Inventory 3850
Malabar · 734 pages · 118 segments · open at the Nationaal Archief ↗
English
to be able to govern ourselves in that respect towards both Parties according to the Rules of strict Justice. We have the honour to be, was signed, Right Honourable, Valiant Sir and Sirs! your very Obedient humble Servants, was signed, John Hollond, Ja. J. V. Casamaijor, and Edwd. Jn.o Holland, in the margin, In Fort Saint George the 7th of Decr 1789. Agreed. Arnold Lunie Examined A P C. Kappes f Secretary To the Right Honourable and Valiant Sir John Hollond, President and Governor together with the Council at Madras Right Honourable and Valiant Sir and Sirs. The Ceylon Government has forwarded to us your Honour's letter addressed to them regarding the fort Kranganoor and the outpost Aikotte, with the request to answer the same. Although the assertions of the Nabob Tipoo Sultan concerning the aforementioned two places deserve neither your attention nor our refutation, we shall nevertheless, solely to comply with your friendly request, remark the following upon it. It is universally known that the Dutch Company won its forts and establishments on the Malabar coast with the sword already in the previous century in a lawful war against the Portuguese. The fort Kranganoor was conquered on the 15th of January 1662 and has thus been lawfully possessed by us for over a hundred years; Aikotte is an open piece of land which undoubtedly fell into our hands at that time as well, or by means of the conquest of Koetsiem; but since there was not the slightest fortification there, and thus no military exploit was required for its occupation, the mode of acquisition cannot be stated in greater detail. Yet it is all the more certain that the Company has possessed the same peacefully and in sovereign ownership since time immemorial. We cannot answer your question on what footing the Portuguese possessed those places; but, in our view, it is also superfluous: if, after having conquered a place from the enemy in an open war and having possessed it for 127 years, one were also still required to demonstrate that the enemy had possessed it lawfully, where then would the security of your possessions and ours remain? That the Portuguese, however, possessed Kranganoor for more than a century before us is more than well known to your Honours and to all India. The assertion that we have paid recognition money, rent, or tribute for Kranganoor or Aikotte is a pure fiction and a frivolous falsehood. Through the conquest in an open war, the Company became the lawful, sole Sovereign lord of the same, has never acknowledged any other Sovereignty, and in particular has never paid a single doit or penny for that fort or for Aikotte to the Zamorin, or to the Amuldars of Calicut, or to the King of Koetsiem, or to anyone else; all this is notoriously true, of which all the Inhabitants of the Malabar coast have complete knowledge, and the King of Travancore spoke the pure truth when he gave your Honours such assurance thereof as your letter contains, except that he was mistaken in the number of years of our possession, since the same is no more than 127. The frivolous pretext of Tipoo that we had paid rent or recognition money for Kranganoor is feigned by him and derived from the following circumstance. In the last five years, some Chogos and Mukkuvas belonging under the Company at Kranganoor had taken on lease some small pieces of land outside the Company's limit from the Nabob's land-renter, but fell in arrears with the payment. The Nabob's Land-renter complained about this to our Resident at Kranganoor, and the latter had the rent collected by the Interpreter and delivered to the Renter, which was continued for three or four years in order to prevent difficulties. Such a sinister interpretation brings its own refutation. Your Honours request that we communicate to you authentic copies of all Acts and Documents concerning these two places; but from the nature of our acquisition by the sword of war your Honours can easily deduce that no acts or documents are available thereof; yet this mode of acquisition and the subsequent possession of well over three times the period of time legally established by the laws for acquiring valid ownership also render them unnecessary. Allow us, Right Honourable Sirs, to add a remark here. The invalidity and frivolity of the aforementioned pretexts of Tipoo Sultan to give some semblance of justification to his hostile designs against the King of Travancore, beyond what has already been demonstrated here, is now also as clear as day through the other extravagant Demands which he has brought forward against the King of Travancore; for example, that he should surrender the Princes and grandees who had fled to him, that he should demolish his Lines, that he should return Parur and the other lands to the King of Cochin, etc.; for all those demands, which are of far greater importance than the Demand for the cancellation of the contract of sale for Kranganoor, refer to facts that already
Dutch transcription
554 dien opzigte naar de Regelen van het strikte Recht teegens beide Partijen te kunnen dirigeeren. Wij hebben de eer te zijn /:onderstond:/ Weledele gestr: Heer en Heeren! uwe zeer Gehoorzame needrige Dienaren /:was geteekend:/ John Hollond, Ja„ J: Vs„ Casamaijor, en Edwd: Jn:o Holland, /:in margine:/ In 't port Saint George den 7: Decr 1789: Akkgadeerd. Arnold Lunie Nagezien A P C„„ Kappes ƒ sekret:s: 555 Aan den weledelen Gestrengen Heer John Hollond. President en Goeverneur nevens den Raad te Madras Weledele Gestrenge Heer en Heeren. De Ceilonsche Regeering heeft den brief van uw weledelen aan haar over het fort kranganoor en de veldpost Aikotte ons toegezonden, met verzoek denzelven te beantwoorden. Hoewel de voorgeevens van den Nabab Tipoe sultan nopens voormelde twee plaatsen, noch uwren- aandacht, noch onze wederlegging verdienen: zoo zullen wij eenlijk om aan uw vriende„ „lijk verzoek te voldoen, daar op het volgende aanmerken. Het is wereldkundig, dat de Hollandsche komp: haare forten en etablissementen op de Malabaarsche kust, reets in de voorige eeuw in een wettigen oorlog N„o 16. tegen tegen de Portugeezen met het zwaard gewonnen heeft - Het fort kranganoor is den 15e Januari 1662. veroverd en dus over de honderd jaar door ons wettig bezeeten; Aikotte is een open stuk land het welk buiten twijfel te diertijd, of mits de verovering van koetsiem, mede in onze handen gevallen is, doch wijl daar geen de minste vastigheid en dus tot dies okkupaatsie ook geen mili„ tair exploit noodig geweest is: zoo kan de modus acquirendi niet nader opgegeeven worden. Doch te zeekerder is het, dat de komp: hetzelve Ieder on„ „heuchlijke tijden, vreedig en in souve„ „rainen eigendom bezit uwe vraage op wat voet de Portu„ „geezen die plaatzen bezatten, kunnen wij niet beantwoorden; doch is, naar ons inzien, ook overtollig: Jndien men na eene plaats voor 127: Jaaren in een openbaaren oorlog op den vijand veroverd en bezeeten te hebben, ook noch zoude moeten aantoonen, dat de vijand dezelve wettig bezeeten had, waar zoude dan de zeekerheid van uwe en ont bezittingen blijven. - Dat echter de Portugeezen kranganoor voor ons 556 ons langer dan eene eeuw bezeeten hebben, is aan uw weledelen en aanheel Jndien te over bekend Het voorgeeven dat wij van kran„ „ganoor of Aikotte rekognietsie Rente of tribut betaald hadden, is een loutere verdichtzel en eene frivoole onwaarheid . De kompanie is door de overovering in een openbaaren oorlog de wettige eenige Souveraine opperheer van denzelven geworden, heeft noit eenige andere Gouverainiteit erkend en inzonderheid ook van dat fort of van Aikotte noit een duit of penning aan den Samorijn of aan de Amúldaars van kalikút, of aan den koning van koetsiem, of aan iemand anders betaald, dit alles is notoir„ waar van alle Jnwooners van de Ma„ „labaarsche kust volkome kennis draagen en de koning van Trevankoor heeft de zuivere waarheid gesprooken toen hij uw weledelen daar van zoo„ „danige verzeekering gaf, als uwe brief behelst, eenlijk heeft hij zich in het getal der Jaaren onzer bezittinge ver„ „gist wijl hetzelve niet meer als 127: is —. Het land de N n n d Het frivole protext van Tipoe, dat wij van kranganoor pacht of rekognietsie betaald hadden, is door hem gefingeerd en gederiveerd van de volgende om„ „standigheid. Jn de laaste vijf gaa¬ „ren, hadden eenige sjegos en Moequas onder de komp: te krangenoor sorteerende eenige stukjes land buiten Skomp=s limiet van 's Nababs land, „pachter in huur genoomen, doch blee„ „ven met de betaaling achterlijk 'snababs Landpachter klaagde hier over bij ons opperhoofd te kran„ gonoor en deeze liet de huurpennin„ „gen door den Tolk inzamelen, en aan den Pachter bezorgen, waarbij men drie of vier Jaar gekontinueerd heeft, om moeilijkheeden voor te koomen zulk eene sinistere inter„ „ pretaatsie brengt haare eigene wederlegging mede uw weledelen verzoeken, dat wij hun authentique kopijen van alle Akten en Dokumenten noopens deeze twee plaatsen wilden meede deelen, doch uit de natuur van onze acquisietsie door het zwaard des oorlogs kunnen uwEd=s ligt opmaaken, dat daar van geene 557 geene akten of dokumenten voorhanden 7 zijn, doch deeze modus acquirendi en de daar op gevolgde possessie van ruim driemaal de tijds periode die bij de wetten tot het verwerven van een deugdzaam bezit rechts bepaald is, maa„ „ken dezelven ook onnoodig; vergunt ons weledele Heeren hier eene aanmerking bij te voegen. De nietigheid en frivoliteit van de voorschreevene voorwendzels van Tipae sultan om aan zijne vijandige oog„ „merken tegen den koning van Toevankoor eenigen glimp te geeven, ligt buiten het geen hier voor reets betoogd is, thans ook noch klaar van den dag door de overigen buitenspoorige Eischen die hij tegen den koning van Trevankoor ter baan ge„ bragt heeft, bij voorbeeld, dat hij de bij hem gevluchte Prinsen en grooten uitleeveren, dat hij zijne Linie afbree¬ „ken, dat hij Paroe en de verdere landen aan den koning van koet„ „sum terug geeven zoude enz; want alle die eischen, die van vrij wat meer aanbelang zijn, als de Eisch tot vernie„ „tiging van het koopkontrakt over kranganoor zien op feithen die reets
English
already existed for a long time when the latest treaty between the English Company and him, the Nabob, was concluded, in which the King of Travancore is explicitly and by name included, and must therefore be considered settled by that treaty with the English Company, which he has since openly violated and broken by a hostile incursion upon the Travancore Lines. Lastly, we add as a superfluous precaution that we supply this elucidation to Your Honours solely to satisfy your friendly request and without thereby giving ground for any examination or appraisal of the Company's rights in this or any future cases; we have the honour to be, (was written below:) Right Honourable Sir and Gentlemen, Your Honours' obedient and humble servants, (was signed:) J: G: van Angelbeek, J: L: van Spall, G: G: Gebhardt, J: W: H: van Rossum, J: A: Cellarius, I: A: Scheijdz, A: Lunel and I: A: Eversdijck (in the margin:) Cochin the 4th of January 1790. Agreed. A. H. Schachl, sworn clerk. 568 Saturday the 9th of January 1790. Forenoon. Present: The Right Honourable, Highly Respected Sir, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek, The Honourable provisional Senior Merchant, Second and Chief Administrator Ian Lambertus van Spall, The Honourable Captain and Head of the Militia Godlieb George Gebhardt, The Honourable Merchant, Fiscal and Cashier Mr. Johan Willem Henrik van Rossum, The Honourable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellarius, The Honourable Junior Merchant and Dispenser Willem van Haeften, The Honourable Resident of Porca Johan Andries Scheidz, The Honourable Secretary of Police Arnoldus Lunel and The Honourable provisional Pay Bookkeeper Jacobus Adrianus Eversdijck. Absent: The Honourable Junior Merchant Adriaan Poolvliet due to indisposition. Secret Resolution taken by circular inquiry. No. 77. By written circular inquiry, a reading was taken of a letter which was written by the Ministry of Madras concerning the sale of Cranganore and Ayacotta to the King of Travancore to the Ministers of Ceylon and sent by the latter hither for an answer, of which the Dutch translation read as follows: Military Department To the Right Honourable Sir W: I: van de Graaff, President and Governor, along with the Council at Colombo. Right Honourable Sir and Gentlemen! The late purchase of Cranganore and Ayacotta by the Rajah of Travancore from your honoured nation has given occasion to some inquiries with the Nabob Tippoo Sultan, who has contested the right which the Dutch had to sell the aforesaid places without his consent. In order that we might be fully instructed upon this subject, we shall consider it a favour if Your Honours will furnish us with the most complete information possible regarding the following points: 559 the 9th of January 1790. We wish to know whether the Dutch obtained possession of the said places from the Portuguese; on what footing the Portuguese possessed the same; on what conditions the Portuguese surrendered them; and whether since the time that your nation has had the aforesaid places in possession, up to the latest moment when they were purchased by the Rajah of Travancore, any rents or tribute have been paid to the Amildars of Calicut or others, or whether any sovereignty has been acknowledged. Tippoo Sultan maintains that the Dutch annually paid a rent to the Amildars of Calicut, which country pays tribute to Mysore; on the other hand, the Rajah of Travancore asserts that Cranganore and Ayacotta belonged solely to the Dutch; that the Rajah of Cochin has no pretension whatsoever to the said places; that the Dutch have been in possession thereof up to the present moment for a hundred and thirty-five years; and that they have never paid a single duit In Fort Saint George the 7th of December 1789: duit to the Rajah of Cochin by way of annual tribute for the said places. In order to be able to judge this matter in the midst of such contradictory affirmations, we request Your Honours to furnish us with such authentic copies of all deeds and documents regarding Cranganore and Ayacotta as might be sufficient to direct our conduct in this respect according to the rules of strict justice towards both parties. We have the honour to be, Right Honourable Sir and Gentlemen! Your most obedient humble servants, John Hollond, Jas. Casamaijor, Edwd. Jno: Hollond. And furthermore, the answer to that letter drafted by the Governor was attentively reviewed, and thereupon approved and resolved to conform therewith, and to let that answer be dispatched accordingly, as well as to insert the same herein. 560 To the Right Honourable Sir John Hollond, President and Governor, along with the Council at Madras. Right Honourable Sir and Gentlemen! The Ceylon Government has sent us Your Honours' letter to them concerning the fort of Cranganore and the redoubt Ayacotta, with the request to answer it. Although the pretences of the Nabob Tippoo Sultan regarding the aforesaid two places deserve neither your attention nor our refutation, we shall, solely to comply with your friendly request, remark the following thereon: It is known to the world that the Dutch Company won its forts and establishments on the Malabar Coast with the sword in a lawful war against the Portuguese already in the previous century. The fort of Cranganore was conquered on the 15th of January 1662. the 9th of January 1790.
Dutch transcription
reets lange exsteerden, toen het Jongste Trak„ „taat tusschen de Engelsche komp=e en hem Nabab geslooten werd, waar onder de koning van Trevankoor uitdruklijk en met naame begreepen is, en moeten dus voor afgedaan gehouden worden, door dat traktaat met de Engelsche kompanie hetwelk hij zeeder opentlijk geschonden en verbrooken heeft, door een vijandigen inval op de Trevankoorsche Linie Laastlijk voegen wij als een over„ „tollige prekaussie noch bij, dat wij deeze elucidaatsie aan uwEd=e Sup„ „pediteeren alleen, om aan uw vriende „lijk verzoek te voldoen en zonder daar door tot eenige examinaatsie of taxaatsie van Skompenies rechten in dit of eenige andere toekomende gevallen voet te geeven; wij hebben de eere te zijn, (onder„ „stond:/ weledele Gestrenge Heer en Heeren uwer Edelen geloorzaam en needrige Dienaaren /:was geteekend:/ J: S van Angelbeek J: L: van Spale G: G: Geblardt J: w: H: van Rossum J: A: cellarius I: A: Scheijds A: Lunel en I: A: Eversdijk /:margine:/ koetsiem den 4: Janu: 1798 Akkordeerd. A H. Schachl Egklerk de am 179 568 Saturdag den 9:e Januari 1790. Prezent voormiddag De weledele Gestrenge Grootachtb: Heer Raad ordinair van Nederlands Jndien Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek, De E: Heer p:l opperkoopm: sekunde en Hoofdadminist:r Ian Lambertus van spall, De E: kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhardt, De E: Koopman fiskaal en kassier M:r Johan Willem Henrik van Rossum, De E: onderkoopman en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius, De E: onderkoopman en Dispencier willem van Haeften D' E: Resident van Porka Iohan Andries Scheidz De E: Sekretaris van Polietsie Arnoldus Lunel en De E: p:l soldij Boekhouder Iacobus Adrianus Eversdijck Absent Adriaan Poolvliet door indisposietsie De E: onderkoopman werd bij schriftelijke rondvraage lektura genoomen van een brief die door het Mi¬ „nisterium van Madras over den verkoop van kranganoor en Aikotte aan den ko= „ning van Trevankoor aan de Ministers van Sekreete Resoluutsie ge„ „noomen bij Rondvraage. Ceilon N 77. op Ceilon Geschreeven en door deezen dit heen ter beantwoording gezonden was, waar van de nederduitsche overzetting luide de als volgd. Militair Departement Aan den Weledelen Gestrengen Heer W: I: van de Graaff President en Goeverneur nevens den Raad te Kolombo Heeren! en Weledele Gestrenge Heer De laatste Koop van Kranganoor en Ai= Kotta door den Rajah van Trevankoor van uw weled: naatsie heeft tot eenige onderzoekingen geleegenheid gegeeven met den Nabab Tipoe Sultan, die het Recht betwist heeft, 't welk de Hollanders hadden, voormelde plaatzen buiten zijn Toestem= „ming te verkoopen. op dat wij ten vollen nopens dit onderwerp mogten geinstrueert zijn, zullen wij het voor een gunst achten, indien uw weledg: ons de kompleetste Jnformaatsie, die moogelijk is, willen bezorgen nopens de volgende Pointen: wij 559 den 9. Januari 1790. wij wenschen te weeten, of de Hollanders de bezitting der gemelde plaatsen van de Portugeezen geobtineert hebben; op welken voet de Portugeezen dezelve bezeeten hebben; op welke kondietsies de Portugeezen hen overgegeeven hebben; en of zedert de tijd, dat uwe Naatsie voorschreeven plaatsen in bezit gehad heeft, tot de laatste Tijdstip, wanneer ze door den Rajah van Trevan„ koor gekocht wierden, eenige Renten of Tribuut betaald zijn aan de Amildars van kalikut; of anderen, dan wel of 'er eenige soevereniteit erkend is. Tipoe Súltan houdt staande, dat de Hol- „landers jaarlijks aan de Amuldars van Kalikut eene Rente betaald hebben, welk land aan Maisoer Tribuut betaald, aan de andere zijde verzeekert de Rajah van Trevankoor, dat kranganoor en Aikotta alleen aan de Hollanders behoord hebben; dat de Rajah van Koetsiem geen Preten= „sie heeft, hoe genaamd, op gemelde plaat „zen; dat de Hollanders tot den presenten tijdstip in 't bezit daarvan geweest zijn geduurende een honderd en vijf en dertig jaaren; en dat zij nimmmer een enkelde duit ste In 't Fort Saint George den 7:e Decemb:r 1789: duit aan den Rajah van Koetsiem bij wijze van jaarlijks Tribuut voor gemelde plaat= „zen betaald hebben. om in staat te zijn, deeze zaak in het mid= „den van zoodanige teegenspreekende af. „firmaatsies te kunnen beoordeelen, ver= zoeken wij uw weledg: ons zoodanige au= „thentieke kopijen van alle Acten en Do= „kumenten aangaande kranganoor en Aikotte te willen bezorgen, als 'er voldoen- de mogten zijn, ons gedrag ten dien op= zigte naar de Regelen van het strikte Recht teegens beide Partijen te kunnen dirigeeren. wij hebben de eer te zijn. Weledele Gestrenge Heer en Heeren! uwe zeer gehoorzame needrige Dienaren John Hollond Ia„ JVs: Casamaijor Edwd. Jno: Hollond En werd wijders aandachtig geresumeerd het antwoord op dien brief door den Heer Goeverneur ontworpen en daar op goedgevon- „den en verstaan, zich daar mede te kon. „formeeren, en dat antwoord zoodanig te laaten 560 laaten afgaan, mitsgaders hetzelve hier in te lijven. Aan den weledelen Gestrengen Heer John Hollond President en Goeverneur nevens den Raad te Madras Weledele Gestrenge Heer en Heeren! De Ceilonsche Regeering heeft den brief van uw weledelen aan haar over het fort kranganoor en de veldpost Aikotte ons toe„ gezonden, met verzoek, denzelven te be„ antwoorden. Hoewel de voorgeevens van den Nabab Tipoe sultan nopens voormelde twee plaatsen noch uwen aandacht noch onze weder„ „legging verdienen: zoo zullen wij, eenlijk om aan uw vriendelijk verzoek te vol„ doen, daarop het volgende aanmerken. Het is wereld kundig, dat de Hollandsche komp: haare forten en etablissementen op de Malabaarsche Rust, reets in de voorige eeuw in een wettigen oorlog tegen de Portu¬ „geezen met het zwaard gewonnen heeft. — Het fort kranganoor is den 15:e Janu: 1662. den 9. Januari 1790. veroverd ze aren
English
conquered and thus lawfully possessed by us for over a hundred years; Aikotte is an open piece of land, which without doubt fell into our hands at that time or by means of the conquest of Koetsiem, but since there is not the slightest fortification there and thus no military exploit was necessary for its occupation, the modus acquirendi cannot be specified in further detail. But it is all the more certain that the Company possesses the same, since time immemorial, peacefully and in sovereign property. Your question: on what footing the Portuguese possessed those places, we cannot answer, but is, in our view, also superfluous. If, after having conquered a place from the enemy in an open war and having possessed it for 127 years, one would also still have to prove that the enemy had possessed the same lawfully, where then would the certainty of your and our possessions remain? That, however, the Portuguese possessed Kranganoor before us for longer than a century, is only too well known to your Honors and to all of the Indies. The 561 the 9th of January 1790. The pretense that we had paid recognition, interest, or tribute for Kranganoor or Aikotte is a pure fabrication and a frivolous untruth. The Company has through conquest in an open war become the lawful sole sovereign overlord of the same, has never recognized any other sovereignty, and in particular has also never paid a duit or penny for that fort or for Aikotte to the Samorijn, or to the Amuldars of Kalikut, or to the King of Koetsiem, or to anyone else; all this is notorious, of which all inhabitants of the Malabar Coast have full knowledge, and the King of Trevankoor spoke the pure truth when he gave your Honors such assurance thereof as your letter contains, only he was mistaken in the number of years of our possession, since the same is no more than 127. The frivolous pretext of Tipu that we had paid rent or recognition for Kranganoor is invented by him and derived from the following circumstance. In the last five years some Chegos and Mukkuvas belonging under the Company at Kranganoor had rented some pieces of land outside the Company's limit from the Nabob's land-renter, but remained in arrears with the payment. The Nabob's land-renter complained about this to our chief at Kranganoor, and the latter had the rent monies collected by the interpreter and delivered to the renter, with which one continued for three or four years to prevent difficulties. Such a sinister interpretation brings its own refutation with it. Your Honors request that we would share with you authentic copies of all deeds and documents regarding these two places, but from the nature of our acquisition, through the sword of war, your Honors can easily infer that no deeds or documents are available thereof, but this modus acquirendi and the possession following thereupon of well over three times the time period that is legally determined by the laws for acquiring 562 the 9th of January 1790. a virtuous right of possession also make the same unnecessary. Allow us, honorable sirs, to add a remark here. The nullity and frivolity of the aforementioned pretenses of Tipu Sultan, to give some coloring to his hostile intentions against the King of Trevankoor, lies, besides what has already been demonstrated here, now also clearly in the open through the other extravagant demands that he has brought forward against the King of Trevankoor, for example, that he should surrender the princes and grandees who have fled to him; that he should demolish his lines; that he should return Parur and the other lands to the King of Koetsiem, etc.; because all those demands, which are of far more importance than the demand for the annulment of the purchase contract concerning Kranganoor, refer to facts that already long existed when the latest treaty treaty was concluded between the English Company and him, the Nabob, under which the King of Trevankoor is explicitly and by name included, and must thus be considered as settled by that treaty with the English Company, which he has since openly violated and broken by a hostile invasion of the Trevancore lines. Lastly, we also add as a superfluous precaution that we supply this elucidation to your Honors solely to comply with your friendly request, and without thereby giving ground to any examination or taxation of the Company's rights, in this or any other future cases. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at 563 at the town of Koetsiem, on the day, month, and year aforesaid. /was signed J: G: van Angelbeek, J: L: van Spall, G: G: Gebhardt, J: W: H: van Rossum, J: A: Cellarius, N: van Haeften, J: A: Scheidz, A:s Lunel, and I: A: Eversdijck. Agreed Arnold Lunel Secretary 564 Secret Resolution No 18. Saturday the 19th of December 1789. Forenoon Present The Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Gentleman, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard Van Angelbeek The Honorable Provisional Senior Merchant, Second, and Chief Administrator Ian Lambertus Van Spall. The Honorable Captain and Head of the Militia Godlieb George Gebhardt The Honorable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr Johan Willem Hendrik van Rossum The Honorable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellarius The Honorable Junior Merchant and Dispenser Willem van Haeften The Honorable Secretary of Police Arnoldus Lunel and The Honorable Provisional Pay Bookkeeper Jacobus Adrianus Eversdyck Absent The Honorable Junior Merchant Adriaan Poolvliet due to indisposition Having been received, the report requested at the session of the 14th of this month from the Honorable Captain and Commandant Gebhardt, taken in the Council of Malabar at the town of Koetsiem.
