VOC English

Dutch East India Company records, translated and anchored to the scan.

Inventory 3850

Malabar · 734 pages · 118 segments · open at the Nationaal Archief ↗

NL-HaNA_1.04.02_3850_0446 view scan ↗

English

intended to attack the King of Trevankoor by force of arms, and this was further confirmed by the approach of his army, of which the vanguard had already arrived on the 12th of December at Trietsjoer in the land of the King of Koetsiem, and had arrested his servants as well as plundered the villages, no other means remained for us to avert the danger threatening us than defense by arms. For this reason, we resolved in our meeting on the 14th of December last to place ourselves in a state of defense to the utmost of our power, and to take in hand everything possible for the defense of the city of Koetsiem entrusted to us. To that end, the commanders of the infantry and artillery, alongside the other captains, were commissioned to examine and submit in writing what was required for this purpose. This report, along with our decisions in the margin, is inserted into the secret resolution of the 19th of the same month, to which I refer here. Section 162. Pursuant to the resolutions adopted in those two meetings, the necessary provisions of bacon, meat, butter, beans, etc., were purchased from an American ship, the list of which is inserted in our general description S: 111 currently being transmitted. Section 163. The further requirements of dried fish, salt, oil, vinegar, tobacco, coconuts, etc., were acquired at market prices. Section 164. In the resolution of the 19th of December, the list of purchased medications and dressing supplies is inserted. Section 165. The woods and trees on the Island of Baipien that obstructed the defense and the view were chopped down under the supervision of the Master of Equipment Blankenberg, who also had to provide for firewood; however, the houses and the Roman church were for the time being left intact. Section 166. In order not to be burdened with women and children, or also with useless inhabitants, in the event of a siege, the community was warned by a notice, which is transmitted among the appendices, that those who were inclined to send their women to Ceilon could do so with a private ship chartered for that purpose by the first qualified persons; and that the others who found no room on it would do well to send theirs to Koilang, where they would be provided with shipping opportunities for the further journey to Ceilon, to which end the Ceilon Government was requested to assist us with ships and vessels; and furthermore, that all persons who according to the edict of the 24th of August 1784 had no right of residence and could contribute nothing to the defense of the city had to vacate it, and that the others had to provide themselves with rice and other indispensable provisions for six months, and give an account thereof to the ward masters. Section 167. Furthermore, two companies of Malabar Sepoys and fifty native artillerymen who had served in the English war were re-enlisted into service. Section 168. And five hundred men from Ceilon, including one hundred artillerymen, alongside twenty thousand pounds of gunpowder, were requested. Section 169. Furthermore, the necessary supply of beams, planks, gunny bags, areca and coconut trees was acquired, and the number of chevaux-de-frise was increased to fifty. Section 170. And finally, the cannon platforms and embrasures, both on the main rampart and in the covered way where it was necessary, were improved, and the artillery was arranged on all batteries in such a way that upon the approach of the enemy nothing else had to be done than to light the matches. Section 171. I shall not detain the attention of Your High Excellencies with the numerous reports that have arrived daily since regarding the military preparations and movements in Tipoe's army, which were indeed of great importance to us at that moment, for which reason I also spared no expense on them, but which can now no longer be of importance to Your High Excellencies. I therefore only report that finally on the 29th of December last, the war so long feared broke out into actual hostilities, but with a completely different outcome than could have been expected up to that time. Tipoe Sultan, who had divided his army into detachments from the mountains along the Trevankoor lines to Kranganoor, in the early morning did not attack Fort Kranganoor, as everyone expected, but the lines close to the mountains; and because he was not expected there, he captured them without difficulty. However, after he had already made himself master of three bastions in the same, he was driven out of them again by the people of Trevankoor with great loss, which since that time is estimated by the most moderate calculation at three thousand men. Section 172. Tipoe Sultan not only lost several prominent military commanders in this engagement, but was also himself wounded by an arrow; and it is believed that he ran great danger of being captured, because his palanquin with a gold writing chest and therein his further loss was great

Dutch transcription

voorneemens was den koning van Trevankoor met de waapens aan te tasten, en dit noch na der bevestigd werd, door de aannadering van zijne armee, waarvan de avant. garde op den 12e. decb. reets te Trietsjoer in het land van den koning van Koetsiem was aangekoomen, en deszelfs Bedienden gearresteerd mits„ gaders de dorpen uit geplanderd had, zoo bleef ons geen ander middel tot afwending van het ons dreigende Gevaar over, dan de verdeediging met de waapens, weshalven wij in onze Vergadering op den 14e december Jongstleeden beslooten ons daartoe naar uiterste vermogen in staat te stellen, en al wat ons moogelijk was, tot die verdeediging van de ons. toe vertrouwde stad koetsiem bij der hand te neemen, en tot dat einde wierden de kommandanten van de Jnfanterij en Artillerg, nevens de verdere kapitains gekommitteerd na te gaan en schriftelijk op te geeven wat daartoe vereischt word, welke rapport met onze dispo„ „sietsien in margine bij de sekreete resoluutsie van den 19e ejusdem geinsereerd is, waaraan ik mij hier gedraage So. 162 Ingevolge 499 schoon gemaakt. voor brandhout gezorgd. de gemeende. Inkoop van provisien L: 162. Jngevolge de en die twee vergade ringen genoomene besluiten, wierden de noodige provisien van spek, vleesch, boter, katjang enz: van een Amerikaansch Schop inge¬ kocht, waarvan de lijst bij onze thans overgaande gemeene be„ schrijving S: 111: geinsereerd is. So: 163. De verdere benoodigdheeden van karwaat, zout, Olie, Azijn, Tabak, kokosnooten enz: wierden tegen marktsprijzen opgedaan. van medikamenten P: 164. Bij de Resoluutsie van den 19=en decbr: is de lijst van de ingekochte medikamenten en verband behoeften geinsereerd. 't: Eiland Baipien vord d: 165: De Bosschen en boomen op het Eiland Baipien, die de de fersie en het gezigt verhinderden, wierden weggekapt onder het opzicht van den Equipasiemr Blankenberg, die tevens voor brandhout moest zorg draagen, doch de huizen en Roomsche kerk wierden voor eerst noch in weezen gelaaten. bekendmaaking aan §. 166. Om in val van eene beleegering niet met vrouwen en kinderen, of ook met onnutte inwoonders opgescheept te zijn, werd de gemeente 14 baarsche sipais en Artillensten. gemeente bij een biljet, het welk onder de bij lagen overgaat, gewaarschouwd, dat de geenen, die geneegen waaren hunne Vrouwen naar Ceilon te zenden, zulks kosten doen, met een daartoe door de eerste gequalificeerden inge„ „huurd partikulier schip, en dat d ovrigen die daarop geen ruim te vonden, wel zouden doen, de hunnen naar koilang te zenden waar men aan haar scheepsgeleegenheid tot de verdere reise naar beilon verschaffen zoude, tot welk einde de beilonsche Regeering verzocht werd, ons met scheepen en vaartuigen te assisteeren, en voorts dat alle persoonen die volgens plakkaat van den 24=e Aug=s 1784. geen recht tot de inwooning hadden, en tot de verdeediging van de stad niets konden bij draagen, dezelve moesten ruimen en dat de ovrigen zich voor ses maanden van rijst en andere onontbeerlijke provisien moesten voorzien, en daarvan aan wijkmeesters aanwij¬ „zing doen. werving van Malla §: 167: Wijders wierden twee kompanien Mallabaarsche Sipais en vijftig Jnlandse Artilleristen, die in den Engelschen oorlog gediend hadden, op 14 500 Ceilon word om sekoers verzocht Vesting op het nieuw in dienst genoomen. §: 168. En van beilon vijf honderd Man, daar onder honderd Artilleris ten nevens twintig duizend pond buskruit gevraagd. inkoop van houtwerk 8: 169: Voorts werd de noodige voorraad van balken, planken, goeni sakken, arreeks- en kokorboomen opgedaan, en het gesal der spaansche ruiters tot vijftig vermeerdert. verbeetering aan de §: 170: En eindelijk wierden de kanonbed„ „dings en embrassures, zoo op de kapitaale wal als in den bedekten weg, daar het noodig was, verbeeterd en de Artillerij zoodanig op alle battergen gearrangeerd, dat bij aannaadering van den vyand niets anders te doen viel, dan de lonten aan te steeken. de oorlog begint. §: 171. Dk. zal den aandacht van Uede Hoogedelheeden niet ophouden met de meenige berichten, die zeder dagelyx van de krijgs aanstallen en beweegingen in Tipoer leger inliepen, en op dat oogenblik voor ons wel van veel belang waaren, wes halven ik daar aan ook geene kosten spaarde, doch die het thans voor Uwe Hoogedelheeden niet meer niet met Kranga noor. maar met de linie Tipoe word te rug geslaagen meer zijn kunnen, en melde derhalven alleen dat eindelijk op den 29=e december jl: de zoo lange gevreesde oorlog in daade„ lijkheeden uitborst, doch op eene geheel andere uitkomst, dan men tot dien tijd toe had kunnen denken, doordien Tipoe sultan, die zijne Armel van het gebergte af langs de Trevan koorsche linie tot naar kranganoor in detachements verdeeld had, in den vroegen morgen stond niet het fort kranganoor, zoo als ieder een verwachtede, maar de linie digt aan het gebergte atta„ „queerde, en wijl hij daar niet verwacht werd, zonder moeite veroverde, doch, nadat hij reets van drie bastions in dezelve meester was, door het volk van Trevankoor weder uit dezelve geslaagen werd met groot verlies, het welk zeder naar de maatigste bereekening op drie duizend Man verleest drieduizend. Man. geschat word. §. 172. Tipoe sullan verloor hierbij niet alleen verscheidene aanzienlijke krijge oversten, maar werd zelve ook door een pijl gequest, en men meerd, dat hij groot gevaar geloopen hebbe van gevangen te worden, doordien zijn palentijn met een gouden schrijfkist ken, en daar in zijn zijn verder verlies groot G

NL-HaNA_1.04.02_3850_0451 view scan ↗

English

is among the appendices. Remarks on this. great seal, his small seal in a ring, and some other rings with precious stones were found among the booty. A detailed report. § 173: A detailed report of the further particulars of this remarkable engagement would not be in place here, but is transmitted among the appendices for voluntary perusal, having been drawn up by the Engineer von Krause, who, as was mentioned earlier, had been lent to Travancore and had just at that time been sent by His Highness to the lines to order some improvements. § 174: The reason why Tipu Sultan chose to attack the lines rather than Fort Cranganore is probably this: because the fort was covered by a strong retrenchment well provided with cannons and occupied by the best troops, and thus could not be taken otherwise than by a formal siege, while the lines in themselves were much weaker, and he could reasonably presume to surprise them, or at least to be able to conquer them much more easily, and Consequences thereof. Further representation. Further representation. and then to penetrate into the heart of the Kingdom of Travancore. § 175: Meanwhile, under the favorable influence of Divine Providence, it is to be attributed to this wrong choice and to the unsuccessful outcome of this first enterprise of Tipu Sultan that these low countries and our possessions in the same have for the greatest part remained preserved from the calamities with which they were threatened. § 176: For, had he attacked Cranganore, the English would have remained out of the game, and he would beyond doubt have become Master of the Cochin Kingdom; and had he been able to maintain himself in possession of the lines in the first attack, he would have overwhelmed the entire Kingdom of Travancore before the English could have prevented it, since they, up to that time, had not made the least preparations. § 177: But now that the King of Travancore was hostilely attacked in his old possessions, the English could not refuse their assistance; and as the first attack turned out so unfortunately for the Nawab, Palisades in the moat. nothing of importance was undertaken in the first two months, as he was first prevented by his wound and afterwards wasted time through negotiations with the English, which the latter turned to their advantage to take the field with a formidable force. Succor from Ceylon. § 178: In that interim we also received a considerable succor from Ceylon of 379 heads, consisting of: 141 Grenadiers, 141 Swiss, 40 Artillerists, and 57 Malays, and thereby also gained time to complete the preparations for our defense, among which I must still include the placing of a row of palisades in the moat from the point Stromburg up to the bulwark Holland, which is shallow. § 179: For our city moat, which communicates with the river at the Nieuwpoort, has not been dredged since the year 1782, and through the mud and sand that comes in with the flood from the river and settles with the ebb, has in many places become so shallow Approved and carried out. Ammunition from Ceylon. that one can easily wade through it; the danger thereof is removed on the landward side, or from the Nieuwpoort up to the bastion Holland, by the wild pineapples that were planted on the wide berms in the year 1782, making it impossible to climb up out of the moat and approach the walls; but the remaining part could not be planted because of its narrowness, and the single row of palisades on the berm does not afford sufficient security against a violent attack. This measure is approved. § 180: And because there was no time to dredge the same, and excessively heavy expenses would also be required, I resorted to this expedient, which was fully approved and deemed necessary by the Gentlemen Commissioners for defense and military affairs, who appeared here when I had barely begun with it, and was completed in a short time with some improvements by the Honorable Major Reimer. Artillery and ammunition. § 181: I should further mention here that the Ceylon Government, upon our Bombs. And some carriages sold to Travancore. A detachment of artillerists left to the King. Of Tipu. request, has sent a quantity of cannons of 8 to 2 lbs with their appurtenances, in order therewith to arm the batteries on the covered way and the new lunette before the Nieuwpoort, as well as a war camel. Two mortars with § 182: and that, on the other hand, we have upon his repeated request sold to the King of Travancore, for payment, two metal mortars of six inches with filled bombs and some carriages for eighteen- and twelve-pounder cannons, as well as lent six European and thirty native qualified assistants, who have been of great service to him under the command of the aforementioned von Krause. Military operations § 183: With the month of March the enemy began to bombard the lines daily, and on the 15th he undertook an assault, which was successfully repulsed, on which occasion our artillerists distinguished themselves; wherefore Lieutenant von Krause, who had commanded the largest battery and contributed much to the victory, was by the King, for as long

Dutch transcription

501 ligt onder de bijlagen aanmerkingen hier over. groot zegel, zijn klijn zegel in een ring„ en eenige andere ringen met edel. gesteente onder de buit gevonden is. Een omstandig bericht d: 173: Een omstandig bericht van de verdere bezonderheeden van dit merk waardig gevecht zoude hier niet op zijne plaats staan, doch gaat ter gelievige spekulaalsie onder de bijlagen over, zijnde opgemaakt door den Ingenieur von krause, die gelijk hier voorwaards gemeld is, aan Trevankoor geleend en juist dier„ „tijds door zijne Hoogheid naar de linie gezonden was om eenige verbeeteringen aan te ordenen. §: 174. De reeden, waarom Tipoe sullan verkoozen hebbe, de linie eerder dan het Fort kranganoor aan te tasten, is waarschijnlijk deeze wijl het fort door een sterk en met kanons wel voorzien retranchement. gedtekt, en met de beste troepen bezet was, en dus niet anders, als door eene formeele beleegering, kost ingenoomen worden, terwijl de linie op zich zelve veel Zwak= =ker was, en hij met reeden kost onderstellen, dezelve te zullen surpreneeren of ten minsten veel maklijker te kunnen veroveren, en gevolgen daarvan. nader Vertog. nader vertog en als dan in het hart van het Rijk van Trevankoor in te dringen. §: 175. Jmmiddels is, onder den gunstigen invloed der Godlijke voorzienigheid, aan deeze verkeerde keuze, en aan den mislukten uitslag deezer eerste onderneeming van Tipoe sullan toe te schrijven, dat deeze beneeden landen en onze bezittin= gen in dezelven voor het grootste gedeelte van de rampen bevrijdt gebleeven zijn, waar meede zij gedreigd wierden. §: 176: Want, had hij kranganoor aangetast: zoo waaren de Engelschen buiten het spel gebleeven, en hij buiten twijfel Meester geworden van het koessiem= sche Rik, en had hij zich in den eersten aanval in het bezit van de linie kunnen hand haven: zoo hat hij het heele Rijk van Trevankoor overweldigd voor dat de Engelschen het hadden kunnen beletten, door= dien zij, tot dien tijd toe, geene de minste aanstalt en gemaakt hadden. §: 177: Doch nu de koning van Trevankoor in zijne oude bezittingen vijandig werd aangevallen: kosten de Engelschen hunnen bijstand niet weigeren, en nu de eerste aanval voor den Nabab zoo ongelukkig uitviel 15. 502 Pallissaden in de gragt. uitviel; zoo werd in de eerste twee maanden niets van belang onder noo= men, wijl hij eerst door zijne wonde verhinderd werd en daarna door onderhandelingen met de Engel= =schen tijd spilde, dien deezen zich ten nutte maakten om met eene formidabele macht in het veld te rukken. sekoers van Ceilon §: 178: Ook wij kreegen in dien tusschen tijd van Ceilon een aanzienlik sekoers van 379. koppen bestaande in 141. Grenadiers 141. Zwitzers. 40. Artilleristen en 57. Maldiers, en wonnen tevens daardoor tijd, om de aanstallen tot onse defensie te voltooien, waar onder ik noch moet reekenen het zetten van eene reige pallissaden in de gragt van de punt stromburg af tot naar het bolwerk Holland die ondiep is. §: 179: Want onze stadtgragt, die bij de nieuwpoort met de rivier korrespon= =deerd, is zeder het jaar 1782 niet uit= gediept, en door het slijk en zand, het welk met de vloed uit de rivier binnen komt, en met de ebbe neder zinkt, op veele plaatsen zoo ondiep geworden toe. gekeurd en ter uitvoer gebragt. meenietsie van Ceilon geworden, dat men ze gemaklijke doorwaaden kan; het gevaar daar„ van word aan de land zijde, of van de nieuw poort tot aan het bastion Holland, weg genoomen, door de wilde ananassen, die in het jaar 1782 op de breede bermen geplant zijn, en het opklimmen uit de gracht, en het naderen van de muu„ ren om moogelijk maaken, doch het ovrige gedeelte heeft, wegens zijne smalte niet kunnen beplant worden, en de enkelde pallissadeering op de berm verschaft tegen eenen geweldigen aanval geene genoeg„ „zaame zeekerheid. dit middel word goed §: 180: En wijl tot het uit diepen van dezelve geen tijd was, en ook al te zwaare kosten vereischt wierden, zoo nam ik tot dit middel toe„ vlúcht, hetwelk van Heeren kom¬ missarissen tot de defensie en militaire zaaken, die hier verschee„ nen, toen ik pas daar meede begon„ „nen had, ten vollen goedgekeurd en noodzaaklijk geoordeeld, mits= gaders met eenige verbeeteringen van den E: Majoor Reimer in korten tijd vollooid werd. Artillerij en om §: 181: Noch diene ik hier aan te haalen, dat de beilonsche Regeering, op ons 503 bommen. en eenige affuiten aan Tre van koor verkocht. een detachement Artil leristen aan den koning over gelaaten. van Tipsoe. ons verzoek, een parthij kanons van 8. tot 2. lb met hun toebehooren gezon„ den heeft, om daar meede de batte„ „rijen in den bedekten weg, en de nieuwe lunette voor de nieuw poort, mitsgaders een oorlogs Gamel te armeeren. twee Mortiers met §: 182: en dat wij daar en tegen aan den koning van Trevankoor op zijn her„ haald verzoek twee metaale Mortiers van ses duim met gelaboreerde bommen en eenige affuiten voor agtien en twalf ponder kanons voor betaaling overgelaaten, mitsgaders ses Europeesche en dertig inlandsche bequaame handlangers geleend hebben die hem onder het kommando van den voornoemden van krause van veel dienst geweest zijn krygs bedrijven §:183. Met de maand Maart begort de vijand de linie dagelijx te bom= bardeeren, en den 15=e ondernam hij een storm, die gelukkig afgeslaa= gen werd, bij welke geleegenheid onze Artilberister zich gedistin= gueerd hebben, wes halven de Lieu„ tenant von Krause, die de grootste batterij gekommandeerd en veel tot de overwinning bijgedraagen had, door den koning, voor zoo lange

NL-HaNA_1.04.02_3850_0456 view scan ↗

English

16 Formal attack on the lines. Section 184. Remark: the king of Koetsiem for the defense of the suburbs. as long as he remained in his service, was appointed Captain-commandant over his Artillery with a monthly salary of three hundred ropijen, as appears from the report of the Interpreter Truijens, transmitted among the annexes. Hereupon the enemy decided upon a formal siege, and consequently the trenches were opened on the 19th of March at an estimated distance of seventy roeden and were advanced with such zeal that the enemy had already progressed into the dry ditch by the 30th of that month, wherefore the capture was to be expected shortly. Section 185. For a siege we did not have to fear for the present, as the bad monsoon was at hand, but all the more for the incursion of raiding parties into our considerable suburbs. Admonitions to the king of Koetsiem, and his reply. Section 186. I therefore already sent our merchant Ephraim Kohen on the 1st of this month with a letter to the king of Koetsiem, to admonish him to assemble his troops, and 16 504 Precautions against rioting and unlawful assembly. to assemble working people with trench tools, in order to protect the Jewish Town and Mattanseeri from such disasters. I requested His Highness to come to his palace very soon to deliberate on this matter, adding that the preservation of the same and also of his own palace seemed to depend on a prompt resolution; but the reply consisted of a series of lame compliments and the bare assurance that there was no danger to the lines, and that if difficulties arose at the lines, he would immediately come here with his troops, as Your Right Excellencies, if you please, may further examine from the two letters transmitted among the annexes. The line falls. Section 187. Meanwhile, on the evening of the 15th, I received word that the line had been taken by storm that day, and that the entire army of Trevankoor had fled and was dispersed; whereupon I immediately sent four strong patrols The king flees hither from Triponterre. Section 188. patrols to Mattanseere, the Jewish Town, the Canarese Bazaar, and along the Pagodinhos, to prevent all disorders that night, and the gathering of all kinds of rabble, with which a seaport town is always overly burdened, as well as to prevent robbing and stealing. That same night the king of Koetsiem came fleeing from Trepoeritare into his palace, and requested our protection, as his people who had been stationed in the lines had also fled and dispersed. Sends a plan of defense. Section 189. The following morning the Interpreter was summoned to court, and sent back with a written plan of defense, to throw up twelve or fourteen batteries from this fortress up to the corner of Paloertje, and from there to the seaside, to palisade them strongly, and to close them with a rampart, or in a word to construct an entrenchment that would cover at least two miles and require more than twenty thousand men as a garrison. Which is impracticable. Section 190. This project was far too extensive and 505 and impracticable for us; our garrison was not even strong enough to dispute the crossing of the river with the army of the Nabab or even a strong detachment of the same; nor was it probable that Pipoe Sultan would advance so far with the whole army, as there was news that the English were advancing from Bombay by sea, and from Madras by land. Military detachments against raiding parties. Section 191. On the other hand, it was all the more probable that his raiding parties would fall upon our defenseless suburbs here or there, and plunder or destroy them, which one had to try to prevent by placing military detachments in the avenues. This is agreed to by the king. Section 192. I therefore pointed out to the king the impossibility of his plan, and the necessity of the aforementioned detachments, all of which was also understood by His Highness. But he has no men. Section 193. But when it came to forming Thus the Company must do everything alone, by the placement of four detachments. these detachments, His Highness had no men, everything having fled to the south, or departed with the Divan to Hikotte. Section 194. If I therefore did not wish to leave the aforementioned defenseless suburbs—the great importance of which I have repeatedly pointed out because of the multitude of important warehouses belonging to our merchants and private individuals—exposed to the danger of plundering and destruction, I had to assume their protection solely for the Company, and consequently that same day I stationed strong pickets on the main roads, while the battalion of Lipaijs at Galwettij was ordered to keep itself ready for their prompt support. Section 195. The next day this matter was further discussed in our meeting, and deemed necessary, the principal approaches to the Jewish Town, Mattanseeri, the Canarese Bazaar.

