Inventory 3714
Bengal · 538 pages · 252 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
through this intervening reflection on the authority of the Hindostan princes was broken off, I have the honor to show that, however much, according to preliminary negotiation with His Excellency the Governor-General, everything was so determined that one might have expected the reply to our last Memorial within two to three days, the business concerning it was not held or concluded until 14 November and consequently was dragged out so long that the co-commissioner, Mr. van Citters, with the foreknowledge and permission of the Honorable Director, was obliged to leave me to continue his journey to Patna, and I was consequently forced to remain alone in Calcutta for another eight days before I could obtain my leave. I had addressed myself regarding this more than once by notes to Mr. Hay, whose last reply of 17 November gave me hope that I would receive my dispatch on the 19th. However, that day and the following, or 20 November, having also largely passed, I went in the evening, after having expressly requested permission, to the house of Mr. Hay to inquire where the matter actually faltered. I then learned that the letter was already signed and ready, but that it dragged on due to the copying of the appendices, particularly the defense of Mr. Grant, whose character Mr. Hay praised very highly, and concerning whom it seemed as if they were very touched to see public complaints, although bringing it into effect and that, however much the Nawabs are under the coercion of the British, they nevertheless do not seem willing to lend a hand to the open disrespect of the Company and violation of its privileges; to which, if that were so easy to do, it would cost the British, with the Mughal as well as his quasi-stadtholder, so to speak, but a nod and a command to draft one or another disadvantageous order to declare void the content of all our privileges and bring the Company under their authority. But one must always keep in mind that those princes think otherwise about us, that the coercion itself is unbearable to them, and that they respect the laws and ordinances of their ancestors too much to want to undermine or destroy them unless we deserve it. On the contrary, my sentiments have always been that, even if it were only pro forma, in case of injury one must continue to request their favor and intercession. If they cannot immediately remedy it, they will nevertheless not fail to show sensitivity and to do their part to prevent oppression at the forge. For if one despises them and shows deference for their usurpers more than for them, certainly nothing but indifference and, if the scene should unexpectedly change, very detrimental consequences can arise from that. Section 120. In order now to resume the actual subject that was broken off by Mr.
Dutch transcription
244 door „ deze tusschen beide komende reflecie over het gezach der wedge brengen en dat, hoo ziende Nawats onder den dwang Hlimatostansche vorsten, was afgebroken, heb ik de eers te ver„ van Hon zijn, ze evenwel de hand, niet schijnen te willen le„ toomen; dat, hoe zeer ook volgens preabablle onderhandeling „nen tot oopensbaar dis respect van de Compagnie en verkrach met zijne Excellentie den Heer Gouverneur Generaal, alles „ting van Haere Privibegien, waar toe, indien dat zoo gemak zoodanig gedeteripeineert was dat men binnen twee a drie da„ „kelijk te doen waren, het de Britten, bij den Mogol zoo wel, „ gen, het Antwoord op onsze laatste Memorie had mogen verwach„ als zijne quasi stoede houder, om zoo te spreeken, maar een „tinen de besoigne daar over, niet eer dan den 14. November is . . . . wonk, en bevel, tot ontworp van den een of andere nadeelige or„ „dre, zou behoeven te kosten om den inhoud van alle onze Pri„ gehouden of afgeloopen en gevolgelijk zoodanig. getraineert . dat: de maese gecommitteerde de Heer van cilters met voorken„ vilegten te niet te doen, verklaaren en de Comp: onder Haer ge„ in verlof van den Achtbaaren : Heer Directeur, ter voort, „„ zack te brengen. Doch men moet altoos in het ooghouden, . . . . . „. Zotting: van zijne reis naar Pattena, verplicht was mij te dat die vorsten omtrent, ons anders denken, dat de dwang verbaaten en ik„ gevolgelijk alleen, noch acht dagen genood„ zelfs haar onverdragelijk is en dat zij de wetten en ordonnan„ „zaakt ben gewordene: te katkasta. te vortoeven, eer ik mijn af„ „xierd haaren voorvaderen, te zeer eerbiedigen dan dat zij die „: scheid kon bekomen/: Ik had daar over mij meer als eens bij zouden willen, ondermeinen of vernietigen zoo wij dat niet briefjes: geadderesseert aan den Heer Haij, wiens laeste Ant„ verdienen in teegendeel mijne gevoelens zijn altoos geweest, „ woord van 17. November, mij koops gaf dat ik den 19„e mijn de„ „dat, alwis het ook proforma men in cas van verongelijking „pecke zou erlangen Edog dien dag ende volgende, ofte den 20„e Haare gunst en intercessie moet blijven verzoeken. konnen November, meede genoegsaam verstrecken zijnde, begaf ik, zij het niet dadelijk temedieeren, zij zullen echter niet mane „ na expres gevraegt behet„ mij 's avonds ten huise van den „queeren gevoeligheid te toonen en het Hunne aan te wenden . . Heer Hair om te verneemen waar het eigenlijk, an haper de. „om op smidt te zien verdrukken. - want: veracht men Haar .„ Ik verstond toen dat de Brief beroets geteekend klaar lag„ intoond men ontzach. voor Hunne u suropateurs meer als voor maar dat hijt traineerde om het afhoopeeren der Bijlagen, „ilen, daar uit kan zeeker niet dan onverschilligheid- en, inzonderheid de verandwoording van den Heer Grant, wiens Zoo hote Froneel een s onverwachte verandert, zier nadeeli„ laracter de Heer Haij zeer roemde en overwien het scheen, „gegevolgen voort spraiten. . . . . . .. „als ware min zeer getroffen, publiceke klachten te zien, schoon § 120. — om na weder op te vatten, doeigenlijke materie die, door . 1 de Heer
English
Mr. Hay said this only in private, and also did not wish it to be publicly noted, our discourse on the nature of the commission, the unacceptability of the conventions as too one-sided, and solely in our favor, likewise the leaving unanswered of many particulars in the reply of 8 September, especially the instance for the investigation of the complaints in the aurungs or the offer of Mr. Grant in that regard, with more other remarks about our desire for the proclamation of completely detrimental ordinances and the so-called unacceptability of the statement of our gomastas as if they could not do business in the aurungs without having to make use specifically of the English Company's weavers; to which I did not say much in particular, other than only to remark that experience had repeatedly shown how little we advanced by having such complaints investigated, to which I cited the examples of 1764 and 1767, requesting nevertheless that I might present the sentiments regarding this to the council, to see what they might be pleased to resolve thereupon, as this would oblige me greatly to His Honour, both for my business and my desire to go to Hughli, to contribute everything possible from his side toward that end. Upon this Mr. Hay made known to me that the commission was declared to be finally concluded, and that the gentlemen, who were to meet tomorrow or Monday the 21st of November, would write a letter to us, to Mr. van Citters and me, to inquire when it would please us to receive the reply and to take our leave of the council; so that I could choose a day, either Tuesday or Wednesday, since the Council was to meet practically the entire week. I showed Mr. Hay that Mr. van Citters had already departed, and that the sooner I could follow him, the more agreeable it would be to me, giving His Honour at the same time to consider whether it might not please His Excellency the Governor General to arrange this ceremonial, merely for the delivery of a sealed letter, as in 1775, when we received our dispatches separately from the hands of Mr. Hastings, and set out on our journey with the customary salute; or else, if it had to be in council, whether then, without further preceding invitation and delay, they would not be pleased to do me the favor of not detaining me for that reason any longer than until tomorrow. Mr. Hay was polite enough to urge me to stay until Wednesday and first have the midday meal with him; but I excused myself from this in the best manner, and His Honour had the courtesy to take it upon himself to advance my intention and to that end to go the following morning for an audience with the Governor General; which I also agreed to do, in order politely to present myself to His Excellency my solicitation for an immediate dispatch, if possible. Effecting this on Monday morning the 21st of November
Dutch transcription
245 den Heer Haij dit maar als particulier, en ook niet begeerde pu„ bligk aangemerkte te hebben, on s discours over den aart vaot der Commissie, de onaanneemelijkheeds der Conventien als te een zidig, en enkel in ons faveuw item de onbeantwoord laating van veele bij zonderheeden im het Antwoord van 8. September, speciaal de instancie tot onder zoek der klachten in de Arrengs of de aanbieding van den Heer Gran ten derwegen, met meer an„ dene zemarcques over om 2: begeerte ter afkondiging van volstrekt nadelige ondonnandien en de zoo genaamde onaanneemelijkheid der opgave van onze Gomastaks als konden zij, in de Arrengs neet te zegt zaaken , zonder zick jurst te moeten bedienen van Engelsche Comp„s weevers daar ik niet veel bij zonders op zeide, als alleens aan te merken, dat de ondervinding meermaals had doen zien, hoeweenig wij vordenden met zulke klachten „te laaten onderzoekens en waar toe ik alle geerde de exempelen van 1764. den 1767. wsoektans dat ik de vergadering daaromtrent de gevoelens zoude voorstellen, om te zien wat men daar op zou gelieven te besluiten in dit mijne beezigheeden zoo wel, als mijn verlangen om naar Hluis tegaan; mij zeer aan zijn Edele zoude verplichten, om daar toe het mogelijke van zijn kant te contribuceeren. Hier op gaf, mij gen mij den Heer Haijte kennen, dat de Commissie verklaard was finaal geeindigt „te zijn, en dat de Heeren, die morgen of Maandag den 21. November, stonden te vergaderen ons, op den Heer van Citters en mij, een Brief zoudens schrijven, om te verneemen wan„ neer het ons zoubehagen om het Antwoord te ontvangen en ons afscheid te bekomen van de vergadering; dat ik dus een dag kon verkiesen, het zij Dingsdag of wooensdag, wijl de Raad„ genoegzaam de geheele week by een stond te komen. Ik vertoon„ „de den Heer Haij dat de Heer van citters: bereets was vertrokken, en dat, hoe eer ik hem kon volgen, hoe aangenaamer het mij zijn zoude, zijn Edele tevens in Consideratie gevende of het zijn „liscabl: den Heer Gouverneur Generaal niet zou gelieven te be„ haagen, om dit Ceremonieel, enket, ter overgave van een besloo„ ten Brief, zoo te schikken als in 1775. wanneer wij onze de„ peches, apart uit handen van den Heer Hlastings, ontvin„ gen, en met het gewoon-salut, op Reis begaven; dan wel om, zoo het diende te zijn, in vergadering, of dan, zondere verdere voor afgaande invitatie en delaij, mij het faveur niet zou gelieven te bewijzen, van mij daar om niet langer als tot morgen op te houden. De Heer Haij was poliet genoeg om mij te engageeren „van te vertoeven tot 's woensdags en van 's middags eerst bij Hem„ de maattijd te doen; doch ik excuseerde mij hier van, op de beste wijs, en zin Edele han de beleeftheid van op zich te neemen om myne intensie te bevorderen en ten dien fine 's anderen daag 's morgens, ter audvincie bij den Heer Gouvernuer Generaal te willen gaan; het welk ik ook aannam te doen, ten einde zijn Excell: zelf mijn soblicitatie tat een, des mogelijk, onmiddelijke depechie, beleefdelijk voor te stellen. 121. Dit bewerk stelligende s Maandags morgens den 21: neer November
English
246 November; the Lord Governor General, having already spoken to Mr. Hay, although his Honor still remained in the room when I made my request, had the goodness to accept my proposal to obtain my dispatches and the letters without any further ceremonial as in 1775, and to appoint me for twelve o'clock noon at the Government House, where the Council usually assembled, and where His Excellency would thus be present to hand me the letter and give orders for the salute when I should push off from the shore. I thanked His Excellency very much and agreed to present myself at the appointed place. I paid my further compliments, and his Honor, upon the declaration I made that I would depart immediately upon receipt of the reply, had the courtesy to charge me with his special assurances of respect to Director Titsingh, whose received private letter he would answer. As I was about to leave, he requested me to provide an account of the expenses incurred at Calcutta in order to be reimbursed by the English Company; and upon my declaration that, as had been stated from the beginning, see paragraph 44.½ of this report, to Secretary Hay, without being authorized thereto I requested to be excused from this, it pleased the Lord Governor General to inform me that, because they had been obliged to provide us at least a house or free lodgings during the commission, the Supreme Council had resolved to offer the compensation of the expenses, or at least the house rent, expressly requesting me to make this known to this assembly and to ask their decision upon it. § 122. At twelve o'clock I proceeded to the appointed place to receive the reply, which, after I had waited for it in Mr. Hay's office, the actual department of foreign affairs, until about two o'clock, was handed to me by the Lord Governor General upon his coming out of the council chamber. Mr. Hay was present at the delivery, and it was thus in the presence of the Lord Governor General that his Honor told me that he would forward the defense of Mr. Grant, which had not yet been copied out, as soon as this should be done. Thereupon, as a token of farewell from the Supreme Council, I presented to the Lord Governor General my short address No. 63, which His Excellency read through and politely accepted. Thereupon I took my private leave of His Excellency, and I left Calcutta past two o'clock in the afternoon under a salute of several cannon shots, the number of which I could not give because I had already approached the Black Town before the firing took place, and consequently could see little more than the smoke and could not distinctly hear how many times the cannon was discharged. § 123. As regards the Reply itself: I have the honor to annex it hereto as an enclosure under No. 57, and under No. 58.
Dutch transcription
246 November; had: de Hleer Gouverneur Generaal, den Heer Haij reets gesprooken hebbende, schoon zijn E: noch in de kamer blee „toen ik min verzoek deed, de goedreerd, van mijn voorstel om zon„ „der eenig verder Ceremonieel als in 1775. mijne depeche, en de L mogelijk heeden, te erlangen, te amplecteeren en mij te ap¬ „pointeeren tegen 's middags te twaalf uuren aan het Gouver„ „nements Huis, alwaar de Raad gewoonlijk vergaderde en zijn Excellentie, dus zyn zoude om my de Brief te overhandigen en ordre te stellen tot het salut wanneer ik van de wal zou afsteeken: Ik bedankte zijn Excell: zier en nam aan; mij ter bestemder plaatze te zullen laaten vinden. Ik maakte mijn verder compliment en 2E: had, op de verklaaring die ik deed, van op ontvangst van het antwoord direct te zullen vertrekken. „de beleeftheid van mij te chargeeren met zijne zonderlinge Res„ „peits verzeekeringen: aan den Heer Directeur Titsingh, wiens ontvangene particuliere Brief, hij zoujde beantwoorden: mij zoo als ik heen stond te gaan verzoekende een opgaaf van de te katkatta gevallene ongelden te doen om door de Engelsche comp: te worden gerestitueert, en op mijne betuiging, dat, gelijk van den beginne of vide par: 44.½ van dit bericht, aan den Heer Secretaris Haij verklaard was; zonder daar toe gequali¬ „ficeert te worden, ik verzocht mij daar van te mogen excusee„ ren; behaagde het den Heer Gouverneur Generaal mij te ken„ nen te geven, dat wijl zij verplicht geweest waren ons voor het miensten een Hlue oof vrije wooning: geduurende de Commissie, te bezorgen, de Hooge Raad beslooten had van de vergoeding der ongelden, ten minsten de Huishuur, aante bieden: mij expres„ „selijk verzoekende van dit aan deze vergadering bekend te maa„ „ken en Haare dispositie daar op te vragen. — § 122. Om twaalf uuren begaf ik mij naar de bestemde plaats„ ter ontvangst van het antwoord, dat, na dat ik daarom bij den Heer Haij in zijn kantoor, het eigenlijke departement van Zaa„ „ken met de vreemden, tot omtrent twee uuren had zitten wach„ „ten, mij door den Heer Gouverneur Generaal, komende buiten de ver„ „gader zaal, wierd overhandigt. Bij de overgave was de Heer Haij tegenwoordig en het was dus, in presencie van de Heer Gou„ „verneur Generaal, dat zijn E: mij zeide, des verantwoording van„ den Heer Grant, die noch niet afgekopieerd was, zoo dra dit geschied zou zijn, te zullen na zenden. Ik presenteerde daar op, tot bewijs van afscheid van den Hoogen Raad, den Heer Gou„ „verneur Generaal mijn kort Addres N„o 63. , dat zijn Excetl: over „las en beleefdelijk aannam. —: Hier op nam ik mijne bij zondere demissie van zijn Excellentie en ik verliet over twee uuren 's na¬ „middags katkatsa onder een salut van eenige kanon schooten, het getal niet op kon gaeven, om dat ik waar van ik soereets tot de Black Toron genadert was, eer 'er gevuurd wierd, en gevolgelijk weenig meer dan de Rook en niet onderscheidenlijk hooren kon, hoe dikmaals het kanon is los gebrand. 0 § 123. wat nu aangaat het Antwoord zelve. Ik heb de eere het als een Bijlage sub N„o 57. hier neven te voegen en onder No„ 58.