Dutch transcription
veroverd en dus over de honderd jaar door ons wettig bezeeten; Aikotte is een open stuk land, hetwelk buiten twijfel te dier= „tijd of mits de verovering van koetsiem, mede in onze handen gevallen is, doch wijl daar geen de minste vastigheid en dus tot dies okkupaatsie ook geen militair ex= „ploit noodig geweest is: zoo kan de modus acquirendi niet nader opgegeeven worden. Doch te zeekerder is het, dat de Komp: hetzelve, zeder onheuchlijke tijden, vreedig en in souverainen eigendom bezit. uwe vraage: op wat voet de Portugee= „zen die plaatsen bezatten, kunnen wij niet beantwoorden, doch is, naar ons in= „zien, ook overtollig. - Jndien men, na eene plaats voor 127. Jaaren in een open„ „baaren oorlog op den vijand veroverd, en bezeeten te hebben, ook noch zoude moe= „ten aantoonen, dat de vijand dezelve wet= „tig bezeeten had, waar zoude dan de zee= „kerheid van uwe en onze bezittingen blijven ? Dat echter de Portugeezen kran¬ „ganoor voor ons langer, dan eene eeuw bezeeten hebben, is aan uw weledelen en aan heel Jndien te over bekend. Het 561 den 9:e Januari 1790. Het voorgeeven, dat wij van kranganoor of Aikotte rekognietsie, Rente of tribut betaald hadden, is een loutere verdichtzel en eene frivoole onwaarheid. De komp: is door de verovering in een openbaaren oor„ „log de wettige eenige souveraine opper„ „heer van dezelven geworden, heeft noit eenige andere souverainiteit erkend, en inzonderheid ook van dat fort of van Aikotte noit een duit of penning aan den Samorijn, of aan de Amuldaars van Ka¬ „likut, of aan den koning van Koetsiem, of aan iemand anders betaald, dit alles is notoir, waarvan alle Inwooners van de Malabaarsche kust volkome kennis draagen, en de koning van Trevankoor heeft de zuivere waarheid gesprooken, toen hij uw weledelen daarvan zoodanige verzeekering gaf, als uwe brief behelst, eenlijk heeft hij zich in het getal der Jaaren onzer bezittinge vergist, wijl het zelve niet meer als 127. is. Het frivole pretext van Tipoe, dat wij van kranganoor pacht of rekognietsie betaald hadden, is door hem gefingeerd en gederiveerd van de volgende omstan„ „digheid „digheid. Jn de laaste vijf Jaaren hadden eenige sjegos en Moequas onder de komp: te kranganoor sorteerende eenige stuk= „jes land buiten 's komp:s limiet van 's Na„ „babs Landpachter in huur genoomen, doch bleeven met de betaaling achterlijk 's Nababs landpachter klaagde hierover bij ons opperhoofd te kranganoor en deeze liet de huurpenningen door den Tolk inzamelen, en aan den Pachter bezorgen, waarbij men drie of vier jaar gekonti= „nueerd heeft, om moeilijkheeden voor te koomen. — zulk eene sinistere inter- „pretaatsie brengt haare eigene weder: „legging mede. uw weledelen verzoeken, dat wij hun authentique Kopijen van alle Akten en Dokumenten noopens deeze twee plaat= „sen wilden meede deelen, doch uit de natuur van onze acquisiessie, door het zwaard des oorlogs kunnen uw Ed:s ligt opmaaken, dat daarvan geene akten of dokumenten voor handen zijn, doch deeze moetus acquirendi en de daarop gevolgde possessie van ruim driemaal de tijds periode, die bij de wetten tot het verwerven van 562 den 9:' Januari 1790. van een deugdzaam bezit recht bepaald is maaken dezelven ook onnoodig. — vergunt ons weledele Heeren, hier eene aan„ „merking bij te voegen. De nietigheid en frivoliteit van de voor„ „schreevene voorwendzels van Tipoe sultan, om aan zijne vijandige oogmerken tegen den Koning van Trevankoor eenigen glimp te geeven, ligt buiten het geen hier voor reets betoogd is, thans ook noch klaar aan den dag, door de ovrige bui „tenspoorige Eischen, die hij tegen den koning van Trevankoor ter baan gebragt heeft, bij voorbeeld, dat hij de bij hem gevluchte Prinsen en grooten uitleeveren; dat hij zijne Linie afbreeken; dat hij Paroe en de verdere landen aan den Koning van Koetsiem terug geeven zoude enz:, want alle die eischen, die van vrij wat meer aanbelang zijn, als de Eisch tot vernietiging van het koopkontrakt over kran„ „ganoor, zien op feithen, die reets lange exsteerden, toen het Jongste Traktaat erven Traktaat tusschen de Engelsche kompe„ „nie en hem Nabab geslooten werd, waar onder de koning van Trevan= „koor uitdruklijk en met naame be= „greepen is, en moeten dus voor afgedaan gehouden worden door dat traktaat met de Engelsche Kompanie, hetwelk hij zeeder opentlijk geschonden en ver„ brooken heeft, door een vijandigen in¬ „val op de Trevankoorsche Linie. - Laastlijk voegen wij als een overtollige prekautsie noch bij, dat wij deeze elucidaatsie aan uw Ed:s suppeditee= „ren, alleen om aan uw vriendelijk verzoek te voldoen, en zonder daar door tot eenige examinaatsie of taxaat „sie van 's Kompanies rechten, in dit of eenige andere toekomende ge¬ vallen, voet te geeven. Aldus Gedaan Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Malabaar ter 563 ter steede Koetsiem, ten dage maand en Jaare voormeld. — /was geteekend J: G: van Angelbeek, J: L: van Spall, G: G: Gebhardt, J: W: H: van Rossum, J: A: Cellarius n: van Haeften, J: A: scheidz, A:s Lunel en I: A: Eversdijck. —. Akkordeerd Arnold Lunel sekret:s pe„ d baar 564 Sekreete Resoluutsie No 18. Saterdag den 19„e December 1789. Voormiddag Present De weledele Gestrenge Groot achtb: Heer Raad ordinair van Nederlands Indien Goeverneur en Direkteur Iohan Gerard Van Angelbeek De E: Heer p:l Opperkoopm: sekuende en Hoofdadministr: Ian Lambertus Van Spall. De E: kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhardt De E: koopman Fiscaal en kassier M=r Johan Willem Hendrik van Rossum De E: Onderkoopman en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius De E: Onderkoopman en Dispencier Willem van Haosten De E: Sekretaris van Polietsie Arnoldus Lunel en 9. E: p:l Soldy Boekhouder Jacobus Adrianus Eversdyck Absent De E: Onderkoopman Adriaan Poolvliet door indisposietsie Ingekomen zynde het ter sessie van den 14=e deezer gerequireerde bericht van den E: kapitain en kommandant genoomen in Raade van Mala= „baar ter steede Koetsiem op. Gebhardt
English
Gebhardt and further commissioners for inspecting the fortress and specifying the necessary means of defence, each article of the same was attentively deliberated upon and such resolution taken as is noted beside it, and it was subsequently approved and understood to insert the same here together with the marginal dispositions. To the Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful Johan Gerard Van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch East Indies, as well as Governor and Director of the Malabar coast with the jurisdiction thereof. Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful and Wide-Commanding Lord. Pursuant to the highly honored order of Your Right Honorable, Highly Esteemed, and Worshipful Lordship contained in written ordinances of the 14th of this month, we, the undersigned, as express commissioners, proceeded across the main rampart and the outer works, powder houses, arsenal, and inspected and examined everything properly. 1: We have found the main rampart, according to our knowledge, in a very good state of defence, except that some platforms ought to be improved, which will be pointed out by the Artillery Commander Heupner; the cannons and carriages and mortars are in good condition and very well positioned. 2. In front of the covered way, the glacis ought to be raised in several places and also lowered and given a better profiling, so that the tips of the palisades are covered by the crest of the glacis in such a way that they cannot be seen from the outside; in several places the glacis is level with the palisades, so that a small man can step from the crest of the glacis onto the palisades with a single stride and can very easily jump into the covered way; therefore, the earth in those places ought to be removed so that it gains a space of three feet between the palisades and the glacis. [Margin:] This will be done immediately. This refers only to the part of the glacis between the Water Gate and the arrow, and will be remedied immediately. The earth that has slipped from the crest of the glacis toward the palisades in some places due to the heavy rains is being cleared away; for the rest, the palisades are set regularly. The small ditches around the places of arms in the glacis from the outside have become full of earth due to the heavy rains, so it will be necessary for them to be deepened. [Margin:] Lieutenant Vogt is already busy with this. The banquettes in the covered way ought to be improved in several places, as they have become so narrow due to erosion that a soldier with his musket and weapons has no proper standing position on them. [Margin:] This will be done immediately. Due to the weakness and inexperience of many of our artillerymen, we judge that too many cannons are placed in the covered way and cannot be properly operated; thus 2 cannons in each place of arms will be sufficient, and the rest ought to be brought inside, and the unmounted embrasures ought to be filled in blind, because as soon as the enemy has made himself master of one place or another of the covered way, the multitude of cannons will turn to our own disadvantage, while, as has already been said, we do not have enough artillerymen to operate the cannons properly. [Margin:] The cannons must above all remain in the covered way; upon this rests the best defence at the beginning of a siege; the esplanade is thereby better fired upon and one saves much powder; as long as one fires from the covered way, one shoots little from the main rampart, thus one does not need so many artillerymen; when the enemy has advanced so far that he lets his batteries play, the cannons are withdrawn from the covered way. All cannons are not used at once, and the artillerymen must thus be distributed in the places of arms as the number permits. In each place of arms a low barrack ought to be built, which nevertheless does not project above the glacis, in order to store the powder and necessary ammunition underneath it against the rain and heavy dew. 3. It has also come to our attention outside the bomb gate in the ravelin that the entire face on the land side is too low, so that one cannot sweep over the covered way with the cannon; we therefore judge it necessary that this ought to be properly improved. [Margin:] This ravelin serves primarily to defend the covered way in the ditch; the glacis must be defended with the artillery from the covered way and from the main rampart. 4. The open ground outside the fortifications ought and must necessarily be cleared of all brushwood, houses, and trees, that is, from the Castle of Mattancherry up to the garden of the Right Honorable Governor, if possible up to 150 rods from the main rampart, in order thereby to remove and keep the enemy as far as possible from our fortifications. [Margin:] This will be done. 5. If an enemy should undertake to attack and besiege Cochin, we consider the Island of Vypin a dangerous place for our fortress, where the enemy can very easily erect his batteries behind the Roman Catholic church and the other brick houses and from there cause very great damage to our fortress with cannons and bombs; thus, according to our humble knowledge, we judge that the Roman Catholic church, the houses, gardens, and brushwood up to 68 rods... [Margin:] The river here is 90 rods wide and from the beach to the church 68 rods, so the church and houses can remain standing for now, but the woods must be cut down immediately.
Dutch transcription
Gebhardt en verdere gekommitteerden tot het visiteeren van de vesting en het opgeeven van de noodige middelen van defensie, zoo werd op ieder Artikel van het zelve met aandagt gedelibereerd en zoodanig besluit genoomen als bezyden het zelve staat aangeteekend en werd vervolgens goed gevonden en verstaan zal het zelve met de disposietsien in margine hier te insereeren Aan den Weled: Gestr: Gr: Achtb: Heer Johan Gerard Van Angelbeek Raad ordinair van Nederlands Indien mitsgaders Gouverneur en Direkteur van vier ter kuste Malabaar met den Resorte ten van dien Weledele Gestr: Groot Achtbaare Wyd gebiedende Heer. Volgens Hoog g'eerde ordre van uweled d Gestr: Groot Achtb: vervat by schrifte= lyke ordonnantien van den 14=e deeser zo hebben wij ondergeteekendens ons als 565 zal ten eersten geschieden van het Glacis tusschen de ri= sorte vier poort en de fleche en zal ten eersten verholpen worden als expresse gecommitteerdens vervoegt over de Hoofdwal en de Buitenwerken kruythuisen Arsenaal en alles na be= hooren nagezien en geexamineerd 1: De hoofdwal hebben wy volgens onze ken= =nis in een zeer goede staat van defensie bevonden uitgenoomen eenige beddings dienen verbeterd te worden, die door den Commandant der Arthillery Heupner zullen aangeweezen worden; De kannons en affuiten en mortiers zyn in goede staat en zeer wel geplaatst. 2. Voor de bedekte weg diend de Glassien op verscheide plaatsen verhoogt en ook verlaagd en een beter Posseering gegee= „ven te worden, opdat de spitsen der pallisaaden door de kruin van de Glassien zo gedekt zyn dat men dezelven van buiten niet kan zien; Op verscheide plaatsen is de Glassie op de pallisaaden, kan dat een klein man met een stap van de kruin van de Glassie op de pallissaaden de aarde, die door de zwaa= re reegens op zommige plaat= sen van de kruin der Gla= e is naar de pallissaaden toegezakt is word weg geruimd voor het ovrige Dit ziet alleen op het gedeelte zyn kan gt men staan en teur te= ons 25 zyn de pallissaaden regel maatig gezet. De Luitenant Vogt is daar mede reets beezig zal ten eersten geschieden. kan treeden en zeer gemakkelyk inde bedekte weg kan springen; Dierhalven dient op die plaatsen de aarde weg genoomen te worden, dat het eene ruimte van drie voeten tusschen de Gallissaaden en de Glassie doet krygen. De kleine grachten om de plaatsd'ams in de Glassie van buiten zyn door de zwaa„ =re reegens vol met aarde geraakt, zal dus noodig zijn, dat dezelve uitgediept worden als De Bankets in de bedekte weg dienen op verscheide plaatsen verbeeterd te worden terwyl dezelve door de afspoeling zo smal zyn geworden, dat een soldaat daar op met zyn geweer en wapens geen behoor¬ lyke standplaats heeft. Door de zwakheid en onkundigheid veeler onzer Arthilleristen, zoo oordee= =len wij dat er te veel kannons in de bedekte weg geplaatst zyn en niet na behoren kunnen bedient worden, dus zal in ieder plaats d'anns 2 kannons genoeg zyn en de overige dienen de kanon in den bedekten weg moeten vooral- blyven hier op berust de beste defensie in 't begin eener beleegering; de Esplanade word daar door beeter be= schooten en men bespaard veel kruit, zoo lange men uit den bedekten weg vrurt, schiet menwweinig van na 566 van de kapitaale wal dus heeft men zoo veel Artil leristen niet noodig, als hy zyne Batteryen laat speelen, worden de ka= nons uit den bedekten weg geborgen alle kanons worden niet arms tegelyk gebruikt en de Artilleristen moeten in dus de wapenplaatsen zoo daanig verdeeld worden als het getal toelaat ezwaa= dit ravelyn diend voor= naamlyk den bedekten veg in de gragt te defen= deeren, het glacis moet met het geschut uit den bedekte weg en van de kapitaale wal gedefen= deerd worden. na binnen gebragt te worden en de ongemonteerde Embrasseuren dienen de vyand zoo ver is, dat blind opgevuld te worden, want zoodraa den vyand zig op de een of ander plaats van de bedekte weg meester gemaakt heeft, zo zullen de veelheid der kanons ons zelfs tot nadeel sieken, terwyl wy als reets gezegt is geen genoegzaamen Aothilleristen hebben om de kanons na behooren te kunnen bedienen In ieder plaats d'arms diend een lage barakke gebouwd te worden, die egter niet boven de glassie uitkykt, om daar onder het kruit en de noodige Ammonietsie voor den reegen en zwaare dauw te kunnen bergen. 3 Ook is ons in het ooggevallen buiten de bompoort in 't Ravelyn, dat de geheele face aan de landzyde te laag is, zoo dat men met het kanon niet over den bedekteweg kankeenstryken dus noodig oordeelen, dat zulx na behooren diend verbeeterd te worden Het de = dee= zal zy Dit zal geschieden 4. Het plein buiten de vestingswerken diend en is noodzaakelyk van alle Bos schaagies huisen en geboomte gesuiverd te worden, dat is van de Burg van Mattenchery tot aan de Thuin van de Weledele Heer Gouverneur zo mooglyk tot op 150: roeden van de kapitaale wal om daar door den vyand zoo veel mooglyk van onze vesting werke te doen verwyderen en terug houden 5 Wy onderstellen zoo een vyand komt te onderneemen koetsiem te attaque ren en te beleegeren, zo vinden wy het Eiland Baipin als een dangereuse plaats voor onze vesting, alwaar de vyand zeer gemakkelyk zyne Batterype agter de Roomsche kerk en de verder gemetzelde huisen kan opwerpen en daar uit met kanons en bomben on ze vesting zeer groote nadeel kan toe„ brengen, zoo oordeelen wy na onze gering kennis dat de Roomsche kerk de huisv en Thuinen en Bosschaagies tot op 68: roeden zai De rivier is hier 90 roeden breed en van het strand tot aan de kerk 68. roeden, dus kunnen de kerk en huisen voor eerst staan blyven, doch de bosschen moeten ten eer= sten weggekapt worden land M: Do me we„
English
567 This consideration is well-founded. landward from one corner to the other, it very urgently needs to be demolished, so that one can better observe the enemy's undertakings and counteract him therein. But the poor inhabitants will have to suffer very much damage through the demolition of their houses and gardens; the demolition of the Roman Catholic church will likewise cause great displeasure, as well among the Company's servants as other inhabitants, and thereby they could very easily forget and lose sight of their duty of loyalty. Therefore we leave this to the usual benevolence and consideration of Your Right Honourable Great Reverence's benevolent reflection, as to whether it may remain postponed until such time as one first has firm certainty of the enemy's approach. One shall demand 25000 lb of powder from Ceilon, and if needless shooting is avoided in the beginning, the supply can last a long time. 6. We have also repaired to the powder magazines and Arsenal, and visually inspected the powder, cartridges, and further ammunition. According to the statements of the Commandant of Artillery Heupner, there is actually present here in powder 119900 lb, and in live cartridges 42500 bundles; but the shortness of time has not permitted us to test the same to see if everything is in good and proper order. Therefore we request Your Right Honourable Great Reverence, if deemed necessary, to have the aforementioned quantity further examined and tested, and in that case be pleased to appoint a further Commission for that purpose. 7. For a proper and well-regulated garrison that can serve for a vigorous defense, we judge that in a siege of six months, 300000 pounds of powder with the ammunition required for it are necessary, for it is always better to be provided with somewhat more than too little. 568 One shall demand five hundred men from Ceilon and recruit as many Natives as can be obtained from among those who have already served in the English war. 8. But in these circumstances in which we presently find ourselves, having no stronger garrison than 392 Europeans, 765 Native Troops, 57 Europeans and 116 Native Artillerymen, which together amounts to 1330 heads, among whom are very many sick, old, and infirm people who will not endure the fatigues for eight days, so that with our present garrison we cannot withstand a protracted siege; thus we judge the supply of powder, ammunition, and live cartridges under these present circumstances and for the present garrison to be sufficient. 9. The muskets, cutlasses, cannonballs, flints, and further supplies which are present in the armory, we likewise judge to be sufficient for the present garrison, provided that the Master sees that everything is maintained in a good condition. Rice and paddy are being brought in; sugar and pepper are in the trade warehouse; cattle and pigs are being bought up. 10. Beams, planks, chevaux-de-frise, gabions, fascines, picket stakes, and sandbags must all be prepared in as great a quantity as is ever possible, in order to properly plug the breaches made by the enemy; also axes, hammers, pickaxes, and entrenching tools must be in stock. Beams and planks shall be hauled inside; thirty chevaux-de-frise are in the warehouse and one shall have another twenty made, as well as fascines; gunnies for sandbags are in stock. 11. The remainder of provisions present in the Dispensary, according to the signed statement of the Dispenser van Haefften, we likewise judge to be sufficient, except for Rice, Paddy, Vinegar, pepper, sugar, cattle—if they can be obtained—pigs, and poultry for the sick, of which a greater quantity must be purchased. For this the 2nd Chief Administrator shall provide. 12. Since the soldiers and Sailors are so accustomed to Tobacco both for smoking and chewing, it will be necessary that a good supply of this herb be purchased and stored, in case one might not be able to obtain it in time of siege. 569 This shall be cut on Vypin and the plain and brought inside. 13. For the necessary firewood, both for the hospital and for other Company servants, care must also be taken that a good supply thereof is in the City. Care shall be taken according to the statement. 14. As regards Surgery and the Medicines and dressing materials, the Chief Surgeon himself shall have to submit a statement of the requirements thereof to Your Right Honourable Great Reverence. 15. We have found the Ten powder cellars under the Main rampart to be very damp, so that the powder which must necessarily be stored therein in time of Siege is subject to great spoilage. As to Article 8. 16. The highest and most necessary requirements to withstand and counteract a vigorous siege are Troops and Artillerymen; thus we judge it necessary, in order properly to defend our extensive works, to have 3000 infantrymen and 250 Artillerymen; thus, after deducting the Troops we have in garrison, there will still be lacking 1843 Infantrymen and 77 Artillerymen. Herewith we hope to have fulfilled the high and esteemed intention of Your Right Honourable Great Reverence. We furthermore have the Honour to be, with all due Respect and Esteem, (below stood) Most Noble, Great, Honourable, Far-Commanding Sir! Your Right Honourable Great Reverence's very obedient and humble Servants, (was signed) G. G. Gebhardt, I. B. Weynsheymer, I. G. V. Koek, H. C. Heupner, and I. F. Andra. (in the margin) Cochin, the 18th of December 1789. After examination of the list of medicines and further necessities of the hospital submitted by the Chief Surgeon of the Hospital, Daniel Van Der Sloot,