Dutch transcription

16 formeele alla que op de linie 8. 184. aanmerking. den koning van Koeksiem tot defersie van de voorsteeden lange hij in zijn dienst bleef, tot Kapitain= kommendant over zijne Artillerij benoemd werd met een maandelyx traktament van drie= honderd ropijen, blijkens relaas van den Tolk Truijens onder de bijlagen overgaande. Hierop besloot de vyand tot eene beleegering in forma, en dien= volgende werden de loopgraven den 19=e Maart op den gegisten afstand van zeventig roeden geo= „pend en met zielken iever voortge= zes, dat de vijand reets den 30e dier maand tot in de drooge gracht gevordert was, wes halven men de verovering eerlange moeste ver= wachten. §. 185. Voor eene beleegering hadden wij, wijl de quaade mousson op handen was, voóreerst niet te vreezen, doch te meer voor den inval van stroopende benden in onze aanzienlijke voor¬ Steeden. vermaaningen aan §. 186. Jt. Zond derhalven reets den 1=e deezer onzen koopman Ephraim kohen, met een brief aan den koning van koetsiem, om hem tot het ver= =zaamelen van zijne troepen, en van 16 504 en zijn antwoord voorbehoedzelen tegen oploop en zaamenrotting van arbeios volk met Schans-gereed: schap te vermaanen, ten einde de Jooden Stad en Matterseeri voor zulke onheilen te beveiligen. Jk. verzocht zijne Hoogheid te vens, spoedig in zijn Pallais te koomen, om daar over te raadpleegen, onder bijvoeging, dat het behoud van dezelven en tevens van zijn eigen pallais van eene prompte reso„ „liutsie scheen af te hangen; doch het antwoord bestond in een parthij laffe Komplimenten en in de bloote verzeekering, dat het met de linie geene nood had, en dat hij als zich zwaarigheid aan de linie op deed, ten eersten met zijne troepen hier koomen zoude, zoo als Uwe Hoogedelheeden des gelievende nader beschouwen kunnen, bij de twee brieven onder de bijla„ gen over gaande. de linie gaat over. §. 187. Jm middels kreeg ik den 15=e s ' avonds bericht, dat de linie dien dag stormen der hand veroverd, en de heele armee van Trevankoor ge vlucht en verstroid was; waarop ik ten eersten vier sterke patroeljes de koning vlackt van S: 188: Triponterre herwaards. defensie patroeljes naar Matten seere de joodenstad de kanarijnsche Bazaar en langs de Pagodinhos zond, om dien nacht alle disordres, en het zamen rotten van allerlij slecht volkje, waar= mede eene Zeestad altijd meer beladen is, mitsg=s het rooven en steelen te beletten. Dien zelven nacht quam de koning van Koetsiem reets van Trepoeritare in zijn pallais vluchten, en verzocht onse bescherming, wijl zijn volk, het welk in de linie geleegen had, mede gevlucht en verstroeid was. zend een plan van 3: 189. Den volgenden morgen werd de Tolk ten hove ontboden, en met een schriftelijk plan van verdeediging te rug gezonden, om van deeze ves¬ „ting af tot aan de hoek van Pa„ loertje, en van daar tot aan de zeekant twalf of veertien batterijen op te werpen, sterk te pallissadeeren, en met een wal te sluiten, of met een woord een retranchement aan te „leggen, het welk ten minsten twee mijlen beslaan, en meer als twintig duizend Man tot bezetting vereische zoude. 't geen ondis veelijk is §: 190: Dit ontwerp was veel te wijdloopig en 505 menten tegen Stroopen de berden. koning toegestemd. en voor ons onuitvoerlijk, zelfs was ons garnisoen niet sterk genoeg om de armee van den Nabab of ook maar een sterk detachement van dezelve de passasie over de rivier te betwisten, ook was het niet waar= schijnlijk, dat Pipoe sultan met de heele armee zoo verre zoude inruk= ken, wijl men tijding had, dat d' Engelschen van Bombac over Zee, en van Madras over land in aantogt waaren. Militaire detache §. 191. Daar en tegen was het te waar= schijnlijker, dat zijne stroopende benden hier of daar in onse weer„ „looze voorsteeden invallen, en dezelven uit plunderen, of ver„ „woesten zouden, het geen men, met het leggen van militaire detache= menten in de avenues moest trach= =ten te verhinderen. dit word door den 8: 192. Ik stelde derhalven den koning de ommogelijkheid van zijn plan, en de noodzaaklijkheid van eeven gemelde detachementen voor, het welk een en ander ook van zijne Hoogheid begreepen werd. doch hij heeft geen volk. §: 193. Doch toen het op het formeeren van dus moet de Compe. alles alleen doen. van vier de techementen. van deeze de tachementen aanquam, had zijn Hoogheid geen volk, zijnde alles naar de Zuid gevlucht, of met den Divan naar Hikotte gewee¬ §: 194: Wilde ik derhalven de meermelde weerlooze voorsteeden, waar van ik de groote aangeleegenheid wegens de menigte van importante pak= huis en van onze en partikuliere kooplieden, te meermaalen heb aangeweezen niet aan het gevaar van plundering en verwoesting bloot gesteld laaten, zoo moest ik de bescherming daar van alleen voor de kompanie overneemen en plaatste derhalven dienzelven dag noch sterke pikels op de voor. „naamste wegen, terwijl het battaljon Lipaijs op Galwettij order kreeg zich tot prompte ondersteuning van dezelven gereed te houden. door het legger §: 195: s. daags daar aan werd dit stuk in onze vergadering nader berede„ „neerd, en noodzaaklijk geoordeeld, de voornaamste toegangen tot de Joden stadt, Mattanseeri, de Kanarijnsche Bazaar. ken.

NL-HaNA_1.04.02_3850_0461 view scan ↗

English

occurred. Bazaar and Pagodinkos with strong detachments, which was immediately carried out, the details of which can be seen further in the garrison assessment included among the appendices. Section 196: Through this precaution our suburbs and surrounding hamlets, along with their inhabitants, have thus far remained freed from the manifold disasters and misfortunes that have spread over the land from the line all the way past this fortress, not only by the Nawab's marauding bands, who have ravaged the lands of Paroe and Mangatti with fire and sword, and especially also reduced to ashes the palace and the stone dwellings that the King of Travancore had caused to be built over the last three years for the Samorin princes and a multitude of high Brahmins who had fled from Tipu's land, but also by the Moors and Mappilas or St. Thomas Christians and other base folk who, profiting from the general commotion, confusion, and dismay, disturb the whole country with robbery and theft, whereby the people from most places have fled as far as Quilon and even Porakad has been completely abandoned by all inhabitants. Section 197: We also hope that providence may further bless our efforts applied thereto, and that the Company, along with its subjects, may be spared the calamities of war, toward which, from our side, everything possible will further be put into effect with all zeal and cordiality, according to our modest capacities and insights. Section 198: And this hope of ours is not a little strengthened by the arrival of a considerable English detachment, which arrived from Bombay before the Cranganore River on the 23rd of this month with six large ships, three grabs, two snows, and eighteen large and small native vessels, and at the request of the Dewan was successfully piloted inside by our master of equipment. Section 199: The actual strength is not further known to us with sufficient certainty, other than that it amounts to around two thousand eight hundred heads, among which is a regiment of Europeans of about eight hundred heads and two hundred European artillerymen. Section 200: The same was commanded by Colonel James Hartley, who upon his arrival wrote me a very polite letter, requesting permission to store some army supplies inside our fortress in private warehouses, to which I replied to him in French that there were no private warehouses in the fortress, but that I would have a Company warehouse emptied for his baggage, and would have the powder and the ammunition kept in our powder magazines; the translations of both letters are annexed hereto. Section 201: Here I must cease my report concerning the further events of war, as the ships must depart; I shall, however, continue the same via Ceylon, and I now also briefly report hereby on other matters that likewise belong in this description. Section 202: When the letter from Your High Excellencies with the gifts for the King of Travancore was received, His Highness was in the southern part of his kingdom, and thus it would have been costly and troublesome to have the same presented by commissioned members according to ancient custom. Wherefore I notified His Highness of the receipt, and proposed through Kaliga Mallen to have them delivered upon his approach to the north, whereupon it pleased him to designate Paroe. Section 203: Accordingly, I myself handed over the letter to the King during my presence there, who, as it was written in Low Dutch and Portuguese, had it translated into Malayalam by our interpreter, and in the subsequent conference expressed to me his particular pleasure with its friendly contents, and at the same time put the question to me of what the orders consisted which Your High Excellencies had given us to ward off the formidable attacks of the Nawab under the present circumstances. Section 204: Because, as appears from paragraph 1114 et seq., I had been obliged to refuse the King the small requested assistance of one hundred artillerymen and a quantity of powder in the first conference, the proposal to enter into a closer defensive alliance, which had been recommended to me by Your High Excellencies, would have been entirely untimely, and thus had to remain postponed until a better opportunity: Wherefore I served in reply thereto that Your High Excellencies had regarded the cession of Cranganore and Ayacotta as a suitable means to foil the Nawab's designs, and had therefore granted me the requested qualification for the cession of those places, in which the aforementioned King then also acquiesced. Section 205: The letter and the gifts from Your High Excellencies to the King of Cochin were handed over to the King by a member of the Council, according to custom, and received with much pleasure by His Highness. Section 206: And the letter to the Imam of Muscat has likewise been dispatched immediately. Section 207: But shortly thereafter I received a letter from the said Imam, in which he stated that from his Nakhuda ship forty

Dutch transcription

17. 506 voorgekoomen. Bazaar en Pagodinkos met sterke de„ tachementen te verzeekern, het geen op staanden voet ter uitvoer gebragt word, waar van het detail bij de onder de bijlagen overgaande garnisoens belasting nader ge„ zien kan worden. worden alle onheelen §: 196: Door deeze voorzorge zijn onze voorsteeden en om liggende gehuch„ „ten met dezelver Jnwoners tot nu toe bevrijdt gebleeven van de meenig vuldige rampen en onheelen die zich van de linie af tot voor. „bij deeze Vesting over het land verbreidt hebben, niet alleen door I. Nababs stroopende benden, die de land en van Paroe en Mangatti te vuur en te zwaard verwoest, en inzonderheid ook het Pallais en de steene wooningen, die de Koning van Trevankoor in de laaste drie jaaren de samorijnsche Prinsen en een meenigte uit Tipoes land gevluchte hooge Boamineezen haed laaten bouwen, in de asche gelegt hebben, maar ook door de Mooren en Mapuller of St. Thomas Kristenen en ander slegt volkjen die van de algemeene opschudding konfusie vervolg. troepen van Bombai konfusie en verslaagenheid profitee„ „rende, het heele land met rooven en sseelen ontrusten, waar door het volk uit de meeste plaatsen tot koilang toe gevlucht en zelfs Porka ten eene maal van alle in wooners verlaaten is. §: 197: Wij hoopen ook, dat de voorzienigheid onze daertoe aangewende poogingen verder zeegenen, en de kompanie met haare onderdaanen van de rampen des Oorlogs verschoondt blijven mooge waartoe van onze zijde, al wat mogelijk is, naar onze geringe vermogens en inzichten, verder met alle ijver en hartlijk¬ heid zal in 't werk gericht worden. aankomst van Engelsche §198. En deeze onze hoop word niet weinig versterkt door de aankomst van een aanzienlijk Engelsch Desachement, het welk den 23e deezer met ses groote scheepen, drie Goerabs, twee snauwen en agtien groote en klijne inlandsche vaartuigen van Bombai voor de kranganoorsche Rivier arriveerde, en op het verzoek van den Divar door onzen Equipagie meester gelukkig binnen gelootst wierd haar sterkte. §. 199: De eigenslijke sterkte is wij met geene genoegzaame zeekerheid verder 507 Kolonel Hartlij dit bericht zal over Ceilon vervolgd word en verder bekend, dan dat het omtrend twee duizend agt honderd koppen bedraagd, waar onder een Regiment Europeeschen circa agt honderd koppen en twee honderd Europeesche Artilleristen. brieven van en aan §: 200: Het zelve werd gekommandeerd door den kolonel James Hartleij, die mij bij zijn arrivement, eenen heel beleefden brief schreef, met verzoek om verlof eenige leger behoeften binnen onze Vesting in partikuliere pakhuisen te mogen opleggen, waarop ik hem in 't fransch geantwoord hebbe, dat in de vesting geene partikuliere pakhuis en waaren, doch dat ik een Komp.:s pakhuis voor zijne bagasie— leedig liet maaken, en het kruit en d' ammunietsie in onze kruit= magazijnen bewaaren laaten zoude, de vertaalingen van bijde brieven gaan hier neevens. §. 201: Hier moet ik mijn bericht nopens de verdere oorlogs=gevallen staaken, wijl de scheepen vertrekken moeten ik zal hetzelve egter over Ceilon voortzellen, en doe nu noch bij deezen in het korte verslag van andere zaak en die meede in deeze beschrij ving gehooren. §: 202: Toen tee„ : en de geschenken aan den koning van Trevankoor koning. antwoord van den Goeverneur. bestelling van den brief d: 202: Toen de brief van Uwe Hoog edelheeden met de geschenken voor den koning van Trevankoor ontvangen wierd, bevond zijne Hoogheid zich in het zuider gedeelte van zijn Rijk, en dus zoude het kostbaar en lastig geweest zijn dezelven door Gekommitteerde Leden volgens oud gebruik aan te laaten bieden. weshalven ik zijn Hoogheid van den ontvangst kennis gaf, en dor kaliga Mallen voorsloeg dezelven bij zijne aan adering naar de Noord te zullen laaten bestellen, waarop hij Paroe geliefde te bestemmen. vraage van den §: 203: Dienvolgende gaf ik zelve bij mijn aanweezen aldaar den brief aan den Koning over, die den zelven, als in 't Nederduilsch en Portiegeesch geschreeven zijnde, door onzen Tolk in 't Malabaarsch liet overzetten en mij in de volgende konferentsie zijn bezonder genoegen over deszelfs vriendelijken inhoud besuigde, en my tevens de vraage voorlegde, waarin de Ordres bestonden, die Uwe Hoog. „edelheeden wij gegeeven hadden, om in de tegenwoordige omstandig¬ heeden de geduchte aan vallen van den Nabab af te weezen. §: 204: wijl ik, blijkens h: 1114: et segg den koning de 18 508 bestelling van den brief en de geschenken aan den koning van Koetsiem verzending van den brief aan den 7man. van den zelven. de gevorderde geringe hulpe van een hon„ derd Artillensten en een partij kruit in de eerste konferentsie hadde moeten weigeren, zoo zoude de voorstel tot het aangaan van een nadere defensive alliance, die mij door Uwe. Hoogedel„ „heeden aanbevoolen was, gansch ontij¬ dig geweest zijn, en moeste dus tot eene beetere geleegenheid uitgesteld blijven: Weshalven ik daarop tot antwoord diende, dat Uwe Hoogedel. heeden den afstand van kranganoor. en Arkotte als een bequaam middel tot veriedeling van 's. Nababs aan= „slagen aangemerkt, en mij daarom de verzochte qualifikaatsie tot den afstand van die plaatsen verleend hadden, waarin meer melde koning dan ook berustede. §: 205. De brief en de geschenken van Ulde Hoogedelheeden aan den koning van koetsiem zijn door een lid van den Raad, volgens gebruijk, aan den koning over„ „gegeeven, en door zijne Hoogheid met veel genoegen overgenoomen. §: 206: en de brief aan den Jman van Maskatte is almede ten eersten afgezonden ontvangst van een brief §: 207: Doch kort daar na ons vieng ik van gem: Jman eenen brief; waarbij hij de leerd„ dat van zijner Nachoda Scheep veertig

NL-HaNA_1.04.02_3850_0466 view scan ↗

English

content. first complaint. forty ducats had been unjustly demanded, which was contrary to good friendship, and that at that time also a bombara that had traded in the land of Travancore had been condemned to a fine of one hundred ducats, which was inequitable, as the merchants had the freedom to go to all places; he further appeals to his friendliness toward our traders, requests the two aforementioned sums of money to be returned to him, and threatens to write about this to Your High Nobilities. elucidation regarding section 208: As we remembered nothing at all of the first case, I inquired about it with the shahbandar or beach master, who thereupon reported in a written message of 20 January: That the aforementioned Sheikh Ephraim three years ago had given a commission to a certain merchant to bring some European cordage from Mahé for him, but had since refused to accept the same, claiming it was unusable; that he was thereupon accused before the fiscal, and upon the declaration of expert commissioners that 509 continuation. section 209. continuation. that the cordage was deliverable, was condemned to receive and pay for the same. That the aforementioned Ephraim, being unwilling to comply with that verdict, was warned by the beach master of that time that he could not depart before doing so, and That he thereupon paid the money, but left the cordage in the warehouse of our merchant, Ephraim Cohen, and that this Arab last year had approached the shahbandar to request of me that that money be restored to him, but that I had thereupon replied that it was a settled matter and the money had been handed over to the owner. From the second Van Spall, who, serving as fiscal in the absence of the merchant Beits, handled the dispute over the cordage, I have not been able to obtain any further elucidation, because he handed the notes over to the said Beits upon the latter's return. section 210: I have in vain attempted to persuade the frequently mentioned Arab, through the shahbandar, to take over the cordage or continuation. objection against the new No. 214: establishment at Quilon. or to accept what it might fetch at a sale, as appears from the second account of that employee of 27 January transmitted among the enclosures. section 211: And I have since taken the trouble myself to convince the frequently mentioned Arab in person, but all in vain. section 212: I must also note here that the frequently mentioned Arab, who at that time was building a grab here and has been to my house several times, never complained to me about that matter. reply to the Imam section 213: I have therefore represented to the Imam in my reply that, now that the frequently mentioned Arab has paid once and has kept silent for three years since, I can do nothing about that matter, and regarding the second complaint I have given him such elucidation as I have already previously had the honor to supply to Your High Nobilities in my respectful secret letter of 29 March 1789, section 15, to which I respectfully refer, while the letters from and to the Imam are transmitted among the enclosures. In our general letter of 29 March 1789, section 225, and in my lesser separate letter of 29 April and 27, detailed report was given that the Company's neglected 19 5/8 exceptions are made and multiplied. neglected rights at Quilon had been restored, and that an agreement had been reached with the king of Travancore that the inhabitants who were born in his country and had since moved within our limits would be placed outside them, and the dues that the Company's subjects must pay to His Highness would not be collected by his, but by our employees, and would be accounted for to his thuram, or treasury. section 215: Against this the king's employees brought forward all kinds of hindrances and pretexts, as appears from Quilon letters of 4 March, 29 April, and 26 June 1789. section 216: And although in the conference with the prime minister on the following 10 July I directed matters so that the king's subjects would be removed from the village according to the list drawn up by us, the aforementioned employees sought to elude this once again, first by the pretexts of having received no orders regarding this, and thereafter by the pretense that besides those placed on our list, as many as seventy subjects of the king lived in Quilon, according to the Quilon and the are placed outside the village. are also troublesome. letter of 28 August following. the king's subjects section 217: We therefore resolved at the session of 31 August last to put into execution the separation of the king's subjects from the other inhabitants, without further delay, according to the list sent over by the Chief, and consequently caused all inhabitants listed thereon to be warned head by head by the Chief that they must vacate the Company's territory by the end of September and sell their houses and gardens in the meantime, and that those who were negligent would be put outside the limits and their immovable goods sold at auction. and a hrayer appointed section 218: The interpreter and beach master was charged with the collection of the poll-tax and net-money, and it was published by beat of drum that the Company's subjects should henceforth pay the same to the Company's hrayer, which has indeed been put into effect since then. The Roman priests No. 219: No less opposition in the peaceful and lawful governance of our subjects there did we find in the Roman priests, who for many years, under the cloak of ecclesiastical discipline, over our inhabitants

Dutch transcription

inhoud. eerste klagte. veertig dukaaten ten onrechten afge= eischt waaren, 't geen strijdig was met de goede vriendschap, en dat toen ook een bombera die in het land van Trerankoor genegoassieerd hadde, in een boete van honderd diekaten ge„ kondemneerd was, het geen onbillijk was, wijl de kooplieden vigheid hadden, naar alle plaatsen te gaan, hij beroept zich voorts op zijn vriendelijkheid tegen onze handelaars, verzoekt de twee voor„ melde geldposten aan hem te rug te zenden, en dreigd daarover aan Uw. Hoogedelheeden te Schrijven. elucidaatsie nopens de V: 208: Wijl wigj van het eerste geval in 't geheel niets heugde: zoo heb ik mij daarna geinformeerd bij den sjaban= „daar of Strandwachter, die daarop bij een schriftlijk bericht van den 20=e Januari opgegeeven heeft. Dat voormelde scheeh Ephraim voor drie Jaar aan zeekeren Hande „laar kommissie gegeeven had, eenig eúropisch touwwerk van Mahé voor hem meede te brengen, doch zeder geweigerd had het zelve te akcepteeren voorgeevende onbruikbaar te weezen, dat hij daarop bij den Fiskaal verklaagd, en op de verklaaring van zaakkundige gekommitteerden, dat 509 vervolg. §: 209. vervolg. dat het touwwerk leeverbaar was, gekondemneerd was, hetzelve te ontvan„ gen en te betaalen. Dat voornoemde Ephraim onwillig zijnde aan die uitspraak te voldoen, van den diertijds Strandwachter gewaarschouwd was, niet eerder te kunnen vertrekken, en Dat de zelve daarop het geld betaald, doch het touwwerk in het pakhuis van onzen koopman, Ephraim koken, gelaaten had, en Dat die Arabier voorl: Jaar hem sjabandaar was aangeweest, om mij te verzoeken, dat hem dat geld gerestitueerd wierd, doch dat ik daarop tot bescheid gegeeven had, dat het een afgedaane zaak en 't. geld aan den Eigenaar afgegeeven was. van den sekunde van Spall, die als den dienst van Fiskaal bij absentie van den koopman Beits waarneemen. de questie over het touwswerk gedeel deerd heeft, heb ik geene nadere elucid aatsie kunnen bekoomen, wijl hij de aanteekeningen aan even gemelden Beits bij deszelfs te rugge komst heeft overgegeeven. § 210: J. heb vergeefsch getracht, meer mel„ den Arabier door den Sjabandaar tot het overneemen van het touwwerk of vervolg. aanmerking teeger de nieuwe No: 214: inrichting te koilang. of van 't geen hetzelve bij verkoop gelden mogt, te persuadeeren, zoo als blijkt bij het tweede relaas van dien bediende van den 27=e Januari onder de beilagen overgaande. §: 211: En ik heb Leder zelve de moeite genoo„ men meermelden Arabier in perzoon te overtuigen, doch alles vruchtloos. §: 212: Jk diene hierbij noch aan te merken, dat meerm: Arabier, die dier tijds hier eene Goerab bouwde, en verscheidene keeren bij mij aan huis geweest is, mij noit over dat geval geklaagt heeft. antwoord aan den Jmar V: 213. J1. heb derhalven aan den Jman bij mijn antwoord voorgesteld, dat ik, nu meer mel„ de Arabier eens betaald, en Ieder drie Jaaren stil gezweegen heeft, aan die zaak niets doen kan, en omtrend de tweede klagte heb ik hem zoodanige elvei daatsie gegeeven, als ik bevoorens reets de eeze gehad hebbe. Uw Hoog edelheeden te suppediteeren bij mijn eerbiedigen se kreeten van den 29. e Maart 1789. §: 15. –. waar aan ik mij in eerbied gedraage, terwijl de brieven van en aan den Jman onder de bijlagen overgaan. Bij onze gemeene beschrijving van ^ en bij mijn minderen aparten van 29: April & 27; den 29=e Maart 1789. §: 225: is omstandig bericht gegeeven, dat 's. Kompanies verwaarloosde 19 5/8 worden exceptien gemaakt. en vermeerigvuldigd. verwaar loos de rechten te koilang her steld waaren, en men met den koning van Trevankoor over een gekoomen was, dat de inwooners, die in zijn land gebooren, en zeder in onze limiet inge„ „trokken waaren, daar buiten gesteld, en de gerechtigheeden, die 's kompanies Onder daanen aan zijne Hoogheid opbrengen moeten, niet door zijne, maar door onze Bedienden zouden ingevor„ derd, en aan zijn toeram, of rentkamer ver antwoord worden. zouden. §: 215: Hier tegen bragten 's. konings Bedienden allerly hindernissen en uitvluchten ter baan, blijkens koilangsche brieven van den 4e. Maart, 29 April en 26e. Juni 1759. §: 216: En hoewel ik in de konferentsie met den eersten Minister op den 10=e Juli daar aan volgende het daarheen dirigeerde, dat S. Konings Onderdaanen volgens door ons geformeerde lijst uit het dorp gesteld zouden worden: zoo zoch ter voormelde Bedienden dit alweder te eludeeren, eerst door de uitvluchten daar omtrend geene ordres ontvangen te hebben, en daar na door het voorwendzel, dat buisen de op onze lijst gestelden noch wel Zeeventig Onderdaanen „in koilang van den koning woorden, volgens koilang sche en de worden buiten het doop gesteld steld. zijn ook kinderlijk. sche brief van den 28=e Augustus daaraan volgende. 's konings onderdaaren §. 217. Wij beslooten derhalven ter sessie van den 31=e Aug. s Jongstleeden de afzonde ring van S. Konings Onderdaanen van de verdere inwooners, volgens de door het Opperhoofd overgezonden lijst, zonder verder uitstel te laaten ter uit voer brergen en lieten over zulx alle daarbij bekend. staande inwooners hoofd voor hoofd door het Opperhoofd waarschouwen, dat zij S. Kompanies territoir tegen ult=o september ruimen en hunne huizen en tuinen in dien tusschen tijd verkoo„ pen moesten, en dat de nalaatigen uit de limies gezet en hunne vaste goederen bij vendietsie verkochte zouden worden. en een sraijer aarge V: 218: Den Tolk en strandwachter werd de invordering van het hoofd en nette geld opgedraagen, en men liet bij tromslag publiceeren, dat 's kompanier Onderdaanen het zelve voortaan aan S. Comp=s Hragjer betaalen zouden, het. geen dan ook zeder met der daad bewerkstelligd is. De Roomsche Prapen N: 219: Geen minderen tegenstand in het vreedig en wettig bestier onzer Onder daaren aldaar vonden wij in de Roomsche Priesters den die zeder veele jaaren zich onder de k„ mantel van kerklijke discipline, over onze Jn wooners

NL-HaNA_1.04.02_3850_0471 view scan ↗

English

especially the Portuguese Bishop. Residents who profess the Roman religion and, for lack of their own church and priest, frequent the churches outside the boundary, had assumed all kinds of authority from time to time, and caused discord and dissension and all manner of mischief among them; of which, besides a multitude of other examples, the riots in the years 1774 and 1784, according to our resolution of September 5, 1788, deserve the most attention. Section 220. For this clergy, especially the Bishop, who resides close to Koilang under the title of Bishop of Koetsiem and is dependent on Goa, had, according to letters from the Chief Poolvlies of July 28 and August 21 and 28, not only refused the Company's interpreter Francisko Rodrigues on his deathbed the sacraments, and after his death burial in the church, being the common burial place of the Catholics here, because in the year 1774 he had refused to surrender the treasury of the confraternity of the Conceissaô without the consent of the Governor; but he had also excommunicated most of the Moendoekaars, and among them those who in the year 1784 had complained about Chief Rosier. Section 221. We have therefore allowed the Roman Catholic subjects there to build their own small church, and have placed it, along with the priest who was also given to them according to their choice, under the spiritual authority of the Bishop of Verapoli, whereby all further influence of the Portuguese priests over the congregation there has been cut off. Section 222. And because from various circumstances it appeared probable that the Junior Merchant Rosier, who was still staying there on account of his illness, was secretly conspiring with the aforementioned servants of the King and also with the Portuguese Bishop to maintain the uncle of his favorite Pantschiko in the post of Araijen, we had him brought from there hither, and at the same time had the entire family of Pantschiko, who having arrived from outside were also counted among the King's subjects, put out of our village; and since that time all disputes there have ceased, and we have the King's dues for poll and net taxes collected from our residents by the Araijen Silvester, whom I have appointed for that purpose, and handed over monthly to the King's receiver, without this or any other officials or any Roman priests interfering any further with our affairs there. Section 223. I commend Your Excellencies and the important interests of the Company to God's protection, and remain with all respect and fidelity, Right Honorable, Highly Esteemed, Far-Ruling Lord and Honorable, Severe Lords, Your Excellencies' humble and faithful servant. Signed: I. G. van Angelbeek. In margin: Koetsiem, April 30, 1790. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. Enclosures belonging to the Secret Letter of April 30, 1790. Register of the copy secret papers which are now sent with the ship De Schelde to Their Excellencies the High Indian Government at Batavia; namely: Number 1: Original separate letter of today. Number 2: Duplicate letter of August 30, 1789, with the enclosures according to separate register. Number 3: Copy translation of Tamil letter from Tipu Sultan to the Governor, dated October 31, 1789. Number 4: Copy draft of the reply thereto, dated November 10, 1789. Number 5: Copy report of the interpreter Truijens on the occasion of his welcoming the envoy of Tipu Sultan named Abdul Kaderchan, dated November 19, 1789. Number 6: Copy translation of Marathi letter from Tipu Sultan, dated November 24, 1789. Number 7: Copy notes of the conference with the envoy of Tipu Sultan, dated November 24, 1789. Number 8: Copy secret resolution of December 14, 1789. Number 9: Copy draft letter to the King of Travancore concerning the Company's right of ownership of Fort Cranganore. Number 10: Copy instructions for the officers of the ship De Schelde for cruising the beaches of Vypin and the channel of Ayacotta. Number 11: Copy draft letter from the Governor to Tipu Sultan in reply to his of November 24, dated December 13, 1789. Number 12: Copy translation of letter from the envoy of Tipu Sultan to the Governor, dated December 16, 1789. Number 13: Copy translation of letter from Tipu Sultan to the King of Travancore. Number 14: Copy translation of letter from the said King in reply to Tipu Sultan. Number 15: Copy English letter from the Government of Madras to that of Colombo, dated December 7, 1789; annex: the translation of the same into the Dutch language. Number 16: Copy reply thereto from the Governor and Council here, dated January 9 past. Number 17: Copy secret resolution of January 9, 1790. Number 18: Copy secret resolution of December 19, 1789. Number 19: Copy notice stating that women and children will be given the opportunity to depart for Ceylon, etc., dated December 19, 1789. Number 20.