English
247 No. 50. The defense of Mr. Grant cited therein. § 124. Being inclined, the Gentlemen of the High Council state, to satisfy the wishes of the Director and Council at Chinsurah, as far as they were at liberty to do so, the Commercial Council had been instructed to devise such measures as should appear to it most suitable and effective to facilitate the collection of the Dutch Company. § 125. With regard to the demanded compensation for damages, the secretary had been authorized to procure and send us the requested papers regarding the captured vessels the Constancia and the Geduld, as soon as he should receive them; meanwhile enclosing with the reply the defense of Mr. Grant, Resident at Malda, against the second complaint made under the date of 23 August, see paragraph 71 of this report, to the High Council. § 126. For the rest, the points we had presented were answered in the letters written to us and recorded under paragraphs 73, 84, and the 2nd, dated 20 August and 8 September last; but although the Gentlemen considered themselves not authorized to deviate from them or to accede to the conventions proposed by their Honors, they would, however, shortly transmit copies thereof to their superiors in Europe, with the request for their orders regarding and the decision of the several subjects. § 127. Their Honors had been so extensive in giving assurances that our trade would enjoy all protection and support that could be expected from their Honors, that any further assurance in that regard would appear unnecessary to us as well as to their Honors; and, believing on that supposition that our stay in Calcutta was no longer required, they politely informed us that it was best to simply return to Chinsurah. § 128. Aside from the fact that the proposed conventions, under the quasi-pretext of non-qualification, were not taken into consideration, the Gentlemen of the Calcutta Government seem to have overlooked that the abolition of the Peeshcash at Patna at least required no further orders from their Masters, having already been declared lapsed under their guarantee by the articles of the year 1760 mentioned under paragraph 104 of this document; on which their Honors ought to have declared themselves just as well as on what was requested in the 16th paragraph of the fifth Memorial regarding the inspection of ships and vessels that must pass Budge Budge or Fort William, and in respect to the payment of the Toll, in the 17th paragraph, to prevent all disputes in the future, both regarding such goods as one might sometimes improperly wish to include under the name of merchandise, and with regard to the Arrack, namely that it shall be subject to no other tax than 2½ percent or otherwise than the previously demanded 12 Rupees per leaguer, but, the one or the other having been paid, it may be imported everywhere; just as the request in the 31st paragraph regarding the guards at the avenues of the Colonies also ought to have been taken into consideration. § 129. Now, as for the defense of Mr. Grant, it essentially amounts to this: namely, having done nothing other than what the public regulations, the interest of the English Company, and general justice made natural, proper, and unavoidable; while on the other hand, the conduct of our Gomastahs tended directly to overthrow all these requisite considerations. The complaints of those people are, in Mr. Grant's opinion, entirely based on that gross fallacy, namely representing the compliance with the necessary prohibition of the government—which only prevents trade with the Company's weavers—as a prohibition of all trade without distinction in these regions. It was on this notion that the Gomastahs formed the idea of lodging complaints, in which it in no way appeared that they had knowledge of any publication by the Government, or knew that such a prohibition was in place. The whole country, however, bears witness that the orders of Mr. Grant are based on that prohibition. To prove this, his Honor refers to his letters written to the Company's Gomastah at Badaul. It was with this Gomastah, according to the representation of the Gomastahs themselves, that everything occurred; and yet, in order to bring the accusation home to him in person, they cited the circumstances in such a manner as if he had directly given orders for the acts of violence which they describe (see paragraphs 5, 7, and 2 of this report). His Honor rejoices at being able to put this to the test by sending to the Commercial Council copies of all letters written by him to the English Gomastah at Badaul, or by the latter to his Honor, with respect to the Dutch trade, from its beginning until the receipt of the complaints about its hindrance. Transmitting the translations thereof to his Masters, his Honor requests permission from those Gentlemen, prior to analyzing them, to note the report that was given to him very early on: namely, that some of his own servants had entered into engagements with the Dutch suppliers at Chinsurah (which significantly aggravated the intrusion of their people). His Honor, out of fear that this would also exert influence, was all the more obliged to recommend to the Company's Gomastah the utmost accuracy in this regard; especially to the one at Badaul, as being furthest removed from him, and this circumstance, added to the above-mentioned report, could sufficiently justify the reason why his Honor had made use of strong expressions in the letters cited with day and date in the defense.
Dutch transcription
247 N„o 50. de daar bij aangehaalde verantwoording van den Heer Grant. § 124. Genegen zijnde, zeggen de Heeren van den Hoogen Raad, om aan de verlangen van den Directeur en Raad te sinsura te voldoen, voor zoo verre zij daar toe vrijheid hadden, was de Com„ „mercie Raad gelast, zoodanige maatregelen te beraamen als Haar zou toescheinen het meest geschikt en, van kracht te „zijn om den inzaam van de Hollandsche Compagnie gemakken „lijk te maaken. — § 125. Met opzicht tot de gevorderde schaade vergoeding was „de secretaris geautoriseert, om ons de gevraagde papieren met betrekking tot de genomene vaartuijgen de Constancia en het geduld te bezorgen en te zenden, zoo dra hij die ontvangen zoude: ondertusschen bij het Antwoord incloseerende de verantwoording van den Heer Grant Resident te Malda, op de tweede klackte onder den 23: Augustus vide par: 71- van dit bericht aan den Hoogen Raad gedaan. §: 426: Overigens waren de pointen die wij hadden voorgedragen, beantwoord in de aan ons geschreevene en onder par: 73, 84: en 2:e geverbaliseerde Brieven de datis 20. Aug„s en 8: September j:t Leeden; dan of schoon de Heeren zich niet bevoegd reekenden om daar van afte wijken, of toe te trepden tot de Haar wel Edelens geproponeerde conventien, zij zouden echter, ten naasten, sopijen daar van overzenden aan Hunne superieuren in Europa; met verzoek om hunne bevelen nopens en bislissing van de onder„ „scheidene onderwerpen.— § 127. Haar wel Edelens waren zoo uitvoerig geweest in het gee„ „ven van verzeekering dat onzen Handel alle bescherming en ondersteuning zou genieten welke van Hun welEdelens kon wor„ „den verwacht, dat eenige verdere verzeekering dien aangaande ons, zoo wel als Haar wel Edelens onnodig zou voorkomen en in, „die voor onderstelling geloovende dat ons verblijf te kalkatta niet verder gerequireerd wierd, gaven zij ons op een beleefde wijs te kennen dat het best was maar naar sinsura te rug te keeren § 128. Behalven nu dat de voorgestelde conventien; quasi onder voorwindzel, van nonqualificatie, in geen aanmerking zijn ge„ „komen, schijnen de Heeren van het Kalkatsch Gouvernement over het hoofd te hebben gezien, dat de afschaffing van het Peeskes te Pattena althans geen nader ordre van Hunne Hee„ „ren en Meesters behoefde, als, onder haare guarantie, bij de sub 104 par: dezes, gementioneerde articulen van den Iaare 1760, bereets vervallen verklaard zijnde; waar op Haar welEde„ „lens zich derhalven zoo wel hadden behooren te declareeren, als het geen bij de 16. par: van de vijfde Memorie nopens devisitatie van schepen en vaartuigen, welke Beds Bossia of het Fort william passeeren moeten, en ten aanzien der betaaling van de Tol, bij de 17. paq: verzocht is, ter voorkoming van alle disputen in den aanstande, zoo nopens, zulke goederen als men som„ oneigen „wijl „ onder den naam van koopmanschappen zou willen begrij„ „pen, als ten aanzien van de Atrak dat die naamelijk aan geen. „scheidene andere . 248 andere belasting als 2½ prC„o of anders, dan de te vooren begeerde 12. Ropijen perlegger, subject zal wezen, maar, het een of ander voldaan Zijnde, over al zi zal konnen worden ingevoert; gelijk het verzoehte bij de 31. par:s nopens de wachten aan de avenu„ en der Colonien, mede wel in aanmerking had behooren te komen ƒ 129. wat nu aangaat de verandiwobrding van den Heer Grant„ hoofd zaakelijk komt dezelve hier op ter needer van naamelijk niet anders gedaan te hebben dan het geen de publieke Reglement „ten, het belang van de Engelsche Comp:s en de algemeene rechtwen„ „digheid, natuurlijk, behoorlijk en onvermeidelijk maakten, Ter„ „wijl aen de andere kant het gedrag van onze Gomastans onmiddelijk strekte om alle deze in aanmerking komende vereischtens om per te werpen; De klachten van die Lieden zyn na opinie van den Heer Grant ten eenemaal gegrond op die grove drog reeden, naamelijk de opvolging van het nood„ „zaakelijk verbod van het gouvernement, belettende alleen Handel met comp„s weevers voor te stellen, als een verbod van alle Handel zonder onder scheid in deze gewesten „Har op was het denkbeeld der Gomastaks geformeert tot het „aan derhand geeven van klachten; waar bij het geen Lints bleek, „dat zij kennis dragen van eenige Publicatie door het Gouver„ „nement, of weeten dat er zoodaanig een verbod plaets heeft. Het gansche Land echter dragt Getuigen is dat de bevelen van den Heer Grant, op daet verbod gegrond zijn. Om dit te be„ „wijzen beroet zijn Edele Zieh op zijne an's Comp:s Gomastak te Baddaal geschreeve brieven. Met deze is, volgens de vertoo„ „ning der Gomastah zelve, alles voorgevallen en evenwel, om de beschuldiging op Hlem in persoon thuis te brengen, haalden „zij de omstandigheeden zoodanig aan; als of hij direct tot de geweldaadigheeden, bevelen had gegeeven, die zij /: vide par: 5 7 en 2: van dit bericht :/ beschrijven. zijn Edele verheuigd zich dit op den proef te konnen stellen door het zenden aan de commercie Raad van Copij van alle Brieven door hem aan den Engelschen Go„ „mastak te Baddaal, of door deze, aan zijn Edele geschreven met betrekking tot den Hollandschen koophandel, zeedert „haar begin tot op de ontvangst der klachten over verhindering van dezelve De vertaalingen daar van overzendende aan zijne Meesters, verzoekt zijn Ed: die Heeren verlof, om, voor het ontlee„ „den der zelve, te noteeren, het bericht dat Hem, alvroeg; wierd gegeeven namelijk dat eenige zijner eigene Bedienden, met de Hollandsche Leveranders te sinsura, verbintenissen hadden aangegaan /: het welk den indrang van hun volk mer„ „kelijk verzwaarde:/ zijn E, uit vrees dat dit ook in vloed zou hebben, te meer verplicht was 's Comp„s Gomastah alle nau keurigheid hier omtrent aan te bevelen; inzonderheid omtrent die te Baddaal, als het verste van hem verwij„ „dert, en deze omstandigheid gevoegt bij het boven gem: be„ „richt kon voldoende, rechtvaardegen de reeden waarom zijn E: zich bediend hadde van sterke uitedrukkingen in de bij de verantwoording met dagen datum aangehaalde Brie„ ven
English
249 as in that of 9. Iunij 1785. to take care that the gomastahs who arrived for the Dutch, in the collection of linens, obtained none of the Company's assortments nor any linens from the Company's kootbende properly kistbendi weavers, and furthermore that the orders of the Government of the years 1775. and 1782. were published and affixed, as according to the answer of the Gomastah under 11. Iunij would happen as soon as he received another copy instead of the one which was already decayed and consumed by the air: Furthermore, on the report of the Gomastah at Baddaal Ghassi concerning the arrival of three Dutch Gomastahs and their intention to enter into negotiations with dallaals for the collection of linens, that according to the Resident's order of 3/14. Junij 85, that report had greatly offended his Honour, ostensibly because the Dallaals are called English Company's Dallaals, thereupon ordering the Gomastah to warn those Dallaals that they must not do so under penalty of being dismissed from the service and punished. Under 17. Junij the Gomastah at Baddaal receives an order from the Resident to proclaim and post the aforementioned orders, and he communicates to him the obedience to that order under 21. Junij, and that, by beat of drum in all villages, the same had been made known to the kist bendi weavers and that he would prevent the alienation of the kist bendi or Company's linens. Furthermore, that he had forbidden all business with the Dutch to the Dallaals of Baddaal Ghassi who are also called Company's Dallaals and had taken Moetjelkas from them, taking care of the kistbende linens. Further by the Resident to the Gomastah under 25 Iulij, how he had learned that the Dutch Gomastahs obtained linens from the Company's kist bendi weavers in the Moffessil; if that were true, they would be punished for good. The Iagodgiers, Dallaals, and sookdaars, also belonging to the Company, had to be kept well in view, for if everything were proven that the Lord Resident learned of these matters, they would certainly be dealt with severely. Finally from the Gomastah to the Resident under 30: Julij 1785. that he had stationed men in the Moffessil to watch over the linens of the Company's kist bendi weavers, so that the Dutch Gomastahs do not obtain a single piece thereof, and further that Moetsjilkas had been taken from the Dallaals, Iookdaars, and Iagodgiers, and besides that, a sipaij and Amien had been placed at Baddaalghassi to survey and seal the linens and bring them to the Factory as soon as they are ready. Section 130. These orders, Mr. Grant continues, given on 9. Iuny and serving as the foundation of all the further ones, clearly limit themselves to the Company's weavers, and cannot be understood to extend to all weavers, whereto no order has ever been given, and the transmission of the orders
Dutch transcription
249 „ven: gelijk bij die van den 9. Iunij 1785. om zorg te dragen dat de voor de Hollanders aangekomen gomastaks, bij den inzaam van Lijnwaaten, geene van 's Comp„s sortementen bequamen noch eenige Lijnwaaten van 's Comp„s kootbende /: eigenlyk kistbendi) weevers en overigens dat de ordres van het Gou„ „vernement van de Iaaren 1775. en 1782. gepubliceert en geaffi„ „geert wierden, gelijk volgens het Antwoord van de Goma stak„ „sub 11. Iunij geschieden zou, zoo dra hij een andere Copij ontving insteede van die welke door de Lucht reets vergaan en verteerd „was: — Voorts op het bericht van den Gornastak s te Bad„ „daal Ghassi wegens de aankomst van drie Hollandsche Go„ „ma staks en hun voorneemen om ter inzaameling van Lijn„ „waaten, in onderhandeling te willen treeden met dallaals, dat uijtwijzens der Residents order van 3/14. Junij 85, dat bericht zijn Edele zeer had ontsticht, quasie om dat de Dallaals, Engelsche Comp„s Dallaals genoemt worden, den Gomastah over zulx bevelende, om die Dallaats te waarschouwen, dat zij zulx niet moeten doen subpoene van uit den dienstgezet en gestraft te zullen worden. onder den 17. Junij krijgt de Gomastan te Baddaal van den Resident bevel, tot het af„ „kondigen en aanslaen der voorsz: ordres en deze bedeelt Iem de gehoorzaaming van dat bevel, onder den 21. Junij, en dat, door Tromslag in alle Dorpen, aan de kist bendi weevers het zelve bekend was gemaakt en dat hij de vervree „ding der kist bendi of comp„s Lijnwaaten zou beletten. wyders dat van de Dallaals van Baddaal Ghassi /:die ook al comp„s Pallaals genoemt worden:/ alle affaires met de Hollanders had verboden en van hen Moetjelkas had genomen, zorg dragende voor de kistbende Lynwaaten. Noch door den Resident aan den Gomastat sub 25 Iulij, hoe hij had vernomen, dat de Hollandsche Gomastahs Linwaater bequamen van de Compagnies kist bendi weevers in de Moffessil zoo dat waar was, zouden zij voor goed gestraft worden. De Iagodgiers Dallaals en sookdaars ook al aan de Comp:e behoorende, moesten wel in het oog worden ge= „houden, want zoo alles bewezen wierd wat de Heer Resi „dent van deze zaaken vernam, zou 'er zeekerlijk streng met hun gehandelt worden. — Eindelijk van den Gomastat aan den Resident sub 30: Julij 1785. dat hij volk in de Moffessil had gesteld, om op de lijnwaaten van scomp„s kist bendi-wee„ „vers te passen, op dat de Hollandsche Gomastats, geen stuk daar van bekomen en voorts dat 'er van de Dallaals, Iookdaars en Iagodgiers Moetsjilkas waren genomen, en buiten des, was 'er te Baddaalghassi een sipaij en Amien geplaetst om de Lijnwaaten op te neemen en te ver„ „zegelen en zoo dra als ze gereed zijn naar de Factorij te brengen, § 130. Deze bevelen, vervolgt de Heer Grant, gegeven op den 9. Iuny en dienende ter grondslag van alle de verdere„ bepaalen zich duidelijk tot Comp„s woeevers, en konnen niet ver„ „staan worden zich uit te strekken tot alle weivers, waar toe nimmer eenige ordre is gegeeven en de overzending der wij bevelen
English
orders of the Government, also removed all possibility of a misinterpretation, because thereby, and by the publication and posting of the same, it was prevented that anything else could take place other than that which is permitted by those Regulations. The English Gomastahs themselves, according to His Honour's opinion, seem also to have understood it in this manner, besides the fact that the suspicions under which these his subordinate Servants themselves had brought themselves, and the reports given to him from time to time, made the aforesaid precautions highly necessary; thus flattering himself with the righteousness of his conduct: and that the aforesaid Letters come to provide complete Evidence against the complaints of our Gomastahs. Of that which actually occurred at Baddaal, Mr. Grant, when His Honour wrote this, did not yet have complete information. These have since been sent to this Ministry by the Lord Governor-General and the Lords of the High Council alongside their Letters of the 8th of this month, and pursuant to the decree of the 16th following, attached hereto under No. 60. Paragraph 131. It seems unnecessary to quote anything further from this in this matter. The declarations which our Suppliers and Gomastahs, concerning all the details and circumstances that occurred as they are contained in the letters of complaint and are contradicted by Mr. Grant, drawn up as I stated in paragraph 95, will have to show on which side the probability of the present event is greatest, not to detain myself with the native terms used or the necessity why one comes to make use of such forced terms as kist bendi weavers, Moffessil etc. That invention is not new; it is only altered and amplified, so that if one wished to do so, entire Books could be written about it. This alone I maintain, without wishing to cast blame on anyone's Character, much less that of Mr. Grant, to be permitted to say: that, if it were possible to conduct such an investigation as that which His Honour proposes to be necessary, and that it could be judged by others than Agents of the English Company, one would find that all the so-called necessary precautions are in the highest degree unjust, unnatural, and utterly improper. For although Mr. Grant, as is fair and just, defends his conduct with the orders and Regulations of the Government of the Years 1775 and 1782, and although His Honour attempts to assert that these Regulations, or the prohibition against employing English Company weavers, does not imply a prohibition of all Trade whatsoever, yet it is undeniably implied therein that it limits, if not makes entirely impossible, the collection of any Linens at first hand, at the first, or true purchase prices; whether for our Company or for others, and consequently, a prohibition of all Trade therein, so long as the weavers are not left the freedom, as has always been customary, for present
Dutch transcription