Dutch transcription
567 Deeze konsideraatsie is wel gegrondt landwaards in van de eene hoek tot de anderen zeer noodzaaklyk diend afge„ brooken te worden, opdat men des vy¬ =ands onderneeming deste beeter kan opserveeren en hem daar in teegen gaan Doch de arme ingezeetenen zullen door het afbreeken hunner huisen en Thuinen zeer veel schade moeten lijden; het af breeken der Roomsche kerk zal mede een groot misnoegen veroorzaaken, zoo wel onder de kompagnies Dienaaren als verdere ingezeetenen en daar door haar pligt van getrouwheid zeer ge= makkelyk kunnen vergeeten en uit het oog stellen, Dierhalven laaten wy zulx aan de gewoonlyke mensch =lievendheid en consideratie van uweEed: Gestr: Gr: Achtb: goedgunstige beden= king over of het kan uitgesteld blyven tot zo lange dat men eerst vaste verzeekering heeft van svyands aan„ nadering Men zal 25000: lb kruit 6 Teffens hebben wy ons in de kruithuisen van. en van Ceilon eischen als het noodeloose schieten in 't begin gemeid word zoo kan de voorraad lange strekken en Arsenaal vervoegd en het kruit, van pattroonen en verdere ammonietsie op het oog nagezien, volgens opgaaven van den Commandant der Arthillery Heujner zo bevind zig hier aankruit in waaren weezen 119900: - lb en aan scherpe pattroo= nen 42500: bossen, doch de kortheid van tyd heeft ons niet gepermitteerd om het zelve te probeeren, of het alles goed en wel is dierhalven verzoeken wy uweled Gestr: Gr. Achtb: zulx noodig oordeeld voorm: somme nader te laaten examineeren en probeeren als dan daartoe een nadere Commissie gelieven aan te stellen 7. Voor een behoorlyk en welgereguleerde guarnisoen dat tot een vrgoreuse defensie kan diener oordeelen wig in eene beleegering van zes maanden 300000: pond kruit met de daartoe vereischte ammonietsie noodig te zyn want het is altoos beeter van wat meer dan te min voorzien tezyn. 17 hie Doch zy M Za de de weg 568 Men zal vyfhonderd man van Ceilon eischen en zoo veel Inlanders aan zyn van de geenen die reets in den Engelschen oorlog gediend hebben. werven als te bekomen 8. Doch in deeze omstandigheeden waar in wy ons thans bevinden en geen ster= ker guarnisoen hebben dan 392 Europee= =schen 765: Inlandsche Troupes, 57: Europees =sen en 116: Inlandsche Arthilleristen dat te zaamen uitmaakt 1330: koppen, waar onder zeer veele zieken, oude en gebrek= =kelyke menschen zyn, die de fatiges geen agt dagen zullen goedmaaken, zo dat wy ons tegenswoordige guarnisoen geen langduurige beleegering kunnen uitstaan, dus oordeelen wy den voor= =raad van kruit, ammonietsie scherpe pattroonen in deezen tyds omstandig heeden en voor het teegenswoordige guarnisoen genoegzaam te zijn 9. De geweeren, Houwers, kogels, vuurstee= =nen en verdere voorraad, doch zich in de wapenkamer bevind, oordeelen wij meede voor het teegenswoordige guarnisoen genoegzaam tezyn, mits- dat de Baas alles in een goede staat doet onderhouden. Balken van en ri Ryst en neli word aan hier voor zal de 2. Hoofd be administrateur zorgen. 3. Balken en planken zal men laaten binnen sleepen, dertig spaansche ruiters zyn in het magazyn en men zal noch twintig laaten aan maaken als mede faschienen goenis voorzandsakken zyn in voorraad gebragt sucker en peper is in het negootsie pakhuis koebeesten en varkens wor= den opgekocht 10: Balken, planken, spaansche Ruiters Schanskorven, fachienen, Piketpaalen sandzakken dient alles in zo een menig= te aangemaakt te worden, als immer mogelyk is, om de door den vyand gemaakte bressen naar behooren te kunnen stoppen, ook dienen beylen hamers pikansen Inchiaduze en voor raad te zyn 11. De restant van provisie, die zig in de Dispens bevind volgens geteekende opgaa„ ven van den Dispencier van Haefften oordeelen wy mede genoegzaam te zyn excepto Ryst, Nely, Azyn, peper, zui= =ker, koebeesten, als die te krygen zyn varkens en pluimire voor de zieken diend een meerderheid daarvan in= gekocht te worden. 12. Terwyl de soldaaten en Matroosen aan den Tabak zo voor rooken en pruuimen gewend zyn, zo zal het nodig zyn dat van dit kruit een goede voorraad word ingekocht en opgelegt, in dien men het in tyd van beleegering niet zal N Za de w7 369 de vlakte gekapt en binnen gebragt worden zal volgens opgaave gezorgd worden als op Aot: 8 Dit zal op Baipin en zal kunnen krygen. 13. Voor het benodigde brandhout zo voor het hospitaal als verder kompagnies Dienaaren diend mede gezorgt te worden dat daarvan een goede voorraad in de Stad is 14. Wat de Chirurgie en de Medicijne en verband goederen aangaat daarvan zal den Oppermeester zelfs van des benoodigdheeden eene opgaave aan uweled: Gestr: gr: Achtb: moeten in= „dienen 15. De Thien kruitkelders onder de Hoofd= „wal hebben wy zeer vogtig gevonden zoodat het kruit dat in tyd van Beleegering noodzaaklyk daar in diend geborgen te worden, groot bederf onderheevig is. 16. De hoogste en allernoodzaaklykste benoodigdheeden om eene vigoreuse be= =leegering uit te staan en te kunnen teegengaan zyn Troupes en Arthille =risten, dus oordeelen wy noodig te zyn onze ers Een g= zyn en men onze uitgestrekte werken na behoo= ven te defendeeren 3000: man Infante= =rij en 250: Arthilleristen, dus zullen na aftrek van de Troupes, die wy in quar= =nisoen hebben nog mankeeren 1843: man Infanterij & 77: Arthille= =risten Hiermeede verhoopen wy aan de Hooge g'eerde intentie van uweled: Gestr: Gr. Achtb: voldaan te hebben. - Wij hebben voorts de Eere met alle verschuldigde Eerbied en Hoogachting te zyn /:onderstond) Weledele Gestr: Gr: Achtbaare Wydgebiedende Heer! uweled: Gestr: gr: Achtb: zeer ge= hoorzaame en onderdaanige Dienaaren /:was getekend:/ G. G: Gebhardt, I B Weyns heymer, I: G: V: Koek, H: C: Heupner & I: F Andra /:in margine/ koetsiem den 18 December 1789. Na examinaatsie van de door den Opper Chirurgus van het Hospitaal Daniel Van Der Sloot, ingediende lyst van medikamenten en verdere behoeften van het
English
570 for the hospital in case of a siege, it has been approved and agreed, the same appearing very reasonable, to approve these hereby and to grant qualification for the purchase, as well as to insert the same here: List of medications and other necessities to serve for a siege, as follows: 500 lb of lint 200 pieces of Malabar linen 200 jugs of arak 50 jugs of Dutch vinegar 16 jugs of olive oil 20 jugs of honey 100 lb of saltpeter 50 lb of pitch 50 lb of Dutch rosin 50 lb of raw wax 10 lb of sal ammoniac 10 lb of vitriol of Cyprus 50 lb of gum camphor 100 lb of sugar for syrup, etc. 4 lb of sponges 100 pairs of splints 10 pairs of leg boxes 10 pairs of crutches 10 pieces of night tubs and benches 50 pieces of hammocks 6 dressing drawers 4 quires of cartridge paper 100 pieces of blankets 4 pewter chamber pots 2 copper pans Cochin, 19 December 1789 / was signed: / Dan. v. Dersloot. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar at the city of Cochin, on the day, month, and year aforesaid / was signed: / H. G. van Angelbeek, I. L. van Wall, G. G. Gebhardt, J. W. H. van Ropun, J. A. Cellarius, W. van Haaften, A.s Lunel, and J. H. Eversdick. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. 571 Public Notice On behalf of the High Authority, the good residents are hereby warned: That these lower lands are threatened with a war, the consequences of which cannot be foreseen or predetermined, and therefore the opportunity is offered to the wives of qualified persons to depart for Colombo on the vessel specially chartered for this purpose from Mr. Louvero, upon which Mr. le Moine is placed as captain, provided they provide themselves with the necessary provisions for the voyage; and that the women who cannot depart on it due to lack of space will do well to proceed for the present to Quilon, where attempts will be made to procure them further shipping opportunities to Ceylon. That all persons, both men and women, who by virtue of the well-known edict of 24 August 1784 are not permitted to reside in the city, must withdraw from the same within three times twenty-four hours, or otherwise will be expelled therefrom. That all those who are permitted to reside in the city No. 19. Inspected and wish to remain therein, will have to provide themselves, for their persons, wives, children, and above all also for their male and female slaves, within the span of eight days, with the necessary provisions and especially with rice for the duration of six months, which supply must be duly shown to the ward masters, who to that end will inspect all houses eight days from today; and that those who remain negligent in this regard, if they are not Company servants, will be expelled from the city, and if they are Company servants, will be compelled to dispose of unnecessary male and female slaves, counting for each person one Company parra of rice or two parras of paddy. Cochin, the nineteenth of December, seventeen hundred and eighty-nine / undersigned / By order of the honorable, valiant, highly esteemed Lord Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Coast of Malabar, together with the Council / was signed / Arnoldus Lunel, Secretary. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. No. 20. 572 Respected Captain-Commandant, Your Honor will likely wish to have some news of the pastime we have had these past days. On the morning of 29 December 1789, Tipu's army attacked our very last bastion, Tjerapoetoemala-kotta. His troops did not fire a single shot and made not the slightest sound, but came as quietly as possible, with the help of the dense wilderness, with infantry and horses close to our battery, with a multitude of bags filled with cotton, which in the span of two or three minutes they threw into the ditch in front of the lines, secured with pickets, and covered with earth, as this figure shows: Wilderness Battery on a high mountain, without a ditch Cotton bags covered with earth Tjerapoetoemale On account of the wild animals at this place, there formerly was a small picket here to keep a continuous fire, but no one had the least suspicion that Tipu would invade over such a high mountain. The enemy's first attack caused our troops to retreat, except for one Nair artilleryman, an old servant of the king, a brave soldier who, for the preservation of a thousand of our people, in haste and in the short time he had, fired off all three cannons that were on the battery and filled them with sand and stones; for this, he was captured and mercilessly put to death by the enemy. Then the enemies advanced and, from ten to 2 o'clock, captured three batteries of our line up to a hundred paces from Melur. Now our men had no more ammunition, but fortunately our battalions came to our aid, although /: because the line is narrow :/ they could not attack in the front, but fired from the woods into the flanks of the enemies, as the drawing here indicates: Melur The first fire from our battalions was beyond all expectation of the enemies, who thereupon began to
Dutch transcription
570 het Hospitaal in val van beleegering is goed gevonden en verstaan dezelve als zeer maatig voorkoomende, by deezen te appro beeren en tot den inkoop qualifikaatsie te verleenen, mitsgaders dezelve hier te insereeren Lyst der medikamenten en verdere benoodigdheeden tot een beleegering te dienen als 500 lb: pluksels 200 p:s malab: linnen 200: kannen Arak 50 — Azyn Holl:s. 16: d=o oly: olie 20: d=o honing 100: lb salpeter 50: „ Puik 50: „ Harpuis Holl=s 50: „ ruw wax 10: „ sal armonias: 10: „ vitreol: de Cipri 50 „ Gum Campher 100: „ zuiker tot Suroop &=a 4: „ Spongia 100: pas spalken den 10 p=te been laaden 10: „ krukken 10 p:s nagt balie en banken 50: „ koojen 6 „ verband schuyflaatjes 4. boeken Cardoespapier 100 p=s kombaarsen 4. „ tinne gangbekken 2. „ kopere pannen Koetsiem den 19 December 1789 / was getekend:/ Dan: VDersloot. Aldus gedaan geresolveerd en gearreste in Raade van Malabaar ter steede kon siem, ten dage maand en jaare voormeld /was getekend:/ H G Van Angelbeek, IL van Wall: G G Gebhardt J W H Van Ropun J A Cellarius W Van Haaften A:s Lunc en J: H: Eversdick Akkordeerd. Arnold Lunel sekret: 571 Tekenamaaking Van wegen de Hooge overigheid worden, de Goede Jngezeetenen bij deezen gewaarschuid Dat deeze beneeden landen met een oorlog gedreigd worden waar van men de gevolgen niet kan voorzien of voor int bestemmen en derhalven aan de vrouwen van de gequalificeerde Perzoonen geleegenheid word aangebooden, om met het daar toe expres ingehuurde vaartuig van den Heer Louvero waarop de Heer le Moine als kapitain geplaatst word, naar kolombos te vertrekken, mits op de reijze zich zelve van de noodige Mondkost voorziende en dat de vrouwen die daar„ „mede door gebrek aan ruim te niet kunnen vertrekken, wel zullen doen zich voor eerst naar koilang te begeeven, waar men trachten zal haarl: verdere scheepsgeleegenheid naar Ceilon te bezorgen. Dat alle Perzoonen zoo Mans als vrouwen, die uit hoofde van het bekende plakkaat van den 24. Aug=s 1784 niet in de stad woonen mogen, zich binnen drie maal vier en twintig uuren uit dezelve moeten retireeren, of anders uit dezelve gezet zullen worden Dat alle de geenen die in de stad woonen mogen en N„o 19. Nagezien en daar in blijven willen, zich voor hunne perzoonen, vrouwen kinderen, en voor al ook voor hunne slaaven en slaavinnen, binnen den tijd van agt dagen zullen moeten voorzien, van de noodige provisien en vooral van ryst voorden tijd van ses maanden, welke voorraad van wijk meesteren, die tot dat einde heeden over agt dagen alle huizen visiteeren zullen, behoorlijk vertoond moet werden en dat de geene die hier omtrend nalaatig blijven, wanneer het geene komp=s Dienaaren zijn, uit de stad gezet, en wanneer het komp: dienaaren zijn genoodzaak zullen worden zich van noodelooze slaaven en slaavinnen te ontdoen, zullende voor ieder kop een komp=s parra rijst of twee parras Neli gereekend worden. koetsiem den negentiende December een duizend zeeven honderd negen en tachentig /onderstond/ Ter ordonn van den weled, gestr, groot achb Heer Iohan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlandt Jndie, Goeverneu en Direkteur ter kuste Mallabaar neevens der Raad /was geteekend/ Arnoldus Lunel Sekretaris. Leeuwen Akkordeerd Arnold Lunel Sekaet: N„o 20. 572 Gerespecteerde Heer Kapitain Kommandant uw Ed: zal wel winschen eenige tijding te hebben van het tijd verdrijf dat wij deezer dagen gehad hebben Den 29=en xber: 1789. 's morgens heeft de Armé van Tipoe onse aller laaste Bastion Tjerapoetoe„ „mala-kotta geattakeerd, zijn volk deed geen enhel„ „den schoot en maakte geen 't minste gerucht, maar quam zoo stil als moogelijk door behulp van de digte wildernis met voetvolk en paarden digt bij onze batterij, met een meenigte sakken met katoen die ze in den tijd van twee of drie minuten in de gragt voor de linie smeeten met pikets vast maakten en met aarde overdekten, gelijk dee„ „ze Figur uitwijst Wildernis Baterij op een hooge 75 berg, zonder gragt daen 1 orb Ae. 17 katoen zakken Tjerapoetoemale met aerde overdekt Om de wille der wilde Dieren op deeze plaats was hier voor deezen een klijn piket, om geduu„ „rig vuur te hebben, maar niemand had het Rakettes „„ minste minste vermoeden dat Tipoe over zoo een hoogen berg zoude invallen. De eerste aanval van den vijand heeft onze troepen doen retireeren behalve een Nairose Artillerist een oude dienaar van den koning een braave soldaat die tot behoud van duizend van ons volk in der haast en in den kor „ten tijd die hij gehad heeft alle drie kan ons die op de Batterij waaren los geschooten en dezelven met zand en steenen gevuld heeft, hierover wierd h gevangen en door de vijanden ongenadig om halv gebragt. Toen avanceerden de vijanden en hebben van tien tot 2 uuren, drie Baterijen van onze Linie ver„ „meesterd tot op honderd stappen van Maloek Nu had ons volk geen Ammonietsie meer, maa tot geluk quaamen onse Battaljons te hulpe, doch houden /: om dat de linie smal is:/ niet in 't front attaqueeren, maar gaven uit de bosschen vuur op de flanken van de vijanden, gelijk de teekening hier aanwijst Maloer den 1 raer. 173 op o a4r A a 2 Het eerste vuur van onse Battaljons was buiten alle verwachting van de vijanden, die daarop beg ten
English
to shout: Malabar, Pattalamahé maiy Jato: here one should have seen the despair of the enemies, who according to the rules could not retreat, but immediately looked for the way by which they had entered, their own horses trampled them to death, and before they came to the place of the kapok bags, these and also some powder barrels caught fire. One of our cannons which the enemies had taken they wanted to fire at us, but it burst and thereby many of their people were killed. Now our Battalions advanced one after the other upon the enemies and fired along the entire Line from Maloer up to Tjerapoetoemale, in such a manner that the enemies became desperate and were finally forced to jump over the ramparts. In some places where the ditch is deep, 20 to 25 heads lay upon one another. Those who did not surrender and lay unharmed in the ditch were shot dead from the Battery. Here the loss of Tipoe is estimated at more than a thousand heads, and ours at about 250 killed and fifty wounded. The prisoners of Tipoe have declared that the Corps of Tipoe in this action was sixteen thousand heads strong and provided with Artillery, which on account of the heavy mountains and thickets could not be brought further. The camp of Tipoe lies at present two hours from Tjerapoetoemale. His son-in-law was also killed in this attack. Tipoe was riding a white horse, but when it was shot dead, he mounted a red horse, and sjambokked his people to advance, but this horse also fell dead. He himself is wounded in his back with an arrow. The son-in-law of Tipoe was killed during the retreat from our Battery, and outside the Battery there also lay a very distinguished officer finely adorned with gold arm rings on both arms, but the people of Tipoe had carried off his head, yet the shape of the Body is exactly as Prisoners describe him (the Nabob's son-in-law), and what reason would they otherwise have to carry off the head. Three fine and richly equipped Horses and two generals were also killed in this battle. The Prisoners say that Tipoe had lost many esteemed Personages in this attack. Underneath stood: Your Honour's Servant. No 21. 574 Note kept by the undersigned Interpreter, concerning the message delivered by the Agent of the king of Travancore named Kaliga Mallen. On the 19th of March, Friday morning, the above-mentioned Agent came to the Noble Lord Governor and informed His Right Honourable that the people of Tipoe Sultan, who are stationed in the erected Battery opposite the line, and daily shoot at the line morning and evening, had on the 16th of this month, Tuesday evening at about 8 o'clock, attacked the line with about three thousand heads and stormed it fiercely, but were finally forced to retreat with a loss of over four hundred heads, and that in that attack thirty or forty Travancore soldiers had been wounded. And that Lieutenant von Krause, with the Company's Artillerymen who were recently sent thither, had contributed much to that victory by a skilful and proper service of the cannon, and was therefore appointed by the king as captain commandant of the Artillerymen, with a monthly gratuity of three hundred rupees. Cochin the 19th of March 1790. Was signed: J: M: Gruijens. Agrees. Arnold Lunel. Secretary. 575 Draft letter written by the Right Honourable Lord Governor, Johan Gerard van Angelbeek, to the king of Cochin the 1st of April 1790: — I have received a report from Lieutenant von Krause, who commands our Artillerymen in the Travancore Lines, that the enemy has heavily damaged the line, and therefore I am apprehensive that the enemy might break through there, wherefore I now send the Company's merchant Ephraim Cohen to Your Highness to request Your Highness most expressly in my name to assemble all troops immediately and send them hither, in order that, if the enemy should break through and penetrate up to here, to be able to protect the Jewish Town, Mattancherry and the Nagorijs of the Canarins and Banyans and all other Inhabitants here, and furthermore also to assemble a large party of Kurumbas and other Natives with Inchiados and other entrenching tools, in order to erect batteries and entrenchments wherever it shall be deemed necessary. I simultaneously request Your Highness to come hither at once to consult about the defence of these places and to arrange what is necessary, or else to send one of Your Highness's most trusted Ministers hither for that purpose, for here is no time to lose and the preservation of the aforesaid Jewish town and Mattancherry together with Your Highness's palace depends on a prompt resolution. May God Preserve Your Highness. Underneath stood: Thus translated by me into Malabar, Cochin, date as above. Was signed: J: M: Gruijens, Sworn Translator. Agrees. First Clerk H: H: Schacht. 576 Translation of an ola written by the king of Cochin to the Right Honourable, Severe and Right Esteemed Lord Governor, Johan Gerard van Angelbeek, received the 2nd of April, 1790: We have received Your Right Honourable Severe Right Esteemed's letter and understood its contents, by which we saw that Your Right Honourable Severe Right Esteemed had received a letter from Commander von Krause, concerning the condition of the Travancore Lines, and that therefore the time had now approached that one should consult for the proper defence: we must tell Your Right Honourable Severe Right Esteemed that at present there is no danger at the said Lines, and if it comes to that, we shall not fail to inform Your Right Honourable Severe Right Esteemed thereof at once. No 23.
