar de tweede vertaa„ „ling alleen aan Jozeph Rabaan en zijne familie en nakomelingen gegeven zijn: Even zo weijnig wiet de tweede vertaling, van de verleende vrijheijd, en de vergunning om het Joodsche gelooven voorts te plan„ „ten onder de vijf vasten: Het is dus openbaar, dat de ze drie vertalingen niet accordeeren, dat egter de eer„ „ste en derde met elkander meer accordeeren, als met de tweede dat derhalven de eerste en laatste eenig geloof meer verdienen als de tweede, die maar al„ „leen op zig zelvs staat, dog dat dit daarom nog niet bewijsd, wat het eijgentlijk bewijzen moest, en dewijl ik de Mallabaarse taal onkundig ben, zo wil ik lie„ „ver mijn oordeel, daar over opschorten, dewijl ik tot nog toe, nog onder de Mallabaaren en Cannazijns, zo nd toe man e en ten eem eede onder de jaalkundige Priesters en Jnlanders niemand hebbe kunnen vinden, die kundig genoeg was, dit oude schrift voor de vierde maal te vertalen, schoon ik een afschrift van deze karacters, noord en zuijdwaards van Cochim gezonden hebbe, om dezelve telaten ontcijfferen. de getuigen die bij het verleenen van dit Patend geweest zijn accordeeren ook niet; egter schijnd de eerste en derde vertaalinge hier in ook meer met elkander als met de tweede accordeeren: dog het ver„ „schil van de tweede vertaalinge bestaat hier in dat daer bij niet de perzoneelen naamen der getui„ „gen maar alleen hunne bediningen of waardig„ „heeden, waar inze te dier tijd waaren bekend gesteld weet zijn 840. 299 den getuigens bij dat patert vermelt bij vergunt schijnen thans geen betrekking op hen te hebben dog omtrend het doen van 3. eer schooten trouwteegen verdienen aanmerking is, dat niemand anders als koningen doen mag, en hen niet belet word zijn, terwijl defout in de eerste en derde vertaalinge remarque die te maaken is omtrend hier in bestaat dat de getuigen daar Koningen genoemd worden, en dat wel van die plaatsen zo als dezelve eenigen. tijd daar na en vervolgens bij veranderinge van omstan„ „digheeden, zederd genoemd zijn en tot als nog genoemd wor„ „den, terwijl de tweede vertaalinge hun maar hoofden, noemd van de Landen zo als ze ten tijde van de keijzer bekend waa„ „ren, in welken tijd die hoofden nog geene koningen waa„ „ven, alzoo die hoofden maar eerst na de bekende ver„ „deelinge van het Mallabaarse Reijzer rijk in 4. - hoofd ko„ „ning rijsken en verscheijde mindere rijken en vorstendommen der titul van van Koningen en voosten gevoerd hebben, al„ „hoewel het hoofd van het Land van Cochim bij de eerste en derde vertaalingen niet met dien naam uijtgedrukt. word, schoon het rijk van Cochim anders in der daad een van de 4. hoofd rijken van de Mallabaar is; welke elucidatie ik hier bijvoege, op dat men zig niet zoude verwonderen, hoe bij dat patend onder geschikte hoofden van Landen en districten, van het Mallabaarsen Reij„ „zer-rijk, koningen genoemd kunnen worden, daar het Reijzer-rijk toen nog niet verdeelt zijnde, en dus nog geen koningen waaren, zo dat dit een vrijheijd schijnd te zijn, die de vertaaler van de eerste en derde vertalinge zig aangemaatigd hebben, en door de tweede vertaalinge aangeweezen word. De overige plaatzen van deze acte, voornamentlijk het gezag over de vijf kasten moeten uijt de oud heeden„ de previlegies aan de Joden daar Leeden en gebruiken der Mallabaaren verklaart worden, en komen hier niet in aanmerking! Het zij dat deze acte effectiev aan de Jooden verleent is of niet, zo is het egter zeker, dat nooijt een Jood over zijne geloovs genooten, veel minder over de zo genaamde 5 lasten eene uijtgestoekte magt gehad heeft; ook zijn de goederen der Jooden nooijt tot vrij geweest, hoe wel de koningen, waar onder zij stonden, doorgaans hoofden over de Jooden van hunne eijgen landaart aangesteld hebben, onder den naam van Modili„ „aars, die geen ander gezag hadden, als kleene Civile ge„ „schillen aftedoen en geringe geld-boeten ofteleggen. Egter is er een bijzonderheijd, die ten dezen aanmerkingen bij het aarbraen van den dag op den verdiend, namentlijk, dat schoon bij dit patent wel eenige voorregten vergund zijn, die aan andere geslag„ „ten ook vergund zijn, egter aan niemand het doen van drie eere schooten bij het aanbreeken van den dag of ook wel onder de trouw-dagen van iemand, die in huwelijk treed, gepermitteerd word, zonder voor afgegaan ver„ zoek een speciaale permissie, als iets dat de Koningen van Cochim tot op dezen tijd toe aan zig alleen behouden, wijl de sooden zulx nogdoen en its even wil aan den Jooden tot nog toe permanent en zon„ „der voor afgegaan verzoek, toegestaan word, en het is bekend, dat de Jnlandse vooster niet ligtelijk een ander laaten deelen in uijtterlijkheeden, dieze aan zig al„ „leen behouden, zo dat indien de Jooden zig dit voor„ het „regt./ JW.