250 bevelen van het Gouvernement, benam ook alle mogelijkheid tot een verkeerde interpretatie, wijl daar door, ende afkon„ „diging en aanplakking van dezelve, belet wierd dat er iets anders konde geschieden, dan het geen, door die Reglemen „len is geoortooft. De Engelsche Gomastaks zelve schijnen het, na zijn Ed„s meening, ook zoodanig te hebben begreepen, behalven noch dat de verdenkingen waar onder deze zyne ondergeschikte Bedienden zelve zich gebracht had„ „den, ende berichten, hem, van tijd tot tijd gegeven, de voorsz: precautien ten hoogsten noodzaakelijkmaakten; vlijen„ „de dus zich zelve met de recht maaligheid van zyn gedrag: en dat de voorz: Brieven volleedige Bewyzen tegen de klachten van onze Gomastaks komen op te Leveren. Van het geen 'er te Baddaal eigenlijk is voorgevallen hadde Heer Grant, toen zin E: dit schreef, noch geene volkomen in forma„ „tien, Deze zijn zeedert, door den Heere Gouverneur Gene„ „raal en de Heeren van den Hoogen Raad, aan dit Ministe„ „rium gezonden neven haare Letteren van den 8. dezer, en na„ „volgens arrest van den 16„e daar aan, onder N„o 60. hier neven gevoegt. § 131. Hel komt onnodig voor, daar uit uts naders, in dezen aan te haalen. De verklaaringen welke onze Leveranciers en Gomaslaks, over alle de voorgevallene bij zonderheeden en omstandigheeden zoo als ze inde klacht schriften ver„ „vat staan en door den Heer Grant tegen gesprooken worden, zoodaanig ingericht als ik bij par: 95, hebbe opgegeeven zul„ „len moeten uitwijzen, aan wat kant de waarschijnlijkheid der presente gebeurtenis het grootst is om mij niet op te houden, met de gebeezigde inlandsche benaamingen of de noodzaake„ „lijkheid waarom men zich van zulke gedwongen termen als kist bendi weevers, Moffessil ensz: komtte bedienen. Die inventie is niet nieuw ze word maar gealtereert en geam„ „plieert, zoo dat als men het doen wilde, er geheele Boeken over zouden te schrijven zijn. Dit alleen verman ik, zonder ie„ „mand, veel min den Heer Grant, in zijn Caracter te blamee„ „ren, te mogen zeggen, dat, wanneer het mogelijk ware om een zoodaanig onder zoek te doen, als het welk zijn E: voorsteld no„ „dig te wezen, en dat daar over, door anderen, als Agenten van de Engelsche Compagnie, kon worden geoordeelt, men bevinden zoude, dat alle de zoo genaamden noodzaakelijke precautien, ten hoogsten onrechtvaardig, onnatuurlijk en ten uitersten onbehoorlijk zijn. want alhoewel de Heer Grant„ billijk gelyk ^ en rechtmaatig is, zijn gedrag verdiedigt met de ordres„ en Reglementen van het Gouvernement van de Jaar en 1775 en 1782, en schoon zijn Edele tracht te beweeren, dat deze Reglementen of het verbod om geen Engelsche Compagnies weevers te emploijeeren, geen verbod van alle Handel hoe genaamd, in sluit, zoo hegt echter daar in, ontegen zeggelijk„ opgeslooten, dat het sremt, zoo niet ten eenemaal onmoge„ „lyk maakt, den inzaam van eenige Lijnwaaten uit de eerste hand, tegen de eerste, of waare inkoops prijzen; het zij voor onze Compagnie het zij voor anderen en gevolgelijk, een verbod van alle Handel daar in, zo lange de weevers geen vrijheid worden gelaaten om gelijk het alloos gebruijkelijk geweest is voor presente
English
everyone, free and unconstrained, to work according to their pleasure. It is true, as I say, that through expansion and alteration, some other native designations such as kistbendi and Moffessil were devised to delude the ignorant and to give the appearance as if the kistbendi were the English Company's weavers; but just as little as one could legitimize the taking of Moetsilkas before that time, just as little authority and legality does the name of kistbendi and Moffessil now possess. When use was made only of the Moetsjilka, it appeared upon investigation that this was nothing other than a bond extorted by flogging and whipping from so many weavers, and all such persons as must be employed in the collection of, namely, linens in the Arrengs, obligating them necessarily to deliver any linens to no one other than the English Company, under penalty of fine. Now concerning the kistbendi, that instrument renewed by alteration, this signifies an agreement to satisfy one thing or another at a specified time, such as the delivery of linens in return for advances enjoyed thereon through coercion, pain, and suffering. Whereas in former days an individual Moetsjilka or bond was extorted from every Dallaal, Pijkaar, or weaver, nowadays they are compelled to sign a kistbendi together, upon which are brought together all those who are to be found in such a District, market town, or Village, be they Dallaal, Pyjkaar, Taanti, Iookdaar, sachendaar, and others who belong to the manufacturing of linens and fall under each provincial jurisdiction, their names and trades, with that to which it is desired that they shall bind themselves placed upon the kistbendi, and therefore called Moffessil or such, to indicate that such craftsmen as are collected together thereon belong solely and exclusively to the English Company, their persons and families, none whatsoever excluded therefrom. Thus the kistbendi and Moffessil applies across the entire Provinces, the whole District, and every market town, every caste family, large or small, however one wishes to understand it; for it is known that the caste entails that if the father is a weaver, the son also becomes one, and that thus such as are called Foantis and kappoeris are true manufacturers. If now the kistbendi includes someone of this or another caste, suppose the father, in the bond, then the son, or whoever is related to the father, is tacitly included under this bond; at least he, the son, Brother, or Nephew, may work for no one else, because his father, Brother, or uncle is a Dallaal, Pijkaar, Taanti, Iookdaar, or sachendaar, or of that caste, and is therefore bound to the English Company. Behold the meaning of the kistbendi, and behold what the purpose of the Government's prohibition is, that as long as the weavers have not fulfilled their Engagements with the English Company, they cannot with anyone else
Dutch transcription
251 een ieder, vry en ongedwongen, na Haer genoegen te wer„ „ken. Het is waar, men heeft, zoo als ik zeg, bij amplia „tie en alteratie, eenige andere inlandsche benaamingen gelijk kist bende en Moffessil uitgedacht om den onkundigen te begoehelen en het den schijn te doen hebben, als ware de kist bendi, Engelsche Comp„s weevers; maar even zoo min„ als men voor dien tyd heeft konnen wettigen het neemen van Moetsilkas, zoo weinig authoritel en Legatiteit heeft thans ook den naam van kist bendien Moffessel. Toen men alleen van de Moetsjilka gebruik maakte, bleek het, bij onderzoek, dat dit niet anders was, dan, een door geessel- en zweepslag, afgeperst verbandschrift van zoo veele weevers, en alle zoodaanigen, als tot den inzaam van g'emploijeert moeten worden van namelijk Lijnwaaten, in de Arrengs, noodzaakelijk ^ aan niemand anders als de Engelsche Compagnie, eenige Lijnwaaten te zullen leveren, subpane van Boele. wat nu de kist =bende :/ dat door alteratie vernieuwd Instrument, aan„ „gaal, dit beteekend: een overeenkomst ter voldoening aan het een of ander, op een bepaalde tijd, gelijk de Leverancie„ van Lijnwaaten voor verstrekkingen daar op /:door dwang, pijn en smert :/ genoten. Daar men nu, in vroeger dagen, ieder Dallaal, Pijkaar, of weevereen Moetsjilka of verband„ schrift afdwong, noodzaakt men hen tegenwoordig, met malkander, een kist bendi te teekenen, waar op te saamen gebracht zijn, allen die in zoo een District, vlek of Dorp zijn te vinden, het zij Pallaal, Pyjkaar, Taanli; Iook„ sacken daar en anderen, als tot de Manu factuueering daars Lijnwaaten behooren en onder oeder provinciaal gebied sor tee„ ker naamen en handleeringen; met het geen waar toe begeerd dat zij zich zullen verbinden op de kist bendi„ nd gesteld en daarom Moffessil, of zoodanig genoemd wor„ te kennen te geeven dat zulke Hlandwerkers als daar p bij een verzaameld zijn, en kel en alleen tot de Engelsche Com„ pagnie behooren, haer persoon, in familie geene hoegenaamd, daar van uitgezondert Dus heeft de kistbendi en Mof„ fessil betrekking over de gansche Provincien, het geheele Dis„ „trect en ieder vlek, ieder caste familie, groot of kleen, hoe men het ook wil begrijpend, want men weet dat de kaste meede brengt dat zoo de vader weever is„ de zoon het ook woord, en dat dus zulken als Foantis en kappoeris genaamd worden, zijn„ „raat fabricquers zijn. zoo nu de kist bende iemand van de„ „ze of een andere kaste, steleens de vader, bij het verband in„ „sluit, dan is de zoon, of wie ook tot de vader betrekking heeft, tacite, onder dit verband, begrepen; althans hij zoon, Broeder of Neef: mag voor niemaand anders werken, om dat zijn va„ „der, Broeder, of oom, Dallaal, Lijkaar Taanti, Iook daar of sachen daar, dan wel van die kaste, en daarom aan de En„ „gelsche Compagnie is verbonden: zie daar de zin der kist ben„ „di: en zie daar wat de Linds van het verbod van het Gouverne„ „ „ment, dat zoolang de weevers aan haare Engagementen met de Engelsche Compagnie niet hebben voldaan zy zich met niemand „daars anders
English
252 may otherwise enter into any obligation; when one observes that, according to the native laws, the son, or in default thereof, the nearest of the family, is called upon and held responsible for that to which the one who was the head of it had bound himself to anyone. And if one views it thus, as it truly and verily is and thus ought to be viewed, then it is naturally understandable why the Gomastahs of our merchants or suppliers have complained and made known that the money advanced for their masters, and in their name, for the Company, had to be lost. The evidence that Mr. Grant, or the Calcutta Government, recently sent to us, is against him, and shows regarding the province of Radcaal that the Palbaals agree that the linens are delivered by the English Company's Gomastahs to our Company's weavers, because there are no other weavers in that quarter, and thus it truly and verily is everywhere; Mr. Grant may contradict that and put such a spin on it for himself or his masters as he deems fit, the truth cannot be suppressed, and it would come to light most brilliantly if not only an impartial investigation, but as I have said, an impartial judgment, could take place... § 132. It would grieve me if I submitted anything to the assembly that was not based on the strictest information, knowledge of the language, following the received instruction in native customs and manners, and thus on the true and essential constitution of the land, the nature, laws, and customs of the native: if it is deemed necessary that the Calcutta Government be summoned to state whether the aforesaid interpretation of the native names and their attached, or rather adopted quality, like that of Company's weavers, does not correspond with the truth, or else that they please give us another satisfactory declaration and explanation, clearly indicating by names, persons, and families, where or in what place, which provinces, under which so-called Zemindar or Governor, other weavers are to be found than those whom they now please to call English Company's weavers, adequate and sufficient enough to properly carry on the trade of our Company and its subordinates; since it goes without saying that we cannot make use of people incapacitated by old age or other misfortunes; if they can do that, our Gomastahs are punishable, and if not, they appear to us as innocent and vindicated. § 133. In the 28th paragraph of the draft fifth Memorial, I asserted that such edicts or ordinances as were presented to us, having been issued and affixed first in the year 1775, and thereafter in 1782, to secure these advances of the English Company and a timely delivery, were, before its acquired ascendancy, never practicable.
Dutch transcription
252 anders in eenige verbendenis mogen inlaaten; als men er bij opmerkt, dat; na de vinlaendsche wetten; de zoon, of bij ontree„ „king van dien, de naeste der familie, aangesprooken en ver„ „antwoordelijk gehouden word voor het geen waar toe de geen, S: die hot hoofd daar van was, zich aan iemand heeft verbonden. „Een als men het zoo in ziet, gelijk het waar en waarachtig is een dus zoo behoord inegezien te worden, dan valt natuurlijk te „begrijpen waarom de Gomastaks van onze kooplieden of Leve„ „ranciers hebben geklaagd en te kennen gegeeven, dat het, voor =Haare Meesters, en in den naam van deze, voor de Comp: ver„ „strekte geld: moest verlooren gaan. Het bewijs dat de Heer Grant, of het katkatsch Gouvernement, ons Jongst heeft toe„ gezonden, is tegen Hem, en toond nopens de provincie Bad„ „caal aan, dat de Palbaalse toe stemmen dat de Lijnwaaten „gomastahs bezorgd worden door de Engelsche Comp„s aan onze Comp„s weevers, om dat er geen andere weevers in dan 't quartier zijn en zoo is het wezenlijk en waarachtig over al gelegen; de Heer Grant mag dat tegenspreeken en voor zich of zijne Meesters, en zulke plooijen stellen als hij dien „tig acht, de waerheid kan niet gesmoord worden, en die zoju„ aller eclattantst aan den dag komen, kon er een onpartijdig onderzoek niet alleen, maar zoo als ik gezegt heb, eer ompar„ „tijdig oordeel, plaats-vinden... § 432. Het zou mij Smerten in dien ik de vergadering its aandiende, dat niet op de stricste informatie, de kundigheid van de Taab, na de bekomene onderrichting der inlandsche zeeden, en gewoonte, dus op de waare en eerzenlijke Constitutie van het Land, den aart, wotten en gebruiken van den inboorling gevestigt, is: zoo: kot noodig, geoordoelt, word, dat men het kal„ „katsch Gouvernement Sommeere, of de voorsz: uittegging der inlandsche naamen in daar aangehegte, of liever Geap= „dopteerde eigenschap, gelijk die van Comp„s weevers, niet met de waarheid overeenkomstig is. dan wel dat zij ons een andere voldoen der verklaaring en explicatie gelieven te geeven, on„ „der duidelijke aanwijzing met naamen, Persoonen en famili„ „en, waar of in welke plaats, welke Provincien, onder welke zoo genaamde Liemien daar of Landvoogd, andere weevers te vinden zijn als die zij, nu Engelsche Comp„s weevers gelieven te noemen, toe reikend, en suffissant genoeg om den Handel van onze Comps en Hadre onderhoorigen, na behooren, te konnen voortzetten; wijl het van zelfs spreekt, dat we ons van geene door ouderdom, of andere toevallen, onbequaam geworden Men„ „schen kunnen bedienen; zoo ze dat konnen doen; zijn onze Go„ mastans strafbaar en zoo niet, komen, ze wij voor als onschul„ dig en gerechtvaardigt: § 133. Bij de 28. par: van het concept vijfde Memorie, heb„ „be ik beweerd dat zalke Placcaaten of ordonnancien als ons voorgehouden wierden in den Jaare 1775 eerst, en daar na in 1782„ uitgegaan en geaffigeert te zijn tot verzeekering deze goed„ „verstrekkingen van de Engelsche Compagnie en eene tydige Leverancie, voor haare bekomene overmacht, nooit practica¬ Leeden bel
English
have been. On that matter, more than one proof could be produced from the treatise of Mr. Henry Vansittart concerning the state of the English Company in Bengal during his administration as Governor from the year 1760 until 1764. I could mention many others, were it not otherwise all too clear to trace and discover in our own Company papers from 1758 up to 1775. Mr. William Bolts, former Alderman of the Court at Calcutta and formerly Resident at Benares on behalf of the English Company, published in the year 1772 a work entitled Considerations on India Affairs, particularly respecting the present state of Bengal and its dependencies; wherein, in the second edition, Chapter 5, treating the very first commerce of the European Nations to India in the innermost parts of the Hindostan Empire, likewise the difference between the trade of the English Company and that of British private individuals and other peoples in Bengal, at the end thereof, page mihi 74, the author expresses himself thus: "Manifold and innumerable are the methods of oppressing the poor weavers, which are daily devised and practiced by the Company's agents and gomastahs inland, such as the imposing of monetary fines, imprisonment, flogging, and the extorting of bonds from them, whereby the number of weavers in the countryside has been greatly diminished. The most natural consequences of this are scarcity, dearness, and deterioration of the manufactures, as well as a considerable reduction in the country's revenues. In addition, the collection of the Company's goods has now turned into a monopoly, to the utter exclusion of all others, except a few of the principal servants of the Company, who, having the disposal of the Company's requirements, provide or furnish to the Company as much as their consciences allow for the Company, themselves, and their favorites; nevertheless with the exception of the foreign Companies, which are permitted to procure a few necessities in order to prevent complaints in Europe." Paragraph 134. Subsequently, in that same work, in the fourteenth chapter, where the author treats the general present-day commerce of the English in Bengal, the oppressions and monopolies which have been the causes of the decline of trade, the reduction of revenues, and the present ruinous state of affairs in Bengal, it is revealed what the English trade amounted to at the time of the Emperor Farrukhsiyar, who granted them freedom from customs, and that all the effective, lawful property of land of which the English Company could boast was no more than about forty bigas, or about 15 acres around each factory
Dutch transcription
253 bos geweest zijn. Daar omtrent zou meer als een Bewijs zijn zijn bij te brengen uit de verhandeling van den Heer Henrij van sitteert over de staat van de Engelsche Compagnie in Ben„ „gale geduurende zijn be Htier als Gouverneur van het Iaar 1760. tot in 1764. Meenig. anderen zou ik konnen opnoemen, zoo het anders niet maar al te duidelijk en onze eige comp„s Papieren Zeedert 1758. tot 1775. toe, was na te gaan en te ontdekken. De Heer William Bolts: gewezen Alderman van de Court „te kalkatte en voormaals, van wegen de Engelsche Compagnie Resident te Benarisz heeft in A„o 1772. in het Licht gege„ „ven een werk, getituleerd verhandeling over Indische Zaa„ „ken, bij zonder met relatie tot den tegenwoordigen staat van Bengalen in dies onderhoorigheeden; waar bij in de twee„ „de druk, Hoofd stuk 5, handelende over de aller eerste koophan„ „del van de Europische Natien op Indien in de innerlijkste gedoeltens van het Hindostansche Rijk, item het verschil tusschen den Handel van de Engelsche Compagnie en de dat van Britsche particulieren en andere volkeren in Bengalen, aan het einde van dien, pagina mehi 74. , de Auteur Zich dus uit: „ Meenigvuldig en ontelbaar zijn de wijze der verdrukking „ van de arme weevers, welke dagelijks uitgedacht en te werk „gesteld worden door 's Comp„s Agenten en Gomastaks bin„ „nen 's Lands, gelijk als het opleggen van geld boeten „het gevangen zetten, geesselen, en het afdwingen van ver„ „„bandschriften van dezelve, waar door het getal der „weevers, ten platte Lande Grootelijks is vermindert geraakt. De natuur lijkste gevolgen hier van zijn schaarsheid, duurte, en verergering der Manufactuuren zoo wel, als een aanzien, lijke vermindering in 's Lands, Revenuen. Daar bij is den in„ „zaam van 'sComp:s goederen, thans, tot een Monopolie over„ „geslagen met de uiterste seclusie van alle anderen, behal„ „„ven eenige der voornaamste van 's Comp„s Dienaaren, welke, „de beschikking van 's Comp„s benodigheid hebbende aan „de Comp: zoo veel bezorgen, of doen geworden, als hunne con„ „cientien voor de Compagnie, Zich zelfs en hunne Gunstelin„ „gen gedoogt: nochtans met uit zondering van de vreemde „ Compagnien, welke gepermitteerd zyn zich eenige weinige benodigtheeden te bezorgen ter voorkooming van klachten in Europa. — § 134. vervolgens word, by dat zelve, werk, in het vaertiende Hoofddeel, daar de Auteur handelt over den algemeenen Heeden, „daagschen koophandel van de Engelschen in Bengale, de onder„ drukking en Monopolien, welke de oorzaaken geweest zijn van het verval der Handels, de vermindering der Revenuen, ende tegenwoordige verdervelijke staat van zaaken in Bengale; open gelegt wat de Engelsche koophandel: had te bedueiden ten tijde van den keizer Paroehseer, die hen vrijheid van Tol vergunde, en dat alde effective wettige, Eigendom van Grond waar op de En„ „gelsche Comp: zich konden beroemen, niet meer dan omtrent veertig Bigaas, ofte omtrent 15. aene's rontom ieder Factorij Weevers uit.