Dutch transcription
573 „ten te schreeuwen /: Mallabaar, Pattaalamahé maij Jato:/ hier moest men gezien hebben de disperaatsie van de vijanden, die volgens de regels niet retireeren kosten, maar onmiddelijk naar den weg zogten waar ze ingekomen waaren, hunne eigene Paar„ „den hebben hen dood getrapt, en eer dat ze op de plaats van de kapok sakken quamen, raakten dezelven en ook eenige kruitvaatjes in brand. Een van onse kanons die de vijanden genomen hadden wilden ze op ons losbranden, maar hetzelve sprong en daar door raakte veel volk van henl: om hals. Nu avanceerden onse Battaljons achter den an„ „deren op de vijanden en vuurden de heele Lini van Maloer of tot Tjerapoetoemale, zodanig, dat de vijanden disperaat en eindelijk genoodzaakt wierden over de wallen af te springen. op sommige plaatsen daar de gragt diep is lagen 20 tot 25. koppen op malkander. Die zich niet gevangen gaver en in de gragt onbeschadigt lager wierden van de Baterij dood geschooten. Hier word het verlies van Tipoe gereekend op meer dan duizend koppen, en van ons omtrend op 250 gesneuvelden en vijftig geblesseerden. De gevangenen van Sipoe hebben verklaard, dat het Corps van Tipoe in deeze aksie sestien„ „duizend koppen sterk en van Artillerij voorzien geweest was, die wegens de zwaare bergen en bosschasies bosschasies niet verder had kunnen gebragt worden. Het hamp van Tipoe ligt thans twee uuren van Tjerapoetoemale. zijn Schoonzoon is in deeze attaque mede gemelk Tipoe zat op een wit paard maar toen hetzelve doodgeschooten werd, klom hij op een rood paard, en sjanbokte zijn volk om te avanceeren, maar dit paard viel ook doot. Hij zelf is met een pijl op zijn rugge gequetst. De schoonzoon van Tipoe is bij de retraite van onse Batterij gesneuveld, en buiten de Baterij lag ook een zeer voornaame officier fraaij uitgedost met goude armringen aan de bijde armen, doch zijn kop had het volk van Tipe weggebragt, maar de gedaante van het Lichaam is juist zodanig als Gevangenen hem (s Nababs schoonzoon) beschrijven, en wat reeden hadden ze anders de kop weg te brengen. Drie fraaije en rijk uitgedoste Paarden en twee generaals zijn meede in deezen slag gesneuveld De Gevangenen zeggen dat Tipoe veele gees„ „timeerde Personasies in deezen attaque verloo„ „ren had. /:onderstond:/ uwEd: Dienaar. N„o 21. 574 Aanteekening gehouden door den ondergeteekende Jolk, nogo in de gedaane boodschap van den Agent van den koning van Grevankoor in naame Kaliga Mallen. Den 19e Maart, Vrijdag, 'smorgens quam bo¬ „vengemelde Agent bij den Edelen Heer Goever„ „neur en maakte zijn weledelen Groot achtbaa„ „ren bekend, dat het volk van Jipoe sultan het welk in de opgeworpene Batterij tegen over de linie ligt, en dagelijx 'smorgens en 's avonds de linie beschiet, op den 16=e deezer dingsdag 's avonds om 8: – uur met omtrend drie duizend koppen de linie aangevallen en heevig gestormd had, doch eindelijk genood„ „zaakt was, met een verlies van ruim vierhon„ „derd koppen te retireeren, en dat bij die attacque dertig of veertig prevankoorsche soldaaten geblesseerd waaren geworden En dat de Luitenant von krause, met den 's komp=s Artilleristen die Jongst n Jongst dat heen gezonden waaren veel tot die over„ „winning had gekontribueerd door een vaardige en geschikte bediening van het kanon, en daarom door den koning tot kapitain kommandant van den Artilleristen aangesteld was, met een maandelijx douceur van drie honderd ropijen. Koetsiem den 19=e Maart 1790: /:was geteekend: J: M: Gruijem. Akkopdee ad. Arnold Lunel. Sekret. s 575 Koncept brief door den wol„ „edelen Groot Achtb: Heer Goe„ „verneur, Johan Gerard van Angelbeek, geschree¬ „ven aan den koning van Koetsiem den 1en. April 1790: — Jk hebben van den Luitenant von krause die onze Artilleristen in de Grevankoorsche Linie kommandeerd bericht ontvangen, dat de vijand de linie zwaar beschaadigd heeft, en daarom ben ik beducht dat de vijand mo„ „gelijk daar doorbreeken zal weshalven ik 's komp=s koopman Ephraim Cohen thans aan uw Hoogheid zende om uw Hoogheid uit mijnen naam op het uitdruklijkste te verzoeken, alle troepen ten eersten ten ver„ „zaamelen en herwaards te zenden, om indien den vijand doorbreeken en tot hier indringen mogt, de Joode Stad, Matteriseeri en de Na„ „gorijs van de hannarijns en Benjaans en alle andere Jnwooners alhier te kunnen beschermen, en voorts ook om een groote partij N„o. 22. Rorumbis korumbis en andere Jnlanders met Jnchiados en andere schans-gereedschappen te verzaame„ „len, ten einde batterijen en retranchementen op te werpen waar het noodig geoordeeld zal worden. Jk verzoeke teffens uw Hoogheid ten eer„ „sten herwaards te koomen om over de defen„ „sie van deeze plaatsen te raadpleegen en het noodige te bezaamen, dan wel een van uw Hoogheids vertrouwdste Ministers daar toe hier te zenden, doch hier valk geen tijd te verliezen en het behoud van voorschr: Jooden„ stad en Mattenseeri mitsgaders van uw Hoog„ „heids palais hangt af van een prompte resoluutsie. God Bewaare uwe Hoogheid (:onderstond:) zoodanig door mij in het Mallabaars overge¬ „zet koetsion dato als vooren /:was geteekend:/ J: M: Gruijens, G: Jransl: Akkordeerd. Egklerk H: H. Schachl T 576 Translaat ola door den koning van Koetsian geschree„ „ven Aan den weledelen Ge„ „strengen Groot Achtbaar en Heer Goeverneur, Johan Gerard van Angelbeek, ontvangen den 2=e April, 1740: Wij hebben uwweledele Gestr: Groot achtb: brief ontvangen en dies inhoud verstaan waar bij wij zagen dat uw weled: Gestr: Groot achtb: een brief van den kommandant van Krause had ontvangen, wegens den toestand van den fra„ „vankoorsche Linie, en dat derhalven thans de tijd was genaderd, dat men raadploegen moest tot de behoorlijke defensie: wij moeten uw weledele Gestrenge Groot Achtb: zeggen, dat thans geen noodaan gemelde Linie is, en als het zoo verkomt zoo zullen wij niet nalaaten ten eersten daar van uw weled: Gestr: Groot achtb: kennis te geeven. No 23. Het. 81
English
It was very pleasing and agreeable to us to understand from the letter of the Right Honourable, Most Worshipful and the verbal report of Ephraim Cohen, His Honour's very good intention regarding the preservation and defense of our realm; we have already spoken about all these precautions during the last conference with the Right Honourable, Most Worshipful. We have firmly resolved, upon the first warning that there is difficulty at the Lines, to march with our troops towards Koetsiem, and to consult with the Right Honourable, Most Worshipful on what is necessary for defense; we have no other place of refuge than Koetsiem, and since the fortress is situated there, and we have been protected by the Company for so many years, we therefore hope that the Company and the Right Honourable, Most Worshipful will now also assist us, so that we shall not be overwhelmed by the enemy. 577 57 377 and the Right Honourable, Most Worshipful may well understand that we shall leave nothing untried in contributing everything that might be necessary for the reinforcement of that place; and for the rest, we have charged Ephraim Cohen with what is necessary to convey verbally to the Right Honourable, Most Worshipful; as soon as we should receive any further news from the Lines, we shall not fail continuously to make it known to the Right Honourable, Most Worshipful. Signed by His Highness. Below was written: For the translation. Koetsiem, date as above. Was signed: J: M: Gruijens, Government Translator. Agrees H. Schachl Sworn Clerk ie 578 No 24. Secret Resolution taken in the Council of Malabar in the city of Koetsiem on Saturday the 17th of April 1790. Forenoon Present The Right Honourable, Most Worshipful Lord Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek. The Honourable Acting Chief Administrator Jan Lambertus van Spall The Honourable Acting Major and Head of the Militia Godlieb George Gebhardt The Honourable Merchant, Fiscal and Cashier Mr. Joh: W: Hendr: Van Rossum The Honourable Junior Merchant and Warehouse Keeper Johan Adam Cellarius The Honourable Junior Merchant and Provision Master Willem van Haaften The Honourable Secretary of Police Arnoldus Lunelen The Honourable Acting Pay-Bookkeeper Jacobus Adrianus Eversdijk Absent The Honourable Junior Merchant Adriaan Poolvliet due to indisposition. In this specially convened meeting, it was made known by the Lord Governor to the Honourable Members that His Honour already at the end of the month of March, from the reports of the hostile operations against the Lines of Trevankoor, had concluded that the Nabab would finally become master of the same, after which the whole country would lie open to him, and that in such an event the suburbs of Mattenseeri, the Jewish Town, the Canarese Bazaar, and the Pagodinkes ran the greatest danger of being attacked, plundered, and burned by the marauding bands of Tippo Sultan, and therefore already on the first of this month had caused the King of Koetsiem at Triponterre to be admonished by a letter, and likewise for greater urgency, verbally through the Company's merchant, the Jew Ephraim Cohen, to gather his troops immediately for the defense of the aforesaid suburbs, and likewise to collect a party of Corrumbies or peasants, with entrenching tools, in order to throw up the necessary entrenchments and batteries for that purpose, and furthermore to come hither in person or to send his ministers to consult on 579 this matter, adding that there was no time to lose, and that the preservation of the aforesaid suburbs and also of His Highness's Palace depended on a prompt resolution. That the King, by letter of the 2nd of this month, had replied thereto that the Lines were in no danger, and that if it should come to that, he would immediately march with his troops to Koetsiem and consult. That the said King, upon the first news of the capture of the Lines on the 15th of this month, had arrived at his Palace during the night, and the following morning, being yesterday, had sent through the interpreter Truijens a plan of defense to throw up twelve or fourteen batteries from the town up to the corner of Bendoertje, and from there to the sea, to palisade and connect them with ramparts, as well as to man them with ordnance and artillerymen, and furthermore to station four or five armed vessels in the river to prevent the crossing and landing; which papers, being subsequently read aloud, were found to read as follows. Draft letter written by the Right Honourable, Most Worshipful Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Koetsiem on the 1st of April 1790. I have received a report from Lieutenant von Krause, who commands our artillerymen in the Trevancore Lines, that the enemy has severely damaged the Lines, and therefore I am apprehensive that the enemy may possibly break through there. Wherefore I now send the Company's Merchant Ephraim Cohen to Your Highness, in order to request Your Highness in my name in the most explicit terms to gather all troops immediately and send them hither, in order that, if the enemy should break through and penetrate up to here, to be able to protect the Jewish Town, Mattenseeri, and the villages of the Canarese and Banians and all other inhabitants here, and furthermore also to collect a large party of Korumbis and other natives with enxadas and other entrenching tools, in order to throw up batteries and entrenchments wherever it shall be deemed necessary. I likewise request Your Highness to come hither immediately to consult about the defense of these places and to determine what is necessary, or else to send one of Your Highness's most trusted ministers hither for that purpose, for here is no time to lose, and the preservation of the aforesaid Jewish Town and Mattenseeri, as well as of Your Highness's Palace, depends on a prompt resolution. God preserve Your Highness. Below was written:
Dutch transcription
Het was ons zeer lief en aangenaam geweest uit uweled: Gestr: Groot achtb: brief en mondeling rapport van Ephraim cohen, te verstaan, Hoogst dessels goede in„ „tentsie omtrend het behoud en tegenstand van ons rijk wij hebben nopens alle deeze voorzorge reets bij de laaste konferentsie met uw weled: Gestr: Groot achtb: Gesproo¬ „ken. wij hebben vast voorgenoomen, bij de eerste waarschuwing dat er zwaarigheid aan de Linie is, met onze troepen koet„ „siemwaards op te trekken, en tot defensie met uuweled: Gestr: groot achtb: het noodi„ „ge te konsulteeren wij hebben geen an„ „dere plaats tot onze toevlugt als koetsien, en vermits daar de vesting ligd, en wij door de kompenie zoo lange Jaaren beschermd zijn geworden, zoo verhoopen wij dat de kompenie en uwel„ „edele Gestrenge groot Achtb: ons phans ook assisteeren zullen, dat wij door den vijand niet zullen overrompeld wor„ „den 577 57 377 „den en uweled: Gestr: Groot achtb: kan wel begrijpen dat wij niets onbezogt zullen laaten met al 't geen tot versterking van die plaats noodig zijn mogte, te kon„ „tribueeren, en voor het overige hebben wij het noodige aan Ephraim Cohen belast om uweled: Gestr: Groot achtb: mondeling te verstaan te geeven; zoodra wij eenige nadere tijding van de Linie mogten vernee„ „men zullen wij niet nalaaten bij konti„ „nuaatsia uweled: Gestr: Groot Achtb: bekend te maaken: geteekend door zijn Hoogheid. /:onderstond:) voor de Translaatsie. koetsien dato als bo„ „ven /:was geteekend:/ J: M: Gruijens, G: Jransl: Akkordeerd H . Schachl Eyklerk ie 578 N„o 24. Sekreete Resoluutsie genoo„ „men in Raade van Mala„ baar ter Steede Koetsiem op April 1790. Saturdag den 17„e Voormiddag Pretent De Weledele Gestr: Groot achtb: Heer Raad ordinair van Nederlands Indien Gouverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek. De E. pl. Hoofadministrateur Jan Lambertus van Spall De E. pl. Majoor en Hoofd der milietsie Godlieb George Gebhardt De E. Koopman Fishaal en Kassier Mr. Joh: W: Hendr: Van Rossum De E. Onderkoopman en Pakhuismeester Johan Adam Cellanus E De E. Onderkoopman en Dispencier Willem van Haaften 6 De E. SeKretaris van Polietsie Arnoldus Lunelen De E. pl. Soldijboekhouder Jacobus Adrianus Eversdijk abzent De E. Onderkoopman Adriaan Poolvliet door indisposietsie In deeze expres belegde Vergadering werd door den Heer Gouverneur aan de E:s Leeden te Kennen gegeeven dat zijn Edele reets in het laast van de maand Maart, uit de benih„ ten /33 „ten van de vijandige operaatsien tegen de Linie van Trevankoor, had opge„ maakt, dat de Nabab van dezelve eindelijk meester worden zoude, waarna het heele land voor hem open¬ „stond, en dat in zulk een val de Voorsteeden Mattenseeri, de Jooden¬ „stad, de Kanarijnsche Bazaar en de Pagodinkes het grootst gevaar liepen, van door de stroopende Ben„ „den van Sipol Suetan overval„ „len, uitgeplunderd en vermeld te worden, en derhalven reets op den eersten deezer den Koning van Koetsiem te Triponterre bij een brief, en tevens tot meerder aandrang, door den Koopman van DE Kompe den Jood Ephraim Cohen monde¬ „ling had laaten vermaanen, zijne troepen ten eersten tot de defensie van eeven genoemde Voorsteeden te vergaderen, en tevens eene partij Korrumbies of Boeren, met Schans¬ „gereedschap te verzaamelen, om daartoe de noodige retranchementen en Batterijen opte werpen, en wijders, om in Perzoon herwaards te komen of zijne Ministers te Zenden, om over 579 over dit stuk te raadpleegen, onder bijvoeging, dat meen geen tijd te ver„ lieten had, en het behoud van meermelde voorsteeden en tevens van zijn Hoogheids Zalais van een prompte resolúútsie afhing Dat de Koning bij brief van den 2e deezer daarop geantwoordt had, dat de Linie geen nood had„ „de, en hij, als het zoo ver mogt komen, ten eersten met zijne troepen naar Koetsiem trekken, en raadpleegen zoude. Dat gemelde Koning op de eerste tijding van de Verovering der Lince, op den 15: deezer, snachts in zijn Zalais gekomen was, en den vol„ „genden morgen, zijnde gisteren, door den Tolk Truijens een plan van defensie gezonden had, om van de Stad af tot naar de hoek van Bendoertje, en van daartot Ti aan de Zee toe, twaalf of veertien Batterijen opte werpen, te pallisa¬ „deeren en met wallen te ver„ „binden, mitsgaders met geschut en Artillensten te bezetten, en voorts vier of vijf gewapende Vaar¬ tuigen - „tuigen in de rivier te leggen, om de overvaart en het landen te beletten welke Papieren vervolgens opgelee¬ „zen zijnde, bevonden wierden aldus te luiden. Koncept brief door den Wel„ „edelen Grootachtbaaren Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Koning van Koetsiem den 1te April 1790. Ik heb van den Lieutenant van Krause, die onze Artillensten in de TrevanKoorsche Linie Kom¬ mandeerd bericht ontvangen, dat de Vijand de Linie Zwaar be„ „schaadigd heeft, en daarom ben ik beducht, dat de Vyand moge„ lijk daar door breeken zal. Weshalven ik 's Komp:s Koop¬ „man Ephraim Cohen thans aan Uw Hoogheid zende, om Uw Hoogheid uit mijnen naam op het uitdruklykste te verzoeken alle troepen ten 2. 2. 580 ten eersten te verzaamelen en her„ „waards te zenden, om indien de vijand doorbreeken en tot hier indringen mogt, de goodestad, mattenseen, en de Negorijs van de Kanarijns en Benjaans en alle andere Inwooners alhier te kunnen beschermen, en voorts ook om een groote partij Korum¬ bis en andere Inlanders met in„ „chiados en andere schans gereed„ „schappen te verzaamelen, ten einde Batterijen en retranche„ „menten opte werpen, waar het noodig geoordeeld zal worden. Ik verzoeke teffens Uw Hoog heid ten eersten herwaards te komen om over de defensie van deeze plaatzen te raadpleegen en het noodige te benaamen, dan wel een van Uw Hoogheids ver- „trouweste Ministers daartoe hier zenden, doch hier vaet geen tijd te verliezen, en het behoud, van voorz. Joodenstad en Matten¬ „seeri, mitsgaders van Uw Hoog- „heids Zalaishangt af van een prompte resolúatsie. God bewaare Uw Hoogheid /:on¬ „derst ge¬ Tie
English
stood below: so translated by me into Malayalam. Koetsiem, date as before, was signed, J. M. Truijens, Translator. Translation of an Ola written by the King of Koetsiem to the Right Honorable, Right Respectable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, received the April 1790. We have received Your Right Honorable, Right Respectable letter and understood its contents, from which we saw that Your Right Honorable, Right Respectable had received a letter from the Commander of Krause regarding the state of the Trevan Koorsche Lines, and that therefore the time had now approached that one must deliberate on proper defense. We must tell Your Right Honorable, Right Respectable that at present there is no danger at the said Lines, and if it comes to that point, we shall not fail to give Your Right Honorable, Right Respectable notice thereof at the earliest moment. It was very dear and pleasant to us to understand from Your Right Honorable, Right Respectable letter and the oral report of Ephraim Cohen his very good intention regarding the preservation and resistance of our realm. We already spoke about all these precautions during the last conference with Your Right Honorable, Right Respectable. We have firmly resolved, upon the first warning that there is difficulty at the Lines, to march with our troops towards Koetsiem, and to consult with Your Right Honorable, Right Respectable on what is necessary for defense. We have no other place of refuge than Koetsiem, and since the fortress is situated there and we have been protected by the Company for so many years, we therefore hope that the Company and Your Right Honorable, Right Respectable will now also assist us, so that we shall not be overwhelmed by the enemy; and Your Right Honorable, Right Respectable can well understand that we shall already readily contribute everything that might be necessary for the reinforcement of that place, and for the rest we have instructed Ephraim Cohen to convey what is necessary to Your Right Honorable, Right Respectable orally. As soon as we might receive any further news from the Lines, we shall not fail to keep Your Right Honorable, Right Respectable continuously informed. Signed by His Highness. Underneath stood: For the translation, Koetsiem, date as above, was signed, J. M. Truijens, Sworn Translator. Account rendered and presented with much respect by the undersigned Toek to the Right Honorable, Right Respectable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek. Right Honorable, Right Respectable, High-Commanding Lord. Pursuant to the request made by the King of Koetsiem to Your Right Honorable, the undersigned, in compliance with his order, has been to His Highness, and has the honor to bring humbly to the attention of Your Right Honorable the reflections of the said King regarding the defense of Koetsiem, consisting of the following: From Galwettij to Kannam Kado or the south corner of Lalloertij, to erect eight or ten earth batteries and strongly palisade them, further to provide them with good cannon and ammunition, and to man them with competent European artillerymen, and to have them also guarded at night by His Highness's troops. From Lalloertij to the sea side, also to erect four batteries, and close them with a rampart and strongly palisade them, further to be manned and guarded as just stated. Four or five armed brigantines or other vessels that are suitable for it also to be placed on guard on the river, namely one before Galwettij and before the court, one before Lalloertij, and two others to be placed where they are deemed necessary. When fortified in this manner, the enemy will not easily be able to overcome us, except through starvation. But to erect the aforementioned batteries and ramparts at His Highness's expense, this would fall very heavily upon him, wherefore His Highness requests Your Right Honorable to assist him; yet to erect the aforementioned batteries, the Christians, like His Highness's other subjects, will also have to work on them, and the necessary coconut trees will also be cut from their gardens. That His Highness would have the exact number of his troops made known to Your Right Honorable by his ministers. Koetsiem, the 16th of April 1790. Was signed: J. M. Truijens. Whereupon His Honor further demonstrated that in this plan a formal entrenchment of more than two miles' distance was proposed, which could not be completed within a month and would then require at least twenty thousand men for its defense, and therefore, for this double reason, could not be adopted. That the garrison here was not strong enough to dispute the crossing of the river with the army of Tipu Sultan or even a strong detachment thereof, and one ought therefore to limit one's measures solely to securing the aforementioned suburbs and neighborhoods against marauding parties. That His Honor, with this objective in mind, at that very moment in the night