Dutch transcription

571 inzonderheid de Portugeesche Bisschop. Inwooners, die de Roomsche reliesie be„ „leiden, en zich bij gebrek van eigen kerk en Priester tot de kerken buiten de li miet houden, allerlij gezag aange tot tijd maatigd van tijd twist en twee dragt en allerlij onheil onder dezelven aangericht hebben, waarvan neevens een meenigte andere voorbeelden de oproer in de Jaaren 1774 en 1784; blijkens onze resoluutsie van den 5e September 1788 de meeste opmerking verdienen. §: 220. Want deeze Geestlijkheid, inzonderheid de Bisschop, die digt bij koilang, onder den titel van Bisschop van Koetsiem resideerd, en van Goa afhanglijk is, had blijkens brieven van het Opper„ hoofd Poolvlies van den 28=e Juli, en 21. e en 28=e Aug=s niet alleen 's. komp=s Tolk Francisko Rodrigues op zijn dood bedde de Sakramenten, en na zijn dood de begravenis in de kerk (:de algemeene begraafplaats der t.atholijker alhier:) geweigerd, om dat hy in het Jaar 1774 de schatkist van de broeder„ „schap de Conceissaô, zonder toestemming van den Heer Goeverneur niet had willen overgeeven, maar ook de meeste Moendoekaars en daar onder de geenen die t Jaar 1784 over het Opperhooft Rosier geklaagd hadden, in den Ban gedaan §. 221: Wij aaraan van e d en te a ers eigene Priester voor de Roomsche Onderdaaren. roepen: en het wijl van Partschiko buiten het dorp gejaagd Een nieuwe kerk en §. 221. Wij hebben derhalven aan de Roomsche Onderdaanen aldaar een eigen kerkje laaten bouwen, en hetzelve met den Priester, die henl: meede naar hunne verkiesing gegeeven is, onder het gees. telijk Gezag van den Bisschop van Verapoli gesteld, waardoor aan de Portuegeesche paapen alle verdere invloed op de gemeente aldaar, is afgesneeden. Rosier word opge §: 122: En wijl uit verscheidene omstandig- heeden waarscheijnlijk voorquam, dat de Onderkoopman Rosier, die zich weegens zijne ziekte daar noch ophield met de voorm: Bedienden van den koning en teevens met den Portugee„ „schen Bischop in het geheim— Zaamen spande, om den Oom van zijnen gunsteling Pantschiko in de post van Araijen te konzer„ veeren: zoo lieten wij hem van daar herwaards koomen, en ter zelver tijd de heele familie van Pant„ schiko die van buiten ingekoomen Zijnde mede onder 'S. Konings Onderdaanen gereekend wierden, buiten ons dorp zetten, en zeder dien tijd zijn alle stribbelen aldaar gecesseerd, en wij laaten 's. koning= gerechtigheeden voor Hoofd en nette 20 512 slat. nette gelden door den Araijen Silvester dien ik daartoe aangesteld hebbe, van onze inwooners in vorderen en maandelijx aan 's konings. Ont= vanger afgeeven, zonder dat zich deeze of eenige andere Amptenaa= ren of eenige Roomsche paapen verder met onze zaaken aldaar bemoeien. §: 223. Jk. beveele Uw Hoogedelheeden in de wigtige belangen der Maathschappij in Gods bescher¬ ming, en blijve met alle eerbied en trouwe /: onderstond:/ Hoog edele Grootachtbaare Wijd gebiedende Heer en Weledele Gestrenge Heeren. Uwer Hoogedelheeden onderdaanige en getrouwe Dienaar /:was geteekend:/ I. G van Angelbeek /:in margine:/ koetsiem den 30en April 1790. Akkopdeerd. Arnold Lunel sekret:s Bijlaagen gehoorende tot den Sekreeten brief April 1740: van den 30 573 Register der kopij Sekreete Papieren, dewelken thans met het Schip de Schelde aan hunne Hoogedelheeden de Hooge Jndi„ sche Regeering te Batavia ge„ zouden; Namelijk N=o 1: Origineele aparte brief van heeden „ 2: Duplikaat brief van den 30: Augustus 1789. met de bijlagen volgens apart register „ 3. kopij Translaat Pamulsche brief van Tipoe sultan aan den Heer Goeverneur van den 31. Oktober 1789. „ 4. kopij koncept van het antwoord daar op ge= dateerd 10: November 1784. „ 5. kopij relaas van den Jolk Truijens bij ge„ „leegenheid hij den gezant van Tipoe Sultan genaamd Ab„ „dul kaderchan heeft verwel¬ „komt, gedateerd 19:e 9ber: 1789. „ 6. kopij Translaat Marattasche brief van Gipoe Sultan gedateerd 24: Novem„ „ber 1789. 6 No 7. N=o 7. kopij Aanteekening van de konferensie van den gezant van Tipoe Sultan ged:t 24. November 1789. „ 8. kopij sekreete resoluutsie van den 14. Decemb „ber 1789. „ 9. kopij koncept brief aan den koning van Trevankoor nopens het recht van eigendom van de kompenie van het fort kranganoor. „ 10: kopij instruksie voor de overheeden van het Schip De Schelde tot de bekruissing van de Stranden van Waipin en het Zeegat van Aikotte. „ 11. kopij koncept brief van den Heer Goever„ „neur aan Tipoe Sultan in antwoord op den zijnen van den 24. November gedateerd 13: December 1789. „ 12: kopij Translaat brief van den gezant van Tipoe Sultan aan de Heer Goeverneur gedateerd 16. De¬ „cember 1789. N:o 13. 514 N:o 13. kopij Translaat brief van Tipoe Sultan aan den koning van Jzevan„ „koon. „ 14. kopij Translaat brief van gemelden koning in antwoord aan Tipoe Sul¬ „tan. „ 15. kopij engelsche brief van de Regeering van Madras aan die van kolombo gedateerd 7. December 1789. annex Het translaat van denzelven in de Nederduitsche taale. „. 16. kopij antwoord daar op van den Heer Goe„ verneur en Raad alhier gedateerd 9. Januari J:o leeden. „ 17. kopij sikreete resoluutsie van den 9:e Janu„ ari 1790: „ 18. kopij Sekreete Resoluutsie van den 19=e December 1789. „ 19. kopij biljet behelsende dat aan vrouwen en kinderen geleegenheid zal gegeeven worden ter vertrek naar Ceilon enz ged:t 19:' xber: 1789. N=o 20.

NL-HaNA_1.04.02_3850_0484 view scan ↗

English

No. 20. Report from Engineer von Krause on the attack on the Travancore lines by Tipu Sultan on 29 December 1789. No. 21. Account of the Interpreter Truijens regarding the attack on 16 March last, dated the 14th thereafter. No. 22. Copy of the draft letter to the King of Cochin, dated 1 April. No. 23. Copy translation of the reply letter, dated 2 April. No. 24. Copy of the Secret Resolution of the 17th of this month. No. 25. Copy of the Secret Resolution of the 21st of this month. No. 26. Copy of the Garrison assessment, dated the 17th of this month. No. 27. Copy translation of an English letter written by Colonel Hartley from Ayacotta. No. 28. Copy of the reply thereto. No. 29. Copy of letters from Quilon, dated 4 March, 29 April, 26 June, 28 July, and 21 and 28 August 1789. No. 30. Letter from the Imam of Muscat, dated 17 January last. No. 31. Report from the Shahbandar, dated 20 January last. No. 32. Report from the Shahbandar, dated 27 January last. No. 33. Reply letter to the Imam, dated 17 February last. No. 34. Copy of the secret letter to the Highly Esteemed Gentlemen of the Seventeen, dated 14 January of this year. Cochin, 30 April 1790. Signed Arnoldus Lunel, Secretary. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. Translation of a Tamil letter. No. 3. Written by the Padishah Tipu Sultan to the Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Governor Johan Gerard van Angelbeek, received on 31 October 1789. To the fortunate possessor of great prosperity, standing equal to Mount Mahameru, protector of many peoples, measurer of a vast and extensive happiness, the Dutch Governor, greetings. I have long not had the pleasure of receiving your Honor's letter and of knowing of your continued well-being; therefore, I request that in the future you honor me with it. I have understood that because your Honor occupied the fort of Cranganore with the people of Rama Raja, many Nairs and other thieves from the Mysore lands have been protected by it, and through those refugees many hostilities have been committed in the Mysore lands. This greatly surprises me, in view of the ancient friendship subsisting between the Dutch and Mysore; and as the fort of Cranganore lies in the middle of the Mysore Empire, this friendship could be maintained all the more strongly, of which I also hold myself assured. May it therefore please your Honor not to grant shelter in that fort to the refugees, so that by their bad conduct the ancient friendship of so many years may not be impeded. Checked. Since the King of Cochin has from ancient times placed his trust in the protection of Mysore and still perseveres in this, may it please your Honor to assist also favorably in His Highness's affairs. Written in the year Saumya, on the 14th of the month of Ashvina. At the head of the letter was the name of the Padishah, signed in Mughal. Beneath stood: for the translation, Cochin, date as above. Signed: J. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. W. V. Proteitz. No. 4. To the fortunate possessor of great prosperity, standing equal to Mount Mahameru, measurer of a vast and extensive happiness, protector of those who suffer oppression, lover of merciful deeds, rewarder and prince of princes, the Most Illustrious Tipu Sultan Padishah, from Governor Johan Gerard van Angelbeek, greetings. Up to the 10th of this month I find myself in good health, and I request news regarding the condition of your Most Illustrious Highness and all pleasant tidings to be shared. I was honored to receive a letter from your Most Illustrious Highness, to which the answer serves that the highly respected Dutch Company has always sought to maintain friendship with your Most Illustrious Highness, and that I am therefore very pleased to perceive from your Highness's letter your inclination toward the same; and I assure your Highness that I shall always endeavor to foster it. Regarding the fort of Cranganore, the answer serves that the same has been sold to the King of Travancore. Draft letter written by the Right Honorable, Severe, Highly Esteemed Governor Johan Gerard van Angelbeek to the Padishah Tipu Sultan, 10 December 1789. Checked. N. C. Hendrik. has been sold, who does not grant any shelter therein to evil people and will permit no one to commit hostilities in the Mysore land. Nevertheless, in order to give your Highness as much satisfaction in this matter as depends on me, I have notified the highly mentioned King of your Highness's wishes. The King of Cochin continually enjoys all protection and friendship from the Company, and I do not doubt that he will give full testimony thereof in his letters to your Highness, and the favorable recommendation of your Highness will encourage me on every occasion to demonstrate aid and friendship to that King, who is an old ally of the Company. If there should be anything here to the service of your Most Illustrious Highness, please write to me. Greetings. Beneath stood: thus translated by me into Tamil, Cochin, date as above. Signed: J. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, Secretary.

Dutch transcription

No. 20. Bericht van den Ingenieur von krause van de attaque van Sfrerank oors linie door Jipoe Sultan op den 29=e December 1789. „ 21. Relaas van den Jolk Truijens van de at„ „taque op den 16: Maart J„lee„ „den gedateerd 14. daaraan. „ 22: kopij koncept briev aan den koning van koetsiem van den 1=en April „ 23. kopij Translaat brief van het ant„ „woord gedateerd 2: April „ 24. kopij Sekreete Resoluutsie van den 17:e deezer. „ 25. kopij Sekreete Resoluutsie van den 21. deezer „ 26. kopij Garnisoens belasting gedateerd 17=e deezer „ 27. kopij vertaaling van een Engelsche brief van kolonee Hartleij van Aikotte geschreeven. „ 28. kopij antwoord daar op „ 29. kopij brieven van koilang van den 4=e Maart 515 Maart, 29. April, 26: Juni, 28: Juli, 21: en 28: Aug:s 1789. N:o 30: Brief van den Jmam van Maskatte, geda„ „teerd 17: Januari J:o leeden „ 31. Bericht van den Sabandaar ged:t 20. Januari Jongstleeden „ 32: Bericht van den Sabandaar ged=t 27. Janu„ „ari Jongstleeden „ 33: antwoord brief aan den Jmam ged:t 17: febru „ari J:oleeden „ 34. kopij Sekreete brief aan de Hoog achtb: Heeren Seeventienen geda„ teerd 14: Januari deezes Jaars. — koetsiem den 30: April 1790: /:was geteekend:/ Arnold=s Lunel Sekret=s Akkordeerd Arnold Lunel sekret:s 516 Translaat tamoelsche brief N„o 3: door den Patscha Tipoe Sulta n geschreeven aan den weledelen Gestr Grootachtbar„ „ren Heer Goeverneur Iohan Gerard van Angelbeek ontvangen den 31=e octobr: 1789 Aanden gelukkigen bezitter van veele voorspoeden Gelijkstandigen met den berg Mahameroe bescher„ „mer van veele volken gemeter van een wijd iit„ „gestrekt geluk den Heer Hollandsch Goeverneur Satu Ik heb lange het genoegen niet gehad uw Edele brief te ontvangen en deszelfs aanhoudenden welstand te kunnen weeten dus verzoek ik in 't vervolg mij daarmede te vereeren Ik heb verstaan dat wijl uweledele het fort kranganoor met het volk van Rama Rasia bezet had door het zelve veele Nairos en meer andere dieven van de Armoneesche landen geprotegeerd en door die vluchtlingen veele hostiliteiten in 'Tarmoneesch Landen gepleegd worden: dit doed mij zeer verwonderen uit hoofde vande oude vriendschap die tusschen de hollanders ende Armone subsisteerd en wijl het fort krang anoor in het midden van Tarmoneesche Rijk ligt koste de vriendschap krachtiger onderhouden worden waarvan ik mij ook verzeekerd houde Uw Edele gelieve dus in dat fort aan de vlucht„ „lingen geen schuilplaats te verleenen op dat door hun slegt gedoente de oude vriendschap van zoolange Jaaren niet verhinderd worde wijl Nagezien Wijl de koning van koetsiem van ouds zijn vertrou „wen op de protextie van den Armone gevestigd heeft en noch daarin volhard zoogelieve uw Edele in zijn Hoogheids zaaken ook gunstiglijk te assisteeren Gesz: in 't Jaar Sawoemia den 14=en vande maand Asoewisoe aan het hoofd van den brief stond den naam van den Patscha in het Mogolsch geteekend /onderstond/ voorde Translaatse koetsiem dato als vooren /was getekend/ J: M. Truijens Petw. Translateur Akkorteerd -: Arnold Zunel sekrit:s WV: Pro te itz N„o 4: 517 Aanden Gelukkigen bezitter van veele voorspoeden Gelijkstandigen met den Berg Mahameroe Ge„ „meter, van een wijd uitgestrekt geluk Bescher mer, van de geenen die onderdrukkingen lijden Benin„ „naar van Barmhartige daaden Belooner en vorst die vorsten den Doorluchtigsten Heer Tipoe Sultan Patscha door den Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek salut Tot den 10=e dezer bevind ik mij in een goeden staat van gezondheid en verzoeke den staat uwer Doorluchtigste Hoogheid en alle aange„ „naame tijdingen te bedeelen Ik heb mij vereerd gevonden met een brief van uwe Doorluchtigste Hoogheid waar op in antwoord diend dat de (hoog aanzienlijke Hollandsche ) kompana steetsgetracht heeft de vriendschap met uw Doorluchtigste Hoogheid te onderhouden, en dat ik dus zeer verblijdt ben uit uw Hoogheids brief Deszelfs geneegenheid tot dezelve te ontwaaren en ik verzeekere uwe Hoogheid dat ik steets tragten zal dezelve aan te queeken Aangaande het Fort kranganoor diendmant„ „woord dat het zelve aan den koning van Trevankoor„ Koncept brief door den weledelen Gestrengen Groot achtbaaren Heergoever„ „neur Iohan Gerard van Angelbeek, geschreeven aan den Patscha Tipoe Sultan den 10=e Xber 1789 — verkocht Nagezien. yp N: C: HeHbrik verkocht is die daaraan geen quaad volk eenige schuilplaats verleend en noch minder aan iemand permitteeren zal hostiliteiten in het Armeneesche land te pleegen, Niet te min heb ik om uw Hoogheid in dit stuk zooveel genoegen toe te brengen als van mij afhangd aan hoog gemelde koning van uw Hoogheid begeerte kennis gegeeven. De koning van koetseem geniet bij aanhoudend „heid alle protextie en vriendschap van DE komp en ik twijfele niet of hij zal daarvan in zijne brieven aan uwe Hoogheid volkomen getui„ „genis geeven en de gunstige rekommandaatsie van uwe Hoogheid zal mij aanspooren om dien koning die een oude Bondgenoot vande kompanie is bij alle geleegenheid hulpe en vriendschap te bewijzen Hier iets van uw Doorluchtigste Hoogheids dienst mogte zyn gelieve mij te schrijven Salut /onderstond/ zodanig door mij in 't Samoelsch overgezet koetsiem dato als vooren /was getekend/ J: M: Truijens Pezwoort Translateur Akkardeert Arnold Lunel sekret:s or

NL-HaNA_1.04.02_3850_0497 view scan ↗

English

518 To the Right Honorable and Most Respectable Sir Johan Gerard van Angelbeek Ordinary Member of the Council of the Dutch East Indies Governor and Director of the Malabar Coast and its Dependencies, etc., etc., etc. Right Honorable, Most Respectable, High and Mighty Sir. Pursuant to your Right Honorable and Most Respectable high and esteemed order, the undersigned went this afternoon at 12 o'clock to the Palace of the Paliath Achan at Cochin, to the Ambassador of the Padishah Tipu Sultan named Abdul Kader, and, through the translation into Carnatic by the Regiadore of the King of Cochin named Sami Patter, paid the respects of your Right Honorable and Most Respectable Excellency and welcomed him upon his arrival. The Ambassador appeared very pleased with this, and requested that your Right Honorable and Most Respectable Excellency be thanked for your kindness, and assured you of his No. 5. reciprocal reciprocal readiness to be of service, communicating that he had already informed the King of Cochin at Tripunithura of his arrival, and as soon as he received the reply would depart thither, and upon returning from there would have the honor to appear before your Right Honorable and Most Respectable Excellency, not only to deliver his letter but also to make the verbal representations with which he had been charged by his Master to your Right Honorable and Most Respectable Excellency. He further said, "My Master is very well pleased with the Governor, because he always pursues peace and maintains friendship with the King of Cochin." The undersigned replied to the Ambassador that he would duly make known these expressions of his, which would likewise serve to the satisfaction of your Right Honorable and Most Respectable Excellency. Herewith the undersigned has the honor to subscribe himself with the deepest veneration. At the bottom was written: Right Honorable, Most Respectable, High and Mighty Sir, your Right Honorable and Most Respectable Excellency's obedient and bounden servant. Was signed: 519 Signed: P. M. Truijens. In the margin: Cochin, the 19th of November 1789. A. van Schacht, First Clerk. Agreed. 520 Translation of a Marathi letter from The Ruler of all four quarters of the world, Highly Esteemed among all nations, Protector of many subjects, Possessor of widespread good fortune, the Padishah Tipu Sultan, addressed to His subject, the Dutch merchant residing in the city of Cochin. For many years, in friendship with the Palace, Your Honor has garrisoned with your people the fort of Cranganore, which stands in the Calicut realm, and have conducted yourself as one of the Palace's subjects of Calicut; but since you have now allowed that fort to be garrisoned by the troops of Rama Nair, and protect the thieves from the Palace lands, and through them permit many hostilities to be committed in the Palace lands, your loyalty and friendship have hereby been obstructed. Since you dwell in the realm of the King of Cochin, and the same has from of old been protected by the Palace, you are likewise a subject of the Palace; you must therefore strive through your good from the Padishah Tipu Sultan, received the 24th of November 1789. services No. 6. services to give satisfaction to the Palace, which shall also serve your own interest. I am now sending Abdul Khader thither; he will inform you of everything; therefore you must make the troops of Rama Raja depart from the fort of Cranganore, and garrison the same with your people as before, and further grant no refuge to the fugitives from the Palace lands; and when you do this, you shall enjoy my favor. Written in the Year of Muhammad's Flight 1217, the 15th of the month of Kinse, by Srinivasa Rao Munshi. At the head of the letter stood the signature of the Padishah written in the Mughal language. At the bottom was written: For translation in accordance with the reading and explanation given by the Maratha Srinivasa Rao in Tamil; Cochin, date as above. Was signed: J. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed. Arnold Lunel, Secretary. 521 After the initial courtesies, the Ambassador said that at the Court of Padishah Tipu Sultan, shortly before his departure, the rumor had circulated that the Governor had departed from here and his replacement had not yet arrived; wherefore the letter from his Master, which he presented at the same time, was not addressed to His Honor but to the Servants of the Company, and was therefore not accompanied by any presents; but that the Padishah, hearing that His Honor was still here, would send a further letter with presents, for the Padishah had great esteem for His Honor, etc. The Governor replied to this that he accepted the letter as if it had been written to him, and that the given assurance of the Padishah's goodwill was more agreeable to him than all presents. Now the Ambassador began a long discourse, which in substance contained the following: The Padishah had great goodwill toward the Dutch Company, because it was known throughout all India as a just and faithful Nation, which treated all Indian Princes with sincerity and Notes of the proceedings with the Ambassador of Tipu Sultan named Abdul Khader Khan on the 24th of November 1789, in the presence of the entire Council of Cochin. to No. 7.