English
constitutes. "At that time," the writer continues, "until about after the year 1753, the English Company in Bengal had the custom of carrying out the provision of their goods, generally (thus just as with us), through native merchants, who were advanced a part of the money beforehand, and which advances were called Dadni advances. These merchants, who were known by the name of Dadni merchants, contracted, under certain penalties, to make delivery of goods at specified times and for stipulated prices at the Head Office of the Company, and were, in doing so, subject to the laws of the land whenever they, or their agents, made themselves guilty of any illicit actions. In this state of affairs, the prejudice that the country suffered on account of the great partiality shown to English subjects in preference to those of the Mogul, as has already been pointed out in its proper place, was barely noticeable. But the Mogul in fact had no conception of the extent to which this trade was about to be brought by such an unlimitedly granted freedom of toll. The prerogative granted to the English brought them great advantage when they divided the inland trade between themselves and the weavers, on account of which change of method for the provision of their requirements, the factors and gomastahs whom they employed for the Company were shown the greatest respect. This influence grew with the authority of the English Company, so that, after the defeat of Siraj ud-Daulah, so that (in 1757) that Nawab was forced to bind himself: that neither he nor his officials should in any manner whatsoever interfere with the gomastahs of the English, but that care should be taken that their operations would in no manner meet with impediments. This newly acquired power the gomastahs turned so well to their advantage that, after the Company, through its servants in the year 1757, had made its first Nawab, Jafar Ali Khan, those black business agents came to arrogate to themselves in every district a judicial coercion or jurisdiction, against which the Rajas or Zamindars in the countryside did not dare to resist: Cases of this nature, so detrimental to the country, are to be found on every page in the treatise of Mr. Vansittart on the state of Bengal under his administration. In this state of affairs," Mr. Bolts continues, "while the Company's trade, and with it that of private individuals, began to increase in an uncommonly greater proportion, the evil which in the beginning was scarcely felt, finally became general throughout the Bengal provinces, and one may nowadays truthfully say that the entire inland trade, as it is currently conducted, and that of the provision [illegible]
Dutch transcription
254 uitmaakt. " Toen ter tijd /:vervolgt de schrijver / tot omtrent na „ het Jaar 1753. had de Engelsche Compagnie in Bengale de ge„ =„woonte, om de bezorging hunner goederen, generalijk /: dus even „ als bij ons / te doen met inlandsche kooplieden, die een ge„ „„deelte van het geld wierden voor uit verstrekte en welke ver„ „strekkingen Daadni advances genoemd wierden. Deze kooplieden, welke bekend waren by den naam van Daadni„ „merchants, contracteerden; onder zeekere prenaliteiten om Le„ „verancie van goederen te doen op bepaalde tijden en voor bedonge„ „ne prijzen, op het Hoofd kantoor van de Comp: en waren, dat doende, verbonden aan 's Lands wetten, wanneer zy, of hun„ „„ne Agenten, zich schuldig maakten aan eenige ongeoorlofde =handelingen. In dezen toedracht van zaaken, was het na„ „„diet dat het Land leed, uit hoofde van de groote een zijdig heid die men aan Engelsche onderdaanen, in preferentie van die „ des Mogols betoonde, gelijk ter zijner plaatze bereeds aange„ „„wezen is, genoegzaam niet te merken. Doch de Mogol had in „ der daad geen begrip van de hoogte waar toe dezen Handel ge„ „„bracht stond te worden door eene zoo ongepaaldelijk geaccor„ „„deerde vrijheid van Pol. Het Prerogatif aan den Engel „schen toegestaan, bracht hen groot voor deel aan toen zij den „ Binnenlandschen Handel verdeelt Lagen tusschen Hen en uit „de weevers; met hoofde van welke verandering van methote „tor verzorging van Hunne benodigtheid, de Factoors en Gomas „„taks die zij voor de Comp: emplojerden, het groot ste Res„ wilsch „pect bewezen wierden. Dezen in vloed o aan met het na het verslaan van „ gezach van de Engelsche Comp:, zoo dat, nu het gezaeh van de on„ seraadsjud Douca „gelsche Comp:s zoodat /: in 1757:/ dien Nawab genoodzaakt „ was zich te verbinden: dat Hij noch zijne Amptenaaren, op geeverlij wijze hoe genaamd zich zouden bemoeijen met de Gomastaks van de Engelschen, maar dat 'er zorg zou wor„ „ „den gedragen, dat hunne verrichtingen, in geener han„ „„de maniere, verhinderingen quamen te ontmoeten. — Dit „ nieuw verkregen vermogen, maakten de Gomastaks zich zoo wel te nut dat, na dat de Compagnie, door Haare Bedienden „ in den Iaare 1757, Haere eerste Nawab Iaffer Alijchan „gemaakt had, die zwarte zaak bezorgers zich, in ieder Dis„ „„trect, quamen toe te eigenen een Rechts dwang of Iurisdictie, „waar legen de Raadjans of Liemiendaars, ten platten Lande, „ zich niet dorsten verzetten: Gevallen van dezen aart, zoo na„ „deelig voor het Land, zijn, inde verhandeling van den Heer „ van Sittart over den staat van Bengale onder zijn bestier„ op ieder pagina; te vinden. In dezen toedracht van „zaaken (: vervolgt de Heer Bolst:/ terwijl's Comp„s Handel „ en met dezelve die der Particulieren in een ongemeen Grooter proportie begost toe te neemen wierd het kwaad het welk men„ „ inden beginne nauwelijks voelde, ten laetsten, algemeen door „ de Bengalsche Provincien, en men mag tegenwoordig, met „ waarheid, zeggen dat de gansche Binnenlandschen koop„ „„handel, zoo als ze thans word gedreeven, en die der bezorging „pect van Bris
English
25 of the Company's requirements for Europe, has degenerated into a scene of oppression, whose ruinous consequences are felt inland by every weaver and manufacturer, since all production itself has been turned into a monopoly; by virtue of which the English, with their Banians and black Gomastahs, decide what quantities of goods each manufacturer shall be obliged to deliver, and what prices shall be allowed them for them. It has been a constant habit of every Governor who succeeded to the Bengal Government to increase the Company's provisions for Europe beyond what each of their predecessors was accustomed to send, in order thereby to make a name for themselves with the Company. To achieve this increase, the utmost precision and the greatest severity are employed against the manufacturers, who, now monopolized by the English Company and its servants, are to be regarded as its slaves, which has already given rise to manifold complaints by the agents of the French and Dutch Companies, and at the same time has brought about their proposals for a division of the weavers, of which we have already noted what is necessary at the end of our eighth chapter, cited by the undersigned at the end of the 27th paragraph of the draft of the fifth Memorial. The severe measures, Mr. Bolts continues, that are employed regarding these poor people, generally being the manufacturers in actual facts, are scarcely to be described; for it often happens, as we have already remarked in another place, that while the various officers of the Collectors on the one hand harass them for the established ground rent, the peons of the Company's Gomastahs on the other hand press them so violently for the delivery of goods that it renders them unable to pay the ground rent. But however pardonable the oppressions of the manufacturers may have seemed to the English Company as merchants when the country belonged to another Power, and the profit arising from trade was their only prospect, at present the continuance of such a course of conduct cannot be regarded otherwise than as the idiocy of wishing to kill the most fertile to become master of all its golden eggs at a single stroke. But to make the nature of these oppressions, of that time and the present time, well understood, it cannot, says Mr. Bolts, be inappropriate to see here an explanation of the manner of gathering the required piece goods, as being done either by the overseer of the warehouses of exported goods and the Company's servants of the subordinate factories for the Company's account, or by English gentlemen, servants of the Company, as this for
Dutch transcription
25 van 's Comp„s benoodigtheeden voor Europa, is overgeslagen tot een Poneel van onderdrukking, welkers verdervelijke gevolgen, „. Landwaard in, door ieder Weever en Manufacturier, gevoelt word; wijl alle voortbreng zelfs verandert zijn in een Monopo„ „lie; uit hoofde van het welke de Engelschen, met hunne Be „ „ jaans en Zwarte Gomastaks decideeren, welke quantiteiten „ van goederen ieder Manufacturier gehouden zal zijn te Le„ „veren en welke prijzen hun, daar voor, zullen worden gevalideert Het is, van ieder in het Bengaalsche Gouvernement ge succedeerde Gouverneur, een Constante gewoonte geweest om de bezorgingen van de Compagnie voor Europa, te vermeerderen „„ boven het geen ieder hunner Predecesseurs gewoon was te ver„ „„zenden, ten einde zich daar door, by de Compagnie een naam „ temaaken. Ter erlanging van deze meerderheid, worden de „ uiterste naukeurigheeden en de grootste hardigheid in het „werk gesteld tegen de Manufacturiers, welke, thans door de „ Engelsch Compagnie, en Haare Bedienden gemonopoliseert, als „haare slaven zyn aan te merken, het welk bereets meenigerlij „klachten door de Agenten van de Fransche en Nederland„ „„sche Compagnien en tevens heeft te wege gebracht, hunne pro„ „positien tot een verdeeling van de weevers, waar van we be„ „ „ reeds het nodige hebben aangeteekend aan het einde van ons agste Hoofddeel, /:door den ondergeteekende geciteerd aan het einde der 27. par: van het concept der vijfde Memorie. De strenge middelen /: vervolgt de Heer Bolts:/ die ontrent dit arm volk worden ter handgenomen, over het algemeen zijn„ „de Manufacturiers in Akkuleeden, zijn nauwelijks te beschrij „ven; want meenigmaal gebeurt het, gelijk we reeds op een an„ dere plaets hebben aangemerkt, dat, terwijl de onderscheide„ ne officianten van de Collacteurs hen van de eene kant bekom„ „meren voor de vastgestelde Grondpacht, de pions van 's Comp„s Gomastaks hen aan de andere kant, tot de Leverancie van goederen zoo geweldig perssen, dat het hen buiten staat „stelt om de grondpacht opr te brengen: Dan hoe verschoonbaar „„ de onderdrukkingen der Manutfacturiers, de Engelsche Comp:, als kooplieden, ook mag hebben toegescheenen toen het Land aan een andere Mogendheid behoorde, en dat het voordeel, uit den Handel spruitende, Haar eenig uit zicht was, thans kan de voortgang van dergelijk een Handelwijs niet anders worden aangemerkt als het idiotisme van de vruchtbaare sten te willen doeden om, eens klapsmeester te worden van al haar goude Eijeren. Maar om den aart dezer onderdunkingen /: van den toen„ „maaligen en tegenwoordigen tijd:/ welte doen begrijpen, kan het, zegt de Heer Bolts, niet oneigen zijn; hier een uitlegging te „zien van de wijze van inzaameling der benodigde stuk goede„ „ren, als geschiedende of door den opziender der Magazijnen „ van de uitgevoert wordende waaren en 's Comp„s bedienden van „ de onderhoorige Factorijen voor reekening van de Compagnie; of door Engelsche Heeren, Dienaaren van de Compagnie, als dit voor
English
for their own private account. In both cases, factors or agents, called Gomastahs, are engaged for monthly wages by the honorable gentleman's Banyan; the servants who are usually employed for every inland expedition consisting of a head Gomastah, an Athorrie or clerk, a cashier with some Peons and Harkarrahs; the latter for the conveyance back and forth of messages or letters, which, in lack of regular posts, is paid for by each merchant. All these are dispatched with a Parwanah from the Governor of Calcutta or each of the chiefs of the subordinate factories to the Zamindars of the districts where one intends to make purchases, ordering them not to hinder or prevent the operations of the envoy, but on the contrary to render them all possible assistance. The first step they take is the exchange of a suitable sum of money in coin at the Bazaar, against the circulating Batta or the difference in value of one coin with another among the shroffs or moneychangers, as suits best in the districts where one intends to collect goods; which moneys are then destined as the first advance payments to the weavers; after which, use is made of such goods as one expects to be able to sell with advance in those places, or to turn to profit for completing the final full disbursements to the weavers in due course, which are then also dispatched with the Company's Dustucks and consigned to the Gomastahs. Upon the arrival of the Gomastahs in the Aurungs or weaving places, they establish their residence, which are called katcherries, to which, by their Peons and Harkarrahs, are summoned the brokers called Dallals and the Pykars together with the weavers; whom, after receipt of the money sent by their or his masters, they compel to sign a bond for the delivery of a certain quantity of linens at certain prices and at stipulated times, paying them a portion of the money by way of advance. The consent of the poor weaver is generally not deemed necessary: for the Gomastahs, being employed for the procurement of the Company's goods, frequently make them sign whatever they desire; and if the weaver refuses to accept the money that is offered to him, it is known for certain that they have had it tied in their sashes and that they, the weavers, have been sent away with a thrashing. The Dallals are brokers who are usually and necessarily employed by the Gomastahs, as being acquainted and having accounts with all the weavers of the various districts. They are frequently oppressed just as heavily as the weavers themselves: but when they are employed separately, the Gomastahs always make them pay the score. Beneath the Dallals are the Pykars, a lower sort of brokers who negotiate the smallest affairs with the weavers and Dallals, just as the latter do with the Gomastahs. A multitude of these weavers are thus registered in the books of the Gomastahs, the Register of the kistbandi, and Moffessil, and not permitted to work for anyone else: being transferred from one to the other, like so many slaves, subject to the tyranny and roguery of each succeeding Gomastah. The linens, when they are completed, are collected in warehouses erected for that purpose, called khatta; where they are kept and marked with the names of the weavers, until it suits the Gomastah to hold a khatta; the actual meaning of which is the sorting and appraising of each piece; in which operation one of the Company's officials, called a Jachandar or sorter, is employed. The roguery that is practiced in this department exceeds all imagination; everything being decided to the detriment of the poor weavers. For the prices which the Company's Gomastahs and, in agreement and collusion with them, the Jachandars place on the goods, are everywhere at least 15 per cent and for some even 40 per cent less than such manufactured goods fetch on the public market, or would bring at a free sale. It is for this reason that the weaver, desiring the true value of his labor, often ventures to dispose of his goods elsewhere, especially to the Dutch and French Gomastahs, who are always ready to take them. This causes the English Company's Gomastah to place Peons over the weaver to watch him, and not infrequently to have the piece of cloth cut from the loom when it is nearly finished. With this authority and influence, the English Gomastahs, however, never fail to provide themselves with as many goods as they can possibly obtain, both for themselves on their own account and for that of the Banyans of their English masters: either selling the same on the public road to the agents of foreign Companies, or dispatching them with the goods of their principal to Calcutta, under the escort of one and the same Dustuck: in both cases, if any are to be set apart, being able to rest assured of securing a profit of at least 20 per cent on the goods thus procured. In the time of the Mogul Government, even under the rule of the Nawab Alivardi Khan, the first usurper and assailant of the lawful system of government of Bengal, the weavers had the freedom to manufacture their goods and that without any oppression. And, although such was not then in practice, it was a common custom of prominent weaver families of
Dutch transcription