Dutch transcription
„derstond:/ zoodanig door mij in het malabaars overgezet. Koet„ „siem dato als vooren /:was geteekend/ J. M. Truijens Translateur Translaat Ola, door den Koning van Koetsiem ge¬ „schreeven, aan de Weled. gestr. Grootachtbaare Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek ontv. den April 1790. Wij hebben Uw Weled: Gestr. groot acht baare brief ontvan„ „gen en dies inhoud ver„ staan, waarbij wij zagen dat Uw Weled: gestr. Grootachtbaare een brief van den Kommandant van Krause had ontvangen wegens den Welstand van de Trevan Koorsche Linie en dat derhalven thans de tijd was genaderd, dat men raadplee„ gen moet tot de behoorlijke defensie. Wij moeten Uw Weled. gestr. Groot 581 Grootachtb. zeggen, dat thans geen nood aan gem: Lince is, en als het, zoo ver komt, zoo zullen wij niet nalaaten ten eersten daarvan Uw Weled. gestr: Groot achtb: Kernis te geeven. Het was ons zeer, lief en aangenaam geweest uit Uw. Weled. gestr. Groot achtb. brief en mondeling rapport van Ephraim lohen te verstaan, hoogst de„ „ zelfs goede intentsie omtrent het behoud en tegenstand van ons rijk. Wij hebben nopens alle deeze Voorzorge reets bij de laaste konferentsie met Uw Weledele gestr. Grootachtbaare gesprooken. Wij hebben vast voorgenoomen bij de eerste Waarschuwing, dat er Zwaarigheid aan de Linie is, met onze troepen hoetsum waards op te trekken, en tot de„ fensie met Uw. Weled: gestr. Grootachtbaare het noodige te konsulteeren. Wij hebben geen andere plaats tot onze toevlucht als Roetsiem, en ver¬ mits daar de Vesting ligt en wij Tie wij door de Kompanie zoo lange Jaaren beschevmd zijn gewor„ „den, zoo verhoopen wij, dat de Kompanie en Uw. Wel edele Gestr. Grootachtb. ons thans ook assisteeren zullen, dat wij door den Vijand niet zullen overrompeld worden, en Uw Weled. gestr: Grootachtb: Kan wel begrij= „pen, dat wij reets onbezorgt zullen laaten met al het geen tot Versterking van die plaats noodig zijn mogte, te kontri„ bueeren, en voor het overige heb¬ „ben wij het noodige aan Ephraim lohen belast om Uw: Weledele gestr. Grootachtb. mondeling te verstaan te geeven, zoo dra wij eenige nadere tij„ „dig van de Linie mogten ver„ „neemen zullen wij niet na„ „laaten bij kontinuaatsie Uw. Weled. gestr. groot achtb. be„ „kend te maaken Getee„ „kend door zijn Hoogh eid. /:onder„ 582 /:onderstond:/ Voor de Translaatsie Koetsiem dato als boven /:was geteekend:/ I. M. Irugers gezw. Translateur. Relaas gedaan en met vee Eerbied overgegeeven door den ondergeteekenden Toek aan den Weledele Gestr: gestr. Grootachtb. Heer Gouverneur Johan Gerard van Angelbeek. Weledele Grootachtbaare Hooggebiedende Heer. Volgens gedaane verzoek van den Koning van Koetsiem aan Uw Weled. Grootachtbaare, is de ondergetee„ „kende in naarkoming van hoogst dezelve bevel bij zijn Hoogheid geweest, en heeft de Eere de bedenking van gemelden Koning nopens de defensie van Koetsiem Uw. Weled: Grootachtbaare onder „danigst ter kennis te brengen, be„ 1 a bestaande hierin. Van Galwettij af tot Kannam Ka„ do of de Zuedhoek van Lalloer¬ tij toe, agt of tien Batterijen van aarde opte werpen, en sterk te pallisadeeren, voorts met goede stúkken en ammonietsie te voorzien, en dezelven met bequaame Europeesche Artille„ „noten te bezetten, en bij nacht door Zijn Hoogheids troepen meede te laaten bewaaken. Van Lalloerttij af tot aan de Zeekant ook vier Batterijen opte werpen, en met een Wal te sluiten en sterk te pallisa„ „deeren, voorts als eeven gezegt, bezet, en bewaakt te worden. Vier of vijf gearmeerde Bingan¬ „tijns of andere Vaartuigen, die daartoe bequaam zijn meede op de rivier op wagt te leggen, als een voor Galwettij en voor het Hof, een voor Lalloerttij en twee anderen opte plaat„ „zen 583. zen daar ze noodig geoordeeld word „den. Wanneer op deeze wijze gefor¬ tificeerd word, de vijand ons niet ligt zal kunnen vermee„ „steren, als door uit hongerng Doch om de voormelde Batte„ „rijen en Wallen opte werpen voor Zijn Hoogheids Onkosten, zulks hem zeer zwaar zoude vallen, waartoe verzoekt zijn Hoogheid Uw Weledele Grootachtbaare hem te assis„ teeren, doch om voorm: Batte„ „rijen opte werpen, de Christe„ „nen gelijk zijn Hoogheids andere onderdaanen, ook daar¬ „aan zullen moeten werken, en de noodige Rokús boomen meede van hunne tuiren ge„ Kapt worden. Dat zijn Hoogheid het nette getal van deszelfs troepen door zijne ministers aan Uw Weled. Grootachtbaare zoude laa„ ten bekend maa„ „ken Tl „ken Koetsiem den 16. April 179 ƒ /was geteekend:/ J. M. Truijens ƒ„ ƒ Waarna zijn Edele nader ver„ „toende dat bij dit plan een for„ „meel retranchement van meer dan twee mijlen gaans in Voorslaeg ge„ „bragt werd, het welk in geene maand kost voltoid worden en als dan tot de Verdeediging ten minsten twintig duizend Kop- „pen vereischen zoude, en over Zulx om deeze dubbelde reeden niet konde geadepteerd worden. Dat het garnizoen alhier niet sterk genoeg was, om de Armee van Sipoe Sultan of ook maar een sterk detachement van dezel„ „ve, de passasie over de rivier te bedisputeeren, en men dus zijne maatregelen alleen tot beveili¬ ging van voormelde voorsteeden en buurten tegen stroopende partijen behoorde te bepaalen. Dat zijn Edele met dit Oogmerk op het Zelfde Oogenblik in der nacht
English
584 night, that the loss of the Line had come to his knowledge, had distributed strong patrols throughout the aforementioned suburbs, especially also in order to prevent that night all disorders and the gathering of all kinds of low people, who, taking advantage of the general confusion, might wish to proceed to robbing and stealing. That his Honour, having consulted yesterday morning with the King on the measures for the protection of the aforementioned suburbs, had learned that all troops of his Cochin Highness had likewise fled and dispersed, and therefore could not for the present be employed for that purpose. That nevertheless the highest necessity required that the Jewish Quarter and Mattencheri be safeguarded against the danger of surprise, plundering, and destruction, since it was very probable that the Army of Tipu would likely not penetrate deep into the country, because according to rumors and reliable reports the English were on the march against him from Bombay by sea and from Madras by land, but that it was probable that his raiding bands would attempt to overrun the country, and as was now the case, to secure rich booty from the aforementioned suburbs; against which his Honour therefore proposed to place four detachments on the avenues leading thereto in such a manner that they could assist one another in case of need, namely one at Galvetti by the bridge of Mattencheri, one by the palace and by the beginning of the Jewish Quarter, one behind the Jewish Quarter near their cemetery, where the Canarese Bazaar ends, and one near the Pagodinhos. Whereupon deliberation having been held, it 585 was approved and agreed to conform fully with the proposal, and to leave the further arrangement of the aforementioned four detachments to the Governor. Further, upon the proposal of the Governor, it was approved and agreed to station the smalschip De Verwachting, which recently came up from the cruise before the Cranganore River, in the river in front of the King's palace, in order to prevent the crossing of raiding parties from Anjekaimal and other places, and to help protect the banks of the river. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. (was signed:) J. G. van Angelbeek, J. L. van Spall, G. G. Gebhardt, J. W. H. van Rossum, J. A. Cellarius, W. van Haaften, A. Lunel, and J. A. Eversdijk. Agrees with the original. Arnold Lunel, Secretary No. 25. 586 Wednesday, the 21st of April 1790. Present: The Right Honorable, Valiant, Highly Esteemed Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director Johan Gerard van Angelbeek The Honorable Provisional Chief Administrator Jan Lambertus van Spall The Honorable Major and Head of the Military Gottlieb George Gebhardt The Honorable Merchant, Fiscal, and Cassier Mr. Jan Willem Hendrik van Rossum The Honorable Junior Merchant and Warehouse Master Johan Adam Cellarius The Honorable Junior Merchant and Dispenser Willem van Haaften The Honorable Provisional Secretary of Police Arnoldus Lunel The Honorable Provisional Pay Bookkeeper Jacobus Adrianus Eversdyck Absent: The Honorable Junior Merchant Adrianus Poolvliet on account of indisposition Secret resolution taken in the Council of Malabar in the city of Cochin. After the conclusion of the ordinary business mentioned in today's resolution, the Governor communicated to the meeting that the most prominent members of the Jews had addressed his Honour in recent days with the request that, in case Tipu Sultan should advance this way with his army, refuge might be granted to them and their wives and children within this city. Whereupon deliberation having been held and it being taken into consideration that in such a case, now that the season is so far advanced, no formal siege is to be feared, and thus the reasons for which it was decided in the session of the 19th of October 1789 to expel from the fortress all persons who according to the edict of the 24th of August 1784 were not entitled to reside there, do not currently apply: so was, in conformity with the proposal made thereto by his Honour, 587 approved and agreed to grant that request, provided that those who wish to flee into this city shall have to provide themselves with provisions for six months; and it was approved and agreed to give notice hereof by extract to the board of wardmasters for their information and observation. Upon the further representation of the Governor that several Jews wished to purchase houses in this city in order to be assured of a fixed place of residence in the event of an invasion by Tipu Sultan, it was taken into consideration that it is already difficult at present for Company servants and respectable burghers to obtain dwellings within the city, and that this difficulty would naturally increase to the extent that the Jews were permitted to make themselves masters of the most suitable dwellings by paying high prices, and that those among the Jews who wish to retire to the fortress in this extraordinary time can well manage with lodgings, or must attempt to find shelter somewhere for the time being; and it was consequently approved and agreed that the old order that no Jew or other 588 non-Christian may purchase or own real estate in the city without special permission from the Commander or Governor shall also be upheld under these present circumstances. Thus done, resolved, and decreed in the Council of Malabar in the city of Cochin on the day, month, and year aforesaid. (was signed:) J. G. van Angelbeek, J. L. van Spall, G. G. Gebhardt, J. W. H. van Rossum, Johan Adam Cellarius, W. van Haaften, Arnoldus Lunel, J. A. Eversdyck. Agrees with the original. Arnold Lunel, Secretary
Dutch transcription
584 nacht, dat het Verlies der Linie ter zijnen Kennis gekoomen was, door meermelde Voorsteeden ster„ „ke patroiljes verspreidt had, voor„ „naamlijk ook, omdien nacht alle desorders en het zaamen rotten van allerlij slegt Volkje te belet„ „ten, die van de generaale konfu„ „sie profiteerende tot rooven en steelen zouden willen overgaan Dat zijn Edele gisteren morgen met den Koning over de maatsege„ „len tot de bescherming van meer„ melde Voorsteeden geraadpleegd hebbende, vernoomen had, dat alle troepen van zijne Koet„ „siemsche Hoogheid meede ge„ „vlucht en verstroid waaren, en dus vooreerst tot dat einde niet meede Kosten gebruikt worden. Dat niet te min de hoogste nood vereischte, de Joodenstad en mattenseen tegen het gevaar van Overompeling, plundering en Verwoesting te beveiligen doordien het zeer waarschijn¬ lijk ƒ „lijk was, dat de Armée van Tipoe wel niet diep in het land indin„ „gen zoude, wijl volgens genuchten en zeekere berichten de Engel„ „schen van Bombai over Zee en van Madras te lande tegen hem in aantocht waaren, doch dat het waarschijnlijk was, dat zijne stroopende Benden zouden trach„ „ten het land afteloopen, en als'er thans toe waare, uitgemel¬ „de voorsteeden een rijken buit te haalen, waarteegen zijn Edele derhalven proponeerde, vier detachementen op de ave„ nues van dezelven Zoodanig te plaatzen, dat re elkander in tijd van nood Kosten assistee¬ „ren, te weeten een op galwettij bij de Brug van Mattenseen een bij het Salais en bij het begin van de Jood en stad, een agter de Jooden stad bij hun Kerkenhoff, daar de Kana„ rijnsche Bazaar uitkomt, en een bij de Pagodinhos. Waarop gedelibereerd zijnde, zoo 585 zoo werd goed gevonden en ver„ „staan, zich met de proposiet„ „sie ten vollen te konformeeren, en de verdere inrichting van de voormelde vier detache„ „menten aan den Heer Gou ver„ „neur over te laaten Wijders werd op de proposietsie van den Heer Gouverneur goed- gevonden en Verstaan, het smal„ „schip de Verwachting, het welk onlangs van de Kruistocht voor de Kranganoorsche ri„ „vier opgekoomen in den„ vier voor het Zalais van den Koning te staatsioneeren, om de overvaart van stroopende partijen van AnjeKaimale en andere plaatzen te be„ „letten, ende boorden van de rivier te helpen beschermen. Aldus gedaan, geresolveerd en gearresteerd in Raade van Malabaar ter Steede Koetsiem ten dage maand en Jaare voormeld (:was getee„ „ ƒ e¬ „ t thie geteekend:) J. G. van An„ gelbeek, J. L. van Spall, G. G. Gebhardt J. W. H. van Rossum, J. A. Cellanus, W. van Haesten, A. Lunel en J. A. Eversdijk Akkordeerd. Arnold Luvel sekret:s N„o 25. 586. Woensdag den 21e April 1790. present De Weledele Gestr: Grootachtb: Heer Raad ordinair van Neder= „lands Indien Goeverneur en Direkteur Johan Gerard van Angelbeek De E: Heer p:l Hoofd administrateur Jan Lambertus van Spall De E: Te Majoor en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhardt De E: Koopman Fiskaal en kapier M:r Jan Willem Hendrik van Rossum De E: onderkoopman en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius De E: onderkoopman en Dispencier Willem van Haaften De E p:l Sekretaris van Polietsie Arnoldus Lunel De E: p. l Soldy boekhouder Iacobus Adrianus Eversdyck absent D. E: onderkoopman Adrianus Poolvliet mits indisposetie Na het afloopen der ordinaire zaaken by de resoluutsie van heeden vermeldt, werd door den Heer Goeverneur ter ver= Sekreete resoluutsie ge noomen in Raade van Malabaar ter steede koetsiem gadering op. gadering gekommuniceerd, dat de aan =zienlyksten van de Jooden zich deezer dagen aan zyn Edele hadden geaddres¬ seerd, met het verzoek, dat aan hen en hunne vrouwen en kinderen, inge valle Tipoe sultan met zyn leger dit heen afkomen mogte, binnen deeze stad toevlucht mogt verleend worden. Waarop gedelibereerd en in aanmerking genoomen zynde, dat men, in zulk een val, thans, nu het saisoen zoo ver= verloopen is, geene formeele beleegering te vreezen heeft, en dus de reedenen, waarom men ter sessie van den 19e 8ber 1789 beslooten had, alle persoonen, die volgens het plakkaat van den 24 Aug:s 1784. tot de inwooning niet gerech= tigd waaren, uit de vesting te zetten, tegenwoordig niet subsisteeren: zoo werd, konform de daartoe van zyn Edele 587 Edele gedaane proposietsie goed gevonden en verstaan, in dat ver= =zoek te bewilligen, mits de gee= „nen, die in deeze stad willen vluchten, zich voor ses maanden van leevens-middelen zullen hebben te verzorgen, en is goed gevonden en verstaan hiervan bij extrakt kennis te geeven aan het kollesie van wykmeesteren tot naricht en observantsie. Op de nadere voorstelling van den Heer Goeverneur, dat verscheidene Jooden huizen in deeze stad wensch =ten te koopen, om by een inval van Tipoe Sultan van een vaste verblyf plaats verzeekerd te zyn, is in aanmerking genoomen, dat het ing zyn het thans reets voor 's komp. s Dienaaren en goede burgers moei lyk is, aan wooningen binnen de stad te geraaken, en dat dee ze moeilykheid natuurlyker wyze zoude toeneemen naar maate men aan de Jooden vryheid liet, zich door betaaling van hooge pryzen van de bequaamste wooningen Meester te maaken, en dat de geenen van de Jooden, die in deezen buiten gewoonen tyd zich in de Vesting willen retireeren, zich wel kun= =nen behelpen met losies, of trach= =ten moeten, ergens zoo lange onder dak te koomen, en is dien volgende goed gevonden en verstaan de oude order, dat geen Lood of an= =der 588. der onchresten, zonder speciaal konsent van den Heer Komman= =deur of Goeverneur, vaste goederen in der stad mag koopen of bezitten ook in deeze tegenwoordige omstan= digheeden te doen stand grypen. Aldus gedaan geresolveerd en gearresteerd in Raade van Mala= baar ter steede koetsiem ten dage maand en jaare voormeld. /wasgeteekend I G Van Angelbeek, S. L. van Spall, G G= Gebhardt, S. W. H van Rossum Johan Adam Cellarius, W. van Haaften, Annol. s Lunel J. A. Eversdyck Akkopdeerd. Arnold Zunel sekret:s =
English
589 Assignment. In order to secure the suburbs and environs of these fortresses against hostile roaming bands during the present troubles, and to prevent all calamities of riot, plundering, and other insolence of evil folk in the same, the following detachments shall march out and take up positions. 1) at Galwettij beside the bridge. 25 Europeans; namely: 1 officer Vallet. 1 sergeant. 2 corporals. 1 drummer. 20 privates. 25 Malays; namely: 1 officer. 1 sergeant. 2 corporals. 21 privates. 50 Malabar Sepoys; namely: 1 officer. 1 European drillmaster. 2 sergeants. 3 corporals. 43 privates. with two field pieces and the necessary artillerymen. No. 26. artillerymen 2) at the King's Palace. 50 European Grenadiers; namely: 2 officers Meel and Haas. 2 sergeants. 4 corporals. 1 fifer. 1 drummer. 40 privates. 50 Malays; namely: 1 officer. 1 drillmaster. 2 sergeants. 4 corporals. 42 privates. 50 Chegos; namely: 1 drillmaster. 1 Moepa. 2 sergeants. 4 corporals. 42 privates. with four field pieces of [illegible] pound balls and two small ones of 1 pound, and the necessary artillerymen. 3) at the Jewish town by the churchyard. 25 Europeans; namely: 1 officer Dalinger. 1 sergeant. 2 corporals. 1 drummer. 20 privates. 50 590 50 Malays; namely: 1 officer. 1 drillmaster. 2 sergeants. 4 corporals and 42 privates. 50 Chegos; namely: 1 drillmaster. 1 Moepa. 2 sergeants. 4 corporals. 42 privates. with two field pieces and the necessary artillerymen. 4) at the Pagodas. 100 Malabar Sepoys; namely: 1 Captain. 1 Lieutenant. 1 Ensign. 3 sergeants. 3 corporals. 1 fifer. 1 drummer. 89 privates; with two field pieces and the necessary artillerymen. Cochin, the 17th of April, 1790. was signed: J: G: van Angelbeek. Agreed. Arnold Lunel Secretary No. 27. 591 Sir Having arrived here yesterday with an army to the assistance of the King of Travancore and for the protection of his lands, I intend to bring ashore my troops and provisions for immediate service, but as I have a quantity larger than is at first needed, I would gladly deposit the same at Cochin. Of this I request permission to give notice, and relying on your assistance, to know whether warehouses or safe magazines can be obtained in Cochin, in case I should find it necessary in the future. I have the honor to be, Sir, your most obedient humble servant, signed: James Hartley, Commander-in-Chief of the British Army for the service of Travancore. In the margin: On board the ship Intrepid off the coast, 24 April 1790. Agreed. To His Excellency the Governor van Angelbeek at Cochin Arnold Lunel Secretary 592 To Colonel James Hartley No. 28. Right Honorable and Worshipful Sir. Yesterday evening I received the letter with which your Honor has favored me, but as I cannot write English and doubt whether your Honor might understand Dutch, I take the liberty of replying thereto in French. The friendship that I have maintained for many years and currently still maintain with various English gentlemen would alone be a sufficient motive for me to comply with your requests, and the circumstances in which both our Companies and their ally, the King of Travancore, find themselves, oblige me to render every service to your Honor and your troops. Thus, Sir! I am moved as much by my own inclination as by my duty to render your Honor all assistance that is within my power. In the town there are no private warehouses, and those situated in the suburb of Mattancherry are not secure enough; I am therefore having a spacious Company warehouse emptied for your provisions and other baggage, and our Commander of the Artillery will store the gunpowder and the further ammunition that your Honor wishes to keep here in the Company magazines of his department; I only request that you send me a list of the one and the other. I have the honor to be with great esteem, Right Honorable and Worshipful Sir, your Honor's very humble and very obedient servant, was signed: J. G. Van Angelbeek. In the margin: Cochin, the 26th of April 1790. Agreed. Arnold Lunel Secretary 593 Cochin To the Right Honorable, Worshipful, and Highly Esteemed Sir, Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast. Right Honorable, Worshipful, Highly Esteemed, and High-Commanding Sir, The Melbitaripoekaren of Quilon desimais returned from Porakad on the 26th of February, and appeared here on the 28th following upon my request. I asked him if he had received the ola from the King, and received in reply that yes, he had. I asked him further if he could now furnish the names of the persons who reside here in ours from the King's limits, in order to cause them to move out of our limits according to the King's desire, whereon he answered me that he would furnish such a list at the earliest opportunity, but that all the Moguassoes of No 29.