Dutch transcription

518 Aan den Weledelen Groot achtbaaren Heer Johan Gerard van Angelbeek Raad ordinair van Nederlands Indien Goeverneur en Direkteur ter Kuste Malabaar, en Resorte van dien &=a &=ra &a Weledele Grootachtbaare Hoog Gebiedende Heer. Volgens uw weledele Grotacltbaare hoog geede ordre is de ondergeteekende heeden middag om 12. uuren naar het Palais van den Paljetter te Koetsiem, bij den Ambassadeur van den Patscha Tipoe Suetan in naame Abdul kader geweest, en heeft door vertaaling van den Rasiadoor van den ko„ „ning van Koetsiem in naame Sami Patter in het karnatikaasch het komplement van uw Weledele Grootachtb: afgelegd en denzelven met zijn arrivement verwelkomt De Ambassadeur steede zich hierover zeer verge„ „noegd aan, en liet uw weledele Grootachtbaare voor Deszelfs vriendelijkheid bedanken, en van zijne N„o 5: reciproque - recuproque dienstpresentaatsie verzeekeren, onder bekendmaaking, dat hij van zijne komste den koning van koetsiem te Tripoenitorre reets kennis ge„ „geeven had, en zoo dra hij het antwoord bequam naar toe vertrekken en van daar retourneerende de eere hebben zoude, bij uw weledele Groot acttb: te komen, en niet alleen deszelfs brief overgeeven maar ook de mondelinge voorstellingen doen zoude, waarmeede hij van zijnen Meester aan uw Weledele Groot achtb: gelast was voorts zijde hij noch, mijn Meester is over den Heer Goeverneur zeer vergenoegd, om dat hij altoos de vreede betracht, en de vriendschap met den koning van Koetsiem onderhoud De ondergeteekende repliceerde den Ambassadeur daar op, dat hij deeze zijne expressien die meede tot genoegen van uw weledele Grootachtb: Strek„ „ken zouden, behoorlijk zoude bekendmaaken Hiermeede heeft de ondergeteekende zich de eer met de diepste Veneraatsie te onderschrijven /:onderstond/: weeedele Grootachtbaare, Hoog Gebiedende Heer: uwer WelEdele Groot achtbaare Gehoorzame en trouwschuldige dienaar /:was ge„ „teekend:/ 519 „teekend:/ P: M: Truijens /:in margine koek, „siem den 19. ' November 1789. wee Aot Schacht Egklerk Akkordeerd. n 520 Translaat Maratschen brief van De Heerscher van alle vier deelen des warelds, Hooggeacht onder alle volkeren, Beschermer van veele onderdaanen, Gemeter van een wijduitge„ „strekt geluk den Patscha Tipoe Sultan, ad„ „verteerd aan Deszelfs onderdaan den zich in de stad koets iem bevindenden Hollandschen koop„ „man. UwE: heeft zeder lange Jaaren in vriendschap met de Armane, het fort Kranganoor hetwelk in het kali„ koetsche rijk staat, door uw volk bezet, en als een der Armaneesche onderdaan van kalikoet, zich gedraagen, maar wijl uw thans dat fort door de troepen van Rama Nair heeft laaten bezetten, en de dieven van de Armaneesche landen pro„ „tegeerd, en door dezelven veele hostiliteiten in de Armaneesche landen laatpleegen, zoo is uwe getrouwigheid en vriendschap hier door verhinderd: Wijl uw in het Rijk van den koning van koetsiem woond, en dezelve van ouds door den Armane be„ „schermd word, zoo is uw ook een onderdan van den Armane, uw moet dus trachten door uwe goede den Patscha Tipoe Sultan, ont„ „vangen den 24. e November 1789:-. diensten N„o 6. diensten aan den Armane genoegen te geeven, die mede tot uw eigen belang strekken zal. Thans Zend ik Abdul Khader naar derwaards hij zal uw alles informeeren, derhalven moet uwe de Troepen van Rama Rasia van het fort kranganoor laaten vertrekken, en hetzelve door uw volk gelijk voor heen bezetten, en voorts aan de vluchtlingen vande Armaneesche lan¬ „den geen schuilplaats verleenen, en wanneer uw dit doet zal uw mijn gunst genieten. Geschreeven in 't Jaar Mahmed vlucht 1217: den 15: van de maand Kinse, door Priniwasa Rajer Moensi; Aan het hoofd van den brief stond de handteeking van den Patscha in het Mogolsch geteekend - / onderstond:/ voor de Trans„ „laatsie volgens leezing en verstaan geeving van den Maretter Sriniwasa Rajer in 't tamoelsch; koetsiem dato als vooren /was geteekend./ J: M:s Truijens Gezw: translateur Akkordeerd. Arnold Lunel Sekret, 521 Na de eerste plichtpleegingen zeide de Am„ „bassadeur dat aan het Hof van Patscha Tipoe Hultan, kort voor zijn vertrek, het geruchte gelopen had, dat de Heer Goeverneur van hier vertrokken en zijn vervanger noch niet aange„ komen was, weshalven de brief van zijnen Meester, dien hij tevens voorgaf, niet aan zijn Edele maar aan de Bedienden van de hompa „nie gericht was, en daarom van Geene Geschen ken verzeld ging, doch dat de Patscha hoo„ „rende dat zyn Edele noch hier was, een na„ „deren brief met geschenken zenden zoude, want dat de Patscha veel achting voor zijn Edele had, enz: De Heer Goeverneur antwoorde hier op, dat hij den brief aannam als of dezelve aan hem geschreeven waare, en dat de gegeevene ver¬ „zeekering van des Patscha geneegenheid hem boven alle geschenken aangenaam was. Nu begon de Ambassadeur een lange reeden„ „voering, die het volgende in substantsie behels de= De Patscha had groote geneegenheid voor de Hollandsche kompanie, wijl ze door heel Jndien bekend was voor eene rechtvaardige en Getrouwe Naatsie, die alle Indische Worsten met oprechtheid behandelde en Aanteekeninge van het verhandelde met den Ambassadeur van Tipoe Sultan gen:t Ab„ „dul khader Chan op den 24: Novem„ „ber 1789. in de tegenwoordigheid van den heelen Raad van Lolietsie aan N„o 7:

NL-HaNA_1.04.02_3850_0506 view scan ↗

English

faithfully fulfilled its treaties with them, and oppressed no one, which could not be said of the other European nations in the Indies. This was particularly evident in the case of the King of Cochin, who had thus far been protected by the Company, and on all occasions praised its good treatment and assistance, and was especially very well pleased with the goodwill with which the Lord Governor handled his affairs. Because the Dutch Company was now so renowned everywhere for its justice and equity, the Padshah had conceived a great affection for it, and to such an extent that he had decided to tolerate no other nation in his country than the Dutch alone. His Highness could therefore also not understand why the Company had surrendered the fort of Cranganore to Rama Raja (for so he called the King of Travancore throughout the entire conference) and thus had the reason for this asked. This was answered first with a fitting compliment regarding the goodwill of the Padshah, and further with the declaration that the King of Travancore was a close ally of the Company and had requested that the fort of Cranganore and the field post Ayacotta be ceded to him. The Company had agreed to this, and thereupon the said fort and the field post Ayacotta were sold together to His Highness and surrendered into full ownership. Upon this, the Ambassador presented the request of his master that the Company might take back the fort and occupy it with its troops, so that it could dwell in peace and quiet. And he received in response that the fort had been lawfully sold, and thus could not be demanded back. Upon this followed the question whether the Company would take back the fort if Rama Raja wished to return it, and the answer of the Lord Governor that he would not take back the fort even in such a case, because it had been lawfully sold. The Ambassador continued that the Padshah had sent him expressly to Rama Raja to demand the fort from him, intending then to present it as a gift to the Company; and upon the assurance of the Lord Governor that the King of Travancore would not surrender it, his answer was that the Padshah would compel him to it by force and conquer the fort by force of arms, and had it proposed to me that, in such a case, the fort be taken back for the Company and occupied with its troops. To this, the following was addressed to him: The Padshah had just now, through his mouth, praised the Dutch nation for its justice and good faith; but what would he henceforth think of us if we were capable of betraying the King of Travancore, who was our old faithful friend and ally, so faithlessly behind his back or in secret? Now a different tack was taken. The Padshah knew that the Lord Governor was an old, sensible man who was held in high esteem among the princes of Malabar, and therefore had these matters presented to him so that he might persuade Travancore to the amicable return of the fort in order to prevent great calamities. But the Lord Governor evaded this thorny proposition with the answer that he was very grateful for the good confidence of the Padshah, but that he had always made it a rule never to meddle with the affairs of the Company's high allies beyond what the interest of the Company required; and that, moreover, he, the Ambassador, was now himself going to the King of Travancore and thus had the best opportunity to confer with His Highness on everything that had been entrusted to him. After some interval, in which the Ambassador seemed to reflect further, he took the floor again and declared that the Padshah would not tolerate anyone having fortresses in his country besides the Dutch, as they were the only ones who acted uprightly, and that His Highness would therefore take the fort of Cranganore by force and, if the Dutch Company did not wish to have it, keep it for himself. The answer of the Lord Governor entailed: That this was a matter that had to be settled between the Padshah and the King of Travancore, but that he could not understand on what ground the Lord Ambassador alleged that the fort of Cranganore lay in the land of the Padshah; and this gave occasion for the following questions: Ambassador: On whose land does the fort of Cranganore lie? Governor: The land on which the fort stands, along with the further foreland where the settlement was formerly built, in the so-called Company's garden, has from ancient times belonged in sovereign ownership to the Dutch Company and now belongs as such to the King of Travancore. Ambassador: The fort lay in the Kingdom of Cranganore, and since the Padshah had conquered that kingdom, it therefore lay in the land of the sovereign. Governor: The Padshah was ill-informed; the fort with the settlement had belonged to the Company for more than a hundred years, and was entirely separated from the Kingdom of Cranganore.

Dutch transcription

aan haare verbonden met dezelven getrouwlijk voldeed, en niemand onderdrukte het geen men van d' ovrige Europeesche Naatsien in Jndien niet kost zeggen; inzonderheid bleek dit ook aan den koning van koetsiem, die tot dus ver van de komp:e geprotegeerd werd, en bij alle Geleegenheeden haare goede behan„ „deling en bijstand prees en inzonderheid ook zeer voldaan was over de geneegenheid waar meede de Heer Goeverneur zijne zaaken be„ handelde. wijl nu de Hollandsche komp: alom zoo beroemd was weegen haare recht „vaardigheid en billijkheid: zoo had de Patscha voor dezelve groote Geneegenheid opgerast, en zoo verre dat hij beslooten had, geene an¬ dere Naatsie, als alleen de Hollanders in zijn land te dulden, en zijn Hoogheid kost derhalven ook niet begrijpen, waarom de kompanie het fort kranganoor aan Ra„ „ma Rasia /:zoo noemde hij den koning van Trevankoor de heele konferentsie door:/ had overgegeeven en liet dus de reeden daarvan vragen: Dit werd beantwoordt eerst met een gepast kompliment wegens de goede ge¬ „neegenheidt van den Patscha en voorts met de verklaaringe, dat de koning van Trevankoor een nauwe Bondgenoot van de kompanie was en verzocht had, het fort kranganoor en de Veldpost Aikotte aan hem overtelaaten, dit had de kompenie toegestaan en daarop waaren het gem: fort en 522 en de veldpost Nikotte tezaamen aan zijne Hoogheid verkocht en in vollen eigendom overge„ geeven. Hierop steede de Ambassadeur het ver zoek van zijnen Meester voor, dat de komp: het fort weder mogt overneemen en met haare troepen bezetten, wanneer zij in rust en vree„ de kost woonen. en kreeg daarop tot antwoordt, dat het fort wettig verkocht was, en dus niet kost terug gevaagd worden. Hierop volgde de vraage of de komp: het fort zoude overneemen, als Rama Rasia hetzelve terug wilde geeven, en het antwoord van den Heer Goeverneur, dat hij ook in zulk een val het fort niet terug neemen zoude, wijl het wettig verkocht was. — Ambassadeur vervolgde, dat de De Patscha hem expres aan Rama Rasia gezon„ „den had, om het fort van hem opteeischen, en wilde hetzelve als dan aan de komp: prezent doen. en op de verzeekering van den Heer Goeverneur, dat de koning van Trevan„ koor hetzelve niet zoude overgeeven, was zijn antwoord, dat de Patsela hem daar toe met geweld driingen en het fort gewapen „derhand veroveren zoude, en liet mij voorstellen, om, inzulk een val, het fort voor de komp: weder overteneemen en met haare vroepen te bezetten. Hierop werd hem hetvolgende toegepast: De Patscha had zoo aanstonds de Holland, „sche „sche Nratsie over haare rechtvaardigheid en goede trouwe door zijnen mond gepreezen; doch wat zoude hij voortaan van ons denken, indien wij bequaam waaren, den koning van Preven„ „koor die onze oude getrouwe vriend en Bond„ genoot was, achter zijn rugge of in het heimlijk zoo trouwloos te verraaden. Nu werd het over een anderen boeg gewenst. De Patscha wist, dat de Heer Goeverneur een oud verstandig Man was, die bij de vorsten van Malabaar in groote achting stond, en liet hem daarom deeze zaaken voorhouden, om Trevonkoor tot de minzaa„ me teruggaave van het fort te persuadee¬ „ken tot voorkoming van groote onheilen; doch de Heer Goeverneur ontwelk deeze neetelige voorstelling door het antwoord, Dat hij voor het goede vertrouwen van den Dafscha zeer dankbaar was, doch het zich steeds tot eene wet gemaakt had, zich met de zaaken van 'skompanies hooge Bondge„ nooten niet verder te bemoeien, dan het be„ „lang van de komp: vereischte, en dat daar en boven hij Ambassadeur thans zelve naar de koning van Trevankoor ging en dus de beste geleegenheid had, zijne Hoogheid overal wat hem opgedraagen was, te on„ „derhouden. Na eenige tussenpoozing, waarin de Am„ bassadeur zich nadere scheen te beraaden, nam hij weder het woord op en verklaarde, dat 523 dat de Datscha niet gedagen zoude, dat in zijn land iemand vestingen hadde buiten de Hollanders, wijl dezelve de eenigsten waaren, die oprechtlijk handelden en dat zijne Hoogheid derhalven het fort kranganoor met geweld inneemen, en als de Hollandsche kompanie het niet hebben wilde, voor zich zelve behouden zoude. Het antwoord van den Heer Goeverneur behels„ de: Dat dit een zaak was, die tusschen den Patscha en den koning van Thevankoor moest afgedaan worden, doch dat hij niet begrijpen kost, op wat funtament de Heer Ambassadeur voorgaf, dat het fort kran¬ ganoor in 't land van den Patscha lag, en dit gaf geleegenheid tot de volgende vraagen Ambass:r Op wiens grond ligt het fort kranganoor Goevern:r De Grond, daar het fort opstaat, met de ver„ „dere voorgrond, daar voor deezen de Negerij opgebouwd was, in de zogenaamde kompenies tuin heeft van al oude tijden aan de Holland„ sche kompanie in souverainen eigendom toebehoord en behoord thans als zodanig toe aan den koning van Trevankoor. A:o Het fort lag in het Rijk van Kranganoor, en wijl de Patscha dat Rijk verorerd had zoo lag het in het land van den Armané. De Patscha was Qualijk onderrecht; Het bort met de Negerij had zeder meer dan honderd Jaar de kompance toebehoord, en was ten eenemaale afgezonderd van het Rijk van kranganoor.

NL-HaNA_1.04.02_3850_0510 view scan ↗

English

The expelled king of Kranganoor still loved the same and should acknowledge this with his grandees of the court. The king of Koetsiem should also testify to this, and all inhabitants of that realm and in its neighborhood should confirm it, and all could point out the old boundary. Question: In what manner did the Company come by that fort? She had conquered the same in a lawful war against the Portuguese. Question: In what manner did the Portuguese come by it? This question went too far and looked somewhat like an examination. It ought to be enough for the Batscha that the Company had already lawfully possessed it for over a hundred years and had now lawfully sold it to the king of Trevankoor. The fort stood on the territory of the Armané; this was evident from the fact that the Company had paid an annual recognition fee for it. Never was a single duit paid for it. Answer: From the accounts of the Armané revenues of the land of Kranganoor it appeared that the Company had paid 12 pagodas annually. The Batscha was very incorrectly informed about this and could freely inquire of the king of Kranganoor and his servants who were still alive whether the Company had paid a single doit as recognition for the fort. With the 12 pagodas, which he now claimed had been given as a recognition fee, the matter was entirely different, namely, several Chegos and other inhabitants of the Company, who lived in houses outside the fort, but on Company ground, had for some years rented small gardens or pieces of land annually from the land tenants of the Patscha in the territory of the king of Kranganoor, and because those rental moneys were not paid on time, the tenant addressed the Chief, Mr. Cellarius, who, to prevent difficulties, had that money collected by the interpreter and paid to the Patscha. This has taken place annually to prevent difficulties, and it is thus very incorrect and without any foundation that one wants to make this into a recognition fee for the fort. This matter is notorious and known to all inhabitants, great and small, from whom the ambassador can inquire. The ambassador began anew to speak at length of the esteem and affection of the Patscha for the Dutch Company and for the Governor, and subsequently proposed that in the treaty between the Patscha and the English it was expressly stipulated that the English and the king of Trevankoor would not interfere with the lands and inhabitants of Koetsiem, nor with the lands and inhabitants of the Armané. To which the Governor served as an answer that His Honour knew nothing of this, and had not read the treaty. The ambassador then continued that the king of Kalikut was a vassal of the Patscha, but had become a fugitive, and was protected by Rama Rasia, and that this king had also granted shelter and protection in his land to a multitude of princes and grandees from the realms of the Samorijn and Kolastrie, as well as to many rich merchants and wealthy subjects of the Patscha, who thereby suffered great injury, and he asked the Governor what His Honour thought of such conduct. The Governor answered thereto that he confined himself solely to the administration of the Company interests entrusted to him, and never interfered with the affairs of neighboring rulers that did not concern the Company, and that the king of Trevankoor was a sovereign ruler whose actions he did not wish to judge. And to the reply of the ambassador, that the Patscha had expressly ordered him to address Rama Rasia about this, and to reclaim the persons and goods of his fled subjects who were hiding in his land, and to give prior notice of this to the Governor as proof that the Patscha desired nothing unjust and would undertake nothing against Rama Rasia without having valid reasons for it, the Governor countered that this was a matter that did not concern the Company and had to be decided between the Patscha and the king. Now, according to custom, betel and rosewater were offered, and the ambassador departed with the promise that upon his return from the king of Trevankoor he would collect the Governor's reply to the letter from the Patscha. In the city of Koetsiem, the day, month, and year aforesaid. Was signed: A. Lunel, Secretary. Agrees, Arnold Lunel, Secretary No 8. Monday the 14th of December 1789, in the forenoon. Present: The Right Honourable, Strict, and Highly Esteemed Ordinary Councillor of the Netherlands Indies, Governor and Director Johan Gerard Van Angelbeek, The Honourable provisional Senior Merchant, second in command and Chief Administrator Jan Lambertus van Spall, The Honourable Captain and Head of the Military Godlieb George Gebhardt, The Honourable Merchant, Fiscal, and Cashier Mr. Jan Willem Henrik van Rossum, The Honourable Junior Merchant and Warehouse Keeper Iohan Adam Cellarius, The Honourable Junior Merchant and Dispenser Willem Van Haeften, The Honourable Secretary of Police Arnoldus Lunel, and The Honourable provisional Pay Bookkeeper Iacobus Adrianus Eversdijck. Absent: The Honourable Junior Merchant Adriaan Poolvliet, due to indisposition. There was brought to the table the notes kept by Secretary Lunel of what had been treated and spoken in the full Council on the 24th of November with the envoy of Tipoe Sultan, named Abdul Kaderchan, and in the Council of Malabaar at the city of Koetsiem, a Secret Resolution was taken.

Dutch transcription

De verdreevene koning van kranganoor. hetzelve liefde noch en zoude dit met zijne Hofsgrooten moeten kennen; De koning van koetsiem zoude hiervan mede getuigenis moeten geeven en alle Inwooners van dat Rijk je en in deszelfs nabuurschap zouden had moeten bevestigen en alle konden de ouse grensscheiding aanwijzen. — A: Op wat wijze was de komp: aan dat fort gekomen. zij had hetzelve in een wettigen Oorlog tegen „de Portugeezen veroverd. A: op wat wijze waaren de Portugeezen daar aan gekomen. Deeze vraag ging te ver en geleek E wel wat naar een examinaatsie, het behoorde voor den Batscha genoeg tewee„ zen, dat de kompenie het reets over honderd Jaaren wettig bezeeten en nu wettig aan den koning van Trevankoor verkocht had. Het fort stond op het grondgebied van den Armané, dit bleek daaruit, dat de hernpanie daar voor een Jaarlijxe tekog„ niessie betaald had. Noit was daar voor een duit betaald. A: Bij de reekeningen van de Armaneesche in„ „komsten van het land van kranganoor blaek, dat de kompanie Jaarlijx 12: pagooden betaald had. De Datscha was hier omtrend zeer ver„ A „keerd G: 524 „keerd onderzicht, en kost bij de koning van kranganoor en zijne Bedienden die noch leefden, vrij laaten navraagen, of de komp: dit een deuff aan rekognetsie voor het fort betaald had; met de 12: pagooden, die hij thans voorgaf, dat tot een rekogniessie gegeeven waaren, was het heel anders geleegen teweeten verscheidene sjegos en andere Jnwoo„ „ners van de kompanie, die in huizen buiten het fort, doch op kompanies grond woonden, hadden voor eenige Jaaren van de Landpachters van den Patscha in 't ge„ „bied van den koning van kranganoor tuintjes of stukjes land Jaarlijx in huur genoomen, en wijl die huurpenningen op zijn tijd niet betaald wierden: zoo addres„ „seerde de pachter hier aan het Opperhoofd den Heer Cellarius, die, tot voorkoming van moeilijkheeden, dat Geld door den Tolk liet invorderen en aan den Patscha betaalen. — Dit is keder Jaarlijx geschied, tot voorko¬ „ming van moeilijkheeden en het is dus zeer verkeerd en zonder eenig fandament dat men hier uit een rekognietsie voor het fort wil maaken. . Deeze zaak is notoir, en bij alle Jnwooners groot en kleen bekend, waarbij de Ambassadeur navragen kan. De Ambassadeur begon op 't nieuw breed optegeeven, van de achting en geneegenheid van van den Patscha voor de Hollandsche kompanie en voor den Heer Goeverneur, en steede vervol „gens voor, dat bij het traklaat tusschen den Patscha en de Engelschen expres bedongen was, dat de Engelschen en lekoning van Tre vankoor zich niet zouden bemoeien met de Landen en ingezeetenen van Koetsiem en ook niet met de Landen en Ingezeetenen van den Armané. Waar op de Goeverneur tot antwoord diende, dat zijn Edele daar niets van wist, en het traktaat niet geleezen had. — De Ambassadeur vervolgde toen, dat de koning van kalikut een Nasal van den Patscha was, doch zich fugatief gesteld had, en van Rama Rasia geprotegeerd werd, en dat deeze koning ook Schuil„ plaats en protexie in zijn land verleend had, aan een meenigte Princen en Groo¬ „ten uit de Rijken van Samorijn en kolastrie, als mede aan veel rijke koop„ „lieten en vermogende Onderdaanen van den Patscha, die daar door groot nadeel leed, en hij vroeg den Heer Goeverneur, wat zijn Edele van zulk een gedoente docht ! De Heer Goeverneur antwoorde daarop, dat hij zich alleen tot het bestier van de hem toevertrouwde belangen van de komp: bepaalde, en zich noit bemoeide met de 525 de zaaken der nabuurige vorsten die de kompanie niet aangingen en dat de koning van Trevan„ koor een souveraine vorst was, over wiens daden hij niet begeerde te oordeelen. — en op het antwoord van den Ambassadeur, dat de Patscha hem expres gelast had, Rama Rasia hier over te onderhouden en de perzoonen en goederen van zijne ont„ „vluchte Onderdaanen die zich in zijn land schuil hielden, te reklameeren, en hier te van vooraf, aan den Heer Goeverneur kennis liet geeven, tot een blijk dat de Latscha niets onbillijks begeerde en tegen Rama Rasia niets be¬ „ginnen zoude, zonder daar toe bon„ „dige reedenen te hebben, voegde de Heer Goeverneur hem te ge moet; dat dit eene zaak was, die de kompanie niet raakte en tusschen den Patscha en den koning moest beslist worden. Nu word volgens gebruik betel en roozewater aangebooden en de Am bassadeur vertook met belofte, dat hij bij zijne terugkomst van den koning van Trevankoor, het antwoord van e den Heer Goeverneur op den brief van van den Patscha afhaalen zoude. Jn de stad koetsiem, dage, maand en Jaare voorm: /. was geteekend:/ A„s Lunel Sekretaris. Akkordeerd Arnold Lunel Sekret a and 2 No 8. 526 De Weledele Gestr: Grootachtbaare Heer Raad Ordinair van Nederlands Jndien Goeverneur en Directeur Johan Gerard Van Angelbeek De E: Heer p=l Opperkoopm: secunde en Hoofdadminist=r Jan Lambertus van Spall, De E: Kapitain en Hoofd der Milietsie Godlieb George Gebhardt, De E: koopman, fiskaal en Kassier M=r Jan Willem Henrik van Rossum De E: Onderkoopman en Pakhuismeester Iohan Adam Cellarius, De E: Onderkoopman en Dispencier Willem Van Haeften, De E: Sekretaris van Polietsie Arnoldus Lunel en De E: p=l soldij Boekhouder Iacobus Adrianus Eversdijck Absent. De E: Onderkoopman Adriaan Poolvliet door indisposietsie. Werd ter tafel gebragt de door den Sekretaris Lunel gehoudene aanteekening van het geen op den 24=e November met den Afgerant van Tipoe Sultan, in naame Abdul Kaderchan, in vollen Raade verhandeld en gesprooken was en ver¬ Maandag den 14=de December 1789. Present. voormiddag op „men in Raade van Malabaar ter steede Koetsiem Sekreete Resoluutsie genoo„ „mits