NL-HaNA_1.04.02_3619_0158 view scan ↗

English

841. 304 one finds not the slightest proof that Cranganore ever belonged to the Jews. How that assertion originated. From which countries the Jews here are, who are among the white and black ones. ...without high authority, the Kings of Cochin would have prevented this nation, whose neighborhood or dwelling-place even lies right next to the Cochin Palace, from doing so; but they dare not prevent it now. This circumstance therefore argues not a little for the authority of the aforementioned patent in favor of the Jews, as it is known that all the laws and arrangements made by the Malabar Emperors are held in the highest esteem by the Malabar princes to this very day. It was also formerly believed that the Jews here had, in earlier times, possessed the Kingdom of Cranganore as their property, and had even had a king over them. However, not the slightest trace of this is to be found. Indeed, since the Commonwealth of the Jews was destroyed and the lawgiving power departed from them, it is not known that it ever returned to them again, however often the Jews may have striven for it. Since they formerly had so much prestige in the Kingdom of Cranganore, they may possibly have attempted at that time to gain control of that kingdom. But I would much sooner believe that the assertion, namely that they had once possessed the Kingdom of Cranganore, is derived from something similar found among the antiquities of the St. Thomas Christians, namely that they too had once desired and also obtained a king, just as another anecdote concerning the privilege of the Jews is also mingled with a supposed privilege of the St. Thomas Christians, all of which is mentioned above and under the article on the St. Thomas Christians. One must distinguish the Jews on this coast into white and black ones. Among the first are also some foreigners who came here from Europe, the Turkish and Asiatic provinces, Arabia, and Persia, and allied themselves by marriage with the original Jewish inhabitants, such as the well-known family of the deceased Company's merchant Ezechiel Rabbi, descended from the Jew Ezechiel Rabbi, who arrived here from Aleppo in Syria in the year 1646. But as for the black ones, whose color corresponds closely with that of the Malabar lower castes, one cannot well trace them to anything other than the proselytes whom the Jews accepted both from the free Malabars and from their emancipated slaves. Yet one does not wish entirely to deny that many have arisen through intermingling with the Indians, although the color of a child sprung from a white father and a black Malabar mother differs considerably through a succession of generations from that of the actual black Indian. The number of black Jews is also much greater than that of the white ones. From what people the black Jews are descended. Where the first Jews settling here came from. Afflictions suffered here on account of the Portuguese, whereby they were forced to seek the protection of the King of Cochin. Yet they were not entirely ruined. What they still possessed was lost in that vengeance. With the arrival of the Company's forces here, having rendered much service. Wherefore they were punished by the Portuguese. A copy of the Sepher Torah. 842. 303: After the first Jews arrived here, they settled in Cranganore, Paloor, Madai, and Paloottoe, but chiefly in Cranganore, the residence of the Malabar sovereign princes, which city was formerly called Moydincotta, also Mahoderapattanam and Chingali. They always found protection and an easy livelihood under the Malabar princes until the arrival of the Portuguese on this coast. This nation, being no friend to the Jews, forced many of them through contemptuous treatment and arbitrary taxes, but chiefly through their intolerance in matters of religion, to leave Cranganore and to implore the protection of the King of Cochin. He assigned them a piece of land at Cochin de Cima, next to or near his palace, where they built their synagogues and houses and still live to this day, and they also set apart a separate burial ground a little outside their neighborhood. They had to endure hardships. But here too they were so restricted and oppressed in their trade by the Portuguese of Cochin that by the year 1663 most families were living in a wretched condition. This is the time of the arrival of the Dutch on this coast. When the Lord van Goens besieged Cochin, the Jews were very ready to provide the troops of the Dutch Company with provisions and all other assistance within their power, in the hope that under this Company they would enjoy the greatest civil and religious freedom. But after the said troops were forced to leave this coast before the end of the favorable monsoon without being able to capture Cochin, the Portuguese did not fail to make the Jews feel the most terrible effects of their desire for revenge. For immediately after the departure of the Dutch, they sent a detachment of soldiers to the Jewish quarter, who plundered it and set it on fire, while the inhabitants retired to the highlands and only returned after the conquest of Cochin by the Dutch. The Jews, who still wish to prove that the Malabar Israelites possessed an ancient copy of the Sepher Torah, say that this monument and all other records were lost on the occasion of the destruction of the Jews by the Portuguese; but with little appearance of truth, for since they had time to save their best goods, according to...