Dutch transcription
589 Belasting. om in de tegenwoordige troubles de voor„ „steeden en in virons van deeze vestingen tee„ „gen vijandige stroopende benden te bevei„ „ligen en om alle onheilen van oploop plun„ „dering en andere baldadigheeden van quaad volkje in dezelve voor te koomen zullen de volgende Detachementen uitrukken en post vatten. 1:) op Galwettij naast de brug. 25:–. Europeesen; als: 1:– officier wallet. 1:– serjant: 2:– korporaals. 1:– tamboer. 20:– Gemeenen. 25: — Malaiers; als: ken officier. 1: serjant. 2:– korporaals. 21:— Gemeenen. 50: — Mallabaarse Sipa his; als: 1:– officier. 1:„ Europ: drilmeester. 2:- Serjants. 3: – korporaals. 43:– Gemeenen. met twee veldstukken en de noodige An¬ No. 26. „thillerissen „thilleristen 2:) bij de konings Pallais. 50:— Europeese Graudiers; als: 2: officiers Meel en Haas, 2:– serjants. 4:– korporaals. 1:– fluiter. 1:– Jamboer. 40:– Gemeenen. 50:- Mallaiers; als: 1:- officier. 1:– drilmeester. 2: — ser Jants. 4:–. korporaals. 42:– Gemeenen. 50:— Gjegos; als: 1: drilmeester. 1:- Moepa. 2:- serjants. 4:– korporaals. 42:– Gemeenen. met vier veldstukken van lb: bals en 2: en kleene van 1:- ld: en de nodige Arthilleristen 3:) bij de godenstad aan 't kerkhoff„ 25: „ Europeesen; als: 1:– officier Dalinger, 1: Sarzant. 2:– korporaals. 1:– tamboer. 20:— Gemeenen 20 50: 590 50:- Mallaiers; als: 1:– officier. 1:– drilmeester. 2:– Ser Jants. 4: – korporaals en 42:– Gemeenen 50:— JjegoC: als: 1:– drilmeester. 1:e Moepa. 2:– serjants. 4:– korporaals. 42:– Gemeenen. met twee veldstukken en de nodige arthilleristen. 4:/ aan de Pagodiens. 100:– Malabaarse Sipahis; als: 1:– Kapitai. 1:– Luitenant. 1:– Vaandrig. 3:– serjants. 3: – korporaals. 1:- fluiten. 1:– tamboeren 89:– Gemeene; met twee veldstukken en de noodige artil„ „leristen. Koetsiem den 17=e April, 1790: /:was geteekend:/ J: G: van Angelbeek, Akkordeerd. 7 Arnold Lunel Sekart. o 50: N„o 27. 591 Sir Gisteren hier gearriveerd zynde met een Armée ter adsistentsie van den koning van Trevankoor en ter bescherming van des zelfs Landen, ben ik voorneemens, myne Troepen en voorraad voor den onmiddelyken dienst aan land te brengen, maar wyl ik een quantiteit hebbe grooter als voor eest nodig is: zoo zoude ik dezelve gaarn te koetsiem de= =poneeren: Hiervan verzoek ik verlof, a kennis te geeven en vertrouwende op uwen bystand te mogen weeten of er Pakhui= zen of vylige Magazynen in koetsiem te krygen zyn, ingeval ik in 't vervolg het nodig zoude vinden Ik heb de eer te zyn /onderstond) Sir. uw gehoorsaamste nedrige Dienaar /get:/ Ia:s Hartley kommandant en Chef van de Brittasche Armée ter nutte van Trevankoor /in margene) In 't schip de Intrepid voor de kotte 24. April 1790. — Akkordeerd. „ Aan zyn Excellentsie den Heer Gouverneur van Angelbeek te koetsiem Arnold Lunel Sekret. 592 Aan den Heer Kollonel James Hartleij No. 28. Weledele Gestrenge Heer. Gisteren avond ontving ik den brief, waarmede uwEdgestr. my heeft vereerd, maar wyl ik geen Engelsch schryven kan en twyfele of uwEdgestr: het Hollandsche verstaan mogte, zoo neeme ik de vryheid daarop in 't fransche te antwoorden. De vriendschap, die ik zeder veele jaaren onderhouden hebbe en thans noch onder= houde met verscheidene Engelsche Heeren zoude alleen een genoegzaame beweegreeden voor my zyn om aan uwe verzoeken te voldoen en de omstandigheeden, waarin zich onze beide kompanien en haar geallieerde de koning van Trevankoor be= =vinden, verplichten my, om aan uw Edgestr en uwe troepen alle diensten te bewyzen. Dus Mynsteer! worde ik zoo zeer door myne eigene neiging als door mynen plicht eeven eeven zeer bewogen om uwEd gestr: alle hul„ toetebrengen, die in myn vermogen is In de stad zyn geene pakhuizen van Partikulieren, en die zich in de voorstad Mattanseeri bevinden, zyn niet zeeker genoeg, ik laat derhalven een ruim kom panies Pakhuis voor uwe provisien en andere bagasie leedig maaken, en onze kommandant van d' Artillerij zal het buskruit en de verdere ammunietsie, die UwEdgestr hier bewaaren wil in 's komp magazynen van zyn deparlement ber= gen eenlyk verzoek ik my een lyst van 't een en ander te zenden Ik hebde eer met veel hoogachting te zyn /onderstond) Weledele gestr: Heer Uwer weled =le gestr: zeer nedrige en zeer gehoorzaame Dienaar /was get:/ I G Van Angelbeek (in margine/ Koetsiem den 26=e April 1790. Akkordeerd. Arnold Lunel sekret: E nze zyn te in 593 Koetsiem Aan den Weledelen Gestrengen Groot Achtbaaren Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlandsch Jndia Gouverneur en Directeur ter Ruste Mallabaar WelEdele, Gestrenge, Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer De Melbitaripoekaren van Koilang desimais op den 26 Februarie van Porka terug gekomen, en den 28 daar aan op mijn verzoek hier verscheenen jk vroeg hem of hij d ola van den Koning had ontvangen en kreeg daar op tot antwoord van Jasjk vroeg hem 6 verder of hij nu konde opgeven de Naamen van de Persoonen die van 's Konings Limieten hier in don„ „se woonen om de zelven volgens begeerte van den Koning uit onse Limiet te doen verhuisen waar op hij mij toediende dat hij een zodanige Lijste ten eersten zoude, bezorgen maar dat alle de Moguassen No 29. van
English
of the limit, must first satisfy what was still in arrears, namely the dues of head and nets to the Arajen Kotjoe Francisko, furthermore the duty concerning what the children are obligated, according to his statement, to pay upon the demise of their fathers from their capital, and of the imposed fines to the Torakaar of Koilang de Sima, and that in failure thereof he would write to me to send all the Moguassen from here to him, the Melbisaripokaren, so that he may collect that from them; but if in the future anything punishable should be committed by him, he would not use violence, but first give notice thereof to the King, since he has received orders from the King not to introduce any novelty, but indeed to collect what they owe. I told him that he should make no difficulty regarding the collection of the head- and net-money, but as regards the duty that the children were allegedly obligated to pay from their fathers' capital, I knew nothing about how such had come to be, as well as regarding Kindemnaatsee moneys. Upon this he said he had an instruction from the Dallawa Ramaajen and the Kariakaar Seedanapoella, who, in the beginning when the King had conquered this realm from the Signattie, which was in the year 1747, according to the contents of which he proceeds. I answered him thereto that such might well be, but that all such orders had lapsed with the entering into of the last contract that was concluded in 1753 between the King of Trevankoor and the Honorable Company, wherein it clearly states that the Honorable Company should retain all prerogatives as had been in use of old in the time of the former kings; whereupon he said that he knew nothing of that and had to proceed according to the aforementioned instruction, and that this is the King's word, according to the old custom. I said thereto that I would give notice of this statement of his to Your Right Honorable, which upon hearing, he said that it would be better that this could be settled between him and me, because otherwise, if this matter were brought before Your Right Honorable and the King, we would have difficulties with it; but I replied thereto that however it may be, I am obliged to give notice thereof to my superior regarding this unwillingness of his to comply with the order of his King, after which he departed. Shortly after his departure that same day, he, the Melbisaripokaren, had the Moguassen from here summoned by olas under oath of the King, and apprehended and placed under arrest until seven o'clock in the evening a Christian named Joze de Macedo, who had gone to Koilang de Sima to buy something, when he was forced to pass an obligation ola regarding a fine that was imposed on him because he had bought five pieces of nets and milked cows. Upon receiving that news the next day, I wrote an ola to the said Melbisaripokaren and asked him the reasons why he did such things, and at the same time again requested the list promised by him of the persons who are from the King's limit into ours, and thereupon obtained an ola in reply from the same that he does that on the instructions of the Dallawa Sambardi, and that he had now written and given notice of everything to the said Dallawa, and was awaiting the reply in order then to proceed against the inhabitants of our limit, and would then also provide the aforementioned list. The said two olas accompany this for further clarification of the matter. While I must tell Your Right Honorable that among the fines which have been laid upon the inhabitants of our limit, one of the principal is of four thousand galioens—every galioen makes four Tjakaroms—because in the past year, against the order of the King, they visited the Roman Catholic Bishop who has now returned, and because a girl was given to Father Frei Nitholao de Santa Rita and taken away from here by him; the fine that the Moguassen residing in five limits was eight thousand galioens, of which the half, as has been said, four thousand galioens, was imposed on the Moguassen of our limit to pay. I have the honor to call myself, with all humility, Right Honorable, Highly Commanding Lord, Your Right Honorable's humble and obedient servant. Was signed: Adriaan Poolvliet. In margin: Koilang, the 4th of March 1789. Agreed: Arnold Lunel, Secretary. Koetsiem. To The Right Honorable Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Coast of Mallabaar. Right Honorable, Highly Commanding Lord! The Dalawa Sambardie, who also arrived here the day after the arrival of the King of Trevankoor, I had complimented by the interpreter, and thereupon received a counter-visit by his first secretary, with a request for some vegetables, if I had any, which I sent to him with a polite request for the preservation of his friendship, so that the same may serve to the well-being of the Honorable Company and his Master. In the afternoon of that same day, towards evening, two Melbisaripoekaren arrived, namely the one dismissed some time ago and the one currently holding authority here, bringing with them a list of the King's
Dutch transcription
van de Liriet eerst moestanr vold oerval het goens noch ten agteren staan teweeten. de gerechtighe „den van hoofd en netten aan den Arajen kotjoe Francisko voorss de gerechtigheid wegens het geen de Kinderen gehouden zijn, volgens zijn zeggen, bij 't overlijden van hunne vaders moeten betaalen van hun kapitaal en van 'd opgelegde boetens aan den Torakaar van Koilang de Sima en dat bij ge „breeke van dien hij aan mij zoude schrijven om alle de Moguassen van hier bij hem Melbisaripokaren te zenden op dat hij van hen dat invorderen kan doch zoo in het vervolg eets door hem mogte worden begaan dat strafbaar is, hij geen geweld zoude pleeg maar eerst daar over aan den Koning kennis gever alzoo hij van den koning order heeft ontvangen om geen nieuwigheid intevoeren maar wel inte „vorderen het geen zij schuldig zijn ik zeide hew dat hij geen zwaarigheid moest maaken om„ „trent d' invordering van het hoofd en nettegeld, doch wat aanbelangd de geregtigheid die de kind „ren gehouden zouden zijn van hunne vaders kapi „taal ik daar van niets wist, hoe zulx gekoomen is als 594 als ook wegens Kindemnaatsee penningen hier op zeide hij eens Jnstrukke te hebben van den Dal„ „lawa Ramaajen en den Kariakaar seedana, poella dewelken in het begin toon de Koning dit Rijk van den signattie had vermeesterd dat geweest is in het Jaar 1747 volgens welkers inhoud hij te werk gaat, jk antwoorde hem daar op dat zulx wel konde zijn, maar dat alle zulke ordres waaren vervallen met 't aangaan van het laatste kontrakt dat geslooten is in 1753. tusschen den Koning van Trevankoor en DE: Komp: waar bij dierdelijk staat dat DE komp: alle prerogativen zouden behouden, als van ouds ten tijde van de voo„ „rige koningen in gebruik zijn geweest; waar op hij zeide dat hij daar van niets wist en volgens de voorm: Instruksie moest, tewerk gaan: en dat dit het zeggen van den koning is, volgens het oud gebruik; jk zeide daar op dat ik van dit zijn ge„ zegde kennis zoude geeven aan uwel edele gestren„ „ge Groot Achtb: het welk hij hoorende zeide dat het beter zoude zijn dat dit tusschen hem en mij konde worden afgemaakt wijl anders wanneer deze zaak voor uweledele Gestrenge Groot Achtb: en den 88 denr Koning werd gebragt, wij moielijkheeden 8 daar meede hebben zouden maar ik diende daar op dat hoe het ook zij ik gehouden ben daar van kennis te geeven aan mijn gebieder, wegens deeze zijne onwilligheid om aan d order van zijnen ko„ „ning te voldoen waar na hij weggegaan is kort naar zijn vertrek dien zelfden dag liet, hij Melbisaripokaren bij olas de Moguassen van hier roepen onder eede van den Koning, en een Christen gent Joze de Macedo die naar Koilang de Sima was gegaan om iets te koopen opvatten en in arrest stellen tot des avonds te zeven uur, wan„ „neer hij gedwongen wierd een obligaatsie ola te passeeren, wegens boete die hem opgelegd was over dat hij vijf stux setten gekocht en koebeasten ge„ melkt had, Jk heb des anderen dags op het beko„ „men van die tijding een ola aan gemelte Melbisa„ „ripoharen geschreven en hem de reedenen afge„ „vraagd waarom hij alzulke dingen deed en teffens weder verzogt de door hem beloofde Lijst van de Persoonen die van 'sKonings Simiet in de onse zijne 595 zijn en daar op van denzelven een ola in ant„ „woord erlangd dat hij dat doet, op aanschrijvens van den Dallawa Sambardi en dat hij aan gem: Dallawa nu geschreven en van alles ken„ „nis gegeeven had, en verwachtende was na 't ant„ „woord om dan tegens de Jnwoonders van ons Limiet te procedeeren, en als dan ook de voorsch lijst bezorgen zoude gemelde twee olas gaan hier nevens tot meerder opheldering van de zaak Terwijl ik uwel edele Gestrenge Groot Achtb: zeggen moet dat onder de boetens dewel„ „ken op denwoonders van ons Simiel gelegd zijn een der voornaamste is van vierduizent gali„ „oussider galion doet vier Tjakarons / over dat zij in voorleden Jaar tegen d'order van den koning bij den thans terug gekomene Roomschen Bis„ schop zijn geweest en over dat aan den Pater Fre Nitholao de Santa Rita een meisje gegeeven en door hem van hier weggebragt is zijnde de boete die de Moguassen in vijf Limieten woonach„ „waar van de Elfte zoo als gezigd is vierduizend galions „tig zijn groot geweest acht dursent galions „ aan de Moguassen en an¬ ver isa„ ge„ fens a onse Moguassen van onse Limiet is opgelegd te betaalen Ik heb deer mij met, alle ootmoed te noemen /onderstond/ weledele Gestrenge Groot Achtbaa „re Hoog Gebiedende Heer uwer weledele Gestr: Groot Achtbaarens onderdanige en gehoor „same Dienaar /was geteekend/ Adriaan Poolvliet /in margine / Roilang den 4 Maart 1789 Akkorpdeerd Arnold Lunel Sekret. 596 Koetsiem Aan Den welEdelen, Gestrengen Groot Achtbaaren Heer Johan Gerard van Angelbeek, Raad Ordinair van Nederlandsch India Gouverneur en Directeur ter kuste Mallabaar WelEdele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiedende Heer! De Dalawa Sambardie die sdaags na de kom„ „ste van den koning van Trevankoor hier ook geko„ „men is, heb ik door den Tolk laten komplimentee„ „ren, en daar op een kontra visite door zijn eerste sekretaris ontvangen, met verzoek om eenige Groen„ „tens, zoo ik die had, die ik hem toezond met beleefd verzoek om de Concervaatsie van zijn vriend„ „schap op dat dezelve strekken mach tot wel zijn van DE: komp: en zijnen Meester- Des agter„ „middag van dien zelfden dag quaamen tegen den avond twee Melbisaripoekaren naamlijk de voor eenigen tijd afgedankten en de thans hier het gezag voerende, mede brengende een lijst der Konings 1
English
king's subjects who are said to be staying here within our limits, from which, having taken a reading, it was found that therein stood the names of many who have long since passed away, others who are not to be found here and departed elsewhere many years ago, and also of some who have never been here. I answered the Melbisaripoekaren that I could not satisfy myself with that list but must first carry out a precise investigation into it, since the names of people who have already passed away, etc., were contained therein. They allowed me this and furthermore requested that they might collect the duties on inheritances among the Malabars called Tjawara, which are due to the king from the inhabitants who happen to die here, as according to ancient custom. To this I replied that such is nowhere acknowledged in the contract, but on the contrary, in the fifth article of the contract dated 6 April 1710, it is cited that his highness's signature shall never ever make any claim, whether on inheritance or whatever case it might be. They said thereupon that on the contrary it could be proven by olas and people that those duties had already been paid long ago, asking me further whether they could simply proceed with the collection thereof. To this I answered them that I could not permit such without obtained qualification from Your Honorable, Rigorous, Most Respected Sir, whom I would inform immediately after an investigation had been conducted. They appeared dissatisfied with this and said that the matter could be settled between me and them, but I told them no, that the consent thereto depends on Your Honorable, Rigorous, Most Respected Sir, and therefore I would do nothing without it. I thereupon immediately ordered the Interpreter to carry out an investigation according to that received list, and to provide me with a copy thereof translated into Portuguese, and to note beside the names where those reported persons are staying, and furthermore to inquire once again into the claim made concerning the duties on inheritances, of which Your Honorable, Rigorous, Most Respected Sir has already been informed by a separate letter of 19 February last: that the inhabitants of our limits have testified that such had never been in use in ancient times. The mentioned officials asked me further whether they could proceed with the collection of the poll- and net-money. I answered them yes, if the time has arrived to make that collection, and that I would have those duties delivered to Toeram, the king's place in Koilang de Sima. But this did not please them, wishing therefore that it should be collected by the king's appointed Arayan, Kotjoe Fransisko, which I declined, as I clearly noticed that their only aim is to make him play his role here within the limits, seeing that while still outside of them he does not fail to do so, instilling all evil into the king's servants to the disrespect of the Honorable Company. The mentioned Melbisaripoekaren requested of me further that no slaves might be purchased here. I answered them thereupon that no slaves are sold here except after a careful examination taken by the Interpreter, whereupon they fell silent and departed again. The claim of the mentioned Melbisaripoekaren regarding the duties on inheritances rests on the instruction that is said to have been given to them in the year 1747 by the then Dalawa Rama Ajen, and of which mention has already been made in my humble separate letter of 4 March last, thus by the entering into of the contract in 1753, that instruction no longer retains any validity. I have furthermore the honor herewith to present to Your Honorable, Rigorous, Most Respected Sir the list translated into Portuguese, handed over to me by the Melbisaripoekaren, in the margin behind the names of which it is noted where the persons not present here reside, who have died, others who have never been here, furthermore another list of the persons who have resided here from of old and who have come here from the king's lands and settled, likewise what the inhabitants pay in duties. I have the honor to call myself with all humility, was undersigned: Honorable, Rigorous, Most Respected, High Commanding Sir! Your Honorable, Rigorous, Most Respected Sir's humble and obedient servant - was signed: Adriaan Poolvliet in the margin: Koilang the 29th of April 1789. Agreed Arnold Lunel Secretary Koetsiem To The Honorable, Rigorous, Most Respected Sir Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director on the Malabar Coast. Honorable, Rigorous, Most Respected, High Commanding Sir! The Torakaar of Koilang de Sima has written an ola to the Interpreter here in recent days, requesting him to send the Moguasse fishermen to him to settle their accounts. I had the Interpreter answer him that he must specify what the king's subjects who live here are still in debit of and must pay, because I am daily awaiting orders from Koetsiam to make them depart from our limits, and that I cannot let them go without the same, and as regarding our subjects, I will have the money collected from them and delivered according to custom in the coming month. The Torakaar has orally
Dutch transcription
konings onderdaanen die zich hier in ons limiet zoude zijn ophoudende, waar van lektura genoomen zijnde bevonde dat daar in de naamen stonden van veele die voorlange overleeden, anderen die hier niet te vinden, en naar elders zeder veele Jaaren vertrok„ „ken, en ook van zommige die hier nooit geweest zijn; Jk diende de Melbisaripoekaren dak ik mij met die lijst niet konde volstaan maar eerst daar na een nauwkeurig onderzoek doen, wijl daar in de naamen der menschen die al bereets over„ „leeden zijn ensz: zij lieten mij zulx toe en verzochten voorts dat ze de geregtigheeden van erfenissen bij de Mallabaaren gen=d Tjawara, welken de koning van d' inwoonders die hier komen te sterven kompiteerd, moogen invorde„ „ren, als volgens oud-gebruik, zoo diende ik daar op dat zulx niewers bij het kontrakt bekend staat maar wel daar en tegen bij het vijfde artikel van het kontrakt de dato 6: April 1710: werd aangehaald, dat zijn hoogheid signattie ooit of ooit eenige pretentsie op zal hebben te maaken het zij van erfenisse of in wat kas het zoude moogen weezen; zij zeijden daar op dat zulx ter 597 ter kontrarie konde worden beweesen bij olas en menschen dat die geregtigheeden al voor lange zijn betaald, mij verder vraagende of met dies invor„ „dering maar konde voortvaaren; hier op ant„ „woorde ik hen, dat ik zulx niet konde toestaan zonder erlangde qualifikaatsie van uweledele Gestr: Groot Achtb: aan wien ik, nagedaane onderzoek ten eersten kennis geeven zou; zij scheenden daar op onvoldaan en zeijden dat die zaak tusschen mij en hen konde werden af„ „gemaakt, maar ik zeijde hen van neen, dat de toestemming daartoe van uweledele Gestr: Groot Achtb: afhangd en derhalven zonder dien niets doen zoude Ik heb daar op den Tolk ten eersten aanbevoolen om onderzoeking volgens die ontvangene lijst te doen, en mij een kopia daar van in het Portugies overgezet te bezorgen, en bezeijden de naamen te stellen waar die opgegeevene menschen zich ophouden, en voorts nochmaals te verneemen naar de pretentsie die gemaakt word omtrend de gereg„ „tigheid der erfenissen, waar van albereets bij apar„ „ten est „ten brief van den 19: februarij Jleeden uweledele Gestr: Groot Achtb: bedeeld is: dat d'inwooners van ons liemist hebben betuigd, dat zulx in oude tijden en nooit ingebruik was geweest De gem: Amptenaaren vraagden mij verder of zij konden voortvaaren met 't invorderen van de Hoofd en nette gelden, ik antwoord hen van Ja, indien de tijd verscheenen is om die invor„ „dering te doen, en dat ik die gerechtigheden op Toeram 's konings plaats te koilang de Sima zoude laten besorgen, maar dit stond hen niet aan, begeerende derhalven dat door den aange„ „stelden Arajen van den koning kotjoe Fran„ „cisko zoude worden ingepalmt, welke ik dekti„ „neerde, als wel bemerkende dat hen zoeken maar is, om hem zijn rol hier in de liemiet te doen speelen alzoo hij noch daar buiten zijnde niet nalaat ƒ zulx te doen, met aan de bedienden van den koning alle quaat inte boesemen tot disrespect van DE: komp: De gem: Melbisaripoekaren verzochten mij verder, dat geen slaaven hier mogten werden inge„ „kocht; ik diende hen daar op, dat hier geen slaaven worden 598 worden verkocht dan na genoomene nauwkeurige examinaatsie van den Tolk waarop zij stil zwee„ „gen, en vertrokken weder terug De pretentsie van gem: Melbisaripoekaren nopens de geregtigheijd van erfenissen steunt op de Jnstruksie die in het Jaar 1747: aan hen zoude gegeeven zijn, door den toenmaaligen Dellawa Rama Ajen en waar van reets melding gemaakt is, bij mijne onderdanige aparte van den 4: Maart #t Jleeden, dus door 't aangegaan van het kontrakt in 1753: die Jnstruksie in geen waarde meer blijft. Ik heb overigens d'eere hier nevens uweledele gestrenge Groot Achtb: aante bieden, de in het Portugies overgezette lijst, door de Melbisaripoe„ „karen aan mij overgegeeven, aan welkers margi„ „ne agter de naamen bekend staan, waar de hier niet zijnde Persoonen zich ophouden, welke overleden, anderen die hier nooit geweest zijn, voorts noch een lijst van de Persoonen die hier van oudsher woonachtig zijn en die uit konings land hier gekoomen en zich nedergezet heb„ „ben, Jtem wat d' inwooners aan geregtighee„ „den an ƒ mij inge„ Hee slaaven en 9 „den betaalen. Ik heb d'eere mij met alle ootmoed te noemen p /:onderstond:/ wel Edele, Gestrenge Groot Achtbaare Hoog Gebiedende Heer! uwer weledel Gestr: Groot Achtbaarens onderdanige en Gehoorsame Dienaar - /:was geteekend:/ Adriaan Poolvliet /:inmarginne:/ koilang den 29:e April 1789: Akkordeerd Arnold Lunel sekret. 599 Koetsiem Aan Den wel Edelen, Gestrengen, Groot Achtbaaren Heer Johan Gerard van Angelbeek, Raad Ordinair van Nederlandsch India, Gouverneur en Directeur ter kuste Mallabaar. Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiedende Heer! De Torakaar van koilang de Sima heeft dezer dagen een ola aan den Tolk hier geschreeven, en verzogt om de Moguasse vissers naar hem te zenden, om hunne reekenings afte maaken; Ik heb door den Tolk hem laaten antwoorden dat hij opgewen moest wat d'onderdaanen van den koning die hier woonen noch debit zijn en moeten betaalen wijl ik dagelijx order verwagt van koetsiam, om hen uit ons limiet te doen ver„ „trekken, en dat ik zonder dezelve hen niet kan laaten gaan, en wat belangd onse on„ „derdaanen ik van hen na den gebruike in d'aanstaande Maand het geld zal laaten invorderen en bezorgen de Torakaar heeft mon„ „deling
English