NL-HaNA_1.04.02_3850_0518 view scan ↗

English

provided that, after careful review and examination, it was found that the same accurately contained everything that had occurred in that conference, and the Governor and all Members declared, head by head, that they could not provide anything to be added thereto for greater accuracy or completeness: it was therefore unanimously approved and resolved to approve and ratify the same herewith, as well as to insert it here. Note of what was transacted with the Ambassador of Tipu Sultan, named Abdul Kaderchan, on 24 November 1789, in the presence of the entire Council of Policy. After the initial formalities, the Ambassador said that at the Court of Padshah Tipu Sultan, shortly before his departure, a rumor had circulated that the Governor had departed from here and his replacement had not yet arrived; wherefore the letter from his Master, which he at the same time delivered, was not addressed to His Honour, but to the Servants of the Company, and for that reason was not accompanied by any gifts; but that the Padshah, hearing that His Honour was still here, would send a further letter with gifts, for the Padshah held His Honour in high esteem, etc. The Governor answered to this that he accepted the letter as if it had been written to him, and that the given assurance of the Padshah's affection was more pleasing to him than all gifts. Now the Ambassador began a long discourse, which in substance contained the following: The Padshah had great affection for the Dutch Company, because it was known throughout all the Indies as a just and faithful Nation, which treated all Indian Princes with sincerity and faithfully fulfilled its treaties with them, and oppressed no one, which could not be said of the other European Nations in the Indies; in particular, this was also evident from the King of Cochin, who was protected until now by the Company, and on all occasions praised its good treatment and assistance, and was especially also very satisfied with the affection with which the Governor handled his affairs. Since the Dutch Company was thus everywhere so renowned for its justice and equity, the Padshah had conceived great affection for the same, and to such an extent that he had decided to tolerate no other Nation in his land except only the Dutch, and His Highness could therefore also not understand why the Company had handed over the fort Cranganore to Rama Raja (thus he called the King of Travancore throughout the entire conference) and therefore had the reasons for it asked. This was answered first with a fitting compliment regarding the good affection of the Padshah, and further with the declaration that the King of Travancore was a close Ally of the Company, and had requested that the fort Cranganore and the field post Ayacotta be transferred to him; the Company had granted this, and thereupon the mentioned fort and the field post Ayacotta were sold together to His Highness and delivered in full ownership. Hereupon the Ambassador presented the request of his Master that the Company might take back the fort and occupy it with its troops, when they could live therein in peace and quiet. And received the answer thereto that the fort had been lawfully sold, and thus could not be asked back. Hereupon followed the question: whether the Company would take over the fort if Rama Raja wished to return it, and the answer of the Governor: that even in such a case he would not take back the fort, because it was lawfully sold. The Ambassador continued: that the Padshah had expressly sent him to Rama Raja to demand the fort from him, and intended then to make a present of the same to the Company; and upon the assurance of the Governor that the King of Travancore would not hand it over, his answer was: that the Padshah would compel him to it by force and conquer the fort by force of arms, and proposed that, in such a case, the fort be taken over again for the Company and occupied with its troops. Hereupon the following was applied to him: The Padshah had just now praised the Dutch Nation through his mouth for its justice and good faith; but what would he think of us henceforth, if we were capable of betraying the King of Travancore, who was our old faithful friend and Ally, so faithlessly behind his back or in secret. Now a different tack was taken. The Padshah knew that the Governor was an old, wise Man, who was held in high esteem among the Princes of Malabar, and therefore had these matters presented to him, in order to persuade Travancore to the amicable return of the Fort, to prevent great calamities; but the Governor evaded this thorny proposition with the answer, that he was very grateful for the good trust of the Padshah, but had always made it a rule for himself not to meddle further in the affairs of the Company's high Allies than the interest of the Company required, and moreover he, the Ambassador, was now himself going to the King of Travancore, and thus had the best opportunity

Dutch transcription

„mits na aandachtige resumptsie en examinaatie bevonden werd, dat dezelve alles nauwkeurig be¬ „helsde, wat in die konferentsie voorgevallen was, in de Heer Goeverneur en alle Leden hoofd voor hoofd verklaarden, dat zij tot meerdere nauw„ „keurigheid of volstandigheid niets wisten op te „geeven, om daarbij gevoegd te worden: zoo werd met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en verstaan, dezelve bij deezen te approbeeren en te bekrachtigen, mitsgaders hier te insereeren. Aanteekeninge van het verhan„ „delde met den Ambassadeur van Tipoe Sultan, gen=t Abdul Kader„ „chan op den 24:e November 1789 in de tegenwoordigheid van den heelen Raad van Polietsie. Na de eerste plechtpleegingen zeide de Ambas„ „sadeur, dat aan het Hof van Patscha Tipoe Sultan, kort voor zijn vertrek, het gerucht geloopen had, dat de Heer Goeverneur van hier vertrokken en zijn vervanger noch niet aangekomen was; weshalven de brief van zijnen Meester, dien hij tevens overgaf, niet aan zijn Edele, maar aan de Bedienden van de kompanie gericht was, en daarom van 527 van geene geschenken verzeld ging; doch dat de Patscha hoorende dat zijn Edele noch hier was, een naderen brief met geschenken zenden zoude, want dat de Patscha veel achting voor zijn Edele had, enz: De Heer Goeverneur antwoorde hierop, dat hij den brief aannam als of dezelve aan hem geschreeven waare, en dat de gegeevene ver„ „zeekering van des Patscha geneegenheid hem boven alle geschenken aangenaam was. Nu begon de Ambassadeur een lange reeden„ „voering, die het volgende in substantsie behelsde= De Patscha had groote geneegenheid voor de Hollandsche kompanie, wijl ze door heel Indien bekend was voor eene rechtvaardige en ge„ „trouwe Naatsie, die alle Indische Vorsten met oprechtheid behandelde en aan haare verbon„ „den met dezelven getrouwlijk voldeed, en niemant onderdrukte, het geen men van d' overige Europeesche Naatsien in Indien niet kost zeggen; inzonderheid bleek dit ook aan den Koning van Koetsiem, die tot dus ver van de kompanie geprote„ „geerd werd, en bij alle geleegenheeden haare goede behandeling en bijstand prees, en inzonderheid ook zeer voldaan was over de de geneegenheid, waarmeede de Heer Goeverneur zijne zaaken behandelde. Wijl nu de Holland, „sche kompanie alom zoo beroemd was wegen haare rechtvaardigheid en billikheid: zoo had de Patscha voor dezelve groote geneegenheid opgevat, en zoo verre dat hij beslooten had„ geen andere Naatsie, als alleen de Hollan„ „ders in zijn land te dulden, en zijne Hoog¬ „heid kost derhalven ook niet begrijpen, waarom de komp: het fort Kranganoor aan Rama Rasia /:zoo noemde hij den Koning van Trevankoor de heele konferentsie door:/ had overgegeeven en liet dus de reeden daar van vraagen. Dit werd beantwoord eerst met een gepast kompliment wegens de goede geneegenheid van den Patscha en voorts met de verklaa¬ „ringe dat de koning van Trevankoor een nauwe Bondgenoot van de komp: was, en verzocht had, het fort kranganoor en de veld„ „post Aikotte aan hem over te laaten, dit had de kompanie toegestaan, en daarop waa„ „ren het gemelde fort en de veldpost Aikotte te zaamen aan zijne Hoogheid verkocht en in vollen eigendom overgegeeven. Hierop 528 Hier op stelde de Ambassadeur het verzoek van zijnen Meester voor dat de Kompanie het fort weder mogt overneemen en met haare troepen bezetten, wanneer zij daar in rust en vreede kost woonen. En kreeg daarop tot antwoord, dat het fort wettig verkocht was, en dus niet kost terug gevraagd worden. Hierop volgde de vraage: of de komparie het fort zoude overneemen, als Rama Rasia het„ „zelve terug wilde geeven, en het antwoord van den Heer Goeverneur; dat hij ook in zulk een val het fort niet te rug neemen zoude, wijl het wettig verkocht was. De Ambassadeur vervolgde; dat de Patscha hem expres aan Rama Rasia gezonden had, om het fort van hem op te eischen, en wilde hetzelve als dan aan de kompanie present doen, en op de verzeekering van den Heer Goeverneur, dat de Koning van Trevankoor hetzelve niet zoude overgeeven, was zijn antwoord; dat de Patscha hem daar toe met geweld dwingen en het fort gewapenderhand veroveren zoude, en liet voor= „stellen, om, in zulk een val, het fort voor de komp: weder over te neemen en met haare troepen te bezetten. Hierop rneur Hierop werd hem het volgende toegepast: De Patscha had zoo aanstonds de Hollandsche Naatsie over haare rechtvaardigheid en goede trouwe door zijnen mond gepreesen; doch wat zoude hij voortaan van ons denken, indien wij bequaam waaren, den Koning van Trevankoor, die onze oude getrouwe vriend en Bondgenoot was, achter zijn rugge of in 't heimlijk, zoo trouwloos te verraaden. Nu werd het over een anderen boeg gewendt. De Patscha wist, dat de Heer Goeverneur een oud verstandig Man was, die bij de Vorsten van Malabaar in groote achting stond, en liet hem daarom deeze zaaken voorhouden, om Trevan„ „koor tot de minzaame teruggave van het Fort te persuadeeren, tot voorkoming van groote onheilen, doch de Heer Goeverneur ontweek deeze neetelige voorstelling door het antwoord, Dat hij voor het goede vertrouwen van den Patscha zeer dankbaar was, doch het zich steets tot eene wet gemaakt had, zich met de zaaken van 's komp: hooge Bondgenooten niet verder te bemoeien, dan het belang van de komp: vereischte, en daar en boven hij Ambassadeur thans zelve naar den Koning van Trevankoor ging, en dus de beste geleegen „heid

NL-HaNA_1.04.02_3850_0523 view scan ↗

English

529 had, to confer with His Highness on everything that had been entrusted to him. After some pause, in which the Ambassador seemed to reflect further, he took the floor again and declared that the Patscha would never tolerate anyone having fortresses in his country except the Dutch, as they were the only ones who acted uprightly, and that His Highness would therefore take fort Kranganoor by force, and if the Dutch Company did not want to have it, keep it for himself. The reply of the Governor contained: That this was a matter which had to be settled between the Patscha and the King of Trevancore, but that he could not understand on what foundation the Ambassador alleged that fort Kranganoor lay in the country of the Patscha, and this gave occasion to the following questions: Ambassador: On whose land does fort Kranganoor lie? Governor: The ground on which the fort stands, together with the further foreland where the village was formerly built and the so-called Company's garden, has belonged in sovereign ownership to the Dutch Company from ancient times, and now belongs as such to the King of Trevancore. A: The fort lay in the Kingdom of Kranganoor, and as the Patscha had conquered that Kingdom, it therefore lay in the land of the Armané. G: The Patscha was ill-informed. The fort, with the village, had belonged to the Company for more than a hundred years and was entirely separated from the Kingdom of Kranganoor. The expelled King of the same was still alive and would have to admit this together with his courtiers; the King of Cochin would also have to bear witness to this, and all inhabitants of that small Kingdom and in its neighborhood would have to confirm it, and all could point out the old boundary. A: In what manner had the Company acquired that fort? G: It had conquered the same in a lawful war against the Portuguese. A: In what manner had the Portuguese acquired it? G: This question went too far and looked somewhat like an interrogation; it ought to be enough for the Patscha that the Company had already lawfully possessed it for over a hundred years and now lawfully 530 had sold it lawfully to the King of Trevancore. A: The fort stood on the territory of the Armané; this appeared from the fact that the Company had paid an annual recognition fee for it. G: Not a single duit had ever been paid for it. A: From the accounts of the Armané revenues of the land of Kranganoor, it appeared that the Company had paid 12 pagodas annually. G: The Patscha was very wrongly informed in this regard, and could freely inquire of the King of Kranganoor and his servants, who were still alive, whether the Company had ever paid a single duit in recognition fee for the fort; with the twelve pagodas which he now alleged had been given as a recognition fee, the case was quite different, namely: several Chegos and other inhabitants of the Company, who lived in houses outside the fort, but on the Company's ground, had some years ago rented small gardens or plots of land annually from the land-tax farmers of the Patscha in the territory of the King of Kranganoor, and as the rent money was not paid on time, the tax-farmer addressed himself to the Resident, Mr. Cellarius, who, to prevent difficulties, had that money collected by the interpreter and paid to the tax-farmer; this has happened annually since to prevent difficulties, and it is therefore very wrong, and without any foundation, to try to make this into a recognition fee for the fort; this matter is notorious and known to all natives, great and small, from whom the Ambassador can inquire. The Ambassador began anew to boast extensively of the esteem and affection of the Patscha for the Dutch Company and for the Governor, and subsequently proposed that in the treaty between the Patscha and the English, it had been expressly stipulated that the English and the King of Trevancore would not interfere with the lands and inhabitants of Cochin, nor with the lands and inhabitants of the Armané. To which the Governor replied that His Honour knew nothing of this, and had not read the treaty. The Ambassador then continued that the King of Calicut was a vassal of the Patscha, but had become a fugitive, and was protected by Rama Raja, and that this King also 531 had also granted refuge and protection in his country to a multitude of Princes and nobles from the Kingdoms of the Zamorin and Kolastri, as well as to many rich merchants and wealthy subjects of the Patscha, who thereby suffered great disadvantage, and he asked the Governor what His Honour thought of such conduct. The Governor replied thereto that he confined himself solely to the management of the Company's interests entrusted to him, and never interfered in the affairs of neighboring princes which did not concern the Company, and that the King of Trevancore was a sovereign prince whose actions he did not wish to judge; and upon the reply of the Ambassador that the Patscha had expressly ordered him to confer with Rama Raja on this, and to reclaim the persons and goods of his fugitive subjects who were hiding in his country, and gave notice of this beforehand to the Governor as proof that the Patscha desired nothing unreasonable and would undertake nothing against Rama Raja without having cogent reasons for it; the Governor rejoined to him that this was a matter which did not concern the Company, and

Dutch transcription

529 „heid had, zijne Hoogheid over al wat hem opge= „draagen was, te onderhouden, Na eenige tusschenpoozing, waar in de Ambas„ „sadeur zich nader scheen te beraaden, nam hij weder het woord op en verklaarde, dat de Patscha noit gedoogen zoude, dat in zijn land iemand vestingen hadde buiten de Hollandere wijl dezelven de eenigsten waaren, die oprecht„ „lijk handelden, en dat zijne Hoogheid derhal„ „ven het fort Kranganoor met geweld innee„ „men, en als de Hollandsche Komp: het niet hebben wilde, voor zich zelven behouden zoude, Het antwoord van den Heer Goeverneur behelsde: Dat dit eene zaak was, die tusschen den Zatscha en den Koning van Trevan koor moest afgedaan worden, doch dat hij niet begrijpen kost, op wat fundament de Heer Ambassadeur voorgaf, dat- het fort kranganoor in 't Land van den Patscha lag, en dit gaf geleegenheid tot de volgende vraagen: Amb:r Op wiens grond ligt het fort kranganoors Goev=n De grond, daar het fort opstaat met de verde „re voorgrond, daar voor deezen de Negorij opgebouwd was en de zoogenaamde kompanies tuin, heeft van al oude tijden aan de Hol= „landsche kompanie in souverainen eigendom toebehoord g g toebehoord, en behoord thans als zoodanig toe aan den Koning van Trevankoor. A: Het fort lag in het Rijk van Kranganoor, en wijl de Patscha dat Rijk veroverd had; zoo lag het in het land van den Armané G: De Patscha was qualijk onderricht. Het fort met de Negorij had zeeder meer dan honderd Jaar de komp: toebehoord en was ten eene„ „maal afgezonderd van het Rijk van Kranga= noor. De verdreevene Koning van hetzelve leefde noch en zoude dit met zijne Hofsgroo„ „ten moeten bekennen; De koning van koetsiem zoude hier van mede getuigenis moeten geeven, en alle Inwooners van dat Rijkje en in des„ „zelfs nabuurschap zouden dat moeten bevestigen, en alle konden de oude grensscheiding aan „ „wijzen. A: Op wat wijze was de kompanie aan dat fort gekomen! G: zij had hetzelve in een wettigen oorlog tegen de Portugeezen veroverd. A: Op wat wijze waaren de Portugeezen daaraan gekoomen. - G: Deeze vraag ging te ver en geleek wel wat naar een examinaatsie, het behoorde voor den Patscha genoeg te weezen, dat de komp: het reets over honderd Jaaren wettig bezeeten en nu wettig. 530 wettig aan den koning van Trevankoor verkocht had. A: Het fort stond op het grond=gebied van den Armane, dit bleek daaruit, dat de Kompanie daar voor een jaarlijxe rekognietsie betaald had. G: Noit was daar voor een duit betaald. A: Bij de Reekeningen van de Armaneesche inkomsten van het Land van Kranganoor bleek, dat de komp: Jaarlijx 12. pagooden be„ „taald had. G: De Zatscha was hieromtrend zeer verkeerd onderricht, en kost bij de Koning van Kranga„ „noor en zijne Bedienden, die noch leefden, vrij laaten navraagen, of de komp: oit een duit aan rekognietsie voor het fort betaald had; met de twaalf pagooden, die hij thans voorgaf, dat tot een rekognietsie gegeeven waaren, was het heel anders geleegen, te weeten; verscheide sjegog en andere Jnwooners van de kompanie, die in huisen buiten het fort, doch op skompanies grond woonden, hadden voor eenige jaaren van de Land„ „pachters van den Patscha in 't gebied van den Koning van Kranganoor tuintjes of stukjesland jaarlijx in huur genoomen, en wijl de huurpennin¬ „gen op zijn tijd niet betaald wierden, zoo addres„ „seerde de pachter zich aan het Opperhoofd den Heer gen tegen aan Heer Cellarius, die, tot voorkoming van moeilijk „heeden, dat geld door den Tolk liet invorderen en aan den Zachter betaalen; Dit is zeeder jaarlijx geschied tot voorkoming van moeilijkheeden, en het is dus zeer verkeerd, en zonder eenig funda„ „ment, dat men hier uit eene rekognietsie voor het fort wil maaken, deeze zaak is notoir en bij alle Inlanders groot en kleen bekend, waarbij de Ambassadeur navraagen kan. De Ambassadeur begon op 't nieuw breed op te geeven, van de achting en geneegenheid van den Patscha voor de Hollandsche kompanie en voor den Heer Goeverneur, en stelde vervolgens voor, dat bij het traktaat tusschen de Patscha en de Engelschen expres bedongen was, dat de Engelschen en de Ko„ „ning van Trevankoor zich niet zouden bemoeien met de Landen en Jngezeetenen van Koetsiem en ook niet met de Landen en Ingezeetenen van den Armané. Waar op de Goeverneur tot antwoord diende, dat zijn Edele daar niets van wist, en het traktaat niet geleesen had. De Ambassadeur vervolgde toen, dat de Koning van kalikut een vasal van den Patscha was, doch zich fugatief gesteld had, en van Rama Rasia geprotegeerd werd, en dat deeze Koning ook 531 ook schuilplaats en protexie in zijn land verleend had aan een meenigte Prinsen en grooten uit de Rijken van Samorijn en Kolastri, als mede aan veele rijke kooplieden en vermogende onderdaanen van den Patscha, die daar door groot nadeel leed, en hij vroeg den Heer Goeverneur, wat zijn Edele van zulk een gedoente dacht De Heer Goeverneur antwoorde daarop, dat hij zich alleen tot het bestier van de hem toevers„ „trouwde belangen van de Komp: bepaalde, en zich noit bemoeide met de zaaken der nabuuri„ „ge vorsten, die de kompanie niet aangingen, en dat de Koning van Trevankoor een souve¬ „raine vorst was, over wiens daaden hij niet be„ „geerde te oordeelen: - en op het antwoord van den Ambassadeur, dat de Patscha hem expres gelast had, Rama Rasia hier over te onderhouden, en de persoonen en goederen van zijne ont¬ „vluchte onderdaanen, die zich in zijn land schuil hielden, te reklameeren, en hier van voor af aan den Heer Goeverneur kennis liet geeven, tot een blijk dat de Patscha niets on„ „billijks begeerde en tegen Rama Rasia niets beginnen zoude zonder daartoe bondige reedenen te hebben; voegde de Heer Goeverneur hem te gemoet„ dat dit eene zaak was, die de kompanie niet raakte, en van ng

NL-HaNA_1.04.02_3850_0528 view scan ↗

English

and had to be decided between the Padshah and the King. Now, according to custom, betel and rose-water were offered, and the Ambassador departed with promises that upon his return from the King of Travancore, he would collect the Governor's answer to the Padshah's letter. In the city of Cochin, day, month, and year as aforesaid. Signed: A-s Lunel, Secretary. Hereafter the Governor communicated that the letter from Tipu Sultan, which was delivered in the conference by the Envoy Abdul Kader in the name of his Master, stood in marked contrast to the verbal expressions of esteem, affection, and friendship of which the aforesaid Envoy had spoken so broadly in the conference, as it was drawn up with an insulting pride and in derisive expressions, and that it furthermore served to force the Company into annulling the purchase contract of Cranganore concluded with Travancore, and into taking that fort back again, as appeared further from the translation made thereof, reading as follows: Translation of a Marathi letter from the Padshah Tipu Sultan, received on the 24th of November 1789. The Ruler of all four corners of the world, Highly esteemed among all peoples, Protector of many subjects, Possessor of far-reaching fortune, the Padshah Tipu Sultan gives notice to his subject the Dutch Merchant residing in the city of Cochin. Your Honour has for many years, in friendship with the Palace, garrisoned the fort of Cranganore, which stands in the Calicut Kingdom, with your people, and conducted yourself as one of the Palace subjects in Calicut; but because Your Honour has now had that fort garrisoned by the troops of Rama Nair, and protects the thieves of the Palace lands, and through them causes many hostilities to be committed in the Palace lands, your faithfulness and friendship is hereby obstructed; because you live in the Kingdom of the King of Cochin, and the same has of old been protected by the Palace, you are also a subject of the Palace; you must therefore endeavor to give satisfaction to the Palace through your good services, which shall also serve your own interest. Now I send Abdul Kader thither, who will inform you of everything; therefore, you must make the troops of Rama Raja depart from the fort of Cranganore, and garrison the same with your people as before, and further grant no shelter to the fugitives from the Palace lands; and when you do this, you shall enjoy my favor. Written in the Year of Mohammed's flight 1217, the 15th of the month Kinsi by Srinivasa Rao Munshi; at the head of the letter stood the signature of the Padshah in Mughal script. Lower down stood: for the Translation according to reading and explanation in Tamil by the Maratha Srinivasa Rao, Cochin, date as above. Signed: J. M. Truijens, sworn Translator. That the Governor, having sent a copy of that letter to the King of Travancore at his earnest request, was invited by His Highness to an oral conference at Parur, and then understood from His Highness that Tipu Sultan had also complained to the English Government about the sale of the aforementioned fort, and under the pretext that the same stood in his land and paid tribute to him, had requested that the said Government might induce the King to annul that purchase and return the fort to the Dutch. That the Government at Madras had thereupon written to His Highness, denounced the aforementioned contract as an imprudent action undertaken out of untimely ambition, and had demanded of His Highness to abandon the same and return the fort to the Company, under the threat that it would not concern itself with the disturbances and hostilities that might arise between him and Tipu Sultan on that account; wherefore His Highness requested to know His Honour's sentiment concerning this. That His Honour had thereupon declared to the King that he was not authorized to annul the contract once concluded, or to take back the fortress, but would abide by the same; that the pretexts of Tipu were a pure fiction, the groundlessness of which was all too well known to the King; that the English were also better informed of the political situation on this coast and knew very well that the Dutch Company had conquered the fort of Cranganore more than a hundred years ago in a lawful war and had possessed it peacefully ever since; and that the assertion of an annual tribute was also a frivolous fiction, as the King of Travancore himself knew very well and all Malabar princes and grandees would have to testify; together with the still extant treaties concluded by the

Dutch transcription

en tusschen den Patscha en den Koning moest beslist worden. Nu werd volgens gebruik betel en roose=water aangebooden, en de Ambassadeur vertrok met beloften, dat hij bij zijne terugkomst van den Koning van Trevankoor, het antwoord van den Heer Goeverneur op den brief van den Patscha afhaalen zoude, In de stad Koetsiem, dage, maand en jaare voor„ „meld /:was geteekend:/ A=s Lunel Sekret:s Hierna kommuniceerde de Heer Goeverneur, dat de brief van Tipoe sultan, die in de konferentsie door den Gezant Abdul Kader, uit naame van zijnen Meeter was overgegeeven, tegen de mondelinge betuigingen van achting, geneegenheid en vriendschap, waar van eevengen: Gezant in de konferentsie zoo breed had opgegeeven merklijk afstak, als zijnde met eene beleedigende trotschheid en in hoonende uitdruk„ „kingen opgesteld, en dat dezelve voor het ovrige strekte, om de Komp: tot het vernietigen van het met Trevankoor geslooten koop=kontrakt van Kranganoor, en tot het weder overneemen van dat fort te noodzaaken, zoo als dit nader bleek bij de daarvan gemaakte vertaaling, aldus luidende: Translaat Maratsche brief van den Patscha Tipoe Sultan, ontvangen den 24=e 9ber: 1789. De 532 De Heerscher van alle vier deelen der wareld Hoog geacht onder alle volkeren, Beschermer van veele onderdaanen, Gemieter van een wijduit„ „gestrekt geluk, den Patscha Tipoe Sultan adver„ „teerd aan deszelfs onderdaan den zich in de stad Koetsiem bevindenden Hollandschen Koopman. UWE: heeft zeder lange jaaren in vriendschap met de Armane het fort Kranganoor, het welk in het Kalikoetsche-Rijk staat, door uw volk bezet, en als een der Armaneesche onderdaan op Kalikoet zich gedraagen, maar wijl UwE: thans dat fort „door de troepen van Rama Naier heeft laaten bezetten en de dieven van de Armaneesche lan„ „den protegeerd, en door dezelven veele hostiliteiten in de Armaneesche landen laat pleegen, zoo is uw getrouwigheid en vriendschap hier door verhin„ „derd; wijl uw in het Ryk van den Koning van Koetsiem woond, en dezelve van ouds door de Armane beschermd word, zoo is uw ook een onder„ „daan van de Armane, uw moet dus trachten door uwe goede diensten aan de Armane ge„ „noegen te geeven, die mede tot uw eigen belang strekken zal. Thans zend ik Abdul Kader naar derwaards, hij zal uw alles informeeren; derhalven moet uw de troepen van Rama Rasia van het fort kranga= „ noor „noor laaten vertrekken, en hetzelve door uw volk gelijk voor heen bezetten, en voorts aan de vlucht¬ „lingen van de Armaneesche landen geen schuil„ „plaats verleenen, en wanneer uw dit doed, zoo zal úw mijn gúnst genieten. Geschr: in 't Jaar Mahmed vlucht 1217. den 15=e van de maand kinsi door Sriniwasa Rajer Moensi, aan het hoofd van de brief stond de handteekening van den Patscha in het Mogolsch /:lager stond:/ voor de Translaatsie volgens leesing en verstaan geeving in 't Tamoelsch door de Maratter Prini„ „wasa Rajer, Koetsiem dato als vooren. / was geteekend:/ I: M: Truijens gezw: Translateur. Dat hij Heer Goeverneur, aan den koning van Trevan„ „koor, op deszelfs instandig verzoek, een afschrift van dien brief gezonden hebbende, door zijne Hoogheid tot een mondelinge konferentsie naar Paroe uitgenoodigd was, en toen van zijne Hoogheid verstaan had, dat Tipoe sultan over den verkoop van meermelde fort almeede bij de Engelsche Regeering gedoleerd en onder voorgeeving, dat hetzelve in zijn land stond, en aan hem rekognietsie betaalde, begeerd had, dat gemelde Regeering den Koning mogt disponeeren, om dien koop te niet te doen, en het fort aan de Hollanders te rug te geeven. Dat de Regeering te Madras daarop aan zijne Hoog„ „heid 333 „heid geschreeven, het meermelde kontrakt als eene onvoorzichtige en uit ontijdige ambietsie ondernoome„ „ne handeling gelaakt, en van zijne Hoogheid begeerd hadde, van hetzelve aftezien, en het fort aan de komp: terug te geeven, onder bedreiging, dat zij zich de onlusten en vijandigheeden, die daar over tusschen hem en Tipoe sultan ontstaan mogten, niet zoude aantrekken, weshalven zijne Hoogheid verzochte het gevoelen van zijn Edele hier over te mogen weeten. Dat zijn Edele daarop aan den koning verklaard had, niet bevoegd te zijn, het eens geslooten kontrakt te vernietigen, of de vesting weder over te neemen, maar zich aan hetzelve te zullen houden; dat de voorwendzels van Tipoe een louter verdichtzel waaren, welker ongegrondheid aan den koning te over bekend was; dat de Engelschen ook beeter van de poli„ „tieke gesteldheid op deeze kuste onderricht waaren, en zeer wel wisten, dat de Hollandsche komp:e het foit Kranganoor voor meer dan honderd jaaren in een wettigen oorlog veroverd en zeder vreedig bezeeten had; en dat het voor„ „geeven van een jaarlijxe rekognietsie ook een frivool verdichtzel was, zoo als de koning van Trevankoor zelve zeer wel wist en alle Mala„ „baarsche vorsten en grooten zouden moeten getui„ „gen; mitsgaders de noch in weezen zijnde door den