Dutch transcription

841. 304 men vind geen het minste bruijs dat Crancaroor ooit de Jooden heeft toe„ hoedanig die sustenie heeft plaats gevonden vr welk landen al sode ij zijn die onder de bla en soden ataren „regt zonder hooge authoriteijd mogten aangemaa„ „tigt hebben, de koningen van Cochim zulx deze Natie; welker buurt, of woonplaats, zelvs naast aan het Cochimse Paleijs legd, zulx zouden beletten, maar nu niet beletten dirven, welke bijzonderheijd der„ „halven niet weijnig pleijt voor het gezag van voor„ „schreeve patent, in faveur der Jooden, als bekent zijnde dat alle de wetten en gemaakte schikkingen van de Mallabaarse keijzers, bij de Mallabaarse vorsten, tot op dezen dag toe, in de uijtterste waarde gehouden worden. Men heeft ook wel eer gemeend, dat de Jooden hier „behort ende eenkopuing gelad hebben vroeger tijden het Koningrijk van Cranganoor in eijgendom, en zelfs een koning over hun zouden ge„ „had hebben, dog hier van zijn geen de minste voet„ „spooren tevinden; trouwens 't zeedert de Republicq der Jooden verwoest en de wet gevende magt van Haar geweeken is, zo is hat niet bekent, dat dezelve ooijt we„ „der aan haar gekomen is, hoe meenigmaal de Jooden en ook nagestaan hebben, gelijk zij daarom wel eer in 't Cranganoorse Rijk zo veel aanzien, gehad hebbende, mogelijk toen ook wel zullen getragt hebben, dat Rijk magtig teworden, dog ik zou veel eer gelooven, dat de Custenue, namentlijk datze het Cranganoorse rijk eens zouden bezeten, hebben, afgelijd zal zijn„ van iets diergelijks, dat men bij den oudheden van de S:t Thomas Christenen vind, namentlijk dat dee„ „ze ook eens een koning begeerd en ook erlangd zouden hebben, gelijk een andere annecdoote van de privelegie der Jooden met een vermeende privelegie der S:t Thomas Christenen, ook vermengt is, welk een en ander hier boven en onder het articul der S:t Thomas Christenen aange„ Men moet de Jooden ter dezer Custe onderscheijden in blanke en zwarte onder d'eerste zijn ook eenige vreem„ „delingen, die uijt Europa de Juaksche, Aziatische, Pro„ „vienties, Arabie en Lersie hier gekomen, zig met de oor„ „spronkelijke Joodsche Inwoonders door huwelijken ver¬ „maagtschapt hebben, gelijk de bekende familie van den overleeden Compenies koopman Ezechiel Rabbij„ afkomstig van den Jood Ezechiel Rabbij, die anno 1646: van haleb in sijne hier aankwam, Maar wat de zwarten betreft welker Couleur, genoegsaam met van wat volk snarte sooden zijn die der mallabaarsche laage Rasten over een komt, zo kan men dezelve niet wel anders als van de Jooden genooten afleijden, die de sooden zo wel uijt de vrije Mal„ „labaaren als uijt hunne vrijgegever slaven aan„ „namen, egter wild men niet volstoekt ontkennen, dat er veelen door vermenging met de Jndiaanen voortgekoomen zijn, hoewel de Cauleur van een kind uijt een blanken vader en zwarte Mallabaarse Moeder gesprooten, merkelijk door een reeks van Jeelingen, van „toond is de de 842. 