256 voor Huen eige particuliere Reekening. In beiden de gevallen, worden 'er Factoors of Agenten, genaamd Gomastaks, voor „maandelijks loon angenoomen door den welEdelen Heer 's Ben¬ „jaan; bestaande de bedienden; welke gewoonlijk, tot ieder bin„ „„nenlandsche Eexpeditie worden geemploijeert, in uen Hoofd Go„ „mastaks, een Athorrie of klerk, een kassier met eenige Pi„ „rons in Herkarraks; de laaste tot het over- en weder brengen van boodschappen of Brieven, dat; mits manquement van regulie „re posten, door ieder koopman word bekostigt. Deze allen wor„ „,den gedepecheert met een Parwanah van den Gouverneur van „katkatte of een ider opperhoofden van de onderhoorigen Factorijen aan de Ziemendaars van de Districten alwaar men van inten¬ „sie is inkoop te doen; hun bevelen de om der afgezondene ver„ „„richtingen noet te beletten of te verhinderen; maar in tegendeel „ken alle mogelijke bijstand te bewijzen. De eerste stap die zij „doen, is het opwisselen van een convenabele som geld specien „ ter Bazaar, tegen de rouleerende Batta of het verschil der waarde van de eene specie met de andere onder de saraafs of „geld verruilders, zoo als die dan best te stade komt in de Dis „„tricten alwaar men voor neemens is goederen in te Zaamelen „welke penningen dan, tot de eerste handgelden; aan de weevers worden gedtestineert, waar na; met zich bediend van zoo daa¬ „„nige goederen als men zich voorsteld, met advans, op die plaat „„zen, te zullen konnen verkoopen ofte nutte-maaken tot accom „pleteering van de laaste volle verstrekkingen aan de weevers. inder tijd, die dan ook worden afgezonden met 's Comp„s Desteks en geconsigneert aan de Gomastaks. — Bij de aankomst van „ de Gomastans in de Arrengs of wevfplaets, slaan zij den Re„ „„sidentie op, welke ketsjenies genaamd worden, tot dewelke; „ door hunne Pionsen Harkarrahs, worden gedagvaard & „ de Makelaars genaamd Dallaals en de Pykaars te saamen met de weevers; welke, na ontvangst van het door hunne of „zijn meesters afgezonden geld, zij noodzaaken tot het teekenen „. van een verbandschrift ter Leverancie van een zeekere quanti„ „teijt Lijnwaaten tegen zeekere prijzen en tot bepaalde tijden; hen „een gedeelte van het geld bij wege van voor uit verstrekking, be„ „taatende. Di toestemming van den armen weever word in „ het algemeen niet nodig geacht: want de Goma staks, tot de bezorging van 's Comp„s goederen geemploijeert wordende doen hen meenigmaal teekenen alwat zij begeeren; en zoo de weeverwei„ „gerd het geld, dat hem aangeboden word, te accepteeren, weet „ men zeeker, dat zij het hebben laaten binden in haare gordels en dat zij /:de weevers:/ met een dracht slagen zijn weggezon„ „„den. De Dallaals zijn Makelaars, welke gewoonlijk en noodzaakelijk worden geimploijeert door de Gomastans, als bekend zijnde en Reekeningen hebbende met alle weevers van „ de onderscheidene Destricten. Zij worden meenigmaal al zoo „sterk onder drukt als de weevers zelve: maar wanneer zij „ afzonderlijk worden geemploijeert ,n doende Gomastans attoos „hen het gelach betaalen. Onder de Dallaals zijn de Pijkaars, „ indertijd een 257 een minder soort van Makelaars welke de kleenste zaaken met de weevers en Pallaals verhandelen, gelijk deze laatsten, „doen met de Gomastans. Een meenigte van deze weevers zijn dus opgeteekend in de Boeken van de Gomas„ „taks/: het Register der kestbendi, en Moffessil: /: en niet gepermitteerd voor iemand anderste werken: worden „de van den een aan den ander overgedragen, als zoo veele slaaven, onder worpen aan de Krannij en Boe„ verij van ieder op volgende Gomastah. — De Lijnwaaten, als ze gereed gemaakt zijn, worden in, ten dien fine opgerechte Magazijnen, bij genaamd khatta, verzaa„ „meld; alwaar ze worden bewaard en gemerkt met de naamen van de weevers, tot het den Gomastak gelegen komt om een khatta te houden; waar van de eigenlijke zin is het sorteeren en prijzeeren van ieder stuk; bij welke verrichting geemploij„ „eert word een van 's Comp„s officeanten, genaamd Sachen„ „daar of sortierder. De schelmerij welke in dit de partement word geplegt, gaat alle verbielding te boven; wordende alles beslist tot nadeel van de arme weevers. want de prijzen wel„ „ke 's Comp„s Gomastaks en, over een stemming en afspraek met hun de Sachen daar op de goederen stellen, zijn over al„ ten minsten 15 p„r C„o en van sommigen wel 40. p„r C„o minder dan de dusdaanig, gemaniefactureerde goederen, op de pu„ „blicke maakt van de hand gaan, of haalen zouden bij een vrije verkoop. Het is daarom dat de weever, de weezenlijke waarde„ van zijn arbeid begeerende, dikmaals onderstaat om zijn goed elders te verdebiteeren, in zonderheid aan de Holland„ „sche en Fransche Gomastahs die altoos gereed zyn om het te neemen. Dit veroorzaakt dat de Engelsche Comp„s Go„ „mastah, Pions steld over den weever om hem te bewaaken, en niet zeldzaam, het stuk goed van de scheering laat af„ „snijden, wanneer het omtrent klaar is: Met dit gezach en „. invloed, mangelt het den /: Engelschen :/ Gomastaks in, „middels nooit, zich van zoo veel goed te voorzien als zij maar konnen bekoomen zoo voor zich zelven opeige Reekening, als voor die der Benjaans van hunne Engelsche Meesters: dezelve of verkoopende op de publieke weg aan de Agenten van vreemde Compagnien; of met de goederen van hunne principaal depecheerende naar kalkatte, ondergeleide van een en het zelve De stek: in beide gevallen, in dien er eenige afzonderlijk te stellen zijn, zich konnende verzeekerd houden van op de dus„ „daanig verzorgde goederen, een voordeel van ten minsten 20. procento, te kunnen behaalen. Ten tijde van het Mogolsche Gouvernement, zelfs onder het bestier van den Nawab Allawerdichan, /: de eerste u surpateur en aan rander van het wettig Regeerings gestel van Bengale:/ hadden de weevers vrijheid tot het manufac„ „tuuren van Haare goederen en dat zonder eenige onderdruk„ „kingen En, schoon zulx toen niet in practijcq ware was het een algemeene gewoonte van aanzienlijke weevers familien van „ 8
English
over castes, to see their own capitals employed in the manufacturing of goods, and to sell the same freely for their own account. Whereas, in contrast, in the time of Siraj ud-Daulah, successor to Alivardi Khan, through the increasing power of the English, the acts of violence of their gomastas, and the manner of providing for their necessities, among others at Dacca in the district of Junglebari, seven hundred families of weavers all at once abandoned their birthplace and livelihood on account of the oppressions that were then just beginning. Since that point in time, these poor natives have had no Nawab to whom, in case of oppression, they could make their complaint, other than to such as were dependent creatures of the English Company, against whom they had to give up all hope of redress. It is thus through this that all kinds of monopolies under all sorts of names increase day by day throughout the entire country, and in such multitude that the weavers who have dared to venture to sell their goods, and the dallals and pykars who have contributed thereto or connived at such sales, have repeatedly been apprehended by the Company's agents, loaded with irons, mulcted in considerable sums of money as fines, flogged, stripped of everything, and, in the most shameful manner, deprived of that which is dearest to them, their caste. Also, from weavers, on account of the impossibility of fulfilling such engagements as are extorted from them by force by the Company's agents, commonly known in Bengal by the name of mutchalkas, their goods have been seized and sold along the road to supply and make good that which they lacked. The silk winders called nagaads have been treated with the same injustice; indeed, examples are known where some have even cut off their own thumb in order to prevent being forced or pressed into the winding off of silk. This class of workmen was, under Lord Clive's last administration in Bengal, pursued with such rigor, out of zeal for increasing the Company's collection of raw silk, that the most sacred laws of society were violated in the cruelest manner; for it was a very common thing for the Company's sepoys to break by force of arms into the houses of Armenian merchants residing at Saidabad, who from time immemorial had a most extensive interest in the silk trade, and violently carry off the nagaads from their work and convey them to the English factory. Paragraph 135. Now, if these various matters were not truths confirmed by experience, of which we currently experience the sad consequences and whereby trade must ultimately be completely ruined for everyone unless it changes, I, far from having taken the trouble to translate these passages from the aforesaid book to the best of my knowledge and set them down here, would truly not have dared to venture to detain the attention of the assembly therewith for a single moment. Since they now show by what unreasonable tyranny the Bengal linen trade has become a monopoly, and that, far from the nature and constitution of the country entailing such, long before the ascendancy of the English, a proper freedom always prevailed. I could adduce much more from the book of Mr. Bolts to prove the ruin of trade, did I not fear that it would become tedious. This alone, however, is not unserviceable to the matter, namely the ruined trade in indigenous cotton called kapasa, and this because a monopoly was made of Surat cotton, of which the first purchase by certain gentlemen of the Calcutta Council amounted to 25 lakh rupees, which they divided among themselves. The price of Surat cotton, which upon importation amounted to 16 to 18 rupees per maund of about 80 lb, rose very quickly on account of the monopoly to 25 to 30 rupees; and through various illicit means, for which the authority of the Nawab Muhammad Reza Khan was employed, a newly established enterprise of up-country cotton was completely suppressed, because the Nawab was compelled to take the imported Surat cotton upon himself and distribute it in the districts among the various zamindars, and, against the importation of up-country cotton, to issue orders to the inhabitants of the borders of Bihar for the levying of a new extraordinary duty of more than 30 per cent, which was the most effectual means to check the importation thereof into the Bengal provinces. In order not to heap proof upon proof, I shall hasten to reach an end and conclude this report with some of my respectful considerations. Paragraph 136. It is, then, the unhappy fate of our Company to be obliged to remain groaning under that compulsion and domination of the English, notwithstanding her rights and privileges, which they endeavor to render powerless, partly by maintaining as if they, in the time of the Mogul Government itself, had meant very little unless they were respected by the Bengal subahs; and partly because the branches of trade already exclusively seized by them, namely opium and saltpeter, are now regarded as if the monopoly thereof were legitimate, partly through an ancient, misstated usage, partly through our complaisance, and thirdly or lastly, through the erroneous convention of the year 1780; while it currently has come to the point that the collection of piece goods or the obstacles encountered on that account compel
Dutch transcription
258 over kasten, hunne eigene Capitaalen te zien emploijeeren tot het „ aanmaaken van goederen en dezelve vrijelijk, voor hunne eigene „ reekening te verkoopen: waar en tegen ten tijde van Seraad spid „ dot dcula, opvolger van Allawerdichan, door de toeneemen„ „„de macht van de Engelschen; geweld veffening hunner Gomas, „„tans en de wize om zich van haare benodigtheid te voorzien, onder anderen te Pakka in het Distrect Tengelbarie„ „ zeven hondert familien weevers, op eene keer haar geboorte plaets en kostwinning verlieten, uit hoofde der verdrukkin„ „„gen die toen pas een aanvang namen: seedert dat tijd stip „ hebben deze arme inlanders geen Nawab meer gehad, waar aan zij„ in cas van onderdrukking haar beklag konden doen, „ dan, aan zoodanige als afhangelijke Creatuuren waren van de „ Engelsche compagnie, tegen dewelke zij alle hoop van redres „ moesten verlooren geven. — „Het is dus hier door dat allerhande soorten van Monopolien van allerlij benaamingen, door het gansche Land, dag aan dag, toenemen en in zoo een meenigte dat de weevers, hebbende durven onderstaan haare Goederen te verkoopen, en de Pallaals en Pijkaars, als daar toe gecontribueert of zulke verkoopen, oogluikende toegelaaten hebbende, door 's Comp„s Agenten, herhaald geapprehendeert, in ijzers geklouken en tot „ aanzienlyke sommen gelds in boeten beslagen, gegeesselt, alles „ ontnomen en, op de allerschandelijkste wijze van dat geen „ het welk hun het dierbaarst is, haar kaste, beroofd zijn „geworden: ook zijn van weevers, uit hoofde der onmogelijkheid „„ tot de uitvoering van zulke verbintenissen als hen, door 's Comp:s Agenten, met geweld, worden afgedwongen, in Ben„ „gale algemeen, bekend onder den naam van Moetzjilkas, hunne goederen aangeslagen, en langs de weg verkocht, ter vervullig en goedmaaking, van het geen zij manqueerden. De zyde winders genaamd Nagaadse zyn, met dezelve on„ rechtvaardigheid behandelt; Ia daar zijn voorbeelden, bekend dat sommigen zich zelfs den duim hebben afgesneeden om Een e belitten, dat men niet dwong of prestte tot het afwinden van zijde. Dit soort van werkvolk is, onder Lord Elives laaste Regeering in Bengale, met zoo veel rigeur ver„ volgt, uit iever ter vermeerdering van 's Comp„s in zaam van ruwe zijde, dat de Allerheiligste wetten der Maatschappij op de wreedste wijze zijn geschonden: want het was voor de sipaijs van de Comp: een zeer gemeending, van door geweld, van waapenen te breeken in de huizen van Armenische koop„ „„lieden woonachtig te seid: Abaad /welke zeedert onheugelijke tijden in de zijde handel een aller uitgestrekt st belang ge„ „had hebben:/ en gewelddaadiger wijze de Nagaads van haar werk weg te neemen, en naar de Engelsche Factorij te voeren. — § 135. Indien nu dit een en ander geene door ondervinding bevestigde waarheeden waaren, van dewelke we thans de„ droedige gevolgen beleeven en waar door de Handel eindelijk „gehedl: : in al voor ieder ien te gronde moet gaan, ten ware geworden het 259 het veranderde, ik zou, wel verre van mij de moeite te hebben „gegeven om deze passages uit het voorsz: Boek na mijn beste kennis te vertaalen en hier ter neder te stellen, het wezenlijk niet hebben durven waagen, om er de aandacht van de verga„ „dering, een oogenblik, meede op te houden; daar ze thans doen zien, door welke onreedelijke daingelandij den Bengaalschen Lijnwaat handel een Monoposiam is geworden en dat, wel verre dat de aart en constitutie van het Land zulx meede brenge ver, voor de overmacht der Engelschen, altoos een behoorlijke vrijheid plaats gehad heeft: Ik zou noch veel meer uit het Boek van den Heer Bolet T konnen bij brengen om het verder/ van den koophandel te bewijzen, breesde ik niet dat het zou„ verveelen. — Dit alleen echter is ter materie niet ondiens „stig, naamelijk de te niet geraakte Handel van binnen landsche kapok genaamd kapaas, en zulx door dien er van het sou„ „rats kattoen, een Monopolium is gemaakt, waar van de eerste op koop door eenige Heeren van den kalkatschen Raad 25. Lak Ropijen quam te beloopen, die zij onder zich verdeel„ „den. De prijs van het sourats kattoin, dat bij den aanbreng 16. a 18. Rop: de saon van omtrent 80. lb: beliep reesuit„ „hoofde van het Monopolie, zeer schielijk tot 25. a 30: Ropijen en door verscheide ongeoorloofde middelen, waar toe het ge„ „zach van den Heer Nawab Mahommed Rezachan ge„ „bruikt wierd, geraakte geheel onder de voet een nieuw opgerech„ „te onderneeming van Bovenlandsche kapok, wijl de Nawab genoodzaakt wierd de aangebrachte van souratte naar zich te neemen en in de Districten onder de verscheiden Liemien „daars, te verdeelen in tegen den aanvoer van Bovenlandsche wol, ordres afte vaardigen op de Bewoonders der Grenzen van Behaar tot heffing van een pieuwe extra ordinaire belasting van meer dan 30. p„r C„to, het welk het krachtigste middel was om den invoer van dien in de Bengaalsche Provincien te keer te gaan. Ik zal om geen Bewijzen op bewijzen te staapelen, mij haasten om ten einde te geraaken en met eenige mijner eerbie„ „dige bedenkingen dit bericht besluiten. — § 136. Hel is dan het ongelukkig Lot voor onze Compagnie onder dien dwang en over heer sching van de Engelschen te moeten blijven, Luchten, onangezien haare Rechten en Pruvi„ „legien, die men krachteloos tracht te maaken, een sdeels met te beweeren als of die, ten tijde van het Mogolsche Gou„ vernement zelfs zeer weinig te beduiden gehad hadden in„ „dien ze niet gerespecteerd wierden door de Bengaalsche sou„ „bahs en ten anderen, door dat men de reets exclusif aan zich getrokken takken de s: Handels de Afioen en Salpee„ „ter naamelijk, nu beschouwd, als ware het Monopolium derzelven gewettigt, een sdeels door een oude, verdraed, opge„ „geeven usantie, ten anderen door onze toe geevenheid, en ten der „de of laastelijk, door de errouneuse conventie van het Jaar 1780. , terwijl het thans daar toe over staat dat den inzaam van Lijnwaaten ofte de derwegen, ontmoeste traverses genoodzaakt m
English