NL-HaNA_1.04.02_3850_0532 view scan ↗

English

the king of Kranganoor, driven out by the Nabob, and his court dignitaries themselves would have to confess. That the repeatedly mentioned king had thereupon declared that he could bring nothing against the legality of the contract, and only requested that the Lord Governor would insert into a letter to His Highness that no recognition had ever been paid for the fort, by which means he hoped the better to persuade the Ministry of Madras and convince them of the nullity of Tipoe's pretension, of which letter His Highness himself had caused the draft to be drawn up in the Malabar language, which, having been translated into Low Dutch, was found to read as follows: Draft letter written by the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor Johan Gerard Van Angelbeek to the King of Trevankoor. Whereas the High Indian Government has qualified me to sell to Your Highness the fort Kranganoor and the field post Aikotte with the heavy artillery and ammunition goods to be found there, as well as the lands belonging thereto; so do I hereby confirm the already completed cession of all the same to Your Highness with all the prerogatives which the Dutch Company, as a sovereign power, has from ancient times possessed in lawful property, for the sum of three hundred thousand silver Ropijen, and I testify to Your Highness that the said fort and lands are subject to not the least pretension of anyone, and that the said Company has never paid the least recognition for that fort and field post Atikotte, as well as the lands belonging thereto, to anyone, whether to the king of Koetsiem or any other kings, or Tipoe sultan, and Your Highness can possess the same in the same manner in full property. God preserve Your Highness. Beneath stood: Thus translated by me into Malabar, Koetsiem, date as before. Was signed: I: M: Truijens sworn Translator. That His Honor had raised no difficulty in delivering that letter in that manner to the king, whereupon His Highness had requested that the Company, under these circumstances which left no further doubt as to the hostile intentions of Tipoe, might help him according to its ability, and to that end demand people, ships, and ammunition from Ceilon, and that one would assist him for the present, and until auxiliary troops from Ceilon appeared, with one hundred European artillerymen and some thousand pounds of gunpowder, as well as that one would send the ships and sloops on hand to Aikotte to cruise the sea inlet and the shores of Baipien and prevent the landing which the enemy might wish to undertake there. That His Honor had excused himself as best as possible from the desired assistance, by pointing out that one had no more people than were indispensable for the garrison of the fortress Koetsiem, that one also urgently needed all the powder which was in stock here for the defense of the same, and could surrender nothing of it without weakening it, and that nevertheless, if it should come so far that Tipoe became master of Kranganoor and Aikotte, the city of Koetsiem was the only fortress of all Southern Malabaar that could offer resistance to the enemy and hold him up, and that consequently it was of the highest importance to His Highness himself that this fortress should not be stripped or weakened, but that, regarding the cruising of Aikotte and the shores of Baipien, one would give satisfaction to His Highness and would immediately send thither the ship De schelde and the small ship De Verwachting. That the king held himself satisfied with this, and for the rest gave visible tokens of his affection for the Dutch Company and of his own accord promised, in the present circumstances, to act communicatively with His Honor in everything, and therefore also wished to know how the letter from Tipoe had been answered by the Company. That His Honor thereupon handed to the king the Tamil translation of the answer to Tipoe's letter and thereby made known that the letter had not yet been delivered to the Ambassador, because he, the Lord Governor, had first wished to show it to His Highness, who showed a visible satisfaction thereat and requested to be permitted to review the draft at his leisure, which was gladly granted. That the repeatedly mentioned king, in the following conference, had returned the aforesaid draft to the Lord Governor, and had been very satisfied therewith, and had only requested some small additions, which he, the Lord Governor, had gladly admitted, and that it was thereupon decided that the king, who had until now postponed the audience of the Envoy, would frame his answer to Tipoe's demands in the same manner, and that the Company's letter to Tipoe would be sent by two Lascars to the Dewan and delivered in the presence of the same to Abdul Kader, which letter, subsequently being read out in Low Dutch, was found to read as follows: Draft letter written by the Right Honorable, Highly Esteemed Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek to Tipoe sultan Padshah of Maisoer, the 13th of December 1789. To His Illustrious Highness, the Fortunate possessor of many prosperities, Equal with Mount Mahameroe, Measurer of a widespread fortune, Protector of many peoples, Rewarder and Prince of princes, the Lord Padshah Tipoe Sultan, from the Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek, greetings: Until the date of this I find myself in a good state of health, and request to be informed of the state of Your Highness and all agreeable news. Some

Dutch transcription

den Nabab verdreevene koning van Kranganoor en zijne Hofsgrooten zelven zouden moeten bekennen. Dat meermelde koning daarop had verklaard, tegen de wettigheid van het kontrakt niets te kunnen inbrengen en maar alleen te verzoeken, dat de Heer Goeverneur bij een brief aan zijn Hoogheid wilde laaten in vloeien, dat voor het fort noit eenige rekognietsie betaald was, waar door hij hoopte, het Ministerium van Madras beter te beleesen, en van de nietigheid van Tipoes voorgeeven te overtuigen, van welken brief zijn Hoogheid zelve het koncept in de Malabaarsche taal had laaten opstellen, het geen in 't Nederduitsch getranslateerd zijnde, bevonden was, aldus te luiden: Koncept brief door den Weledelen Grootachtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard Van Angelbeek geschreeven aan den Koning van Trevankoor. Wijl de Hooge Indiasche Regeering mij gequalifi„ „ceerd heeft om het fort kranganoor en de Veld„ „post Aikotte met de aldaar te vindene grof geschut en Ammunietsie goederen, alsmede de daar aan gehoorende landen aan Uw, Hoogheid te verkoopen; zoo bekrachtige ik bij deezen den reets gedaanen afstand van alle dezelven 534 dezelven aan Uw Hoogheid met alle de prezo„ „gativen, die de Hollandsche kompanie als souve„ „raine Mogendheid van ouds in wettigen eigen„ „dom bezeeten heeft voor de somma van driemaal„ „honderd duizend zilvere Ropijen, en ik betuige Uwe Hoogheid, dat gemelde fort en landen onder geen de minste pretentsie van niemand onder„ „worpen zijn, en dat hoog gedachte kompanie voor dat fort en Veldpost Atikotte als mede de daar aan gehoorende landen noit aan niemand het zij aan den koning van Koetsiem of eenige andere koningen, of Tipoe sultan de minste rekognietsie opgebragt heeft, en uw Hoogheid kan dezelven in zelver voegen in vollen eigen¬ „dom possideeren. God Bewaare Uwe Hoogheid. /:onderstond:/ zoodanig door mij in het Malabaars overgezet Koetsiem, dato als vooren. /:was getee„ „kend:/ I: M: Truijens gezw: Translateur. Dat zijn Edele geene zwaarigheid gemaakt had, dien brief in diervoegen aan den koning aftegeeven, waar op zijn Hoogheid verzocht had, dat de komp: in deeze omstandigheeden, die aan de vijandige voorneemens van Tipoe geene verdere twijfeling overlieten, hem naar vermogen mogt helpen, en tot dat einde van Ceilon, volk, scheepen en ammu„ „nietsie len van „nietsie eischen, en dat men hem voor eerst en tot dat hulptroepen van Ceilon opdaagden, met honderd Europeesche Antilleristen, en eenige duizend ponden builkruit assisteeren wilde, als mede, dat men de aan handen zijnde schepen en sloepen wilde naar Aikotte zenden, om het Zeegat en de staanden van Baipien te bekruissen en de landing te beletten, die de vijand daar zoude willen onderneemen. Dat zijn Edele zich van de begeerde hulpe best¬ „doenlijk had verschoont, door de aanwijzing, dat men niet meer volk had, dan tot de bezetting van de vesting koetsiem onontbeerlijk was, dat men ook al het kruit het welk alhier in voorraad was, tot de defensie van dezelve hoognodig had, en daar niets van kost afgeeven, zonder dezelve te verzwakken, en dat echter, indien het zoo ver mogt komen, dat Tipoe Meester van Kranganoor en Aikotte wierd, de stad Koetsiem de eenigste vesting van heel Zuider Malabaar was, die den vijand kost tegenstand bieden en op houden, en dat overzulx zijne Hoogheid zelve ten hoogster daar aan geleegen waare, dat deeze vesting niet ontbloot of verzwakt wierd, doch dat men, nopens de bekruis„ „sing van Aikotte en de stranden van Baipien, zijn Hoogheid genoegen geeven en het schip De schelde„ en 535 en het Smalschip De Verwachting, ten eersten der„ „waards zenden zoude. Dat de koning zich hiermede voldaan gehouden en voor 't ovrige zichtbaare blijken van zijne ge„ „neegenheid voor de Nederlandsche komp: gegeeven en uit eige beweeging beloofd had, in de tegenwoor„ „dige omstandigheeden met zijn Edele over alles te zullen kommunikatief te werk gaan, en daarom ook wenschte te weeten, hoedaanig de brief van Tipoe door de komp: was beantwoordt. Dat zijn Edele daar op de tamulsche overzetting van het antwoord op Tipoes brief aan den koning ter hand gesteld en daar bij te kennen gegeeven had, dat de brief noch niet aan den Ambassa„ „deur was overgegeeven, wijl hij /: Heer Goeverneur:/ denzelven eerst aan zijne Hoogheid had willen vertoonen, die daarover een zichtbaar genoegen betoond en verzocht had, het opstel op zijn gemak te mogen resumeeren, het geen gaarne was inge„ „willigd. Dat meermelde koning in de volgende konfe„ „rentsie het voorschreeve opstel aan den Heer Goe„ „verneur terug gegeeven had, en daar over zeer vol¬ „daan geweest was, en alleen eenige kleene bij voeg„ „zels verzocht had, die hij Heer Goeverneur gaarne geadmitteerd. ƒ dd den naar van ste aar de geadmitteerd had en dat daar op beslooten was, dat de koning, die de audientsie van den Gezant tot nu toe uitgesteld had, zijn antwoord op Tipoes Eischen inzel„ „ver voegen inrichten wilde, en dat s' komp=s brief aan Tipoe door twee Laskorijns aan den Diwaan gezonden en in de tegenwoordigheid van den zelven aan Abdul Kader overgegeeven worden zoude, welke brief vervolgens in het Nederduitsch opgeleesen zijnde, bevonden werd aldus te luiden: Koncept brief door den Weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan Tipoe sultan Pat„ „scha van Maisoer, den 13=e Dber: 1789. Aan zijne Doorluchtige Hoogheid den Geluk„ „kigen bezitter van veele voorspoeden, Gelijk„ „standigen met den Berg Mahameroe, Gemeter van een wijduitgestrekt geluk, Beschermer van veele volkeren, Belooner en Vorst der vorsten den Heer Patscha Tipoe Sultan, door den Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek salut: Tot dato deezer bevind ik mij in een goeden staat van gezondheid, en verzoeke den staat van Uw Hoogheid en alle aangenaame tijdingen te bedeelen. Eenige

NL-HaNA_1.04.02_3850_0537 view scan ↗

English

536 A few days ago the King of Koetsiem informed me that your Highness had sent an Ambassador with letters to me, and subsequently Abdul Kader arrived at the Court of Koetsiem, who was thus received by me as an envoy of Your Highness with all the honors that the Company is accustomed to show to the Ambassadors of the Kings and Princes, its Allies or friends. Because the letter which he was to deliver on behalf of Your Highness was not enclosed in a bag, as is customary and proper, he excused this with the pretext that shortly before his departure at Your Highness's Court the rumor had spread that I had departed from Koetsiem and the new Governor had not yet arrived, and that the letter was therefore only written to the Servants of Koetsiem; but that Your Highness, upon learning that I was still here, would immediately write another letter and send it to me with gifts. Upon this excuse I accepted the letter and furthermore spoke with Abdul Kader about what he had to propose on behalf of Your Highness, but when the letter was translated the following day, I found that it was not phrased in such a manner as the dignity of the Company required, nor in such a manner as Your Highness himself has observed toward me in his letters up to now, as appears from the letter which Your Highness had only recently written to me and sent with Kamal Mammadoe. I am therefore obliged to submit to Your Highness hereby that the Illustrious Dutch Company has been established in India for nearly two hundred years as a Sovereign Power, and as such is respected and treated by the greatest Kings and Princes in Asia, who are at the same time its Friends and Allies, and furthermore that the aforementioned Company waged a heavy war for more than one hundred years with the Kings of Spain and Portugal, and in the same conquered the strongholds of Kranganoor and Koetsiem, and since that time has possessed them in full ownership as a sovereign Power, and independent of the kings and princes of the Malabar and especially of the kings of Koetsiem and Kranganoor, and that Your Highness therefore has not the least right to arrogate to yourself any authority or jurisdiction over the aforementioned Company or its Governor, and finally that the aforementioned Company as independent Sovereign of its possessions on the Malabar coast has an unquestionable right to dispose of its forts and places at its pleasure, and to convey and surrender the same to whomever it wishes, without giving an accounting thereof to anyone in the world, whoever he may be. While I further remark on the oral pretext of Abdul Kader during the conference, that the Company had paid an annual recognition to the Armane for the fort Kranganoor: that the same is a purely frivolous fiction, and that the Illustrious Dutch Company has never paid any recognition for that fort either to Your Highness, nor to the former princes of Kranganoor, nor to anyone, whoever it may be; this fiction is probably based only upon the fact that some Chegos and Mocquas rented small parcels of gardens and sowing fields outside our limits from Your Highness's land-tenant, and that the rent money thereof was paid annually. Nor can I understand how Your Highness can write that the city of Koetsiem is subject to the Armane, since it is known to the whole world that the Company for more than one hundred years has not only been the independent Sovereign of that city, but has also since that time had under its protection and defended the princes of Koetsiem and Kranganoor, which those princes themselves cannot deny, so that there is not the slightest pretense at hand to diminish the dignity of the Illustrious Company through such futile claims. If there is anything here for Your Highness's service, please write to me; greetings! All of which having been carefully deliberated: it was unanimously approved and resolved to conform fully with everything performed by the Lord Governor, and specifically also to approve and adopt the reply drafted by His Honour to Tipoe Sultan. The Lord Governor having produced the written Instructions for the captain of the ship De Schelde, Christiaan Martens, in order to govern himself thereby when cruising the mouth of the Kranganoor river and the beaches of Baipien, reading as follows. Instructions for the Honourable, Valiant Mr. Christiaan Martens, Captain at sea, commanding the Company's ship De Schelde, on the cruise along Baipien and before the inlet of Aikotte. Article 1. Because it is thought that the Nawab Tipoe Sultan will attempt to transport troops from his land, which begins north of the aforementioned inlet, across the Kranganoor River, or also around the outside by sea, onto the Island of Baipien: we have therefore resolved to let your vessel and the small-vessel De Verwachting cruise there in order to prevent such a landing, and to entrust that cruising to Your Honour, Valiant Sir; as well as to prescribe the following for that purpose. Article 2. On the ship De Schelde remains the detachment of 44 Topasses under Ensign Bisschop and of twenty-three Artillerymen under the Fireworker.

Dutch transcription

536 Eenige dagen geleeden liet de koning van Koetsiem mij weeten, dat uw Hoogheid eenen Ambassadeur met brieven aan mij afgezonden had, en ver„ „volgens quam Abdul Kader aan het Hof van Koetsiem, die dus als een afgezant van Uwe Hoogheid door mij ontvangen is met alle de eer bewijzingen, die de komp: gewoon is aan de Ambassadeurs van de koningen en Vorsten haare Bondgenooten of vrienden te bewijsen. Wijl de brief, dien hij uit naam van Uwe Hoogheid overgeeven moest, niet zoo als het ge= „bruiklijk en betaamlijk was, in een sakje be„ „slooten was, zoo verontschuldigde hij dit met het voorgeeven, dat kort voor zijn vertrek aan het Hof van uw Hoogheid het gerucht verspreidt was, dat ik van Koetsiem vertrok„ „ken en de nieuwe Goeverneur noch niet aange„ „komen was, en dat daarom de brief eenlijk aan de Bedienden van Koetsiem geschreeven was; doch dat Uwe Hoogheid verneemende dat ik mij noch hier bevond, ten eersten een ander brief schrijven en met geschenken aan mij zenden zoude. Op deeze verontschuldiging heb ik den brief aangenoomen en voorts met Abdul Kader gesprooken dat de eter van ten er gesprooken over het geen hij van wegen Uw Hoog¬ „heid voor te stellen had, doch toen de briefsdaag daar aan vertaald werd, bevond ik, dat dezelve niet zoodanig ingesteld was als de waardigheid van de kompanie vereischte, en ook niet zoodanig als uwe Hoogheid zelve tot nu toe in zijne brie„ „ven aan mij geobserveerd heeft, het geen blijkt bij den brief dien uwe Hoogheid noch eerst kort bevoorens aan mij geschreeven en met Kamal Mammadoe gezonden heeft. Ik ben dus verplicht Uw Hoogheid bij deezen voor te houden, dat de Doorluchtige Hollandsche Komp:e eerst bij na twee honderd jaaren als een Souveraine Mogendheid in Jndien gevestigd is, en als zoo„ „danig van de grootste koningen en Vorsten in Asia, die teffens haare Vrienden en Bond„ „genooten zijn, gerespekteerd en behandeld word, en voorts, dat hoog ged=t komp:s voor meer dan hon„ „derd jaar met de Koningen van Spanien en Portugal een zwaaren oorlog gevoerd, en in dezelven de vestingen Kranganoor en koetsiem veroverd, en zeeder dien tijd als een souveraine Mogendheid, en onafhanklijk van de koningen en vorsten van de Malabaar en vooral van de koningen van Koetsiem en kranganoor in vollen 537 vollen eigendom bezeeten heeft, en dat Uwe Hoog„ „heid derhalven geen het allerminste recht heeft, zich eenige authoriteit of gezag over hoogge„ „dachte komp: of haaren Goeverneur aan te mati„ „gen, en eindelijk dat hoog gedachte komp: als onafhanklijk Opperheer van haare bezittin„ „gen op de Malabaarsche kust een onbetwistbaar recht heeft, over haare forten en plaatsen naar welgevallen te disponeeren, en dezelven te transporteeren en af te staan aan wie te wil„ zonder daarvan aan niemand ter wereld wie hij ook zijn moge, Reekenschap te geeven. Terwijl ik noch op het mondelinge voorgeeven van Abdul Kader in de konferentsie, dat de komp: aan den Armane voor het fort Kranganoor een jaarlijxe rekognietsie betaald had, aanmerke; dat hetzelve een louter frivool verdichtzel is, en dat de Doorluchtige Hollandsche kompanie noit eenige rekognietsie voor dat fort noch aan Uwe Hoogheid, noch aan de voorige vorsten van Kranganoor, noch aan niemand, wie het ook zijn moge, betaald heeft: dit verdichtzel steund waarschijnlijk alleen daar op, dat eenige sjegos en Mocquas kleene stukjes tuinen en Zaivelden van uw Hoogheids land=pachter buiten onze limiet gehuurd n m ne gen de n gehuurd hebben, en dat de huurpenningen daar van jaarlijx betaald zijn. Ook kan ik niet begrijpen, hoe uwe Hoogheid schrijven kan, dat de stad Koetsiem onder den Armane staat, daar het wereldskundig is, dat de komp: zeder meer dan honderd jaar niet alleen de onafhanklijke Opperheer van die stad is, maar ook zeder dien tijd de vorsten van koetsiem en Kranganoor onder haare protextie gehad en be„ „schermd heeft, het geen die vorsten zelve niet kun„ „nen ontkennen, zoo dat 'er geen de minste schijn voor handen is, om door zulke nietige voorgeevens, de waardigheid van de Doorluchtige Kompanie te de Klineeren. Hier iets van Uw Hoogheids dienst zijnde, ge „lieve mij te schrijven; salut! Op al het welk met aandacht gedelibereerd zijnde: zoo werd met eenpaarigheid van stemmen goed„ „gevonden en verstaan, zich met al het door den Heer Goeverneur verrichte ten vollen te konformeeren, en speciaal ook het door zijn Edele ontworpen antwoord aan Tipoe Sultan te ap„ „probeeren en te arresteeren. Door den Heer Goeverneur geproduceerd zijnde de schriftlijke Instruksie voor den kapitain van het 538. het schip De Schelde, Christiaan Martens om zich daar na, bij het bekruissen van den mond der Kranganoorsche rivier en de stranden van Baixiën te richten, luidende als volgt. Instruksie voor den E: Manhaften Heer Christiaan Martens kapi„ „tain ter zee, kommandeerende 'skomp:s schip De Schelde, op de Kruistocht langs Baipien en voor het zee=gat van Aikotte. Arb: 1. Wijl men denkt, dat de Nabab Tipoe Sultan trachten zal, uit zijn land, het welk benoorden het evenge„ „melde zee-gat begint, over de kranganoorsche Rivier, of ook buiten om over zee, krijgs volk op het Eiland Baipien over te brengen: zoo heb„ „ben wij beslooten uwen onderhoorigen Bodem en het Smalschip De Verwachting aldaar te laaten kruissen, om zulke landing te beletten, en UwEd: Manh: die bekruissing op te draagen; mitsgaders daar toe het volgende voor te schrijven. Art: 2. Op het schip De schelde blijft het detachement van 44: Toepassen onder den vaandrig Bisschop en van drie en twintig Artilleristen onder den Vuurwerker van van zijn de. de

NL-HaNA_1.04.02_3850_0542 view scan ↗

English

Fireworker Jongklaas stationed, which shall be relieved every 14 days, and Your Manly Honour also takes the aforementioned smalschip under your command, on which the Boatswain Christoffel Frogerus is placed as Officer in Command, and manned beyond the ordinary crew of 1 Quartermaster and 14 able Sailors, further with 1 Sergeant, 1 Corporal, and 12 Malay soldiers, and furthermore mounted with 10 cannon of 4 and 3 lb balls and 6 swivel guns and provided with the necessary ammunition, and sails immediately to the mouth of the Kranganoor River, or the fairway of Aikotte, in order to take up such a post there as shall be found serviceable to the achievement of this objective. Art: 3. The Smalschip shall to that end go lie near the reef of Aikotte as much further inward as can happen, in order to prevent the crossing of troops from the other side of the river, while the ship must keep the principal watch on the vessels that want to pass by at sea; however, the said smalschip shall have to direct itself herein, as well as in all other matters, according to your orders, to which end the necessary signals must be arranged, and handed to the Officer in Command Frogerus. Art: 4. When the Nabob's vessels with troops should attempt to cross over from the other side of the Kranganoor river to Aikotte, such must be prevented as much as possible, and for that purpose, if necessary, fired upon, in order thereby to compel them to turn back. Art: 5. In the same manner one must prevent that any such vessels with troops enter the river, or land anywhere on the Island past the same, and Your Manly Honour must, to that end upon discovery of such vessels at sea, sail towards them and prevent the landing with force; as well as overpower and capture those who offer resistance. It goes without saying that such a hostile landing shall not be undertaken with any single nor with two or three vessels, but that several or indeed a multitude of vessels will have to be used for that purpose; Your Manly Honour must therefore not let yourself be diverted too far from your cruising station by single, or even by two or three native vessels, but principally look out for small fleets, and employ all vigilance against the same. Art: 6 The Nabob also has a few warships of three and two masts, as well as some Galwets, but the same are, as far as is known, not at sea, and in a very bad condition; however, Your Manly Honour must be on guard against all such vessels, and especially, when many vessels might be found together, take care against boarding, in which their greatest or rather only strength consists; while it goes without saying that Your Manly Honour, finding yourself not equal to the hostile vessels because of their multitude and great superiority, must not expose yourself to visible and unavoidable danger, but must retreat to this roadstead. Leaving the rest then to Your Manly Honour's discretion, I wish Your Manly Honour good success and remain. Thus was, after attentive reading and resumption, approved and resolved by unanimous vote to approve and arrest the same. Hereafter it was proposed by the Governor: That, from the letter of Tipoe inserted hereinbefore; from his embassy to the King of Trevankoor; from his address to the English Government at Madras; and from his great war preparations it appeared clearly enough that he was intending to attack Kranganoor with arms. That this intention of his appeared further from the advance of his army, of which the vanguard had already arrived on the 12th of this month at Trietsjoer in the land of the King of Koetsiem, and had arrested the Servants of the latter King and plundered some villages, while, according to unanimous reports from the Dhows and Bombaras coming from the North, heavy storehouses were being established at Bargare. That one could not expect that the troops of Trevankoor, who were unversed in war, would be able to repel him alone and without the help of the English, but much rather had well-founded reasons to fear that Kranganoor would be taken by him with little effort. That the English at Paroe, having been sounded out by His Honour, had declared that they had received explicit orders from their Government not to interfere with Kranganoor and Aikotte at all, and not to come to the aid of the King of Trevankoor as long as he was not attacked within the lines in his country. That thus Tipoe, through the unexpected conduct of the English, had a free hand, according to his previous plan, after the conquest of the frequently mentioned fort and field post, to advance along Baipijen before this fortress and to enclose and besiege the same, without entering the actual country of Trevankoor; and one therefore had the greatest reason to fear that he would attempt to carry this plan of his into execution, and therefore the duty of this assembly required to put oneself into a state of readiness against that to the best of one's ability, and to take in hand everything possible for the defence of the city; and was subsequently, after mature deliberation, upon the proposals made to that end by His Honour, approved and resolved by unanimous votes to provide this fortress to the best of one's ability with all that was required for a proper defence and the enduring of a long siege, and to buy in the necessary provisions to that end; furthermore to take into service fifty native Gunners, from those who had served in the English war and were then discharged; to draft ten Sailors from the ship Trinkonomale for reinforcement of the Artillery; five hundred Men, among them one hundred Gunners; twenty thousand pounds of powder and five thousand