303: „den, zig needer gezet hebben veratis, hier door de zorktgee„ „zen aangedaan waardoor Genoodzaakt zijn geweest de protextie van de Koning van Cochim tezoeken. dog egter niet ter eenemaal dvor zijn geweest datze nog hadden, bij die voraak „neemigh verlooren geraakt met de tomste van 's Comp:s magt hiar, hebbende veel dienst buweeden d'eijgendlijken zwarte Jndiaan verschilt: ook is het ge„ „tal der zuarte Jooden veel grooter als van de blanken Na dat de eerste Jooben hier aangekoomen waaren, Waar de Eerste Jooden hier komen hebben zij zig op Cranganoor, Paloer, Madaij en Pa„ „loettoe nedergezet, dog voornamelijk op Cranganoor„ de Residentie plaats der Mallabaarsche oppervorsten, welke stad eertijds Moijdincotta, ook Mahodera pattanam en Chingali genoemd is, en althoos onder de Mallabaarsche vorsten pootectie en een gemakke„ „lijk middel van bestaan hebben gevonden, tot de aankomst der Portugeezen ter dezer kuste: Deze Na„ „tie, geen sooden-viend zijnde, heeft veelen derzelve door mak heden moeten elen eene veragtelijken behandeling en willekeurige belas„ „tingen, dog voornamelijk door haare onverdraag„ „zaamheijd in het stuk van den Godsdienst, genood„ „zaakt Cranganoor te verlaaten, en de protectie van den Cochimsen Koning te imploreeren, die hen op Cochim de Cima, naast of bij zijn pallijs, een stuk Land aanwees, alwaar ze hunne sijnagogen en huijzen bouwden en tot dezen dag nog woonen, zo meede een apparte begraafplaatse en weijnig buijten hunnen buurt, afzonderden. Maar ook hier wierden zij door de Portugeezen uijt Cochim zoodanig in haaren handel bepaalt en gedrukt, dat de meeste familien tegen het Jaar 1663., in eenen zoberen staat leefden. Dit is het tijdstip van de aankomst der Neder„ „landers ter dezer kuste Joen de Heer van Joens Cochim beleegerde waa„ „ren de sooden zeer gereed, aan den poupen der Neder„ „landsche Comp: mond= voorraaden alle andere ad„ „sistentie, die van hen afhankelijk was, te bezorgen, in hoop, datze onder deze Maatschappij de meeste burgerlijke en Godsdienstige vrijheijd zoude genieten; Maar na dat gem: troupen genoodzaakt waaren, voor 't eijnde der goede mousson deze kust te verlaten, zon„ waar over ze van de portigelzijden Cochim te kunnen veroveren, zijn de Portugeezen niet in gebreeke gebleeven, de Jooden de schrikkelijk„ „ste uijtwerking van hunne wraakzugt te doen gevoelen; want zij zonder aanstonds na het af„ „trek der Nederlanders, een Detachement zoldaaten naar de Joodse buurt die dezelve verlunderen, en in den brand saken; terwijl de Jnwoonders zig na de hoogen Landen retireerden, en eerst na de verovering van Cochim door de Nederlanders te rug keerden De Jooden die als nog beweezen willen, dat den Een afschrift van de sephar Jhora Mallabaarse Jsraëlieten een oud afschrift van de sepher Thora gehad hebben, zeggen, dat dit monie„ „ment en alle moniementen, ter geleegendheijd van de verwoesting der Jooden door de Portugeezen, ver„ „loosen zijn, dog met wijnig scheijn van waarheijd, want dewijl ze tijd gehad hebben, hunne beste goederen, vol„ Dit „gens 6 ho