260 in the Aurungs could not be regarded as anything other than difficulties annexed to commerce, and the proceedings whereof, both by the one who undertakes and answers for them, and those to whom one complains about them, are explained as being justified by virtue of Regulations that solely secure and benefit the English Company, like those of 1775 and 1782; issued and posted by the Calcutta government in the capacity of Dewan, and by submitting whereto, just as with the Opium and saltpetre, one will have to abandon what is, in my opinion, the fully proven Right to a free and equally extensive commerce as that of the English in this Country. Section 137. But, if one of these propositions is compatible with equity or sound reason, why then do they produce no lawful proof to us of that which they wish to maintain, as having been the custom prior to the obtained superior power? Why indeed take refuge in fictions, if the issued Regulations were otherwise to be regarded in that light, that the vexations could thereby be justified? For what reason do they keep a card up their sleeve, and why do they wish to make us renounce our understanding and relinquish the Light of Reason! Or do they think that this never before heard of Chimera will find acceptance in Europe, that without Monopoly, no Manufactures could be procured in Bengal? Does one not seem to want to force upon everyone hereby the dangerous System, as if one had to acknowledge the English Company to be entitled either to the exercise of all kinds of violence or to that of Monopolists of all the Bales of the Bengal commerce? The only spark of freedom that had still briefly remained to us before the war, they now also seek to extinguish, and to make us wholly and completely dependent upon such as, alongside our Company, are nothing more than chartered and privileged merchants; Nay, by far do not possess that right, as our Company does, to be able to exercise sovereignty and arbitrarily lay down the law to privileged peoples in another conquered Country, as, besides what was cited regarding commerce, also now becomes apparent in the accounting for and paying of the Toll. Section 138. If we could, on the other hand, see how emphatically repeated the orders are from the King of Great Britain as well as from the Lords and Masters of the Governor and Council of Fort William, not only with regard to the freedom of our commerce, but in general to prevent all oppressions; to favor the Manufacturers and bind them to no coercive means whatsoever; on the contrary, to leave them full freedom to be able to earn everyone's money, and especially not to cause prejudice to the Dutch Company in Her Trade, and not to extend such measures as are practicable regarding smugglers to the operations of the European Nations in the Aurungs; how contrary all this would turn out to be with the arguments of the Calcutta Government in explanation of the nature and property of the Bengal trade. Certainly we would find therein everything except that which the Calcutta Gentlemen have invented and practiced in support of an unlawful Monopoly that cries out for vengeance: indeed, those Gentlemen, not unaccustomed to contradicting themselves and losing themselves in a sea of fallacies, even acknowledge that this must be regarded as a most pernicious Expedient. They thus maintain it, as said, solely and exclusively to finally publicly metamorphose themselves, or their Agents in the Aurungs, into, as it were, lawful Monopolists, and to arrogate to themselves the pleasure of forcing free, privileged peoples, under the guise of friendship, to have to come make an offering to Them, or Theirs, in order to obtain their necessities. This is the real and true design of this Haughty people. It were to be wished that one had never, directly or indirectly, given Them any opening for it. Section 139. It was however now, that a negotiation concerning the resumption of the Company's affairs was on the Table, not foreign to the matter to show the Calcutta Government our utmost indignation about insults and wrongs that have occurred, not so much, but because it seeks to justify its conduct on such inconceivably false grounds and brings us into a far more disadvantageous situation than we have been in hitherto. The war had on the one hand abolished and annulled everything that had previously given cause for complaints; and the peace, if the Calcutta Government were inclined to give tokens of Her benevolence, namely by showing that She was in earnest to promote the interests of the Nations through equity and justice and thus to calm the division of minds: the peace, I say, therefore gave cause to expect that that Government would have given a hearing to our repeated representations for a complete certainty and security in the exercise of all that is due to us according to our Privileges, instead of making us content with the glittering term of intending to favor the Company's Trade just as before the war. What security was there in that? Did we not thereby return into such precarious circumstances and vexations, which were among other things also the cause of the Rupture? Therefore I thought I could not be emphatic enough in holding this up before the eyes of the government. The draft of Memorial No. 46 demonstrates my sentiments. Now I most obediently request permission to show briefly why I believed that, through this, the state of the Company's affairs in this Country, as they presently [illegible] us
Dutch transcription
260 in de Arrengs, niet anders konden worden beschouwd dan zwaarigheeden annex aan den koophandel, en waar van de procedures zoo door den geen die dezelve ter hand neemt en verantwoord, als Hen aan wien men zich daar over beklaagt worden uitgelegt, als gewettigt uithoofde van Reglementen die de Engelschen Comp:s alleen secureeren en benificeeren, gelik die van 1775. en 1782; door het kalkatsch gouvernement, in hoedaanigheid van van Dewaan geemaneert en geaffigeert, en waar aan men zich onderwerpende, even als met de Afioen en salpeeter zal moeten laaten vaaren het, na myn gevoelen, volkomen bewezen Recht tot een vrije en even uitgestrekte koop„ „handel als die der Engelschen hier te Lande. § 137. Maar, zoo een van deze stellingen bestaanbaar is met de billijkheid of de gezonden reeden, waarom produceert men ons dan geen wettig bewijs van het geen men sustineeren wil, voor de verkreegen overmacht, de usantie geweest te zijn!? waarom toch toevlucht genomen tot verdichtzellen, zoo de gemaaneerde Re„ „glementen anders in dat sicht waren te beschouwen, dat de vexatien, daar door, konden worden goedgemaakt, ' wat reeden houd men een slag om den arm, en waarom wil men ons het verstand doen verzaaken en afstand laaten doen van het Licht der Reeden! of denkt men dat in Europa ingang zal vinden die nimmer gehoorde Chimere dat zonder Monopolie, geen Manufactuuren in Bengale zouden te procureeren zijn. schijnd men hier door een ieder niet te willen op dringen het gevaarlijk Sijstema als moest men de Engelsche Comp: erkenen„ gerechtigt te zyn, of tot het oeffenen van allerlij geweld of tot dat van Monopolisten van alle de Pakken des Bengaal„ schen koophandels. Het eenige sprankeltje van vrijheid, dat ons voor den oorlog, noch eventjes was overgebleven, tracht men ook nu uit te dooven en ons gecheel en al afhan„ „gelijk te maaken van zoodanigen, als nevens onze Maat, „schap pij niet meer zijn dan geoctroijeerde en geprevilegeerde kooplieden; Ia in verre na, dat recht niet bezitten als onze comp:, om souverainiteit te konnen oeffenen en geprevile„ „geerde volkeren, in een anders overheerscht Land, wille keu„ „riglijk de wel te stellen, gelijk, buiten het aangehaalde nopens den koophandel, ook nu, in het verantwoorden en betaalen der Tolkomt te blijken. — § 138. konden we eens daar en tegen zien, hoe nadrukkelijk herhald de ordres zijn van den koning van Groot Brittannie zoo wel, als der Heeren en Meesters van den Gouverneur en Raad van het Fort william, niet alleen ten aanzien der vrijheid van onzen koophandel, maar om in het generaal alle onderdrukkingen te menageeren; de Fabrikeurs te favori see„ „ren en aan geene dwang middelen, hoegenaamd te verbinden; ter contrarie ze volle vrijheid te laaten om een ieders geld te konnen verdienen, en wel in zonderheid de Nederlandsche Compagnie geen afbreuk te doen in Haaren Handel en zulke maatregelen als nopens smokkelaars practicabel zijn, gevaarlijk niet 261 niet te extendeeren tot de verrichtingen der Europesche Na„ „tien in de Arrengs; hoe averechts zou dit alles uitkomen met de argumenten van het kalkatsch Gouvernement tot expli„ „catie van den aart en eigenschap der Bengaalschen koophan„ „dels. zeeker we zouden daar in alles aantreffen behalven het geen de kalkatsche Heeren hebben geinventeerd en gepracti„ „seerd tot voorstant van een onwettig, om wraak schreeuwend Monopolium: trouwens die Heeren; niet ongewoon zich zelve tegen te spreeken en te verliesen in een zee van drog reedenen erkennen zelfs, dat dit als een aller pernicieust Hulpmid„ „del moet worden aangezien. zij soutineeren hetdus, als gezegt, en kel en alleen, om zich zelve, of haere Agenten in de Arrengs, eindelijk publiek te metamorphoseeren tot, als het waare, wettige Monopolisten en zich het vermaak toe te eige„ „nen van vrije, gepreviligeerde volkeren, onder den vriendschap schijn, te noodzaaken van, ter erlanging hunner benodigtheid bij Hen, of de Hunne, ten offer te moeten komen. Dit is de weezenlijke en waarachtige toeleg van dit Hoogmoedig volk. Het waare te wenschen dat men Hen, direct of indirect, nooit voet daar toe had gegeeven. §139. Het was echter nu, dat er een onderhandeling over de weder coursneeming van 's Comp„s zaaken, op het Tapijt was, ter materie niet oneigen, om het kalkatsche Gouvernement onze uiterste gevoeligheid te toonen over beleedigingen en veron„ „gelijkingen die gepasseert zijn niet zoo zeer, maar om dat zij haar gedrag op zulke onbegrippelijk valsche gronden tracht te wettigen en ons, in veel nadeeliger situatie brengt, als we tot noch toe geweest zijn. De orlog had aan de eene kant, geaboleert en geannulteert, alles wat te vooren, reeden tot klachten had gegeeven ende vreede, indien het kalkatsch Gouvernement genegen was blijken van Haar welmeenent„ „heid te geeven; met namelijk te toonen dat het Haar ernst was, de belangen der Natien te bevorderen door billijkheid en rechtmaatigheid en dus de verdeelheid der gemoederen tot bedaaren te brengen: de vreede zegge ik gaf daarom aan„ „leiding om te verwachten dat dat Gouvernement gehoor zou hebben gegeven aan onze herhaalden instancien tot een vol„ „komen zeekerheed en veiligheid in de oeffening van alles wat ons toekomt navolgens onze Previlegien, in steede van ons genoegen te doen neemen in den glinsterende term van 's comp„s Handel te zullen begunstigen even als voor den oorlog. — Wal zeekerheid stak daar in ' quamen we hier door niet weder in zulke neeteliger omstanden en verdriete„ „lijkheeden, als onder anderen ook oorzaak geweest zijn van de Ruptuur. Daarom dacht ik niet nadrukkelyk genoeg te konnen zijn, met dit het gouvernement voor oogen te Hel„ „len. Het concept der Memorie N„o 46. legt mijn gevoelens aan den dag- Thans verzoek ik zeer gehoorzaamst verlof„ kortelijk te toonen, waar om ik geloofde dat, daar door den staat van 'sComp„s zaaken hier te Lande, zoo als ze ons tegen„ haar „woordig
English
presently before our eyes; on the contrary, that the condition of the English themselves, both here and in Europe, now offered us the best opportunity to conceal nothing from him. § 140. As regards the first point, namely that the course of the Company's affairs cannot worsen by emphatically insisting upon our rights; this requires no profound reflection, but merely a consideration of whether the introduced maxim of trading with English bills of exchange instead of with our own money has not already run its swiftest course. That which befell us last year, namely the protest of virtually all the European bills of exchange received during the war, or in 1781, for trade, already lends some weight to this opinion. Indeed, the quasi-reasons for protesting them are of too little value to deserve notice, when one understands that thinking people have accommodated the honour of the drawers as well as the loss to be suffered through the protest by making payment in instalments, for lack of ready cash, of the presented bills. Add to this how difficult it proved to secure any considerable sum on assignation for the purchase of the cargo of the ship Straalen, repatriated in Ianuarij 1785, and that for the continuation of trade this year here in Hoegli, they could not or would not furnish us with a single Ropij, supposedly because of disputes in Europe with the Emperor over the Scheldt, but in effect for entirely different reasons; and that up to now the lack of ready cash is so great that hands are kept closed everywhere; indeed, not a single bill of exchange has yet been received from Europe to present, whereas they were otherwise brought to us even on English ships; thus it can well and truly be deduced from all this that negotiating with English money has had its day, not to speak of other inconveniences standing in the way, as proof that by devising other ways and means, the Company's affairs in Bengale could not be brought into more disadvantageous circumstances than those in which they presently find themselves. § 141. Those means and ways I believe to be contained in the consideration already set down, namely: that the situation of the English itself, both here and in Europe, is favourable to the Company's interests; provided that, seeing through different eyes and departing from all adopted systems, one endeavours to restore to trade its true and ancient lustre by trading with our own money, and for that reason being all the more vigilant and seeing to all possible safety and security, even if the Company, I say it now in earnest, were to come to a standstill regarding the Bengal trade for some time. § 142. In order to obtain that security, we can never be satisfied with void, general promises; nor do we need to accept that willing zeal to place us on the same footing as before the war. In my opinion, we should by no means yield to the sentiment, once brought forward, of our duty to secure for our Lords Masters the true and substantial enjoyment of their privileges: rather letting go of all temporary or momentary advantages or benefits and desiring no favour of any kind, than sacrificing right and equity to it any longer. It is true, the peace treaty, or at least the preliminaries, stipulates nothing regarding our conduct with the formidable subjects of Great Britain in this country. We find therein solely and exclusively the condition for the return of our places, nothing more: but through that return, as well as the inclination of the Noble High Indian Government to set trade in motion again, the care for the management of trade, and especially the necessary safety and security both in the exercise and in the possession and preservation thereof and of its establishments, has devolved upon and been recommended to the Company's ministers in Bengale; without being exposed anew to such fatal circumstances as those into which the Company was plunged in this country as well, due to the war that arose in Europe. § 143. If this, or a good, lasting security cannot be accomplished, and the Company must remain dependent on all arbitrary dispositions of the Calcutta Government, I assume with certainty that nothing else can follow from it than to see its trade in Bengale ruined, if not of itself, then possibly upon orders to be obtained for that purpose. In considering this sad fate, I thought that the only consolation would be, namely, in the performance of our duty, above all to take care that we never had to blame ourselves for such a painful misfortune, and consequently, in the present negotiations and desperate prospects, to make the English feel our striking condition with emphasis, for which in my opinion we were all the more justified, on account of the Britons' own oppressive circumstances and the deplorable state of the country brought about by their actions, so that one cannot wonder enough at the exhausted finances and how, notwithstanding this, it is kept afloat by the English. What a blow has not been dealt by this to those sources to which one could otherwise conveniently have recourse, I mean the negotiation of money at interest. It is true, the trade for this year and a portion of that of A:o passato has in a certain sense, albeit with the utmost difficulty, been conducted on credit; but, to leave the consequence thereof untouched here, what certainty is there after all that this can be of long duration? The country is impoverished and we truly live in those unhappy days which were already predicted to us twenty years ago by the aforementioned Mr. Bolts and others.