Dutch transcription

Vuurwerker Jongklaas bescheiden, het welk om de 14: dagen zal afgelost worden, en UwEd: Manh: neemt ook het smalschip voornoemd, onder uw kom „mando, waarop de Boodsman Christoffel Froge„ „rus als Gezaghebber geplaatst, en boven de ordi„ „naire Equipasie van 1. quartiermeester en 14 kloeke Matroosen, noch met 1. serjant, 1. korporaal en 12 Malaische soldaaten bemand, en voorts met 10. kanong van 4 en 3 lb bals en 6. draibassen gemonteerd en van de noodige ammonietsie voorzien is, en zeild ten eersten naar de mond van de Kranganoorsche Rivier, of het Zee=gat van Aikotte, om daar zooda„ „nig post te vatten, als tot bereiking van dit oog„ „merk zal dienstig bevonden worden. Art: 3. Het Smalschip zal tot dat einde bij het rif van Aikotte zoo veel nader naar binnen gaan liggen. als geschieden kan, om het overscheepen van krijgs= „volk van de overkant van de rivier te beletten, terwijl het schip het voornaamste toezicht moet houden op de vaartuigen, die in zee voorbij passer„ „ren willen, doch zal het gemelde smalschip hier in zoo wel, als in alle andere stukken zich moeten richten naar Uwe orders, waartoe de noodige seinen moeten beraamd, en aan den Gezaghebber 539 Gezaghebber Frogerus ter hand gesteld worden. Art: 4. Wanneer 's Nababs vaartuigen met krijgs=volk onderneemen mogten, van d' overkant van de kran„ „ganoorsche rivier naar Aikotte over te gaan, zoo moet zulx zoo veel mogelijk belet en daar toe des noods op dezelven gevuurd worden, om hen daar door te noodzaaken, weder te rug te keeren. Art: 5. Inzelver voegen moet men beletten, dat geen zulke vaartuigen met krijgs-volk de rivier inloopen, of voorbij dezelve ergens op het Eiland landen, en moet uwE: Manh:, tot dat einde bij ontdekking van zulke vaartuigen in zee, op dezelven afzeilen en de landing met geweld beletten; mitsgaders de geenen, die tegenstand bieden, vermeesteren en opbrengen. Het spreekt van zelve, dat zulk eene vijandige landing met geene enkelde en ook met geene twee of drie vaartuigen zal ondernoomen worden, maar dat daar toe verscheidene of wel een mee„ nigte van vaartuigen zullen moeten gebruikt worden, UwE: Manh: moet zich dus door enkel„ „de, of ook door twee of drie inlandsche vaartui„ „gen niet te ver van zijne kruis=plaats laaten Art: 6 afleiden afleiden, maar voornaamlijk uitzien naar kleene vlooten, en tegen dezelven alle waakzaamheid ge„ „bruiken. De Nabab heeft ook eenige weinige oorlogs vaartui= „gen van drie en twee masten, als mede eenige Galwets, doch dezelven zijn, zoo veel men weet, niet in zee, en in een zeer slegten staat, echter moet uwE: Manh: tegen alle zulke vaartuigen op hoede zijn, en voor al, wanneer veele vaartui„ „gen zich bij malkander bevonden mogten, tegen het enteren zorg draagen, waar in haare grootste of liever eenigste force bestaat; terwijl het van zelven spreekt, dat UwE: Manh: bevindende tegen de vijandige vaartuigen door de meerigte en groote overmacht niet bestand te zijn, zich niet aan zichtbaar en onvermijdelijk gevaar exponeeren, maar naar deeze reede retireeren moet. Het overige dan UwEd: Manh: beleid overlaatende, wensche ik uwEd: Manh: een goed sukces en blijve zoo werd, na aandachtige leesing en resumptsie, met eenpaarigheid van stemmen goedgevonden en ver„ „staan dezelve te approbeeren en arresteeren. Hierna werd door den Heer Goeverneur voorgesteld. Dat, uit den brief van Tipoe hier voorwaarts geinse= Art: 7. „reerd. 540 „reerd; uit zijne bezending aan den koning van Trevankoor; uit zijn addres aan de Engelsche Regeering te Madras; en uit zijne groote oorlogs-aanstalten klaar genoeg bleek, dat hij voorneemens was, kranganoor met de waapens aan te taster. Dat dit zijn voorneemen nader bleek, uit de aannade„ „ring van zijne arme, waar van de avantgarde reets den 12=e deezer te Trietsjoer in het land van den Ko„ „ning van koetsiem was aangekomen, en de Bedien„ „den van laastgemelden Koning gearresteerd en eenige dorpen uitgeplunderd had, terwijl, volgens eenpaarige berichten van de Dauws en Bombaras van de Noord komende, te Bargare zwaare magazijnen aangelegd wierden. Dat men niet kost verwachten, dat de troepen van Trevankoor, die in den oorlog onbedreeven waaren, al„ „leen en zonder de hulpe der Engelschen, hem zouden kunnen afkeeren, maar veel meer gegronde reedenen had, van te vreezen, dat kranganoor door hem met weinig moeite zoude ingenoomen worden. Dat de Engelschen te Paroe, door zijn Edele gepolst zijnde, verklaard hadden, van hunne Regeering uit„ „druklijk order bekomen te hebben, zich met kranga„ „noor en Aikotte in 't geheel niet te bemoeien, en den koning van Trevankoor niet te hulpe te komen, zoo lang hij niet in zijn land binnen de linie werd aangetast. Dat d: inse Dat dus Tipoe door het onverwachte gedrag der Engel„ „schen vrije hand had, om volgens zijn voorig plan„ na de verovering van meermelde fort en veldpost, langs Baipijen voor deeze vesting te rukken en dezelve in te sluiten en te beleegeren, zonder het eigentlijke land van Trevankoor te betreeden; en men derhal„ „ven de grootste reeden had van te duchten, dat hij dit zijn plan zoude trachten ter uitvoer te brengen, en derhalven de plicht van deeze vergadering ver„ „eischte zich daar teegen naar vermogen in staat. te stellen, en tot de verdeediging van de stad al wat mogelijk was bij der hand te neemen; en werd vervolgens, na rijpe deliberaatsie, op de daar toe ge„ „daane proposietsien van zijn Edele, met eenpaarige stemmen goedgevonden en verstaan, deeze vesting van al wat tot eene behoorlijke defensie en het verduuren van eene lange beleegering vereischt werd, naar vermogen te voorzien, en tot dat einde de noodige provisien in te koopen; noch vijftig in„ „landsche Artilleristen, van die in den Engelschen oorlog gediend hadden, en toen afgedankt waaren, in dienst te neemen; van het schip Trinkonomale tien Matroozen tot versterking van d' Artillerij te ligten; vijfhonderd Man en daar onder honderd Artilleristen; twintigduizend pond kruit en vijf„ „duizend

NL-HaNA_1.04.02_3850_0547 view scan ↗

English

541 to request one thousand pounds of Sulfur from Ceilon; to instruct the Honorable Head Administrator to purchase thirty thousand pounds of Karwaat and four thousand pounds of native tobacco, alongside twenty thousand pieces of coconuts; and to commission Captain Commandant Gebhard together with the other Captains of the garrison by written Instruction: 1. To inspect accurately the fortifications of this city, and to ascertain whether everything concerning them is in good condition, what is lacking, and what further needs to be done and put into effect on the works for a vigorous defense of the same. 2. To inspect and examine the cannons and carriages, mortars, cannonballs and bombs, the gunpowder and the further ammunition, as well as the muskets and weapons, live cartridges, etc.; and to report what is still lacking for a vigorous defense, and how this can best be supplied. 3. To examine the supply of provisions, such as rice, paddy, and other grains; item bacon, meat, arrack, and other victuals, and to ascertain what is still lacking and needs to be acquired for the subsistence and provisioning of the garrison, and to submit a written report on all of this as soon as possible. Lastly, upon the proposal of the Governor, it was further approved and agreed to unload one thousand pounds from the ship Trinkonomale, which is provided with 2500 lb of gunpowder, and to notify the Ministers of Ceilon thereof, in order to resupply that vessel therewith. Thus Done, Resolved, and Enacted in the Council of Malabaar in the city of Koetsiem, on the day, month, and Year aforesaid. Was signed: J: G: Van Angelbeek, J: L: Van Spall, G: G: Gebhard, I: W: H: Van Rossum, I: A: Cellarius, W: Van Haeften, Arnold:s Lunel, and I: A: Eversdijck. Agreed. Arnold Lunel secretary 542 No 9. Draft letter written by the Right Honorable, Highly Esteemed Governor Johan Gerard van Angelbeek to the King of Trevankoor: Whereas the High Indian Government has qualified me to sell to Your Highness the fort of Kranganoor and the field post Aikotte, with the heavy artillery and ammunition supplies to be found there, as well as the lands belonging thereto, I hereby confirm the already executed transfer of all the same to Your Highness, with all the prerogatives that the Dutch Company, as a sovereign Power, has possessed of old in lawful ownership, for the sum of three hundred thousand silver Rupees; and I declare to Your Highness that said fort and Lands are not subject to the slightest claim from anyone, and that the highly esteemed Company has never rendered the least recognition for that fort and the field post Aikotte, nor for the lands belonging thereto, to anyone, whether to the King of Koetsiem or any other kings, or to Tipoe Sultan, and Your Highness may possess the same in the very same manner in full ownership. God Preserve Your Highness. Below stood: translated by me as such into the Malabar language. Was signed: J: M: Truijens, Sworn Translator. — Arnold Lunel secretary Agreed [illegible] JV Swade 543 Instruction for the Honorable, Valiant Christiaan Martens, Captain at sea commanding the Company's ship De Schelde, on the cruise along Baipin and before the Estuary of Aikotta. Article 1: Whereas it is thought that the Nabob Tipoe Sultan will attempt, from his territory which begins north of the aforementioned estuary, across the Kranganoor River, or also from outside by sea, to transport troops onto the Island of Baipin, we have resolved to let your vessel and the small-vessel De Verwachting cruise there to prevent such a landing, and to charge Your Valiant Honor with that cruising, prescribing the following for that purpose: Article 2: On the ship De Schelde remains stationed the Detachment of 44 Topasses under Ensign Bisschop, and of twenty-three Artillerymen under the pyrotechnician Jongklaas, which will be relieved every 14 days, and Your Valiant Honor also takes the aforementioned small-vessel under your command, on which the Boatswain Christoffel Frogerus has been placed as commanding officer, and which, above the ordinary Crew of 1 quartermaster and 14 sturdy Sailors, is manned with 1 sergeant, 1 corporal, and 12 Malay soldiers, and is furthermore mounted with 10 cannons of 4- and 3-lb balls and 6 swivel guns and supplied with the necessary ammunition; and you shall sail immediately to the mouth of the Kranganoor River, or the Estuary of Aikotta, to take up such a post there as will be found serviceable for the attainment of this objective. Article 3: The small-vessel shall for that purpose lie near the reef of Aikotte as much further inward as can be done, to prevent the ferrying of troops across the river from the opposite side, while the ship must keep the primary watch on the vessels that wish to pass by at sea; yet the said small-vessel must in this, as well as in all other matters, conform to your orders, for which the necessary signals must be arranged and handed to commander Frogerus. Article 4: If the Nabob's vessels should undertake to cross with troops from the opposite side of the Kranganoor river to Aikotta, this must be prevented as much as possible, and if necessary they must be fired upon to compel them thereby to turn back. Article 5: In the same manner one must prevent any such vessels with troops from entering the river, or passing beyond it to land anywhere on the Island, and to that end Your Valiant Honor must near

Dutch transcription

541 „duizend pond Zwavel van Ceilon te verzoeken; den inkoop van dertig duizend pond Karwaat, en vier duizend pond inlandsche tabak, nevens twintig dui„ „zend stux kokos nooten aan den E: Hoofdadministra„ „teur op te draagen; en den kapitain Kommandant Gebhard nevens de verdere Kapitains van het gar„ „nisoen bij een schriftlijke Jnstruksie te kommit„ „teeren. I. De vesting=werken deezer stad exakt opteneemen, en na te gaan, of alles daar aan in een goeden staat is, wat daar aan ontbreekt, en wat tot éene vigoureuje defensie van dezelve noch verder aan de werken diend gedaan en in 't werk gericht te worden. 2: De kanons en affuiten, mortiers, kogels en bom„ „men, het buskruit en de verdere ammonietsie; mits„ „gaders de geweeren en wapens, scherpe patroonen inz: naa te gaan en te examineeren; mitsgaders op te geeven, wat tot eene vigoureuse defensie noch ontbreekt, en hoedanig zulx best gesuppleerd kan worden. 3. Den voorraad van provisien, als rijst, nelij en andere graanen; item spek, vleesch, arak en andere levensmiddelen te examineeren, en na te gaan, wat tot levens onderhoud en verstreekking aan het garnisoen noch noch ontbreekt en diend aangeschaft te worden, en van dat alles ten spoedigsten een schriftlijk be„ „richt in te dienen. Laastlijk werd op de proposietsie van den Heer Goever„ „neur noch goedgevonden en verstaan uit het schip Trinkonomale het welk van 2500. lb buskruit voor„ „zien is, duizend pond aan de wal te ligten, en daar van aan de Ministers van Ceilon kennis te geeven, ten einde dien bodem daar van weder te voorzien. Aldus Gedaan, Geresolveerd en Gearresteerd in Raade van Malabaar ter steede Koetsiem, ten dage, maand en Jaare voormeld /:was geteekend:/ J: G: Van Angelbeek, J: L: Van Spall, G: G: Geb„ „hard, I: W: H: Van Rossum, I: A: Cellarius, W: Van Haeften, Arnold:s Lunel en I: A: Eversdijck. Akkordeerd. Arnold Lunel sekret: 542 No 9. koncept brief door den weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek Geschreeven aan den Koning van Trevankoor; Wijl de Hooge Jndiasche Regeering mij Gequa„ „lificeerd heeft om het fort kranganoor en de veld„ „post Aikotte met de aldaar tevindene grof ge„ „schut en Ammunietsie goederen alsmede de daaraan gehoorende landen aan uw Hoogheid te verkoo„ pen, zoo bekrachtige ik bij deezen den reets gedaanen afstand van alle dezelven aan uw Hoogheid met alle de prerogativen die de Hollandsche kompanie als souveraine Mogendheid van ouds in wettigen eigendom bezeeten heeft, voor de somma van driemaalhonderd- duizend zilvere Ropijen, en ik betuige ruwe Hoogheid, dat gemelde fort en Landen onder geen de minste pretentsie van niemand onder„ „worpden zijn, en dat hoog gedachte kompanie voor dat fort en de veldpost Aikotte alsmede de daar aan gehoorende landen noit aan niemand, het zij aan den koning van hoetsiem of eenige andere konin„ „gen, of Tipoe Sultan de minste rekognietsie opgebragte 9 opgebragt heeft, en uw Hoogheid kan dezelven in zelver voegen in vollen eigendom possideeren. God Bewaare uwe Hoogheid /:onderstond :/ zoodanig door mij in het Mallabaars overgezet /:was gete:/ J: M: Truijens Gezw: Translateur. — Arnold Lunel sekret:s Akkorteerd /Jagezee/ JV Swade 543 Instrukisie voor den E: Manhaften Heer Christiaan Martens, kapitain ter zee kommandeerende 'skomp: schip De Schelde, op de kruis tocht langs Baipin en voor het Zeegat van Aikotta. Art: 1: Wijl men denkt, dat de Nabab Jipoe Sultan trachten zal, uit zijn land, het welk benoorden het even„ „gemelde zeegat begint, over de kranganoorse Rivier, of ook buiten om over zee, krijgs volk op het Eiland Baipin over te brengen, zoo hebben wij beslooten uwen onder„ hoorigen bodem en het Smalschip De verwachting aldaar te laaten kruissen, om zulke landing te beletten en uw E: Manh: die bekruissing op te draagen mitsg„s daar toe het volgende voor te schrijven. Art: 2: Op het schip De Schelde blijft het Detachement van 44: Joepassen onder den vaandrig Bisschop, en van drie en twintig Artilleristen onder den vuur„ „werker Iongklaas bescheiden, het welk om de 14: dagen zal afgelost worden, en uw E: Manh: neemt ook het smalschip voornoemd, onder uw kommando waar op de Boodsman Christoffel Frogerus als gezaghebber geplaatst, en boven de ordinaire Equi„ „pasie van 1: quartiermeester en 14: kloeke Matroosen, noch met 1: serjant 1: korporaal en 12: Malaische soldaaten bemand, en voorts met 10: kanons van 4: en 3: lb: N„o 10: bals bals en 6: draibassen gemonteerd en van de noodige ammo„ „nietsie voorzien is, en zeild ter eersten naar de mond van de krangandorse Rivier, of het Zeegat van Aikotta, om daar zoodanig post te vatten, als tot bereiking van dit oogmerk zal dienstig bevonden worden. Art: 3: Het smalschip zal tot dat einde bij het rif van Aikotte zoo veel nader naar binnen gaan liggen als geschieden kan, om het overscheepen van krijgsvolk van de overkant over de rivier te beletten, terwijl het schip het voornaamste toezicht moet houden op de vaartuigen die in zee voor bij passeeren willen, doch zal het gemelde smalschip hier in zoo wel, als in alle andere stukken zich moeten richten naar uwe orders, waar toe de noodige semnen moeten berumd en aan den ge„ „zaghebber Frogerus ter hand gesteld worden. Art: 4: Wanneer 's Nababs vaartuigen met krijgevolk onder„ „neemen mogten, van d' overkant van de kranga„ „noorsche rivier naar Aikotta over te gaan, zoo moet zulx zoo veel mogelijk belet en daar toe des noods op dezelven gevuurd worden om hen daar door te noodzaaken, weder te rug te keeren Arb: 5: Inzelver voegen moet men beletten, dat geen zulke vaartuigen met krijgsvolk de rivier in lopen, of voor bij dezelve ergens op het Eiland landen, en moet uw E. Manh: tot dat einde bij

NL-HaNA_1.04.02_3850_0555 view scan ↗

English

544. upon discovering such vessels at sea, to sail toward them, and prevent the landing by force, as well as to overpower and bring in those who offer resistance. Art: 6: It goes without saying that such a hostile landing will not be undertaken with a single vessel, nor with two or three vessels, but that several or even a multitude of vessels will have to be used for this purpose; your Valour must therefore not allow yourself to be led too far away from your cruising station by single, or even by two or three native vessels, but primarily look out for small fleets and use all vigilance against them. Art 7: The Nabab also has a few warships of three and two masts, as well as some galwets, but these are, as far as is known, not at sea, and in a very bad condition; however, your Valour must be on guard against all such vessels, and especially, if many vessels should be found together, take care against boarding, in which their greatest or rather only strength consists, while it goes without saying that your Valour, finding yourself unable to withstand the hostile vessels due to their multitude and great superior force, must not expose yourself to visible and unavoidable danger, but must retreat to this roadstead. Leaving the rest to your Valour's discretion, I wish your Valour good success and remain below your Valiant, devoted friend, was signed: J: G: van Angelbeek, in the margin: Cochin, the 14th of December 1789. J H: Schachl First Clerk Agreed. 545 No. 11. Draft letter written by the Right Honourable Governor Johan Gerard van Angelbeek to Tipoo Sultan Padishah of Mysore, the 13th of December 1789. To His Serene Highness, the fortunate possessor of many prosperities, equal to Mount Mahameru, enjoyer of a wide-extended fortune, protector of many peoples, rewarder and prince of princes, the Lord Padishah Tipoo Sultan, greetings from the Lord Governor Johan Gerard van Angelbeek. Up to the date hereof I find myself in a good state of health and request to be informed of the condition of Your Highness and of all pleasant tidings. A few days ago the King of Cochin let me know that Your Highness had dispatched an ambassador with letters to me, and subsequently Abdul Kader arrived at the court of Cochin, who was thus received by me as an envoy of Your Highness with all the honours that the Company is accustomed to show to the ambassadors of the kings and princes, its allies or friends. Since the letter which he had to deliver in the name of Your Highness was not enclosed in a pouch, as was customary and proper, he excused this by pretending that shortly before his departure from the court of Your Highness the rumour was spread that I had departed from Cochin and the new Governor had not yet arrived, and that the letter was therefore only written to the servants of Cochin, but that Your Highness, upon learning that I was still here, would promptly write another letter and send it to me with gifts; upon this excuse I accepted the letter and further spoke with Abdul about what he had to propose on behalf of Your Highness; but when the letter was translated shortly thereafter, I found that the same was not drawn up in such a manner as the dignity of the Company required, nor in such a manner as Your Highness yourself has observed until now in your letters to me, which appears from the letter that Your Highness wrote to me only shortly before and sent with Kamal Mammadoe. I am therefore obliged to present to Your Highness herewith that the Serene Dutch Company has been established for almost two hundred years as a sovereign power in the Indies, and as such is respected and treated by the greatest kings and princes in Asia, who are at the same time its friends and allies, 546 and furthermore that the highly mentioned Company waged a heavy war for more than a hundred years against the kings of Spain and Portugal, and conquered in the same the fortresses of Cranganore and Cochin, and since that time, as a sovereign power and independent of the kings and princes of Malabar, and especially of the kings of Cochin and Cranganore, has possessed them in full ownership, and that Your Highness therefore has not the least right to usurp any authority or power over the highly mentioned Company or its Governor; and finally that the highly mentioned Company, as independent sovereign lord of its possessions on the Malabar Coast, has an indisputable right to dispose of its forts and places at its pleasure, and to transfer and cede the same to whomsoever it pleases, without giving an account thereof to anyone in the world, whoever he may be. While I further remark on the oral assertion of Abdul Kader during the conference, that the Company had paid an annual recognition to the Ayerur Rajah for the fort of Cranganore, that the same is an utterly frivolous fiction, and that the Serene Dutch Company has never paid any recognition for that fort, neither to Your Highness, nor to the former princes of Cranganore, nor to anyone, whoever it may be; this fiction is probably based only on the fact that some