NL-HaNA_1.04.02_3619_0160 view scan ↗

English

843. 385. can that they have had such a memorial how many synagogues on Cochin and Sima, of the white and black Jews a white Rabbi in the synagogues of the black Jews where circumcision takes place their books of Moses are modern dated. they have had no printing presses here most of them are merchants at which places the native Jews synagogues and houses they have there. And they are incapable of any Bible text according to their own saying, taken along to the mountains, although one can hardly believe that they would not have failed to salvage those memorials, invaluable to them, just as it is related that they had so much reverence and care for the new copy of the five books of Moses, which was then in their synagogue, that they even salvaged and took that copy with them, and with joy, just as of old the Ark of the Covenant with testimony, brought it back. In the said Jews' street next to the Palace of the Cochin King at Cochin de Sima one finds 4 synagogues, namely one for the white and the other three for the Black Jews, who have readers of their own descent. These latter perform the service, but whenever a white Rabbi comes into their synagogue, the honor must be given to him to conduct the service. The circumcision takes place not in the synagogue, but in the house of the father of the child, by someone among the gathered friends who offers himself for it. The Sepher Torah, or the Books of Moses, which are found here in the various synagogues, are all modern manuscripts on parchment and common brown leather, and it does not appear that a copy of any considerable antiquity of a part, or of the whole Old Testament, has ever been available here. The Jews have never had printing presses here, but the Hebrew Bible prints from the Jewish booksellers Athias and Proops are most esteemed here and in use. Thus one has no hope of finding in this place any resources that could elucidate the Hebrew Bible text; one must also confess that the original Malabar Jews are generally ignorant and careless in the matter of religion; they know neither the Talmud, nor the Kabbalah, nor the books of the Masoretes, and may thus well be counted among the Karaim, or Karaites, like most Asiatic Jews. This nation has at present settled itself mainly in 7 places in this country. In the Jews' street next to the Palace of the King of Cochin dwell about 150 households; at Ance Kaimal they have over 100 houses and 2 Synagogues; at Parur there are nearly 100 houses and 1 Synagogue; at Chenotta 50 families and 1 Synagogue; at Mala also about 50 houses and 1 Synagogue; on the Island of Territoer, belonging to the family of the well-known Ezekiel Rabbi, dwell 10 households, where there is also a synagogue; and at Moeton one finds about 12 families and a synagogue. Most of these Jews engage in trade, the one more and the other less, and make their living thereby; among the wealthiest and foremost merchants belongs, principally, the Jewish 69 6

Dutch transcription

843. 385. kan datten zo een gederkschrift gehad hebben hoe veel sijnagogen op Cochim en sima fam van den baaken en swaar te sooden „ een blanken Rhabbij in de sijnagogen der snarte Jooden waard besreijding geschied hunne boeken mosen zijn moder„ gedeta. six hebben geen dritkkarijen hier ge„ „had de meeste van hen zijn handelaars op welk plaatzen de Jnlandse Jooden Timagog en hlulen zj aldaar hebben. En zij zijn onbekwaam om eenige bijbel test „gens hun eigen zeggen, naar het gebeogte meede, te hoe wel men nwalijk geloven neemen, zo zouden ze niet nagelaten hebben die voor hen onwaardeerbare gedenkstukken mede te bergen, gelijk men verhaald, dat ze voor het nieuwe afschrift der vijf boeken Moses, dat toen in hunne sijnagoge was, zo veel eerbied en zorge hadden, dat ze zelfs dat afschrift geborgen en meede genomen en met blijdschap, even als van ouds de Arke des verbonds met getuijg„ terug gebragt hebben. Jn de gem: Jooden bruutmraast het Paleijs van den Cochimsen koning op Cochim de simavind men 4. fijnagogen, namelijk eene voor de blanken en de drie andere voor de Zwarten hebben voorleezers van hun eigen geslacht. Deze laatste die den dienst verrigten, dog wanneer een blanke Rabbij in haare sijnagoge komt, moet hem d'eer gegeven worden, den dienst waarteneemen. De besnijdenis geschied niet in de sijnagoge, maar in het huijs van den vader des kinds, door iemand, die zig onder de vergaderde vrienden daar toe aanbied De Sepher Chora, of de Boeken Mosis, die hier 6 „nen hand schriften op parkementen in de diverse sijnagogen gevonden worden, zijn alle mo„ „derne handschriften, op Zurkement en gemeen brun leet, en het blijkt niet, dat er ooit een afschrift van eene aanmerkelijken oudheijd van een gedeelte, of van het ge„ „heele oude Testamenten hier voor handen geweest is. Drukkerijen hebben de Jooden hier nooijt ge„ „had, dog de Hebreeuwsche Bijbel-drukken van de Joodsche Boekverkoopers Athias en Lroops zijn hier mees geagt en in gebruijk. Men heeft dus geen loop, om hier ter plaatsen eenige ophelbdring tegeven wan den hulpmiddelen te vinden, die den Hbebreeuwschen Bijbel- fext zouden kunnen ophelderen, ook moet men bekennen dat den oorspronkelijke Mallabaarsche Jooden over het alge„ „meen, in het stuk van den Godsdienst onweetend en zorgeloos zijn; zij kennen nog den Jalmud, nog den kaba„ „la nog de boeken der Masorethen, en mogen, dus wel onder de Karaim, of Karaiten, gereekend worden, zo als de meeste Aziatische Jooden. Deze Landaaat heeft zig tegenwoordig. voornamelijk op 7. plaatsen in dit Land neder gezet. Jn de Jooden buuat naast het Palijs van den koning van thans hien versleff houden en hoe val Cochim woonen omtrend 150. Huijs gezinnen; op Ance Kai„ „maal hebben zij ruijm 100 suijzen en 2. Sijnagogen, op Paroe zijn bij na soo huijsen, en t. sijnagoge, te Chenot„ „ta 50. familien en t. Sijnagoge, op Mala ook om„ „trend 50: huijsen en d: Sijnagoge, op het Eijland Jerritoer, toebehoorende aan de familie van den bekenden Ezechiel Rabbij, woonen 10 huijsgezinnen, alwaar ook eene sijna„ „goge is, en op Moeton vind men omtrend 12. familien in een sijnagoge De meeste dezer Jooden drijven koophandel, de eene meer en de andere min, en generen zig daar meede, onder de gegoedste en voornaamste kooplieden behoord, voorna„ Joodsche „mentlijk 69 6