Examined communicated to the interpreter that he would provide a list of their arrears, but until now none has been received, and because the prolonged stay of the King's subjects in our limits could give rise to new difficulties through the appearance of the King's people therein (from which one has been free for some time) under the pretext of coming to search for the King's subjects, I therefore request Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's order to be permitted to cause the King's subjects who have arrived here successively, as known from the last list sent from here and still in existence, to move away from here, so as to avoid difficulties on the part of the King's ministers. I have the honor to call myself with all humility, was written below: Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord! Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's humble and obedient servant. was signed: Adriaan Poolvliet in the margin: Koilang the 26th of June, 1789. Agreed. Arnold Lunel Secretary Per C. Kapper gi 600 Cochin. To the Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast. Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord. The local interpreter, Salvadoor Rodriguez Netto, has handed me the enclosed letter of complaint, together with two declarations, with the request to send the same to Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord, and that he may not be blamed for not having done so sooner because of his illness, from which he is still suffering, consisting of two large wounds strongly resembling cancer, one of which is on the upper arm and one in the middle of the back. The mentioned letter of complaint is against the local Roman Bishop named Frei Joze de Solidade, regarding his conduct toward him, the interpreter, and the Christian Mundukars of our limits, of which the mentioned interpreter gives a detailed report in his mentioned letter of complaint. With Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's favorable approval, and upon Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's granted authorization in the highly esteemed dispatch of the 15th of this month, after settling the affairs here with the envoy of the Dalawa, who has not yet arrived, I shall, upon the appointment of an Ariel, give him the title of Arayan, because Ariel is an uncommon name and translates to mean pilot, and also because all persons who are here in the King's service and over the Mukkuvars are called Arayan. I have the honor to call myself with all humility, was written below: Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord! Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's very humble servant was signed: Adriaan Poolvliet, in the margin: Koilang the 28th of July, 1789. Agreed. Arnold Lunel Secretary N 601 Cochin. To the Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast. Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord. Today I had the honor to receive Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's highly esteemed dispatch of the 17th of this month, together with an extract from a letter written by the Dalawa to Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord concerning the settlement made in our limits. Immediately after the receipt thereof, I wrote to the Melvisarippukaran and requested that he come to me here tomorrow to settle the matters here, as I have received a reply from Cochin; the answer to this I have not yet received. Upon my question regarding the building of a small church in our limits, the inhabitants of our limits declared that they will be very satisfied therewith, and they very humbly request Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord that a priest from Varapoly who understands Portuguese and Malabar may be sent to them as soon as possible, in order to perform services for the time being in a small ola church which they will construct with all possible haste, as the Bishop will probably not forbid them to come to Mokara and hear mass, and also that in cases of death and illness they will not be able to obtain a priest to administer the last rites and grant absolution; while they humbly express their gratitude for the favorable promise regarding the construction of another church. I have the honor to call myself with all humility, was written below: Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord: Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord's very humble servant was signed: Adriaan Poolvliet; in the margin: Koilang the 21st of August, 1789. Agreed. Arnold Lunel Secretary g 602 Cochin. To the Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord. Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councillor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast. Right Honorable, Severe, Most Respected, High Commanding Lord! By my humble letter of the 21st of this month, I informed Your Right Honorable, Severe, and Most Respected Lord that I had the Melvisarippukaran requested to come to me. He arrived together with the envoy of the Dalawa, Raman Zoella, and they told me, first the day before yesterday, that they had received writings from the Dalawa to collect the head tax and net tax from the hands of
Dutch transcription
Nagezien „deling aan den Tolk laaten weeten, dat hij een Lijst van hunne agterweezen bezorgen zoude, maar tot noch toe geen ontvangen en door dien het langer verblijf van 's konings onder„ „daanen in ons limiet nieuwe moeielijkheeden zouden kunnen verwekken, door verschijning van 's konings volk daar in /:waar van men zeder eenigen tijd vrij is geweest:/ onderpretext van 's ko„ „nings onderdaanen te komen zoeken, zoo verzoek ik uw weledele Gestr: Groot Achtb: order om de hier sukcessive aangekoomene 's konings on„ „derdaanen, zoo als bij de laatste Lijst van hier gezonden en noch in weezen zijn, bekend staan„ van hier te moogen doen verhuizen om daar door te vermijden de moeielijkheeden van de zijde van de Ministers des Konings. — Ik heb d' eere mij met alle oot moed te noemen /:onderstond:/ Wel Edele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiedende Heer! uwer weledele Gestr: Groot Achtbaarens onderdanige en Gehoorsame Dienaar. /:was geteekend:/ Adriaan Poolvliet /: in margi„ „ne:/ Koilang den 26=e Junie, 1789:—. Akkordeerd. Arnold Lunel sekret:s P„r C„ Kapper gi„ 600 Koetsiem. Aan den Weledelen, Gestrengen, Groot achtbaren Heer Johan Gerard van Angelbeek, Raad Ordinair van Nederlandsch Indiën, Goeverneur en Direkteur ter kuste Mallabaar Weledele Gestrenge, Groot achtbaare, Hoog Gebiedende Heer. De Tolk van hier Salvadoor Rodriguez Netto, heeft aan mij overhandigd het inleggend klagtschrift annex twee verklaaringen met ver „zoek het zelve aan uw weledele Pestr: Proot achtb: te zenden, en dat hem niet quaalijk mach worden genoomen, zulx niet eerder te hebben gedaan om de wille zyner ziekte waar aan hij noch laboreerd bestaande in twee groote won„ „dens, sterk lijkende naar kanker; waar van een aan den opperarmn en een midden in de rug gem: klagtschrift is tegen den hier zijnde room„ „schen Bisschop gen=t Fire Ioze de Solidade, we„ 1. „gens zijn gedrag tegen hem Tolk en de Christen Moendekaaren 3 - Maendekaaren van ons limiet waar van een omstandig bevrcht gem: Tolk in gem: zijn klagtschrift geeft—. onder gunstig welduiden van uweledele Pestr Groot achtb: zal ik op uw weled: Gestr: Groot achtb: verleende qualifikaatsie bij hoog g'achten Missiven van den 15:e dezer, na het afmaaken der affaires hier met. de zendeling van Dellawa, die tot noch toe niet gekoomen is; bij aanstelling van een Ariel, hem de titel van Arajen geeven, om dat Ariel een ongewoone naam, en bij overzetting Loodser komt te beduiden, en ook omdat alle perzoonen die hier in 't konings dienst en over de Moquassen zijn Arajen genaamd worden. —. Jk heb de eere mij met alle ootmoed te noemen. /:onderstond:/ weledele, Pestr: Groot achtb Hoog ge „biedende Heer ! uwer weledele Gestr: Proot achtb: zeer onderdanige dienaar /:was geteekend:/ Adriaan Poolsliet, /in margine Koilang den 28e: Juli 1789: Akkordeerd! Arnold Zuvel sekret:s N 601 Koetsiem Aan den Weledelen, Gestrengen, Groot achtb=re Heer Johan Gerard van Angelbeek, Raad ordinair van Nederlands India, Goeverneur en Direkteur ter Kuste Mal„ „labaare. — Weledele, Gestrenge, Groot achtbaare, Hoog Gebiedende Heer. Ik heb op heeden d'eer gehad te ontvangen uwer Weledele Gestr: Groot achtb: hoog g'achte missive van den 17: dezer, nevens een Extrakt uit eenen brief door den Deblawa aan uw weledele Gestr: Groot achbb: geschreeven, over de Schikking in onze limiet ge„ „maakt, Ten eersten na den ontvangst der zelven heb ik aan den Melbisaripokaren geschr: en verzocht dat hij op morgen hier bij mij komt om de zaaken hier af te maaken, alzoo ik antwoord van Koetsiem ontvangen heb, het antwoord hier op, heb ik noch niet ontvangen. — D' Jnwoonders van onze limiet, hebben op myj„ „nen vraag tot het bouwen van een klein kerk in onze limiet verklaard, dat zij daar meede zeer zeer voldaan zullen zijn, en verzoeken uw weledele Pestr: Grootachtb: zeer ootmoedig dat aan hen ten eersten een Priester van Varapoli die Portugees. en Mallabaars verstaat, mag worden gezonden, om zelfs dienst voor eerst in een ola kerkoje die zij met alle, alle spoed zullen aanmaaken te doen wijl de Bisschop waarschynlyk hen nit ver„ „bieden zal op Mokara te koomen en de mis„ aantehooren als ook dat zij bij sterf gevallen ziektens geen Driester zullen kunnen krijgen om de Rigt afteneemen en de absoluutsie bezorgen Terwijl zij nederiglijk bedanken voor de gunstige toezegging bij het aanbouwen van een andere kerk Jk heb de eer mij met alle ootmoet te noemen. /onderstond:/ Weledele, Gestrenge, Groot achtb: Hoog Gebiedende Heer: uwer weledele Gestr: Grootachtb: zeer onderdanige Dienaar /:was ge „teekend: :/. Adriaan Poolvliet; /in margine/ Kailang den 21:e Augustus 1789: Akkordeerd! Arnold„ Lunel sekrets g 602 Koetsiem. Aan Den weledelen, Gestrengen, Groot Achtbaaren Heer. Johan Gerard van Angelbeek, Raad Ordinair van Nederlands Indiën, Goeverneur en Direkteur ter kuste Malabaar. Weledele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebiedende Heer! Bij mijn nedrigen brief van den 21=e deezer heb ik uw weledele Gestrenge Groot Achtbaare bekend gemaakt, dat ik den Melwijaripoekara heb laaten verzoe„ „ken bij mij te koomen: Hij is nevens de zendeling van den Dalawa Ramen Zoella gekoomen en hebben mij eerst op eergisteren bij mij gezegd, dat zij schrijvens van Dalawa hadden Gekree¬ „gen, om de invordering van het hoofd en Nette geld te ontvangen uit handen van
English
by a person who will be appointed on the Company's behalf, asking me at the same time from whom I shall have that money collected. I replied to them thereupon: from the Company's subjects who reside within our limit, according to previous custom; but from the King's subjects, according to the submitted list, who are still actually to be found here, to be collected by themselves as soon as they shall have been removed from our limit. Upon this, the Melwijaripoekara, who was virtually the speaker throughout the entire conference, said that there are still about seventy persons residing here within the limit who are the King's subjects. I asked him thereupon how it is stated in his previously submitted list that there are 36 persons, yet really only 31 are still to be found here. Whereupon he, the Melwijaripoekara, said that those reported persons were from 4 villages, and that those from the other villages were not included therein, and that the sepoys and other Company's servants also had to pay the poll tax. I told him thereupon that such was never the custom, and that I would also not tolerate it being introduced, and further offered to hand over the King's subjects to them; but they refused to take them over without further orders from the Dalawa, and said that they would write to him about it and await an answer, while providing a list of the further King's subjects who are within our limit, but that they would not give a list to me. Yesterday I took information from the interpreter and several other old people, as well as from the sepoys, concerning the claim of the Melwijaripoekara, all of whom testified that his said claim is unfounded; that those old people have never heard that the Company's subjects residing here have ever been subjects of the King, and that the sepoys who are here, although some live in the King's country, have never paid the least bit on account of duties; it being evident, therefore, that it is nothing other than a malicious and deliberate intention of the Melwijaripoekara, for the emissary of the Dalawa appears to be a simpleton who merely echoes the Melwijaripoekara in order to provoke the Company and undo this good work of Your Right Honourable, and this, as the general rumour goes here, upon the advice of the Honourable Rosier, who presently maintains a very close friendship with the Roman Bishop, the said Melwijaripoekara, the so-called Arazen kotjoe Francisko, and several other Mukkuvas of the family of Francisko Dias Netto alias Pantjeko, and thereby does everything that he, Rosier, intends. The greatest part of the Mundukaras who went to the city with complaints against Pantjeko have been excommunicated by the Bishop, as well as the present interpreter with his entire family, and some Company servants were soundly beaten with bamboos. I have the honour to call myself with all humility, (underneath stood) Right Noble, Stern, Right Honourable, High-Commanding Lord, Your Right Noble, Stern, Right Honourable's humble and obedient servant, (was signed) Adriaan Poolvliet, (in the margin) Koilang the 28th of August, 1789. Agreed. Secretary Arnold Lunel No 30. Translation of an Arabic letter written by the Imam of Muscat, Saido, to the Right Noble, Right Honourable Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, received the 17th of January 1790. The Imam of Muscat, Saido, to the Lord Governor of Cochin, greetings. Presently my Nakhoda, Sheikh Ephraim, departs thither. I request, upon his arrival there, that you lend a helping hand on account of good affection, not only to him but also to those who come to Your Honour in my name, as before. When the above-mentioned Nakhoda was in Cochin last year, 42 ducats were unjustly demanded from him there, which is contrary to the good friendship between Your Honour and me; and last year a certain boom of mine, because it had gone to the Travancore country to trade, was condemned to a fine of one hundred ducats. Since merchants have the freedom to go to all places, as Your Honour is well aware, I think it is very unfair that merchants are condemned for that. The kindnesses that we continuously show to Your Honour's traders who come here also warrant that the same be done to mine. Wherefore I request Your Honour, on account of our affection, to have the aforementioned money sent back to me, and if this should not happen, I shall be forced to write to Batavia. Hereupon I await an answer. (underneath stood) The seal of the Imam pressed in black ink. (underneath stood) For the translation according to the reading and interpretation of the Arab Abdul Latif, Cochin, date as above. (was signed) J. M. Truijens, sworn translator. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. Right Noble, Stern, Right Honourable Lord. The Nakhoda of the Moorish ship lying here in the roads, by name Sheikh Ephraim Moelalie, three years ago, on the occasion when the native or former captain of the sepoys, Johan de Mariano, commonly called Captain Bietjienjo, was about to depart for Tellicherry, gave a commission to purchase some native cordage for him at a certain price and bring it here; which commission was executed by the said Bietjienjo and the purchased cordage was brought hither from Tellicherry to be delivered to the said Nakhoda; but the Nakhoda would not accept the same, under the pretext that the said ropes were fit for no other use than the making of oakum. No 31. Where
Dutch transcription
van een perzoon die 's kompenies wee„ „gen zal worden aangesteld. vraagende: mij teffens van wien ik dat geld zal in„ „vorderen laaten: ik diende hen daar op van 's kompenies onderdaanen die in onze Limiet woonagtig zijn, na volgens voor „rig gebruik; maar van 's konings on„ „derdaanen, volgens overgegeevene Lijst, en hier nog in weezen te vinden zijn, om door hen zelfs ingevorderd te worden, zoo dra zij uit onze Liniet zullen gesteld zijn; hier op zijde de Melwijaripoekara die genoegzaam in de gantsch konferentsie de spreeker was, dat 'er nog wel zeventig perzoonen hier in de Limiet woonachtig zijn, die konings onderdaanen zijn, ik vraagde hem daar op hoe dat bij zijn voorige overgegeevene lijst be¬ „kend staat van 36:~ perzoonen, dog werkelijk maar 31:– hier nog te vinden zijn, waar op hij Melwijaripoekara zeide, dat die opgegee„ „vene menschen van 4:~ Dorpen, en dat van de andere Dorpen daar bij niet gesteld waaren 603 waaren, en dat ook de sipaiers en andere 's kom„ „penies Dienaaren het hoofdgeld moesten betaalen; Jk zeide hem daar op dat zulx hooit in gebruik was, en ook niet dulden zoude dat ingevoerd wierd, en bood hen verder aan den onderdaanen van den koning overteleeveren, maar zij weiger den dezelven over te neemen, zonder nader order van den Dalawa, en dat zij daar over aan denzelven schrijven zouden, en antwoord blijven afwagten, onder bezorging van een Lijst der verdere 'skonings onderdaa¬ „nen, die in onze Limiet, zijn maar geen Lijst aan mij geeven zoude: Jk heb op gisteren van den Jolk en meer ander oude lieden ook van de sipaiers informaatsie genoomen om„ „trend de pretentsie van den Melwijaripoe„ „kara, dewelke alle betuigd hebben dat geme zijn pretentsie ongefondeerd; dat die oude Lie¬ . „den nooit gehoord hebben dat de onderdaanen van de kompanie die hier woonachtig zijn, ooit onderdaanen van den koning zijn geweest, en dat de siprij¬ „ers die hier zijn, schoon sommige in 't konings Land woonen, iets het alderminst weegens gerechtigheid hebben betaald: blijkende dus dat 't niet niet anders is, als een quaadaardige en opzettelijke voornoemen van den Melwijaripoekara te weezen, want de zendeling van den Dalawa schijnd een onnosele bloed te zijn, die alles na de mond van den Melwi¬ „jaripoekara spreekt, om de komp=e te tergen en dit goed werk van uw weled: Groot achtb: te niet te maaken, en zulx, zoo als het algemeen gerugt hier loogt, door aanraaden van de E: Rosier, die thans met den roomsch Bisschop gem=e Melwijaripoekara, den zoo„ „genaamde Arazen kotjoe Francisko, en eenige verdere Moguasen van de familie van Francisko Dias Netto alias Pantjeko zeer nauwe vriendschap onderhoud, en daar door alles doet wat hij Rosier voorneemd. Het grootste gedeelte van Mundoeka„ ras die naar de stad zijn geweest met huiklag¬ „ten teegens lantjiko zijn door den Bisschop G'exj„ „cummuniceerd, ook de tegenwoordige Jolk met zijn Gantse familie, en zommige 's komp Dienaar deftig met de Bamboes geklopt. Ik heb de eer met alle ootmoed te noemen (:onderstoand) weledele, Gestrenge, Groot Achtbaare, Hoog Gebie„ dende Hoor. uwer weledele Gestr: Groot Achtb: onder¬ „danige en gehoorzaame Dienaar /:was geteekend/ Adri „aan Poolvliet, /:in margine:/ koilang den 28=e Augus„ „tus, 1789: Akkordeerd. sekret:s Arnold Zunel 604 N„o 30. Translaat Arabische brief door den Jmam van Maskat Seido geschreeven aan den weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur d Johan Gerard van Angelbeek ontvangen den 17: Januari 1790: De Jmam van Maskat Saido aan den Heer Goeverneur van Koetsiem Salut Thans vertrek mijn Nachoda Sech Ephraim naar derwaards, Jk verzoeke met zijne komste aldaar niet alleen aan hem maar ook aan de geenen die uit mijn naam bij uw Edele komen gelijk voor heen de behulpsaame hand te bieden, uit hoofde van de goede geneegenheid. Toen bovengemelde Nachoda voorleeden Jaar op koetsiem was geweest, is aldaar van hem 42: Dukaaten te onrechten afgeeischt, het geen strijdig is tegen de goede vriendschap tusschen uw Edele en mij; En voorleeden Jaar is een zeeker Bombara van mij, om dat dezelve naar het Trevankoorsche land gegaan was te negootsieeren, honderd dukaa„ „ten in boete gekondemneerd. wijl de kooplieden de vrijheid hebben naar alle plaatsen- aan ts plaatsen te gaan gelijk uwEdele wel bewust is: zoo denk ik dat het zeer onbillijk is, dat de kooplieden daar over gekondemneerd word De vriendelijkheeden dien wij aan uw Edele Handelaars, dewelken hier komen, bij aan hou„ „dendheid bewijsen, geeven dit ook plaats aan de mijnen te doen. weshalven verzoek ik uw Edele uit hoofde van onze genegenheid het voormelde geld mij te laaten terug zenden, en wanneer dit niet mogte geschieden, zal ik genoodzaakt weesen naar Batavia te schrijven, hier op verwacht ik antwoord /:onderstond:/ het kachet van den Jmam in zwart inkt gedrukt /onderstond:/ voor de translaatsie volgens leezing en verstaan geeving van den Arabier Abdul Latif koetsiem dato als vooren /:was gete: / I: M: Truijens Gezw: translateur Akkordeerd Arnold Lunel Sikret. s 605 Weledele Gestrenge Groot achtbaare. Heer. De Nachoda van 't alhier ter Rheede leggende Moors schip in name Sech Efrahim Moelalie, heeft nu voor drie Jaaren, bij gelegenheid dat den Jnlander of de geweesene kapitain der Siphais Johan de Mariano en de wandeling kapitain Biet„ „jienjo genaamd na Tallischerij stond te vertrekken kommissie gegeven, om eenige vaderlandsche bouwerken voor een zeker prijs voor hem in te kopen en hier te brengen welk kommissie door gem: Bietjienjo uitgevoert en de gekogte touwerken van Tallischerij herwaards gebragt om aan gem: Nachoda te leeveren; maar de Nachoda had dezelve niet willen aksepteeren, onder voorgeven dat gem: touwen tot geen andere diensten bekwaam waaren, als tot maken van werk N„o 31. waar
English
whereupon the said Bietjienjo went to lodge a complaint with the then acting interim Fiscal, Mr. van Spall, and after an inspection of the said cordage by the Master of Equippage van Blankenberg and Boatswain Jan Smit 2nd, the said Nachoda was ordered to take the said ropes and pay the cost thereof; because the said Bietjienjo had purchased and brought them hither at the request of the Nachoda, but the said Nachoda was unwilling to do so; however, as he was about to depart and was prohibited by the then Shahbandar from departing before and until he should have paid the cost of the ropes, he finally proceeded to do so and paid the money, but left the cordage where it was, which is still to be found at Efrahim cohen's in the Pandiaal. Furthermore, the said Nachoda arrived here the following year (which is now two years ago) and applied to the undersigned to request Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir that 606 that he might recover the money that he had to pay for the ropes, of which I informed Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir, and received the reply that it was a settled matter and that the money had been handed over to the owner. I went to the Second in Command to inquire whether His Honor had any record of the said matter regarding how it was settled at that time; but received the reply that all the records that His Honor kept during the absence of Mr. Beits Senior were handed over to him upon his return. While I have the high honor to call myself with all respect, [below stood:] Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir, Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir's most obedient servant, [was signed] wolff. [In the margin:] Cochin, 20 January 1790. Agrees, Arnold Lunel, Secretary. 607 No. 32. Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful, High-Commanding Sir! Pursuant to Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir's highly venerated order, I asked the Nachoda of the Moorish ship lying here in the roads, named Sech Efrahim Moelalie, whether he would take delivery of the cordage that has been lying for his account in the Pandiaal of Arahim Cohen for three years past; if not, that the same would be sold for the current price and the proceeds thereof awarded to him; to which he replied, That he is not inclined to take the aforesaid ropes nor to accept the proceeds thereof (which should now be realized upon sale), but rather the full sum To the Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir Johan Gerard van Angelbeek, Ordinary Councilor of the Dutch Indies, Governor and Director of the Malabar Coast. of 42 ducats that he paid for the same three years ago. Of which I have the high honor hereby most respectfully to inform Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir, and remain with all submission, [below stood:] Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful, High-Commanding Sir, Your Right Honorable, Highly Esteemed, Worshipful Sir's most obedient servant, [was signed] I. wolff. [In the margin:] Cochin, 27 January 1790. Agrees, Arnoldus Lunel, Secretary. 90. 608 No. 33. Draft letter written by the Right Honorable, Worshipful Governor Johan Gerard van Angelbeek to the Lord Imam or Ruler of Muscat, Said, on 17 February 1790. Most Illustrious Sir, I have received Your Highness's letter from the hands of the Nachoda Sheikh Ephraim, and immediately made an inquiry into his complaint that 42 ducats were unjustly demanded from him here, and I have found that he misled Your Highness with unfounded complaints and that the case occurred as follows. Three years ago, he gave a commission to a native named Bietjienjo, who was traveling to Tellicherry to trade, to buy some cordage for him there; this was done, but when the cordage arrived here, he he refused to take it, alleging that it was not good; Bietjinjo thereupon lodged a complaint against him with the Fiscal, who had the cordage inspected by our Master of Equippage and Boatswain, and because these men declared that the cordage was good, he was ordered by the Fiscal to pay; he refused this, but when he was notified by the Shahbandar in the name of the Fiscal that he would not be permitted to depart until he had paid, he paid the money amounting to 42 ducats, but left the cordage in the warehouse of Ephraim kohen, Jewish merchant here, where it still remains. It is just and right that he who causes any goods to be purchased by another must take and pay for the same, and because his pretext that the cordage was not good was found to be untrue by knowledgeable men, he was rightly condemned by the Fiscal; had he nevertheless felt aggrieved by the ruling of the Fiscal, he would only have needed to address himself to me, and I would have had the case further investigated.