Dutch transcription

544. bij ontdekking van zulke vaartuigen in zee op dezel„ „ven afzeilen, en de landing met geweld beletten, mitsgaders degeenen, die tegenstand bieden, ver„ „meesteren en opbrengen. Art: 6: Het spreekt van zelve, dat zulk eene vijandige landing met geene enkelde en ook met geene twee of drie vaartuigen zal ondernoomen worden, maar dat daar toe verscheidene of wel een meenigte van vaartuigen zullen moeten gebruikt worden, uw E: Manh: moet zich dus door enkelde, of ook door twee of drie Inlandsche vaartuigen niet te ver van zijne kruisplaats laaten afleiden, maar voornaamlijk intzien naar kleene vlooten en tegen dezelven alle waakzaamheid gebruiken. Art 7: De Nabab heeft ook eenige weinige Oorlogs vaartuigen van drie en twee masten, als me„ „de eenige Galwets, doch dezelven zijn, zoo veel men weet, niet in zee, en in een zeer slegten staat echter, moet uw E: Manh: tegen alle zulke vaartuigen op hoede zijn, en voor al, wanneer veele vaartuigen zich bij malkander bevonden mogten, tegen het enteren zorg draagen, waar in haare grootste of liever eenigste force bestaat terwijl het van zelven spreekt, dat uwE: Manh: bevindende tegen de vijandige vaar„ tuigen door de meenigte en groote overmacht niet a 6 a niet bestand te zijn, zich niet aan zichtbaar en onvermijdelijk gevaar exponeeren, maar naar deeze reede retireeren moet Het overige aan uw E: Manh: beleid overlaatende wensche ik uw E: Manh: een goed sukces en blijve /:onderstond:/ uw E: Manhafte D: W: vriend /was geteekend:/ I: I: van Angelbeek /:in margine:/ Koetsiem den 14: December 1789:—. J H: Schachl Egklerk Akkordeerd. 545 N:o 11. Koncept brief door den Weledelen Groot achtbaaren Heer Goeverneur Johan Gerard van Angelbeek geschreeven aan Tipoc Sultan Patscha van Maisoer den 13. Dber: 1789 Aan zijne Doorluchtige Hoogheid den gelukkegen bezitter van veele voorspoeden gelijkstandigen met den Berg Mahameroe gemeter van een wijd uitge„ strekt geluk Beschermer van veele volkeren Beloo„ „ner en vorst der vorsten den Heer Patscha Tipoe sultan door den Heer Goeverneur Iohan Gerard van Angelbeek salit Tot dato deezer bevind ik mij in een goeden staat van gezondheid en verzoeke den staat van uw Hoogheid en alle aangenaame tijdingen te bedeelen Eenige dagen geleeden liet de Koning van Roetsiem mij weeten dat uw Hoogheid eenen Ambassadeur met brie„ „ven aan mij afgezonden had en vervolgens quam Abdul Kader aan het Hof van Roetsiem die dus als een af„ „gezant van uwe Hoogheid door mij ontvangen is met alle de eerbewijzingen die de Kompanie gewoon is aan de Ambassadeurs van de Koningen en vorsten haare Rondgenooten of vizenden te bewijzen Wijl de brief dien hij uit naam van uwe Hoogheid overgeeven aan overgeeven moest niet zoo als het gebruiklijk en betaan „lijk was in een sakje beslooten was zoo verontschuldig „de hij dit met het voorgeeven dat Kort voor zijn vertrek van het Hof van uw Hoogheid het gericht verspreedt was, dat ik van koetsiem vertrokken en de nieuwe Goeverneur noch niet aangekomen was, en dat daar „om de brief eenlijk aan de Bedienden van Roetsiem geschreeven was doch dat uwe Hoogheid verneemende dat ik mij noch hier bevond ten eersten een andere brief schrijven en met geschenken aan wrij zenden zoude op deeze verontschuldiging heb ik den brief aangenoomen en voorts met Abdiel nader gesprooken over het geen hij van wegen uw Hoogheid voor te stellen had doch toen de briefslaags daaraan vertaald werd bevond ik dat dezelve niet zoodanig ingesteld was als de waardigheid van de Kompanie vereischte en ook niet zoodanig als uwe Hoog „heid zelve tot nu toe in zijne brieven aan mij geobserveerd heeft, het geen blijkt bij den brief dien uwe Hoogheid noch eerst kort bevoorens aan mij geschreeven en met Kamal Mammadoe gezonden heeft Ik ben dus verplicht, uw Hoogheid bij deezen voor te houden dat de Doorluchtige Hollandsche Kompanie eerst bij na tweehonderd Jaaren als eene souveraine Mo „gendheid in Jndien gevestigd is en als zoodanig van de Grootste Koningen en vorsten in Asia die teffens haare vrienden en Bondgenooten zijn gerespekteerd en behan„ „deld 546 „steld word en voorts dat hoog ged:t Kompanie voor meer dan honderd Jaar met de Koningen van Spanien en Portugal een zwaaren oorlog gevoerd en in dezelven de vestingen Kranganoor en Koetsiem veroverd, en Ieder dien tijd als een souveraine Mogendheid en onafhanklijk van de Koningen en vorsten van de Malabaar en vooral van de Koningen van Roethem en Kranganoor in vollen eigendom bezeeten heeft en dat uwe Hoogheid der„ „halven geen het allerminste recht heeft zich eenige autho„ „riteit of gezag over hoog gedachte Kompance of haaren Goeverneur aan te matigen en eindelijk dat hoog gedach„ „te Kompanie als onafhanklijk opperheer van haare bezit„ „tingen op de Malabaarsche Kust een onbetwisbaar recht heeft vvor haare forten en plaatzen naar welgevallen te disponeeren en dezelven te transporteeren en af te staan aan wisze wit zonder daar van aan niemand ter we„ „reld wie hij ook zijn moge Reekenschap te geeven Terwijl ik noch op het moordelinge voorgeeven van Abdul Rader in de Konferentsie dat de Kompanie aan den Ar„ „maire voor het fort Kranganoor een Jaarlijxe rekognietsie betaald had aanmerke, dat het zelve een louten frivool ver„ dichtzel is en dat de Doorluchtige Hollandsche Kompanie noit eenige rekogniessie voor dat fort noch aan uwe Hoog „heid noch aan de voorige vorsten van Kranganoor, noch aan niemand wie het ook zijn moge betaald heeft dit verdichtzel steund waarschijnlijk alleen daarop dat eenige aan en

NL-HaNA_1.04.02_3850_0560 view scan ↗

English

some Sheiks and Mocquas have rented small pieces of gardens and rice fields from Your Highness's land tenant outside our limits, and that the lease money for them has been paid annually. I also cannot understand how Your Highness can write that the city of Koetsiem is subject to the Armane, since it is known to the world that the Company, for more than a hundred years, has not only been the independent sovereign of that city, but has also during all that time held and protected the princes of Koetsiem and Kranganoor under its protection, which those princes themselves cannot deny; so that there is not the slightest pretense for diminishing the dignity of the Illustrious Company through such useless pretenses. If there is anything for Your Highness's service, please write to me. Greetings. Underneath stood: Thus translated by me into Tamil. Koetsiem, date as above. Was signed: I. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed: Arnold Lunel, Secretary. 547 Translation. Marathi letter written by the Ambassador of Tipoe Sultan in the name of Abdul Kader to the Noble Lord Governor, received the 16th of December 1789. To the Illustrious Lord, Dutch Governor at Koetsiem, by Abdul Kader, Greetings: I am still in good health and ready to execute Your Honour's commands, and I pray to be informed of your continued well-being and all good news. I have duly received the letter that Your Honour sent me with your lascars, and have forwarded the said letter under my accompanying letters. If there is anything for Your Honour's service, please write to me, with the continuation of our friendship. No. 12. On the envelope was the seal of the said Abdul Kader stamped in black wax. Underneath stood: For the translation according to the reading and explanation of the Maratha Zoennili Settij into Tamil. Koetsiem, date as above. Was signed: I. M. Truijens, Sworn Translator. Agreed: Arnold Lunel, Secretary. No. 13: 548 Copy: Translation of a Tamil ola written by Tipoe Sultan to the King of Trevankoor, received here the 23rd of December 1789: My Faujdars and Amaldars have told me that Your Honour has for 25 years protected the kings of Calicut, Kotta Angadi, Tjerakel, and of several other realms, who have committed much evil and owe much money to the Armene, and that through them you have allowed many hostilities to be committed in the Armanese lands. I did not want to believe this, as Your Honour is very prudent, but upon my arrival at Calicut within these two months I have learned that Your Honour has taken possession of the fort of Kranganoor, which the Dutch held in lease from the Amaldar of Calicut and for which they annually paid the lease money like the inhabitants, and that you have granted shelter there to the king of Calicut and several other thieves, and through them allowed many hostilities to be committed in the Armanese lands. Thus, everything that the aforementioned Faujdar and Amaldars have told me is the truth. The king of Koetsiem has now been allied with the Armene for more than 50 or 60 years, and since the realm of Calicut is under my state, it is unjust that Your Honour has taken half of the realm of Koetsiem and drawn a line there. Your Honour must therefore grant no protection to my enemies, but return them, and level the line that Your Honour has laid in the realm of Koetsiem back to Your Honour's limits, and on your own place you may raise a line as you see fit, and furthermore recall Your Honour's people from Kranganoor. Abdul Kader will inform Your Honour of everything further. I am now sending Your Honour a robe of honor; for the rest I have nothing to write. Underneath stood: For the translation, Koetsiem, date as above. Was signed: Simon van Tongeren, Sworn Translator. Agreed: A. Schachl, First Clerk. Copy: Translation of an ola written by the King of Trevankoor to Tipoe Sultan, the 23rd of December 1789. No. 14. 549 The letters that Your Honour sent with Abdul Kader and the Subedar Ammadoe Oemaar, as well as the pleasant present, were brought here on a good occasion, which has given us particular pleasure. From Your Honour's letters and the verbal information from Abdul Kader, we have understood that we were to deliver up the kings of Tjerakel and several other realms, as well as the wicked people who owe money to the Armene, and tear down the Line drawn through the realm of Koetsiem, and recall our people from Kranganoor, and cause no hindrances to the king of Koetsiem. The King of Tjerakel and several other realms are our friends and have fled here from there out of fear; yet we testify before God that we have neither encouraged nor assisted them therein, much less allowed any hostilities to be committed by them in Your Honour's lands. And during so many years that have passed, the Armene did not make any requests to us about this; but since we have now perceived from your letter that the said kings owe much money to the Armene, we have ordered them to depart from our realm. Furthermore, before the king of Koetsiem became Your Honour's tributary, the king of Calicut held all the lands of the realm of Koetsiem, and in the wars that took place at that time between the said kings, we assisted the former with money and aid, and at that time recovered the lands of the king of Koetsiem. On which occasion the same designated a place in his realm for us to construct a Line, for which we paid cash money, and the said king granted us a deed of cession regarding that place. Thus we have spent much money on it, and the

Dutch transcription

eenige sjegos en Mocquas kleene stukjes tuinen en Zarvelden van uw Hoogheids land pachter buiten onze limiet geheurd hebben en dat de huurpenningen daar van Jaarlijx betaald zijn ook kan ik niet begrijpen hoe uwe Hoogheid schrijven keen dat de stad Roetsiem onder den Armane staat, daar het wereldkundig is dat de Kompanie Ieder meer dan honderd Jaar niet alleen de onafhanklijke opperheer van die stad is maar ook Ieder dien tijd de vorsten van Roetsem en Kranganoor onder haare protextie gehad en beschermd heeft het geen die vorsten zelve niet kunnen ontkennen: zoo dat 'er geen de minste schijn voor handen is om door zulke nutege voorgeevens de waardigheid van de Doorluchtige Kompanie te diklineeren Hier iets van uw Hoogheids dienst, zijnde gelieve mij be schrijven. salut /onderstond/ zoodanig door mij in 't Tarnoelsch overgezet Roetsiem dato als vooren /was geteekend/ I: M: Truijens Go Transl: Akkordeerd Arnold Lunel sekrets: 547 Translaat. Maratsche brief door den Ambasadeur van Tipoe Sultan in naame Abdul 28 Kader gesz: aan den Edelen Heer Goeverneur ontvangen den 16:e December 1789. -: Aan den Doorluchtigen Heer Hol„ „landschen Goeverneur te koetsiem, door Abdul kader Salut: Jk bevinde mij tot noch welvaarende en berijdwillig tot uw Edele beveelen en verzoeke Deszelfs aanhoudenden welstand en alle goede tijdingen te bedeelen. Ik heb den brief dien uw Edele met deszelfs laskorijns mij toegezonden heeft behoorlijk ontvangen, en hebbe gem: brief onder mijne gelijde letteren voort„ „gezonden: Hier iets van uw Edele dienst zijnde gelieve mij te schrijven onder volharding van de vriendschap. N„o 12. n Op het koevert stond het Zegel van gem: Abdul kader in Zwart lak gedrukt /:onderstond:/ voor de Translaatsie volgens leezing en verstaan geeving van den Ma„ „ratter Zoennili Settij in het tamoelsch koetsiem dato als vooren /:was getee„ „kend:/: I: M: Truijens gezw: Translateur„ Akkordeerd Arnold Lunel sekret: gem ateur N„o 13: 548 Kopij: Translaat Tamoelsch ola door Tipoe Sultan geschreeven Aan den koning van Trevankoor alhier ontvangen den 23: December 1789: Mijne Pausidaars en Amaldaars hebben mij Ge„ „zegt dat uwEd: de koningen van halikut, kotta Angadi, Tjerakel, en van meer andere rijken, de welken veel quaad geploegd hebben en veel geld aan den Armene schuldig zijn nu 25: Jaaren lang protegeerd en door dezelven veele hosteliteiten in de Armaneese landen liet pleegen. Jk heb zulx niet willen gelooven wijl uwE: daartoe zeer ver„ standig is, maar met mijn komste op kalikut in deeze twee maanden heb ik verstaan, dat uw E: het fort kranganoor het welk de Hollanders van de Amaldaar van kalikut in pacht gehad en Jaarlijx daar voor de pacht penn: /:gelijk de Jnwooners:/ opgebragt hebben tot zich genoomen en aldaar aan den koning van kalikut en meer andere Dieven Schuilplaats verleend had en door door dezelven veele hosteliteiten in de Armeenesche landen liet pleegen. dus is al het geen dat voorm: Bausidaar en Amaldaars mij gezegt hebben de waarheid. De koning van koetsiem is nu ruim 50: of 60: Jaaren met den Armene verbonden, en wijl het rijk van kalikut onder mijn staat; zoo is het onbillijk dat uw E: de helfte van 't koetsiemsche rijk tot zich genoomen en daar een linie getrok„ „ken heeft, uw E: moet derhalven aan mijne vij„ „anden geen protextie verleenen. maar dezelven terug leeveren ende linie die uwE in het hoet„ „siemsche rijk gelegt heeft tot uwE: limiet na slegten en op u plaats kund gij naar goed dunken linie opwerpen en voorts uwE: volk van kranga„ „noor ontbieden Abdul Kader zal uw E: verders alles infor„ „meeren Thans zend ik uwE: een eere kleed voor het overige heb ik niets te schrijven /:onderstond :/ voor de Translaatsie koetsiem dato als vooren /:was getver:/ Simon van Tongeren Gezw: translateur Atkordeerd. e A Schachl Eg klerk sche 549 De brieven die uwE: met Abdul kader en den sobdaar Ammadoe oemaar gezonden heeft, als ook het aangenaam Prezent zijn op een goede Geleegenheid alhier aangebragt die ons tot bijzondere genoegen gestrekt heeft uit uwE: brieven en mondeling informaatsie van Abdue hader hebben wij verstaan, dat wij de koningen van Tjerakel en meer andere rijken als ook de slechte Menschen die aan de Arme„ „na geld schuldig zijn uitleeveren en de Linie die door het koetsiemsche Rijk getrokken is afbreeken, en ons volk van kranganoor opbieden en aan den koning van hoetsiem geen hinder„ „nissen toebrengen moesten. De Koning van Tjerakel en meer andere rijken zijn onze vrienden en zijn uitvreeze van daar dit heen gevlucht, doch wij betuigen voor god, Kopij Translaat ola door den koning van Trevankoor geschreeven Aan Tipoe Sultan den 23: December 1784:—. N„o 14. dat dat wij dezelven daar toe niet aangemoedigd noch behulpzaam zijn geweest, noch minder door hen eenige hosteliteiten in uw E: landen hebben laaten pleegen en nu zo lange Jaaren geleeden heeft, de Armene ons hier over niet verzocht, maar wijl wij thans uit uwen brief ontwaard hebben, dat gem: koningen veel geld aan den Armene schuldig zijn, zoo hebben we hen aangezegt uit ons rijk te gaan voorts dat de koning van koetsiem uw E: tribu„ „tair geworden is, heeft de koning van kali„ „kut alle landen van't koetsiemsrijk onder zich gehad en in de diertijds geweesenen oorlogs tusschen gem: koningen, hebben wij de eerst genoemde met geld en hulp geas„ „sisteerd en in die tijd de landen van den ko„ ning van koetsiem herwonnen, bij welke Gelee„ „genheid heeft dezelve ons een plaats in zijn rijk aangeweezen om een Linie aante leggen waar voor hebben wij kontant geld betaald en gem: koning heeft een bewijs van afstand nopens die plaats aan ons verleend, dus heb„ „ben wij daar aan veel geld veronkost en de

NL-HaNA_1.04.02_3850_0571 view scan ↗

English

550 the Line was constructed, which is now 25 years ago; this is the true state of this matter and until now not the least dispute has arisen concerning this. No hindrance will be caused to the King of Cochin from our side, nor will this happen in the future. By the Treaty that was concluded between the English Company and Your Honour, we are also recognized, and at that time Your Honour would well have known that the above-mentioned Line belonged to us. We bought the fort of Cranganore from the Dutch, with the contract that the same belongs to them alone in lawful ownership, without belonging to anyone else, and we shall not grant shelter in the same to any evil people nor to any thieves. We have now asked the Dutch at Cochin whether we, according to Your Honour's letter, should summon our people away from the fort of Cranganore; they answered us that they had received a letter from Your Honour regarding that fort and had answered the same, from which Your Honour will be able to perceive everything clearly. Because we can do nothing without the prior knowledge of the English Company, we have made all these matters known to the Governor of Madras; as soon as we receive the reply, we shall answer the matters that Your Honour has written to us. We now send a small present and request that you kindly accept the same. Below stood: For the translation, Cochin, date as before. Was signed: S. van Tongeren, Sworn Translator. A. Schachl, First Clerk. Agrees. 551 No. 15. To the Honorable W. J. van de Graaff Esqr President and Governor &ca. Council at Columbo Military Department Gentlemen: In Consequence of the late purchases of Cranganore and Jacottah, made by the Rayah of Trevancore from your Nation, some discussions have taken place with the Nabob Tippoo Sultan, who has disputed the right which the Dutch had to sell the above mentioned places, without his Consent. That we may be fully acquainted with this subject, we shall esteem it a favor if you will give us the most particular information in your power upon the following points. We wish to know whether the Dutch obtained possession of the above mentioned places from the Portugueze; upon what terms the Portugueze held them; upon what terms they were transferred; and whether from the time your Nation possessed them until the late period when they were purchased by the Rayah of Travancore any Rent or Tribute has been paid to the Amildars of Calicut or others, or any Sovereignty acknowledged. It is asserted by the Nabob Tippoo Sultan that a rent was yearly paid by the Dutch, to the Amildars of Calicut which is a Tributary to Mysore; on the other hand, it is maintained by the Rayah of Travancore, that Cranganore and Jacottah, belonged solely to the Dutch; that the Rayah of Cochin had no Claim whatever upon them; that the Dutch have had possession to the present period, during one hundred and thirty five years, and that they never paid a single cash to the Rayah of Cochin as a yearly tribute for the above Places. In order to ascertain what is the fact, amidst such Contradictory assertions, We request you will furnish us with authentic Copies of all Deeds and Documents respecting Cranganore and Jacottah, and 552 Communicate to us such particulars as may enable us to adopt a Line of Conduct upon the principles of Strict Justice towards all Parties. We have the honor to be, Gentlemen, your most obedient humble Servants, Signed by John Hollond, Jas. Hy. Casamayor, & Edwd. Jno. Hollond. Dated Fort St. George 7th. December 1789. In margin signed: Geo. Juli Marten Ev. sion 553 Copy Translation English letter Military Department To the Right Honorable, Highly Esteemed Sir W. J. van de Graaff, President and Governor, along with the Council, at Colombo. Right Honorable, Esteemed Sir and Gentlemen: The late purchase of Cranganore and Ayacotta by the Rajah of Travancore from your nation has given occasion to some inquiries with the Nabob Tippu Sultan, who has disputed the right that the Dutch had to sell the aforementioned places without his consent. In order that we might be fully instructed regarding this subject, we shall consider it a favor if your Honors will provide us with the most complete information possible regarding the following points: We wish to know whether the Dutch obtained the possession of the mentioned places from the Portuguese; on what footing the Portuguese possessed the same; on what conditions the Portuguese surrendered them to them; and whether since the time that your nation has had the aforementioned places in possession, until the late moment when they were bought by the Rajah of Travancore, any rents or tribute have been paid to the Amildars of Calicut, or others, or whether any sovereignty has been acknowledged. Tippu Sultan maintains that the Dutch paid a yearly rent to the Amildars of Calicut, which country pays tribute to Mysore; on the other hand, the Rajah of Travancore asserts that Cranganore and Ayacotta belonged solely to the Dutch; that the Rajah of Cochin has no pretension whatsoever to the mentioned places; that the Dutch have been in possession thereof until the present moment for one hundred and thirty-five years; and that they never paid a single doit to the Rajah of Cochin by way of yearly tribute for the mentioned places. In order to be able to judge this matter in the midst of such contradictory assertions, we request your Honors to provide us with such authentic copies of all deeds and documents concerning Cranganore and Ayacotta as may be sufficient to guide our conduct in this regard.

Dutch transcription

550 de Linie aangelegt dat nu 25: Jaaren geleeden is, dit is de waare toedrag van deeze zaak en tot noch toe is hier omtrent het minste geschil niet ontstaan Aan de koning van Koetsiem zal van onze zijde geen hindernisse toegebragt worden en zal ook in 't vervolg niet geschieden. — Bij het Traktaal dat tusschen de Engelsche kompanie en uwE: geslooten is; staan wij ook bekent en toen zoude uw E: wel geweeten heb„ „ben, dat boven gemelde Linie ons toe hoorde wij hebben het fort kranganoor vande Hollanders gekocht, met het kontrakt dat het zelve haar alleen in wettigen eigendom toehoord, zonder aan niemand anders, en wij zullen in het zelve aan geene quaade Menschen noch aan eenige dieven schuilplaats verleenen, Thans hebben wij aan de Hol„ „landers te koetsiem gevraagd, of wij volgens uwE: schrijven ons volk van het fort kran„ „ganoor zouden ontbieden, zoo hebben zij ons g'antwoord, dat ze nopens dat fort van uwE: een brief gekreegen en denzelven be antwoord gen ribu gen ld and t antwoord hadden waar uit zal uw E: alles duidelijk zal kunnen ontwaare. wijl wij zonder voorkennis van de Engelsche kompanie niets doen kunnen; zoo hebben wij alle deeze zaaken aan den Goeverneur van Madras bekend gemaakt, zoo dra wij het antwoord krijgen zullen wij de zaaken die uw E: aanons geschreeven heeft beantwoorden Thans zenden wij een kleen prezent en verzoeken het zelve geneegentlijk te ak„ cepteeren /:onderstond:/ voor de Translaatsee koetsiem dato als vooren /:was get:/ S: van Tongeren Gezw Translateur A . Schachl Egklerk Akkordeerd. 551 N„o 15. Jothe Honorable W. J. van de Graaff Esqr President and Governor &ca. Council at Columbo Military Department Gentlemen: In Consequence of the late purchases of Cranganore and Jacottah, made by the Rayah of Trevancore from your Nation some discussions have taken place with the Nabob Sippoo Sultain, who has disputed the right which the Dutch had to fell the above mentioned places, without his Consent That we may be fully acquainted with this subject, we shall esteem it a favor if you will give us the most particular infor- mation in your power upon the following points We wish to know whether the Dutch obtained possession of the above mentioned places from the Portugueze; upon what terms the Portugueze held them – upon what terms they alle sie t: they were transferred; and whether from the time your Nation possessed them untill the late period when they were purchased by the Rayah of Travancore any Rent or Tribute has been paid to the Amildars of Calicut or others, or any Lovereignty acknowledged It is asserted by the Nabob Tippoo sultaan that a rent was yearly paid by the Dutch, to the Amuldars of Calicut which is a Tributary to Mysore on the other hand, it is maintained byj the Rayah of Travancore, that Cranganon and Jacottati, belonged solely to the Dutch that the Rayah of Cochin had no Claim whateven upon them – that the Dutch have had possession to the present period, during one hundred and thirty five years, and that they newer paid a single bash to the Rayah of Cochin as a yearly tribute for the above Places. In order to acertain what is the fact, amidst such Contradictory assertions We request you will furnish us with authentick Copies of all Dees and Documents respecting Cranganore and Jacottah, and Com„ 552 Communicate to us such particulars as may enable us to adopt a Line of Conduct upon the principles of Strict Justice towards all Parties. We have the honor to be. Gentlemen- your most obedient Able Servants, Signed by John Hollond, Jas He Casamayor, & Edwd. Jno. Hollond (Dated) Fort St. George 7th. December 1789. in margin signed) Geo, juli Marten Ev. s ion 553 Kopij Translaat Engelsche brief Militair Departement Aan den Weledelen Gestrengen Heer W: I: van de Graaff, President en Goeverneur nevens den Raad, te Kolombo. Weledele, Gestr: Heer en Heeren: De laatste koop van kranganoor en Aikotta, door den Rajah van Trevankoor van uw weld: naatsie heeft tot eenige Onderzoe„ kingen geleegenheid gegeeven met den Nabab Tipoe Sullan, die het Recht betwist heeft, 't welk de Hollanders hadden, voormelde plaat„ zen buiten zijn toestemming te verkoopen. Op dat wij ten vollen nopens dit onderwerp mogten geinstrueert zijn, zullen wij het voor een gunst achten, indien uw welEd: ons de kompleetse Jnformaatsie, die moogelijk is, willen besorgen nopens de volgende Pointen: Wij wenschen te weeten, of de Hollanders de bezit„ ting der gemelde plaatsen van de Portuggeken geobtineert hebben; op welken voet de Portugee„ zen dezelve bezeeten hebben; op welke kon„ dietsies de Portugeezen hen overgegeeven hebben; en en of zedert de tijd, dat uwe naatsie voorschree „ven plaatzen in bezit gehad heef, tot de laatste Tijdstip, wanneer ze door den Rajak van prevankoor gekogt wierden, eenige Renten of Tribuut betaald zijn aan de Amildars van kalikut, of anderen, dan wel of 'er eenige soevereniteit erkend is. Tipoe Sultan houdt staande, dat de Hol„ landers Jaarlijks aan de Amildars van Kalikut eene Rente betaald hebben, welk land aan Maisoer Jnbuut betaald, aan de andere zijde verzeekert de Rajah van Trevankoor, dat kranganoor en Aikotte alleen aan de Hol„ landers behoord hebben; dat de Rajah van Koetsiem geen Pretensie heeft, hoe genaamd, op gemelde plaatzen; dat de Hollanders tot den presenten tijdstip in 't bezit daar van geweest zijn, geduurende een honderd en vijf en dertig Jaaren; en dat zij nimmer een enkelde duit aan den Kajah van koetsiem bij wijze van jaarlijks pibuut voor gemelde plaatzen betaald hebben. Om in staat te zijn, deeze zaak in het mid„ den van zoodanige teegenspreekende affir„ maatsies te kunnen beoordeelen, verzoeken wij uw welEdg:, ons zoodanige authontieke kopije van alle Acten en Dokumenten aangaand kranganoor en Aikotta te willen bezorgen als 'er voldoende mogten zijn, ons gedrag ter dien

← previousnext →