NL-HaNA_1.04.02_3619_0161 view scan ↗

English

844. - 307. Ezechiel Rabby regarding their cunning manners against the general Jewish race even they are entirely clean proper deference to the White Jews Jews not as authentic the greatest part of the black cattle breeding and trading of provisions the wealthiest among the family of Ezechiel Rabby: yet one perceives in these Jews not that shrewdness, activity, and even less that deceit which one usually attributes to contemporary Jews; on the contrary, I have generally found them to be honest people who would be ashamed to deliberately deceive a Christian, Heathen, or Moor. One can also say of them that they are by no means as messy and dirty as contemporary Jews are reputed to be, who, generally speaking, are often not only accompanied by that vermin which is the ordinary companion of beggars, but are also entirely unclean both in their houses and on their bodies and clothes, and some even have an unpleasant smell about them. And although some of the wealthiest, who have access to distinguished people, are cleaner than the ordinary Jews, one nevertheless always sees the Jew stand out in one way or another. But the Jews here, without distinction, even down to the humblest and least propertied, are as clean in their houses, on their bodies, at their tables and beds as we are, so that one would almost not be able to tell whether they are Jews or Jewesses if they were not recognizable, being somewhat distinguished from other nations, by a sort of dress and even by a sort of mark on their countenance. The greatest part of the Black Jews sustain themselves by agriculture and cattle breeding, as well as by buying or selling foodstuffs, especially butter and poultry. They are treated by the Whites with indifference and contempt because, being much greater in number than the Whites, according to tradition in earlier times, they had offended against the Whites more than once and did not even shrink from using such force against them that the prince of the country had to intervene with his authority and maintain the Whites. These disputes, as far as I have been able to trace, were generally caused because the Black Jews always strived for an equal status with the Whites, which the latter would not tolerate, because they consider the Blacks not as original Jews, but for the greatest part as descended either from their freed slaves or from native Malabars who were made proselytes; for it is said that the Black Jews continually wanted to intermingle with the Whites through marriages, and also that instead of conducting themselves humbly toward the Whites, on the contrary, they acted impolitely around them in greetings and marks of honor on the street, or also that they did not hesitate in the synagogue and front pews, or in other sons.

Dutch transcription

844. - 307. Ezechiel Rabby omtrend hunne slimmigheid zeeden „den tegens het algemeen Joods geslugte selfs zijn ze gants zindelijk „lijk eerddecerting aan de blanke Jooden Gooden niet voor egte aan het grootste gedeelte van de warte veevakkerij en verhandelen van leevens den geboedst onder en 5 de Junivan, mentlijk de familie van DZechiel Rabbij: dog men ontwaard in deze Jooden niet die scherpzinnigheijd, acti„ „viteijd en nog minder dat bedrog dat men anders den heden „ middelen „daagsen Joden doorgaans toeschrijft, integendeel heb ik hun doorgaans bevonden eerlijke lieden te zijn, die het en maniuen verschillende vet ten goe„ zig zouden schamen een Christenen, Heijden of Moor met op„ zet te bedriegen: ook kan men van hun zeggen, datze op verre na zo mossig en vuijl niet zijn, als men de Heden„ „daagsen Jooden ook na-geerd, die over het algemeen gesproo„ „ken, veeltijds niet alleen met dat ongedierte verzeld zijn, het geen het ordinaire geselschap der bedelaars is, maar ook zo in hunne huijzzen, als aan hunne lighaamen en kleederen gants niet zindelijk zijn en zommige zelvs a blanke Jooden merken de swarte een onaangenaame reuk bij zig hebben, en schoon al eers sommige van de rijkste, die toegang tot aanzien„ „lijken lieden hebben, zindelijker als den ordinaire Jooden zijn, zo ziet men er egter altoos in 't een of het ander, de Jood bij uijtsteeken: maar de Jooden alhier, zonder onderscheijt, zelvs tot de geringste en minst gegoed„ „ste toe, zijn zo zindelijk in hunne huijzen aan hunne lighaamen, aan hunne tafels en bedden, als wij, zo dat men bij na niet zouden kunnen weeten of het Jooden of Joodinnen zijn, indienze niet door een zoort van kleedinge en zelvs door een soort van teken aan hun weezen, eenigsints van andere Na„ „ties onderscheijden, herbaar zijn. Het Grootste gedeelte der zwarte Jooden, geneerd sooden geneeren zig met de landbouw zig door den Landbouw en vee-fonkerijen, zo ook met het inkopen of verkoopen van Levensmiddelen, in zon„ „derheijd van boter en pluijmvee: zij worden van de blanken met onverschilligheijd en veragting behan„ „deld, om datze veel grooter in getal, als de blanke„ zijnde, volgens de overleveringe in vroegere tijden, zig meer als eens tegen de blanke vergreepen en zelvs niet ontzien hebben tegen dezelve een zo verre geweld te ge„ „bruiken, dat de vorst des lands met zijn gezag daar his„ „schen moest komen, en de blanke maintineerde. Deze verschillen, zo veel ik hebbe hunnen nagaan, zijn doorgaans veroorzaakt, om dat de zwarte Jooden altoos na eer gelijkstandigheijd met den blanke stonden, het geen de laatste niet wilden gedoogen, om dat zig de zwarte voor geene origineele Jooden maar voor het grootste gedeelte Considereeren, als gesprooten of uijt hunne vrij gegeven slaven of uijt naturellen Mallabaaren, die tot Proseliten gemaakt zijn; want men zegd, dat de zwarte Jooden zig telkens door huwelijken met de blanke hebben willen vermen„ „gen, ook wel datze in steede van zig nedrig tegen de blanke te gedragen, integendeel onbeleefd om„ om dat de swaarte Jooden geen behoor„ trend hun tewerk gingen, in de Groetingen en eerbewijzingen op de straat of ook wel datze zig niet ontzagen in de sinagoge en voorgestoeltens, of in het andere Zoonen

NL-HaNA_1.04.02_3619_0162 view scan ↗

English

845. - 309— prove that the black Jews in fact how far the undertakings of the have gone especially the white Jews who the contradiction of different king have enjoyed all Jews are subjects of the also conform to the jurisdiction of the Company regards the black Jews other gatherings, to take the first place, so that they always strove if not for superiority at least for equality: a characteristic that one generally sees occurring in India, where the people are divided into different lineages, or castes, in the lower castes, namely, that because of their birth being unable to enter a higher caste or class, they nevertheless always long for it, or secretly torment those of higher lineage whenever they can; and because these black Jews have always practiced this towards the white Jews, one could indeed consider this as proof alone that they in fact are not original Jews, but became Jews either from native Malabars or from slaves, as it is well known how unbearable masters generally are who were previously servants, or freedmen who were previously slaves: this craving for equality went so far in the end that not very long ago they attempted to persuade the king of Cochin to order that the white Jewesses, who are customary here to go to the synagogue with a veil or covering over the head, should go to the synagogue just like them, that is, uncovered and without a veil, in which request they were maintained by the prince as little as in their other undertakings, because by the king they have always been considered as somewhat subordinate to the white Jews, as one still sees to this day, that they sustain themselves in a very modest manner, and many of them serve in the houses and gardens of the white Jews for reward, do domestic chores and errands, and in a word, are currently so entirely distinct from the white Jews that they even perform their divine worship in their separate synagogues, and only enter the synagogue of the whites in a secluded manner. Furthermore, the Jews collectively are without contradiction subjects of the prince upon whose territory they reside, just as the Jews here are therefore indeed subjects of the Cochin king; however, they have generally addressed themselves to the courts of justice of the Dutch Company at Cochin and submitted to their verdicts. This has taken place principally among the white Jews, but most especially among the European Jews, who have always implored and also enjoyed the direct protection of the said Company without any contradiction from the king of Cochin, just as they always acknowledge the high authority of the Chief Commander on behalf of the Dutch Company here and submit to his special judicature, as well as to that of the fiscal; nevertheless, the white Jews have not hitherto positively for absolute