Dutch transcription
262 „woordig voor oogen Zweeft, niet kon vevergeren; in tegendeel, dat de toestand der Engelschen zelfs, zoo hier als in Europa, ons nu de beste gelegenheid aan de hand gaf om niets voor Hem te ontveinzen. § 140. Wat het eerste aangaat, naamelijk dat den loop van 's Comp„s zaaken niet kan verergeren met nadrukkelijk op ons Recht te insisteeren; dit vereischt geen diepzinnige gedachten, maar alleen eene bedenking of de geintroduceerde maxime van met Engelsche wissels, in steede van met eige geld te handelen, niet rits zijn snelste vaart gehad heeft. Het geen ons voor„ „leeden jaar is overgekomen de protestatie naamelijk van genoeg „zaam alle de Europische wissels, staande den oorlog, ofte in 1781, voor den Handel, ontvangen, zet dit gevoeld reets eenige kracht bij immers de quasi reedenen tot het protesteeren van dezelve, zijn van te weinig valeur om aanmerking te ver„ „dienen, als men begrijpt dat naden kenden Lieden, het honeur der Trekkers zoo wel als het verlies, door de protestatie te lijden, zin te gemoet gekomen, met, uit gebrek aan gereed geld, in termijnen, betaaling van de gepresenteerde wissels te doen. Voeg hier bij hoe moeijelijk het is gevallen om eenige aanmerkelijke som te bemachtigen op Assignatie ter inkoop van de Laading van het, in Ianuarij 1785. gerepatrieerde schip straalen, en dat men tervoortzetting van den Handel, dit Iaar; hier te Hoegli, ons geen enkelde Ropij heeft konnen of willen fourneeren, quasi om oneenigheeden in Europa met den keizer over de schelde, doch, in effecte om gantsch andere oorzaaken; en dat tot nu toe het gebrek aan gereed geld zoo groot is, dat men aller wegen de hand geslooten houd; Ia. noch geen enkelde wissel uit Europa heeft ontvangen om ze, auso, te presenteeren, daar ze anders, zelfs met Engel„ „sche schepen, ons toegebracht wierden; zoo is, uit dit alles wel diegelijk op te maaken, dat, het negocieeren met Engelsch geld, zijn tijd gehad heeft, om van andere daar tegen obsteeren„ „de inconvenienten niet te spreeken, terbewijze, dat met op andere wegen en middelen bedacht te zijn, de affaires van de Compagnie in Bengale, in geen nadeeliger omstandigheeden v gebracht konden worden, dan waar en ze zich tegenwoordig be„ „vinden. § 141. Die middelen en wegen vermeene ik opgeslooten te leg„ „gen in de reets ter nedergestelde considteratie naamelijk: dat der Engelschen situalie zelve, zoo hier als in Europa, 's Comp„s belang gunstig is; mits uit andere oogen ziende en, van alle geadopteerde Sijstemas afwijkende, den Handel haar waare en oude luister trachtende te geeven, door te handelen met eigen geld en daarom des te meer te viligeeren en te zorgen voor alle mogelijke veiligheid en zeekerheid, al moest de Comp: ook, ik zegge het nu wezenlijk, voor eenige Tijd omtrent den Ben„ „gaalschen Handel stil zetten. — § 142. Ter verkrijging nu van die zeekerheid konnen we nim„ „mer genoegen neemen met nietige, algemeene beloften: we„ met behoeven 263 behoeven ook niet te laaten gelden die bereid willige ever Om ons te stellen op den zelven voet als voor den oorlog. toe moesten, na mijn gedachten, volstrekt niet toegeeven aan het eens te beide gebracht gevoelen onzer plicht om onzen Hlee„ „ren Meesters te doen genieten, het waar en wezentlijk genot Haaren Privilegien: Alle tijdelijke, of, temporeel Gumpige„ voordeelen of avantages, liever laatende vaaren en geen gunst, hoe genaamd begeerende, dan langer Recht en billykheid, daar aan, op te offeren. Het is waar het vreedens Tractaat, immers de preliminairen, bepaalt niets omtrent ons ge„ „drag met de ontzackelijke onderdaanen van Groot Brittan„ „nie hier te Lande. we vinden en kel en alleen daar bij het beding ter te rug gave van onze plaatzen, zonder meer: Doch door die te rug gave zoo wel, als de inclinatie van de Edele Hooge Indische Regeering, om den Handel weder cours te doen neemen, is op 's Comp„s Ministers in Bengale, gedevolveert en aan dezelve gerecommandeert de Zorg tot het bestier van den Handel, in zonderheid de nodige veilig„ „heid en zeekerheid zoo in de oeffening als het bezit en behoud van dien en van haare Etablissementen; zonder, op nieuw geexponeert te zaaken aan zulke noodlottige omstandig„ „heeden, als waar in de Maatschappij, door den in Europa ontstaanen oorlog, ook hier te Lande gedompelt geweest is. § 143. Indien dit, of een goede, bestendige zeekerheid niet is uit te werken, en dat de Compagnie moet blyven afhangen van alle arbitraire dispositien van het kalkatsch Gouvernemet voor onderstel ik zeeker, dat daar uit niet anders kan volgen dan Haren Handel in Bengale te niet te zien loopen, zoo niet van zelfs, mogelijk op daar toe te erlangene bevelen. Ikdacht bij de voerweeging van dit droevig tot, het geen de eenigste troost zou zijn namelijk van in de betrachtting onzer plicht voor al zor g te dragen dat we nimmer ons zelven zulk een smertelijk onge„ „val hadden te wijten, en gevolgelijk, bij de presente onderhandeling „gen en disperaate voor uit zichten, de Engelschen onze treffende toestand, met nadruk, te doen gevoelen, waar toe we na mijn opinie, te meer gefundeert waren, uit hoofde van de eige drukken„ „de omstandigheeden der Britten en de deplorable staat van het Land, door Haar toedoen, zoo dat men zich niet genoeg kan verwonderen over de uitgeputte financien en hoe het, des onaan„ „gezien, door de Engelschen word dragende gehouden, welk een krak is hier door niet veroorzaakt aan die sources, waar toe men anders met commoditeit, toevluckt kon neemen, ik meen de negotiatie van geld op interest. Het is waar, den Handel voor dit Iaar en een gedeelte van die van A„o passato is in zeekere zin, immers met de uiterste moeite, op krediet gediaigeert: maar om het gevolg van dien, hier onaangeroert te laaten, wat zeekerheid is 'er toch dat dat van langen duur kan zijn. t Het Land is verarmt en we beleeven waarlijk die ongelukkige dagen, welke door voorm: Heer Bolts en anderen; ons voor twintig Iaaren, bereets voorspelt zyn. wor men
English
One will say that this must calm down in a short time, if only the English are allowed to catch their breath a little. But where is the prospect of such calm for a people that tyrannizes others and thus, day after day, brings upon itself the desire for revenge. France will not rest before it has avenged itself, in the East Indies just as brilliantly as in the West Indies. To that end, one already hears talk of preparations at a certain distance. The English themselves dread it, and nothing dismays them more than the already growing force of men on the Islands and on Coromandel. The blow will fall unexpectedly. The Marathas are discontented, Tipu Sultan is and remains their bitter enemy, and here in the Upper Lands, tempers, far from calming down, are still in turmoil. These dissensions are politically cultivated by the French, and woe to the country if the sword of war should once penetrate forcefully as far as here. If one further considers what has been the case since the conclusion of the recent peace and what has even occurred in this year, an enormous reduction among all kinds of ranks and classes of English officials and servants, especially of the militia from 35 to 30 regiments; while this does in a certain sense contribute to the reduction of burdens, and therefore to securing the state of the treasury, in which the English Company is 7 to 8 crore rupees in arrears, on the other hand it creates a multitude of malcontents who would rather abandon the Company than see themselves haggled over in matters of pay. The discharge of the soldier, especially of the sepoy, is just as good as putting the knife to one's own throat, since their skill in the trade of arms will give them the opportunity, sooner or later, to revolt against their forced foster master and side with their natural prince to help obtain justice and satisfaction. To which is also added the cession of the Carnatic by the English Company to Muhammad Ali, and that they thus begin to feel the inconvenience of all too extensive territorial possessions, with the consequence that, owing to the inability into which that Nawab has been plunged by the wars since the year 1747, and the misery under which the country now groans, stripped of livelihoods and plantations, and consequently of money, several battalions of sepoys, due to lack of pay, have broken into rebellion and deserted with firearms and weapons to Tipu Sultan, and have thus arrived at the right place to find employment in due time against their irreconcilable enemy. This, so it is said, has already cost Bengal another 30 lakh rupees, which were recently detached thither with some troops to suppress the rebellion if possible and to bring the Nawab, as before, back under the authority of the English Company. But whatever the case may be, what has been said shows us what may soon happen and that, in the meantime, the power and prestige of the English, rather
Dutch transcription
264 Men zal zeggen, dit moet in korte tijd bedtaren, zoo de Engel„ „schen maar een weinigje mogen adem haalen. Maar waar is het voor uit zicht tot die kalmte voor een volk, dat andere tijranniseert en dus, dag aan dag, op zich laad de zucht tot Re„ „venge. Vrankrijk Dat niet rusten voor dat het zich gewrooken Liet, voor de Oostjndie even zoo eclattant als voor de west Indie. Daar toe hoord men reets spreeken van preparatien op zeekere distantie. De Engelschen zelve breezen er voor en niets onthust hen meer, als den reets aanwassende macht van volk op de Eilanden en op kormandel. De slag zal onverwacht op komen. De Marhettas zijn te onvreeden Tipoe Sultan is en blijft haere bittere vijand en hier in de Bovenlanden zijn de gemoederen, ver van bedaaren, noch in beweeging. Dese oneenigheeden worden staat kundiglijk door de Franschen aangequeekt en wee het Land, zoo het zeaerd des oorlogs, eens, met macht, tot hier toe, komt door te drin„ „gen-. Let men overigens op het geen, na het sluiten der Iongsten vreeden, het geval geweest en zelfs in dit Jaar gebeurd is, een ontzackelijke Reductie onder allerlij staaten en classes der Engelschen officianten en Bedienden, inzonderheid der Militie van 35. tot 30 Regimenten; dat dit in zeekere zen wel contribueert tot vermindering der Lasten, over zulx tot versee„ „teering der staat van 'slands Casse, waar aan de Engelsche Compagnie 7. a 8. karoor Ropijen ten agteren is, zoo verwekt het aan de andere zijde een meenigte van misnoegden die Liever de Compagnie zullen laaten zitten, als zich bekhibbelt te zien in het stuk van betaaling, zijnde de afdanking van den soldaat, inzonderheit van den sipaij, even zoo goed, als zette men zich zelfs het mes op de keel, wijl zijn bedrevenheid in den wapen handel, hun gelegenheid zal geven, om vroeg of laat, tegen zijnen gedwongen voedsterheer te revolteeren en zijn natuurlijke vorst toe te vallen om Recht en satisfactie te helpen bezorgen; waar bij noch komt de afstand van Carnatica door den Engelsche comp:s aan Mahommed Alij en dat zij dus be„ Territoris „gind te gevoelen de ongelegenheid van alte uitgestrekte Aco„ „ale Possession, met dat gevolg, dat mits het onvermogen waar in die Nawab, door de oorlogen Zeedert A„o 1747 gedom„ „pelt is; en de Elende waar onder het Land thans Lucht, ont„ „bloot van Neevingen en Hlanteeringen, gevolgelijk van Geld, verscheide Bataillons sipaijs mits gebrek aan betaaling, tot opstand geraakt, en met geweer en wapenen tot Sipoe sul„ „tan overgeloopen, en dus ter rechter plaatze gekomen zijn om„ inder tijd tegen zijn overzoenelijke vijand emploij te vinden, het welk Bengale, zoo men zegt, reets weder 30. Lak Ropijen ge„ „kost heeft, die onlangs met eenige troupen, derwaards zijn gedetacheert, om des mogelijk de opstand te dempen en den Nawab, als voorheen, weder te brengen onder het gezach„ van de Engelsche Compagnie - Dan wat daar van ook zy het gezegde, doet ons zien, water haast kan gebeuren en dat on„ „der tusschen, de macht en het aanzien van de Engelschen, Liever
English
265 in the Indies, begins to totter because the sources, from which to the ruin of this country the latest war expenses with Heider Ali, the Marhettas, and generally on the coast of kormandel and elsewhere have been compensated, yield no new, hitherto unknown channels; what is more, from which, outside Bengal, to furnish the necessities for trade for kormandel, Bombaij, souratta, and sina, besides the debts still in arrears, especially to the troops; to which is added that the Marhettas, united with Pipoe, dissatisfied with the failing compliance with some articles of the peace treaty concluded with them in Ao 1784, have already given notice that this ought to happen within a certain peremptory time, without, as one says, putting them off with villages where no houses stand or as at Lacknou, where no money is to be found and the demanded payment of 35 Lak Ropijen has been politely refused, as otherwise the peace would be considered broken: so that from all this nothing else can flow than a revolution of affairs; an end not only of that greatness and pride with which this unhappy country has until now been dominated: but to whom will it seem strange, or does it seem strange to suppose that, luxury having reached its highest pinnacle, it will cause English Hincostan to fall and transfer it back into the hands of him to whom the lawful possession thereof belongs, for, however distant this may yet seem, and however much one must concede what the English maintain to the contrary, that if they can keep their hands free in Europe and have to fight no one other than the French, they will then well know how to manage, because they can well keep the Indian Powers in check along with the French; the principal resource, the finances, is no less shattered in England than in the Indies, and who must not believe, from the conjuncture of the times, that our state system will never again get on such a footing with England as it was, to our oppressive detriment, up to the latest war, and that consequently Dutch money will sooner be available to France than to England; at least until one comes to find another equilibrium in Indian affairs, especially concerning commerce and the insufferably onerous exercise of power; not to mention that the still ongoing confusion between the legislative power of Great Britain and its East India Company, especially over its Territorial Possessions in the Indies, the administration thereof, and that which after the conclusion of the general peace has already been the consequence and will apparently be, allows me with some reason to conclude that since the Nation is not in agreement with itself regarding the Indies and the administration thereof, others who are outside it also need not submit themselves, except to equitable, legitimate, and sustainable agreements. concede 1744.
Dutch transcription
265 en Indien, begintte waggelen wijl de Bronnen, waar uit tot ruine van dit Land, de Iongste oorlogs kosten met Heider Ali„ de Marhettaks en generalijk op de kust kormandel en elders goed gemaakt zyn, geen nieuwe, tot noch toe onbekende Canaalen opleeveren; wat meer is, om daar uit, buiten Bengale, het no„ „dige tot den Handel voor kormandel, Bombaij, souratta en sina te fourneeren, behalven de noch agterstallige schulden, inzonderheid aan de troupen; waar bij noch komt dat de Mar„ hettas, vereenigt met Pipoe, te onvreede over de manqueeren„ „de nakoming aan eenige Articulen van het in A„o 1784. met Hun geslooten vreedens traactaat, bereets hebben laaten te ken„ „nen geven, dat zulx diende te geschieden binnen zeekere peremp„ „toire tijd, zonder hen, gelijk men zigt, over te wijlen op Dor„ „pen daar geen huizen staan of gelijk te Lacknou, geen geld is te vinden en de gevraagde betaaling van 35 Lak Ropijen, beleefdelijk geweigerd is, wijl anders de vreeden zou worden ge„ „houden voor verbrooken: zoo dat uit dit alles niet anders kan voor't vloeijen, dan een omwenteling van zaaken; een einde van die grootheid en trotsheid niet alleen waarmeede dit onge„ „lukkig Land, tot nu toe, is overheerscht: maar wie zal het vreemd voorkomen, of schijnd het vreemd te onderstellen dat, de weelde haar hoogste top bereikt hebbende, het Engelsch Hin„ „costan zal doen vallen en weder overbrengen in handen van dengeen die daar van het wettig Bezil toekomt, want, hoe ver af dit ook noch mag schijnen, en hoe zeer men moet toegeeven, het geen de Engelschen daar en tegen sustineeren, dat zoo zi in Europa de handen konnen ruim houden en met nie„ „mand anders als de Franschen te stryden hebben, zy zich dan wel zullen weeten te redden, wijl zij de Indische Mogendheeden met de Franschen wel in bedwang konnen houden; het voor„ „name hulpmiddel, de financien, is in Engeland niet minder gekraakt als in Indie, en wie moet, uit de conjuncture des tijds, niet gelooven, dat ons staats Sijstema nimmer op dien voet met Engeland weder zal geraaken, als dat, tot onze drukkende schaade, tot aan den jongsten oorlog geweest is, en dat gevolgelijk het Hollandsche geld eer voor vrank„ „rijk als voor Engeland veil zal wezen; immers tot dat men in de Indische zaaken, inzonderheid wegens den koophandel„ en de onverdraaglijk vallende Macht oeffening, een ander Even „wicht, komt te vinden; om niet te zeggen dat de noch aanhou„ „dende verwarring tusschen de wetgeebende. Macht van Groot Brittannie en Haare Oost Indische Maatschappij, in zon„ „derheid over haare Territoriale Bezittingen in Indie, het bestier der zelve en het geen na het treffen der algeemeene vreede, bereets het gevolg geweest is en apparent zijn zal, mij met eenige grond stoet besluiten, dat daar de Natie het met Haar zelve, nopens de Indien en het bestier van dien niet eens is, anderen, welke buiten Haar zijn, zich ook niet behoe„ „ven te onderwerpen, dan aan billijke, Rechtmaatige en bes„ „staanbaare over eenkomsten. toegeeven 1744.