Dutch transcription
waar op gem Bietjienjo bij den toen„ „maligen adinterim waarneemende. Fiskaal de Heer van Spall is wee„ „sen klaagen en na bezigtiging van ge„ „melde touwerken door den Equi„ „pasiemeester van Blankenberg en Boosman Jan Smit 2=o, gem: Nachoda is gekondemneert gewor„ „den dat hij gem: touwen moesten neemen en 't kostende van dien beta„ „len; wijl gem: Bietjienjo, op des Nachodas versoek gekogt en herwaards gebragt had, maar gem: Nachoda was daar in onwillig egter wijl hij op zijn vertrek stond en door den toenmaligen shabandaar verboden was om niet te mogen vertrekken voor en al eer hij het kostende van de touwen betaald zoude hebben, is hij eindelijk daar toe overgegaan en het geld betaald, dog de touwerken geladten, waar ze waa„ „ren dewelke nog bij Efrahim cohen in de Zandiaal te vinden zijn Wijders is gem: Nachoda 't Jaar daar op (:dat nu twee Jaar geleeden is:/ alhier aangekomen, en heeft den ondergetekende aangeweest om uwel„ edele Gestrenge Groot achtb: te versoeken dat 606 dat hij zijn geld, die hij voor de touwen heeft moeten betaalen wederom te mogen erlangen waar van ik aan uwel„ „edele Gestr: Groot actb: kennis heb ge„ „geeven en tot antwoord bekomen, dat het een afgedaane zaak en dat 't geld aan den Eijgenaar afgegeven was Jk ben bij de heer sekunde geweest= om te verneemen of zijn weledele eenig aantekening heeft van gem: zaak hoe dat deselve toen afgedaan is; doch tot antwoord bekomen dat alle de aantekeningen die zijn Ed=s in absentsie van de heer Beits z=r heeft gehouden, met zijn terug komste aan hem overhandigt Terwijl ik de hoog eer hebbe met alle eerbied te noemen /onderstond:/ weledele Gestrenge Groot achtbaaren Heer uweledele Gestr: Groot achtb=s zeer gehoorzaamste Dienaar /was ge„ „teekend/ wolff /in margi„ „ „ne:/ koetsiem den 20: Januarij 1790: Akkordeerd Arnold Lunel sekret; 607 N„o 32. Weledele Gestrenge Groot achtbaare Hoog Gebiedende Heer! Jngevolge uweledele Gestrenge Groot achtbare zeer gevenereerde order, heb ik de Nachoda van 't alhier ter Rheede leggende Moors schip, in name Sech Efrahim Moelalie gevraagt of hij de touwer „ken, die voor zijn reekening in de Pandiaal van Arahim Cohen zedert drie Jaaren herwaards leggen niet wil overnemen! so niet, dat dezelve voor het geldende verkogt en het bedraagen daar van, aan hem toegeweesen zal werden; waar op hij tot antwoord heeft gedient, Dat hij niet genegen is voorschreeven touwen te nemen nog het provenue van dien /:dat nu bij verkoop zal komen te rendeeren:/ te akcepteeren maar wel de volle Somma - Aan den weledele Gestr: Groot achtb: Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlands Jndien Goeverneur en Direk „teur ter kuste Mallabaar van - van 42. dukaaten die hij voor drie Jaaren voor dezelve heeft gegeven. waar van ik de Hooge eer hebbe uwelEdele Gestrenge Groot achtbaare mits deeze zeer eerbiedig te berigten en blijve met alle onderdanigheid /:onderstond:/ Weledele Gestrenge Grootachtbaare Hoog Gebiedende Heer, uweledele Gestrenge Groot achtbaare zeer gehoorzaame Die„ „naar /was geteekend:/ I: wolff /in margine:/ koetsiem den 27: Januarij 1790: Akkordeer Arnold„s Lunel Sekret:s 90: 608 N„o 33. Koncepl brief door den weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan den Heer Imam of Regent van Maskattij Seido„ den 17:e febr: 1790:—. Seer voortreflijke Heer Ik heb uit handen van den Nachode Schech Ephraim den brief van uwe Hoogheid ontvangen en ten eersten onderzoek gedaan naar zijne klagte, dat hem hier 42: Dukaaten ten on„ rechten afgeeischt waaren, en ik heb bevonden dat hij uwe Hoogheid met ongefundeerde klachten mistijdt heeft en dat het geval zich toegedraagen heeft, als volgt. Flij heeft voor drie Jaaren aan een Inlander Bietjienjo genaamt, die naar Tellitseri reis de om te negootsieeren, kommissie gegeven, daar eenig touw werk voor hem te koopen dit is geschied, doch toen het touw-werk hier quam, wilde E wilde hij het niet noemen voorgeevende: dat het niet goed was, Bietjinjo verklaagde hem daar op bij den fiskaal die het touw„ „werk door onzen Equipasiemeester en Bootsman liet bezichtigen, en wijl deeze Menschen verklaarden dat het touwwerk goed was, zoo werd hij door den fiskaal geordonneerd om te betaalen, Hij wei„ „gerde dit doch toen hem door den Sjabandaar uit naame van den fiskaal aangezegd wierd dat hij niet vertrekken mogt voor dat hij voldaan had zoo betaalde hij het geld ten bedraagen van 42: Dukaaten, doch let het touwwerk in 't pakhuis van Ephraim kohen Joodskoopman alhier leggen daar het ook noch is. Het is billijk en recht, dat de geene die eenig goed door een ander koopen laat het zelve neemen en betaalen moet, en wijl zijn vergeeven, dat het touwwerk niet goed was, door kundige Menschen onwaar bevonden werd, zoo is hij door den fiskaal met regt gekondemneerd: stad hij zich echter bij de uitspraak van den Fiskaal bezwaard gevonden, zoo had hij zich maar aan mij behoeven te vervoegen, dan zoude ik 't geval nader hebben laaten onderzoeken
English
to investigate, the more so because at that time he frequently came to my house when he needed one thing or another for building his ship, and was always treated kindly by me. But now that he has once paid and remained silent for three years, I can do nothing about it; nevertheless, in order to advise him for the best, I had him come to me and attempted to persuade him to take over the cordage after all, but he refuses this, and thus I cannot help him. The second complaint, that last year a Bombara was condemned to a fine of one hundred Dukaaten, is not only false, but by this false accusation I am also insulted, for I have never condemned anyone of Your Highness's people to any fine. But the truth of the matter is as follows. No native vessels may sail past Koetsiem without paying duty and taking passes; this is an ancient right of the Company, which has been practiced from ancient times, in which I therefore cannot make any change. In the year 1788, several native vessels undertook to pass Koetsiem and go to Alepe, without first taking passes and paying duty. I therefore had the same brought from Alepe, and among them was a Bombara whose karanie, by name Dadojie, had sold 113 kandijlen of kapok and bought 28 kandijlen of copperas there. According to the Company's law, he not only had to pay the duty, but had also forfeited vessel and cargo. Yet I remitted that punishment to him, because he pretended not to have known this, and only had him pay the duty, for I cannot exempt him from that; and, being convinced that he was treated with great kindness by me, he also promised as much, and that was thus settled at my house, in the presence of a crowd of Nachodas and karanis. Consequently, he ought to have paid the following in farm duties: For 113 kandijlen of Surat kapok at 85 ropijen the kandijl, amounting at 5 per Cento to Ros: 480¼ And for 28 kandijl of copperas, which he had bought there for 25 Rop:, at 4 per Cento, 28: Thus together Rop: 508¼ Yet instead of that, he satisfied the farmer with one hundred Dukaaten, which according to the exchange rate of the time amounted to 475 rop:, and consequently he paid 33¼ rop: less than he ought to have paid. The Bombaras who come here are treated with all kindness, but the duty which they are obliged to pay according to the ancient laws of the Company, I cannot reduce or remit, and thus cannot comply with Your Highness's request in this matter. On all other occasions, it will be a pleasure for me if I can do Your Highness any favor, to which end I offer my service. May God preserve Your Highness with health for many years. Below was written: thus translated by me into Malayalam, Koetsiem, date as before. Was signed: I: M: Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, Secretary.
Dutch transcription
509 onderzoeken, te meer wijl hij diertijds dikwils aan mijn huijs quam als hij het een of het „ander tot het „bouwen van zijn schip noodighad, en altijd vriendelijk van mij bejeegend is, Maar nu hij eens betaald en drie Jaar stil gezweegen heeft, kan ik daar aan niets doen; Jk heb hem echter om hem ten besten te raaden, bij mij laten komen en te disponeeren getracht, om het touwwerk als noch over te neemen, doch hij weigerd dit, en dus kan ik hem niet helpen. De tweede klagte dat voorleeden Jaar een Bombara in een boete van honderd Dukaa„ „ten gekondemneerd was, is niet alleen valsch maar door deeze valsche beschuldiging worde ik ook beleedigd. want noit hebbe ik iemand van uw Hoogheid volk in eenige boete gekondemneerd. Maar de waarheid van de Zaak is als volgt. Geene Jnlandsche vaartuigen mogen koet„ siem voor bij vaaren, zonder tol te betaalen en passen te neemen, dit is een oud recht van de kom„ „panie, het welk van al oude tijden geoefend is, waar in ik dus geene verandering kan maaken Jn het jaar 1788: ondernamen ver„ „ „scheidene Jnlandsche vaartuigen koetsiem voor bij en naar Alepe te gaan, zonder eerst eerst passen te neemen en tol te betaalen, ik heb dezelve dus van Alepe laaten haalen en daar onder is een Bombara geweest, wiens karanie met naame Dadojie aldaar 113: kandijlen kapok verkocht en 28: kandijlen koperas gekocht had, volgens 's komp„s wet moest hij niet alleen de tol betaalen, maar had ook vaartuig en laading ver„ beurd, doch die straffe heb ik hem ge„ schonken, wijl hij voorgaf dit niet geweeten te hebben, en hem alleen de tol laaten betaalen, want die kan ik hem niet quijt schelden en hij heeft ook vertuigd zijnde, dat hij met groote goedheid van mij behan„ „deld wierd zulx beloofd, en dat is zoodanig afgemaakt aan mijn huis, in tegenwoor„ „digheid van een menigte Nachodas en karanis, dienvolgende had hij 't volgende moeten aan pacht betaalen. voor 113: kandijlen soeratsche kapok â 85:—. ropijen het kandijl uitmaakende voor 5. p„r C=to Ros: 480¼: en voor 28: kandijl koperas die hij daar „ 28:—. tegen 25: Rop: ingekocht had à 4. p„r C„to Dus Je zaamen Rop: 508¼: Doch in Steede van dien heeft hij den pagter 610 pagter te vreede gesteld met honderd Du„ „kaaten, die naar den wisselkoers van den tijd 475: rop: uitmaakten en gevolglijk heeft hij noch 33¼: rop: minder betaald dan hij hat moeten betaalen. De Bombaras, die hier komen, worden met alle vriendelijkheid behandeld, doch de tol„ die zij volgens de al oude wetten van de kom„ „panie verplicht zijn te betaalen kan ik niet verminderen of quijt schelden, en dus ook niet aan uw Hoogheids verzoek in deezen voldoen, In alle andere geleegenheid zal het mij aangenaam zijn als ik uw Hoogheid eenig plai„ „sier kan doen, waartoe ik mijn dienst aanbieden God Bewaare uwe Hoogheid lange Jaaren met gezondheid /:onderstond:/ zoodanig door mij in 't Mallab=s overgezet koetsiem dato als vooren /. was geteekend:/ I: M: Truijens Gezw: Translateur. Akkordeerd Arnold Lunel sekret:s eerst passen te neemen en tol te betaalen, ik heb dezelve dus van Alepe laaten haalen en daar onder is een Bombara geweest, wiens karanie met naame Dadojie aldaar 113: kandijlen kapok verkocht en 28: kandijlen koperas gekocht had, volgens 's komp„s wet moest hij niet alleen de tol betaalen, maar had ook vaartuig en laading ver„ beurd, doch die straffe heb ik hem ge„ schonken, wijl hij voorgaf dit niet geweeten te hebben, en hem alleen de tol laaten betaalen, want die kan ik hem niet quijt schelden en hij heeft ook vertuigd zijnde dat hij met groote goedheid van mij beha „deld wierd zulx beloofd, en dat is zooda afgemaakt aan mijn huis, in tegenwoor digheid van een menigte Nachodas en karanis, dienvolgende had hij 't volgend moeten aan pacht betaalen. voor 113: kandijlen soeratsche kapok â 85 ropijen het kandijl uitmaakende voor 5: p„r C=to Rosp: 481 en voor 28: kandijl koperas die hij daar to tegen 25: Rop: ingekocht had à 4: p„s „ 22 „6m Dus je zaamen Rop: 508 Doch in Steede van dien heeft hij de pagter 610 pagter ter vreede gesteld met honderd Du„ „kaaten, die naar den wisselkoers van den tijd 475: rop: uitmaakten en gevolglijk heeft hij noch 33¼: rop: minder betaald dan hij hat moeten betaalen. De Bombaras die hier komen, worden met alle vriendelijkheid behandeld, doch de tol„ die zij volgens de al oude wetten van de kom„ „panie verplicht zijn te betaalen kan ik niet verminderen of quijt schelden, en dus ook niet aan uw Hoogheids verzoek in deezen voldoen, In alle andere geleegenheid zal het mij aangenaam zijn als ik uw Hoogheid eenig plai„ „sier kan doen, waartoe ik mijn dienst aanbieden God Bewaare uwe Hoogheid lange Jaaren met gezondheid /:onderstond:/ zoodanig door mij in 't Mallab=s overgezet koetsiem dato als vooren /.was geteekend:/ I: M: Truijens Gezw: Translateur. Akkordeerd. Arnold Lunel sekret:s eerst passen te neemen en tol te betaal ik heb dezelve dus van Alepe laaten hu en daar onder is een Bombara geweest, wil karanie met naame Dadojie aldaar 1. kandijlen kapok verkocht en 28: kandijle koperas gekocht had, volgens 's komp wet moest hij niet alleen de tol betaa„ maar had ook vaartuig en laading ve beurd, doch die straffe heb ik hem ge schonken, wijl hij voorgaf dit niet geweer te hebben, en hem alleen de tol laaten betaalen, want die kan ik hem niet gu schelden en hij heeft ook vertuigd zijn dat hij met groote goedheid van mij bet deld wierd zulx beloofd, en dat is zood afgemaakt aan mijn huis, in tegenwoo¬ digheid van een menigte Nachodas en karanis, dienvolgende had hij 't volgen moeten aan pacht betaalen. voor 113: kandijlen soeratsche kapok â 8: ropijen het kandijl uitmaakende voor 5: p„r C=to Rop: 48 en voor 28: kandijl koperas die hij daar to „ 2. tegen 25: Rop: ingekocht had à 4. p„r C=to Dus je Zaamen Rop: 500 Doch in Steede van dien heeft hij de pagter
English
610 farmer satisfied with one hundred Ducats, which according to the exchange rate of the time amounted to 475: rop:s and consequently he has paid 33¼: ropp: less than he ought to have paid. The Bombaras, who come here, are treated with all kindness, but the toll that they are obligated to pay according to the ancient laws of the Company, I cannot reduce or remit, and thus also cannot comply with Your Highness's request in this matter. On any other occasion, it will be my pleasure if I can do Your Highness any service, for which I offer my services. May God preserve Your Highness for many years in good health. It was signed below: translated as such into Malayalam by me, Cochin, dated as above. It was signed: I:M: Truijens, Sworn Translator. Agreed, Arnold Lunel, Secretary
Dutch transcription
610 pagter te vreede gesteld met honderd Du„ „kaaten, die naar den wisselkoers van den tijd 475: rop:s uitmaakten en gevolglijk heeft hij noch 33¼: ropp: minder betaald dan hij hat moeten betaalen. De Bombaras, die hier komen, worden met alle vriendelijkheid behandeld, doch de tol„ die zij volgens de al oude wetten van de kom„ „panie verplicht zijn te betaalen kan ik niet verminderen of quijt schelden, en dus ook niet aan uw Hoogheids verzoek in deezen voldoen, In alle andere geleegenheid zal het mij aangenaam zijn als ik uw Hoogheid eenig plai„ „sier kan doen, waartoe ik mijn dienst aanbieden God Bewaare uwe Hoogheid lange Jaaren met gezondheid /:onderstond:/ zoodanig door mij in 't Mallab=s overgezet koetsiem dato als vooren /:was geteekend:/ I:M: Truijens Gezw: Translateur. Akkordeerd Arnold Lunel sekret:s