Dutch transcription

845. - 309— beuijzen dat den swarte Joden in der hoe verre de onderneemings der hebben gegaren speciaal de blanke forden die de Contradictie van eerschimden koning hebben genoote„n alle Jooden zin onderdaanen van den „teeren zig ook aan de regt- dirang van de Conp: de swarte Jooden aanmerkt andere bij eenkomsten, de eerste plaats teneemen zo datze altoos zo niet na het superieure ten minsten na de Gelijkstandigheijd tragteden: een eijgenschap; dien men doorgaans in Jndiën, alwaar de Lieden in onder„ „scheidene geslaegten, of nasten, verdeeld zijn, in de laegen kasten ziet plaats hebben, namentlijk, dat zij wegens hunne geboorte in geen hooger Kusta of nlasse, kunnende komen, egter altoos daar na hunkeren, of die van hooger Geslagt, als ze maar kunnen hijmelijk krvellen; en om dat deze zwaatte Jooden, zulks altoos omtrend de blanken daad geene origineele Jooden zin Jooden g'oeffend hebben, zo zouden men dit wel als een bewijs alleen kunnen aanmerken, dat zij in der daad geene ori„ „gineele Jooden, maar of van nahirellen Mallabaaren of van slaven tot Jooden genooten geworden zijn, als be„ „kend zijnde hoe onverdragelijk doorgaans Heeren zijn, die bevoorens knegten waaren, of vrij gelatene, die bevoorens slaven waaren: deze zugt na het gelijkstandi„ „ge, ging op het laatste zo verre, datze nog niet zeer lang geleeden den koning van Cochim tragtleden, te be„ swarte sooden tegens de blanken „ weegen, om te ordonneeren dat de blanke Joodinnen, die hier met een sluijer of hubsel over het hoofd, gewoon„ zijn na de sijnagoge te gaan, even als zij, dat is onge„ „dekt en zonder sluijer, na de sijnagoge, moesten gaan, in welk verzoek zij door den vorst zo min als in hunne andere onderneemingen gemaintineerd zijn, om dat zij bij de Koning altoos als eenigzints onder geschikt aan en hoodanig de koning van Cocim de blanke Jooden geconsidereert zijn, gelijk men tot nog toe ziet, dat ze zig op een zeer gelinge wijze erneeren, en veele hunnen, in de huijzen en thuijnen der blanken Jooden voor belooninge dienen, huijselijke bestellingen en boodschappen doen, en met een woord, tans ten eenemaal van de blanke Jooden, zo zeer onder„ „scheijden zijn, datze zelvs in hunne aparte sijnago„ „gen hunnen Godsdienst doen, en zelfs niet, dan op een geretireerde wijze, in de sijnagoge der blanken komen. voorts zijn de Gezamendlijke Jooden zonder tegens paan koning van Cochim dog submit, onderdaanen van den vorst, op wiens-pond gebied de zel„ „ve woonen, gelijk de Jooden alhier daarom ook in der daad onderdaanen van den Cochimsen koning zijn; egter hebben ze zig doorgaans aan de Regtbarken van de Nederlandse Compagnie te Cochim g'addresseerd en aan derzelver vonnissen onderworpen. Dit heeft voornaamelijk plaats gevonden, bij de blanke„ protectie van de Comp: sonder dog aller bijzonderst bij de Europeese Jooden, die de on„ „middelbaare protectie van gem: Maatschappij zon„ „der eenige Contradictie van den Koning van Cochim, al„ „toos geimploreerd en ook genooten hebben, gelijk dezelve altijd het hooge gezag van den Hoofdgebieder van wee„ „gen de Nederlandsche Maatschappij alhier er kennen en zig aan de bijzondere Judicatiere van den zelven, zo wel als van den fiskaal onderwerpen; Evenwel hebben den blanke Jooden zig tot nog toe niet positief voor ab„ „solutie

← previousnext →