English
266 §. 144. The orders of the Noble High Indian Government, in so far as they are known to me and may not have been revoked elsewhere, also include this, and these, as well as all the aforesaid circumstances, legitimize, I hope, the drafting of the aforesaid Draft Fifth Memorial. Although, for reasons as stated in § 185 of this Report, I chose at the session of 7 8ber to wait with the assembly to see what effect the private mediation of the Honorable Director with His Excellency the Governor General Macpherson would have, the outcome of which for the Company answered just as little to the willingness shown by His Honor as to the various assurances and wishes repeatedly made previously; regarding which I primarily refer to those described in paragraphs 5 and 17 of this Report, though more could be cited if it would not sometimes cause confusion. The single expression in the latter paragraph, "All privileges of the Company will be granted on the established footing," would have been entirely sufficient if His Excellency, when writing this, had adhered to the true meaning of this promise and had not subsequently, with the Council, altered and interpreted it in such a disadvantageous sense as is discussed in paragraphs 18 and 19 of this Report. § 145. It is for this reason that, however plausible it may appear and however much it seems to me even more advisable for the cultivation of friendship and good understanding to conduct private negotiations between the Chiefs of the Nations rather than public grievances, which unquestionably have their difficulties, I nevertheless on the other hand believe I am not unfounded in my opinion that all private solicitations regarding matters of great importance are of no real effect if the redress intended thereby is only temporary and not permanently beneficial to the Company's interest. The good result that sometimes arises from it is merely a temporary favor that ceases and disappears with the person who is favored with it. How many cases could not be mentioned if one merely goes back to the administration of the former Director, Mr. Ross? Governor General Hastings had an extraordinary indulgence for Mr. Ross, and one may attribute to that the fact that His Excellency, in the beginning of 1777, deviated from the opinion maintained the year before against Mr. Bacheracht individually as well as the Council, that an allocation of 400 to 450 chests of Opium was a quantity proportionate to what we had been able to procure for ourselves annually when we collected it ourselves; and that from that time on it was so arranged that we were able to send 700 to 800 chests a year to Batavia; but that is all. Mr. Ross, with all his influence with Mr. Hastings, was never able to bring it about that the Company's weighing, up to [illegible]
Dutch transcription
266 §. 144. De ordres van de Edele Hooge Indische Regeering, zoo verre ze mij bekend en niet elders herroepen mochten zijn, slui„ „ten dit ook in, en deze zoo wel als alle de voorsz: omstandighee„ „den wettigen zoo ik hoop de instelling van voorsz: Concept vijf„ „de Memorie Schoon ik, om reeden als bij s 185- van dit Rap„ „port, ter sessie van den 7„e 8ber: met de vergadering verkooren heb, om te zien, van wat effect de particuliere tusschen han„ „deling van den E: E: Achtbaaren Heer Directeur met zijne Excell: den Heer Gouverneur Generaal Macpherson zyn zoude dann waar van voor de Comp: den uitslag eeven zoo min beantwoord aan de zijn E E: Achtbaare betoonde bereidwilligheid als aan de onderscheidene verzeekeringen en wenschen, te voore„ an, bij herhaaling gedaan: waar omtrent ik als de voornaem„ „ste beooge de beschreevene bij de 5. en 17. paragraef van dit Rap„ port, schoon er meer zouden te citeeren wezen, indien het som„ wijt geen Confusie konde veroorzaaken. De enkelde uitdruk„ „king in de laaste par: Alle voorrechten van de Com„ pagnie zullen worden verleend op den vastgestel„ „den voet, ware volkomen voldoende geweest, indien zyne Ea„ „cell:, dit schrijvende, bij de waare meening van deze belofte ge„ „bleven ware en dezelve, niet naderhand, met den Raad; in een zoodaanige nadelige zin verandert en geinterpetreert had, als bij de 18 en 19. par: van dit Rapport verhandelt staat. §145. Het is daarom, dat hoe plausibel, ook voorkomt en hoe zeer tot aanqueekeng van vrindschap in goede versand houding mij zelfs raadzaamer toeschijnd de particulierde onderhan„ „delingen tusschen de Hoofden der Natien, als publieke doli„ „antien die ontegen zeggelijk haare zwaarigheid hebben, ik echter aan de andere kant geloove niet ongegrond te zijn in mijne opinie, dat alle particuliere sollicitatien met opzicht tot zaaken van groote aangelegenheid, van geen wezenlijk Effect zijn, zoo het Redres, dat men daar meede bedoelt, maar pro„ tempore en niet tot bestendig niet voor het belang van de Com„ „pagnie is. Het goed gevolg dat 'er somwijl, uit resulteert, is slegts een tijdelijk faveur dat cesseert en verdwijnd met den geen, welke daar meede word begunstigt. Hoe veele gevallen zou„ „den 'er met op te noemen wezen, zoo men slegts te rug gaat tot het bestier van den Heer Gewezene Directeur Ross. De Heer Gouverneur Generaal Hastings had voor den Heer Ross onge„ „meene inschikkelijkheid en men mag daar aan toeschrijven, dat zijn Excellentie, in het begin van 1777, is afgeweeken van het 'sjaars te vooren tegen: den Heer Bacheracht afzonder„ „lijk, zoo wel, als de Raad gesustineerd gevoelen, dat een toe„ „deeling van 400. a 450. kisten Afioen, een evenreedige quan„ „titeit was met het geen we ons, toen we zelfs in zaamelden, jaarlijks hadden konnen bezorgen; en dat van die tijd af het zoo geschikt is, dat we s jaars 7. a 800. kisten naar Bata„ „via hebben konnen verzenden: maar dat is het ook al, De Heer Ross heeft, met al zijn influentie bij den Heer Hlastings, het nooit daar toe kennen bringen, dat het Comp„n wegen, tot Zoo m=en
English
267 an equitable and effective agreement has been reached. The 20 following paragraphs of my aforesaid draft memorial demonstrate the contrary. The arrears in the King's Mint at Morsed Abaad, the attempted total abolition of the Pieskes, and an extensive separate negotiation concerning the enlargement of the village of kalkapoer are too well known to detain the assembly long by demonstrating that everything negotiated or worked out concerning them can only be regarded as fragmentary, and thus not even half-finished. Section 146. Had we now bargained for anything other than what truly belongs to us, or what was incompatible with the rules of justice and equity, it would indeed be blameworthy of me to feel aggrieved over the adverse outcome of the commission; but since we, see paragraphs 12, 16, and 52 of this report, have desired or sought to obtain nothing other than what is in accordance both with the literal content and the true and essential intent of our privileges, and to cause all complaints to cease for the future through suitable arrangements, I beforehand beg forgiveness from Your Honours, and otherwise from my Lords and Masters as well as the Noble High Indian Government, if by too great prolixity I may have detained your attention too long. Had I been able to say everything in ten lines, I would not have expended another ten, much less so much writing on it. But since the trade of the Honourable Company is about to begin anew, as it were, in a country with so dangerous a system of government as the present one, without a sovereign, without a judge, thus without any legal or lawful rulers, I believe myself somewhat pardonable in stating what a thirty-three-year experience in the Company's service, and of that a nearly twenty-year session in this assembly and the handling of much important paperwork, has caused me to observe from time to time. I will now, however, break off with the particulars and set down my sentiment in general. Section 147. From everything described herein and negotiated with the Calcutta government, both before and during the commission, it is convincingly evident that we have nothing good to expect from it, from the British nation, and above all from the repeated referral back to Europe to the Directors of the English Company. These think as their ministers think, and after the outcome of the commission of 1775, it has already been perceived what effect the negotiations have in Europe. Our Lords and Masters have already declared elsewhere: that if the ministers in Bengal were not in a position to work out anything good in India with those of the English Company, Her Right Honourable Worships could promise themselves even less success with solicitations to the Directors of that company. Thus stand the affairs of the Dutch Company in this country, to trade, so to
Dutch transcription
267 een billijk en krachtdaadig Accoord is gekoomen. De 20. ' in volgen„ „de par: van voorsz: mijn Concept Memorie toonen het tegendeel aan. De agterstallen in 's konings Munt te Morsed Abaad, de getenteerde totale afschaffing van het Pieskes en een breede afzonderlijke onderhandeling over de vergrooting van het dorp kalkapoer zyn te bekend, om de vergadering lang op te houden; met te demonstreeren, dat alwat daar over verhandelt of uit„ „gewerkt is niet anders dan in het gebroken en dus noch niet ten halven kan aangemerkt worden.— § 146. Hadden we nu naiets anders gedongen dan het geen ons wezentlijk toekomt, of onbestaanbaar was met de regels van rechtmaatigheid en billijkheid, het zou inder daad beris„ „pelijk zijn, van mij over den verkeerden uitslag der Commis„ „sie gevoelig te loonen: maar wijl we, vide par: 12, 16 en 52. van dit bericht, niets anders hebben begeerd of getracht te verkrijgen, dan het geen overeenkomstig is, zoo met den Letterlijken inhoud, als den waare en wezenlijken tin onzer Privilegien, en om door Convenabele schikkingen, alle klach„ „ten, voor den aanstaanden te doen cesseeren, didde ik u Acht„ „baarheeden voor af, en overigens mijn Heeren en Meesters zoo wel als de Edele Hooge Indische Regeering, om ver„ „giffenis in dien ik door te groote uitgebreedheid, de attentie te lang mocht hebben opgehouden. Hadde ik alles in tien regels konnen zeggen, ik zou 'er geen tien anderen, veel min, zoo veel schrifts toe besteed hebben. Doch wijl den Handel van de ECompagnie weder om als van nieuw af, staat te beginnen in een Land van zoo een gevaarlijk Regeerings gestel als het tegenwoordige, zonder souverain, zonder Rechter; dus zonder eenige Legale of wettige Bestierders, geloof ik, eenigzints pardonnabel te zijn in te zeggen, het geen mij een drie en dertig Iaarige ondervinding in 's: Comp„s dienst, en van de zelve eene bij na twintig Jaarige sessie in deze vergadering en behandeling van veel gewichtig schrijfwerk, van tijd tot tijd, heeft doen op„ „merken. Ik zal echter nu afbreeken met de bij zonderheeden, en generalyk mijn gevoelen ter neder stellen. § 147. uit alles wat in dezen beschreven staat en met het kal„ „katsch gouvernement is verhandelt zoo voor, als staande de commissie, blijkt overtuigend, dat we van het zelve, van de Brit„ „sche Natie, en voor al niets goeds te verwachten hebben van het andermaalige Renvoij naar Europa aan de Bewindheb„ „beren van de Engelsche Compagnie. Deze denken zoo als Haare Ministers denken, en het is, na den uitslag der com„ „missie van 1775, bereets vernomen, van wat effect de onder„ „handelingen zijn in Europa. onze Heeren en Meesters hebben reets elders verklaard: dat zoo de Ministers in Bengale „ niet in staat waren om in Indie, met die van de Engelsche Comp: „ iets goed uit te werken, Haar wel Edele Hoog Achtbaarh: „ zich noch minder succes konden belooven met sollicitatien „bij Bewindhebberen van die compagnie: Dus staan de zaaken van de Nederlandsche Compagnie hier te Lande, om Handel mo zoo te
English
268 so to speak, hanging in the balance. The Calcutta government can never take anything upon itself whenever the points are in the least favorable to our Company; but if they must be the aggrieved party, that government lacks neither capacity nor authority. The Nabobs bear the title of their Ally. They themselves act as Dewan and, in that capacity, currently consider or conduct themselves as sovereign. They exclude the Dutch Company from Trade, destroy true and necessary freedom, and now introduce a general Monopoly. If this latter were still, in effect, for the benefit of the English Company, or if it alone had the enjoyment thereof, one might oppose it, though in itself considered fruitless. The Calcutta Government even acknowledges the harmfulness of Monopolies for all those of this Country. Nevertheless, they protect them, solely to the inconvenience and discomfort of legitimate privileged Traders, and for the service and benefit of their subordinates, at least insofar as they are favorites of that Government. For if the Monopoly were, according to the meaning of the word, a benefit devised solely for the behoof of the English Company, or for the prosperity of the Country, one could, generally speaking, apply nowhere else than to that Company or its Representatives in this Country. The contrary was already remarked with respect to the Opium by the Honorable High Indian Government at Batavia in 1781, and this year we have found, even regarding this article and saltpeter, and no less with the purchase of Linens here in Hoogly, that there are channels enough if one only grants a penny to private Englishmen or their Mutasaddis; but that this would be profitable for our Company in the long run, I cannot possibly imagine. On the contrary, the risk is of too dangerous an aspect for this to be of real benefit and not a detriment. To argue this is not the point at present; but that the intention of the Calcutta Government is, far from allowing lawful freedom, completely to ruin our Company's Trade in this Country, I believe I have fully proven. The sentiments of the Nation also promise us little good. Let us always remember the zeal that inspires that people to do us every harm: Delenda est Carthago. This saying of Cato the Roman was applied by one of the Members of Parliament against our Republic, as if to legitimize the recent declaration of war, and to give emphasis to his opinion that the Dutch had to be destroyed. The orders to India were generally designed to that end. Thus we find them expressed in the public Newspapers, and particularly in an Extract appearing in the English Magazines from a Report of the Committee appointed in England to investigate the war in the Carnatic, whereby, with respect to the negotiation mentioned under paragraph 24 hereof 269 of the former Director Mr. Ross concerning the supply of troops against Hyder Ali and, in return, the offered surrender of the Province of Tinnevelly and its dependencies, the Court of Directors of the English Company, in their General Letter to the Governor of Fort St. George, then Lord Macartney, made known their opinion in this manner: It is unnecessary to enter into an examination of the proposed negotiation with the Dutch concerning the Country of Tinnevelly. Nothing but the most desperate necessity could justify such a surrender of Territory to the Dutch; however that may be, since Great Britain and the States General are in open war, all efforts must be pursued to guard against, and if possible to destroy and ruin the power of the Dutch in India. Paragraph 148. Therefore, Honorable Sir and Gentlemen, I believe that, as long as the English Company remains sovereign and merchant at the same time, little progress will be made with the Directors of that Company toward obtaining Justice and a highly necessary redress, and that even less reliance can be placed on the promise of a favorable intercession from the Calcutta Ministry; especially if they should propose such detrimental terms as Governor General Mr. Macpherson, see paragraph 24, 25, etc., has already disclosed; and in a word, that the Rights and privileges of the Company will never be obtained, except by an improbable turn of events, which the Company had better await patiently, rather than hazarding itself, its interests, and the Riches attached thereto in a Country that is plundered and devoid of Law or justice; or until, as Mr. Bolts remarks near the end in the 16th Chapter of his work, it might be brought to the point where the British legislative Power, for the interest of Bengal, separates the Trader from the sovereign, in order to preserve and maintain both, and to see justice and general security effected through an equitable administration of all the Bengal Provinces. Then the currently prevailing shortage of money will quickly cease; then commerce, through which the Country must exist, will quickly flourish again, whereas otherwise it must very soon tend toward a general ruin; for (as the aforementioned Bolts says elsewhere): Who does not believe what is nevertheless true, namely: that as long as the River Ganges flows through Bengal, the inhabitants will never leave the Country. The Ganges is equally and even more revered to the North of Bengal and Bihar; where the Hindus, who alone constitute a portion of the people, may all, in one and the same manner, observe the solemnities of Brahma, their benefactor; besides that the conviction
Dutch transcription
268 zoo te spreeken, op schroeven. Het kalkatsch gouvernement kan nooit iets op zich neemen, wanneer de pointen maar ee„ „nigzints in faveur van onze compagnie zin: maar als zij de Lijdende partij moet wezen, dan mancqueert het dat Gouver„ „nement aan geen hoedaanigheid of aucoreteit. De Natiabs dragen den naam van Haare Bondgenoot. zij zelfs ageeren als Dewaan en in die hoodanigheid reekenen of gedragen zij zich thans als souverein. Zij sluiten de Nederlandsche Comp„e uit den Handel, vernietigen ware en noodzaakelijke vrijheid, en introduceert thans een generaal Monopolium, was dit laetste nu noch, in Effecte, ten faveure van de Engelsche Com„ „pagnie, of had die daar alleen het genot van, men zou het mogen, maar, op zich zelfs beschouwd, vruchteloos tegen spree„ „ken. Het kalkatsch Gouvernement erkend zelfs de schaade„ „delijkheid der Monopolien voor aldie van dit Land. Noch„ „tans protegeert zij Ze, en kel tot ongemaken ongerief van wettige geprivilegeerde Handelaars, en tot dienst en voordeel van Haan onderhoorigen, immers voor zoo verre het favoriten van dat Gouvernement zyn. want, was ket Monopolcum, na den Zin van het woord; een, ten behoeve van de Engelsche Comp„e, alleen, of tot welvaat van het Land, uitgedacht Beneficie, men zou„ „den, generalijk, niet anders als bij die comp:, ofte Haare Re„ tanten „presentatien, hier te Lande, konnen te recht zaaken. Het tegendeel is, met opzicht tot de Afioen, door de Edele Hooge Indische Regeering te Batavia in 1781, berets angemen t en dit Iaar hebben we, zelfs nopens dit articul en de salpee„ „ter, en niet minder met den opkoop van Lijnwaaten hier te Hoeglij, bevonden dat'er Cannaalen genoeg zijn, zoo men En„ „gelschen particulieren of Hunne Mot zeddes, den penning maar wil gunnen; maar of dat, voor onze Compagnie, op den duur, profijtelijk zou wezen, kan ik mij onmogelijk verbeelden. Integendeel, het hazard is van een te gewaarlijk uitzicht, dan dat zulx van wezenlijk nut en geen nadeel zouzijn. Dit te betoogen, is thans de zaak niet; maar dat den toeleg van het kalkatsch Gouvernement is om onze Comp„s Handel hier te Lande, verre van de rechtmaatige vrijheid toe te laaten, tot al te bederven, meen ik volkoomen te hebben bewezen. De gevoe„ „lens van de Natie, belooven ons ook niet veel goeds. Laaten we ons altoos herinneeren den iever die dat volk bezielt om ons alle afbreuk te doen: Delenda est carthago: Deze spreuk van Cato den Remein, appliceerde een der Parlements Leeden tegen onze Republiek, om quasi te wettigen de Jongste oorlogs declaratie, en om nadruk te geeven aan zijn meening dat de Nederlanders moesten verdelgt worden. De ordres naer Indien waren generalijk daar toe ingericht. toe vinden ze uitgedrukt in de publieke Nieuws papieren en in zonderheid bij een in de Engelsche Magazijnen voorkomend Extract uit een Rapport van het committe in Engeland aangesteld tot onderzoek van den oorlog in Carnatica, waar bij, ten op zich„ „te van de sub 24„e par: dezes gementioneerde onderhandeling en van 269 van den Heer gewezen Directeur Ross over het Leveren van troupen tegen Heider Alij en de daar tegen over aangeboden afstand van het Landschap Sinevellij en de Ressorte van dien Heeren Bewindhebberen van de Engelsche Compagnie, in Haare Generale Brief aan den Gouverneur van het Fort S„t George, toenmaals Lord Macartneij, haare meenig in dezer voegen of te kennen geven het is onnodig om in een onderzoek „ te treeden over de voorgeslagen onderhandeling met de Hol„ „„landers over het Land van Pinevellij Niets dan de al„ „„ler disperaatste noodzaakelijkheid, konde zulk een afstand „ van Landschap aan de Hollanders goedmaaken: hoe het „ zij, dewijl groot Brittannie en de staaten Generaal in co„ „„pen oorlog zijn, zoo zullen alle vermogen moeten worden „ voortgezet, om te waaken tegen, en des mogelijk te verdel„ „„gen en te vernielen de macht der Hollanders in Indie. " § 148. Hier om Achtbaare Heer en Heeren geloof ik, dat, zoo lang de Engelsche Compagnie, souverein en koopman te gelijk blijft, er met de Heeren Bewindhebberen van die Comp:, ter erlanging van Recht en een hoognodig redres, weinig gevordert zal worden en dat 'er op de belofte van een favorablle voor mon„ van het kalkatsch Ministerium noch minder staat is te maaken; inzonderheid zoo zij zulke nadelige conditien moch„ „ten voorstellen, als de Heer Gouverneur Generaal Macpher„ „son, vide par: 24, 25. ensz: bereets bloot gelegt heeft: en in een woord dat de Rechten en voor rechten van de Comp: noort zullen worden verkregen, dan, bij eene, niet onwaarschijnlijke, omwenteling van zaaken, die de Comp: liever geduldig afmoest wachten, dan haar zelve haare belangen en daar aan verknock„ „te Rijkdommen te wagen in een Land dat uit geplundert en zonder Recht of gereghtigheid is; of tot dat het, gelijk de Heer Bolst in het 16. Hoofddeel van zijn werk omtrent aan het ein„ de aanmerkt, daar toe mocht te brengen zijn dat de Brit„ „„sche wetgeevende Macht, voor het belang van Bengale, „ den Handelaar van den souverein afzondert. om bei„ „den te preserveeren en te behouden; gerechtigheid en algemee„ „ne zeekerheid te zien werkstellig maaken, door een billijk bestier van alle de Bengaalsche Provincien. Dan zat het nu heer schende gebrek aan geld, schielijk ophouden; dan zal de commercie, waar door het Land moet bestaan; schielijk weder floreeren, daar het anders, zeer haast tot een alge„ „meene ondergang moet neigen want, /:gelyk gem: Bolst elders zegt:) 'wie staat geen geloof aan het geen even„ „wel waarachtig is naamelijk: dat zoo lang als de Rivier de Ganges door Bengale Straant, de inwoon„ „deren nimmer het Land zullen verlaaten. Dipanges word equaal en noch meer geëërbiedigt, om de Noord van Bengale en Behaar; alwaar de Hindoes, welke alleen een gedeelte van het volk uitmaaken, alle, op een ende„ „zelve wijze, mogen in acht neemen de plechtigheeden van Brimha hunnen wel geever: behalven dat de over„ zullen „tuiging 6: